Issuu on Google+

Toen in 1909 op initiatief van Mulier de eerste georganiseerde Elfstedentocht werd verreden, werd na afloop onder de deelnemers een prijsvraag uitgeschreven voor het beste verhaal over de tocht. Toevallig was het de winnaar van die eerste tocht, de theologiestudent en schaatsenmakerszoon Minne Hoekstra uit Warga, die ook met de hoofdprijs voor het mooiste verhaal aan de haal ging. Het verhaal van Minne Hoekstra is een juweeltje uit de Nederlandse verhaalcultuur. Je kunt het rustig literatuur noemen: met de pen schildert de toenmalige theologiestudent zo'n inlevend tafereel dat het ook de hedendaagse lezer geen enkele moeite kost om zich door zijn belevenissen te laten meeslepen. De strijdmakkers van Hoekstra, of het nu de praatgrage boer Gerlof van der Leij is, de journalist Jan Feith (steeds met zijn adellijke titel "jonkheer" benoemd), of de verder onbekend gebleven gids "Tjomme": ze komen in hun eigenaardigheden volop tot leven.

De Eerste Elfstedenrit als Wedstrijd.


~~~~~~ "Sagen sie ihm, dass er für die Träume seiner jugend soll Achtung tragen, wenn er Mann sein wird..." SCHILLER ~~~~~~~ 't Was op 'n avond in December. Reeds eenige uren lang gebogen over m'n boeken, in mijn kamer te Warga, begin ik, gedachtig aan 't onfeilbare woord "verandering van spijs doet eten", sterk te verlangen naar eenige afwisseling. Mijn oogen gaan, speurende over 't tafelkleed, de kamer rond; die speurtocht levert niets op. Wacht, de bel gaat over; de laatste bestelling rammelt in de bus; boeken dicht en terzijde, op de Leeuwarder Courant richt ik m'n onverdeelde aandacht. A ha, onder de rubriek "stadsnieuws" treft 'n korte aankondiging m'n attentie; daarin wordt medegedeeld dat van den Nederlandschen Bond voor Lichamelijke Opvoeding 'n plan uitgaat om den "Elfstedentocht" te laten rijden onder leiding van "de Friesche IJsbond", met prijzen (medailles) voor de snelste tijden. En of nu al m'n oogen afdwalen naar al 't andere nieuws, in de kolommen vermeld, m'n gedachten blijven bij dat ééne, korte bericht. Want er is iets in me begonnen op te leven wat bijna was verstorven; dat zijn de vroegere jongensdroomen om de eerste te zijn in de worstelperken van vlugheid en kracht, 't zijn de sport-idealen van voor 8 jaren, welke krijgen 'n nieuwe, hooge vlucht. Fletse beelden uit de herinnering, ze krijgen frissche kleuren, en alles vangt weer te leven aan, wat neerlag in vergetelheid, en in verbeelding zie ik de onvergetelijke ijsvlakten en bevroren wateren van Friesland, met z'n joelende, blijde menigte van gezonde menschen, daarboven tintelende vriesluchten, 'k hoor fanfares uit koperen instrumenten schetteren over de hoofden, 'k zie stoere kerels worstelen om prijs en eer En dan, in pure extase m'n gewapend oog richtend op de tegenover mij gezeten juffrouw-van-de huishouding, almachtig sleutelbewaarster van porselein-, groente-, wijn-, schoen-, linnen- en kleerkasten, stel ik haar de verpletterende vraag: "waar is m'n ouwe fietscostuum met dito kousen paar ?" Groote beroering in den huiselijken familiekring. "Van lotje getikt" is aller diagnose; vreemde blikken getuigen van vreemde vermoedens. De toegesprokene verklaart -tengevolge van nog korte aanwezigheid "in diesen heiligen Hallen" nog niet volkomen op de hoogte van al de mysteriën onzer kleerkasten- daarvan niet te weten.


Dat gezegde werkt ontnuchterend; eigenlijk is er zoo'n haast ook niet mee; 't vroor immers in October meer dan nu in December; 'n zoel motregent je is alles wat de elementen opleveren, en geen sprankje ijs in de waschkom, geen stijve handdoeken 's morgens en dat is toch wel 'n eerste vereischte, anders is 't niet echt. Na 'n korten uitleg omtrent de oorzaak van m'n vreemden uitroep is de vredige kalmte rondom de tafel teruggekeerd. Maar in mijn gedachten is geen rust, daar spookt 't rond; drommels, we zijn al aan 't rijden en ook niet zoo maar eventjes: daar ligt Dokkum ...floep, voorbij; kijk, de Oldehove doemt weer op; daar hè-je Franeker, Harlingen, Bolsward, sjonge, sjonge; hwet giet del hird... en zoo gaat 't maar aldoor in m'n rusteloos brein, totdat 'n vaste slaap aan dat alles kort en bondig 'n eind maakt. 't Mocht wat, dat kun je maar denken, daar in den droom begint 't lieve leventje opnieuw; daar duiken ze weer op: Dokkum met z'n garnaal, Leeuwarden met de Oldehove, Franeker met z'n planetarium, met duizelingwekkende vaart gaat 't langs controle-posten en van verbazing gapende menschen, kris-kras: oer de âlve stêdden fen Fryslân.... 'n Geweldige regenbui raast over 't zinken dak boven m'n slaperig hoofd, maakt aan den droom 'n einde. 'k Behoef dus nog niet in m'n waschwater te voelen naar ijs, o nee. Maar in m'n hoop klamp ik me vast aan 't beroemde woord van wijlen Brederode en loer op afnemende en wassende manen. En jawel: tegen Kerstmis, na vele mottige mistdagen, daar draaien de molentjes kwiek naar 't Oosten, de lucht veegt schoon -dat doet de maan, zegt buurman -de sterren staan te pinkelen daarboven ; de thermometer daalt, de barometer stijgt, en mèt deze stijgt ook mijn hoop, mijn blijde hoop. Ik lees daar, dat de dag is vastgesteld op Zaterdag, den 2en januari. 0 wee, de lucht begint te "werken", net nu ik hem zoo van harte "rust" gun. Maar de barometer stijgt; die is nou m'n beste vrind; 'k gevoel neiging om er 'n stoeltje bij te zetten en er bij te blijven zitten dm op te passen, dat hij toch maar niet zal zakken. Nieuwjaarsmorgen. ...'t is nog donker buiten, mistig, brrrr ! Maar wat is me dat! tik tikketik tik.... tik zoo gaat 't weer op 't zinken dak. Mijn haren rijzen te berge; zou 't regenen?! Helaas, 't blijkt waar te zijn, droevig waar. Maar beneden vertelt vader, dat 't toch ook nog vriest, en waarlijk, met dit natuurwonder zetten we 't nieuwe jaar in. Nog steeds stijgt de barometer, ik vrees al in stilte dat-ie aan den anderen kant op "Storm" uit zal komen. Zoo vergaat de dag in hopen en vreezen, en in gedrukte stemming rijd ik tegen 't vallen van den avond naar Leeuwarden; de weinige rijders passeeren zwijgende; over heel de omliggende landen ligt 'n waas van somberheid. Wat zal 't geven voor den dag van morgen? Bij 't hotel "Amicitia", de plaats van afrit, bind ik m'n schaatsen af en ontdek al gauw 'n bediende, dien ik de vraag stel of 't zóó wel zal doorgaan; en hoor, des picolo's toestemmend antwoord is als muziek in m'n ooren. Nu nog in de gauwigheid wat noodige inkoopen gedaan, daarna m'n gastvrije Leeuwarder vrinden opgezocht, en dan, als van den hoogen toren acht slagen over de donkere daken dreunen, heb ik al, met toegeknepen oogen, tot over de 300 geteld om zoo den onmisbaren slaap te vatten, 't geen eindelijk volkomen gelukt. Kwart vóór vier: 'n heidensch geklingel vlak naast m'n ooren maakt me wakker, als 'n bezetene danst de wekker op de waschtafel rond, met één handgreep heb ik den nijdas 't zwijgen opgelegd en schiet daarna regelrecht op waschkom en handdoek af, knijp er in -d.w.z. in de laatste -brrr... nat, koud... maar slap. 't Is net of ik weer drupgetik hoor, daar bij 't raam; 0 wee, 0 wee! Haastig wordt aan de vele boterhammen 'n tijdelijk plaatsje in m'n maag ingeruimd, de deur valt knarsend achter me dicht de boomen druppen druppen. Maar toch, in "Amicitia" brandt helder licht,'t bestuur van "de Friesche IJsbond ", benevens eenige mededingers blijken reeds aanwezig; zij, die daar binnen nog met de boterham niet hebben "afgerekend", worden aangespoord tot haast; van alle kanten dagen meer menschen op, ferme gezonde kerels, jongeren en ouderen, van allerlei slag. Dan begint 't lezen der namen, 't schrappen der wegblijvers, 't uitdeelen van rosetten in nationale kleuren; de voorzitter, de heer S. H. HIJLKEMA, staat op en houdt 'n korte toespraak, na de kwestie gesteld te hebben: gaat de rit door of niet? Algemeen is 't verlangen dat de rit zal worden gehouden. Achter de bestuurstafel geschaard worden we gekiekt, de deuren worden geopend, de stoet gaat naar de stille gracht; 'n zware natte mist dempt 't geluid van voetstap en stem. 't Is twintig minuten over vijf als ieder op z'n schaatsen staat. "Nu dan, heeren, 'n goede reis," roept nog de heer HIJLKEMA applaus de 24 deelnemers verdwijnen om den hoek.


LEEUWARDEN-DOKKUM. Zonder veel gerucht glijdt de donkere stoet over 't groezelig, gebarsten, natte ijs; rondom hangt de dikke mist, rondom slaapt de stille stad. Bij de manege vallen er al twee tegelijk, hakende in 'n scheur; 't water spat hoog op. Vooruit, zonder genade! De laatste gaslantaarn is gepasseerd. Egyptische duisternis alom; op goed geluk gaat 't nu maar recht vooruit; geen oever is meer te zien, alles is grijs, donker grijs. Weer valt er eentje, metéén spettert ook weer 't overvloedige water; angstig klinkt 't geroep: "pas op, pas op !" Zwak doorboort 'n lichtje de nevelen, nog een, daar recht vooruit. De voorhoede geraakt nu geheel in de war; men roept, geen antwoord volgt. Wat voor lichtjes zijn dat toch, van aan de wal liggende schepen, van huizen op den oever, zoo ja, op welken oever? 0, goeie menschen, die daar tusschen Leeuwarden en Dokkum aan de welbekende trekvaart woont, wat hebben jullie ons 'n last berokkend met al die brandende lampjes. Hoe begeerig anders ook naar verlichting, hier kozen wij eenstemmig 't ondoorgrondelijk duister. Natuurlijk zeilt er af en toe weer 'n ongelukkige door de plassen; dezelve krabbelt dan weer haastig overeind, klaagt niet, zucht heel eventjes, zoekt verloren eigendommen weer bij mekaar, vervolgt dan z'n weg naar 't onzichtbaar doel, en mag van geluk spreken als hij den troep weer heeft ingehaald. Want we rijden, ondanks alles, vlug op; 't dorp Wijns is reeds gepasseerd en wij zijn eigenlijk nog maar korten tijd op pad. Plotseling zien de voorsten 'n donkere massa vóór zich onrustbarend groeien; ze roepen "land", maar enkelen voelen reeds onder zich de keihard gevroren Friesche klei, daarachter krassen de te-schoor gezette schaatsijzers, en door 'n snelle wending vermijden de overigen nog een in deze omstandigheden vrij lastige wandeling. De verwarring is nu algemeen. Krachtige stemmen roepen, schreeuwen: "waar is de baan ?" "Hierzoo !" bulkt er ééntje, die met al z'n hebben en hou'en op 't ijs is gebuiteld en dus waarschijnlijk "dichter" bij de waarheid is dan die verborgen komische kracht, die daar ergens, op korter afstand, ironisch opmerkt: "overal is de baan!" Weer vooruit, weer glijden nauwlijks hoorbaar de schaatsen voort. In Birdaard ligt notabene 'n plank dwars over 't ijs, weer vallen er enkelen. Ook 'n hardrijdersbaan met z'n onmisbare palen en hokjes staat daar in onzen weg; hoe is 't mogelijk, dat niemand onzer daar 'n ongeluk heeft gekregen; misschien ook is dit wel gebeurd, maar dan heeft hij z'n lot lijdelijk en stilzwijgend gedragen. Nu zijn we tusschen Birdaard en Dokkum. 'n Hooge gestalte vlak voor me wankelt... en valt in de schijnbaar bodemlooze diepte, haakt mij in m'n linkerschaats en ik volg tegen wil en dank in de aangegeven richting; au, sjonge, wat is dat ijsgoedje hard!


"M'n pet!" roept de bewerker van dit onheil; hé, dat stemgeluid is me wel bekend, en ik vraag: "Is u ROOSEBOOM?" "ja, en jij HOEKSTRA?" Ziehier 'n origineele hernieuwing 'van oude kennis. De hoofddeksels zijn gauw gevonden, spoorloos is en blijft m'n lorgnet verdwenen. ,,'n Koninkrijk voor m'n lorgnet!" ja, toe maar, jij met je Warga-ster koninkrijk, maak maar dat je de lui weer inhaalt. En waarlijk, dat lukt. Bij 't passeeren van de eerste huizen van Dokkum worden we eenigszins onaangenaam verrast door 't vroolijk geroep van drie tochtgenooten, die reeds de contrôle zijn gepasseerd en dus weer naar Leeuwarden terug rijden. Zij moeten in de duisternis door handigheid of toeval ons vooruit gereden zijn. Toch trekken wij er ons niet veel van aan; er is nog tijd te over om mekaar nog eens "te spreken" te krijgen. Wij hebben onderling afgesproken saam te blijven tot 't daglicht en wij houden dus woord. Daar schemert aan den rechteroever 't licht van 'n groote lantaarn, we weten wat dat beteekent. Haastig draven we nu, als kippetjes achter mekaar aan, bij de houten opstap op, steken de hobbelige keien over, verdwijnen door de hel-verlichte deuropening, duwen allen tegelijk den "controleur" onze boekjes onder z'n neus. Maar de man gaat kalm z'n gangetje, vult ze één voor één in. Nu blijkt dat 'n mededinger 'n diepe neuswonde heeft; 't is bloed, een en al bloed. Is hij misschien tegen een der straks genoemde palen aangereden? Ik weet 't niet. DOKKUM-LEEUWARDEN. De eerste der "elf" ligt achter ons; we zijn weer buiten, rijden nog altoos in 't wilde weg; hu, 't is zoo waterig onder, boven en rondom. Weer passeert ons 'n klein groepje; 't is de achterhoede, bestaande uit de Hollanders VAN SMINIA, LIEFTINCK en BOON. Weer klinkt luid geroep, 'n hartelijke groet. 't Grauw der nevelen wordt nu lichter en lichter; langs de oevers is nu ook meer bedrijvigheid dan zoo pas, geluiden dringen vandaar tot ons door; niets is nog zichtbaar. Voor 't eerst zien we nu onze voeten weer, 't ijs met z'n barsten, we zien mekaar, en, 0 gelukkig moment, we ontdekken de baan. Direct allen er op, nou laten wij 'm niet weer schieten, den geheelen dag niet. Ook de oevers zijn nu te onderscheiden, en van daar zien de menschen ook ons; hoofdschuddend blijven ze staan, staren ons na tot de laatste der wiegelende schimmen is verdwenen.

Hoe meer ons gezelschap Leeuwarden nadert, des te vlugger gaat 't; 't aanbreken van den dag heeft onze straks genoemde afspraak te niet gedaan; ieder denkt nu bij zich zelf: "als 't eenigszins mogelijk is, dan...." en hij slaat z'n beenen uit, werkt om in de voorste rij te komen. 't Gelukt me daar ook 'n plaatsje te veroveren, naast me heb ik den gewonden collega DIJKSTRA en z'n vrind, en de drie gebroeders KALT. De laatste brug vóór de contrôle passeer ik 't eerst, op den hoek bij de gevangenis 'n beentje over, nu nog 'n paar goed gezette streken...., men grijpt al m'n boekje, teekent af, en als ook de anderen naderen, zet ik er den gang weer in, nu naar Franeker.


LEEUWARDEN-FRANEKER. Voor 't eerst van m'n leven op de Harlinger trekvaart. Zoo, is dit 'm nou, ziet die er zóó uit? Maar nu heb ik geen menschen meer bij me, die de baan voor me zoeken, waar is die hier? Nogmaals, 'n koninkrijk voor m'n lorgnet! In eens hos ik te midden van hooge schotsen; met 'n paar sprongetjes daar weer tusschen uit, maar zit er al gauw weer in. 't Is zoeken links en zoeken rechts en als ik dan eens eventjes terecht ben, me blij maak en van louter lolligheid eens 'n ferme schaats wil slaan, zoo echt met lange streken.... verdraaid, dan schieten m'n dunne millimeterijzertjes door de bevroren brakwaterkorst en sta ik bijna op m'n hoofd en voel 'n knakkende schok in m'n lendenen.... en sta eventjes stil. Wacht, daar staat 'n man, 'n levend wezen op den dijk, zoo iets is 'n curiositeit bij zulk lam weer, in deze omgeving. 'k Tracht hem te naderen met 't doel om te weten te komen hoever de voorsten vóór me zijn. Dus roer ik m'n tong, formuleer 'n keurige vraag, kijk den man smeekend aan; ik luister.... zeit-ie wat of zeit-ie niks... benauwende stilte alomme. Maar nu word ik kwaad en laat dien vent daar boven staan, waar hij misschien nóg staat. Zie zoo, nu is 't ijs weer schappelijk, daar ligt Deinum met z'n mooien toren. Toevallig slaat m'n hand tegen m'n jaszak; 't is ook waar, daar zitten nog vijf sneedjes roggebrood met kaas in, en aan den rechterkant tallooze flikjes. Ze zullen er niks van navertellen, hoor, op m'n woord. Aldus genietende vergeet ik m'n rijden niet, een welwillende baanveger heeft me toegeroepen: "d'oaren binne mar krekt foar jou." 'n Kwartiertje later ontdek ik eenige menschelijke gedaanten voor me, maar 't blijken vrouwen te zijn. Zonder veel inspanning schiet 't toch wel goed op nu, maar 't is toch, ronduit gezeid, vrij saai, zóó op m'n eentje. Weer ontdekken m'n turende, zoekende oogen schimmige gestalten. 't Zijn geen vrouwen, dat heb ik al in de gaten; zou 't dan werkelijk zoo zijn, zou ik de vermiste luitjes nu al hebben ingehaald? Ze zijn 't, ze zijn 't! Zwijgend geniet ik van deze blijde gewaarwording; de drie collega's rijden aan 'n stok, 't zijn BINNEMA, SCHAAP en VAN DER LEIJ, maar daarnaast zijn twee vreemdelingen. Maar, nietwaar lezer, 't is niets meer dan beleefd om m'n nadering met 'n enkel woordje aan te kondigen, want geen hunner heeft nog iets vernomen van 't onheil dat hen op de hielen zit. "Goeien morgen, zijn jullie de voorsten?" Alle vijf nekjes draaien 'n halve zwenking rechtsom; op ieders aangezicht eenige verwondering. Bij de heeren aan den stok is de ongestoorde rust verdwenen; zij gaan afzonderlijk rijden, alsof ik er aan dacht met 'n spurt me van hen te ontslaan. 0 nee, ik vind 't veel te prettig weer gezelschap te hebben, ben beu van dat vervelende alléén rijden, al ging 't ook veel vlugger. 'k Merk al gauw dat de twee anderen" van de pers" zijn; ze benaderen gretig hun nieuwe prooi; één spreekt notabene onberispelijk onze Friesche taal, alsof hij nooit anders deed. Al wat ik van de anderen weet moet ik vertellen; nu, dat was niet veel; toch wordt 't heel gewichtig opgeteekend, 't schijnt dus heel belangrijk.


Franeker doemt op; enkele jochies nemen ons al "in ontvangst", met gejuich, en wijzen de controle aan. Hé, wat belangstelling van alle kanten. 'n Steile loopplank voert ons naar binnen in 'n logement, waar weer de afteekening z'n gang gaat. Luidruchtig gaat 't toe aan de verschillende tafeltjes; de juffrouw brengt melk, heel veel melk. Nog 'n paar tochtgenooten komen puffend binnen. Nu dring ik er op aan om weer te vertrekken, de anderen volgen. FRANEKER-HARLINGEN. Voor ons ligt weer 't kanaal met. ...ijs? Och neen, lezer; 't was geen ijs; 't was ijs geweest, nu was 't 'n weeke, kneedbare massa; misère, bah! Na 'n minuut of tien geven de meesten 't op, blijven achter. BINNEMA zegt ter verduidelijking, met 'n diepe zucht: "ik ben moe"; SCHAAP, die bij 't rijden nogal erg met z'n ledematen werkt, blijft ook in de weeke massa steken, krijgt 'n schok en demonstreert hoe in 't niet-luchtledige 'n lichaam aan de wet der zwaartekracht kan gehoorzamen. Tres faciunt collegium, is 'n studentikoos gezegde, 't geen getrouwelijk overgezet beteekent: drie is 'n stelletje. Deze drie zijn GERLOF VAN DER LEIJ, de éénige overgebleven journalist Jhr. FEITH en ik. Heerlijk, dat gevoel van aan de spits te rijden; met nieuwe opgewektheid door de weeke ijs-kliek. 'n Nieuwe verrassing doet zich voor; 'n malsch regenbuitje daalt neer; 0, 't is ideaal dooiweer. VAN DER LEIJ verwenscht in bloemrijke taal dit onaangenaam natuurverschijnsel en sluit z'n toespraak met 'n tragisch: "ook dat nog." Al struikelende, loopende, slierende, schokkende ervaren wij dat de in de gure mist eindeloos schijnende goor-vuile, ijsachtige glibbermassa steeds onbruikbaarder wordt. 'n Postbode, komende uit tegenovergestelde richting met z'n schaatsen onder den arm, doet ons 't ergste vreezen. ,,'t Wordt nog erger," antwoordt hij stuursch op 'n vrijwel overbodige vraag van den heer FEITH. Na 'n drie kwartier, eindelijk Harlingen. Allen, die langs 't kanaal hun werk hebben, ze laten 't eventjes in den steek, schieten van alle kanten toe en roepen en juichen. Zooals gewoonlijk bij dorpen en steden is 't ijs onbeschrijfelijk vuil; takjes, schillen, grint, stof, papier, in één woord "goor". Men wijst ons vriendelijk de contrôle, trouwens 'n dichte menigte op die plaats maakt 'n vraag overbodig. Weer 'n geklouter over planken, stroo en keien, dan door 'n gangetje naar binnen, waar de heer VAN HULST ons reeds wacht. Met 'n smak vallen we op stoelen neer, roepen in koor om melk, melk! De heer FEITH is al heel gauw in 'n druk gesprek gewikkeld en vertelt van de geleden ellende. "U is toch geen mededinger?" "Zeker niet, maar ziet u, ik ga mee voor m'n genoegen!" Dit antwoord doet me lachen, want, al zijn wij allen amateurs, d. w. z. "liefhebbers", dat woordje "genoegen", 't klinkt zoo sarcastisch. Tien minuten zijn, als men geniet, dit is bekend, in 'n ommezientje voorbij. We rekenen af; luide en hartelijk is de wederzijdsche groet; klos... klos... de ijzers dreunen over de vloer, kletteren over de half bedekte keien... Op ééns, 'n ijverige fotograaf in actie vraagt ons eventjes te poseeren. Flap! "Dank u, heeren," zegt de dankbare, de menigte dringt, roept, wijst, 'n paar aardige kerels wijzen ons den weg. Na weinige minuten zijn we weer alléén in 'n vaal-grauwe, eindelooze eentonigheid. HARLINGEN-BOLSWARD. "Nu krijgt u 't verder op veel beter," had een der Harlinger heeren gezegd. Och, hij wist 't niet, wij kwamen 't maar al te gauw te weten, te voelen. Maar ik zal geen poging wagen om te beschrijven wat we nog onder de voeten kregen; 't onbeschrijfelijke is niet te beschrijven, ziedaar een gegronde reden. Als hanen zoo stappen we, maken onverwachts 'n sierlijken streek om dan bij den afzet diep door de broze korst heen te schieten, knikken met harde schokken nu eens vóór-, dan weer achterover, loopen dan weer tientallen meters, om aldus, met geringe variatie op 't zelfde thema, slierende en springende eenige kilometers af te leggen, met doffe berusting in 't oog. Eindelijk, op 'n hoekje, na 'n extra gemeen eindje, wordt halt gehouden, aamechtig, puffende, hijgende, zwijgende. Maar VAN DER LEIJ verbreekt de stilte. zeggende: "wij komme d'r nooit".


't Hooge woord is er uit, hij ziet ons met spanning aan, om te zien welke demoraliseerende uitwerking deze woorden op ons zullen uitoefenen. Misgerekend, heerschap; 0, ik heb nog hoop, ben nog vol vuur en dus protesteer ik. "Er niet komen? Wij komen er vast; bovendien is 't straks voor de andere lui eerder minder dan beter". En nu eenmaal weer de tong uit z'n plaats-rust is losgemaakt, begin ik met al de beschikbare zeggingskracht 't stemmingspeil weer wat ómhoog te "hijschen"; onze Amsterdamsche journalist vindt weer 'n jolijtig woord, wordt beloond met klinkenden lach. Hiervan maak ik gebruik, en ga met moed weer aan werk; met moeite duwen we de voeten in zuidelijke richting. Achter me hoor ik weer dat schurende geschuifel, zie weer wanhopig armgezwaai. Voorop rijdende, moet ik telkens van links naar rechts en vice-versa oversteken om de meest harde plaatsen uit te zoeken. Meestal was de oostkant in dit opzicht veel beter dan de westzijde, maar ook dit "betere" was en bleef ongenietbaar tot 't dorp Arum ongeveer. Van af die plaats werd 't ijs langzamerhand iets, ten slotte veel beter; welk een weelde eenige minuten aan één weer met langen rustigen slag vooruit te schieten, 't is of de vermoeienis 'n wijle uit de spieren wijkt. We blijven weer eens eventjes staan; de spreektoon is vrij wat opgewekter geworden. "Welk beroep, HOEKSTRA?" vraagt de heer FEITH. " Theoloog." "En jij, VAN DER LEIJ?" "Boer." Nu is er vroolijkheid in de oogen van den persman; ja, 't is ook wel 'n eigenaardige collectie. Regenbui nummer zooveel druilt uit de lage luchten; niet langer stilstaan, hoor, we moeten nu zien er te komen. Even later komt uit tegenovergestelde richting 'n manneke aanrijden, hij neemt ons scherp op en stopt hij heeft gevonden wat hij zocht. 't Blijkt uit zijn druk verhaal, dat men te Bolsward reeds per telegraaf in kennis was gesteld met onze nadering; de man was toen ons tegemoet gereden.

De heer FEITH is al weer in "functie", stelt vele vragen, welke druk worden beantwoord. 't Is 'n gezellig "onder onsje" daar achter mij. Hoor eens, de man begint metéén ook al 'n verhaal van 'n door hem met'n vrind gereden elfstedentocht. We krijgen er 'n heele beschrijving van. Dat is iets voor de "pers". "Vertel mij eens, in hoeveel tijd?"


"Watte ?" "Hoeveel uren hebben jullie er over gedaan?" Korte stilte; de toegesprokene telt vermoedeHjk z'n uurtjes één voor één op en komt met z'n summa summarum van "12 uren" eenigszins weifelend voor den dag. De aarzeling bij die tijdsopgave is ons geen geheimenis meer; er zit 'n klein, klein "luchje" aan, we denken aan "jagerslatijn". Maar doodleuk blijft FEITH in z'n rol, zegt dat 't een prachtige tijd is; nu, dat is en blijft waar. De man is nu in z'n nopje~, maar wij zijn 't niet minder t als daar zichtbaar worden de eerste huizenrijen van "de sted fen GIJSBERT JAPIKS". "t Zijn alweer de kwajongens, die ons 't eerst in de gaten krijgen. Maar daar blijft 't niet bij: jong en oud, klein en groot, in één woord, half Bolsward op 'n end. Ook loert en mikt daar 'n fotograaf. Hoe vergenoegd glimt nu z'n tronie, want hij heeft "ze". Waar al die menschen wriemelen, bij 't bruggetje, moet wel de controle zijn. Geraden,'t is zoo, onder enthousiast gejuich naar binnen! Links om 't hoekje van de deur zetelen de autoriteiten. Ze schuiven ons stoelen toe, wij ploffen neer. De ruimte vult zich met belangstellenden die luid spreken, wijzen en ons nauwkeurig opnemen. "Even 'n kwartiertje rusten," is onze afspraak; de lui willen graag met ons spreken, zijn bijzonder belangstellend. Och menschen, laat ons met rust, we moeten heusch nog verder vandaag. Duchtig wordt de melk aangesproken. VAN DER LEI] komt op 't lumineus idee zich eens goed met frisch water te bepoedelen, hoofd, armen, handen. Daartoe neemt de juffrouw ons mee naar de keuken en ze bromt heelemaal niet, als de uit de handdoek geknepen waterstroomen gedeeltelijk naast de waschkom neerplassen. Net als ik daarmee bezig ben en 't overvloedig nat m'n uitzicht belemmert, verschijnt zoowaar de burgemeester en waagt zich in deze waterstreken. M'n "broederen in den nood" moeten hem alles vertellen, en als ook ik weer toonbaar ben geworden, m'n oogen weer kunnen geopend worden, dan zie ik hoe VAN DER LEI] 'n massa pepermunt in ontvangst neemt onder hartelijke dankbetuiging. Direct stevent die aardige kerel op mij af. ,,'t Is om te deelen," zegt zoowaar de amicale concurrent en geeft mij van z'n overvloed. Nu nog heel effentjes zitten, hoor! De cacao is nog veel te heet en bovendien, zoo'n stoel is toch 'n heerlijke uitvinding; je zoudt er liefst niet van scheiden. Maar 't moet, 't moet; onder applaus en voorzien van aller "beste wenschen" zijn we weer op 't ijs. De kiekjesman blijkt, hoewel dankbaar, nog niet voldaan en "neemt" ons nog eens. FEITH heeft natuurlijk gezorgd dat de gezellige man van straks er ook bij op is gekomen. BOLSWARD-WORKUM. Weer zijn we buiten; 't lijkt wel of de nevelen zich eenigermate verdunnen; ook 't ijs is nu goed, tenminste naar omstandigheden, want op vele plaatsen staat er zóóveel water, dat 't over m'n schoenen loopt. Nat waren wij vóór Dokkum al, maar nu sijpelt 't water langs m'n voeten, bah, zoo vervelend! Twee jongelui zijn ons gevolgd, maar ééntje durft al dat water niet aan en keert terug. De andere is al te ijverig en rijdt, alsof Workum al 't eindpunt van den tocht is. 'n Stem achter me waarschuwt al gauw voor dat snelle rijden, waarmee ik volkomen instem; we moeten zuinig zijn met onze krachten, immers nog wel 100 K. M. afstand liggen vóór ons. "Hei, vent, staak je drift, we hoeven niet voor donker thuis te wezen," roep ik den ijveraar toe. Mooi zoo, hij toont zich vatbaar voor verbetering. Nu gaat 't goed. ... diepe stilte weer in 't rond. ... de wind begint 'n weinig aan te halen, steeds ruimer wordt 't uitzicht. Zoo gaat 't tot aan Workum toe. Niets verbreekt de kalme stemming, met 'n middelmatig gangetje rijden we de gracht in, waar onze verschijning weer aller aandacht boeit. In 't daartoe bestemde lokaal deponeeren we de boekjes ter afteekening. 't Wordt er stikvol, de rook is er te snijden. 't Is kwart voor één. "Niet rusten" is de afspraak, maar och, de cacao is nog veel te heet en zoo duurt 't toch wel 'n 6 minuten voor wij weer afscheid nemen.


WORKUM-HINDELOOPEN. Enkele bengels willen nog zoo lang mogelijk van ons genieten. Dan is 't weer stil; maar als we meen en nu eens geen geestdriftige begeleiders te hebben, kijk, daar schieten in eens twee opgeschoten jongens voorbij. Ze willen graag 'n poosje meerijden. "Dat is aardig van jullie," betuigt de heer FEITH; maar beiden zwijgen hardnekkig. "Zeg eens, waarom heb jij geen pet op je hoofd?" De toegesprokene zegt in z'n haast dat ding te hebben vergeten. Nogmaals ontdekt FEITH iets merkwaardigs, hij geeft me 'n douw en wijst iets aan: "kijk, HOEKSTRA, dat ĂŠĂŠne heerschap rijdt jandorie op klompen!"

Nu voegt zich 'n derde persoon bij ons groepje. Neen maar, dat is 'n leuke snijboon, je reinste schipperstype. Bij zulke menschen is 't dragen van jas en vest een overtollige luxe, niet te verdedigen, zelfs niet met 'n beroep op de nijpendste kou of guurste regenvlagen. Kijk me dat boezeroen eens bol staan van den wind, zoo van achteren net 'n bestuurbare ballon. Want bestuurbaar is hij, die luistert naar den origineelen naam TJOMME, de onsterfelijke, die langs Hindeloopen, Staveren, over de schier eindelooze ijsvelden van Morra en Fluessen ons wil geleiden


naar Sloten. Zijn prestige overtreft al gauw dat der beide anderen, den petlooze en den klomprijder. Petloos is ook TJOMME, maar in plaats daarvan wordt z'n blond gelokte bol aan 't oog onttrokken door 'n verfomfaaid, zeldzaam artistiek gedeukte zwarte viltlap, in 't ver verleden eenmaal aan z'n voorvader verkocht in den vorm van 'n deukhoed. De broekzakken gapen wijd en getuigen er van dat z'n eeltige knuisten in derzelver peillooze diepte vaak en lang hebben vertoefd. 'n Hooge dijk links beneemt alle uitzicht naar dien kant; 't lijkt me toe dat wij verstandig doen met langs dien dijk te rijden en aldus zooveel mogelijk van de luwte te kunnen profiteeren. De nieuwe gids ziet daarin weinig licht en 't blijkt dat hij gelijk heeft. Dan, in ééns, 'n welbekend slierend geluid achter ons, men roept "halt", 't blijkt dat VAN DER LEIJ is gevallen. Wat zien z'n ééns zoo witte manchetten er nu goor uit. Zwijgend is alles in z'n werk gegaan: vallen, opstaan en weer verder rijden. Aan alles zijn we gewend, niets treft ons meer, ook TJOMME begint zich al geheel in onze stemming in te leven; ook hij zwijgt als 't graf, ook hij staart maar aldoor stijf voor zich uit. Maar de oolijkert verrast ons opééns met z'n luide: "daar hè-je Hindeloopen al!" Zoo rijd ik, voor 't eerst van m'n leven, dat aloude typische stedeke binnen. Als we onder 'n bruggetje zijn gepasseerd, houden we in, we zijn waar we wezen moeten. Want hier zetelt de "controleur" nu eens niet in 'n logement, maar in 'n keukentje, welks muur uit de gracht oprijst. 't Raampje is geopend, daarachter beweegt zich des burgemeesters forsche gestalte, er vóór staat z'n knecht, die met breed gebaar ons 'n zitbank aanwijst. En dan komt de verrassing: wij worden door den goeden burgervader onthaald op dampende chocolademelk; dankbare woorden en blikken vinden hun weg door 't genoemde raam. De Hindeloopers zien dit knus tooneeltje aan en genieten in stilte. Lang duurt dit echter niet. Aan 'n rust van meer dan vijf minuten mogen we niet denken; 'n sterk verlangen is in ons om 't keerpunt Staveren te bereiken. Weer is 't afscheid hartelijk; 't groepje nieuwsgierigen verspreidt zich; straks zullen er wel meer komen. HINDELOOPEN-STAVEREN "De kortste weg, hoor gids !" Nou, zie 'm eens in actie, hij gooit z'n beenen links-rechts, rijdt als de weerlicht; TJOMME is en blijft onbetaalbaar. Weer die zelfde hooge dijk rechts. Volgens den gids is er wel 'n andere, misschien iets kortere weg, maar deze is in onze omstandigheden verreweg de beste, zoo zegt hij. Wij volgen gedwee, als schaapjes den herder. Bij aankomst te Hindeloopen was 't half twee, we kunnen dus kwart over twee te Staveren zijn. Maar de nabijheid van de zee is oorzaak dat 't ijs weer minder bruikbaar wordt; 0, die dunne ijzertjes, waren ze maar 'n centimeter dik. En dan nog, af en toe, moeten we "klunen", want vele bruggetjes zijn veel te laag om er onder langs te kunnen rijden of kruipen. Zoo zijn juist 45 minuten verstreken als de gids mij beduidt dat we nu wel dicht bij de stad zijn, maar dat de vaart hier 'n grooten omweg maakt. Welnu, daar is niets tegen te doen; de nabijheid van ons keerpunt maakt, dat we de beenen nog eens extra uitslaan. Staveren doemt op, is duidelijk zichtbaar nu. 'n Heer wandelt op 't ijs, ontdekt ons en nadert, hij vraagt ons naar de gebroeders KALT; genoemde heer duide 't ons niet ten kwade dat onze antwoorden, zoo en passant, wel wat bijzonder kort en negatief waren. Wij konden immers niets daarvan weten. Terwijl ik naar aanleiding van die vraag er over nadenk, mezelf afvraag, hoe groot onze voorsprong wel zou zijn, ontsnapt 't aan mijne aandacht, dat de heer FEITH op eens is gaan spurten. Plotseling ontdek ik hem op 'n 15 meter afstand vóór ons, kijk 'm eens rijden, al z'n ledematen beschrijven ovale cirkels in de lucht. Maar wat bezielt hem toch? Bij de contrôle gekomen, vinden we daar den snelvoetige al zitten, puffende en blazende. Zou hij 't gedaan hebben om tenminste éénmaal 't eerst aan te komen? 't Vermoeden lijkt me nog niet ongegrond. We zitten nu in 'n pronkkamer, tenminste alles ziet er zoo Zondags uit. Onze kaarten zijn alweer geborgen; de vrouw des huizes, glimmende evenals al wat tot haar huishouding behoort, schenkt geurige thee, de trekpot pruttelt.... net als thuis. De heer FEITH vraagt handdoeken, liefst ruwe; de juffrouw kan niet weigeren, ze haalt al. En nu begint hij op handige wijze z'n corpus te wrijven en te masseeren. De juffrouw ziet op zijn verzoek "in 's Blaue hinein"; zachte geluiden doen ons weten, hoezeer de kunstbewerking hem doet genieten. Toch volgen wij zijn voorbeeld niet, hoe hij ook tracht ons daartoe te brengen; hoeveel handdoeken zouden daarvoor wel niet noodig zijn? Wij zijn al dankbaar en tevreden met de tallooze kopjes thee met veel suiker.


"Nu wordt 't ook weer tijd, jongens!" Ja, wij denken er net zóó over, maar 't is zoo moeilijk scheiden van zulke goeie plekjes. De juffrouwen haar knappe dochter staan bij de deur, ze wil van geen vergoeding weten, o nee, niets daarvan. "Goede reis, heeren, en maar erg voorzichtig wezen," zoo uit zich haar moederlijk gevoel. Wij beloven, drukken hartelijk de hand van moeder en dochter, roemende in stilte dit vrouwtje van Staveren. STAVEREN-SLOTEN "TJOMME, waar heb jij zoolang uitgehangen?" Maar hij hoort niks, nu is hij weer gids in actieven dienst, loods op de vóór ons schier eindeloos zich uitstrekkende bevroren wateren van zuidwestelijk Friesland. In 't eerst is 't ijs nog slecht, weer bijzonder week; eindelijk wijken de oevers van 't kanaal zijdelings uit. Wij zijn op de Morra. De nevel trekt nu z'n sluiers al enger en enger rondom ons toe, de wereld is weer o zoo klein. Dit doet 'n drietal jongelui, die ons volgden, en van plan waren mee te rijden tot Balk, reeds vóór halfweg de rest aan ons overlaten en terugkeeren. De wind hebben we nu in den rug; in 't ijs geplante takken wijzen den weg. De diepe stilte wordt niet verstoord; ik vind nog een handje vol weeke flikjes, durf ze wegens hun weekheid niet meer aan de anderen te presenteeren, smokkel ze dus stiekum naar binnen. 't IJs is nog niet heel hard, maar wordt merkbaar beter. Als we dan eindelijk eens even halt houden, roept onze gids, altoos in z'n rol, met luide stem: Galamadammen". VAN DER LElJ bromt: "er is ommers niks te zien", maar z'n blik verheldert in eens als hij 'n paar pepermuntjes ontdekt; hij wil weer absoluut deelen, deelen tot er niks meer is. De pepermuntsmaak doet ons den burgemeester gedenken. We zijn weer op gang, vlak achter den "bestuurbare" aan; weer niets dan takjes en ijs, ijs en takjes. "Kippenburg," bromt TJOMME, als er weer eens zoo ongeveer niks te zien is; TJOMME voelt 't aan de lucht, waar ie is. Maar hij weet niet heel precies wanneer 't blauwe ijs van Gaasterland begint, want voor 20 minuten heeft hij op 'n desbetreffende vraag geantwoord: "aanstonds m'nheer," en dat zegt ie nou weer, met z'n vergenoegde tronie. Eindelijk, ja, wordt 't donker onder onze voeten; even te voren is 't ijs al keihard geworden. Hoe snel glijden nu de ijzers voort, 0, 't is 'n lust. Aan weerszijden staan nu rijen boomen; dat geeft al veel prettiger indruk dan die onbegrensde ijsvelden van de Morra. Over 't blauwe ijs gaat 't nu bijzonder snel, 'n wielrijder op den oever wil ons bijhouden, maar moet 't opgeven na eenigen tijd. In 't midden borrelt uit 'n diepe lengteberst 'n massa water; langs den rechteroever vliegen we voort, zetten meestal met den linkervoet in 't water af, en telkens gulpt 't ijskoude water dan 'n halve meter omhoog en maakt de beenen tot boven de knie drijfnat. Wie bekreunt zich daarom? Wie gevoelt dat? Niemand, 't water is nu ons element geworden, wat hebben we nu al gedurende tien uren anders gezien? In 't dorp Balk is Ot ijs onbeschrijfelijk vuil, stof, takjes, aardappelschillen, overal ligt iets. Voorbij deze plaats verlaten ons nogmaals de oevers; we zijn nu op het Slotermeer. Hoe is nu onze stemming? Lezer, eigenlijk hielden we er tijdelijk geen stemming op na; gedachten en gewaarwordingen, ze deden zich niet meer gelden, we doen maar werktuigelijk na met onze ledematen wat TJOMME daar met de zijne eenige meters vóór ons doet. Maar zijn "doen" is ook al niet meer zóó als in den beginne, z'n halen zijn zoo guitig en jolig niet meer. Zou TJOMME ook iets gevoelen? Flauw worden enkele lichtjes zichtbaar, daar recht vooruit. 't Is Sloten. Door weinigen opgemerkt stuiven we de gracht binnen, zoo'n typisch-ouwerwetsche met hooge steenen wallen. Kaarsrecht overeind staan daar links twee groote dienders, 'n groepje menschen is daar saamgeschoold, daarachter zie ik 'n groot huis. 't Is 'n heele toer om daar boven te komen, de ordebewaarders grijpen ons, gelukkig met goede bedoelingen, en helpen; daarbinnen in 't gemeentehuis wacht ons de burgemeester. 't Heeft er veel van dat we worden "opgebracht"; alléén, wij gevoelen ons heelemaal niet "schuldig". Daarbinnen brandt licht. "Mijnheer de burgemeester.. " Goei'n avond, heeren......!


VAN DER LEI] heeft zich aan de ronde tafel 'n plekje uitgekozen; wij iets verder naar achteren. De eerstgenoemde begint direct met gretige happen z'n worst te bewerken. Dat gezicht maakt ook ons hongerig en we hebben geen rust vóór dat de juffrouw melk en broodjes brengt. Kijk me die collega eens met z'n kaken werken, daar gebeurt wat! De Heer FEITH heeft ook op 'n stoel plaats genomen, maar als hij eenigen tijd vergeefs heeft gezocht naar 'n extra-prettige houding, laat hij z'n stoeltje in den steek en strekt zich in heel z'n respectabele lengte uit op den vloer. Maar zwijgen kan hij niet lang, o neen. Wederom en voor de zooveelste maal verklaart hij louter "voor z'n genoegen" mêe te rijden; verder onderhoudt hij van uit z'n nonchalante situatie 'n onafgebroken gesprek met al de aanwezigen. Nog altoos is daarginds de worst niet op; eindelijk is ook dat pleit beslecht. Nu komt ook de ééne diender binnen, die is uitgezonden om 'n snelrijdenden vertrouwbaren nieuwen gids voor ons te "engageeren". Hij is goed geslaagd, naar hij beweert. "'n Beste rijder, hoor!" Bij de deur nemen we afscheid, ook van TJOMME, die er nu genoeg van heeft en graag naar huis wil. SLOTEN-IJLST Ja, 't is 'n beste rijder, die korte kerel voor ons, die ons voor 2 pop naar Sneek zal brengen. De wijde ijsvlakte ligt weer rondom, wij rijden vrij snel. Er zijn hier en daar "kistwerken" ontstaan, gelukkig vrij smalle, zoodat we er allen overheen springen, zoodra de voorman ons waarschuwt. De maan heeft nu de taàk der zon geheel overgenomen; over de wijde, wijde vlakte speelt 'n zacht, geheimzinnig licht, 'n stille stemming van vrede en berusting. Een tijd lang heeft dit zoo schoone schouwspel m'n gedachten afgeleid van 't eentonig werk, dat wij bezig zijn te volbrengen. Plotseling rijden we weer op 'n kanaal, zien weer één oever; maar 't ijs is hier onberijdbaar, schotsje bij schotsje loodrecht tegen mekaar op. Behalve de gids, zijn we allen gevallen; zelf kom ik terecht op 'n hoekige bonk ijs en bijt op m'n tanden. Nu kan ik m'n lachen wel laten, m'n stemming is 'n poos geheel bedorven. Maar we hebben geen tijd om veel notitie te nemen van elkanders moeiten; ook wordt 't ijs weer beter, maar 't water staat nu bijna overal 5 à 6 cm. hoog. De gids wil ons langs 'n korten weg naar IJlst brengen; maar helaas, we raken verdwaald op 'n slootje. 'n Jongetje wijst ons weer 't rechte pad en kort daarop zijn we in genoemd stadje. Weer is de contröle in 'n logement, maar zóó vol als 't lokaaJ hier is, neen, zóó hebben we 't nog niet beleefd. De massa rook is naar evenredigheid aanwezig, ieder blaast vervaarlijke pluimen voor zich uit. De heer FEITH heeft gemerkt dat ik onderweg nog al eens m'n eigen rug heb gewreven en gemasseerd; ook hij is overtuigd dat zoo iets probatum is en heeft reeds een der aanwezigen gevraagd, dezelfde bewerking op hem toe te passen. Nou, toen is die man aan 't werk getogen, als ware hij 'n discipel van wijlen Sequa. 't Slachtoffer vroeg al gauw om er maar asjeblief mee op te houden; o, 't had zoo geholpen, hij mocht 't later wel weer eens doen! IJLST-SNEEK Door dit alles bleven we langer dan wij van plan waren; maar buiten IJlst was 't prachtig ijs; na 'n kwartier rijden we Sneek binnen, de tiende stad. De enkele jongelui uit IJlst, die ons begeleiden, wijzen ons de controle, 'n groote lantaarn bengelt daar aan 'n paal; 'n groote menigte wacht en juicht als we binnentreden. Aan de tafel is vergaderd 't bestuur van de "krite Sneek"; wij vallen op stoelen neer en worden met vragen bestormd. 't Scherpe licht doet m'n moede oogen pijn, waarom ik m'n gezicht maar afwend. Ook op de vragen antwoord ik niet, want ik wil absolute rust. Weer vliegen de minuten voorbij. Nogmaals, en nu voor 't laatst nemen we afscheid van 'n controleplaats. SNEEK-LEEUWARDEN Maar wie staat daar in de deur? Wie roept daar mijn naam? Wie kent mij hier? ROOSEBOOM verschijnt in de deur, hij is 't die daar riep. Maar hoe is dat mogelijk? In Stavoren was hij nog 23 minuten ten achter, blijkens 'n vandaar op verzoek verzonden telegram! Buiten Sneek voegt hij zich bij ons en vertelt hoe dit alles hem is gelukt. Nergens heeft hij gerust en zoo is hij er in geslaagd ons in te halen. De stemming is er bij mij niet beter op geworden, ik merk al gauw dat de verschijning van dezen derden


mededinger ook bij VAN DER LEIJ dezelfde uitwerking heeft gehad. Zoo rijden we vrij snel voort; voorop rijdt 'n kerel als 'n boom; z'n zware baard en z'n kleeren geven hem 't voorkomen van 'n stoeren schipper, maar als de heer FelTH hem nog op de Sneekergracht aldus aanspreekt, zegt hij: "Nee, m'nheer, ik ben onderwijzer." Zeldzaam vast is zijn streek; de heer FElTH fluistert mij in: "wat zijn er toch 'n massa beste rijders, hier onder jullie Friezen." Ik knik en zwijg. De heer ROOSEBOOM praat zeer druk, 't schijnt dat hij nog bijzonder frisch is. Enfin, dat zal wel blijken, daarvoor zal aanstonds gelegenheid zijn. Ondertusschen zie ik erg tegen die "gelegenheid" op; we zullen moeten hardrijden, dat staat vast; maar hoe zal dat mogelijk zijn voor mij, die zelfs met behulp van 't maanlicht geen vijf meter voor me uitzie? Hoe sterk doet zich nu 't gemis van m'n lorgnet gelden! Maar er dient afgesproken te worden, hoe de eindstrijd zal gestreden worden. Nu blijkt 't dat onze trouwe VAN DER LEIJ van geen "strijd" wil weten; hij wil loten. Daar tegen protesteeren allen, ook ik. Dezelfde reden, welke VAN DER LEIJ dat rare voorstel doet uitspreken, brengt mij op 'n ander plan; maar ook mijn voorstel om, ter voorkoming van noodelooze ongelukken, niet den geheelen afstand tot Leeuwarden als wedstrijd te nemen, maar 'n baan van ca. 1000 M. op 'n recht eind van de Sneekervaart daarvoor uit te kiezen, wordt verworpen. Ook ROOSEBOOM is hier sterk op tegen. Waarom? Heeft hij hoop, vooral op 'n langeren afstand, door z'n uithoudingsvermogen ons te slaan? Dus: hardrijden tot aan de Leeuwarder contrôle. Voor niemand hunner kon dit zooveel gevaren hebben als voor mij, die zoo bijzonder weinig voor me uit kon zien en onderscheiden. Plotseling haakt VAN DER LEI] in de schaats van FEITH; beiden vallen. ROOSEBOOM volgt hun slecht voorbeeld; zoo liggen er dus in 't maanlicht drie van de vijf; de grootste en de kleinste staan nog overeind. Waarom blijft die kleinste staan? Is 't geen wedstrijd en is hij geen mededinger? Maar moet niet 'n hardrijderij rijdende tegen rijdenden gereden worden? Dáárom wachtte ik. ROOSEBOOM heeft z'n schaatsen beter ondergebonden; aan zijn "wacht nog even, ik ben nog niet klaar!" hebben wij voldaan. Maar ook voor 't laatst. De Dille, 'n logement halfweg Leeuwarden, is reeds gepasseerd. Nu moet 't maar komen zoo 't komt, denk ik, en begin meteen harder te rijden. ROOSEBOOM tracht me bij te houden; VAN DER LEI] doet eveneens z'n best. De grootste is niet meer "voorrijder", de kleinste heeft z'n plaats veroverd en behoudt die. Want àl zachter en zachter klinkt daar achter me 't geluid der schaatsijzers over de gladde, mooie baan. Eén is er nog die niet ver achter me is. Wie is dat? Ik blijf kalm en luister nauwkeurig. 'n Stem roept: "ik ben 't, FEITH!" Nou, daar heb ik niks tegen, hij is "neutraal". Ik volg den rechteroever, anders weet ik heelemaal niet hoe ik 't ooit zal vinden. Plotseling: weg is die oever. Waar is die gebleven? Door m'n vaart vlieg ik recht vooruit en sta plotseling voor 'n andere wal. 0, er gaat me 'n licht op, ik zit in één van de vele bochten, moet dus rechts uitwijken. Dit alles is in 'n ommezien gedacht en gedaan; weer vind ik den rechteroever en als later zich 't zelfde verschijnsel weer voordoet, blijkt dat 't kunstje me handiger afgaat! Hé, dat zwarte gedrocht daar lijkt wel 'n brug; juist, 't is zoo, ik duik zoo diep als 't me mogelijk is. "Och kerel, je kunt er wel rechtop onder door," roept daar m'n volgeling. 't Behoeft nauwelijks gezegd dat wij ook nu niet zoo snel mogelijk rijden; dat zou dwaas zijn, nu deze snelheid voldoende bleek. Maar, hoe ver zijn we nog van de stad? Daar fluit 'n locomotief, daar nog een; zwak dringt tot ons door 't gedreun van rangeerende wagens. Nu weet ik voldoende. Vierkante donkere massa's, zwak zich afteekenend tegen de zwak verlichte avondnevelen, blijken huizen en fabrieken te zijn. 't IJs is ook direct veel slechter geworden, overal schotsen; 'n harde duw in m'n rug behoedt me voor een val, want diep zit m'n linkervoet in 'n scheur. Maar voort vliegen we weer, alsof 't leven er mee gemoeid is. Van af de kaden heeft de menigte ons reeds opgemerkt, luid geroep van alle kanten begroet ons. "Waar is de Amicitia?"


"Nog twee bruggen !" Deze zijn gepasseerd; links golft de groote menigte van wachtenden, haar luid geschreeuw en gejuich maakt me eenigszins van streek. Waar is de contrôlepaal met brandende lantaarn? Hier moet 't wezen, ik stuur er op af... de menschen wijken uitéén, ik gevoel iets heel hards... en stort neer. Maar opstaan behoef ik nu niet meer, want sterke vuisten heffen m'n natte body op en dragen me, agenten maken ruim baan, 't schrille licht van gaslampen verblindt m'n moede oogen. Voor 't laatst wordt m'n boekje afgeteekend... 't Is tien minuten over zeven. Hiermee is de tocht beschreven; maar ik kan niet eindigen zonder 't uitspreken van m'n hartelijken dank aan allen, die medewerkten tot 't slagen van dezen dag, en daarbij reken ik natuurlijk ook de geefster van den prachtigen krans, welken ik als winner uit hare hand mocht ontvangen. Nog iets wil ik neerschrijven, nl. dit, dat m'n jongenswensch in vervulling is gegaan. Daar stond in mijn boekenkast 'n boek in rood-wit-blauwen band, getiteld "Wintersport", geschreven door den heer W.J.H. MULIER. Als 't begon te vriezen, nam ik 't en las er in van stoere rijders uit alle noordelijke streken. Daarin las ik ook verhalen van elfstedentochten uit vroeger en later tijd. Sedert stond 't plan vast. Nu is 't plan volbracht. Ja lezer, ik ben voldaan, meer dan voldaan.


Minne Hoekstra over de Elfstedentocht van 1909