Issuu on Google+

Mathijssen, C., Wildemeersch, D., Stroobants, V., Snick, A. (2003). Activeren tot actief burgerschap: De casus van buurt- en nabijheidsdiensten. In: Vaktijdschrift Vorming, 18 (2), pp. 79-102. Activeren tot actief burgerschap: de casus van buurt- en nabijheidsdiensten Carmen Mathijssen, Danny Wildemeersch, Veerle Stroobants, Anne Snick INHOUD 1.Actieve burgers in Europa 2. Actief burgerschap in de context van armoede 3. Buurt- en nabijheidsdiensten: een hefboom voor kansarme gezinnen om te komen tot actief burgerschap 4. Condities voor het leren van actief burgerschap Vraag of challenge Vermogen of capacity Verbondenheid of connection 5. Buurt- en nabijheidsdiensten zijn mĂŠĂŠr dan louter tewerkstellingsinitiatieven 6. Conclusie In dit artikel vertrekken we van de inzichten uit het ETGACE-onderzoek naar het leren van actief burgerschap. We gaan na welke invulling de condities voor dit leerproces in de context van armoede krijgen. De condities voor het leren van actief burgerschap zijn namelijk niet normatief opgevat, waardoor ze verschillende invullingen toelaten. Vervolgens vragen we ons af wat de functie van buurt- en nabijheidsdiensten is in het stimuleren van actief burgerschap bij de specifieke doelgroep van sociaal-economisch achtergestelde gezinnen. 1. Actieve burgers in Europa Het Europese onderzoeksproject ETGACE naar het ondersteunen en bevorderen van (leerprocessen rond) actief burgerschap, situeert zich in de context van veranderende, meer horizontale relaties tussen burgers en overheid. ETGACE staat voluit voor 'Education and Training for Governance and Active Citizenship in Europe. Zes verschillende onderzoekscentra in zes Europese landen bogen zich over de vraag: Hoe leren mensen (vooral volwassenen) vandaag de dag actief burgerschap en hoe kan dat ondersteund worden? Hoe, waarom en wanneer nemen ze de uitdaging op zich om op een democratische en inclusieve wijze, mee vorm te geven aan de samenleving? Door welke kwesties voelen ze zich aangesproken? Hoe en waar leren ze effectief gestalte geven aan hun engagement als actieve burgers? Hoe leren ze werkelijk een verschil te maken? Bij welke groepen zoeken ze aansluiting om uiting te geven aan hun actief burgerschap? ETGACE onderzoekt of er wel voldoende aandacht is voor de nieuwe vormen van burgerschap die zich vandaag manifesteren en voor de nieuwe leerprocessen die ermee samenhangen. We vragen ons af hoe mensen betekenis en vorm geven aan actief burgerschap in hun eigen leven. In de lijn van recent onderzoek binnen het Centrum voor Sociale Pedagogiek, vroegen we een selectie van actieve burgers hun levensverhaal te vertellen. We namen biografische interviews af van zestien Vlaamse actieve burgers. Bij de selectie streefden we geen representativiteit na, maar beoogden we rijke data die ons een veelzijdig inzicht konden verschaffen in de leerprocessen van actieve burgers. Verder werden er focusgroepbijeenkomsten georganiseerd met experts uit het werkveld. In Vlaanderen werden er twee zulke bijeenkomsten georganiseerd, met telkens een dertigtal betrokken experten. Dezen kwamen uit de drie aandachtsdomeinen van het onderzoek: arbeid, sociaal-cultureel werk en het publieke domein. Samen reflecteerden ze over de onderzoeksbevindingen, met speciale aandacht voor het gender-thema.

1


We baseren ons op inzichten van Evans (1998, 2001) die de relevantie aantoont van het onderscheid tussen een minimale en een maximale invulling van burgerschap. Minimale invullingen benadrukken de status, rechten en plichten van burgers als lid van een gemeenschap of maatschappij, binnen de grenzen van die gemeenschap of maatschappij. Maximale invullingen daarentegen leggen de nadruk op de actieve rol van burgers om volwaardig mee gestalte te geven aan de samenleving en aan hun plaats binnen deze samenleving of gemeenschap. Hierbij is er aandacht voor kritische reflectie, actie en participatie. Onder actief burgerschap verstaan we een verscheidenheid aan manieren om maatschappelijke verantwoordelijkheid en engagement op te nemen met de bedoeling actief bij te dragen aan de democratische uitbouw van de samenleving. We vertrekken net als Evans van een zo breed mogelijke invulling van actief burgerschap in een open en dynamische maatschappij. Actief burgerschap is namelijk meer dan voltijds meedraaien op de arbeidsmarkt, het opnemen van een politiek mandaat of voorzitter zijn van een vereniging. In het ETGACE-onderzoek maken we expliciet ruimte voor andere betekenissen en uitingen van actief burgerschap dan enkel voor de dominante praktijken en mainstream invullingen. Actief burgerschap is een ambivalent begrip met verschillende betekenissen naargelang culturele en politieke identiteit, etniciteit, gender, sociale klasse, seksuele voorkeur en biografie. Al naargelang van de specifieke socio-culturele context en de particuliere biografie waarin actief burgerschap is ingebed, krijgt het een verschillende en veranderende betekenis en vorm. Actief burgerschap betreft: "How an individual activates him or herself to be able to consciously influence their own situation and the situation of others in a democratic society" (Benn, 2000, p. 242). Er is sprake van een grote verscheidenheid aan nieuwe, zich ontwikkelende betekenissen en vormen van actief burgerschap. Op een eigentijdse manier zin en vorm geven aan actief burgerschap toont zich als een continu leerproces. Een belangrijke vaststelling is dat actief burgerschap geen vaste gegevenheid is, maar voortdurend 'in-beweging'. Actief burgerschap verschijnt als een levenslang en levensbreed leerproces. De verscheidene Europese onderzoeksresultaten van het ETGACE-onderzoek zijn uitgebreid beschreven op de website: http://www.surrey.ac.uk/education/ETGACE/. Hier vindt men naast de onderzoeksrapporten, ook een handleiding voor het werkveld, programma's en papers van workshops en seminaries. Reeds eerder verscheen er in het tijdschrift Sociale Interventie, 10 (4), pp. 13-22, een artikel met de Vlaamse ETGACE-resultaten met als titel 'Actief burgerschap: Een leerproces'. In dit artikel spitsen we ons verder toe op actief burgerschap bij achtergestelde doelgroepen. 2. Actief burgerschap in de context van armoede ETGACE is een participatief onderzoek met een stuurgroep en focusgroepen, waar experts uit verschillende werkvelden werden uitgenodigd om in relatie tot ons onderzoek hun mening over actief burgerschap te vertellen. Deze experts hadden echter de indruk dat de meeste bevindingen van ETGACE vooral gerelateerd waren aan actieve burgers die tot ‘de middenklasse’ behoren. Experts die vertrouwd waren met de wereld van sociaal achtergestelde groepen stelden dat, wanneer we de onderzoeksresultaten zouden confronteren met de leefomstandigheden van armen en uitgeslotenen, deze resultaten zouden moeten herbekeken worden. In een discussie met deze experts werd beklemtoond dat de leefomstandigheden van hun doelgroep verre van optimaal zijn om maatschappelijk betrokken actieve burgers voort te brengen. Hun individuele en sociale overlevingsstrategieën komen niet overeen met de strategieën van de actieve burgers, beschreven in de ETGACE-onderzoeksrapporten. Actief burgerschap stimuleren bij deze doelgroep vraagt dus om een specifieke aanpak, zoals bijvoorbeeld buurt- en nabijheidsdiensten, een vorm van activering waar momenteel mee wordt geëxperimenteerd. Enkele experts uit onze focusgroep

2


legden hun model van buurt- en nabijheidsdiensten uit en stelden dat dit mogelijk een goede basis is om actief burgerschap te ontwikkelen bij hun doelgroep. Om onze bevindingen te toetsen aan deze specifieke doelgroep werd dit bijkomend Vlaams onderzoek uitgevoerd bovenop de Europese onderzoeksactiviteiten. We interviewden verscheidene opbouwwerkers van buurt- en nabijheidsdiensten in Vlaanderen, namelijk Leren Ondernemen (Leuven), EVA (Brussel), BOM (Antwerpen), Resto Nieuw-Gent en ISIS (Halen) om een helderder beeld te krijgen van actief burgerschap in de context van armoede; en van hoe buurt- en nabijheidsdiensten een hefboom tot verandering kunnen zijn. Daarenboven hebben we een langdurend proces met kansarme gezinnen zelf gevolgd en begeleid. Bij Leren Ondernemen is een denktank opgericht waar mensen uit de doelgroep nadenken over ‘participatie’ en ‘activering’ (in voorbereiding van een toekomstcongres van de Vlaamse Regering). Zo krijgt de doelgroep zelf ook een stem. Dit alles geeft een rijk beeld van actief burgerschap in de context van armoede. De kansarme gezinnen bij Leren Ondernemen hebben een eigen definitie van ‘actief zijn’. Voor hen betekent dit “zoveel mogelijk gebruik maken van je talenten; je inzetten om op te komen voor je rechten en iets te betekenen voor anderen en de samenleving. Belangrijk is dat het niet opgelegd of verplicht is, maar iets wat je graag doet en waar je plezier aan beleeft. Onmisbaar hierbij is dat het sociaal is: werken in groep, samen plezier hebben en beter met elkaar omgaan is belangrijk.” We spitsen ons toe op de vragen: Welke specifieke invulling krijgt actief burgerschap en het leren daarvan bij sociaal-economisch achtergestelde gezinnen? De overheid probeert deze doelgroepen vooral te activeren naar de arbeidsmarkt toe, maar moet deze activering niet breder gezien worden? Wat is de rol die buurt- en nabijheidsdiensten hierin kunnen spelen? Zijn ze louter tewerkstellingsinitiatieven, of hebben ze een breder effect? Welke impact heeft deze interventievorm op het actief zijn van kansarme gezinnen? Als inleiding geven we in de volgende paragraaf eerst een omschrijving van buurt- en nabijheidsdiensten. 3. Buurt- en nabijheidsdiensten: een hefboom voor kansarme gezinnen om te komen tot actief burgerschap Binnen arme buurten zijn er meerdere domeinen van achterstelling: sociale vereenzaming, moeilijke toegang tot de arbeidsmarkt, gebrekkige kwaliteit van huisvesting en beperkt burgerschap of participatie aan het maatschappelijke leven. Gezinnen die leven in armoede worden voortdurend bedreigd door het risico tot sociaal isolement. In onze samenleving zijn er mechanismen en processen die een aantal personen, groepen van personen en zelfs hele categorieën van de bevolking in mindere of meerdere mate uitsluiten van het sociale, economische en politieke leven. Ze hebben minder macht om hun situatie en leefomstandigheden te verbeteren en om deel te nemen aan de verschillende levensdomeinen. De dualisering van onze samenleving is ook ruimtelijk zichtbaar: rijken en armen wonen op verschillende plaatsen en het verschil tussen rijke en arme buurten wordt groter. Gegeven deze moeilijke omstandigheden, vragen wij ons af hoe actief burgerschap bij deze uitgesloten groep begrepen kan worden en welke ondersteuningsstrategieën haalbaar zijn. Doorheen het analyseren van buurt- en nabijheidsdiensten zoeken we naar antwoorden. Buurt- en nabijheidsdiensten zijn bedoeld om lokaal diensten te leveren met het oog op het verbeteren van: (1) de leefbaarheid van kansarme buurten, (2) de levenskwaliteit van de buurtbewoners en (3) de sociale cohesie. Het is een combinatie van strijd tegen armoede en creatie van werk door het ontwikkelen van het beschikbare economische en culturele potentieel van de buurt. De jobs worden zo gecreëerd dat ze ingevuld kunnen worden door het in de buurt aanwezige arbeidspotentieel, en nauw aansluiten bij de maatschappelijke noden van de bevolking uit die buurt. Buurt- en nabijheidsdiensten worden ontwikkeld vanuit een continu participatieproces

3


waarbij alle belanghebbenden betrokken zijn (zowel binnen als buiten de buurt). De geografische nabijheid is ook van belang. Aangezien arme gezinnen een beperkte mobiliteit hebben, moeten de diensten binnen het bereik zijn van hun beperkte transportmogelijkheden. De ‘meerwaarden’ van buurt- en nabijheidsdiensten worden ruimer gedefinieerd dan enkel financiële winst. Het gaat om de globale maatschappelijke baten of sociale meerwaarden voor alle betrokken partijen, betrekking hebbend op vier verschillende aspecten: Sociale meerwaarde van de dienst of het product: Het product verbetert de levenskwaliteit van de mensen en de leefbaarheid van de buurt. Veelal gaat het niet om nieuwe producten, maar om het aanpassen van een bestaand product aan een specifieke doelgroep of aan nieuwe evoluties. Bij de verbetering van kwaliteit gaat veel aandacht naar de vertrouwensrelatie tussen de gebruiker en de dienstverlener en tussen de werknemer en de werkgever. De toegevoegde relationele waarde staat hier centraal. De kwaliteit van het product is fundamenteel voor de duurzaamheid van de dienst en dus ook om de tewerkstelling kunnen te verzekeren. Cultuur- en klassegebonden aspecten spelen in de kwaliteitsbeleving hier een belangrijke rol. Zo is er bijvoorbeeld bij ISIS (Intergratie van Senioren In de Samenleving) een systeem van matching waarbij er rekening wordt gehouden met de individuele, specifieke behoeften van elke senior. Er zijn senioren die liever verzorgd worden door een helpster die het dialect van de streek spreekt, of door een helpster van dezelfde nationaliteit. Sociale meerwaarde voor de consument: De consument is meer dan alleen een klant, hij of zij geeft mee vorm aan de dienst. De consument participeert aan de ontwikkeling van de diensten, om te verzekeren dat ze vlot toegankelijk en benaderbaar zijn, ook voor mensen met de laagste inkomens. Vaak zijn mensen tegelijkertijd producent en consument. Een consument van de fietsreparatiedienst kan bijvoorbeeld ook een vrijwilliger zijn bij de kinderopvang. Buurt- en nabijheidsdiensten hebben een productie- én een consumptiefunctie. De produktiefunctie betreft het ontwikkelen van een dienst die in de gemeenschap of in de samenleving in het algemeen nodig is zoals bijvoorbeeld kinderopvang. De consumptiefunctie heeft te maken met het gebruik dat de gemeenschap en anderen als cliënten van de dienst kunnen maken. Zowel de productieals de consumptiefunctie zouden moeten resulteren in toegenomen sociale inclusie, actor zijn en solidariteit. Zo hoopt men een gevoel van thuishoren en erkenning te stimuleren. Economie wordt terug dicht bij de mensen gebracht. Vraag en aanbod, het meest essentiële van de markt, worden terug in het maatschappelijk weefsel geplaatst. Sociale meerwaarde voor de buurt: Buurtdiensten versterken de sociale netwerken, de sociale cohesie en de leefbaarheid van een buurt. De diensten moeten constante feedback krijgen van de mensen uit de buurt, zodat ze continu kunnen aanpassen en verbeteren. Dit aspect vinden we niet bij de nabijheidsdiensten, die zich niet exclusief tot één buurt richten, maar wel op een bepaalde marktniche. Niet alle hebben een directe link met een buurt. Daarom spreken we niet enkel over buurtdiensten, maar over buurt- en nabijheidsdiensten. Het aspect ‘nabijheid’ betreft meerdere aspecten van de dienstverlening: daar wordt verderop grondiger op ingegaan. Een duidelijk voorbeeld is ISIS, die voor senioren in meerdere buurten werken. Sociale meerwaarde van het werk: Er wordt werk gecreëerd, aangepast aan de ervaringen en vermogens van de mensen uit de buurt. Werk wordt gevalideerd als het verbindingspunt tussen de doelen en inzet van individuen en die van de samenleving, zoals ook terug te vinden bij Evans (1998, p. 19). De werkgever moet trachten rekening te houden met de specifieke gezinssituatie, gezondheidstoestand en mobiliteit van de werknemers. De werknemers krijgen voldoende educatie en ondersteuning om kwaliteitsdiensten te leveren aan de andere buurtbewoners. Door te werken ervaren ze persoonlijk empowerment, waarbij zelfvertrouwen wordt opgebouwd. De persoonlijke ontwikkeling van de werknemers is een prioriteit. Dat wordt ook door de doelgroep

4


bij Leren Ondernemen belangrijk gevonden: “Een goed gevoel, blij zijn, beseffen dat wij het goed hebben, zelfrespect en zelfkennis” worden genoemd als effecten van actief bezig te zijn met werk of vrijwilligerswerk. Om vervolgens na te gaan hoe buurt- en nabijheidsdiensten een hefboom kunnen zijn voor kansarme gezinnen om te komen tot actief burgerschap, gebruiken we het theoretisch kader uit het ETGACE-onderzoek naar het leren van actief burgerschap, dat hieronder uit de doeken wordt gedaan. 4. Condities voor het leren van actief burgerschap Het leren van actief burgerschap wordt best beschreven als een proces van uitgedaagd te worden door persoonlijke of sociale topics (vraag), en van het ontwikkelen van actorschap om effectief een antwoord te geven op die vraag (vermogen), samen met en voor anderen in verbondenheid met betrokken mensen, groepen en gemeenschappen.

CONTEXT

Er is een constante interactie tussen het individu, de context en de drie condities voor het leren van actief burgerschap: vraag, vermogen en verbondenheid. Elk leren van actief burgerschap vindt plaats in een specifieke context, hier de context van achtergestelde buurten, die een sterke invloed heeft op de aard van het engagement en het leren. 4a.Vraag of challenge De eerste conditie voor het leren van actief burgerschap is de ‘Vraag’, de aanzet tot engagement of betrokkenheid. Mensen kunnen gemotiveerd zijn om te zoeken naar antwoorden op een brede waaier van persoonlijke en sociale uitdagingen. Dit kan onder andere beginnen met een ervaring van onrecht, aangedaan aan zichzelf of aan anderen. Een vraag leidt tot het verlangen of de nood om verantwoordelijkheid op te nemen. Vandaag zijn er veel mensen die zich engageren wanneer ze een evenwicht vinden tussen een persoonlijke en een sociale vraag. Vele actieve burgers verbinden hun engagement daarenboven met hun persoonlijke ontwikkeling. Sociale vragen krijgen vaak een persoonlijke invulling, waarbij de persoonlijke voldoening als toetssteen wordt gebruikt. Persoonlijke keuzes, zoals een vegetarische levenstijl worden zo ook in een breder maatschappelijk kader gezien. Bij sommige families is er een traditie van engagement die voortgezet wordt.

5


Uit het ETGACE-onderzoek is er het voorbeeld van de ‘vraag’ van Jeffrey, die na huwelijks- en drugsproblemen, een depressie en opname in een psychiatrische kliniek, een advertentie leest van ‘The Foundation’ die op zoek zijn naar aids-buddies. Het woord ‘discriminatie’ in de advertentie treft hem en daagt hem uit. Hij beleefde zelf discriminatie tijdens zijn opname in het ziekenhuis, en wil zich daardoor nu inzetten om het welzijn van anderen in zo’n situatie te verbeteren. In de context van armoede krijgt deze ‘Vraag’ een andere invulling: De tijd en energie, nodig om actief te zijn, is niet evident voor arme gezinnen, omdat ze eerst en vooral bezig zijn met activiteiten voor hun dagelijks overleven. Overleven en de overlevingsnood staan centraal. Alle dagelijkse zorgen en problemen (zoals een partner met een drankprobleem, schulden, schoolproblemen, …) laten maar weinig ruimte over voor andere sociale behoeften, verdergelegen kwesties of het algemene belang. Zelfs personen die al maatschappelijk geëngageerd zijn, stoppen soms tijdelijk met hun engagement, wanneer hun persoonlijke problematiek te groot wordt. Om een actieve burger kunnen te zijn, moeten eerst de eigen onmiddellijke overlevingsbehoeften en die van het gezin bevredigd zijn. Alleen dan kan men tijd en energie vrijmaken om zich maatschappelijk te engageren. Vanuit de ETGACE-stuurgroep kwam de opmerking dat ‘tijd’ niet door iedereen op dezelfde manier wordt beleefd. Voor mensen die niet in het arbeidscircuit terecht kunnen, valt het verschil tussen vrije en verplichte tijd weg. Vanop afstand bekeken zou je zeggen dat zulke werklozen veel vrije tijd hebben, maar zij zelf beleven dat op een andere manier. Er ontstaan namelijk nieuwe plaatsen waar deze mensen ‘zich moeten laten zien’, met nieuwe dagtaken. Deze taken kunnen o.a. zijn: een zorgbehoevende moeder die ze ‘verplicht’ moeten verzorgen, ‘verplichte’ VDAB-opleidingen, kinderen van de buurt ‘moeten’ afhalen aan school, langs ‘moeten’ gaan in het buurtcafé. Zo drukken we tijd niet enkel uit in uren en dagen, maar ook in een andere beleving van ‘wat moet en wat moet niet’. Daar werd nog specifiek voor werkende arme personen aan toegevoegd door de gezinnen bij Leren Ondernemen: “Om sociaal, cultureel of politiek actief te zijn, moet er tijd en geld en energie over zijn na het werk, of moet dat allemaal al in het werk zelf zitten”. Ook door de experts in de focusgroepen werd erop gewezen dat het mogelijk is dat een job op zich niet tot actief burgerschap leidt, maar dat die job wel genoeg energie overlaat om erna nog engagementen op te nemen. Zo kan een werksituatie mensen tegen houden om actieve burgers te worden, door geen surplus van tijd, geld en energie over te laten om ernaast nog engagement op te nemen. Ook al zijn bij veel kansarme gezinnen bepaalde voorwaarden niet vervuld om actief en constructief deel te nemen, toch kan precies het opnemen van een maatschappelijk engagement een manier zijn om ‘eens een keer eruit te stappen’. Het kan een ware verademing zijn om zo eens los te komen van de armoede-situatie. Er is volgens de geïnterviewde opbouwwerkers bij deze groep mensen namelijk wel degelijk bewustzijn over wat er gebeurt met de wereld, ze kijken verder dan wat er in hun eigen straat gebeurt, ondanks hun moeilijke persoonlijke situatie. Ze worden dagelijks accuut geconfronteerd met maatschappelijke noden (drankmisbruik, vandalisme, …). Ze zetten deze confrontatie en hun bezorgdheid echter niet zo snel om in een maatschappelijk engagement, maar eerder in een persoonlijke strijd om te overleven. Hun engagement is vaak meer een uiting van frustratie. Ze hebben soms zelfs het idee dat ‘andere mensen die meer gestudeerd hebben, het maar moeten oplossen’. Toch kunnen de strategieën die mensen gebruiken om zichzelf te organiseren en te overleven in hun situatie van armoede, gezien worden als hun specifieke manier van actief burgerschap. Deze mensen proberen hun eigen individuele levens voort te zetten, en het beste te maken van hun situatie. Ze proberen actor te worden binnen hun eigen leven. Zo hebben deze groepen die door het dominante perspectief

6


gelabeld worden als ‘niet-actief’ of geen voldoende middelen en kansen hebben om de gangbare vormen van actief burgerschap aan te gaan, toch een eigen vorm en invulling van actief burger te zijn. Hoe kunnen nu buurt- en nabijheidsdiensten inspelen op deze specifieke vraag? Hoe kunnen buurt- en nabijheidsdiensten inspelen op deze ‘Vraag’? Het beginpunt voor de creatie van buurt- en nabijheidsdiensten is het systematisch verkennen van de behoeften, noden en mogelijke oplossingen samen met de buurtbewoners. Mensen leren hun problemen definiëren in dialoog met hun buren, buurtwerkers en beleidsmakers. Ze leren hun behoeften en vragen niet enkel in collectieve termen te definiëren, maar ook met hun eigen stem te spreken. De buurt- en nabijheidsdiensten nemen de vraag van de arme gezinnen serieus en bouwen erop verder. Ze vertrekken van de thema’s waar de mensen zelf mee bezig zijn en maken deze handelbaar. Zorgen uit het dagelijks leven van mensen die te maken hebben met het bekomen van voedsel, afvalverwerking, mobiliteit, tekort aan speelruimte in de buurt, … worden serieus genomen als levenspolitieke thema’s. Het persoonlijke wordt politiek en politiek wordt persoonlijk. Zo kunnen onderwerpen die mensen bezighouden en aanspreken als vertrekpunt op de agenda gezet worden, eerder dan thema’s en onderwerpen vanuit een top-down perspectief te introduceren. De activiteiten worden niet a priori vastgelegd bij de oprichting, maar komen geleidelijk tot stand, vertrekkend van een analyse van de onvervulde sociale en collectieve behoeften in de buurt. Er wordt uitgegaan van de leefsituatie van de betrokken personen om oplossingen te vinden die aanvaardbaar zijn. Daar wordt dieper op ingegaan om verbanden te leggen met meer abstracte en globale thema’s. Zo leren de mensen verbanden te leggen tussen hun eigen noden en sociale noden die ‘verder weg’ zijn zoals bijvoorbeeld de derde wereld. Buurt- en nabijheidsdiensten helpen mensen om persoonlijke en maatschappelijke vragen te onderkennen, om hun visies te verbreden en om die vragen te vertalen in concreet engagement. Het is een taak van de buurt- en nabijheidsdiensten om mensen te helpen een evenwicht te vinden tussen persoonlijke en maatschappelijke zaken. Om te verzekeren dat de dienst aangepast is aan de specifieke cultuur en levenswijze van de kansarme gezinnen, participeren de consumenten in het hele ontwikkelings- en beginproces. Zo wordt door participatief te werken de toegankelijkheid van de dienst bewaakt1. In deze context is het belangrijk dat mensen betrokken zijn als producent en als consument van de diensten. Hun engagement is zo een uitbreiding van hun dagelijkse basisoverlevingsstrategiëen. Het is dus niet zo dat een aantal sociale werkers een project uit de grond stampt voor de doelgroep. De buurtbewoners zijn de eerste deskundigen wat betreft de verbetering van hun eigen leefomgeving. De bewoners worden niet aangesproken als achtergestelden, maar als leveranciers van ideeën, deskundigheid en mankracht. De geïnterviewde opbouwwerkers vonden het allen belangrijk om mensen verantwoordelijkheid te geven. Mensen worden gestimuleerd om over hun machteloos gevoel heen te geraken en om hun eigen verantwoordelijkheid op te nemen, ondanks hun handicaps en beperkingen. Zelfs in buitenschoolse kinderopvang wordt er reeds aan verantwoordelijkheid gewerkt: door een beperkt aanbod zichtbaar spelmateriaal leren kinderen een keuze te maken en leren ze zorg dragen voor het materiaal. In buurt- en nabijheidsdiensten laat men mensen niet louter iets uitvoeren, maar er wordt een verantwoordelijkheidsgevoel gecreëerd door de doelgroep uit te nodigen om mee te denken, sturen en beslissen. Dat is voor de 1

Dit participatief werken met de doelgroep blijft bij verscheidene buurt- en nabijheidsdiensten slechts een streefdoel of een voortdurende aandachtspunt, maar is nog geen bestaande realiteit. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat een aantal dienstverleningen zijn ontstaan vanuit tewerkstellingsorganisaties, die niet zo’n uitvoerige participatie-traditie hebben.

7


mensen een motivatie om te blijven komen. Het is een verademing om positief benaderd te worden, inspraak te hebben in de Raad van Beheer van de dienst en vertegenwoordigd te zijn op de Algemene Vergadering. Eén van de doelstellingen van buurt- en nabijheidsdiensten is dat mensen ertoe komen hun eigen aandeel te zien, in te zien wat men kan veranderen en hun verantwoordelijkheid2 dan ook op te nemen. Een duidelijk voorbeeld hiervan is een werknemersvergadering waar unaniem besloten werd om de maaltijdscheques af te schaffen. De kansarme werknemers zagen blijkbaar in wat de persoonlijke consequenties (thuis aan het eigen gezin uitleggen waarom er in de toekomst geen cheques meer komen) en de collectieve consequenties (collectief voordeel qua arbeidszekerheid) waren; en konden deze twee tegen elkaar afwegen. Opvallend is dat één van de belangrijkste factors bij de jobtevredenheid van de medewerkers bij buurt- en nabijheidsdiensten de dankbaarheid van de klanten is. Ze willen ‘iets zinvols doen, een verschil maken, iets betekenen voor anderen’. Niet enkel het financieel loon is een motivatie. Het is zelfs zo dat ze niets of niet veel meer verdienen dan wanneer ze niet zouden werken. Zo is de inhoud van de dienst op zich ook een ‘Vraag’. Zoals de gezinnen bij Leren Ondernemen zeggen: “Er zou iets moeten komen op buurtniveau, zodat we iets kunnen doen voor andere mensen, waar dat we samen ook iets aan hebben.” Een buurt- en nabijheidsdienst kan zo een concrete oplossing bieden voor een concrete vraag, bijvoorbeeld de nood aan een aangepaste kinderopvang. Buurt- en nabijheidsdiensten kunnen tijd en energie vrij maken door te werken aan concrete noden en behoeften. Zo kan bijvoorbeeld een sociaal restaurant met de dienst van betaalbare warme maaltijden voor moeders een tijdsbesparing zijn: ze moeten namelijk geen boodschappen doen en niet koken. Door het verlichten op punctuele momenten van de kinderlast kunnen de vrouwen ruimte vrijmaken voor andere zaken en zo een beter evenwicht vinden in hun leven. Zo kan hun levenskwaliteit erop vooruit gaan. Eén van de vaak voorkomende klachten van de doelgroep is namelijk “te weinig ruimte voor ontspanning en te hoge werkdruk”. Dit mag niet gezien worden als het creëren van luxe of louter vrije tijd, zoals duidelijk blijkt uit het voorbeeld van seniorenzorg, waar leemtes in de mantelzorg worden opgevangen. Wanneer men inspringt, wil dat meestal zeggen dat de klanten op dat moment iets anders moeten doen, en dus niet dat zij een vrije dag hebben. Het betreft eerder het helpen overleven en vol houden van mensen die vaak al over hun krachten zijn gegaan of overspannen zijn. Buurt- en nabijheidsdiensten kunnen uiteraard niet alle problemen oplossen. Belangrijk is dat duidelijk gemaakt wordt wat er in de buurt leeft en wat dringend aangepakt moet worden. Buurten nabijheidsdiensten kunnen een flexibele structuur aanbieden, om problemen op te lossen die voorheen nooit werden aangepakt, met als bedoeling de buurt leefbaarder te maken. Zo kan bijvoorbeeld een opgeruimd plein zorgen voor meer rust en minder stress. 4b. Vermogen of capacity Een vraag of uitdaging initieert niet automatisch actie. Het is niet zo dat wanneer mensen een maatschappelijke nood zien, ze automatisch ook engagement ervoor opnemen. Om tot actie te komen, moet een persoon beschikken over de nodige vermogens en het zelfvertrouwen een competente actor te zijn, die in staat is om zijn of haar omgeving te beïnvloeden. ‘Vermogen’ is de conditie van effectief te zijn in het tegemoetkomen aan een bepaalde vraag. Het slaat ook op de vaardigheden, kennis, capaciteiten, strategieën en ervaringen die nodig zijn om effectief een verschil te maken in de gegeven situatie. Dit vinden we ook terug bij Evans (1998, p. 2 en p. 103), die ook belang hecht aan “the part played by psycho-social processes and agency, 2

Deze ‘verantwoordelijkheid’ mag niet gelijkgekoppeld worden aan ‘schuld’. Mensen zijn verantwoordelijk voor hun taken (en voor hun leven), maar het is niet hun schuld telkens als er iets mis gaat.

8


particularly self-efficacy, or belief in one’s competence and ability to act” en “the belief that choices are possible and that actions, individual and collective, can influence outcomes in significant ways.” Jeffrey, één van de geïnterviewde actieve burgers in het ETGACE-onderzoek, ontwikkelde bepaalde capaciteiten in de periode dat hij zelf gediscrimineerd werd. Hij laat bijvoorbeeld mensen ‘zichzelf zijn’ en hij maakt zich niet druk om ‘kleine onbelangrijke zaken’. Zijn persoonlijke ervaringen maken hem een goede buddy voor aids-patiënten. Hij is zich bewust dat zijn ervaringen hem geschikt maken om iets positiefs bij te dragen aan levens van andere mensen. In de context van armoede krijgt dit ‘Vermogen’ een andere invulling: Vele arme gezinnen hebben een lange geschiedenis van afhankelijkheid van professionele maatschappelijke hulpverlening3. Dit heeft een houding gecreëerd van ‘aangeleerde hulpeloosheid’4. De traditionele aanpak van maatschappelijke hulpverlening kan dit fenomeen versterken. Door hen te helpen, bevestigen de sociale werkers dat ze hulp nodig hebben, dat ze het zelf niet kunnen oplossen. Arme gezinnen ontwikkelen zo een bepaald zelfbeeld als ‘slachtoffers’, in de plaats van als probleemoplossers. Ze hebben de neiging om alles over te laten aan anderen, om bij de pakken neer te zitten, en om anderen de schuld te geven wanneer er iets misloopt. Nieuwe ervaringen worden geïnterpreteerd tegen de achtergrond van negatieve ervaringen. Een voorbeeld van zo’n negatieve ervaring met de VDAB van de doelgroep van Leren Ondernemen: “Ik vroeg aan de VDAB of ik een opleiding snit en naad mocht doen. Daarvoor moest ik eerst een IQ-test invullen, met vragen die ik op school nooit had gezien. Ik liet de vragen dus maar blanco. Toen ik terug ging voor mijn resultaten kreeg ik te horen dat ze aan mij niet wilden beginnen omdat ik te dom ben. Dat was zeer ontmoedigend. Ik zei dat ik op een aangepaste IQ-test veel beter zou scoren, maar daar luisterden ze niet naar.” Deze kritiek op de traditionele hulpverlening moet genuanceerd worden: In vele gevallen is er namelijk geen alternatief voor de hulpverlening, zoals bijvoorbeeld een analfabeet hulp nodig heeft bij het invullen van belastingsbrieven en een drugverslaafde medische en psychologische begeleiding nodig heeft om af te kicken. De rol van ‘aangeleerde hulpeloosheid’ wordt bovendien in bepaalde sectoren, zoals de medische sector aan iedereen (niet enkel aan arme gezinnen) opgelegd. Zo lost een arts een gezondheidsprobleem voor ons op; zelf-medicatie en dergelijke wordt –terecht- sterk afgeraden. De houding aannemen van ‘slachtoffer’ kan ook een bewuste keuze zijn: het positioneert gemakkelijker om bij een hulpverlener aan te kloppen als ‘slachtoffer’. Bij sommigen kan dit in extremis zelfs de vorm van gemakszucht aannemen. Het blijft over het algemeen echter stigmatiserend om op een hulpverlener beroep moeten te doen. Als je bijvoorbeeld budgetbegeleiding krijgt van het OCMW, zegt men daarmee impliciet dat je zelf niet in staat bent om je geld te beheren; en dat je hulp moet inroepen om iets eraan te doen. De speciale moeite die wordt gedaan voor uitgesloten groepen, benadrukt net dat ze ‘anders’ zijn dan de rest van de bevolking. Door deze stigmatisering zijn er ook mensen die het liever zelf proberen, dan beroep 3

In de interviews werd gewezen op een contrast tussen grote steden en plattelandsgemeentes. In grote steden zijn mensen bij wijze van spreke totaal omringd door allerlei hulpverlening, in tegenstelling tot mensen op het platteland die soms totaal niet geholpen worden. 4 Het concept ‘aangeleerde hulpeloosheid’ sluit aan bij wat Walgrave (1994) benoemt als ‘algemene hulpeloosheid’. In sommige achtergestelde buurten zijn negatieve ervaringen bijna een collectieve evidentie en wordt falen op maatschappelijk vlak als normaal gezien. Mensen worden hier geconfronteerd met de onvoorspelbaarheid en niet-controleerbaarheid van hun omgeving en voelen zich overgeleverd aan een systeem waarop ze geen vat hebben. Men ervaart iedereen in zijn omgeving als hulpeloos.

9


te doen op professionele hulp. Deze houding treffen we ook aan bij de doelgroep van Leren Ondernemen: “Wij zijn een organisatie waar armen niet enkel het woord nemen, maar ook de daad bij het woord voegen.” In onze samenleving worden mensen die geen betaalde job hebben, vaak bestempeld als ‘passief’. Volgens de experten in onze focusgroep wordt iemand zijn of haar sociale status en identiteit bepaald door hun relatie tot de arbeidsmarkt: je bent ‘werkend’, ‘werkloos’ of zelfs ‘niet inzetbaar’. Mensen die bestempeld worden als ‘passief’ of ‘niet inzetbaar’, zullen zichzelf minder snel zien als ‘probleem-oplosser’, en hebben zo meer risico op ‘aangeleerde hulpeloosheid’. Hoe kunnen buurt- en nabijheidsdiensten inspelen op dit ‘Vermogen’? Door positieve ervaringen in een vertrouwde omgeving op te doen, leren de arme gezinnen zichzelf te definiëren als probleem-oplossers. Ze kunnen de resultaten van hun engagement op een heel concrete manier op lokaal niveau in hun eigen buurt ervaren. Zo kunnen ze het gevoel ontwikkelen greep te hebben op hun eigen leven. Het verrichten van zinvol werk geeft hen daarbovenop beter aanzien in hun gezin en buurt, en straalt positief af op de opvoeding van hun kinderen. Zo wordt er opgemerkt dat wanneer er bijvoorbeeld met vrouwen gewerkt wordt rond zelfontwikkeling, dat ze dan ook binnen hun eigen gezin meer verantwoordelijkheid opnemen en voor zichzelf opkomen. Buurt- en nabijheidsdiensten benaderen de mensen niet vanuit een deficiëntie-perspectief. Mensen van de doelgroep worden als competente actoren benaderd, die bruikbare kwaliteiten hebben. Het is belangrijk het aanwezige potentieel te gebruiken en samen te brengen, om te benadrukken dat iedereen een verschil kan maken. In plaats van de mensen te bestempelen als ‘moeilijk of niet inzetbaar op de arbeidsmarkt’, vertrekt men van de positieve instelling dat er juist bij deze groep een intrinsieke rijkdom aan menselijke capaciteiten aanwezig is. Veel personen zeggen dat ze iets niet kunnen, maar ze hebben vooral behoefte aan een schouderklopje om het toch te proberen5. Zeker voor het opnemen van zorgtaken geldt dat werklozen, en in het bijzonder vrouwen, in de eigen familiale kring dikwijls de zorg voor kinderen, zieken of bejaarden op zich genomen hebben. Ze staan in het huishouden, waardoor ze eigenlijk een jarenlange zorgervaring hebben. Ook dit komt uit de monden van de doelgroep zelf: “respect krijgen voor wat we doen” staat hoog op hun verlanglijstje. Ze vragen om “niet enkel rekening te houden met de schoolpunten, maar vooral met onze talenten. Ik wil iets kunnen doen wat me aanstaat, ruimte krijgen om mijn talenten te ontwikkelen en creatief bezig te zijn.” Er werd bij de verschillende interviews ook op gewezen dat kansarme groepen inderdaad bepaalde vaardigheden en capaciteiten minder beheersen. Zo werd er gewezen op een beperkt vermogen om lange termijn planningen te maken en te abstraheren. Minder ontwikkelde sociale en taalvaardigheden werden vermeld. Het kunnen nuanceren van zaken ligt moeilijk: ze hebben een bepaald idee en blijven daar dan vaak bij. Overdragen van vaardigheden en informatie van het ene naar het andere domein is niet evident. Ze laten zich sterk beïnvloeden door de media en reclamewereld. Velen weten niet hoe om te gaan met autoriteit, zoals een baas of de wijkagent. Ze hebben een lager tolerantieniveau en komen daardoor vaker in conflicten terecht. Vorming wordt in de eerste plaats gericht op het bevestigen van hun intrinsieke waarde. Wanneer ze merken dat ze het goed doen, geeft hen dat een zekere status ten opzichte van de andere 5

Er moet op gelet worden mensen geen taken te geven, waarvan ze zelf aangeven dat ze het niet willen doen om demotiverende ervaringen te vermijden; zoals bijvoorbeeld iemand die niet aan de kassa wil zitten, omdat ze niet goed kan tellen en rekenen.

10


medewerkers en de klanten. Dat sterkt hun zelfvertrouwen en ze worden dan ook ‘expert’ op eigen gebied. Mensen gaan meer in zichzelf geloven. Zo kunnen buurt- en nabijheidsdiensten een middel zijn om de capaciteiten van mensen te verbeteren om hun activiteiten op korte en op lange termijn te plannen, te organiseren en te structureren. De vorming hoeft geen betrekking te hebben op de taken die ze uitvoeren in de buurt- en nabijheidsdiensten. Het kan ook iets anders betreffen dat belangrijk is in de ontwikkeling van de doelgroep, zoals ICT of Vlaams Blok informatie. Vele buurt- en nabijheidsdiensten zijn flexibel in het invullen van uurroosters, zodat het voor de werknemers mogelijk is om opleidingen te volgen. Daarbij komt nog de extra ondersteuning die buurt- en nabijheidsdiensten voorzien voor hun doelgroep in opleiding. Vaak kunnen ze hun stage bij de eigen organisatie doen, wat intensieve begeleiding garandeert. Buurt- en nabijheidsdiensten zijn open plaatsen voor participatie aan de maatschappij, het zijn relevante leeromgevingen voor gesitueerd leren. Kansen om actief te participeren zijn een noodzakelijke voorwaarde voor het leren van actief burgerschap. Leren is niet noodzakelijk een preconditie voor participatie. Buurt- en nabijheidsdiensten zijn een belangrijke manier om mensen te betrekken bij het vormgeven van hun leefwereld. Het is verbonden met hun eigen ervaringen, behoeften en motieven. Zoals de doelgroep zelf zegt: “Buurtdiensten en vrijwilligerswerk helpen om actief te worden en actief te blijven. Binnen buurtdiensten kan bijleren op maat gebeuren. Er is een persoonlijke band. Mensen worden geen nummers, zoals vaak in grote bedrijven. Er kan rekening gehouden worden met de typische kenmerken en situatie van de persoon in kwestie. Er kan van elkaar geleerd worden, vrijwilligers onder elkaar. Er zijn hier leerkansen op ons niveau en ons tempo. Er is geduld en iedereen krijgt tweede kansen.” 4c. Verbondenheid of connection De derde noodzakelijke voorwaarde voor het leren van actief burgerschap is ‘Verbondenheid’. Dit is het gevoel verbonden te zijn met anderen en ingebed te zijn in een bredere gemeenschap. Het betreft de concrete verbondenheid met andere mensen, gezinnen, gemeenschappen, tradities, ideeën, bewegingen, organisaties, visies en dergelijke. Het leren van actief burgerschap heeft altijd plaats in verbondenheid met andere personen. Het is nooit een geïsoleerde actie. Andere personen kunnen samenwerken, kunnen de vraag herdefiniëren, of kunnen tegen werken. De sociale inbedding speelt een rol in de definitie van de situatie als minder of meer uitdagend, in de interpretatie van de context en in de capaciteit om competenties te mobiliseren. Verbondenheid kan ook sociaal kapitaal voorzien. Ook in het verhaal van Jeffrey vinden we de conditie ‘verbondenheid’ terug: Hij heeft een gevoel van solidariteit met mensen die geconfronteerd worden met machteloosheid en discriminatie. Hij voelt zich met hen verbonden, door zijn eigen ervaring van onderdrukking. Hij vindt het belangrijk dat anderen hem nodig hebben, dat hij nuttig is in het leven van anderen en daar erkenning voor krijgt van zijn omgeving. In de context van armoede krijgt ‘Verbondenheid’ een andere invulling: Bij arme gezinnen zijn netwerken in de eerste plaats in functie van hun overlevingsstrategieën. Deze overlevingsnetwerken zijn sociale netwerken, die bestaan uit een beperkte groep vrienden, familie en/of collega’s, die meestal in gelijkaardige omstandigheden leven. De netwerken hebben een eisend karakter: ze vragen veel energie van de mensen die er deel van uit maken. Zij hebben vaak geen keuze om mee te doen of niet, maar moeten eraan deelnemen om tegemoet te komen aan hun dagdagelijkse noden en uitdagingen. De solidariteit binnen het netwerk is eerder gefocust op het beantwoorden van basisbehoeften, dan op het vinden van oplossingen voor andere maatschappelijke problemen. Hoe sterker sommige individuele leden van deze netwerken zijn, hoe meer ze gevraagd worden om de zwakkere leden te ondersteunen. De overlevingsnetwerken hebben een beperkt sociaal kapitaal. Er is weinig vertrouwen en geen duidelijk engagement voor gemeenschappelijke waarden. Daarenboven gaan de netwerken gepaard met intense processen

11


van sociale controle. Dat heeft mogelijk ook te maken met de specifieke locatie waar men woont. Zo kan bijvoorbeeld in de wijk Nieuw-Gent met sociale hoogbouw de sociale controle extreme vormen aannemen: de blokken staan tegenover elkaar, waardoor je kan binnen kijken aan de andere kant en omgekeerd. Mensen klagen hier over gebrek aan privacy. De sociale netwerken zijn eerder naar binnen gericht, dan mobiliserend naar buitenstaanders toe. Zo zijn de netwerken meestal niet gemengd naar origine of scholingsgraad. Ook al wonen er in een kansarme buurt een aantal hogergeschoolden, toch is er meestal weinig (dagelijks) contact tussen hen en de andere bewoners. De arme gezinnen hebben soms de neiging zichzelf te beschermen tegen wat zij ‘bedreigende’ buitenstaanders noemen. Ze voelen zich bedreigd door het/de vreemde (mensen die ‘anders’ zijn zoals migranten en homosexuelen). Een gevolg van hun continue ervaring van discriminatie, is dat ze weinig vertrouwen hebben in mensen en instituties. De maatschappij wordt vaak zelfs gezien als een plaats van vervreemding, waar ze zich niet thuisvoelen. Als gevolg riskeren kansarmen nog meer geïsoleerd te worden. Mensen worden bovendien gereduceerd tot consumenten, onder andere door reclame. Ze kopen niet enkel om hun persoonlijke behoeften te bevredigen, maar vooral ook om ‘erbij te horen’. Zoals ook bij Evans (1998, p. 115) “The signs are that the media and advertising are creating alternative ways of establishing collective identities and a sense of belonging, often around consumer goods, trade names and symbols, with Nike trainers being the obvious example.” We mogen al dit bovenstaande echter niet veralgemenen. Er zijn ook mensen in een armoedesituatie die een gevarieerd en sterk sociaal netwerk hebben. Hoe kunnen buurt- en nabijheidsdiensten inspelen op deze ‘Verbondenheid’? Gewone ervaringen en interesses op lokaal niveau kunnen een vertrekpunt zijn om een gevoel van verbondenheid te stimuleren. De buurt of de leefwereld van mensen zijn veelbelovende vertrekpunten. Door gebruik te maken van wat mensen gemeenschappelijk hebben (zoals de lokale radio, een lokaal museum, straatfeesten, …) kan hun verbondenheid versterkt en verbreed worden. Buurt- en nabijheidsdiensten kunnen mensen het gevoel geven dat ze ergens thuishoren. Door herhaalde contacten met elkaar, kan er vertrouwen groeien: vertrouwen dat ze samen iets kunnen bereiken, vertrouwen dat onderlinge afspraken worden nagekomen. Dit sociaal kapitaal is nodig om engagementen te laten groeien. Buurt- en nabijheidsdiensten hebben een direct en relationeel aspect, waarin zorg en vertrouwen zijn vervat. Verbondenheid kan tot stand komen door het samen beleven van positieve ervaringen. Door ervaringen van actor-zijn en solidariteit, leren mensen hun slachtofferrol achter zich laten en vaardigheden en ervaring opbouwen. Dit kan hen het nodige zelfvertrouwen geven om durven open te staan voor nieuwe en vreemde mensen en ideëen, zoals bijvoorbeeld migranten6. Dit meer open staan voor onder andere migranten, is mogelijk niet een specifiek effect van buurt- en nabijheidsdiensten, maar wel een effect van het werken in een omgeving waarin men zich goed en gestimuleerd voelt. Buurt- en nabijheidsdiensten hebben vaak expliciet de doelstelling om mensen bij elkaar te brengen en te werken aan integratie. De wereld thuis, op school, op het werk, in de buurt en de wereld daarbuiten worden verbonden. Zo kan een sociaal restaurant er bewust voor kiezen om geen maaltijden aan huis te leveren om niet te verworden tot een loutere maaltijddienst. Het versterken van het sociaal netwerk in de buurt wordt in alle interviews bevestigd. “Ik merk dat sinds dat project is opgestart, als ik hier door de wijk fiets of loop, dan moet ik altijd met mijn hand in de lucht zitten om tegen iedereen goeiedag te zeggen.” Buurt- en nabijheidsdiensten 6

Ook al hebben mensen geen problemen (meer) met de paar migranten in de werking, toch kan hun algemeen standpunt rond migranten onveranderd blijven. Vaak is het zo dat de paar migranten die ze kennen ‘OK’ zijn, maar dat hun vooroordelen tegenover ‘de vreemden’ er niet zo gemakkelijk uitgaan.

12


kunnen bijdragen aan het versterken van de netwerken door de inbreng van nieuwe energie in deze netwerken, bijvoorbeeld door het organiseren van een ontmoeting met gezinnen van een ander werelddeel die ook in armoede leven. Zo kan zich een gevoel van solidariteit voor anderen ontwikkelen. Toch mag dit ook niet overschat worden: een goede bakker of een gezellig café kan mogelijk in zo’n buurt een zelfde of zelfs beter effect hebben op de sociale netwerken. Vooral de buurt- en nabijheidsdiensten die zich richten tot een ruimer klantenpubliek, dus ook tot ‘de middenklasse’, slagen erin om de gesloten netwerken open te breken naar anderen, juist omdat ze zich ook richten op andere groepen van de bevolking. Zo kunnen de kansarme werknemers werkelijk grensdoorbrekende contacten leggen. ISIS bijvoorbeeld helpt rijkere gezinnen verder terwijl ze op de wachtlijst staan van de reguliere gezins- en bejaardenhulp. Het geld dat ze daarmee verdienen gebruiken ze om prijscorrecties te doen voor armere gezinnen. Sommige helpsters willen echter liever niet naar rijkere gezinnen gaan omdat ze het idee hebben dat ‘ze daar toch niets goed kunnen doen’. Deze vooroordelen kunnen we trachten te begrijpen vanuit het feit dat deze kansarme vrouwen gebrek hebben aan ervaringen met rijkere mensen. Ze kunnen geen referenties of voorbeelden bedenken waarin ze wel goede ervaringen met zulke mensen hebben gehad. Bij zulke ‘grensdoorbrekende’ contacten wordt er veel aandacht besteed aan de opvolging: zodra kleine dingen mislopen, wordt het door de begeleiding meteen opgevangen. Het aspect ‘nabijheid’ betreft meerdere aspecten van de dienstverlening: Dienstverleners in gezinnen betreden de privé-sfeer van mensen. De noden waar ze op inspelen zijn nabij en bijna lijfelijk. Niet enkel de nabijheid tussen de klant en de dienstverlener, maar ook de nabijheid tussen de werkgever en werknemers is cruciaal. Het is belangrijk dat ‘ze mij als persoon kennen, dat ze weten waarmee ik bezig ben, dat ze mij durven aanspreken, dat ze mijn man kennen’. Zo worden er bijvoorbeeld personeelsfeesten georganiseerd om de waardering uit te drukken voor de werknemers en om hen te bedanken voor hun inzet. Op zo’n avond wordt de doelgroep in de watten gelegd met lekker eten en drinken. Ook de partners van de werknemers worden betrokken bij de buurt- en nabijheidsdiensten, onder andere door hen mee uit te nodigen op personeelsfeesten. Het is belangrijk dat ook zij een stukje binding hebben met de buurt- en nabijheidsdienst, en een beeld hebben van waar zijn of haar partner werkt. Nog een manier waarop de zwakke sociale netwerken open worden getrokken, is door de contacten met andere medewerkers en vrijwilligers. Er werken meestal niet enkel doelgroepmedewerkers, maar ook hoger geschoolde personen bij buurt- en nabijheidsdiensten, en dit niet enkel in de begeleiding en coördinatie. Personen met een hoger diploma kiezen vaak uitdrukkelijk voor een job met sociale flexibiliteit. Een belangrijke doelstelling is aandacht voor kinderen, zeker bij (alleenstaande) vrouwen. Het werk wordt zo geregeld dat de vrouwen vrij zijn wanneer hun kinderen vrij zijn en zodat ze hun kinderen zelf naar school kunnen brengen en afhalen. Door een paar ‘sterkeren’ in de groep te zetten, wordt het niveau van de groep en het sociaal netwerk wat omhoog getrokken. Ook bij teamvergaderingen ligt de nadruk op het uitwisselen van ervaringen, waardoor de werknemers van elkaar kunnen bijleren. Dat dit belangrijk is, werd bevestigd door de doelgroep van Leren Ondernemen: “We kunnen hier samen nadenken, ook over maatschappelijke problemen. We kunnen van elkaar en samen leren, samen ervaringen opdoen, ook op technisch vlak.” Zo kunnen ze leren van elkaars hobby’s zoals scrabble of naaien. Dat zijn geen ‘grote maatschappelijke engagementen’, maar deze zaken maken een concreet verschil voor deze doelgroep. Nieuwe invloeden in het sociaal netwerk kunnen ook komen door te participeren aan educatie en vorming of door participatie aan structurele netwerken. Bij de meeste buurt- en nabijheidsdiensten is er voor de medewerkers een vormingsbudget vrijgemaakt. Vaak behoort

13


vorming tot de betaalde arbeidstijd, en vormt het dus geen supplement bovenop de uurroosters van de werknemers. Het aanbod en budget op zich blijken echter niet voldoende. Wanneer de mogelijkheid gewoon wordt aangeboden, is er weinig respons van de doelgroep. Ze hebben geen cultuur om ‘zomaar iets bij te leren’. Wanneer de vorming door de buurt- en nabijheidsdienst zelf op maat wordt georganiseerd, in de eigen buurt, en de doelgroep krijgt een persoonlijke uitnodiging, dan verbetert de respons. Zeker voor de sterkeren van de doelgroep is de kans opleidingen te volgen belangrijk, zoals bijvoorbeeld migrantenmeisjes die opleiding volgen tot kinderbegeleidster of ervaringsdeskundige. Op die manier kunnen ze competenties verwerven die hun vooruit helpen op de arbeidsmarkt en die hun zelfvertrouwen verbeteren. Wat betreft vorming op maat heeft de doelgroep bij Leren Ondernemen een duidelijk beeld van wat ze verwachten: “Opleiding mag niet enkel geörienteerd zijn naar de arbeidsmarkt en naar een toekomstig beroep. Er moet ruimte zijn voor bredere interesses. Het moet zo leuk zijn, dat de deuren niet op slot hoeven. Er moeten linken zijn tussen de vakken, in plaats van alles apart in een hokje te steken. We willen meer leren samen werken, in plaats van concurrentie. Het puntensysteem zou gemoderniseerd mogen: minder competitie, maar evaluatie. Er kan interactief gedoceerd worden, vanuit de meningen en interesses van de groep.” Het is inderdaad zo dat in een eng concept opleiding en vorming worden gereduceerd tot voorbereiding op een job. Vorming heeft echter veel meer te bieden dan het klaarstomen van mensen voor de arbeidsmarkt. Het binnenbrengen van nieuwe invloeden via educatie is echter geen evidentie. Dat blijkt soms uit dagdagelijkse dingen, zoals maaltijden. Men loopt het risico ‘mensen te verliezen’ omdat ze geen aansluiting vinden op de educatieve doelstellingen zoals gezonde en nieuwe voeding leren kennen en promoten. ‘Experimentele’ maaltijden worden moeilijk geaccepteerd door kansarme gezinnen. Rijst vinden ze al exotisch en couscous is totaal vreemd. Daarom wordt in het geïnterviewde sociaal restaurant nu de gewone Vlaamse ‘patattenkeuken’ geserveerd. Met mondjesmaat nieuwe invloeden inbrengen werkt beter: één keer per maand wordt er een themadag gehouden. Een voorbeeld hiervan is Chinees Nieuwjaar, waarbij enkele Chinese vrouwen uit de buurt koken. 5. Buurt- en nabijheidsdiensten zijn méér dan louter tewerkstellingsinitiatieven Nu we naar de voorwaarden voor het leren van actief burgerschap: ‘Vraag’, ‘Vermogen’ en ‘Verbondenheid’ hebben gekeken in de specifieke context van armoede, kunnen we zeggen dat buurt- en nabijheidsdiensten inderdaad een geschikt middel zijn om kansarme gezinnen te stimuleren en ondersteunen om actieve burgers te worden, die bijdragen aan hun gemeenschap en aan de gehele samenleving. Een bemerking hierbij is dat men dan wel oog moet hebben voor de specifieke invulling die deze gezinnen aan actief burgerschap geven. Als we de bril opzetten van ‘mainstream’ actief burgerschap, blijven we blind voor deze niet-traditionele invullingen van actief burgerschap. Buurt- en nabijheidsdiensten kunnen deze mensen ondersteunen om hun persoonlijke ‘overlevingsstrijd’ in balans te brengen met bredere maatschappelijke vragen. Daarbij worden de doelgroepgezinnen gewaardeerd als ‘experten’: we vertrekken van thema’s die hen reeds bezig houden (vraag); we bouwen verder op de capaciteiten die ze reeds bezitten (vermogen); en we verstevigen de reeds bestaande sociale netwerken (verbondenheid). Te veel input ‘van bovenaf’ stuit bij deze doelgroep vaak op weerstand, mede daarom deze participatieve aanpak, waar de doelgroep erkend wordt als actoren, die hun eigen leven in handen nemen. Doorheen de regels van al het voorgaande, kan men lezen dat actief burgerschap in buurt- en nabijheidsdiensten méér inhoudt dan activering naar de arbeidsmarkt toe. Dit blijkt niet enkel uit de vier verschillende sociale meerwaarden van buurt- en nabijheidsdiensten (waarvan arbeid er één is), maar ook uit de analyse van de drie voorwaarden voor het leren van actief burgerschap. Bij alle drie de condities werd er buiten de nauwe grenzen van de arbeidsmarkt getreden: de vragen betreffen het welzijn van de buurtbewoners, de vermogens zijn niet noodzakelijk

14


arbeidsmarktgericht en de verbondenheid is niet louter instrumenteel om financiële winsten te verhogen. Zoals de doelgroep zelf zegt: “Er is uitsluiting op meerdere gebieden, dus moet activering er ook zijn op meerdere gebieden, dus niet enkel tewerkstelling”. In tegenstelling tot het exclusief focussen op het activeren van mensen naar de reguliere arbeidsmarkt toe, hebben buurt- en nabijheidsdiensten een meer complexe, geïntegreerde en holistische activeringsstrategie, die de mensen betrekt als producenten en consumenten van diensten. Ze hebben voorwaarden gecreëerd zodat mensen ervaringen van actor-zijn kunnen opdoen, van solidariteit en van engagement bij een gemeenschappelijk project dat verbonden is met hun dagelijkse overlevingsstrategiëen, maar deze tegelijk ook overstijgt. Een belangrijke uitdaging is het zien van buurt- en nabijheidsdiensten op een integrale en holistische manier in plaats van in nauwe arbeidsmarktgerelateerde termen. Dit wordt ook benadrukt door de doelgroep zelf: “We willen ons liever inzetten voor vrijwilligerswerk, dan werkloos niets te doen. De overheid ziet werk enkel als betaalde arbeid op de arbeidsmarkt, maar er is veel meer! Zo wil X gaan studeren voor ervaringsdeskundige, maar krijgt ze geen toestemming van het OCMW, omdat die opleiding niet direct naar tewerkstelling leidt.” Hoewel ze ertoe kunnen bijdragen, is de voornaamste doelstelling van de buurt- en nabijheidsdiensten dus niet de inschakeling van laaggeschoolde werkzoekenden op de arbeidsmarkt. Zo bestaat het risico dat de sterksten uit de doelgroep worden ‘afgeroomd’. Ook in de focusgroepen werd op dit probleem ingegaan: In de hedendaagse macro-economische context wordt een bepaald normatief model van arbeid voorgeschreven. Binnenin dit beperkende model is er jammer genoeg niet veel ruimte voor alternatieven. In onze welvaartsmaatschappij wordt betaalde arbeid beschouwd als de verplichte hoeksteen van de maatschappij Betaalde arbeid wordt soms zelfs gezien als voorwaarde voor sociale participatie en integratie7. Andere zinvolle activiteiten naast of in plaats van ‘werk’ blijven onzichtbaar en worden niet gevaloriseerd. We sluiten ons aan bij de kritiek van Hvinden en Halvorsen (2002) die actief burgerschap in de enge zin beschreven als de plicht om deel te nemen aan de arbeidsmarkt, of eventueel aan opleidingsen tewerkstellingsmaatregelen in ruil voor sociale hulpverlening. Sommige diensten worden afhankelijk gesteld van te ondernemen stappen van de ‘klant’, en in een aantal Europese landen, waaronder België, zijn er zelfs sancties voor diegenen die niet bereid zijn deel te nemen aan door de overheid opgelegde activeringsmaatregels. Zo worden werklozen afgeschilderd als passieven, die door anderen geactiveerd moeten worden. Hierop geven Hvinden en Halvorsen het antwoord dat deze burgers niet ‘actief’ gemaakt moeten worden, maar dat er meer erkenning moet komen voor de activiteiten, zoals buurt- en nabijheidsdiensten, die tot nu toe door de overheden niet als volwaardige vormen van burgerschap werden gezien. Er is behoefte aan het erkennen en financieren van alternatieve vormen van arbeid en actief zijn, maar zonder het vernietigen van de informele aspecten ervan. Zo dienen buurt- en nabijheidsdiensten niet enkel als overgangsfase voor participatie binnen de reguliere arbeidsmarkt, maar ook als alternatief ervoor. We willen echter niet het belang van arbeid onderschatten. Vrijwilligerswerk op zich is vaak niet voldoende voor achtergestelde groepen: zij hebben namelijk net het meeste behoefte aan een inkomensverhoging. Het is niet mogelijk vrijwillig engagement te blijven vragen van mensen met een laag inkomen. Waar mogelijk moeten dus jobs gecreëerd worden om zekerheid te bieden in hun vaak onzekere leefomstandigheden. Sommige buurt- en nabijheidsdiensten kiezen voor een forfaitaire onkostenvergoeding voor hun vrijwilligers. Het is moeilijk om deze groepen te vergoeden zonder dat ze hun uitkering dreigen te verliezen, zonder dat hun huishuur in de sociale 7

Ook bij Evans (1998) is dit een terugkomend accent: “Access to many citizenship rights is through economic independence with citizen’s rights and obligations increasingly identified with, and tied to, employment status.”

15


woning stijgt, … Ook bij Leren Ondernemen wordt hierover geklaagd: “Er is te veel administratie en controle op vrijwilligerswerk. Het wordt soms bijna beschouwd als zwart werk. De beperking op bijverdienen is een probleem.” Belangrijk is de kwaliteit en duurzaamheid van het gecreëerde werk. Als vertrekpunt worden de capaciteiten en mogelijkheden van de werknemers uitgebreid. Uitdagingen worden gecreëerd en/of zichtbaar gemaakt door werk. Het gecreëerde werk moet inkomensverhogend en duurzaam zijn. Flexibiliteit moet verstaan worden vanuit het oogpunt van de werkgever. Het arbeidsproces moet flexibel zijn om aan de wensen en mogelijkheden van de werknemers te voldoen. Op deze manier is participatief werken een zaak van wederzijds engagement en verbetert het welzijn van de werknemers én van de werkgever. In buurt- en nabijheidsdiensten is werk een manier om actief burger te zijn. Zowel (het verbeteren van) de arbeidscondities als de inhoud van het werk kunnen uitdagingen zijn. Er moet ruimte zijn zowel voor collectieve belangen als voor individuele zelfbepaling. Individuele keuzes moeten mogelijk gemaakt worden, zonder de collectieve effecten daarvan te vergeten, en zonder ongelijkheden tussen werknemers te veroorzaken. Hier wordt nog een extra dimensie aan toegevoegd door de experts uit onze focusgroep: Ook al heeft het economisch systeem eigen wetmatigheden, toch moeten we ons realiseren dat het een menselijke constructie is, die daardoor ook weer veranderd kan worden. Dit kan het gevoel van greep te hebben op het economische systeem vergroten. Zo kan het veranderen van het economisch systeem de ‘vraag’ worden. Over de hele wereld zijn er verschillende concrete arbeidservaringen en –contexten, maar deze situaties zijn allen resultantes van gelijkaardige economische mechanismes. Het zichtbaar maken van de verscheidene, verweven gevolgen van de globale economische evoluties kan een mogelijk basis voor verbondenheid zijn. Alternatieve arbeidsopvattingen, -praktijken en –ervaringen, zoals buurt- en nabijheidsdiensten moeten zichtbaar gemaakt en gepromoot worden. CONCLUSIE In deze paper presenteren we een Vlaams onderzoek, dat in de marge van het Europese ETGACE-onderzoek gebeurde. Enkele experts uit onze focusgroepen argumenteerden dat een confrontatie van onze ETGACE-onderzoeksdata met de levenswijze van kansarme gezinnen ons zou dwingen onze onderzoeksresultaten te herbekijken. De levensomstandigheden van hun doelgroep zijn niet gunstig voor het opnemen van een actief engagement in de samenleving. Hun individuele en collectieve overlevingsstrategieën komen niet overeen met de strategieën van actieve burgers in onze ETGACE-onderzoeksrapporten. We bestudeerden het model van buurten nabijheidsdiensten, dat volgens deze experts een goede basis was voor het stimuleren van actief burgerschap bij hun doelgroep met ons analytisch kader voor het ‘leren van actief burgerschap’. We kwamen tot de conclusie dat buurt- en nabijheidsdiensten inderdaad uitstekende condities creëren voor het ontwikkelen van actief burgerschap bij deze uitgesloten doelgroepen. Een belangrijke uitdaging is het zien van buurt- en nabijheidsdiensten op een integrale manier, in plaats van als louter het zoveelste tewerkstellingsprogramma. In tegenstelling tot het exclusief focussen op het activeren van mensen naar de reguliere arbeidsmarkt toe, hebben buurt- en nabijheidsdiensten een meer complexe, geïntegreerde en holistische activeringsstrategie, die de mensen betrekt als producenten en consumenten van diensten. Ze hebben voorwaarden gecreëerd zodat mensen ervaringen van actor-zijn kunnen opdoen bij een gemeenschappelijk project dat verbonden is met hun dagelijkse overlevingsstrategiëen, maar deze tegelijk ook overstijgt. Er is nood aan meer erkenning voor activiteiten, zoals buurt- en nabijheidsdiensten, die tot nu toe door de overheden niet als volwaardige vormen van burgerschap werden gezien. Zo dienen buurt- en

16


nabijheidsdiensten niet enkel als overgangsfase voor participatie binnen de reguliere arbeidsmarkt, maar ook als alternatief ervoor. Alternatieve arbeidsopvattingen, -praktijken en – ervaringen, zoals buurt- en nabijheidsdiensten moeten zichtbaar gemaakt en gepromoot worden. Veel initiatieven voor activering staan uitsluitend in het teken van toeleiding naar de reguliere arbeidsmarkt. Daaruit blijkt een beperkt perspectief op de voorwaarden om tot actief burgerschap te komen: ze besteden vooral aandacht aan de voorwaarden van 'vraag' en 'vermogen', zonder voldoende te kijken naar de tevens broodnodige voorwaarde van 'verbondenheid'. Zo betreft de 'vraag' hier de verwachting dat arbeid op zich zal leiden tot maatschappelijke integratie. De 'vermogens' die daarvoor nodig zijn, kunnen verworven worden in opleidings- en werkervaringsprojecten. De 'verbondenheid' wordt in deze pool verwaarloosd. Nochtans worden mensen maar actief als ze zich verbonden voelen en erkend weten door anderen, en samen een concreet engagement kunnen opnemen. Om optimaal active burgers te stimuleren en te ondersteunen, moeten activeringsprojecten, waaronder buurtdiensten, zich toespitsen op alle drie de voorwaarden voor het leren van actief burgerschap, in plaats van zich in te schrijven in een enge arbeidsmarktgerichte logica. Gebruikte literatuur • Ben, R. (2000). The genesis of active citizenship in the learning society. In: Studies in the Education of Adults, 32 (2), pp. 241-256. • Evans, K. (1998), Shaping futures: Learning for competence and citizenship. Ashgate: Aldershot. • Evans, K. (2001). Learning to be citizens in adult life. In: Journal of Adult and Continuing Education, 4, pp. 57-71. • Hvinden, B., Halvorsen, R. (2002). Nieuwe noties rond actief burgerschap in Europa. In: tijdschrift voor arbeid en participatie, jg. 24, nr. 2, pp. 87-104. • Jansen, T., & Wildemeersch, D. (1995). Volwasseneneducatie en kritische identiteitsvorming; Van een deficiëntie naar een competentiebenadering. In: Comenius, 15, pp. 138-158. • Johnston, R. (1999). Adult learning for citizenship: Towards a reconstruction of the social purpose tradition. In: International Journal of Lifelong Education, 18 (3), pp. 161-170. • Snick, A., Stroobants, V., Wildemeersch, D. (2001). Learning Citizenship and Governance in Europe: Analysis of life histories. ETGACE: Katholieke Universiteit Leuven. • Stroobants, V., Celis, R., Snick, A., & Wildemeersch, D. (2001). Actief burgerschap: Een leerproces. In: Sociale Interventie, 10 (4), pp. 13-22. • Van der Veen, R., van Raak, J. (2001). Intervention strategies for citizenship and governance education: Analysis of focus groups. ETGACE: Katholieke Universiteit Nijmegen. • Viboso (2000). Buurtdiensten: Financiering en toegankelijkheid van buurtdiensten. • Walgrave, B. (1994). Toekomstperspectief en maatschappelijk kwetsbaren en gekwetsten. K.U.Leuven, Departement Motivatiepsychologie. • Wolfs, Kathleen (2001). Focus op ISIS vzw: Toelichting bij de bestaansredenen en de werking van vzw ISIS. Halen: Studiedienst vzw ISIS. Geïnterviewde organisaties • Leren Ondernemen, Valkerijgang 26, 3000 Leuven: Moo Laforce, Julia Rottiers: 19/10/2001. • Werksessies binnen Leren Ondernemen: Uitklaren concept Buurtdiensten. 26/11/2001 en 03/12/2001. • Denktank Leren Ondernemen wekelijks van mei tot oktober 2002. • Opvolgen denktank doelgroep Leren Ondernemen van oktober 2001 tot juli 2002. • EVA vzw, vooruitgangsstraat 331, 1030 Brussel-Schaarbeek: Elke Roex: 13 mei 2002.

17


• • • •

Buurtbeheerbedrijf BOM vzw, De Bosschaertstraat 7, 2020 Antwerpen: Kristophe Somer: 16 mei 2002. Wijkresto Nieuw-Gent (RISO Gent), Rerum Novarumplein 180C, 9000 Gent: Ann Bonté: 23 mei 2002. ISIS vzw, Kerkstraat 10, 3545 Halen: Nadja Vananroye: 27 mei 2002. Stuurgroep ETGACE bij laatste stuurgroepmeeting, te Socius, Brussel (aanwezig: Guy Redig, Frederik Janssens, Hugo De Vos, Jon Goubin, Gerard Hautekeur, Tine Eilers, Anderé Witters), 7 juni 2002.

Andere bronnen * Power point presentatie Prof. Dr. Danny Wildemeersch Participatief leren in buurtdiensten. * Slides presentatie Hefboom Buurtdiensten in een maatschappelijk verruimd perspectief. * Meer dan brood en spelen: Buurtdiensten een toelichting bij enkele Gentse projecten: voorbereidende map en verslagen discussie na rondgang in Gent op 23/11/2001. • Verslag Trefdag Buurt- en nabijheidsdiensten Koning Boudewijn Stichting.

18


actief-burgerschap