a product message image
{' '} {' '}
Limited time offer
SAVE % on your upgrade

Page 1

er kenni ngs nr .P508020 8580Avel gem -Bel gi ë

Dr i e ma a n d e l i j k sma g a z i n eo v e r h u l p v e r l e n i n g u i t g a v ev a nd ev z w FOKUS1 0 0


Redactie

Joost Vanhessche, Guido Claes

Werkten mee aan dit nummer

Dirk Janssens, Chris Vandeputte, Marc Wille, Gerry De Wilde, Koen Verhulst, Jean-Paul Heyens, Jean-Paul Salden, Guido Claes, Claude Chabeau, Christian Van Ussel, Steve Vanhoutte, Jos Janssen, Peter Rozé, Kris Henderikx, Christian Schnyns, Willy Martens, Bob Colpin (Heemkring Ter Palen Buggenhout), Guy De Vis, Ph. De Moor, Frans Van Dam.

99

in dit nummer

Brandweerwagens

pag. 3

brandweerposten

Antwerpen, Borsbeek, Brugge, Buggenhout, De Haan, Diest, Edegem, Gistel, Hamme, Huy, Kontich, Schilde, Sint-Job. AZ Lokeren, Ambulancecentrum Kontich

bedrijven

Fire Technics, Vanassche, Visser Leeuwarden, Asimex, Proviron, VLS-Group, Volvo Car Gent.

Ziekenwagens

pag. 12

Abonnementen

€25 per jaar €40 voor het buitenland IBAN BE 35 4629 1923 4137 SWIFT/BIC KREDBEBB

Secretariaat

Suzanne Spanhovenstraat 5 2100 Deurne tel. 03 / 326 05 91 (na 18h) mail dirk.janssens75@gmail.com

Verantwoordelijke uitgever Gerry De Wilde Nieuwstraat 87 9170 Sint-Gillis-Waas

Bedrijfsnieuws

pag. 15

Historische branden

pag. 21

Website

www.fokus100.be join us on Inzendingen

info@fokus100.be

Buitenland

pag. 25

©2018 Niets uit deze uitgave mag worden gekopieerd of vermenigvuldigd op welke wijze dan ook, zonder voorafgaande toestemming van de redactie. De opgenomen informatie is niet noodzakelijk een weergave van de mening van de redactie of uitgever. De redactie noch de uitgever aanvaardt enige aansprakelijkheid voor mogelijk onjuist verstrekte informatie.

2 Objectief


B�������������� ANTWERPEN Met één van de grootste petrochemische industriezones in de achtertuin moet men wel op allerlei problemen voorbereid zijn. De brandweer van Antwerpen heeft die wijsheid altijd goed in het achterhoofd gehouden. Neem nu de adembescherming. In 1980 werd een apart voertuig aangekocht dat alleen uitgerust zou worden met allerhande adembeschermingsapparatuur. Dat was een Mercedes LA1113BR met Ziegler ombouw. In 1989 kwam daar nog een VW LT45 bij. Beide voertuigen werden buiten dienst gesteld in 2001. Toen kocht men een nieuwe MAN 14.224LC, die door Rosenbauer Espagnola op maat afgewerkt werd.

Collectie C. Chabeau

© D. Janssens

3 © S. Vanhoutte

Objectief


© S. Vanhoutte

© S. Vanhoutte

Na zeventien jaar is de opvolger klaargemaakt door Fire Technics. Tegenwoordig neigt men in de havenstad eerder naar Mercedes en die tendens is nu ook gevolgd. De nieuwe AB-wagen is een Mercedes 1021/36 Atego, waarvan de motor 155 kW levert (210 PK). De opbouw is naar goede gewoonte uit kunststof vervaardigd en voorzien van Rosenbauer klapdeuren. Aan weerszijden is er een rode, elektrische luifel aangebouwd. De voorste kasten bieden plaats aan AB-toestellen in koffers. In de middelste kast zijn reserveflessen aanwezig, en een werktafel die zowel links als rechts uitgeschoven kan worden. De twee achterste kasten hebben kantelsledes en schuiven voor het opbergen van een mobiele AirPack en reservemaskers. Een AirPack is een steekkarretje met twee tot vier persluchtflessen van 6 tot 12 liter, en een meerurenaansluiting. Achteraan zijn diverse sledes voorzien. Voor een ondersteunend voertuig als dit, was een dubbele personeelscabine niet nodig. Uiteraard is rondom gewerkt met leds, zowel voor de signalisatie als voor de werkveld- en tredeverlichting. Bovendien werd gekozen voor de FlexiLight lichtmast met acht ledstralers. Dit voertuig krijgt zijn uitvalsbasis op Kano (Kazerne Noord). (1-UPT-356, nr. 64) (J. Vanhessche)

HEMECO / W.A.L. NIEUWE BEVRIJDINGSWAGENS

© JP. Heyens

4 Objectief

Dit type voertuigen wordt nagenoeg niet meer geleverd. De uitrukprocedure voorziet in een standaardploeg van zes personen, en met de snelle hulpwagen zoals we die kennen, is dat niet haalbaar. Bovendien wordt nu vrijwel overal teruggegrepen naar multifunctionele autopompen, een tendens die we ook in het buitenland zien. Niettemin kochten de zones Hemeco en W.A.L. samen drie Mercedes 519CDI Sprinters aan, die ze bij Vanassche lieten inrichten als snelle hulpvoertuigen. Ze zijn, op enkele details na, identiek qua uitrusting. Opvallend is de aanwezigheid van een vaste boltrekhaak.


Behalve de Comet ledlichten op het dak en de twee ledflitsers in de grille, kregen de wagens een verkeersgeleider mee en een signalisatiebord. (Waimes: 1-TNS-035, Aywaille: 1-TNS-007, Huy: 1-TPT-327, D3) (J. Vanhessche, JP. Heyens)

ZONE 1 RED-TEAM Het was een lang gekoesterde droom om voor het RED-team van deze zone een apart voertuig te hebben. Om alles binnen de financiële perken te houden, werd besloten om een bestaand voertuig te hergebruiken.

© S. Vanhoutte

In de post Wenduine werd de bevrijdingswagen overtollig. Voor verkeersongevallen wordt nu uitgerukt met een autopomp, die daartoe uitgerust is. De Mercedes 412D Sprinter uit 1999 was nog in prima staat en dus was de zaak gauw beslist. Het Vanassche-voertuig verhuisde naar Brugge, waar het ingericht werd voor de nieuwe taak: die van RED-wagen. In de voorste materieelruimte is plaats gevonden voor curverboxen met valbeschermingsmaterieel (Skylotec Milan), een adembeschermingstoestel, allerhande touwen, antivalharnassen enz. Er is ook plaats voor de Honda GX200 stroomgroep. De achterste zijcompartimenten kregen een geperforeerde inox-wand (Sortimo). Daarop kunnen allerlei bevestigingshaken vastgemaakt worden. Die zijn evenwel heel makkelijk te verplaatsen, zodat latere © S. Vanhoutte aanvullingen geen grote ingrepen vergen.

5 Objectief


Bovendien blijft het materieel op die manier erg overzichtelijk en meteen beschikbaar. Achteraan is de plaats van de Holmatrogroep ingenomen door de brancard. De lichtmast, voorzien van twee led-stralers, is behouden. Voor dezelfde zone waren er ook twee logistieke voertuigen. De Iveco Daily’s zijn door Somati gebouwd volgens het ministerieel bestek en hebben achteraan een laadklep van Dhollandia. Ze gingen naar de posten Gistel (L134, 1-TDY-646) en Wenduine (L133, 1-TDY-627). © S. Vanhoutte

© S. Vanhoutte

Gistel, dat vorig jaar zijn VW Transporter personeelsbusje moest laten gaan, kreeg in ruil een gelijkaardig voertuig. Van Torhout kwam de gewezen commandowagen over, en dat is een VW Transporter 1.9TDi uit 2003. (1-KEA726, S118) (J. Vanhessche) © S. Vanhoutte

6 Objectief


ZONE OOST HAMME - BUGGENHOUT Materieelwagens worden steeds minder aangekocht en worden ook door de overheid niet meer opgenomen in de shortlists. Toch blijven ze een zeker belang hebben. De recente aankopen in Leuven en Diest (zie verder) bewijzen dat. Ook de zone Oost plande een dubbele investering: voor Hamme en Buggenhout.

© K. Verhulst

© K. Verhulst

© K. Verhulst

© K. Verhulst

7 Objectief


© K. Verhulst

© K. Verhulst

© K. Verhulst

8 Objectief

Beide posten ontvingen een MAN TGM15.290, die voorzien werd van een Rosenbauer ATIII opbouw. Hierin zit de uitbreiding van de personeelscabine. Rosenbauer maakt zich sterk (en toont dit aan) dat dit systeem borg staat voor betere rijeigenschappen. Er is ruimte voor in totaal acht personen, waarvan er vijf een Rosenbauer Comfort ABhouder hebben. De bijrijder heeft de beschikking over een Bostrom ABhouder. Alle zitplaatsen zijn uitgerust met driepuntsgordels. De opbouw is ingedeeld in zes gewone compartimenten en een grote laadruimte. Die wordt met een Palfinger laadklep afgesloten. Hier kunnen drie Jerg rolcontainers opgeborgen worden. In de gewone compartimenten is zeer divers standaardmaterieel te vinden: handgereedschap, korven met dompelpompen, absorberende korrels, een interventietent, afbakeningslichten, een stroomgroep en kabelhaspels, slangen en een slangenwasser en een Ramfan EX50Li rookdrukker (op batterijen!) met nevelmogelijkheid. Er is tevens gedacht aan een wendbare Flexilight lichtmast met acht led-armaturen.

© K. Verhulst


Achteraan is er de typische Rosenbauer lichtkrant en op het dak valt het elektrische ladderlaadsysteem op. De volledige verlichting werkt met leds. Het alarmsignaal komt van een Martin Horn of van de nachtsirene. Het geheel wordt bestuurd door middel van CanBus technologie. Hiervoor is in de cabine een LCD-scherm aanwezig. In Hamme wordt de Iveco Daily 35.10 uit 1996 vervangen. Dat wordt voortaan het zonale logistieke voertuig om materieel voor de warme oefeningen te vervoeren naar de brandweerschool (L42, 1-JLF-996). Buggenhout zwaait zijn Mercedes 1117 (1989) helemaal uit. Deze kofferwagen werd in 1996 tweedehands aangekocht. (M21, 1-JLV-479) (Buggenhout: 1-DYJ-430, M4 en Hamme: 1-DYJ-433, M41) (J. Vanhessche)

ZONE RAND Over trouwe klanten gesproken. De zone Rand laat opnieuw van zich horen en het gaat weeral om een omvangrijke aankoop. Niet minder dan vijf autopompen werden er geleverd. Samen met de eerder geleverde exemplaren, brengt dat het totaal voor deze zone op tien Atego’s van het nieuwste type. Eerder al waren er straatversies voor Brasschaat en Edegem (1) en terreinversies voor Kapellen, Wuustwezel en Kalmthout. Dit keer zijn Sint-Job (2), Schilde (3), Borsbeek (4), Kontich (5) en Lint aan de beurt.

© D. Janssens

© JP. Salden

© JP. Salden

© JP. Salden

© D. Janssens

© D. Janssens

In Kontich gaan de Renault S170 en de lichte autopomp Mercedes 817 eruit. De Mercedes 1428 Atego van Schilde blijft, maar wordt het reservevoertuig. Westmalle heeft ook nog zo’n Atego staan. Men moest er wel afscheid nemen van de Unimog bosautopomp, de lichte vrachtwagen Peugeot en de Chevrolet Matiz. Deze laatste was betrokken in een ongeval en werd niet meer hersteld, noch vervangen. In Sint-Job gaat de Mercedes 1329F terug naar Brecht, waar hij de tweede uitruk wordt. In Edegem is nu ook een nieuwe tankwagen (6) geleverd. De Scania, met 8000 liter aan boord, moet de Renault helemaal doen vergeten. In Edegem en Lint zijn de twee Mercedes 1124 autopompen eveneens afgedankt, net als de Renault hoogtewerker van Edegem. In Ranst ging eerder al de Ford Transit weg, de MAN tankwagen van Brecht is eveneens afgevoerd. De Zandhovense Mercedes 1124 werd ook buiten dienst gesteld. De Unimogs van Kapellen en Essen gingen allebei naar de plaatselijke vriendenkring. (J. Vanhessche, JP. Salden en D. Janssens)

9 Objectief


VLAAMS-BRABANT OOST DE MATERIEELWAGENS VAN ZONE VLAAMS-BRABANT OOST (VERVOLG)

In het voorgaande nummer 98 van “Objectief” kon u de geschiedenis lezen van de oude Leuvense materieelwagens, en kreeg u meteen een verslag over de nieuwste Leuvense aanwinst. Het bleef niet bij deze nieuwe materieelwagen. Ook in de post Diest werd een uniek exemplaar gestationeerd. Al werden beide wagens gebouwd volgens hetzelfde concept, toch is er veel verschil. Leuven kreeg een MAN TGM15.250 4x2 terwijl Diest koos voor een alle terrein MAN 18.290 4x4 met enkele banden rondom. De Leuvense kastopbouw heeft twee rolluiken en een hydraulische laadklep. De wagen van Diest heeft aan elke zijde vier rolluiken met daarenboven een kleinere deur net achter de cabine. Achteraan is er ook een Dhollandia laadklep beschikbaar. De cabine biedt plaats aan drie inzittenden. Op het dak vinden we twee krachtige LED flitsers met daartussen vier performante verstralers. Een aërodynamische spoiler schermt de dakbelading af die bestaat uit een Teklite lichtmast met vier richtbare led-stralers, een ladderpakket op een elektrisch Rosenbauer-rek, en een opklapbaar signalisatiepaneel van Aristo. Op het dak klimmen hoeft in principe nooit, dus is hiervoor ook geen laddertje voorzien. Niet ongewoon bij een materieelwagen is de voorbouwwinch. In dit geval is dat een elektrische Warn S12.

10

© G. Claes Objectief

© G. Claes


© G. Claes

© G. Claes

© G. Claes

Het meegevoerde materieel, verborgen achter de vier zijdelingse luiken, is enorm uitgebreid en aan alles werd gedacht: redding van mensen en dieren, bevrijding, chemische ongevallen, zaag-, stut- en takelwerken, rookafzuiging, afdichting, signalisatie, verlichting (met o.a. de hulp van een zware Rosenbauer stroomgroep),… de lijst is werkelijk eindeloos. Twee kasten hebben inwendige draaideuren zodat al het gereedschap heel snel bereikbaar is. Zwaar materieel staat op individuele draairekken. Elke ruimte werd benut en de kleine bijkomende deurtjes op de flanken geven toegang tot borstels, rieken, schoppen, een reddingskorf en een spine board. Via de Dhollandia laadklep, die een draagvermogen heeft van 1500 kg, komt men in een centrale laadruimte die doorloopt over de hele lengte van de wagen. Hierin zitten vier identieke aluminium rolcontainers van het Duitse Jerg. Zij kunnen met de laadklep op- en afgeladen worden. In elke container zitten twee ledigingspompen, aangedreven door een benzinemotor, met aanzuig- en persleidingen. Bij wateroverlast, en dit gebeurt helaas regelmatig in de regio Diest, kan dus op vier verschillende locaties met pompwerken worden gestart. Speciale aandacht werd besteed aan de hygiëne na een interventie. Water, zeep en papieren servetten zijn hiervoor beschikbaar. (1-LNT-863, zonenummer M11) (G. Claes)

11 Objectief


������������ BRUGGE Zone 1 investeerde in drie nieuwe ziekenwagens. Twee komen er in Brugge terecht. Eén ervan rukt uit van de kazerne Walwein (de post in het centrum van Brugge), maar de tweede is bedoeld als PIT voor het AZ Sint-Lucas. Een derde exemplaar kwam terecht in Oostende. Het gaat om Mercedes Sprinters (519CDI) met WAS-opbouw en geleverd door Autographe. (Brugge: 1-UFS-823, Z129 en 1-UFT-043, Z131 (PIT), Oostende: 1-UFS-940, Z130) (J. Vanhessche)

© S. Vanhoutte

EMS DENDERMONDE

© G. De Wilde

© Visser

© J. Janssen

EMS bestaat al sinds 2014. Zoals de naam doet vermoeden, verzekert Event Medical Service OostVlaanderen de hulpverlening op evenementen zoals stadsfestivals en sportwedstrijden. Hiervoor is er zelfs een montainbiketeam voor interventies op moeilijk bereikbaar of afgesloten terrein. Daarnaast heeft men natuurlijk ook een ambulance. Deze Mercedes Sprinter 312D werd oorspronkelijk door Ambucar in 1997 aan de Dendermondse brandweer geleverd. Nu was ze hoognodig aan vervanging toe. Men ging op de tweedehandse markt zoeken en vond daar een Volkswagen T5 2,5Tdi uit 2008. De ambulance had een RBK containeropbouw van het Nederlandse Visser. Deze honderdjarige firma uit Leeuwarden is een onderdeel van Ziegler en partner van het Duitse Ambulanz Mobile. De wagen deed reeds eerder dienst in de veiligheidsregio Noord-Holland Noord en daarna bij Ambi-Care te Lanaken, waar hij zijn voorlopige 112-look van geërfd heeft. (NL: 01-VPH-2, Ambi-Care: 1-AYK-427, EMS: 1-LUB283) (G. De Wilde, M. Kramer, Visser Leeuwarden)

12 Objectief


© JP. Salden

© G. De Wilde

KONTICH Het Ambulancecentrum Kontich is sinds kort de trotse eigenaar van een nieuwe ziekenwagen. Net als bij de vorige aankoop, koos men nu weer voor een Ford Transit, die in deze markt duidelijk aan een opmars bezig is. De wagen werd besteld bij de firma Asimex, dat voor de binneninrichting scheep ging met het Franse bedrijf Les Dauphins. Dit is een belangrijke speler op de Franse markt. De thuisbasis is Chelles, in de oostrand van de Parijse agglomeratie. Voor het interieur werd een frisgroene kleur gekozen. Dit is in enkele jaren tijd echt wel de medische kleur geworden. Tegen de rechterwand zijn twee vouwzetels aangebracht, die het logo van de inrichter dragen. Alle kastjes worden met draaiklinkjes afgesloten. Binnenin de kastjes is ledverlichting te vinden. Aan de linkerkant is op het aanrecht een Boscarol aspiratietoestel te vinden, naast een Lifepak 15 monitor-defibrillator. De brancard is van het Italiaanse Meber. De sanitaire cel wordt ook gecontroleerd door middel van een camera. Daardoor kan de bestuurder meevolgen wat er zich in de patiëntenruimte afspeelt. Er komen nationaal steeds meer klachten over geweld van patiënten op hulpverleners. Dankzij de camera kan er in geval van nood snel opgetreden worden. (J. Vanhessche, G. De Wilde)

13 Objectief


LOKEREN Het AZ Lokeren neemt een nieuwe ziekenwagen in gebruik. Conform de nieuwe regelgeving m.b.t. de zichtbaarheid van de ziekenwagens, is deze uitgerust met het Battenburg patroon. Dat moet zorgen voor een verhoogde zichtbaarheid en een beter onderscheid tussen dringende hulpverlening en niet-dringend ziekenvervoer. De nieuwe ziekenwagen is een Mercedes Sprinter 316 CDI. De wagen werd door Dias geleverd.

© K. Verhulst

© JP. Heyens

Er werd extra aandacht besteed aan het comfort van de patiënt. Zo is de sanitaire cel uitgerust met traumalicht (blauw). De volledige uitrusting van de wagen is zoals het FOD die voorschrijft. De nieuwe ziekenwagen is bovendien uitgerust met een nieuw model van pneumatische tafel, merk Spencer. Deze moet de schokken in de weg beter opvangen, waardoor de patiënt minder last en pijn ervaart tijdens het transport. Deze nieuwe tafel heeft rondom verlichting en achteraan twee koppelingen voor zuurstof. Aan deze ziekenwagen hangt een prijskaartje van € 116.320,10. Ook de kledij van de medewerkers van de spoedafdeling werd aangepast aan de nieuwe wetgeving inzake dringende geneeskundige hulpverlening i.v.m. veiligheid en zichtbaarheid. Naast de aanpassingen op het gebied van de kwaliteit en de kleuren, is de kledij ook voorzien van een ‘Star of Life’ om tijdens interventies de aard van de hulpverlener snel te kunnen identificeren. De vorige ziekenwagen, een Mercedes Sprinter 316CDI uit 2006, wordt als reservewagen behouden. (J. Vanhessche, AZ Lokeren)

14 Objectief


B������������� JANSSEN PHARMACEUTICA

© G. De Wilde

© G. De Wilde

Dit bedrijf hoeven we waarschijnlijk niet meer voor te stellen. Met ruim 4600 medewerkers in ons land, verspreid over acht vestigingen, behoren ze tot de meest vernieuwende farmaceutische bedrijven ter wereld. Voor de vestiging in Beerse mocht men de sleutels in ontvangst nemen van een nieuwe commandowagen Mercedes Vito Tourer 119 CDI A2, omgebouwd door AB technics. Men vervangt hiermee de Vito Combi 115 CDI uit 2007 (zie Objectief 55). Voor- en achteraan kreeg het voertuig een 21TR plus multicolor lichtbalk, in de grille 2 MR6 modules en in de flanken Hide-a-Blast leds, allemaal van Code-3. In de laadruimte werd een universeel meubel ingebouwd voor het opbergen van ondermeer een ademluchttoestel, meettoestellen, een warmtebeeldcamera en een Ipad met interventieplannen. Daarnaast werd de MAN 10.153 uit 2003 (Objectief 40) een grondige opknapbeurt gegund bij AB-Technics. Deze materieelwagen, gebouwd volgens het Rosenbauer AT-concept, werd hierbij uitgerust met nieuwe schuiven en sledes. Bij deze upgrade moest de originele gele kleur wijken voor brandweerrood met Battenburg striping. De bijzondere Iveco Daily 59.12D, die de firma Vanassche in 1994 tot materieelwagen opbouwde voor de vestiging in Geel, is van eigenaar veranderd. Het compacte voertuig wordt nu ingezet door de zone Kempen, met vermoedelijke standplaats in Westerlo. (origineel kenteken: ATF-390, huidig kenteken: 1-RPX-053) (G. De Wilde en J. Vanhessche, K. Henderikx)

KABELWERK EUPEN Eén van de opmerkelijkste bedrijfskorpsen is dat van Kabelwerk Eupen. Het beschikt sinds jaar en dag over een uitgebreid en bijzonder wagenpark. Eén van de wagens was een schuimautopomp op een Magirus 178D15A, afkomstig van de Duitse Bundeswehr. Dit voertuig dateerde van 1962 en kwam in 1992 over naar Eupen. Uiteraard was het beste er wel vanaf. Men vond een interessant koopje in Nederland. Het korps IJsselstein (regio Utrecht) deed haar Dennis Rapier uit 2001 van de hand. Het voertuig heeft 1500 liter water aan boord en een Godiva bluspomp. De opbouw is van JDC (John Dennis Company) zelf. Het was niet de enige investering van dit bedrijfskorps. Een tweede autopomp werd in Duitsland gevonden, meer bepaald bij de vrijwillige brandweer van Burg. Voorheen had deze MAN 19.302F, die door Schlingmann gebouwd werd, tot 2005 dienst gedaan in

15 Objectief


© A. Kriek

© C. Van Ussel

Dortmund. In 2016 ontving men in Burg een gloednieuwe HLF op MAN TGM13.290 van Lentner, en dus werd de ‘oude’ wagen verkocht. Het is een van de zeldzamere LF24’s (Loschgruppenfahrzeug). Dit veronderstelt een cabine voor negen personen, een pomp van 2400 l/min bij 8 bar, een watertank van 1600 liter en een tank met 200 liter schuimproduct. Gezien dit type als eerstelijnswagen ook voor technische hulp bedoeld is, zijn een Rotzler winch met 5 ton trekkracht, een lichtmast die gevoed wordt door de ingebouwde stroomgroep (18 kVA) en een redset aanwezig. Dit type zag officieel het leven in 1981, maar in 1991 werd de ‘LF24’ alweer geschrapt. Niettemin bouwden veel korpsen nadien buiten de norm hun eigen wagens, die ze HLF noemden (hulpverleningsbluswagen). Later zou er ook een officieel type HLF komen. De wagen van Kabelwerk Eupen werd in 1992 gebouwd, dus nadat de norm LF24 officieel geschrapt werd. Kabelwerk heeft nog twee autopompen en kocht ook de Saviem tankwagen van brandweer Eupen. Daarnaast beschikt de dienst nog over een autoladder, een materieelwagen, een adembeschermingswagen, een zware pompwagen en een dienstwagen. Een flink uit de kluiten gewassen korps dus. (1-SVP-956, nr. 327. Origineel kenteken BL-LZ-94, nr. 912) (J. Vanhessche, C. Schyns, K. Henderikx en C. Van Ussel)

© C. Van Ussel

16 Objectief


© S. Vanhoutte

PROVIRON OOSTENDE Met bescheiden middelen is door dit Seveso-bedrijf een nieuwe materieelwagen in dienst genomen. Bij de plaatstelijke Iveco-dealer werd een Iveco Daily gekocht. Men koos voor de langste en hoogste versie. Fire Technics, bijna een buur van het bedrijf, richtte de wagen verder in. Aan beide zijden van de laadruimte werd een rek gemonteerd. In het overgebleven gedeelte zijn tegen de wand vier eenvoudige AB-houders aangebracht. (1-UAM-413) (J. Vanhessche)

NIEUWE PANTHERS VOOR BELGIË Acht van de tien grootste luchthavens ter wereld beschikken over Panther blusvoertuigen. Ons land heeft vrij lang moeten wachten op de eerste Panthers, maar intussen lijken onze luchthavens toch te vallen voor de charmes van de Rosenbauergigant. Er kwamen uiteindelijk 17 exemplaren van de vorige versie in dienst (waarvan het grootste deel bij Defensie). Maar intussen bouwt Rosenbauer het nieuwe type Panther. Na het exemplaar van Liège zijn het tweede en de derde exemplaar in ons land een feit. Eén ervan ging naar de luchthaven van Antwerpen, de andere naar Oostende. Beide wagens zijn vrijwel identiek.

17 © S. Vanhoutte

Objectief


Het gaat om het type 39.700 met indrukwekkende afmetingen: bijna twaalf meter lang, drie meter breed en bijna vier meter hoog. Niettemin haalt de kolos van 39 ton toch vlotjes een snelheid tot 120 km/u. Daarvoor is een Volvo Penta dieselmotor nodig met een vermogen van 515 kW. De wagens hebben een snelstartknop naast de deur van de bestuurder. Bij het indrukken wordt de wagen helemaal klaargezet voor de interventie: de motor slaat aan, de lichten branden, de pneumatische deuren worden geopend... De vier manschappen kunnen meteen plaatsnemen in de vernieuwde cabine, waarvan in drie zetels een Bostrom-houder ingewerkt is.

© S. Vanhoutte

© S. Vanhoutte

© JP. Heyens

© S. Vanhoutte

Bij de interventieplaats gooit de Panther zijn troeven op tafel: 12 000 liter water, 1500 liter schuimvormend middel en een oefenschuimtank van 50 liter. Van deze tanks wordt de resterende inhoud met leds weergegeven op de zijkanten van het koetswerk. Als bluspomp staat een N80 van Rosenbauer paraat. Ze levert 7500 l/min bij 10 bar en kan al rijdend gebruikt worden. Het schuimmengsel wordt gevormd door middel van de elektrische FixMix 2.0. Het blusmengsel verlaat de wagen langs de RM80C dakmonitor, een RM35C bumpermonitor, twee uitlaten van 70 mm aan beide kanten, een lagedrukhaspel van 60 meter en een sproeiinstallatie bij elk wiel, onder de voorbumper en onder de motor. Daarnaast is er ook nog een Total PLA250 poederblusinstallatie aan boord, voorzien van een haspel. Om de interventieplaats te verlichten, beschikken de giganten ook over een Flexilight lichtmast met draadloze bediening. In Oostende wordt er de Sides bluswagen ‘303’ mee vervangen. In Antwerpen mag de oude Faun (1977) eindelijk definitief met pensioen. De Antwerpse Sides wordt daar nu het reservevoertuig. Zowel Oostende als Antwerpen beschikten al over een Panther van het vorige model. (J. Vanhessche, Dhr. K. Deschacht van Fire Technics)

18 Objectief


VLS-GROUP VLS Group heeft vestigingen in Antwerpen, Gent, Rotterdam, Frankfurt en Dusseldorf. VLS Gent is een productie-plant, heeft een Seveso-status en omvat een hogedrempelinrichting. VLS Gent is een chemisch logistiek bedrijf. Het biedt diensten aan voor op- en overslag, het afvullen van petroleumproducten voor de scheepvaart- en vrachtwagenindustrie. Ze zijn gespecialiseerd in smeeroliën, oliën voor marine en koopvaardij, additieven voor diesel, benzine en oliën, screenwash (ethanol), ... Op de terminal staan zowel productiehallen als opslagtanks met een totale capaciteit van ongeveer 100.000 m³, waarin de vloeistoffen worden opgeslagen: P1-vloeistoffen Zeer licht en licht ontvlambare vloeistoffen, met name vloeistoffen met een vlampunt lager dan 21°C. P2-vloeistoffen Ontvlambare vloeistoffen, met name vloeistoffen met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 21°C en gelijk aan of lager dan 55°C. VLS nam de terminal in 2010 over van ADPO. De bedrijfsbrandweerdienst bestaat uit twintig personen uit de verschillende (productie)afdelingen (en administratie) met een gevorderde opleiding waaronder adembescherming. Er zijn geen vaste brandweermannen in dienst. Er wordt continu gewerkt van maandag 6u tot zaterdag 6u. Overdag zijn er steeds acht personen aanwezig. Tijdens de vroege en de late shift zijn er vier mensen en ‘s nachts is er een permanentie met twee personen. In Objectief 68 stelden we u de DAF schuimautopomp voor. Die kwam van Rotterdam (Coloradoweg) en beschikte over 4000 liter schuimproduct en een R600 bluspomp van Rosenbauer. Zoals we eerder al meldden, is er een nieuw schuimblusvoertuig geleverd. De Mercedes Sprinter werd bij Vanassche uitgerust. Ondanks de bescheiden afmetingen, mogen we

© K. Verhulst

© K. Verhulst

© K. Verhulst

© K. Verhulst

19 Objectief


gerust van een performante unit spreken. Om zijn kunnen te tonen, heeft de Sprinter geen eigen bluswater nodig. Op het terrein is er een intern hydrantennetwerk beschikbaar, dat constant op 10 bar werkdruk gehouden wordt. De waterbevoorrading wordt rechtstreeks gehaald uit het kanaal Gent-Terneuzen. Om de hydranten van de ringleiding op druk te houden staan er drie pompen (niet-gelijktijdig) klaar: twee dieselpompen en één elektrische pomp. De nieuwe wagen brengt 800 liter schuimproduct ter plaatse. Via een Firedos schuimmengsysteem kan tot 2500 liter per minuut schuimmengsel geproduceerd worden à rato van 3%. Hiervoor zijn er twee inlaten van 70 mm en het mengsel verlaat de wagen ook via twee uitlaten van 70 mm. Voor het overige is de wagen flink volgestouwd met slangen, adembescherming, monitoren en dergelijke. (K. Verhulst)

VOLVO CAR GENT Op 29 oktober 1987 legt een zware brand het onderdelenmagazijn van Honda Europe in de Gentse haven volledig in de as. ‘Voorkomen is beter dan genezen’ is dan ook een uitdrukking die zijn effect niet mist bij het vlakbij gelegen Volvo Car Gent. Er werd besloten om iedere werknemer verplicht een opleiding ‘kleine blusmiddelen’ te laten volgen. Voor het vervoer van deze cursisten van de kazerne naar het opleidingsterrein beschikte men sinds 2010 over een Ford Transit 85T280 minibus. Deze werd onlangs vervangen door een Peugeot Boxer Combi Pro 333 Blue HDi 130 L2H2 (2000 cc/ 130 Pk.) geleverd door Dias. Het voertuig, uitgerust met Federal Signal ‘Highlighter’ lichtbalkjes en een sirene PA300 kan eveneens ingezet worden bij milieu-incidenten en als trekker van de aanhangers. Een tweede nieuwkomer kwam reeds uitgebreid aan bod in Objectief 38 (juni 2003). Toen leverde Fire technics twee halfzware autopompen (MAN LE250B), uitgerust met een NH30 pomp, aan de Gentse brandweer. Bijzonder aan deze voertuigen was de zespersoonscabine van het type ‘Rosenbauer Es Alu Space Frame’. Beide Gentse voertuigen werden inmiddels vervangen, wagen 4 rukt voortaan uit vanuit post Waarschoot, en wagen 3 kwam nu naar de autoconstructeur. De MAN vervangt de Mercedes 1124F3640 uit 1998, die vroeger uitrukte van de Gentse post West (nr. 7) maar sinds 2010 deel uitmaakte van deze bedrijfsbrandweer. Deze wagen wordt echter niet helemaal afgedankt. De autopomp kreeg het Volvo pre-delivery en distributiecentrum ‘Esdic’ in Desteldonk als nieuwe thuisbasis. (G. De Wilde)

© G. De Wilde

© J. Vanhessche

20 Objectief

© G. De Wilde


H���������� ������� ONTEX : VUUR ZONDER GENADE Op vrijdagavond 9 maart 1990 breekt brand uit aan de achterzijde bij ‘Ontex’, aan de industriezone Genthof 5 in het Oost-Vlaamse Buggenhout. Deze fabriek heeft een oppervlakte van 24 000 m2 en werd opgericht in 1980. Men maakt er luiers, maandverbanden en hygiënische producten. Het bedrijf heeft een eigen eerste interventieploeg, die door de brandweer zelf werd opgeleid. Omstreeks 23.15 uur ontdekt een werknemer, die de afvalbreker bevoorraadt, de brand. Die is waarschijnlijk te wijten aan oververhitting van een rollager door een steentje in de hamermolen. Deze afvalbreker, aangedreven door een motor van 150 pk, wordt gebruikt om de papierresten van de luierproductie fijn te malen. De resten worden in de twee vlakbij gelegen silo’s als pellets opgeslagen. Meteen na de ontdekking poogt een eerste interventieploeg van het bedrijf het vuur te bedwingen met poederblussers en muurhaspels. Twee minuten na de alarmering verlaat de eerste zware autopomp Daf de kazerne. Aan boord zijn commandant Vincke en vier brandweermannen. Na zeven minuten is het eerste blusvoertuig ter plaatse, meteen gevolgd door een tweede autopomp (Mercedes LP1013) en de tweede Daf autopomp van Buggenhout, met aan boord nog een officier. Bij aankomst van deze voertuigen, het is dan 23.34 uur, dringen de commandant en drie brandweermannen het gebouw binnen langs de centrale brandgang. Ze zijn gewapend met een hogedruklans en een straalpijp van 45 mm om zowat 30 meter verder het vuur te lijf te gaan. De commandant zet zijn verkenning naar een mogelijk slachtoffer voort en gaat verder in het gebouw. Actief als zelfstandig loodgieter was hij betrokken in de ontwikkeling van de blusinrichting. Hij woonde bovendien maandelijks de brandoefeningen bij en was zodoende vertrouwd met het gebouw. De tweede officier probeert radiocontact te krijgen met de commandant, om verdere interventie-instructies te ontvangen. Dit lukt niet en men besluit de halfzware Mercedes 1113 autopomp en de ladderwagen achteraan op te stellen in de Blijdorpstraat. Hier bestaat bijkomend gevaar door de aanwezigheid van vaten tolueen, paraffine en smeermiddelen. Bovendien bevinden zich hier vlakbij het kartonnagebedrijf SCA Packaging en het medisch pedagogisch instituut ‘Blijdorp’. Hier wordt het bevel gegeven om 18 mindervaliden te evacueren naar ‘Blijdorp 2’ in Dendermonde. Hiervoor doet men een beroep op ziekenwagens van Dendermonde, Londerzeel, Lebbeke en het Rode kruis. Om 23.48 uur wordt de hitte ondraaglijk, zijn er kleine ontploffingen en verspreidt het vuur zich aan beide zijden naar de opslag van grondstoffen en afgewerkte producten. Ook de elektrische installatie voor het opladen van batterijen valt ten prooi van de vlammen, waarop de drie brandweermannen zich uit het gebouw terugtrekken. Men vreest eveneens voor het ontsnappen van giftige stoffen als een hoogspanningscabine bijna vuur vat. Intussen geeft de commandant geen teken van leven meer, waarop de tweede officier besluit zijn verantwoordelijkheid te nemen en de hulp in te roepen van de omliggende korpsen en de civiele bescherming. Het is de start van een drastische opschaling: 23.59 uur (ter plaatse 00.07 uur) Dendermonde + Oudegem: snelle hulp, twee halfzware autopompen, zware autopomp, ladderwagen, materieelwagen archief bw Dendermonde

21

Objectief


archief bw Dendermonde

archief bw Dendermonde

De foto’s boven tonen goed de uitrusting in die tijd. Op de foto rechts zien we de MAN / Wauters tankwagen van Hamme en de Ford Big Job van Dendermonde. Deze brand was de laatste interventie voor die autopomp. Onder ziet u hoe de zoekactie georganiseerd wordt met speurhonden van de Rijkswacht. Er staat ook een kraan van de Civiele Bescherming klaar. Op de foto rechts staat onder meer de oude Magirus ladder van Baasrode. Helemaal onderaan ziet u wat er restte van de enorme fabriek...

Archief bw Buggenhout

22

archief bw Dendermonde Objectief

Archief bw Buggenhout


Hieronder geven we het persoonlijk verslag weer, dat door één van de brandweermannen werd opgetekend over de brand. Op vrijdag 9 maart 1990 werden we opgeroepen voor een bedrijfsbrand bij de firma Ontex aan de Genthof in Buggenhout. Meteen werd uitgerukt met autopomp ‘2’. Bij aankomst krijgen we de opdracht een vuurzee van een stapel paletten in de brandgang te bedwingen. De brand bevond zich een zestigtal meter ver in het bedrijf. We deden deze opdracht zonder adembescherming. Een collega leerde ons een techniek om voldoende verse lucht te halen uit de luchtstroom die meegezogen wordt langs de waterstraal. Op dezelfde manier zouden ook de giftige rookgassen weggedrukt worden, terwijl we konden blussen. Dankzij deze techniek konden we de opdracht goed volhouden, niet zonder gevaar, van elf uur ’s avonds tot in de ochtend. Tijdens de brandbestrijding kregen we commandant Paul Vincke tweemaal bij ons. Een eerste keer met de vraag om onze opstelling nog verder op te schuiven. Dit lukte niet omdat onze enige adembescherming hierdoor in het gedrang kwam. We zouden immers onze straal tijdelijk moeten afsluiten. Een tweede keer kwam de commandant bij ons, met de vraag of er een arbeider langs ons gepasseerd was met zijn tas. We konden alleen bevestigen dat we die persoon niet gezien hadden. De commandant is daarop teruggekeerd. We vermoeden dat hij de persoon, die het bevel had gekregen om het gebouw te verlaten, is gaan zoeken. Hij deed dit op gevaar voor eigen leven… We hebben daar vele uren moeten blussen, werden meermaals geconfronteerd met flashovers, zagen de engeltjes heel lang boven onze hoofden dansen. Hierdoor vielen er steeds brandende stukken dak naar beneden. We moesten ons voortdurend gehurkt verplaatsen om hieraan te ontsnappen. Uiteindelijk was het dak volledig weggebrand en konden we de sterren aan de hemel zien. We bleven blussen tot het weer dag werd. Plots werden de straalpijpen uit onze handen gerukt. Buiten was de opdracht gegeven om de autopomp, met slangen en al, buiten te trekken. Na die vele uren bluswerk moesten we noodgedwongen buiten komen. Daar vernamen we dat de commandant vermist was. We waren met stomheid geslagen. We gingen ervan uit dat hij langs de achterzijde van het bedrijf naar buiten was gegaan. Het was nauwelijks te geloven dat dit zo kon mislopen. Maar er was in die tijd een gebrek aan communicatie: we hadden maar twee draagbare zenders, waarvan één in het bezit van de commandant. Voor mij persoonlijk was het gevaar nog niet voorbij. Ik kreeg opdracht om een transformator met PCB’s te koelen om het gevaar voor kankerverwekkende stoffen te beperken. Tijdens dit werk kon ik de verdwijning van de commandant niet uit mijn hoofd zetten. Zo had ik niet in de gaten dat mijn laarzen tot aan de rand verzwolgen waren door een plastic lavastroom. Hier was geen ontsnappen aan. Mijn voeten dreigden te verbranden. Ik riep om hulp en had het geluk dat de baas van het naburige transportbedrijf Roger Reintens me uit mijn laarzen kon trekken. Hierna werd ik naar de kazerne gebracht en kreeg ik nieuwe laarzen. Ik kreeg de opdracht om te gaan rusten, maar dat lukte niet. Na een erg onrustige nacht zonder slaap hervatte ik de nablussing, met daarna de zoekactie naar Paul Vincke. Het hele bedrijf werd afgezocht, maar het duurde nog tot maandag voor we de resten van de commandant vonden. Ik was daar zelf bij. Heel even maar, want we werden meteen brutaal weggestuurd door de toenmalige politiecommissaris. Op die manier weggezonden worden van je overleden vriend en collega, dat kun je nooit vergeten. Nadien werden wij bovendien verhoord door de gerechtelijke instanties, omdat wij hem als laatste levend gezien hadden. De vragen waren heel ondraaglijk. Het leek alsof wij vijanden waren, alsof wij hem zelf de brand in hadden gestuurd. Het verhaal deed lang de ronde dat Vincke de sprinklerinstallatie in werking wou zetten omdat die niet werkte. Dit klopt niet. Paul is teruggekeerd om de persoon te zoeken die naar buiten moest gaan. Die persoon leeft nog, maar de commandant helaas niet meer. Hij is op amper tien meter van ons gestorven, in een brandgang achter een dubbele deur, waarachter verschillende explosies geweest zijn. Die deur staat nog steeds in mijn geheugen gegrift. Nu bestaat slachtofferhulp (en FIST, n.v.d.r.) om dit te verwerken, maar toen bestond dit allemaal nog niet. Het is een geluk dat we hierover met

00.15 uur (ter plaatse 00.27 uur) brandweer Hamme: halfzware autopomp en tankwagen 13.000 L 00.15 uur (ter plaatse 00.35 uur) brandweer Zele: tankwagen 8000 L 00.15 uur (ter plaatse 00.45 uur) Civiele Bescherming Liedekerke: drie tankwagens van 10 000 L 00.30 uur (ter plaatse 00.50 uur) bijkomende halfzware autopomp Hamme 00.50 uur (ter plaatse 01.00 uur) brandweer Baasrode: halfzware autopomp, materieelwagen, ladderwagen, jeep met slangenaanhangwagen Ondanks deze grootschalige inzet kan het vuur zich onverbiddelijk verspreiden. Er was geen doeltreffende compartimentering in het bedrijf en bovendien was er een zeer hoge brandbelasting door grondstoffen als papier, watten en viscose. De waterbevoorrading wordt verzekerd door de tankwagens van Zele en Hamme en door twee aanvoerleidingen van 150 mm, die door de Civiele bescherming gelegd werden vanaf de vijver van kasteel Genthof. Uiteindelijk slagen de 150 brandweerlui, met 25 voertuigen, in het vrijwaren van de afdeling cosmetica en de verkoopsruimte, twee transformatoren van 1000 en

de collega’s veel konden praten. Het luchtte een beetje op, maar niemand kan dit ooit vergeten. Door dit voorval ontstond bij mij een vaste wil om de nieuwe kazerne, die we nadien zouden krijgen, te laten noemen naar wijlen Paul Vincke. Na 25 jaar blijft deze wens, bij mij en de collega’s even vurig bestaan. Bron: Frans Van Dam

23 Objectief


2500 kVA en het voorkomen van een ontploffing van een ondergrondse tank met 30 000 liter alcohol. Omstreeks 6.00 uur ‘s morgens kunnen de nablussing en het zoeken naar de 44-jarige vermiste commandant beginnen. Met behulp van een bulldozer en een speurhond van de Vilvoordse brandweer zoekt men tevergeefs onafgebroken tot 18.00 uur. Op zondag 11 maart, om 8.00 uur, herneemt het Dendermondse korps de zoekoperatie tot 19.00 uur. Het is slechts daags nadien dat het lichaam ’s avonds door de eigen manschappen wordt teruggevonden. Vermoedelijk werd hij door het vuur of rookontwikkeling verrast. Op zaterdag 17 maart begeleiden zo’n 2000 aanwezigen waaronder 1000 brandweermannen onder trompetgeschal en loeiende sirenes de commandant naar zijn laatste rustplaats. De schade aan het bedrijf bedraagt ca. 1,2 miljard frank (30 miljoen euro) aan grondstoffen en afgewerkte producten, gebouwen en 37 machines. De 220 werknemers zijn technisch werkloos. Na 6 maanden puin ruimen start de heropbouw, waarbij men ruim 36 miljoen investeert in een sprinklerinstallatie en brandbeveiliging. De productie werd tijdens de heropbouw overgenomen door vestigingen in Nederland, Duitsland en Engeland. Het bedrijf telt momenteel 11 000 werknemers in 20 vestigingen, verspreid over 14 landen. Ontex Buggenhout is momenteel de belangrijkste productiefaciliteit voor de aanmaak van incontinentieproducten. Jaarlijks worden er door de 500 werknemers van deze vestiging een miljard stuks geproduceerd. Onder meer onder de impuls van Frans Van Dam, bestaan er plannen om de nieuwe Buggenhoutse kazerne de naam Paul Vincke te geven als een gebaar van hulde en respect. De naam was er veel eerder dan de kazerne. Pas dit jaar worden de plannen concreet voor een nieuwbouw aan de Kerkhofstraat. (G. De Wilde)

24

archief bw Dendermonde Objectief


B��������� INTERNATIONAL FIRE ACADEMY BALSTHAL (ZWITSERLAND) Het opleidingscentrum IFA is gesitueerd in de Zwitserse gemeente Balsthal. Er zijn twee bedrijven op het terrein aanwezig: Interkantonales Feuerwehr Ausbildungszentrum en de International Fire Academy. Beide bedrijven worden vooral vanuit de verzekeringswereld gefinancierd. De ontstaansgeschiedenis van het centrum gaat terug tot 1999. Er waren toen twee grote branden in Alpentunnels (Mont Blanc en Tauern). Deze rampen gaven aanleiding tot het oprichten van een Tunnel Task Force (ASTRA) in 2000. In 2001 sloeg het noodlot opnieuw toe met de brand in de Gotthardtunnel. Meteen werden de didactische groepen samengesteld. In 2004 werd de samenwerking bekrachtigd met Gasser Felstechnik AG. In 2005 besliste de Zwitserse Bundesrat om trainingscentra te bouwen in Balsthal en Lungen, en een volledig leertraject uit te bouwen. In 2006 begonnen de bouwwerken in Lungen, in 2007 was Balsthal aan de beurt. Dit gebeurde in een partnerschap met de Zwitserse spoorwegmaatschappij (SBB). De oefeninstallaties van de tunnels gingen in dienst in 2009. Recent werd een tweedehands voertuig van de Zwitserse brandweer Tessin aangekocht. Het betreft een Volvo FMX 450 4x4 met een EURO 6-motor van 332 kW / 450 PK. Het voertuig heeft een wielbasis van 4.200 mm. De manschappencabine biedt plaats aan zes personen (bestuurder/ begeleider/4 personen in de manschappencabine in de rijrichting). Alle zitplaatsen in de manschappencabine zijn voorzien van ademlucht. Het blushart bestaat uit een pomp van Rosenbauer N35 (FPN 103000) met LCS 2.0 Displaybesturing. De tankinhoud bedraagt 3 000 liter en heeft een automatische niveauregeling. Aanvullend is er een schuimtank van 400 liter, verbonden met een schuiminstallatie DIGIMATIC 42 en een Rosenbauer CONTI-CAFS installatie. Er is een snelle aanvalshaspel met een lengte van 30 meter. Links er rechts zijn telkens twee persuitlaten voorzien: één voor water en één voor het CAFS-systeem. Tot slot is er een lichtmast gemonteerd van het type Rosenbauer FlexiLight, 8 x 42 Watt. Bijzonder is uiteraard dat de originele geel-groene kleur aangepast werd naar zwart. De bijkomende belading bestaat uit o.a. een verkeersgeleider, omgevingsverlichting in de opbouw met 6 LED schijnwerpers van elk 42 W. Op de bumper staat een watermonitor Rosenbauer RM 15C, bedienbaar vanuit de bestuurderscabine. Op het dak bevindt zich een elektrisch bedienbaar ladderlaadsysteem Rosenbauer Comfort. (JP. Heyens, Roland Höhn, instructeur IFA, foto’s: Roland Höhn – instructeur IFA)

25 Objectief


BOSBRANDWEERWAGENS IN FRANKRIJK DE TRAPPEN VAN VERGELIJKING

Deze White met Guinard ombouw deed dienst in het departement Tarn. Het voertuig is nu te bewonderen in het Nederlandse brandweermuseum Wouwse Plantage. © JP. Salden

Het Franse Hotchkiss mocht vanaf 1952 de Jeep in licensie bouwen. Vanaf ‘55 verschenen de eerste M201’s zoals deze kleine bosbrandweerwagen. Hij werd omgebouwd door Maheu-Labrosse. Collectie J. Vanhessche

Een fraai gerestaureerde Renault Gallion met vierwielaandrijving van Sinpar. De Renault werd eveneens door Guinard omgebouwd. © G. De Wilde

26 Objectief

Recent toonden we de echt Frans getinte bostankwagens van de zone Rand. Binnen afzienbare tijd mogen we ons aan ‘meer van dat’ verwachten, want ook de FOD Binnenlandse Zaken gaat voor dit type de Franse toer op. Maar waar komt dat model vandaan? Wij zochten het voor u uit. En na de zomer is even mijmeren over het prachtige Franse landschap altijd meegenomen. De Franse natuur en het reliëf nopen de brandweerdiensten ertoe om goed uitgerust te zijn met terreinvaardige wagens. Tot na de eerste wereldoorlog waren die niet voorhanden. In het beste geval kon sporadisch een rupsvoertuig gevonden worden, waarop een watertank aangebracht was. Voor de rest moesten natuurbranden vooral met kloppers en met takken bedwongen worden. Er was niets anders... Na de tweede wereldoorlog werden een aantal militaire voertuigen gerecycleerd en omgebouwd tot eenvoudige tankwagentjes met enkele honderden liter water aan boord. Vreemd genoeg schreven de eerste normen alleen voor dat een brandweerwagen een drietal straalpijpen moesten kunnen voeden op een afstand van 300 meter. Daarvoor waren elf pompiers en twee motorpompen voorzien. De wagens hadden zelf geen water aan boord. Al gauw werden toch tankwagens gebouwd, voorzien van zo’n 3000 liter water, om de tijd te overbruggen die nodig was om die opstelling te maken. Van de militaire Dodges, Jeeps en GMC’s waren alleen die laatste in staat om zo’n hoeveelheid water te vervoeren. De kentering kwam er bij het begin van de jaren vijftig. Toen schreef de administratie drie modellen voor: ‘léger’, ‘moyen’ en ‘lourd’, al naargelang de hoeveelheid water. Gezien deze voertuigen ook op onverharde wegen moesten kunnen rijden, bleef er niet veel keuze over en men kwam weer bij de militaire voertuigen terecht. Het eisenpakket dat de overheid vastlegde was markant: ‘type GMC of gelijkaardig’ voor de zware tankwagens, ‘type Dodge of gelijkaardig’ voor de ‘moyens’ en ‘type Jeep of gelijkaardig’ voor de ‘CCF léger’. Het duurde evenwel tot 1955 vooraleer er een specifieke beschrijving kwam van de technische eisen, die aan de wagens gesteld werden. Het ging over een benzinemotor, een tank van 800 liter, een motorpomp van 100 l/min, drie personen, emmerpompen enz... Opmerkelijk: het moesten torpédo-modellen zijn (dus met een open dak). Deze eisen leidden meestal naar de militaire Dodges. Erg veel werden er niet in dienst genomen. In 1959 (het jaar waarin in België de allereerste echte bosautopomp verschijnt) worden de bostankwagens type ‘moyen’ onder handen genomen, maar dit project zou pas in 1964 concreet worden. De karakteristieken werden veel nauwkeuriger bepaald: aandrijving op beide


assen, terreinvaardigheid, minstens 1800 kg per as, maximum lengte van 5,50 meter, een motorvermogen van minimaal 44 kW, een watertank van minstens 900 liter. Voor de pomp werden vijf mogelijkheden voorzien: - een motorpomp van 500 l/min, - een motorpomp van 100 l/min bij 6 bar, - een motorpomp van 100 l/min bij 25 bar, - twee motorpompen (één van 100 l/min bij 25 bar en een tweede van 30 l/min bij 40 bar) - een motorpomp van 50 l/min bij 40 bar.

Dit voertuig deed dienst in het departement Aveyron, maar er waren van deze Berliet FF415 veel exemplaren gebouwd. Het type had een vermogen van 130 PK, een wielbasis van 2600 mm en woog 6300 kg. Er was een watertank van 2000 L, een CA60-pomp (1000 l/min) en een haspel van 80 m (diam. 22 mm). Dit voertuig werd kant-en-klaar geleverd door Berliet zelf. © C. Chabeau

Die waaier was ingegeven door de voorliefde van sommige diensten voor het gebruik van hogedruk, waar andere diensten de voorkeur gaven aan lagedruk. De eerste Franse merken doken stilaan op in dit 4x4-segment: Renault en Citroën. Soms werden gewone modellen door specialisten als Sinpar omgebouwd tot 4x4- voertuigen. Intussen nam de bosbouw in Frankrijk snel toe en zorgde het toenemende toerisme helaas ook voor meer bluswerk in de natuurgebieden. Mede daardoor kwamen van overal verzuchtingen dat 900 liter wel heel weinig was. Bovendien was er intussen een ferme Duitser op het toneel verschenen: de Unimog type S. Maar stilaan evolueerde men naar een

Het departement Var heeft een lange historie met Unimog. In het stadje Bandol deed deze zeldzame Unimog 406 dienst. © C. Chabeau

27 Objectief


Berliet moest het geweer een beetje van schouder veranderen toen er twee extra plaatsen geëist werden. Op de foto rechts kunt u het zitbankje zien, waarop de manschappen plaats konden nemen. Er was geen sprake van veiligheidsgordels. Een bescheiden kettinkje en wat houvast waren de enige veiligheidsmaatregelen. © C. Chabeau

CCF moyen met een tank van 2000 liter. CCF staat voor ‘Camion Citerne Forêt’ (of languit ‘Camion Citerne pour feux de Forêts’). Vanaf 1966 zorgde de Berliet FF415 ervoor dat dit technisch ook haalbaar was. Op datzelfde moment schaalde Unimog ook op met het model 416 in dieseluitvoering. Daarnaast was er ook nog de Franse Hotchkiss PL70. Opmerkelijk genoeg was het vooral in deze periode dat er militaire wagens omgebouwd werden. De Dodges werden bij het leger massaal afgeschreven en begonnen een nieuw leven als ‘CCF léger’. Voor de ‘moyens’ was het wachten tot 1970 om aan een watervoorraad van 2000 liter te komen. Dan verscheen er een nieuwe norm die voorzag in een motorpomp van 500 l/min en een tank van 1750 liter +/- 250 liter. Op die manier werd de Unimog S, die slechts 1500 liter kon vervoeren, niet buitenspel gezet. Er werd nu ook gekozen voor diesels. Goed nieuws voor de Unimog. Met deze norm werd ook bepaald dat deze voertuigen niet alleen voor natuurbranden ingezet konden worden, maar ook voor andere bluswerken.

Unic behoorde tot de Iveco-groep. Men gooide in Franrijk het type 75PC in de strijd. Dat was volledig vergelijkbaar met het onderstel voor de OM bosautopompen bij ons rond 1982. Het getoonde exemplaar, van Bandol, is al een aangepaste versie. Origineel had dit voertuig een enkele cabine. Die werd later door Rocher verlengd. De laadruimte bovenop de tank wordt hier deels in beslag genomen door een bus met schuimvormend middel. © C. Chabeau

28 Objectief


Een vierde versie kwam er eind 1978. Er moesten voortaan minstens vier plaatsen zijn, waarvan er eventueel twee aan de buitenkant van de cabine (op de opbouw dus). Bovenop de tank moest nu een opbergvak komen waar het gebruikte materieel na de inzet opgeborgen kon worden. Op het vlak van de merken kwam de Unic 75PC nu op de proppen, samen met de hoekige Unimog 1300. Van Franse kant verscheen Saviem met een 4x4 diesel. Na de droogte van 1976 was de vraag groot... Negen jaar later kwam er een einde aan de jarenlange benamingen ‘léger’, ‘moyen’ en ‘lourd’. De ‘moyen’ en ‘lourd’ werden voortaan benoemd als CCF2000, CCF4000 en CCF6000. Voor de ‘moyen’ was dat dus CCF2000, want die moest voortaan een tank van 1600 à 2500 liter hebben. De pomp werd verondersteld 750 l/min te leveren aan 15 bar. Het is in deze norm dat de veiligheidskooi voor de cabine voor het Rochegude bezat ook deze Unimog U1300L van Saieerst opgenomen werd. rep. Ook dit voertuig had origineel een enkele cabine, zoals de twee verschillende opstapjes verraden. In 1990 werd er een zeer ingrijpende De Unimog U1650L hieronder werd door Massias gemaatregel genomen. Voortaan zouden er bouwd voor Arrens-Massous (Hautes-Pyrenées). Ook geen zitplaatsen buiten de cabine meer hier moest de cabine naderhand verlengd worden. © C. Chabeau

29 © C. Chabeau Objectief


mogelijk zijn. Voor een land waarin die werkwijze nog schering en inslag was, betekende dit een grote aanpassing. Bovendien waren er heel wat bestaande wagens, die wel open zitplaatsen hadden. Het werd hoogconjunctuur bij de firma’s die op bestaande CCF’s de cabines aanpasten en soms de gehele opbouw moesten herschikken of zelfs veranderen. Firma’s als TIB, Gallin, Brevet, Rocher enzovoort deden gouden zaken. Niet iedereen was zomaar gewonnen voor een gesloten doosvormige cabine. In zomerse temperaturen is een ritje in de open lucht heel wat aangenamer dan in een afgesloten ruimte. Bovendien kan men in nood gemakkelijker Sommige wagens, zoals deze Dessautel van departeontsnappen vanaf een open zitplaats dan vanuit ment Aveyron, waren te oud om die grondige aanpaseen cabine. Het is ook opvallend dat men er in singen nog te laten uitvoeren. Men zou dit het overFrankrijk doorgaans voor kiest om de achterste gangstype kunnen noemen. © C. Chabeau twee zitplaatsen zijwaarts te monteren, met de rugleuningen tegen elkaar. Een geheel nieuwe benaming van het brandweermaterieel kwam er in 1998. Ze was gebaseerd op de MTM en op het gebruik van de wagens. Voor de CCF’s werden de nieuwe aanduidingen ‘L’ voor ‘léger’, ‘M’ voor ‘moyen’ en ‘S’ voor ‘super’. Dit werd als hoofdletter weergegeven om verwarring met de vroegere l, m en s te vermijden. Deze benamingen waren Europees geïnspireerd. In het Engels en het Duits kan makkelijk met dezelfde letters een gelijklopende benaming gegeven worden. Een CCF L heeft een MTM van 3 tot 7,5 ton, bij een CCF M is dat van 7,5 tot 16 ton en de CCF S komt nog zwaarder op de weg. Geheel naar Europees model (bij ons nog niet echt aan de orde) vielen de CCF’s ook onder categorie 3 (terreinwagens) en in de groep van hulp- en bluswagens.

Rochegude, in de Drôme, beschikt nog over dit derde voertuig. Deze Renault M180 van Sides is al uitgerust met de cabinebescherming, waarin ook vernevelaars ingebouwd zitten. Stilaan evolueren we naar de voertuigen zoals we ze nu kennen. © C. Chabeau

In 2006 verscheen alweer een nieuwe normering, die veel hogere eisen stelde aan de cabines en de veiligheid ervan. Nu werd een thermische zelfbescherming (lees sproeiinstallatie) verwacht, die minstens drie minuten water voorzag rondom de cabine, de banden en de bodem voor de wagen. Hiervoor moest een aparte voorraad water gereserveerd zijn. De ramen moesten voortaan thermisch behandeld zijn. Binnenin moest rolbescherming komen en er was perslucht vereist voor de hele bemanning (twee of vier personen) plus één persoon gedurende tien minuten. De hydraulische, elektrische en pneumatische leidingen

30 Objectief


In 2014 werd in Tain-l’Hermitage (Dröme) deze Gimaex geleverd. Er is duidelijk meer plaats voorzien voor blusmaterieel: aan weerszijden zijn kastjes ingebouwd. De achtersteven toont een extra haspel in het midden. Deze bluswagen wordt beschouwd als een CCF-A. De A staat voor ‘adapté’ (aangepast). Deze voertuigen kunnen dus ook bij stedelijke branden ingezet worden. © C. Chabeau

van de gehele wagen moesten tien minuten kunnen weerstaan aan een temperatuur van 130°. De tank moest extra bescherming krijgen tegen de impact van takken en een signaal moest waarschuwen wanneer een elektrisch bestuurd waterkanon in werking werd gesteld. De wagens moesten een helling aankunnen tot 26°, in lengterichting een kantelhoek tot 17° en ze moesten water tot 70 cm diep kunnen doorwaden. Eén en ander heeft geleid tot bostankwagens die veel groter en logger zijn dan de eerste boswagens. Door hun samenstelling zijn ze ook voor veel meer zaken inzetbaar. Veelal worden ze ook gebruikt voor interventies bij sneeuw, of als tankwagen ter ondersteuning van een gewone blusuitruk bij woningbrand. Of zelfs als sneeuwruimer of als hulpwagen bij overstromingen. Maar al zijn de wagens fors gegroeid doorheen de jaren, de boswegen zijn dat niet. Het maakt de blussing in de natuur er niet altijd veel makkelijker op. Dat legt ook uit waarom niet elke pompier met deze wagens mag vertrekken. Behalve de standaard brandweeropleiding moet de chauffeur een bijzondere rijopleiding genoten hebben. Aan boord moeten twee personen zijn die de opleiding bosbrandbestrijding (niveau 1) gevolgd hebben en voor de bevelvoerder van de wagen is zelfs de bosbrandopleiding niveau 2 vereist. De vraag rijst evenwel of, in een divers land als Frankrijk, overal hetzelfde type gebruikt moet worden. Het is natuurlijk wel zo, dat er in het hoogseizoen konvooien en treinen met bluswagens van het hele land naar het Zuiden komen om er de collega’s bij te staan. Preventief of zelfs repressief. Toch zijn ‘Les Alpes’ de ‘Landes’ niet. Daarom zijn al enkele bijzondere modellen ontwikkeld, zoals een type voor berglandschappen, een stedelijk type... Er zijn ook al studies gemaakt die afzonderlijke modellen voorzien in de diverse landstreken: Zuid-Oost, Méditerranée, Zuid-West... En wie weet komt er ooit misschien een ‘modèle Belge’? (J. Vanhessche, Claude Chabeau)

31 Objectief


© C. Chabeau

© C. Chabeau

© C. Chabeau

32 Objectief

© C. Chabeau

Het exemplaar van Saint-Sauvant (Vienne) toont ons de huidige opmaak van een CCFM-A. Let op de aanwezigheid van de extra haspel en de ladder op het dak. De geopende materieelkast toont de uitrusting, waartoe twee AB-toestellen behoren. Ook het type CCRM-SR bestaat: Camion Citerne Rural / Secours Routier. Het is de mix van een lichte autopomp met bevrijdingsmaterieel en een CCFM. © C. Chabeau


© C. Chabeau

© C. Chabeau

© C. Chabeau

© C. Chabeau

Dit wilden we u ook niet onthouden. Voor de militaire oefenplaats van Bitche (Moselle) staat uiteraard ook een brandweerdienst paraat. Die beschikt onder meer over deze twee CCFM. Het gaat om bijzondere types. Sides voorzag de beide wagens van een dakmonitor (merk Deckmaster). De Renaults Midlum 220.14 4x4 werden in 2006 geleverd. De laatste foto toont duidelijk hoe het dak van de tank als laadbak gebruikt kan worden. © C. Chabeau

Op het brandweercongres in de Périgeux in 2017 stelde de firma Elitt de bosbrandwagens van de toekomst voor, gebouwd op het model Unimog U5023L. © C. Chabeau

33 Objectief


O� �� ����������

100, met vermelding van uw lidnummer en ‘pakket B’.

KONTICH Voor een keer draait dit artikel niet over één wagen, maar over een geheel korps. Of toch een korps zoals dat er rond 1980 uitzag. Ons oog viel op Kontich.

Collectie W. Martens

Laat ons uitgaan van een korpsfoto uit die tijd. De ministeriële Dodge G1313 was net geleverd (op 28 augustus) en dit voertuig bleef in dienst tot de motor het opgaf in 2006. Deze Dodge verving een lichte autopomp Chevrolet MS4400, die tijdens de oorlog in grote aantallen gebouwd werd voor het Amerikaanse leger. Na de oorlog werd dit type over heel Nederland verspreid, maar ook bij ons waren deze wagens terug te vinden. De wagen van Kontich werd helemaal omgebouwd tot autopomp met enkele cabine, voorbouwpomp en een opbouw waarop het personeel plaats kon nemen. Van de Civiele Bescherming had men ook een Ford F600 / Tamini autopomp met koetswerk van Tallier ontvangen. Deze wagen was van 1953 en bleef tot 1997 op post. In 1957 had Kontich zelf een heel opvallende lichte autopomp gekocht. Er was gekozen voor een De Chevrolet is hier te zien als tweede voertuig in de stoet. Bemerk hoe Ford F700 Big Job in 4x4 uitvoering. de manschappen bovenaan plaats konden nemen. Collectie W. Martens Opvallend was het bijzonder korte chassis. Het was de firma Landuyt die voor de ombouw zorgde en de wagen voorzag van een Barton voorbouwpomp. In de achterste kastruimte werd ook nog een motorpomp meegevoerd. Deze opvallende wagen bleef in dienst tot 1996, waarna hij gerestaureerd werd. Naast deze autopomp is nog een opvallend voertuig te vinden. Het betreft een Ford F5 waarvan de oorsprong niet helemaal duidelijk is. De Ford reed zijn eerste kilometers op 15

34 Objectief


juli 1953, maar we vermoeden dat de ladder er pas later op kwam. Het zou dus kunnen dat dit ook één van de vele F5’s van de Civiele Bescherming was. De firma Steyaert bouwde er een houten ladder op van twaalf meter. Men zou de wagen tot 1993 gebruiken, al zal dat de laatste jaren wellicht vooral voor de gemeentediensten geweest zijn. Kontich had in 1982 al een Riffaudladder van 24 meter ontvangen.

collectie W. Martens

collectie W. Martens

collectie W. Martens

collectie W. Martens

collectie W. Martens

collectie W. Martens

collectie W. Martens

Op het einde van het rijtje staat een opvallend voertuig. Dit model werd door het toen al noodlijdende Minerva gebouwd onder licentie van Land-Rover. Voor deze wagen was dat in 1950. In 1971 ontdekte de commandant de jeep op een autokerkhof bij een lokale garagehouder. Er werd een bijzondere koop gesloten: de brandweer mocht de Minerva meenemen voor één frank, op voorwaarde dat de wagen terug zou keren als men hem niet langer nodig had. De brandweer voorzag de Minerva van een VW-Landuyt motorpomp (type 750). Deze pomp dateerde uit 1956 en zat voorheen in de laadruimte van de Ford Big Job. Verder vervoerde de jeep twee Sicli CO2- blussers van 12 kg. Eigenlijk zetten we de lezer een beetje op een verkeerd been. We spraken daarnet over een Jeep, maar dat klopte niet. Men had de vierwielaandrijving uitgeschakeld omdat er problemen mee waren. Het gebeurde weleens dat de chauffeur hier geen rekening mee hield en zich op die manier vastreed. Op 31 december 1980 werd de Minerva bedankt voor bewezen diensten en vervangen door een Ford Transit. Volgens onze bron zou de Minerva nadien naar een brandweerman uit een naburig korps gegaan zijn, maar dat is niet bevestigd en het is helemaal onduidelijk wat er nadien met het wagentje gebeurde. (J. Vanhessche, Willy ‘De Garde’ Martens)

collectie W. Martens

35 Objectief


36 Objectief

Profile for Joost Vanhessche

Obj 99  

Obj 99  

Advertisement