Issuu on Google+

KEI-A5 / mei 2009

Sociale stijging in de praktijk

5 KEI KEI kennis足 kennis足 -centrum centrumstede足 stede足 llijke ijke vernieuwing vernieuwing


INHO­ UD THEMA Sociale stijging in de praktijk

KENNIS

NETWERK 2

3 KEI-opinie 7 Thema-artikel 12 Column 13 Beschouwing 16 Rondetafel­gesprek

2 Wijk in beeld 2 25 Vraag & Antwoord 29 Competentie­wijzer 26 Project in beeld 30 Hoe is het nu met? 34 Recente literatuur

6 Activiteiten 3 39 KEI-goed 40 YURPS column 42 KEI-partners

A5 vernieuwd De stad is nooit af en KEI dus ook niet. Een vernieuwende stad vraagt om vernieuwende communicatie. Daarom een nieuwe A5. In kleur, met meer achtergronden en nieuwe inhoud. Maar het formaat is vertrouwd: A5. U kunt A5 voortaan in drieën delen, ieder met een eigen kleur: een deel over het netwerk van KEI en de partners, met daarin alle informatie over aankomende bijeenkomsten, KEI-formules en -diensten; een kennisdeel met bijvoorbeeld projectbeschrijvingen, recensies en een ‘vraag & antwoord’; en een thematisch deel waarin we de verdieping zoeken. In dit nummer trappen we af met ‘sociale stijging in de praktijk’. Wat zien we ervan? Is het aanbod voldoende? En hebben we het over hetzelfde als we praten over sociale stijging? De nieuwe A5 is doorregen met ‘ruiten’. Symbool voor de doorkijk op de stad die KEI biedt. Een doorkijkje in kleur. Immers, stedelijke vernieuwing is niet zwart-wit. Stedelijke vernieuwing is full colour. Colofon KEI kenniscentrum stedelijke vernieuwing is een landelijk opererende kennis- en netwerkorganisatie op het gebied van de transformatie van de stad. KEI bundelt kennis en expertise en geeft een impuls aan de stedelijke vernieuwingsen herstructureringsopgave. Het doel van KEI is om zowel de kwaliteit als het tempo van de opgave te verhogen. KEI brengt daarvoor partijen bij elkaar en treedt op als inter­ mediair. Ruim 260 partners ondersteunen KEI inhoudelijk en financieel, waaronder de rijksoverheid, ontwikkelaars, bouwers, gemeenten, corporaties, ontwerpers en advies­ bureaus. Organisaties die actief en vernieuwend opereren in de stedelijke vernieuwing, die het aandurven om hun kennis en ervaringen met anderen te delen en zo gezamenlijk stappen vooruit te zetten

› www.kei-centrum.nl/overkei KEI kenniscentrum stedelijke vernieuwing Kruisplein 25 r Postbus 897, 3000 AW Rotterdam T 010 282 51 55 F 010 413 02 51 E info@kei-centrum.nl A5 is een uitgave van KEI kenniscentrum stedelijke vernieuwing en verschijnt eens per kwartaal. tekstproductie, redactie en coördinatie: KEI en Dorien Kasteleijn samenstelling: KEI-bureau ontwerp: Beukers-Scholma, Haarlem druk: Zwaan printmedia, Wormerveer fotografie: Guido Benschop HH (p. 6 en 41), Reinout van den Bergh HH (p. 11), Ellen Kok HH ( p. 41), Christian van der Kooij (p. 20-21), Luuk van der Lee HH (p. 30), Wim Oskam HH (p. 31), Ruud Ploeg (p. 22), David Rozing HH (p.33), Bob van der Vlist (omslag, p. 17 en 26)


KEIOPINIE Sociale stijging, een concept op zoek naar een kader Olof van de Wal directeur KEI

Drie jaar na de introductie van het begrip sociale stijging in de stedelijke vernieuwing is de waarde ervan alleen maar toegenomen. Als concept is het onmiskenbaar verbonden met het wijkenbeleid en het is steeds meer de inzet voor de effectiviteit van projecten en programma’s. Maar, wat zien we ervan? Is het aanbod voldoende, of spelen we kluitjesvoetbal rond bepaalde thema’s en laten we andere liggen? Zijn we voldoende volhardend, laten we ons niet te veel betoveren door het nieuwe? Sociale stijging is een begrip waar ieder­ een wel een invulling aan kan geven. Dat maakt het juist ook kwetsbaar. Hebben we het over de nieuwe maakbaarheid (omhoog duwen) of over een geraffineerde vorm van liberalisme (belemmeringen wegnemen)? Een anekdote helpt. Een van de meest aan­ sprekende ontmoetingen dit prille jaar had ik met Jamila Achacha. Het was tijdens een bezoek van het KEI-bestuur aan verschillende projecten in Nederland. Achacha vertelde over haar geestes­ kind Ladyfit, een sportvereniging van en voor

vrouwen in Utrecht. Begonnen als een aerobicsklas voor acht Nederlands-Marokkaanse vrouwen is de vereniging inmiddels uitgegroeid tot ruim 800 leden van divers pluimage en een groot aanbod aan sporten. Dat is het kale succesverhaal. Leuk, natuurlijk, en inspirerend. Maar het zijn vooral de indirecte effecten die me bij­bleven van haar verhaal. Achacha vertelde over de betekenis van Ladyfit voor haar en andere vrouwen. Uiteraard, ze zijn fit en ze ontmoeten elkaar. Dat is, zou je kunnen zeggen, de output. Maar er is meer. Achacha is, na haar studie fysiotherapie, begonnen met een studie bestuurskunde. Ze werkt als projectleider bij Movisie. Naast werk en studie gaf ze het bestuur van de vereniging professioneler vorm. Een voormalig medebestuurslid is eveneens begonnen met een studie bestuurskunde, een ander is inmiddels betaalde kracht bij de vereni­ ging. De leden vormen een diverse groep en dragen stevig bij aan het verenigingsleven. Dat is de outcome, oftewel de neveneffecten, die voor ieder verschillend zijn, maar wel bijzonder krachtig. Hoe is het hen gelukt? Merendeels is dat natuur­ lijk op eigen kracht geweest, dankzij het enthou­ siasme en de ambitie van een paar aanjagers. Maar het begon met een overheidsprogramma: de buurt aan zet. En vooral een bijzonder goede, want zeer terughoudende begeleiding van stich­ ting Image Support. Iedere aanvechting om het project uit handen te nemen en het sneller, beter, anders te doen is vermeden. Daarmee bleef de professionele pampering achterwege. Een prachtig voorbeeld van sociale stijging in de praktijk. Langs de route die de VROM-raad nog het minst heeft uitgewekt in Stad en stijging, namelijk vrije tijd. Het is zo mooi, omdat het zo weinig van doen heeft met maakbaarheids­ idealen, waarin degene die maakt nooit samenvalt A5 NR 27 / mei 2009

3


LOGBOEK

Het KEI-logboek geeft een overzicht van recente KEIactiviteiten, projecten die op stapel staan en verschenen publicaties.

› www.kei-centrum.nl/netwerk

10/02 16/03 16/04 13/05 KEI-stadslab Lelystad

G27-publicatie (i.s.m KEI): Sociaal en fysiek verbonden: het geheim van het hoe

YURPS-lab Dorpshart Duivendrecht

Slotconferentie ontwerplab Krimp KEI-kennistrip Gemeenteraad Rotterdam

24/02 19/03 22/04 20/05

KEI-atelier reken­methoden

KEI-vrjrsparty Holtenbroek (Zwolle)

KEI-stadslab Palenstein (Zoetermeer)

VROM-KEI-atelier

25/02 26/03 23/04 18/06

YURP’s-sociëteit Hengelo

4

KEI-inspiratieteam Utrecht

KEI-inspiratieteam Grauwe Polder (Etten-leur)

KEI-inspiratieteam Zaanstad


met degene die gemaakt wordt. Net zo min als het iets van doen heeft met de overtuiging dat als je maar hard genoeg wilt, je er vanzelf wel komt. Het gaat wel om persoonlijke ambitie, omdat het weinig zin heeft mensen de ladder op te duwen. Dat lang niet iedereen ‘omhoog’ wil, zoals Klaas Mulder schrijft in Buurtbewoners in balans is dan minder interessant. Maar het gaat er ook om te herkennen dat die ladder tolpoorten heeft, waar niet iedereen vol­ doende ‘wisselgeld’ voor heeft. Als we die niet accepteren (en dat doen we niet) dan moeten we weten waar die tolpoorten staan, hoe we ze weg kunnen nemen en wie dat kan. Daar komen over­ heid en maatschappelijk middenveld om de hoek kijken. Maar dat kan alleen wanneer voorop blijft staan dat sociale stijging een verantwoordelijk­ heid van burgers is, niet van instituties. Zo schrijft Vulperhorst in zijn essay Sociale agenda voor corporaties: ‘Alleen waar burgers tegen belemme­ ringen oplopen, kunnen interventies van insti­ tuties bijdragen aan het scheppen van kansen’.

nog niet, Vulperhorst meent zelfs dat ‘de ‘volks­ huisvestingswetenschap’ ten aanzien van de sociale agenda dan ook met lege handen staat’. Dat is te somber. Op onderdelen zijn we al vrij ver, neem bijvoorbeeld de effectenarena van de SEV, vertaald naar effecten in beeld in De vrijblijvend­ heid voorbij. Maar we zijn er nog niet. Stap twee is: wat te doen met het toetsingskader. Hoe richten we het in? De grootste fout die we kunnen maken is institutionaliseren. Als we eenmaal zo’n kader hebben, moeten we vooral niet te moeilijk doen over het herkennen van de belemmeringen. We hebben het over individuele ambitie of ondernemingszin als drijvende kracht. Daarin moeten we zo dicht mogelijk blijven bij degene om wie het draait. Als het niet de persoon zelf is, dan is het wel de school, corporatie et cetera. We komen dan al snel op het niveau van de buurt, in sommige gevallen de wijk.

Vaak gaat het bij het herkennen van de belem­ meringen in eerste instantie om het verbinden Wat is dan wel de verantwoordelijkheid van of koppelen van bestaande programma’s of instituties? Die ligt in het herkennen van de tol­ werkwijzen. Ook daar zijn inmiddels de nodige poorten en in het doseren. Nog steeds worden stappen in gezet. Neem bijvoorbeeld de MOMvoor hetzelfde probleem meerdere oplossingen manager, die vorig jaar is begonnen in Tilburg. aangedragen, terwijl andere onderbelicht blijven. Of, een wat ouder voorbeeld, de ‘spinnen’ van het Kluitjesvoetbal. Maar hoe herkennen we dat? ABCD-project in Delfshaven. Op het niveau van Om te beginnen door het kader waaraan we de de wijk of de buurt moeten mensen aan het werk doelstellingen toetsen om ze scherper te krijgen. die voldoende speelruimte krijgen en geven – De vier stijgingsroutes uit Stad en stijging bieden noem het ondernemingsruimte. hiervoor een eerste stap. Maar er is meer nodig. Leeftijd, of levensfase, blijft als criterium zinvol Daar ligt momenteel een interessante opgave. en zo zijn er meer te bedenken. Als we sociale stijging daadwerkelijk handen en voeten willen geven, dan moeten op de eerste Sociale stijging als toetsingskader kan helpen stappen van de VROM-raad andere stappen herkennen wie wel mee wil doen maar niet kan, volgen, zowel in instrumentarium (het toetsings­ en waarom hij of zij dat niet kan. En vooral, het kader) als in werkwijze (de ondernemingsruimte). kan worden ingezet om de effectiviteit van de gekozen oplossing te toetsen, zowel in zijn directe › www.kei-centrum.nl/opinie als indirecte resultaten. Zo’n toetsingskader is er A5 NR 27 / mei 2009

5


⁄ KEI-THEMA

THEMA: Sociale stijging in de praktijk

6

/ KEI-THEMA


De wijk: lanceer­platform of trampoline?

André Ouwehand is senioronderzoeker bij Onderzoeksinstituut OTB, TU Delft en projectleider voor het ‘Platform Corpovenista’

André Ouwehand Met het advies Stad en stijging heeft de VROM-raad niet minder dan een koerswending willen veroorzaken in de wijk- en stedelijke vernieuwing. Met succes. De VROM-raad heeft de vraag van de minister om te adviseren over de relatie tussen sociaal en fysiek vernuftig uitgebreid en in een veel bredere context geplaatst. Weg uit de sfeer van de moeizame samen­ werking tussen (beleids)werkers uit de beide sectoren en weg uit de hoek van de leefbaarheid. Doel is de focus meer te richten op wat het leven van mensen in sterke mate bepaalt: de alledaagse zorgen om rond te komen en de ambities om vooruit te komen. In het advies koos de raad voor een licht polemische insteek. Stenen stapelen kan mooi zijn, maar fysiek werd als tweede geplaatst in de hiërarchie: alleen als gevolg van de aandacht voor het sociale. En met de kop ‘sociale stijging’ was gelijk een brug geslagen naar twee beleidsvelden in het grotestedenbeleid die steeds in de marge bleven en hun eigen koers volgden: onderwijs en economie. Aansluiting op praktijk Het advies kreeg brede erkenning in de beleidswereld en werd gemeen­ goed in de alledaagse praktijk van de wijkvernieuwing. Het zorgde niet alleen voor een paradigmawisseling, maar gaf de wijkvernieuwing een nieuw elan dat door veel mensen, met uitzondering van de VVD en de PVV, herkend wordt. Het advies was succesvol omdat het sterk aansloot op allerlei lopende initiatieven: de foyers voor jongeren, de brede school, aandacht voor de wijkeconomie, Thuis Op Straat en de Cruyff- en Krajicek-courts. Het bood een inventieve beleidsparaplu voor allerlei buitengewoon sympathieke projecten en zette aan om de wijkaanpak te starten vanuit de ambities van de bewoners.

A5 NR 27 / mei 2009

7


Kortom, er was sterke behoefte aan die koersverandering in beleid. Het grotestedenbeleid was verzeild geraakt in een bureaucratisch moeras waarbij nog slechts enkele bestuurders en beleidsadviseurs zich senang voelden, maar wat geen weerklank meer vond in de praktijk. Een nieuwe wijkaanpak Stad en stijging heeft de wijkvernieuwing weer op de kaart gezet. De tekst van het gezamenlijke aanbod van de corporatiesector, waartoe zij door minister Winsemius indringend was uitgenodigd, sloot nauw aan bij het advies. En het in 2007 kersverse kabinet Balkenende IV noemt Stad en stijging zelfs de basis van de nieuwe wijkenaanpak. Inmiddels zijn we zo’n tweeënhalf jaar verder en halverwege de zittings­ termijn van het kabinet, dat bij de lancering van de wijkenaanpak met nadruk heeft gezegd dat het een proces is van lange duur en dat je zeker tien jaar uit moet trekken om resultaat te zien. Het enthousiasme is nog steeds groot, zo bleek uit honderden bezoekers voor het congres De nieuwe wijkaanpak?! van Corpovenista en de werkconferentie van de Buurtalliantie. We zien in de wijken heel veel aandacht voor de sociale dimensie in de aanpak. Het gaat al lang niet meer alleen om sloop en nieuwbouw, hoewel dat in de pers nog steeds een dominant issue is.

”Een kortstondig gevoel van gelukzaligheid om vervolgens toch weer met beide benen op de grond te komen.“ Als je de wijkplannen van gemeenten doorneemt, zie je een breed palet aan interventies. Vaak kom je plannen tegen voor brede scholen, multi­ functionele accommodaties, Cruyff- en Krajicek-courts, of andere voorzieningen voor de jeugd. In talloze wijken zie je buurtbudgetten die bewoners zelf kunnen inzetten voor projecten die ze belangrijk vinden en in vrijwel elke folder over de wijkaanpak is wel een foto te vinden van het team dat bij de bewoners ‘achter de voordeur’ op bezoek gaat om hen te helpen en te adviseren bij het rondkomen en vooruit­ komen. Wat dat betreft zitten we naar mijn idee al lang niet meer in een fase van ‘vrijblijvendheid’ zoals sommige columns en publicaties over de wijkaanpak veronderstellen. Lanceerplatform? Dat wil nog niet zeggen dat met al die nieuwe aanpakken de wijk een

8

/ KEI-THEMA


stevig lanceerplatform is geworden voor de carrière van elke bewoner en dat het wel goed zit met de queeste van de VROM-raad. Er is nog niet veel onderzoek uitgevoerd dat licht werpt op de betekenis van de nieuwe wijkaanpak. Onderzoek in Hoogvliet (Veldboer et al. 2007) maakte duide­lijk dat objectief gezien weinig mensen zijn gestegen op de maat­ schappelijke ladder. Het effect is subtieler: het proces heeft bij de bewoners hun zelfwaardering op gang gebracht door nieuw woningen woonplaatsperspectief en door assertief sociaal beleid. ‘Verhuizingen door sloop en nieuwbouw kunnen mensen letterlijk in beweging brengen om hun sociale positie ook op andere terreinen dan het wonen te verbeteren’, zo stellen Veldboer c.s. Voor veel bewoners is sociale stijging niet het belangrijkste. Een groot deel van de wijkbewoners kijkt inmiddels terug op een arbeidzaam leven, voor hen gaat het meer om een woning die tegemoetkomt aan hun wensen en behoeften en om leefbaarheid. De wijkaanpak kan bewoners, voor wie het rondkomen en vooruitkomen wel bovenaan de agenda staat, betere randvoorwaarden bieden en een zetje in de rug geven, maar daarmee zijn harde structurele factoren als ongelijkheid in kennis, inkomen, macht en ontwikkelingsmogelijkheden nog niet direct veranderd.

‹ Literatuur › Rosenberg, Freddie, Edgar Wever, Annelien Thedinga & Rebecca Wouters (2008) Investeren in mensen, evaluatie van projecten behorende bij het experimententhema van de SEV. Uitgave SEV (www.sev.nl). Veldboer, L., Duyvendak, J.W., Kleinhans, R. & N. Boonstra (2007) In beweging brengen en richting geven. Herstructurering en sociale stijging. Uitgave deelgemeente Hoogvliet (www.hoogvliet.nl).

Snelle resultaten Ondanks de waarschuwingen van de VROM-raad en de aanvankelijke voorzichtigheid vanuit het kabinet, zien we dat er in de beleids­ praktijk en het maatschappelijk debat een enorme behoefte is aan snelle resultaten. Dat heeft alles te maken met het cijferfetisjisme van de toe­nemende ‘planning and control’ en het gepolariseerde politieke en maatschappelijke debat. In vrijwel alle wijkplannen kom je doel­stellingen tegen die ‘smart’ geformuleerd zijn, zowel wat betreft de directe resultaten (output) als de maatschappelijke effecten (outcome). Vaak is de doelstelling dat de wijk over vier of acht jaar op het stedelijk gemiddelde moet uitkomen wat betreft de waardering van de leefbaar­ heid, de mutatiegraad van de woningen, maar ook het percentage bewoners dat een bijstandsuitkering ontvangt. Zelden wordt duidelijk hoe die doelstellingen zich verhouden tot de specifieke plaats van de betreffende wijk in de stad, de specifieke functie van de daar aanwezige woningvoorraad op de stedelijke en regionale woningmarkt of hoe het gebruik van de bijstand gemeten wordt: op persoonsniveau of wijkniveau. Laat staan dat duidelijk is hoe een en ander geduid moet worden in de huidige financieel-economische omstandigheden. A5 NR 27 / mei 2009

9


Leren in de wijkaanpak Wat we missen in de huidige aanpak is een lerende houding. Sociale stijging, achterblijvende opleiding en arbeidsparticipatie, opvoedings­ problemen; het zijn allemaal buitengewoon hardnekkige en structurele aangelegenheden. Die zijn niet opgelost met een enkel huisbezoek. Gelukkig is dat ook niet het idee dat overheerst in de wijkaanpak, maar vaak ontbreekt een kader en een attitude waardoor we kunnen leren van de ervaringen. Te snel is er behoefte aan positief resultaat, er is te weinig reflectie en onderzoek. Wordt er dan helemaal niets gedaan op dat terrein? Er zijn uitzonde­ ringen, zoals de gemeente Nijmegen die de aanpak met huisbezoeken evalueerde en het lef had te concluderen dat deze weinig meerwaarde had, of de provincie Gelderland die uitwisseling van ervaringen tussen de gemeenten organiseert. En er zijn meer pogingen gedaan om grip te krijgen op het effect van sociale interventies, zoals in het rapport Investeren in mensen (Rosenberg et al. 2008). In het Platform Corpove­ nista, waarin dertien grote woningcorporaties en Aedes samenwerken aan kennisontwikkeling op het gebied van de wijkaanpak, staat het ook prominent op de agenda. Trampoline Het is wel illustratief dat als je op de website van het ministerie de zoek­ functie ‘sociale stijging’ of ‘sociale mobiliteit’ intypt, je slechts één relevante hit krijgt. Het ministerie lijkt meer geobsedeerd door de directe resultaten en methoden die ze in beeld brengen zoals de ‘Leef­ baarometer’ en weinig gericht op het krijgen van een vinger achter de mechanismen die sociale stijging bepalen en de (wijk)interventies die daaraan een bijdrage kunnen leveren. De sociale interventies in de wijkaanpak maken van de wijk nog niet direct ‘het’ lanceerplatform voor sociale stijging van de wijkbewoners. Een deel van de bewoners zit ook niet te wachten op een lancering. Voor een ander deel zullen ze een steuntje in de rug betekenen bij het rond­ komen en vooruitkomen en dat is misschien al resultaat genoeg, een kwestie van beschaving. Voor sommige bewoners zal het wellicht niet meer zijn dan een trampoline: een kortstondig gevoel van gelukzalig­ heid om vervolgens toch weer met beide benen op de grond te komen. Is dat erg? Nee, zolang je er niet vanaf valt en je benen breekt, is de poging meer dan de moeite waard; geeft het een gevoel waarmee je toch weer een tijd vooruit kan, waarvan je geleerd hebt. Dat leren moet ook meer voorop staan in de wijkaanpak, waarbij de doelen meer gekoppeld moeten worden aan de reis die bewoners willen maken.

10

/ KEI-THEMA


PARTICULIER INITIATIEF Kanaleneiland, Utrecht

A5 NR 27 / mei 2009

11


COLUMN

Sociale stijging in and out of business? Jasper van der Wal & Bart Lammers

Je leert het meest van de dingen die fout gaan. Daarom een voorbeeld uit de prak­ tijk: een leerbedrijf voor schooluitvallers voor en door de buurt. Dit initiatief is een les­ lokaal, klussenbedrijf en buurtsuper ineen en levert allerhande diensten tijdens het langdurige wijkvernieuwingstraject. Het wordt gerund door het ROC en ondersteund en gehuisvest door de woningcorporatie. Vol goede moed begon het bedrijf twee jaar geleden, maar het blijkt niet levens­ vatbaar en onlangs trokken de partijen de stekker eruit. Wat ging hier mis?

een nieuwe vorm te vinden voor het keren van het urgente maatschappelijke probleem van schooluitval. In plaats van de subsidie­ kraan zochten zij het in een bedrijfsmatig model. De wijktransitie is aangegrepen om werk te vinden en ze vonden er de jongeren om het werk uit te voeren. Als een ware ondernemer zijn ze gewoon gaan doen, maar het is dit keer niet gelukt.

En toch zouden we het initiatief moeten huldigen. Partijen hebben geprobeerd om

› www.kei-centrum.nl/netwerk/ kei-column

Gebrek aan ondernemingszin? Geenszins! Gebrek aan ondernemerschap? Misschien. De opgave is om een dergelijk initiatief twintig keer te herhalen en er niet de brui Het blijkt dat het bedrijf als onderwijsplek aan te geven. Oftewel, hoe maken we een onvoldoende schaal heeft om te kunnen BV Sociale Stijging? De uitgangspunten voor functioneren. De financieringssystemen een dergelijk type onderneming zijn wat bieden geen ruimte voor één begeleider op ons betreft: continuïteit van de operatie, drie leerlingen, maar gaan uit van de tradi­ kwaliteit van product en bewezen onder­ tionele klas van twintig. Er is ook maar wei­ nemerschap. nig vraag in de buurt naar laagdrempelige dienstverlening. En voor de boodschappen Jasper van der Wal is adviseur/ondernemer bij Vannimwegen adviesbureau in Amster­ lopen bewoners wel een blokje om. De dam. Bart Lammers is zelfstandig adviseur school blijkt over onvoldoende acquisitie­ vaardigheden te beschikken om werk op de op het snijvlak van wijkontwikkeling, zorg plank te krijgen. Het leerbedrijf levert onvol­ en welzijn en ondernemer in Buurtdiensten doende kwaliteit waardoor de corporatie het Nederland. Samen initieerden zij het Kop­ groepproject Emancipatiewijk. Zij werken werk in de buurt niet aan het leerbedrijf gunt. Aan enthousiasme was geen gebrek, momenteel samen met KEI aan een essay maar een levensvatbaar bedrijf werd het niet. over het idee van een BV Sociale Stijging.

12

/ KEI-THEMA


1X

BESCHOUWING Fanny Gelissen

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////

Sociale stijging op de volgende trede

Fanny Gelissen is adviseur bij KEI en daarbinnen verantwoordelijk voor het sociale per足spectief.

Wat een verademing was Stad en stijging. Hoe ik, met mijn achter足 grond als socioloog, tegen stedelijke vernieuwing aankeek en vaak had geprobeerd onder woorden te brengen, stond hier nu helder in een document opgeschreven. En tot mijn genoegen is het rapport ook nog eens goed geland in de vakwereld. Het begrip sociale stijging is hele足 maal ingeburgerd en het begrip sociale cohesie is inmiddels op de achtergrond geraakt. Het debat in de stedelijke vernieuwing heeft echt een andere toon gekregen. Het VROM-raadrapport uit 2006, natuurlijk geholpen door het gunstige politieke en economische klimaat van die tijd, heeft hierin een belangrijke rol in gespeeld. Complimenten voor de VROM-raad! Ze heeft met het uitbrengen van het advies de visie van het sociale stijgingsperspectief goed neergezet. Nu zitten we in de fase deze denk足 richting op een aantal punten verder te brengen en in te kleuren. A5 NR 27 / mei 2009

13


Schaalniveau Een van deze punten is de ‘verwijking’ van het concept sociale stijging. Karin van Dreven, lid van de VROM-raad, verwoordde het tijdens de KEI-vrjsparty op 19 maart als volgt: ‘Het gedachtegoed van het sociale stijgingsperspectief is ten onrechte geheel gekoppeld aan het wijken­ beleid’. De wijk is dan wel vaak de vindplaats van problemen, maar dat wil niet zeggen dat de oplossingen hier ook gezocht moeten worden. Veel meer moet de koppeling gezocht worden met ontwikkelingen en beleid op stadsniveau. Denk bijvoorbeeld aan maatregelen om schooluitval of werkloosheid tegen te gaan. Hier heb je op z’n minst rugdekking nodig van het stedelijk beleid. Wanneer en hoe je kunt schakelen tussen het niveau van de wijk en de stad is de centrale vraag in het nieuwste rapport van de VROM-raad Stad en Identiteit. KEI heeft een concept van dit nog te verschijnen advies mogen lezen. De opgave van de raad is meer investeren in stedelijkheid om zo de potenties van de stad optimaal te benutten. Hiervoor moet je de mensen in de stad in contact brengen met andere groepen en andere werelden, die hen helpen hun sociaal-economische en sociaal-culturele positie te verbeteren. De raad noemt dit de ‘schakels’ en ‘verbindingen’ en komt tot een viertal strategieën die kunnen bijdragen aan het optimaal benutten hiervan. Het ambitieniveau van de raad is hoog: deze strate­ gieën moeten een bijdrage leveren aan het vergemakkelijken van investeringsbeslissingen en het betekenisvoller maken van bestaande projecten. Van theorie naar praktijk In Stad en stijging formuleert de raad ook aanbevelingen voor het betekenisvoller maken van projecten. KEI, SEV en het WoonNetwerk onderschrijven deze aanbevelingen en zien hierin een mogelijke oplossing voor het stoppen van de projectencarroussel. Dit zit ‘m in niet steeds maar weer opzetten van ‘leuke’ nieuwe projecten, maar je energie steken in het uitrollen en verstevigen van projecten die hun bijdrage hebben bewezen. Deze visie is uitgewerkt en ingevuld met concrete projecten in de eind vorig jaar verschenen publicatie De vrij­ blijvendheid voorbij. Hiermee is het een instrument om te toetsen of de maatregelen voldoende effectief ingezet worden, te herkennen waar kluitjesvoetbal wordt gespeeld en waar nog gaten liggen. Ambitie Een ander onderwerp waar in het kader van sociale stijging veel over wordt gesproken is het ambitieniveau. Welke stappen op de sociale stijgingsladder zijn realistisch? Is iedereen in staat om te stijgen en wil

14

/ KEI-THEMA


iedereen eigenlijk wel stijgen? Dit zijn vragen die Klaas Mulder, senior adviseur bij Laagland’advies, ook stelt. Zijn antwoord resulteerde in de recent verschenen IPSV-brochure Buurtbewoners in balans. Strekking van zijn verhaal is dat de wijkaanpak zich niet alleen moet richten op sociale stijging, maar ook op het in balans blijven of komen van bewoners. Sociale stijging is voor veel mensen een stap te ver, ze hebben al moeite genoeg om overeind te blijven of niet verder af te glijden. Voor het creëren van deze balans ziet Mulder een nadrukkelijke rol voor de stedelijke vernieuwer, en wel in de rol van facilitator. De val­ kuil is dat corporaties en gemeenten grote ambities hebben over wat ze voor bewoners kunnen doen, maar vergeten te kijken hoe ze die mensen kunnen helpen met het halen van het einde van de week. Voorkom dat de balans zoek raakt tussen moeten en kunnen en doe vooral goed waar je voor bent: het verbeteren van de fysieke omgeving, zorgen voor een betere dienstverlening en een beter functionerende gemeenschap. Hoe verder? Het concept van sociale stijging is, zoals gezegd, geaccepteerd en gemeengoed geworden. Mijn verwachting is dan ook dat de hierboven benoemde publicaties niet zo’n schok in de vakwereld teweegbrengen als Stad en stijging. Je moet het meer zien als de volgende fase in het proces van de geleidelijke inbedding van het sociale stijgingspers­ pectief in de stedelijke vernieuwing. Een fase waarin we te maken hebben met een crisis. We zullen allemaal last (gaan) ondervinden van de wereldwijde reces­ sie. Maar voor mensen onderaan de stijgingsladder zijn de gevolgen het meest schrijnend. Juist daarom moeten we nu hard blijven werken aan het wegnemen van belemmeringen die sociale stijging in de weg staan. Daarbij moeten we wel opletten dat we niet in de kramp schieten en te veel gaan pamperen. We moeten juist de omslag maken naar het faciliteren van sociale stijging. Want als er een ding duidelijk is, dan is het wel dat sociale stijging alleen lukt als de burger zelf verantwoor­ delijk is voor het beklimmen van de sociale ladder.

A5 NR 27 / mei 2009

15


RONDETAFEL­ GESPREK Hans Ouwerkerk

Breder maar sm

Olof van de Wal in gesprek met Karin van Dreven, Evert Leideman en Jan Bron

Mensen willen zich ontwikkelen. Zij willen van nature vooruitkomen in het leven. Stedelijke vernieuwing moet daarom veel meer bijdragen aan de mogelijkheden voor sociale stijging van huidige en nieuwe bewoners in de buurt. Aldus de VROM-raad in het advies Stad en stijging. Deze rapportage krijgt binnenkort een vervolg. Aan de vooravond daarvan praten Karin van Dreven, directeur woningcorporatie HaagWonen en lid van de VROM-raad, Jan Bron, wethouder van onder andere volkshuisvesting en stedelijke vernieuwing in Hengelo en Evert Leideman, directeur van de Zwolse woningcorporatie Delta­ wonen onder leiding van Olof van de Wal, direc­ teur KEI, in een rondetafelsetting over het thema sociale stijging. Conclusie: focus en wees geduldig. Het gesprek heeft plaats in het spiksplinternieuwe Deltion College in de Zwolse wijk Holtenbroek. Het Regionaal Opleidingen Centrum (ROC) heeft de uitstraling van een campus, compleet

16

/ KEI-THEMA

met restaurants, sportruimtes, een theater en een informatiecentrum. Een verrijking voor de naoorlogse wijk die er met dit college een icoon bij heeft en dus een belangrijke rol speelt in de vernieuwing van de wijk. Interpretatieverschillen Kortom, een ideale plek om te praten over het thema sociale stijging. Gespreksleider Olof van de Wal trapt af met de stelling dat er rond het begrip sociale stijging nogal wat interpretatie­ verschillen zijn. ‘Hoe kijken jullie daar tegenaan?’ Jan Bron: ‘Eigenlijk is er sprake van drie golven. Eerst was er de stadsvernieuwing, vervolgens de sociale vernieuwing die werd opgevolgd door een verschuiving naar een integrale beleving. En nu hebben we te maken met het kolomdenken in de vorm van de vier stijgingsroutes, wonen, leren, werken en vrije tijd. Waar het nu naar mijn idee om gaat is accentuering. Wat is belangrijk en hoe doe je dat?’ Karin van Dreven knikt: ‘We moeten


denken mal doen breder leren denken maar smal doen. Als iedereen breed denkt en zijn eigen ding goed doet dan komen we een stuk verder. Daar gaat het om. Sociale vernieuwing richt zich veel te snel op het stapelen van stenen terwijl het er om gaat dat mensen zich ontwikkelen.’ ‘Maar’, zegt Evert Leideman, ‘waar het Olof om gaat is: wat versta je nu echt onder stijgen?’ Van Dreven hoeft over het antwoord niet lang na te denken. ‘Vooruitkomen in het leven. Het is belangrijk dat je ervoor zorgt dat men met kleine stapjes omhoog de ladder kan beklimmen.’ Jan Bron: ‘Er bijvoorbeeld voor te zorgen dat mensen in hun eigen buurt een wooncarrière kunnen maken. Maar’, zo voegt hij daar in één adem aan toe, ‘tegelijkertijd moeten we ons realiseren dat

er een grote groep mensen is die hele­ maal niet mee wil. Die zitten ‘s avonds op de bank en vinden het wel goed zo.’ Verwachtingen Olof van de Wal: ‘Dat sluit aan op de visie van Klaas Mulder van bureau Laagland'advies in Houten, die zegt dat sociale stijging een prachtig ideaal is, maar dat veel mensen daar juist helemaal niet mee bezig zijn.’ Karin van Dreven: ‘Dat valt te betwijfelen.’ Evert Leideman: ‘Je houdt altijd een groep die onderuit op de bank zit en verder niets wil. Dat is op zich ook niet erg. Je moet je richten op de groep die wel wil, maar door omstandigheden niet kan. En dat moet je met activiteiten faciliteren. Maar daarvoor moet je eerst helder hebben wat de wensen en de verwachtingen zijn.’ A5 NR 27 / mei 2009

17


“Het is belangrijk dat je ervoor zorgt dat men met kleine stapjes omhoog de ladder kan beklimmen.”

Jan Bron: ‘Mee eens. We zijn heel nadrukkelijk de wijken ingegaan en hebben de gezinnen bezocht die van de bijstand moeten leven. Je ziet de kinde­ ren afglijden. Vervolgens is daarvoor samen met FC Twente met succes het project Scoren in de Wijk op touw gezet dat zich richt op sport, gezondheid en scholing.’ Karin van Dreven knikt instemmend: ‘Het gaat om het creëren van kansen en daarmee het bieden van perspectief. En dat begint bij dit soort projecten. Ik zie daar ook veel meer in dan in het ontwikkelen van een winkel­ stripje dat totaal geen levensvatbaarheid heeft. Er wordt teveel in zo’n wijk gepropt.’ Gebiedbeheerteams Leideman: ‘Wijkgerichte aanpak heet dat dan. Maar ga nu eerst eens op zoek naar wat er werke­ lijk leeft in zo’n wijk. Wij hebben hier gebied­ beheerteams die echt achter de voordeur kijken. Want dan weet je ook wat er echt nodig is. Zo wilden bewoners in Holtenbroek graag zelf het portiek schilderen. Uiteindelijk hebben we dat gefaciliteerd, waarbij de bewoners hulp kregen van kunstenaars. Hartstikke trots waren zij op het resultaat. Voor mij is dat dus ook een vorm van sociale stijging door de inzet van zeer een­ voudige middelen.’ Olof van de Wal schetst vervolgens het beeld van heel veel activiteiten en coaching. ‘Het heeft veel weg van kluitjesvoetbal zonder dat er echt een toetsingskader is dat inzichtelijk maakt of de maatregelen effect sorteren.’ Karin van Dreven

18

/ KEI-THEMA

is het daarmee eens: ‘Het heeft vaak iets kort­ ademigs. Er moet ook snel resultaat zijn. Terwijl in mijn beleving bij sociale stijging juist geduld nodig is.’ Jan Bron: ‘Het woord proppen viel net al even. Dat vind ik dus ook. Alles moet in één keer gebeuren. Terwijl het beter is om beleid voor de lange termijn uit te stippelen.’ Karin van Dreven: ‘Dat besef is er geloof ik wel. Maar kijk wat er is gebeurd rond de 40-wijkenaanpak. Dat moest en zou toch weer fysiek worden.’ Vervolg De rapportage van de VROM-raad over sociale stijging krijgt een vervolg. Volgens Karin van Dreven een logische stap omdat het eerste advies te veel is opgevat als wijkadvies. ‘Maar het is natuurlijk veel breder. We moeten zoeken naar verbindende schakels tussen wijk, stad en regio. Want dat zijn dus andere werelden met andere sectoren die met elkaar verbonden moeten worden. Een sector als het bedrijfsleven, bijvoor­ beeld, is nu niet of nauwelijks aangesloten bij het debat over stedelijke vernieuwing.’ Leideman zegt daar veel in te zien: ‘Het is ook belangrijk om te zoeken naar de beïnvloeders van sociale stijging. Neem het voorbeeld van Jan van FC Twente. Daar kun je ook mee sturen.’ Karin van Dreven: ‘Ik doe dus niet mee aan die nood­ lijdende winkelstrip. Maar ik kan wel die graffitispuiter in contact brengen met dat las­ bedrijf elders in de wijk die maar moeilijk aan personeel kan komen. Dan is er sprake van een win-winsituatie.’


Tevredenheid Jan Bron hoort dit met tevredenheid aan: ‘Corporaties hebben zich op dit vlak in de afge­lopen jaren geweldig ontwikkeld. Het zijn belangrijke partners van de gemeente geworden.’ Karin van Dreven: ‘Maar nog niet zo lang gele­ den hielden ook de corporaties zich bezig met alleen het innemen van strategische grond­ posities. Je ziet in onze sector ook wel het nodige kuddegedrag. Er zijn heel wat collega’s die erg nerveus worden als zij nog geen brede school in een wijk hebben gerealiseerd.’ Leideman schiet in de lach: ‘Ja dat is zo’n beetje de standaard. Multifunctioneel vastgoed zonder dat we weten wat we daarmee precies willen bereiken en voor welke doelgroep het bedoeld is.’

> Ruimtes van verlangen KEI vroeg fotograaf Christian van der Kooij (Goes, 1983) om voor de vernieuwde A5 een serie beelden te maken over ‘mentale ruimtes’ in de stad. Deze serie verbeeldt zijn zoektocht hiernaar. “Voor mij zijn dit plekken waar mensen door de jaren en veranderende tijden heen nog steeds vorm blijven geven aan verlangens. En plekken waar de verlangens erin slagen de plek te verwoesten of er zelf door verwoest te worden...”

Focus Het is tijd voor een conclusie, vindt Olof van de Wal. ‘Kunnen we die trekken?’ Alle drie vinden van wel. Karin van Dreven: ‘Vertrouwen hebben in de buurt. Zorg dat de basis op orde is. De wijk schoon, heel en veilig. Als dat zo is, kun je inzetten op bewonersparticipatie.’ Evert Leideman: ‘We moeten nu laaghangend fruit plukken. Kennis ontwikkelen over de huurders en bewoners en daar vervolgens gericht op inspelen.’ Jan Bron: ‘En focus. Van alles iets doen is ook niet goed.’

A5 NR 27 / mei 2009

19


Zevenhuizen, Apeldoorn Christian van der Kooy

20


A5 NR 27 / april 2009

21


⁄ ⁄ KEI-KENNIS

WIJK IN BEELD Holtenbroek, Zwolle Marieke Verkaart

22

// KEI-KENNIS


Holtenbroek I is een trotse wijk, met het nieuwe Deltion college als icoon voor de wijk­ vernieuwing. Op de KEI-vrjrsparty, die onder andere bestond uit een stadssafari door de Zwolse wijk Holtenbroek, overheerste een positieve indruk van de wijk­vernieuwing aldaar. Uiteraard waren er ook een aantal aanbevelingen, dit keer van twee VROM-raadleden. Karin van Dreven, algemeen directeur HaagWonen en Hans Mommaas, hoogleraar vrijetijdswetenschappen in Tilburg, legden de wijkaanpak in Holtenbroek langs de meetlat van twee nog te verschijnen VROM-raadadviezen. Duurzame schakels Karin van Dreven deed dit met het VROMraadadvies Stad en Identiteit in het achterhoofd. Belangrijke conclusie uit het voorgaande advies, Stad en Stijging, is dat mensen de wijk maken en dat wijken de stad maken. ’En hiertussen moet een verband bestaan’, aldus Van Dreven. ‘Zo ontstond het idee om op zoek te gaan naar duur­ zame schakels, dus zaken die stad en wijk met elkaar verbinden, waardoor sectoren, bewoners en voorzieningen met elkaar in contact komen. Dat is de kern van het nieuwe advies.’ Met deze bril op ging zij tijdens de stadssafari vooral op zoek naar de voorzieningen. De wijk­ agent gaf aan dat Holtenbroek een prachtige wijk is, maar dat er altijd zo negatief over wordt geschreven. ‘Stad en stijging waarschuwt hier­ voor: ‘let op uw taal!’’, zegt Van Dreven in haar liverecensie. Anders komt een wijk niet van zo’n imago af. Zij prijst de woonzorgvoorziening Fermate, waar men heel erg vanuit de voorziening over de wijk praat. Verschillende sectoren die elkaar normaal gesproken niet zouden ontmoeten, doen dat hier wel. En over het kwaliteitsteam, bestaande uit bewoners, zegt zij: ‘Dit zijn dé specialisten uit de wijk en zo moeten ze ook benaderd worden.’

In toenemende mate wordt er wat met de aan­ bevelingen van het kwaliteitsteam gedaan. Het Deltion college is toch wel de kers op de taart: ‘Een prachtig voorbeeld van stedelijkheid in de wijk brengen, terwijl het tegelijkertijd een buurt­ school is. De pasjes en beveiliging bij ontvangst zijn jammer, maar gelukkig werkt de school eraan om hier vanaf te komen’, aldus Van Dreven. ‘Ik ben onder de indruk: er komen 16.000 leerlingen naar deze school, waarvan een groot deel uit Holtenbroek. De school probeert ook buiten de lijnen van Holtenbroek te kijken en wil graag contacten hebben met andere wijken.’ Meer contrast Hans Mommaas werkt in de VROM-raad aan een ander advies, over de publieke ruimte. Het advies presenteert een onderliggend schema waarmee de kwaliteit en het functioneren van de publieke ruimte in Nederland geanalyseerd kan worden. Hier komt een drieslag uit tussen beeld, belang en beheer. Volgens de VROM-raad functioneert de publieke ruimte goed als deze drie factoren met elkaar kloppen. Het advies benoemt vier soorten plekken waar die drie factoren uit elkaar dreigen te lopen: binnensteden, naoorlogse woonwijken, groene ruimte en tussenland. Mommaas: ‘Naoorlogse wijken zijn ooit met veel enthousiasme en trots gebouwd, maar zijn in de loop van de tijd functionaliteit verloren. Het zijn monofunctionele woonwijken – alleen maar wonen, weinig bedrijvigheid – met vaak een amorfe relatie tussen publieke en private ruimten.’ Het advies voor deze wijken: bouw er meer con­ trast en differentiatie in, zorg dat er een heldere relatie is tussen publiek en privaat en zorg dat er meer andere functies de wijk in komen. Acupunctuur ‘Toen ik ging fietsen door Holtenbroek werd ik aangestoken door het enthousiasme in de wijk’, A5 NR 27 / mei 2009

23


vervolgt Mommaas. ‘In de ‘mentale ruimte’ van de wijk ontstaat verandering, trots. Wat ik jammer vind aan Holtenbroek I is dat er veel harde, heldere contrasten zichtbaar zijn tussen publiek en privaat, soms te hard. En het winkel­ centrum dat met de achterkant naar het noorde­ lijke deel van de wijk ligt maakt de scheiding met het gebied daarachter nog harder dan het al was.’ Mommaas adviseert de publieke ruimte erachter te vullen. ‘Deze ruimte moet meegenieten van de vaart van de ontwikkeling van de centrale as. Pas acupunctuur toe en maak het levendiger.’ Anders blijft Holtenbroek I een pilotproject en worden de gebieden II, III en IV niet aan­gepakt.

”Naoorlogse wijken zijn ooit met veel enthousiasme en trots gebouwd, maar zijn in de loop van de tijd functionaliteit verloren.“ ‘Ik hoor duidelijk een 9 voor Holtenbroek’, reageerde een enthousiaste wethouder Van Dooremolen. ‘Bij het vernieuwen van een wijk, en zeker Holtenbroek dat uit verschillende delen bestaat, is het belangrijk om een eenheid te creëren, maar tegelijkertijd de verschillende delen onderscheidend te laten zijn.’ Volgens Van Dooremolen staat Holtenbroek nog aan het begin van dit proces. ‘Ik ben het er dus helemaal mee eens dat we ook naar de overige delen van Holtenbroek moeten kijken. Want je mag een stad of wijk nooit als ‘af’ verklaren. We moeten de dynamiek in de gaten houden en ruimte houden voor de toekomst.’

24

// KEI-KENNIS

Holtenbroek, aan de Noordwestkant van het Zwolse stadscentrum, is ontworpen als onder­ deel van het noordelijke uitbreidingsplan van Zwolle uit 1955. Een groot assenkruis verdeelt de wijk in vier buurten: Holtenbroek I t/m IV. In Holtenbroek, ooit één van de ‘56 wijken’, is de vernieuwing in 2006 goed op gang gekomen. Fase I is gericht op de Muziekwijk (oostelijk deel) en de Trapjeswijk (westelijk deel). De bestaande stedenbouwkundige structuur (met het groene assenkruis) en het Zwarte Water vormen de uitgangspunten voor de wijkvernieuwing. Ook herontwikkeling van de (economische) voor­ zieningen is een belangrijk onderdeel. Voor de uitvoering is gekozen voor een bijzondere taakverdeling tussen gemeente en corporaties. SWZ en DeltaWonen ontwikkelden het project voor eigen risico, inclusief ondergrondse infra­ structuur en openbare ruimte. Hiervoor werd het projectteam Holtenbroek I in het leven geroepen dat met de afronding van fase I inmiddels is opgeheven.

› www.kei-centrum.nl/holtenbroek › www.kei-centrum.nl/kei-on-the-road


V A Wat is een gezonde wijk?

inzichten over. De initiatiefwet voor Buitenspeelruimte geeft minimaal drie procent buitenspeelruimte als norm voor steden. Dat betekent dat in Nederland nog ruimte ter grootte van 27.000 voetbalvelden moet worden vrijgemaakt. De waarde van groen in de stad is groot en het vervult veel functies. De Raad Landelijk Gebied stelt dat groen in de stad leidt tot lagere kosten in de gezondheidszorg en een beter sociaal klimaat. Maar er wordt nog te weinig in geïnvesteerd. In de studie Gezonde plannen (2008) staat een overzicht van verschillende instrumenten, zoals de gezondheidsmodule bij een milieueffectrapportage die richtlijnen biedt voor het bouwen en wonen.

Annette Duivenvoorden

De gezondheid van bewoners van stads­ wijken met een sociaal-economische achterstand is op veel fronten slechter dan van bewoners buiten deze wijken. Om het thema gezondheid goed op te pakken is een geïntegreerde benadering nodig van verschillende organisaties, instanties en de wijkbewoners zelf. Die aanpak moet zich zowel op de leefstijl als de ruimtelijke kwaliteit richten. Leefstijl Samen met gemeenten en verschillende GGD’s ontwikkelde het NIGZ een model voor het wijkgericht werken van de zorgsector. Rotterdam vertaalde deze nieuwe werkwijze naar de nota Gezond in de stad (2006). De Rotterdamse GGD zet in op leefstijl, leefomgeving en psychische gezondheid en vertaalt deze naar programma’s voor de school, de wijk en de stad. Leefomgeving Wat een gezonde leefomgeving is en welke ruimtelijk kwaliteit daarbij past is niet eenvoudig te bepalen. Er zijn verschillende

Nieuwe samenwerking In de nieuwe wijkgerichte aanpak ontstaan nieuwe samenwerkingen tussen de tradi­ tionele partijen en nieuwe spelers als zorgverzekeraars en corporaties. Zo loopt vanuit het actieplan krachtwijken het experiment gezonde wijk, een initiatief van het ministerie van VROM en VWS, waaraan negen gemeenten meedoen. Het doel is de eerstelijnsgezondheidszorg in de wijk te verbeteren door een betere afstemming van vraag en aanbod. Het onderzoeksprogramma Partners for Healthy Cities (Erasmus Universiteit) is een initiatief van Dura Vermeer Bouw Rotterdam, Com•wonen, Albeda-college, GGD en De Stromen Opmaat Groep. In het praktijkexperiment Gezonde wijk van de Kopgroep wordt gezocht naar de kansen en successen in de aanpak van gezondheidsvraagstukken in combinatie met wijkontwikkeling.

› www.kei-centrum.nl/gezondheid

A5 NR 27 / mei 2009

25


Project in beeld Pilot collectieve particuliere woning足verbetering Piet Korporaal

Betrokken partijen Gemeente Rotterdam, Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn), Rabobank, Woonbron, Woonstad Rotterdam Contact Rogier Bruijning, Gemeente Rotterdam, dS+V, r.bruijning@dsv.rotterdam.nl Website www.kei-centrum.nl/projecten/ quackstraat

26

// KEI-KENNIS


Het meekrijgen van alle eigenaar-bewoners bij particuliere woningverbetering blijkt in de praktijk een moeilijke opgave. Een voorbeeld is Lelystad, waar het KEI-stadslab zich onlangs boog over de vraag hoe de wijk weer vitaal te maken is, als het merendeel van de particuliere eigenaren financieel niet in staat is te participe­ ren in een renovatie. Rotterdam experimenteert nu met een nieuwe financieringsmethodiek die – als het goed is – de participatie van particuliere eigenaren verhoogt. De ambitie: honderd procent deelname. Plaats van handeling: De Quackstraat in Oud Charlois. Wat is de strategie? Wat is hier nieuw aan? En wat is de invloed van de krediet­ crisis op de voortgang van de pilot? Nieuwe financieringsmethodiek Al sinds de tachtiger jaren stimuleert de gemeente Rotterdam particulieren te investeren in woning­ verbetering. De stimuleringsregelingen combi­ neren subsidies met leningen. Leningen blijken noodzakelijk om complexmatige aanpak met meerdere eigenaren van de grond te krijgen. In de loop der jaren is echter duidelijk geworden dat te veel eigenaren niet in staat zijn om op eigen kracht aan de nodige gelden te komen. Kortom, de regelingen bieden niet voldoende garanties om alle eigenaren van een bepaald blok of gebied mee te laten doen, terwijl dit wel de inzet is. Reden voor de gemeente om op zoek te gaan naar een andere methode. Samen met Rabobank Rotterdam en het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn) ontwikkelde zij een nieuwe financierings­ methodiek. Een collectieve aanpak, gebaseerd op de verwachting dat (achterstallig) onderhoud en verbetering in positieve zin bijdragen aan de waardestijging van de woning. Door in te zetten op honderd procent deelname in combinatie met andere maatregelen, bijvoor­ beeld in de openbare ruimte, moet in de toekomst

voldoende meeropbrengst gerealiseerd worden. Deze meeropbrengst is nodig omdat de kosten van de ingreep de huidige waarde in veel gevallen zal overtreffen. Juist de waardestijging moet het voor de eigenaren mogelijk maken om de kosten van het onderhoud zelf te dragen en het boven­ dien aantrekkelijk maken om deel te nemen. Om inzicht te krijgen in de sterkte en zwaktes van de methodiek is een pilot gestart in De Quackstraat in Oud Charlois. Het gaat om 66 woningen in 14 Verenigingen van Eigenaren (VvE’s) en 1 ongesplitst pand die opgeknapt moeten worden. Ook moet het beheer door de VvE’s een duur­ zamere vorm krijgen. Hoe werkt het? De basisregeling bestaat uit een gemeentelijke subsidie en een SVn-lening. De subsidie bedraagt 3.000 euro en de lening kent met 3,5 procent een lage rente (3 procent lager dan voor vergelijkbare leningen). Bovendien worden twee criteria die gebruikelijk aan verstrekking van een dergelijke lening worden gesteld, losgelaten; onvoldoende waarde van het onderpand of onvoldoende ‘vrij inkomen’ van de eigenaar vormen geen belemmering meer. In alle gevallen delen Rabobank en de gemeente het risico. Men onderscheidt drie categorieën eigenaren, die elk een apart aanbod krijgen. Eigenaren die voldoende draagkrachtig zijn om de rente en aflossing te betalen, krijgen een basislening. Diegenen die de rente en aflossing slechts voor een deel kunnen betalen, komen in aanmerking voor een vangnetlening: afhankelijk van hun draagkracht hoeven zij geen aflossing en een gedeelte van de rente betalen. Het uitgangspunt blijft wel dat zij op termijn alles moeten betalen. Voor eigenaar-bewoners die niet in aanmerking komen voor de basislening of de vangnetlening geldt een ingrijpende aankoopregeling: zij krijgen een aanbieding van of namens een woning­ corporatie voor aankoop van hun woning. A5 NR 27 / mei 2009

27


Eigenaren uit de eerste twee categorieën komen, indien nodig, in aanmerking voor een restschuld­ subsidie. Als zij na verkoop van de woning met een restschuld blijven zitten – oftewel, met een negatief verschil tussen de verkoopopbrengst van de woning en de restantlening – kunnen zij dit gecompenseerd krijgen. Om honderd procent deelname te garanderen, krijgen de eigenaren die weigeren deel te nemen een ‘positieve’ aan­ schrijving.

hobbel zijn om mee te doen. Uit het oogpunt van de gemeente is er op financieel gebied nog niet zoveel aan de hand. Van begin af aan is er name­ lijk rekening gehouden met een slechtweersce­ nario. De kans bestaat dat voor honderd procent vangnetleningen nodig zijn, doordat de eerste jaren geen sprake is van aflossing en een beperkte rentebetaling. Concreet is 10.000 euro per woning gereserveerd voor kosten van subsidie, restschuld­ subsidie en aankoopsubsidie.

Wat is nieuw? Waar eerder de gemeente een deel van de lasten van de woningverbetering op zich nam, liggen de kosten nu grotendeels bij de eigenaar-bewoner. Daarentegen wordt het de eigenaar nu makke­ lijker gemaakt om zelf de lasten te dragen. Door aangepaste leningen en de restschuldsubsidie wordt de eigenaar nu in staat gesteld zelf de lasten te dragen zonder dat dit de draagkracht van zijn inkomen te boven gaat. Het voordeel voor de gemeente is dat de gemeentelijke bijdrage meer inkomensafhankelijk is en minder wordt naarmate de waarde van de woningen stijgt.

De partijen houden ook rekening met een volle­ dige instorting van de woningmarkt, waarmee de waarde daalt tot onder de zestig procent van de waarde bij aanvang. Het risico van een dergelijke crash is gedekt, tenzij de crash optreedt binnen circa drie jaar na de verstrekking van de lening. In het laatste geval is de reservering niet volledig dekkend. Crisis of niet, eind 2009 houden de partijen de pilot inhoudelijk tegen het licht en bekijken ze of de meerwaarde van de samenwerking in de praktijk tot uiting komt. Als het aan de gemeente, Rabobank en SVn ligt, gaan zij deze werkwijze bij succes breder inzetten.

Ook nieuw is de verplichting om het onderhoud na de ingreep bij de recent opgerichte VvE-service­ organisatie (VvE-SO) onder te brengen of bij een gecertificeerde beheerder. De VvE-SO is een samenwerking van woningcorporaties Woon­ bron en Woonstad Rotterdam en de gemeente, gericht op het informeren, stimuleren en facili­ teren van VvE’s. Deze steunt de eigenaren met professioneel beheer en onderhoud voor een bedrag onder de marktprijs. Welke invloed heeft de crisis? Volgens de initiatiefnemers is de aanpak pas succesvol als er sprake is van een waardestijging. Hoewel de gevolgen van de financiële crisis voor de woningmarkt nog niet helder zijn, is al wel duidelijk dat waardestijging niet meer zo van­ zelfsprekend is. Dat kan voor de eigenaren een

28

// KEI-KENNIS

› www.kei-centrum.nl/ particulierewoningverbetering › www.kei-centrum.nl/projecten/ quackstraat


COMPETENTIEWIJZER

Laura Wille is procesmanager bij Far West. Naast haar baan volgt ze de ‘Master of Urban and Area Development’ (MUAD). Voor KEI doet ze verslag.

Hogeschool Rotterdam en de Hogeschool Utrecht. (Gast)docenten van onderwijsinstellingen en uit de praktijk geven de colleges. De master is in 2008 voor het eerst gestart en ik hoor bij de eerste lichting van 17 studenten. De opleiding bestaat uit acht blokken van tien weken. Daarin werken we aan inhoudelijke verdieping, praktijkervaring en persoonlijke ontwikkeling. Diverse onderwerpen komen aan de orde zoals de economische potentie van gebieden, sociale stijging als uitgangspunt voor vernieuwing en schakelen tussen de schalen. We krijgen veel ruimte om cases uit onze eigen praktijk in te brengen. Met de adviezen kun je bij wijze van spreken de volgende dag weer aan de slag. Bij elke module hoort een projectweek op locatie. We zijn dan een week in de wijk, kijken rond, analyseren de situatie, praten met betrokkenen en komen gezamenlijk tot een gedegen advies.

Master of Urban and Area Development Bij Far West ben ik verantwoordelijk voor de herhuisvesting van bewoners in de Kolenkitbuurt en Geuzenveld. Ik spreek veel met bewoners(organisaties) over de verbetering van hun buurt en het proces eromheen. Met ontwikkelaars kijk ik of de nieuwbouw is afgestemd op de wensen van bewoners. Bij de stadsdelen moet ik ook rekening houden met de politieke kant van het proces. Doordat ik continu te maken heb met deze drie verschillende invalshoeken en belangen zocht ik naar een studie die meer inzicht biedt in het bredere perspectief van stedelijke vernieuwing. Sinds september 2008 volg ik de Master of Urban and Area Development (MUAD). Een tweejarige opleiding die je de nodige bagage geeft voor de complexe processen die spelen bij de transformatie van stedelijk gebieden. MUAD is een initiatief van Saxion,

Door MUAD ontwikkel ik ook mijn vaardigheden. Ikzelf richt me dit eerste jaar vooral op het verbeteren van mijn communicatie in de samenwerking met collega’s en partijen. Ik leer veel door de intensieve samenwerking met collega-studenten uit verschillende (vak) gebieden. We hebben bijvoorbeeld beleids­ makers, ontwikkelaars en een verkeerskundige in onze groep. Sommigen werken in landelijk gebied, anderen in de G4. Dat leidt regelmatig tot interessante discussies over beleid en aansturing. Hierdoor ben ik beter gaan nadenken over mijn belangen en verwachtingen en probeer me bewuster te zijn van die van anderen. Eén goeie raad van een professor houd ik bij moeizame gesprekken voortaan altijd in mijn achterhoofd: ‘Je hebt geen tegenstanders, alleen mensen met verschillende belangen’.

› www.kei-centrum.nl/ competentiewijzer A5 NR 27 / mei 2009

29


Hoe is het nu met? ‘Als een sleepnet door de wijk’ Tien jaar achter-de-voordeuraanpak in Arnhem Arjan Raatgever

Straatbeeld Klarendal.

30

// KEI-KENNIS


Impressie van de woonwijk Presikhaaf in het oosten van de stad Arnhem.

Bemoeizuchtig of broodnodig? Doeltreffend of dweilen met de kraan open? Over de achter-de-voordeur­ aanpak verschillen de meningen. KEI nam polshoogte in Arnhem, dat hier al tien jaar ervaring mee heeft. Arnhem werkt al sinds het gemeentelijke Sociaal Speerpunten Plan (SSP) uit 1999 achter de voor­ deur. De aanpak van toen is vergelijkbaar met die van nu. Medewerkers van een corporatie of welzijnsorganisatie gaan bij bewoners in kwets­ bare buurten op bezoek en bespreken wensen en problemen over wonen, werk, gezondheid, welzijn, opvoeding en financiën. Men pakt aan­ dachtspunten waar mogelijk direct op, of speelt ze door naar bevoegde instanties. Bij meervoudige problematiek wordt een casemanager ingezet, die orde brengt en andere hulptrajecten start.

De doelstellingen van de aanpak zijn, naast verbetering van de leefbaarheid en persoonlijke leefsituatie, ook het inwinnen van informatie en faciliteren van verhuizing. Corporatie aan het roer In 2003 neemt Woningcorporatie Volkshuis­ vesting de rol van opdrachtgever over en koppelt de aanpak nadrukkelijker aan herstructurering. In de wijk Malburgen dragen corporatiemede­ werkers en maatschappelijk werkers bij aan de soepele verhuizing van 1.250 Malburgse huis­houdens wegens sloop-nieuwbouw. Henk Nieuwhoff, coördinator van de aanpak bij uitvoerder Rijnstad welzijn en hulpverlening, legt uit: ‘Sloop zorgt voor veel onrust. Ons werk fungeert misschien als smeermiddel, maar mensen worden ook écht geholpen. Bovendien is verhuizing een goed argument om bij de mensen binnen te komen.’ A5 NR 27 / mei 2009

31


In 2007 laat men in de wijk Geitenkamp de koppeling met verhuizing los. ‘Sleutel’ om toch bij bewoners binnen te komen blijkt de voor­ zieningencheck, waarbij men kijkt of huis­ houdens wel gebruik maken van alle (financiële) voorzieningen waar zij recht op hebben. Dit levert een huishouden gemiddeld s 1.000 per jaar op. Schaalvergroting Vanaf 2007 rolt Arnhem de aanpak in Malburgen uit naar de Verschuerwijk en Rijnwijk. Corpora­ ties Portaal en Vivare raken als opdrachtgever betrokken. Welzijnsorganisatie Rijnstad groeit, als uitvoerder, met de vraag mee. Welzijn en hulp­ verlening vallen nu binnen dezelfde organisatie. Dit heeft voor- en nadelen, volgens Nieuwhoff: ‘Aan de ene kant zijn er kortere lijnen tussen de casemanagers en bijvoorbeeld sociaal-cultureel werk en het buurtcentrum. Aan de andere kant wordt de organisatie ingewikkelder omdat we nu tien mensen hebben op verschillende locaties.’ Nieuwhoff vertelt dat de aanpak anno 2009 in vrij hoge mate is geformaliseerd. Voor de ‘behan­ deling’ van een buurt trekt men een jaar uit: eerst drie maanden huisbezoeken, daarna volgt het casemanagement. Na dit jaar trekt Rijnstad naar een nieuwe buurt. ‘Het komt wel eens voor dat ik toch contact houd met sommige bewoners, maar in principe moeten ze dan allemaal bij de juiste instanties onder dak zijn.’ Resultaten In tien jaar is de Arnhemse achter-de-voordeur­ aanpak uitgegroeid van een pilot tot een breed uitgevoerde aanpak. Opmerkelijk is dat gegevens over de resultaten (de outcome) van de aanpak ontbreken. Zo is het niet duidelijk of de aanpak de leefbaarheid van de ‘behandelde’ buurten en de leefsituatie van individuele bewoners daad­ werkelijk heeft verbeterd. Nieuwhoff is echter overtuigd van het nut van de aanpak: ‘Kijk,

32

// KEI-KENNIS

wij gaan als een soort sleepnet door de wijk. We trekken mensen omhoog en laten ze de moge­ lijkheden zien om zich zelfstandig staande te houden. Ik zie dat mensen minder ver terug­ zakken en positiever zijn over hun toekomst.’

› www.kei-centrum.nl/ achterdevoordeur


WERK

//////////////////////////////// Een wijkagent biedt een vuurtje aan naast het Cruijff Court Kralinger Esch, Rotterdam.

A5 NR 27 / mei 2009

33


RECENTE LITERATUUR Een selectie van recent verschenen vakboeken.

01

Sociaal en fysiek verbonden: het geheim van het hoe Verbinding door confron­ tatie bij sociaal-fysieke wijkaanpak Karin Doms, Fanny Gelissen en Gerben Helleman, G27 en KEI, Arnhem/Rotterdam, 2009, bestellen/download: www.kei-centrum.nl

Aanleiding van de uitgave Sociaal en fysiek verbonden: het geheim van het hoe is het uitdiepen van het hoe om tot een succesvolle samenwerking tussen het sociale en fysieke domein te komen. Hiervoor namen de auteurs de aanpak van Emmen Revisited, Oud-Krispijn in Dordrecht en Rivierenwijk in Deventer onder de loep. Ze keken naar organisatie, financiering, methode en mensen. Deze casestudies leiden, samen met een analyse van de bestaande literatuur, tot nieuwe aanbevelingen voor een succesvolle integrale wijkaanpak. De auteurs weten een aantal constanten in de aan­ pak te benoemen die bepalend zijn voor succes: een heldere organisatievorm zorgt voor legitimiteit, randvoorwaarden voor de financiering moeten worden bepaald op basis van de inhoud, de methode moet procesgericht zijn met een grote rol voor bewoners en het succes wordt uiteindelijk bepaald door de persoonlijkheid, durf en competenties van mensen. Ook geven de auteurs aanbevelingen, waar­ onder een profielschets van de hedendaagse duur­ zame wijkprofessional. De G27 en KEI organiseren naar aanleiding van deze uitgave regionale werkbijeenkomsten waar wijk­ professionals de aanbevelingen uit de publicatie aan de eigen praktijk spiegelen.

34

// KEI-KENNIS

02

Grond voor kwaliteit Voorstellen voor verbete­ ring van overheidsregie op (binnen)stedelijke ontwikkeling VROM-raad, Den Haag, 2009, bestellen/download: www.vromraad.nl

Een hoge ruimtelijke kwaliteit bij het binnen­ stedelijk ontwikkelen is nauwelijks nog te realiseren. Als gevolg van de complexiteit van herontwikkeling lopen de kosten steeds meer op, terwijl de posten waar van oudsher winst op viel te halen – de grond­ verkoop, verevening of subsidies – wegvallen. Bovendien zijn deze door de kredietcrisis nog eens zwaarder gaan wegen. In het agenderende advies Grond voor kwaliteit stelt de VROM-raad dat een stevige regie op de grond­ markt nodig is. De raad komt met verschillende voor­ stellen om de grondmarkt beter te laten functio­ neren. Zoals: maak een nieuw type uitkoopregeling bij gecompliceerde eigendomsverhoudingen en versnipperd eigendom, waarbij de ‘grootaandeel­ houder’ het recht heeft de laatste aandeelhouders uit te kopen. Overweeg om bij locaties met een urgente maatschappelijke opgave het recht op zelfrealisatie. En onderzoek de mogelijkheid of gronden en panden tegen gebruikswaarde kunnen worden aangekocht in plaats van een toekomstige waarde. Met de in totaal negen aanbevelingen biedt de VROMraad kaders voor een betere samenhang tussen ver­ stedelijking en de grondmarkt. De adviezen moeten leiden tot meer transparantie, professiona­lisering van kennis en kunde en continuïteit, ook in tijden van crisis. De VROM-raad spreekt met name het Rijk aan omdat zij kiest voor verdichting van het stedelijk gebied met een hoge kwaliteit. Vanuit de structuurvisie Randstad 2040 moeten bijvoorbeeld nog 500.000 tot 1.000.000 woningen gebouwd moeten, waarvan veertig procent in bestaand stede­ lijk gebied. De bijlagen bieden meer inzichten in de opgave voor de woningmarkt en de ramingen die er liggen. Ook zijn er concrete rekenvoorbeelden opgenomen over de grondexploitaties van Vathorst (Amersfoort), Blauwe Stad (Groningen) en Haverlij (Den Bosch). Ook maakt dit onderdeel de analyse van het proces van locatieontwikkeling, de rekentechniek en de bepaling van gronduitgifteprijzen inzichtelijk.


04 03

Tussen onderschatten en overvragen Actief burgerschap en activerende organisaties in de wijk Evelien Tonkens, SUN Trancity – deSTADSWIJK­ studies, Haarlem, ISBN: 978 90 8506 7009, bestellen: www.trancity.nl

De laatste jaren ziet men actief burgerschap als de oplossing voor maatschappelijke vraagstukken als gebrek aan sociale samenhang, sociale uitsluiting en de kloof tussen burgers en bestuur. Voor de ver­ nieuwingswijken is burgerschap sterk in opmars door het rapport Vertrouwen in de buurt, dat ingaat op de sociale herovering van wijken. Evelien Tonkens, auteur en redacteur van het boek Tussen onderschatten en overvragen, schetst in deze uitgave hoe de bal van de overheid, naar de markt en tenslotte bij de burger kwam te liggen. Zij zet het onderwerp uiteen en stelt de vraag hoe reëel de verwachtingen zijn. Tonkens betoogt dat actief burgerschap alleen tot stand komt als ook de over­ heid, corporaties en zorg- en welzijnsinstellingen zich actief opstellen. Een houding die uitnodigt en verbindt; die voorzieningen biedt, maar ook iets van de burgers terugvraagt. Het theoretische kader van Tonkens wordt in deze bundel door verschillende gastauteurs onderbouwd en geïllustreerd. Zo biedt James Kennedy reflectie als Amerikaanse buitenstaander. Verder komen beschouwingen over Marokkaanse jongeren en zelforganisatie aan bod. Het boek levert waardevolle inzichten op voor de wijkprofessional en helpt de eigen projecten en initiatieven tegen het licht te houden en te beoordelen.

In beton gegoten 45 jaar werken aan weder­ opbouw, volkshuisvesting en stedelijke vernieuwing Kroniek van een bouw­ onderneming Kees de Graaf, Uitgeverij THOTH, Bussum, ISBN 978 906868 5046, bestellen: www.thoth.nl

Bijzonder aan de kroniek over 45 jaar ERA Bouw is de wijze waarop een bouwonderneming met haar woningbouw het stedelijk landschap heeft vorm­ gegeven. ERA – Van Eesteren Rationele Aanpak – werd opgericht om een antwoord te geven op de woningnood in de jaren zestig. Zij zette met de markante ERA-flats in Rotterdam, Zoetermeer en Zaandam haar eerste stempel op de stad. De bouwonderneming groeide vervolgens mee met de woningbouwopgaven van Nederland: van de groeikernen en bloemkoolwijken met het experi­ mentele bouwen in de jaren zeventig en tachtig tot de huidige vernieuwingsprojecten van de jongste decennia. ERA Bouw richtte zich als een van de eersten op de niche van de vernieuwingsopgave in de stad en het bouwen voor de middeninkomensgroepen. De kennis, kunde en werkwijze die zij daarmee opbouwde, vertaalde zich in woonomgevingen voor de midden­ groepen, die ook een duidelijke meerwaarde leverde aan de stedelijke omgeving. Voorbeelden op dit vlak zijn het mediterrane woonmilieu Le Medi in Rotterdam, de F-buurt in Amsterdam-Zuidoost, de Riedijkshaven in Dordrecht en de projecten in Utrecht-Zuilen. Wetenschapper Hugo Priemus benoemt tien breek­ punten in de volkshuisvesting van de afgelopen vijftig jaar, zoals de omslag van kwantiteit naar kwaliteit, van stadsvernieuwing naar stedelijke vernieuwing, afschaffing objectsubsidies tot recente ideeën over stelselwijziging van subsidies. De fotoarchieven van de projecten zijn goed benut, zodat de lezer de ontstaansperiode van de Nederlandse woonwijken duidelijk herkent.

› www.kei-centrum.nl/ documentatie

A5 NR 27 / mei 2009

35


⁄ ⁄ ⁄ KEI-NETWERK

ACTIVITEITEN – De vonk en de som – KEI-inspiratieteams

///////////////////////////////////

De vonk en de som Jeroen van der Velden ‘Blind schaken op meerdere borden en in de chaos trachten de lijn vast te houden die het proces tot een goed einde brengt’. Dit soort cryptische omschrijvingen over gebiedsontwikkeling – want daar gaat dit citaat over – kom ik vaak tegen bij marktpartijen. Bewoordingen als ‘fingerspitzengefühl’, ‘de neus hebben’, maar ook ‘de vonk voelen’ en ‘elkaar diep in de ogen kijken’, dragen bij aan de mystificatie van de gebieds­ ontwikkeling. Het zijn eigenschappen die onder­ nemers en dus marktpartijen zichzelf bij uitstek toedichten. Desondanks pakken zij binnen­ stedelijke gebiedsontwikkeling maar mondjes­ maat op. Met als argument dat het te complex is. Met deze tegenstrijdigheid kunnen we geen genoegen nemen. Wat is er aan de hand? Markt­

36

/// KEI-NETWERK

partijen sturen bij een ontwikkelproces niet alleen op contextuele omstandigheden en aan­ geboren competenties. Waar ze uiteindelijk op sturen zijn de rendementen op de korte en lange termijn. Immers, een gebiedsontwikkelaar heeft primair de intentie om waarde toe te voegen aan een gebied, om vervolgens een gedeelte van deze waardevermeerdering zelf te incasseren. Tools Om hier bij de binnenstedelijke aanpak goed op in te kunnen zetten heeft de gebiedsontwikkelaar naast zijn onderbuikgevoel blijkbaar concrete tools nodig. Want hoe weet hij wat er uiteindelijk onder de streep komt te staan? Een gebieds­ ontwikkeling wordt alleen opgepakt als er een businesscase van gemaakt kan worden. En om deze te kunnen maken moet ieder aan zijn raad (van commissarissen) of aandeelhouders helder kunnen maken welke winst er uiteindelijk uit de ontwikkeling rolt. Aangezien de opgave verschuift van de wei naar de binnenstaf zijn steeds meer partijen op zoek naar het antwoord op de vraag hoe het totaal­ plaatje van rendementen helder kan worden gemaakt. Het rendement berekenen van nieuw­ bouw in een uitleggebied is relatief makkelijk. De invloed van een project op de waarde van het omliggende vastgoed en vice versa is al een stuk moeilijker vast te stellen. Laat staan wat de rende­ menten van sociaal-economische interventies zijn. Stille reserves Als deze (maatschappelijke) rendementen wél kunnen worden aangetoond, kan het enthou­ siasme, overredingskracht en uiteindelijk investeringscapaciteit losmaken bij markt­ partijen. Daarnaast zal het ondernemerschap bevorderen bij partijen die nu eerder voor een probleemgestuurde aanpak kiezen. Niet het spectrum aan problemen definieert dan de visie


op een gebied, maar de kansen. Of wat Frank Bijdendijk, bestuursvoorzitter Stadgenoot, de stille reserves van een gebied noemt. Als het lukt om deze stille reserves vrij te maken, dan ontstaat echte waardecreatie, zo redeneert hij.

///////////////////////////////////

Om de keten tussen input, output en outcome van interventies helder te krijgen is onderzoek en casuïstiek nodig. De laatste jaren zijn verschil­ lende initiatieven opgepakt om deze zogenaamde theory of change te ontrafelen en vervolgens om te zetten in concrete handvatten voor gebieds­ ontwikkeling, denk bijvoorbeeld aan instrumen­ ten als de duurzame gebiedsexploitatie, de effecten­arena en de Maatschappelijke KostenBaten Analyse (MKBA). Op diverse thema’s, zoals gezondheid, cultuur, Brede School, maar ook stedelijke vernieuwing in het algemeen, worden de verbanden gezocht tussen interven­ ties, effecten en het uiteindelijk rendement. Met deze kennis in het achterhoofd en tools in de hand kan de mythe van de gebiedsontwikkeling hopelijk een beetje worden ingedamd.

Bram Heijkers

KEI levert op verschillende manieren een bijdrage aan dit gedachtegoed. Met het experiment De Wijk als businesscase leverde KEI casuïstiek. En met het uitbrengen van het essay van George de Kam bracht KEI de waardegeoriënteerde wijkaanpak onder de aandacht. Daarnaast richtte KEI samen met SEV en de Kopgroep in 2008 het platform Wijken van Waarde op, waar zij verschillende instrumenten ontwikkelen en onderzoeken opzetten. Dit artikel is geschreven naar aanleiding van een Meet & Eat tussen een aantal ontwikkelende KEI-partners dat in december plaatsvond in Amsterdam. De Meet & Eat diende als input voor een essay dat Leo Versteijlen dit jaar voor KEI schrijft, waarin hij het begrip waardecreatie helder en operatio­ neel maakt.

› www.kei-centrum.nl/meetandeat

KEI-inspiratieteams Gericht meedoen op basis van intrinsieke waarde

Keuzes maken voor één of twee katalysatoren die inspelen op intrinsieke waarden van alle betrok­ kenen, meer aandacht voor economie in de wijk, denken in businesscases en als professional los­ laten. Zo luiden de vier aanbevelingen van het KEI-i­nspiratieteam, na twee bezoeken aan de Korrewegwijk in Groningen en De Gagel in Utrecht. Katalysator Tijdens de bezoeken viel het team de veelheid aan projecten vanuit welzijn, zorg, veiligheid en de fysieke aanpak op. In Utrecht stelde het team daarom voor te kiezen voor één of twee katalysa­ toren waaraan alle plannen worden opgehangen. Daarmee ontstaat duidelijkheid en richting voor alle betrokken bewoners en professionals. Kies deze katalysatoren op basis van intrinsieke waar­ den van iedereen, zodat participatie en meedoen worden gestimuleerd; zo luidde de eerste aan­ beveling. Een voorbeeld. Het inzetten op een specifiek onderwijsprogramma waarmee kinderen naast goed onderwijs bepaalde gemeenschapswaarden meekrijgen – zoals bijvoorbeeld op de Brede School Overvecht – zal als katalysator veel meer effect hebben dan inzetten op het thema ‘gemengde wijken’. In het eerste geval worden ouders aangesproken op ‘ouderschap’, wat veel meer aankomt dan bijvoorbeeld het abstracter ‘burgerschap’. Welzijn kan hierop aanhaken door meer richting aan te brengen in programma’s en keuzes te maken. En fysieke partners kunnen voortbouwen op stedenbouwkundige modellen A5 NR 27 / mei 2009

37


waarbij de school – en daarmee samenhangende locaties op het gebied van sport of toneel – het uitgangspunt vormt.

en terughoudend. Bijna een paradox, maar wel een belangrijke succesfactor in een aanpak waarin meedoen van groot belang is.

Economie Ook economie is een goede katalysator, waar iedereen mee te maken heeft. Deze katalysator wordt zowel in de plannen in Groningen als in Utrecht niet specifiek genoemd. Denk dan niet alleen aan het aanbieden van kleine bedrijfs­ ruimtes, maar ook aan het loslaten van regels die mogelijkheden voor werken aan huis belem­ meren (sta toe een naambord van je zzp-bedrijfje aan de gevel van je corporatiewoning te hangen). Maar denk ook aan bijvoorbeeld microkredieten en kleinschalige vrijhandelszones.

Het KEI-Inspiratieteam bestaat uit vijf of zes deskundigen die een dag meelopen als klank­ bord en inspirator met KEI-partners die samen­ werken aan een wijk. Het doel is reflectie bieden, even los van de dagelijkse praktijk te spiegelen over ambities, de voortgang en de toekomst en te inspireren met tips, voorbeelden uit de eigen, rijke praktijkervaringen en even­ tuele aanvullende of alternatieve suggesties.

Doorredenerend op dit economische denken wijst het team naast deze inhoudelijke aanbeve­ lingen op de waarde van werken met een busines­ scase. Breng de maatschappelijke kosten en baten in beeld en bespreek vervolgens mogelijkheden voor alternatieve businessmodellen. Zo krijgen moeizame discussies over betaalbaarheid een andere lading en prikkel je overheden en maat­ schappelijke ondernemingen – toch vaak de grote trekkers van de wijkaanpak – op een andere manier dan als het alleen over de directe kosten gaat. Naast een alternatieve aanpak met businesscases is in Groningen uitgebreid gesproken over de ‘nieuwe professional’ als belangrijke succesfactor voor een geslaagde wijkaanpak.Voor hen is het dé uitdaging om los te laten, bewoners te faciliteren in plaats van top-down te begeleiden. Wat niet impliceert dat gemeente en woningcorporatie moeten ‘terugtreden’, maar juist moeten optreden. Het gaat niet om ‘minder instituties en meer bewoners’, maar juist om een vorm van weder­ kerigheid en samenwerking. Dat vereist een nieuw soort professionaliteit, dienstbaar en sturend, corrigerend en uitnodigend, aanwezig

38

/// KEI-NETWERK

› www.kei-centrum.nl/inspiratieteams


KEI-goed mei 2009

YURPS.nl YURPS.nl – your urban renewal professionals network. De digitale community voor en door YURPS is nu online. Maak een profiel over je werk, achtergrond, expertise en projecten. Discussieer mee, publiceer je eigen bijdragen en laat je stem horen in de vakwereld! Op YURPS.nl stelt de VROM-raad alle YURPS een vraag: Wil je in een wijk verbindingen leggen met de omliggende buurten, welke voor­ zieningen bied je dan aan? Je kunt aanbod creëren, rekeninghoudend met de wensen van bewoners. Maar het kan ook een plek van ont­moeting en verrassing zijn die buurtbewoners in contact brengt met onbekende werelden. Hoe verhouden het vraaggericht werken en het verrassen van bewoners zich volgens jou tot elkaar? En kun je dit illustreren met geslaagde en minder geslaagde voorbeelden? Weet jij een antwoord? Zet het op www.yurps.nl. De VROM-raad neemt de reacties mee bij het vaststellen van het advies en kiest de beste inzending. Nog geen YURP? Meld je online aan en je kunt direct van alle mogelijkheden gebruik maken. Voorwaarden: < 35 jaar en werk­ zaam bij een KEI-partner.

› www.yurps.nl

A5 NR 27 / april mei 2009 2009

39


YURP COLUMN YURPS COLUMN De verrassende stadswijk Sjors de Vries (BSDV)

“Surprises are things that you not only didn't know, but that contradict things you thought you knew. And so they're the most valuable sort of fact you can get.” Paul Graham (schrijver, ondernemer)

functionele centra. Over het functioneren en de stedelijkheid van de stadswijk wordt weinig nagedacht. Terwijl vanuit het perspectief van gewenste sociale interactie (participatie) genoeg argumenten te bedenken zijn om de wijk op diverse fronten in beweging te krijgen en houden, in sociale en fysieke zin. Vanuit dat perspectief moeten bestaande, vaak verspreide, maatschappelijke accommo­ daties in de wijken juist gekoesterd worden. Het zijn gebouwen die onderdak kunnen bieden aan allerlei stedelijke voorzieningen, zoals kinder­opvang, jongerenclubs, bedrijven of vereni­gingen. Het zijn bovendien schaarse complexen met een lage vierkante meterprijs en dus bereikbaar voor veel doelgroepen. De zoektocht naar stedelijkheid vergt een creatievere en flexibelere benadering van de stedelijke vernieuwing. Creëer daarom meer (beleids)ruimte voor de verrassende ontmoeting; de aantrekkelijke stedelijkheid. Dat is bovendien dé manier om de stadswijk een volwaardig alternatief te laten zijn voor de midden- en hoge inkomens.

Verrassing overkomt je en dwingt je na te denken over wat er gebeurt. Het leidt tot verwondering, maar ook tot kennis, begrip, nieuwe inzichten en perspectieven. De ideale stadswijk is daarom een plek vol ontmoeting en verrassing, waar mensen communiceren, nieuwe ideeën uitwis­ selen, conflicten laten ontstaan en oplossen. Jane Jacobs wees al op het belang van de openbare ruimte als ontmoetingsplek. Ook nu breken sociologen, en ook de VROM-raad, een lans voor alledaagse, terloopse sociale inter­ acties tussen bewoners in de wijk. In veel wijken worden daarom multifunctionele gebouwen gebouwd. In schril contrast daarmee staat de afname van diversiteit en levendigheid in stadswijken. Door schaalvergroting en cluste­ ring – en door wet- en regelgeving – verlaten winkels, onderwijs- en sportvoorzieningen de wijk. Samen met de vaak verschraalde openbare Deze column is een reactie op de vraag van de VROMruimte leidt dit tot aantasting van identiteit, raad – hoe verhouden het vraaggericht werken en het diversiteit – en dus stedelijkheid – en het ver­ verrassen van bewoners zich tot elkaar? – ter gelegenheid dwijnen van de verrassende ontmoetingsplekken. van de lancering van de nieuwe YURPS-site. Geef je eigen antwoord op: www.yurps.nl De focus in de wijkvernieuwing ligt met name op revitalisering van de woningen, menging › www.yurps.nl/bijdragen/21 van inkomens en de ontwikkeling van multi­

40

/// KEI-NETWERK


Nederland / Rotterdam, een huis staat te koop in de Rotterdamse wijk Pendrecht.

Duitsland / Berlijn, een gezin dat een nieuwe woning zoekt, heeft een wervende advertentie op een lantaarnpaal geplakt.

A5 NR 27 / mei 2009

41


PA RT Nieuwe KEI-partners sinds januari 2009

Totaaloverzicht per maart 2009

International New Town Institute (INTI) INTI is een onderzoeks- en kennisinstituut dat zich richt op de historie en vernieuwing van New Towns, toegespitst op het verbeteren van de stedenbouwkundige structuur van hedendaagse New Towns wereldwijd. INTI initieert onderzoek, biedt educatieve programma’s en organiseert publieke evenementen en lezingen.

Rijksoverheid Ministerie van VROM Ministerie van EZ Ministerie van VWS Ministerie van LNV

RUTH VISSER architecten RUTH VISSER architecten is een bureau voor architectuur en stedenbouw. Voorop staat dat een goed ontwerp zich ken­ merkt door ruimtelijke kwaliteit. Daarom richt het bureau zich vooral op de samenhang tussen architectuur en stedenbouw. Steen van Rosette Steen van Rosette is een strategisch communicatieadvies­ bureau bestaand uit 1 persoon; Erna Bosschart. De bedrijfs­ naam is de uitkomst van een optelsom van persoonlijke waarden, drijfveren & kennis. Dat mensen en organisaties elkaar begrijpen is een voorwaarde om succesvol samen te werken. En voor geslaagde stedelijke vernieuwingsprojecten. Fortuin Sociale Gebiedsontwikkeling Fortuin Sociale Gebiedsontwikkeling is specialist in de ontwikkeling van woon-, werk- en leefomgevingen. Met een visie waarin de menselijke maat centraal staat: een stad die je zit als een jas. Fortuin Sociale Gebiedsontwikkeling biedt ondersteuning, advies en onderzoek en beschikt over ervaring als sociaal supervisor in verschillende steden. Talis Talis is een van de grote woningcorporaties in de regio Arnhem/Nijmegen. Talis verhuurt bijna tienduizend woningen in Nijmegen en ruim vierduizend in Wijchen en is actief in projectontwikkeling en nieuwbouw. Prettig wonen in een prettige buurt, dat is waar het om gaat. Lefier Lefier is een corporatie in Noord-Nederland, ontstaan door fusie van de corporaties In, Volksbelang en Wooncom: drie wooncorporaties met dezelfde ideeën over wonen en over de maatschappelijk rol. Door de fusie waarborgt en versterkt Lefier wat ze al is: een maatschappelijk betrokken, daadkrachtige organisatie die dicht bij haar huurders en partners staat.

› www.kei-centrum.nl/partnership

42

/// KEI-NETWERK

Gemeenten G4 Gemeente Amsterdam Gemeente Den Haag Gemeente Rotterdam Gemeente Utrecht

Gemeenten G27 Gemeente Alkmaar Gemeente Almelo Gemeente Amersfoort Gemeente Arnhem Gemeente Breda Gemeente Den Bosch Gemeente Deventer Gemeente Dordrecht Gemeente Eindhoven Gemeente Emmen Gemeente Enschede Gemeente Groningen Gemeente Haarlem Gemeente Heerlen Gemeente Helmond Gemeente Hengelo Gemeente Leeuwarden Gemeente Leiden Gemeente Lelystad Gemeente Maastricht Gemeente Nijmegen Gemeente Schiedam Gemeente Sittard-Geleen Gemeente Tilburg Gemeente Venlo Gemeente Zaanstad Gemeente Zwolle Gemeenten ISV niet-rechtstreeks Gemeente Almere Gemeente Apeldoorn Gemeente Delft Gemeente Goes Gemeente Gouda Gemeente Hilversum Gemeente Purmerend Gemeente Spijkenisse Gemeente Veenendaal Gemeente Vlaardingen Gemeente Waalwijk Gemeente Zoetermeer

Provincies/regio’s Provincie Zuid-Holland Stadsgewest Haaglanden Corporaties Aramis Casade Centrada Cires Com•wonen DeltaWonen De Seyster Veste De Sleutels van Zijl en Vliet De Woningbouw De Woonplaats Domein Far West Futura Haag Wonen Habion Lefier Mitros Nijestee Oosterpoort Woon­ combinatie Parteon Portaal Singelveste SSH Utrecht Staedion Stichting St. Joseph Wonen Stichting Trudo Stichting Woonwaard Noord-Kennemerland Talis Tiwos Van Alckmaer Vestia Groep Vivare Waterweg Wonen WonenBreburg Wonen Heuvelsteden Wonen Weert Wonen West Brabant Woningcorporatie ZVH Woningstichting De Goede Woning Woningstichting Den Helder Woningstichting SWZ Woonbedrijf Ieder1 Woonbron Woonpartners MiddenHolland Woonplus Schiedam Woonstad Rotterdam Woonstichting De Key Ymere Zayaz woon en ongewoon


NE RS Projectontwikkelaars/ grote bouwers/beleggers AM Grondbedrijf bv AMVEST BAM Woningbouw bv Blauwhoed Eurowoningen Dura Vermeer Stedelijke Ontwikkeling bv ERA Bouw bv ASR Vastgoed Ontwikkeling nv Heijmans Vastgoed ING Real Estate Kristal Lingotto Nouville ontwikkelaars Proper-Stok Groep bv Bouwfonds Ontwikkeling bv Rabo Vastgoedgroep Rabobank Nederland Synchroon Timpaan Adviesbureaus/onderzoeks­ bureaus Alterra Alvast ARCADIS AT Osborne Beaumont Communicatie & Management BMC Breebaart & Huffstadt Brink Groep BSDV Stedelijke Vernieuwing, ruimtelijke ontwikkeling en volkshuisvesting Bureau77 Bureau Ruimtewerk Capae COB-WEB advies stedelijke vernieuwing Companen CONCIRE Corgwell De Bakkerij DHV Dimensie DSP-groep bv Dutch Done ECORYS Nederland bv ECOYRYS Rutten Communicatie­advies Eiffel Fame Groep Fortuin Sociale Gebieds­ ontwikkeling Frank Köster ICS-Advies bv Gerrichhauzen & Partners Grontmij

IHS IMPECT Inbo Adviseurs, Stedenbouwkundigen, Architecten Infocus Ingenieursbureau Oranjewoud bv Início JongeHonden Karin Doms interim management, advies en coaching Kars Advies Laagland’advies Linssen en Van Asseldonk, adviseurs in de volkshuis­ vesting bv Louter projectmanagement Maas Sociaal Investeren Meer dan Communicatie Metafoor Onderzoeksinstituut OTB Organisatie-adviesbureau De Beuk p2managers Procap bv

Projectmanagementbureau Quintis bv RIGO Research en Advies bv Roosemalen & Savelkoul Rottier Advies voor stedelijke vernieuwing Shinsekai Analysis SITE/Urban development Stadia bv StadNetwerk Stade Advies Steeds Steen van Rosette Stichting De Driehoek Stichting De Werkplaats Stichting R4R Nederland Stipo Consult Thaens Urban Investment & Management bv TNO Bouw en Ondergrond Twynstra Gudde Management Consultants Urbanet Urbannerdam van-Berk Van Keulen en Van Zutphen Vannimwegen Vensters Via Drupsteen VISADE advies in project­ ontwikkeling bv Werken Aan De Stad bv

Wasmoeth Stedelijke Ontwikkeling Westerdijk Consultancy Willem Kwekkeboom Projectmanagement & Advies Woonbond Kennis- en Adviescentrum WSA Procesarchitectuur & management Stedelijke ontwikkeling Juridische adviesbureaus Houthoff Buruma

Ontwerp en onderzoek BGSV Bureau voor Stedebouw Biq stadsontwerp bv Bouwhulp Groep Buro 5 Maastricht BVR adviseurs ruimtelijke ontwikkeling De Nijl Architecten bv DUS Enno Zuidema Stedebouw Griffioen Architecten KAW architecten en adviseurs KOW Herstructurering Metropolis Architecten MUST One Architecture Paul Salomons architect Rein Geurtsen & Partners bv - Bureau voor stadsontwerp Ruth Visser architecten Sacon, architectuur, stedenbouw en landschap tlu landschapsarchitecten Urhahn Urban Design Van Schagen Architekten VHP stedebouwkundigen + architekten + landschaps­ architekten bv Universiteiten/hogescholen Haagse Hogeschool, lectoraat grootstedelijke ontwikkeling Hogeschool Rotterdam Hogeschool van Utrecht INHOLLAND university, School of Technology Radboud Universiteit Nijmegen Real Estate & Housing, TU Delft, Faculteit Bouwkunde Saxion Hogeschool IJselland

Deltametropool International New Town Institute (INTI) Jantje Beton Projectbureau Belvedere Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten Stedennetwerk Stichting Recreatie Koepels Aedes vereniging van woningcorporaties Bouwend Nederland IPO, Adviesgroep ISV IVBN Nederlandse Vereniging van Makelaars NEPROM NVB Vereniging voor ontwikkelaars en bouw­ ondernemers Vereniging Nederlandse Gemeenten Woonbond Kennisinstituten/ netwerken Architectuur Lokaal CROW De Wijkplaats FORUM, Instituut voor Multiculturele Ontwikkeling Habiforum Instituut voor Publiek en Politiek Lesi MOVISIE Nicis Institute NIROV SenterNovem SEV Stichting KTB VACpunt Wonen Verwey-Jonker Instituut Fondsen Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting Stichting Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse Gemeenten Adviesorganen VROM-raad

Sparringpartners Architecturalia

A5 NR 27 / mei 2009

43


Skaeve huse Er bestaat een categorie bewoners die vanwege hun woongedrag niet in een reguliere woon­ situatie zijn te huisvesten, maar vanwege datzelfde woongedrag ook niet zijn te handhaven in een instelling voor maatschappelijke opvang. Als mogelijke oplossing wordt steeds vaker nagedacht over kleinschalige en apart geplaatste woonvoorzieningen, de zogenaamde Skaeve Huse. Hufterproofwoningen op z¹n Deens, aan de onderkant van de woonladder.

› www.kei-centrum.nl/projecten/ skaevehuse

Lokaties Arnhem Tilburg Leeuwarden Leiden Bergen op Zoom Utrecht Amsterdam

Betrokken partijen deltaWonen DSP-groep BV SEV Woonstichting De Key Stadgenoot


KEI A5 #27