Page 1

“Je gaat het pas zien als je het door hebt” Johan Cruijff en de paradox

Thomas Fransman


Inhoudsopgave

Inhoudsopgave ........................................................................................................................... 2 1

Inleiding ............................................................................................................................. 3 1.1 Doelstelling ....................................................................................................... 3

2

De paradox ......................................................................................................................... 4 2.1 Anaximander en de oorsprong der dingen ........................................................ 6 2.2 De logisch-filosofische tegenover de semantisch-literaire paradox.................. 8

3

De logisch-filosofische paradox......................................................................................... 8 3.1 Het onderscheid tussen de verschillende types paradoxen................................ 8 3.2 Verschillen tussen natuurlijke en formele taal ................................................ 11 3.2.1 Paul Ziff en de cross out approach ................................................... 12 3.3 Wittgenstein en de private language............................................................... 15

4

De semantisch-literaire paradox....................................................................................... 20 4.1 De leugenaarsparadox ..................................................................................... 21 4.1.1 Eubulides en de gehoornde man....................................................... 22 4.2 Zin, onzin en zelfreferentie ............................................................................. 25 4.2.1 Ockham over zelfreferentie en insolubles ........................................ 27 4.2.2 Jean Buridan en zijn sofismen.......................................................... 30 4.2.3 Kazemier over onzin en Cruijff........................................................ 31 4.2.4 Cargile over onzin ............................................................................ 32

5

De grenzen van betekenis................................................................................................. 33 5.1 Pyrrhus ............................................................................................................ 35 5.2 Cruijffiaanse paradoxen en betekenisoverschrijding ...................................... 38

6

Cleanth Brooks................................................................................................................. 41 6.1 The Language of Paradox ............................................................................... 42

7

Conclusie.......................................................................................................................... 44

2


1

Inleiding In het voorjaar van 1995 stonden Ajax en AC Milan tegen over elkaar in de finale van

de Champions League. Vooraf werd er druk gespeculeerd wie deze ontmoeting zou gaan winnen. Op zoek naar voorspellingen van kenners legde de pers zijn oor te luisteren bij de toenmalige trainer van FC Barcelona, Johan Cruijff. Het antwoord op de vraag hoe groot de kansen waren die Ajax had in deze wedstrijd, antwoordde Cruijff: “Italianen kennen niet van je winnen, maar je ken wel van ze verliezen.” De uitspraak werd in de dagen en uren voor de finale regelmatig geciteerd en steeds met een bepaald ontzag. De uitspraak had namelijk de kracht die een paradox doorgaans heeft met een bijbehorende zweem van hoger inzicht. Een soort van mystieke kennis die niet te toetsen valt en voelt als een tegenstelling, maar waar diep van binnen een kern van waarheid in zit. Er zat tevens iets grappigs in, zoals zo vaak bij een uitspraak die heel logisch klinkt, maar net zo goed onzin kan zijn. Maar bij een ontleding van de uitspraak stuit je eigenlijk alleen maar op waarheden. Dat Italianen niet van je kunnen winnen, dat was vaak genoeg voor gekomen. En dat je wel van ze kunt verliezen, dat was ook maar al te vaak gebleken. Volgens de wetten van de logica klopte er in Cruijffs antwoord iets niet, maar wat precies was niet geheel duidelijk. Het suggereerde een geheime intuïtie, waarin voor de begrippen ‘winnen’ en ‘verliezen’ een andere betekenis leek te bestaan. De uitspraak kijkt alvast vooruit naar de mogelijke (en waarschijnlijke) uitslag: de onverdiende, vieze nederlaag die Ajax waarschijnlijk te wachten stond. Verliezen zonder dat de tegenstander eigenlijk gewonnen had. De vlot geformuleerde paradox is een van de kenmerken van het taalgebruik van Johan Cruijff. “Voordat ik een fout maak, maak ik hem niet”, dat is ook een voorbeeld van een Cruijff-paradox, en net zo mysterieus. De diepere bewering die hieraan ten grondslag ligt, wil zoiets zeggen als: ik heb altijd gelijk, ook als dat niet zo is (wat op zichzelf ook weer een paradox is).

1.1 Doelstelling Over de paradox zijn op verschillende gebieden vele theorieën bekend en vele boeken geschreven. De paradox staat in de belangstelling van vele vakgebieden waaronder de 3


filosofie, logica, taalkunde, argumentatieleer en wiskunde. In deze scriptie heb ik mezelf als doel gesteld om een aantal van deze theorieën te nemen, te bestuderen en toe te passen op de paradoxale uitspraken van Cruijff. Ik zal van elk vakgebied een theorie nemen en deze trachten toe te passen op Johan Cruijff en zijn uitspraken. Zo zal ik beginnen met een taalkundige hoofdstuk met daarin de logisch-filosofische kant van de paradoxen. Dit zal zijn aan de hand van Wittgenstein en Ziff. Hierin zal het verschil tussen de types paradoxen en het taalgebruik van Cruijff een grote rol spelen. Voorts zal ik dieper op de leugenaarsparadox ingaan met behulp van Griekse filosofen en Roy Sorensen. Ten slotte zal ik de literaire en semantische kant van de paradox behandelen aan de hand van Kazemier, Brooks en Cargile. Zo hoop ik een brede visie te geven op de paradoxale uitspraken van Cruijff en hoop deze te verklaren aan de hand van deze theorieën. Naast het toepassen van Cruijffs uitspraken op de verschillende theorieën die ik ga behandelen, zal ik ook onderliggend proberen te verklaren waarom Cruijff in paradoxen praat en waarom zijn paradoxale uitspraken in het algemeen geaccepteerd worden als geldige uitspraken. Mijn centrale doelstelling voor deze scriptie is dan ook tweeledig: 1. Aantonen dat de verschillende theorieën met betrekking tot de paradox toepasbaar zijn op de paradoxale uitspraken van Johan Cruijff. 2. Aan de hand van bovenstaande doelstelling achterhalen waarom Cruijff in paradoxen praat en waarom men zijn paradoxale uitspraken accepteert.

2

De paradox Van Dale geeft de volgende definitie van een paradox: ‘schijnbare tegenspraak;

stelling, uitspraak, niet overeenstemmend met de gangbare mening, ogenschijnlijk ongerijmd’. Of die tegenspraak steeds schijnbaar is, is maar de vraag, zoals te zien is in het vervolg van dit hoofdstuk, maar over het algemeen is deze definitie wel juist. Het type paradox dat in het merendeel van alle stukken en theorieën over de paradox het hoofdonderwerp vormt, is de leugenaarsparadox. Deze paradox heeft betrekking op de Kretenzer Epimenides die ooit zei: “alle Kretenzers zijn leugenaars”. Maar als dit zo is, liegt Epimenides zelf dus ook en kan de uitspraak niet waar zijn. Maar als dit zo is, loog

4


Epimenides niet en is het toch waar dat alle Kretenzers leugenaars zijn. Maar dan zou Epimenides de waarheid spreken en hij is ook een Kretenzer, etc. Zo kom je in een oneindige cirkel terecht en dat is nou juist wat deze leugenaarsparadox zo interessant en aantrekkelijk maakt voor wetenschappers. Verderop in dit hoofdstuk zal ik hier nog uitgebreid op ingaan, en ook in het volgende hoofdstuk zal de leugenaarsparadox nog aan bod komen, aangezien deze paradox een substantieel onderdeel is van de totale theorie over de paradox. Niet alleen Johan Cruijff laat zich regelmatig uit in paradoxen, vele grote schrijvers en filosofen doen hem dit na en gingen hem hierin voor. Bijvoorbeeld de schrijver Multatuli met zijn uitspraak: “niets is zeker, en misschien zelfs dat niet”. Of de filosoof Hegel met zijn mysterieuze, paradoxale uitspraak: “de geschiedenis leert de mens dat de mens niets leert uit de geschiedenis”. De paradox heeft een zweem van hogere kennis en dieper inzicht, maar ook een bepaalde mystiek, om zich heen en dit is waarschijnlijk de reden dat zo velen zich, al dan niet bewust, uitlaten in dit mystieke stijlfiguur. Zo ook Johan Cruijff. Ogenschijnlijk onbewust laat hij zich regelmatig uit in een paradox. Het doel van deze scriptie is, zoals ik hierboven al schreef, tweeledig. Enerzijds zal ik proberen tot een verklaring te komen waarom hij zich uitlaat in paradoxen, en dit zal ik anderzijds proberen uit te vinden door zijn uitspraken te toetsen aan de verschillende theorieën die er over het fenomeen de paradox geschreven zijn. Met de volgende uitspraken zal ik gaan werken wanneer ik de verschillende theorieën ga bespreken. “Italianen kennen niet van je winnen, maar je ken wel van ze verliezen.” “Voordat ik een fout maak, maak ik hem niet.” “Voetballen is simpel, maar het moeilijkste wat er is, is simpel voetballen.” “Ik wil geen dief van mijn eigen portemonnee zijn.” Als uitgebreide vorm van inleiding zal ik eerst de paradox in het algemeen behandelen aan de hand van de Griekse filosoof Anaximander, die beschreven wordt in het boek A Brief History of the Paradox van de Amerikaanse filosoof Roy Sorensen, alvorens over te gaan op de tweedeling in types paradoxen, het centrale thema van dit stuk.

5


2.1 Anaximander en de oorsprong der dingen Anaximander hield zich tijdens zijn leven voornamelijk bezig met het oplossen van het raadsel waar de mens nu eigenlijk oorspronkelijk van afstamt. In die tijd (ca. 600 voor Christus) had men nog geen besef van de evolutieleer van Darwin, maar Anaximander was zijn tijd ver vooruit en verkondigde dat de eerste mensen werden gevoed en grootgebracht door dieren. De vraag rees alleen: wat was er dan voor die dieren? En wat daarvoor? Dit kun je doortrekken tot in het oneindige en hierover was in die tijd veel te doen. Het is namelijk absurd om het verleden als oneindig te zien. Immers, mocht dat zo zijn, dan zouden we oneindig hebben moeten wachten om tot het heden, dit moment, te komen. Oneindig wachten zou betekenen dat we hier nu niet zouden kunnen zijn, want om hier te zijn moet er een eind gekomen zijn aan het oneindige wachten. Zie hier: een paradox! Het verleden zal dus wel een begin moeten hebben, anders zouden we hier niet kunnen zijn in het heden. Roy Sorensen maakt in zijn boek A Brief History of the Paradox een vergelijking met negatieve getallen, een fenomeen waar men rond die tijd nog niet bekend mee was. Als je vandaag als het getal 0 ziet en gisteren als -1, dan kun je zo doortellen tot een bepaalde dag in het verleden. Deze getallenreeks is oneindig, evenals de stamboom van de mens. In navolging van dit verhaal over Anaximander introduceert Sorensen de term paradox. Volgens Sorensen is de paradox ‘a species of riddle’ (3) en dan specifiek een raadsel dat onoplosbaar is of waarin de oplossing onverenigbaar is met de premissen. Sorensen heeft het in zijn boek veel over bewust geuite paradoxen, die door bepaalde filosofen zijn gedaan om anderen uit te dagen of hun ongelijk te bewijzen. Deze paradoxen bevinden zich niet alleen op het gebied van de wiskunde en de filosofie, maar ook op het gebied van de taalkunde. De gemene deler hiervan is dat in het algemeen geldt dat de oplossing of de conclusie van de paradox onverenigbaar is met de premissen. Zoals bijvoorbeeld de volgende zin van Hegel: “we hebben geleerd uit de geschiedenis, dat we niets kunnen leren uit de geschiedenis.” Als we niets kunnen leren uit de geschiedenis, klopt het eerste deel van de zin niet. Als we wel degelijk iets kunnen leren uit de geschiedenis, klopt het tweede deel van de zin niet. Ergo, hoe je het ook bekijkt, de zin is zijn volledigheid is een contradictie aangezien de conclusie tegenstrijdigheid, ondanks dat de premissen wel geldig zijn. De volgende uitspraak met betrekking tot de paradox en juist degene die zich in een paradox uitlaat, is interessant met het oog op Johan Cruijff:

6


The poser of a paradox need not drape its meaning behind ambiguities and metaphor. He can afford to be open because the riddle works by overburdening the audience with too many good answers. (4) In dit raadsel wordt echter wel gesuggereerd dat degene die een paradox uit, dit bewust doet en zoals ik al eerder zei, denk ik niet dat dit het geval is bij Cruijff. Echter, dit citaat lijkt me alsnog interessant en in zekere zin ook toepasbaar op Johan Cruijff. Cruijff is namelijk altijd enorm open en verschuilt zich zeker niet achter ambiguïteiten en metaforen, althans niet bewust. Wel kan ik me voorstellen dat hij bewust gebruik maakt van de stijlfiguur paradox, omdat hij ten eerste zijn mond niet kan houden en ten tweede omdat hij zijn ongelijk moeilijk kan en wil toegeven. De paradox geeft hem namelijk een mogelijkheid om heel veel te zeggen en tegelijkertijd eigenlijk helemaal niets te zeggen (ook een paradox!). Een praktische stijlfiguur aldus als je moeilijk je mond kunt houden en je ongelijk niet kunt toegeven. Voor iemand met dergelijke makken, is de paradox een goed middel om toch wat te zeggen, maar wel iets dat vaak betekenisloos is en waar hij dus verder niet op aangevallen kan worden. Veel gezaghebbers praten regelmatig in goed geformuleerde paradoxen, zodat ze het volk met te veel goede antwoorden achter laten en dus kritiekloos kunnen vervolgen. Tevens wordt Johan Cruijff altijd bijzonder veel gevraagd aangezien hij als kenner pur sang en als voetbalorakel gezien wordt, en dan is het goed om altijd wat klaar te hebben, zeker als je er geen zin in hebt of als je niet direct een antwoord klaar hebt. Tevens wordt hij, juist omdat hij als orakel fungeert, regelmatig aangevallen op zijn uitspraken, aangezien het mode is om een kenner te pakken op foutieve uitspraken. Dan is het nuttig om iets te zeggen waarmee je de aanhoorder met vele goede antwoorden achterlaat of om iets te zeggen waarmee je de toehoorder vertwijfeld en verbluft achterlaat, zodat je voor even van hem verlost bent zonder daarbij per se een onwaarheid te verkondigen. Zo zei Cruijff ooit eens in een persconferentie, toen hem gevraagd werd waarom hij altijd zo dwars was: “Ik ben overal tegen. Tot ik een besluit neem, dan ben ik er voor.” Diepzinnig, meestal waar, Amsterdams tot in de kern, algemeen geldend en geen flauwe grammaticale onjuistheid waaraan veel andere uitspraken van Cruijff hun populariteit ontlenen. En de op dat moment aanwezige journalisten waren hierdoor zo verbluft, dat ze uit verbazing maar overgingen op een andere vraag. Precies het doel dat Cruijff voor ogen had. Wel iets zeggen, maar tegelijkertijd heel weinig zeggen en eigenlijk daadwerkelijk antwoord geven vermijden. 7


2.2 De logisch-filosofische tegenover de semantisch-literaire paradox Voor deze scriptie zijn voor mij twee types paradoxen interessant: de logischfilosofische paradox en de semantische (ook wel literaire) paradox. Het is belangrijk dit onderscheid te maken aangezien beide types relevant zijn als we kijken naar de uitspraken van Johan Cruijff. Aan de ene kant heb je de logisch-filosofische paradox, waarmee de uitspraken van Cruijff ontleed kunnen worden en aan de hand van de theorieĂŤn over dit type paradox kunnen we de uitspraken van Cruijff toetsen op hun paradoxale waarde. Aan de andere kant is er de betekenisgeving die gepaard gaat met de paradoxale uitspraken van Cruijff en hiervoor leent de semantisch-literaire paradox zich beter. Bovendien zijn de uitspraken van Cruijff, en de context waarin ze geuit zijn, voornamelijk semantisch-literair te noemen.

3

De logisch-filosofische paradox Ik zal hieronder beginnen met het uiteenzetten van het verschil tussen de twee types

paradoxen en aansluitend het verschil tussen natuurlijke en formele talen behandelen. Vervolgens zal ik doorgaan met de logisch-filosofische paradox. Dit hoofdstuk zal voornamelijk bestaan uit de theorie van Paul Ziff en Ludwig Wittgenstein, twee filosofen wier theorie goed bruikbaar is voor deze scriptie en dit hoofdstuk specifiek. Bij dit type paradox sluit de leugenaarsparadox goed aan, maar de leugenaarsparadox overlapt eigenlijk ook met de semantische paradox, dus dit biedt een goede overgang tussen beide types.

3.1 Het onderscheid tussen de verschillende types paradoxen Het boek De Literaire Paradox van de taalkundige Geert Kazemier is goed om als uitgangspunt te nemen voor deze discussie, aangezien Kazemier in dit boek dit verschil uitgebreid behandelt. Hij maakt een drievoudig onderscheid tussen de wiskundig-filosofische

8


paradox en de literaire paradox en begint bij de het ontwaren van de diepere betekenissen bij beide types paradox: De literaire paradox onderscheidt zich van de wiskundig-filosofische paradox daarin, dat de ongerijmdheid bij de eerste onmiddellijk opvalt maar zich bij enig nadenken oplost, terwijl de tweede meestal pas na scherp nadenken duidelijk wordt en dikwijls geen oplossing heeft. (8) Dit komt overeen met wat ik in dit onderzoek probeer te zeggen over Johan Cruijff. Namelijk, Cruijff laat zich voornamelijk in literaire paradoxen uit, aangezien je in eerste instantie nog denkt dat het onzin is wat hij zegt, maar na enige contemplatie toch wel inziet dat er een diepere betekenis in verborgen zit en dat zo de aanvankelijk schijnbare onzin zinnig wordt. Bij de wiskundig-filosofische paradoxen is dit vaak niet het geval. Laat ik ter illustratie de scheepsbarbierparadox nemen. Deze paradox stelt dat er een barbier is die iedereen scheert die zichzelf niet scheert. Maar wat doet hij nu met zichzelf? Als hij zichzelf niet scheert, moet hij zichzelf scheren, maar dat mag dus niet. Dit is een paradox die valt onder de tweede variant die Kazemier noemt in bovenstaand citaat: pas na heel lang denken wordt deze duidelijk en hij heeft misschien wel geen oplossing. De wiskundig-filosofische paradox treedt vaak op door te denken en kan berusten op een fout in het denken. Wiskundigen zouden bijvoorbeeld graag een oplossing vinden voor Russells paradox, verzamelingen die zichzelf mede omvatten en anderen die dat niet doen, waarvan eigenlijk de scheepsbarbierparadox een praktisch voorbeeld is, omdat dit blijkbaar een uitdaging is binnen de wetenschap en met de oplossing zelfs de wetenschappelijke ruimte vergroot wordt. Kazemier zegt over de oplossing van deze paradox: De geleerde die deze oplossing vindt, zal daar vermoedelijk een grote vreugde en een innerlijke voldoening aan beleven. Het lijkt me echter weinig aannemelijk dat deze voldoening een existentieel karakter zal hebben. (19) Dit heeft te maken met de aard van de wetenschap. De voldoening bij het oplossen van een logische of wiskundige paradox zal zelden een existentieel karakter hebben, omdat die paradox vaak niet bewust is gemaakt c.q. opgeschreven en daarom ook niet als doel heeft een existentiĂŤle oplossing te vinden. Bij de literaire paradox is dat vaak juist andersom. Kazemier: 9


… het doorgronden van de antinomie is gewoonlijk niet moeilijk; deze paradox wil echter niet zozeer doordacht als wel beleefd worden; het gaat niet om het een of het ander, maar om beide tegengestelden als een geheel, dat existentiële betekenis krijgt. (19) Deze paradox, de literaire, is dus vaak welbewuster opgeschreven en bedacht, en wil juist beleefd worden en niet op een analytische manier doordacht worden, zoals de wiskundigfilosofische. Waar het dus in de wiskundig-filosofische paradox vaak gaat om een per ongeluk geuite bewering die uiteindelijk interessant blijkt voor analyse, gaat het bij de literaire paradox om een bedoelde tegenstelling die neergezet wordt als geheel en waar poëtische en existentiële betekenis aan toegekend kan worden als deze op de juiste manier beleefd wordt. Als tweede onderscheid tussen de literaire en wiskundige paradox komt Kazemier met de volgende uitspraak: Het tweede is, dat de paradox soms ontstaat, doordat twee onverenigbare situaties op een bepaald moment toch samentreffen. (15) Wiskundig en logisch kan bovenstaande bewering niet, maar in de literaire paradox kan dit wel omdat er door de situatie een existentieel karakter ontstaat. Kazemier haalt in zijn boek het voorbeeld aan van de Ierse held die twee dingen niet mocht doen: een maaltijd afslaan en hondenvlees eten. Zodra die twee situaties op een gegeven moment samenkomen, namelijk wanneer de held hondenvlees als maaltijd aangeboden krijgt, ontstaat er een paradox die alleen in het literaire domein te beschrijven valt. Ook een ander voorbeeld van Kazemier over de held die niet bang moet zijn om te sterven en moed moet tonen is hier te gebruiken. Moed kun je alleen maar tonen als je op de een of andere manier bang bent om te sterven. Als je niet bang bent om te sterven, heb je namelijk geen moed nodig. Wederom twee onverenigbare situaties die louter in de literaire paradox hun existentie vinden. Het derde onderscheid is dat de literaire paradox dikwijls ontstaat doordat de betekenis van bepaalde woorden over hun rand loopt. Dit gebeurt bij wiskundige en logische paradoxen niet, aangezien deze duidelijk geanalyseerd dienen te worden, en niet op taalkundig niveau, en daardoor er geen ambiguïteit moet ontstaan met betrekking tot bepaalde woorden.

10


3.2 Verschillen tussen natuurlijke en formele taal In het verlengde van de voorgaande paragraaf, lijkt het me ook belangrijk om het verschil tussen gewone, oftewel natuurlijke, taal en formele taal aan te stippen, aangezien in dit hoofdstuk vooral taaluitingen aan bod zijn gekomen. Dit ligt in het verlengde van bovenstaande paragraaf, omdat het bij de literaire paradox voornamelijk om de natuurlijke taal gaat en bij logisch-filosofische paradoxen vaak om formele talen. Ons wordt tijdens onze opvoeding een taal aangeleerd met als doel het communiceren onderling. Zo communiceren wij namelijk met elkaar, door met elkaar te spreken in een gemeenschappelijke taal. Naast deze (moeder)taal beheersen veel mensen ook nog een andere natuurlijke taal, zoals Engels of Frans, maar ook velen, vooral specifieke groepen mensen zoals informatici of hobbyisten, beheersen tegenwoordig ook een formele taal, bijvoorbeeld een programmeertaal als C of Java. In deze formele talen worden regels en functies voor computerprogramma’s geschreven en deze talen moeten dus met de uitvoerders van de programma’s, namelijk de computers, kunnen communiceren. Die communicatie verloopt echter in een aantal gevallen niet goed, voornamelijk doordat de schrijver van het programma fouten heeft gemaakt waardoor de computer de taal niet begrijpt en dus niet uitvoert wat de maker van het programma voor ogen had. En hierin ligt het grote verschil tussen natuurlijke en formele taal. In natuurlijke talen kunnen we heel goed met elkaar communiceren in slecht gestructureerde of onvolledige zinnen, maar computers hebben aan een half woord niet genoeg. Computerprogramma's moeten zich houden aan vaste, vooropgestelde regels: de kleinste afwijking van die regels wordt als incorrect door de computer afgewezen. In het ideale geval is een zin in een taal zowel semantisch (naar betekenis) als syntactisch (naar grammaticale structuur) correct. Wanneer wij in het Nederlands met elkaar communiceren kunnen zinnen syntactisch onjuist zijn, maar toch wordt de bedoelde semantiek (betekenis) overgedragen. In programmeertalen is syntactische correctheid essentieel: een noodzakelijke voorwaarde om de betekenis van het programma te kunnen overdragen. Als ik bijvoorbeeld tegen een vriend zeg ‘het boom daar hebben groene blaadjes’ begrijpt die vriend wat ik bedoel te zeggen, al klopt de zin syntactisch niet. Als ik hetzelfde zou doen bij een computer en dus een syntactisch onjuiste zin in een bepaalde taal aan de computer zou

11


doorgeven, dan begrijpt de computer deze zin niet aangezien de zin niet voldoet aan de syntactische structuur van de formele taal. Een ander belangrijk verschil is dat de verzameling zinnen binnen een formele taal in principe eindig is. De woorden en woordconcatenaties zijn duidelijk bepaald door de axioma’s en syntax. Bij natuurlijke talen ontbreekt echter een definitie die precies kan bepalen, welke zinnen wel en welke zinnen niet tot de natuurlijke taal behoren Formele talen worden gebruikt om een bepaald gebied af te bakenen en om ambiguïteit uit te bannen. Zo zijn de woorden en de syntax van de taal duidelijk afgebakend en zorgt dit voor een betere mogelijkheid tot modelleren. Zo is de taal van de wiskunde, met daarin al zijn formules en symbolen, een formele taal, waarin alles eenduidig is vastgelegd. Er valt namelijk geen goede afleiding of berekening te maken als de symbolen en regels binnen deze berekening niet duidelijk en eenduidig zijn. Ongeveer hetzelfde geldt voor programmeertalen. Computers zijn tegenwoordig nog niet zo intelligent (al zijn ze hier hard mee bezig) dat ze onze natuurlijke taal probleemloos kunnen begrijpen en overnemen. Daarom dient de taal die je overbrengt naar computers aan duidelijke regels te voldoen, met als voornaamste reden dat anders computers de taal niet begrijpen. Dat is het grote verschil tussen mens en computer, het denk- en perceptievermogen om onvolledige informatie toch goed te verwerken. Dit verschil, dat mensen onvolledige informatie veel beter verwerken dan computers, is belangrijk als we het hebben over de paradox. Computers en hun formele talen zouden vaak vastlopen op paradoxale zinnen, aangezien computers puur kijken naar de losse woorden en niet naar de betekenis. Een computer en daarmee een formele taal zal de zin ‘Italianen kennen niet van je winnen, maar je ken wel van ze verliezen’ niet begrijpen zoals wij mensen die begrijpen aangezien zij het vermogen tot betekenisoverschrijding die nodig is om deze uitspraak ten volle te begrijpen, niet bezitten. En sowieso valt Cruijff niet te vatten voor formele talen en computers gezien zijn vaak onnavolgbare en syntactisch foutieve taalgebruik.

3.2.1 Paul Ziff en de cross out approach In dit licht, het verschil tussen een natuurlijke en een formele taal, is de theorie omtrent de paradox van de Amerikaanse filosoof Paul Ziff interessant om naar voren te halen.

12


In zijn boek Semantic Analysis uit 1960 bespreekt Ziff uitvoerig de paradox en als grote vernieuwing komt hij met zijn zogenaamde cross out approach. Deze benadering was volgens hem nodig om de consistentie van een taal, zowel een natuurlijke als een formele taal, te behouden. Ziff bestudeerde namelijk de eerder genoemde leugenaarsparadox, waarbij de Kretenzer Epimenides zei dat alle Kretenzers leugenaars waren, en kwam met de volgende uitspraak omtrent natuurlijke taal en contradictie: Since the analogues in English of transformation rules in a logistic system are essentially semantic regularities pertaining to the elements of English, the claim that English is inconsistent must essentially be a claim of the effect that the syntactic and semantic regularities of English lead to a contradiction. Thus to claim that the antinomy of the liar proves that English is inconsistent is to claim that the semantic regularities pertaining to ‘true’ and ‘false’ are analogous to transformation rules that, in conjunction with other analogues of formation and transformation rules to be found in English, lead to a contradiction. (134) Lang citaat, maar wel goed om de theorie van Ziff mee in te leiden. Het gaat er dus bij hem om of een taal inconsistent genoemd kan worden, als die taal tegenstrijdige zinnen kan bevatten. Ter illustratie komt hij met de volgende zin, die analoog is aan de zin “deze zin is niet waar”, een typisch zelfreferentiële zin, iets dat ik later nog uitvoerig zal behandelen: “What I am now saying is false” (135). Dit is een paradox omdat als deze zin waar is, moet hij onwaar zijn en als hij onwaar is, moet hij waar zijn. Maar wat is er nou precies de oorzaak van dat dit een paradox is? Dit vraagt Ziff zich af en om dit uit te zoeken, gaat hij eerst kijken of het aan het woord ‘false’ ligt door de volgende zin uit te spreken: “What he is now saying is false” (135). Deze zin is niet paradoxaal dus het kan niet alleen aan het woord ‘false’ liggen aangezien dat in de eerste uiting ook voorkwam en die was wel paradoxaal. Dit suggereert dat zelfreferentie aan de basis van het probleem ligt, aangezien de eerste uiting zelfreferentieel is en de tweede uiting niet. Maar om dit te testen komt Ziff met de volgende zin: “What I am now saying is not to be repeated” (135). En deze zin is weer niet paradoxaal, dus de zelfreferentie op zich is niet het probleem, het moet een combinatie van verschillende factoren zijn. Ziff zegt het als volgt:

13


But the right conclusion is that here, as everywhere in language, difficulties arise owing to a combination of factors, not to any single factor. The problem is to locate the factors primarily responsible. (135) Vervolgens gaat Ziff op zoek naar een wat duidelijkere definitie en komt weer bij de standaard zelfreferentiezin, ditmaal in de vorm: ‘(10): (10) is false’ (136). De paradox zit hier in de woorden ‘is’, ‘false’, de referentie naar ‘(10)’ en de volgorde van deze termen. Aangezien de volgorde van de termen de paradox niet oplost, is de paradox te vinden in de betekenis van ‘false’ en ‘is’ en de referentie naar ‘(10)’. De paradox is geen bewijs dat de zelfreferentie van (10) op enige manier een probleem vormt. In principe zijn er wel redenen te verzinnen om deze zelfreferentie als reden te verzinnen voor de paradox in de voorbeeldzin, maar er is geen aanleiding toe dit zomaar aan te nemen. Evenmin zorgt het woord ‘false’ voor een directe reden voor het optreden van de paradox in de zin. Echter, en hier komt de combinatie van Ziff naar boven, de oorsprong van het optreden van de paradox in de zin is te vinden in de combinatie van de zelfreferentie van (10) en het woord ‘false’, aan elkaar verbonden door het woord ‘is’. Uit deze afleiding volgt voor Ziff de volgende vraag met betrekking tot de consistentie van de natuurlijke taal Engels af te leiden: ‘do the syntactic and semantic regularities of English preclude the combination of the self-referential “(10)” with “false”?’ (136). Met andere woorden, is zin (10) een logisch gevolg van de regels binnen de Engelse taal? En zo ja, is Engels dan een inconsistente taal, aangezien het dergelijke tegenstrijdige zinnen kan voortbrengen? Ziff vat het als volgt samen: The following is a regularity to be found in connection with English: if u is uttered by way of making statement then generally that statement does not lead to a contradiction. Utterance (10) deviates from this regularity. So I say this: the paradox constitutes a proof that (10) is deviant. (137) Voor Ziff is er dus binnen welke taal dan ook geen mogelijkheid tot tegenstrijdige uitspraken. Zin (10) spreekt zichzelf tegen en Ziff ziet het optreden van de paradox als reden hiervoor. Een paradox is dus voor Ziff een reden om een taal inconsistent te noemen. En hier komt zijn cross out approach om de hoek kijken; Ziff maakt hierin een onderscheid tussen de logische systemen en de natuurlijke taal. Als hij in logische systemen een tegenstrijdigheid tegen komt, zet hij het systeem weg (cross out) als ongeldig. Als hij in de natuurlijke taal een 14


tegenstrijdigheid tegenkomt, dan verwijdert hij de tegenstrijdigheid uit het systeem (cross out). Volgens Ziff horen tegenstrijdige zinnen als (10) dus niet in een consistente taal thuis. Hij ziet dus het Engels als een inconsistente taal, aangezien het Engels dergelijke zinnen als (10) voort kan brengen en in lijn hiervan zal Ziff het Nederlands ook als een inconsistente taal bestempelen aangezien het Nederlands de paradoxale uitspraken van Cruijff kan voortbrengen. Hij gaat dus verder dan wat ik hierboven in deze paragraaf zei over paradoxen in formele talen. Waar ik zei dat paradoxen in formele talen leiden tot problemen en onbegrip bij computers, zegt Ziff dat je formele talen die de mogelijkheid tot een paradox en dus een tegenstrijdigheid bezitten, dient af te schaffen.

3.3 Wittgenstein en de private language Een heel ander iets dan het verschil tussen formele en natuurlijk talen, is de zogenaamde private language van Ludwig Wittgenstein. Hier zijn we beland bij het technisch, taalkundige gedeelte en zal ik even afstappen van het centrale thema, de paradox, en meer ingaan op het algemene taalgebruik van Cruijff aan de hand van Wittgenstein. In plaats van zich te richten op hoe taal precies in zijn werk ging, richtte Wittgenstein zich op hoe de sprekers zich gedroegen. In zijn Philosophische Untersuchungen vraagt hij de lezer om na te denken over de taal in de vorm van taalspelen (language games). Deze eenvoudige taalspelletjes zorgen er volgens Wittgenstein ook voor dat we niet verstrikt raken in de complexiteit van de taal. Een belangrijk thema van Wittgenstein als we kijken naar Johan Cruijff is dat van de private language. Om te kijken of iemand een woord of zin begrijpt, wordt er meestal gekeken naar gedrag. Als iemand zich gedraagt alsof hij of zij een taal begrijpt of spreekt die verder niemand begrijpt, dan kunnen we dit een voorbeeld noemen van een private language. Wittgenstein definieert een private language als volgt in zijn Philosophische Untersuchungen: But could we also imagine a language in which a person could write down or give expression to his inner experiences - his feelings, moods, and the rest - for his private use? - Well can't we do so in our ordinary language? - But that is not what I mean. The

15


individual words of this language are to refer to what can only be known to the person speaking; to his immediate private sensations. So another person cannot understand the language. (§243) En hier kan ik de link leggen naar Johan Cruijff, aangezien hij regelmatig niet begrepen wordt en hem verweten wordt dat hij zijn eigen taal spreekt (ergo, private language). De paradoxen die ik gebruik in deze scriptie zijn hier voorbeelden van, maar er zijn ook genoeg voorbeelden van studiogasten die samen met hem in een bepaald programma optreden en niets begrijpen van wat hij zegt. Zelf ben ik namelijk bekend geworden met Cruijff tijdens zijn analyses van wedstrijden (voornamelijk uit de Champions League), waarbij je zijn woorden altijd eerst moest laten bezinken en nogmaals voor jezelf moest herhalen alvorens je begreep wat hij eigenlijk bedoelde. En dan was het nog vaak niet helemaal duidelijk. Ik heb echter altijd een hekel gehad aan mensen die beweerden dat Cruijff maar wat onzin uitkraamde, omdat ik dat te makkelijk vond en slechts meepraten van de media, maar eigenlijk deelde ik diep van binnen ergens wel de mening van deze mensen, aangezien Cruijff toch wel zijn eigen private language spreekt, waarin, als je het analytisch bekijkt, regelmatig onbegrijpelijke zinnen voor komen. Totdat ik me ging verdiepen in de vele verhalen en artikelen die er zijn geschreven over Cruijff, met daarin natuurlijk ook vele citaten van hem, en sindsdien begrijp ik zijn zienswijze en manier om deze te uiten beter. Echter, dan begrijp je wat hij bedoelt door middel van associatief vermogen en gemeenschappelijke kennis, maar niet direct door de communicatieve kwaliteit van de taal. Als je naar de echte bewonderaars van Cruijff kijkt, vaak de auteurs van verhalen en biografieÍn over Cruijff, zie je ook dat zij het zelden tot nooit hebben over de woordkeuze en zinsbouw van Cruijff. Althans, dit niet als belangrijkste beschouwen; het eerder een bewijs vinden van zijn geniale kwaliteiten. Zo raakte Pieter Winsemius, onder andere oud-minister van VROM en auteur van het werk Je gaat pas zien als je het doorhebt over Cruijff en leiderschap, versteld van de intelligentie en het inzicht van Cruijff toen hij hem tegenkwam tijdens een van de analysemomenten van Cruijff bij de NOS. Inzicht staat je toe heel veel dingen tegelijk te zien. Het is steeds weer amusant om Cruijff als commentator te horen: het is allemaal heel vanzelfsprekend, zelfs als jij in je luie stoel er geen hout van begrijpt. Voor hem is die overvloed aan informatie, 16


waarin een normaal mens verzuipt, allemaal simpel: ‘Dat hou je bij elkaar zoals een biljarter zijn ballen bij elkaar houdt. En dan loopt die ene bal wel eens weg, maar je weet waar ie heengaat en waar ie terugkomt.’ (Winsemius 52) Winsemius heeft dus bewondering voor het taalgebruik van Cruijff. Echter, Cruijff praat wel in zijn eigen taal, zijn eigen private language, en dit heeft volgens Wittgenstein de kwaliteit dat het niet door anderen begrepen wordt. Je kunt het dus de mensen die Cruijff niet begrijpen dus moeilijk kwalijk nemen dat ze hem niet begrijpen. Echter, een andere belangrijke kwaliteit van een private language is volgens Wittgenstein dat degene die in deze taal praat moet laten blijken dat het zinnig is wat er uit zijn mond komt. En dit is zeker van toepassing op Cruijff aangezien hij altijd met zoveel overtuiging en geloof in zichzelf praat, dat je dat moeilijk kunt bestrijden. Het verschil met andere voetballers is dat je Cruijff moet willen begrijpen en dat vergt inspanning. Helaas is niet iedereen bereid die te leveren en begrijpen ze vervolgens Cruijff niet en geven ze de schuld aan zijn spreekvaardigheid. Het probleem bij Cruijff op dat gebied is dat hij sneller denkt dan spreekt. Over zijn taalgebruik is veel geschreven en het heeft ook te maken met de fascinatie voor Johan Cruijff en zijn taalgebruik. Namelijk, niet alleen zijn kennis heeft een enorme aantrekkingskracht, ook de manier waarop hij het tot uiting brengt. Hieronder een aantal uitspraken van vooraanstaande sportjournalisten of mensen uit de sportwereld, die betrekking hebben op het taalgebruik van Johan Cruijff. Henk Davidse zegt in zijn boek Johan Cruijff is ongeneeslijk beter, geschreven samen met Henk ter Berge: ‘zo onvoorspelbaar en grillig als Cruijff aan de bal kon zijn, zo onnavolgbaar en origineel is hij ook in zijn taalgebruik.’ (135) Kees Jansma, jarenlang chef-sport bij de NOS en Canal+ en tegenwoordig perschef bij het Nederlands Elftal, over het soms verwarrende taalgebruik van Johan Cruijff: ‘De gedachten van Johan gaan soms sneller dan zijn mond kan verwerken.’ (Davidse 138) Johan Derksen, sinds jaar en dag actief bij Voetbal International, het toonaangevende tijdschrift op het gebied van voetbaljournalistiek, en tevens ‘huisjournalist’ van Cruijff gedurende tien jaar, vertelt hoe je met Cruijff om moet gaan, hoe je hem kunt (leren) begrijpen: Hij praat in jargon, ook tegen mensen die niets van het onderwerp afweten. Als je weet wat hij bedoelt of eraan gewend bent, volg je hem. Anders zit je te suizebollen. 17


… Cruijff moet je sturen. Je stelt hem een vraag en dan zegt hij: “Er zijn drie dingen: a, b en c.” Dan gaat hij a uitleggen en daar neemt hij zoveel tijd voor dat hij aan b en c niet meer toekomt. Zo lijkt voetbal soms heel ingewikkeld. Maar bij Cruijff werkt het ook andersom. Als een probleem onoplosbaar lijkt, zegt hij binnen vijf seconden hoe het zit. (Davidse 135) Tom Egbers, presentator bij de NOS en daardoor regelmatig gesprekspartner van Johan Cruijff tijdens de analyses van Champions League- of andere wedstrijden, tevens bewonderaar en initiator van het boek Mijn Johan Cruijff, het boek dat uitkwam rond zijn zestigste verjaardag, omschrijft de intelligentie en de denksnelheid van Cruijff: Het komt natuurlijk wel eens voor dat ik niet begrijp wat hij zegt. Niet doordat ik de “Cruijff-taal” niet te pakken heb, maar doordat Johan zo snel denkt. Dan is hij alweer bezig met de volgende gedachte, terwijl hij de vorige zin nog niet helemaal heeft afgemaakt. Soms is dat lastig te volgen, maar dan vraag je gewoon nog een keer om uitleg. En dan zie je de ogen van Cruijff schieten. Zulke ogen zie je niet vaak in je leven. Die registreren, analyseren en becommentariëren alles onmiddellijk. (Davidse 135)

Henk Spaan, sportprogrammamaker, schrijver en hoofdredacteur van het voetbaltijdschrift Hard Gras, beschrijft Cruijffs bijzondere manier van praten: Bij Cruijff moet je erbij blijven. Soms is er een half uurtje “close reading” bij nodig. Hij slaat zijpaden in, maakt die niet af, maar hij keert ook niet meer terug op het hoofdpad. Toch weet je ongeveer wel waar hij naartoe wil. Het is een sympathieke trek van hem, dat taalgebruik. Cruijff is Cruijff, hij is onvergelijkbaar. (Davidse 137)

Auke Kok, auteur van meerdere boeken over voetbal en ook van verhalen over Johan Cruijff, omschrijft zijn verwondering met betrekking tot de snelheid van denken tijdens een ontmoeting met Cruijff in de NOS-studio, waar Cruijff tijdens een Champions Leagueavond acht verschillende wedstrijden op acht verschillende monitoren tegelijk aan het bekijken is: 18


Als je nadacht over een opmerking van Cruijff inzake een foutieve voorzet op monitor 2, uitte hij zijn ongenoegen over een balbehandeling op monitor 1, en terwijl je die opmerking tot je door liet dringen legde hij alweer uit waarom een speler elders op de wand over de “fijngevoeligheid van een olifantspoot” beschikte. … Weet je al wat je straks wilt zien, Johan?” vroeg de eindredacteur. Nee, natuurlijk niet, dacht ik, laat die man even. “Dat lijkt me wel duidelijk. In ieder geval dat schot voorlangs van de man die aanvoerder werd toen X eruit ging.” Welk schot? Welke aanvoerder? Welke monitor? Maar de einderedacteur leek precies te weten wat Cruijff bedoelde. Tevreden stiefelde hij weg. (Kok 72) De auteurs van een artikel over het taalgebruik van Johan Cruijff, dat ik in de inleiding reeds genoemd heb, Guus Middag en Kees van der Zwan, over de overeenkomst tussen Cruijff als spreker en Cruijff als voetballer: De spreker Cruijff kapt en draait, versnelt en versloomt in zijn taal net zo gemakkelijk en achteloos als vroeger op het veld. (2) Bovenstaande citaten hebben een duidelijke gemene deler, namelijk dat vanuit de sprekers zonder uitzondering bewondering spreekt en zeker niet de verwarring en soms zelfs afkeer die je vaak hoort, niet alleen in de media maar (helaas) ook in mijn naaste omgeving, in reactie op weer eens een Champions League-uitzending. Dus wat je eigenlijk kunt stellen als conclusie hieruit is dat je Cruijff pas gaat begrijpen als je je in hem, dat wil zeggen zijn denken handelswijzen maar ook zijn uitspraken, verdiept en hem leert kennen. Een citaat van hemzelf is hier buitgewoon op van toepassing: “Je gaat het pas zien als je het doorhebt.” Een ander punt dat je kunt halen uit bovenstaande citaten is dat Cruijff in zijn eigen private language spreekt die voor velen niet te vatten is. Echter, een private language is wel een paradox en daarom wilde Wittgenstein dit eigenlijk afschaffen, of in ieder geval wegzetten als onmogelijk. Een private language wil namelijk zeggen dat er regels voor die specifieke taal opgesteld moeten worden en aangezien die regels dezelfde eigenschappen bezitten als de taal, worden dit private rules. En een private rule is een contradictio in terminis aangezien regels juist opgesteld worden om iets algemeens te beschrijven. Een private rule, dus een regel die alleen de spreker van de private language kent en volgt, kan 19


niet het contrast laten zien tussen het opvolgen van deze regel en het overtreden van deze regel. Als er geen manier is om het fout te hebben, in dit geval de regel te overtreden, is er ook geen manier om het goed te hebben. Dus de term private rule spreekt zichzelf tegen en hierdoor vond Wittgenstein het idee van een private language maar niks. En zo komen we weer terug bij de term private waar ik deze paragraaf mee begon, namelijk de private language van Cruijff. Ik heb in deze paragraaf proberen te laten zien waarom Cruijff zo dikwijls niet begrepen wordt en heb dit proberen te onderbouwen aan de hand van de theorie van Wittgenstein met betrekking tot de private language. Deze theorie leek me van toepassing op Johan Cruijff aangezien hij over de loop der jaren zijn eigen taal heeft gecreëerd en deze taal zo stellig spreekt dat het overtuigend klinkt. Echter, aangezien Wittgenstein de door zichzelf in het leven geroepen private language verwerpt, kan ik niet zeggen dat Cruijff in een private language praat aangezien iets dergelijks volgens de bedenker ervan dus helemaal niet bestaat. Maar desondanks lijkt het er wel op dat Cruijff zijn eigen private language spreekt en dit komt omdat hij schijnbaar zijn eigen regels, private rules dus, creëert voor zijn taalgebruik. Dit lijken zijn eigen regels, maar in wezen bestaan deze regels al; het zijn namelijk de regels van de poëzie. Je zou Cruijff dus een poëet kunnen noemen die speelt met de taal en daarbinnen zijn eigen regels verzint, maar dus geen private language spreekt aangezien die regels binnen de regels van de poëzie vallen. Bovenstaande redenatie geeft in ieder geval een mogelijke reden waarom Johan Cruijff in paradoxen praat en dat was toch een doelstelling van deze scriptie. Ik zal hier later in dit stuk en ook in de conclusie nog op terug komen.

Hiermee wil ik het gedeelte over de technische kant van de paradox en de logischfilosofische paradox besluiten. Ik heb ten eerste proberen het verschil aan te geven tussen de twee types paradox die in deze scriptie aan bod zullen komen en verder de logischfilosofische paradox uitgelicht en geïllustreerd aan de hand van Wittgenstein en Ziff. Voorts zal ik de semantisch-literaire paradox behandelen, en zal dit uitvoeriger doen dan de logischfilosofische variant aangezien deze eerste meer van toepassing is op Cruijff.

4

De semantisch-literaire paradox Zoals ik al eerder schreef, valt de leugenaarsparadox niet echt onder een van de twee

types paradoxen die ik in dit stuk behandel. Aan de ene kant kun je het zien als een logisch-

20


filosofische paradox aangezien deze paradox “pas na scherp nadenken duidelijk wordt en dikwijls geen oplossing heeft”, zoals Kazemier het zegt. Maar het valt aan de andere kant ook weer onder de semantisch-literaire paradoxen in die zin dat deze paradox is ontstaan doordat twee onverenigbare situatie op een bepaald moment samen kwamen. Het is namelijk een zin uit de Bijbel, dus niet een zin bedacht door een filosoof als breinbreker voor een kennis of familielid. Deze leugenaarsparadox, die ik nu ga behandelen, zal dan ook de overgang worden tussen de logisch-filosofische paradox, die ik hierboven heb behandeld, en de semantischliteraire paradox die ik daarna zal behandelen.

4.1 De leugenaarsparadox De inleiding tot deze leugenaarsparadox vinden we in een uitspraak van Sorensen met betrekking tot Anaximander die interessant is als we kijken naar Johan Cruijff: ‘Paradoxes can often be dissolved by showing that a precondition for a solution fails to hold’ (5). Een paradox bestaat over het algemeen uit één of meerdere precondities die op zichzelf waar zijn, maar wel leiden tot een contradictie in de conclusie. Neem namelijk de leugenaarsparadox waarin de Kretenzer Epimenides zegt: “alle Kretenzers zijn leugenaars”. Er is op zich weinig verkeerd, en zeker niet onwaar, aan deze uitspraak, maar als je bedenkt dat Epimenides zelf ook een Kretenzer is, kom je tot een tegenstelling. Wat Sorensen hier probeert te zeggen is dat vele paradoxen opgelost kunnen worden door te zeggen dat een preconditie niet waar of betekenisloos is. In logische vraagstukken is dit vaak niet mogelijk aangezien de precondities daarvan vaak tautologieën zijn, maar in semantische paradoxen is dit zeer wel mogelijk. Zo kun je in het geval van de leugenaarsparadox zeggen dat er niets wordt gezegd over de frequentie van het liegen. Alle Kretenzers kunnen best leugenaars zijn, maar een leugenaar is niet iemand die liegt in alles wat hij zegt. In dit geval zou de paradox dus opgelost zijn en dat is wat Sorensen met bovenstaande uitspraak bedoelt. Leggen we dit naast Johan Cruijff, dan is er een analogie te vinden in de volgende uitspraak: “voordat ik een fout maak, maak ik hem niet”. Deze zin spreekt zichzelf tegen, maar dit kun je, in lijn met de uitspraak van Sorensen, oplossen door te zeggen dat je in het tweede deel van de zin zegt dat je geen fout maakt, en het eerste deel van de zin dus overbodig (en betekenisloos) is. Dit komt overeen met wat Sorensen zegt over de preconditie,

21


in dit geval een fout maken, namelijk dat deze dus geen stand houdt en daardoor de paradox ophoudt te bestaan. Zoals ik in de inleiding al schreef, behelst de leugenaarsparadox een groot deel van de theorie die geschreven is over het fenomeen paradox. Ook Geert Kazemier behandelt de leugenaarsparadox in zijn boek De Literaire Paradox en komt eigenlijk met een niet al te complexe oplossing voor deze paradox, namelijk: Voor mijn gevoel is de oplossing van deze crux echter niet moeilijk: een leugenaar hoeft niet altijd te liegen om die naam te ontvangen; Epimenides kan dus ook die ene keer best de waarheid hebben besproken. (2) Dit zou natuurlijk anders zijn als de zin die door Epimenides uitgesproken was, zou zijn: “alle Kretenzers liegen altijd”. Tegen een dergelijke uitspraak valt bovenstaande oplossing van Kazemier niet in te brengen, maar zo was de uitspraak nu eenmaal niet, dus de oplossing van Kazemier klinkt uiterst plausibel en duidelijk. De oplossing in bovenstaand citaat geeft aan dat het woord ‘leugenaar’ geen vastgestelde definitie heeft. Liegt een leugenaar namelijk altijd, of is hij al een leugenaar als hij af en toe liegt? Dit spelen met de betekenis van woorden zal centraal staan in paragraaf over de grenzen van betekenis, maar eerst ga ik verder in op de leugenaarsparadox en al zijn aspecten.

4.1.1 Eubulides en de gehoornde man Eubulides van Milete leefde iets later dan Anaximander (4e eeuw voor Christus waar Anaximander in de 6e eeuw voor Christus leefde) en was een van de oudste volgelingen van Sokrates. Er is weinig over zijn leven en werk bekend aangezien er nauwelijks geschriften van zijn hand zijn overgebleven, maar hij wordt genoemd in werken van bekende tijdgenoten zoals bijvoorbeeld Sextus Empiricus. Volgens deze tijdgenoten hield Eubulides zich voornamelijk bezig met het syllogisme. Een syllogisme is een redenering van de vorm: Cruijff is een ster; een ster is geel; dus, Cruijff is geel. Een bekender voorbeeld over Sokrates is de volgende: Sokrates is een mens; alle mensen zijn sterfelijk; dus, Sokrates is sterfelijk.

22


Eubulides hield zich in zijn tijd al bezig met de leugenaarsparadox van Epimenides; de tegenstrijdige zin die de Kretenzer Epimenides een paar honderd jaar eerder uitte: “Kretenzers liegen altijd”. Deze zin spreekt zichzelf tegen aangezien het zelfdestructief is voor een Kretenzer om te zeggen dat Kretenzers altijd liegen, want dan zou Epimenides namelijk zelf ook moeten liegen in deze uitspraak. Er zit ironie verborgen in deze zelfdestructie. Maar ironie hoeft niet vanzelfsprekend inconsistentie te betekenen. Namelijk, een bepaalde Kretenzer heeft vast ooit iets gezegd wat geen leugen was en dus kun je op dit punt eigenlijk alleen maar zeggen dat de zin “Kretenzers liegen altijd” onwaar is, en nog niet per se een paradox. Maar het feit dat er historisch gezien wel eens een Kretenzer geweest is die de waarheid verteld heeft, wil niet zeggen dat je logisch gezien de paradox als fout kunt bestempelen. Wat nu bijvoorbeeld als Epimenides de enige Kretenzer is? Dan kun je geen Kretenzer vinden die de waarheid vertelt en daarmee de uitspraak als onwaar bestempelen. We zouden dan namelijk een uiting hebben die noch waar noch onwaar zou zijn, en nu komen we al wat dichter bij de paradox. Om het redeneren met betrekking tot de leugenaarsparadox eenvoudiger te maken, kun je de leugenaarsparadox herformuleren naar de volgende formule: L: Zin L is niet waar. Als zin L waar is, dan volgt daaruit dat L niet waar is, aangezien L dit zegt. Maar als L dan niet waar is, dan kan L niet tegelijkertijd waar zijn. L is dus waar als L onwaar is en L is onwaar als L waar is, aldus een paradox. Een eerste stap richting oplossing van deze paradox (maar ook andere paradoxen) is te maken door (een deel van) de paradox als waar noch onwaar weg te zetten. Een manier om dit te doen is door af te stappen van het principe van bivalentie. Bivalentie wil zeggen dat een uitspraak slechts twee waarden kan hebben: waar of onwaar. Vasthouden aan dit bivalentieprincipe levert een probleem op bij de leugenaarsparadox, en eigenlijk bij elke paradox; de leugenaarsparadox is namelijk waar als hij onwaar is en andersom. De zin kan dus niet louter waar of onwaar zijn, en het bivalentieprincipe vereist dit wel. Dus door vast te houden aan het bivalentieprincipe zullen we niet tot een oplossing voor de paradox komen. Echter, als we van dit principe van de bivalentie afstappen, zetten we een stap in de goede richting tot oplossing of in ieder geval begrip van de leugenaarsparadox en andere paradoxen. Een propositie hoeft dan namelijk niet waar of onwaar te zijn en zo valt er beter te werken met paradoxale zinnen. Op dit punt, het afstappen van het bivalentieprincipe om tot een oplossing van paradoxen te komen, zien veel filosofen een gelijkenis tussen de leugenaarsparadox en de paradox van de gehoornde man. De paradox van de gehoornde man is namelijk in dit licht interessant en de 23


redenatie met betrekking tot deze paradox lijkt op die je op de leugenaarsparadox kunt toepassen. Deze paradox van de gehoornde man gaat als volgt: What you have not lost, you still have. You have not lost your horns. Therefore, you still have your horns. Als je afstapt van het principe van bivalentie, zoals ik hierboven voorstelde, kun je je gaan buigen over deze paradox. Namelijk, het zinsdeel you have not lost your horns vooronderstelt dat je wel ooit hoorns had en dat is natuurlijk onzin voor een mens. Een statement met een onware vooronderstelling valt als waar noch onwaar te bestempelen aangezien je niet geldig door kunt redeneren als een premisse onwaar is. En dus kun je alleen met bovenstaande paradoxen, en ook met andere paradoxen, werken als je afstapt van het principe dat iets per se waar of onwaar moet zijn. Sorensen maakt met betrekking tot bovenstaande de vergelijking met een vrijgezel: A bachelor is not required to answer yes or no to “are you still beating your wife?”. Since none of the direct answers to this question are true, the bachelor must answer indirectly by correcting the false assumption that he is married. (95) Ergo, door te stellen dat de vooronderstelling van een (bepaald deel van een) paradox onjuist is, kun je de rest van de paradox wegzetten als betekenisloos in plaats van juist of onjuist. Zo lost Eubulides de paradox van de gehoornde man aldus op, door te stellen dat de term ‘your horns’ leeg, nietsbetekenend, is. Dus dan is de zin “you have not lost your horns” betekenisloos, in plaats van waar of onwaar, aangezien ‘your horns’ nergens naar verwijst. Op eenzelfde manier gaat Eubulides om met de leugenaarsparadox: hij ontkent dat enig deel onjuist is. Zoals Sorensen het treffend zegt: ‘Falsehood concerns what is not, and what is not does not exist’ (96). De vraag is nu: hoe kunnen we dit doortrekken naar Cruijff? Kunnen we bepaalde paradoxale uitspraken van Cruijff ‘oplossen’ door af te stappen van het principe van bivalentie? Neem bijvoorbeeld de uitspraak “voordat ik een fout maak, maak ik hem niet”. Het zinsdeel “maak ik hem niet” veronderstelt namelijk dat hij een fout gemaakt heeft en het deel “voordat ik een fout maak” veronderstelt dat hij een fout gaat maken. Maar dit wordt direct weer tegengesproken door te zeggen dat hij hem niet maakt. Dit lijkt dus op de zin over de gehoornde man aangezien je, wanneer je afstapt van het principe van bivalentie, kunt 24


stellen dat het maken van een fout nog helemaal niet bewezen is en je dus deze uitspraak als leeg kunt bestempelen. Dit maakt de verdere paradox betekenisloos in plaats van onjuist omdat er sprake is van een tegenspraak. Ook de uitspraak over de dief en de portemonnee is mijns inziens toe te passen op de paradox van de gehoornde man. Deze uitspraak is een paradox aangezien je aan de ene kant geen dief kunt zijn van je portemonnee, maar aan de andere kant ook weer wel als je zelfstandig en bewust een beslissing neemt waarvan je financieel slechter wordt. Echter, in de lijn van Eubulides en de ontkenners van het bivalentieprincipe kun je zeggen dat de vooronderstelling ‘dief’ als het over je eigen spullen gaat onjuist is. Dit is geen vreemde veronderstelling, net zoals het niet vreemd is om de vooronderstelling dat je hoorns hebt als onjuist te betitelen. Aangenomen dat de veronderstelling dief van je eigen spullen onjuist is, betekent dat de uitdrukking ‘dief van je eigen portemonnee’ betekenisloos is, in plaats van juist of onjuist. In bovenstaande paragraaf heb ik proberen aan te geven in hoeverre je een paradox kunt oplossen door een deel ervan als foutief weg te zetten en dus daarmee de gehele paradox als betekenisloos te bestempelen. Ik heb dit gedaan aan de hand van de leugenaarsparadox en de theorie van Eubulides en heb dit doorgetrokken naar een tweetal uitspraken van Cruijff. Ik heb deze leugenaarsparadox gebruikt als overgang naar de semantische paradox en daartoe zal ik nu dan ook overgaan. De leugenaarsparadox zal in het vervolg nog wel voorkomen, maar vanaf dit punt zal ik me volledig gaan richten op de semantisch-literaire paradox en de daarmee gepaarde zin en betekenisgeving.

4.2 Zin, onzin en zelfreferentie Een belangrijk onderwerp als we het hebben over betekenisgeving van woorden en zinnen, en überhaupt een belangrijk begrip binnen de discussie over de paradox, is zelfreferentie. Zelfreferentie wil letterlijk zeggen ‘verwijzen naar zichzelf’ en kan in de natuurlijke taal voorkomen aangezien je in de natuurlijke taal geldig over de natuurlijke taal kan spreken. Echter, in een formeel systeem wordt het beschouwd als fout om naar jezelf te verwijzen aangezien je hierdoor in een oneindige cyclus terecht kunt komen; iets wat dodelijk is voor een formeel systeem, zoals bijvoorbeeld een programmeertaal, zoals ik al in een van de eerste paragrafen beschreef. Niet geheel verrassend leidt zelfreferentie dan ook regelmatig tot een paradox, zowel tot logische als tot semantische paradoxen.

25


Een belangrijke zin binnen de theorie over de paradox, die zelfreferentie bevat, is de volgende: “deze zin is niet waar”. Dit is ontegenzeggelijk een paradox. Waar je bij de uitspraak van Epimenides nog kunt aanvoeren, dat een leugenaar niet altijd hoeft te liegen, of, algemener, een vraagteken kunt zetten wat nu precies liegen is of wat precies een Kretenzer is, is deze zin duidelijk en voor weinig verschillende interpretaties vatbaar. De uitspraak gaat over die specifieke zin en die zin alleen. Vervolgens zegt het dat de zin niet waar is en dat maakt de hele uitspraak dat de zin niet waar is, onwaar. Een duidelijke contradictie dus. In de loop der jaren hebben veel grote filosofen zich bezig gehouden met zelfreferentie, waarvan Frege, Tarski en Russell de bekendste namen zijn. Alle drie kwamen ze met oplossingen, maar ik wil me in deze paragraaf vooral richten op het volgende statement van Tarski uit zijn stuk The Semantic Conception of Truth and the Foundations of Semantics: (T) X is true if, and only if, p. (1944, 2) Hierin staat p voor de stelling die uitgedrukt wordt door X. Dit statement wil zeggen dat de uitspraak “gras is groen” waar is, als gras ook daadwerkelijk groen is. Er is dus een verschil in niveau tussen X en p, wat een hoop oplost. De zin is namelijk nu niet meer zelfreferentieel, omdat Tarski de zin als het ware ontleedt in de letterlijke zin (X) en hetgeen de zin uitdrukt (p). Echter, verder lezende in het stuk van Tarski, zag ik in dat dit stuk, buiten deze nuttige uitspraak om, te technisch was voor deze scriptie. Ik vond echter wel een nuttige uitspraak omtrent zelfreferentie bij de behaviorist B.F. Skinner, die in zijn werk Verbal Behavior de volgende uitspraak deed: A classical example is a paradox, such as 'This sentence is false,' which appears to be true if false and false if true. The important thing to consider is that no one could ever have emitted the sentence as verbal behavior. A sentence must be in existence before a speaker can say, 'This sentence is false,' and the response itself will not serve, since it did not exist until it was emitted. (1957) Dit citaat is vooral interessant voor deze scriptie omdat Skinner de nadruk legt op de taaluiting. Het al of niet bestaan van een zin voordat hij geuit wordt, ligt complex en daar zal ik hier dan ook verder niet op in gaan, maar het is wel goed om te stellen dat iets pas een zin 26


is als die ook daadwerkelijk geuit is. Zo kun je dus stellen dat “deze zin” in “deze zin is niet waar” nog niets is aangezien op dat moment de zin nog niet eens beëindigd is en formeel geen zin genoemd kan worden. Tot nu toe heb ik slechts een voorzet gegeven met betrekking tot zelfreferentie en het slechts oppervlakkig behandeld. In de volgende paragraaf wil ik er echter, aan de hand van Willem van Ockham, dieper op ingaan.

4.2.1 Ockham over zelfreferentie en insolubles William von Ockham (1285-1349) streefde naar een verandering in zowel de methode als de inhoud van hoe mensen in die tijd dachten, voornamelijk in het onderwijs, en het belangrijkste waar Ockham naar toe wilde was simplificatie. Een belangrijk principe binnen dit streven naar vereenvoudiging was Ockhams zogenaamde scheermes (Ockham’s Razor). Dit principe stelde dat als er meerdere mogelijke verklaringen voor een bepaald fenomeen zijn, dat men moet kiezen voor de eenvoudigste, complete verklaring. In het Latijn luidde zijn stelling: ‘Entia non sunt praeter necessitatem multiplicanda’ wat letterlijk betekent: ‘men moet de zijnden niet zonder noodzaak verveelvuldigen’, waarbij ‘zijnden’ in deze zin staat voor de objecten binnen een bepaalde hypothese. Vaak wordt deze zin ook wel populair vertaald als: ‘als alle overige dingen gelijk blijven, dan is de eenvoudigste oplossing de beste’. In het licht van Ockham’s Razor stelde Ockham tevens voor om de zelfreferentie in de natuurlijke taal af te schaffen, aangezien dit absoluut niet paste in zijn streven naar vereenvoudiging. Over zelfreferentie is namelijk altijd veel discussie en onduidelijkheid en dit is nu juist precies wat Ockham uit wilde bannen in het nieuwe denken. En aangezien de leugenaarsparadox onlosmakelijk verbonden is met zelfreferentie, het behoort zelfs tot de later bekend geworden categorie van de zelfreferentieparadoxen, wilde Ockham deze paradox uit de toenmalige canon schrappen. In de Middeleeuwen werd de leugenaarsparadox als een zogenaamde insoluble, oftewel een onoplosbaar iets, betiteld. Ockham ging hier tegenin door te zeggen dat de leugenaarsparadox niet heel erg recalcitrant is, maar gewoon heel moeilijk op te lossen. De insolubles uit de Middeleeuwen komen overeen met de zelfreferentieparadoxen uit de twintigste eeuw, waar de leugenaarsparadox ook onder gerekend wordt. Hoewel Ockham zich realiseerde dat het uitbannen van zelfreferentie leidde tot andere nadelige gevolgen, zoals het verlies van zinnen

27


als “deze zin is Nederlands”, voerde hij dit toch uit en zag hij deze gevolgen als collateral damage, die nu eenmaal onvermijdelijk waren bij het streven naar een hoger doel. Deze pragmatische en ad hoc houding jegens de leugenaarsparadox was een hele andere dan de puur theoretische benadering van de oude Grieken. Deze nieuwe houding, in combinatie met de visie dat God omnipotent was, betekende ook in de praktijk dat men niet meer omkeek naar paradoxen die niet theologisch geladen waren, zoals ook de leugenaarsparadox ondanks dat deze rechtstreeks uit de Bijbel kwam. De Christenen waren in die tijd meer geïnteresseerd in de boodschap die de paradox met zich meebracht in theologische teksten, dan dat ze geïnteresseerd waren in de intrinsieke (taalkundige) waarde van de paradox zelf. De leugenaarsparadox was voor hen, ondanks dat deze vermeld stond in de Bijbel, dan ook van weinig waarde. Ze namen de zin en zijn betekenis wel aan, het stond tenslotte ‘geschreven’, en ze vonden de paradox ook wel interessant gezien in het grote geheel, maar de taalkundige waarde van deze paradox op zich was hen niet veel waard. Roy Sorensen maakt hierover in zijn boek A Brief History of the Paradox een treffende vergelijking: Christians had the same attitude towards the liar paradox as they did towards a mosquito that is preserved in a reliquary; they were curious as to how the pest became ensconced but were not curious about the creature itself. (197) Tot nu toe heb ik het alleen maar over het algemene gedeelte omtrent Ockham gehad en ben nog niet ingegaan op de technische kant van Ockhams uitbannen van zelfreferentie. Iemand die hierover heeft geschreven is de Amerikaanse filosoof die gespecialiseerd is in Middeleeuwse logica en zich heeft verdiept in Ockham en de insolubles, Paul Vincent Spade. De algemene gedachte is altijd geweest dat Ockham de zelfreferentie totaal wilde uitbannen. Echter, Spade suggereert in zijn stuk Ockham on Self-reference dat de intentie van Ockham helemaal niet zo radicaal was. Eerst komt Spade met een uiteenzetting over Ockhams daadwerkelijke ontkenning van zelfreferentie, en hij komt in dit licht met een passage uit Ockhams Summa Logicae. Hierin bevindt zich een situatie waarin Sokrates zegt: ‘Socrates utters a falsehood’ (Sortes dicit falsum). Ockham ontkracht deze paradox door te zeggen dat de term ‘falsehood’ niet kan slaan op deze uiting op zich, iets wat we ook al eerder hebben gezien in een eerdere paragraaf in deze scriptie toen ik Kazemiers commentaar op de uiting “deze zin is niet waar” besprak. Uit deze ontkrachting van Ockham is duidelijk de ontkenning van zelfreferentie van Ockham te bemerken. Echter, Ockham heeft nooit expliciet gezegd dat een deel van iets niet kan 28


refereren naar het geheel waar het deel van uitmaakt, en dit was juist de algemeen geldende denkwijze in de Middeleeuwen dat leidde tot het verwerpen van zelfreferentie. Ockham zegt namelijk het volgende in zijn Summa Logicae: In the proposition Sortes non dicit verum, the predicate cannot supposit for this entire propostion of which it is a part, yet not precisely because it is a part. (Spade, 298) Deze uitspraak behelst wel het uitbannen van zelfreferentie, maar het gaat hier alleen om de zin Sortes non dicit verum. En dit is nu juist het punt wat Spade probeert te maken; Ockhams uitspraken over het uitbannen van zelfreferentie slaan altijd op een bepaalde zin, en zijn nooit algemene uitspraken of definities. Bovenstaand citaat is dan ook geen uitspraak waaruit je op kunt maken dat Ockham alle zelfreferentiële uitspraken wil verwerpen. Het zinsdeel ‘yet not precisely because it is a part’ suggereert zelfs dat er delen zijn die wel degelijk naar het geheel waar ze deel van uitmaken kunnen refereren. Spade vindt een bevestiging van deze stelling in Ockhams verhandeling over obligationes, dat te vinden is in zijn Summa Logicae, wat eigenlijk een uitbreiding is van bovenstaand citaat: About this species some rules are given. One is that a part can never signify the whole of which it is a part. But this rule takes an exception. For in this proposition ‘Every proposition is true’, the subject signifies the whole proposition. Likewise, the same thing can signify itself; therefore, a part by the same reason can signify the whole. The antecedent is clear. For this noun ‘utterance’ signifies every utterance, and as a consequent itself. Likewise, this noun ‘noun’ signifies every noun, because the definition of a noun agrees with every noun. Therefore it is to be said that, although a part can signify the whole of which it is a part, nevertheless such an institution is not always to be admitted. (Spade 299) Lang citaat, maar hieruit valt wel duidelijk op te maken dat, wat ik eerder al beweerde in de lijn van Spade, Ockham zelfreferentie dus wel toestaat behalve in enkele gevallen. De leugenaarsparadox en andere paradoxen zijn zulke gevallen. Dus volgens Spade valt de harde ontkenning van zelfreferentie, iets waarvan men denkt dat het in de Middeleeuwen zo over gedacht werd, bij Ockham wel mee. Eigenlijk zegt hij dat Ockham zelfreferentie wel toestond, behalve als het leidde tot een paradox.

29


4.2.2 Jean Buridan en zijn sofismen Jean Buridan (1295-1356) voerde eigenlijk in de praktijk uit wat Ockham even daarvoor gepredikt had. Buridan hield zich echter, in tegenstelling tot Ockham, niet bezig met theologie, maar richtte zich meer op semantiek, optica en mechanica. In het geval van de insolubles leidde zijn seculiere nadruk op details tot beter begrip van de zelfreferentieparadoxen, iets wat pas in de twintigste eeuw overtroffen werd. Buridan zette zijn theorie uiteen in de vorm van een aantal sofismen, die niet allemaal van belang zijn voor dit onderzoek. Het is wel belangrijk om te vermelden dat Buridans sofismen gezien kunnen worden als dialectische varianten op de pragmatische paradoxen die ik eerder aanhaalde. Een voorbeeld van een dergelijk sofisme met betrekking tot de insolubles is de volgende uitspraak: “elke propositie is bevestigend, dus er is er geen een ontkennend.” Dit lijkt op het eerste gezicht waar aangezien je, als alle proposities bevestigend zijn, niet kunt spreken over ontkennende proposities. Echter, enkel alleen al door de zin “er zijn geen ontkennende proposities” te uiten, spreek je jezelf tegen. Buridans oplossing ligt erin dat hij vasthoudt aan het feit dat een propositie nog steeds mogelijk moet kunnen zijn ondanks dat het geen ware bewering kan zijn. Sorensen komt met een voorbeeld inzake dit sofisme en zegt: no sentence on this page is nine words long. Dit zou op zich best waar kunnen zijn, ware het niet dat de zin zelf negen woorden bevat en het dus leidt tot een tegenstelling. (Echter, als de zin verspreid zou zijn over twee pagina’s zou het geen paradox zijn, maar dit terzijde). Dat is dus wat Buridan bedoelt met dat de propositie nog steeds mogelijk is ondanks dat het in dit opzicht geen ware bewering is. Is er een uitspraak van Cruijff die dezelfde eigenschap bevat als waar Jean Buridan het over heeft? De paradox “Italianen kennen niet van je winnen, maar je ken wel van ze verliezen” past mijns inziens goed in dit plaatje. Cruijff deed deze uitspraak namelijk na de verloren wedstrijd van Ajax tegen de Italiaanse club AC Milan. Op dat moment was de uitspraak namelijk een ware, maar het is natuurlijk wel heel goed mogelijk dat je wel van Italianen wint in een andere context, in dit geval dus een andere wedstrijd. Dit komt dus overeen met waar Sorensen het over had in zijn voorbeeld over de zin van negen woorden lang. Bijvoorbeeld de uitspraak “Italianen kennen niet van je winnen” is absoluut mogelijk, echter niet in deze context waarin Ajax zojuist van Italianen verloren heeft en het dus geen ware bewering kan zijn.

30


4.2.3 Kazemier over onzin en Cruijff Laat ik, nu ik het heb over zin en onzin, terugkeren naar Kazemier die in De Literaire Paradox zegt, met betrekking tot zelfreferentie, proberend richting een oplossing te geraken: ‘de puzzel lijkt onoplosbaar’ (2), en vervolgens komt hij met een belangrijke opmerking: ‘men kan in de taal allerlei onzin formuleren, onzin die geen realiteit achter zich heeft’ (2). En hier kunnen we duidelijk de link naar Johan Cruijff leggen. Vele mensen, niet alleen mensen binnen de sportwereld, beweren namelijk dat het merendeel dat Cruijff verkondigt op televisie of in kranten, onzin is. Zoals ik al eerder schreef, heb ik Cruijff leren kennen als een analist van wedstrijden, waarbij je zijn woorden altijd eerst moest laten bezinken en nogmaals voor jezelf moest herhalen alvorens je begreep wat hij eigenlijk bedoelde. En dan was het nog vaak niet helemaal duidelijk. Zoals verderop in dit hoofdstuk zal blijken, is dit exact wat vaak gebeurt bij het lezen of horen van een paradox; op het eerste gezicht klinkt het als onzin, maar zodra je het hebt laten bezinken en enige bedenking hebt gegeven, wordt het een stuk duidelijker. Maar in hoeverre komt de ‘onzin’ waar Kazemier het over heeft, overeen met de schijnbare onzin die Cruijff soms bezigt? Kazemier zegt in zijn stuk ook, in lijn met de theorie van Tarski die ik hierboven al uiteenzette, kijkend naar de zin “deze zin is niet waar”, dat je nog niet over een zin kunt spreken als je enkel de woorden “deze zin” hebt gezegd. Hij vindt, overeenkomstig Tarski, de zin “deze zin is niet waar” dan ook betekenisloos (‘onzin’) en vindt dat men iets onzinnigs doet als je een uitspraak over deze zin doet als ware het een echte zin. Weerleggen we dit naar Cuijff, dan komt de paradoxale uitspraak “ik wil geen dief van mijn eigen portemonnee zijn” al snel naar voren. Deze zin is natuurlijk semantisch gezien onzin, aangezien het je eigen portemonnee is en je er dus geen dief van kunt zijn. Maar tegelijkertijd zit er wel een kern van waarheid in als je kijkt naar de context waarbinnen deze zin geuit is. Ondanks dat Cruijff al zijn gehele carrière bij Ajax speelde, zat hij er namelijk in die tijd aan te denken naar FC Barcelona te verkassen, omdat hij er financieel niet uit kwam met Ajax. Hij kwam toen met deze uitspraak, omdat hij vond dat hij meer verdiende dan dat hij op dat moment bij Ajax aan salaris kreeg. En waar Ajax in gebreke bleef, kreeg hij dit bij Barcelona wel. Dus als hij bij Ajax zou blijven, zou hij in zijn ogen minder krijgen dan hij eigenlijk

31


verdiende en schetste zich derhalve af als een dief van zijn eigen portemonnee. Ondanks dat het vooraf als onzin klonk, zit er wel een kern van waarheid in als je bovenstaande uitleg leest, maar het blijft een paradox.

4.2.4 Cargile over onzin Ook de logicus James Cargile schreef over de relatie tussen de paradox en onzin in de taal. Hij schreef een boek over de paradox getiteld Paradoxes: A Study in Form and Predication, waarin in het hoofdstuk over semantische paradoxen het woord ‘nonsense’ veelvuldig voorkomt. Wat zegt Cargile namelijk: The ‘solution’ to the paradoxes most popular with those who do not take them seriously is to dismiss the paradox sentences as nonsense. (235) Hij zegt dus dat een veelgebruikte manier voor het oplossen van een paradox is om de paradox als onzin te betitelen. In die zin komt zijn visie overeen met die van Kazemier. Maar Cargile zegt in dit citaat ook dat deze manier voornamelijk gebruikt wordt door mensen die de paradox niet serieus nemen. Zij zien namelijk in de tegenstrijdigheid die de paradox met zich meebrengt een valide reden om de zin als nonsens weg te zetten. Er is dus wel een duidelijk onderscheid tussen de twee soorten onzin waar beide heren mee komen. Kazemier ziet de onzin die gepaard gaat met een paradoxale zin als een onvermijdelijke bijkomstigheid bij de natuurlijke taal. Cargile gebruikt onzin als reden voor bepaalde mensen die paradoxale zinnen bestempelen als onzin. Verderop in het hoofdstuk zegt Cargile ook nog het volgende over nonsens: The basic rule about a nonsense expression is that while the expression itself may be discussed, the expression cannot be used to convey anything without ceasing to be nonsensical. (239) Wat Cargile hiermee wil zeggen, is dat onzin altijd onzin is en blijft. Het is niet zo dat de negatie van onzin opeens geen onzin meer is. Dus als je bijvoorbeeld Cruijffs uitspraak “Italianen kennen niet van je winnen, maar je ken wel van ze verliezen” als onzin bestempelt,

32


dan is bijvoorbeeld de zin “Het is niet zo dat Italianen niet van je kennen winnen, maar dat je wel van ze ken verliezen” opeens geen onzin is. Het is dus, met andere woorden, niet zo dat onzin per se onwaar is en dat dus de negatie van onzin waar is. Cargile betrekt het niet alleen op de taal maar ook op de logica: A nonsense expression has no place in a logical argument, and so it can pose no problem for logical assessment. This fundamental point is often overlooked by philosophers who say that some expression is nonsensical on the grounds that a contradiction can be deduced from it. (239) Cargile ziet dus geen plaats voor onzin binnen de logica. Dus ook niet als andere filosofen zeggen dat er een contradictie uit afgeleid kan worden. Onzin is onzin voor Cargile en onzin hoort niet thuis in een logisch systeem aangezien er niet mee te werken valt binnen de wetten van de logica. Hij draait het zelfs om, hij zegt dat het onzin is omdat het niet volgens de logische wetten te verklaren valt: ‘A nonsense expression has no logical powers; and for our purposes, that is the significance of labelling it nonsense’ (240). Ik kan dit illustreren aan de hand van een voorbeeld. Stel ik doe de volgende modus tollens-bewering: ‘Cruijff is een ster; een ster is geel; dus, Cruijff is geel’. Dit is syntactisch een juiste bewering, terwijl het semantisch gezien onzin is. En daarom pleit Cargile voor het feit dat onzin niet in een logisch systeem thuis hoort, omdat je dan zulk soort zinnen als waar gaat bestempelen. Het zou niet eens aan de orde moeten zijn of deze bewering juist of onjuist is, omdat het onzin is en de waarheid ervan dus helemaal niet relevant is. In de bovenstaande paragrafen heb ik laten zien in hoeverre zin en onzin gepaard gaan met de semantische paradox. Deze zin en onzin zijn belangrijke thema’s binnen de semantisch-literaire paradox, die vaak met elkaar gepaard gaan. Een ander belangrijk thema binnen de semantisch-literaire paradox is de overlapping van betekenis als we het hebben over woorden en zinnen. Dit zal ik in de volgende paragraaf behandelen, onder andere aan de hand van Kazemier.

5

De grenzen van betekenis

33


Als we kijken naar het stuk van Kazemier, introduceert hij deze overlapping van betekenis in het volgende citaat: Het probleem is hier, dat er twee exclusieve voorwaarden gesteld worden die elkaar op een bepaald punt overlappen. (3) Dit citaat heeft vooral betrekking op logische en wiskundige voorwaarden, maar het is ook toe te passen in de taal, aangezien daarin regelmatig betekenissen van woorden overlappen. Kazemier haalt vervolgens een aantal paradoxen aan waarbij de twee gestelde voorwaarden elkaar overlappen. Zo komt hij met de paradox van de (Griekse) helden. Een held bewijst zijn grootheid door te winnen, maar iemand die zeker weet dat hij zal winnen, toont eigenlijk geen werkelijke moed, want daarvoor moet zijn eigen leven op het spel gezet worden. En dat gebeurt niet als hij zeker weet dat hij gaat winnen. Kazemier noemt dit ‘de paradoxale existentie van de heros’ (4). Een ander voorbeeld is die van de Ierse geis, waarbij bepaald kan zijn dat een held twee dingen niet mag doen op straffe van de dood. Zo wordt over een zekere held bepaald dat hij ten eerste geen uitnodiging tot een maaltijd mag weigeren en ten tweede geen hondenvlees mag eten. Als hij op een dag richting het slagveld gaat, komt hij een paar heksen tegen die hondenvlees aan het bereiden zijn en vragen hem ervan te eten. Kazemier hierover: Ook hier twee voorwaarden. Een lange tijd kan de held daaraan voldoen, nl. zolang ze afzonderlijk optreden. Maar als ze op het supreme moment elkaar overlappen, is er geen ontsnapping mogelijk en verschijnt de dood als een onontkoombaar noodlot. (4) De voorwaarden ‘geen maaltijd afslaan’ en ‘geen hondenvlees eten’ komen recht tegenover elkaar te staan als hondenvlees als maaltijd aangeboden wordt. Waar ze lang naast elkaar kunnen bestaan en elkaar niet tegenstrijden, zolang de maaltijd niet uit hondenvlees bestaat, bestaat er een situatie waarin ze wel tegenover elkaar komen te staan en dit leidt tot een paradox, aangezien de voorwaarden elkaar gaan overlappen en gaan tegenstrijden. Zo ook bij bovenstaand voorbeeld over de heros. De twee voorwaarden ‘moed tonen’ en ‘onoverwinnelijk zijn’ kunnen lang naast elkaar bestaan, maar er bestaat een situatie, namelijk op het slagveld waar de held onoverwinnelijk moet ogen en tegelijkertijd moed moet tonen, waarbij ze elkaar gaan overlappen. 34


5.1 Pyrrhus Een veelgebruikte paradox als we het hebben over overlapping van betekenis is de Pyrrhus-paradox. Deze paradox gaat over een uitspraak die door Pyrrhys werd gedaan omstreeks 300 voor Christus toen hij de Romeinen overwon, maar daarbij zulke grote verliezen leed, dat hij zei: ‘nog één zo’n overwinning en ik ben verloren’. Dit is natuurlijk een paradox in optima forma aangezien het tegenstrijdig is om de te winnen en te verliezen tegelijk. Kazemier gaat ook in op deze paradox en zegt hierover in zijn stuk De Literaire Paradox: Terwijl de tot nu toe besproken paradoxen meer op een denkproces berusten en in zekere zin onafhankelijk van de taal zijn, ligt de charme van deze uitspraak geheel in de onverenigbaar lijkende tegenstelling van woorden: wie overwint is nl. geen verliezer. (5) Kazemier zet door het zo te zeggen de termen in hun meest enge bepaling tegenover elkaar. Pyrrhus deed dit ook wel, maar tegelijkertijd liet hij het woord ‘overwinning’ ver over zijn grenzen heen gaan. Een overwinning is namelijk niet enkel een gebeurtenis die plaatsvindt op een bepaald moment. Bij een overwinning in parlementsverkiezingen of bij een knock-out in een bokswedstrijd kun je duidelijk spreken van een overwinning, maar bij een militaire overwinning is dit niet geheel duidelijk. Het feit van de overwinning staat daar namelijk aan het eind van een aantal gebeurtenissen, zoals training van een leger, strategiebepaling, tegenstander opzoeken, etc. Uiteindelijk heeft de ene partij een dusdanig overwicht dat de tegenstander zich terugtrekt, maar deze is nog niet geheel verslagen en het is goed mogelijk dat de ene partij zelf ook enorme verliezen heeft geleden. Het kan zelfs zo zijn dat de ene partij absoluut gezien veel meer verliezen heeft geleden dan de terugtrekkende partij, omdat de eerste met veel meer manschappen de strijd in is gegaan. En zo kan een overwinning toch ook als een verlies beschouwd worden, als je verwacht met veel minder verliezen uit de strijd te komen. En dat bedoelde Pyrrhus met zijn uitspraak. Een dergelijke verklaring is trouwens ook toe te passen op het voetbal, als we even teruggrijpen op het domein van Johan Cruijff. In de Nederlandse competitie heb je drie

35


topclubs die elk jaar voor de titel strijden en daar omheen een aantal kleinere clubs die voor de kleinere prijzen gaan als Europees voetbal of de beker. Aad de Mos, bijgenaamd ‘De Psycholoog’ zei ooit eens: ‘kampioen word je tegen de kleintjes’. Dit zou je trouwens ook als een paradox kunnen zien, aangezien het nogal tegenstrijdig klinkt dat je als grote club kampioen zou moeten worden tegen de kleintjes. Immers, gezond verstand noopt je te zeggen dat je van je directe concurrenten dient te winnen om kampioen te worden. Maar dit is in de competitieopzet als de Nederlandse eredivisie niet altijd het geval. Je kunt de wedstrijden tegen je concurrenten namelijk wel winnen, maar als je vervolgens van een kleine club verliest en je concurrent wint hier wel van, heeft je overwinning op je concurrent weinig zin gehad. Kazemier heeft nog een interessante uitspraak in zijn stuk aangaande de Pyrrhusparadox: Ook hier twee onverenigbare toestanden die elkaar op een bepaald punt overlappen, nl. daar waar de overwinning zoveel kost dat totale of bijna totale uitputting het onmiddellijke gevolg is, d.w.z. dat de existentie van de overwinnaar in zijn tegendeel, de non-existentie verkeert. Men heeft deze stijlfiguur dikwijls als een zuiver intellectueel spel met woorden gekarakteriseerd, maar dan heeft men toch de diepere zin van vele paradoxen miskend. (6) In het eerste deel van dit citaat bevestigt Kazemier wat ik hierboven al zei, namelijk dat een overwinning niet een losstaand feit is, maar iets dat staat aan het eind van een reeks gebeurtenissen. Zo valt te verklaren dat de twee tegenstrijdige toestanden ‘winnen’ en ‘verliezen’ elkaar overlappen in de uitspraak van Pyrrhus. Op deze laatste zin, maar ook op het citaat van Kazemier dat wie overwint geen verliezer is, is Cruijffs paradoxale uitspraak “Italianen kennen niet van je winnen, maar je ken wel van ze verliezen” van toepassing. Cruijff zet in deze uitspraak namelijk winnen en verliezen tegen over elkaar, net als Kazemier dat doet, maar qua betekenis in deze uitspraak staan de woorden ‘winnen’ en ‘verliezen’ niet recht tegenover elkaar. Cruijff zegt namelijk dat je noch van Italianen kan winnen, noch van ze kunt verliezen en dit is een tegenstrijdigheid aangezien een van beiden wel moet gebeuren (in het voetbal hoeft dit niet per se aangezien er ook gelijkgespeeld kan worden, maar dat zullen we nu even buiten beschouwing laten en dat is in deze ook niet echt relevant). Wanneer je namelijk uitspreekt dat Italianen niet van je kunnen winnen, ga je er in de naam van de semantiek vanuit dat je 36


dan zelf wel van Italianen kunt winnen, aangezien dit een logisch gevolg is van de betekenis van overwinnen en verliezen: of jij wint, of de tegenstander wint. Maar in het tweede deel van de zin wordt deze redenatie tegengesproken aangezien Cruijff daar opeens zegt dat je wel van ze kunt verliezen. Maar als je wel van ze kunt verliezen, betekent dit na geldige redenering dat Italianen van jou kunnen winnen: namelijk, uit de betekenis van de woorden winnen en verliezen blijkt dat als je van Italianen kunt verliezen, dat zij dan van jou kunnen winnen. Maar dit statement wordt weer tegengesproken in het eerste deel van de zin. Zo kom je dus in een oneindige cyclus terecht die zo eigen is aan de paradox. De oplossing van deze tegenstrijdigheid is analoog aan die van de Pyrrhus-paradox, namelijk dat de betekenis van de woorden ‘overwinnen’ en ‘verliezen’ hun grenzen te buiten gaan. Over deze grensoverschrijding van betekenissen van bepaalde woorden zegt Kazemier het volgende, als hij Bijbelse paradoxen, zoals bijvoorbeeld ‘wie zijn leven vindt, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil zal het vinden’ uit het Bijbelboek Mattheüs, behandelt: Deze Bijbelse paradoxen, die ik met de uitspraak van Pyrrhus onder de literaire paradoxen reken, hebben, dacht ik, alle gemeen, dat de betekenis van een of meer woorden over de rand vloeit. Voor wie ze opvat volgens het dagelijkse gebruik, klinken deze uitspraken onzinnig. Maar het onzinnige is zo onzinnig dat men vanzelf naar de verklaring zoekt en die ook wel vindt. (7) De reden dat ik dit citaat aanhaal, is dat het van toepassing is op Johan Cruijff en zijn uitspraken. Bij vele van zijn uitspraken vloeit namelijk de betekenis van bepaalde woorden over de rand, waardoor de uitspraak in zijn geheel in eerste instantie onzin lijkt. Maar bij nadere bestudering en begrip voor de situatie waarin de uitspraak gedaan is, wordt de verklaring vanzelf gevonden en lost de onzinnigheid van de opmerking op. Kijk bijvoorbeeld nogmaals naar de paradox over de Italianen. Op het eerste gezicht is dit een onzinnige uitspraak aangezien verliezen voor de ene partij gelijk staat aan winnen voor de andere partij. Dat Italianen niet van je kunnen winnen is een valide uitspraak en lijkt logisch aangezien Italianen vaak verdedigend spelen en weinig scoren. Dat je van ze kunt verliezen klinkt ook logisch aangezien het natuurlijk überhaupt kan, je kunt in principe immers elke wedstrijd verliezen, maar het werkwoord ‘kunnen’ suggereert dat het niet regelmatig zal gebeuren en als het gebeurt, het niet op een overtuigende manier gebeurt. En dat is nou precies hoe de Italianen meestal hun overwinningen behalen. 37


Beide delen van de zin zijn dus los van elkaar volstrekt valide, maar achter elkaar in één zin met het voegwoord ‘maar’ ertussen, klinkt het onlogisch en in principe is het ook onlogisch. Maar, om met Kazemier te spreken, het onzinnige is zo onzinnig dat men vanzelf naar de verklaring zoekt en die ook wel vindt. Laten we dit doen derhalve, laten we naar een verklaring zoeken voor de schijnbare onzin in de zin.

5.2 Cruijffiaanse paradoxen en betekenisoverschrijding Cruijff wil mijns inziens met zijn uitspraak “Italianen kennen niet van je winnen, maar je ken wel van ze verliezen” allereerst aangeven dat je nooit het gevoel zult hebben dat de Italianen beter zijn dan jij als je tegen ze voetbalt; ze zullen in die zin nooit van je winnen. Voor Cruijff was voetbal namelijk het spel aan de bal, de aanval. Zijn leermeester Michels had altijd de uitspraak “de aanval is de beste verdediging” (op zichzelf eigenlijk ook een paradox aangezien een aanval op zich helemaal geen verdediging kan zijn) en dit predikte Cruijff ook maar al te graag. Maar aangezien de Italianen meester waren in het verdedigen, kwam je zelden tot scoren en net dat ene kansje dat zij kregen via een corner of een afvallende bal, ging er wel in. Dus je kon wel van ze verliezen, en wel vrijwel altijd op een geniepige, nare manier. Maar waar het hier om gaat is dat Cruijff met het woord ‘winnen’ niet alleen bedoelde ‘een overwinning behalen’, maar ook de slag op het middenveld winnen, de harten van het publiek winnen en het ontzag van je tegenstander winnen. Daar zie je de overeenkomst met de uitspraken van Kazemier, vergelijkend aan de Pyrrhus-paradox: de betekenis van het woord ‘winnen’ vloeit hier over de rand en verlaat daarmee de oorspronkelijke, directe betekenis van ‘een overwinning op je tegenstander behalen’. En omdat dit gebeurt, krijgt de zin een diepere betekenis. Zoals Kazemier zegt in het vervolg: ‘In de literaire paradox zien we … dat onder de onzin van de gewone taal een diepere zin verborgen ligt’ (8/9). Dus waar de zin in eerste instantie onzin lijkt, wordt een en ander een stuk duidelijker als je weet dat een bepaald woord zijn betekenis overstijgt, waardoor het woord en dus ook de hele zin een geheel andere benadering behoeft. En bij de uitspraak ‘Italianen kennen niet van je winnen, maar je ken wel van ze verliezen’ is de diepere betekenis nog zonder al te veel moeite af te leiden. De zin lijkt op het eerste gezicht, ‘bij dagelijks gebruik’ zoals Kazemier het

38


noemt, wel onzin, maar bij een eenvoudige ontleding en verklaring, zoals ik hierboven heb gegeven, komt de diepere betekenis naar boven en verdwijnt de waas van onzin. Hetzelfde geldt voor de uitspraak ‘voetballen is simpel, maar het moeilijkste wat er is, is simpel voetballen’. In eerste instantie lijkt dit onzin, omdat de woorden simpel en moeilijk rechtstreeks tegenover elkaar staan qua betekenis. En niet alleen om deze reden klopt het op het eerste gezicht niet, maar ook qua taal lijkt het onzin, aangezien het niet aannemelijk klinkt dat simpel voetballen het moeilijkste is. Echter, de betekenis van het woord ‘simpel’ in de term ‘simpel voetballen’ raakt over zijn grens heen in deze uitspraak. Simpel betekent hier namelijk niet zozeer eenvoudig of makkelijk, maar meer ongecompliceerd, duidelijk. Iedereen die wel eens gevoetbald heeft, weet dat het enorm moeilijk is om simpel te voetballen. Simpel voetballen wil zeggen dat je het spel niet te moeilijk moet maken. Dus niet te veel de lange bal spelen, als je juist hele behendige middenvelders hebt. Of de sterkste voetballer proberen uit te schakelen, aangezien veel teams vaak juist op hem leunen. Of de bal zo snel mogelijk proberen door te spelen, door middel van een keer raken. Van tevoren bedenk je als coach een simpel strijdplan met daarin een aantal basispunten. Maar het blijkt in de praktijk vaak moeilijk om dit exact zo uit te voeren. Dit kan als reden hebben dat spelers niet in het teambelang denken, het strijdplan simpelweg vergeten of niet in vorm zijn waardoor het gewoon niet lukt. Of omdat simpel voetballen gewoonweg moeilijk is. Zo is de bal doorspelen door middel van een keer raken vaak moeilijker dan hem rustig controleren, kijken en dan doorspelen. Cruijff zegt zelf over simpel voetballen: Eenvoud kenmerkt toppers. Anderen kunnen het ook, maar bij de topper lijkt het zo vanzelfsprekend dat je vaak niet kunt uitleggen wat hij goed doet. Je kunt hier trouwens ook een link leggen naar de kunst. Simplisme is in veel (stromingen binnen) disciplines, bijvoorbeeld de dicht- en schilderkunst, het credo: de kunst van het weglaten. De uitspraak “voetballen is simpel, maar het moeilijkste wat er is, is simpel voetballen” lijkt dus onzin. Maar, er is een verklaring voor te geven als je de letterlijke betekenis van het woord ‘simpel’ loslaat en het over de grens laat gaan, zoals Cruijff hier doet. Als je in zijn belevingswereld kruipt en hem probeert te begrijpen, zie je in dat de zin eigenlijk niet onzinnig is omdat de betekenissen van het woord ‘simpel’ geen eenduidige is.

39


Zodra je die grensoverschrijdende betekenis in gaat zien, zie je tegelijkertijd ook in dat de uitspraak niet zo onzinnig is als die op het eerste gezicht lijkt. Een andere uitspraak van Cruijff waarin de betekenis van bepaalde woorden overschreden wordt, is die over de dief en de portemonnee. Van Dale geeft als definitie voor dief ‘iemand die steelt’ en voor stelen ‘heimelijk wegnemen om zich wederrechtelijk toe te eigenen’. Dit rijmt allemaal niet als je het toepast op je eigen portemonnee. Maar Cruijff verbreedt de definitie van het woord ‘dief’, of geeft er zijn eigen invulling aan, hoe je wilt. Hij verbindt de twee termen als het ware aan elkaar en daardoor geldt de bovenstaande definitie niet meer en kun je het woorden ‘dief’ en ‘eigen portemonnee’ niet meer los zien. Het wordt zo één uitdrukking: ‘dief van je eigen portemonnee’, wat wil zeggen wat ik hierboven al beschreven heb: je bent een dief van je eigen portemonnee als je een beslissing zou maken waar je financieel op achteruit gaat (of de beslissing om er financieel op vooruit te gaan niet maakt). Van bovenstaande paradoxen is de diepe bedoeling die er vaak achter verborgen ligt, te achterhalen door verder te kijken dan een strakke, vaststaande betekenis van een woord. Er zijn echter ook uitspraken waarbij de betekenis zo ver over de rand loopt, dat het er meer om gaat de zin aan te voelen dan hem te ontleden en zo te begrijpen. Hierover heeft Kazemier een relevante passage in zijn boek: Op het moment dat ons de toegang tot het ware verstaan ontsloten wordt, zijn we verrast. Het kan een verrassing om de geestigheid van de zinswending zijn. Dikwijls echter is er helemaal geen geestigheid te bekennen. Dat is vooral het geval, als de onderliggende betekenis wel duidelijk wordt, maar geen scherp te omlijnen betekenis krijgt. De woorden kunnen immers zozeer over de rand lopen, zozeer gevoelsmatig gekleurd worden, dat men de zin wel aanvoelt zonder die precies te kunnen omschrijven. (9) Vooral de laatste twee zinnen zijn hier van belang. Waar ik de uitspraken ‘Italianen kennen niet van je winnen, maar je ken wel van ze verliezen’ en ‘voetballen is simpel, maar het moeilijkste wat er is, is simpel voetballen’ nog redelijk eenvoudig kon omlijnen, is dat niet het geval bij alle paradoxale uitspraken, ook niet bij die van Cruijff. Echter, ondanks dat je niet in staat bent om exact aan iemand uit te leggen waarom de zin geen onzin is, kun je de diepere betekenis wel aanvoelen. 40


Een voorbeeld hiervan is Cruijffs uitspraak “voordat ik een fout maak, maak ik hem niet”. Je kunt hier niet aankomen met de bewering dat het woord ‘fout’ zijn betekenis overstijgt, want dat is niet van toepassing hier aangezien hetgeen begaan wordt, direct erna tegengesproken wordt. Een zuivere paradox dus, maar wel eentje met een diepere betekenis die niet direct is te vatten door te zeggen dat een bepaalde betekenis van een woord zijn grenzen te buiten gaat aangezien ofwel de grens zover overschreden wordt dat het niet meer te rijmen valt met de oorspronkelijke betekenis, ofwel de grens niet duidelijk te omlijnen en onder woorden te brengen is. De diepere betekenis is namelijk wel duidelijk aangezien vrijwel iedereen de zin in de uitspraak zal begrijpen; als je weet dat je door een bepaalde beslissing te maken, de fout in zult gaan, zul je die beslissing niet snel maken. Dit klinkt heel logisch, maar dat neemt niet weg dat de uitspraak wel een paradox betreft, aangezien het een tegenstrijdigheid is om te zeggen dat je hebt over het maken van een fout in het eerste deel van de zin, maar vervolgens in het tweede deel van de zin zegt dat je die fout toch niet zult maken en er dus eigenlijk helemaal van een fout geen sprake is. Dus deze uitspraak komt overeen met het bovenstaande citaat van Kazemier, dat de diepere betekenis wel duidelijk wordt, maar dat er geen scherp omlijnde betekenis voorhanden is. Tot slot van deze paragraaf wil ik nog graag een voor zichzelf sprekend citaat van Kazemier aanhalen, waarin hij poëtisch en treffend de individuele ervaring van een paradox onder de omstandigheden hierboven genoemd, verwoordt: De schok van de paradoxale ervaring kan de geest zozeer in beweging brengen, dat de ware zin als het ware in de verte wordt ontwaard zonder dat deze de scherpe afscheiding van een ding verkrijgt. (9)

6

Cleanth Brooks In het laatste deel van een van de citaten van Kazemier die ik in de paragraaf over

Pyrrhus aanhaalde, namelijk de zin ‘Men heeft deze stijlfiguur dikwijls als een zuiver intellectueel spel met woorden gekarakteriseerd, maar dan heeft men toch de diepere zin van vele paradoxen miskend’ (6), komt Kazemier met een belangrijk statement waar ik op dat moment even voorbij ben gegaan, maar wat wel degelijk belangrijk is voor mijn onderzoek. 41


Namelijk dat de paradox regelmatig een diepere betekenis heeft en dat dit dikwijls wordt miskend of ontkend door velen. Paradoxen met betrekking tot de taal, literaire paradoxen zoals Kazemier ze in dit stuk noemt, die men veelal vindt in de dichtkunst, zijn wel degelijk dikwijls bedoeld als een spel met woorden, maar om dit als hoofdzaak te nemen waarom paradoxen zo vaak opduiken in poëzie en proza; dan doe je de dichters en schrijvers toch wel tekort. Ik zou, aangaande dit onderwerp, willen uitweiden naar Cleanth Brooks, die in zijn hoofdstuk The Language of Paradox uit het boek The Well Wrought Urn: Studies in the Structure of Poetry dieper ingaat op het gebruik van de paradox in de poëzie en dit sluit goed aan bij waar ik mijn laatste paragraaf mee eindigde. Cleanth Brooks (1906-1994) was een literair criticus en een van de belangrijkste aanhangers van het New Criticism dat ontstond halverwege de twintigste eeuw en gericht was op close reading van de teksten zelf in plaats van zich te richten op de elementen buiten de tekst, zoals biografische gegevens bijvoorbeeld. Tevens wordt Brooks gezien als een revolutionair op het gebied van het onderwijzen van poëzie op Amerikaanse universiteiten. In zijn werk The Well Wrought Urn: Studies in the Structure of Poetry stelt hij ambiguïteit en paradox als belangrijke peilers om de poëzie te leren begrijpen en derhalve is dit werk belangrijk voor mijn onderzoek. Ik zal in deze paragraaf het eerste hoofdstuk uit dit boek, getiteld The Language of Paradox behandelen en aan de hand van citaten van Brooks laten zien in hoeverre de paradox gebruikt wordt in de poëzie en of de theorie van Brooks toepasbaar is op de uitspraken van Johan Cruijff.

6.1 The Language of Paradox Brooks begint in zijn hoofdstuk The Language of Paradox met duidelijk te maken dat de paradox weinig met de emotie te maken heeft, maar veel meer met het intellect. Few of us are prepared to accept the statement that the language of poetry is the language of paradox. Paradox is the language of sophistry, hard, bright, witty; it is hardly the language of the soul. …

42


Our prejudices force us to regard paradox as intellectual rather than emotional, clever rather than profound, rational rather than divinely irrational. (1947, 3) Uit bovenstaand citaat is niet af te leiden dat de paradox innig verbonden is aan de poëzie, iets dat Brooks later in zijn stuk wel duidelijk zal zeggen, aangezien poëzie toch van origine gekoppeld wordt aan de emotie en zeker niet aan het rationele. Maar, zegt Brooks, er zijn duidelijk gevallen waarin de paradox het instrument is van de poëzie; als het ware de taal voor de dichter waarin het beste zijn intentie naar voren komt, zoals de wetenschapper een taal gebruikt die compleet verstoken is van de paradox. Hier komt een belangrijke eigenschap van de paradox naar voren: (exacte) wetenschappers zien de paradox voornamelijk als een bedreiging, iets dat hun theorie onderuit kan halen. Schrijvers en dichters, maar ook veel filosofen, zien de paradox juist als bron van inspiratie en als instrument voor hun werk. In het vervolg komt Brooks met een praktische toepassing op het werk van William Wordsworth en zegt hij, als hij diens werk bespreekt: The reader may ask: Where, then, does the poem gets its power? I gets it, it seems to me, form the paradoxical situation out of which the poem arises. (5) Dus niet alleen ziet Brooks de paradox als instrument voor de dichter, maar hij ziet zelfs in de paradox de kracht van het gedicht. Hij gaat zelfs verderop in het stuk zover dat de paradox soms de enige manier kan zijn om in een literair werk iets op een bepaalde manier te zeggen. Hij gebruikt hiervoor het voorbeeld van The Canonization van John Donne. Directere benaderingen zijn natuurlijk ook mogelijk, maar die missen toch de zweem van schijnbare tegenstrijd en de daaraan gekoppelde mystiek, die de paradox wel met zich mee brengt, aldus Brooks. Hij maakt ook de vergelijking naar liefde en religie, waarbinnen ook regelmatig in paradoxen wordt gecommuniceerd. Denk bijvoorbeeld aan Bijbelse teksten als ‘de eersten zullen de laatsten zijn’ of ‘wie zijn leven vindt, zal het verliezen’. Volgens Brooks blijft er zonder de mystiek die de paradox met zich mee brengt, niets anders over dan louter feiten. Samenvattend ziet Brooks de paradox en een goed gedicht onlosmakelijk aan elkaar verbonden, net als dat hij vindt dat de taal de van liefde en religie niet bestaat zonder paradox. Deze mening komt overeen met die van Kazemier aangezien beiden de literaire paradox niet louter zien als een spel met woorden, maar meer als een onmisbaar instrument voor de dichter. 43


Als ik dit probeer toe te passen op Cruijff, gaat de vergelijking op dat de paradox niet louter bedoeld is als spel met woorden, maar ook een diepere betekenis heeft, wat Brooks en Kazemier beiden verkondigen. En zoals ik al eerder verkondigde in de paragraaf over Wittgenstein, Cruijff kan gezien worden als poëet en hier wordt dit bevestigd door Brooks en Kazemier aan de hand van zijn paradoxale uitspraken. Al dan niet bewust, maar daar gaat het hier eigenlijk in principe niet om, Cruijffs paradoxale uitspraken hebben toch vaak wel een diepere betekenis. Neem nou de uitspraak “voordat ik een fout maak, maak ik die fout niet”. In een van de boeken die ik over Cruijff las, werd deze uitspraak betiteld als ‘dieper dan de diepste dieptepass’ (Winsemius 64). Wat Cruijff er echt mee bedoelde, zullen we wel nooit achterhalen. Ik vermoed dat hij bedoelt dat hij als mens er bewust van is dat hij fouten kan maken, maar ze daarom niet maakt. Het is net als bij voetbal, wanneer je een gevaar op je pad ziet komen. Maar waar Cruijff op het voetbalveld nog gebruik maakte van zijn intuïtie en zijn lichaam liet spreken, ziet hij, als hij een fout lijkt te gaan maken buiten het veld, zichzelf bijna in de valkuil van de nakende fout lopen, maar is nog net op tijd om deze te ontwijken en maakt de fout dus uiteindelijk niet. Althans, dit is mijn interpretatie van deze uitspraak. Echter, zoals ik al aangegeven heb, gaat het hier om een diepere betekenis die absoluut voor meer redenen vatbaar is. En zo valt mijn interpretatie in het niet bij de talloze interpretaties die er mogelijk zijn met betrekking tot deze paradoxale uitspraak. Middag en van der Zwan, twee taalkundigen die een artikel weidden aan het taalgebruik van Cruijff, interpreteren deze zin namelijk al anders: De diepere bewering die hieraan ten grondslag ligt, is van het type: ik heb altijd gelijk, ook als ik dat niet heb. (Middag en Van der Zwan 1) Dit is weer een hele andere interpretatie dan de mijne en dit vormt min of meer het bewijs dat in deze zin een diepere betekenis verborgen zit.

7

Conclusie Eigenlijk sluit de bovenstaande paragraaf naadloos aan op de doelstellingen die ik in

het begin heb gesteld en dus op de conclusie waar ik nu aan toe ben gekomen. Kazemier en

44


Brooks zien namelijk in de voorgaande paragraaf beiden de paradox als onmisbaar instrument van de dichter en ook in paragraaf 3.3 heb ik Cruijff een poëet genoemd die de taal sprak van de poëzie met haar eigen regels. Hieruit kan ik dus concluderen dat een voorname reden waarom Cruijff in paradoxen praat, een van de dingen die ik als doel stelde in mijn inleiding, is dat ik Cruijff zie als een poëet; iemand die zijn eigen taalgebruik ontwikkelt en maling heeft aan de gangbare regels van de taal. En ook iemand wiens uitspraken zonder deze paradoxale uitspraken een hoop waarde en diepliggende betekenis missen. De paradox is dus onmisbaar in de taal van Cruijff, net zoals die onmisbaar is in de taal van de dichter. Het andere deel van de doelstelling was het aantonen dat de paradoxale uitspraken van Cruijff die centraal stonden in deze scriptie toepasbaar waren op en vergelijkbaar waren met de verschillende theorieën die er bekend waren omtrent de paradox, en dan vooral de logischfilosofische en de semantisch-literaire. Ik heb vele theorieën uit verschillende vakgebieden behandeld en laten zien dat de uitspraken vergelijkbaar waren met de uitspraken uit die theorieën. Zo heb ik Cruijffs uitspraken op paradoxale waarde getoetst en laten zien dat zijn uitspraken wel degelijk paradoxaal zijn en voer zijn voor de betreffende filosofen. Maar dit was slechts de basis voor waar het eigenlijk om ging; namelijk waarom Cruijff zich zo dikwijls in paradoxen uitlaat en waarom wij als toehoorders dit accepteren. En ik ben gedurende dit onderzoek tot de conclusie gekomen dat dit dus het geval is omdat Cruijff een poëet is en dat wij als toehoorders hem ook als poëet zien. Daarom accepteren wij zijn tegenstrijdige uitspraken, en zien juist deze uitspraken als bewijs voor zijn genialiteit, net zoals we dat zien bij grote dichters, zoals Cleanth Brooks schreef. Door zijn sublieme kwaliteiten die hij had als voetballer, maar ook door de vele opmerkelijke gebeurtenissen tijdens en na zijn voetbalcarrière, zijn wij Johan Cruijff gaan zien als een mystiek en heroïsch figuur en zijn wij hem in woord en daad gaan verheerlijken. Dit heeft ertoe geleid dat wij hem op een voetstuk hebben gezet en niet alleen op taalgebied, maar in het algemeen veel van hem slikken, en dus ook de paradox. In zekere zin is Cruijff onsterfelijk verklaard, net als die andere J.C., en verheffen wij hem hiermee boven de ‘normale mensen’. En Cruijff heeft ons daar eigenlijk helemaal niet voor nodig, want hij zei het zelf ooit al, en hiermee wil ik dit stuk besluiten: “In zekere zin ben ik waarschijnlijk onsterfelijk”.

45


Johan Cruijff en de paradox  

Masterscriptie Thomas Fransman uit 2008. Universiteit van Amsterdam, Faculteit der Geesteswetenschappen

Advertisement
Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you