Issuu on Google+

Paul Snoek bundel.indd 1

mensen komt kijken, ik leef een (hernieuwde) kennismaking met de poĂŤzie van Paul Snoek

1933 1981

cultuurcentrum Sint-Niklaas

13/09/2011 16:28:46


Paul Snoek bundel.indd 2

13/09/2011 16:28:46


Paul Snoek bundel.indd 3

mensen komt kijken, ik leef 16 gedichten voor een (hernieuwde) kennismaking met de poĂŤzie van Paul Snoek met nawoord door Paul Demets.

1933 1981

cultuurcentrum Sint-Niklaas 2011

13/09/2011 16:28:46


colofon: Deze kleine bundel werd door het Cultuurcentrum Sint-Niklaas uitgegeven 30 jaar na het overlijden van Paul Snoek (op 19 oktober 1981) Illustratie omslag: Om het blauwe te bezweren (gouache Paul Snoek – 1959) Foto achterkant: Paul Teughels Samenstelling en redactie: Dirk Van Driessche Biografische notities: Paul Demets Met dank aan: Stedelijke Openbare Bibliotheek Sint-Niklaas, Bibliotheca Wasiana, Stedelijke Musea en Erfgoedcel Waasland Š Gedichten: Erven Snoek Vormgeving: Jusbox Verantwoordelijke uitgever: Lieve Van Daele, Grote Markt 1, 9100 Sint-Niklaas

Paul Snoek bundel.indd 4

13/09/2011 16:28:46


Paul Snoek bundel.indd 5

Archipel Ik ben een ruïne van de zee omringd door alle namen van het water waar elke droom een eiland wordt dat elba heet en elk verlangen zand van sint helena waar ik het meikind ben dat aan de stranden met zonnecirkels speelt en ’s avonds schelpen van de dood verzamelt waar ik het lijf ben dat zijn onbewoonde handen celebes aan god en vuurland aan de mensen geeft maar dat te zelden mens is mens alleen.

uit: Archipel De Sikkel, 1954 5

13/09/2011 16:28:46


Ik ben een avondmens die in de dingen avondwoorden hoort en kleuren zingend van een kinderlijke dood. Want elk verlangen kweekt weer andere verlangens aan elk kind een ander kind en ook de dood laat achter zich andere doden na.

uit: Archipel De Sikkel 1954 6

Paul Snoek bundel.indd 6

13/09/2011 16:28:46


Paul Snoek bundel.indd 7

Totem Ik wilde een keizer worden in dit leven van dwergen, maar ik kon de zachtheid van de perzik niet vergeten en bleef een heel jong kind. Ik ook heb dagelijks de witte halzen van de angst gezien, de harde handen van het licht gevreesd. Ik kon de volle stilte van de vissen niet vergeten en werd een heel oud kind. Nu heb ik mijn voorhoofd met droomkleur beschilderd. Dag in dag uit ben ik uw vreemdeling. Ik rook een vredespijp.

uit: Ik rook een vredespijp. Gedichten 1956 A.A.M. Stols 1957 7

13/09/2011 16:28:46


Tabula Rosa Dit zou moeten zijn het enige leven: een overgouden man, geschapen om zijn schoonheid en om niets anders. Een wonder van georganiseerde organen dat de adem van zijn spieren inhoudt als een stier en als geen ander dier. Een reus die zal zijn voor de toekomst een rivier door een diepere zee, breed en bloedend van goedheid. Een man die de duistere ruimten verlicht met een desnoods sterfelijk oog, maar die voor alles zal zijn het bewijs van zijn schepping en van niets anders.

uit: de heilige gedichten. 1956-1958 S.M. Ontwikkeling/A.D. Donker 1959 8

Paul Snoek bundel.indd 8

13/09/2011 16:28:46


Paul Snoek bundel.indd 9

Een zwemmer is een ruiter Zwemmen is losbandig slapen in spartelend water, is liefhebben met elke nog bruikbare porie, is eindeloos vrij zijn en inwendig zegevieren. En zwemmen is de eenzaamheid betasten met vingers, is met armen en benen aloude geheimen vertellen aan het altijd allesbegrijpende water. Ik moet bekennen dat ik gek ben van het water. Want in het water adem ik water, in het water word ik een schepper die zijn schepping omhelst, en in het water kan men nooit geheel alleen zijn en toch nog eenzaam blijven. Zwemmen is een beetje bijna heilig zijn.

uit: hercules. gedichten A. Manteau NV, 1960 9

13/09/2011 16:28:46


De zoete zee Tussen mijn goede schouders wil ik zingen van de zee, die droeve kinderen te blauw hebben getekend en te hoog misschien, omdat ze nooit de zee hebben gezien: de zee is vol van witte dansers die aanspoelen warm en gevleugeld als kostbare vogels in kooien. Alle dagen viert zij feest, de zee met mooie, lange vrouwen en daarom is zij een beetje moe als een moeder. De zee is doorwaadbaar van eiland tot eiland en duizend andere zeeĂŤn slapen in de tuin van haar schaduw. Neen, de zee ruikt niet naar een voorbijgetrokken leger. De zee heeft de geur van trillende harpen en zoet is de zee. Het zout is door de mensen uitgevonden.

uit: hercules. gedichten A. Manteau NV, 1960 10

Paul Snoek bundel.indd 10

13/09/2011 16:28:46


Paul Snoek bundel.indd 11

Volledig luchtledig Omdat het windstil is, omdat de gieren slapen ben ik stil en slaap hier als een ladder in een boom. Dat elke droom een prooi is droomt de adder. Omdat het windstil is, omdat de prooien slapen ben ik stil en droom.

uit: hercules. gedichten A. Manteau NV, 1960 11

13/09/2011 16:28:46


Gedicht met stilte geschreven Hoor de stilte kraait. De minnaars dolen in de nieuwe wouden van de winterslaap en alle zaaiers, nu vermomd als jagers, doden. Met een weefsel van regen en moeheid heeft de stilte ons bekleed en onze lippen gericht naar het van koude biddend noorden. Zo stil is het nu dat men huivert en vreest dat iemand plots op een gong zou slaan en van de leegte zou scheuren het voorzichtig vlies. Tot in de vingertoppen eenzaam is het hart en zo benauwend stil, als het huis dat instort bij het nauwelijkse rinkelen der sleutels.

uit: zwarte muze. gedichten A. Manteau NV, 1967 12

Paul Snoek bundel.indd 12

13/09/2011 16:28:46


Paul Snoek bundel.indd 13

Het luchtkasteel Ik wil, voor ik verander in een kei, een mier of een papaverbloem, de schepper worden van een luchtkasteel. Ik zal de daken knippen uit inpakpapier, de kamers vouwen uit vochtige kranten en op de muren van muziekpapier zal ik lachgezichten voor de ramen schilderen met metaalinkt. In mijn slot zullen wonen duiven van oud zilver. Ik zal voor ik verander in een steen, een dier of in een slingerplant, de schepper worden van een luchtkasteel, want ik beschik over de zachte handen van een uitvinder.

uit: Ik rook een vredespijp. Gedichten 1956 A.A.M. Stols, 1957 13

13/09/2011 16:28:46


Vijfde gedicht voor Maria Magdalena Van je eerste tot je laatste lichaam, liefste, laat mij al de minnaars zijn. Eerst de jonge danser, zacht en eenzaam, die je speeksel zoekt en drinkt als wijn. Later de gevreesde die zijn mieren jaagt van hoer naar hoer, tot onze schade. Soms de sterke met verstilde spieren, hemelsbreed van blijdschap en genade. Laatst de vader die het zaad zal dragen, van je vrucht de vruchteloze pijn, en aan je lichaam zal vragen: liefste, laat mij de geliefde zijn.

uit: Gedichten voor Maria Magdalena Spermalie: Paul Snoek, 1971 14

Paul Snoek bundel.indd 14

13/09/2011 16:28:46


Paul Snoek bundel.indd 15

In de slaapval Een lichtgeel wolkje bevlekt mijn netvlies. Van welk oog kan mij niet schelen. Het is ook niet zo belangrijk. Zeg, ik stond al voor heter vuren. Maar wees gerust, ik zie. Ik zie dat ik zit in een draagstoel. Neen, het is een glimmende rolstoel en kinderen duwen mij voort in een doolhof tussen reuzengrote kroppen sla. En kijk, ik beweeg mijn handen en voeten als in doorschijnend water en ik loop soepel op een koord. Ik val en mijn bed wordt een enorme spiegel om in te liggen. Maar voor ik achterover tuimel in de sluimerkuil en de slaapval dichtklapt roep ik luidop in mijn droom: mensen komt kijken, ik leef.

uit: Gedrichten. gedokumenteerde aktualiteitspoĂŤzie en/ of alternatieve griezelgedichten Manteau, 1971 15

13/09/2011 16:28:46


Duel tussen de rozen We waren het eens over de keuze der wapens: de schaterlach. Op dertig centimeter van elkaar en spijts de vroege ochtend het bovenlijf ontbloot en in aanwezigheid van arts en getuigen schoot ik het eerst in een lach. Ik kon mij echter vlug beheersen en mijn tegenstrever, een adelborst beet zijn prachtige bovenlip stuk, zodat zijn kus op de mond van de blonde nooit meer dezelfde zou zijn, daar was ik zeker van. O wat gaf deze gedachte mij moed. Toen ook een dikke druppel bloed van zijn kin rolde en aan de horizon een koets verscheen, waarin zich zonder twijfel, maar in zwarte zijde en fijn ondergoed, de blonde bevond, was zijn laatste uur geslagen. Ik gaf een aanstekelijk lachje zodat hij kreunend tussen de rozen stortte, gele winterharde dwergrozen dan nog, en aan zijn lachbui kwam geen eind. Zelfs toen de arts hem onderzocht lag hij te krullen, onbeschrijfelijk.

16

Paul Snoek bundel.indd 16

13/09/2011 16:28:46


Paul Snoek bundel.indd 17

De getuigen leidden hem omzichtig weg. De prachtige blonde zat heerlijk te snikken en in een grasperk, mals en dauwvochtig, een eindje voorbij de vertrappelde rozen, maakte ik haar vlug tot de mijne. Ach mensen.

uit: Gedrichten. gedokumenteerde aktualiteitspoĂŤzie en/ of alternatieve griezelgedichten Manteau, 1971 17

13/09/2011 16:28:46


Gedicht voor mezelf Ik weet het, mensen, die ik heb bemind, het was een straf mij lief te hebben. Mijn vrouwen heb ik zelf ontvreemd, mijn kinderen werden verre mensen en mijn vrienden gingen spoorloos dood. En toch, geloof mij, want ik heb het leven lief. Ik heb het leven liever te verlaten levend, als de grazende kudde omringd door de verte, dan te verjaren in een prinsengraf, waar ik mag staren naar mijn groot verleden, verzwonden in de diepe grotten van de wolken. Ik wil mezelf opnieuw gastvrij ontvangen in een huis dat glimlacht van muziek of in een tuin bevloeid door zuiver meisjeswater, ver weg van het geween met de verkeerde tranen, ver weg van het verdriet en van de regenzee.

uit: Welkom in mijn onderwereld Elsevier/Manteau, 1978 18

Paul Snoek bundel.indd 18

13/09/2011 16:28:46


Paul Snoek bundel.indd 19

Als ik geen rood meer heb Als ik geen rood meer heb maak ik de bomen groen, de struiken, het hele landschap wat ik schilder. Dus ook het onkruid en het gras, waarin je languit ligt te wachten roerloos maar toch diep ontroerd, wanneer je later het doek mag zien waar ik je rooie jurk vervangen heb door zachte naaktheid, waarvoor ik net als voor je glimlach vooralsnog niet de kleur vond die je past. Als ik geen rood meer heb, heb ik nog altijd je lippen.

uit: Schildersverdriet Manteau, 1982 (postuum) 19

13/09/2011 16:28:46


Levensgevaarlijk gedicht Er zijn woorden die sissen als slangen. Vleesetende woorden met een muil vol tanden. Woorden die gevaarlijk slapen onder hete stenen Of die webben weven om hun prooi te vangen. Sommige zijn doorzichtig als glazen kwallen en spuiten giftige inkt uit je mond. Andere zijn geslepen tot vlijmscherpe messen of druipen als etter uit verzworen ogen. Woorden dragen soms bedrieglijke maskers. Zij kennen de knepen van de camouflage om als wandelende takken vruchten te dragen of om een ander woord bekoorlijk te betoveren. Het is maar een woord voor een woord om eensklaps van gedaante te verwisselen, om als een tijdbom duizend eeuwen te overwinteren in een klompje ijs. Want leg ‘s avonds een onschuldig woord als een wicht in zijn wieg te slapen, ‘s morgens stoot je tussen de lauwe lakens op een koude, splinternieuwe handgranaat.

uit: Schildersverdriet Manteau, 1982 (postuum) 20

Paul Snoek bundel.indd 20

13/09/2011 16:28:46


Paul Snoek bundel.indd 21

Gedicht om de dag mee te beginnen Soms hoor ik tussen mijn gewrichten het kraakbeen knerpen als piepschuim dat breekt, als dikke sneeuw van vroeger maar dan dun en hard geworden, scherper, droger en verouderd. De gloed van het verleden is gekoeld. Mijn toekomst is een hart vol lege zakken. Ik heb nog hout voor vele lange winters maar mijn lichaam heeft de koude aanvaard. Met bloedend hart kijk ik terug in het verleden op vreemde bedden, woeste nachten, lege flessen en ‘s ochtends met de scheerkwast in mijn hand vertel ik mij dit nuchter maar toch waar verhaal: je hebt je vrienden en je vrouwen te dikwijls verplant. Je hebt nog zeep genoeg, maar je spiegel wordt kaal.

uit: Schildersverdriet Manteau, 1982 (postuum) 21

13/09/2011 16:28:46


22

Paul Snoek bundel.indd 22

13/09/2011 16:28:46


Paul Snoek bundel.indd 23

Over de blijvende grootte van de poëzie van Paul Snoek Een korte kennismaking met de poëzie van Paul Snoek kan moeilijk van zijn leven worden losgemaakt. Daarom mogen deze biografische notities van Paul Demets niet ontbreken in deze bundel. (Paul Demets is dichter en poëzierecensent voor De Morgen en voor Cobra.be (VRT). Hij werkt aan de biografie van Paul Snoek, die bij De Bezige Bij zal verschijnen).

23

13/09/2011 16:28:46


24

Paul Snoek bundel.indd 24

13/09/2011 16:28:48


Paul Snoek bundel.indd 25

Het universum in de poëzie van Paul Snoek is een parallelle wereld die hij creëert vanuit een grote behoefte om aan de al te beperkende, onvrij makende werkelijkheid te ontsnappen. Hij heeft een grote fascinatie voor de natuur, vooral die onder het wateroppervlak: ‘Alles wat in water leeft, daar hou ik van. Ik ben heel erg aangetrokken tot water. Alles wat vloeibaar, wat los is, lenig is, de natuur. (...) Het water is het element waarin ik mij heel lekker voel, alhoewel ik nu niet bepaald een zeer goed zwemmer ben.’ Naast de humoristische, speelse, provocerende Snoek, zien we altijd de figuur die zich het liefst niet zou inlaten met de andere mensen in zijn werk, die zich wil terugtrekken, terwijl er toch een voortdurende behoefte aan contact is, zeker in de vorm van erotiek. Snoek is, samen met Hugo Claus, één van de meest erotische dichters ooit uit ons taalgebied. Alleen daarom al verdient zijn werk het om onder de aandacht te blijven. Ik loop nu met enkele reuzenpassen door zijn oeuvre en in één moeite door zijn avontuurlijke leven. Het kind Paul Snoek dat eigenlijk de naam Edmond Schietekat droeg, had een gelukkige jeugd. Edmond wordt op 17 december 1933 geboren in de welvarende industriestad Sint-Niklaas, als oudste kind van Omer Schietekat en Paula Snoeck. Vader is een bemiddelde textielfabrikant, moeder kan hem veel aandacht schenken, want pas in 1940 wordt zijn broer Laurent geboren, vier jaar later gevolgd door zijn zus Lina. Zijn schoolresultaten, eerst in de nonnenschool Berkenboom en nadien in het Sint-Jozefsinstituut, zijn nogal middelmatig. De jonge Snoek observeert liever de natuur, leest veel en schildert, onder invloed van zijn vader, een amateurschilder. Na een conflict met de directie van het Sint-Jozefsinstituut sturen zijn ouders Edmond vanaf het zesde studiejaar op internaat in het Sint-Lievenscollege in Antwerpen. In 1950 keert hij terug naar Sint-Niklaas, waar hij aan het Sint-Jozef-Klein-Seminarie in de poësis - het vijfde jaar - de dichter Anton van Wilderode als leraar Nederlands heeft. Via hem leert Snoek in snel tempo de poëzie van Willem Kloos, Paul van

25

13/09/2011 16:28:50


Ostaijen, Wies Moens, Bertus Aafjes en Martinus Nijhoff kennen en begint hij zelf gedichten te schrijven in de trant van Van Wilderode. In diezelfde periode komt Snoek in contact met de dichter Adriaan de Roover, die hem de ‘atonalen’ laat lezen, genoemd naar de dichters die Simon Vinkenoog in zijn spraakmakende bloemlezing atonaal (1951) opnam. Vooral Lodeizen, Claus en Rodenko drukken een stempel op wat Snoek dan schrijft. Snoek absorbeert hun werk in een hoog tempo. Van 1953 tot 1956 studeert Snoek rechten aan de Universiteit Gent, met de bedoeling om zijn vader op te volgen in de zaak, terwijl hij zelf liever Germaanse filologie wil studeren. Van kennis opdoen komt niet veel in huis, want Snoek is meer in de cafés dan op de collegebanken te vinden. Intussen werkt hij ijverig verder aan de ontwikkeling van zijn dichterschap en hij probeert zich daarbij te profileren. Zo onderneemt hij herhaaldelijke pogingen om in Tijd en Mens, het tijdschrift van Louis Paul Boon, Hugo Claus en Jan Walravens, gedichten te publiceren. Het frustreert hem erg dat dit niet lukt. Als het waar is dat alle kiemen van het kunstenaarschap meteen in het eerste werk zitten, dan is dat zeker het geval voor Paul Snoek. Neem de eerste regels van het openingsgedicht van zijn debuutbundel Archipel (1954): ‘Ik ben een ruïne van de zee/ omringd door alle namen van het water/ waar elke droom een eiland wordt/ dat elba heet/ en elk verlangen/ zand van sint helena.’ Het dichterlijke ik in ballingschap op een eiland. In de poëticale evolutie van de poëzie van Snoek, maar ook in zijn beeldend werk, zien we dit motief terugkeren: de eenzame figuur, in een dialectische beweging tussen enerzijds zich koesteren in die eenzaamheid, weg van de mensen, nauw verbonden met de natuur, vooral met het water, en anderzijds een groot verlangen naar eenheid, via de liefde. Dat brengt een dynamiek teweeg in het werk van Snoek die mij fascineert. Snoek was tijdens zijn leven een populaire dichter, zeg maar een Bekende Vlaming, vooral toen hij in de jaren zeventig zijn opwachting maakte in de Wies Andersen Show op de toenmalige BRT, maar zijn dichterlijke

26

Paul Snoek bundel.indd 26

13/09/2011 16:28:50


Paul Snoek bundel.indd 27

ik is een ik dat zich terugtrekt, dat zich niet wil laten kennen. De bundel De heilige gedichten (1959) vormt een belangrijke wending in Snoeks poëticale ontwikkeling. Hier zien we een interessante spanning tussen het lyrische ik, de dichter die schoonheid wil scheppen enerzijds en de anti-figuur anderzijds, tegen de belemmeringen van de religie, van alle autoriteit en zeker die van het leger. De bundel Hercules luidt de belangrijkste periode van Snoeks dichterschap in, omdat hij in de bundels Hercules, Richelieu (1961) en Nostradamus (1963) een eigen sensitieve, vitale beeldtaal ontwikkelt, waarmee hij zijn definitieve stempel op de naoorlogse poëzie in Vlaanderen gedrukt heeft. Misschien geen toeval, want Snoek voelt zich op dat moment goed in zijn vel: in 1958 zwaait hij af in het leger, hij breekt met zijn verloofde en gaat aan de slag als bediende in de fabriek van zijn vader. Tijdens de korte tijd dat hij in Antwerpen woont, beleeft hij allerlei avonturen, vaak in het gezelschap van zijn vriend Johan van Dorpe. Later beschrijft hij die belevenissen in de roman Een hondsdolle tijd (1978). Hij gaat na een tijd terug thuis wonen en verzorgt een TV-rubriek in Humoradio, de voorganger van Humo. In 1960 ontmoet hij Maria Magdalena (Mylène) Vereecke. Het mooie blonde meisje houdt Snoek in de ban. In 1961 stappen zij in het huwelijksbootje. Intussen is de bundel Hercules al verschenen bij Manteau, die Snoeks uitgever zal blijven. De bundel had net zo goed ‘Neptunus’ kunnen heten, want het water is een overheersend motief. Het water verwijst hier niet langer meer naar een onderwereld, waarin het veilig is, afgesloten van de werkelijkheid, zoals in zijn vroege werk. Nu wordt het een element waarin tegenstellingen worden opgeheven. Het vruchtbare water vormt de bron van leven. Het is ook erotisch getint, zoals in het gedicht waarmee de naam Paul Snoek in de poëziegeschiedenis en bij een ruim publiek bewaard is gebleven, ‘een zwemmer is een ruiter’. In 1962 en 1963 gaat het Snoek voor de wind: hij richt mee een importmaatschappij op en verkoopt bedrukte, zijden sjaaltjes. Hij

27

13/09/2011 16:28:50


bouwt een villa in Temse, die hij zelf ontwerpt. En hij wordt in 1963 vader van een tweeling, Jan en Paul. Vanaf 1965 breken enkele donkere jaren aan in het leven van Snoek. Hij neemt ontslag bij Weverij Schietekat en bij zijn sjaaltjesbedrijf. Samen met zijn schoonbroer koopt hij zich in bij het West-Vlaamse paalfunderingsbedrijf Atlas Palen. Maar dat is geen succes en brengt beiden in financiële moeilijkheden. Intussen heeft Snoek zijn villa in Temse verkocht. Toch een heuglijke gebeurtenis in 1966: de geboorte van zijn dochter Sophie. In 1967 koopt Snoek een oude boerderij in Slijpe, die hij tot een landhuis verbouwt. Ook in 1967 publiceert Snoek de bundel zwarte muze, waarvoor hij in 1968 de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Poëzie ontvangt. Opvallend is het contrast tussen de met veel oor voor klankrijkdom gekozen woorden, de in enjambementen verglijdende regels, het verfijnde ritme, de weelderigheid van de taal, en de kaalslag van de inhoud, waarin hij duidelijk maakt dat de roes van de inspiratie hem in de steek laat en dat eenzaamheid zijn deel is. In 1968 zet Snoek een stap terug in het zakenleven en hoopt zo meer te kunnen schrijven. Hij werkt aan de verhalen die hij in 1971 samenbrengt in Bultacco 250 cc. De toon van die realistisch aandoende verhalen contrasteert sterk met de fenomenale Gedichten voor Maria Magdalena. Die gedichten vormen een lofzang op de vrouw, maar ze hebben zeker ook een destructieve kant. In de eerste regels wordt die al aangekondigd: ‘Jij en je lichaam een sluipmoord/ goddelijk heidens en honing.’ In datzelfde jaar 1971, verrast Snoek vriend en tegenstander met de bundel Gedrichten, die dezelfde functie lijkt te hebben als De heilige gedichten: een anti-houding laten zien. In dit geval is het ook duidelijk een poging om zijn idioom te vernieuwen en te versoberen. Het is Snoeks eigenzinnige manier om een antwoord te bieden op de roep om maatschappelijk engagement. Met de Gedrichten, een samentrekking van ‘gedicht en ‘gedrocht’, lijkt het wel, wou Snoek naar eigen zeggen iets nieuws creëren: hij wil ontluisterende

28

Paul Snoek bundel.indd 28

13/09/2011 16:28:50


Paul Snoek bundel.indd 29

gedichten over maatschappelijke fenomenen schrijven, maar niet in een klaagzang vervallen. Hij wil geen pogingen ondernemen om de wereld te verbeteren. In dat opzicht contrasteert zijn ironische, vaak cynische poëzie scherp met veel geëngageerde schrijfsels van tijdgenoten. In 1972 verklaart Snoek dat hij wil stoppen met schrijven om zich volledig aan de schilderkunst te wijden. In de jaren vijftig heeft hij trouwens al gedurende een periode intens geschilderd, onder invloed van COBRA en zeker onder die van dubbeltalent Lucebert. Hij stelt verschillende keren met succes tentoon. Toch publiceert hij twee bibliofiele bundels: Frankenstein (1973) en ik heb vannacht de liefde uitgevonden (1973). Frankenstein bevat, naast zes zeefdrukken van Snoek, opnieuw ‘gedrichten’ waarin hij op een cynische manier tegen de mythologie, de godsdienst en de populaire cultuur aanschopt. Het zijn verwarrende jaren voor Paul Snoek: hij krijgt moeilijkheden met één van de toonaangevende galeries in ons land, omdat hij zijn schilderijen rechtstreeks probeert te verkopen, hij wordt uit het panel van de Wies Andersen Show gezet omdat hij in een interview verklaart dat de show ‘te stom is om dood te doen’ en hij wordt ontslagen bij Atlas Palen. Snoek stort zich in het uitgaansleven in Oostende. Intussen is ook zijn privé-situatie grondig veranderd: in 1977 scheidt hij van Mylène Vereecke en het jaar nadien hertrouwt hij met Martine Laroye. In 1978 publiceert hij ook de bundel Welkom in mijn onderwereld, waarin de sombere toon van ik heb vannacht de liefde uitgevonden verder doorklinkt. De eenzaamheid treedt hier als thema duidelijk op de voorgrond. De lezer wordt uitgenodigd om mee onder te gaan. Het is de bundel waarin we het befaamde Gedicht voor mezelf terugvinden, waarin hij genadeloos in de spiegel kijkt. In 1979 belandt Snoek opnieuw in de problemen. De verkoop van schilderijen valt tegen en Snoek probeert het als sportjournalist, antiekhandelaar en copywriter, maar het brengt niet genoeg op en hij houdt het allemaal

29

13/09/2011 16:28:50


niet lang vol. Pas in 1981 gaat het hem financieel weer wat meer voor de wind, wanneer hij naar het Midden-Oosten kan trekken om er meubels te verkopen. Met het geld schaft hij zich een Alfa Romeo aan. Op 19 oktober 1981 rijdt hij zich met die nieuwe wagen in Egem bij Tielt tegen een slecht verlichte grijpkraan te pletter. Hij is op slag dood. Snoeks werk is dat van de man in de reus, zoals in Bultacco 250 cc. Daarin vertelt hij over een man die reuzen draagt. ‘De man in de reus, dat ben ik, en ik blijf het. Daarom draag ik reuzen waar men ook maar wil, winter en zomer, dag en nacht, met hart en ziel. De reuzen en ik, wij houden elkaar in leven.’ Het is een mooi beeld om mee af te sluiten, omdat het een metafoor vormt voor de verschillende gedaanten die Snoek in zijn leven en zijn werk heeft aangenomen: enerzijds de krachtige, provocerende, speelse figuur, anderzijds de man die achter die gedaanten verdwijnt en in stilte in een binnenwereld leeft. Maar dat Paul Snoek een reus in de Vlaamse poëzie blijft, daar ben ik van overtuigd. Paul Demets

30

Paul Snoek bundel.indd 30

13/09/2011 16:28:50


Paul Snoek bundel.indd 31

13/09/2011 16:28:50


Paul Snoek bundel.indd 32

Sint-Niklaas is een stad met een warm hart voor de poëzie. Dat is niet in het minst te danken aan het feit dat een hele reeks grote dichters in Sint-Niklaas geboren zijn, hier school liepen en hier ook vaak de eerste stappen naar hun dichterschap zetten. Paul Snoek (° 1933, Sint-Niklaas) was ongetwijfeld een reus onder hen. Zijn werk behoort vandaag onbetwist tot de belangrijke Nederlandstalige poëzie van de twintigste eeuw. De stad Sint-Niklaas wil de figuur en het werk van deze grote dichter blijvend in de belangstelling van het publiek houden. Hiertoe werd al in 1991 de Paul Snoek Poëzieprijs in het leven geroepen, een prijs die ondertussen al een sterke reputatie wist te verwerven. Vandaag, dertig jaar na zijn overlijden op 19 oktober 1981, wil deze kleine bundel de frisheid en de kracht van de poëzie van Paul Snoek in handzame vorm opnieuw onder de aandacht van de poëzieliefhebbers brengen. Moge dit een (her)ontdekking zijn, die aanzet tot verder lezen en genieten van de blijvende waarde van de poëzie van Paul Snoek!

13/09/2011 16:28:56


Paul Snoek mensen komt kijken, ik leef - gedichtenbundel