Page 1

MAGAZINE VAN DE JONGE ACADEMIE

#3

Kunstwerk: Frederik De Wilde

MAART 2016


I NH OUD /3/

Voorwoord

/4/

A terrible loss of time

/6/

Ik was 35 in ’94: Katlijne Van der Stighelen

Colofon VERANTWOORDELIJKE UITGEVER

Liesbet Geris Peter Van Aelst

WELBEVINDEN OP HET WERK /10/ To stress or not to stress? /14/ Academische coach Maaike Meijer /18/ Mentale problemen bij doctorandi

HOOFDREDACTEUR

Marianne Van Remoortel

REDACTIERAAD

Koenraad Brosens, Sophie Dejaegher, Ben Dhooge, Koenraad Jonckheere, Jelle Haemers, Tine Huyse, Tina Kyndt, Samuel Mareel, Pieter Martens, Karolien Poels, Dorien Van De Mieroop

/22/ De inspiratie: Koenraad Jonckheere /26/ Nieuwe leden /30/ Dwarse statistieken EINDREDACTIE

/34/ Mag het wat minder zijn?

VORMGEVING

/38/ De Jongste Academie

DRUK- EN BINDWERK LEDEN

/44/ Inspirerende werkplekken /51/ Dagboek: Katelijne De Corte

ISSN 2295-6158

/2/

Hans Van den Eynde - Bronze Drukkerij Peeters, Herent

Acosta Emiliano, Aerts Jan, Anseel Frederik, Brosens Koenraad, De Becker Alexander, De Clerck Goedele, De Corte Katelijne, Dedeurwaerdere Stefanie, Dehaes Ugo, De Herdt Veerle, De Laender Frederik, De Meyer Simon, De Smedt Bert, De Temmerman Koen, De Wael Karolien, De Wilde Frederik, D’Hondt Jorgen, Dhooge Ben, Dooms Ann, Geris Liesbet, Goris Joke, Haemers Jelle, Hens Niel, Husson Steven, Huyse Tine, Jonckheere Koenraad, Kyndt Tina, Latré Steven, Lebeer Sarah, Mareel Samuel, Martens Pieter, Martens Lennart, Meyers Johan, Nicaise Johannes , Op de Beeck Hans, Poels Karolien, Rabaey Korneel, Remaut Katrien, Salazar Noel, Samaey Giovanni, Smits Evelien, Soen Violet, Thielemans Wim, Van Aelst Peter, Van De Mieroop Dorien, Vanderborght Bram, Van der Veken Pieter, Vanhaesebrouck Karel, Van Hoof Lieve, Van Hoyweghen Ine, Van Nuffelen Peter, Van Remoortel Marianne, Verbeken Kim, Verhelst Marian, Vermeulen Nathalie, Verpoest Lien, Vinken Mathieu,

Fot o

: So

phie

Deja

egh

er

/54/ Mentale hygiëne

Bjorn Cocquyt Ben Dhooge


VOORWOORD Zondag 2 december 2007. De dag voor mijn doctoraatsverdediging. Met mijn zoon van drie naast me op de bank neem ik mijn proefschrift door. Terwijl ik notities maak, bekrabbelt hij vrolijk de tekst waar ik langer aan geschreven heb dan hij al heeft geleefd. Af en toe legt hij zijn handje op een blanco bladzijde en dan teken ik de omtrek. Zo slaag ik erin, terwijl mijn partner uit werken is, een dartele kleuter te entertainen én een laatste blik te werpen op mijn doctoraat. Ruim acht jaar later zijn die handomtrekken voor mij symbool geworden voor zoveel meer dan de soms lastige evenwichtsoefening tussen arbeid en gezin. Wat de precieze constellatie van je persoonlijke leven ook is, werk en privé vloeien vaak sterk in elkaar over in de academische wereld. Die vage grenzen bieden enorme vrijheid en flexibiliteit, maar ze zijn ook een belangrijke bron van conflict en stress. Het derde nummer van Maja, het magazine van de Jonge Academie, staat helemaal in het teken van work/life. We zien werk en leven niet als tegengestelden, maar gaan juist op zoek naar de vele raakvlakken tussen beide. Hoe houden wetenschappers de passie voor hun job levend, maar vooral ook leefbaar? Hoe maken ze werk van hun privébestaan te midden van alle professionele drukte?

Marianne Van Remoortel @maidmarianne

Afbeeldingen van auteur

Vorig jaar traden de eerste kunstenaars toe tot de Jonge Academie. Deze nieuwe Maja is dan ook een uitgelezen kans om daar eens te polsen naar work/life. Naast creativiteit, drang naar vernieuwing en een kritische blik is er namelijk nog iets wat ons bindt: het huid-ophuidcontact tussen leven en werk, die handen op dat blad papier.

/3/


Raf De Bont

Wetenschap en leven in de negentiende eeuw Het thema work-life balance is trendy in de universitaire wereld. Het is erg aanwezig op de sociale media en in de blogosfeer. Er worden workshops over georganiseerd, humanresourcedepartementen buigen zich erover en er wordt wetenschappelijk onderzoek naar verricht.

Het concept work-life balance zelf is relatief jong. De term dook voor het eerst op in het Verenigd Koninkrijk van de jaren 1970. Niet toevallig in een periode waarin de tertiaire sector sterk groeide, vrouwen steeds vaker gingen werken en arbeidstijden flexibeler werden. Met enige vertraging bereikte het thema ook de universiteiten. Daar wordt het vaak in verband gebracht met de recent toegenomen tijdsdruk, die sommigen linken aan de opkomst van de zogenaamde high-speed university. Dat de term nog maar recent opgang maakt, wil niet zeggen dat wetenschappers in het verleden niet worstelden met tijdsdruk. Tot de negentiende eeuw echter ervaarden ze dat zelden als een conflict tussen

leven en werk. Wetenschap werd immers tot de late negentiende eeuw nauwelijks als een job aangezien. Het ideaal was dat van de gentleman scientist – een bemiddelde man (zelden een vrouw) die wetenschap als een roeping zag, niet als een manier om geld te verdienen. Commerciële motieven, zo werd verondersteld, konden de ware wetenschap enkel corrumperen. EEN LEVEN IN DIENST VAN DE KENNIS Zelfs gefortuneerde gentlemen scientists werden niet gespaard wanneer ze probeerden een familieleven te combineren met wetenschappelijk onderzoek. Dat was zeker het geval voor de bekendste van alle negen-

/4/ Foto: To marry or not – 2nd Note, MS Dar 210.8:2r, ©Cambridge University Library


tiende-eeuwse gentlemen scientists: Charles Darwin. In 1838 was hij nog niet getrouwd, toen hij in zijn dagboek toch al de voor- en nadelen van het huwelijk opsomde. Bij de nadelen ging het vooral om de negatieve effecten die een huwelijk mogelijk kon hebben op zijn onderzoek. “If marry – means limited. Feel duty to work for money. […] No tours, no large zoolog[ical] collect[ions]. No books.” Darwin vreesde dus dat het huwelijk hem zou dwingen een betaalde baan te nemen die ten koste zou gaan van de tijd die hij aan de wetenschap kon wijden. Dat terwijl de kosten van het familieleven zijn wetenschappelijke uitgaven zouden beperken. Zelfs de voordelen van het huwelijk kwamen niet zonder kanttekening: “Charms of music & female chit-chat. These things good for one’s health, but terrible loss of time.” Hij huwde uiteindelijk toch. Het idee dat wetenschappelijk werk een roeping is, verdween niet meteen met de professionalisering van de wetenschap in de loop van de negentiende eeuw. Verschillende seculiere wetenschappers, die de overheid betaalde, streefden de autoriteit van priesters na en namen daarbij gedeeltelijk een priesterlijk zelfbeeld over. Ze droegen het ideaal uit van een ascetisch leven in dienst van een hoger doel. Het ideaalbeeld was er een van zelfopoffering, van een leven in dienst van de kennis omwille van de kennis zelf.

WERKDRUK VOOR MANNEN Die nobele idealen namen niet weg dat er ook toen geklaagd werd. De groei van de onderzoeksuniversiteit in de late negentiende eeuw creëerde nieuwe banen, maar verscherpte ook de competitiviteit. De Duitse bioloog August Weismann klaagde in 1880 in een brief aan een vriend dat de druk om snel te publiceren sterk was toegenomen, gezien het groeiend aantal onderzoekers in zijn veld. Rust, zo verzekerde hij, was er niet meer bij. Maar ook in Weismanns tijd werden dergelijke problemen niet geïnterpreteerd als de uiting van een slechte balans tussen werk en leven.

Aan de universiteiten blijkt het ideaal van wetenschappelijke zelfopoffering niet volledig verdwenen. Grote onderzoeksinstituten voorzagen soms zelfs een leefruimte voor hun wetenschappers. Wanneer in 1888 in Parijs ter ere van Louis Pasteur een groot instituut werd opgericht, was er niet alleen een laboratorium, maar ook een appartement voor de wetenschapper-directeur. Na zijn dood kreeg Pasteur er een crypte in de kelder. De idealen van een ascetisch leven in dienst van de wetenschap golden duidelijk enkel voor mannen. Ze leken onverzoenbaar met ideeën over goed moederschap en sloten vrouwen dus buiten uit de wetenschappelijke wereld. De uitzonderlijke vrouwen die de rollen van moeder en wetenschapper konden combineren, deden dat niet zonder problemen. Zoals historica Kaat Wils heeft

aangetoond, propageerde Marie Curie bijvoorbeeld zelf idealen van wetenschappelijk ascetisme. Maar ze vond het tegelijkertijd moeilijk om een leven in dienst van de wetenschap met de praktische kanten van het familieleven te combineren. Pierre Curie vond dat zijn vrouw vaker in het laboratorium moest zijn, terwijl Marie zich eraan ergerde dat Pierre nauwelijks tijd met zijn familie doorbracht. Marie droeg – haast vanzelfsprekend – de grootste zorg voor kinderen en huishouden. NIEUWE REALITEIT De idealen zijn intussen wat bijgesteld. De opkomst van teamwerk in de vroege twintigste eeuw ontkrachtte enigszins het idee dat wetenschap louter een zaak is van heroïsche genieën. In de industrie zag men daarenboven de opmars van wetenschappelijke entrepreneurs voor wie commerciële motieven niet langer des duivels waren. Desondanks blijkt aan universiteiten het ideaal van wetenschappelijke zelfopoffering niet volledig verdwenen. Naast de oude idealen kwam echter ook een nieuwe realiteit. Geïnspireerd door het zogenaamde New Public Management maakte vanaf de jaren 1980 de managerial university opgang. Dat was aanvankelijk vooral het geval in de Anglo-Amerikaanse wereld. Wetenschap om de wetenschap stond niet langer centraal in dit model, maar efficiëntie en output. Er kwam een nieuwe dynamiek uit het bedrijfsleven, met een eigen bureaucratie, top-down beslissingsstructuren, meetinstrumenten om performance te beoordelen en rankings. Tegelijkertijd werd – misschien enigszins ironisch – uit hetzelfde bedrijfsleven het concept work-life balance ingevoerd.

R. Herzig (2005). Suffering for Science: Reason and Sacrifice in Modern America. New Brunswick. S. Shapin (2008). The Scientific Life: A Moral History of a Late Modern Vocation. Chicago. K. Wils (2011). ‘The Revelation of a Modern Saint: Marie Curie’s Scientific Ascetism and the Culture of Professionalized Science’, in E. Peeters, L. Van Molle en K. Wils (eds.). Beyond Pleasure: Cultures of Modern Ascetism. New York, 171-189. C. Darwin (1986). The Correspondence of Charles Darwin. vol. 2: 1837-1843. Cambridge.

/5/


35

Kunsthistorica en gewoon hoogleraar Katlijne Van der Stighelen is gespecialiseerd in de schilderkunst van de Vlaamse barok en in vrouwelijke kunstenaars. Ze komt voorbereid

Fot

o: R ob

Ste ven

s

naar ons gesprek: met een

Katlijne Van der Stighelen Koenraad Brosens /6/

oude zakagenda van de KU Leuven in de ene hand en een A4’tje met enkele woorden erop in de andere. Maar ze zal die hulp niet nodig hebben, wanneer het gaat over 1994.


1994 is een jaar waaraan Katlijne Van der Stighelen sterke herinneringen heeft. “Een agenda met veel wit, drie voltijdse secretaresses voor de afdeling, evenveel onderwijs- en onderzoeksassistenten en een afdelingsbudget die naam waardig. 1994 was achteraf gezien een paradijs. Maar voor mij begon het jaar heel somber. Net vóór kerst 1993 had ik, als Aangesteld Navorser van het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (het postdoctoraal mandaat van vandaag), een gesprek gehad met José Traest, toenmalig secretaris-generaal van het Nationaal Fonds. Dat kon toen nog, een een-op-een met de grote baas in de Egmontstraat. Hij had mijn hoop op een vaste aanstelling als Onderzoeksdirecteur van het NFWO gekelderd. Zo’n aanstelling was jarenlang mijn doel geweest. Naar wat men zei, had ik ook uitstekende kaarten, maar de regels waren veranderd tijdens het spel: onderzoeksdirecteur was een uitdovend statuut geworden.” DOODLOPENDE STRAAT

“Dat was een bijzonder harde klap. In totaal had ik twaalf jaar geïnvesteerd in een loopbaan als onderzoekster. Emotioneel én financieel. Mijn toenmalige echtgenoot was ook voltijds onderzoeker. Daarom hadden we een vaste kinderoppas in dienst voor onze zoon van negen en onze dochter van vijf. Meer dan de helft van mijn loon ging rechtstreeks naar de oppas. Dat sneed in het vlees natuurlijk. Maar na de geboorte van mijn dochter had ik snel begrepen dat dat de prijs

was voor mijn ambitie en droom. De oppas werd gelukkig een ‘derde oma’, een onmisbaar radertje in de machine. Mijn dochter heeft nog steeds een hechte band met haar.” “Maar 1994 begon dus met de pijnlijke vaststelling dat ik in volle vaart een doodlopende straat was ingeslagen. Ik zag een verleden van tien jaar NFWO én een toekomst verdampen. Natuurlijk dacht ik aan de universiteit als een mogelijk vangnet. Ik had immers ook ingezet op onderwijs en twee opleidingen bij de Dienst Universitair Onderwijs gevolgd. Zo’n engagement was toen heel uitzonderlijk.

“Wanneer een academische opdracht geen enkele marge meer laat voor andere aspecten van het leven, houd ik mijn hart vast voor het type academicus van de toekomst.” Al helemaal voor iemand met een statuut als onderzoeker van het Nationaal Fonds. Daarnaast doceerde ik één college binnen de opleiding Kunstwetenschappen en één aan de Universiteit Antwerpen – toen nog UFSIA. Ik was ook betrokken bij het in-

teruniversitair programma Vrouwenstudies waarin ik het vak Vrouw en Kunst gaf. Alle docenten die bij dat programma betrokken waren, waren overigens vrouwen, op één uitzondering na: de jonge Rik Torfs. Hij voelde zich heel erg op zijn gemak tussen het vrouwelijke geweld.” “De manier waarop het vak binnen Kunstwetenschappen aan mij was toegewezen, onthult een en ander over de toenmalige gang van zaken. Tijdens een vergadering van de afdeling liet de toenmalige titularis van het vak weten dat hij het niet langer wou doceren. Het was een inleidend methodologisch college, weinig populair bij studenten én op het eerste gezicht weinig uitdagend voor professoren. Een eenvoudige rondvraag volgde. Ik bleek de enige kandidaat-titularis en de zaak was beklonken.” /7/


“Maar die snelle, informele manier van werken betekende allerminst dat ook de relatie met de oudere collega’s informeel verliep of dat de sfeer losjes was. Tutoyeren was absoluut uit den boze en aanwezigheid werd streng gecontroleerd. Elke dag was ik van half negen tot zes op post. Elke activiteit buitenshuis – een lezing, bijvoorbeeld, of archief- of bibliotheekonderzoek in een andere stad – moest worden goedgekeurd door de afdelingsvoorzitter. Werk en privé waren strikt gescheiden werelden. Tussendoor even met een ziek kind naar de dokter gaan was niet eenvoudig, laat staan vanzelfsprekend. Alle ZAP-leden waren mannen en ze toonden niet allemaal evenveel begrip voor jonge moeders met academische ambities.”

een landingsbaan: een bijna voltijdse aanstelling binnen de academische lerarenopleiding. De ene helft van de tijd doceerde ik kunsthistorische vakken en de andere helft stuurde ik de lerarenopleiding aan. Ik denk niet dat het nu nog zo gemakkelijk is om op die manier een vacature te creëren én ze onmiddellijk ook in te vullen. Maar het belang van toeval én van netwerken speelt nog altijd even sterk.”

HOBBELIGE LANDINGSBAAN

“De lerarenopleiding was eerlijk gezegd niet onmiddellijk mijn droomjob. Uiteindelijk zou ik acht jaar op die springplank blijven staan. Dat waren opnieuw bijzonder drukke jaren. Overdag wisselde ik doceren af met stagelessen van Kortrijk tot Hasselt. Daardoor had ik plots veel minder tijd voor onderzoek, terwijl ik mijn publicatie- en lezingenlijst natuurlijk op niveau wilde houden. Dus bleef ik jarenlang, vrijwel elke avond, werken van negen tot middernacht. Natuurlijk probeerde ik ondertussen ook een goede moeder te zijn en er te zijn op alle momenten waarop kinderen je nodig hebben. Voor hobby’s had ik geen tijd, maar ik houd gelukkig wel van huishoudelijk werk. Ik kan enorm genieten van verse bloemen in een kraaknet huis. Bovendien is uit onderzoek ge-

“Dat ZAP wilde of kon in 1994 geen uitkomst bieden. De afdelingsvoorzitter beantwoordde het slechte nieuws uit de Egmontstraat met schouderophalen. Later hoorde ik dat hij me – en ik citeer – ‘een franke tong’ vond. Mijn voormalige promotor steunde mijn ambities wel. Maar hij was helaas maar deeltijds aan de universiteit verbonden en hij kon nauwelijks gewicht in de lobbyschaal leggen.” “Gelukkig waren er twee invloedrijke mensen buiten de afdeling die zich mijn lot aantrokken. Decaan Emiel Lamberts en toenmalig Groepsvoorzitter Humane Wetenschappen en notoir feministe Emma Vorlat. Na maanden onzekerheid boden ze me in ’95 /8/

“Alle ZAP-leden waren mannen en ze toonden niet allemaal evenveel begrip voor jonge moeders met academische ambities.”

bleken dat wie het huishouden doet, langer leeft, dus dat is een mooie bonus.” TRAGER, MAAR DIEPER

“Onderzoek en de waardering ervoor toen en nu verschillen immens. Onderzoek ging in de jaren ’90 trager maar dieper. Er was vast en zeker druk om te publiceren. Maar wanneer ik vaststel dat indrukwekkende dossiers van jonge onderzoekers nauwelijks of niet voldoende zijn om een academische loopbaan te garanderen, moet ik toch toegeven dat de tijden fundamenteel veranderd zijn.” “Onderzoek was in 1994 minder gebonden aan retoriek. Niemand had het toen over interdisciplinariteit bijvoorbeeld, al werkten we wel interdisciplinair, wanneer de materie ons in die richting duwde. Niet omdat nu eenmaal van ons verwacht werd interdisciplinair te werken. Internationalisering en mobiliteit zijn andere woorden die ik in 1994 nooit gehoord heb. Faculteitsbestuur noch onderzoekers ontwikkelden een doordachte strategie om het buitenland te veroveren of om het buitenland naar Leuven te brengen. Mijn agenda was relatief internationaal, maar vooral omdat Flemish baroque – Rubens, Van Dyck, Jordaens – in het buitenland altijd op veel belangstelling kon rekenen, niet omdat ik enige druk voelde om me te manifesteren op het internationale toneel.” “In de jaren ’80 en ’90 was er trouwens veel minder dynamiek op dat toneel. In vergelijking met


vandaag waren er veel minder congressen en workshops in binnen- en buitenland. Onderzoekers gaven dus ook minder internationale lezingen. Eén per jaar was een behoorlijk gemiddelde. Maar elke lezing bracht altijd nieuwe onderzoeksresultaten. Recyclage, in welke mate of vorm ook, werd niet aanvaard door de onderzoeksgemeenschap, die toen kleiner, overzichtelijker en in zekere zin ook menselijker was. Ik herinner me dat ik in 1994 uitgenodigd was om een lezing te geven op een congres aan de universiteit van Bonn. Door een treinstaking dreigde ik te moeten passen. Een collega, toenmalig decaan, betaalde eenvoudigweg de taxirit Leuven-Bonn.” “Ondanks de permanente druk heb ik genoten van al die jaren en zou ik het ongetwijfeld opnieuw willen doen. Vaak bedenk ik dat wij tot de eerste generatie vrouwen behoren die kunnen zeggen dat we het allemaal hebben: een partner, kinderen en een uitdagende job die uitzonderlijk veel vreugde en voldoening schenkt. Maar in de huidige context zou ik het zeker niet willen overdoen. Wanneer een academische opdracht geen enkele marge meer laat voor andere aspecten van het leven, houd ik mijn hart vast voor het type academicus van de toekomst. Vandaar ook deze raad voor jonge onderzoekers: of je nu pre- of postdoc bent, of al verder staat, durf jezelf regelmatig de vraag te stellen of dit is wat je echt wilt? Maakt een academische loopbaan je echt gelukkig? Durf eerlijk te antwoorden. Durf uit de tredmolen te stappen wanneer de passie voor onderzoek verdwenen is. Investeer voldoende tijd en energie in je partner en in je gezin. En houd je agenda’s goed bij, bij voorkeur op papier. Wie weet klopt er ooit een jonge collega op de deur, met de vraag hoe het met je ging toen je 35 was.” /9/


WELBEVINDEN OP HET WERK

Onze academische vrij-

opvallend hoger dan bij

heid mag ons dan wel

andere beroepen. Gelijk-

behoeden voor een bore-

aardige onderzoeken bij

out, helemaal immuun

postdoctorale onderzoe-

voor een burn-out blijkt

kers en professoren laten

de homo academicus toch

nog even op zich wachten,

ook weer niet. Een recent

maar echt grote verschil-

onderzoek van ECOOM

len verwachten we niet.

(zie het artikel van collega Frederik Anseel op p. 18-22) toonde aan dat maar liefst

/ 10 /

:W inno kD e Vo

kampt. Dat percentage ligt

Fot o

ernstige stresssymptomen

s

ĂŠĂŠn op drie doctorandi met

Stress herkennen en bestrijden bij jezelf Tina Kyndt @tinakyndt

Tine Huyse


DE PIJNPUNTEN VAN DE ACADEMISCHE WERELD

Als die opgelegde eisen in conflict komen met de persoonlijke motivatie van academici, veroorzaakt dat volgens psycholoog Paul Verhaeghe (De Standaard, 8 december 2015) stress. De autonomie en stimulerende inhoud van een academische job compenseren dat voor een stuk, maar toch wordt de druk voor sommigen te veel. Iedereen kent wel een collega die naast de obligate ‘internationale ervaring’, ‘toponderzoeker’, ‘bevlogen lesgever’ en ‘toegewijde papa/mama/partner’ plots ook het vakje ‘burn-out’ moet aanvinken. Gelukkig beseffen de vijf Vlaamse universiteiten dat het welzijn van hun medewerkers de nodige aandacht verdient. Een korte rondvraag leerde ons dat de meeste universiteiten druk bezig zijn met het uitrollen van een actieplan rond psychosociaal welzijn. Enquêtes peilen naar de situatie op de werkvloer. Vertrouwensnetwerken worden uitgebouwd. Infosessies en workshops

over stress en burn-out staan op de agenda. Daarnaast zetten de universiteiten in op sensibilisering, loopbaanbegeleiding en mentoring/coaching. Meestal is dat laatste gericht op postdocs en jonge professoren, maar aan enkele universiteiten kunnen ook medewerkers van andere geledingen hiervan genieten.

Een burn-out treft vooral zeer gedreven, gefocuste mensen. Deze begeleiding op individueel niveau en in kleine groepen is lovenswaardig en kan zeker soelaas bieden in concrete risicogevallen. De vraag blijft echter of dergelijke kleinschalige mentoring de pijnpunten in de academische wereld voldoende blootlegt. Dat geldt ook voor het traag groeiend aanbod aan stressmanagementworkshops. Cursussen zoals Van stress tot resilience, Mindful@ work en Stressbeheersing leggen de verantwoordelijkheid immers grotendeels bij het individu, dat zelf de stap moet zetten om zich in te schrijven en deel te nemen. Velen binnen de werkgroep Work-life van de Jonge Academie menen dat meer structurele veranderingen nodig zijn om het probleem bij de bron aan te pakken. NAAR EEN FLEXIBEL LOOPBAANMODEL

Bovenal is er nood aan een flexibilisering van het loopbaanmodel aan onze universiteiten. Zo moeten jonge ouders of mensen met een zwaar zieke partner vlotter loopbaanonderbreking kunnen opnemen. Officieel heeft elk personeelslid de mogelijkheid

Kunstwerk: Frederik De Wilde

Doorgedreven prestatie- en publicatiedruk zijn factoren die de mentale gezondheid van academici niet ten goede komen. Denk daarbij aan de beperkte toekomstperspectieven, kwantitatieve evaluaties, toenemende administratieve verplichtingen, steeds grotere managementuitdagingen… en je krijgt een goed idee van de druk die academici ondervinden. Universiteiten worden steeds meer als bedrijven gerund. Bij de aanstelling van nieuwe academici via een tenure-tracktraject worden soms zeer concrete key performance indicators vooropgesteld: zoveel doctoraten begeleiden, zoveel artikelen in tijdschriften met impactfactor x publiceren als eerste auteur…

/ 11 /


WELBEVINDEN OP HET WERK om een korte periode wat minder te werken, maar in de praktijk kennen we maar weinig mensen die die mogelijkheid ook effectief benutten. (In het artikel Mag het wat minder zijn? op p. 34-37 leest u de ervaringen van twee jonge academici die bewust wat gas terug namen voor hun gezin). Er zijn verschillende redenen waarom academici niet zo gauw voor loopbaanonderbreking kiezen. Een tijdelijke afwezigheid kan carrièreperspectieven in de competitieve academische wereld sterk ondermijnen. Daarnaast blijkt loopbaanonderbreking zoals een sabbatical vaak moeilijk te organiseren. Zo voorziet het Fonds voor Wetenschap-

pelijk Onderzoek voor een lang verblijf in het buitenland hetzelfde bedrag voor een alleenstaande als voor een ouder van drie kinderen.

Je eigen stresssignalen herkennen is heel belangrijk bij het voorkomen van een burn-out. Een carrière even on hold zetten wordt daardoor dus eerder een financieel en logistiek struikelblok. En aangezien de financiële middelen om tijdelijk extra personeel aan te werven beperkt

EEN HEEL PERSOONLIJKE is niet zomaar een geKWESTIE Burn-out brek aan fut. Therapeut Marieke

/ 12 /

Impens van The Human Link onderscheidt naast extreme fysieke en/of mentale vermoeidheid nog twee belangrijke kenmerken. “Mensen met een burn-out zijn vaak gelaten en cynisch over hun werk en werkomgeving. Vroeger deden ze hun job met passie, nu kan het hen allemaal niet meer schelen. Daarnaast beginnen ze vaak te twijfelen aan zichzelf. Ze zijn voortdurend bang om fouten te maken. Soms blijkt die angst terecht, want wie niet optimaal functioneert, laat sneller steken vallen.” Een burn-out treft volgens Impens vooral zeer gedreven, gefocuste mensen. Ze blijven doorgaan, ook als hun lichaam aangeeft dat de batterij plat is. Impens gelooft niet in algemene maatregelen om mensen tegen zichzelf te beschermen, zoals de

zijn, komen de lessen meestal op de schouders van (reeds druk bezette) collega’s terecht. De structuur van onderzoeksgroepen kan in dat opzicht herbekeken worden. Door onderzoekers meer in teams te laten samenwerken en hen dan ook als team te evalueren, kan de individuele prestatiedruk afnemen. Het bevordert ook de onderlinge collegialiteit en samenwerking, zodat vervangingen tijdens onderbrekingen vlotter verlopen. Ten slotte kan een basisfinanciering startende onderzoekers helpen om het uitbouwen van een nieuwe onderzoeksgroep en het zich inwerken in nieuwe onderwijstaken meer leefbaar te houden.

dertigurenweek waarmee in Scandinavië geëxperimenteerd wordt. “Sommigen willen echt twaalf uur of meer per dag werken, omdat zij net daarvan energie krijgen. Ook andere stressfactoren zoals werkonzekerheid of administratieve rompslomp hoeven op zich geen probleem te zijn. Het is vooral belangrijk dat energievreters gecompenseerd worden door voldoende energiegevers, die je batterijen terug opladen. Als daar lange tijd geen evenwicht tussen is, krijg je last van chronische stress die dan kan uitmonden in overspanning of zelfs burn-out. Chronische stress geeft bij iedere persoon andere symptomen. De ene slaapt slecht, de andere eet zeer weinig, weer een andere wordt heel prikkelbaar. Je eigen stresssignalen herkennen is heel belangrijk om een burn-out te voorkomen.”


HET HIER EN NU

Voor Maja volgde Tina Kyndt in het najaar een sessie Mindful@ Work aan de UGent. “Scheelt er iets, Tina?” vroeg de vakgroepvoorzitter me toen ze de melding kreeg dat ik me ingeschreven had voor een workshop mindfulness. Nee, op de rand van een burn-out sta ik niet, ik doe mijn werk nog altijd met veel plezier. Maar af en toe grijpt een ferme dosis stress me toch eens goed bij de keel. Als ik én les moet geven én projectvoorstellen schrijf én artikelen moet reviewen én doctoraatsstudenten optimaal wil begeleiden én mijn kinderen op tijd van school wil afhalen, heb ik wel eens het gevoel dat ik de controle verlies. Een cursus stressmanagement zou me dan wel van pas kunnen komen. Alleen, ik ben nogal down-to-earth, zou mindfulness me niet te zweverig zijn? Zo kwam het dat ik op een maandagochtend ietwat sceptisch het trainingslokaal binnenstapte. De stoelen stonden niet netjes in rijen, maar gezellig in een kring. Ik hoor het u al denken: ze zijn de sessie vast begonnen met een half uur mindful kauwen op een rozijn. Maar nee, de trainer begon gezapig te vertellen over

zijn persoonlijke motivatie om met mindfulness te beginnen, en waar het concept om draait: leven in het hier en nu, met je gedachten niet blijven hangen bij gisteren, of anticiperen op morgen. Naadloos ging zijn praatje over in een eerste oefening: een bodyscan. Ogen dicht en al je ledematen één voor één ‘voelen’. Hoe meer down-to-earth kan het zijn? Met je voeten stevig op de grond je even bewust worden van je eigen lichaam. Het bracht mij een enorme en onverwachte innerlijke rust. Het was maar een van de vele oefeningen die we die dag deden. Als wetenschapper houd ik natuurlijk van verklaringen en modellen en gelukkig werd ook die honger gestild. We kregen een grondige uitleg over het stresssyndroom, hoe mensen met stress omgaan, hoe bepaalde situaties tot stress kunnen leiden, waardoor de bloeddruk stijgt en de hartslag verhoogt. Zonder het te beseffen stapelt iedereen in de loop van een dag talrijke kleine stresservaringen op. Op lange termijn kan dat leiden tot stressklachten zoals hoofdpijn, nekpijn en slapeloosheid. We gaan die stress al te vaak te lijf met kopjes koffie of een glaasje wijn, een si-

garet, te veel of net te weinig eten of simpelweg door altijd maar harder te werken en minder te slapen. Op die manier verdoezelen we onze stresssymptomen. Zo hoort het volgens onze trainer uiteraard niet. Het mindfulnessprincipe stelt dat je een ‘slowtje’ moet doen wanneer je een stresssituatie voelt opkomen. Even vertragen, beseffen dat iets jou stress bezorgt en er afstand van nemen. Dat klinkt allemaal gemakkelijker gezegd dan gedaan, denk ik meteen. Zie je jezelf al tegen die vervelende collega die een berg dringend werk op je bureau komt gooien net voor een belangrijke presentatie of een deadline roepen: ‘Ho, wacht! Ik moet even een ‘slowke’ doen en mij bewust worden van wat deze stresssituatie met mijn lichaam doet?’ Wellicht niet. Maar ’s avonds in bed, als de stress nog lichtjes nazindert, is het wel mogelijk om even te focussen op je stress en die bewust te ‘voelen’. Tijdens de training lukte het mij om iets te doen wat ik al heel lang verleerd ben: aan niets denken… Zalig is dat. Hoe lang ik dat gevoel zal kunnen vasthouden is zeer de vraag. Maar dat ik die ene maandag het hier en nu bewust beleefd heb, heeft mij alvast veel deugd gedaan.

/ 13 /


WELBEVINDEN OP HET WERK

“ EEN COACH IS E R NIET OM ACADE MICI E F F I C I ËNT E R TE MAKE N” Maaike Meijer is emeritus

Ruim vijftien jaar lang

hoogleraar genderstudies

begeleidde Meijer

aan de Universiteit Maas-

collega’s die nood hadden

tricht. Ze leidde er tot

aan ondersteuning en

2013 het Centrum voor

coaching.

Gender en Diversiteit en publiceerde onder meer een vuistdikke biografie over de Nederlandse dichteres Maria Vasalis, maar ze deed even goed onderzoek naar het succes van André Rieu. / 14 /

Maaike Meijer over haar ervaringen als academische coach Karel Vanhaesebrouck @karelvhb


HOE VERLIEPEN JOUW EERSTE STAPPEN ALS ACADEMISCHE COACH? Maaike Meijer: “Die heb ik ruim vijftien jaar geleden binnen de universiteit zelf gezet. Het Centrum voor Gender en Diversiteit, dat ik op dat moment leidde, was een aparte groep binnen de universiteit met grote onafhankelijkheid. In de schoot van dat centrum leidde ik van 2000 tot 2005 het Onderzoeksatelier m/v, een coachingstraject voor vrouwelijke academici. Daarna bleef ik sporadisch doorwerken als freelancecoach voor academici. Dat ging dan via mond-tot-mondreclame, ik heb daar zelf nooit bewust mee uitgepakt. Ik heb ook wel eens kunstenaars gecoacht. Veel verschil met wetenschappers is er eigenlijk niet. Om te kunnen functioneren moeten kunstenaars en wetenschappers hun creativiteit kunnen laten stromen. Vaak zit die verstopt of is de bron opgedroogd. En dan is het eigenlijk al te laat.” WAT WAREN DE PRECIEZE AMBITIES VAN DAT ONDERZOEKSATELIER? Maaike Meijer: “In de loop van de jaren negentig droogde de eerste geldstroom van de overheid op en kwam er steeds meer nadruk te liggen op fondsenwerving en ondernemerschap. Geld binnenhalen werd een integraal onderdeel van onze job. Het college van bestuur van de Universiteit Maastricht stelde niet alleen vast dat er te weinig actieve aanvragen waren, maar dat ook vrouwen minder aanvragen deden dan hun mannelijke collega’s. Op dat probleem hebben we met ons onderzoeksatelier ingezet: we begeleidden vrouwen in de voorbereiding van hun aanvragen, deelden knowhow en expertise, organiseerden wat we lachend een ‘Grote-Geld-dag’ noemden met workshops. We wilden bij vrouwelijke academici de durf vergroten. Onze pragmatische aanpak

had onmiddellijk effect: meer vrouwen dienden daadwerkelijk aanvragen in en er waren ook meer succesvolle aanvragen. Heel snel hebben we ons werkterrein dan ook verbreed naar alle collega’s.” WELKE CONCRETE STRATEGIE HANTEERDEN JULLIE? Maaike Meijer: “We maakten er een sport van. Ons uitgangspunt was dat je het voor je plezier moet doen. Je gaat op zoek naar bijkomende middelen omdat je gepassioneerd bent door een bepaalde onderzoeksvraag en dus niet omdat het moet. Je vraagt alleen dingen aan die je zelf ook écht wilt. Je moet precies weten wat je wil doen en je moet je daarbij laten helpen.

Om te kunnen functioneren moeten kunstenaars en wetenschappers hun creativiteit kunnen laten stromen. Vaak zit die verstopt of is de bron opgedroogd. En dan is het eigenlijk al te laat. Met ons atelier wilden we de geïndividualiseerde, competitieve sfeer in faculteiten doorbreken en mensen leren om open en vol vertrouwen hun ambities bekend te maken. Vrouwelijke collega’s bleken te weinig overtuigd van hun eigen kunnen. Ontdek jezelf en laat jezelf ontdekken lijkt me de beste samenvatting van onze strategie. We zijn ook gaan

praten met het NWO. Slechts zeven procent van de hoogleraren was op dat moment een vrouw. Cv’s worden nog te veel en exclusief beoordeeld op kwantiteit, zorgtaken worden niet mee in rekening gebracht. Daar komt nu geleidelijk aan verandering in.” LIGT DIE COMPETITIE VOLGENS JOU AAN DE BASIS VAN HET GROTE AANTAL BURN-OUTS BIJ ACADEMICI? Maaike Meijer: “Ja, dat denk ik. Er is te weinig aandacht voor het creatieve individu. Er wordt letterlijk te weinig gevraagd, er is te weinig échte interesse in elkaars werk. Zit je hier goed? Wat zou je graag doen? Welke plannen heb je? Sommige mensen verkeren ook echt in nood. Ik herinner me het verhaal van een universitaire hoofddocent die promovendi begeleidde. Telkens als haar aanbevelingen hun niet bevielen, stapten ze naar de hoogleraar, haar hiërarchische meerdere. Die ging iedere keer in op de klachten / 15 /


/ 16 /

Fot o

: An

ja M eule

nbe

lt

WELBEVINDEN OP HET WERK


en holde zo systematisch de functie en het symbolische gezag van de hoofddocent in kwestie uit. Dat zijn onhoudbare situaties.” OOK DE WERKBELASTING AAN DE UNIVERSITEIT IS ENORM TOEGENOMEN. Maaike Meijer: “Precies daarom moeten mensen neen leren zeggen en zich dezelfde vragen blijven stellen. Wat kan ik aan? Wat wil ik? Je zit beter in je vel als je greep hebt op je grenzen. Op een dag kwam een vrouw langs die haar baan als onderzoeker combineerde met een artsenpraktijk in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg.

Belangrijke waarden zoals collegialiteit, wederzijdse belangstelling, aandacht, elkaar dingen gunnen, ja zelfs vriendschap, staan permanent onder druk. Ze had het gevoel op de rand van het fysiek mogelijke te staan. Lunchen deed ze bijvoorbeeld niet. Elke middag propte ze achter de computer een boterham met een slok koffie binnen. Ze nam geen tijd om te eten. Dat is juist de eerste stap: gewoon elke dag een half uur de tijd nemen om in alle rust te lunchen. Dergelijke klachten zijn trouwens niet seksespecifiek en ook niet generatiegebonden. Steeds opnieuw zagen we dezelfde kramp terug: je kapot werken in de hoop dat je ontdekt wordt, in plaats van jezelf te ontdekken. Soms kwamen mensen na ons traject tot de conclusie dat ze iets anders wilden doen, buiten de universiteit. Ook dat kan een goed resultaat zijn. Een coach is er niet om mensen efficiënter te maken, maar om te helpen het werk ‘vervullender’ te maken.”

KAN OF MOET EEN COACH BIJ ONTSPORINGEN NAAR DE ACADEMISCHE OVERHEID STAPPEN? Maaike Meijer: “Ik schrok er niet voor terug om bestuurders attent te maken op échte wantoestanden. Er waren toen plaatsen waar burn-outs aan de lopende band geproduceerd werden. Colleges van bestuur zijn soms niet dapper genoeg en vertrouwenspersonen hebben te weinig mogelijkheden. ‘Rotte plekken’ moet men durven aan te pakken. Ons systeem is onwaarschijnlijk streng, maar daar waar strengheid écht nodig is, worden zaken toegelaten die absoluut niet kunnen. Elke faculteit heeft zo wel haar publieke geheimen waar niet of onvoldoende op gereageerd wordt. Je moet altijd rechtuit zijn als coach, in de eerste plaats tegenover het beleid. Je moet hen de waarheid zeggen, je mag je niet als schaamlap laten gebruiken. Ik was overigens te vervelend om schaamlap te zijn (lacht). En ook al moet je aanpak altijd systemisch zijn, je moet niet alles tegelijk willen veranderen. Je helpt als coach collega’s om hun eigen doelen beter te realiseren. Dat sluit kritiek op het systeem niet uit, maar het helpt je om alles in het juiste perspectief te plaatsen. Tegelijk moet je mensen leren dat je echt niet alles hoeft te aanvaarden. Leidinggevenden die niet functioneren zoals het hoort, moet je daarop durven aan te spreken.” WAT MOET ER VOLGENS JOU VERANDEREN AAN DE UNIVERSITEIT ANNO 2016? Maaike Meijer: “De universiteit heeft een systeem ontwikkeld dat gebaseerd is op permanente monitoring en wantrouwen. Er moet weer lucht komen en dus meer waardering voor de professionals die we zijn. De bezuinigingen gaan veel te hard, er is te weinig ruimte voor jonge mensen en de competitie om geld loopt de spuigaten uit. Er gaat daarenboven te veel onderzoeksgeld naar de

beoordelingsprocedures zelf – vijfentwintig procent in het geval van het NWO. Slechts tien procent slaagkans bij projectaanvragen is te weinig en dus per definitie frustrerend. Belangrijke waarden zoals collegialiteit, wederzijdse belangstelling, aandacht, elkaar dingen gunnen, ja zelfs vriendschap, staan permanent onder druk. Het lijkt soms of we onderzoek doen om onze cv’s op te pompen. En er is in ons academische evaluatieproces sowieso te weinig aandacht voor intermenselijke kwaliteiten.” HOE BEWAAK JE IN DIE ACADEMISCHE RATRACE DE CREATIVITEIT? Maaike Meijer: “Ik hanteer in dat verband graag het begrip ‘flow’. Flow ontstaat wanneer je iets aan het doen bent en je vergeet al de rest. Je bent één met wat je doet, je bevindt je in een gelukkige staat van zelfverlies, precies omdat je helemaal op kan gaan in een moeilijke taak. Ook kunstenaars kennen dat gevoel van opperste geluk in hun atelier. En toch worden we voortdurend uit die concentratie gehaald: we multitasken, we willen permanent bereikbaar zijn. Die ruimte van ‘onbereikbaarheid’ dreigt steeds meer taboe te worden, terwijl precies daar het geluk ligt. En dus ook de productiviteit van de onderzoeker of kunstenaar. Je moet de condities leren creëren om die flow op te wekken, door bijvoorbeeld voor de middag geen e-mails te lezen, door elke dag opnieuw dat atelier in te trekken. Daar ligt de kern van ons professionele geluk.” NOG EEN LAATSTE GOEDE RAAD? Maaike Meijer: “Ken jezelf. Maak jezelf niks wijs. Focus op wat je echt wilt. En vertel het aan iedereen. Zoek die ondersteuning. Maar houd altijd zelf de regie. Als je dat niet doet, ben je een vogel voor de kat. Waarom ben ik op aarde? Die vraag moet je kunnen beantwoorden…” / 17 /


WELBEVINDEN OP HET WERK

MENTA L E PROB L EM EN BIJ DO CTORAN D I “Eén op twee doctorandi

De resultaten gaven aan-

voelt zich down”, kopte

leiding tot discussie

De Tijd op 23 oktober 2015.

aan de universiteiten en

“Een derde van hen ver-

onder politici. Voor Maja

toont zelfs symptomen van

gaat arbeidspsycholoog

een klinische depressie.”

en Jonge Academie-lid

De krant haalde die ver-

Frederik Anseel in op de

ontrustende cijfers uit een

belangrijkste resultaten

recent onderzoek naar het

en wat ze kunnen beteke-

psychisch welbevinden

nen voor beleidsmakers en

van Vlaamse doctoraats-

universiteitsbestuurders.

studenten.

/ 18 /

Hoe alarmerend zijn de bevindingen? Frederik Anseel @fanseel


HET ONDERZOEK IN EEN NOTENDOP

In 2013 nam het interuniversitaire Expertisecentrum Onderzoek en Ontwikkelingsmonitoring van de Vlaamse Gemeenschap (ECOOM) een survey af over loopbaanervaringen bij doctoraatsstudenten verbonden aan een van de vijf Vlaamse universiteiten. Het onderzoek werd uitgevoerd door ECOOM-UGent, dat zich voornamelijk bezighoudt met de monitoring van academische human resources in Vlaanderen. Van de 12191 mensen die werden aangeschreven leverden er uiteindelijk 3659 bruikbare antwoorden. Om mentaal welbevinden op een goede manier in te schatten, gebruikte ECOOMUGent de zogenaamde General Health Questionnaire (GHQ)-12. Bij dat instrument moeten respondenten aangeven in welke mate ze recent last hebben gehad van twaalf welbepaalde symptomen (Tabel 1). Een symptoom wordt als ‘aanwezig’ beschouwd wanneer het in de afgelopen weken (veel) meer dan gewoonlijk werd ervaren. Vier of meer symptomen (GHQ4+) wijzen op een ernstig mentaal probleem. De GHQ-4 wordt internationaal beschouwd als de gouden standaard in screeninginstrumenten voor ernstige mentale problemen. De GHQ stelt niet vast of iemand een psychiatrische stoornis heeft. Zo’n diagnose kan alleen maar via een psychiatrisch interview. Om in te kunnen schatten in welke mate het welzijn van de groep doctorandi afwijkt van wat je gemiddeld zou kunnen verwachten, maakte ECOOM-UGent ook gebruik van gegevens uit de nationale Gezondheidsenquête die het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid afnam bij een

Tabel 1. Prevalentie van mentale gezondheidsproblemen bij junior onderzoekers in een doctoraatstraject (SJR) in vergelijking met hoog opgeleiden in de algemene bevolking (HIS) in Vlaanderen 2013: % en gecorrigeerde relatieve risico’s (RR) SJR %

HIS %

RR1

Zich constant gespannen voelen

40.8

27.2

1.5

Zich ongelukkig en depressief voelen

30.3

13.7

2.1

Slaaptekort door zorgen

28.3

18.1

1.7

Moeilijkheden niet de baas kunnen

26.1

11.8

2.5

Geen plezier van dagdagelijkse activiteiten

25.4

13.0

2.4

Verlies van zelfvertrouwen

24.4

8.1

3.3

Gevoel geen zinvolle rol te spelen

22.5

9.0

2.5

Concentratieproblemen

21.7

10.7

1.9

Zich niet gelukkig voelen

21.2

11.3

2.2

Zich waardeloos voelen

16.1

5.4

3.3

Geen beslissingen kunnen nemen

15.0

6.0

3.0

Problemen niet onder ogen kunnen zien

13.4

4.4

3.8

Risico op ernstige mentale gezondheidsproblemen (GHQ4+)

31.8

14.0

2.5

*Een wetenschappelijke bijdrage over het onderzoek is onder review en kan worden opgevraagd bij de auteurs (Levecque, K., Anseel, F., De Beuckelaer, A., Van der Heyden, J. & Gisle, L., “Work organization and common mental health problems in academia: Alarming findings of a large-scale survey in Flemish universities. Working Paper”.)

representatieve steekproef van de Vlaamse bevolking. Om optimaal te kunnen vergelijken met doctorandi, werden alleen de 755 hoger opgeleiden uit Vlaanderen in de vergelijkingsgroep opgenomen. De percentages in Tabel 1 geven aan welke symptomen het meest voorkomen en hoe ze zich verhouden tot de vergelijkingsgroep. De laatste kolom toont de relatieve risico’s op het optreden van symptomen. Alles samengenomen bleek zowat drieëndertig procent van de respondenten een risico op mentale problemen te vertonen. Dat percentage ligt ongeveer 2,5 maal hoger dan bij de vergelijkingsgroep. Analyses met andere vergelijkingsgroepen zoals masterstudenten en doc-

toraathouders leverden vergelijkbare resultaten op. De doctorandi die bevraagd werden in de ECOOM-studie, rapporteerden beduidend meer mentale problemen. Daarnaast peilde ECOOMUGent naar de werkomgeving van de doctorandi. In wat voor soort team werken ze? Hoe schatten ze hun promotor in? Hoeveel controle hebben ze over hun werk? Hoeveel werkdruk ervaren ze? Om te begrijpen waarom doctorandi mentale problemen ervaren, is het immers belangrijk inzicht te verwerven in de kenmerken van de werkomgeving die samenhangen met het al dan niet voorkomen van problemen.

/ 19 /


WELBEVINDEN OP HET WERK Tabel 2. Predictoren van een risico op ernstige mentale gezondheidsproblemen (GHQ4+) bij junior onderzoekers in een doctoraatstraject, Vlaanderen 2013 (N=3659): odds ratio (OR), 95% betrouwbaarheidsinterval (95% BI), significantieniveau OR 95% BI Sign

Constante

0.224

Werkcontext Jobeisen Jobcontrole Wetenschappelijke discipline Wetenschappen (ref) Biomedische wetenschappen Toegepaste wetenschappen Humane wetenschappen Sociale wetenschappen Type aanstelling Assistentschap (ref) Beurs Onderzoeksproject Geen fondsen van de universiteit Andere fondsen Onbekend Doctoraatsfase Aanvangsfase (ref) Uitvoeringsfase Afrondingsfase Aantal promotoren Eén (ref) Geen of meerdere Gender van de (hoofd)promotor Man (ref) Vrouw Leiderschapsstijl: inspirerend Leiderschapsstijl: autocratisch Leiderschapsstijl: laissez-faire Veel interesse in een academische carrière Gepercipieerde hoge kans op een academische carrière Positieve perceptie van een carrière buiten de universiteit Organisatiecontext Universiteit KU Leuven (ref) Universiteit Gent Universiteit Antwerpen Vrije Universiteit Brussel Universiteit Hasselt Team gender compositie Gendergelijke verdeling (ref) Enkel of overwegend mannen Enkel of overwegend vrouwen Team conflict Gesloten besluitvorming in het team Gezin werk conflict Werk gezin conflict Sociodemografische kenmerken Vrouw Leeftijd Partner Kinderen Model fit GHQ4+: LR = 485.667 df = 35

/ 20 /

p<0.001

***

1.655 0.634

(1.293-2.118) (0.500-0.804)

0.842 0.988 0.930 0.916

(0.642-1.103) (0.742-1.316) (0.661-1.309) (0.692-1.211)

1.431 1.378 1.229 1.266 1.380

(1.099-1.863) (1.048-1.811) (0.861-1.754) (0.842-1.903) (0.859-2.218)

0.671 0.772

(0.537-0.838) (0.585-1.018)

*** *** n.s. n.s. n.s. n.s. n.s. n.s. ** * n.s. n.s. n.s. ** *** n.s.

1.013

(0.849-1.208)

n.s.

1.022 0.911 0.925 1.046 0.783 1.022 0.791

(0.825-1.266) (0.835-0.994) (0.851-1.005) (0.973-1.123) (0.655-0.935) (0.855-1.221) (0.707-0.884)

n.s. * n.s. n.s. ** n.s. ***

0.925 0.989 1.005 1.126

(0.755-1.133) (0.749-1.306) (0.755-1.337) (0.755-1.678)

1.474 1.254 1.059 1.205 1.310 1.515

(1.201-1.810) (0.975-1.615) (0.933-1.202) (1.081-1.345) (1.174-1.463) (1.347-1.705)

1.371 (1.093-1.586) 1.002 (0.978-1.027) 0.865 (0.713-1.049) 0.647 (0.481-0.870) Nagelkerke R²= 0.209

n.s. n.s. n.s. n.s. n.s. *** *** n.s. n.s. ** *** *** ** n.s. n.s. **

Tabel 2 geeft een overzicht van de kenmerken van de werkomgeving die statistisch samenhangen met het risico op mentale problemen bij de doctorandi. We zien een significant hoger risico (1) bij hoge jobeisen (zoals werkbelasting, publicatiedruk), (2) bij onderzoekers met een beurs of onderzoekers tewerkgesteld op een project (in vergelijking met assistenten), (3) bij onderzoekers in een team met alleen of overwegend mannen, (4) bij gesloten besluitvorming in het team en (5) bij onderzoekers die een conflict ervaren tussen de eisen van het werk en die van het gezin.

Uit de studie blijkt duidelijk dat de druk op doctoraatsstudenten nefast is voor hun welbevinden, maar ook dat conflicten en een gebrek aan toekomstperspectieven een negatieve rol spelen. Het risico op mentale gezondheidsproblemen is significant lager (1) bij een hoge mate van jobcontrole, (2) tijdens de uitvoering van het doctoraat in vergelijking met de startfase, (3) wanneer de promotor van het doctoraat ervaren wordt als een inspirerend leider, (4) wanneer de doctoraatsstudent veel interesse heeft in een academische loopbaan, of (5) wanneer hij of zij een positieve perceptie heeft van de toegevoegde waarde van een doctoraat op de arbeidsmarkt buiten de universiteit, (6) wanneer de doctoraatsstudent kinderen heeft. Tabel 2 toont verder aan dat het risico op mentale problemen niet verschilt naargelang de universiteit of wetenschappelijke discipline. Het maakt ook niet zoveel uit hoeveel promotoren er betrokken zijn bij het doctoraat, noch of de pro-


motor een man of een vrouw is. Er is ook geen aantoonbaar verband met de ingeschatte kans op een toekomstige academische loopbaan. Om deze resultaten correct te interpreteren, is het belangrijk te begrijpen hoe stress op het werk tot stand komt. Mensen hebben een bepaalde natuurlijke draagkracht om om te gaan met jobeisen, uitdagingen en druk. Wanneer die eisen te hoog worden, daalt het mentaal welbevinden vaak. Uit de studie van ECOOM-UGent blijkt duidelijk dat de druk op doctoraatsstudenten nefast is voor hun welbevinden, maar ook dat conflicten en

een gebrek aan toekomstperspectieven een negatieve rol spelen. Omgekeerd zijn er ook factoren die de draagkracht stimuleren of negatieve invloeden bufferen, zoals controle over hoe men werk plant en uitvoert, een leidinggevende die ondersteuning biedt en de ervaring die men opgedaan heeft op en buiten het werk. Een mogelijke conclusie van het ECOOM-onderzoek is dus dat de mentale gezondheid van doctorandi afhangt van een subtiel evenwicht tussen enerzijds de eisen van en druk uit de omgeving en anderzijds de psychische reserves en eigen weerbaarheid. Dat zou kunnen

impliceren dat de werkomgeving minstens voor een deel verantwoordelijk is voor de vastgestelde problemen. Elk beleid dat mentaal welbevinden wil verbeteren zou zich moeten richten op het verlagen van de werkdruk, het verhogen van de reserves en weerbaarheid of een combinatie van beide. Correlatie is echter geen causaliteit. Voorzichtigheid is dus geboden bij de interpretatie van deze gegevens. Het is bijvoorbeeld ook mogelijk dat de academische wereld perfectionistische en ambitieuze mensen aantrekt. Die hebben vaker een strengere kijk op zichzelf en zijn meer geneigd hun werkomgeving negatief in te schatten.

H E T O N D E R Z O E K AC H T E R A F B E K E K E N Het artikel dat De Tijd vijf maanden geleden aan het onderzoek van ECOOM-UGent wijdde, lokte uiteenlopende reacties uit. In een korte respons in dezelfde krant stelde de Leuvense vicerector voor onderzoek Liliane Schoofs de methodologie – en dus impliciet ook de conclusies – van de studie in vraag. “Doctorandi worden goed betaald voor het behalen van een extra diploma. Ik begrijp de commotie niet.” Tegelijk kreeg ik zelf heel wat persoonlijke e-mails van doctorandi en postdocs die zich wel herkenden in de resultaten, en van professoren en decanen die de resultaten ter harte namen. Velen vonden de resultaten geen verrassing en drukten de hoop uit dat de academisch overheid niet langer het hoofd in het zand zou steken. “We weten al lang dat we onze doctorandi in een harde concurrentiestrijd onderdompelen”, schreef een VUB-collega me. Een Leuvense collega wenste dat het doctoraat opnieuw een vrijhaven voor intellectueel werk zou worden in plaats van een productiemachine voor publicaties. Een KUL-decaan hoopte dan weer dat de studie zou

helpen de bekende klaagzang over academia om te buigen tot een constructieve discussie over de maakbaarheid van goede academische werkomgevingen. De resultaten kunnen verbazen of net verwachtingen bevestigen, maar wat het onderzoek van ECOOMUGent in elk geval doet is een eerste oriëntatiepunt bieden voor een debat op beleidsniveau. Zonder grootschalige onderzoeken vliegen beleidsverantwoordelijken en bestuurders immers blind en moeten ze afgaan op individuele verhalen en persoonlijke opinies en impressies. De cijfers van de studie moeten ten minste opgevolgd worden om te zien hoe ze evolueren en hoe ze zich verhouden tot internationale benchmarks. Er zijn de afgelopen jaren verschillende buitenlandse studies verschenen die op gelijkaardige patronen wijzen. Zo vond een recente studie uit Berkeley(1) aanwijzingen voor depressie bij 47 procent van de doctoraatsstudenten. Dat zijn alarmerende percentages die niet genegeerd mogen worden. Doctorandi zijn de toekomst van de

wetenschap. Als universiteiten en beleidsmakers er niet in slagen hen een aantrekkelijke werkomgeving te bieden die hen gemotiveerd en gezond houdt, is dat op lange termijn nefast voor de universiteiten. Uiteraard hebben de Vlaamse universiteiten intussen tal van initiatieven voor doctorandi opgestart of zijn ze die verder aan het uitbouwen (zie in dat verband het interview met coach Maaike Meijer op p. 14-17 en To stress or not to stress op p. 10-13). Iedere universiteit heeft nu een team van vertrouwenspersonen. Er wordt volop geïnvesteerd in loopbaanbegeleiding voor doctorandi én de opleiding van promotoren, nieuwe manieren van werken doorbreken de klassieke arbeidspatronen. Door dergelijke best practices uit te wisselen, kunnen de universiteiten samen de potentieel alarmerende resultaten van de huidige bevraging helpen counteren. Ik hoop dan ook dat er over enkele jaren een vervolgstudie komt waaruit zal blijken dat de academische werkomgeving op het vlak van mentaal welzijn een voorbeeld is voor Vlaanderen.

(1) Panger, G., Tryon, J., & Smith, A. (2014). Graduate student happiness & well-being report. Internal Report of the Graduate Assembly of University of California, Berkeley (http://ga.berkeley.edu/wp-content/uploads/2015/04/wellbeingreport_2014.pdf)

/ 21 /


ECHT DURVEN DENKEN Koenraad Jonckheere over inspiratie en arbeid Samuel Mareel @samuelmareel

Het is misschien wel het mooiste beeld ooit dat het idee van inspiratie heeft proberen te vatten. Een oude man zit met ĂŠĂŠn knie op een kruk met zijn pen in de hand over een boek gebogen. Hij luistert aandachtig naar een zwevende engel boven hem. Zwierig, met wilde haardos en kinderlijk tellend op de vingers, lijkt de engel de / 22 /

oude man iets uit te leggen.


Deze Inspiratie van de Heilige Mattheus werd kort na 1600 gemaakt door de Italiaanse schilder Michelangelo Merisi da Caravaggio. Het is het middelste deel van een drieluik over het leven van de evangelist Mattheus en het werd geschilderd voor de kerk van San Luigi dei Francesi in Rome, waar het nog altijd hangt. Met een reproductie van Caravaggio’s schilderij onder de arm trek ik naar mede-Jonge Academielid Koenraad Jonckheere van de Universiteit Gent. Koenraad doceert Kunstwetenschappen en is gespecialiseerd in de zestiende en zeventiende eeuw, de periode waarin Caravaggio actief was. Aan de UGent onderwijst Koenraad onder andere Visuele Cultuur. Daarin leert hij eerstejaarsstudenten Letteren en Wijsbegeerte naar beelden te kijken. Binnen de Jonge Academie is hij momenteel vooral actief in de recent opgerichte werkgroep Kunst en Wetenschap. Koenraad is ervan overtuigd dat beelden de belangrijkste taal zijn waarin mensen communiceren. Hoe sterk de interactie is tussen beeldtaal en geschiedenis, analyseerde hij treffend in zijn laatste boek Antwerp Art after Iconoclasm. Experiments in Decorum, 1566-1585 (2013). Daarom geen openingsvraag om ons gesprek over inspiratie, kunst en wetenschap op gang te brengen, maar Caravaggio’s schilderij van Mattheus en de engel. Hoe relevant is deze visuele reflectie op inspiratie van ruim 400 jaar geleden vandaag nog? Kan ze ook iets betekenen voor wetenschappers en ons inzicht bieden in de relatie tussen kunst en wetenschap vandaag?

INSPIRATIE DOOR ARBEID

Caravaggio stelde inspiratie voor als een visioen, een goddelijke flits. Plotseling inspireert een engel de heilige Mattheus tot zijn versie van het Nieuwe Testament. De evangelist is zo gehaast om de ingeving neer te schrijven dat hij niet eens de tijd neemt om te gaan zitten. Caravaggio moest hier in de eerste plaats een religieus idee uitbeelden. Maar hij verwees volgens Koenraad ook naar een bredere discussie die al in de zestiende eeuw gevoerd werd: de verhouding tussen arbeid en inspiratie. “Op een bepaald moment moet je een idee op papier of op doek krijgen, als kunstenaar of als wetenschapper. Je moet er iets mee gaan doen, en dan komt de arbeid.” “Is inspiratie inderdaad een goddelijke reflex of komt ze eigenlijk uit de arbeid voort?” vraagt Koenraad zich af. Hij erkent zeker het belang van de ingeving, van het plotselinge inzicht. Toch legt hij zelf vooral de nadruk op de arbeid: “In het werken zit ook een vorm van inspiratie. Je hebt van die invallen, maar aangezien je die nog moet uitwerken, is inspiratie vooral hard werken. Inspiratie is niet aan je tafel zitten en wachten tot het komt. Inspiratie komt heel vaak tijdens de arbeid. Om bij kunst te blijven: het is in de beweging van het tekenen dat de tekening komt. Dat is iets wat volgens mij zwaar onderschat wordt. Het is de arbeid zelf die inspireert.” KWALITATIEF WERK DANKZIJ GELUK

Biografen van Caravaggio hebben vaak gewezen op zijn gewelddadige karakter. De kunstenaar bracht lange periodes in de gevangenis door vanwege herhaalde vechtpartijen. Hij zou / 23 /


ook iemand hebben vermoord en kwam zelf in duistere omstandigheden om het leven. De kunstgeschiedenis heeft altijd veel aandacht gehad voor getormenteerde genieën zoals Caravaggio of Vincent van Gogh en Francis Bacon. “Maar als je gaat tellen, zijn er helemaal niet zo veel ongelukkige kunstenaars geweest”, merkt Koenraad op. “Dat is eigenlijk logisch, want inspiratie komt maar als je goed functioneert. Als je niet goed in je vel zit, zal je zelden veel inspiratie hebben. Goede kunstenaars zijn meestal hele succesvolle mensen die een vrij gelukkig en stabiel leven leiden zonder al te grote problemen.” Dat geldt volgens Koenraad ook voor wetenschappers. “Als je geen zorgen hebt, heb je tijd in je hoofd om geïnspireerd te geraken. Als je zorgen hebt, ben je de hele tijd aan het malen over van alles en nog wat, zodat je focus en energie worden afgeleid van de dingen die inspireren en positief kunnen zijn.” Hierin ligt volgens Koenraad een belangrijke les besloten voor universiteitsbesturen wanneer het gaat over de toenemende druk die wetenschappers ervaren. “Vaak lijken bestuurders ervan uit te gaan dat iedereen gelijk is. Maar sommige mensen presteren goed onder druk en anderen niet. Als een universiteit een goed beleid wil voeren, moet zij op dat gebied diversifiëren. Je moet kijken onder welke omstandigheden de mensen met wie je werkt het best presteren. Met algemene richtlijnen kom je er niet. Je moet voor elk individu beoordelen op welke manier je het meeste uit hun capaciteiten kan halen. Druk kan de kwaliteit van het onderzoek van sommigen optillen, maar van anderen ondermijnen.” / 24 /

EEN DUIDELIJKE SCHEIDING

Voor het vinden van geluk en stabiliteit is uiteraard ook de verhouding tussen privéleven en de professionele activiteiten van belang. Koenraad is getrouwd en vader van drie kleine kinderen. Organisatorisch vindt hij de combinatie van werk en privé niet zo’n probleem.

De wetenschap vertoont een steeds grotere explicitering van methodologieën en regels, wat haar niet ten goede komt.” Toch erkent hij dat het belangrijk is voor een ouder die een succesvol academicus wil zijn om een partner te hebben die bereid is mee te stappen in je verhaal. “Ik zit wel gewrongen met de vraag hoe ver je mensen kan meetrekken in je eigen passie”, zegt Koenraad. “Dat is voor mij een veel groter probleem dan de praktische regelingen. Dat ik ook in mijn hoofd vaak afwezig ben, vooral als ik aan het broeden ben op een of ander idee, is voor mij niet storend maar voor mijn familie en kinderen kan het dat wel zijn.” Toch zorgt Koenraad ervoor dat hij genoeg tijd en aandacht aan zijn gezin besteedt. “Drie weken per jaar zet ik het internet en de telefoon af. In de zomervakantie gaat alles uit en wijd ik me volledig aan mijn gezin. Dat is het minste wat je kan doen. En het is ook nodig om de batterijen weer helemaal op te laden.” Ook in zijn omgang met kunst heeft Koenraad behoefte aan een duidelijke scheiding tussen werk en privé. “De kunst waar ik


het meest van houd, bestudeer ik niet”, klinkt het. “Ik ben een grote fan van vroegzestiende-eeuwse Venetiaanse kunst. Giorgione en de jonge Titiaan zijn mijn all-time favourites. Maar die laat ik heel bewust links liggen in mijn onderzoek omdat ik het esthetische genot dat ik eruit haal, kwijt zou geraken mocht ik hen bestuderen. Ik wil de naïviteit behouden. Opera aperta noemde Umberto Eco dat. Als je een kunstwerk gaat bestuderen moet je het vanuit een bepaald perspectief belichten. Je kan het vervolgens nog eens vanuit een ander perspectief bekijken maar dan verlies je de openheid van het kunstwerk met zijn veelheid aan betekenissen.”

en wetenschappers vandaag. “De hedendaagse kunst bestaat uit heel veel ongeschreven regels. Daarbinnen moeten kunstenaars functioneren. Maar zij moeten ook de grenzen opzoeken, als zij mensen willen inspireren. De wetenschap daarentegen vertoont een steeds grotere explicitering van methodologieen en regels. Dat alsmaar strakkere keurslijf komt de wetenschap volgens mij niet ten goede.”

GRENZEN OPZOEKEN… EN OVERSCHRIJDEN

Met de manier waarop Caravaggio in zijn persoonlijk leven normen overschreed, mag Koenraad zich dan weinig kunnen vereenzelvigen, met de manier waarop hij dat in zijn werk deed des te meer. “De Inspiratie van de Heilige Mattheus zoals ze er nu hangt, is niet de eerste versie. Die eerste versie werd geweigerd door de opdrachtgever omdat de kunstenaar met allerlei decorumwetten had gebroken”, weet Koenraad. Die eerste versie werd tot aan het midden van de twintigste eeuw bewaard in het Kaiser Friedrich Museum in Berlijn. Daar is ze aan het eind van de Tweede Wereldoorlog in een brand vernietigd. Gelukkig bestaan er foto’s van het schilderij. Koenraad kent die eerste versie: “Caravaggio hield zich nooit aan de regeltjes. Hij stelde de heilige Mattheus veel te profaan voor, veel te menselijk: met vieze voeten en rimpels.” In de omgang met grenzen en regels ziet Koenraad een opvallend verschil tussen kunstenaars

Koenraad is overtuigd dat wetenschappers op dit vlak iets kunnen leren van kunstenaars. “Kunst heeft de neiging om dood te vallen op het moment dat je haar in te veel regels gaat gieten. Dat zie je bijvoorbeeld in veel achttiende-eeuwse kunst.

Af en toe moet je echt de grenzen opzoeken van de kennis en van de impliciete academische regels die wij allemaal volgen. Je moet af en toe eens echt durven denken. Het academische werd toen erg dominant en dwingend. Men ging ervan uit dat alles in bepalingen te vatten was en door jury’s beoordeeld kon worden. Dan krijg je een soort kunst die binnen die regels wel functioneert

maar die niet inspireert. Die werken verliezen na verloop van tijd ook hun waarde.” “Er zijn echter ook periodes waarin kunstenaars expliciet de grenzen van de regelgeving opzoeken om die af te tasten en te doorbreken. Caravaggio’s tijd is daar een mooi voorbeeld van. Dat zorgt op het moment zelf soms voor controverse maar tegelijk creëert het vaak een blijvende en zelfs universele waarde. De wetenschap is zich daar veel te weinig van bewust. Af en toe moet je echt de grenzen opzoeken van de kennis en van de impliciete academische regels die wij allemaal volgen. Je moet af en toe eens echt durven denken.”

/ 25 /


MA NS

(UH asse l

t en

PXL )

1 april 2016 31 maart 2021

AN N BES SE

Ann Bessemans focust zich op typografisch leesbaarheidsonderzoek. Vanuit de praktijk bekijkt Ann letterontwerp onder een multidisciplinair en wetenschappelijk perspectief (een wetenschappelijke én creatieve basis én output). Lezers – ook lezers met beperkingen – ondersteunen in het leesproces en teksten visueel duidelijker maken, is het doel van haar onderzoek.

/ 26 /


TIM DO OTH UG Y LAS

(UG ent)

Timothy Douglas is geboeid door materialen voor biomedische toepassingen. Hij ontwikkelt vooral composietbiomaterialen voor botregeneratie, waarbij hij biomimetische strategieën gebruikt die door natuurlijke processen geïnspireerd zijn. Douglas zoekt ook inspiratie in andere disciplines, onder meer de bio-ingenieurswetenschappen, om zijn materialen nieuwe wenselijke eigenschappen te geven.

KRI HENSTIEN S

(UA ntw erpe n)

Kristien Hens is als bio-ethicus gespecialiseerd in ethische vragen over biomedische wetenschappen en biotechnologie. Ze heeft een bijzondere interesse voor vraagstukken rond genetica, epigenetica, nieuwe reproductieve technologie en neurologische diversiteit (autisme/ADHD…). In haar huidig onderzoek bestudeert ze de ethische implicaties van biologische verklaringen van autisme.

/ 27 /


FRA ME NK RKX

(CA MP O)

Frank Merkx is de helft van Robbert&Frank Frank&Robbert. Dit artistieke duo infiltreert en transformeert de (on)zichtbare wereld. Als multidisciplinaire Trojaanse paarden gaan ze aan de slag met diverse thematieken en rijgen zo humor, symboliek en macht aan elkaar. Het zijn alchemisten van de werkelijkheid, die bouwen aan een eigen universum vol metadata en magie.

n)

(KU

Leu ve

MA GA ROD LY GA RIGU RCI EZ A

Magaly RodrĂ­guez GarcĂ­a onderzoekt sociale geschiedenis in globaal perspectief. Ze bestudeert maatschappelijke kwesties zoals prostitutie, dwangarbeid, bedelarij en kinderarbeid vanuit een (internationaal) vergelijkend en een top-down/bottom-up invalshoek. Daardoor komt niet alleen de visie van lokale, nationale en supranationale machtsactoren aan bod maar ook de (zelf-) perceptie, levensomstandigheden en profielen van de betrokken personen.

/ 28 /


ERE

(UG

ent)

BRA SPR M UYT

(VU B)

Bram Spruyt is socioloog. Zijn belangrijkste onderzoeksinteresses situeren zich op het vlak van de onderwijssociologie en de studie van vooroordelen en stereotypes verbonden met etniciteit en opleiding. Hij heeft bijzondere interesse voor de sociale reproductie in het onderwijs en bestudeert de gevolgen van onderwijsgebonden status. Bram maakt daarbij vooral gebruik van surveyonderzoek en experimenten bij volwassenen en jongeren.

BRA VERM SCH U

Burgers verwachten van de overheid antwoorden op complexe maatschappelijke problemen. Bram Verschuere onderzoekt hoe de overheid functioneert in een dynamische en complexe omgeving, en onder welke omstandigheden het samenspel tussen overheid, burger en samenleving tot een beter beleid en betere publieke dienstverlening kan leiden.

/ 29 /


DWARSE STATISTIEKEN Hebben bètawetenschappers een grotere tuin dan alfawetenschappers? Hoeveel wasmachines draait een hoogleraar per week?

Aantal lopende doctoraten vs. affiliatie en geslacht.

KU Leuven

4,3

3,3

UAntwerpen

7,7

8,9

UGenT

6,9

1,6

VUB

7,0

3,0

En drinken onderzoekers aan de KU Leuven meer koffie dan hun Gentse collega’s? Maja biedt u dwarse statistieken en weetjes over het dagelijkse leven van wetenschappers. Steekproefgrootte? 49 leden van de Jonge Academie! Statistische relevantie? Weinig tot geen! Verrassend? Dat wel!

Spreiding aantal lopende doctoraten vs. ZAP-graad.

Hoogleraar Hoofddocent Docent / 30 /

5 0

10 9

1

10+


ALFA

62%

BETA

GAMMA

90%

We vonden geen correlatie tussen weekendwerk en het aantal succesvolle projectaanvragen. Er leek ook geen correlatie te zijn tussen het aantal succesvolle projectaanvragen en betaalde poetshulp, tot we mannen en vrouwen apart bekeken.

weekend werk

86%

VS

Toegekende projecten

average stdev geen poetshulp 0.428704444 0.337503198

average stdev geen poetshulp 0.022223333 0.038491942

poetshulp

poetshulp

0.296303158 0.301681238

0.399048

0.324434349

100% rookvrij / 31 /


Gemiddelde oppervlakte tuin en bezit moestuin vs. discipline

BETA2 737m

MOESTUIN 42,9%

ALFA2 335m

GAMMA2 487m

MOESTUIN 29,4%

MOESTUIN 28,6%

AANTAL DOCTORAATSSTUDENTEN

4,9 AANVRAGEN VOOR ONDERZOEKSFINANCIERING IN HET AFGELOPEN JAAR

tijd voor hobby’s /week

SUCCESS RATE AANVRAGEN VOOR ONDERZOEKSFINANCIERING

32% 4% 3,5 uur 2,9 uur

wasmachines /week

SUCCESVOLLE AANVRAGEN VOOR ONDERZOEKSFINANCIERING

1,8 WEEKENDWERK IN UREN

0,3 OPPERVLAKTE TUIN IN M²

4,7 AFSTAND WOONPLAATS/ WERK IN KM

507 AANTAL GEPLANDE WEKEN ZOMERVAKANTIE

29 AANTAL EFFECTIEF OPGENOMEN WEKEN ZOMERVAKANTIE

3 postdoc docent hoofddocent hoogleraar kunstenaar

2,0 2,6

TIJD VOOR HOBBY’S PER WEEK IN UREN

2,4 WASMACHINES PER WEEK

3,4

1,8 1,7

OUDERDOM GSM IN MAANDEN

1

2,8 AANTAL AUTO’S

27,3

Kopjes koffie /DAG KU Leuven UAntwerpen UGent / 32 /

1,8

4,8

woon-werkverkeer

36% 28%

AANTAL KINDEREN

VUB

2,6

KOPJES KOFFIE PER DAG

2,2

2,6

2,9

3,5

1,3 BMI

22,4


Ik haat musea over geschiedenis. Ik ben historicus. Ik surf bijna dagelijks naar de site van Het Laatste Nieuws. Tijdens de jaarlijkse quiz scoor ik dan ook sterk op celebrity-nieuws. Ik volg de stijlblog What Kate Wore. Als de Duchess of Cambridge een outfit recycleert tijdens een publiek optreden, dan zie ik dat in een oogopslag. Ik werk het best met Roy Orbison op de achtergrond. Mijn doctoraatstudenten schamen zich voor mijn muzieksmaak. Tijdens de finale van K3 zoekt K3 was ik op vakantie in Lissabon. Ik heb al mijn IT-kennis aangewend om netwerkverbindingen op te zetten om toch maar te kunnen kijken.

Afgelopen zomer heb ik een puzzel van 2000 stukken gemaakt. Bij elk stukje dacht ik: ‘Wat heb ik recht op deze fantastische tijdverspilling!’ Ik heb dit jaar geen enkele financieringsaanvraag ingediend. Ik ben in de bioscoop naar Shaun the Sheep gaan kijken. Zonder kinderen.

Ik eet ’s ochtends de restjes van het avondeten op. Ik hou een dode plant op mijn bureau om mijn doctoraatstudenten op te monteren over wat er gebeurt als je te lang op de universiteit blijft hangen. Ik kreeg de (levende) plant ooit als cadeau van dezelfde doctoraatstudenten. Ik onderzoek werkmotivatie.

/ 33 /


Twee jonge academici over hun ouderschapsverlof Jelle Haemers / 34 /


Karolien Poels en Joris Geldhof zijn twee jonge academici die recent besloten om wat gas terug te nemen, de meeris-beter-mentaliteit te laten voor wat ze is en resoluut meer tijd te maken voor hun gezin en zichzelf. Ze vroegen ouderschapsverlof aan. Hoogst uitzonderlijk voor ZAP, maar uitzonderingen die aangemoedigd werden.

“Wellicht moet niet zozeer het beleid veranderen, maar de mentaliteit bij het academisch personeel zelf”, stellen Karolien en Joris unisono. Het administratieve personeel bleek erg meegaand en de decaan dacht actief mee aan een oplossing toen beiden hun ouderschapsverlof aanvroegen. “Het AAP/BAP was zelfs blij dat een ZAP-lid eens voor deze optie koos, want gewoonlijk komt de aanvraag zelden van een professor”, herinnert Joris zich, “meer zelfs, het formulier waarmee je het verlof aanvraagt, was duidelijk niet op maat van het ZAP gemaakt”.

Fot

o: S

ofie

Seg

ers

Het formulier waarmee je het ouderschapsverlof aanvraagt, was duidelijk niet op maat van het ZAP gemaakt. Maar dat betekent niet dat er tegenkanting kwam vanuit de universiteit om het verlof op te nemen. “Ik bleek een voorbeeldfunctie te vervullen met mijn aanvraag, die ook door de decaan werd ondersteund”, vertelt Joris. Karolien beaamt dat: “Er is de mogelijkheid om als ouder even je werk opzij te schuiven. Het is een recht van elke jonge ouder, maar vandaag is het nog helemaal niet gebruikelijk onder academici.” Joris en Karolien roeiden dus tegen de stroom in en namen meer tijd voor hun gezin én voor zichzelf. MEER VADER DAN PROFESSOR

In 2011 koos Joris er namelijk voor om als ‘meereizende echtgenoot’, zoals dat administratief heet, zijn partner te vergezellen op een studieverblijf van drie

maand aan de Amerikaanse westkust. Vandaag is hij voltijds coördinator van de onderzoekseenheid Pastoraaltheologie en Empirische Theologie van de KU Leuven. Joris doet dagelijks onderzoek naar de religieuze en maatschappelijke betekenis van de christelijke eredienst. Maar in 2011 dus even niet. “Integendeel, ik schoof toen het werk een drietal maanden doelbewust aan de kant”. Dat zoiets als vader eerder uitzonderlijk is, bleek meteen toen hij met zijn gezin de Amerikaanse ambassade opzocht. “De bevoegde ambtenaar richtte zich naar mij toen hij het visum voor de werkende partner in orde wilde brengen, terwijl mijn vrouw natuurlijk de werkende partner was.” Joris werd dus even meer vader dan professor in een periode die voor hem een belangrijk rustpunt in zijn carrière was. “Terwijl mijn echtgenote werkte, verzorgde ik enerzijds het thuisonderwijs van één van onze kinderen en reisde ik anderzijds met hen Californië rond”. HET GEREGEL WAARD

Karolien Poels koos voor een andere optie. In het academiejaar 2015-16 onderbreekt zij haar drukke week als communicatiewetenschapper aan de Universiteit Antwerpen telkens op donderdag. In een vier vijfde werkweek neemt ze dus voor twintig procent ouderschapsverlof om toch één dag rustig te kunnen ontbijten en even op adem te komen. Met twee jonge kinderen en een echtgenoot die in de bedrijfswereld actief is, is dat meer dan welkom. “Maar de eerste weken brachten helaas weinig rust: mijn echtgenoot had medische zorgen nodig, en dus was het verlof meteen even druk als voorheen. / 35 /


Ik werd deeltijds verpleegster in plaats van onderzoeker”, grapt ze. Karolien nam vooral ouderschapsverlof om wat ademruimte te creëren in een hectisch leven waar werk en gezin gecombineerd worden. “Het is een klik die je moet maken”, argumenteert ze, “want steeds meer werken is iets te algemeen aanvaard en bijna een verplichting”. Maar het méér kan dus minder. “Zal je carrière werkelijk zoveel gunstiger lopen door elke week een paar uurtjes extra te besteden aan een zoveelste artikel of aan de redactie van een zoveelste projectvoorstel? We hebben nog een hele carrière voor ons, maar het gezinsleven daarentegen speelt zich nu af”. Joris knikt instemmend: “Het is allerminst tijdverlies om even de boeken toe te doen. Ook het nu is belangrijk”.

/ 36 /

Fot o

: Jo ris G eldh

of

“We hebben nog een hele carrière voor ons, maar het gezinsleven speelt zich nu af.”

Uiteraard ging aan het ouderschapsverlof heel wat praktisch geregel vooraf. Proffen zijn niet onvervangbaar maar enkele maanden of zelfs één dag in de week afwezig zijn, had duidelijk toch wat voeten in de aarde. “Transparante communicatie voorkomt veel problemen”, weet Joris. “Ik koos ervoor om echt drie maanden onbereikbaar te zijn en vooraf maakte ik duidelijke afspraken met doctorandi, studenten en collega’s.” Eén vak werd overgenomen door een collega, een ander vak werd vier uur per week ingepland in het tweede gedeelte van het tweede semester in de plaats van twee uur per week gedurende het hele semester en thesisstudenten kre-


gen een duidelijke opdracht mee. “Geen feedback kunnen geven aan studenten was misschien wel het moeilijkste”, vindt Joris. “Ook van hen wordt dus enige flexibiliteit vereist”. Tijdens haar deeltijds verlof geeft Karolien nog steeds les, maar twee vakken minder. Met de twintig procent loon die ze maandelijks afstaat, kan een postdoc aan de slag. Met enkele thesisstudenten minder moet dat lukken, maar natuurlijk loopt het onderzoek wel door. “Toch kan ik alles opvolgen en voor dringende zaken ben ik bereikbaar. Liever niet op donderdag, maar als het moet, moet het.” Karolien leest dus wel degelijk haar e-mails op donderdag. Op dat vlak richt ze haar verlof dus anders in dan Joris destijds, die alleen al door de fysieke afstand doelbewust voor meer afzondering koos. Dat is meteen het voordeel van het systeem, weten beiden: ouderschapsverlof kan je op maat en soepel invullen. Het bleek het geregel waard. KIEZEN VOOR JE GEZIN

En zijn de verwachtingen ingelost? “Natuurlijk blijft het druk”, geeft Karolien toe. “Als academici werken we doorgaans aan tweehonderd procent. Wanneer je daar een vijfde af doet, blijft er nog honderdzestig procent over”, lacht ze, maar ze heeft geen spijt van haar keuze. Ook Joris maakt opnieuw plannen om bijvoorbeeld opnieuw mee te reizen voor een ander onderzoeksverblijf van zijn echtgenote. “Als je

een tijdelijke loonsvermindering kan opvangen én als je kinderen het toelaten, zie ik weinig reden om het niet te doen”, zegt Joris. “Je moet het niet doen omdat je je werk beu bent, maar omdat je denkt dat je gezin er nood aan heeft”. Natuurlijk spelen praktische overwegingen ook mee, want de schoolgaande kinderen kan je niet zomaar meenemen naar het buitenland. Bij Joris was onderwijs op reis een oplossing. “In elk geval was het ook voor de kinderen een leuke tijd met herinneringen die ze nog lang zullen meedragen”. “Ouderschapsverlof zorgt voor een andere vorm van aanwezigheid bij je gezin”, vat Joris zijn ervaring samen. “Het is misschien een cliché, maar je moet af en toe eens stil staan en tijd nemen voor je partner en je kinderen” treedt Karolien hem bij. Vooral jong ZAP heeft na de aanstelling het luxueuze perspectief op een hele carrière die ze zelf kunnen invullen”, weet Joris nog. Vóór die vaste aanstelling zou noch Joris, noch Karolien de keuze gemaakt hebben. Maar eenmaal enige zekerheid, krijgen jonge ouders dus zelf de sleutel in handen om, in de woorden van Karolien, even de klik te maken en de heersende meer-is-beter-mentaliteit tijdelijk naast zich neer te leggen. Als besluit stelt Karolien haar collega’s die eraan twijfelen of ze die stap wel moeten zetten, één vraag. “Zal je aan het eind van je carrière spijt hebben dat je de periode van het ouderschapsverlof niet hebt ingeruild voor wat meer werk?”

/ 37 /


DE JONGSTE ACADEMIE Kinderen van wetenschappers aan het woord

/ 38 /

Iedere wetenschapper kent vast de elevator pitch, dat praatje van amper enkele ogenblikken waarmee je een collega tussen de tiende verdieping en de lobby van een Amerikaans conferentiehotel moet overtuigen van het belang van je onderzoek. Stel jezelf en je werk voor

in tien verdiepingen zeg maar. Maar weten je eigen kinderen eigenlijk wel wat je doet? Wat houdt je werk precies in volgens hen? En wat vinden ze ervan dat je regelmatig reist voor je werk? De Jongste Academie krijgt het woord.


“Onderzoeker van de hersenen. Hersenen zitten in je hoofd. Die heb je nodig om te praten en te horen.” Jeroom (4), zoon van een neurobioloog.

“Jij bent juf van grote kindjes. Ik wil later graag bij jou in de klas zitten.” “Dat mag, maar dan kan je geen dierendokter worden hé.” “Oooh, waarom niet? Ik wil graag dierendokter worden én bij jou in de klas zitten.” Juliette (4), dochter van een communicatiewetenschapper.

“Jij onderzoekt de slechte virussen en probeert die weg te halen.” Lena (8), dochter van een vaccinoloog.

“Ik snap wat de buschauffeur elke dag doet en ook wat de bakker en de kapper doen. Maar ik snap eigenlijk toch nog niet echt wat jij doet, mama.” Marie (9), dochter van een ingenieur.

“Juffrouw van boeken en boeken maken.” Elizabeth (7), dochter van een letterkundige.

“Jij bent professor en papa is badmeester.” Olivia (6), dochter van een socioloog.

WAT IS MIJN BEROEP?

/ 39 /


“Je zit op je computer en leest een boekje. Je krijgt daar ook buskaarten, denk ik. En als je terugkomt van je werk, lees je een verhaaltje voor van Pipi Langkous.” Lia (5), dochter van een burgerlijk ingenieur-architect.

“Jij kijkt naar kleine spulletjes.” “Met een soort verrekijker.” “Een microscoop.” “Da’s een dicht-verrekijker hé.” Wolf (8) en Merijn (5), zonen van een farmaceutisch wetenschapper.

“Jij doet iets met rijstplantjes. Die zet je in buizen met zand. Rijst is een plant die groeit op die ‘streep’ op de wereldbol.” Hanne (7), dochter van een bio-ingenieur.

“Je zit de ganse tijd op de computer. Ik denk dat je daar dingen van de hersenen op doet.” Anton (6), zoon van een neurobioloog.

“Jij schrijft dingen, in het Engels en in andere talen. Je geeft uitleg aan de kinderen. Die moeten in hun boeken werken en oefeningen maken.” Keila Luna (7), dochter van een antropoloog.

WAT DOE IK OP MIJN WERK? “In Gent, in een groot gebouw. In een hokje! Met instrumenten die de tandarts gebruikt… Ah neen, toch niet. Een microscoop!” Wolf (8), zoon van een farmaceutisch wetenschapper.

“In een latorium of een boratomium.” Merijn (5), zoon van een farmaceutisch wetenschapper.

“In een labo. In het weekend mogen we soms mee als je iets moet afwerken of uitzetten. Dan mogen we tekenen op je bureau en krijgen we een sapje uit de automaat.” Hanna (5), dochter van een moleculair microbioloog.

“Soms ga je in een ander land werken. In China, Engeland, Nederland of Frankrijk.” Keila Luna (7), dochter van een antropoloog.

“Er is een lift en een heel lange gang. En veel deuren en bureaus. Daar zijn jouw vriendinnen. Jij geeft daar ratjes een spuitje om ze te genezen.” Anton (6), zoon van een neurobioloog.

WAAR WERK IK? / 40 /


“Ja, omdat je les mag geven.” “En omdat je de baas bent!” Wolf (8) en Merijn (5), zonen van een farmaceutisch wetenschapper.

“Anders zou je het niet doen. Je helpt graag andere mensen met taal en met boeken schrijven.” Floris (10), zoon van een letterkundige.

“Ja, want ik ben eens op je bureau geweest toen het al donker was en ik zag je gezellig zitten met je lampje aan. Toen dacht ik dat je het wel leuk vond op je werk.” Elizabeth (7), dochter van een letterkundige.

“Ik denk het niet, want jij moet de hele tijd tipperen op je computer en niks leuk doen. Wel leuk dat je centjes krijgt.” Lia (5), dochter van een burgerlijk ingenieur-architect.

“Ja, want je werkt vaak ook ’s avonds. Je moet daarvoor niet altijd naar de universiteit gaan. Je kan veel met de computer thuis doen.” Hanna (5), dochter van een moleculair microbioloog.

DENK JE DAT IK MIJN WERK GRAAG DOE?

/ 41 /


“Dat je zelf de bacteriën kan krijgen. Je moet voorzichtig zijn.” Lena (8), dochter van een vaccinoloog.

“Je werkt veel te veel op de computer en dan luister je niet goed naar mij. Als je op congres gaat, mis ik je. Ik zou liever meegaan.” Hanna (5), dochter van een moleculair microbioloog.

“Als ik op bezoek kom, ben ik soms de weg naar het toilet kwijt. Dan moet ik zoeken achter welke deur jij zit om te vragen waar het toilet is.” Anton (6), zoon van een neurobioloog.

“Soms ben je heel lang weg. Van straks tot nu, da’s toch veel?” Lia (5), dochter van een burgerlijk ingenieur-architect.

WAT VIND JE NIET LEUK AAN MIJN WERK? / 42 /


“Dat daar een koekenkast is.” Merijn (5), zoon van een farmaceutisch wetenschapper.

“Ik vind het leuk dat jij professor bent, want ‘professor’, dat klinkt zo heel serieus.” Floris (10), zoon van een letterkundige.

“Als jij ergens naartoe geweest bent, dan krijg ik altijd iets van jou. Bijvoorbeeld een schudbol waar iets in staat van dat land.” Elizabeth (7), dochter van een letterkundige.

“Als ik op bezoek kom, mag ik de ganse tijd spelletjes spelen op de computer.” Anton (6), zoon van neurobioloog.

“Ik ben eens bij de ratjes geweest en die zijn grappig.” Jeroom (4), zoon van een neurobioloog.

“Ik vind het fijn dat je mensen helpt en virussen probeert op te lossen.” Lena (8), dochter van een vaccinoloog.

WAT VIND JIJ LEUK AAN MIJN WERK? “Ja, omdat je het altijd druk hebt en altijd naar je werk moet. Je hebt minder vakantie dan mama, Louisa, Leonie en ik.” Lena (8), dochter van een vaccinoloog.

“Nee, want dan kan je minder thuis werken.” Keila Luna (7), dochter van een antropoloog.

“Als je modeontwerpster was, kon je mooie kleren voor mij maken.” Hanna (5), dochter van een

“Ik wil kapster of juffrouw worden. Ik kan nog altijd van gedacht veranderen.” Lena (8), dochter van een vaccinoloog.

“Ik ben niet goed in gedichten en verhaaltjes schrijven. Misschien wil ik astronoom worden.” Floris (10), zoon van een letterkundige.

“Jij moet de baas spelen en dat vind ik niet leuk. Ik wil dierendokter worden.” Keila Luna (7), dochter van een antropoloog.

“Ik ben nog altijd aan het twijfelen.”

moleculair microbioloog.

Wolf (8), zoon van een farmaceutisch wetenschapper.

ZOU JE WILLEN DAT IK EEN ANDER BEROEP HAD?

ZOU JIJ LATER HETZELFDE WILLEN DOEN ALS IK? / 43 /


INSPIRERENDE WERKPLEKKEN Pieter Martens

/ 44 /

Work-life balance is misschien wel het meest misleidende modewoord van het afgelopen decennium. Het leven stopt immers niet tijdens de werkuren en een aangename job kan een belangrijke bron van energie en inspiratie zijn. Toch is het vaak zoeken naar een goed evenwicht tussen creativiteit en administratieve verplichtingen, of tussen stilzitten en bewegen. We laten drie jonge academici â&#x20AC;&#x201C; een kunstenaar en twee wetenschappers â&#x20AC;&#x201C; aan het woord over de bijzondere werkplekken die hen helpen om dat evenwicht te bewaren.


Iemand met een hondentoilet als werkplek? Dat moet een bioloog zijn die coprafage insecten bestudeert. Of een stadssocioloog die onderzoekt hoe deze sanitaire voorziening voor viervoeters correleert met de hoeveelheid hondenpoep op de stoep. Neen. Verrassend genoeg is het een choreograaf die hier zijn ideale werkplek heeft gevonden. De taferelen die zich hier doorgaans afspelen, moeten tijdelijk wijken voor meer verheven vormen van lichamelijke expressie. Voor de ogen van verbaasde buurtbewoners voeren twee dansers op een geïmproviseerde bühne beurtelings een hedendaagse choreografie op. Een van hen is Ugo Dehaes, artistiek leider van het Brusselse dansgezelschap Kwaad Bloed en lid van de Jonge Academie. Na de voorstelling eisen ongeduldige terriërs terstond hun territorium weer op. Terwijl hier een husky hurkt en ginds een puppy zijn achterpootje opheft, licht Ugo de opzet toe van zijn opmerkelijke performance. DE STRAATDANSER “Deze voorstelling maakt deel uit van het Parcours d’Artistes in Sint-Gillis. Dat is een initiatief

waarbij kunstenaars hun atelier open stellen voor het grote publiek. Omdat wij dansers geen atelier hebben, zocht ik een leuke plek in de stad om ons werk te tonen. Toen ik hier in mijn eigen straat dit hondentoilet zag, bedacht ik dat je door er wat planken te leggen gemakkelijk een soort podium kunt maken. Kunst wordt al snel gezien als iets elitairs, terwijl wij toch met overheidssubsidies werken. Er wordt van ons verwacht dat wij naar de mensen gaan. Nu dansen wij hier vier weekends lang op straat, telkens van 12 tot 18 uur. Het is trouwens niet de eerste keer dat we zoiets doen. Mijn allereerste dansvoorstelling was ook al op straat. Toen gingen we in Gent optreden in minderbedeelde wijken. Je kan het vergelijken met academici die aan wetenschapscommunicatie doen.” HOE REAGEERDE MEN OP JULLIE DANSVOORSTELLING OP HET HONDENTOILET? Ugo Dehaes: “De mensen keken raar en sommigen werden kwaad omdat hun hond niet meer rustig zijn behoefte kon doen. In het begin zag ik veel jongeren met ons

spotten, maar na verloop van tijd merkte ik dat diezelfde jongeren trots aan anderen uitleg gingen geven over ‘hun’ dansers. We hadden een aantal bewegingen voorbereid, maar lieten ons ook inspireren door de houding of bewegingen van toevallige passanten. Als ze dan doorhadden dat we hen imiteerden, begonnen ze met opzet gekke dingen te doen. Ook kwamen ze achteraf even babbelen of gewoon vragen wat we deden, wat het voorstelde. Ons idee om mensen op deze ongewone plek kennis te laten maken met hedendaagse dans werkte dus wel. Maar ook voor mij was het inspirerend, want ik probeer voorstellingen te maken die toegankelijk zijn voor mensen die nog nooit dans gezien hebben.” HOE ZIET JOUW NORMALE WERKPLEK ERUIT? Ugo Dehaes: “Ideeën voor een voorstelling komen op de gekste momenten en plaatsen. Maar om ze uit te werken, heb ik ruimte nodig. Dat kan thuis niet, dus moet ik op zoek naar een studio. Zoals de meeste choreografen werk ik met ruimtes die ter beschikking worden gesteld. Dat maakt mijn

/ 45 /


‘werkplek’ heel gevarieerd. Soms werk en slaap ik op een provinciaal domein, soms ga ik enkele weken op residentie in het buitenland. De creatie zelf gebeurt in de repetitieruimtes van de verschillende theaters die mij steunen. Dan pendel ik elke dag naar Gent, Leuven of Antwerpen. Wanneer we lange uren hebben, reizen we niet altijd heen en weer. Dan slaap ik ergens in de studio of werken we de hele nacht door. Dat is leuk als je jong bent, maar nu is dat moeilijker te combineren met mijn privéleven.” WAAR DOE JE DAN HET ONVERMIJDELIJKE BUREAUWERK? Ugo Dehaes: “Sinds dit jaar word ik structureel gesubsidieerd en heb ik een zakelijk leider in dienst. We gebruiken een bureau in de Pianofabriek, een gemeenschapscentrum en kunstenwerkplaats in Sint-Gillis. Op dagen dat ik niet in de studio zit, ga ik daarheen om e-mails te beantwoorden, dossiers te schrijven of affiches te maken. We delen daar een grote ruimte met anderen, maar verder is onze bureauplek vrij conventioneel. Er komen veel artiesten over de vloer en dat is best fijn. Vroeger werkte ik thuis, maar dat maakte het erg moeilijk / 46 /

om werk en privé te scheiden. In de praktijk was ik vaak van ’s morgens tot ’s avonds laat aan het werk zonder tussendoor zelfs maar te eten. Sinds ik dat bureau heb, ga ik daarheen om 9 uur en stop ik om 17 uur, om mijn dochter te halen. Daarna werk ik thuis niet meer – enfin, af en toe zondig ik wel eens. Ik ben op mijn bureau ook veel efficiënter, omdat de mensen rondom mij allemaal werken.” HOE ZIET JOUW IDEALE WERKPLEK ERUIT? Ugo Dehaes: “In het ideale geval kan ik al het bureauwerk delegeren en heb ik een eigen studio, die dicht bij huis is en groot genoeg, zodat ik ook wat publiek kan uitnodigen. Met verwarming en een goede vloer. En met ramen: geen black box, want soms zie ik de hele dag geen daglicht.” DE WERKENDE WANDELAAR Terwijl ik naar aanleiding van het bovenstaande interview bedenk dat lichaamsbeweging op het werk wellicht niet voor wetenschappers is weggelegd, bots ik op een bekende collega die ogenschijnlijk maar wat rondkuiert. Niets blijkt minder waar:


au ore lle M / Ke ILVO o’s: Fot

Noël Salazar is aan het werk. Noël zit niet graag stil. Hij is een fervent loper en wereldreiziger en doet als antropoloog aan de KU Leuven onderzoek naar mobiliteit, migratie en reizen. Maar zijn chronische Wanderlust gaat nog een stap verder. Noël wil zo veel mogelijk wandelend werken. Geïntrigeerd ga ik in op Noëls uitnodiging voor een gezamenlijk ritje met de benenwagen op weg naar de wereld van de werkende wandelaar. “Wandelend werken is iets dat ik recent heb ontwikkeld, omdat mijn academisch leven meer en meer zittend verliep”, licht Noël zijn werkwijze toe. “Hoe hoger je opklimt in de academische hiërarchie, hoe meer je moet zitten. Verantwoordelijkheden komen met werkvormen die je niet zelf kan kiezen – zoals vergaderingen – en die niet altijd bevorderlijk zijn voor de gezondheid. Bij het lesgeven heb je tenminste nog de keuze om recht te staan of wat rond te wandelen. Daarom ben ik gaan nadenken over hoe onze manier van werken de kwaliteit van het werk beïnvloedt. In het verleden werd beweging vaak gekoppeld aan creativiteit. Veel creatieve mensen, zowel kunstenaars als onderzoekers, namen doelbewust elke dag lichaamsbeweging: meestal wandelen, soms ook lopen of andere sporten. Wie met mate beweegt, voelt zich niet alleen lichamelijk beter, maar voert zijn werk ook op een andere manier uit. Het effect van wandelen op creatieve processen wordt meer en meer onderzocht. Ik ben dan zelf ook beginnen experimenteren. Ik wil niet beweren dat ik door het wandelen plots veel creatiever ben, maar onze norm om acht uur per dag in een kantoor te zitten, is zeker niet de meest bevorderlijke manier om creatief te zijn.”

HOE PAST WANDELEN IN HET WERK VAN EEN ACADEMICUS? Noël Salazar: “Ik doe dat op verschillende manieren. Om te beginnen heb ik wandelen ingebouwd in het lesgeven, onder meer in het vak Anthropology and Travel, dat ik in Leuven doceer. Dat lukt het best in groepjes van minder dan twintig studenten en ergens waar niet te veel afleiding is. Als de inhoud van de les er zich toe leent, gebruik ik daarbij elementen uit de omgeving. Tijdens een les over globalisering bijvoorbeeld gaan we in de Leuvense binnenstad op zoek naar kenmerken van globalisering. Maar ook als je de omgeving niet gebruikt, is wandelen zinvol, omdat het mensen op een andere manier doet nadenken. Recent psychologisch onderzoek naar het effect van wandelen suggereert dat niet zozeer de omgeving van belang is, maar wel de beweging, het ritme.” JE HOEFT NIET ALTIJD IN EEN KLASLOKAAL TE ZITTEN OM IETS TE LEREN? Noël Salazar: “Precies. In ons onderwijssysteem brengen mensen vanaf de kleuterklas tot de universiteit het grootste deel van hun tijd door in een klaslokaal. Je kan je afvragen of deze norm de beste manier is om kennis over te brengen. In Nederland heeft men in lagere scholen experimenten gedaan om bijvoorbeeld turnen met rekenen te combineren. Daarbij bleek dat kinderen sneller leren als ze bewegen, wat logisch is omdat de hersenen dan meer zuurstof krijgen. Zelf gebruik ik het wandelen ook als een vorm van mentorship met mijn doctoraatsstudenten. Als je iemand begeleidt, zit je altijd – of je dat nu wil of niet – in een hierarchische relatie. Een gesprek / 47 /


op het kantoor van de professor bevestigt automatisch die hierarchie. Maar als je samen gaat wandelen, verandert die relatie en ben je gewoon allebei aan het wandelen. Ik heb gemerkt dat studenten dat wel appreciëren.” WAAR WANDEL JE DAN? Noël Salazar: “In Leuven wandelen we meestal in en rond het nabijgelegen stadspark. Soms ook wat verder, tot aan de Kruidtuin. Dus liefst in een groene omgeving. Ik heb recent ook deelgenomen aan twee congressen waar ik in plaats van een paper te presenteren met de deelnemers ging wandelen – al ging dat dan wel specifiek over wandelen als methodologie.” WAT MET BUREAUWERK? Noël Salazar: “Thuis heb ik in mijn kantoorruimte een loop/ 48 /

band. Dat zag ik voor het eerst toen ik meer dan tien jaar geleden in Californië de filmstudio’s van Pixar bezocht – een creatieve werkomgeving waar beweging erg belangrijk is. Mensen die animatiefilms tekenen, zitten ook veel stil. Zij hadden niet alleen bureaus waaraan je kan staan, maar ook bureaus waaraan je kan fietsen op een soort hometrainer terwijl je met de computer werkt. En in het gebouw verplaatsten ze zich met autopedjes. Daarna ben ik dat zelf ook gaan uitproberen. Ik heb nu een zit-sta-bureau, waar ook een loopband onder kan. Als je traag wandelt, gaat dat zeer goed.” VANWAAR EIGENLIJK JOUW PLEIDOOI VOOR HET WANDELEN? Noël Salazar: “Ik heb wandelen leren appreciëren in Tanzania. Mijn onderzoeksassistent daar was een Maasai. De Maasai wan-

delen heel veel en heel graag. Als ik mensen moest gaan opzoeken voor een interview stelde mijn assistent telkens voor te voet te gaan, wanneer het niet te ver was. Dat was dan een halve dag stappen. Pas later begon ik de connectie te maken tussen wandelen en werken. Wij associëren wandelen immers met vrije tijd of zien het als een soort sport. Maar waarom integreren we dat niet wat meer in ons werk? We denken dat we meer werk kunnen verrichten door langer aan de computer te zitten. Voor mij klopt dat geenszins. Ik werk efficiënter als ik wat minder aan de computer zit en meer beweeg, of ik als beide kan combineren.” HOE REAGEREN JOUW COLLEGA’S OP JOUW SPECIFIEKE WERKMETHODE? Noël Salazar: “Ze kijken soms wel raar op als ze mij zien wandelen


met een doctoraatsstudent. Hoewel wij dan eigenlijk gewoon aan het vergaderen zijn, alleen doen we dat niet rond een tafel. De academische wereld is wat dat betreft gelukkig nog vrij flexibel. Van ambtenaren op een ministerie zal men waarschijnlijk minder snel aanvaarden dat ze tijdens de werkuren even gaan wandelen.” DE VISSENDE VORSER Kelle Moreau werkt als visserijbioloog aan het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO) van de Vlaamse overheid en kiest beroepshalve regelmatig het ruime sop. Met de onderzoeksgroep Visserijbiologie bestudeert hij de respons van vispopulaties op de visserij en geeft hij advies aan de overheid om de visbestanden duurzaam te exploiteren. Data verzamelen gebeurt aan boord van commerciële vissersschepen en met wetenschappelijke schepen. De Belgica is zo’n onderzoeksschip van de Belgische overheid dat wordt ingezet voor langere campagnes in de Noordzee. HOE MOET IK ME ZO’N REIS MET DE BELGICA VOORSTELLEN? Kelle Moreau: “Als we met de Belgica echt de zee op gaan – en dus niet in de kustwateren blijven – duurt zo’n campagne meestal twaalf dagen. Het doel is dan om een representatief staal van het visbestand in de Noordzee te nemen. Daarbij vissen wij net als gewone vissers, met dat verschil dat wij ook op plaatsen vissen die voor vissers verboden zijn en netten met kleinere maaswijdtes gebruiken. Zo kunnen wij ook de kleinere visjes vangen, wat nodig is om toekomstige populaties in te schatten en de visquota voor de volgende jaren te berekenen.”

“Tijdens zo’n campagne ben ik dag en nacht op het schip. We slapen meestal met twee in een kajuit. Die is vrij basic – een bed, een kast, een lavabo. Omdat de Belgica een militair schip van de Belgische marine is, is er onder de bemanning een duidelijke hiërarchie – hoe hoger je rang, hoe meer ruimte en comfort. Maar voor ons maakt dat niet uit: wij zijn enkel in onze kajuit om te slapen. Werken doen we hoofdzakelijk aan dek, in weer en wind. Naast het bedienen van de vistuigen brengen wij de meeste tijd door in het ‘vislabo’, dat rechtstreeks uitgeeft op het dek en speciaal is ingericht om de vangst te sorteren en biologische stalen te verwerken. Er is ook een computerlabo, dat ik gebruik om meteen na elke vangst al zo veel mogelijk data in te voeren. En er is een soort lounge, waar we eten en kunnen ontspannen. Maar verder is er op een schip natuurlijk weinig ruimte om eens te ontsnappen. Aan boord is er weinig ruimte voor privéleven.”

zeevogels en bultruggen te zien. Maar ook hier op de Noordzee organiseer ik met vrienden voor grote groepen enkele vaartochten met een oud vissersschip.”

HET IS HARD WERKEN OP ZO’N SCHIP, MAAR EVENGOED BEN JE OP REIS EN VEEL BUITEN. GEEFT DAT EEN VAKANTIEGEVOEL? Kelle Moreau: “Absoluut. Eerder dit jaar kon een campagne van twee weken niet doorgaan omdat het schip in panne lag. Het eerste wat ik dacht was ‘verdorie, daar gaat mijn vakantie’. Dat geldt voor veel vaste deelnemers. Ook in mijn vrije tijd ga ik trouwens regelmatig de zee op. Ik ben erg geïnteresseerd in vogels en zeezoogdieren, maar daar kan ik tijdens mijn werk op zee weinig aandacht aan besteden. Toen ik recent op vakantie was in Zuid-Afrika, ben ik een dag met een klein schip op zee gegaan om

HEB JE OP ZO’N SCHIP VASTE WERKUREN? IS ER VRIJE TIJD? Kelle Moreau: “Er is geen echt onderscheid tussen werk en vrije tijd. Er is geen vaste dagindeling, enkel het tijdstip van de maaltijden ligt vast. Verder werken we continu: netten uitzetten, vissen, netten binnenhalen, vangst sorteren, stalen nemen en invriezen. Soms is er wel wat vrije tijd tussen twee vangsten, maar dat is altijd onvoorspelbaar. En zo’n pauze duurt nooit veel langer dan een uur. Tegen het einde van de campagne, wanneer de vermoeidheid toeslaat, wordt zo’n vrij moment wel eens gebruikt om wat uit te rusten in de kajuit, maar dat is er voor mij niet bij. Als campagneverantwoordelijke wil ik continu

ERVAAR JE VEEL ISOLEMENT OP ZEE? Kelle Moreau: “Tot enkele jaren geleden hadden we geen telefoon of internet aan boord – dat was écht isolement. Het deed mij telkens veel deugd om twee weken weg te zijn en geen e-mails of telefoon te moeten beantwoorden. Tijdens mijn eerste campagnes, een jaar of acht geleden, was een satelliettelefoon de enige mogelijkheid tot contact. Maar dat was zo duur dat het gebruik ervan erg beperkt werd. Onze gsm’s hebben nog altijd geen bereik op zee, maar we hebben wel een goede internetverbinding via satelliet. Het gevoel van isolement is dus fel verminderd. Ik vind dat spijtig, want het had wel zijn charmes. Dat was écht weg zijn van alles en het gaf een zekere rust. Maar voor het werk is het nu wel efficiënter.”

/ 49 /


bereikbaar zijn. Dat betekent dat ik op zee meestal maar twee à drie uur per nacht slaap. Die korte nachten zijn niet alleen te wijten aan het vele werk, maar ook de weersomstandigheden. Soms gaat de zee zo wild te keer dat je bijna uit bed rolt. En in het begin had ik ook veel stress, omdat ik als hoofdwetenschapper op het schip – na de kapitein – de tweede in rang ben en ik een grote verantwoordelijkheid draag. We zijn met zo’n dertig man aan boord en ik moet soms moeilijke beslissingen nemen over onze planning en route, terwijl er altijd onvoorspelbare factoren meespelen, zoals de weersomstandigheden.” GEEN TIJD VOOR ONTSPANNING? Kelle Moreau: “Aan boord zelden. Tijdens zo’n campagne van twaalf dagen hebben we halverwege wel een weekend vrij. Dan meren we aan in een havenstad, meestal in Engeland: Hull, Grimsby, Great Yarmouth, Ipswich, Chatham... Iedereen kijkt daarnaar uit. Het is een mooie gelegenheid om wat te herbronnen en uit te rusten. Als we dan op vrijdagavond de haven binnenvaren is dat een feestelijke gebeurtenis. ’s Avonds is er meestal een receptie aan boord: de kapitein nodigt dan via de Belgische ambassade in Londen een aantal lokale hoogwaardigheidsbekleders uit. Dat heeft wel iets.”

/ 50 /

HOE VAAK BEN JIJ OP ZEE? Kelle Moreau: “Ik doe twee wetenschappelijke monitoringcampagnes per jaar. Dat zijn jaarlijks dus vier weken op zee. Maar als lid van de Europese raad van onderzoeksschepen neem ik ook deel aan campagnes van andere landen. Er zijn jaren geweest dat ik zes maanden per jaar op zee zat. Nu is dat wel wat minder.” HOE COMBINEER JE DAT MET JE PRIVÉLEVEN? Kelle Moreau: “Dat is niet eenvoudig. Je moet goed plannen. Ik heb geen kinderen, dat maakt het wat gemakkelijker. Maar ook voor relaties is dat uiteraard een zware belasting. Anderzijds wilde ik altijd al graag reizen en met dieren werken. Een heel jaar thuis zitten zou niks voor mij zijn. Verder zijn activiteiten die een regelmatige deelname vereisen uitgesloten. Ik zou bijvoorbeeld wel in avondschool een vreemde taal willen leren, maar omdat ik sowieso de helft van de lessen zou missen, heeft het geen zin om daaraan te beginnen. Wekelijks sporten in clubverband is ook onmogelijk.” ZO TE HOREN ZOU JE LIEVER NOG MEER CAMPAGNES OP ZEE DOEN. Kelle Moreau: “Absoluut! Maar naarmate ik op de hiërarchische ladder klim en duurder word, hebben mijn oversten alsmaar minder zin om mij op zee te laten gaan. Ik doe het alleen nog als het echt nodig is. Maar mocht ik het zelf voor het zeggen hebben, was ik nog meer op zee.”


LIEFSTE DAGBOEK Katelijne De Corte

Katelijne De Corte is meester in de schilderkunst en master in de moraalwetenschappen. De combinatie van beeldende kunsten en een academisch-wetenschappelijke benadering heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in haar creaties. De fascinatie voor ordenen en chaos is een kernthema van haar werk.

/ 51 /


/ 52 /


/ 53 /


COLUMN Jelle Haemers

Het is zover. Ik out mezelf en ik voeg me bij de snel groeiende groep mensen die uit de kast komen. Jarenlang heb ik het angstvallig verborgen gehouden voor mijn collega’s. Erover gezwegen, het weggestoken… ik heb er zelfs over gelogen. Uit bestwil, uit schaamte, maar ook omdat ik er geniepig plezier aan beleefde. Genoeg daarvan. Deze Maja is de ideale plaats voor mijn outing. Hier komt het: ik werk nooit in het weekend! Het risico bestaat dat geen enkele collega uit de academische of professionele wereld me nog serieus zal nemen. Hoongelach wordt mijn deel, misschien zelfs medelijden. Maar hopelijk ook wat jaloezie. Want ik zal luid verkondigen dat het een verrijking is voor jezelf, voor je gezin, en niet in het minst voor je werk, om er telkens in het weekend tussenuit

/ 54 /

te glippen. In de wereld waarin ik ben opgevoed (academia zoals Engelsen het met een gemakkelijk te doorprikken sérieux noemen), schept omzeggens iedereen op over de uren werk die ze in het weekend hebben verzet, over de bergen papier die ze schreven, of over de tijd die ze in afzondering hebben doorgebracht. Al heel gauw voel je dat het niet past om niet mee te doen. Om in het wereldje mee te draaien, moet je de regels van het spel volgen. Maar de regels liggen me niet. Ik heb respect voor academische kameleons, maar ik begrijp niet hoe ze het doen. Verwaarlozen ze hun gezin? Plegen ze sociale zelfmoord? Werken ze zichzelf naar een burn-out? Nee, geef mij dan maar een hectisch drukke werkweek van vijf dagen hard labeur. Om dan twee dagen te verpozen,

om de echte dingen des levens te ontdekken en bovenal energie te absorberen om tijdens de week beter te kunnen nadenken. Noem het mentale hygiëne: de batterijen volledig laten leeglopen en ze erna opladen om ervoor te zorgen dat de hele machinerie op korte termijn beter functioneert en vooral op langere termijn een grotere levensduur heeft. Benieuwd hoe de collega’s zullen reageren op dit stuk. Vrienden en familie wisten het natuurlijk al lang, en ze zullen verbaasd zijn dit te lezen. Leeft hij echt in een milieu waar weekendwerk de norm is? En waarom schrijft hij hierover in een boekje? Kan hij het niet gewoon zeggen? Ja, maar het is nu eenmaal makkelijker jezelf te outen wanneer je voor een computerscherm zit. Het ongeloof dat mijn deel was, toen de redactieleden van dit blad hoorden dat mijn


lachen als ik beweer dat ik het heel druk heb, weer andere zullen stellen dat het niet houdbaar zal blijken, wanneer ik opklim in de universitaire hiërarchie. Ik ga de uitdaging aan en ik heb natuurlijk bewondering voor iedereen die zijn weekends wel opoffert. Niemand moet me volgen, iedereen doet wat hem of haar het beste lijkt. Dat is immers de academische vrijheid, hét axioma van ons bestaan. Maar niemand zal mijn geaardheid veranderen.

Fot

o’s:

Sop h

ie D

ejae

ghe r

weekends vrij zijn, was tekenend. Ik durfde niet te bekennen dat ik nooit anders heb geweten. “Ik koos er kort geleden voor”, pruilde ik, bang dat ze me niet langer als een echte academicus zouden aanzien. Terwijl ik het dus al dertien jaar uithoud. Oké, de laatste weken van het doctoraat waren de spreekwoordelijke uitzondering, zoals dat congres op zaterdag een noodzakelijk kwaad is. Sommige collega’s zullen me niet geloven, andere zullen me weg-

/ 55 /


JongeAcademie.be info@jongeacademie.be @JongeAcademie fb.me/JongeAcademie Hertogstraat 1 BE - 1000 Brussel +32 2 550 23 20

Maja#3 Work/life  

Het derde nummer van Maja, het magazine van de Jonge Academie, staat helemaal in het teken van work/life. We zien werk en leven niet als teg...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you