Page 1

SEMINARIUM VOOR ORTHOPEDAGOGIEK

Master Special Educational Needs Praktijk Gericht Onderzoek jaar 2 2012-2013

ICT als extra hulp bij de spellingslessen

Natasja Hoegee

Studentennummer 8020616 Leerroute code OSOAL-ER2-10 Datum 01-06-2013 Ik verklaar dat dit onderzoeksverslag het resultaat is van mijn inzet en studie en dat het niet op deze of een vergelijkbare manier is aangeboden aan een andere HBO opleiding met de bedoeling daar studiepunten voor te ontvangen

1


Inhoud Samenvatting......................................................................................................................................4 Inleiding ..........................................................................................................................................5 Hoofdstuk 1. Praktijkprobleem ...........................................................................................................6 Hoofdstuk 2. Onderzoeksvraag ...........................................................................................................8 Hoofdstuk 3. Theoretische verkenning ................................................................................................9 1. Welke bevindingen uit de literatuur kunnen op school vertaald worden naar de didactiek van het automatiseren van de weetwoorden? ..........................9 2. Aan welke voorwaarden moet een spellingsoefenprogramma voldoen volgens literatuur onderzoek? ..........................................................................................9 3. Hoe intensief is de training? ...................................................................................... 10 4. Hoe is de time-on-task per minuut van de leerling die aan het programma zit? ........................................................................................................................................... 11 5. Hoe ervaart de leerling het werken met het programma? ............................... 12 6. Wordt de leerling beloond, stimuleert het programma de motivatie om te leren bij de kinderen? ....................................................................................................... 12 7. Biedt het programma een goed overzicht voor de leerkracht? ....................... 13 8. Hebben de leerkrachten de vaardigheden en motivatie ‘in huis’ om succesvol met een programma te werken? Gaan zij het programma op de juiste manier gebruiken en b.v. tijdig de juiste oefenstof klaar zetten?........... 13 Samengevat:........................................................................................................................ 13 Hoofdstuk 4. Onderzoeksstrategie .................................................................................................... 14 Documentenonderzoek ..................................................................................................... 14 Leerling-onafhankelijke intensiteit meting ................................................................. 14 Interview leerlingen ........................................................................................................... 15 Enquête leerkrachten ........................................................................................................ 15 Analyse en actieplan .......................................................................................................... 15 Hoofdstuk 5 Analyse van de data ...................................................................................................... 16 Documentenonderzoek ......................................................................................................... 16 Juiste leerstof................................................................................................................................ 17 Leerling-onafhankelijke intensiteit meting ..................................................................... 17 Observaties leerlingen .......................................................................................................... 18 Interviews leerlingen ............................................................................................................. 20 Enquête leerkrachten ............................................................................................................ 21 Hoofdstuk 6 Conclusie, discussie en aanbevelingen........................................................................... 22 2


Conclusie ...................................................................................................................................... 22 Discussie ....................................................................................................................................... 23 Aanbevelingen .............................................................................................................................. 23 Actieplan....................................................................................................................................... 24 Dankwoord ....................................................................................................................................... 25 Bibliografie ....................................................................................................................................... 26 Bijlage 1 Technisch onderzoek van de spellingsprogramma’s ............................................................ 27 De onderzochte programma’s ............................................................................................ 27 Ambrasoft Taal ........................................................................................................................ 27 Vrije keuze ............................................................................................................................ 29 Leerlingvolgsysteem van Ambrasoft............................................................................. 31 BLOON........................................................................................................................................ 33 Spelling in beeld ..................................................................................................................... 36 Pauwenveren........................................................................................................................ 36 Miereneter ............................................................................................................................. 36 Koekenbeer........................................................................................................................... 36 Boomslangen........................................................................................................................ 36 Kameleon .............................................................................................................................. 36 Dictee ..................................................................................................................................... 36 Leerlingvolgsysteem .............................................................................................................. 37 Bijlage 2 ruwe scorelijst leerling observaties ..................................................................................... 38 Bijlage 3 Ruwe scorelijst observaties gesorteerd naar de programma’s ............................................. 39 Bijlage 4 Gecodeerde interviews ....................................................................................................... 40 Bijlage 5 uitslag van de digitale enquête onder de leerkrachten ........................................................ 42 Bijlage 6 Samenvatting directieoverleg en teamvergadering over dit onderzoek .............................. 46 Bijlage 7 Eindkwalificaties Opleiding Master Special Educational Needs ........................................... 47

3


Samenvatting In dit onderzoek is gekeken, welk computeroefenprogramma op de onderzoeksschool spellingszwakke leerlingen het best helpt bij het automatiseren van weetwoorden. Bloon, een gratis programma gemaakt door een leerkracht, blijkt beter geschikt dan de spellingsprogramma’s, vol animaties van Zwijsen of Ambrasoft. Kinderen met een goede intrinsieke motivatie hebben geen extrinsieke motivatie in de vorm van grafische animaties nodig. Eerst is onderzocht wat de beste manieren is om spelling te oefenen. Daadwerkelijk oefenen met o.a. natypen van woorden blijkt heel geschikt (Bonset & Hoogeveen, 2009). Verder is de directe visuele feedback van het computerprogramma effectief (Braams, 2001). Bloon voldoet aan de meeste kwaliteitskenmerken, voor een goed spellingsprogramma. Er is bewezen dat de leeropbrengst stijgt, bij een hogere herhaalfrequentie (Bonset & Hoogeveen, 2009). Met Bloon is de herhaalfrequentie bijna het dubbele van de andere programma’s. De kinderen op de onderzoeksschool moeten de spellingsoefeningen zelfstandig doen, daarom is onderzocht wat kinderen motiveert om te willen oefenen (Klarus & Simons, 2009). Betrokken leren verhoogt namelijk de leeropbrengst (Florida Education Association, 2012). Als de basisvoorwaarden om te leren aanwezig zijn: relatie, autonomie en competentie (Dijkstra, 2000) is de intrinsieke motivatie van de kinderen voldoende om te willen oefenen. Extrinsieke motivatie is dan overbodig. Eigen tempo en enige keuzevrijheid zijn belangrijk. Goede voortgangsfeedback verhoogt de competentie van de leerling en persoonlijke feedback van de leerkracht versterkt de relatie tussen leerling en leerkracht. De leerkracht is binnen de school de belangrijkste factor, die invloed heeft op leerlingen. (Pameijer, Beukering, & Lange, 2009) Om de leerling te ondersteunen en feedback te geven, moet de leerkracht duidelijke analyses van de geleerde stof uit het computerprogramma kunnen halen. Bloon is eenvoudig te bedienen en blijkt hiervoor het meest geschikt.

4


Inleiding Dit is een actieonderzoek naar het meest geschikte computerprogramma om spellingszwakke leerlingen van de onderzoeksschool te ondersteunen bij het automatiseren van de leerstof. In hoofdstuk 1 is het nut van dit onderzoek beschreven. De onderzoeksvraag en de bijbehorende deelvragen staan in hoofdstuk 2. Hoofdstuk 3 is een samenvatting van het literatuuronderzoek, waarbij vooral gekeken wordt naar de bewezen goede oefenvormen voor spelling en naar de juiste manieren om kinderen te motiveren. Hieruit volgen kwaliteitskenmerken, waaraan een goed spellingsoefenprogramma moet voldoen. Met deze kenmerken is daarna een vergelijking tussen de programma’s gemaakt. In hoofdstuk 4 is de gekozen onderzoeksstrategie beschreven, een voornamelijk kwalitatief onderzoek, met o.a. observaties met kwantitatieve gegevens, documentenonderzoek, enquêtes en interviews. In hoofdstuk 5 staan de data uit het gedane onderzoek. Een overzicht laat zien aan welke kwaliteitskenmerken de programma’s voldoen. Verder zijn de uitkomsten van de interviews, observaties en enquêtes schematisch weergegeven. In hoofdstuk 6 zijn in een conclusie, de onderzoeksvraag en de deelvragen beantwoord. De evaluatie van de opbrengst van het onderzoek is in hoofdstuk 7 beschreven. Hier staat ook de reflectie, waarin de onderzoekster reflecteert op wat zij geleerd heeft, uit dit onderzoek. Hoofdstuk 8 staat los van dit onderzoek en is een kritische reflectie, van de onderzoekster, op de gehele opleiding als specialist begeleiden.

5


Hoofdstuk 1. Praktijkprobleem Op de onderzoeksschool hebben ongeveer 38% van de leerlingen in schooljaar 20112012 spellingsproblemen. De leerlingen hadden een IV, V of V- als score bij de laatste twee Cito spellingstoetsen. De scores van voorgaande jaren zijn niet in het onderzoek meegenomen, daar er enorme wisselingen in de leerlingenpopulatie waren. In juli 2011 gingen er 11 leerlingen weg en zijn er 32 leerlingen van een andere school bijgekomen. Dit vervuilde de groepsoverzichten. tabel 1.1 Cito spelling januari 2012 Aantal

I+

I

II

III

IV

V

Cito spelling juni 2012 V-

Aantal

leer-

leer-

lingen

lingen

I+

I

II

III

IV

V

V-

1

3

1

3

2

1

3

3

2

2

3

2

2

2

1

7 Groep 4

8

1

3

1

2

1

2 10

Groep 5

11

2

3

2

1

3

1 12

Groep 6

13

2

2

4

3

2

3

1

1

13 Groep 7

13

3

4

3

1

1

1

3 12

Groep 8

12

2

2

1

2

2

1

2

2

2

1

2

1

1

3

11

3

8

12

8

4

8

20

6

15

22

15

7

15

54 Totaal

57

10

7

6

12

10

6

6 100%

Percentage

100%

17,5

12

10,5

21

18

10,5

10,5

Figuur 1 Citoscores onderzoeksschool De onderzoeksschool wil opbrengstgericht aan spelling gaan werken, zoals beschreven in “Werken met groepsplannen”van (Förrer & Leenders, 2010). Ze maken analyses van toetsen en werken met groepsplannen. Vanaf oktober 2011 krijgen de leerlingen, die vorig schooljaar zwak op de Cito spelling scoorden, verlengde instructie en extra oefenbladen en oefentijd op de computer. Dit leidde in juni 2012 bij de Cito nog niet tot het gewenste resultaat. Ook bleven veel leerlingen op de methodetoetsen onvoldoende scoren. Het gebruik van de computerprogramma’s en oefenmaterialen als extra oefening, verschilt per groep en per leerkracht en soms zelfs per kind. Er is nooit onderzocht wat het beste werkt. Er zijn drie verschillende computerprogramma’s en vaak kiezen de kinderen zelf hoe ze oefenen. Het gaat om een kleine school met combinatiegroepen. Terwijl de ene groep oefent, krijgt de andere groep instructie, het is belangrijk dat de kinderen zelfstandig en gemotiveerd oefenen. De leerkracht moet achteraf kunnen zien, wat en hoe ze geoefend hebben. De school wil onderzoeken, welk programma het meest geschikt is om de weetwoorden te oefenen. Dit kan daarna aan alle zwakke spellers als extra oefenmateriaal worden aangeboden. Er komt dan een doorgaande lijn in de school, met dit oefenmateriaal. Leerlingen worden dan handig in het omgaan met het programma, waardoor zij meer oefenen en minder bezig zijn met de technische werking van het programma (het leren opstarten en technisch de weg in het programma vinden). Vanuit school heeft dit het voordeel, dat er bewezen effectief spelling wordt geoefend. Minder geschikte programma’s worden niet meer ingezet, en kosten geen onderhoud en eventuele abonnementskosten. De intern begeleider en de ICT coördinator kunnen als er een definitieve keuze is gemaakt, ervoor zorgen dat iedereen goed weet om te gaan met het betreffende programma. Eventueel kunnen enkele medewerkers een opleiding volgen om met dit programma om te gaan.

6


Uit literatuur (Smits, 2011) blijkt dat spelling voor veel kinderen een geautomatiseerde vaardigheid is en dat oefenen c.q. automatiseren helpt. Zeker bij de weetwoorden helpt dit, maar ook bij het aanleren van andere woorden helpt automatiseren. Het onderzoek richt zich op het automatiseren van weetwoorden, omdat daar het automatiseren het best mee te oefenen is en de invloed van andere spellingsproblemen als het horen en herkennen van klanken en het weten en begrijpen van regels worden uitgesloten. Het aanleren van de strategieĂŤn/regels gebeurt tijdens de instructie met de leerkracht. Het computerprogramma wordt gebruikt om daarna het geleerde te automatiseren.

7


Hoofdstuk 2. Onderzoeksvraag -

Welk van de op de onderzoeksschool gebruikte computerprogramma’s (Bloon, Zwijsen en Ambrasoft) helpt spellingszwakke leerlingen het best bij het automatiseren van de weetwoorden van de spellingsmethode “Spelling in beeld” van uitgeverij Zwijsen?

De huidige methode voor spelling biedt, naast lessen in klank- en regelwoorden, maandelijks 1 of 2 lessen met weetwoorden. De woorden van deze lessen moeten, door de kinderen, geoefend en geautomatiseerd worden. Er is onderzocht welk computerprogramma daar het meest geschikt voor is, specifiek gericht op de zwakke spellers. Om andere oorzaken voor spellingsproblemen zoveel mogelijk uit te sluiten, is dit onderzoek alleen gericht op weetwoorden. In het onderzoek zijn alleen computerprogramma’s onderzocht waarmee specifiek woorden uit de methode geoefend kunnen worden. Om zo min mogelijk niveau verschil in de weetwoorden te hebben, bij de verschillende observaties en meetmomenten, zullen het steeds weetwoorden zijn uit categorieën, die ook in de volgende CITO toets E6 zijn gevraagd. Het onderzoek is gedaan na de afname van de spellingstoets M6. De kinderen gaan de woorden uit de bijpassende methodeles automatiseren met de drie onderzochte computerprogramma’s Zwijsen, Bloon en Ambrasoft. Deelvragen: 1. Welke bevindingen uit de literatuur kunnen vertaald worden naar de didactiek van het automatiseren van de weetwoorden? 2. Aan welke voorwaarden moet een spellingsoefenprogramma voldoen volgens literatuur onderzoek? Zowel op gebied van spelling als op het gebied van leren met een computerprogramma. 3. Hoe intensief is het werken met het programma? Sommige programma’s zijn dwingender in het tempo waarin geoefend moet worden. Dit geeft een intensievere oefening. Hoeveel woorden worden daadwerkelijk per 5 minuten geoefend? Hier wordt onafhankelijk van de leerling gemeten hoeveel woorden het programma per 5 minuten kan bieden. 4. Hoe is de time-on-task per minuut van de leerling die aan het programma zit? (In het literatuuronderzoek wordt uitgebreid beschreven wat time on task inhoudt). 5. Hoe ervaart de leerling het werken met het programma? 6. Is de leerling beloond, stimuleert het programma de motivatie om te leren bij de kinderen? (Geeft het programma positieve feedback en/of voortgangsfeedback?) 7. Biedt het programma een voor de leerkrachten bruikbaar overzicht van de resultaten om feedback te geven en de vorderingen van de leerlingen goed te volgen? 8. Hebben de leerkrachten de vaardigheden en motivatie ‘in huis’ om succesvol met een programma te werken? Gaan zij het programma op de juiste manier gebruiken en b.v. tijdig de juiste oefenstof klaar zetten? Met de uitkomsten van de deelvragen zijn kwaliteitskenmerken opgesteld waaraan een goed programma moet voldoen. Hiermee is een vergelijking tussen de programma’s gemaakt.

8


Hoofdstuk 3. Theoretische verkenning Over het gebruik van de betreffende spellingsprogramma’s is geen relevante informatie geschreven. Wel over de manieren waarop kinderen effectief spelling leren. Dit is vergeleken met oefenmanieren die de computerprogramma’s bieden. De kinderen gebruiken de computers zelfstandig, daarom is gekeken naar motiverende effecten bij leren, daarna is gekeken of de computerprogramma’s deze bieden. Automatiseren van rekenvaardigheden (Mullender-Wijnsma & Harskamp, 2011) heeft soms overeenkomsten met het aanleren van weetwoorden, daarom is ook dit onderzoek bekeken. Vooral vanwege de relevante informatie over het automatiseren van vaardigheden met de computer in het algemeen. 1. Welke bevindingen uit de literatuur kunnen op school vertaald worden naar de didactiek van het automatiseren van de weetwoorden? “De mogelijke didactische werkwijzen bij spelling zijn auditieve inprenting, visuele inprenting, beregeling en analogie” (Bonset & Hoogeveen, 2009, p. 13). Onderzoeken (Bonset & Hoogeveen, 2009) tonen aan dat visuele inprenting met daadwerkelijke oefeningen, bijvoorbeeld het natypen of vergelijken van woorden efficiënt is. Vooral het herhaaldelijk overtypen van woorden heeft veel leereffect. Ook het overschrijven van woorden geeft daadwerkelijke spellingskennis. De leeropbrengst stijgt naarmate de herhalingsfrequentie groter wordt. Ook hebben leerlingen baat bij een visueel dictee (Bonset & Hoogeveen, 2009), een oefenvorm die uitstekend met de computer is te doen. Spelling is voor de meeste kinderen een geautomatiseerd proces. “Als woorden goed zijn geleerd in ons geheugen, is ons informatiesysteem zelf in staat om via een statistisch werkende rekenmachinisme, parallellen tussen woorden te ontdekken en van daaruit automatisch werkende regels te formeren”. (Smits, 2011). Er moet worden gezorgd voor herhaling, oefening, feedback en een duidelijke relatie tussen spraak en spelling (Smits, 2011). Spellingszwakke kinderen hebben vaak moeite met het laten beklijven van spellingskennis. Voor training kan goed gebruik worden gemaakt van computerprogramma’s (Smits, 2011). Om een goede verbinding tussen spraak en taal te bewerkstelligen moet het kind het woord eerst uitspreken voordat het ingetypt wordt. Dit is in de praktijk moeilijk realiseerbaar en kan alleen ingezet worden voor zeer spellingszwakke leerlingen, die dit in een aparte ruimte met een begeleider kunnen doen. Smits noemt ook expliciet voordelen voor het werken met de computer; zo is typen een goede spellingsoefening, de computer geeft directe feedback en er wordt herhaald op een aantrekkelijke manier. 2. Aan welke voorwaarden moet een spellingsoefenprogramma voldoen volgens literatuur onderzoek? In computerprogramma’s is meestal minder aandacht besteed aan beregeling en analogie. De aandacht voor auditieve en visuele inprenting verschilt per programma. Kinderen zijn vooral visueel gericht bij het leren van spelling en maken minder gebruik van regels (Bonset & Hoogeveen, 2009). Dit sluit goed aan bij het oefenen op een computer en het is dus niet noodzakelijk, dat het programma de spellingsregels toont. Vergelijkingen tussen spellingsprogramma’s zijn in de literatuur niet gevonden. Er is wel een vergelijkend onderzoek verricht naar het verschil tussen de spellingchecker, die geeft alleen aan of het resultaat goed of fout is en visuele feedback, het laten zien van het woord met de juiste spelling (Weekers, Huygevoort, Bosman, & Verhoeven, 2005). In dit

9


onderzoek is het voordeel bewezen van directe feedback t.o.v. uitgestelde feedback bij een papieren dictee. Daarna is ingegaan op de vorm van feedback. Alleen kennis van het resultaat biedt voor de meeste leerlingen te weinig aanknopingspunten. Met beide methodes verbetert de spelling van de leerlingen, maar met de visuele feedback hebben de zwakke leerlingen minder herhaling nodig om tot een verbetering van de spellingsresultaten te komen, voor de goede leerlingen is geen duidelijk verschil. Om de resultaten van de zwakke spellers te verbeteren, moet het programma dus visuele feedback geven, daar alleen resultaat gerichte feedback te weinig effect heeft voor zwakke spellers. De inzet van ICT en rekenonderwijs is onlangs onderzocht (Mullender-Wijnsma & Harskamp, 2011). Dit onderzoek biedt heldere criteria voor de effectiviteit van rekenprogramma’s. Ook is gekeken welke rekenprogramma’s daaraan voldoen. Uit onderzoek blijkt, dat veel scholen de rekencomputerprogramma’s niet systematisch inzetten en niet effectief gebruiken, dit is vergelijkbaar met het gebruik van de spellingsprogramma’s op de onderzoeksschool. De onderzoekers geven aan dat het moeilijk is om juiste programma’s in te zetten door de enorme keuze (in 2011 telden zij 140 rekenprogramma’s via (SLO, 2012) www.leermiddelenplein.nl. Voor spellingsprogramma’s gaf deze website iets minder resultaten, 43 programma’s, maar ook dit zijn er erg veel. Vijf criteria voor een effectief rekenprogramma zijn: (Mullender-Wijnsma & Harskamp, 2011) 1. Leerstof aansluitend bij de leerlijn en het niveau van het kind. 2. Uitleg met korte visuele ondersteuning. 3. Korte inhoudelijke feedback. 4. Motiverend. 5. Keuzevrijheid. Voor het spellingsonderzoek zijn een aantal zaken minder relevant, de lesstof moet aansluiten bij de spellingsles en alleen de benodigde herhalingen moeten per leerling aangepast. Een korte visuele uitleg is niet nodig en bij de feedback volstaat visuele feedback. De motivatie en de keuzevrijheid van de leerling zijn meegenomen in het onderzoek. Volgens de vormkenmerken van Alessie en Trollip (Mullender-Wijnsma & Harskamp, 2011), moet een programma:      

Instrueren, introduceren en instructie bij de opgaven geven. een goed/fout feedback geven bij de opgaven. toetsen. vorderingen registreren. resultaten en fouten analyseren. een vervolg plannen, eventuele herhalingen plannen en het niveau aanpassen.

Bij het spellingsprogramma is een introductie en instructie niet nodig, doordat het programma alleen ingezet wordt, om de in de les aangeleerde woorden, te oefenen. Ook hoeft er niet uitgebreid getoetst te worden, maar is een eenvoudige foutanalyse voldoende. 3. Hoe intensief is de training? Sommige programma’s zijn dwingender in het tempo, waarin geoefend moet worden. Dit geeft een intensievere oefening. Hoeveel woorden zijn daadwerkelijk per 5 minuten

10


geoefend? Hier is onafhankelijk van de leerling gemeten, hoeveel woorden het programma per 5 minuten kan bieden. Dit is belangrijk omdat de leeropbrengst stijgt, bij een hogere herhaalfrequentie (Bonset & Hoogeveen, 2009). 4. Hoe is de time-on-task per minuut van de leerling die aan het programma zit? De time-on-task van de leerlingen moet gemeten worden omdat “Children who do not pay attention during the teaching of a concept often only partially learn the concept or do not learn it at all.” (Davidson & Powell, 1986, p. 29). In de jaren zestig ging men ervan uit dat door de onderwijstijd te verlengen de leerprestaties verbeterden. Deze “Allocated time is the total amount of time available for learning; e.g. the length of the school day or a class period. It is the opportunity to learn”. (Florida Education Association, 2012) Later is door verdere onderzoeken bekend geworden dat de manier waarop die tijd ingevuld wordt ook van belang is, maar de gemeten tijd blijft een gebruikt onderzoeksitem. Time on task ook wel “engaged time” demonstrate that the more engaged time students have, the higher they achieve. Highly interactive instructional styles lead to greater amounts of student engaged time, and, consequently, increased student learning (Florida Education Association, 2012). Het gaat dus niet alleen om actieve, maar ook betrokken tijd die de leerling bezig is. Termen waaronder de time-on-task bekend staan zijn; “attending behavior”,” on-taskperformance”, “academic learning time”en “academic engaged minutes”. Dit is niet de tijd die leerlingen op school doorbrengen, maar de effectieve leertijd. Onderzoek in Amerika toont aan dat als de schooltijden verlengd worden, het niet noodzakelijk ook zo is dat de leerprestaties verbeteren. (Mulholland & Cepello, 2006). “Schools began to focus on maximizing student learning and increasing effective teaching methods (Metzker, 2003). Researchers began to see educational time as a vertical continuum, with the number of hours in a school year at the top of the continuum. At the bottom of the time continuum, the most difficult to measure along with the most challenging for legislatures to influence, were those instances when students successfully learned core content” (Aronson et al, 1999). “This level of time is defined as Academic Learning Time (ALT)”(Mulholland & Cepello, 2006, p. 63). Academic learning time has to do with quality; it is the amount of time students spend actively working on tasks of an appropriate difficulty (Florida Education Association, 2012). ALT is de tijd die leerlingen actief betrokken besteden aan leren op hun juiste niveau, de meest complete en moeilijkst meetbare methode. ALT is leerling-afhankelijk, de totale tijd die de leerling op een betrokken manier op zijn niveau aan het oefenen besteedt. Om de effectieve leertijd te meten zijn er verschillende begrippen, de totale beschikbare leertijd, de leertijd dat de leerling betrokken bezig is en als allerbeste de leertijd die de leerling betrokken bezig is op zijn juiste leerniveau, ook wel de Academic learning time. Bij het verhogen van de ALT worden de leerprestaties verhoogd. “The Beginning Teacher Evaluation Study (BTES) findings on engaged time or time on task, demonstrate that, the

11


more engaged time students have, the higher they achieve” (Florida Education Association, 2012).

5. Hoe ervaart de leerling het werken met het programma? Dit is een onderdeel van de ALT, door te weten hoe de leerling het programma ervaart kun je een deel van zijn betrokkenheid meten. In de literatuur is niet veel beschreven over het oefenen op de computer van spelling en hoe de leerlingen dit beleven. Wel is bij retentietraining voor dyslectische kinderen (en/of kinderen met geheugenproblemen en zware fonologische problematiek) aangeraden om dit met een computer te doen. Dit is vanwege de directe feedback en de meerwaarde betreffende de motivatie door de computer (Braams, 2001). De leerlingen kunnen dan het beste steeds enkele minuten oefenen. Hieruit kun je afleiden dat het ook voor zwakke spellers goed is om dit met een computerprogramma te trainen. 6. Wordt de leerling beloond, stimuleert het programma de motivatie om te leren bij de kinderen? (Geeft het programma positieve feedback en/of voortgangsfeedback?) Belangrijk is dat het programma positieve feedback en/of voortgangsfeedback geeft of de leerling op andere manieren motiveert. Het grote voordeel van het werken met de computer is de directe en neutrale feedback (Smits, 2011). Verder heeft voortgangsfeedback een positief effect op de leerprestaties. Dit is iets wat een computerprogramma goed en direct kan (Smits, 2011). “Behaviorisme (J. Watson) stelt dat de beste manier om iemand iets te laten doen, is om een beloning te geven wanneer iemand handelt zoals wij willen dat hij handelt. En het tegengestelde, straffen is de manier om ongewenst gedrag niet langer te laten plaatsvinden” (Bors & Stevens, 2010, p. 82). Sommige computerprogramma’s werken op deze manier door de leerling te belonen als de hele oefening is afgemaakt met bv. een leuk bewegend filmpje of een grappige mop. Er zijn programma’s die als het gewenste gedrag niet vertoond wordt, de leerling de hele opdracht opnieuw laten doen. Dit past ook bij het behaviorisme. Een beperking van deze theorie is het uitgangspunt, dat mensen alleen door externe motiverende of demotiverende stimuli gewenst gedrag vertonen (A.Kohn). “Extrinsieke motivatoren kunnen onze intrinsieke motivatoren uitdoven. Beloningen zijn contraproductief in situaties die creativiteit en vindingrijkheid vragen, waarbij men niet kan terugvallen op routinematig gedrag” (Bors & Stevens, 2010, p. 96). Het automatiseren van weetwoorden is deels routinematig en zou dus met extrinsieke motivatoren beloond mogen worden Dit kan wel de intrinsieke motivatie ondermijnen, goed gedrag doen afnemen en verslavend werken. Beter is voldoen aan de drie basisvoorwaarden om te leren van L. Stevens: relatie, autonomie en competentie (Dijkstra, 2000). Competentie, het gevoel op je taak berekend te zijn, is noodzakelijk voor een gemotiveerde leerhouding, hierbij past een voortgangsfeedback. Verder is het bij deze voorwaarde belangrijk, dat de leerkracht weet hoe de leerling de oefeningen maakt. Kan de leerling zijn taak aan? Deze kennis is ook voor de relatie tussen leerling en leerkracht belangrijk. Voor de autonomie is het goed als leerlingen zelf een keuze kunnen maken uit diverse soorten oefeningen.

12


Andere motivatoren zijn het betekenisvol maken van de leerstof en het vertrouwen hebben in de leerling door de leerkracht (Klarus & Simons, 2009), maar dit valt buiten het onderzoek. Het zijn wel voorwaarden die indirect van invloed blijken op de keuze voor een bepaald spellingsprogramma. Leerlingen met een intrinsieke motivatie bij wie aan bovengenoemde voorwaarden is voldaan, hebben geen extrinsieke motivatie nodig om met een oefenprogramma voor spelling te werken. 7. Biedt het programma een goed overzicht voor de leerkracht? De leerkracht is binnen de school de belangrijkste factor die invloed heeft op leerlingen (Pameijer, Beukering, & Lange, 2009). Het allerbelangrijkste zijn de verwachtingen, die de leerkracht van de leerlingen heeft (Bonset & Hoogeveen, 2009). Dit is de algemene houding, waarmee de leerkracht in de groep staat. Om de leerling te ondersteunen en feedback te geven moet de leerkracht, de resultaten van de oefeningen terug kunnen zien. De leerkracht kan bij een computerprogramma met duidelijke overzichten, (leertijd, gemaakte fouten, verrichte oefeningen) de leerlingen hulp op maat bieden (MullenderWijnsma & Harskamp, 2011). 8. Hebben de leerkrachten de vaardigheden en motivatie ‘in huis’ om succesvol met een programma te werken? Gaan zij het programma op de juiste manier gebruiken en b.v. tijdig de juiste oefenstof klaar zetten? Leerkrachten gebruiken computerprogramma’s vaak niet juist (Mullender-Wijnsma & Harskamp, 2011) Het registratiesysteem wordt niet gebruikt, terwijl hiermee op het juiste niveau van de leerling gewerkt kan worden. Samengevat: Kwaliteitskenmerken voor een spellingsprogramma op basis van bestudeerde literatuur over het effectief oefenen van spelling zijn:          

13

Daadwerkelijke oefeningen, bv. natypen en niet alleen lezen. Directe feedback, voortgangsfeedback en visuele feedback. Herhaling bieden tot de stof beheerst wordt. Bewezen goede oefenvormen, zoals een visueel dictee. Auditieve ondersteuning bieden. Motivatie door extrinsieke beloningen Een bepaalde keuzevrijheid. Vorderingen goed registreren met een duidelijke foutanalyse. Eenvoudig bedienbaar zijn. Een hoge ALT.


Hoofdstuk 4. Onderzoeksstrategie Bij dit actieonderzoek met een onderzoeks- en handelingsdeel, (Lange, Schuman, & Montesano Montessori, 2011) is volgens de aanpak van Schuman, eerst het praktijkprobleem geformuleerd, met een voorlopige onderzoeksvraag. Daarna is het onderzoek uitgevoerd en gegevens verzameld. De gegevens zijn geanalyseerd en geëvalueerd en de uitkomsten gewaardeerd, wat leidt tot aanbevelingen en een actieplan. De laatste fases, het uitvoeren van verbeteracties en het evalueren van het resultaat, worden later uitgevoerd en i.v.m. de tijdsplanning niet in het onderzoek meegenomen. Uit literatuuronderzoek blijken de kwaliteitskenmerken, waaraan de te bestuderen computerprogramma’s moeten voldoen. Documentenonderzoek Onderzocht zijn het onderdeel taal van het computerpakket Ambrasoft van uitgeverij Noordhoff, het computerprogramma Bloon, een internetprogramma gemaakt door juf Aukje uit Deventer via www.Bloon.nl en het computerprogramma van de spellingsmethode “Spelling in beeld”van de uitgever Zwijsen. Voor de leesbaarheid van het onderzoek zijn de programma’s verder aangeduid met Ambrasoft, Bloon en Zwijsen. Via documentenonderzoek zijn de computerprogramma’s met elkaar vergeleken, om te beoordelen wat de technische mogelijkheden en instellingen van het programma zijn. Dit kan via de websites onderzocht (Mullender-Wijnsma & Harskamp, 2011). De onderzoekster heeft er echter voor gekozen dit intensiever te doen, via handleidingen en het praktisch gebruiken van de programma’s, daar de websites ook voor commerciële doeleinden worden gebruikt. De volledige uitwerking van de technische mogelijkheden staat in de bijlage beschreven. De gevonden gegevens zijn in een tabel verwerkt. Het verschil in kosten van de programma’s is bewust niet meegenomen in dit onderzoek om zo zuiver te onderzoeken wat het beste programma is om spelling te leren. Het budget van de school mag hierop niet van invloed zijn. Leerling-onafhankelijke intensiteit meting Eerst is leerling-onafhankelijk onderzocht wat de intensiteit van de programma’s is. De programma’s die aan de gestelde voorwaarden voldoen zijn daarna vergeleken door de leerlingen hiermee te laten werken. De vergelijking gebeurt aan de hand van de kwaliteitskenmerken die voortvloeien uit het literatuuronderzoek. Observaties leerlingen Er zijn vier spellingszwakke leerlingen uit groep 6 geobserveerd tijdens het werken met de programma’s. Bij diverse onderzoeken (Weekers, Huygevoort, Bosman, & Verhoeven, 2005) blijkt dat slechte spellers anders reageren op spellingsprogramma’s dan goede spellers, daarom zijn alleen spellingszwakke leerlingen onderzocht. Voordelen van een observatie zijn, “dat er geen instrumenten nodig zijn, het gedrag van de leerlingen niet onderhevig is aan sociaal wenselijk gedrag en dat de observaties een compleet beeld geven. Er is participerend en open geobserveerd” (Peet & Everaert, 2011, p. 142). Hierdoor is het gedrag van de leerlingen misschien anders, maar valt nog steeds een vergelijking tussen de programma’s te maken, omdat het gedrag bij alle observaties vergelijkbaar is. Volgens (Lange, Schuman, & Montesano Montessori, 2011, p. 153) is een objectieve niet vertekende waarneming onmogelijk. “De menselijke neiging tot interpretatie is groot”. De onderzoeker kent de leerlingen persoonlijk en de kans is groot dat daardoor hun gedrag geïnterpreteerd is. Dit is voorkomen door een gestructureerde observatie met een schema waarbinnen kwantitatieve gegevens zijn genoteerd. Te denken valt aan het aantal woorden wat daadwerkelijk geoefend is in 5 minuten. En de taakgerichtheid, hoe vaak stoppen leerlingen met het programma en doen zij tussendoor andere dingen. Het is niet mogelijk om kwantitatief onderzoek te doen naar de effecten van het computerprogramma op de spellingsresultaten. Er zijn teveel variabele, die de resultaten van het programma mede beïnvloeden, zoals de effecten van de instructie van de

14


leerkracht en de schriftelijke lessen. Verder is de onderzoeksgroep te klein voor betrouwbare kwantitatieve resultaten. Interview leerlingen Nadat de kinderen met de verschillende programma’s hebben gewerkt, zijn ze geïnterviewd, om de motivatie van de leerlingen bij verschillende programma’s te meten. Dit is geschikter dan een enquête, die is meer voor kwantitatief onderzoek. “En is niet geschikt om diepe gevoelens, beleving, motieven of complexe kennis te peilen”. (Lange, Schuman, & Montesano Montessori, 2011, p. 191). Er is gekozen voor een narratief interview waarbij de interviewer een onderwerpenlijst hanteert, de interviews zijn daarna geanalyseerd. Enquête leerkrachten Na bekendmaking van de resultaten van voorgaande onderzoeken, volgt een computergestuurde enquête met de leerkrachten uit groep 4 tot en met 8. Dit is een geschikte methode om meningen te achterhalen (Peet & Everaert, 2011). Onderwerpen hierbij zullen zijn; gebruiken de leerkrachten de foutanalyse van het programma? Verwachten zij het programma goed in te kunnen stellen en kunnen zij de leerstof passend bij de spellingsles klaar zetten voor de leerlingen? Analyse en actieplan Hierna volgt de analyse van de gegevens. De ALT is benaderd door een combinatie te nemen van onderstaande gegevens;  de beschikbare leertijd binnen het programma,  de technische mogelijkheden van het programma,  de hoeveelheid woorden die kinderen in een bepaalde tijd daadwerkelijk kunnen oefenen,  de mening van de leerlingen over het programma,  de geobserveerde betrokken tijd, die de leerlingen daadwerkelijk bezig zijn met het programma. Alle geoefende woorden zijn vergelijkbaar, weetwoorden (woorden die uit het hoofd geleerd moeten worden) op het niveau van de Cito M6. Het programma moet de leerlingen helpen, om zo effectief mogelijk spelling te leren. Bij de analyse van de resultaten is onderscheid gemaakt tussen resultaten, die onveranderbaar zijn en resultaten die eventueel oplosbaar zijn. Zo is bv. kennisgebrek van leerkrachten oplosbaar en kunnen instellingen in het computerprogramma worden veranderd. De analyse leidt tot het actieplan voor de school. Hierin is beschreven op welke wijze het programma moet worden ingezet. Bij het actieplan moet men er rekening mee houden, dat geïnterviewde leerkrachten sociaal wenselijke antwoorden geven en later toch niet doen wat zij aangegeven hebben. Er is in het onderzoek geen marge m.b.t. de betrouwbaarheid ingebouwd. Op de onderzoeksschool hebben de collega’s vertrouwen in elkaar en heerst er momenteel een open sfeer, waarin mensen het durven aangeven als zij de nu gegeven sociaal wenselijke antwoorden niet kunnen waarmaken.

15


Hoofdstuk 5 Analyse van de data Documentenonderzoek Dit is een vergelijking tussen de spellingsprogramma’s op grond van de handleidingen, de website en het daadwerkelijk testen van de programma’s om zo te kijken welk programma het best voldoet aan de, uit het literatuuronderzoek gevonden, kwaliteitskenmerken. Documentenonderzoek spellingsprogramma's goede didactische werkwijzen voor spellingsprogramma's

Ambrasoft

Bloon

Zwijsen

Visuele inprenting door natypen

1

1

2

Visuele inprenting door vergelijken van woorden

1

1

2

visueel dictee

2

1

2

auditieve ondersteuning door het programma (programma spreekt het woord uit)

2

4

2

auditieve ondersteuning door de leerling (het woord na kunnen zeggen)

1

grote herhaalfrequentie mogelijk

4 programma heeft zoveel geluid dat dit niet lukt. 1

1

4 programma heeft zoveel geluid dat dit niet lukt. 2

Feedback

Ambrasoft

Bloon

Zwijsen

Visuele feedback (essentieel voor zwakke spellers)

1

1

2

resultaat gerichte feedback

1

1

2

Voortgangsfeedback

1

1

3

beloont het programma (komt er iets leuks na een goed resultaat)

1

4

1

straft het programma (moet de hele oefening over bij een slecht resultaat)

1

4

1

mogelijkheden voor persoonlijke feedback van de leerkracht Voldoet het programma aan de basisvoorwaarden om te leren? Relatie (aanwezigheid leerkracht merkbaar bij programma)

4

1

4

Ambrasoft

Bloon

Zwijsen

3 Leerkracht kan instellingen aanpassen. 1

2 leerkracht geeft feedback, beloning 1

4

competentie (kan de leerling de taak aan, zijn er mogelijkheden voor zwakke spelers)

1

1

2

Kan de leerkracht een goed overzicht krijgen?

Ambrasoft

Bloon

Zwijsen

Gebruikte leertijd van de leerling

1

1

1

gemaakte oefeningen

1

1

1

foutanalyse op individueel niveau

1

1

1

foutanalyse op groepsniveau

1

1

1

autonomie (keuzemogelijkheden)

Verklaring van de gebruikte codes 1 = altijd mogelijk 2 = bij een aantal onderdelen mogelijk 3 = bijna niet mogelijk 4 = niet mogelijk

Figuur 2, tabel met resultaten documentenonderzoek

16

2


In voorgaande tabel (met eisen die bewezen effectief zijn voor zwakke spellers) is te zien of de programma’s aan de eisen voldoen. Bij score 1 voldoet het programma volledig in alle omstandigheden aan de eis. Bij 2 is het wel mogelijk, maar zullen extra handelingen verricht moeten worden. Bij 3 is het summier of alleen bij enkele onderdelen mogelijk. Bij 4 is het in het totaal niet mogelijk.

Figuur 3 staafdiagram “de hoeveelheid eisen waaraan de programma’s voldoen” Zoals uit bovenstaand staafdiagram blijkt, voldoen alle drie de programma’s aan de meeste eisen, waar effectieve spellingsprogramma’s aan moeten voldoen. Bij Zwijsen zijn alleen in 9 gevallen extra handelingen nodig om te zorgen dat het programma aan de eisen voldoet. Voor heel zwakke spellers is het effectief gebleken, als zij zelf het woord hardop herhalen, er moet een duidelijke relatie tussen spraak en spelling zijn (Smits, 2011), dat is eigenlijk alleen bij Bloon echt mogelijk.

Juiste leerstof Naast bovenstaande kwaliteitskenmerken is onderzocht of kinderen de juiste leerstof, passend bij de spellingsles oefenen met het programma. Uit de handleidingen blijkt dat bij Bloon, alleen de door de leerkracht klaar gezette les geoefend kan worden. Bij Ambrasoft zijn alle lessen beschikbaar voor de leerlingen en de leerlingen moeten er zelf voor zorgen dat zij de juiste les oefenen. Bij Zwijsen kunnen alle lessen klaar gezet worden, de leerkracht kan er ook voor kiezen om alleen de juiste les klaar te zetten. Leerling-onafhankelijke intensiteit meting De onderzoeker heeft geprobeerd zelf de intensiteit (de snelheid waarmee weetwoorden geoefend worden) van de verschillende programma’s te meten, door zo snel mogelijk de oefeningen te maken. Er bleek een duidelijk verschil tussen de drie programma’s. Bij Bloon gaat geen tijd verloren met animaties, de tiksnelheid van de onderzoeker bepaalt

17


de oefensnelheid. Bij Ambrasoft is het mogelijk om de animaties weg te klikken en door te gaan en er zijn oefenmogelijkheden met beperkte animaties. Kliksnelheid en tiksnelheid bepalen dan de oefensnelheid. Bij Zwijsen is het niet mogelijk om de animaties weg te klikken, intensief snel oefenen is hierdoor niet mogelijk. Geen van de programma’s dwingen tot een bepaalde oefensnelheid. De oefensnelheid wordt soms wel afgeremd. Een meetbaar vergelijk was hier niet te maken, daar er ook heel verschillende oefenvormen zijn. Observaties leerlingen De 4 spellingszwakke leerlingen uit groep 6 (zij behaalden de afgelopen anderhalf jaar bij de “Spelling Cito” scores tussen de IV en V-) zijn in de natuurlijke omgeving geobserveerd. Het zijn participerende observaties, de leerkracht, c.q. onderzoeker maakt deel uit van de klas. De verstoring is niet al te groot, al zijn enkele observaties niet gelukt, omdat de kinderen zo nieuwsgierig zijn, dat ze mee gingen kijken naar de stopwatch. Deze observaties zijn ook niet meegenomen in het onderzoek. De observaties zijn noodgedwongen open, het is niet mogelijk dit op een verborgen manier te doen, hierdoor ontstaat echter het probleem dat er geen ongewenst gedrag is te meten. De leerlingen laten zich tijdens de programma’s nooit afleiden door andere dingen en werken non-stop betrokken aan het spellingsprogramma. De onderzoeker weet dat het bij Ambrasoft mogelijk is om op een te laag niveau te oefenen en zodoende veel punten te verdienen. Bij rekenen is dit door leerlingen vaak gedaan. Bij deze observaties is dit niet voorgekomen, terwijl deze mogelijkheid ook in het spellingsprogramma aanwezig is. In hoeverre dit door de open observatie is beïnvloed is niet aan te tonen. Door de open observaties en de betrokkenheid waarmee de kinderen oefenen, kun je stellen dat de kinderen, de voor hun maximale oefenmogelijkheden van de programma’s laten zien. Gelet is op het aantal woorden, wat zij in een bepaalde tijd oefenen (eventsampling). Er is gemeten vanaf de tijd dat de oefening start tot de tijd dat het eindresultaat van de oefening in beeld verschijnt.

leerling a

18

leerling b


leerling c

leerling d

Figuur 4 de gemiddelde tijd in seconden die leerlingen gebruiken om 1 woord te oefenen. In bovenstaand figuur staan in vier taartdiagrammen het gemiddelde aantal seconden, dat de leerling over het oefenen van een woord doet bij elk programma. Alle vier de leerlingen blijken bij Bloon de minste tijd nodig te hebben om woorden te oefenen. Drie van de vier leerlingen kunnen met Ambrasoft net iets meer woorden oefenen dan met Zwijsen. Er is eerst gekeken, hoe de leerlingen onafhankelijk van elkaar met de verschillende programma’s werken. Daarna zijn de gezamenlijke resultaten van de leerling per programma bekeken.

Figuur 5 gemiddelde tijd per programma om een spellingswoord te oefenen In de individuele resultaten scoorde Bloon het beste. De resultaten van Ambrasoft en Zwijsen wisselden, maar gemiddeld geeft Ambrasoft net een iets beter resultaat. Er is gemiddeld bij Bloon 6,3 seconden nodig om een woord te oefenen, tegen resp. 15,67 bij Ambrasoft en 17,19 seconden bij Zwijsen.

19


Figuur 6 de standaarddeviatie van de gemeten scores. De standaardafwijking laat de mate waarin de waarden onderling verschillen zien. Aandachtspunt hierbij is het grote verschil in metingen bij Ambrasoft en Zwijsen. Bloon laat vrij constante resultaten zien. Begrijpelijk, daar de oefenmethode steeds gelijk is, bij dit programma. Bij Ambrasoft en bij Zwijsen zijn heel verschillende manieren van oefenen, die verschillende tijden vergen. Zo bestaat de snelste oefenmethode bij Ambrasoft uit het aanklikken van de juiste woorden, ook heeft Ambrasoft een oefenvorm, waarbij maar een deel van het woord getypt hoeft te worden. Deze methodes verklaren de lage scores in de resultatenlijst, die overigens door de animaties rond de oefeningen, wel hoger liggen dan de resultaten van Bloon Bij Zwijsen wordt voor bijna elke oefening eerst een uitleg met animatie afgespeeld, die kan door de leerlingen vrij snel weg worden geklikt, maar dit kost toch oefentijd

Interviews leerlingen Om inzichtelijk te krijgen hoe de leerlingen het programma ervaren zijn de vier leerlingen geïnterviewd. De interviews zijn opgenomen. De tekst uit de interviews die betrekking heeft op onderstaande vijf vragen, is met de inductieve benadering uitgewerkt in kolommen, om een overzicht te krijgen van de gezamenlijke mening over deze vragen. De onderzoekster heeft hier geen softwarepakket voor gebruikt, omdat het lastig is om het gebruik ervan eigen te maken en heeft daardoor gekozen voor de ouderwetse manier met kleurstiften, alleen dan wel digitaal verwerkt (Lange, Schuman, & Montesano Montessori, 2011). 1. Geeft het programma duidelijke feedback? Dit motiveert de leerling (Smits, 2011) en verhoogd de spellingsresultaten (Braams, 2001). De feedback van de programma’s is heel wisselend ervaren, Bloon noemen de leerlingen over het algemeen iets vaker positief. Niet elke leerling kijkt naar de feedback. 2. Ervaart de leerling keuzevrijheid? Dit versterkt de autonomie en dus de motivatie van de leerling (Dijkstra, 2000). Bij de keuzevrijheid noemen leerlingen vooral momenten, waarin ze belemmert zijn in de keuze. Zo kunnen ze bij Zwijsen niet zelf bepalen in welk tempo ze oefenen, doordat ze op de animaties moeten wachten, dit vinden ze hinderlijk. Ook vinden leerlingen het vervelend dat ze niet zelf kunnen kiezen of ze woorden in beeld willen zien (in Ambrasoft staan de woorden die geleerd moeten worden altijd in beeld). Andersom vinden de leerlingen het ook onprettig dat de woorden bij Zwijsen soms heel snel uit beeld gaan.

20


De leerlingen willen zelf de tijd bepalen die de woorden in beeld staan. Ook willen ze zelf het oefentempo bepalen. 3. Beste oefenmethode volgens de leerling? De mate van betrokkenheid verhoogt de opbrengst (Florida Education Association, 2012). De leerlingen noemen het vaakst Bloon als beste oefenmethode. Argumenten zijn dan de betere concentratie, het typen als oefening i.p.v. klikken. Slechts één leerling noemt juist de andere twee programma’s. De leerlingen noemen het moeten verbeteren van woorden (bij Bloon altijd noodzakelijk) een nuttige oefening. 4. Voelt de leerling zich beloond door extrinsieke en/of intrinsieke motivatoren? De voorkeur gaat hier uit naar intrinsieke motivatoren, want extrinsieke motivatoren kunnen de intrinsieke motivatoren uitdoven (Bors & Stevens, 2010). Beloning in de vorm van animaties, positieve feedback, wordt niet positief genoemd. Een spelletje (galgje) mogen doen, als het klaar is werd wel positief beoordeeld. 5. Is er behoefte aan auditieve ondersteuning? Uit onderzoek blijkt dat kinderen vooral visueel gericht zijn bij het leren van spelling (Bonset & Hoogeveen, 2009), maar wordt ook het belang van auditieve inprenting genoemd en onderzoek toont ook een duidelijke relatie tussen spraak en spelling en dus auditieve ondersteuning (Smits, 2011). In het onderzoek is ervoor gekozen om de leerlingen naar hun onderwijsbehoefte te vragen. De zelfkennis van leerlingen kan hiervoor goed benut worden (Pameijer, Beukering, & Lange, 2009). Eén leerling wil graag auditieve ondersteuning om fouten te kunnen vinden in de woorden, de anderen willen nadrukkelijk geen auditieve ondersteuning. Enquête leerkrachten Bovenstaande resultaten zijn met de leerkrachten tijdens de teamvergadering doorgesproken. Hierna hebben zij een digitale enquête gekregen. De respons is 100%, dit doordat de enquête na afloop gelijk is ingevuld. De uitslag van de enquête is in de bijlage terug te vinden. De onderzoekster is eigenlijk ook participant in het geheel, maar heeft de enquête niet zelf ingevuld. Daar er nu maar drie leerkrachten de enquête hebben ingevuld, heeft ook het niet invullen, invloed op de resultaten. Samengevat blijkt dat er niet naar de leerling-resultaten wordt gekeken, hooguit om te kijken of er daadwerkelijk geoefend is. De leerkrachten zeggen te weten hoe ze met Ambrasoft en Bloon om moeten gaan en twee leerkrachten zijn op cursus geweest bij Ambrasoft. De helpfunctie van Zwijsen is door alle leerkrachten bestudeerd, maar slechts één leerkracht geeft aan met het programma om te kunnen gaan. Twee van de drie leerkrachten willen volgend jaar het liefst in ieder geval met Bloon werken, omdat ze dit ook voor het huiswerk gebruiken. De andere programma’s zijn niet geschikt voor thuisgebruik. De eis dat het programma ook geschikt moet zijn voor thuisgebruik was niet meegenomen in het onderzoek, maar komt via deze enquête wel naar voren als een eis bij de leerkrachten.

21


Hoofdstuk 6 Conclusie, discussie en aanbevelingen Conclusie Bloon blijkt, op de onderzoeksschool de spellingszwakke leerlingen het best te helpen, bij het automatiseren van de weetwoorden van de spellingsmethode “Spelling in beeld” van uitgeverij Zwijsen. Bloon biedt goede oefenmethoden en voldoet aan de meeste kwaliteitskenmerken om goed spelling te oefenen. De leerlingen oefenen de juiste lesstof op een motiverende manier. Ze kunnen in eigen tempo oefenen. Bloon biedt resultaatsen voortgangsfeedback en een goede foutanalyse, zowel voor de leerkracht als voor de leerling. Doordat de leerlingen met Bloon de meeste woorden in een bepaalde tijd kunnen oefenen is de herhaalfrequentie het hoogst, wat de leeropbrengst verhoogt. Bloon biedt de leerkracht als enige programma, de mogelijkheid om persoonlijke feedback te geven. Aanvullend voordeel is dat de oefeningen ook als huiswerk gedaan kunnen worden. De literatuur is vertaald naar de didactiek van het automatiseren van de weetwoorden. Hieruit blijkt dat visuele inprenting door natypen, vergelijken en het maken van een visueel dictee goede oefeningen zijn (Bonset & Hoogeveen, 2009). Een grote herhaalfrequentie is belangrijk, de leeropbrengst stijgt naar mate de herhaalfrequentie groter is. Er moet een relatie zijn tussen spelling en spraak, het woord horen en/of kunnen uitspreken is belangrijk. Een computer kan een aantrekkelijke manier van oefenen bieden met directe feedback (Smits, 2011). Bloon voldoet in vergelijking met de andere programma’s aan de meeste kwaliteitskenmerken voor goede spellingsoefeningen. Bloon mist als enige programma auditieve ondersteuning door het programma, maar biedt daarentegen als enige programma mogelijkheden voor auditieve ondersteuning door de leerling zelf. Er is niet alleen literatuur verschenen over de didactiek van spelling in het algemeen, maar ook specifiek gericht op het leren met een computer. Hieruit leren we aan welke voorwaarden een spellingsprogramma moet voldoen. Het programma moet visuele feedback bieden, (Weekers, Huygevoort, Bosman, & Verhoeven, 2005). Zwijsen biedt vaak geen visuele feedback. Bloon en Ambrasoft bieden dit op de juiste wijze aan. Verder moet het programma aansluiten bij de lesstof, iets wat bij Bloon altijd juist gaat, omdat het niet anders kan worden ingesteld. Bij Zwijsen kan dit ook goed worden ingesteld en bij Ambrasoft kan dit niet worden ingesteld en kan de leerling daardoor ook geheel andere leerstof oefenen. Het programma moet per leerling de benodigde herhalingen aanpassen. Dit is bij alle programma’s mogelijk, maar bij Zwijsen wordt dit door het programma gedaan, waardoor de leerkracht en de leerling er zelf geen zicht op hebben. Het programma moet verder motiverend zijn en de leerlingen enige keuzevrijheid bieden (Mullender-Wijnsma & Harskamp, 2011). Alle drie de programma’s zijn motiverend, maar de keuzevrijheid is bij Zwijsen duidelijk minder. De noodzakelijke foutanalyse (MullenderWijnsma & Harskamp, 2011) wordt wel door alle drie de programma’s geboden. De intensiteit waarmee kan worden geoefend is ook een belangrijk gegeven. Tijdens het onderzoek blijkt geen van de programma’s te dwingen tot een snel tempo, maar daarentegen soms te vertragen in het oefentempo. Bij Bloon gaat er geen tijd verloren aan het wegklikken van animaties. Ambrasoft vertraagt wel enigszins door de animaties, die overigens weg te klikken zijn. Bij Zwijsen zijn de animaties niet weg te klikken, waardoor een duidelijke vertraging optreedt. In de benutte leertijd oefenen de leerlingen met Bloon zeker het dubbele aantal woorden. De manier waarop de programma’s de leerlingen belonen is ook vergeleken. Zwijsen en Ambrasoft bieden beide extrinsieke beloningen in de vorm van animaties. De leerlingen blijken echter genoeg intrinsieke motivatie te hebben om spelling te willen leren, ze hebben de extrinsieke beloning niet nodig. Ook een zekere mate van keuzevrijheid (autonomie) bieden, motiveert de leerlingen, net als een gevoel van competentie en relatie (Dijkstra, 2000). Leerlingen ervaren de animaties als een beperking van de keuzevrijheid, ze kunnen niet in eigen

22


tempo oefenen. Voortgangsfeedback en resultaatgerichte feedback worden wel erg belangrijk gevonden en verhoogt het gevoel van competentie. Alleen Bloon biedt een voor de leerlingen duidelijke voortgangsfeedback, dit is ook het enige programma waarbij de leerkracht zelf gerichte feedback kan geven binnen het programma, dit versterkt het gevoel van relatie en leerlingen weten dat ze gezien worden. Voor de leerkracht is het daarom heel belangrijk dat het programma bruikbare overzichten biedt van de resultaten om zo feedback te geven en de vorderingen van de leerlingen goed te volgen. Alle drie de programma’s bieden uitstekende overzichten. Belangrijk is wel dat de leerkracht ook de vaardigheden heeft om die overzichten te kunnen gebruiken. Door de eenvoud van het programma kunnen de leerkrachten dit met Bloon het best. Zij hebben de vaardigheden en de motivatie ín huis’ om hiermee te werken. Het werken met Ambrasoft lukt nu twee leerkrachten, volgend jaar gaan de andere leerkrachten hier een scholing voor volgen. Zwijsen lukt geen van de leerkrachten volledig. Het is belangrijk dat de leerkrachten het programma op de juiste manier gebruiken en bijvoorbeeld tijdig de juiste oefenstof klaar zetten en het registratiesysteem gebruiken. Bij Bloon moet steeds een les klaar gezet worden. De leerkrachten kunnen er dus alleen op de juiste manier mee werken. Verder wordt Bloon gebruikt om als huiswerk mee te geven. Dit was niet in het onderzoek meegenomen, maar werd door de leerkachten wel als een belangrijk voordeel genoemd. Alleen Bloon is web-based en biedt de mogelijkheid om de oefeningen als huiswerk te doen.

Discussie Tijdens het onderzoek hadden de leerlingen de beschikking over drie programma’s. Als zij geen keuze meer hebben en meerdere jaren met hetzelfde programma moeten oefenen, gaan ze het programma misschien toch als saai ervaren. Dit is pas enkele jaren na invoering meetbaar. Uit de literatuur bleek niet duidelijk hoe de auditieve inprenting van woorden moest worden uitgewerkt. Ik ben er vanuit gegaan, dat het laten uitspreken van de woorden voldoende is en dat daardoor de auditieve ondersteuning die Ambrasoft en Zwijsen bieden minder noodzakelijk is. Achteraf gezien had ik in de literatuur verder moeten onderzoeken, wat de invloed hiervan is en dit op een betere manier in de kwaliteitskenmerken mee moeten nemen. Indien de literatuur hierover discussie bleef geven, zou verder onderzoek moeten uitwijzen, wat voor soort auditieve ondersteuning belangrijk is. Dit kan, doordat de computer het woord juist uitspreekt. Of doordat de computer juist uitspreekt, wat de leerling intypt, zodat de fout duidelijk wordt. Misschien is echter het zelf uitspreken door de leerling het belangrijkst. In het onderzoek is nu alleen uitgegaan van de onderwijsbehoefte van de leerling op dit gebied. Gezien de kleine onderzoeksgroep is het onderzoek alleen representatief voor deze school. Ik zou graag geweten hebben wat uit een kwantitatief onderzoek, met een grote doelgroep en over een meerjaren termijn de resultaten zijn.

Aanbevelingen Verder onderzoek naar de effecten van beloningen en animaties bij oefenprogramma’s zou nuttig zijn. Indien blijkt dat veel leerlingen voldoende intrinsieke motivatie hebben om te oefenen en geen extrinsieke motivatie nodig hebben, dan kunnen scholen geld besparen, op dure grafische programma’s en met eenvoudige programma’s werken, zoals Bloon. Dit kan ook bij andere vakgebieden van toepassing zijn. Op de korte termijn kan het voor veel scholen nu al lonend zijn, om een kort onderzoek te doen naar de effectiviteit van de gebruikte computerprogramma’s binnen de school. Op de onderzoeksschool wordt onderstaand actieplan ingevoerd en gaan de leerlingen naar aanleiding van dit onderzoek alleen nog met Bloon werken. Verder onderzoek naar het beste computerprogramma, waarmee gemiddelde of goede spellers oefenen zou ook nuttig zijn. Dit onderzoek richt zich op zwakke spellers, zij leren

23


anders dan gemiddelde - of goede spellers. Misschien blijkt dat de andere leerlingen een ander computerprogramma nodig hebben, dan deze zwakke spellers.

Actieplan Komend schooljaar wordt Bloon in de groepen 4 tot en met 8 ingevoerd als oefenmethode. Januari 2014 volgt een evaluatie. Bij nieuwe collega’s moet altijd een steekproef genomen worden om te kijken of het programma juist gebruikt wordt. Met de huidige collega’s moet dit besproken worden in de evaluatie. Een samenvatting van de beslissingen hierover staat in de bijlage.

24


Dankwoord Door de steun van de leerkrachten en de leerlingen van de onderzoeksschool heb ik dit onderzoek kunnen uitvoeren. Door de feedback en de hulp van mijn docenten Mirjam Komen, Inger Steinmetz en Els de Jong en het leerteam is het onderzoek gegroeid tot het huidige resultaat. Mirjam begeleidde mij in het opzetten en plannen van een onderzoek, van haar leerde ik dat niet alles kwantitatief te onderzoeken is en dat een kwalitatief onderzoek ook meetbare resultaten oplevert. Dankzij Inger heb ik geleerd dat lang van stof zijn niet leidt tot een goed verslag. Doordat zij mij verplichtte om mij aan het voorgeschreven aantal woorden te houden zijn de eerste 5 hoofdstukken 2500 woorden ingekort, wat het verslag duidelijker maakte. Els zorgde ervoor dat het verslag ook duidelijk en begrijpelijk werd voor mensen die niet op de hoogte waren van het onderzoek. Zij gaf feedback op onduidelijkheden die ik na anderhalf jaar werken niet meer zag. Het leerteam heeft ondersteuning gegeven tijdens de ontwikkeling van het onderzoeksplan. Door gezamenlijk te brainstormen ontstonden ideeĂŤn. Ook heeft het leerteam geholpen met het vinden van de juiste literatuur en het ontwikkelen van een duidelijke vorm en structuur in het onderzoek.

25


Bibliografie Bonset, H., & Hoogeveen, M. (2009). Spelling in het basisonderwijs. Een inventarisatie van empirisch onderzoek. Enschede: SLO-nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling. Bors, G., & Stevens, L. (2010). De gemotiveerde leerling. Apeldoorn: Garant. Braams, T. (2001). Dyslexie een complex taalprobleem. Amsterdam: Boom. Davidson, C. W., & Powell, L. A. (1986). The Effects of Easy-Listening Background Music on the OnTask-Performance of Fifth-Grade Children. The Journal of Educational Research , 29-33. Dijkstra, R. (2000). Laat dat maar aan mij over. Over de basisbehoefte competentie. Utrecht: APS. Florida Education Association. (2012). Florida Education Association; Time-on-Task: A Teaching Strategy that Accelerates Learning. Retrieved 2012 йил 9-juni from www.feaweb.org: http://feaweb.org/time-on-task-a-teaching-strategy-that-accelerates-learning Förrer, M., & Leenders, Y. (2010). Werken met groepsplannen, handreiking taalbeleid. Utrecht: PORaad / Projectbureau Kwaliteit, . Klarus, R., & Simons, P. (2009). Wat is goed onderwijs? Den Haag: LEMMA. Lange, R. d., Schuman, H., & Montesano Montessori, N. (2011). Praktijkgericht onderzoek voor reflectieve professionals. Antwerpen-Apeldoorn: Garant. Loomans, N. (2002). Iets voor de rondvraag? Over vergaderen en besluitvorming. Zaltbommel: Uitgeverij Thema. Mulholland, R., & Cepello, M. (2006). WHAT TEACHER CANDIDATES NEED TO KNOW ABOUT ACADEMIC LEARNING TIME. International journal of special education , 63-70. Mullender-Wijnsma, M., & Harskamp, E. (2011). Wat weten we over...ICT en rekenen in het basisonderwijs. Zoetermeer: Kennisnet. Pameijer, N., Beukering, T. v., & Lange, S. d. (2009). Handelingsgericht werken: een handreiking voor het schoolteam. Leuven: Uitgeverij Acco. Peet, A. v., & Everaert, H. (2011). Lessen in onderzoek, onderzoek in de onderwijspraktijk. Meppel: Agiel. SLO. (2012). www.leermiddelenplein.nl. Retrieved 2012 йил 1-mei from www.leermiddelenplein.nl: www.leermiddelenplein.nl Smits, A. (2011 йил juni). Retentietraining, als spelling niet lukt toch spelling leren. Retrieved 2012 26 -april from http://ikhebdyslexie.files.wordpress.com: http://ikhebdyslexie.files.wordpress.com/2011/06/retentietraining20als20spelling20niet20lukt20toc h20spelling20leren.pdf Weekers, A., Huygevoort, M. v., Bosman, A., & Verhoeven, L. (2005). Leren spellen met de computer: "Spellingschecker"versus "visuele feedback". Tijdschrift voor orthopedagogiek nr 44 , 28-36. 26


Bijlage 1 Technisch onderzoek van de spellingsprogramma’s De onderzochte programma’s Om te onderzoeken wat de programma’s daadwerkelijk bieden is de handleiding en de website doorgenomen en zijn de oefeningen (spelletjes) daadwerkelijk uitgetest door de onderzoeker.

Ambrasoft Taal

De leerlingen op de school zijn bekend met de software, er is een doorlopende lijn vanaf groep 3 met dit computerprogramma en het wordt ook gebruikt voor rekenen, lezen en in de hogere groepen voor werkwoordspelling. Twee leerkrachten hebben dit jaar een korte cursus gevolgd bij Ambrasoft. Het bedrijf biedt jaarlijks voor twee leerkrachten een gratis scholing. Volgend jaar gaan de andere twee leerkrachten scholing volgen. De ICT coördinator is ook bekend met het programma en heeft al eerder scholing gehad. Het bedrijf biedt ook korte webcasts, korte videocursussen op internet.

Door met het programma te oefenen kunnen de kinderen punten “Robbies” verdienen waarmee ze op een later tijdstip spelletjes kunnen spelen. Deze beloning is op alle onderdelen taal en rekenen te verdienen. Door de ICT’er zijn de woorden van de taalmethode “Spelling in beeld” ingevoerd in Ambrasoft. Het pakket heeft ook een eigen spellingslijn, die is op de onderzochte school uitgeschakeld, dit om verwarring te voorkomen en te zorgen dat de leerlingen daadwerkelijk oefenen met de woorden die geoefend moeten worden. “Ambrasoft helpt scholen met het gestructureerd in slijpen van de woorden die moeten worden aangeleerd, met aantrekkelijke en motiverende oefeningen”, aldus de leverancier. Dit onderzoek zal uitwijzen of dit klopt. De oefeningen van Ambrasoft kennen een duidelijke opbouw. Zo is 'Raad het woord' een verkennende oefening die de woorden van het woordpakket een aantal keer voorbij laat komen. Na deze oriëntatie kunnen de kinderen kiezen uit vier verwerkingsoefeningen, waarin de woorden echt ingeslepen worden. De eerste instelling waar de leerkracht uit kan kiezen is een keuze tussen “mijn pakket”

27


en “vrije keuze”, beiden een verzameling leerzame oefeningen (spelletjes). Bij beide keuzes zijn ook individuele aanpassingen mogelijk, zo kunnen ook losse spelletjes uit of aan gezet. Dit kan zowel voor de hele groep als voor een individuele leerling worden ingesteld.

“Mijn pakket” Bij elk spel van “mijn pakket” staat rechts in beeld een lijst met de te oefenen woorden, zo zijn die steeds als visuele ondersteuning aanwezig en worden de woorden continu ingeprent. Alleen bij het afsluitend dictee niet, hierdoor kan dit dictee ook als toets worden gebruikt. Raad het woord:

Er verschijnt steeds één van de aan te leren woorden in beeld en de leerling moet hetzelfde woord in de lijst zoeken en aanklikken, daarna wordt het woord ook uitgesproken. Het programma kleurt de fouten rood, na drie fouten volgt auditieve ondersteuning, het woord wordt nogmaals herhaald. Een vrolijke animatie in het spel geeft feedback, een opgestoken duim of een droevig gezicht. Geheugenspel De leerling ziet een woord wat na enkele seconden verdwijnt, de leerling moet dit woord natypen. De benodigde letters staan door elkaar klaar en moeten in de juiste volgorde worden aangeklikt. Er is geen auditieve ondersteuning. Fouten worden aangegeven doordat de leerling het opnieuw moet doen, maar er wordt niet aangegeven hoe het dan moet. De leerling kan wel in de woordenlijst op het scherm kijken. Woord breken In beeld verschijnt een woord waar één letter is weggelaten. De leerling hoort het woord en moet het natypen, ondertussen verdwijnen één voor één alle letters. Een geluidseffect geeft aan of het goed of fout is als feedback. Als het fout getypt wordt, komen daarna de benodigde letters in beeld en moet de leerling die letters in de juiste volgorde aanklikken. Er hoeft dan niet zelf getypt te worden.

Klinkerklever.

28


Er verschijnt een woord in beeld wat door de leerling nagetypt moet worden, de klinkers van het woord zijn bedekt. Als het woord fout getypt wordt moet het opnieuw gedaan worden en verschijnen de letters van het woord door elkaar in beeld. Nu hoeven de letters alleen in de juiste volgorde te worden aangeklikt. Als het herhaaldelijk fout gaat volgt geen gerichte feedback voor de leerling. De leerling kan wel rechts in de woordenlijst kijken naar de juiste schrijfwijze van het woord. Ook is er een knop waarmee uitgesproken wordt wat is ingetypt door de leerling, zo is de gemaakte typefout hoorbaar. Dictee De leerling of leerkracht kan kiezen of dit dictee alleen auditief is of dat er visuele ondersteuning bij mag. Na afloop van het dictee volgt, als het hele dictee gemaakt is, de feedback. Er wordt in kleuren aangegeven wat goed en fout is gedaan. De woorden die fout zijn, worden niet op de juiste manier getoond, er wordt alleen getoond dat ze fout zijn. Moeilijke woorden Wanneer de leerling in het dictee fouten gemaakt heeft, verschijnt er een nieuwe mogelijkheid in de lijst met oefeningen “moeilijke woorden”. Hiermee worden de woorden die met het dictee fout gemaakt zijn nogmaals heel intensief geoefend. Eerst moet de leerling de fout gespelde woorden twee maal vijf keer opzoeken tussen juist - en verkeerd gespelde woorden. De leerling ziet ook het goede woord in beeld, bij dit onderdeel is auditieve ondersteuning. De leerling moet dit in één keer goed doen, anders moet de oefening worden herhaald. Daarna moet de leerling het woord drie keer correct natypen. Als hier een fout gemaakt wordt, komen de letters door elkaar in beeld en moeten ze in de juiste volgorde aangeklikt worden. Indien de leerling weer een fout maakt moet de hele oefening herhaald. Er is bij deze oefening feedback van getekende animatie die met gebaren en geluid feedback geeft en zo laat zien of het goed of fout ging, het goede antwoord wordt niet getoond. Het dictee staat nu uit, maar kan door de leerkracht opnieuw worden aangezet, om zo te kijken of de woorden nu wel worden beheerst. De leerling kan ook altijd de andere oefeningen herhalen.

Vrije keuze Dit is het andere onderdeel met ook diverse oefeningen (spelletjes). Bij elk spel is de woordenlijst onderin het scherm aanwezig als visuele ondersteuning. Zagerij De leerling zoekt een woord waar stukken woord aan vastgeplakt zijn. De delen die er niet bijhoren worden er vanaf gezaagd. Als dit correct is uitgevoerd hoort de leerling het woord, voor het maken van de opdracht is geen auditieve ondersteuning, alleen als feedback achteraf.

29


Goed of fout. De leerling ziet vijf keer hetzelfde woord, eenmaal is het fout gespeld. De leerling moet het foute woord zoeken. Er is veel beweging in het scherm, animaties verrichten allerlei handelingen waarop de leerling moet wachten en er is weinig effectieve oefening. De animaties tonen wanneer een fout wordt gemaakt, maar er wordt niet getoond wat de fout is. Blup blup. Er verschijnt een gehusseld woord in beeld en onderin het scherm moet de leerling het juiste woord kiezen. Als de leerling dit twee maal fout doet, wordt het woord uitgesproken. De controle is met de kleuren rood en groen aangegeven. Woordenslang De te oefenen woorden staan achter elkaar, aan elkaar vast, in een slang getypt en moeten in de afgebeelde volgorde worden aangeklikt. Soms staan de letters een beetje schuin. Woordenzoeker De te oefenen woorden staan afgebeeld tussen veel andere letters en moeten gezocht worden. Zinnen maken. De leerling maakt met de woorden van de week een zin. De betekenis van het woord staat in beeld. Als het woord fout getypt is kan de leerling niet verder, maar er wordt niet aangegeven waar de fout gemaakt is. Zwakke spellers kunnen vastlopen bij deze oefening. Speurwoord, Een hond moet met muisklikken door een doolhof geleid worden en woorden zoeken. Die woorden moet de leerling raden door met een muisbeweging langs de letters te gaan en daarna op het juiste woord in de lijst te klikken. Deze oefening biedt veel filmbeelden en animaties en vraagt van de leerling veel muishandelingen maar weinig oefening van woorden. Bij een fout aangeklikt woord kleurt het woord rood, na drie fouten wordt het woord uitgesproken. SMS Op een telefoon moeten de woorden worden ge-sms’t door 1, 2 of 3 keer op cijfers te klikken. De leerkracht maakt hier veel fouten mee en het programma biedt dan weinig effectieve oefening. De leerlingen kunnen dit wel sneller, maar ook zij krijgen weinig effectieve oefening door de vele filmbeelden tussendoor. De leerlingen geven aan het leuk te vinden om te doen. (Dit spel kan niet in het verdere onderzoek worden meegenomen. Het is niet bekend of leerlingen op deze wijze effectief spelling oefenen. Hier is zover bekend nooit onderzoek naar gedaan.) In de grot

30


Met muisbewegingen worden de woorden in een donker vlak gezocht, daarna moet de leerling op hetzelfde woord klikken en dan wordt het woord uitgesproken. Dit spel vergt veel muisbewegingen en minder daadwerkelijke oefening van de woorden. Tijdens de muisbewegingen zien de leerlingen de woorden die geoefend moeten worden niet in beeld. Ze zien alleen maar een donker vlak, op deze momenten is er ook geen visuele inprenting. Memorie Het bekende geheugenspelletje met de te oefenen woorden, alleen een visuele oefening. Verder zien de leerlingen de te oefenen woorden maar kort in beeld. Oefendictee Identiek aan het dictee bij “mijn pakket”, alleen kunnen de leerlingen dit dictee zo vaak oefenen als er behoefte aan is. Leerlingvolgsysteem van Ambrasoft Tot slot kan het woordpakket afgerond worden met een visueel of auditief dictee (de leerkracht en/of de leerling kunnen kiezen of er eventueel ook visuele ondersteuning mag worden gebruikt. Het leerlingvolgsysteem houdt per leerling nauwkeurig bij welke woorden bij het dictee van “mijn pakket”niet correct gespeld zijn. Deze komen dan in een aparte oefening ’Moeilijke woorden’ terecht, zodat de leerling deze nog eens extra kan trainen. Sommige spelvormen uit “mijn pakket”kunnen ook gekoppeld aan het onderdeel “moeilijke woorden”. Gemaakte fouten tijdens dit spel moeten dan later door de leerling bij het onderdeel “moeilijke woorden” worden herhaald. Tijdens dit onderzoek is ervoor gekozen om het onderdeel “moeilijke woorden” alleen te koppelen aan het dictee, zodat de leerlingen eerst kunnen oefenen zonder dat dit gelijk gevolgen heeft. Bij het vrij intensieve onderdeel “moeilijke woorden” wordt dan alleen herhaald wat na oefening, bij het uiteindelijke dictee niet lukte. Het leerlingvolgsysteem werkt alleen bij de oefeningen van “mijn pakket”, niet bij de “vrije keuze” oefeningen. Daar het een vereiste is dat de leerkracht kan zien hoe de leerlingen werken, is in het onderzoek alleen de werking van “Mijn pakket” meegenomen en is het “vrije keuze” deel uitgezet. In het “vrije keuze” onderdeel zaten ook meerdere oefeningen, waar niet van aangetoond is dat de oefening “evidenced based” een goede oefening is voor het oefenen van spelling. Voorbeelden hiervan zijn: het tonen van fout gespelde woorden, het gebruik van gehusselde woorden en het sms’en van woorden als oefening. Verder zijn enkele oefeningen goed voor het aanleren van de woordenschat, maar als dat niet nodig is minder geschikt als spellingsoefening. Sommige spelvormen uit “mijn pakket” kunnen gekoppeld aan het onderdeel “moeilijke woorden”. Gemaakte fouten tijdens dit spel worden dan later door de leerling bij het onderdeel “moeilijke woorden” herhaald. Tijdens dit onderzoek is ervoor gekozen om het onderdeel “moeilijke woorden” alleen te koppelen aan het dictee, zodat de leerlingen eerst kunnen oefenen zonder dat dit gelijk gevolgen heeft. Bij het vrij intensieve onderdeel “moeilijke woorden”wordt dan alleen herhaald wat na oefening niet lukte.

31


Voor het onderzoek is verder het dictee niet als oefenvorm meegenomen, maar wordt dit duidelijk gezien als een toetsvorm. Met visuele ondersteuning zou dit een oefenvorm kunnen zijn, maar de geringe feedback die ook pas achteraf gegeven wordt past meer bij een toetsvorm. Het leerlingvolgsysteem biedt verder duidelijke overzichten voor de leerkracht. Er wordt op vermeld welke oefeningen gemaakt zijn en wanneer. Het dictee kan een foutanalyse geven en een score. Voor de leerlingen biedt het leerlingvolgsysteem als extra een resultatenkaart waarmee ze kunnen zien hoeveel dictees ze met goede resultaten hebben gemaakt.

32


BLOON De werkwijze van BLOON, afgeleid van de vroegere oefenvorm op papier was al bekend bij de leerlingen en werd vroeger als coöperatieve werkvorm gedaan. Zwakkere spellers kregen de papieren variant vroeger soms mee naar huis als huiswerk. De leerlingen op de school zijn bekend met dit computerprogramma, het wordt ongeveer anderhalf jaar gebruikt. De woorden van de spellingsmethode stonden niet standaard in dit programma, maar zijn het afgelopen jaar allemaal door de leerkrachten ingevoerd en kunnen nu voortaan worden gebruikt. 

Bekijken

Lezen

Omdraaien

Opschrijven

Nakijken

De letters BLOON leggen de werking van het programma uit. De leerling moet het woord bekijken en lezen. Daarna moet het woord omgedraaid, zodat het niet meer zichtbaar is. Nu moet de leerling het woord typen. Daarna moet de leerling het woord nakijken. Het woord komt ter controle naast het getypte woord in beeld. De leerling moet nu zelf aangeven of het goed of fout gespeld is. Daarna geeft het programma aan of de leerling dit correct heeft nagekeken, als de leerling het woord niet goed heeft nagekeken verschijnt een vraag “Weet je het zeker?”

De leerling kan dan niet verder en moet het woord opnieuw controleren. Als het woord goed nagekeken is kan de leerling verder. Fout getypte woorden hoeven niet gelijk overgetypt, de leerling gaat gewoon verder met het volgende woord. Als verdere feedback ziet de leerling onderin beeld in kleur hoeveel goede en hoeveel fout gespelde woorden er geweest zijn. Na het dictee ziet de leerling hoeveel woorden correct gespeld zijn en hoeveel fouten gemaakt zijn. De leerling ziet ook in beeld welke fouten gemaakt zijn, met het correct geschreven woord ernaast. De leerling kan, met dit programma, de woordenlijst vier keer oefenen. Alle gemaakte fouten worden verzameld en kunnen apart geoefend worden. Hier wordt een aparte woordenlijst van gevormd. Het spel biedt als speelse oefenvorm galgje met de oefenwoorden. Dit is niet in het onderzoek meegenomen omdat de resultaten hiervan niet zichtbaar zijn voor de leerkracht. Verder is dit geen bewezen effectieve oefenmethode.

33


Leerkrachten kunnen dit programma goed bedienen door zijn eenvoud. De resultaten zijn duidelijk zichtbaar voor de leerkracht en de leerlingen. De oefenvorm is beperkt; lezen en het natypen van visueel getoonde woorden en het controleren van het getypte woord. Het is een gratis programma via een website op internet en kan door de leerlingen ook buiten school gebruikt worden, bv. als huiswerk. Het programma biedt geen auditieve ondersteuning. Er zijn ook geen animaties of verdere beloning. Leerlingvolgsysteem BLOON De leerkracht kan zien wanneer de leerling aan het programma gewerkt heeft. Er is zichtbaar welke lijsten geoefend zijn en hoeveel en welke fouten gemaakt zijn. De leerkracht kan in het programma achteraf feedback geven, er zijn beloningsplaatjes die aangeklikt kunnen worden met ruimte voor een korte tekst. Dit ziet de leerling een volgende keer als het programma wordt opgestart. Deze feedback kan niet automatisch worden gegeven, maar moet handmatig door de leerkracht worden verricht.

34


Computerprogramma “Spelling in beeld”van Zwijsen Dit programma wordt passend bij de spellingsmethode verkocht. “De software bevat instructie en oefenstof voor alle spellingscategorieën uit de methode”, aldus de leverancier. Bij het programma is een digitale handleiding en een help-functie. Er zijn geen verdere scholingsmogelijkheden.

35


Spelling in beeld De leerkracht kiest of kinderen basiswoorden of extra woorden oefenen. Er is geen selectie mogelijk in welke oefenvorm je kiest. Leerling kan kiezen uit: Pauwenveren Leerling ziet en hoort eerst een uitlegkaart. Daarna een dictee met visuele ondersteuning. De leerling hoort het woord en moet het natypen. Als het woord fout getypt is, kleurt het rood en ziet de leerling daarna weer het correct geschreven woord. Vrolijke animatie toont of het correct is. Na elk getypt woord volgt een bewegende animatie, vlot doortypen is niet mogelijk. Miereneter Start met een uitlegkaart die wordt voorgelezen. Daarna zie je onvolledig woord> Dat woord moet de leerling op de juiste manier aanvullen door het goede woordstukje te kiezen, wat op die plek past, de leerling heeft keuze uit drie woordstukjes. Er moeten steeds twee woorden worden geoefend. Eventuele correctie volgt als beide woorden zijn ingevuld, tot die tijd blijft het onjuiste woord in beeld. Na de twee woorden verschijnt wel correctie, als een woord niet juist is verschijnt het juiste woord in beeld, het woord hoeft niet verbeterd. Na elke getypt woord verschijnt een korte animatie. Dit kost steeds tijd. Koekenbeer De leerling ziet drie woorden in beeld die geoefend gaan worden, er moet om en om op deze woorden geklikt worden, dan verdwijnen ze met een animatie. De animatie duurt lang, maar tijdens de animatie zijn de overige woorden nog in beeld voor de inprenting. Daarna worden de woorden uitgesproken en moet de leerling ze typen. Hierna volgt direct feedback met een bewegende animatie en geluid. Bij een onjuist woord verschijnt het juiste woord direct in beeld. Boomslangen Bij een woord moeten de juiste stukjes bij elkaar worden gezocht. De werking van het spel was onduidelijk. Kameleon De leerling hoort een woord en moet het natypen. Als het onjuist getypt is verschijnt direct feedback door een animatie en wordt het juist woord getoond, het hoeft niet te worden verbeterd. De uitlegkaart die aan het begin wordt getoond hoort bij een deel van de woorden, de leerlingen oefenen vijf lessen door elkaar bij dit spel. EĂŠn ervan heeft een uitlegkaart. Dictee Dictee start met animatie. Geen visuele ondersteuning. Elk woord wordt eerst in een zin aangeboden en daarna los genoemd. Indien de leerling een ander woord uit de zin typt volgt geen feedback. Na afloop verschijnt een totale score van het dictee, de leerling ziet hoeveel er goed en fout gemaakt is. De leerling ziet niet welke fouten gemaakt zijn. Daarna volgt een (bindend) advies welke spellen hiervoor het best geoefend kunnen worden. De andere spellen worden uitgezet en kunnen niet meer gekozen worden. Bij de te oefenen spellen moet de leerling alle woorden van die categorie opnieuw oefenen, ook degenen die al werden beheerst.

36


Bij het tweede spel wat gespeeld wordt start automatisch de tweede oefencategorie, ook als de eerste categorie maar heel kort geoefend is en niet afgemaakt is. Na afloop komt de leerling in een keuzescherm waar hij zijn scores ziet. Per jaargroep zijn er andere spellen, voor de leerlingen zijn er andere animaties en andere namen voor het spel, de opzet van de spellen is wel identiek. Voor dit onderzoek zijn de spellen van groep 6 beschreven en bekeken. Leerlingvolgsysteem De leerkracht kan zien hoelang de leerlingen aan bepaalde oefeningen (spellen) gewerkt hebben. De leerkracht kan ook zien welke spellen geoefend zijn. Er is een groepsoverzicht en een overzicht per leerling met een totale score, bestede tijd en welke woorden fout gespeld zijn en wat daar is ingevuld.

37


Bijlage 2 ruwe scorelijst leerling observaties aantal aantal sec. per woorden seconden woord

leerling

soort spel

A

Bloon

12

55

4,58

A

Zwijsen

10

179

17,90

A

Zwijsen

10

215

21,50

A

Ambrasoft

12

170

14,17

A

Ambrasoft

6

45

7,50

B

Bloon

84

625

7,44

B

Bloon

13

67

5,15

B

Zwijsen

9

171

19,00

B

Zwijsen

13

165

12,69

B

Bloon

14

72

5,14

B

Zwijsen

18

353

19,61

B

Ambrasoft

10

155

15,50

B

Ambrasoft

13

193

14,85

C

Bloon

13

100

7,69

C

Bloon

12

95

7,92

C

Zwijsen

8

167

20,88

C

Zwijsen

10

135

13,50

C

Ambrasoft

6

81

13,50

C

Ambrasoft

6

105

17,50

C

Ambrasoft

6

61

10,17

C

Ambrasoft

6

54

9,00

D

Ambrasoft

60

1330

22,17

D

Bloon

24

148

6,17

D

Zwijsen

20

211

10,55

D

Zwijsen

9

172

19,11

D

Ambrasoft

20

450

22,50

D

Ambrasoft

10

250

25,00

D

Ambrasoft

12

78

6,50

38


Bijlage 3 Ruwe scorelijst observaties gesorteerd naar de programma’s Met de berekende gemiddelde, mediaan, standaarddeviatie en variatie. aantal aantal sec. per woorden seconden woord

leerling

soort spel

A

Ambrasoft

12

170

14,17

A

Ambrasoft

6

45

7,50

B

Ambrasoft

10

155

15,50

B

Ambrasoft

13

193

14,85

C

Ambrasoft

6

81

13,50

Ambrasoft gemiddelde 15,67 Ambrasoft standaarddeviatie 5,81

C

Ambrasoft

6

105

17,50

Ambrasoft mediaan

14,51

C

Ambrasoft

6

61

10,17

Ambrasoft variatie

33,73

C

Ambrasoft

6

54

9,00

D

Ambrasoft

60

1330

22,17

D

Ambrasoft

20

450

22,50

D

Ambrasoft

10

250

25,00

D

Ambrasoft

12

78

6,50

A

Bloon

12

55

4,58

B

Bloon

84

625

7,44

B

Bloon

13

67

B

Bloon

14

C

Bloon

C D

D

5,15

Bloon gemiddelde Bloon standaarddeviatie

6,3 1,28

72

5,14

Bloon mediaan

6,17

13

100

7,69

Bloon variatie

1,91

Bloon

12

95

7,92

Bloon

24

148

6,17

A

Zwijsen

10

179

17,90

A

Zwijsen

10

215

21,50

B

Zwijsen

9

171

19,00

Zwijsen gemiddelde Zwijsen standaarddeviatie

B

Zwijsen

13

165

12,69

Zwijsen mediaan

B

Zwijsen

18

353

19,61

Zwijsen variatie

C

Zwijsen

8

167

20,88

C

Zwijsen

10

135

13,50

D

Zwijsen

20

211

10,55

D

Zwijsen

9

172

19,11

D

39

17,19 3,7 19 13,71


Bijlage 4 Gecodeerde interviews De inhoudelijk gecodeerde interviews met de leerlingen. In de kolommen staat de delen van de gesproken tekst die betrekking hebben op de 5 beoordeelde punten 1. 2. 3. 4. 5.

Geeft het programma duidelijke feedback? Ervaart de leerling keuzevrijheid? Beste oefenmethode volgens de leerling? Voelt de leerling zicht beloont? Is er behoefte aan auditieve ondersteuning?

Er zijn vier leerlingen ge誰nterviewd, de tekst van elke leerling is in een andere kleur weergegeven.De volledige tekst van de interviews staat op bijgaande CD.

Geeft het programma duidelijke feedback? bij Zwijsen zie je de fouten het best, ze zeggen het antwoord en geven gelijk uitleg, ze vertellen hoe je het moet schrijven. En je ziet hoe het moet (knikt ja) bij Bloon vragen ze of je het zeker weet, dan gaat hij niet verder dus je moet echt heel goed kijken. Je hebt het dan niet goed en het vakje wordt oranje.

Ervaart de leerling keuzevrijheid?

Ambrasoft legt het je best goed uit, maar bij Zwijsen hebben ze links bij Zwijsen komt de beer en dan is het een vakje dan kan je daar op woord weg. Je kunt niet kiezen hoe klikken en dan leggen ze het heel lang je wilt kijken. goed uit

met Bloon oefen ik het snelst. ik wil graag snel oefenen, ik wil geen beer die gaat dansen, die beer eet dan en dan moet ik wachten, ik kan pas typen als de beer klaar met eten alleen bij Bloon moeten de is en dan tingg, dan komt een vlinder woorden verbeterd, dat is beter en moet ik weer wachten.

ik kijk of ik 0 fout kan halen

Beste oefenmethode volgens de leerling?

bij Ambrasoft kun je gewoon rechts kijken wat je moet invullen. Dat is niet leuk en te makkelijk. Je kunt steeds rechts kijken.

bij Bloon leer je voor je dictee, het helpt wel

Zwijsen vind ik het beste, het helpt mij met veel dingen. Meestal vind ik het dictee leuk, daar leer ik veel van.

van typen leer je het meest, als je alleen klikt zie je het antwoord al.

Bloon, als je iets fout doet zie je het woord goed en kun je kijken welke fout je gemaakt hebt

met Bloon concentreer ik mij beter dan zie ik geen andere dingen

Ambrasoft geeft het best de fouten aan, met tetetete, een muziekje erbij

Bloon, het zijn niet altijd de zelfde woorden dus ook als ik het vaak moet doen geeft het niet, als ik altijd dezelfde woorden moet doen zou ik wel Zwijsen doen

met Bloon zie ik het niet echt heel goed, maar hij vraagt dan, weet je het zeker?Dan moet je het vergelijken dan lukt wel goed dan. Dan kijk ik nog even naar de woorden en dan weet ik het.

Bloon, als ik alleen op de woorden klik leer ik minder, dan hoef ik niet te spellen

bij Zwijsen heb ik nog geen fout gehad

alleen klikken kan niet, van typen leer je meer, je moet het meer schrijven.

40


bij Bloon kun je het woord intypen en dan kun het goed of fout aantypen en dan kun je het goed zien. Bij de andere programma's minder goed.

Bloon, daar heb je leuke woordjes, daar kun je goed oefenen hoe je ze schrijft, daar typ je echt.

ik kijk niet wat de fout is.

ik denk dat ik met Bloon de meeste oefen, omdat ik er het vaakst op zit.

kijk je hoe je het gedaan hebt (knikt nee)

ik leer het meest van woorden typen.

ik oefen altijd de fouten bij Bloon

Ambrasoft na Bloon het leukst, dat je plaatjes ziet en dan moet je het woord natypen. (dat lijkt op Ambrasoft) ja knikt ze.

Voelt de leerling zich beloont?

Is er behoefte aan auditieve ondersteuning?

bij heel veel oefenen wil ik Bloon, dan is Bloon leuker. Als je alle lessen hebt gedaan mag je galgje doen.

je hoort het als je typt, als ik niet hoor wat ik schrijf lukt het niet.

hij hoeft geen beer of pauw = Zwijsen (schudt nee)

nee, ik hoef het niet te horen

ik mis geen bewegende poppetjes

nee, ik wil ze niet horen, dat is irritant

lachend dan zet jij (leerkracht) een zinnetje neer.

dat doe ik nooit (auditieve ondersteuning gebruiken)

41


Bijlage 5 uitslag van de digitale enquĂŞte onder de leerkrachten Onderzoek naar spellingsprogramma's 1. Maak je geregeld (bij elk hoofdstuk) gebruik van de spellingsprogramma's? Stel je het zo in dat de leerlingen het juiste oefenen, ter ondersteuning van de lessen? Er zijn meer antwoorden mogelijk. (Type vraag: Meerkeuze, meer antwoorden) Antwoord Ik zorg dat de Ambrasoft juist is ingesteld, zodat de leerlingen de juiste woorden oefenen Ik zorg dat Bloon juist is ingesteld, zodat de leerlingen de juiste woorden oefenen Ik zorg dat Zwijsen juist is ingesteld, zodat de leerlingen de juiste woorden oefenen De programma's staan standaard ingesteld, ik verander er niets aan. Aantal respondenten

Aantal Percentage

0

0%

1

33.33 %

2

66.67 %

1

33.33 %

3

2. Maak je ook gebruik van het leerlingvolgsysteem van het programma. Kijk je naar de individuele resultaten? Meer keuzes mogelijk. (Type vraag: Meerkeuze, meer antwoorden) Antwoord Ik kijk naar de individuele resultaten van Ambrasoft. Ik kijk naar de individuele resultaten van Bloon. ik kijk naar de individuele resultaten van Zwijsen. ik kijk niet naar de individuele resultaten. Aantal respondenten

Aantal Percentage 0

0%

0

0%

0

0%

3 100 % 3

3. Welk onderdeel in het leerlingvolgsysteem is belangrijk? Meer keuzes mogelijk) (Type vraag: Meerkeuze, meer antwoorden) Antwoord Ik kijk naar de individueel gemaakte fouten.

0

Ik kijk naar de groepsanalyse en gebruik dat bij mijn lessen.

0

Ik kijk hoe vaak er geoefend is.

2

Ik kijk er niet naar en laat het

42

Aantal Percentage 0% 0%

66.67 % 1 33.33


aan het computerprogramma over. Aantal respondenten

% 3

4. Kun je goed omgaan met het spellingsprogramma? Kun je het zo instellen dat de leerlingen oefenen wat je wilt en de resultaten goed bekijken? (meer antwoorden mogelijk) (Type vraag: Meerkeuze, meer antwoorden) Antwoord ja, met Ambrasoft gaat dit prima. ja, met Bloon gaat dit prima. ja, met Zwijsen gaat dit prima. nee, met geen van deze programma's lukt dit. Aantal respondenten

Aantal Percentage 2

66.67 %

66.67 % 33.33 1 % 2

0

0%

3

5. Heb je ooit cursus gehad bij de spellingsprogramma's of de handleiding bestudeerd? Meer antwoorden mogelijk (Type vraag: Meerkeuze, meer antwoorden) Antwoord Ik heb de cursus Ambrasoft gedaan. Ik heb de webcursus Ambrasoft gedaan. Ik heb de handleiding van Ambrasoft gelezen. Ik oefen met de leerkrachten cd van Ambrasoft. Ik heb de internethandleiding van Zwijsen bestudeerd. Ik heb via de helpfunctie Zwijsen bestudeerd. Ik heb de handleiding van Bloon bestudeerd. Aantal respondenten

Aantal Percentage 2

66.67 %

0

0%

0

0%

1

33.33 %

0

0%

3 100 % 1

33.33 %

3

6. Drie programma's bijhouden is veel werk, als je zou kunnen kiezen, welk programma vind je het prettigst om informatie uit te halen en om mee te werken? (Type vraag: Meerkeuze, ĂŠĂŠn antwoord)

43


Antwoord Ambrasoft Bloon Zwijsen Aantal respondenten

Aantal Percentage 0

0%

66.67 % 33.33 1 % 3 2

Open vragen: 7. Heb je bij ĂŠĂŠn van de programma's nog een cursus nodig of extra uitleg om het goed te kunnen gebruiken? Zo ja, wat heb je nodig en bij welk programma?

niets nodig

Ik heb de cursus Ambrasoft gedaan maar toen ging het vooral over rekenen. Over spelling was eigenlijk geen uitleg. Zwijsen werkt steeds anders en blijft onduidelijk. Bloon kan iedereen.

Volgend jaar ga ik naar de cursusmiddag van Ambrasoft, nu weet ik veel functies niet, er zitten denk ik nog veel handige functies op.

8. Waarmee oefenen je leerlingen het best denk je? En hoe merk je dat?

ik let er niet helemaal op, maar ze oefenen wel veel en werken graag op de computer.

Zwijsen staat op de takenkaart, dat doen ze dan wel

Ambrasoft, dat doen ze heel graag. Ze vragen of ze dat mogen doen.

44


9. Als we komend schooljaar nog maar ĂŠĂŠn programma gaan gebruiken om spelling te oefenen, welk programma zou je kiezen en waarom?

Ik wil vooral naar minder programma's nu kost alles bijhouden veel te veel tijd. Bloon heb ik net alle woorden ingezet en doen ze ook als huiswerk.

Ik weet het niet precies. Ik zou toch nog wel meer uitleg bij Ambrasoft willen en dat Zwijsen niet steeds andere schermindelingen had. Misschien is het dan anders, kan het nu niet goed beoordelen. Ik let op Zwijsen, mijn duo doet Bloon. Ik wil op school Ambrasoft, maar voor thuis Bloon, dat doen ze als huiswerk, ik hoef daar niet op te letten dat doen de ouders, dat gaat heel goed. Af en toe kijk ik en als ze het niet maken waarschuw ik de ouders of die er weer op letten.

45


Bijlage 6 Samenvatting directieoverleg en teamvergadering over dit onderzoek Na een korte voorbespreking met de directrice zijn de gegevens van dit onderzoek met het team besproken. Punten uit het directieoverleg waren: 

 

Zwijsen bleek ongeveer net zo duur als Ambrasoft, maar alleen inzetbaar om spelling te oefenen. Het zijn jaarlijks terugkerende kosten. Ambrasoft wordt ook gebruikt bij andere vakken. Bloon is een gratis programma. Er moet bezuinigd worden en dit is een bezuiniging zonder gevolgen voor het leren. Zwijsen draait op de server, die al zwaar belast is, Bloon is web-based. Binnen het team kan niet iedereen de vele ICT vaardigheden bijbenen, minder en eenvoudige programma’s helpen de teamleden hierbij.

Bij de teamvergadering bleek de gezamenlijke wens om voortaan Bloon als vast spellingsprogramma in te zetten en bij spellingszwakke leerlingen dit ook als huiswerk mee te geven. Zwijsen bleek ook erg gebruikersonvriendelijk te zijn, geen van de teamleden kon vlot met het programma overweg en gebruikte het hierdoor niet op de juiste manier. Zwijsen wordt opgezegd, Ambrasoft blijft gehandhaafd, maar wordt voor andere vakken gebruikt. Volgend schooljaar starten we hiermee en halverwege het jaar wordt het gebruik geëvalueerd. Mochten er redenen zijn om toch een ander programma te gebruiken of mochten individuele leerlingen behoefte hebben aan andere manieren van oefenen dan is Ambrasoft voor handen om op terug te vallen.

46


Bijlage 7 Eindkwalificaties Opleiding Master Special Educational Needs A. Werken met en voor leerlingen 1. Leer- en leefomgeving De Master Special Educational Needs herkent, erkent en waardeert diversiteit. Zij (1) ontwerpt en realiseert samen met leerlingen een krachtige leer- en leefomgeving. Gaat uit van de ontwikkelingsmogelijkheden en –perspectieven van leerlingen. Burgerschapsvorming (2) vormt hierbij een belangrijk uitgangspunt (3). Ziet ouders/verzorgers en anderen die bij de ontwikkeling van de leerling (en) betrokken zijn als educatieve partners en werkt effectief met hen samen.

2. Begeleiding van leerlingen De Master Special Educational Needs stemt af op de meergelaagdheid (4) in de onderwijs- en ondersteuningsbehoeften van de leerling. Denkt en werkt handelings (5)- en oplossingsgericht (6). Plaatst de ontwikkeling van de leerling in relatie tot de context en geeft haar onderwijs vorm vanuit een realistisch ontwikkelingsperspectief (7). Richt zich op de krachtbronnen van de leerling zelf en van diens sociaal netwerk. Empowerment van de leerling, ondersteund door de leraar (8), om het uiteindelijk zelf zoveel mogelijk te doen, staat centraal.

3.De leraar als persoon De Master Special Educational Needs weet dat zij, in samenwerking met andere betrokkenen, het verschil maakt. Is zich bewust van haar persoonlijke kwaliteiten. Onderkent de betekenis die zij heeft binnen de ontwikkeling van de leerlingen. Zij geeft vorm aan deze betekenis en is in staat hierop te reflecteren. Bewaakt haar grenzen vanuit professioneel en beroepsethisch perspectief. (1) voor “zij” kan ook “hij” gelezen worden (2) Burgerschapsvorming: hierbij gaat het niet alleen om de leerling in het hier- en nu, maar ook op het perspectief om volwaardig als burger te kunnen functioneren (3) Claasen, W., Bruine, E. de, Schuman, H., Siemons, H., Velthooven, B. van (2009). Inclusief Bekwaam. Generiek competentieprofiel inclusief onderwijs. AntwerpenAntwerpen: Garant (4) In Bekwaam&Speciaal wordt dit als volgt toegelicht (De Bruine, 2004, pp. 67,68): in de waarneming en interpretatie van de leerling staat de leraar voor de vraag op welk(e) niveau(s) hij moet reageren, c.q. het accent leggen op het instrumenteel niveau of communicatief niveau of op het niveau van waardeoriëntatie en zingeving. Bovendien moet hij daartussen een passende balans vinden. (5) Pameijer, N., Beukering, T. van, Lange, S. de (2009). Handelingsgericht werken: een handreiking voor het schoolteam. Samen met collega’s, leerlingen en ouders aan de slag. Leuven/Den Haag: Acco 47


(6) Cauffman, l. Dijk, D.J. van (2009). Handboek oplossingsgericht werken in het onderwijs. Amsterdam: Boom (7) Inspectie van Onderwijs (2009). Analyse en waarderingen van opbrengsten primair onderwijs (8) Een specialist die direct dan wel indirect bij de leerling betrokken is B. Werken in en voor de organisatie 1. Schoolontwikkeling De Master Special Educational Needs levert op groeps- en schoolniveau een actieve bijdrage aan veranderingsprocessen die gericht zijn op het waarborgen/verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs aan leerlingen met specifieke onderwijs- en ondersteuningsbehoeften. Analyseert complexe situaties en ontwikkelingen vanuit een veranderkundige optiek. Is in staat de veranderkundige visie en inzichten te verwoorden, te beschrijven, te verantwoorden en in daden om te zetten. Werkt opbrengstgericht. Doet dit op een creatieve, adequate en ethisch verantwoorde wijze. Geeft ouders van leerlingen een stem (9). Beschouwt ouders als educatieve partners, erkent beslissingen en werkt effectief met hen samen. 2. Begeleiding van collega’s De Master Special Educational Needs motiveert en begeleidt collega’s bij het vergroten van hun bekwaamheid in het onderzoeken en begeleiden van leerlingen met specifieke onderwijs- en ondersteuningsbehoeften. Plaatst de begeleiding in relatie tot de context en houdt rekening met transactionele factoren. Kan beoordelen waar de grenzen liggen. Gaat hierbij in dialoog en werkt samen met andere voor het onderwijs en jeugdzorg relevante instellingen.

3. Kenniscirculatie De Master Special Educational Needs is een (pro) actieve kenniswerker. Experimenteert met nieuwe werkwijzen, reflecteert hierop en ontwikkelt (eigen) professionele kennis. Benut daarbij informatie en uitkomsten van (internationaal) praktijkgericht onderzoek. Verbindt haar kennis met eigen handelen op groeps- en schoolniveau. Draagt op deze wijze bij aan kennisontwikkeling voor eigen praktijken, die waar mogelijk ook toepasbaar zijn in andere praktijken.

4. De leraar als participant in de verandering De Master Special Educational Needs werkt in veranderingsprocessen constructief samen met leerlingen/ouders/verzorgers, collega’s en andere professionals van binnen en buiten de school. Zij is zich bewust van haar rol en bekend met de vaak uiteenlopende verwachtingen die anderen van haar hebben (leerlingen, ouders, overheid, wetenschap). Zij kan deze verwachtingen en haar interpretaties hiervan verbinden aan haar eigen mogelijkheden om aan die verwachtingen te voldoen (10). 48


(9) Claassen, W., Bruine, E. de, Schuman, H., Velthooven, B. van (2009). Inclusief Bekwaam. Generiek competentieprofiel inclusief onderwijs. Antwerpen-Antwerpen: Garant (10) Ponte, P. (2003). Interactieve professionaliteit en interactieve kennisontwikkeling in speciale onderwijszorg. Oratie. Apeldoorn/ Leuven: Garant C. Professioneel handelen en beroepsontwikkeling 1. Onderzoekende houding De Master Special Educational Needs verbindt theoretische concepten, paradigma’s en praktijkervaringen met elkaar. Reflecteert op eigen denken, handelingsrepertoire, kwaliteiten en op (internationaal) gebleken (handelings) modellen en werkwijzen. Heeft een permanent onderzoekende houding. Verzamelt op een cyclische wijze gegevens over de (eigen) beroepspraktijk met als doel een complexe situatie te verhelderen, te begrijpen en te optimaliseren.

2. Maatschappelijk besef

De Master Special Educational Needs is een kritische, autonome denker. Neemt deel aan het debat over de ontwikkeling van de eigen beroepsgroep en durft hierin stelling te nemen. Draagt bij aan praktijkgerichte publicaties. Is in staat om de orthopedagogische visie, het onderwijsconcept, het beleid en de onderwijsinhouden te plaatsen in termen van pedagogische, historische, onderwijskundige, sociaalmaatschappelijke en culturele contexten. Verbindt hieraan op een professionele wijze consequenties.

3. Reflectie en ontwikkeling

De Master Special Educational Needs is in staat een analyse te maken van haar persoonlijk en professioneel optreden en daarop te reflecteren. Organiseert feedback van leerlingen, collega’s, ouders/verzorgers en andere direct betrokkenen. Werkt steeds aan de eigen beroepsontwikkeling en verwerft op een actieve wijze de daarvoor benodigde competenties.

49

Spellingsonderzoek issuu  
Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you