Page 1

Itâ€&#x;s the student, stupid! JaapJan Vroom S1027569 Master Learning and Innovation 15 juni 2011 Deltion College


Inhoud 1.

Samenvatting ...................................................................................................... 3

2.

Inleiding ............................................................................................................... 3

3.

Theoretisch kader en conceptueel model ............................................................ 5 3.1 Theoretisch kader.............................................................................................. 6 3.2 Conceptueel model ........................................................................................... 9

4.

Ontwerp van het innovatieonderzoek en verantwoording .................................. 11 4.1 Deelnemers en technische randvoorwaarden ................................................. 11 4.2 Interventieplan en onderzoeksplan.................................................................. 11 4.2.1 Interventieplan .......................................................................................... 12 4.2.2 Onderzoeksplan ....................................................................................... 13 4.4 Methode en dataverzameling .......................................................................... 14 4.5 Dataverwerking ............................................................................................... 14

5.

Resultaten ......................................................................................................... 15 5.1.1 Deelvraag 1 .............................................................................................. 15 5.1.2 Deelvraag 2 .............................................................................................. 17 5.1.3 Deelvraag 3 .............................................................................................. 17 5.1.4 Deelvraag 4 .............................................................................................. 18 6.2 Conclusie, discussie en aanbevelingen ........................................................... 28 6.2.1 Conclusie .................................................................................................. 28

7.

Literatuurlijst ...................................................................................................... 33

Verklarende woordenlijst .......................................................................................... 34

Itâ€&#x;s the student, stupid! Thesis MLI, JaapJan Vroom, s1027569

2


1. Samenvatting Ondanks de snelle evolutie van ICTmiddelen en de kansen die dit biedt tot verbetering van het onderwijs, evolueert de gemiddelde MBO-leraar op dit gebied niet of nauwelijks. Er zijn diverse manieren bedacht om het gebruik van E-learning door leraren in het onderwijs te bevorderen, maar tot nu toe hebben deze op leraren weinig effect gehad. De gebruikelijke innovatiemethoden zijn op dit gebied de afgelopen vijftien tot twintig jaar niet echt succesvol gebleken: E-learning wordt in het MBO nog relatief weinig gebruikt. In deze bijdrage is de vraag aan de orde of er geen alternatieve innovatiestrategie gebruikt kan worden die het gedrag van leraren verandert door zich te richten op de student in plaats van rechtstreeks op de leraar. ChangeByChange is zo‟n alternatieve innovatiestrategie. Om de vraag te beantwoorden is een innovatie op basis van „ChangeByChange‟ uitgevoerd bij een studentengroep en een lerarenteam van ROC Deltion College. In het parallel aan deze innovatie lopende onderzoek naar de effecten van ChangeByChange (CbC) zijn gesprekken met studenten, leraren en onderwijsmanager geanalyseerd vanuit een vijftal perspectieven. Wat beïnvloedt de leraar als het gaat om zijn gebruik van Elearning: zijn team, z‟n studenten, het management, de E-learning deskundige of de randvoorwaarden? De resultaten laten zien dat de student een grote positieve invloed op leraren kan hebben voor wat betreft hun houding ten opzichte van E-learning. Leraren zijn hierdoor eerder bereid te starten met E-learning. Ook positief bleek de invloed van een E-learningdeskundige tijdens de uitvoering van de innovatie. Het team en management worden door leraren in deze als belemmerend ervaren. Een neveneffect van CbC is de invloed die deze strategie heeft op de studenten zelf: studenten gaan op een volwassener manier met hun schoolwerk om. De conclusie is dat de alternatieve innovatiestrategie ChangeByChange op het Deltion bruikbaar is als strategie om het gebruik van E-learning te vergroten. Het uitgangspunt van ChangeByChange: verander de student en je verandert de leraar en het onderwijs, wordt in dit praktijkonderzoek bevestigd.

2. Inleiding Op het moment dat ik dit onderzoeksverslag publiceer werk ik als adviseur ICT&Leren op het ROC Deltion College in Zwolle. In mijn werk houd ik mij bezig met onderwerpen op het raakvlak van ICT en Leren. Al zeker 15 jaar ben ik bezig met het implementeren van vormen van onderwijsvernieuwing door gebruik te maken van Elearning. Eerst als leraar, daarna als ICT coördinator, vervolgens binnen een innovatienetwerk als ICT&Leren-expert en de laatste jaren als adviseur ICT&Leren. Binnen al deze functies, gedurende al die jaren zag ik in het primaire proces op het Deltion College, maar ook binnen andere ROC‟s, weinig of geen echte veranderingen met betrekking tot het gebruik van E-learning optreden. Siritongthaworn, Krairit, Dimmitt en Paul omschrijven E-learning als het gebruik van internettechnologieën om het onderwijsproces te verbeteren (Siritongthaworn et al, 2006, p 139). E-learning richt zich op het leerproces zelf, op het ontwikkelen en It‟s the student, stupid! Thesis MLI, JaapJan Vroom, s1027569

3


beheersen van leermateriaal en leerprocessen en het organiseren van leeractiviteiten. Concreet kan dat op een school betekenen dat er digitaal lesmateriaal gebruikt en gemaakt wordt en dat dit digitaal materiaal via een elektronische leeromgeving (ELO) onder studenten verspreid wordt. Denk bijvoorbeeld ook aan studenten die hun opdrachten naar diezelfde ELO sturen waarna de leraar digitaal feedback geeft. Door het schoolmanagement van het Deltion College werd bijna elk jaar gesteld dat er meer E-learning gebruikt moest worden, werden door de directie streefpercentages voor ICTgebruik genoemd en moesten er E-learningprojecten „gedraaid‟ worden waar leraren niet of nauwelijks bij betrokken waren. In mijn lange loopbaan als ICTcoördinator en adviseur ICT&Leren heb ik ervaren dat E-learning door collega‟s steeds meer gezien werd als bedreiging, een verlengde van de lange arm van de schoolmanagers en niet als uitdaging om het onderwijs van onderaf te verbeteren. Leraren wíllen niet door het management betutteld en gestuurd worden in hun dagelijkse werk. Zij zijn de profs en willen zelf bepalen hoe hun onderwijs er uit moet zien. Of zoals Weggeman, het zegt: “Kenniswerkers zijn niet te managen door het opleggen van regels en procedures...” (Weggeman, 2008, p 17). Een alternatief In deze bijdrage, die ik schreef in het kader van mijn Masteropleiding Learning and Innovation, richt ik mij op een door mijzelf ontwikkelde alternatieve innovatiestrategie: ChangebyChange. Een strategie die niet uitgaat van dwang van boven, die niet het initiatief bij de leraren laat liggen maar uitgaat van de sturende kracht en invloed van studenten. Mijn definitie van CbC luidt: ChangeByChange is een alternatieve innovatiestrategie, gericht op verandering van lerarengedrag en onderwijspraktijk met verandering van studentengedrag als belangrijkste prikkel. Ik heb deze strategie ontwikkeld naar aanleiding van een door mij in 2010 uitgevoerde implementatie van E-learning bij studenten van het team “Modelyceum” op ROC Deltion College in Zwolle. In dit team heb ik mijn inspanningen enkel op de studentengroep van één leraar gericht en heb ik het team niet bij de implementatie betrokken. Na enkele maanden bleek het betreffende team razend nieuwsgierig te zijn wat de studenten allemaal op de computer deden en wilden de leraren dat zelf ook weleens zien. Het jaar daarop is de elektronische leeromgeving teambreed ingevoerd en is de laptop op de leermiddelenlijst geplaatst. Blijkbaar had de studentgerichte aanpak een groot effect op het E-learning gebruik van de leraren. Werkt CbC ook daadwerkelijk? Kan ik bij een ander team herhalen wat er bij het Modelyceum gebeurd is? Kan ik met deze strategie bereiken wat de reguliere innovatiemethodieken tot nu toe niet of maar mondjesmaat bereikt hebben: het veranderen van concreet lerarengedrag: toename van het gebruik van E-learning? Of specifiek voor de situatie van de school waar ik werk, het Deltion College: gaan de leraren door inzet van CbC (meer) gebruik maken van de elektronische leeromgeving N@tschool?

It‟s the student, stupid! Thesis MLI, JaapJan Vroom, s1027569

4


Natuurlijk heb ik hier wel een gedachte over, een hypothese, die ik ga testen. Deze hypothese luidt: Gebruik van de innovatiestratiegie CbC op het Deltion College leidt tot meer gebruik van E-learning. Ik besef dat mijn betrokkenheid bij deze innovatiestrategie kan leiden tot gekleurde en optimistische conclusies. Als onderzoeker word ik geacht een objectief oordeel te geven over het effect van de inzet van mijn eigen alternatieve strategie. Deze effecten meet ik daarnaast ook nog eens in een zelf uitgevoerde innovatie. Resultaten en conclusies heb ik daarom hierop door critical friends laten beoordelen en waar nodig bijgesteld. Onderzoeksvraag Met dit onderzoek wil ik nagaan of ChangeByChange werkt zoals ik mij voorstel. Ik ben erg nieuwsgierig of CbC op het Deltion College tot meer gebruik van E-learning leidt. Omdat het voor mij niet mogelijk is alle Deltionleraren als onderzoeksgroep in dit onderzoek mee te nemen, heb ik de hypothese getest op ĂŠĂŠn onderwijsteam: het team apothekersassistent. Daarnaast is het voor mij ook niet mogelijk elke vorm van E-learning in het onderzoek te betrekken. Hierom richt ik mij in dit onderzoek enkel op N@tschool, de elektronische leeromgeving van het Deltion College. Centraal in mijn onderzoek staat dan de volgende vraag: Leidt de alternatieve innovatiestrategie ChangeByChange bij leraren van de opleiding apothekersassistent op het Deltion College tot een toename van het gebruik van N@tschool? De hierbij horende deelvragen zijn: 1. Op welke manier wordt E-learning bij de start van het onderzoek gebruikt bij de opleiding apothekersassistent? 2. Welke veranderingen in het gebruik van N@tschool treden op bij leraren van het team tandartsassistent na het toepassen van de interventie ChangeByChange? 3. Welke veranderingen in houding ten opzichte van het gebruik van N@tschool treden op bij leraren van het team apothekerssassistent na het toepassen van de interventie ChangeByChange? 4. In hoeverre zijn deze veranderingen toe te schrijven aan ChangeByChange?

3. Theoretisch kader en conceptueel model In het theoretisch kader ga ik door middel van een korte literatuurstudie in op redenen van mensen om innovaties al dan niet te adopteren. Voortbordurend op deze literatuurstudie beschrijf in dit deel ook mijn alternatieve innovatiestrategie ChangeByChange. In het tweede deel van dit hoofdstuk werk ik, mede op basis van het theoretisch kader uit het eerste deel, het conceptueel model van mijn eigen alternatieve innovatiestrategie uit.

Itâ€&#x;s the student, stupid! Thesis MLI, JaapJan Vroom, s1027569

5


3.1 Theoretisch kader We leven in een periode van enorme technologische vooruitgang, innovaties volgen elkaar in een woest tempo op. De ene technische innovatie is nog niet gepresenteerd of de volgende dient zich al weer aan. Ook het onderwijs heeft te maken met deze technische vernieuwingen. ICT biedt hierdoor allerlei nieuwe mogelijkheden die een paar jaar geleden ondenkbaar waren en die de onderwijskwaliteit kunnen verbeteren: Social media, internetbronnen, Youtube, digiborden en noem verder maar op. Uit onderzoek van Kennisnet blijkt dat leraren die ICT op de juiste wijze inzetten in de lessen, een hogere kwaliteit en opbrengst met hun onderwijs bereiken (Kennisnet, 2008). De inschatting van leraren en management dat ICT meerwaarde biedt, wordt volgens Kennisnet steeds meer ondersteund door wetenschappelijk onderzoek waaruit blijkt dat ICT vooral bijdraagt aan betere prestaties van leerlingen. Er is ook een keerzijde: ICT-toepassingen die verkeerd worden ingezet, kunnen de leerprestaties van leerlingen negatief beïnvloeden. Hoewel er een enorme hoeveelheid technische ontwikkelingen over ons uitgestort wordt, verloopt het proces van acceptatie van vernieuwingen niet net zo turbulent. Dit proces is er één van geleidelijkheid. Er zijn mensen die als vanzelf de nieuwste dingen willen Figuur 1, innovatietheorie van Rogers uitproberen, maar zo er is ook een groep die vernieuwingen zo lang mogelijk tegenhoudt. Volgens Everett Rogers (1992) zijn er wat betreft de adoptie van innovaties in het algemeen vijf groepen te onderscheiden die elk hun eigen adoptiesnelheid kennen (Rogers, 2003). Zie hiervoor figuur 1. Zo is er sprake van „innovators‟, de groep mensen die op zoek is naar het nieuwste van het nieuwste en „early adopters‟. Ook zij willen nieuwe dingen maar lopen net achter de innovators aan. De „early majority‟ is de eerste grote groep mensen die het product gaat kopen, terwijl de „late majority‟ meer tijd dan gemiddeld nodig heeft om een innovatie aan te nemen. De „laggards‟ tenslotte koopt als laatste groep het product. Het kan zijn dat iemand voor een bepaald product een early adopter is, maar voor een andere innovatie tot de laggards behoort. Op het Deltion College zijn de leraren die niet met N@tschool werken grofweg te verdelen over de late majority en de laggards. N@tschool is al een aantal jaren in gebruik, de early majority is er al druk mee in de weer, maar een flink deel van de leraren komt er niet toe N@tschool te gaan gebruiken. Rogers (2003) stelt dat ongeveer 33% van de mensen bij de late majority hoort en meer tijd dan gemiddeld nodig hebben om een innovatie aan te nemen. Er is bij hen onder meer toenemende druk van peers nodig voor adoptie van de innovatie. Uiteindelijk zal deze groep de innovatie wel gaan gebruiken, hoewel ze lang sceptisch staan tegenover het gebruik hiervan. Daarnaast zullen onzekerheden rond de innovatie moeten worden opgelost. De „Laggards‟, de groep die het langzaamst een innovatie adopteert is vastgelopen in het verleden, vindt innovaties verdacht en heeft een heel lang “innovation-decision process”. It‟s the student, stupid! Thesis MLI, JaapJan Vroom, s1027569

6


In de vele gesprekken die ik en andere adviseurs ICT&Leren in ons werk met teamleden voeren (inclusief de bij het onderzoek betrokken leraren van het team apothekersassistent) herken ik de door Rogers genoemde groepskenmerken. De grote meerderheid van leraren wijst N@tschool niet absoluut af, maar kent wel scepsis en onzekerheid over de inzet van N@tschool. Slechts een kleine groep weigert pertinent iets met N@tschool te gaan doen. Bosker en Boreel (2000) hebben onderzocht hoe de adoptie bij de early majority, de late majority en de laggards verloopt. Zij stellen dat deze grote groep (84% van de mensen) zich veel meer door ervaringen van gebruikers (hier: studenten en leraren) laat beïnvloeden dan door het analyseren van feiten. Bosker en Boreel concluderen dat de grote meerderheid van consumenten nieuwe technologie beschouwt vanuit een sociaal-constructionistische benadering, waarin subjectiviteit een grotere rol speelt. De meeste mensen zijn volgens hen dus niet tot adoptie van iets nieuws over te halen door gebruik te maken van een positivistische, op feiten berustende benadering. Zij hebben ervaringen nodig, geen feiten. Verbetering van de ict-infrastructuur en vergroting van de kennis over ICT blijken niet echt te helpen om E-learning in te voeren in het onderwijs. C.K. Kreijns (2009) besprak bij zijn oratie de vraag waarom leraren ICT niet in hun lessen gebruiken. Hij geeft daarbij aan wat er in het verleden gedaan is om ICTgebruik te stimuleren. Een goede infrastructuur, internet en geschoolde leraren: het mocht niet baten... Blijkbaar kunnen de randvoorwaarden nog zo goed ingevuld zijn, een groot deel van de leraren gebruikt nog nauwelijks E-learning in hun lessen. Meer computers, beter internet en fraaiere programma‟s alleen hebben niet geholpen en zullen volgens Kreijns ook niet helpen. In het MBO, dus niet alleen op het Deltion College, herken ik de aangehaalde uitspraken van Bosker en Boreel (2000) en Kreijns (2009). Leraren met weerstand tegen een (ICT)innovatie als invoering van N@tschool zijn niet of nauwelijks over te halen met feiten over de voordelen van deze elektronische leeromgeving, een sneller internet of betere computers. De door Bosker en Boreel (2000) genoemde mogelijkheid tot brede acceptatie van een innovatie door interpersoonlijke netwerken en de door Rogers (2003) gestelde invloed van peers is niet altijd positief. Peerdruk kan inderdaad positief werken, maar kan ook negatieve effecten hebben. Als alle leraren in een team weerstand bieden tegen het gebruik van N@tschool zal de peerdruk juist hun eigen weerstand versterken en tot minder gebruik van N@tschool leiden. Volgens Alblas (2009) is de invloed die groepsleden in hechte groepen op elkaar uitoefenen inderdaad groot. In zo‟n groep heb je elkaar nodig voor het krijgen van bescherming, vriendschap, status en bevestiging. Aanpassing aan de in de groep geldende opvattingen en gedragingen is de prijs voor het groepslidmaatschap. De kans bestaat dat in bepaalde groepen opbloeiende initiatieven van enkelingen door de peerdruk van teamcollega‟s in de kiem gesmoord worden. Ervaringen van collega‟s uit andere teams verliezen daarmee ook aan overtuigingskracht: de druk van de eigen groep is simpelweg te groot.

It‟s the student, stupid! Thesis MLI, JaapJan Vroom, s1027569

7


De alternatieve innovatiestrategie ChangeByChange combineert het werk van Rogers (2003) en Bosker & Boreel (2000). De grote groep van achterblijvers kan niet met feiten overgehaald worden, wordt gesterkt in hun weerstand door de peergroup en luistert vooral niet naar het management (Swieringa en Jansen, 2005; Weggeman, 2007). Het alternatieve karakter van ChangeByChange zit „m dan ook in het feit dat deze strategie uitgaat van de invloed die studenten op leraren hebben. CbC gaat er van uit dat studenten, belangrijke leden van het interpersoonlijke netwerk van leraren, daadwerkelijk invloed op het concreet lerarengedrag kunnen hebben. Ik neem aan dat studenten die N@tschool naar tevredenheid gebruiken door het overbrengen van hun ervaringen grotendeels de door Rogers (2003) gesignaleerde onzekerheden en scepsis bij leraren wegnemen. In de interactie met hun leraren zijn de studenten dan in staat hun vraag naar vernieuwing vanuit hun aantoonbare ervaring bij de leraren neer te leggen. Dat deze vraag van studenten niet zomaar bij alle leraren zal landen is wel duidelijk. De leraar moet wel openstaan voor vragen vanuit zijn of haar studentengroep. Marjolein Drent (2005) gaat in haar proefschrift “In transitie: op weg naar innovatief ICT-gebruik op de pabo” uitgebreid in op mogelijk factoren die innovatief ICTgebruik door leraren beïnvloeden. Zij verdeelt deze factoren in twee clusters: endogene en exogene factoren. Op exogene factoren heb je geen invloed (geslacht en leeftijd bijvoorbeeld), maar endogene factoren kun je stimuleren. Onder deze endogene factoren vallen onder meer een student georiënteerde didactische werkwijze van de leraar en de onderwijsopvattingen van de leraar. De leraar in een student georiënteerde leeromgeving zal zijn werkwijze aanpassen aan de vragen van studenten. Of om met Bosker & Boreel (2000) te spreken: deze leraar zal open staan voor de ervaringen van studenten met de innovatie. Hoe student georiënteerder zijn didactiek is, des te groter de kans op innovatief ICTgebruik door deze leraar. Drent stelt dat de gerichtheid van de leraar op de student in deze een factor van belang is. In mijn innovatie ga ik er van uit dat de leraren van het betreffende team apothekersassistent een zekere mate van student georiënteerdheid bezitten. Samenvattend hebben een aantal zaken invloed op het al dan niet gebruiken van Elearning door de leraar (tabel 1). Tabel 1, overzicht van variabelen uit literatuur die invloed hebben op het gebruik van E-learning

1.0 Randvoorwaarden 1.1 Randvoorwaarden kennis en ICT 1.2 Open staan van leraren voor inbreng studenten 2.0 Invloed en ervaringen 2.1 Groepsinvloed lerarenteam op leraar 2.2 Ervaringen van anderen

It‟s the student, stupid! Thesis MLI, JaapJan Vroom, s1027569

8


3.2 Conceptueel model Inhoudelijke vernieuwing van het onderwijs raakt veel facetten binnen een school, diverse afdelingen zijn bij een onderwijsinnovatie betrokken. Natuurlijk leraren, directeuren en een stafdienst innovatie, maar ook de dienst automatisering en inkoop zijn actoren in zoâ€&#x;n proces (figuur 2). In dit conceptueel model bespreek ik drie actoren, te weten de innovator, leraren en Figuur 2, innovatieactoren studenten. Genoemde diensten als inkoop en automatisering laat ik hier buiten beschouwing, zij zijn in dit kader niet van belang omdat zij normaal gesproken geen directe invloed hebben op de wijze van lesgeven van leraren. In figuur 2 is te zien hoe de drie overige actoren in een innovatieproces met elkaar zijn verbonden. Er zijn in het MBO en ook op het Deltion College diverse projecten opgezet om de leraar ertoe te bewegen meer E-learning in zijn of haar lessen op te nemen. Of het nu om de invoering van N@tschool gaat of gebruik van web2.0 toepassingen: de leraar is vaak de intermediair geweest tussen de innovator, het onderwijs en het student (figuur 3). De gangbare wijze van innoveren binnen het Figuur 3, gangbare wijze van innoveren Deltion College en stimulering van E-learning in het bijzonder loopt dus via de leraar. Binnen het onderwijs verloopt deze vorm van innovatie echter bijzonder traag. Hoewel zoals eerder vermeld de afgelopen 15 jaar diverse projecten zijn opgezet om de leraar ertoe te bewegen meer E-learning toe te passen binnen het onderwijs, gebruikt een grote groep leraren E-learning nog steeds niet of nauwelijks in zijn les. Een innovatie volgens de principes van ChangeByChange probeert een verandering van lerarengedrag te bereiken via de student (figuur 4). Door een (E-learning) innovatie te richten op studenten en niet rechtstreeks op de leraar zullen die studenten op basis van hun veronderstelde positieve ervaring met de innovatie de leraar actief vragen zijn/haar gedrag te veranderen. Figuur 4, innovatie volgens In de praktijk kan dit betekenen dat N@tschool ChangeByChange geĂŻntroduceerd wordt bij de studenten en niet bij het team. Als een student enthousiast is over N@tschool kan de student naar de leraar stappen en vragen of hij ook N@tschool wil gaan gebruiken. De studenten kunnen dan bijvoorbeeld hun opdrachten digitaal inleveren en hoeven dat niet meer op papier te doen. Hij zou ook kunnen vragen om de powerpoint die in de les gebruikt is via N@tschool beschikbaar te stellen aan de klas.

Itâ€&#x;s the student, stupid! Thesis MLI, JaapJan Vroom, s1027569

9


ChangeByChange is er op gericht studentengedrag in de les te gaan veranderen. In het geval van de innovatie uit deze bijdrage kan het zijn dat een student daardoor met een laptop in de klas gaat zitten en geen papieren readers meer gebruikt. Deze staan nu immers in N@tschool. Doordat deze student E-learning (N@tschool) in zijn dagelijkse onderwijs gaat gebruiken zal een leraar geprikkeld worden, na korte of langere tijd, te gaan kijken wat deze student aan het doen is. Er zal hierover gesproken worden tussen studenten en leraren en wellicht ook door leraren onderling. Dit andere studentengedrag beïnvloedt dus de concrete onderwijssituatie waardoor de leraar, als hij wil anticiperen op de veranderde situatie, getriggerd wordt om zijn gedrag te veranderen. Ik noem dit de passieve beïnvloeding van het lerarengedrag door de student. Of het nu actief of passief is, het gedrag van de student dat veranderd is door een gerichte interventie van de innovator zal het lerarengedrag op zijn beurt weer veranderen. Verandering door verandering, ChangeByChange. Mijn hypothese (gebruik van de innovatiestratiegie CbC op het Deltion College leidt tot meer gebruik van E-learning) is hier dan ook gebaseerd. Succesfactoren CbC Zoals ik in de inleiding al beschreef heb ik in cursusjaar 2009-2010 een implementatie van E-learning uitgevoerd bij het team Modelyceum. Hoewel ik mij toen enkel op de studenten richtte, is de acceptatie van E-learning, in dit geval de ELO N@tschool, bij het lerarenteam succesvol verlopen. De toentertijd genomen stappen zijn door mij gedocumenteerd. Ik ga er van uit dat ze mede hebben bijgedragen aan het succes van deze implementatie van N@tschool. Vertaald naar succesvoorwaarden voor het gebruik van CbC luiden ze als volgt: Content en applicatie: 1. Er moet gestart worden met een gevulde, rijke elektronische leeromgeving; 2. Voor vulling (content) van N@tschool is inhoudelijke hulp van één van de teamleden nodig; Instructie studenten 3. Studenten moeten aan het begin van de interventie instructie krijgen over het gebruik van N@tschool; 4. Studenten dienen goed op de hoogte te zijn wat de rol van leraren bij N@tschool is; 5. Studenten moeten weten waar zij makkelijk en snel hulp kunnen krijgen bij functionele vragen over N@tschool; 6. De voor CbC gebruikte applicatie (N@tschool) kan zelfstandig door de student gebruikt worden 7. Er is een snelle en makkelijke toegang tot N@tschool (bij voorkeur met een laptop) Rol student: 8. Studenten hebben een actieve rol bij gebruik en beoordeling van N@tschool Een interventie gebaseerd op ChangeByChange richt zich dus op de student. De leraar wordt pas actief bij het proces betrokken als blijkt dat hij of het team meer wil weten van de innovatie, in dit geval N@tschool.

It‟s the student, stupid! Thesis MLI, JaapJan Vroom, s1027569

10


4. Ontwerp van het innovatieonderzoek en verantwoording 4.1 Deelnemers en technische randvoorwaarden De onderzoeksgroepen bestonden uit een studentengroep, een lerarengroep en een individuele onderwijsmanager. De studentengroep was 23 studenten groot bij de start van het onderzoek. Zij volgen een volletijdsopleiding apothekersassistent, niveau 4 en zijn gemiddeld vaardig met ICT. De studenten zijn 17, 18 en 19 jaar oud. Het lerarenteam apothekersassistent bestaat uit 4 leraren en 2 instructeurs. Ongeveer een jaar geleden is N@tschool gepresenteerd aan het team, maar tot op heden wordt deze tool niet gebruikt. Op zich snapt men wel dat het een nuttig middel is, maar men “komt er niet aan toe”. Twee teamleden wilden in hun les wel meewerken aan het onderzoek, waarvan één input gegeven heeft voor het vullen van N@tschool als leeromgeving. Volgens Kreijns (2009) zijn beschikbaarheid van ICT-middelen en de aanwezigheid van een ICT infrastructuur belangrijk, maar niet bepalend voor het al dan niet gebruiken van ICT-middelen in het primair proces. Bij mijn onderzochte doelgroep op het ROC zijn middelen als computers en software in voldoende mate beschikbaar. Ook is de infrastructuur dik in orde. 4.2 Interventieplan en onderzoeksplan Mijn innovatie / interventie en onderzoek zijn parallel uitgevoerd. In figuur 5 is de samenhang tussen beide te zien. In 4.2.1 en 4.2.3 worden het interventieplan en onderzoeksplan uitgewerkt.

It‟s the student, stupid! Thesis MLI, JaapJan Vroom, s1027569

11


Slotinterview manager.

Slotinterview leraren.

Stageterugkomdag studenten, Feedback studenten nieuwe inrichting N@tschool. Loggegevens N@tschool.

Teamevaluatie + maken afspraken invoering N@tschool. Teamevaluatie.

Studenten leggen in team N@tschool uit en vragen om gebruik N@tschool volgend jaar.

Studentenevaluatie.

Studentenevaluatie + plan maken benadering leraren.

Voorlichting studenten gebruik N@tschool. Loggegevens N@tschool.

Nulmeting studenten, enquête.

Bouw rijke leeromgeving.

INTERVENTIE ONDERZOEK

Vijf weken lang gebruik van N@tschool.

tijd

Figuur 5, samenhang innovatie / interventie en onderzoek

4.2.1 Interventieplan Mijn interventies om te komen tot een succesvolle inzet van de ChangeByChange methodiek zijn mede gebaseerd op de in hoofdstuk 3.2 genoemde succesfactoren voor gebruik van CbC. De interventie is dan ook op basis van deze factoren uitgevoerd: a. Als eerste heb ik een rijke vakspecifieke leeromgeving gebouwd in N@tschool, voorafgaand aan de interventie. Eén van de vakleerkrachten voorzag mij van de benodigde informatie; b. De studentengroep heeft vervolgens voorlichting over N@tschool gehad plus een korte training; c. Binnen de studentengroep is N@tschool een vijftal weken gebruikt, waarbij ik er voor zorgde dat in de betreffende lessen studenten voorzien werden van leenlaptops met draadloos internet; d. Tijdens de studentenevaluatie heb ik met studenten een plan gemaakt hoe N@tschool verbeterd zou kunnen worden en hoe de leraren benaderd konden worden om meer en blijvend gebruik te gaan maken van N@tschool;

It‟s the student, stupid! Thesis MLI, JaapJan Vroom, s1027569

12


e. Studenten hebben als gevolg hiervan in een teamoverleg de aanwezig leraren gevraagd ook in de toekomst gebruik te gaan maken van N@tschool. In datzelfde overleg hebben ze N@tschool kort aan het team gedemonstreerd; f. In een teamoverleg aan het einde van de interventie werd een evaluatie gedaan en afspraken gemaakt over invoering van N@tschool; g. Zo‟n drie weken na het teamoverleg heb ik studenten tijdens hun stageterugkomdag op basis van hun eerder gegeven feedback kort een nieuw ontwerp voor een leeromgeving in N@tschool voorgelegd. 4.2.2 Onderzoeksplan Het onderzoek is opgezet rond de uitgevoerde interventie (zie interventieplan in paragraaf 4.2.1). In mijn onderzoek volgde ik een groep 1e jaars studenten apothekersassistent van het Deltion College in Zwolle. De groep leraren waarvan ik onderzocht of hun gedrag zou veranderen geeft les aan deze groep studenten. Ethiek Het al dan niet aan betrokken leraren vertellen dat er een onderzoek plaatsvindt was en is voor mij een belangrijke ethische kwestie. In principe kan een CbC-interventie zich volledig buiten zicht van het team in kwestie afspelen tot het moment dat studenten in actie komen. Ik heb er voor gekozen de betrokken leraren wél te vertellen dat de studenten een gevulde leeromgeving krijgen en dat ik onderzoek doe naar het gebruik er van. Om vervuiling van de onderzoeksresultaten te voorkomen heb ik echter niet heb aangegeven dat ik in werkelijkheid de invloed van de student op het lerarengedrag onderzoek. Na afloop van het onderzoek heb ik hen volledig inzicht gegeven in de interventie- en onderzoeksopzet. Onderzoeksstappen De volgende onderzoekstappen zijn uitgevoerd: a. Voordat de interventie startte is er een nulmeting, in de vorm van een enquête, onder de 1e jaars studenten gehouden over de door hen op school gebruikte E-learning, waaronder N@tschool. b. Om het E-learninggebruik in beeld te brengen is er voor de interventie een nulmeting van het gebruik van N@tschool gedaan via loggegevens van N@tschool zelf. c. Ook nog voor de interventie is de onderwijsmanager geïnterviewd. d. Aan het einde van de interventie is er een evaluatie in de vorm van een groepsinterview bij de studentengroep gedaan over het gebruik van N@tschool. Tijdens deze evaluatie is ook ingegaan op de mate van interactie van de studenten met leraren over N@tschool en hun ervaringen daarmee. e. Er is een teamevaluatie gehouden met de leden van het team apothekersassistent. f. Met loggegevens van N@tschool is er een eindmeting van het gebruik van N@tschool uitgevoerd g. Uiteindelijk zijn er slotinterviews met individuele teamleden over het effect van studentengedrag op de leraren gehouden en; h. Als laatste is de onderwijsmanager geïnterviewd over zijn kijk op het verloop van de interventie.

It‟s the student, stupid! Thesis MLI, JaapJan Vroom, s1027569

13


4.4 Methode en dataverzameling Het onderzoeksmateriaal bestaat uit de letterlijke transcripties van de audio-opnames van zes interviews en twee groepsgesprekken. Daarnaast bevat het onderzoeksmateriaal een aantal logs van inloggegevens in N@tschool. De vragenlijsten bevatten vragen over het effect van de interventie, maar ook vragen die voor het onderzoek van belang zijn. Zo heb ik gemeten in welke mate studenten leraren actief benaderden om N@tschool te gaan gebruiken (interventie). Daarnaast heb ik bekeken of de leraren van de opleiding apothekersassistent door een actieve benadering van de studenten om N@tschool in te zetten gestimuleerd werden om deze middelen te gaan gebruiken (onderzoek). Ik heb aan de hand van de logs van N@tschool onderzocht of leraren van het betreffende team N@tschool na de interventie meer zijn gaan gebruiken dan zij dat voor de interventie deden. Het begrip „meer‟ kent in dit geval een stijging met een ondergrens van 10%. De nulmeting van studenten heb ik gedaan met behulp van vragenlijsten. Bij de interviews en groepsgesprekken zijn semigestructureerde vragenlijsten gebruikt. 4.5 Dataverwerking In eerste instantie is voor de codering van de interviews uitgegaan van de codering zoals ik deze in de literatuur gevonden heb (tabel 1). Uit de gegeven antwoorden in interviews en teamgesprekken bleek de codering niet gedetailleerd genoeg te zijn om de data effectief te kunnen verwerken en is deze als volgt gecategoriseerd: Tabel 2, overzicht van variabelen uit literatuur en eigen onderzoek die invloed hebben op het gebruik van E-learning

1.0 Randvoorwaarden 1.1 Randvoorwaarden Kennis en ICT 1.2 Open staan van leraren voor inbreng studenten 2.0 Invloed en ervaringen 2.1 Groepsinvloed lerarenteam op leraar 2.2 Invloed studenten op leraar 2.3 Invloed manager op leraar 2.4 Invloed deskundige / innovator op leraar 3.0 Overig (Categorie 2.2 komt overeen met de kerngedachtes van de innovatiestrategie ChangeByChange). Alle uitspraken van geïnterviewden zijn woordelijk getranscribeerd en ondergebracht in één van de genoemde thema‟s. De transcripties heb ik ter goedkeuring naar de geïnterviewden gestuurd. Alle deelnemers zijn akkoord gegaan met de inhoud van deze transcripties.

It‟s the student, stupid! Thesis MLI, JaapJan Vroom, s1027569

14


5. Resultaten In de transcripties heb ik 125 uitspraken gevonden die gecodeerd konden worden in een categorie uit het codeerschema (tabel 2). Om een idee te geven hoe er gecodeerd is, is een voorbeeld gegeven in tabel 3. Het gaat hier over uitspraken in de categorie „invloed van student‟ en „invloed van de manager‟. Tabel 3, voorbeeld van uitspraken in een individueel interview met een leraar na de interventie.

Interviewer:

Als we het nu eens niet op deze manier gedaan zouden hebben en niet de studenten, maar de teammanager had jullie gevraagd N@tschool te gaan gebruiken, had het dan andere effecten op jou gehad?

Leraar:

Ja! Zeker! Je ziet hoe wij er in zitten, hoe druk we zijn en hoeveel tijd we vrijmaken. Ook voor dit interview wat ik nu onder het eten doe. Als iemand van bovenaf dit zou zeggen en het over de schutting zou gooien: dat zou niet werken. [invloed manager -] Als de studénten zouden zeggen: “Dit willen wij, zoek het maar uit” is dat wat anders. [invloed student +] Ik dien liever de studenten dan de teammanager [invloed student+] [invloed manager-]

5.1.1 Deelvraag 1 Op welke manier wordt E-learning bij de start van het onderzoek gebruikt bij de opleiding apothekersassistent? Voor de interventie is bij de eerstejaars studenten apothekersassistent een nulmeting in de vorm van een enquête uitgevoerd. Hen is ondermeer gevraagd welke Elearning pakketten er door hen gebruikt worden in het kader van hun opleiding. Zie tabel 4 en 5. Tabel 4, gebruikte E-learning

Vakgebied

E-learning

Ja (%)

Nee (%)

Nederlands

N@tschool

95

5

Fiducia

10

90

N@tschool

90

10

Fiducia

0

100

N@tschool

0

100

Fiducia

0

100

N@tschool

0

100

Fiducia

15

85

LLB

Engels

Apothekersvakken

It‟s the student, stupid! Thesis MLI, JaapJan Vroom, s1027569

15


Overige, door studenten zelf aangedragen E-learning: Tabel 5, overige E-learning

E-learning

Aantal keren genoemd

KNMP Kennisbank

55 %

Protype

25%

Word

10%

Uit de gegevens blijkt dat bij Engels en de Apothekersvakken N@tschool niet gebruikt wordt. Iets meer dan de helft van de studenten noemt de Kennisbank als gebruikt E-learning materiaal. Deze kennisbank levert de studenten de benodigde vakkennis. Opvallend is dat 45% van de studenten deze bron niet uit zich zelf noemt.

N@tschool Uit de inlogggevens van N@tschool zelf blijkt dat in de maand voorafgaand aan de interventie als volgt gebruik is gemaakt van N@tschool door de teamleerkrachten (tabel 6). Tabel 6, loggegevens N@tschool voor interventie

Datum

26-2 / 5-3

5-3 / 12-3

12-3 / 19-3

19-3 / 26-3

26-3 / 2-4

Sessies

sessies

Sessies

sessies

Sessies

Leraar 1

0

0

0

0

0

Leraar 2

0

0

0

0

1

Leraar 3

2

0

8

8

1

Leraar 4

0

0

0

0

0

Leraar 5

2

3

2

1

0

Leraar L3 is tevens leraar LLB. Uit tabel 4 is al gebleken dat bij LLB N@tschool ingezet wordt. Dit verklaart de afwijkende waardes voor deze leraar. Vier van de vijf leraren gebruiken N@tschool niet of nauwelijks. Fiducia De groei van het aantal documenten dat het team in Fiducia heeft staan is ook een graadmeter voor het gebruik van E-learning. Zie tabel 7. Tabel 7, aantal geplaatste docs in Fiducia

Peildatum

Aantal documenten in Fiducia, beschikbaar voor studenten apothekersassistent

1 februari 2011

28

1 maart 2011

28

1 mei 2011

28

Het aantal documenten is gelijk gebleven. Dit betekent dat Fiducia niet actief gebruikt wordt. Itâ€&#x;s the student, stupid! Thesis MLI, JaapJan Vroom, s1027569

16


5.1.2 Deelvraag 2 Welke veranderingen in het gebruik van N@tschool treden op bij leraren van het team tandartsassistent na het toepassen van de interventie ChangeByChange? Gemeten in gebruik van N@tschool wordt na (en tijdens) de interventie niet meer gebruik gemaakt van E-learning dan in de periode er voor (tabel 6). De stippellijn geeft het einde van de interventieperiode aan (tabel 8). Tabel 8, loggegevens N@tschool tijdens en na interventie

Datum

2-4 / 9-4

9-4 / 16-4

16-4 / 23-4

23-4 / 30-4

30-4 / 7-5

7-5 / 14-5

14-5 / 21-5

Sessies

sessies

Sessies

Sessies

sessies

sessies

sessies

Leraar 1

0

0

0

0

0

0

0

Leraar 2

0

0

0

0

0

0

0

Leraar 3

2

3

3

3

5

5

1

Leraar 4

0

0

0

0

0

0

0

Leraar 5

0

0

0

0

0

0

0

5.1.3 Deelvraag 3 Welke veranderingen in houding ten opzichte van het gebruik van N@tschool treden op bij leraren van het team apothekerssassistent na het toepassen van de interventie ChangeByChange? Tijdens individuele interviews met betrokken leraren na de interventie is hen gevraagd zichzelf te scoren op basis een aantal uitspraken (tabel 9) op de volgende twee momenten. 1. vóór de studentenactie waarin studenten leraren vroegen om N@tschool te gaan gebruiken 2. aan het einde van de interventieperiode. Ook de teamleider is gevraagd het team op dezelfde manier te scoren. De scorelijst is weergegeven in tabel 9. De scoringslijst heb ik gebaseerd op een model van Van Eekelen, I.M. (2005).

It‟s the student, stupid! Thesis MLI, JaapJan Vroom, s1027569

17


Tabel 9, houding leraren tov N@tschool vóór de studentenactie en aan het einde van de interventieperiode volgens leraren en manager.

Uitspraak

Volgens Leraren

Volgens Manager

Voor

Voor

Eind

Eind

Je bent niet geïnteresseerd om N@tschool te gaan gebruiken. Je weet dat je N@tschool kunt gebruiken, maar ziet de noodzaak daarvan niet in. “Het gaat toch goed?” Je vindt dat er misschien iets moet veranderen in het onderwijs en dat N@tschool daar wellicht in kan bijdragen. Je weet niet waar je moet beginnen. Je wilt N@tschool uitproberen. Je hebt voorlichting nodig over de te nemen stappen

X 100%

100%

Je gebruikt N@tschool al met vallen en opstaan. Het kost je veel energie

X X

Je gebruikt N@tschool al zo veel, dat je je niet meer kunt voorstellen dat je het vroeger anders deed

De ondervraagden gaven allemaal aan dat de houding van leraren ten opzichte van N@tschool is veranderd. Leraren scoren zichzelf van “er moet misschien iets veranderen” naar “ik wil N@tschool uitproberen en heb voorlichting nodig”. De onderwijsmanager heeft een grotere verandering bij de leraren zien optreden. 5.1.4 Deelvraag 4 In hoeverre zijn deze veranderingen toe te schrijven aan ChangeByChange? Deze paragraaf heb ik als volgt opgebouwd. Als eerste ga ik in op de resultaten van de enquête en gesprekken vóór de interventie. De uitspraken geef ik eerst weer in een tabel, waarna ik deze kort toelicht. Als tweede behandel ik de resultaten van de gesprekken ná de interventie. Ook hier geef ik de uitspraken eerst weer in een tabel en licht ik ze daarna kort toe. Aan het eind van deze paragraaf beantwoord ik de deelvraag. A. Resultaten van enquête en gesprekken vóór de interventie. Nulmeting door enquête bij studenten vóór de interventie Allereerst is het belangrijk om te weten in hoeverre het kernpunt van CbC, de invloed van de studenten, al voor de interventie bestond. Hadden studenten vóór de interventie wel eens contact met leraren over het gebruik van E-learning? In tabel 10 staat aangegeven wat de studenten hier voor de interventie zelf over aangaven.

It‟s the student, stupid! Thesis MLI, JaapJan Vroom, s1027569

18


Tabel 10, praten studenten wel eens over ICT met leraren?

Heb jij wel eens een gesprek met leraren gevoerd over het gebruik van computers in de les?

Aantal keren genoemd

Ja

43%

Nee

57%

Waar ging dit gesprek over?

Aantal keren genoemd

We krijgen binnenkort tutor met de pc

35%

Verbod om Hyves tijdens les te gebruiken

13%

Of we op Hyves mochten

13%

Wat als Starttaal niet goed werkt?

13%

Ging iets fout met Starttaal en Connect

13%

Wat we moesten doen bij Starttaal en Connect

13%

Waarom praat je niet met leraren over het gebruik van computers op school of in de les?

Aantal keren genoemd

Niet nodig. Alles is duidelijk

10%

Daar heb ik nooit aan gedacht

70%

Daar zie ik het nut niet van in

20%

Uit tabel 10 blijkt dat iets minder dan de helft van de studenten vóór de interventie wel eens met leraren praat over het gebruik van computers in de les. De inhoud van deze gesprekken is echter functioneel: een aankondiging, een instructie of al dan niet een verbod op sociale software. Van de studenten die hier nog nooit met leraren over gesproken heeft, heeft 70% er nog nooit aan gedacht met leraren over computergebruik op school te praten. Ook is aan de studenten voor de interventie gevraagd of zij wel eens geprobeerd hebben de leraar zo ver te krijgen dat hij of zij N@tschool zou gaan gebruiken. Hun antwoorden staan in tabel 11.

It‟s the student, stupid! Thesis MLI, JaapJan Vroom, s1027569

19


Tabel 11, vragen studenten om gebruik van N@tschool?

Heb jij leraren van jouw opleiding wel eens gevraagd om N@tschool te gaan gebruiken?

Aantal keren genoemd

Ja

25%

Nee

75%

Zo ja, deden ze dan toen?

Aantal keren genoemd

Ja

75%

Nee

25%

Zo nee, waarom doe je dat niet?

Aantal keren genoemd

Dat doen leraren toch niet

14%

Daar zie ik het nut niet van in

36%

Nooit aan gedacht

50%

Net als in tabel 10 geeft ook hier het merendeel van de studenten aan dat zij niet met leraren praten over ICT en in dit geval het gebruik van N@tschool in het bijzonder. De helft van de nee-stemmers gaf aan hier nooit aan gedacht te hebben. Wat verder opvalt is dat driekwart van de vragen om N@tschool te gebruiken gehonoreerd is door de leraren. Of er dan sprake is van „nieuw gebruik‟ of bijvoorbeeld de vraag om plaatsing van een document of feedback in een bestaande N@tschool omgeving (bv LLB) is niet uit deze gegevens op te maken.| Gesprek met onderwijsmanager vóór de interventie. Naar aanleiding van antwoorden die de onderwijsmanager mij in dit interview gaf is tabel 12 ingevuld.

It‟s the student, stupid! Thesis MLI, JaapJan Vroom, s1027569

20


Tabel 12, Overzicht van het aantal gecodeerde uitspraken van de onderwijsmanager over het gebruik van N@tschool door het team apothekersassistent. Het gesprek vond plaats vóór de interventie.

Nr

Thema

Uitspraken-

Percentage

Uitspraken+

Percentage

1.0

Randvoorwaarden Subtotalen

6

100%

0

0%

1.1

Randvoorwaarden Kennis en ICT

5

100%

0

0%

1.2

Openstaan van leraren voor inbreng student

1

100%

0

0%

2.0

Invloed en ervaringen Subtotalen

12

67%

7

33%

2.1

Groepsinvloed lerarenteam op leraar

2

67%

1

33%

2.2

Invloed student op leraar

7

64%

4

36%

2.3

Invloed manager op leraar

3

60%

2

40%

3.0

Overig

0

0%

5

100%

Totalen

18 (72%)

7 (28%)

Uitspraken+ : uitspraken over zaken binnen de categorie die gebruik van E-learning stimuleren Uitspraken- : uitspraken over zaken binnen de categorie die gebruik van E-learning belemmeren

Uit de cijfers blijkt dat de manager meer belemmerende zaken rond het gebruik van N@tschool in zijn team noemt dan stimulerende. De onderwijsmanager voorzag vooral problemen in het team rond de randvoorwaarden. Er ontbreekt kennis van ICT en hij constateerde dat het team veel zaken buiten het team legt en niet zelf in actie komt. Hiernaast dacht de manager dat de groepsinvloed lerarenteam op leraar het in actie komen ook niet echt bevordert. Wel zijn de leraren in staat elkaar te ondersteunen en te coachen. De studenteninvloed op leraren achtte hij ook gering. De leraren laten zich volgens hem lastig beïnvloeden door studenten, een punt dat volgens de manager ook onder genoemde randvoorwaarden te plaatsen is. Als het al gebeurt, dan enkel bij studentgeoriënteerde leraren in een veilige omgeving (openstaan van leraren voor inbreng student). Daarnaast zullen studenten niet uit zichzelf over ICT gaan praten met leraren, zo dacht hij. De invloed van hem zelf als manager op veranderend lerarengedrag vond hij in deze ook niet zo groot. Als er al invloed is kan die negatief zijn: soms blokkeren leraren als hij in dezelfde ruimte is. De geringe invloed heeft volgens hem te maken met de vrijheid die hij aan leraren geeft om ICT al dan niet te gebruiken. Hij zet naar eigen zeggen leraren op het spoor en ondersteunt ze, maar de leraren moeten zélf in actie komen. De onderwijsmanager noemde in het gesprek iets waar ik niet specifiek naar gevraagd heb, maar dat wel raakvlakken heeft met dit onderwerp. De manager zag steeds meer om zich heen dat studenten eisen gaan stellen aan goed onderwijs. Dit zal volgens hem impact (moeten) hebben op de leeromgeving van de student.

It‟s the student, stupid! Thesis MLI, JaapJan Vroom, s1027569

21


B. Resultaten van gesprekken ná de interventie. Na de interventie heb ik twee groepsgesprekken gevoerd, één met studenten en één met leraren. Daarnaast heb ik een afsluitend gesprek met de onderwijsmanager gevoerd. Evaluatiegesprekken met lerarenteam en studentengroep, na de interventie In de evaluatiegesprekken met leraren en studenten hebben deze onderzoeksgroepen zich voornamelijk over de thema‟s randvoorwaarden en studenteninvloed uitgelaten. Om de uitspraken met elkaar te kunnen vergelijken heb ik ze samen in één tabel gekwantificeerd. (tabel 13). Tabel 13, Overzicht van het aantal gecodeerde uitspraken van leraren en studenten in groepsevaluaties over het gebruik van N@tschool door het team apothekersassistent, na interventie.

nr

Thema

Uitspraak -

Uitspraak +

Leraar

%

Student

%

Leraar

%

Student

%

1.0

Randvoorwaarden Subtotaal

8

62%

3

50%

5

38%

3

50%

1.1

Randvoorwaarden Kennis en ICT

8

62%

3

60%

5

38%

2

40%

1.2

Openstaan van leraren voor invloed van studenten

0

0%

0

0%

0

0%

1

100%

2.0

Invloed en ervaringen Subtotaal

3

2.1

Invloed student op leraar

2

29%

0

0%

5

71%

1

100%

2.2

Invloed manager op leraar

1

100%

0

0%

0

0%

0

0%

Totalen

11 (52%)

0

5

2 (29%)

10 (48%)

1

5 (71%)

Uitspraken+ : uitspraken over zaken binnen de categorie die gebruik van E-learning stimuleren Uitspraken- : uitspraken over zaken binnen de categorie die gebruik van E-learning belemmeren

De meeste van de leraren- en studentenuitspraken hadden betrekking op de randvoorwaarden Kennis en ICT. Opvallend is dat leraren en studenten hier elkaar aardig in evenwicht houden. Als ik echter specifieker kijk naar welke randvoorwaarden in de gesprekken genoemd zijn, zijn de uitspraken van leraren mbt randvoorwaarden allemaal gericht op de ICT-infrastructuur. Deze beïnvloedt volgens leraren het gebruik van N@tschool negatief. Studenten daarentegen noemen de kennis van leraren over ICT als negatieve invloed op het gebruik van N@tschool (33%) en de eigenschappen van N@tschool zelf (67%).

It‟s the student, stupid! Thesis MLI, JaapJan Vroom, s1027569

22


Wat betreft de invloed van studenten op het gebruik van N@tschool zijn leraren positief (71%), studenten doen hier slechts één uitspraak over; een positieve. Als er al door leraren over de invloed van de manager gesproken werd, werd deze als negatief bestempeld. Leraren vonden dat zij te weinig uren krijgen voor invoering van E-learning en dat er te weinig laptops bij studenten zijn. Opgemerkt werd verder nog dat indien er topdown een verandering doorgevoerd moet worden zonder dat de bijbehorende randvoorwaarden ingevuld zijn er weerstand onder het team zal ontstaan. Soms kan die weerstand zo groot zijn, dat teamleden de verandering niet of minder zullen invoeren. Studenten keken vooral naar de functionaliteit van N@tschool. Het moet voor studenten fijn zijn om er mee te werken, de structuur moet goed en duidelijk zijn. Daarnaast vonden zij het belangrijk dat zoveel mogelijk leraren de inlevermogelijkheid van N@tschool gaan gebruiken. Studenten en leraren, maar ook de manager vonden dat N@tschool niet bij alle vakken ingezet kan worden, vanwege de aard van deze lessen (bv praktijkles). Wat de invloed van studenten op leraren betreft: leraren gaven aan dat de studenten in bepaalde mate invloed hebben op het gedrag van de leraar. Dit varieert van „ze kunnen wel van alles willen‟ tot „hun stem is heel belangrijk‟. De studenten zelf denken alleen invloed te hebben als de leraar er voor open staat. Individuele gesprekken met leraren, ná de interventie Tijdens een vervolginterview met de afzonderlijke leraren van het team ben ik dieper op een aantal zaken ingegaan. In tabel 14 een overzicht van de gedane uitspraken.

It‟s the student, stupid! Thesis MLI, JaapJan Vroom, s1027569

23


Tabel 14, Overzicht van het aantal gecodeerde uitspraken van leraren in individuele gesprekken over het gebruik van N@tschool door het team apothekersassistent, na interventie.

nr

Thema

Uitspraak L1

L2

Uitspraak + L3

L4

%

L1

L2

L3

L4

%

1.0

Randvoorwaarden

1

50%

1

50%

1.1

Randvoorwaarden Kennis en ICT

1

50%

1

50%

1.2

Openstaan leraren voor inbreng student

2.0

Invloed en ervaringen

2

7

21%

9

2.1

Groepsinvloed lerarenteam op leraar

1

1

67%

1

2.2

Invloed student op leraar

2

7%

5

2.3

Invloed manager op leraar

2

50%

2.4

Invloed deskundige/ innovator op leraar

1

3.0

Overig Totalen

1

2

1

1

1

10

6

12

79% 33%

10

4

8

93%

1

1

2

50%

17%

2

1

2

83%

1

14%

4

1

1

86%

8

20%

14

7

13

80%

10

Uitspraken+ : uitspraken over zaken binnen de categorie die gebruik van E-learning stimuleren Uitspraken- : uitspraken over zaken binnen de categorie die gebruik van E-learning belemmeren

In tegenstelling tot in het teamgesprek worden de randvoorwaarden Kennis en ICT in de individuele gesprekken nauwelijks genoemd. De leraren zijn positief over de invloed die de studenten hebben op de leraren: 93% van de uitspraken hierover is positief. De invloed van de manager wordt nu zowel negatief als positief benoemd. De aanwezige deskundige (de innovator in dit geval) wordt nu ook genoemd als beĂŻnvloeder van lerarengedrag. Drie van de vier leraren noemt deze persoon expliciet. De helft van de leraren vindt de randvoorwaarden noemenswaardig. EĂŠn is hierover positief (N@tschool zal minder papierwerk moeten opleveren), de ander stelt dat de werkdruk erg hoog is en een belemmering zal zijn om iets nieuws in te voeren. In de gesprekken werd door de leraren de groepsinvloed van het team genoemd, maar men heeft deze echter als zeer gering ervaren. Itâ€&#x;s the student, stupid! Thesis MLI, JaapJan Vroom, s1027569

24


In het individuele gesprek ben ik dieper ingegaan op de rechtstreekse invloed van studenten op het gedrag van de leraar, de kern van ChangeByChange. Uit de gesprekken blijkt dat elke leraar vindt dat enthousiaste en gemotiveerde studenten een positieve invloed hebben gehad op hun eigen gedrag als het gaat om de acceptatie van E-learning: o Als studenten hun mening geven motiveert dat de leraar. Men vindt dat goed, leuk en interessant. o Hoewel iemand aangeeft niet bij voorbaat al de vragen van de studenten te honoreren, vindt zij wel dat er gekeken moet worden of zo‟n studentenvoorstel te realiseren is. o Driekwart van de leraren gaf aan meer tijd aan hun werk te besteden bij input van studenten dan wanneer de verandering van bovenaf wordt opgelegd. Wel gaf een leraar aan dat daardoor de belasting nog hoger oploopt doordat het werk „erbij komt‟. o Als studenten een voorstel tot verandering doen en dit vervolgens opgepakt wordt door de leraar geeft dat volgens een leraar het gevoel dat er samen iets bedacht is waar je met elkaar voor kunt gaan. o Ook vind men dat onderwijsveranderingen effectiever worden als voorstellen daarvoor worden gedaan door de studenten zelf. Studenten moeten er immers mee werken, zo stelt men, dus liever een vraag van onderaf dan van het management. o Door een leraar wordt nog aangegeven dat er grenzen zijn aan de invloed van studenten. Ze moeten volgens haar niet te ver vooruit gaan lopen, dus nog wel te volgen zijn. Over de invloed van het management lopen de meningen wat uiteen. De leraren geven aan dat de mate van instemming van de leraren met de verandering hier belangrijk is. Zo geeft één leraar aan dat een manager invloed heeft als iedereen het belang van de verandering inziet. Een ander zal zeker op een vraag van de manager ingaan indien dit past bij haar eigen interessegebied. Voor een andere leraar maakt het nauwelijks uit of de student of manager iets vraagt. Onder de kop „overig‟ vallen uitspraken van leraren die stellen dat studenten zich als gevolg van het serieus nemen van hun mening volwassener op zijn gaan stellen en meer reflecteerden over hun leergedrag. Ze stegen uit boven het normale en wilden nadenken over wat N@tschool hen zou (kunnen) brengen. Wie heeft de leraar nu uiteindelijk beïnvloed? In paragraaf 5.1.2 heb ik bij de beantwoording van deelvraag 1 laten zien dat de leraren na de interventie een andere houding hebben tov het gebruik van N@tschool dan erna. In het vervolginterview heb ik de leraren gevraagd waaraan hun verandering te danken is: het team, de student, de manager, de deskundige, geen van allen of een combinatie. De gegeven antwoorden staan in tabel 15.

It‟s the student, stupid! Thesis MLI, JaapJan Vroom, s1027569

25


Tabel 15, wie heeft de leraar in beweging gekregen mbt E-learning? Team

Student

Manager

Deskundige

Leraar 1

X

X

Leraar 2

X

X

Leraar 3

X

X

Leraar 4

X

X

Totalen

4

4

Het thema ‘invloed en ervaringen’ is kenmerkend voor CbC, waarbij de focus ligt op de invloed die studenten hebben op het lerarengedrag. Leraren gaven in de individuele gesprekken allemaal aan dat zij beïnvloed zijn door een combinatie van ervaringen van studenten en de aanwezigheid van een deskundige, de innovator. De helft van de leraren geeft aan dat enthousiaste en gemotiveerde studenten invloed hebben gehad op hun eigen verandering in houding en gedrag. De „deskundige’ heeft dus ook invloed gehad op het veranderingsproces, zo stellen de leraren. Leraren vinden de aanwezigheid van een expert dan ook belangrijk. De expert biedt zekerheid en achtervang als leraren N@tschool willen gaan gebruiken. Iedereen is van mening dat de combi van studentenvragen en aanpak van de innovator bepalend is geweest voor de in gang gezette verandering. Evaluatiegesprek met onderwijsmanager, na de interventie Tenslotte heb ik als laatste een eindgesprek gevoerd met de opleidingsmanager, dus ná de interventie. Zie tabel 16. Tabel 16, Overzicht van het aantal gecodeerde uitspraken van de onderwijsmanager over het gebruik van E-learning door het team apothekersassistent. Het gesprek vond plaats ná de interventie.

Nr

Thema

Uitspraken-

Percentage

Uitspraken +

Percentage

1.0

Randvoorwaarden Subtotaal

1

50%

1

50%

1.1

Randvoorwaarden kennis en ICT

1

50%

1

50%

1.2

Openstaan van leraren voor inbreng student

0

0%

0

0%

2.0

Invloed en ervaringen Subtotaal

2

20%

10

80%

2.1

Groepsinvloed lerarenteam op leraar

0

0%

4

100%

2.2

Invloed student op leraar

0

0%

6

100%

2.3

Invloed manager op leraar

2

100%

0

0%

3.0

Overig

0

0%

0

0%

Totalen

3 (21%)

It‟s the student, stupid! Thesis MLI, JaapJan Vroom, s1027569

11 (79%)

26


Opvallend is dat ten opzichte van het eerdere interview de manager de invloed van studenten nu veel hoger inschat. In het eerste interview lag dit op 17% van de betreffende uitspraken, na de interventie ligt dit op 100%. Ook de groepsinvloed van het lerarenteam op de leraar wordt na de interventie veel hoger ingeschat: 100% nu tegenover 50% vóór de interventie. De onderwijsmanager ziet veranderd lerarengedrag. De grote winst voor hem is dat leraren nu inzien dat gebruik van N@tschool niet alleen maar tijd kost (randvoorwaarde), maar ook tijd gaat opleveren. De groepsinvloed van het lerarenteam op de leraar is voor de onderwijsmanager belangrijk geweest. Hij schat dat de drang tot verandering voor 35% tot 40% bij de collega‟s vandaan komt. Hij doelt dan vooral op de invloed van de deelnemende collega‟s in de pilot op het team. De invloed van studenten schat hij naar eigen zeggen na de interventie hoger in, zo‟n 60% tot 65%. Volgens hem zijn twee collega‟s enthousiast geworden door studenten en hebben het binnen het team verder gebracht. Zelf heeft hij de invloed van de manager geminimaliseerd door zich in het geheel niet met de interventie te bemoeien. Totaaloverzicht In tabel 17 is tenslotte een totaaloverzicht gemaakt van alle uitspraken, verdeeld over de thema‟s. De tabel geeft een globaal antwoord op deelvraag 4: in hoeverre zijn de veranderingen toe te schrijven aan ChangeByChange? Tabel 17, totaaloverzicht genoemde thema's

Thema‟s 1.0 Randvoorwaarden 2.0 Invloed en ervaringen 2.1 Groepsinvloed lerarenteam op leraar 2.2 Invloed studenten op leraar 2.3 Invloed manager op leraar 2.4 Invloed deskundige / innovator 3.0 Overig

Totalen Positief benoemd

Negatief benoemd

36%

64%

8%

60%

40%

42%

80%

20%

12%

38%

62%

5%

83%

17%

Percentage aantal keren genoemd 22%

6%

Nvt

Bovenstaande tabel (17) geeft een generiek totaaloverzicht van de gedane uitspraken. Er is geen onderscheid gemaakt tussen uitspraken gedaan voor en na de interventie, niet tussen uitspraken gedaan in groepsgesprekken en individuele interviews en ook niet in onderzoeksgroepen. Al eerder heb ik aangegeven dat het uitgangspunt van ChangeByChange de mogelijke invloed van de student op de leraar is. Dit wordt in tabel 17 onder thema 2.2 weergegeven. Deze invloed van studenten wordt het vaakst genoemd en is zeer hoog gewaardeerd. Als tweede worden randvoorwaarden genoemd, het merendeel van de uitspraken hierover (64%) was negatief. Als derde wordt de managerinvloed aangegeven. Deze wordt bijna net zo negatief op het gebruik van N@tschool genoemd als de randvoorwaarden (62%). Hoewel maar een aantal malen genoemd, It‟s the student, stupid! Thesis MLI, JaapJan Vroom, s1027569

27


scoort de invloed van de deskundige ook hoog, iets hoger nog dan de invloed van studenten. De groepsinvloed van het team tenslotte scoort hoog. Opvallend is dat ongeveer driekwart van de uitspraken hierover door één persoon, de manager is gedaan. De manager scoort hier 71% positief. De leraren zelf scoren de invloed voor 66% negatief. 6.2 Conclusie, discussie en aanbevelingen 6.2.1 Conclusie De centrale vraag van dit onderzoek is: Leidt de alternatieve innovatiestrategie ChangeByChange bij leraren van de opleiding apothekersassistent op het Deltion College tot een toename van het gebruik van N@tschool? Het antwoord hierop is nee. Uit tabel 8 blijkt duidelijk dat er geen stijging te zien is van het lerarengebruik van N@tschool tijdens de interventie. In de centrale vraag is echter geen bepaalde periode genoemd. Als gevolg van de uitgevoerde interventie heeft het team afgesproken dat men bij de start van het komend cursusjaar, dus na de interventie met N@tschool zal gaan werken. Deelvraag twee: “Welke veranderingen in het gebruik van N@tschool treden op bij leraren van het team tandartsassistent na het toepassen van de interventie ChangeByChange” kan dus beantwoord worden met: “Er zijn geen directe veranderingen in het gebruik van N@tschool waar te nemen”. Deelvraag drie was als volgt omschreven: “Welke veranderingen in houding ten opzichte van het gebruik van N@tschool treden op bij leraren van het team tandartsassistent na het toepassen van de interventie ChangeByChange?” Volgens alle leraren van het team is hun houding tov het gebruik van N@tschool veranderd. Van “ik vind dat er iets moet veranderen, maar weet niet waar ik moet beginnen” naar “ik wil N@tschool uitproberen en heb voorlichting nodig over de te nemen stappen” (tabel 9). De leraren hebben hiermee aangegeven dat ze hun afwachtende houding hebben omgezet in een actieve houding. Ze hebben aangegeven dat ze N@tschool willen gaan uitproberen. De manager ziet een nog grotere opgetreden verandering: van „weerstand‟ naar „willen uitproberen‟. Is deze verandering toe te schrijven aan ChangeByChange (deelvraag 4)? Uit de coderingsoverzichten blijkt dat er veel zaken invloed hebben op het al dan niet gebruiken van N@tschool door leraren. Om de voor CbC niet relevante factoren weg te kunnen filteren zijn alle aspecten die van invloed zijn geweest geïnventariseerd en bekeken of zij een positieve, dan wel negatieve invloed op de invoering van N@tschool in deze interventie hebben gehad. Van de aspecten die een overwegend positieve invloed hebben gehad is bekeken hoe groot deze invloed was, afgezet tegen thema „2.2 Invloed student op leraar‟. Thema 2.2 vormt immers de kern van CbC. Daarnaast zijn leraren en manager rechtstreeks gevraagd naar hun mening wie hen veranderd heeft.

It‟s the student, stupid! Thesis MLI, JaapJan Vroom, s1027569

28


De thema’s ‘die er niet toe doen’ als het gaat om het veranderen van de houding van leraren tov van het gebruik van N@tschool Uit de resultaten blijkt dat sommige thema‟s juist een negatieve invloed hebben op het gebruik van N@tschool. Twee springen er uit: de invloed van de manager en op stip op één: de randvoorwaarden. Randvoorwaarden Elke geïnterviewde is er van overtuigd dat slecht ingevulde randvoorwaarden een negatief effect op het gebruik van N@tschool hebben. Dat is ook zo. Als er geen computers zijn, heeft invoering van N@tschool geen zin. Dit zegt echter niets over de vraag of goed ingevulde randvoorwaarden E-learninggebruik stimuleren. Kreijns geeft het aan (2009): meer computers, sneller internet en fraaiere programma‟s alleen hebben nooit geholpen en zullen ook niet helpen. De invloed van de manager Deze invloed wordt negatief ingeschaald, ook door hemzelf. Voor de interventie was nog 60% van de manager zijn uitspraken hierover negatief, na de interventie was dit gestegen tot 100%. Leraren in het teamoverleg scoorden het management hierop 100% negatief, in de individuele gesprekken lag dit op 50%. In deze laatste individuele gesprekken werd de manager positief gescoord door leraren die zelf ook positief stonden tegenover het gebruik van N@tschool. In de aanhef van deze paragraaf heb ik het over „thema‟s die er niet toe doen‟. Ik bedoel hiermee dat dit thema‟s zijn die geen positieve invloed op het gebruik van N@tschool zullen hebben. Zo zullen ingevulde randvoorwaarden gebruik van N@tschool niet initiëren, maar zullen slecht ingevulde randvoorwaarden dit gebruik wel voorkomen. Volgens Weggeman (2008) is bij innovaties een leidinggevende belangrijk die ruimte geeft aan kenniswerkers, die hen faciliteert en niets oplegt. Een manager die het team niet de ruimte geeft om zelf te besluiten N@tschool te gaan gebruiken zal van dit team eerder weerstand dan medewerking ondervinden. Wat er wel toe doet: invloed van studenten op leraren. Uit alle gesprekken met deelnemers na de interventie bleek dat studenten een zekere mate van invloed hebben op het gebruik van E-learning. De mate waarin men dat vond verschilde per onderzoeksgroep. Zo bleek 71% van de uitspraken over studenteninvloed in de teamevaluatie positief te zijn, terwijl in individuele lerarengesprekken dit percentage opliep naar 93%. De manager was voor de innovatie redelijk negatief over de invloed van studenten (36%), maar na de innovatie liep dit op naar een positieve score van 100%. De studenten zelf tenslotte zaten na de interventie op een positieve score van 100%, dit terwijl de nulmeting onder diezelfde studenten voor de interventie aangeeft dat bijna de helft van de studenten er toen zelfs nooit aan gedacht had met de leraar over E-learning te praten. Dat deze hoge positieve score ook daadwerkelijk invloed heeft gehad op leraren is op te maken uit de verschillende individueel gehouden interviews. Uit deze individuele gesprekken blijkt dat alle leraren vinden dat enthousiaste en gemotiveerde studenten een positieve invloed hebben gehad op houding mbt het gebruik van N@tschool. It‟s the student, stupid! Thesis MLI, JaapJan Vroom, s1027569

29


Waren andere thema’s niet minstens even belangrijk? Zijn andere aspecten dan niet van invloed geweest op de geconstateerde verandering van lerarenhouding? Jazeker, ook deze hebben invloed gehad, weer afhankelijk van het perspectief van de geïnterviewde. In alle individuele lerarengesprekken kwam naar voren dat de combi van Deskundige (innovator) & Student bepalend is geweest voor het slagen van de innovatie. Tijdens de innovatie waren de rollen van deze twee partijen gescheiden: de student heeft de leraren getriggerd, de deskundige heeft de studenten begeleid. Het is echter niet hard te maken dat deze rollen zó strikt gescheiden zijn geweest dat de deskundige geen invloed heeft gehad op de houding van de leraar. Wel blijkt uit de onderzoeksgegevens dat de invloed van studenten hoger gescoord heeft dan de deskundige. In mijn interventieplan heb ik duidelijk aangegeven dat de innovator / deskundige enkel de studenten zou gaan begeleiden en zich niet op de leraar zou richten. Ik vind het dan ook verrassend dat juist de leraren deze expert zo belangrijk vonden. De reden hiervan heb ik niet kunnen achterhalen en vraagt om nader onderzoek. De onderwijsmanager geeft aan dat de combi van Team & Student bepalend is geweest voor de veranderende houding van de leraren. En de studenten, wat vinden die er van? De studenten willen graag hun invloed laten gelden op het lerarenteam. Zij denken ook wel degelijk invloed te hebben, maar alleen maar als de leraren „daar voor open staan‟, zoals ze zelf aangaven. Deze uitspraak sluit aan bij de stelling van Marjolein Drent (2005) die stelt dat hoe student georiënteerder de leraar is, des te groter de kans is op innovatief ICTgebruik door deze leraar. Ook de manager noemt de term studentgerichtheid in één van de gesprekken. Studenten zijn niet zo bezig met de randvoorwaarden. N@tschool moet gewoon goed werken en simpel en duidelijk in gebruik zijn.

De conclusie uit de analyse van de hiervoor genoemde thema‟s is dat de invloed van de student op de leraar, de kern van CbC, de belangrijkste oorzaak is geweest van de geconstateerde veranderingen. De rol van de innovator in de uitvoering van de innovatie is daarnaast groter gebleken dan verwacht. 6.2.2 Aanbevelingen en Discussie a. Beperking van het onderzoek Een beperkende factor in mijn onderzoek is de grootte van de doelgroep. De onderzoeksgroep is zo klein dat enkele uitspraken meer of minder andere resultaten zouden hebben laten zien. Ik ben mij hier van bewust, maar constateer wel dat de resultaten in de lijn liggen met de inhoud van de gesprekken die ik gevoerd heb met leraren en studenten. Hoewel de groepsgrootte voor het onderzoek beperkend kan zijn, wil ik opmerken dat voor de innovatie deze groepsgrootte juist erg belangrijk is: de schoolpraktijk zit nu eenmaal zo in elkaar dat er sprake is van kleine organisatorische eenheden…

It‟s the student, stupid! Thesis MLI, JaapJan Vroom, s1027569

30


b. Aanbevelingen naar aanleiding van de uitkomsten De aanbevelingen zijn onderstreept. De CbC-innovatie leverde geen directe stijging van het gebruik van N@tschool op (deelvraag 2). Wel werd de houding van de leraren tov N@tschool veranderd, waardoor een toekomstige invoering van N@tschool steeds reëler wordt (deelvraag 3). Het is het overwegen waard je bij innovaties meer te richten op het beïnvloeden van de houding van leraren en minder op directe resultaten. De resultaten komen meestal wel en zijn waarschijnlijk duurzamer omdat het team de noodzaak tot verandering zal internaliseren en niet ziet als een externe, opgelegde verandering „die nu eenmaal moet‟. Bosker en Boreel (2000) reiken handvatten aan door te stellen dat de meerderheid van leraren ervaringen uit het interpersoonlijke netwerk nodig hebben om een innovatie te adopteren, geen cijfers en feiten. In mijn onderzoek is aangetoond dat studenten die rol in dat netwerk met verve op zich kunnen nemen. Leraren en manager vonden aan het einde van het onderzoek en de innovatie de rol van studenten in hun verandering essentieel. Leraren hebben daarnaast aangegeven de rol van de deskundige belangrijk te vinden. Door het inzetten van studenten én een expert wordt de innovatie robuuster. Een aanbeveling is het CbC-model op het Deltion zo vorm te geven dat er studenten ingezet kunnen worden om de leraar te „boosten‟ zijn houding te veranderen, terwijl een intern expert zich bezighoudt met de begeleiding van de innovatie. Rekening houden met de mening van studenten maakt dat je ze serieus neemt. Als studenten dit eenmaal door hebben gaan ze op een volwassener wijze met hun schoolwerk om. Betrek de student bij de inrichting van hun onderwijs. Als je het belangrijk vindt dat studenten hun mening over bepaalde onderwijszaken aan leraren geven, zul je ze dat moeten vragen te doen. Uit het onderzoek bleek duidelijk dat studenten dat niet uit zichzelf zullen doen en dat ze moeten leren hierover in dialoog te gaan met leraren. Voed de studenten hierin op. c. Discussiepunten naar aanleiding van de uitkomsten Mag je studenten gebruiken om leraren te veranderen? In uiterste vorm is ChangeByChange, als bv N@tschool eenmaal in gebruik is genomen door de studenten, een autonoom lopend proces waarbij geen begeleiding van leraren door de innovator nodig is. De vraag die hierbij opkomt is of je als organisatie studenten mag gebruiken een innovatie in te voeren waar de leraren in eerste instantie niet om gevraagd hebben. Is dit niet manipulatie en misbruik maken van de vertrouwensrelatie tussen student en leraar? De tweede vraag die hierbij gesteld kan worden is of CbC in het geheim gebruikt mag worden of dat je dit soort interventies altijd moet melden bij het betrokken team. Ook al neem je dan het risico dat leraren niet meer zullen luisteren naar hun studenten… Zelf denk ik dat het „stiekem‟ uitvoeren van CbC de strategie zelf na één keer onbruikbaar zal maken en dat deze manier van werken zich tegen je zal keren. Zet het vizier in ieder geval op een kier.

It‟s the student, stupid! Thesis MLI, JaapJan Vroom, s1027569

31


Kunnen we innoveren zonder tussenkomst van een manager? CbC is bij uitstek een bottom-up benadering. Is dat genoeg, of moet er ook van bovenaf ingegrepen worden? Dit onderzoek maakt aannemelijk dat ook zonder topdown benadering een innovatie breed geïntegreerd kan worden als deze op basis van CbC wordt uitgevoerd. Zou het dan ook mogelijk zijn de student met behulp van CbC zelf zijn onderwijs te laten innoveren, zonder tussenkomst van een innovator of manager? Kunnen we het aan de student en leraar overlaten? De literatuur geeft hiervoor wel mogelijkheden. Volgens Weggeman (2008) is bij innovaties een leidinggevende belangrijk die ruimte geeft aan kenniswerkers, die hen faciliteert en niets oplegt. Professionals moeten dus ruimte krijgen, zo stelt hij. Zij willen liever iets goed dan iets fout doen en hebben jaren gestudeerd om eindelijk te mogen doen waar ze enthousiast over zijn. De manager geeft in het afsluitende gesprek inderdaad aan zich met opzet afzijdig te hebben gehouden en ruimte te hebben geven aan het team. Het team heeft uiteindelijk zelf de keuze gemaakt om met N@tschool door te gaan, zonder invloed van de teamleider. Er is sprake van, zoals Weggeman (2008) dat noemt, een collectieve ambitie. CbC lijkt een perspectief te bieden op het aanboren van de collectieve ambitie zonder tussenkomst van het management. ChangeByChange alleen geschikt voor innovaties ICT & Leren? De innovatiestrategie CbC is door mij in eerste instantie opgesteld om het gebruik van E-learning te bevorderen. Kan CbC ook op andere gebieden ingezet worden? Ik denk van wel. Op veel gebieden in een schoolorganisatie waar studenten op een eigen manier om willen gaan met hun onderwijs en waar leraren bij de late majority horen kan de student gefaciliteerd worden. Als de verandering voldoet bij de student zal hij dit overbrengen op de betreffende leraar en vragen om verandering bij die leraar. Kan CbC de relatie student – leraar verbeteren? Zonder luisterende leraar geen CbC. Hij moet open staan voor opmerkingen en gedrag van de student. Ik heb al aangegeven dat Marjan Drent (2005) in haar proefschrift inging op de mate waarin leraren studentgeoriënteerd zijn. Hoe student georiënteerder de leraar, des te groter de kans op innovatief ICT gebruik door diezelfde leraar, zo stelt zij. Kunnen we dit ook omdraaien: zorgt CbC er voor dat leraren student georiënteerder worden? Kunnen we met andere woorden CbC ook inzetten om de relatie tussen leraar en student te veranderen, zo je wilt professionaliseren of optimaliseren? En zo ja, kanaliseren we daarmee de steeds luider hoorbare eisen die studenten aan hun onderwijs stellen, zoals de manager aangaf? Dit vraagt om nader onderzoek.

Hoe ChangeByChange in de toekomst ook ingezet zal worden: laten we inzien dat studenten naast doel ook bròn van verandering kunnen zijn. It’s the student, stupid!

It‟s the student, stupid! Thesis MLI, JaapJan Vroom, s1027569

32


7. Literatuurlijst

Alblas, G., & Wijsman, E. (2009). Gedrag in organisaties. Groningen/Houten: Noordhoff uitgevers. Bosker, P., & Boreel, M. (2000). Van horen zeggen naar willen hebben. Vianen: Verkenningsinstituut Nieuwe Technologie. Drent, M. (2005). In transitie: op weg naar innovatief ICT-gebruik op de pabo (proefschrift). Enschede: Universiteit Twente. Hersey, P. (2001). Situationeel leidinggeven. Amsterdam: Business Contact. Kennisnet. (2008). Vier in Balans monitor 2008. Stand van zaken over ict in het onderwijs. Zoetermeer: Kennisnet. Kreijns, C. J. (2009). Als ICT een meerwaarde heeft, waaromgebruiken leraren dit niet in hun lessen en wat kunnen we daaraan doen? Sittard: Fontys Lerarenopleiding. Odenthal, L. E. (2003). Op zoek naar balans: een onderzoek naar een methode ter ondersteuning van curriculumvernieuwing door docenten (proefschrift). Enschede: Universiteit Twente. Rogers, E. M. (2003). Diffusion of innovations (5th ed.). New York: Free Press. Siritongthaworn, S., Krairit, D., Dimmitt, N., & Paul, H. (2006). The study of e-learning technology implementation. A preliminary investigation of universities in Thailand. Education and Information Technologies, Volume 11, Number 2, p 137-160. Swieringa, J., & Jansen, J. (2005). Gedoe komt er toch. Schiedam: Scriptum. Van Eekelen, I. (2005). Teachers will and way to learn. Studies on how teachers learn their willingness to do so. Maastricht University: Maastricht. Weggeman, M. (2008). Leidinggeven aan professionals? Niet doen! Schiedam: Scriptum.

Itâ€&#x;s the student, stupid! Thesis MLI, JaapJan Vroom, s1027569

33


Verklarende woordenlijst ChangeByChange ChangeByChange is een alternatieve innovatiestrategie, gericht op verandering van lerarengedrag en onderwijspraktijk met verandering van studentengedrag als belangrijkste prikkel. In de context van dit onderzoek: met CbC vraagt de student concreet aan de leraar om E-learning te gaan gebruiken. Deltion College Het Deltion College is een Regionaal Opleidingen Centrum (ROC). Deze MBOschool staat in Zwolle en telt ongeveer 15.000 studenten en 1000 personeelsleden. Ik ben aan deze school verbonden als leraar en adviseur ICT&Leren E-Learning “E-learning” is de verzamelnaam voor het vormgeven van leersituaties (formeel en informeel) met behulp van informatie- en communicatietechnologie (in het bijzonder internettechnologie). E-learning richt zich op: • Het leerproces zelf, zowel individueel als in groepsverband; • Het ontwikkelen en beheersen van leermateriaal en leerprocessen; • Het organiseren van leeractiviteiten Droste en Rikhof-van Eijck beschrijven e-learning als „leren en doceren met behulp van internettechnologie‟ (2002, p.5). Siritongthaworn, Krairit, Dimmitt en Paul hebben een aantal definities samengevat en definiëren e-learning als: „het gebruik van internettechnologieën om het onderwijsproces te verbeteren‟ (2006, p.139). Fiducia Met de vindservice Fiducia van het Deltion College kunnen leraren en studenten met één zoekopdracht de content in N@tschool vinden (gemaakt door leraren voor studenten en leraren) en externe informatiebronnen als de catalogus van het MediaInformatieCentrum, de bibliotheek Zwolle, maar ook databanken als Stimulansz, de tijdschriften- en krantenbank en Teleblik. Leraren kunnen zelf materialen in Fiducia plaatsen en daardoor vindbaar maken voor hun studenten N@tschool N@tschool is de elektronische leeromgeving van het Deltion College. Alle studenten en leraren hebben toegang tot N@tschool. Met deze elektronische leeromgeving organiseert de leraar het onderwijs en kan hij studenten eenvoudig en gestructureerd lessen aanbieden. Een onderdeel van N@tschool is het portfolio. Het portfolio is de digitale werkmap van de student. Alles wat de student binnen zijn opleiding maakt (leerprestaties), kan hij hier in bewaren. Het portfolio laat de ontwikkeling in competenties van de student zien.

It‟s the student, stupid! Thesis MLI, JaapJan Vroom, s1027569

34

ChangeByChange. It's the student stupid!  

Onderzoek naar de effecten van de alternatieve innovatiestrategie ChangeByChange

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you