Page 1

in Perspectief

(Ingezonden mededeling)

Theo Thewessen, bestuurslid GeoBusiness Nederland/ Innovatie (werkzaam bij Geodan). Jan Willem van Eck werkzaam bij ESRI Nederland, afstuderend op Open Innovatie aan de Academie voor Management / Rijksuniversiteit Groningen

6 | Vi matrix tweede kwartaal 2010

: VBK

Camille van der Harten, voorzitter Innovatiecommissie GeoBusiness Nederland (werkzaam bij Nexpri)

f oto

Uit de (beknopte) verkenning bleek, dat vooral gezamenlijk middellangetermijnonderzoek (‘precompetitief onderzoek’) interessant werd gevonden voor een open innovatie setting. Een bedrijf kan dit in de regel niet solo uitvoeren. Bovendien zijn bedrijven in een precompetitieve setting meer geneigd om samen te werken. Randvoorwaarde is, dat het col‘Niet alle bedrijven zijn in lectief belang groter is dan het eigenbelang, staat het tempo te volgen. Het de samenwerkende partijen een duidespeelveld wordt bovendien lijke visie hebben over Open Innovatie en dat snel groter. Dit trekt nieuwe er een vertrouwensrelatie is tussen deze toetreders aan met nieuw elan en partijen. Er is zeker een uitstekende ideeën’ basis voor Open Innovatie in onze sector, maar als knelpunt werd benoemd dat de bedrijven in onze sector nogal verschillend zijn qua omvang en aard (van data inwinnen, tijd- en ruimte-analysemodellen tot softwareontwikkeling). Ook moet duidelijk worden gemaakt door de branchevereniging dat leden moeten investeren in innovatie. GeoBusiness Nederland moet voorts krachtig het initiatief nemen in de formulering van een innovatiestrategie voor de geosector. Deze strategie moet tevens ruimte bieden aan initiatieven die buiten onze sector worden ontwikkeld zonder angst te hebben te worden ingehaald door ‘externe’ partijen. Uiteraard zal de innovatiestrategie moeten voorzien in constructieve samenwerking met de overheid, de wetenschap en het onderwijs. Een eerste aanzet voor de discussie zal het volgende vragencluster zijn: “Over vijf jaar is het mogelijk zover: locatieinformatie is net zo vanzelfsprekend als water uit de kraan. Hoe kunnen wij als sector ervoor zorgen dat alle processen ook daadwerkelijk locatie-enabled zijn? Wat gebeurt er als de burger (als ‘locatie-sensor’) actief deelneemt aan deze processen? Hoe betrekken wij creatieve en innovatieve nieuwkomers van buiten onze sector bij deze ontwikkeling?” Om te komen tot een breed gedragen strategie, zal via workshops en een discussieforum (zoals nu op LinkedIn) aan dit cluster en andere vragen invulling worden gegeven.

As Prof. dr. IR. m. MOLENAAR Universiteit Twente, faculteit ITC

Als gevolg van het vliegverbod boven Europa, duurde een vakantie op Kreta langer dan gepland. Het bekijken van satellietbeelden bij thuiskomst roept vragen op over de besluitvorming in dit verband. Het ziet er naar uit, dat er meer aandacht moet worden besteed aan in de inbedding van geo-informatie in besluitvormingsprocessen, vooral op hoog niveau, om dergelijke kapitale missers in de toekomst te voorkomen. In 1982 was ik twee maanden in Indonesië om de afdeling Geodesie van de Technische Universiteit in Bandung te helpen bij de ontwikkeling van een onderwijsprogramma. Ik sliep in het bekende oude Hotel Homan en had een kamer die uitkeek op de binnentuin. Iedere morgen ontbeet ik op mijn terrasje met zicht op de prachtige kleurrijke planten. Op een morgen werd het niet licht. Het was wel degelijk tijd om op te staan, maar het was nog donker, niet stikdonker, maar een vreemd soort grijs en er was geen zon. Toen ik naar buiten ging, bleek de lucht vol met stof en even later hoorde ik dat het de as was van de Galungung. Deze vulkaan, zo’n tachtig kilometer ten oosten van Bandung, was die nacht tot uitbarsting gekomen. Dit beeld kwam weer boven toen mijn vrouw en ik in april vakantie hadden op Kreta. Met het eerste nieuws van de eruptie van de Eyjafjallajökul (wat volgens mij betekent: de gletscher (jökul) op het Eyja gebergte (fjalla)), kwam de herinnering aan Java weer boven. En meteen was er ook het besef, dat er een massa stof in de lucht zou worden uitgestoten en dat dit nog wel eens vervelend voor het vliegverkeer zou kunnen worden. Onze terugreis was pas zes dagen later, dus geen paniek. Dat was dus toch schrikken, toen bleek dat bijna het hele Europese luchtruim werd dichtgegooid en niemand wist voor hoe lang. Hoe wordt zo’n besluit genomen? Hoe doen ze dat in andere delen van de wereld, waar dergelijke uitbarstingen wel vaker voorkomen? Na mijn ‘thuis’-komst op het ITC bleek dat bij de besluitvorming wel een aantal vraagtekens te zetten zijn. Dat geldt voor de gevolgde procedures, voor de belegging van verantwoordelijkheden en beslissingsbevoegdheid. Maar wat ons natuurlijk vooral interesseert, is de gebruikte informatie.

Grote variatie op alle niveaus Het lijkt er toch wel op, dat men op de kaart van Europa een

dikke lijn heeft getrokken om het gebied waarvan men inschatte dat er as in de lucht zou zijn. Daarvoor gold een integraal vliegverbod. Op zo’n benadering is natuurlijk veel af te dingen. Ten eerste verspreidt het stof zich via luchtstromingen over een gebied, zodat je variaties in de stofdichtheid kunt verwachten, dus gebieden met veel en gebieden met weinig stof. Het vliegen zal daarom niet overal gevaarlijk zijn, er moeten zones en routes zijn waar wél gevlogen kan worden. Ten tweede is, vanaf de grond gezien, de eerste tien tot dertien kilometer van de atmosfeer van belang voor het vliegverkeer. Ook over zo’n kolom zal de stofdichtheid variëren. Dus je zou de vliegveiligheid op afzonderlijke hoogtes moeten bekijken. Ten derde zijn zowel de uitstoot van as als de ligging en sterkte van de relevante luchtstromen variabel in de tijd. Dus zul je per regio per tijdsinterval moeten bezien of er wel of niet gevlogen kan worden. Op het ITC zagen we op satellietbeelden dat er vanaf het begin grote variaties waren in de hoeveelheden as in de lucht, over de hele periode dat het Europese luchtruim was gesloten en over het hele getroffen gebied. Dit waren variaties in hoogte, in locatie en in de tijd. Grote delen van het gesloten gebied leken wel degelijk bevliegbaar. Deze informatie kwam van beelden die eenvoudig te verkrijgen zijn.

Te simpele besluitvorming Het lijkt er op dat besluitvormers met een te eenvoudig ruimtelijk concept gewerkt hebben. In wezen lijkt het er verdacht veel op, dat men gedacht heeft in termen van een gewone kaart met contouren of een simpele omlijning van het getroffen gebied. En dat is dan wel wonderlijk in een tijd dat we zoveel meer kunnen op het gebied van de representatie van ruimtelijke processen en fenomenen. Het heeft er alle schijn van, dat op hogere besluitvormende niveaus nog niet goed is doorgedrongen wat wij GI-professionals en organisaties met de huidige technologie kunnen. Hier is nog een belangrijke boodschap over te brengen. We zullen inderdaad nog veel meer energie moeten stoppen in de inbedding van geoinformatie en aardobservatie in governance processen. (Overigens hadden mijn vrouw en ik nog wel mooi vijf extra dagen op Kreta, al moeten we er nog achterkomen wie dat gaat betalen).

Vi matrix tweede kwartaal 2010

|7

Open Innovatie: hype of noodzaak voor de geo-sector?  

deel 2 van dit verhaal

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you