Page 1

Toneelstuk

De kleine kapitein

Script geschreven door Jorinde Boon Gebaseerd op de gelijknamige boeken van Paul Biegel

1


BEDRIJF 1: HET EILAND VAN GROOT EN GROEI Scène 1: Kennismaking De kleine Kapitein staat op zijn boot in de verte te staren. Marinka, Dikke Druif en Bange Toontje zijn op weg naar school. Druif: Ik heb helemaal geen zin in school. Marinka: Nee, ik ook niet. Het is er zo saai. Toontje: Ik vind de juf maar een enge vrouw. Marinka: Ik wilde dat we groot waren en dat we nooit meer naar school hoefden. Druif: Dan zouden we zelf de baas zijn en de hele dag kunnen spelen. Marinka: En zoveel pannenkoeken eten als we willen. HÊ, kijk eens! Bij de boot van de kleine kapitein blijven ze nieuwsgierig staan. Druif: Hallo, wie ben jij? Kapitein: Ik ben de kleine kapitein. Marinka: Waar kom je vandaan? Kapitein: Van mijn boot, we zijn hier aangespoeld in de storm. Druif: Is dit dan jouw eigen boot? Kapitein: Ja. Toontje: M-maar, woon je op je boot? Helemaal alleen? Druif: Wil je niet bij ons komen wonen? Kapitein: (nee schuddend) Ik wil op mijn boot blijven. Marinka: Maar hij vaart toch niet meer? Kapitein: Ik ga hem maken en dan wacht ik. Ik wacht tot er weer een storm komt. En weer een golf. Een omgekeerde golf, die mijn boot terug draagt naar de zee. Toontje: (om zich heen kijkend) We moeten naar school, straks komen we te laat. Wat zal de juf dan boos worden. Druif: Doe niet zo bang, dit is toch veel leuker dan school! Marinka: Kleine Kapitein, waar ga je dan naartoe? Kapitein: Naar het eiland van groot en groei.

2


Druif: Wat is daar te zien? Kapitein: (fluisterend) Dat weet ik niet. Maar als je daar komt en je slaapt er één nacht, dan wordt je de volgende dag wakker als een grote man. Hier duurt het zo lang voor je groot bent. Druif: Ja, veel te lang. Dus als je op het eiland van groot en groei bent hoef je nooit meer naar school. Marinka: Kleine kapitein, wij willen ook in één nacht groot en sterk worden. Mogen we mee? Kapitein: Dat is goed. Maar eerst moet mijn boot gemaakt worden, helpen jullie maar mee. De kinderen helpen mee. Ze halen overal spullen vandaan om de boot te maken. De Kleine Kapitein hangt een bordje aan de boot, de anderen kijken toe. Kapitein: (leest trots op) De Nooitlek. Toontje: We moeten naar school. Ik wil helemaal niet naar dat enge eiland. Marinka: Eng? Een groot avontuur bedoel je! Druif: Wanneer varen we weg? Kapitein: Als de hoge golf komt. Ik zal op mijn accordeon spelen als het zover is. Ze werken verder. Na een tijdje komt de juf boos aanlopen. Juf: Kinderen, kom onmiddellijk mee, jullie moeten al lang op school zijn! Bange toontje verstopt zich in het ruim. Druif en Marinka schrikken, maar herstellen zich. Marinka: Wij hoeven niet meer naar school. We gaan lekker naar het eiland van Groot en Groei en daar leren we alles in één nacht. Druif: En dan zijn we grote mensen! Juf: Zo'n onzin heb ik nog nooit gehoord, dat eiland bestaat helemaal niet! Kom mee, jullie moeten nog een heleboel leren! De juf sleept de Marinka en Druif boos mee het podium af. De twee kinderen kijken achterom naar de Kleine Kapitein.

3


Scène 2: Vertrek Het is avond en het stormt. De kapitein speelt liedje 1 op zijn accordeon om de kinderen te roepen. Marinka en Druif komen aangerend in hun pyjama's. Ze springen op de boot en worden meegevoerd door een golf. Druif en Marinka zijn toch wel bang. Druif: Het waait wel heel hard. Marinka: Het is wel heel donker. Druif: Waren we maar thuis gebleven. De storm gaat liggen. Kapitein: Stook de vuren, vooruit! Marinka, bak jij pannenkoeken? Marinka: Je was bang hè, Dikke Druif. Druif: Ik? Jij was bang in het donker. Kapitein: Daar staat een kist met kleren. Trekken jullie maar snel wat anders aan. Ze zoeken kleren uit. Er wordt op het luik geklopt. De kinderen kijken elkaar wat bang aan. Toontje: Laat me er uit, ik wil naar huis. Druif doet twijfelend het luik open. Bange toontje verschijnt op de boot en kijkt bang rond. Toontje: Als we maar niet verdrinken. Kapitein: Nee hoor. Druif: Hoe kom jij hier verzeild, zeeheld? Marinka: Wat geeft dat nou, hij kan mooi zwabberen (geeft zwabber aan Toontje). Kapitein: Ja. Dek-zwabberen. Dat hoort, hij is een verstekeling. Toontje: Mag ik dan mee naar het eiland? Waar je groot wordt? Druif: (lachend) Niks daarvan. Jij moet aan boord blijven om het schip te bewaken. Zo varen ze een tijd door. Bange toontje zwabbert het dek. Druif stookte de vuren. Toontje: (huilend) Ik wil naar huis. Ik ben misselijk. Marinka: Stil, snottebel! (ze gooit hem een muts met een bel toe) Druif: Dan kunnen we je horen als je wegloopt. De kleine Kapitein speelt op zijn accordeon en de kinderen zingen liedje 2. Kapitein: Land in zicht! 4


Scène 3: Alles is groot Druif gooit het anker uit en stapt met Marinka aan land. Toontje: Ik zie reuzen! Toontje wil het ruim in vluchten. De kapitein duwt hem de boot uit. Toontje: Ik zie toverheksen (probeert zich los te rukken). Kapitein: Welnee, dat zijn bloemen. Toontje: Ik wil er niet heen. Druif: Hiep hiep hoei, kijk eens hoe ik groei. Toontje: Pas toch op, er zijn vast mensen eters! Marinka: Ach wat. Als ze dikke Druif eenmaal opgegeten hebben, hoeven ze ons echt niet meer. Kapitein: Er zijn geen mensen eters. Druif: Toontje! Blijf jij maar bij de boot om de zeerovers tegen te houden. Toontje: (schreeuwend) Zeerovers? Toontje rukt zich los en springt de boot in. De kapitein haalt zijn schouders op. Druif: Slaap lekker! Ze gaan op pad. De kapitein loopt voorop, gevolgd door Marinka en Druif. Druif: Het is echt onbewoond. De Kapitein staat plotseling stil en ze botsen op elkaar. Kapitein: (wijzend) Kijk eens. Marinka: Reuzen (deinst terug) Druif: (slikkend) Ik geloof niet in reuzen. Marinka: Laten we terug gaan. Kapitein: Nee! We moeten verder gaan. De kapitein loopt naar een reuzen kompas. De andere volgen langzaam. Kapitein: Dit kompas ligt hier al heel lang. Het is helemaal stoffig en roestig. Help eens. Druif en de Kapitein tillen het kompas op. Marinka poetst het schoon. Ze leggen het kompas weer op de grond. 5


Kapitein: Het is vast van een zeeman die hier is aangespoeld. Marinka: Een zeereus? Kapitein: Nee, het ligt al heel lang op het eiland van Groot en Groei. Het wordt dus steeds groter. Druif en Marinka: O, wij ook? Kapitein: Ja, daarom moeten we morgen weer weg. Marinka: Oei! Anders worden we reuzen als we langer blijven. Druif: Ik zou best wel groot willen zijn. Maar als de kompas zo groot is, dan is de schipbreukeling ook zo groot. Dus hij kan niet wegvaren en zit hier dus nog steeds. (om zich heen kijkend) L-laten we gaan. Kapitein: Nee! Daar ligt nog iets. De kinderen nemen elkaar bij de hand en lopen verder. De Kapitein staat weer stil. Kapitein: Kijk eens! Een reuzen lucifer doos. Zou dat ook van de schipbreukeling zijn? Kom, we lopen weer terug naar de boot. Het wordt zo donker. Marinka en Druif tillen de luciferdoos en de Kapitein de kompas. Zo lopen ze terug nar de boot. Naast de boot gaan ze tegen elkaar aan zitten. Kapitein: Welterusten. Morgen zijn we groter mensen.

6


Scène 4. De reus De kinderen zijn aan het slapen. De kapitein wordt als eerst wakker en kijkt om zich heen. Kapitein: Goedemorgen! De Marinka en Druif worden ook wakker. Ze kijken slaperig om zich heen, rekken zich uit en gapen. Druif: Alles ziet er heel gewoon uit. Waar zijn we gisteren zo bang voor geweest? (Hij kijkt naar de kleine kapitein maar herkent hem niet, gilt twee keer en springt op) Reus! Reus? (naar zichzelf kijkend) Ik ben er zelf een. Kom jij maar eens op. Huh, ben jij de reus? Kapitein? Kapitein: Ben je eindelijk wakker? Marinka plukt een bos bloemen. Druif: Ja! En ’t is waar! We zijn groot! (begint te dansen) Marinka! Marinka we zijn grote mensen geworden. We hoeven nooit meer op onze tenen te staan om iets te pakken. Bange toontje komt uit het ruim en klimt van de boot. Hij struikelt over zijn eigen benen en zijn hoofd zwaait heen en weer. Toontje: Ik ben zo duizelig. Mijn hoofd zit zo hoog. Druif danst om de kapitein heen, de Kapitein is in gedachten verzonken, Marinka staat ongelukkig op een afstandje toe te kijken en Toontje valt steeds bijna en gaat uiteindelijk maar zitten. Druif: (zingend) Hoera voor de kapitein en z’n mooie boot. Hoera voor ons zelf nu zijn we lekker groot. Marinka: Grote mensen springen niet rond. Bah, dat is niet echt. (friemelend aan haar kleren en haar) Ik zie er niet uit. Druif: Zeg lui, zullen we gezellig wat gaan wandelen? Toontje: Gunst nee! Dat kon wel eens gevaarlijk wezen. Kapitein: We moeten weg, anders groeien we te groot. Marinka: Oei! (fluisterend tegen Druif) Ik heb een raar gevoel van binnen als ik naar kapitein kijk. Net of er allemaal vlinders in mijn buik rond vliegen. Misschien moet ik hem deze bos bloemen aanbieden. Druif: Dat kan je doen, maar ik zou eerst goed afwegen of dat wel de juiste beslissing is. Kapitein: Het ketelvuur moet opgestookt worden. Want we moeten zo snel mogelijk weg. Dikke Druif en Bange Toontje gaan jullie hout zoeken. Druif en bange toontje gaan brandhout zoeken. De kapitein maakt de boot klaar voor vertrek. Marinka gaat tegen de boot aan zitten en huilt in stilte.

7


Marinka: (voor zicht uit) Sinds ik een grote vrouw ben voel ik me helemaal niet gelukkig meer. Het lijkt wel of ik heel veel zorgen heb. Toontje: Voorzichtig aan kerel, je weet immers nooit! Druif: (knijpend in zijn spierballen) Laat ze maar komen.(trekt aan de teen van de reus) dit is mijn laatste tak. (gilt en rent weg) Een reus, een echte! De reus Driekus gaat langzaam zitten en rekt zich uit. Marinka veegt snel haar tranen weg. De kinderen springen op de boot. Kapitein: Dikke druif, stook de vuren zo hoog mogelijk. Marinka: Een reus, echt waar, ik zie hem! (wijst naar de reus Driekus) Driekus: (krabt over zijn bol en gaapt luidt) Aaioe-oe! Kapitein: Volle kracht achteruit! Druif: Wat! ben je gek geworden? Dat gaat nooit goed. Kapitein: Het is onze enige kans. Er klinkt gekraak. De boot ligt vast tegen een steen. De reus staat op, kijkt om zich heen en krijgt de kinderen in het oog. Bange toontje vlucht het ruim in, Marinka drukt zich angstig tegen de kleine kapitein aan. Driekus: (brullend) Hee daar, wat moet dat daar? Kapitein: We zitten wast. Driekus: Dat zie ik (gaat weer zitten). Mooie kapitein ben je. Kwam je me redden? Kapitein: N-nee, we komen om groot te worden. Driekus: Zooo! Nou dan zie je wat er gebeurt. Kijk naar mij je kunt nooit meer weg. Druif en Marinka: N-nee? Driekus: Wat doen jullie bang! Denken jullie soms dat ik een reus ben? De kapitein, Marinka en Druif knikken. Driekus: (brullend) Haha. Als jullie hier zo lang gezeten hadden als mij, dan zag je er ook zo uit. Ik ben hier jaren geleden aangespoeld. Schipbreuk. Ik ben nog gewoon Driekus hoor, de lichtmatroos. Toontje komt voorzichtig uit het ruim. Toontje: Eet je ons niet op? Driekus: Haha, nee natuurlijk niet. Ik moet er niet aan denken, kindervlees. Maar fijn dat jullie gekomen zijn want ik wil hier wel eens weg. We kunnen mekaar mooi van het eiland redden. 8


Kapitein: (schudt de hand van Driekus) Sorry dat we zo van je geschrokken zijn. Welkom op de Nooitlek. De andere kinderen geven omstebeurt een hand. Toontje twijfelend als laatste. Driekus: Bedankt, ik hoop dat de boot me houdt. Kapitein: (trots) Dat moet lukken, mijn boot kan wel vier reuzen tegelijk houden. Driekus: Ik zal jullie eerst losmaken. Driekus pakt een touw dat aan de boot zit en trekt er aan. Driekus: Zie zo! Wegwezen hier jongens. Wacht eens, heb ik nou alles? Ho ho, een ogenblik (loopt weg en komt terug met de kompas) Druif: Het horloge! Driekus: Van mij makker, Kromme Arie. Moet ik hem nog terug geven want hij loopt nog. Hij was mijn beste makker. Bij de schipbreuk ben ik hem kwijtgeraakt. Bah! (hoofd schuddend) Ik hoop maar dat hij nog leeft. Maar ik ben gered jongens. Dank jullie wel. Kapitein: Stook de vuren, bak pannenkoeken en zwabber het dek mooi schoon!

9


2e BEDRIJF: DE SCHAT Scène 5: De storm Druif: (naar zijn eigen lichaam kijkend) Hee, we krimpen! De andere drie kinderen kijken ook verbaast naar hun eigen lichaam. Kapitein: We zijn inderdaad alweer een stuk kleiner. Marinka: Gelukkig maar, ik zag er niet uit. Driekus: Dachten jullie dat jullie altijd groot zou blijven? Kapitein: Ja, is dat niet zo? Driekus: Welnee, zodra je het eiland van Groot en Groei verlaat wordt je weer zo klein als je was. Toontje: Echt? Dat vind ik fijn, ik vond mezelf er best eng uit zien. De kinderen kijken hem vol ongeloof aan. Druif: Maar dan zijn we voor niks naar het Eiland van Groot en Groei geweest. Marinka: Nee joh, het was toch gezellig? Driekus: En anders zat ik daar nu nog steeds. Druif: Dat is waar. Het was wel leuk om voor eventjes groot te zijn, maar nu ben ik toch weer liever klein. Marinka: Klein is veel leuker! Druif: Ik leek wel een aap met die baard. De kinderen pakken nepbaarden. De kapitein speelt op zijn accordeon en ze zingen met zijn vijven liedje 3. Kapitein: Het zal nu niet lang meer duren voordat we de thuishaven binnen varen. Toontje: (springt verblijdt op) Eindelijk terug naar Mama, eindelijk van deze enge boot af! Marinka: Wat zul jij straf krijgen, Toontje, omdat je zo laat thuis komt. Kapitein: (naar de lucht kijkend) Het zou toch wat langer kunnen duren, er is storm op komst. Toontje: (laat de zwabber vallen) M-Maar we zijn er bijna, ik wil.. Druif: (geeft de zwabber terug) Ik wil, ik wil.. Zorg jij eerst maar dat het dek schoon is. Het gaat steeds harder stormen, de kinderen houden zich vast aan de reling. De Matroos en de Kapitein overleggen wat ze het beste kunnen doen. 1 0


Driekus: We krijgen tegenstroom, we zullen vandaag niet meer thuis komen. Marinka: (roepend) We worden achteruit gezogen! Kapitein: Anker uit! Toontje verdwijnt in het ruim, maar komt weer terug gerent. Toontje: (over reling hangend) Ik ben zo misselijk, laat de storm ophouden. (verdwijnt het ruim weer in) Druif: Het lijkt wel of het steeds harder gaat waaien. Driekus: Het is een flinke storm, zo een heb ik er in geen jรกren meegemaakt. Marinka: Nee, want je zat al die jaren op het eiland van Groot & Groei. Driekus: Daar heb je gelijk in, meisje. Maar het blijft een gevaarlijke storm. Toontje komt het dek op rennen, en geeft over overboord. Marinka klopt hem op zijn schouder. Toontje: (wijzend naar een schip) Help! Kijk daar!

1 1


Scène 6: Het spookschip Een schip, met Kromme Arie erop, vaart vlak langs de Nooitlek. Kapitein: Ahoy! Matroos, Marinka en Druif: Schip Ahoy! Arie: Red mij! Toontje: Nee! (duikt het ruim in) Kapitein: Anker los! De kapitein gooit een touw naar het schip. Kapitein, Marinka, Druif en Driekus klimmen via het touw op het schip. Hand in hand lopen ze angstig richting de schipper (Kromme Arie), welke droevig jammert en onbeweeglijk met zijn handen aan het wiel geklemd staat. Druif: (fluisterend) Zou het een spook zijn? Arie: Red mij... Driekus: Hela, kromme Arie! Hoe ben jij hier verzeild geraakt? Arie: M-m-maat, red me.. Driekus: Red me? Wat valt er aan te redden, man? Je bent toch levendig? We hebben beiden de schipbreuk overleefd. Dat hebben we aan de Kleine Kapitein te danken. Nou, en je hebt er nog een mooi schip aan over gehouden. Arie schudt zijn hoofd. Ondertussen gaat Marinka terug naar de Nooitlek en bakt pannenkoeken. Driekus: Is hij dan niet van jou, deze driemaster? Arie barst in snikken uit. Driekus Wat krijgen we nou, ben je niet blij? Druif, neem jij het roer eens effen van hem over. Arie: (woest brullend) Nee! Afblijven met je tengels! Driekus: (fluisterend) Hij is knetter. De kapitein loopt over het schip en kijkt rond. Kapitein: Dit schip is oud, eeuwenoud. Kapitein ziet een zwarte vlag hangen. Hij strekt hem uit en er verschijnt een witte doodskop. Kapitein: Aha, Kromme Arie, ben je soms zeerover geworden? Arie: Nee, nee! Niet waar! Nou ja, okÊ, maar ik moest wel.

1 2


Marinka komt terug met een stapel pannenkoeken. Marinka: Alsjeblieft, Kromme Arie, eet eerst maar eens goed. Arie begint met zijn mond de pannenkoeken te eten. Driekus: Arme ziel, ben je al je manieren kwijtgeraakt. Arie: (met volle mond) Ok bon bohokst. Driekus: Wat zeggie? Arie: Ik ben behekst. Ik zit vast aan het roer, Schobbebonk heeft me hier achter gelaten. Kapitein: Vertel ons alles nou eens van het begin. Arie: Toen wij schipbreuk hadden geleden, Driekus en ik, heb ik nog dagen op zee rondgedobberd. Toen ik dacht te sterven van honger en dorst, werd ik opgepikt door dit schip, dit spookschip, wat bestuurd werd door zeerover Schobbebonk. Druif: Schobbebonk? Driekus: Schobbebonk, heb je Schobbebonk ontmoet? De meest gevreesde zeerover? Arie: Ja, hij heeft mij gered. Maar Schobbebonk zou Schobbebonk niet zijn als hij er niet iets voor terug wilde. Hij weigerde mij naar de haven te brengen, ik moest hem helpen met het stelen van de schat. Als ik dit niet deed zou hij mij terug de zee in gooien. Ik durfde niet te weigeren. Driekus: (hoofd schuddend) Dat jij nog es een zeerover zou worden, wie had dat ooit gedacht. Marinka: Maar waarom ben je behekst? Arie: Doordat we met dit spookschip de schat gestolen hebben, ligt er een vloek op ons en op dit schip. Ik zit vast aan het roer (trekt aan het roer). Ik zal eeuwig blijven doorvaren. Ik heb zo een spijt. Willen jullie me helpen, alsjeblieft? Driekus: Natuurlijk helpen we! Toch, kleine kapitein? Iedereen kijkt verwachtingsvol Kapitein. Kapitein: (neemt zijn pet af) Het is onze plicht als zeemannen en zeevrouw om jou te helpen. Marinka: Maar hoe? Arie: Ik kom pas los als iemand mijn plaats inneemt of als de schat terug gebracht wordt naar de eigenaar, de heer van schrik en vreze. Kapitein: Waar is de schat? Arie: De schat is midden op het Kringworteleiland het ligt twee graden drie te zuiden.

1 3


Kapitein: Als we nu vertrekken, kunnen we morgen ochtend bij het Kringworteleiland zijn. Kom, jongens. (loopt richting de Nooitlek). Arie: Maar pas op, want zeerover Schobbebonk is ook op het eiland en hij vind het vast niet fijn als jullie zijn schat proberen stelen. Driekus: Ik blijf hier, dan heeft Kromme Arie wat gezelschap, na al die jaren. Dan kunnen we omstebeurt het roer vasthouden, hè makker! (slaat Arie op zijn rug) Kapitein: Tot ziens! Marinka & Druif: (zwaaiend) Tot ziens! De drie kinderen gaan terug naar de boot en Druif maakt het touw los. Toontje komt het ruim uit. Kapitein: Toontje, het duurt nog even voordat je thuis bent. Toontje: (snikkend) Volgens mij kom ik no-noooit meer thuis. De kinderen zingen lied 4. Kapitein: Gaan jullie maar slapen, dan zal ik wel naar het eiland varen. Toontje, Marinka en Druif verdwijnen in het ruim. De kapitein staat achter zijn roer. Het wordt nacht.

1 4


Scène 7: Het Kringworteleiland Kapitein: Wakker worden! We zijn bijna bij het Kringworteleiland! Toontje en Marinka verschijnen op het dek en kijken in de verte. Marinka: Daar is het! Marinka sleept Druif uit het ruim. Marinka: Wakker worden, luiwammes! Druif: Maar het is nog zo vroeg. Toontje: W-wat gaat er gebeuren? Marinka: We gaan een enge zeerover vangen Druif: Een hele gevaarlijke, en we sturen jou als lokaas. Toontje: Is dat waar, kleine kapitein? Kapitein: Nee hoor. Als we stil zijn, zal zeerover Schobbebonk niet eens merken dat we er zijn. Kapitein gooit het anker uit en ze gaan aan land. Toontje wordt door Druif geduwd. Ze moeten lopen, kruipen, klimmen en blijven dicht bij elkaar. Veel muggen. Ze kijken steeds verschrikt om zich heen. Ze fluisteren. Toontje: Ik moet plassen. Marinka: Kleine Kapitein, hoe vinden we hier ooit de schat? Kapitein: Kijk (laat kompas zien). Dit kompas heb ik meegenomen van het eiland van Groot en Groei, die komt nu mooi van pas. Ze lopen een tijdje verder. De kleine kapitein blijft staan. Hij telt de passen die hij loopt. De kinderen lopen vlak achter hem aan. Kapitein: Eén, twee, drie. Eén twee. Eén Schuine stap. Hier moet het zijn. De kinderen staren naar het punt dat hij aanwijst. Kapitein: Kom, we moeten, graven, voordat de zeerover... Ze kijken bang om zich heen en beginnen hard te graven. Druif en de Kapitein halen een kist tevoorschijn. De kapitein maakt hem open. Druif, Marinka & Toontje: Oooooh. Toontje: Zoveel goud. Marinka: Zoveel sieraden. 1 5


Druif: We zijn rijk. Kapitein: Voor eventjes ja. Kom, we moeten verder graven. Er ligt nog een kist. Toontje: Zou daar ook zoveel goud in zitten? Kapitein: We zullen zien. Help eens, Dikke Druif. Druif en de Kapitein tillen de tweede kist op. Druif: HĂŠ, deze is veel lichter, hij lijkt wel leeg. Marinka: Wat zou er in zitten? Toontje: M-misschien wel een s-spook. Druif: Haha, dat zou een mooie vriend voor je zijn! De kapitein opent de kist. Er schijnt een licht uit. Druif: Wat is dit nou? Marinka: Kijk, er staat wat op geschreven. Kapitein: Als we de kisten tegen elkaar aan zetten is het te lezen (zet kisten tegen elkaar). Marinka: (voorlezend) Twee kisten van hout, Een kist gevuld met koper, met zilver en goud, met rode robijnen en kristallen konijnen en dikke diamanten van een kilo per stuk maar de andere kist is gevuld met geluk Kapitein: (fluisterend) Geluk, in deze schatkist zit geluk. De kinderen staan zwijgend met grote ogen te kijken. De kapitein sluit de kisten. Kapitein: Snel terug naar de boot, voordat Schobbebonk merkt dat zijn schat weg is. De kinderen pakken de kisten op en lopen terug naar de boot. Opeens horen ze een woest gebrul. Schobbebonk: Mijn schatten! Ik zal jullie krijgen, dieven! Toontje: Help! Druif: Hij heeft ons door! Kapitein: Rennen! Schobbebonk: Onderkruipsels!

1 6


Toontje laat de kist vallen en rent vooruit naar de boot. De andere volgen met de schatkisten, steeds achterom kijkend. Schobbebonk komt het podium opgerend. Schobbebonk: Hoe durven jullie! Mijn eigen schatten, eerlijk gestolen. Druif: Daar is ie, snel! Kapitein: Zet de kisten neer. Marinka: Maar waarom? Marinka en Druif kijken verbaast, maar doen wat hun gezegd wordt. De kapitein opent de gelukskist. Kapitein: Pak een handje geluk en strooi dat over jezelf heen. Kapitein geeft het voorbeeld. Druif en Marinka volgen. Kapitein: Dit moet genoeg geluk zijn om de boot te halen. Kom op, snel! De kinderen rennen verder met de kisten. Schobbebonk rent achter ze aan maar struikelt. Hij staat op, maar krijgt een tak in zijn gezicht. Hij valt weer. De kinderen hebben ondertussen de boot bereikt en springen er met de schatkisten in. Kapitein: Haal het anker in, stook de vuren! Volle kracht vooruit!

1 7


3e BEDRIJF: DE SPOOKSTAD Scène 8: Het spookt De boot vaart steeds verder en de kleine Kapitein maakt muziek, liedje 5. Druif is op het dek in slaap gevallen en Marinka bakt pannenkoeken voor de kleine kapitein. Het wordt steeds donkerder en mistig. Toontje: (fluisterend) ’t Gaat spoken Kapitein: Bange Toontje, wij gaan slapen. Jij moet opblijven om aan de misthoorn te trekken. Anders varen we ergens tegen aan. Marinka schudt Druif wakker en ze verdwijnen met de Kapitein het ruim in om te slapen. Toontje blijft op het dek en trekt aan de misthoorn. Toontje: (gillend) Een spook! Daar! Maar niemand wordt wakker. Langzamerhand wordt het licht. Marinka en de Kleine Kapitein worden wakker. Marinka: Goedemorgen, zeeheld! Toontje: Het was zo eng vannacht. Ik zag een stad, helemaal grijs en grauw. Het was een spookstad. Vannacht heb ik nog ‘help’ geschreeuwd, maar jullie wilden niet luisteren. Ik moest gewoon door werken. Ik wil naar huis, naar mama. Marinka: (lachend) Braaf werk hoor jongetje. Maak je nog even beslag voor me? Ik heb een slap handje van het slapen. Kapitein: Weet je het zeker, Bange Toontje? Toontje: Ja, ik heb het zelf gezien. Kapitein: Dikke Druif, wakker worden! Stook de vuren! We gaan rechtsomkeert. We gaan naar die stad toe, misschien weten zij de weg naar de heer van Schrik en Vreze. Toontje: M-maar ik wil naar m-mama. Ze gaan allemaal aan het werk. Het wordt opnieuw donkerder en mistig. Druif gaat op de uitkijk staan.

1 8


Scène 9: Gevangen Druif: Land in zicht! Nee zee! Nee land! Een stad! Daarginds! Marinka: Ga jij maar naar de brillendokter. Een stad! Midden in zee zeker? Druif: Een stad op palen (gooit extra kolen op het vuur) Toontje: Daar heb je die spookstad weer, ik wil er niet heen. (vlucht het ruim in). Ze meren aan en springen uit de boot, Toontje blijft achter. Toontje: (vanuit het ruim) Ik ga niet mee hoor, ik blijf hier. Druif: (roepend) Als er een dief komt, trek je maar aan de stoomfluit! Toontje gooit het luik dicht, de drie kinderen gaan het toneel af. Bange Toontje zit een hele tijd alleen op de boot steeds banger te worden, verdwijnt in het ruim, komt weer op het dek. De andere komen maar niet. Hij wil het ruim in vluchten. Toontje: Straks komen de dieven, die kijken natuurlijk het eerste in het ruim. Waar moet ik heen? De spookstad in? Nee! Aan boord blijven? Nee! In de stad is het misschien toch minder eng. Hij springt uit de boot en loopt schichtig weg. Hij ziet een affiche met een gekleurde vrouw. Toontje: (leest voor) Wie schone Galatea vindt, krijgt hier voortaan het bewind. Hij loopt verder en komt hij bij een raam met tralies en ziet daar de andere kinderen. Marinka: Dappere toontje! Kapitein: Sst! Ben je gekomen om ons te redden? Toontje: J-ja. Kapitein: Dan ben je voor mij een held. Luister. We zijn gevangen genomen door de politie. Marinka: Door de rode jas van Dikke Druif. Druif: En de vlinderjurk van Marinka. Kapitein: Als je in deze stad kleur draagt, wordt je opgepakt. Je mag ook niet vrolijk zijn of zingen. Hier toontje, doe deze jas aan. (geeft hem een grijze jas) Marinka: De stad heeft een geheim. Alles is grauw. Alleen hangt er steeds een kleurige dame op de plaatjes aan de muur. Daar is iets mee. Kapitein: We moeten die kleurige dame vinden, dan komen we wel vrij. Toontje, luister. Als je ons wilt redden moet je de grijze jas aan doen en de stad in gaan. Vraag naar de kleurige dame. Wie ze is en waar ze zit. Zodra je het weet kom je het ons vertellen. Mars! Toontje: M-maar.. Maar – ja goed. 1 9


Toontje loopt richting de stad. Hij is dapperder geworden. Toontje: (fluisterend) Ik ga mijn vriendjes redden en op zoek naar het geheim van de kleurige dame.

2 0


Scène 10: Het geheim van de kleurige dame Bange toontje loopt door de stad, met een dapper gezicht. Hij spreekt verschillende mensen aan. Toontje: Meneer, wie is dat eigenlijk, die gekleurde vrouw? (wijzend op een aanplakbord) Grijze meneer: Snotneus! Maak dat je wegkomt met je brutale vraagstukken! Toontje: Weet u ook wie die… Grijze mevrouw: Sst! Niet over praten! Als de Norse Heerser je hoort.. (ze rent weg) Toontje wordt steeds minder dapper. Toontje: Zeg meneer, ik kom ook van zee. Wat is er hier aan de hand met die mooie dame en de Norse… Zeebonk: Wat een drommel! Aap! Waar bemoei je je mee! Wou je d’r soms gaan zoeken? Toontje: N-nee. Zeebonk: Bemoei je dan niet met grote-mensen zaken. Ga ’t dek zwabberen! Toontje is niet dapper meer. Hij rent weg en verstopt zich de tuin van de aardige vrouw, waar gekleurd wasgoed hangt. Aardige vrouw: Heremetijd! Piepkijker! Wat moet je hier? Toontje: Ik viel Aardige vrouw: Toetje-me-roetje hoor Toontje: Wat? Aardige vrouw: (wijzend op het wasgoed) Dat je je mondje dicht moet houden. Die kleuren mogen toch niet! Toontje: O. Bent u dan die dame? Aardige vrouw: Galatea? Of ik die Galatea ben? Ik kijk wel uit! Toontje: Maar, wie is dat dan toch? Aardige vrouw: Kom maar even mee naar binnen, dan krijg je een kopje grauwe thee en een grauw koekje en dan zal ik het je vertellen. Bange toontje en de vrouw verdwijnen van het toneel. In de gevangenis zingen Druif, Marinka en de Kapitein verveelt liedje 6. Marinka: (zuchtend) Waarom duurt het zo lang? Druif: Toontje is vast van schrik in het water gevallen. 2 1


Druif en Marinka lachen. Kapitein: Hij moet opschieten, want de bewaker zal ons zo komen halen. Druif: Wat zal er met ons gebeuren? Marinka: We worden vast in het water gegooid. Druif: Achter bange toontje aan. Druif en Marinka lachen. De aardige vrouw en bange toontje verschijnen weer op het toneel. Aardige vrouw: En denk er om, als je vriendjes voor de Norse Heerser moeten verschijnen, dat ze dan vooral braaf ja knikken. Bij alles wat hij zegt: braaf ja. Want daar houd hij van. Van Jaknikkers. Dan komen ze misschien met een jaartje of drie vrij. En anders… (schudt haar hoofd) Bange toontje loopt terug naar de andere kinderen. Toontje: Zeg! Zijn jullie daar? Marinka: Nee! We zijn ontsnapt! Druif: Maar niet heus. Weet je alles? Kapitein: Schiet op, vertel. Ze komen ons straks halen. Toontje: O jee. Er is hier een Norse heerser. Een akelige man. Die heeft alles te vertellen Er mag niks van hem. Niks. Hij is de hele dag boos. En somber. Daarom moet de hele stad ook somber zijn. Dat heeft hij speciaal zo laten maken. Nergens mag kleur zijn. Marinka: Waarom? Toontje: Omdat z’n vrouw nergens te vinden is. Marinka: Weggelopen? Toontje: (ongeduldig) Nee! Ze is hier nooit geweest. Hij heeft dr nog nooit gezien. Druif: Hè? Toontje: Alleen op een plaatje! Daar is hij verliefd op geworden. En nou wil hij d’r echt. Druif: Laat hij haar dan gaan zoeken. Toontje: Heeft hij gedaan, de hele wereld af. Maar ze woonde nergens. En toen wou hij zelf ook nergens meer wonen. Vandaar deze spookstad. Kapitein: ’t Is zeker de vrouw op de kleurplaten? Toontje: Ja, Galatea heet ze. ’t Is de enige kleur die mag.

2 2


Kapitein: Goed. Dank je wel, dappere Toontje. Toontje: Ik weet nog meer. Je moet ja knikken, je moet ja knikken als‌ Marinka: Weg, snel! Er komt iemand aan. Toontje loopt snel terug naar de boot, waar hij in het ruim gaat zitten. De bewaker komt binnen. Bewaker: Meekomen jullie!

2 3


Scène 11: De Norse Heerser De Norse heerser zit nors op zijn troon. Hij kijkt om zich heen, of er niemand is en opent de gordijnen. Er verschijnt een schilderij van Galatea. De Norse heerser staat op en bekijkt het schilderij van alle kanten. Norse Heerser: Ga-Ga-Galatea. O Ga-Ga-Galatea, o bestond je maar echt, Mijn Ga-Ga-Ga.. De bewaker komt binnen met de drie kinderen. Bewaker: Ik heb hier de drie gevangenen, meneer. Norse Heerser: Goed, sluit het gordijn en snel! Bewaker: Ja meneer. Norse Heerser: Raddraaiers! Oproerkraaiers! De hele stad op stelten zetten, hè? Mijn gezag vertrappen hè? Druif: Welnee meneer. Norse Heerser: Wel pot-spot-hot! Ik ken hier maar één antwoord. En dat is ja meneer. Begrepen? Marinka: Bent u uit uw humeur? Kapitein: Wij wilde u wat vragen. Weet u de weg naar de heer van Schrik en Vreze? Norse Heerser: In de netten! Dompel ze onder. Tien keer per dag, tien jaar lang! Daarna zal ik ze opnieuw verhoren. Bewaker: Ja, meneer (pakt de kinderen) Marinka: (lief stemmetje) Blijft u dan al die tien jaar lang nors? Marinka trekt zich los van de bewaker en rent door de zaal. Door haar geren schuift het gordijn open. De bewaker slaat zijn hand voor zijn mond. Een moment is het stil. Druif: Hé! Daar hangt die mooie dame weer! En wat is ze groot! Norse heerser: Kleine onderkruipsels! Nog nooit heeft een vreemdeling dit prachtschilderij van mijn mooie Galatea gezien! Neem ze mee, nu! Bewaker: Ja meneer. (sleept de kinderen mee) Kapitein: Ja, ze is het toch heus. Norse Heerser: Wie, wat?! Kapitein: Ik dacht het al meteen, ’t lijkt precies. Goeie schilder. Norse Heerser: Wat zeg je?

2 4


Kapitein: En ze was erg lief voor ons. Ze wou graag trouwen, maar kon geen man vinden. Norse Heerser: (naar adem snakkend) Be-be-bestáát ze dan? Kapitein: Ja meneer Norse Heerser: Ooooh. Waar woont ze? Vertel het. Onmiddellijk. Ik ga d’r halen. Meteen. Zeg op. Waar? Kapitein: Ja meneer Norse Heerser: Waar? Kapitein: Ja meneer Norse Heerser: Wáár, vraag ik je! Kapitein: Ja meneer De Norse heerser smijt zijn grauwe troon in de hoek van de zaal. Kapitein: Ja meneer. We mogen toch nooit een ander antwoord geven? Norse Heerser: Maar nu wel! Kapitein: O, ik weet niet of ik daar wel zin in heb. U bent niks aardig voor ons. Als Galatea dat zag… De Norse Heerser zakt op zijn knieën, staat weer op en roept bevelen naar de bewaker. Norse Heerser: Ga zitten, neem plaats. Bewaker, haal kussens. Haal eten, heerlijk eten! Alsjeblieft, vertel. Waar woont ze? Willen jullie wat drinken? Priklimonade? Hier neem toch wat te eten. Druif: Mm.. die taart smaakt goed. Dat is nog eens wat anders dan pannenkoeken. Marinka: Niks tegen mijn pannenkoeken! Norse Heerser: Waar woont ze? Neem toch de hele taart. Kapitein: Ik geloof toch niet dat ik u ga vertellen waar Galatea woont. Want ik weet iets beters. Ik zal haar gaan halen. Norse Heerser: Ja ja, en dan niet meer terugkomen. Kapitein: Zo ben ik niet. Maar u mag Dikke Druif hier houden als gijzelaar. Druif: Ja hoor, eten genoeg hier. Norse Heerser: Hum. Hoe lang gaat dat duren? Kapitein: O, morgen is ze er.

2 5


De Norse Heerser springt, galoppeert en huppelt in het rond. Ondertussen schreeuwt hij bevelen. Norse Heerser: Schilder het paleis op. Schilder de stad op. Alle huizen, alle straten, en de toren. Laat alle gevangenen vrij. Nee, niet Dikke Druif. Hang lampionnen op. En slingers. En bellen. En toeters. Vuurwerk. Een ereboog voor Galatea. Kleur moet er zijn. Kleur, kleur, kleur. Voor mijn Galatea. Hup, schilderen! De vrolijke Norse Heerser, de bewaker en Druif verdwijnen van het podium. Het wordt al donker. De kapitein loopt met Marinka terug naar zijn boot. Daar treffen ze Toontje aan. Toontje: Jullie zijn terug. Dan kunnen we eindelijk naar huis. Kapitein: Niks daarvan. Morgen gaan we Galatea bij de koning brengen en Dikke Druif bevreiden. Marinka: Hoe wil je dat doen, Kleine Kapitein? We weten toch helemaal niet waar Galatea is? Kapitein: Luister. (buigt zich naar Toontje en Marinka) Morgen verkleden jullie twee je samen als Galatea. Ik zal jullie begeleiden naar de Norse Heerser. Marinka, jij bent haar hoofd en Bange Toontje, jij moet haar benen zijn. Toontje: M-maar, maar straks merkt de Norse Heerser dat we hem bedriegen, wat zal hij dan boos zijn. Marinka: Ik dacht dat jij dappere Toontje was geworden? Kapitein: Ik hoop dat we als de Norse Heerser het merkt weer op de Nooitlek zitten en wegvaren. Nu gaan we slapen. De kinderen verdwijnen in het ruim

2 6


Scène 12: De Schone Galatea De volgende dag is de stad totaal veranderd. Overal is kleur en er zijn ballonnen en slingers. De kleine kapitein loopt samen met Galatea (Marinka en Toontje) door de stad, naar het paleis. Er is muziek op de achtergrond. Kapitein: De Spookstad is een kleurstad geworden. Ze komen bij het paleis aan en worden verwelkomt door De Norse Heerser en Dikke Druif. Er staat een tafel met eten klaar. Galathea neemt plaats en drinkt wat wijn. Norse Heerser: Ga-Ga-Galatea. Ga-ga-ga. (gaat voor haar op zijn knieÍn) Galatea: (wuivend naar het volk) Wat een mooie stad. Wat een kleur! Wat een vrolijkheid onder het volk! Altijd zo geweest? Norse Heerser: O ja hoor. Altijd. Galatea-T: Wat een leugenaar! Norse Heerser: Wat was dat? Galatea: De wijn die ik dronk. Men zegt dat die de waarheid spreekt in de mens. Norse Heerser: Maar ik verlangde zo naar u. Ik voelde me zo grauw zonder u. Galatea: Ach, en alle andere mensen hier ook? Norse Heerser: Ik-ik zal het nooit meer doen. Iedereen mag voortaan vrolijk zijn. Galatea: Afgesproken. Norse Heerser: Trouwt u dan met me? Galatea: Straks misschien. Eerst moet u doen wat u beloofd hebt: Geef de kleine kapitein het bewind over de stad. Hij heeft mij naar u toegebracht. Norse Heerser: Goed, voor u doe ik alles. De Norse Heerser leidt de kleine kapitein naar zijn troon en plaatst zijn eigen kroon op het hoofd van de kapitein. Galathea eet aardappels. Norse Heerser: Zullen we dan nu wat dansen? Muziek! Galatea-T: Help, nee! Norse Heerser: Weer de wijn? Galatea: Nee, de aardappels, ze liggen wat zwaar op de maag voor een dans. Maar de Norse Heerser trekt haar van haar stoel en begint te dansen. Dan valt Galatea uit elkaar; Marinka en Bange Toontje verschijnen.

2 7


Marinka: Stommerd, jouw schuld! Toontje: Help, ik wil naar huis! Norse Heerser: (schreeuwend) Wel heb ik nou, hoe durven jullie! Ik zal jullie‌ Kapitein: (valt hem in de reden) Norse Heerser, ik gebied je deze stad te verlaten. Ga aan land en doe voortaan gewoon. (richting het publiek) Volk, dit is het einde van mijn bewind. Kies voor jezelf een aardige Heerser en leef voortaan vrolijk. Ik heb gesproken. Adieu. De kleine kapitein springt van zijn stoel en de vier kinderen dansen en zingen, en gaan zo uiteindelijk het podium af, de kinderen richting hun boot. De Norse Heerser blijft bedroefd achter. Dan komt de aardige vrouw het podium op. Norse Heerser: (snikkend voor zich uit) Vergeef me. Ik heb zo een spijt. Ik wilde het volk niet laten lijden, maar ik verlangde zo naar mijn Galatea. Naar de vrouw die kleur in mijn leven kan brengen. Aardige vrouw: Ik kan uw leven kleur geven. Zult u aardig zijn? Norse Heerser: Ja, dat beloof ik. Aardige vrouw: Dan mag je onze Aardige Heerser worden! Kom, we gaan de kinderen uitzwaaien. De Norse Heerser en de Aardige vrouw lopen arm in arm het podium af. De kinderen maken de boot klaar voor vertrek. Toontje: Wanneer gaan we nou naar huis? Kapitein: Als we de schat bij de heer van Schrik en Vreze hebben gebracht. Marinka: En de pannenkoeken op zijn. De Norse Heerser en de Aardige vrouw komen bij de boot aan. Norse Heerser: Bedankt jongens, dat jullie mijn leven en dat van mijn volk weer kleur hebben gegeven! Maar het is beter als jullie niet naar de heer van Schrik en Vreze gaan. Kapitein: Wat? Weet u wie dat is? Weet u waar hij woont? Weet u waar ik hem kan vinden? Norse Heerser: Jullie moeten er niet heen varen. Want de grote heer van Schrik en Vreze woont in het Wazige Oosten. En in het Wazige Oosten kom je geen haven binnen met je schip. Daar hebben ze koperen kanonnen en met die koperen kanonnen schieten ze alles lek wat vreemd is. Kapitein: O, maar de Nooitlek kunnen ze toch nooit lek schieten. Norse Heerser: Dat denk je, jongen. Kapitein: Dat weet ik Norse Heerser: Jij bent de kapitein en de baas van je schip. Maar ik heb je gewaarschuwd. Succes ermee!

2 8


Aardige vrouw: Doe voorzichtig. Een goede reis! De Norse Heerser en de Aardige vrouw lopen het toneel af. De kinderen zwaaien hen na. De Nooitlek vaart weg.

2 9


BEDRIJF 4: DE HEER VAN SCHRIK EN VREZE Scène 13: Marinka in de kist Druif: Stoomketel tien atmosferen druk! Marinka: Beslag wordt geroerd! Kapitein: Volle kracht vooruit! Ze zingen liedje 7. Marinka: Ach wat, de heer van Schrik en Vreze is natuurlijk gewoon een aardige meneer. Toch? Druif: Nou, als hij niet aardig is, dan varen we gewoon weer weg. Dan krijgt hij niks en houden we alles zelf. Kapitein: En driekus en kromme Arie dan? Die worden dan niet verlost. Ze varen verder en verder. Onderweg horen ze vanaf de kade mensen roepen. De kleine kapitein knikt als antwoord, de andere kinderen kijken niet op hun gemak om zich heen. Mens 1: Ga er niet heen Mens 2: Je kunt er alleen s‘ nachts aan land, met donkere maan. Mens 3: Ze schieten je voor je raap, met koperen kanonnen. Toontje: K-k-koperen k-kanonnen? Ik wil naar huis! Marinka: Ga jij maar in de gelukskist zitten! Daar kunnen ze je niet raken. Toontje gaat onopgemerkt in de gelukskist zitten. Kapitein: (wijzend) Daar is het paleis. Anker uit! Marinka en Druif gaan op hun tenen staan om het te kunnen zien. Druif gooit het anker uit. Kapitein: (peinzend) De gelukskist, dat is een idee. Marinka: Hoe bedoel je dat, kleine kapitein? Kapitein: Als de grote heer van Schrik en Vreze wéét dat wij schatten komen brengen, dan laat hij de koperen kanonnen niet op de Nooitlek schieten. Druif: Nee, hij kijkt wel uit. Maar hij weet het niet. Kapitein: Daarom, moet een van ons aan land gaan om het hem te vertellen. Druif: Aan land? Hoe? Zwemmen? Kapitein: Nee, in de gelukskist. 3 0


Druif: Aha! Bange Toontje! Kapitein: Nee, Bange Toontje is te bang. Druif: Nou, ik ben te dik. Ik zink met kist en al. Ga jij maar, Kleine Kapitein.. Marinka: Nee hoor, een kapitein blijft altijd op zijn schip. Ik ga. Kapitein: (neemt zijn pet af) Marinka, de gelukskist zal op de vloed de haven binnen drijven. Daar heb je een uur de tijd. Dan komt de eb en neemt de kist mee terug. We zullen hier op je wachten. Marinka: Goed, een uur is genoeg. De grote heer van Schrik en Vreze zal blij zijn als hij van de schatten hoort. Bang hoef ik niet te zijn voor hem. Toch? Druif en de Kapitein proberen de gelukskist op te tillen. Kapitein: Wat is hij ineens zwaar. Druif: Er zit een beest in de kist. Marinka: Het is vast een tijger. De deksel gaat langzaam omhoog en toontje verschijnt. Toontje: Ben ik nu eindelijk in Luilekkerland? Marinka: Dekzwabbertje! Hoe kom jij daarin? Toontje: Jullie hebben me voor de gek gehouden! Het is helemaal geen gelukskist, ’t is een ongelukskist. Kijk nou waar ik ben! Kapitein: Op de Nooitlek. Marinka: (toontje op zijn rug kloppend) Dag bibberhals. Kapitein: Help me, Dikke Druif, om de kist over bord te zetten. Marinka, stap er maar in. Druif en de Kapitein zetten de kist overboord en houden hem goed vast terwijl Marinka instapt. Marinka: Net een houten huisje op het water! Doe het dak maar dicht en duw af! Kapitein: Veel geluk. Marinka drijft weg met de kist, de deksel op een kiertje. De drie overige kinderen kijken haar in stilte na. Maar na een uur is Marinka nog niet terug. Het wordt steeds donkerder. Kapitein: Er is al een uur voorbij. Laten we maar een liedje zingen om de tijd te doden. Zacht en droevig zingen ze lied 8. Kapitein: Ze had nu echt terug moeten zijn. 3 1


Toontje: On-on-ongelukskist… M-mij heeft het ongeluk gebracht. Waar of niet? Druif: Ach zanikpot! Je bent zelf een stuk ongeluk, wáár je ook in kruipt! Die Marinka redt het best hoor. Zul je zien. Toontje barst in huilen uit. Druif: Eh.. Bange Toontje, sorry. Zo bedoelde ik het niet. Je.. Ik hoop gewoon dat Marinka niks overkomen is. Toontje houdt op met huilen en glimlacht. Toontje: Misschien moeten we haar toch maar achterna gaan? Druif en de Kapitein kijken hem met grote ogen aan en kloppen hem op zijn schouder. De kapitein kijkt in de verte. Kapitein: Daar komt hij aan Druif: Wat ligt hij hoog Kapitein: Marinka is licht De kist komt bij de boot aan en Druif tilt hem uit het water. Langzaam openen ze de kist. Toontje: Hij is leeg. Kapitein: Nee, er ligt een briefje in. (briefje voorlezend) Vaar om middernacht de haven binnen. De grote heer van Schrik en Vreze is al lang… Druif: Al lang wat? Kapitein: Dat staat er niet. Het laatste woord is door het zeewater onleesbaar geworden. Kapitein: Anker los! Als ik recht op die lichtjes stuur, dan varen we veilig de haven binnen.

3 2


Scène 14: De zielige heer van Beef en Bibber Het is stil. Alleen het klotsende water en wat gekraak van de mast is te horen. Maar plotseling zijn er luide knallen te horen. De drie kinderen krimpen ineen. Toontje: Help, de kanonnen! (vlucht het ruim in) Maar dan wordt het duidelijk dat het geen kanonnen zijn, maar vuurwerk. Druif: Wauw, het is vuurwerk! En kijk eens wat een mensen (gebaart richting publiek).De kade staat vol. De steiger wankelt! Ze zijn zeker blij met de schat. Kapitein: Ja, dat denk ik ook. Druif: (kloppend op het luik) Toontje, kom maar te voorschijn, bange toontje! Toontje: (half uit het luik) Z-zijn we dan nog niet dood? Druif: Nee hoor Toontje: W-waar is Marinka nou? Druif: Die staat vast met een stapel pannenkoeken ons in het paleis op te wachten. Kapitein: We kunnen de schatten het beste maar meteen meenemen. Help me eens. Druif en de kapitein pakken de kist met geld en toontje die met geluk en ze stappen de boot uit. Ze lopen naar het paleis en kloppen aan. Toontje: Ik vind het hier akelig. Marinka: Hè, hè, zijn jullie daar eindelijk? Toontje: (omhelst haar) Marinka! Klopt Toontje op zijn rug, waarna ze zich losmaakt van zijn omhelzing. Marinka: Kom, Kleine Kapitein, ik zal je voorstellen. Laat de kisten maar even hier staan. Ze lopen door de vele gangen van het paleis. Steeds om zich heen kijkend en komen bij de toon aan, waar een zielig mannetje zit te klappertanden. Kapitein: (neemt zijn pet af, aarzelend) De grote heer? Van Schrik en Vreze? Marinka: Wát? Nou nog mooier! Heb je mijn brief dan niet gelezen? Daar stond toch in: de grote heer van Schrik en Vreze is al lang dood! Kapitein: Nu snap ik het. Het laatste woord van je briefje was niet meer te lezen. Druif: Hadden we dat geweten! Dan zouden we niet zo bang geweest zijn voor het Wazige Oosten. Marinka begint te lachen. De andere drie kinderen volgen.

3 3


Marinka: (wijzend naar het mannetje) Kijk, dit is de zoon van de grote heer van Schrik en Vreze. Hij is zijn vader opgevolgd als heer van het Wazige Oosten. Maar hij is anders dan zijn vader. Hij heet ook anders. Hij heet de zielige heer van Beef en Bibber. Druif: Dat is te zien. Marinka: Hij is nog banger dan bange Toontje. Toontje: (borst vooruit, hoofd omhoog) Aha. Heer BB: De schatten! Waar zijn de kisten met schatten? Marinka: (klopt hem op zijn kromme schouder) Stil maar, die komen zo. Laat me eerst even alles vertellen. Toen ik hier aan kwam, was de stad maar verlaten. Een stel vissers heeft me de weg naar het paleis gewezen. Maar niemand vertelde me dat de Heer van Schrik en Vreze al jaren dood is. De mensen die ik onderweg tegen kwam, zagen er allemaal arm en ongelukkig uit. Vertel maar hoe dat komt, zielige heer van Beef en Bibber. Heer BB: T-toen mijn vader op zijn sterfbed lag, zijn de kisten geroofd. Mijn vader was zo ziek, dat hij er niets tegen kon doen. Toen hij stierf was er niemand die de kisten nog terug zou kunnen brengen. De ene kist bevatte alle rijkdom van de stad, waardoor iedereen nu in armoede leeft. De andere kist bevat het geluk van de stad, waardoor iedereen nu ongelukkig is. Marinka: Het volk werd steeds bozer en de zielige heer van Beef en Bibber werd zieliger, bevender en bibberender. Druif: Dus in de ene kist zit ĂŠcht geluk? Dan snap ik wel dat zeerover Schobbebonk hem heeft geroofd. Heer BB: Ja de kist bevat het geluk van de stad. Het is alleen zo, dat het geluk alleen door de eigenaren gebruikt kan worden, en bij anderen dus niet werkt. Toontje: Dat heb ik gemerkt zeg. Kapitein: Maar het heeft ons wel een keer geluk gebracht, zielige heer van Beef en Bibber. Toen wij op het Kringworteleiland waren om de schatkisten op te halen, zijn we aan Schobbebonk ontsnapt door het geluk. Heer BB: W-waarschijnlijk was dat niet het geluk van de stad, maar jullie eigen geluk. Als je maar genoeg in geluk geloofd, dan zal het je helpen. Toontje: M-maar, mijn geluk heeft mij niet geholpen om weer terug thuis te komen. Heer BB: Dat is omdat je uiteindelijk gelukkiger bent met de kleine kapitein en de andere kinderen, al zou je dat zelf niet denken. Geluk is niet altijd de veiligste weg. Marinka: Hoor je dat Bange Toontje, je hebt enorm veel geluk dat je met ons mee mocht op reis. Kapitein: Goed, we zullen de schatten snel aan U brengen. Helpen jullie mee?

3 4


De kinderen lopen terug door de gang en brengen de kisten naar de troon. De kleine kapitein opent eerst de kist met geld. De heer BB pakt een hand vol en bekijkt het met open mond. Dan opent de kleine Kapitein de andere kist. Maar de kinderen en Heer BB kijken geschokt en met open mond naar de kist. Heer BB: H-het geluk is verdwenen (barst in snikken uit) Toontje: O nee! Druif: Wat een ongeluk! Kapitein: (in gedachten verzonken) Wacht eens even.. Marinka: Wat, kleine kapitein? Kapitein: Dikke Druif en Toontje, toen we in de stad aankwamen was er een groot feest, de mensen waren vrolijk. Toontje: Dat betekend.. Marinka: ...Dat het geluk al naar de mensen terug is.. Druif: ...en het dus helemaal niet verdwenen is! Heer BB: (kijkt blij op en is een stuk zekerder) Maar natuurlijk. Marinka, toen jij hier in de kist aankwam en het goede nieuws vertelde, stonden alle mensen weer open voor hun geluk. Ik zal de schat verdelen onder de bewoners van deze stad en het zal weer net zo zijn als vroeger, maar dan zonder schrik en vrees. Ik kan jullie niet genoeg bedanken. Kniel neer. De kinderen knielen in een rijtje voor Heer BB neer.Hij geeft hun elk een schat uit de schatkist. Kapitein: Heel erg bedankt, zielige heer van Beef en Bibber. Onze plicht is gedaan, de stad is gered. We hebben nog een lange reis voor de boeg. De kleine kapitein loopt terug naar de boot, gevolgd door de kinderen. Ze varen zwaaiend de haven uit.

3 5


Scène 15: Naar huis De kleine Kapitein speelt op zijn accordeon en de vier kinderen zingen liedje 9. Kapitein: Ik zie de haven al, jullie zijn bijna thuis. Marinka: Wat zullen Mama en Papa blij zijn als ik er weer ben. Ik heb ze toch wel gemist. Druif: Ik heb zelfs een beetje zin om naar school te gaan. Toontje: Ja, ik ben nu helemaal niet bang meer voor de juf! Marinka: En het was toch niet zo leuk om volwassen te zijn. Druif: Volwassenen zijn maar saai. Marinka: Ze zijn altijd aan het werk. Toontje: Ze spelen nooit en zijn alleen maar serieus. Druif: Dan blijf ik liever nog even kind. Marinka en Toontje knikken instemmend. Marinka: Maar Kleine Kapitein, waar ga jij heen? Je mag bij ons komen wonen. Druif: Bij ons ook! Toontje: En ik-ik zal het aan mijn moeder vragen. De kleine kapitein schudt zijn hoofd. Hij maakt de boot vast aan de kade en ze stappen een voor een uit en kijken wat onwennig om zich heen. Marinka: het lijkt wel alsof er niks veranderd is. Druif: Alsof we niet zijn weggeweest. Toontje: Misschien hebben ze ons wel niet gemist. Kromme Arie en Driekus komen vanuit de verte aanlopen. Arie en Driekus: Kinderen, helden! Het is jullie gelukt! Arie: Jullie hebben me bevrijd. Ik kan niet zeggen hoe blij ik ben. Driekus: Anders ik wel, dat spookschip ging toch snel vervelen. De kinderen en de matrozen omhelzen elkaar. Kapitein: Waar is het spookschip gebleven? Driekus: Dat is gezonken. We stapten aan wal en achter ons zonk het schip.

3 6


Arie: Ik zal er niet om treuren. Kapitein: Kromme Arie, ik heb nog wat voor je. Hier, je eigen kompas. De kleine kapitein geeft het kompas. Kromme Arie neemt het aan en bekijkt het. Arie: Bedankt. Bedankt voor alles. Kapitein: Niks te danken. We hebben het met plezier gedaan. Toch jongens? Bovendien hebben we niet alleen jullie bevrijdt, maar ook veel mensen blij gemaakt. Driekus: Wij gaan d'r weer vandoor. Arie: Nog effen langs 'de drie scheepsknopen' een biertje halen. Driekus: Dat hebben we wel verdient. Ajuu! Arie: Tot ziens! Arie en Driekus lopen vrolijk weg. De kleine kapitein schudt weer zijn hoofd. Hij neemt zijn pet. Kapitein: Luister. (richt zich omstebeurt tot de kinderen) Marinka, jij was de dapperste, omdat je in de gelukskist de haven van het Wazige Oosten bent binnen gevaren. Dikke Druif, jij was de sterkste, omdat je de Nooitlek aan de gang hebt gehouden door steeds in het vuur te blazen. Bange Toontje, jij was de beste. Je was bang, Toontje, maar hebt je angsten overwonnen. Heel erg bedankt, alledrie. Bedankt dat jullie mij geholpen hebben om op avontuur te gaan. Bange toontje beefde, maar niet van angst. Marinka veegt de tranen uit haar ogen. De kapitein zet zijn pet weer op. Kapitein: Zo gaat het in de wereld, maar daar heeft het verstand geen weet van Marinka: Kapitein, we zullen jou en de Nooitlek missen. Druif: Ja, het was een mooi avontuur. Toontje: Een avontuur wat we samen hebben overleefd. De kinderen omhelzen elkaar en de Kleine Kapitein loopt naar zijn boot. Hij gaat achter het roer staan en speelt liedje 10 op zijn accordeon. Het wordt donker en de kinderen lopen gearmd het podium af, achter om kijkend en zwaaiend naar de Kleine Kapitein. De gordijnen gaan dicht. Voor het podium verschijnt Marinka. Marinka: (richting het publiek) De volgende ochtend was de Nooitlek uit de haven verdwenen. Zonder stoomfluit en met zachte motor was de Kleine Kapitein vertrokken, de wijde, wijde, blauwe zee op. Misschien kun je hem wel eens voorbij zien komen, wanneer je aan het strand staat. De Nooitlek is een klein bootje en de Kleine Kapitein staat altijd achter het roer, wijdbeens, met zijn ogen op de kim.

The End 3 7


LIEDJES 1. Improvisatie (blz 4) 2. Daar varen wij op zee (blz 4) 3. Allen die willen te Kaap’ren varen (blz 10) 4. Zeg ken jij Schobbebonk (blz 14) 5. Improvisatie (blz 18) 6. Schuitje varen (blz 21) 7. Zeven dagen lang (blz 30) 8. Daar was laatst een meisje loos (blz 31) 9. De zee waar op wij varen (blz 36) 10. Improvisatie Liedje 2: Daar varen wij op zee Gebaseerd op ‘Daar vaart een man op zee’ Melodie op http://www.liedjesland.com Daar varen wij op zee Daar varen wij op de woeste zee Van je ram plan plan Van je woeste zee Daar varen wij op zee Daar varen wij op zee Wat doen wij daar op zee Wat doen wij daar op de woeste zee Van je ram plan plan Van je Woeste zee Wat doen wij op die zee Wat doen wij op die zee Wij gaan naar een eiland in zee Een eiland in de woeste zee Van je ram plan plan Van je Woeste zee Een eiland in de woeste zee In de woeste zee Op dat eiland in zee Groeien wij met alle bomen mee Van je ram plan plan Van je Woeste zee Wij groeien heel snel mee Wij groeien heel snel mee Dan zijn wij voortaan groot Dan zijn wij voortaan reuze groot Van je ram plan plan Van je reuze groot Dan zijn wij voortaan groot Dan zijn wij voortaan groot

3 8


Liedje 3: Allen die willen te Kaap’ren varen Couplet 1. Melodie: http://www.liedjesland.com Al die willen te kaap'ren varen Moeten mannen met baarden zijn Jan, Pier, Tjoris en Corneel Die hebben baarden, die hebben baarden Jan, Pier, Tjoris en Corneel Die hebben baarden, zij varen mee

2x

Liedje 4: Zeg ken jij Schobbebonk Gebaseerd op ‘Zeg ken jij de Mosselman’ Melodie: http://www.liedjesland.com Zeg ken jij Schobbebonk Schobbebonk Schobbebonk Zeg ken jij Schobbebonk Hij woont op het Kringworteleiland Ja ik ken Schobbebonk Schobbebonk Schobbebonk Ja ik ken Schobbebonk Hij woont op het Kringworteleiland Samen kennen we Schobbebonk Schobbebonk Schobbebonk Samen kennen we Schobbebonk Hij woont op het Kringworteleiland Liedje 6: Schuitje varen Zonder accordeonhttp://www.liedjesland.com Schuitje varen, theetje drinken Varen we naar de overtoom Drinken er zoete melk met room Zoete melk met brokken Kindje mag niet jokken

3 9


Liedje 7: Zeven dagen lang Het couplet over werken http://www.tribuun.com/tribuun/muziek/muz9.htm Dan zullen we werken, zeven dagen lang, Ja, zullen we werken, voor elkaar, Dan zullen we werken, zeven dagen lang, Dan zullen we werken, zeven dagen lang, Ja, zullen we werken, voor elkaar. Dan is er werk voor ieder-een Dus werken we samen, zeven dagen lang, Ja, werken we samen, niet alleen. Dan is er werk voor ieder-een Dus werken we samen, zeven dagen lang, Ja, werken we samen, niet alleen. Liedje 8: Daar was laatst een meisje loos Gebaseerd op het gelijknamige liedje. http://www.liedjesland.com Daar was laatst een meisje loos Die wou gaan varen Die wou gaan varen Daar was laatst een meisje loos Die wou gaan varen in een houten doos. Liedje 9: De zee waar op wij varen Gebaseerd op ‘De rivier de Rhôhne http://www.kinderliedjes.overtuin.net De zee waarop wij varen heeft een wilde vloed Ga je mee naar ’t over kijk dan hoe dat moet Met z’n vieren in de Nooitlek gaan we van zee naar land Varen wij als echte zeelui naar de overkant

4 0

Toneelscript De kleine kapitein  

Toneelscript De kleine kapitein, naar de gelijknamige boeken van Paul Biegel.

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you