Issuu on Google+

c   

  ICT en onderwijs is aan veranderingen onderhevig. De docent heeft een professionele beroepshouding (zelfreflectie, initiatief en leiderschap) ten aanzien van ICT en onderwijs.    De docent toont aan dat hij: J zelfstandig, creatief, maar kritisch gebruik maakt van mogelijkheden van ICT in het onderwijs; J flexibel is in het gebruik van ICT en onderwijs; J samenwerking zoekt (met behulp van ICT) met collegaÂśs die in een vergelijkbare situatie rondom ICT en onderwijs verkeren; J op de hoogte is van ontwikkelingen op het gebied van ICT en onderwijs; J in staat is om binnen zijn concrete werksituatie te reflecteren (met behulp van ICT) op zijn eigen handelen en de vorderingen van leerlingen. J vanuit verschillende onderwijsvisies ict kan inzetten in het onderwijs. J op een structurele manier gebruik maakt van ICT om in te spelen op de actualiteit. J ict op een dusdanige manier kan invoeren, dat het door collega's als een meerwaarde wordt beschouwd. J met behulp van ict ouders en andere belanghebbenden kan informeren. J gebruik maakt van digitale communicatie en samenwerkingsmiddelen om te overleggen met mensen en instellingen buiten de school. J voorlichting en advies kan geven aan ouders over het gebruik van ICT door de leerlingen. J weet op welke manier scholen samenwerken met instellingen op het gebied van ICT. J De student kan ICT inzetten om zichzelf te professionaliseren: zelfstandig of in online samenwerkingsverband.

         De docent beschikt over voldoende instrumentele vaardigheden (lees: knoppenvaardigheid) om ICT in het onderwijs te kunnen inzetten (in lessituaties ĂŠn in de onderwijsorganisatie).    De docent toont aan dat hij: J over algemene kennis van ICT beschikt en de vaardigheden ten aanzien van J bestandsbeheer beheerst; J diverse hardware (beamer, digitaal schoolbord, digitale foto/videocamera) kan J bedienen en aansluiten op de computer; J kan omgaan met een tekstverwerker; J kan werken met een spreadsheetprogramma; J kan werken met presentatiesoftware; J zijn weg kan vinden op het web (internet) en kan omgaan met digitale J communicatiemiddelen (bijvoorbeeld mail en web 2.0 toepassingen alsWiki, weblog, J Googledocs); J fotoÂśs, videoÂśs en audio digitaal kan maken en bewerken; J kan werken met de elektronische leeromgeving, (leerling gerelateerde) administratieve J systemen, (educatieve) software, portfoliosoftware, toetsservicesystemen; J kan werken met een arrangeertool voor digitaal leermateriaal.

      De docent is mediawijs en informatievaardig.    De docent toont aan dat hij: J voor leerlingen geschikte en betrouwbare digitale leerbronnen kan selecteren, passend bij hun leeftijd, sociaal-emotionele en morele ontwikkeling; J sites kan beoordelen op betrouwbaarheid en authenticiteit en het belang hiervan kan overbrengen op zijn leerlingen; J leerlingen kan leren om informatie doelmatig en doeltreffend te zoeken en te vinden; J leerlingen kan wapenen tegen de risico's van internetgebruik.


J

De student kent het begrip mediawijsheid en kan leerlingen hierin begeleiden.

      De docent maakt Âą in onderwijssituaties/-activiteiten die daarvoor geschikt zijn Âągebruik van ICT. De docent combineert digitale leermiddelen met niet-digitale leermiddelen (Blended Learning), daar waar deze combinatie doelmatig en/of doeltreffend is.       De docent toont aan dat hij: J de benodigde hard- en software organiseert, rekening houdend met de procedures binnen J de school; J voor aanvang van een les de benodigde ICT middelen op juiste werking getest heeft; J bij storingen op de computer zodanig kan handelen dat de les er zo min mogelijk door wordt verstoord; J de regels kent die gelden voor computergebruik op school, samen met collegaÂśs ICT gedragscodes ontwikkelt en deze kan uit dragen richting leerlingen. J op een bewuste manier gebruik maakt van verschillende ict-toepassingen bij zijn klassenmanagement. J De student kan leerlingen veilig en verantwoord de computer laten gebruiken en kent de gevaren van langdurig computeren.     De docent toont aan dat hij: J ICT middelen in verschillende, daarvoor geschikte, onderwijssituaties/-activiteiten kan J gebruiken en zijn keus kan beredeneren; J in staat is om met behulp van de -onder instrumentele vaardigheden Âą genoemde softwarepakketten zijn lessen digitaal voor te bereiden; J digitale leermiddelen kan inzetten om leerlingen te motiveren en stimuleren; J rekening houdt met verschillen in niveau, interesse, leerstijl en werktempo van leerlingen bij het geven van opdrachten.      De docent kan digitaal materiaal integreren in zijn/haar presentaties en instructies en kan daarbij diverse hardware inzetten.    De docent toont aan dat hij: J een digitale presentatie die voldoet aan de eisen van een goede digitale presentatie, kan J maken en gebruiken; J een digitaal schoolbord kan gebruiken bij diverse didactische werkvormen.         De docent kent verschillende vormen van (a)synchrone, digitale communicatiemiddelen en kan deze toepassen in zijn/haar onderwijs.    De docent toont aan dat hij: J zijn leerlingen de regels van verantwoorde elektronische communicatie Âą ĂŠĂŠn op ĂŠĂŠn en in J groepen - kan bijbrengen; J met leerlingen een (a)synchrone online discussie/debat/chat kan organiseren en J modereren; J kan omgaan met diverse (a)synchrone manieren om een expert op afstand in te zetten. De docent kan samenwerking tussen leerlingen faciliteren door gebruik te maken van ICT.    De docent toont aan dat hij: J diverse manieren kent om op afstand samen te werken aan producten (bijvoorbeeld J elektronische leeromgeving, Wiki, Googledocs);


J J

peer feedback kan organiseren in een digitale omgeving; op afstand een samenwerkingsproces tussen leerlingen kan monitoren.

De docent kan ICT inzetten in de communicatie met zijn/haar collegaÂśs.    De docent toont aan dat hij: J in staat is om actief deel te nemen aan een digitale Community of Practice (CoP); J digitaal kan samenwerken aan een document en bekend is met de voor- en nadelen hiervan (bijvoorbeeld Wiki, Googledocs).        De docent kan het individueel werken van leerlingen ondersteunen met ICT.    De docent toont aan dat hij: J (educatieve) programmaÂśs kent en gebruikt voor individueel werken; J een elektronische leeromgeving kan inzetten om leerlingen te ondersteunen bij het zelfstandig leren, zo nodig tijd- en plaatsonafhankelijk. J ICT optimaal en gericht kan integreren binnen de verschillende vakgebieden.         De docent kan ICT inzetten bij het begeleiden en evalueren van leerlingen. De docent is hierbij in staat om door de inzet van ICT zicht te krijgen op het leerproces en de voortgang van de leerling.    De docent toont aan dat hij: J de regels kent die gelden voor computergebruik op school en deze uitdraagt richting J leerlingen; J de juiste instructies aan een leerling kan geven om leerlingen in staat te stellen in een digitale leeromgeving hun leerproces zichtbaar te maken; J zijn leerlingen kan begeleiden bij het gebruik van internet zodat leerlingen in staat zijn relevante informatie te vinden en te beoordelen op kwaliteit en betrouwbaarheid; J leerlingen kan begeleiden bij het onderzoek doen naar en analyseren van onderwerpenmet behulp van een digitale leeromgeving; J ICT kan gebruiken om metacognitie tot stand te brengen en het leren van elkaar te stimuleren, bijvoorbeeld in een digitaal portfolio of een weblog; J de activiteiten, vorderingen en resultaten van alle leerlingen digitaal kan volgen; J feedback kan geven in een digitale omgeving; J fraude en plagiaat digitaal kan opsporen en voorkomen; J leerlingen die bij bepaalde onderdelen extra tijd of oefening nodig hebben remediĂŤrende programmaÂśs kan aanbieden; J bekend is met de leefwereld van kinderen en weet welke rol ict daarin speelt; J ICT kan inzetten in zijn onderwijs waarbij hij rekening houdt met de verschillen in ICTvaardigheden van de leerlingen. J De student kan heterogene groepen begeleiden bij onderwijsleersituaties waarbij gebruik wordt gemaakt van ICT. J zich bewust is van de processen van identiteitsvorming bij kinderen en houdt hier J rekening mee met het handelen in de digitale wereld.      De docent kan een eenvoudige digitale toets ontwikkelen/samenstellen, afnemen en evalueren.   De docent toont aan dat hij: J op de hoogte is van de mogelijkheden van digitale toetsprogramma's / toetsservicesystemen binnen een ELO of als zelfstandige applicatie; J de voor- en nadelen kent van digitaal toetsen; J elektronische toetsen kan inzetten en kan motiveren waarom een keuze gemaakt wordt


J J

voor een zelfbeoordelende-, voorwaardelijke-, voortgangs-, diagnostische-, instap- en/of beoordelende toets; kan beoordelen welke domeinen/onderwerpen geschikt zijn om digitaal te toetsen; verschillende typen gesloten toetsvragen kan maken (multiple-choice, multiple-answer, ja/nee, rangorde, matching, point & click, fill in the blanks, numeriek); een digitale toets kan organiseren (rondom afname, organisatie toetsmoment, informatie leerlingen, capaciteit, back-up).

          De docent kan ICT gebruiken voor het arrangeren en/of het ontwikkelen van digitaal leermateriaal.    De docent toont aan dat hij: J gebruik maakt van diverse vindplaatsen van digitaal leer-oefen en toetsmateriaal en in staat is deze te beoordelen om hieruit zijn eigen (digitale, interactieve) leereenheid te arrangeren en structureel in te zetten binnen verschillende vakgebieden en onderbouwd vanuit zijn onderwijsvisie. ; J leermateriaal ontwikkelt voor een digitale omgeving waarbij rekening gehouden wordt met verschillen in niveau, interesse en tempo en wijze van leren en ontwikkelprincipes voor digitaal leermateriaal; J op de hoogte is van regels die gelden voor copyright en bekend is met diverse copyrightmodellen (bijvoorbeeld: Š, public domain, creative commons, Wikimedia commons, GNU).




Kennisbasis ICT - leerkrachtcompetenties