Page 1

Juridische Faculteitsvereniging Groningen

In Casu - jaargang 19, nummer 2, DECEMBER 2011 - In Casu is een uitgave van de Juridische Faculteitsvereniging Groningen - www.jfvgroningen.nl

J U R I D I S C H

M A G A Z I N E

@ Waar blijven mijn kerstkaarten?

Over privatisering en liberalisering van de postmarkt

@ Overheidsaansprakelijkheid voor gebrekkige wegen @ De ratio van common law Kantoorspecials @ DLA Piper Juridisch Actueel @ Het Internationaal Strafhof; een verrijking in de bestrijding van misdaden tegen de mensheid


Master the class

Op 19 t/m 21 april krijgen 24 toptalenten de kans zich uit te leven tijdens onze Masterclass. Ben je 3 e- of 4e jaars rechtenstudent? Wil je advocaat, fiscalist of notaris worden? En kun je een case meesterlijk oplossen? Meld je dan vóór 5 maart 2012 aan via werkenbijnautadutilh.nl.

ADVOCATEN s NOTARISSEN s BELASTINGADVISEURS Amsterdam Brussel Londen Luxemburg New York Rotterdam

Room for you


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

COLOFON EN ADVERTEERDERS

Feestdagen

Hoofdredactie Leonie Verwilligen Eindredactie Indira de Wilde Femke Westra

E

Redactie Rachelle Boneva Anne Dekker Daphne Dikkers Thomas Meenink Anne Meijer Cornelieke Moeke Tanja Schasfoort Laurens Vermeulen Arend Vosmaer Rogier Wennink Jim de Wolf Bram Zwagemakers

EN VEELZIJDIG ONDERWERP IS ER DOOR DE REDACTIE GEKOZEN, VOOR JULLIE LAATSTE NUMMER VAN HET JAAR. HET ONDERWERP WINTER EN DE FEESTDAGEN GEEFT EEN VEELZIJDIG AANBOD AAN OVERPEINZINGEN. IEDEREEN DOET DAT OP ZIJN OF HAAR MANIER.

jaar op oudejaarsavond voor het eerst sinds jaren de ME niet te worden ingezet.

ISSN 3388-8803 Copyright In Casu Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Op nieuwjaarsavond geeft de gemeente Groningen al jaren een groot feest voor Stadjers, in de Oosterpoort. Dan moet ik ook weer ‘aan de bak’ met het uitspreken van mijn Nieuwjaarsspeech en uiteraard als gastheer de rest van de avond. En dan is zo weer het nieuwe jaar begonnen!

Oplage 2700 Uitgever Juridische Faculteitsvereniging Groningen Bezoekadres: Turftorenstraat 17 Postadres: Oude Kijk in ’t Jatstraat 26 9712 EK Groningen Tel: 050-3635783 Fax: 050-3636947 E-mail: jfv@jfvgroningen.nl Websites: www.jfvgroningen.nl www.jfvcarriereboard.nl

Ik wens jullie allen gezellige feestdagen toe en een mooi begin van 2012! Dr. J.P. (Peter) Rehwinkel Burgemeester van Groningen Voor mij als burgemeester zijn de feestdagen heel verschillend van karakter. Kerstmis breng ik het liefst in familiesfeer door. Daar hecht ik erg aan. Inclusief mooie feestverlichting en lekker met elkaar eten en praten. Of met een goed boek op de bank zitten en daarbij luisteren naar muziek.

Vormgeving en druk OCC dehoog media partners, Oosterhout www.occ-dehoog.nl Foto omslag iStock Abonnementen Abonnementenprijs inclusief portokosten per jaar: €20,–. Voor meer informatie kunt u een e-mail sturen naar Lieke van Geelen: vicevoorzitter@jfvgroningen.nl

Advertenties Tarieven zijn schriftelijk en/of telefonisch aan te vragen bij Lieke van Geelen. Tel: 050-3635783 Fax: 050-3636947 E-mail: vicevoorzitter@jfvgroningen.nl Standpunten zoals weergegeven in het Juridisch Magazine ‘In Casu’ zijn uitingen van de auteurs en daarbij niet eveneens standpunten van de Juridische Faculteitsvereniging Groningen.

3

Voorwoord

Juridisch magazine ‘In Casu’ Jaargang 19, nummer 2, december 2011

Adverteerdersindex AKD Allen & Overy Boekel De Nerée De Brauw Blackstone Westbroek Dirkzwager advocaten & notarissen Holland Van Gijzen Advocaten en Notarissen JPR Advocaten Linklaters NautaDutilh Nysingh advocaten-notarissen KienhuisHoving advocaten en notarissen Studystore Van Doorne

VOORWOORD

4 52 63 57 51 25 64 32 2 62 35 61 47

Oud- en nieuw is voor mij een heel ander verhaal. Hoe vredig het kan zijn met Kerstmis, hoe anders is het soms vooral op oudejaarsavond. Al jaren doen we ons best om het in Groningen leuk te houden die avond. Er zijn veel activiteiten, veel feesten. Mensen komen bij elkaar om het oude jaar uit te luiden en het nieuwe op feestelijke manier te verwelkomen. Helaas is niet iedereen van goede wille. Daarom zijn er allerlei maatregelen die de politie, de gemeente, en andere instanties treffen om bijvoorbeeld het aantal vernielingen zo laag mogelijk te houden, relschoppers aan te houden en de veiligheid van politie, brandweer en andere hulpverleners te maximaliseren. Zelf ben ik de afgelopen twee jaarwisselingen met de driehoek (politie, OM en burgemeester) ’s nachts in de stad rondgereden om ter plekke te kijken hoe het gaat. Mijn bewondering is groot voor alle mensen die zich beroepsmatig die nacht inzetten om er voor te zorgen dat het een mooie jaarwisseling kan worden. Daarbij horen ook bijvoorbeeld de medewerkers van de Milieudienst, die de ‘schone’ taak hebben om de stad weer schoon te krijgen. Overigens hoefde vorig


 

 

"))))))")&")$)$ )%))") $ )%") )&#")))))"))%"))"$ ") ))&)%)#%) )%")!)'()  )#) " !!!))")"))#)!#") ")")) !"# ))%")%)) ))!"")#"))")") $)$)$"))" !!) !!!)"))) !")!"!")!) #")"))%") )&"))$!" ) ))$)))"%)$))"")  ")&) % %&)#)) ")")!)%"))&)#%) ) %"))")))%"


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

VAN DE REDACTIE

5

Van de redactie

Beste lezer,

V

OOR JE LIGT HIJ WEER: DE NIEUWE IN CASU! SINTERKLAAS IS HET LAND AL WEER UIT EN DE KERSTDAGEN EN OUD EN NIEUW LIGGEN IN HET VERSCHIET. WE KUNNEN ER DAN OOK NIET MEER OMHEEN: DE WINTER GAAT BEGINNEN. GEHEEL IN STIJL STAAT DIT TWEEDE NUMMER DAAROM IN HET TEKEN VAN DE WINTER EN DE FEESTDAGEN.

Ook in deze uitgave hebben onze 12 redacteurs en mijn mede-eindredacteur en ik, onder het toeziend oog van de hoofdredacteur, ons uiterste best gedaan om bij jullie weer een leuke In Casu op de mat te laten vallen. Met als resultaat een interessant scala aan artikelen met allerlei verschillende onderwerpen. Zo is er een artikel te vinden over de Accountantskamer: wat is dat nu eigenlijk en wat gebeurt daar precies? Door middel van een interview met de voorzitter van het college, mr. Werkhoven, zal dat je heel snel duidelijk

worden. In de rubriek ‘uitgelicht’ wordt ingegaan op de spraakmakende hangmaatzaak en de vergaande gevolgen van deze uitspraak voor de risicoaansprakelijkheid. Daarnaast zijn er wederom een aantal redactionele artikelen met onderwerpen als het echtscheidingsrecht. Is dit nu een louter Nederlands probleem? Het zal je niet verbazen dat dit niet het geval is, daarom wordt gepoogd een vergelijking te maken tussen verschillende gebruiken en regels in het echtscheidingsrecht. En de column zal je dit keer wat meer inzicht

geven in hypocrisie. Kortom, een gevarieerd aanbod, maar er is nog veel meer... En buiten is het guur en koud, dus blijf lekker binnen, pak een kop thee, ga zitten, lees en geniet van wat deze In Casu je allemaal te bieden heeft! Rest mij niets anders dan jullie alvast heel fijne feestdagen te wensen en voor nu natuurlijk heel veel leesplezier! Indira de Wilde Eindredacteur In Casu


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

INHOUDSOPGAVE

6

Inhoudsopgave Redactioneel

@8 Waar blijven mijn kerstkaarten? Over privatisering en liberalisering van de postmarkt. De periode rond kerst en oud en nieuw is er één van veel brievenbusgeklepper. De ene na de andere kerstkaart valt op de mat. Wat we soms vergeten, is dat aan de andere kant van de brievenbus een postbode zijn uiterste best doet om alles op tijd te bezorgen. Na alle bezuinigingen en reorganisaties zal hij dit jaar nóg harder moeten werken. Privatisering en liberalisering: dat willen we toch allemaal(?)!

@18

Wetsvoorstel nieuwe berekening kinderalimentatie: een voor- of achteruitgang? Momenteel wordt de kinderalimentatie nog berekend naar draagkracht van de ouders. Dit stelsel gaat op de schop aangezien het lastig is het exacte bedrag te berekenen. Is dit een vooruitgang of juist niet?

@11

@14

Met het aantreden van de winter wordt hier de vraag beantwoord in hoeverre schade, veroorzaakt door gebrekkige wegen, kan worden verhaald op de overheid.

Kerst, een tijd van vrede op aarde en waardering tonen voor de naasten. Toch zien we dat er na de feestdagen een explosieve toename is van het aantal echtscheidingsverzoeken. Zijn de feestdagen dan toch meer een periode van verharding dan van bezinning?

Overheidsaansprakelijkheid voor gebrekkige wegen

Echtscheidings problematiek: wereldwijd of westers?

Student and the city

@20

@26

In zijn dissenting opinion neemt één van uw overzeese redacteuren u mee naar de middeleeuwse wereld van de common law. Kan dit systeem nog met zijn tijd mee?

National University of Ireland, Galway versus Rijksuniversiteit Groningen. Op zoek naar de verschillen en de overeenkomsten tussen deze twee universiteiten en vooral tussen het studentenleven in Groningen en in Galway. Moet je blij zijn met je plekje in Groningen of gelijk een enkele reis naar Galway boeken?

De ratio van common law

NUI Galway versus Rijksuniversiteit Groningen


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

INHOUDSOPGAVE

7

Achter de deur van...

Personae

@28

@32

De Accountants-

kamer Iedereen is bekend met de tuchtcolleges voor notarissen, advocaten en medici. Echter lang niet iedereen is bekend met de Accountantskamer. Dit is het tuchtcollege voor accountants. Daarom dit keer een interview met de voorzitter van dit college, mr. M.B. Werkhoven.

Uitgelicht

Mello Brunsema; ‘rede tot recht’

We komen bijna elke dag in aanraking met onze faculteit, maar hoe is het eigenlijk allemaal begonnen? Een wanneer eigenlijk? Iets wat voor ons zo vanzelfsprekend lijkt is bepaald niet zonder slag of stoot tot stand gekomen...

Opinie

39

Juridisch Actueel

34

@ Het Internationaal Strafhof; een verrijking in de bestrijding van misdaden tegen de mensheid Het International Criminal Court in Den Haag houdt zich bezig met de berechting van misdrijven tegen de mensheid. Ook de situatie in Libië is erna verwezen. Door de val van het Khadafi regime is hun vervolging niet meer mogelijk. Slechts Khadafi’s zoon Saif-al-Islam kan nog berecht worden.

JFV CarrièreBoard Katern

47

‘Your Roadmap to ‘Vandalen (super)- @ Aansprakelijkheid bij @ succes’ snel gestraft’ medebezit

@37

Kan een medebezitter van een gebrekkige opstal haar echtgenoot-medebezitter aanspreken voor de door haar geleden schade? In het veelbesproken Hangmatarrest heeft zowel de rechtbank als de Hoge Raad zich over deze rechtsvraag gebogen. Het antwoord deed veel stof opwaaien binnen het aansprakelijkheidsrecht.

Het is bijna Oud en Nieuw, een tijd waarin het (super)snelrecht gloreert. Reden voor het kabinet om de toepassingsmogelijkheden uit te breiden. Kan dat zomaar?

Op 11 november was de Sollicitatietrainingendag waarop studenten hun sollicitatieskills hebben kunnen verbeteren. Diverse workshops, een cv-check, een forum met recruiters en inspirerende lezingen van mensen uit het vak zorgden voor een complete dag welke de student goed instrueerden om een sollicitatie succesvol uit te laten pakken.


REDACTIONEEL

JFV IN CASU - DECEMBER 2011

8

Redactioneel

Waar blijven mijn kerstkaarten? Over privatisering en liberalisering van de postmarkt. Door Indira de Wilde

O

PEN GRENZEN, VRIJHEID VAN VESTIGING EN EEN EUROPESE GEMEENSCHAPPELIJKE MARKT: DAT WILLEN WE TOCH ALLEMAAL? OP VELE MARKTEN IS PRIVATISERING EN (GEDEELTELIJKE) LIBERALISERING INMIDDELS EEN FEIT. IN DIT ARTIKEL ZAL IK ME ECHTER BEPERKEN TOT DE POSTMARKT, WAARIN NEDERLAND – TEN OPZICHTE VAN DE OVERIGE EU-LIDSTATEN – ALS TROUWE HOND (OF BANGE PUPPY?) VOOROP LOOPT, MET ALLE GEVOLGEN VAN DIEN.

Privatiseren is het vervreemden van aandelen of activa buiten de kring van publieke aandeelhouders. Met andere woorden: daar waar de overheid eerst nog aandelen in een vennootschap had, doen ze deze van de hand met als gevolg verlies van zeggenschap in de onderneming. Al in 1989 werd begonnen met de verzelfstandiging van voormalig staatsbedrijf PTT. De laatste stap in de privatisering werd gezet in 2006, toen het gouden aandeel voor niets werd overgedaan aan het inmiddels TNT geheten postbedrijf (thans PostNL). De privatisering werd gerealiseerd met het oog op de liberalisering van de markt in Europa: het invoeren van concurrentie en keuzevrijheid. Met vage begrippen als ‘marktwerking’, ‘level

playing field’ en ‘consumentenvoordeel’ wordt de burger voorgehouden dat liberalisering het beste is voor iedereen. Maar het zit nog vers in ons geheugen: de forse loondalingen, duizenden ontslagen en oneindige stakingen in het postwezen. En nog steeds wordt er gesneden in salarissen, de hoeveelheid banen en postkantoren. Waardoor worden de ontwikkelingen ingegeven? Wat zijn de gevolgen? En moet het ergste nog komen? Dat zijn de vragen die centraal zullen staan in dit artikel.

Het hoe en wat van liberalisering Europa verlangt dat lidstaten monopolistische markten liberaliseren. Hiertoe is in artikel 37 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) bepaald dat de lidstaten hun nationale

monopolies aanpassen. Verder wordt in artikel 60 van hetzelfde verdrag een verplichting aan de lidstaten opgelegd om zich in te spannen voor een verdergaande liberalisering. Een gemeenschappelijke markt is immers niets waard wanneer de condities op een nationale markt dusdanig zijn dat toetreding onmogelijk wordt. Vandaar dat er internationale mededingingsrechtelijke verboden zijn met betrekking tot kartelafspraken, misbruik van een economische machtpositie en staatssteun. Het creëren van een ‘national champion’ die sterk staat tegen ondernemingen uit het buitenland, behoort tot het verleden. Eén van de uitgangspunten van Europa is namelijk het vrije verkeer van vestiging (artikel 49 VWEU). De gedachte is dat je deze vrijheid realiseert door liberalisering.


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

REDACTIONEEL

9

“Met vage begrippen als ‘marktwerking’, ‘level playing field’ en ‘consumentenvoordeel’ wordt de burger voorgehouden dat liberalisering het beste is voor iedereen.” En als Europa wil dat we onze monopolistische markten liberaliseren, dan doen we dat. Ten minste; wij Nederlanders wel. Zo werd er voor de Nederlandse postmarkt de laatste stap gezet op 1 april 2009. Toen trad de nieuwe postwet in werking en werd ook met betrekking tot brieven onder de 50 gram, de markt vrij gegeven. Zo veranderde PTT niet alleen stapsgewijs in PostNL, maar veranderde deze publieke monopolist ook stapsgewijs in een privaat postbedrijf met concurrentie van andere postbedrijven als Sandd en Netwerk VSP. Niet alleen is PostNL het eerste Europese postbedrijf dat volledig is geprivatiseerd, ook de liberalisering in andere lidstaten ging niet zo ‘gemakkelijk als bij ons’. In Duitsland maakte het hoge minimumloonvereiste dat concurreren met Deutsche Post nog altijd niet loonde. Ook Frankrijk had moeite met het vrijgeven van de postmarkt ter bescherming van haar eigen La Poste. En met betrekking tot Engeland werd in juli 2011 nog aangekondigd dat de Europese commissie een onderzoek instelt naar indirecte staatssteun aan het Britse Royal Mail. Daarnaast is de volledige liberalisering vele malen uitgesteld en krijgen sommige landen nog tot 2013 om hun postmarkt vrij te geven. Het is duidelijk, Europa wil graag liberaliseren. Maar waarom wordt liberalisering, los van de behoefte aan een gemeenschappelijke markt, nu zo noodzakelijk geacht? De gedachte is dat wanneer er meer aanbieders zijn, dit zal leiden tot concurrentie en derhalve tot lagere prijzen. Concurrentie brengt namelijk keuzevrijheid met zich mee voor de consument en dan is het aan een onderneming om de consument voor zich te winnen. Dit lukt alleen met scherpe prijzen, dus is er een duidelijk voordeel voor de burger. Dit consumentenvoordeel is inderdaad terug te zien in de dalende

prijzen alleen merkt de gewone burger hier niets van, want de prijzen zijn alleen gedaald voor bedrijven. Wat is bovendien het voordeel voor de postbedrijven? Ook zij hebben behoefte aan liberalisering, zo is het idee, vanwege de veranderde marktomstandigheden. De postbezorging is teruggelopen door de toenemende rol van (mobiel) internet: de brief is vervangen door de e-mail. En concurrentie zorgt voor efficiëntie en daarmee voor lagere kosten.

Concurrentie, efficiëntie... insolventie? Eén van de beweegredenen om de postmarkt te liberaliseren was het idee dat concurrentie leidt tot prijsverlagingen. Toch ging in 2011 de prijs van een postzegel omhoog en ook voor 2012 is een prijsstijging aangekondigd. Per 1 januari betaalt men 50 cent (een prijsstijging van maarliefst 8,7 procent). Ook niet zo heel vreemd, want hoe concurreer je op 50 cent, dit lijkt al niet erg veel. Het gevolg is dat er geconcurreerd zal moeten worden op de kosten en dat is dan ook gebeurd. Arbeidsvoorwaarden worden weggeconcurreerd met als gevolg dat de lonen voor postbodes zijn gedaald met vijf tot vijftien procent. Ze werden voor een keuze gesteld: of een forse loondaling of duizenden extra ontslagen. Als dat geen keuze tussen twee kwaden is, dan weet ik het ook niet meer. Het moet er toch op zijn minst voor zorgen dat je minder gemotiveerd naar je werk gaat en dat komt de kwaliteit van de postbezorging niet ten

goede. Verdere gevolgen waren ontslagen en verhoging van de werkdruk. Postbodes moeten meer brieven bezorgen in een kortere tijd, ook dat leidt tot kwaliteitsverlies. Daarnaast werd ook in flexibilisering een oplossing gevonden. Het aantal vaste contracten is fors gedaald en voor postbodes komen een (heleboel) parttime postbezorgers in de plaats. Deze bezorgers hebben minder ‘feeling’ met hun werk – het is slechts een bijbaan – waardoor de kwaliteit van de postbezorging ook hierdoor daalt. Kortom, men moet harder en langer werken, voor minder geld, tegen minder goede voorwaarden en minder zekerheid. En er liggen nog steeds reorganisaties in het verschiet. En wat merkt de consument hiervan? Kwaliteitsverlies van de postbezorging en hogere prijzen voor de postzegels: een win-win-situatie(?). Begrijp me niet verkeerd, ik ben van mening dat loonmatiging een goede manier kan zijn om banen in een bepaalde sector te behouden. Loonmatiging geldt sinds het Akkoord van Wassenaar uit 1982 dan ook als een onomstreden dogma, want zo kan men de economie concurrerend houden. Er is alleen nog een ander punt waarmee men rekening moet houden: de economische crisis. We hebben consumentenbestedingen nodig om de economie draaiende te houden en daarvoor is het belangrijk dat burgers vertrouwen in hun koopkracht houden.1 Als het voordeel niet bij de consument en niet bij de economie ligt, dan zal er wel

“(...) veranderde deze publieke monopolist stapsgewijs in een privaat postbedrijf met concurrentie van andere postbedrijven als Sandd en Netwerk VSP.” een voordeel zijn voor de postbedrijven. Niets lijkt minder waar. Niet alleen zijn de massaontslagen, reorganisaties en de sluiting van postkantoren een aanwijzing


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

REDACTIONEEL

10

“Liberalisering van de postmarkt is mislukt!” voor de slechte situatie waarin de voormalige staatsmonopolist zich bevindt, ook wanneer we de gehele postmarkt bekijken krijgen we een gelijksoortig beeld te zien. De grap van het vrijgeven van een markt is dat nieuwkomers alleen geïnteresseerd zijn om te concurreren op die delen van de markt waar geld te halen valt. De gemiddelde consument geeft zo’n 25 euro per jaar uit aan post, dus deze consumentenpost is commercieel gezien niet interessant voor nieuwe toetreders. Er wordt geconcurreerd op de pakket- en bedrijvenpost, er is sprake van het zogenoemde ‘cherry picking’. Het gevolg is dat de toch al teruglopende diensten, nu ineens worden aangeboden door verschillende bedrijven. Dat zal onvermijdelijk moeten leiden tot het failliet gaan van bedrijven. En de ‘grote wens van een gemeenschappelijke markt’? Ook daarvan komt niets terecht. Grote postbedrijven trekken zich weer terug uit het buitenland. Zo verkocht het Nederlandse postbedrijf (toen nog TNT post geheten) begin 2011 een deel van de activiteiten in België en Italië en SelektMail wordt verkocht aan Sandd. Die groter wordende markt met meer spelers is alweer aan het inkrimpen. “Het is niet aantrekkelijk om als buitenlander de concurrentie aan te gaan met de oorspronkelijke nationale monopolist.”2 We mogen dan ook concluderen dat de liberalisatie van de postmarkt is mislukt!

Overheidsreactie Zoals we hebben gezien zijn de gevolgen van privatisering en liberalisering van de postmarkt catastrofaal. Ook de overheid begint eindelijk in te zien, dat er het één en ander mankeert aan de (uitvoering van) de ooit nog zo mooi klinkende plannen. Na 25 jaar privatisering en verzelfstandiging van overheidsdiensten heeft de Eerste Kamer aangekondigd een parlementaire enquête te willen naar de gevolgen. Dit is opvallend want ook al bestaat dit grondwettelijk recht al sinds 1887, dit zou de eerste keer zijn dat de Eerste Kamer hiervan gebruik maakt.3 In september 2011 werd door de Eerste Kamer echter afstand gedaan van het begrip ‘parlementaire enquête’, maar dat neemt niet weg dat er een onderzoek gaat komen. Ook de Tweede Kamer houdt zich bezig met de privatiseringsgevolgen, maar voornamelijk ook met de gevolgen van de liberalisering. Daartoe is de Sociaal Economische Raad (SER) gevraagd om een rapport te schrijven met aanbevelingen. Over de uitkomsten is vervolgens uitvoerig gedebatteerd. Opvallend is dat het een werelduitkomst was dat er in het vervolg, voordat er zulke rigoureuze stappen genomen worden, eerst gekeken moet worden naar alle betrokken belangen. Er zou ook moeten worden getoetst op sociale belangen, zoals de lokale werkgelegenheid en arbeidsomstandigheden, aldus het SER-rapport. Deze categorie bleef verbazingwekkend genoeg buiten beschouwing. De reacties in het Tweede Kameroverleg waren (gelukkig) nu wel zeer kritisch, met opmerkingen als: “Wat heb ik eraan (...) als ik de post steeds bij buren moet gaan ophalen?” en “Wat heb ik als burger aan keuzevrijheid en lage prijzen in tal van sectoren die voor mij onbetaalbaar worden, omdat door liberalisering werknemersbelangen en -rechten door het afvalputje zijn gespoeld en ik als werknemer rechteloos aan de kant ben gezet?”4

Conclusie Liberalisering van de postmarkt is mislukt! Er waren grootse plannen en mooie ideeën van een gemeenschappelijke postmarkt in Europa. Concurrentie zou moeten leiden tot efficiëntie en lagere prijzen. De prijzen voor burgers zijn echter gestegen. Veel ergere

gevolgen van de liberalisering zijn echter te merken op de postmarkt zelf en dan heb ik het met name over de werknemers. Reorganisaties, massaontslagen, verslechterde werkomstandigheden, baanonzekerheid, harder werken en dat alles tegen een lager loon. Privatisering en liberalisering, dat willen we toch allemaal? Om over de grote droom van een gemeenschappelijke postmarkt nog maar te zwijgen. Postbedrijven trekken zich terug uit het buitenland, omdat concurreren onmogelijk blijkt tegen een voormalig staatsmonopolist. Die gemeenschappelijke markt die is er niet, een droom in duigen. Gelukkig ziet ook de politiek eindelijk in dat het niet werkt. Laten we hopen dat er iets aan gedaan wordt en laten we hopen dat er in de toekomst niet meer zulke grote stappen gezet zullen worden, zonder er eerst goed over na te denken en álle belangen mee te wegen! De tijd zal het leren en voor nu rest ons niets anders dan op de blaren zitten. Waar blijven je kerstkaarten? Vermoedelijk bij de buren!

1 ‘De eenzame koppositie van Nederland’, www.volkskrant.nl, 14 maart 2009. 2 Aldus Analist Axel Funhoff in: ‘Liberalisering van de postmarkt mislukt’, www.nuzakelijk.nl, 13 januari 2011. 3 Tiny Kox, ‘Eerste kamer wil parlementaire enquête naar gevolgen privatisering’, in: Spanning mei 2011. 4 Kamerstukken II 2010/11, 24 036, nr. 391, p. 8.


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

REDACTIONEEL

11

Redactioneel

Overheidsaansprakelijkheid voor gebrekkige wegen Door Laurens Vermeulen

D

E WINTERPERIODE ZORGT VAAK VOOR VEEL OVERLAST IN NEDERLAND. DE SPEKGLADDE WEGEN BEZORGEN NIET ALLEEN DE WEGGEBRUIKERS HINDER, OOK DE OVERHEID LEIDT HIERONDER DOOR DE SCHADECLAIMS VAN GEDUPEERDEN. EEN GOED VOORBEELD HIERVAN WAS AFGELOPEN WINTER, WAARBIJ TOT OVERMAAT VAN RAMP OOK NOG EENS HET STROOIZOUT OP RANTSOEN WAS. TOEN DE SNEEUW EINDELIJK WAS WEGGESMOLTEN WERD DE RAVAGE PAS ECHT DUIDELIJK: OVERAL GATEN EN SCHEUREN IN HET WEGDEK. NU DE WINTER WEER IS BEGONNEN STAAT DE VRAAG CENTRAAL IN HOEVERRE DE OVERHEID AANSPRAKELIJK KAN WORDEN GESTELD VOOR DE GEBREKKIGE WEGEN. EERST ZULLEN DE VERSCHILLENDE RECHTSGRONDSLAGEN KORT AAN BOD KOMEN EN ALVORENS OVER TE GAAN OP DE INHOUDELIJKE BEHANDELING DAARVAN ZAL DE VRAAG WORDEN BEANTWOORD WIE NU EIGENLIJK AANSPRAKELIJK IS.

6:162 BW gekwaliďŹ ceerd wordt als een fout-aansprakelijkheid terwijl artikel 6:174 BW moet worden gezien als een risicoaansprakelijkheid.

Wie is aansprakelijk?

Verschillende grondslagen Het algemene uitgangspunt is dat op de overheid een verplichting rust ervoor te zorgen dat de openbare weg in goede staat verkeert en dat de toestand van de weg de veiligheid van personen en zaken niet in gevaar brengt.1 De aansprakelijkheid van de overheid voor gebrekkige wegen kan op meerdere rechtsgrondslagen worden gebaseerd. Allereerst kan de vordering worden gegrond op de algemene bepaling van de onrechtmatige daad in Titel 3, afdeling 1

van boek 6: artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Tevens heeft de wetgever hiervoor een aparte bepaling opgenomen in de afdeling daarna waarin onder andere de aansprakelijkheid voor zaken is geregeld. Artikel 6:174 BW regelt de aansprakelijkheid voor opstallen. Verderop in dit stuk zal duidelijk worden hoe de twee grondslagen zich tot elkaar verhouden en op welke wijze ze van elkaar verschillen. Hier volstaat de opmerking dat de onrechtmatige daad in de zin van artikel

In eerste instantie is deze vraag - gezien de titel - makkelijk te beantwoorden, de overheid is aansprakelijk indien sprake is van een gebrekkige weg. Dit blijkt ook uit artikel 6:174 lid 2 BW. Echter, in de praktijk is dit nog niet zo eenvoudig. Degene die aansprakelijk moet worden gesteld is de wegbeheerder van de gebrekkige weg waar de schade is ontstaan. Nu zal de overheid in de meeste gevallen de wegbeheerder zijn maar dan zijn we er nog niet. Nederland kent namelijk verschillende wegbeheerders voor de openbare wegen.2 Voor wegen binnen de bebouwde kom is namelijk de desbetreffende gemeente wegbeheerder en wat betreft de provinciale wegen moet de provincie worden aangewezen als wegbeheerder. Rijkswaterstaat is enkel aansprakelijk voor de snelwegen. Het is dus mogelijk dat de provincie de gemeente aansprakelijk stelt voor schade aan haar en/of voertuig, veroorzaakt door een gebrek aan de weg waar de gemeente verantwoordelijk voor is. Daarnaast is het


REDACTIONEEL

JFV IN CASU - DECEMBER 2011

12

mogelijk dat een waterschap wegbeheerder is. Indien het gaat om een particuliere weg is de particuliere eigenaar aansprakelijk.

formuleert voor aansprakelijkheid. Deze is van hypothetische aard en zal hier buiten beschouwing worden gelaten.

Aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 BW

Eisen voor aansprakelijkheid De eisen die artikel 6:174 BW stelt voor aansprakelijkheid van de wegbeheerder zijn de volgende: a. gebrekkige opstal; b. de opstal daardoor gevaar voor personen of zaken veroorzaakt; c. dat dit gevaar zich verwezenlijkt.

Begripsbepaling Het eerste lid van dit artikel geeft aan wanneer men aansprakelijk is: ‘De bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, is, wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt, aansprakelijk, tenzij (...)’.3 Dit is een mond vol, doch staat er in feite niets anders dan dat indien een opstal gebrekkig is en daardoor schade ontstaat, de bezitter (lees: wegbeheerder) in beginsel aansprakelijk is. Het vierde lid vertelt ons wat onder een opstal moet worden verstaan, onder andere gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd. De wetgever heeft een zesde lid opgenomen waarin staat dat voor de toepassing van dit artikel onder ‘de openbare weg’ mede wordt begrepen het weglichaam alsmede de weguitrusting. Onder weguitrusting kan men onder meer verstaan: verkeersborden, vangrails, en reflectorpaaltjes.4 Opmerking verdient dat het eerste lid nog wel een uitzondering

Ad a. Er is sprake van een gebrekkige opstal indien deze niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. Bij de invulling van de gegeven omstandigheden van het geval moet men denken aan licht en zicht, weersomstandigheden, alsmede het soort weg (autoweg of B-weg) en gerechtvaardigde verwachtingen van de weggebruiker.5 De maatstaf voor de rechter is dus tot op zekere hoogte van casuïstische aard. Wat betreft de verwachting van de weggebruiker moet deze er rekening mee houden dat wegen niet altijd in perfecte staat verkeren.6 Dit laatste geldt temeer bij winterse omstandigheden zoals gladheid

op de weg. De weggebruiker dient hier in het algemeen bedacht op te zijn en er zodoende rekening mee te houden. Hierbij is tevens van belang in hoeverre de wegbeheerder maatregelen had kunnen nemen door bijvoorbeeld een waarschuwingsbord te plaatsen. Indien de wegbeheerder op de hoogte is van een bepaald gebrek maar nalaat maatregelen te treffen – hoewel dit wel van hem mag worden gevergd – dan is aansprakelijkheid van de wegbeheerder op grond van artikel 6:174 dan wel artikel 6:162 BW niet zonder meer uitgesloten. De wegbeheerder is niet aansprakelijk wanneer voldoende duidelijk is gewaarschuwd voor bijvoorbeeld een wegversmalling of opspattende steentjes. In dat geval zal de benadeelde geen beroep toekomen op artikel 6:174 BW. Het plaatsen van waarschuwingsborden kan in zulke gevallen voorkomen dat een weg als gebrekkig wordt aangemerkt.7 Uit de parlementaire geschiedenis blijkt tevens dat men enigszins terughoudend dient te zijn met het aannemen van een gebrek. Het komt aan op de staat van onderhoud die ‘voor een weg als waarom het gaat van het betreffende overheidslichaam kan worden geëist’. De financiële armslag van de overheid kan daarbij een rol spelen, het onderhoudsniveau mag echter niet ‘beneden een aanvaardbaar peil’ dalen.8 De kernvraag voor dit artikel is hoe deze (deel)normen moeten worden ingevuld bij winterse omstandigheden. Een dergelijke zaak heeft zich voorgedaan in 1996, waarin de Hoge Raad als uitgangspunt heeft geformuleerd dat: ‘de aanwezigheid van ijzel op het wegdek niet een gebrek is in de zin van artikel 6:174’.9 In deze zaak was de eiser met zijn auto geslipt en tegen de vangrail gebotst. De weg bestond uit zeer open asfaltbeton (zoap) en was door ijzel spiegelglad geworden. De rechtbank had de ‘relatieve’ nadelen van het gebruik van zoap – namelijk eerder glad worden bij ijzel en dat het moeilijk te bestrijden is


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

REDACTIONEEL

13

disculperen van de aansprakelijkheid door te stellen dat hem geen verwijt kan worden gemaakt. Dit is de reden waarom artikel 6:174 BW ook wel een risicoaansprakelijkheid wordt genoemd.

Aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW

– meegewogen in haar oordeel dat luidde dat dit nog geen gebrek opleverde in de zin van artikel 6:174 BW. De Hoge Raad hield dit oordeel in stand. Op de overheid rust (natuurlijk) wel de algemene verplichting een adequate bestrijding van dergelijke onvolkomenheden. Dit vloeit voort uit het algemene uitgangspunt dat hierboven is geformuleerd. Echter, men mag niet van de overheid verwachten dat zijstraten of afgelegen gebieden zijn gestrooid binnen enkele uren na hevige sneeuwval, dit zou een onredelijk beslag leggen op de financiële middelen van de overheid.10 Ad b en c. De opstal dient gevaar voor personen of zaken te veroorzaken en dit gevaar moet zich verwezenlijken. Het enkele feit dat er zich een gat bevindt in de weg leidt dus nog niet tot aansprakelijkheid van de wegbeheerder. De oorzaak van het gebrek is in beginsel irrelevant. Of de schade nu is veroorzaakt door slecht onderhoud dan wel door instorting, in beide gevallen kan gelaedeerde zich op artikel 6:174 BW beroepen.11 Risicoaansprakelijkheid De oplettende lezer ziet dat voor aansprakelijkheid voor opstallen ex artikel 6:174 BW geen schuld is vereist. Niet bewezen hoeft te worden dat de wegbeheerder schuld heeft aan het feit dat de opstal gebrekkig is. De wegbeheerder kan zich dus ook niet

Mocht de aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 BW niet zal slagen, dan kan men de wegbeheerder altijd nog aanspreken op grond van deze algemene bepaling van de onrechtmatige daad. Dit zal onder andere het geval zijn indien zich vreemde voorwerpen op de weg bevinden die geen deel uitmaken van het wegdek. Omdat ze geen deel uitmaken van het wegdek kunnen ze de weg niet gebrekkig maken in de zin van artikel 6:174 BW.12 Indien zich dus bijvoorbeeld olie of een band op de weg bevindt dient de aansprakelijkheid te worden beoordeeld naar de maatstaven van artikel 6:162 BW. Wat zijn nu de maatstaven van art. 6:162 BW? Naast de vereisten, genoemd in het artikel spelen de kelderluikfactoren een grote rol bij de vraag of het (gevaarscheppend) gedrag van de wegbeheerder als onrechtmatig moet worden beschouwd.13 Onder de kelderluikfactoren wordt verstaan: de kans op schade, de aard van de gedraging, de aard en ernst van de eventuele schade en de bezwaarlijkheid/ gebruikelijkheid van het nemen van voorzorgsmaatregelen.14 Deze normen kunnen tevens een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een gebrek in de zin van artikel 6:174 BW.15 Foutaansprakelijkheid In tegenstelling tot artikel 6:174 BW gaat het hier om een foutaansprakelijkheid. Dit houdt in dat er sprake moet zijn van een toerekenbare onrechtmatige daad. Niet alleen moet worden bewezen dat de wegbeheerder een onrechtmatige daad heeft begaan, maar ook dat de wegbeheerder hieromtrent een verwijt kan worden gemaakt en deze aan hem kan

worden toegerekend. Dit is een aanmerkelijk zwaardere bewijslast voor de gelaedeerde dan bij artikel 6:174 BW.

Conclusie De wetgever is voortvarend te werk gegaan met de opneming van een risicoaansprakelijkheid van de overheid voor gebrekkige wegen. Echter dat de soep niet zo heet wordt gegeten als zij wordt opgediend blijkt uit de wijze waarop de normen in artikel 6:174 BW worden ingekleurd. Hieruit vloeit voort dat er sprake is van een delicaat evenwicht tussen enerzijds de verplichting van de overheid, anderzijds hetgeen je mag verwachten van de burger.

1 HR 20 maart 1992, NJ 1993, 547. 2 <http://www.rijkswaterstaat.nl/wegen/ feiten_en_cijfers/wegbeheer/>. 4 PG Boek 6 Inv., p. 1393-1394. 5 M.D. Spruit, Handboek personenschade, p. 13. 6 PG Boek 6 inv., p. 1394. 7 PG Boek 6 inv., p. 1394. 8 J. Spier, T. Hartlief, G.E. van Maanen, R.D. Vriesendorp, Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding, Deventer 2009, p. 114. 9 HR 3 mei 2002, NJ 2002, 465. 10 J. Spier, T. Hartlief, G.E. van Maanen, R.D. Vriesendorp, Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding, Deventer 2009, p. 115. 11 Asser-Hartkamp III, nr. 188. 12 M.D. Spruit, Handboek personenschade, p. 31-32. 13 J. Spier, T. Hartlief, G.E. van Maanen, R.D. Vriesendorp, Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding, Deventer 2009, p. 114. 14 HR 5 november 1965, NJ 1966, 136. 15 HR 26 september 2003, NJ 2003, 660.


REDACTIONEEL

JFV IN CASU - DECEMBER 2011

14

Redactioneel

Echtscheidingsproblematiek: wereldwijd of westers? Door Jim de Wolf

D

EZE IN CASU STAAT IN HET TEKEN VAN DE FEESTDAGEN. OVERAL TER WERELD VIERT MEN ZIJN FEESTDAGEN ANDERS, MAAR ÉÉN DING STAAT VAST: ALS ER EEN PERIODE IN HET JAAR IS WAARBIJ TRADITIES GEVIERD WORDEN EN DE KLASSIEKE BEELDVORMING RONDOM HET GEZIN BEVESTIGD WORDT, DAN IS HET WEL ROND KERST. ONDANKS DAT DEZE DAGEN VREDE EN FEESTVREUGDE MOETEN BRENGEN, VOELEN VEEL MENSEN DE DRUK OP HUN SCHOUDERS OM TOCH MAAR DAT PERFECTE PLAATJE COMPLEET TE KRIJGEN. DIT LEIDT TOT RUZIES EN LEGT ONDERHUIDSE GEVOELIGHEDEN BLOOT. ZO WORDEN ER IN NEDERLAND NA DE KERSTDAGEN, SAMEN MET DE PERIODE NA DE ZOMERVAKANTIE, EEN RECORDAANTAL ECHTSCHEIDINGSVERZOEKEN GEDAAN. MAAR ECHTSCHEIDINGEN ZIJN NIET ALLEEN EEN NEDERLANDS PROBLEEM, ZELFS NIET EEN EXCLUSIEF WESTERS PROBLEEM. OVERAL VINDEN ECHTSCHEIDINGEN PLAATS, ZIJ HET OP ANDERE GRONDSLAGEN EN VIA ANDERE METHODES. IN DIT ESSAY ZAL IK DEZE VERSCHILLENDE VISIES OP HET ECHTSCHEIDINGSRECHT BEHANDELEN.

Echtscheiding in de westerse wereld Het huidige civiele recht vloeit onder andere voort uit de Romeinse tijd. De Romeinse tijd kende weinig echtscheidingen, maar het was wel mogelijk. Het Romeinse civiele recht kende het adagium ‘matrimonia debent esse libera’ wat zoveel betekent als ‘het huwelijk moet vrij zijn’. Zowel de man als de vrouw konden het huwelijk laten ontbinden. Noord-Europese volkeren volgden meer hun eigen rechtspraak. Een voorbeeld hiervan is het Frankische volk. Volgens de Franken kon een verloving, wat in het Frankisch recht een zwaardere betekenis had dan het eigenlijke huwelijk, niet verbroken worden. Een eenvoudige

scheiding bestond dan ook niet binnen deze cultuur. De Frankische man mocht scheiden wanneer zijn vrouw overspel had gepleegd, abortus had gepleegd of zichzelf onvruchtbaar had proberen te maken en wanneer zijn vrouw grafschennis had gepleegd. Voor de Frankische vrouw was het schier onmogelijk om te scheiden. Bij een dergelijke verstoting werd de vrouw gewurgd en vervolgens in een moeras gegooid. De gedachte hierachter was dat deze vrouw wel overspel gepleegd zou moeten hebben om tot een dergelijke gedachte te kunnen komen. Met de val van het West-Romeinse rijk nam het belang van het Romeinse recht tijdelijk af (om later als ius commune terug

te keren). De zaken omtrent het huwelijk werden nu meer via de kerkelijke autoriteiten dan door het burgerrecht geregeld. Tot de negende eeuw was het ontbinden van een huwelijk nog aanvaard, maar door de invloed van de kerk kwam er steeds meer een taboe op echtscheiding te staan. De katholieke kerk beschouwt het huwelijk als een heilig sacrament, dat niet te ontbinden is door mensen. Dit leidde tot een algemeen echtscheidingsverbod vanaf de tiende eeuw, waarbij overspel als enige grond tot echtscheiding overbleef. Daarnaast bleven er nog enkele andere middelen om te scheiden. ‘Divortium quoad mensam et thorum’ ofwel scheiding van tafel en bed was gebruikelijk en ook de nietigverklaring van een huwelijk behoorde tot de mogelijkheden. Dit laatste kon alleen maar wanneer er bezwaren zijn die speelden op het moment van het sluiten van het huwelijk en kon alleen worden uitgesproken door een kerkelijke rechtbank. De onverbreekbaarheid werd in 1563


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

REDACTIONEEL

15

“Ook bij onverzoenbare verschillen zal de rechter niet kijken naar de bewijslast en de feiten maar genoegen nemen met een verklaring van één van beide partijen, zelfs als de tegenpartij een andere mening is toegedaan.” door het Concilie van Trente bezegeld.1 Na de reformatie werd in de protestantse landen het huwelijk als een contract tussen twee partijen gezien en op basis daarvan vonden de autoriteiten (rechtbanken) dat zij het recht hadden tot het uitvaardigen van ‘divortium quoad vinculum matrimonii’, vrij vertaald: het breken van de banden van het huwelijk. Omdat deze autoriteiten weinig ervaring hadden met echtscheidingen, grepen zij terug op de precedenten die waren geschapen door de kerkelijke rechtbanken. Aangezien een echtscheiding als sociaal onwenselijk werd beschouwd wilde de rechtbank dit alleen onder zeer strikte voorwaarden uitspreken. Pas met de verlichting veranderde de kijk op het huwelijk en werd het meer en meer als en wettelijke overeenkomst gezien. In Frankrijk werd in 1792 als eerste de mogelijkheid tot echtscheiding met wederzijdse instemming of via eenzijdig verzoek gecreeerd. Hierbij werd er voorbijgegaan aan de conservatieve inslag van de plattelandsbewoners, die familie en gezin belangrijker vonden dan het streven naar individueel geluk. De Code Civil probeerde hieraan tegemoet te komen door het huwelijk enerzijds te seculariseren en de echtscheiding met wederzijdse instemming te behouden, maar hieraan werden vervolgens wel strenge eisen verbonden. Ondanks dit alles werd de echtscheiding in Frankrijk al weer in 1816 afgeschaft en ook in andere landen kwam er al snel een einde aan de mogelijkheid tot scheiden. Door de ontwikkelingen van de negentiende eeuw bleef er echter een behoefte aan scheidingrecht bestaan en tegen het eind van de negentiende eeuw had vrijwel elk land in Europa een vorm van echtscheidingsrecht.2 Na de Tweede Wereldoorlog kwam er steeds meer behoefte aan een minder complex scheidingsrecht. Vooral in de jaren zestig

en zeventig namen de aantallen echtscheidingen exponentieel toe door het toestaan van echtscheiding met wederzijdse instemming. Momenteel bestaan er in vrijwel alle westerse landen scheidingsprocedures behalve in het Vaticaan en op de Filippijnen, waarbij moet worden aangetekend dat er in het Filippijnse parlement momenteel een harde strijd woedt om ook daar een echtscheidingsregime in te voeren.3 Hoewel er verschillende vormen van echtscheiding bestaan, zijn de meeste te herleiden tot twee vormen; de op schuld gebaseerde echtscheiding en de echtscheiding zonder schuld. In een echtscheiding zonder schuld is voor de beëindiging van het huwelijk geen enkele vorm van fout of bedrog van een van beide partijen nodig. Ook hoeft er geen bewijs van een structureel mankement in het huwelijk worden overlegd. Bijvoorbeeld in landen waarbij ‘duurzame ontwrichting’ genoeg is, zal de loutere verklaring voor de rechter voldoende zijn om te ontbinden. Ook bij onverzoenbare verschillen zal de rechter niet kijken naar de bewijslast en de feiten maar genoegen nemen met een verklaring van één van beide partijen, zelfs als de tegenpartij een andere mening is toegedaan. Aanvragen inzake deze scheidingsprocedure kunnen gezamenlijk maar ook individueel geschieden. Tot de jaren zestig was huwelijksbeëindiging op basis van schuld de meest voorkomende vorm van echtscheiding. Hierbij werden bewijsstukken verlangd van de ene partij waaruit bleek dat de andere partij een daad had verricht welke onverenigbaar was met het huwelijk. Bij het valideren van de rechtsgronden werd bepaald of deze niet kunstmatig waren. Gekeken werd of er misschien sprake was van een samenwerking van beide partijen om een scheiding te forceren, de te begane fout werd

goedgekeurd door de partner welke een rechtsgrond creëert om te scheiden, er sprake was van het forceren van overspel of andere gronden waarbij een derde betrokken is of het provoceren van de andere partij. Een op schuld gebaseerde echtscheiding is erg duur vanwege de zware consequenties en de sociale gevolgen van de vaak strafbaar gestelde scheidingsgronden. De beschuldigde partner zal er dan ook alles aan doen om de aantijgingen te ontkrachten.

Echtscheiding in de Arabische wereld In tegenstelling tot de Christelijke wereld kent de Islam al eeuwen echtscheidingsrecht. Binnen dit recht bevinden zich meerdere scholen voor jurisprudentie die de fiqh (Sharia regels) uitleggen. De twee belangrijkste stromingen binnen de Islam, de Soennieten en de Sjiieten, kennen elk een eigen interpretatie van het scheidingsrecht. De Sjiitische rechtsgeleerden vinden dat de methode van echtscheiding, welke ik hieronder zal beschrijven, een voorislamitisch gebruik is dat door Mohammed is afgeschaft en later is hersteld door Umar ibn al-Khattab (een volgeling van Mohammed en de tweede kalief der moslims), waardoor het verboden (haraam) is. De Soennitische rechtsgeleerden zijn het met deze feiten eens, maar voor hen maakt dit niet uit. Zij beschouwen de wet dus als rechtsgeldig (Halal).

Talaq of khula De Sharia kent mannen en vrouwen het recht op echtscheiding toe. Bij de mannen heet dit talaq en bij de vrouwen khula. Binnen de Soennitische school kan de man het initiatief nemen tot een scheiding proces door het drie keer uitspreken van de talaq (de formule van verstoting). De eerste twee keer dat de talaq wordt uitgesproken, kan het nog worden ingetrokken. De derde keer dat het wordt uitgesproken,


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

REDACTIONEEL

16

is de echtscheiding onherroepelijk. Hiervoor zijn geen getuigen vereist. De Sjiitische praktijk vereist twee getuigen, gevolgd door een wachttijd waar het echtpaar moet proberen zich te verzoenen met de hulp van bemiddelaars van elke familie. Als de partners de scheidingsprocedure voortijdig frustreren door bijvoorbeeld niet te voldoen aan de wachttijd, vervalt de gehele scheiding. Voor vrouwen bestaat de mogelijkheid tot het voorleggen van haar scheidingsverzoek aan de qadi, een rechter. Dit doet zij alleen als haar man weigert akkoord te gaan met de scheiding. Als deze petitie wordt ingewilligd, moet de vrouw nog een bepaalde periode, drie maanden, wachten om zeker te zijn ze niet zwanger is. Deze periode heet de iddah. Wanneer blijkt dat ze zwanger is moet ze wachten tot na de bevalling voor de scheiding wordt uitgesproken.4

Echtscheiding in de oosterse wereld Gezien de grote verscheidenheid in religie en moraal in het Verre Oosten, beperk ik mij tot het behandelen van het Chinese en Japanse echtscheidingsrecht. Het oude China kende een drietal manieren om te scheiden. Deze ontstonden tijdens de Tang dynastie (618-907). Ten eerste bestond er de mogelijkheid om te scheiden indien de man vond dat de karakters van hem en zijn vrouw botsend waren. Deze schreef dan vervolgens een scheidingsbrief. Verder kon het huwelijk nietig worden verklaard wanneer een van de partners een misdrijf had begaan tegen de familie/clan van de partner. Ten slotte bestond er nog de mogelijkheid voor de echtgenoot om eenzijdig de scheiding uit te spreken wanneer er werd voldaan aan een zevental eisen, strekkende dat de echtgenote gedienstig moet zijn, niet ziek is en zonen kan baren.5 In Japan bestond er gedurende de Edoperiode de mogelijkheid voor de man om te scheiden van zijn vrouw. Hierbij moest de man een echtscheidingsbrief schrijven waarin hij aangaf zijn vrouw te willen verstoten. Vaak werden deze echtscheidingspogingen gefrustreerd, doordat de

familie van één der partijen de brief onderschepte. Vervolgens werden er diverse pogingen ondernomen om het huwelijk weer op de rails te krijgen. Voor vrouwen was het intreden in een klooster de enige manier om, na verloop van enige jaren, van de echtgenoot de scheiden. In de negentiende eeuw eindigde één op de acht huwelijken in Japan in een scheiding.

Huidige wetgeving De huidige Chinese echtscheidingsrechtspraak is van kracht sinds de oprichting van de volksrepubliek China in 1949. Met de komst van de Nieuwe Huwelijks Wet, op één mei 1950, werd er radicaal gebroken met tot dan toe geldende reglementen omtrent het huwelijk die vaak nog stamde uit de bovengenoemde Tang dynastie. In deze nieuwe wet werd het vrouwen toegestaan om te scheiden van hun man. Dit stuitte op veel verzet, vooral in de meer rurale streken van China. Onder het regime van Mao ( 1949-1976) vonden er nauwelijk scheidingen plaats, maar in de periode van de ‘Opendeurpolitiek’ van Deng Xiaoping nam het aantal echtscheidingen rap toe.6 De verregaande vernieuwingen die China vanaf toen heeft doorgemaakt, noopte de Chinese regering er in 2003 toe enkele amendementen aan de reeds bestaande Huwelijks Wet toe te voegen welke de procedures tot aanvraag van een echtscheiding verkortte. Ook werden er enkele echtscheidingsgronden toegevoegd, zoals huwelijkse trouw en andere meer op gevoel gestoelde motieven.7 Deze nieuwe wet zorgde ervoor dat scheiden een peulenschil werd waarvoor je voor enkele euro’s binnen een paar minuten formeel uit elkaar kunt gaan. Hiertegen is op dit moment een contrabeweging gaande waarbij er wordt gefocust op het repareren van een huwelijk.8 Japan kent vier vormen van scheiding. Ten eerste kent Japan de scheiding met wederzijdse instemming, deze is eenvoudig aan te vragen bij het gemeentehuis waarbij beide echtgenoten hun instemming moeten geven. Ten tweede bestaat er scheiding door bemiddeling van een fami-

“In de negentiende eeuw eindigde één op de acht huwelijken in Japan in een scheiding.”

lierechter. Hierbij zal een rechter bemiddelen in de scheidingsperikelen totdat er een voor beide partijen aanvaardbare situatie ontstaat. Wanneer de partijen niet tot een minnelijke schikking kunnen komen, zal de familierechter zelf een beslissing nemen. Lukt het ook de familierechtbank niet tot een scheiding te komen, zal de districtsrechtbank zijn licht laten schijnen over de zaak en zal hij een bindend vonnis vellen. Interessant om te vermelden is dat buitenlanders moeten kunnen aantonen dat zij in eigen land ook zouden kunnen scheiden voordat de Japanse rechter een scheiding uitspreekt.9

Conclusie Echtscheiding is per definitie een zeer pijnlijke zaak die de mens in vrijwel alle facetten van zijn leven raakt. Ook al rust er nog steeds een fors taboe op het ontbinden van het huwelijk, toch kent haast elk land haar eigen scheidingsrecht. Te zien is dat de historische achtergronden en de overheersende religies van een land een sterke stempel drukken op de wijze waarop er met huwelijksbeëindigingen wordt omgegaan. Duidelijk is dat de vrouw over het algemeen beduidend slechter af is bij een echtscheiding, al is dat een trend die aan het omslaan is. Er wordt steeds meer gestreefd naar een minnelijke separatie van de echtgenoten waarbij er zo min mogelijk emotionele en financiële schade wordt aangebracht. 1 Ed. and trans. J. Waterworth, ‘Canons of the Council of Trent, Twenty-fourth Session’ pag. 192–232. 2 C. Asser, ‘Personen en familierecht’, pag. 456 t/m 475. 3 Art. 26 wetboek Familierecht Filippijnen. 4 D. Hinchcliffe, ‘Echtscheiding in de moslimwereld’, International Family Law, 63. 5 Sectie 5, titel 4 burgerlijk wetboek van de Republiek China, passed in 1930. 6 http://china.usc.edu/ShowArticle. aspx?articleID=592. 7 Romantic Materialism (the development of the marriage institution and related norms in China), Thinking Chinese, October 2011. 8 http://news.sina.com.cn/c/2011-0523/034922510726.shtml. 9 C.F. Goodman, ‘The rule of law in Japan: a comparative analysis’ pag.121-123.


De nieuwe JFV Kledinglijn! Broeken: 12,50 euro Vesten: 15 euro

Nu verkrijgbaar in de JFV Studiewinkel!


REDACTIONEEL

JFV IN CASU - DECEMBER 2011

18

Redactioneel

Wetsvoorstel nieuwe berekening kinderalimentatie: een voor- of achteruitgang? Door Cornelieke Moeke

E

LK JAAR ZIJN ER IN NEDERLAND VIJFTIGDUIZEND KINDEREN BETROKKEN BIJ DE SCHEIDING VAN HUN OUDERS. IN DE PRAKTIJK BLIJKT DAT VEEL OUDERS DEZE STAP TE ZETTEN IN DE WINTERMAANDEN. TERWIJL HET EIGENLIJK TIJD IS VREDIG MET WARME CHOCOLADEMELK EN KERSTKRANSJES THUIS TE ZITTEN, WORDEN VEEL GEZINNEN OVERHOOP GEHAALD. OM ER VOOR TE ZORGEN DAT DE KINDEREN VERZORGD ACHTERBLIJVEN, MOET ER EEN ONDERHOUDSBIJDRAGE WORDEN BETAALD. DIT GEBEURT IN DE REGEL DOOR DE NIET VERZORGENDE OUDER. OP DIT MOMENT IS HET NOG ZO DAT DE ALIMENTATIE WORDT VASTGESTELD NAAR RATIO VAN DE DRAAGKRACHT VAN DE OUDERS. HIER KOMT MOGELIJK VERANDERING IN. MEDE NAAR AANLEIDING VAN HET PROEFSCHRIFT VAN MEREL JONKER, DAT ZE IN JUNI 2011 SCHREEF, NEIGT DE TWEEDE KAMER NAAR INVOERING VAN EEN WET DIE GEBASEERD IS OP HET STELSEL DAT ZWEDEN EN NOORWEGEN HANTEREN. DE HUIDIGE BEREKENING IS NIET EENVOUDIG EN LEIDT DAN OOK JAARLIJKS TOT CIRCA ACHTDUIZEND PROCEDURES OVER DE VASTSTELLING EN WIJZIGING VAN DIT BEDRAG. DIT IS DE VOORNAAMSTE REDEN DAT HET HUIDIGE KINDERALIMENTATIESTELSEL OP DE SCHOP GAAT. WAT ZIJN NU EIGENLIJK DE BELANGRIJKSTE VERANDERINGEN EN WAT BETEKENT DIT CONCREET VOOR DE BETROKKENEN?

Huidig alimentatiestelsel In het huidige alimentatiestelsel valt een onderverdeling te maken tussen partneren kinderalimentatie. Op grond van artikel 1:392 lid 1 sub a en c Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bestaat de verplichting op grond van het bloed- en verwantschap tot het voorzien in het levensonderhoud voor de ouders, stiefouders en schoonouders. Deze verplichting bestaat ook voor de verwekker, evenals voor de man die met de daad die de verwekking tot gevolg had, heeft ingestemd (artikel 1:394 BW). Artikel 1:392 lid 2 BW geeft aan dat de

verplichting alleen geldt indien het kind behoeftig is, maar uitzondering op deze regel is de onderhoudsplicht van (stief) ouders jegens hun kinderen. In het geval dat er meerdere bloed- of aanverwanten zijn die op grond van artikel 1:392 BW de verplichting hebben tot het betalen van alimentatie, dan stelt art. 1:397 BW dat ze beiden gehouden zijn tot betalen van een gedeelte van het bedrag. Dit doet zich geregeld voor als er zowel een biologische vader als een stiefvader betrokken zijn. Uit jurisprudentie blijkt dat hiertussen geen rangorde bestaat.1

Ingevolge artikel 1:247 BW bestaat er een onderhoud- en verzorgingsplicht van de ouder jegens zijn minderjarige kind. Dit behelst zowel het geestelijk en lichamelijk welzijn als het helpen ontplooien van de persoonlijkheid van het kind. Uit artikel 1:392 BW blijkt dat deze plicht ook in geval van echtscheiding bestaat. Uit de onderhoud- en verzorgingsplicht vloeit de alimentatieverplichting voor minderjarige kinderen tot achttien jaar voort. Hierna bestaat er de verlengde onderhoudsplicht voor kinderen tot eenentwintig jaar, indien ze behoeftig zijn. Uit artikel 1:395 BW blijkt


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

REDACTIONEEL

19

in 2004 met het wetsvoorstel ‘Wet herziening kinderalimentatie’ al vereenvoudiging van de vaststelling van de kinderalimentatie. Dit wetsvoorstel is in 2006 ingetrokken wegens onvoldoende draagvlak in de kamer. Kritiek van de kamer op dit wetsvoorstel was met name dat er beperkte mogelijkheden waren om de vastgestelde alimentatie te wijzigen.4 Onvrede over het huidige stelsel bleef, vandaar dat op 29 september 2011 twee Kamerleden het wetsvoorstel ‘nieuwe berekening kinderalimentatie’ hebben ingediend. Naast de VVD en de PVDA, die deze twee Kamerleden vertegenwoordigen, lijkt het voorstel ook de steun van de D66 en Groenlinks te hebben.5

“Jaarlijks circa 8.000 procedures over de vaststelling en wijziging van alimentatie.” dat studerende kinderen als behoeftig worden gezien. Zij hebben recht op vergoeding van kosten van levensonderhoud en studie. De achterliggende gedachte bij kinderalimentatie is dat een kind er zo min mogelijk op achteruit dient te gaan na een echtscheiding. Er wordt getracht de levensstandaard die het kind gewend is in stand te houden. De huidige wetgeving regelt dat ouders in onderling overleg afspraken kunnen maken over de hoogte van de te betalen alimentatie. Dit wordt voorgelegd aan de rechter en die kan eventueel het bedrag bijstellen indien het onredelijk is. Hebben de ouders zich hier niet over uitgelaten in het ouderschapsplan, dan stelt de rechter zelf de hoogte vast aan de hand van de zogenaamde TREMA-normen. Hierbij geldt de hoofdregel: meer mag wel, minder niet. In beginsel wordt niet van deze norm afgeweken, tenzij de draagkracht te laag is.2 Bij het bepalen van de hoogte van de alimentatie kijkt de rechter naar drie verschillende factoren: het gezinsinkomen; de kosten van een kind en de draagkracht van de alimentatieplichtige. Indien de alimentatieplichtige ouder niet betaalt, kan de andere ouder (mits bekrachtigd door een rechter) het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (hierna: LBIO) inschakelen.3 Zoals hierboven reeds benoemd, is de huidige alimentatieberekening ingewikkeld. De door de rechtspraak ontwikkelde normen zijn niet transparant en lastig uit te leggen aan leken. Ouders vinden het nu lastig om een ‘fair’ bedrag vast te stellen. Hierdoor zijn ze aangewezen op de tussenkomst van advocaten, mediators en rechters. Dit is nadelig aangezien dit hoge kosten met zich mee kan brengen. In 2004 is er al een voorstel gedaan tot herziening van het stelsel. Voormalig minster van Justitie, Pien Hein Donner, beoogde

Zweden & Noorwegen In juni 2011 promoveerde Merel Jonker met haar proefschrift: ‘Het recht van kinderen op levensonderhoud: een gedeelde zorg’. Daarin koos zij voor een rechtsvergelijking van Nederland met Zweden en Noorwegen. De maatschappijstructuur van Nederland is namelijk vergelijkbaar met deze landen. Het tweeverdienerregime wordt als normaal gezien en veel ouders die de zorg op zich hebben genomen, ontvangen een onderhoudsbijdrage. Het blijkt dat het percentage eenouder gezinnen in Nederland, Zweden en Noorwegen vrijwel gelijk is, net als het percentage minderjarige kinderen dat recht heeft op alimentatie. Nog een overeenkomst tussen de drie landen is het streven naar gelijkwaardigheid van de ouders na scheiding; beide ouders blijven verantwoordelijk en beide ouders werken. Op dit moment heeft Nederland kenmerken van zowel een sociaal-democratisch als van een conservatief-corporatief welvaartsregime. Noorwegen en Zweden vallen in de categorie sociaal-democratisch. In Nederland vindt een langzame verschuiving plaats zodat het hoogst waarschijnlijk straks ook valt te kenmerken als sociaaldemocratisch. Dit is dan ook de reden dat deze landen als voorbeeld kunnen dienen in het vraagstuk rondom de alimentatie.6 Het recht van het kind op alimentatie is ook in Zweden en Noorwegen afhankelijk van

leeftijd. Kinderen in Nederland hebben in het huidige stelsel recht op alimentatie tot het achttiende levensjaar. In Noorwegen en Zweden is dit alleen zo als ze kunnen aantonen dat ze behoeftig zijn. In de praktijk krijgen kinderen wel alimentatie doordat men er niet vanuit gaat dat kinderen al dusdanig veel inkomsten hebben dat ze zichzelf kunnen onderhouden. Een eventuele bijbaan van het kind kan de onderhoudsbijdrage waar het nog recht op heeft wel beïnvloeden. Kinderen vanaf achttien jaar hebben in Zweden en Noorwegen alleen recht op financiële ondersteuning van hun ouders in het geval ze onderwijs volgen. Dit geldt echter niet voor al het onderwijs. Studenten die hoger onderwijs volgen moeten een bijdrage vragen van de staat. Deze bijdrage bestaat uit het recht op bijstand, wat in Nederland niet mogelijk is. In Nederland hebben kinderen tot hun eenentwintigste jaar recht op een bijdrage, vanaf eenentwintig jaar moeten ze behoeftig zijn. Hier vallen studenten niet meer onder. In Nederland is het momenteel zo dat voor de onderhoudsbijdrage voor een kind gekeken wordt naar de financiële positie van de ouders. In Zweden en Noorwegen wordt er objectief gekeken naar de kosten van een kind, afhankelijk van de leeftijd. Hierbij wordt wel rekening gehouden met eventuele extra kosten.7

Nieuwe stelsel Het nieuwe stelsel beoogt een eenvoudige berekening tot stand te brengen. Mede uit onderzoek van het TNO Onderzoeksinstituut en een enquête van het LBIO blijkt dat veel van de problemen met betrekking van het betalen van de alimentatie ontstaan door de ingewikkelde en niet begrijpbare berekening van de verschuldigde alimentatie. Jaarlijks zorgt dit er dan ook voor dat het LBIO 10.500 keer ingeschakeld wordt. Door het alimentatiestelsel te vereenvoudigen wordt verwacht dat het aantal zaken drastisch gaat dalen. Dit heeft voordelen voor zowel het individu als voor de overheid, want de gang naar de rechter is minder snel nodig. Daardoor zal er minder beroep worden gedaan op de rechtsbijstand en voorkom je kosten die samenhangen met de inschakeling van het LBIO. Ook bespaar je de kinderen een boel ellende die onenigheid over de alimentatie met zich mee kan brengen.


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

REDACTIONEEL

20

Zoals al eerder genoemd is het voornaamste doel van het nieuwe plan een vereenvoudiging van de alimentatieberekening. Om dit te bereiken, worden variabelen vervangen door forfaitaire bedragen. Ouders kunnen hierdoor zelf de alimentatie berekenen. Uitgangspunt hierbij is de behoefte van een kind op basis van de statistieken van het Centraal Bureau van de Statistiek. In de huidige wetgeving is wijziging van de omstandigheden grond voor aanpassing van de alimentatie. Straks leidt alleen overschrijding van de vastgestelde bedragen tot een aanpassing. Ouders kunnen het nieuwe bedrag zelf vaststellen, hierdoor is tussenkomst van de rechter niet meer vereist. Mochten partijen er toch niet uitkomen, dan kunnen ze het LBIO inschakelen. Wanneer één van de partijen zich hier niet in kan vinden, staat beroep open bij de rechtbank. Ouders zullen altijd iets moeten betalen, ongeacht het inkomen. Ouders zullen ook in het nieuwe stelsel alimentatie moeten betalen tot de leeftijd van achttien jaar is bereikt en dit kan worden verlengd tot de leeftijd van drieentwintig jaar indien de jongere recht heeft op studiefinanciering. Deze leeftijdsgrenzen betekenen niet dat het de ouder daarna ontslaat van de op hem rustende zorgplicht, maar een beroep op de behoeftigheid van het kind slaagt in dat geval zelden.

“Doel is vereenvoudiging van het stelsel naar Zweeds en Noors voorbeeld.” Dit brengt een kostenbesparing met zich mee en de echtscheiding verloopt voor de kinderen veel soepeler. De Kamer staat grotendeels achter dit voorstel. Het is te hopen voor alle kinderen van scheidende ouders dat dit wetsvoorstel ongeschonden wordt aangenomen.

Bronnen: HR 11 november 1994, NJ 1995, 129 www.alimentatiewijzer.nl/alimentantietremanormen.html http://www.alimentatiewijzer.nl/alimentatie-hoogte.html https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ kst-29480-9.html http://www.alimentatie.nl/page?2,1465/ actueel/wetsvoorstel_nieuwe_berekening_kinderalimentatie Merel Jonker, ‘Het recht van kinderen op levensonderhoud: een gedeelde zorg’, Boom Juridisch Uitgevers, 2011.

Conclusie Het huidige alimentatiestelsel is aan herziening toe. Jaarlijks worden er namelijk circa achtduizend procedures gevoerd met betrekking tot de vaststelling en wijziging van de alimentatie. Het huidige stelsel gaat uit van de levensstandaard die de ouders tijdens het huwelijk hebben gehanteerd. Bij echtscheiding kunnen de ouders zelf de alimentatie moeizaam vaststellen aangezien dit nodeloos ingewikkeld is. Nadat jaren geleden al een poging is gewaagd, lijkt het er dan nu op dat er wijzigingen doorgevoerd gaan worden. Het stelsel dat Zweden en Noorwegen hanteren, dient hierbij als voorbeeld. Daar gaan ze uit van forfaitaire bedragen, afhankelijk van de leeftijd van het kind. Het doel is vereenvoudiging van het stelsel zodat ouders zelf de hoogte kunnen gaan vaststellen. Dit heeft onder andere tot gevolg dat er minder vaak een rechtszaak aangespannen wordt.

1 HR 11 november 1994, NJ 1995, 129 2 www.alimentatiewijzer.nl/alimentantietremanormen.html 3 http://www.alimentatiewijzer.nl/ alimentatie-hoogte.html 4 https://zoek.officielebekendmakingen. nl/kst-29480-9.html 5 http://www.alimentatie.nl/page?2, 1465 / actueel / wetsvoorstel nieuwe berekening_kinderalimentatie 6 Merel Jonker, ‘Het recht van kinderen op levensonderhoud: een gedeelde zorg’ Boom Juridische Uitgevers, 2001, pagina 16, 17. 7 Merel Jonker, ‘Het recht van kinderen op levensonderhoud: een gedeelde zorg’ Boom Juridische Uitgevers, 2001


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

REDACTIONEEL

21

Redactioneel

De ratio van common law Door Arend Vosmaer

W

IJ HOLLANDSE RECHTENSTUDENTEN HEBBEN HET MAAR GEMAKKELIJK. ONS RECHTSSYSTEEM IS ALS EEN TELEFOONBOEK: BLADEREN NAAR HET JUISTE ARTIKEL EN JE HEBT EEN OPLOSSING. NEEM DAN COMMON LAWYERS: AVONDEN LANG PLOETEREN DOOR EEUWENOUDE RECHTSPRAAK EN DAN DIE OUDERWETSE ZEVER TOEPASSEN OP DE HUIDIGE PRAKTIJK. OF IS HET VERSCHIL TOCH SUBTIELER?

Het ontstaan van common law Het is niet mijn bedoeling om u een uiteenzetting van rechtsgeschiedenis en staatsrecht voor te leggen. Elke eerstejaars rechtenstudent krijgt hierin in Groningen uitmuntend onderwijs. Bovendien zou mijn uiteenzetting waarschijnlijk op pijnlijke wijze mijn eigen onkunde blootleggen. Wat ik wél weet, is hoe het is om te studeren in beide systemen. Ik zal dan ook putten uit mijn eigen ervaring om u een beeld te geven van de verschillen, eigenaardigheden, maar ook voordelen van common law. Om toch een globaal beeld te geven beginnen we toch even met wat geschiedenis. Groot-Brittannië is als eiland altijd enigszins geïsoleerd gebleven van externe invloeden. Toen in de twaalfde eeuw in Europa het Romeinse recht herontdekt werd1, had het land al een eigen rechtssysteem ontwikkeld: de common law. De Britten moesten niets hebben van Napoleons Code Civil, die het recht op het Europese vasteland overspoelde. De Engelse staatsinrichting vormde waarschijnlijk de inspiratie voor Montesquieus theorie van machtenscheiding2, maar juist in dit land

lijken de machten in elkaar over te vloeien. Waar in continentaal Europa de wetgeving gescheiden wordt van rechtspraak, lijkt de ruimte van de common law-rechter voor rechtsvinding geen grenzen te kennen. Hoe kan zo’n systeem rechtvaardig functioneren? Hoe kan een systeem dat vasthoudt aan uitspraken uit de middeleeuwen niet verzanden in achterhaalde principes? Dat wordt toch een chaotische rotzooi? Toch is het een succesvol systeem. Dankzij het Britse kolonialisme is de common law niet beperkt gebleven tot de grote eilanden ten westen van ons vaderland. Onder andere de Verenigde Staten, Canada, India, Australië en Nieuw-Zeeland zijn gezegend met een deze vreemde vorm van rechtspraak. Het toeval wil dat uw redacteur zich in het laatstgenoemde land bevindt en zich niet alleen bezig houdt met de zoektocht naar Kiwi’s3, maar ook met het lokale recht. Een uitgesproken kans dus om te kijken of deze Dutch guy zijn vooroordelen kan ontkrachten.

Typering In het civiele recht, zoals in Nederland, geschiedt wetgeving door de Staten-Generaal (samen met de regering) en heeft de rechter slechts de taak hieraan uitleg te geven en de wet toe te passen. De rechter maakt geen (of nauwelijks) gebruik van regels van gewoonterecht, hoewel soms wordt verwezen naar in het maatschappelijk verkeer gangbare normen. Common law gaat uit van de bindende precedentwerking van eerdere gevallen. In Latijn heet dit

stare decisis4, afgeleid van stare decisis et non quieta movere5. Een soortgelijke latere zaak wordt bijna altijd hetzelfde beslist als een eerdere zaak. Bijna, want het is mogelijk dat een eerder zaak wordt herroepen (overruled6) indien bijvoorbeeld de maatschappelijke consensus is veranderd. Uit meerdere zaken over hetzelfde probleem groeit een rechtsregel die een bredere toepassing vindt. Rechters ‘maken’ zo dus gezamenlijk het recht, buiten de wetgever om. Bovendien kijkt de rechter niet alleen naar eerdere zaken in zijn eigen land, maar wordt ook rekening gehouden met uitspraken door andere (common law) rechters. Dit is vooral sterk te merken in Nieuw-Zeeland, dat in haar geschiedenis altijd een sterke band met het Verenigd Koninkrijk heeft gehouden. Een buitenlandse uitspraak heeft geen bindende werking, maar vormt een sterk overtuigend argument. Wat ook niet bindt maar wel invloed heeft op latere zaken zijn de meningen van rechters die in minderheid waren. In Nederland blijven afwijkende standpunten binnen de raadkamer en spreekt de rechtbank altijd als één. Hoe anders is dit in de common law: ook al betreft het slechts een accent en is de uitkomst gelijk, iedere rechter die afwijkt geeft zijn eigen dissenting opinion. In zo’n dissent wordt soms een standpunt gebezigd dat in latere rechtspraak meer bijval krijgt. Het is dus belangrijk om ook afwijkende standpunten op te merken. Naast dissenting opinions geven rechters soms antwoord op méér dan waarnaar


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

REDACTIONEEL

22

burgers weinig rechtszekerheid. Het is echter niet zo simpel dat de rechter, bij een nieuw probleem, een regel verzint. De regel komt voort uit de gewoonte. De rechter probeert onder woorden te brengen wat deze gewoonte is. Door de regel van stare decisis zijn rechters in volgende zaken hieraan gebonden. De gewoonte evolueert zo naar een regel.

“Er gaat niets boven de gedetailleerde verhalen over lesbische affaires.” gevraagd werd. Dit heet obiter dictum7 en biedt tevens een leidraad voor juristen om te ‘voorspellen’ hoe rechters in de toekomst op soortgelijke vragen antwoord zullen geven. Met al deze rechterlijke vrijheden moet niet worden vergeten dat het parlement nog altijd de wetgevende macht is. Mocht de common law een kant op gaan die politiek niet gewenst is, dan is een Act of Parliament in staat om de wet alsnog anders vast te stellen.

Een juridisch fossiel? Als u zich als rechtgeaarde civilist een weg zou proberen te banen in dit systeem is het in eerste instantie onoverzichtelijk. Het lijkt ongeorganiseerd en riskant om ondemocratisch benoemde rechters de macht te geven om zelf recht vast te stellen. Bovendien is het moeilijk om dergelijke rechtsvinding te rijmen met het legaliteitsbeginsel (nulla poena sine lege).8 Als de rechter ná een gebeurtenis kan bepalen wat het toepasselijke recht inhoudt, dan hebben

Doordat zo’n grote waarde wordt gehecht aan eerdere uitspraken, komt het voor dat eindeloos wordt verwezen naar rechtspraak die ruimschoots ‘antiek’ te noemen valt. Aansprakelijkheid voor schade door de opslag van gevaarlijke goederen wordt bijvoorbeeld gebaseerd op de zaak Rylands v Fletcher9 uit 1868. Deze zaak ging over een waterreservoir boven een oude mijnschacht van de buurman, maar leidde via een reeks andere uitspraken tot een algemene regel voor risicoaansprakelijkheid. De consequentie van stare decisis is dat nu nog steeds wordt verwezen naar de letterlijke tekst van deze uitspraak. Daar komt bij dat de dissenting opinions een relevant argument kunnen vormen, dus die mogen niet worden overgeslagen. Rechters, advocaten en niet te vergeten rech-

tenstudenten zijn dus genoodzaakt al dit archaïsche Engels te ontcijferen. Dit resulteert in een overvloed aan leeswerk, wat de gemiddelde jurist natuurlijk niet zou moeten afschrikken. In een civiel rechtssysteem zouden deze regels echter zijn gecodificeerd, zodat dergelijke tijdrovende jurisprudentiële expedities voorbehouden kunnen blijven aan rechtshistorici. Altijd vasthouden aan eerdere uitspraken heeft nog een nadelig effect: als de hoogste rechter een onrechtvaardige uitspraak doet, dan wordt die juridische faux pas telkens herhaald door alle rechters, tenzij de uitspraak wordt herroepen. Het mag dan zo zijn dat dit systeem al lange tijd functioneert, maar een cynicus noemt het warrig, oud en inefficiënt.

Of een rots in de branding? Is het dan écht zo erg om rechten te studeren met dat rechtersrecht? Bestaat het dan alleen maar uit ploeteren door meters aan jurisprudentie voor één rechtsvraag? Natuurlijk niet! Al die casus geven het recht hier juist wat meer flair: er gaat niets boven de gedetailleerde verhalen over echtgenotes met buitenechtelijke lesbische affaires, allemaal onder het mom van het vinden van de rechtsregel voor schending van geheimhoudingsplicht.10 En het leeswerk dat je hier niet hebt, is dat van academische schrijvers die in hun bewonderenswaardige rechtskennis nog wel eens vergeten dat het lezen van vijfregelige zinnen niet eenieders hobby is. Je zou kunnen zeggen dat juridisch leeswerk in common law in het algemeen meer doorspekt is met grappige feiten en sappige weetjes. De casuïstische benadering biedt bovendien niet alleen vermaak, maar geeft ook ruimte voor een meer filosofische benadering. In plaats van alleen het juridische systeem toe te passen, wordt gezocht naar


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

REDACTIONEEL

23

gezet, werkt het een stuk subtieler. Alleen al het feit dat common law bestaat en ononderbroken heeft gefunctioneerd sinds de twaalfde eeuw dwingt groot respect af. Ik kan het iedereen van harte aanraden om ervaring op te doen in dit ouderwetse, langzame maar altijd vernieuwende rechtsbestel en een eigen mening te vormen.

“De gewoonte evolueert naar een rechtsregel.” een meer universele, natuurrechtelijke oplossing. Er wordt minder geleund op juridische ficties en meer gezocht naar een juiste, rechtvaardige uitkomst. Een ander voordeel van de common law is stabiliteit: rechters hebben er een hekel aan om staande jurisprudentie te herroepen en zullen altijd de voorkeur geven aan het toepassen van bestaande rechtsregels. Met die rechtsonzekerheid valt het dus wel mee: wanneer een zaak besloten is, staat het recht min of meer vast. Aan de andere kant, omdat de omstandigheden van iedere zaak anders zijn, groeit het recht als het ware mee met de maatschappij. Als het sociale gedachtegoed in de loop van de decennia is veranderd, kunnen voorheen normale uitgangspunten verouderd raken. Het is belangrijk dat het recht enigszins synchroon loopt met deze ontwikkeling. De evolutionaire ontwikkeling voorkomt voorts onverwachte gevolgen, die parlementaire wetgeving kan hebben. Voorstanders van common law beschrijven civiel recht dan ook wel eens als een systeem van ‘revoluties’: met een wetswijziging kan de

rechtspositie van grote groepen in de samenleving plotseling veranderen. Dergelijke ommezwaaien komen lang niet altijd de maatschappij ten goede. Tot slot zijn uitspraken in common law redelijk uitwisselbaar tussen verschillende landen: geregeld wordt in het NieuwZeelandse recht verwezen naar uitspraken uit (uiteraard) Engeland, maar ook uit Australië en Singapore. Als de rechtspraak van één land weinig ervaring heeft met een bepaald probleem, kan zonder al teveel verwarring worden verwezen naar overzeese rechtspraak. Dit kan omdat het recht niet afgeleid wordt uit nationale wetten, maar uit de overtuiging dat het common law een kristallisatie is van het natuurrecht. Dit leidt echter niet tot een internationale rechtseenheid: de rechter is immers niet gebonden aan buitenlandse rechtspraak. Al met al vormt het common law internationaal een grote bron van richtinggevende rechtspraak.

Conclusie De kop ‘conclusie’ suggereert dat ik ga zeggen welk systeem beter is. Helaas, zulke boude uitspraken houd ik voor mij. Uiteraard ben ik meer gewend aan het civiele recht en blijft het mij vreemd voorkomen hoe de Nieuw-Zeelandse of Engelse rechter zich bevoegd kan achten om zelf het recht uit te vinden. Maar zoals ik uiteen heb

1 R.C. Van Caenegem, The Birth of the English Common Law, Cambridge (Verenigd Koninkrijk): Cambridge 2 University Press 1988, p. 85-110. Charles Montesquieu, De L’Esprit des Loix, 1748. 3 De vogelsoort. 4 In het Engels steevast onherkenbaar uitgesproken als ‘sterrie diesaajsis’. 5 Dit betekent iets als ‘bij de beslissing blijven staan en datgene dat onberoerd is onberoerd te laten’. 6 Ik verzet mij hevig tegen de adoptie van dit woord in het Nederlands, ook al laat Van Dale het toe. 7 Redenering ten overvloede. 8 Geen straf zonder wet. 9 Rylands v Fletcher [1868] UKHL1, (1868) LR 3 HL 330. 10 A v B Plc & Another [2002], EWCA 337.


COLUMN

JFV IN CASU - DECEMBER 2011

24

Column

Fijne feestdagen en een hypocriet Nieuwjaar! Door Rogier Wennink

H

ET IS BIJNA ZOVER: DE ‘FEESTDAGEN’. DE TIJD WAARIN IEDEREEN SPREEKT OVER DIE FIJNE AVONDEN MET DE FAMILIE. DE AVONDEN DAT JE JE IN EEN OVERBEVOLKTE WINKELSTRAAT, MET DE LELIJKSTE KERSTVERSIERING, OP ZOEK GAAT NAAR WAT EIGENLIJK?! OH JA, HET ZOVEELSTE PAAR SOKKEN VOOR JE VADER WANT JE HEBT, EVENALS VORIG JAAR, ZIJN LOOTJE MET SINTERKLAAS GETROKKEN. OM VERVOLGENS THUIS TE KOMEN OM IN HET NIEUWS TE HOREN DAT HET ZOVEELSTE PIN-RECORD IS GEVESTIGD. EN DAT IN EEN TIJD DAT WE ALLEMAAL ‘ZOVEEL’ MOETEN BEZUINIGEN. WAT EEN HYPOCRIET GEDOE.

Hoe fijn het was om weer even met z’n allen bij elkaar te zijn. Je met kerstmis drie dagen lang volvreten om je na het Nieuwjaar aan te melden bij de fitnessschool. Dan wel eentje die kilometers verderop gevestigd is, zodat het nét te ver met de fiets is. Hypocriet. Het ergste zijn nog wel de types, zoals de meeste moeders, die zeggen dat de feestdagen leuk móéten zijn. Ik lach me elk jaar weer kapot om al die mensen die bijhouden van wie ze voorgaande jaren een kerstkaartje hebben gekregen. Om vervolgens een avond chagrijnig aan tafel te gaan zitten om kerstkaartjes te schrijven voor degenen die daar in aanmerking voor komen. Een soort van Idols, voor kerstkaartjes dan. En als er dan toch nog een verlaat kerstkaartje binnenkomt van Tante Annie uit de VS, moet die natuurlijk álsnog beantwoord worden. Wat dat betreft heeft de ‘netwerkgeneratie’ het een stuk makkelijker. Het internet is een uitstekende uitvinding daarvoor. Even een krabbeltje zetten op je hyvespagina. Oh nee, die hebben we net verwijderd want Hyves is ‘uit’. Dan maar een berichtje plakken op je ‘wall’ van Facebook (niet vergeten te melden dat je Hyves hebt verwijderd trouwens, ook zoiets hypocriets!). En hoppakéé, klaar is Kees. Direct iedereen een fijn Nieuwjaar gewenst, alsof dat gemeend was.

“Het zoveelste paar sokken voor je vader.”

Wat een hypocriet gedoe, kerstwensen. Net zoals Al Gore die een lezing over stervende bossen en stijgende zeespiegels houdt bij een niet nader te noemen congres in Groningen. Zelf overigens wordt ‘ie keurig voorgereden in een benzineslurpende Jaguar XJ V8, maar dat terzijde. Of een GroenLinks statenfractie die ineens vóór de bouw van een kolencentrale in Eemshaven stemt, om zo hun eigen hachje te redden. Of Geert Wilders die ‘doe even normaal man’ roept tegen onze premier Mark Rutte, terwijl die zelf waarschijnlijk niet eens weet wat normaal doen is. Of een medecolumnist die pretendeert van avontuur te houden maar vervolgens een half jaar in Ierland gaat wonen, mother of all places(!).1 Dat voorgaande voorbeelden op zich weinig hebben te maken met de feestdagen kan ik niet ontkennen, maar hypocriet zijn ze wel. Het verbaast me dan ook niks dat elk jaar weer blijkt dat na Kerstmis het aantal scheidingen explosief stijgt, lees deze In Casu er maar op na. Waarschijnlijk omdat we eindelijk eens een keer niet langs elkaar leven en met elkaar door één deur moeten kunnen. Dat blijkt dan toch ineens knap lastig. Noem me een pessimist maar persoonlijk heb ik er niet zo veel mee, de feestdagen. Dat was al wel te merken. Het zal wel te maken hebben met mijn Twentse ‘roots’ en de nuchterheid die dit meebrengt. Het enige dat ik fijn vind aan deze periode is de kou. Ja, je leest het goed, de kou. Eindelijk geen wespen die het op je biertje gemunt hebben. Muggen die je je nacht-

“Een soort Idols, voor kerstkaartjes.” rust onthouden. Zweet dat bij één stap uit je bed al in je bilnaad staat of dat als je terug komt van een avond stappen de zon al weer op is. Nee doe mij maar een gure wind met een flink pak sneeuw en de duisternis om zes uur ‘s avonds. Het liefst zo dik dat heel Nederland weer eens plat ligt (overigens heb je daar alleen maar een weeralarm voor nodig). Van dat weer dat je snakt naar een hete kop chocolademelk met zoveel mogelijk slagroom erop. En ach, nu je de bus toch in de hand hebt even iets de mond in. Dat als je ’s ochtends wakker wordt het bed niet uit wil. Niet omdat je je college anders mist maar omdat het zo lekker warm is onder de dekens. Nee doe mij de winter maar. Ten slotte wil ik alle lezers van de In Casu, hele fijne feestdagen en een gelukkig Nieuwjaar toenwensen! Ik ben even de stad in voor wat wollen sokken voor m’n vader, heb zijn lootje getrokken. Hypocriet!

1 Column In Casu – jaargang 10 – nummer 1


Op weg naar de top? Nu ben jij aan de beurt! Bij Holland Van Gijzen werken we al jaren aan de juridische top. Wij weten als geen ander dat je dit alleen bereikt door samen te werken. Wij hebben een team van toptalenten verzameld door te kijken naar individuele kwaliteiten. We hebben een sfeer gecreĂŤerd waarin deze kwaliteiten het beste tot hun recht komen. Samen word je groot. Heb jij het talent en de motivatie om ons te versterken?

Kijk voor meer informatie op www.hollandlaw.nl Holland Van Gijzen Advocaten en Notarissen LLP heeft een strategische alliantie met Ernst & Young Belastingadviseurs LLP.


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

STUDENT AND THE CITY

26

Student and the city

NUI Galway versus Rijksuniversiteit Groningen Door Tanja Schasfoort

M

OMENTEEL BEVIND IK MIJ IN DE BEVOORRECHTE SITUATIE DAT IK EEN SEMESTER AAN EEN PARTNERUNIVERSITEIT IN PLAATS VAN AAN DE RIJKSUNIVERSITEIT GRONINGEN STUDEER. DE CAMPUS WAAR IK NU MIJN DAGEN SLIJT (LEES: ENKELE UURTJES PER WEEK TE VINDEN BEN) IS DE CAMPUS VAN DE NATIONAL UNIVERSITY OF IRELAND, GALWAY. NAAST DE VELE CONTACTEN MET ANDERE INTERNATIONALE STUDENTEN HEB IK GEPROBEERD OOK EEN BEETJE TE INTEGREREN MET DE IERSE STUDENTEN. UITERAARD HAD IK HIERBIJ MIJN SCHRIJVERSGEDACHTE VOOR DE IN CASU IN MIJN ACHTERHOOFD. MIJN ULTIEME DOEL – NAAST NATUURLIJK HET FEIT DAT HET GEWOON LEUK IS OM IN CONTACT TE KOMEN MET DE LOKALE STUDENTEN – IS DAN OOK OM JULLIE EEN BEELD TE KUNNEN SCHETSEN VAN DE OVEREENKOMSTEN EN DE VERSCHILLEN TUSSEN DE NUI GALWAY EN DE RIJKSUNIVERSITEIT GRONINGEN. HOE IS DE KWALITEIT EN DE VORM VAN HET ONDERWIJS? ZIJN IERSE STUDENTEN WEZENLIJK ANDERS DAN NEDERLANDSE STUDENTEN? HOE ZIT HET QUA STUDENTENVERENIGINGEN EN SPORTMOGELIJKHEDEN? KORTOM: GEEFT HET LEVEN VOOR EEN STUDENT HIER NET ZO VEEL CRAIC (HET IERSE WOORD VOOR PLEZIER) ALS VOOR EEN STUDENT IN GRONINGEN?

De universiteit en de campus Meer dan zestienduizend studenten in Galway versus meer dan zevenentwintigduizend studenten in Groningen. De universiteit van Groningen is dus de grootste. Toch heb ik in Galway meer het gevoel van een grote universiteit dan in Groningen. Dit komt door de campus van Galway. Waar in Groningen verschillende gebouwen van de universiteit over de stad verspreid zijn, is in Galway vrijwel alles samen op één grote campus gecentreerd. Achter de Quadrangle, het oudste (en mooiste) gedeelte van de campus, gaat een heel bolwerk aan andere gebouwen, de bibliotheek, sportclubs en restaurantjes schuil. Verder zit er op de campus een kerk, een Starbucks, een Subway en een College Bar, waar op elk moment van de dag guinness, whiskey en andere alcoholische dranken geschonken worden. Wel typisch is dat om de hoek een Health Promotion Center zit, waar je dan weer terecht kunt met eventuele groeiende alcoholpro-

blemen. Toegegeven: de campus zorgt in het begin voor alle nieuwe studenten voor veel verdwaalde momentjes. Echter, zodra je niet meer continu met de universiteitsplattegrond in je handen rond hoeft te lopen en je je ogen de kost kunt geven aan het bruisende campusleven, zie je zeker de voordelen van een grote campus in. Zo kom je veel gemakkelijker in contact met studenten die andere studierichtingen doen en hoef je voor een uurtje fitness niet meer naar de andere kant van de stad te fietsen. De campus is namelijk ook voorzien van een groot sportcentrum, inclusief zwembad, sauna en stoombad. Erg lekker voordat je weer de buitenwereld in gaat, met het bijbehorende risico van een flinke “shower” (plensbui). Tegenover deze voordelen staat dan wel weer dat Galway een minder breed scala aan rechtenvakken

aanbiedt dan Groningen. De colleges die worden aangeboden zijn gelukkig wel van een prima niveau en een stuk interactiever en kleinschaliger dan in Groningen. De interactiviteit en kleinschaligheid heeft zo zijn voordelen: je neemt stof sneller op en hebt meer contact met de docenten. Maar aan de andere kant kan het ook wel lekker zijn om in Groningen anoniem op de achterste bank met het brakke hoofd een college aan te horen, zonder dat er enige input van jou wordt verwacht... Al

“Geeft het leven voor een student hier net zo veel craic als voor een student in Groningen?”


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

STUDENT AND THE CITY

27

“Een bar middenin de campus waar je op elk tijdstip van de dag een verfrissende (alcoholische) opkikker kunt krijgen.” met al geeft het sociale gebeuren van één campus voor mij de doorslag: ik kies voor de NUI Galway!

Verenigingen en sportclubs Een simpel optelsommetje van een zeer betrouwbare bron (lees: Wikipedia) leert mij dat er in Groningen tweeënveertig studentenverenigingen zijn. Daarnaast is Groningen zevenenvijftig studentensportverenigingen rijk. Klinkt heel wat, maar laten we het eens vergelijken met het aantal societies en clubs die de Ieren hier in Galway hebben. Er zijn hier vierenvijftig sportclubs en maar liefst honderdéén verschillende societies. Vooral op het gebied van societies scoort Galway dus flink wat hoger. Je zult je wel afvragen hoe er honderd één verschillende societies naast elkaar kunnen bestaan. Dit vroeg ik mij uiteraard ook af. Een middagje rondlopen op de Societies Day (hét moment van alle societies om zichzelf te presenteren en voor studenten om lid te worden) verdui-

delijkte het één en ander. Ten eerste zijn er een groot aantal in mijn ogen – sorry voor eventuele gekrenkte gevoelens – vrij bizarre societies. Om maar wat voorbeelden te noemen van societies die er in Galway wel zijn en in Groningen (naar mijn weten) niet: the Organic Gardening society, the Huston society (‘pretty much anything that will fit in a sub-sub-genre that’s what we’re into...’), the Skeptics, the Nothing Specific society and the NOM-society (‘nom nom nom’ als het geluid van eten, het gaat hier namelijk om de bakvereniging). Wat mij opvalt is dat er in Groningen meer ‘serieuze’, of in ieder geval studiegerelateerde verenigingen zijn. In Galway zijn er ook wel studieverenigingen, maar je hoort hier veel minder van dan in Groningen. Ook hebben ze veel minder leden en minder leukere activiteiten (geen maandelijkse rechtenborrel hier helaas!). Daar staat dan wel weer tegenover dat de faculteitsoverkoepelende Students’ Union in Galway

veel meer aanwezig is dan in Groningen. Meteen op de eerste introductiedag werden we al door de Students’ Union rondgeleid, ze gaven alle nieuwe studenten hun agenda, studieplanners, pennen en vele andere gadgets. Door de hele universiteit is de invloed van de Students’ Union zichtbaar: niet alleen hebben ze een eigen kantoor op de campus, maar ze hosten ook twee cafés op de campus en een winkel waar onder andere tweedehands boeken worden verkocht. Het meest geweldige dat de Students’ Union biedt is de College Bar: een bar middenin de campus waar je op elk tijdstip van de dag een verfrissende (alcoholische) opkikker kunt krijgen. Er spelen vrijwel dagelijks DJ’s en/of live-bandjes, variërend van grote namen tot studentenbandjes. In Galway is een student gemiddeld lid van 4,2 societies. Voor zover ik weet is dat heel wat meer dan in Groningen. Een ander groot verschil is dat je hier vrijwel altijd gratis van een society of sportclub lid wordt en vervolgens slechts betaalt voor activiteiten en/of feesten die georganiseerd worden. Dit is natuurlijk een goede verklaring voor het feit dat studenten van zoveel verenigingen lid zijn. Nou moet ik ook toegeven dat ik het gemiddelde ook wel erg omhoog haal met mijn vijf sportclubs en vijf societies... Nadeel van het lid worden van zoveel verschillende clubs en societies kan natuurlijk wel zijn dat je overal een beetje rondhangt en nergens écht actief wordt. Wat voor buitenlandse studenten alleen maar een pluspunt is (je kunt zo gemakkelijk veel verschillende dingen uitproberen), maar voor de totale groepsbinding is dit niet echt ideaal. Op dit punt neig ik dan toch – ondanks de grote plus voor de Students’ Union – naar Groningen.

De studenten en het nachtleven Een kritische blik in de collegezalen in Galway levert mij de volgende conclusie op: het interesseert de gemiddelde Ierse student(e) niet veel hoe hij of zij er overdag uit ziet. Het liefst loopt iedereen met een grote sweater met capuchon op de campus rond. Uiteraard heeft dit zo zijn reden: bij een spatje regen zie je iedereen de capuchon opzetten en even vrolijk doorlopen. Paraplus helpen bij winderig zeeweer toch niet en een capuchon is voor een korte maar krachtige bui de perfecte oplossing. Zodra de avond invalt verandert het straatbeeld


STUDENT AND THE CITY

JFV IN CASU - DECEMBER 2011

28

“Zodra de avond invalt verandert dit straatbeeld echter volledig.” echter volledig. De vele pubs stromen vol met studenten en in elke straat is livemuziek te horen. De typische uitgaansmuziek die we van Groningen gewend zijn is vooral te horen in de clubs, waar het pas rond een uurtje of twaalf druk wordt. In de avond zijn sweaters en waterdichte schoenen nergens meer te zien. De meiden doen volgens mij allemaal mee aan een wedstrijd wie over straat kan lopen met het kortste rokje en de hoogste hakken. Weer of geen weer, minijurkjes en hakken zijn voor een gemiddelde Ierse studente een must. Combineer dit met het feit dat de Ieren ontzettend vroeg op de avond beginnen met alcohol drinken en het resultaat: rond twaalf uur ‘s nachts (wanneer in Groningen de studenten misschien nét richting stad vertrekken) barst het van de op hoge hakken waggelende dronken studentes. Vrijwel iedereen gaat dan ook met de bus of met de taxi de stad in. Voordeel van mij als echte Nederlandse: altijd genoeg plek om mijn fiets te stallen! De uitgaanstijden in Galway zijn anders dan in Groningen. De drukte in de kroegen begint al rond acht uur en gaat meestal door tot middernacht. Vervolgens kun je doorgaan naar de clubs, maar ook

daar kom je na tweeën niet meer naar binnen. Om half drie loopt het centrum weer leeg en is de enige ‘optie’ om naar een huisfeest door te gaan. Huisfeesten zijn hier sowieso erg geliefd, al is het maar om de dure horecaprijzen (whiskey is goedkoper dan een glaasje wijn en een biertje onder de drie euro is niet te krijgen) te omzeilen. Alhoewel ik de live muziek en de vele pubs in Galway ontzettend gezellig vind, kan ik aan de andere kant de nonchalance van de Groningse studenten om in jeans en gympen de kroeg in te gaan ook zeer waarderen. Een keuze tussen Galway en Groningen op dit terrein is dus erg lastig. Een combinatie zou het beste zijn: de livemuziek en gezelligheid van de echte Ierse pubs en de bierprijs van Groningen! Concluderend kan ik dus wel stellen dat er grote verschillen zijn tussen studeren aan de NUI Galway en aan de Rijksuniversiteit Groningen. Wil je graag iets totaal nieuws proberen, de gezelligheid van een campus en van de knusse kroegjes ervaren? Wil je verder een kledingkast met aan de ene kant sweaters en aan de andere kant korte jurkjes en rokjes en wil je ook nog eens ontzettend veel mogelijkheden om societies en sportclubs uit te proberen? Dan ben jij geknipt om te studeren aan de NUI Galway. Hoeft van jou al die drukte en connecties met andere faculteitsgebouwen niet en wil jij je liever onderdompelen in één à twee grotere verenigingen, dan zit je in Groningen misschien wel beter op je plek. Zit je hier - net als ik - precies tussenin, dan heb ik maar één tip voor je: solliciteer naar een plekje voor een semester aan de NUI Galway en je hebt de tijd van je leven!


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

ACHTER DE DEUR VAN...

29

Achter de deur van...

De Accountantskamer Door Anne Dekker en Anne Meijer

S

INDS 1 MEI 2009 IS IN ZWOLLE DE ACCOUNTANTSKAMER VAN START GEGAAN. MET NIEUWE WETGEVING EN EEN NIEUWE SAMENSTELLING VAN RECHTERS EN BEROEPSLEDEN SPREEKT DE ACCOUNTANTSKAMER RECHT OVER KLACHTEN GERICHT TEGEN ACCOUNTANTS. WIJ HOREN MR. M.B. WERKHOVEN, VOORZITTER VAN DE ACCOUNTANTSKAMER, OVER EEN AANTAL ZAKEN MET BETREKKING TOT DIT TUCHTCOLLEGE.

Werkzaamheden en doelstelling van de Accountantskamer Voor bepaalde beroepsgroepen bestaat wettelijk geregeld tuchtrecht. Dat betreft beroepen die enerzijds een maatschappelijk belang vertegenwoordigen. Anderzijds betreft dit vaak hocus-pocusachtige beroepen waarvan de kwaliteit van het werk moeilijk te beoordelen dan wel te controleren is voor de gewone burger, oftewel er bestaat een kennisasymmetrie. Het beroep van een accountant is zo’n maatschappelijk belangrijk beroep, terwijl de daarmee verband houdende arbeid voor buitenstaanders niet makkelijk is te begrijpen. Daarom wordt de beoordeling van de werkzaamheden van de accountant overgelaten aan de tuchtrechter. Dat is dan ook de doelstelling van de Accountantskamer. Indien een accountant volgens een klager zijn werk niet goed heeft verricht, onderzoekt de kamer of dit het geval is.

De ontstaansgeschiedenis en samenstelling van de Accountantskamer Nadat rond 2000 één van de grootste accountantskantoren van de wereld is omgevallen wegens het bekend worden van grote fouten, gemaakt bij het controleren van jaarrekeningen, heeft de politiek besloten dat er beter en meer toezicht moest komen op het accountancyvak. Zo

mr. M.B. Werkhoven

is in Nederland de verplichting ontstaan dat accountantskantoren die jaarrekeningen controleren een vergunning van de Autoriteit Financiële Middelen (AFM) moeten bezitten. Voor deze vergunninghouders geldt ook een tweede vorm van toezicht, inhoudende dat de AFM bij de grote kantoren eens in de zoveel jaar op dossierniveau controleren of kantoren hun werk goed doen. De Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) doet dat overigens bij de kleine kantoren. Wordt het werk niet goed gedaan, dan kan de AFM respectievelijk de NBA een kantoor daar op aanspreken en, indien nodig, maatregelen nemen. Daarnaast bestond er een

“…betreft dit vaak hocus-pocusachtige beroepen…”

derde vorm van toezicht achteraf, uitgevoerd door een Haagse en Amsterdamse (waarvan professor Willems van onze faculteit de laatste voorzitter was) Raad van Tucht. Deze raden spraken recht over tuchtklachten met twee accountantsleden en één rechter en werden gefinancierd door de beroepsorganisaties zelf. Hierdoor vond de politiek dat de raden als orgaan niet onafhankelijk genoeg opereerden. Overigens werd er volgens mr. Werkhoven, zeer onafhankelijk en onpartijdig recht gedaan: het gaat dan ook alleen maar om de schijn. Als gevolg hiervan is de Accountantskamer ontstaan om met een meerderheid van rechters en zonder financiering vanuit de beroepsorganisaties recht te spreken. De Accountantskamer kan heden recht spreken in drie verschillende samenstel-


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

ACHTER DE DEUR VAN...

30

lingen. Ten eerste kan de voorzitter tot een bepaalde maatregel de zaak zelf afdoen. Indien betrokken partijen het daar niet mee eens zijn, kunnen zij in verzet komen bij de kamer. De zaak moet dan geheel opnieuw in de meervoudige kamer behandeld worden. Er is een kleine en grote meervoudige kamer. De kleine bestaat uit twee rechters en één accountant. De grote bestaat uit drie rechters en twee accountants. In de praktijk vindt de zitting meestal plaats met de grote meervoudige kamer. Mr.Werkhoven geeft daarbij aan dat de aanwezigheid van twee accountantsleden gewenst is ter voorkoming van een tunnelvisie. Over de werkwijze van accountants kan namelijk verschillend gedacht worden.

Het klachtrecht Er bestaan verschillende mogelijkheden tot het indienen van een klacht. In het algemeen kent elk accountantskantoor een eigen klachtenregeling. Zo kunnen klachten op informele wijze, intern opgelost worden. Daarnaast kan men bij de externe Klachtencommissie van de NBA een klacht aanhangig maken. De focus hierbij ligt op het nader tot elkaar brengen van klager en accountant. Mislukt dit dan oordeelt de commissie of de klacht gegrond is; zij kan echter geen sanctie opleggen. In dat geval kan de voorzitter van de NBA en de klager zelf wel alsnog een klacht bij de Accountantskamer indienen. Klagers kunnen ook direct een klacht indienen bij de Accountantskamer. Van deze weg wordt gebruik gemaakt indien klager vindt dat de accountant een openbare veeg over zijn neus verdient.

accountantszaken, het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb), zijn überhaupt geen beroepsgenoten betrokken, terwijl er bij de andere tuchtrechtsgebieden in appèl recht wordt gesproken door een meerderheid van rechters en een minderheid van beroepsgenoten. Het CBb stuit dan ook wel eens op problemen. Ze kunnen dan deskundigen benoemen die duidelijkheid kunnen geven of het CBb kan een vraagstuk terugsturen naar de Accountantskamer. De kamer oordeelt dan over die specifieke vraag.

Het tuchtrecht: strafrecht of civiel recht Het tuchtrecht van de Accountantskamer zit tussen straf- en civiel recht in. De betrokken accountant is een verdachte, die eventueel een tik op zijn neus krijgt door middel van een maatregel. Dat kan de accountant als straf ervaren. Het onderliggende feitencomplex is echter vaak civiel. Bij civiel recht gaat het om een schadevergoeding. Indien een arts het verkeerde been amputeert maakt hij een fout met als gevolg schade. Dan moeten twee vragen gesteld worden.

zich ook zodanig gedragen dat de naam of de uitoefening van het accountantsberoep geen schade wordt toegebracht. Ook moet hij het beginsel van geheimhouding handhaven. Om het volgen van deze beginselen te waarborgen, moet de accountant beoordelen of er bij de uitoefening van zijn werk een bedreiging voor deze beginselen bestaat. Als hij een waarborg kan treffen om het risico terug te brengen tot een aanvaardbaar niveau, dan moet die waarborg genomen worden. Kan dit niet dan moet hij afzien van het werk. Alle overwegingen die de accountant maakt, moet hij opnemen in zijn dossier. Aan deze wetgeving zijn 1500 pagina’s toegevoegd, bestaande uit vetgedrukte (de hard en fast rules) en niet-vetgedrukte teksten. Die 1500 pagina’s aan regels zijn soms bijzonder vaag, waardoor een fout in een klein hoekje zit. Er wordt gepoogd deze wetgeving enigszins te vergemakkelijken, maar vooralsnog zijn de regels een groot spinnenweb.

De maatregelen Ter bescherming van het maatschappelijk belang kan de Accountantskamer correctief optreden door verschillende maatregelen op te leggen. Indien een klacht gegrond is kan besloten worden geen maatregel op te leggen, wegens onvoldoende ernst van de zaak. Deze mogelijkheid staat niet in de wet, maar heeft de Accountantskamer zelf toegevoegd, vanwege het spinnenweb aan regelgeving. Daarnaast zijn er de waarschuwing, berisping, geldboete (max. € 7.600,-) en de doorhaling. Deze laatste is er in de tijdelijke en de definitieve vorm. Echter beiden zijn tijdelijk. De tijdelijke doorhaling houdt in dat je na afloop van de periode automatisch bevoegd bent om het beroep van accountant weer uit te oefenen. De definitieve doorhaling is bedoeld voor ernstige zaken, bijvoorbeeld als iemand meerdere malen grote fouten heeft gemaakt. Na afloop van de termijn moet degene zich weer aanmelden en inschrijven bij de NBA. Deze moet beoordelen of de accountant zijn beroep weer mag en kan uitoefenen. Hierbij geldt een bewijsplicht voor de accountant. Indien de NBA negatief besluit,

“…indien klager vindt dat de accountant een openbare veeg over zijn neus verdient.”

De verhouding tot andere wettelijke tuchtcolleges (voor notarissen, advocaten, medici) Ondanks dat alle tuchtcolleges over het algemeen hetzelfde werken is er één opvallend verschil. Tuchtrecht vindt plaats op twee niveaus, in eerste aanleg en in appèl. In eerste aanleg worden accountantszaken behandeld door een meerderheid van rechters en een minderheid van beroepsgenoten. Bij notarissen, advocaten en medici is dit andersom. Bij het appèlcollege in

Kan deze arts zijn beroep nog uitoefenen en wat is de schade? Dit werkt hetzelfde in de Accountantskamer. Het antwoord dat de Accountantskamer kan geven is een maatregel. De civiele rechter kan oordelen over de schade.

De beroeps- en gedragsregels Sinds 2007 heeft de accountant te maken met ‘principal based’ wetgeving. Hieruit volgt onder meer dat een accountant integer en objectief moet zijn, dat hij zijn werk deskundig en zorgvuldig uit moet voeren en altijd professioneel moet zijn. Oftewel hij moet niet alleen de wet toepassen, maar


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

ACHTER DE DEUR VAN...

31

kan de accountant bezwaar maken bij de NBA en beroep instellen bij het CBb.

De openbaarheid van zittingen en uitspraken en de functie van de pers De zittingen van de Accountantskamer zijn in beginsel openbaar, wat opmerkelijk is gezien de geheimhoudingsplicht van de accountant. Vaak wordt de accountant op het matje geroepen door een cliënt of een derde die vindt dat hij door het werk van de accountant benadeeld is. Ondanks dat de bewijslast bij klager ligt en de klacht altijd voldoende gemotiveerd moet zijn, kan een procedure gestart zijn vanwege een ‘fishing naar facts’, terwijl nog niet duidelijk is of de accountant eigenlijk wel iets verkeerd heeft gedaan. Hierdoor kan de accountant in het nauw worden gedreven gezien zijn geheimhoudingsplicht, hoewel die niet geldt bij de Accountantskamer. Om de plicht zoveel mogelijk te waarborgen, kan een zitting achter gesloten deuren plaatsvinden. Niettemin zijn de klagers dan aanwezig bij de zitting en helpt dit de accountant in zoverre niet. Een tweede optie is dat de accountant goed aan de tand wordt gevoeld door civiel een voorlopig getuigenverhoor af te nemen. Daarnaast is er tijdens zittingen altijd een journalist voor het blad ‘Accountancy News’ aanwezig. Van elke zitting wordt een verslag gemaakt dat op de website van dit blad wordt geplaatst. Zodra de klacht gegrond verklaard wordt, mag de accountant met naam en toenaam genoemd worden, aldus de Raad voor de Journalistiek. Dit is erg raar en ingrijpend aangezien de accountant nog in appèl kan gaan en daar alsnog gelijk kan krijgen. Echter zijn naam wordt wel vereeuwigd op het internet. Daarnaast mag de Accountantskamer als extra maatregel een publicatie opleggen.

aan een zaak van de Accountantskamer toegekomen. De eerste, inhoudelijk te beoordelen zaak laat al twee jaar op zich wachten. Hierdoor weet de Accountantskamer niet of ze, met haar beoordelingen en beslissingen op het goede spoor zit. Echter doordat de kamer nu twee en een half jaar bezig is, heeft het CBb wel voldoende uitspraken met bepaalde uitge-

“Het tuchtrecht van de Accountantskamer zit tussen strafrecht en civiel recht in.”

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven Bij het CBb kunnen partijen in appèl gaan tegen een beslissing van de Accountantskamer. Doordat het CBb nog zaken van de raden van tucht moet afhandelen, is het college tot nog toe niet inhoudelijk

zette lijnen, waardoor het College beter kan beoordelen of de Accountantskamer de juiste weg is ingeslagen.

Persoonlijk (red) Mr. Werkhoven heeft rechten gestudeerd aan de universiteit van Leiden. Tegelijkertijd heeft hij Economie MO gedaan (een

HBO opleiding in de Macro-economie). Na zijn afstuderen heeft hij zich aangemeld bij de Raio, waar hij helaas niet werd aangenomen. Wel wist hij een baan in de advocatuur te bemachtigen. Hij is daarin vier jaar werkzaam geweest. Omdat het rechterschap bleef kriebelen is hij, na overleg met mensen van de rechterlijke macht over vervolgstappen in zijn carrière, universitair docent (faillissementsrecht en burgerlijk procesrecht) aan de universiteit van Leiden geworden. Na ongeveer zes jaar werkervaring is hij de verkorte opleiding tot het rechterschap gaan volgen. In 1989 is hij geïnstalleerd als rechter bij de rechtbank ZwolleLelystad; enige jaren later is hij benoemd tot vice-president. Mr. Werkhoven is lid geweest van de Commissie Insolventierecht (net als professor Couwenberg en waaraan professor Verstijlen als adviseur was verbonden).Omdat hij veel in het insolventierecht heeft gewerkt, en men zo aannam dat hij wel ‘wat van cijfertjes wist’, werd hij tijdens de ontstaansperiode van de Accountantskamer, als voorzitter daarvan gevraagd.


Link up. Vind je het een spannende uitdaging om hechte relaties op te bouwen met gerenommeerde, internationale cliënten? Wil je de grenzen van je praktijkgebied verleggen naar een breed spectrum van sectoren? Heb je het talent, inzicht én de energie om de meest complexe transacties succesvol af te ronden? Link dan met Linklaters! Wij zijn een wereldwijd, toonaangevend kantoor met advocaten, notarissen en fiscalisten. We zijn altijd op zoek naar jong toptalent. Dus als jij carrière wilt maken in een open en toegankelijke omgeving, waarin pragmatisme en vernieuwend denken centraal staan, bekijk dan onze stagemogelijkheden en vacatures op www.linklatersgraduates.nl


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

PERSONAE

33

Personae

Mello Brunsema;

‘rede tot recht’ Door Thomas Meenink

M

AAR WEINIG STUDENTEN AAN DE GRONINGSE RECHTENFACULTEIT ZULLEN WETEN HOE DEZE NOU DAADWERKELIJK TOT STAND IS GEKOMEN. LAAT STAAN DAT DEZE FACULTEIT BIJNA DRIE DECENNIA OUDER IS DAN DE RIJKSUNIVERSITEIT GRONINGEN ZELF! TOEN HET GEWEST GRONINGEN NA TIJDEN VAN KOMMER EN KWEL EINDELIJK SOEVEREINITEIT VERKREEG, SPEELDE MELLO BRUNSEMA EEN SLEUTELROL IN HET OPRICHTEN VAN DE MOOISTE FACULTEIT VAN GRONINGEN.

We schrijven 28 juni 1996. De dag dat de Oekraïense grondwet van kracht gaat, maar ook de dag dat ‘Nutty Professor’ met in de hoofdrol Eddie Murphy in première gaat in de Verenigde Staten van Amerika. Deze schijnbaar grote gebeurtenissen vallen echter in het niet bij wat er die dag in Groningen plaatsvond, namelijk de herdenking van het feit dat de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van Groningen 400 jaar geleden was opgericht. Dat deze gebeurtenis een unicum was is zeer waarschijnlijk, er valt nergens op te maken dat de faculteit een dergelijke herdenkingsplechtigheid heeft gehouden. Dat dit nooit eerder is gevierd lijkt op eerste gezicht een klein raadsel, aangezien de Groningse rechtenfaculteit, op de rechtenfaculteit van de Universiteit van Leiden na, de oudste van Nederland is. Iets om trots op te zijn dus. Het ontbreken van zo’n evenement ligt bepaald niet in de aard van de Groningers, die doorgaans elke kans aanpakken om in het teken van een historische gebeurtenis het glas te heffen.

Die spaarzaamheid duidt erop dat de gebeurtenis in de loop der tijden weinig aandacht heeft getrokken en wellicht niet geheel onomstreden was. Is er eigenlijk wel rechtsgeldig een faculteit opgericht? Wat is er eigenlijk gebeurd in 1596 en hoe moet men die gebeurtenis juridisch interpreteren? Hier komt Mellaeo Brunsema, Mello in de volksmond, om de hoek kijken. Op 6 juli 1596 sprak de Appingedammer Mello Brunsema, doctor in zowel het Romeins recht als het canoniek recht, doctor utriusque iuris, een redevoering uit met de veelzeggende titel: ‘Rede ter gelegenheid van een nieuwe onderwijsinstelling, de Groninger juridische faculteit,’ ofwel in het Latijn: ‘Oratio pro nova juridicae facultatis Groningae instituta praelectione.’ 1 2 Brunsema was benoemd tot Professor Institututionum, wij zouden nu zeggen tot hoogleraar in de Inleiding in de Rechtsgeleerdheid. Het woord Institutionum duidt namelijk op de Institutiones van keizer Justinianus, die in 533 na Chr. een inleidend leerboek onder die

benaming het licht had doen zien. Het was bestemd voor de ‘naar de wetten hunkerende jongelieden’ en werd dadelijk aan het begin van het rechtenonderwijs gedoceerd. De rede van Brunsema bevat inhoudelijk niet veel nieuws. Nee, niet de inhoud van de rede is van groot belang, maar het feit dát zij is gehouden. Daarmee was namelijk de nieuw opgerichte faculteit een feit. Want wanneer we nagaan welke juridische vereisten er aan de stichting van een universiteit of van een faculteit moeten worden gesteld, dan zijn dat er niet meer dan het besluit zo’n instelling in het leven te roepen, afkomstig van een soevereine overheid, dat wil zeggen van een overheid die bevoegd is zulk een besluit te nemen. Toen Groningen, of liever gezegd Stad en Lande, werd veroverd door stadhouder Willem Lodewijk kon men pas over de stichting van een universitaire instelling gaan denken. Wegens het oorlogsgeweld en meningsverschillen tussen Stad en

“Nee, niet de inhoud van de rede is van groot belang, maar het feit dàt zij is gehouden.”


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

PERSONAE

34

“Toen Groningen, of liever gezegd Stad en Lande, werd veroverd door stadhouder Willem Lodewijk kon men pas over de stichting van een universitaire instelling gaan denken.”

“Is er eigenlijk wel rechtsgeldig een faculteit opgericht?” Land kwam men niet verder dan de oprichting van een faculteit en de benoeming van een hoogleraar in de Inleiding van het recht. Het besluit daartoe werd eind 1595 genomen. Er ligt dus een formeel juiste handeling van een soevereine overheid ten grondslag aan de stichting van de

Groningse rechtsgeleerde faculteit en er is derhalve geen enkele reden de rechtsgeldigheid ervan in twijfel te trekken. De rede van Brunsema, gehouden ten overstaan van de vertegenwoordigers van die soevereine overheid, is de verwerkelijking

van het oprichtingsbesluit en kan worden beschouwd als de inwijdingsceremonie. De nieuwe faculteit was juridisch en daadwerkelijk een feit.3

1 Mellaeo Brunsema, Oratio pro nova juridicae facultatis Groningae institua praelectione habita ad vi Julij A.S. MDXVCVI, Groningen: Rijksuniversiteit Groningen, Rechtshistorisch Instituut 1967 2 http://www.groningerarchieven.nl/ 3 Adaptatie van “400 jaar faculteit”, prof. mr. dr. J.H.A. Lokin. http://www. rjhbrink.eu/Berolini/400-jaar.htm


www.kienhuishoving.nl

Hubertusbar KienhuisHoving

J E S T U D E N T E N T I J D V E R L AT E N K O S T M O E I T E . WIJ HEBBEN DAAR BEGRIP VOOR.

BIJ ONS KRIJGT AMBITIE ALLE RUIMTE.

ENSCHEDE - OLDENZAAL

PAN THEON 25 POSTBUS 109 7500 AC ENSCHEDE TEL. (053) 480 42 00

Go East!


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

JURIDISCH ACTUEEL

36

Juridisch actueel

Het Internationaal Strafhof; een verrijking in de bestrijding van misdaden tegen de mensheid Door Daphne Dikkers

V

ANWEGE DEZE SPECIALE IN CASU, DIE IN HET TEKEN STAAT VAN DE WINTER, MAG IN HET KADER VAN KERST NATUURLIJK GEEN STUK ONTBREKEN OVER VREDE OP AARDE. NA DE START VAN DE ‘ARABISCHE LENTE’ AFGELOPEN JANUARI IN TUNESIË, IS DEZE INTUSSEN OVERGEWAAID NAAR ANDERE DELEN VAN DE ARABISCHE WERELD, WAARONDER LIBIË. INZET WAS HET AFZETTEN VAN DE LIBISCHE LEIDER MUAMMAR KHADAFI EN ZIJN REGIME. VOOR DE INTERNATIONALE GEMEENSCHAP, MAAR ZEKER OOK VOOR LIBIË ZELF, WAS ER GEEN BETER KERSTCADEAU DENKBAAR DAN EEN VERVOLGING VAN HET KHADAFI REGIME. HELAAS KAN BERECHTING VAN KHADAFI EN ZIJN LEGERLEIDER AL-SENUSSI GEEN DOORGANG VINDEN NU ZIJ TIJDENS DE STRIJD OM HET LEVEN ZIJN GEKOMEN. KHADAFI’S ZOON SAIF-ALISLAM, DIE OOK EEN BELANGRIJKE ROL IN HET REGIME VERVULDE, WORDT NOG STEEDS GEZOCHT. HET IS TE HOPEN DAT HIJ WEL WORDT BERECHT. DE EVENTUELE OPSPORING EN BERECHTING IS OPGEDRAGEN AAN HET INTERNATIONAL CRIMINAL COURT (ICC) IN DEN HAAG. HET STRAFHOF BESTAAT NOG NIET ERG LANG. AAN DE HAND VAN DE SITUATIE IN LIBIË ZAL IK EEN EN ANDER VERDUIDELIJKEN OVER DE MANIER VAN WERKEN VAN HET ICC.

Feiten Het geweld dat het regime Khadafi gebruikt heeft tegen zijn eigen bevolking, heeft tot grote ontsteltenis geleid bij de internationale gemeenschap. Het gaat immers over grove schending van mensenrechten. Dit heeft geleid tot optreden van de Veilig-

heidsraad van de Verenigde Naties (VN). De leden van de VN Veiligheidsraad (het orgaan van de VN dat toeziet op de handhaving van internationale vrede en veiligheid) hebben op 26 februari 2011 unaniem ingestemd met resolutie 1970.1 De Veiligheidsraad ontleende haar bevoegdheid

tot optreden aan hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties (het Handvest).2 In de resolutie wordt de Libische situatie, zoals dat in VN terminologie heet, vanaf 15 februari 2011 verwezen naar de openbare


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

JURIDISCH ACTUEEL

37

aanklager van het ICC. Praktisch gesproken komt het erop neer dat de Libische autoriteiten vanaf die datum verantwoordelijk worden gehouden voor misdaden tegen de mensheid. Deze misdrijven vallen onder de jurisdictie van het ICC.3

soevereiniteit (ICISS).5 Uit dit document kan de zogenaamde responsibility to protectdoctrine geabstraheerd worden. Deze doctrine komt er in het kort op neer dat een staat de verantwoordelijkheid heeft zijn bevolking te beschermen tegen genocide, etnische zuiveringen, oorlogsmisdaden en misdaden tegen de mensheid. Deze plicht tot beschermen is echter niet beperkt tot de eigen bevolking, maar geldt ten opzichte van de gehele internationale gemeenschap. Omdat Libië in casu misdaden tegen de mensheid heeft gepleegd, schendt de staat ook de beschermingsplicht ten opzichte van de internationale gemeenschap. Die neemt, in dit geval bij monde van de VN Veiligheidsraad, deze plicht over en zorgt voor de handhaving ervan.6 Door het opnemen van deze

“Een staat heeft de verantwoordelijkheid zijn bevolking te beschermen tegen genocide, etnische zuiveringen, oorlogsmisdaden en misdaden tegen de mensheid.” Resolutie 1970 en de juridische basis voor verwijzing naar het ICC Het ICC kent nog maar een korte geschiedenis. Het strafhof is in het leven geroepen door de ondertekening van het Statuut van het Internationaal Strafhof (het Statuut) door honderdtwintig staten op 17 juli 1998. Het Statuut is te kwalificeren als een multilateraal verdrag dat slechts verplichtingen schept tussen staten onderling. Het is op 1 juli 2002 inwerking getreden toen zestig naties het Statuut ook daadwerkelijk geratificeerd hebben. Libië heeft het Statuut echter nooit ondertekend. Dit is krachtens de hoofdregels van het Statuut wel noodzakelijk voor de vervolging van onderdanen van een staat.4 Er is echter een uitzondering die gevonden kan worden in artikel 13 sub b van het Statuut. Dit bepaalt dat de VN Veiligheidsraad handelend onder Hoofdstuk VII van het Handvest bevoegd is een situatie naar het ICC te verwijzen. Het maakt hierbij niet uit of een staat onderdeel uitmaakt van het Statuut. Aan dit vereiste wordt in de resolutie voldaan. Daarnaast is de preambule van resolutie 1970 opgesteld in de geest van een belangrijk rapport gemaakt door de Internationale Commissie inzake Interventie en Staats-

doctrine in de resolutie legitimeert de Veiligheidsraad haar keuze tot ingrijpen in Libië eens te meer.

De vervolging en berechting voor het ICC Uit de resolutie blijkt dat er drie leden van het Khadafi regime vervolgd worden. De openbare aanklager van het ICC heeft op 27 juni drie arrestatiebevelen verkregen, voor

Muammar Khadafi, zijn zoon Saif-al-Islam Khadafi en Abdullah al-Senussi, handelend als respectievelijk staatshoofd, eerste minister en legerleider. Helaas zijn Khadafi en al-Senussi tijdens de strijd in Libië om het leven gekomen, zodat op het moment van schrijven enkel Khadafi’s zoon Saif-alIslam nog voor het ICC kan worden berecht als hij niet ook gedood wordt. Het ICC heeft hem nog eens opgeroepen zich over te geven. In samenwerking met Interpolstaten zal er dan zorg voor worden gedragen dat hij veilig naar Den Haag wordt overgebracht. De misdrijven tegen de mensheid waar de drie van verdacht worden staan in artikel 7 van het Statuut. Het gaat om moord en vervolging van opstandelingen. Ter verheldering: het gaat hierbij slechts om misdrijven gepleegd vanaf 15 februari 2011. De openbare aanklager van het ICC, de Argentijn Luis Moreno-Ocampo, heeft op 2 maart toegezegd een onderzoek te zullen starten naar de situatie in Libië. De openbare aanklager kan een onderzoek starten op grond van artikel 15 van het Statuut. Voor wat betreft de bewijslevering zoekt hij contact met internationale organisaties van verschillende aard. In dit geval heeft hij de VN, Interpol, Afrikaanse Unie, Arabische Liga en staten gevraagd mee te werken aan zijn onderzoek.7 De president van het ICC heeft de Libische situatie vervolgens op 4 maart verwezen naar de zogenaamde ‘Pretrial Chamber’. Deze kamer van het Strafhof ziet toe op het onderzoek dat in handen is van de openbare aanklager. De openbare aanklager heeft in dit geval de bevoegd-


JURIDISCH ACTUEEL

JFV IN CASU - DECEMBER 2011

38

heid verkregen om de situatie verder te onderzoeken. De berechting vindt plaats voor de Trial Chamber bestaande uit drie rechters. Het is voor verdachten verplicht om aanwezig te zijn bij hun zaak. Een verdachte mag zich tijdens het proces laten bijstaan door advocaten, maar kan ook zijn eigen verdediging voeren. Om het gehele proces eerlijk te laten verlopen is er een aparte regeling die toeziet op de procedurele normen.8 Een van de belangrijkste normen is dat rechters uitgaan van de onschuld van de verdachte. Daarnaast worden er ook eisen gesteld aan de bewijsmiddelen. Die regels zijn voornamelijk van belang als de zaak zich nog bevindt bij de Pre-Trial Chamber. Als de rechters het bewijs voldoende overtuigend vinden voor hetgeen de verdachte is aangeklaagd, zullen zij overgaan tot bestraffing. Uit deel zeven van het Statuut blijkt dat bestraffing kan bestaan uit een (levenslange) gevangenisstraf en/of het opzetten van een fonds voor de slachtoffers.9 Er staat hoger beroep open voor zowel de openbare aanklager als de verdachte.

Conclusie Berechting van Khadafi voor de misdaden tegen de mensheid die hij tijdens de Libische opstand heeft begaan, is door zijn dood helaas een illusie geworden. Hetzelfde geldt voor al-Senussi die opereerde als legerleider van Libië. Het is daarom te hopen dat Saif-al-Islam Khadafi in leven blijft zodat hij wel berecht kan worden. Op het moment van schrijven is het onduidelijk waar deze zoon van Khadafi zich bevind. De berichtgeving hierover is tegenstrijdig.

Het is overigens nog maar de vraag of berechting voor het ICC zal plaatsvinden. Het strafhof heeft namelijk complementaire rechtsmacht. Dit houdt in dat als Libië zelf Khadafi wil vervolgen het land hiertoe ook de mogelijkheid moet krijgen. Deze regel is vastgelegd in het Statuut van het Strafhof.10 Er is een kans dat dit gebeurt De Franse president Sarkozy en de Britse premier Cameron hebben zich al voorstander verklaard van deze oplossing.11 Voorwaarde is wel dat Libië in staat is te zorgen voor een eerlijk proces. Toch verdient berechting voor het ICC mijn inziens de voorkeur boven berechting in Libië. De misdaden tegen de mensheid die hebben plaatsgevonden met goedkeuring van het Khadafi-regime zijn dermate ernstig dat het niet alleen een zaak is van Libisch belang, maar van de gehele internationale gemeenschap. Het ICC is goed uitgerust om verdachten van misdaden tegen de mensheid te berechten. De rechters en openbaar aanklager hebben betere faciliteiten en meer expertise in tegenstelling tot de Libische rechter. Bijkomend voordeel is dat de berechting letterlijk voor het oog van de wereld plaatsvindt. Hiervan gaat een afschrikkende werking uit, die anderen ervan moet weerhouden dergelijke misdrijven te plegen. Het is te hopen dat het ICC in de toekomst een grotere rol gaat spelen zodat het strafhof wereldwijd kan bijdragen aan de kerstgedachte: vrede op aard.

“Het is te hopen dat het ICC in de toekomst een grotere rol gaat spelen zodat het strafhof wereldwijd kan bijdragen aan de kerstgedachte: vrede op aard.”

1 P.H. Kooijmans e.a., Internationaal publiekrecht in vogelvlucht, tiende druk, 2008, §9.2.1, blz. 154. 2 Zie artikel 39 jo. 41 Handvest van de Verenigde Naties 3 Artt. 5 jo. 7 onder a en h Statuut van het Internationaal Strafhof. 4 Artikel 12.2 Statuut van het Internationaal Strafhof. 5 World Summit Document, A/RES/60/1, 24 oktober 2005, par. 138-139. 6 Mr. dr. G. Molier, ‘Libië en de Responsibility to Protect’, Vrede en Veiligheid 2011, nr. 40. 7 Persbericht ICC, ‘ICC Prosecutor to open an investigation in Libya’, < http://www2. icc-cpi.int/NR/exeres/3EEE2E2A-26184D66-8ECB-C95BECCC300C.htm> 8 Rules of procedure and evidence, ICC-ASP/1/3 (Artikel II-A). 9 Artt. 77 en 79 Statuut van het Internationaal Strafhof 10 Zie de preambule en artt. 1 en 17 lid1 onder b Statuut van het Internationaal Strafhof. 11 Jules Seegers, ‘Gaddafi mogelijk niet naar Strafhof, NAVO-missie verlengd’, NRC Handelsblad, 2 september 2011.


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

UITGELICHT

39

Uitgelicht

Aansprakelijkheid bij medebezit Door Femke Westra

H

ET IS BIJNA TWINTIG JAAR GELEDEN DAT DE KWALITATIEVE AANSPRAKELIJKHEDEN IN ONS WETBOEK WERDEN GEĂ?NTRODUCEERD. IN 2009 KWAM BIJ DE RECHTBANK IN DEN BOSCH DE CASUS AAN DE ORDE VAN EEN VROUW DIE ERNSTIG LETSEL OPLIEP DOORDAT EEN PILAAR WAARAAN ZIJ HAAR HANGMAT HAD BEVESTIGD OP HAAR VIEL. ZIJ STELT HAAR ECHTGENOOT ALS MEDEBEZITTER VAN DE PILAAR AANSPRAKELIJK. DEZE CASUS STAAT BEKEND ALS HET HANGMAT-ARREST. DE RECHTSVRAAG WAARMEE DE RECHTBANK EN LATER DE HOGE RAAD WERD GECONFRONTEERD, WAS OF OOK EEN BENADEELDE DIE MEDEBEZITTER IS VAN DE GEBREKKIGE OPSTAL EEN GESLAAGD BEROEP KAN DOEN OP ARTIKEL 6:174 VAN HET BURGERLIJK WETBOEK (BW). HET IS INMIDDELS RUIM EEN JAAR GELEDEN DAT DE HOGE RAAD UITSPRAAK DEED IN DEZE ZAAK DIE EEN VERRUIMING VAN HET AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT INHIELD.

Feiten Op 13 juli 2005 heeft eiseres (X) een ernstig ongeval gehad. X lag in een hangmat in de tuin bij haar huis. De hangmat had zij opgehangen aan een gemetselde pilaar. Toen X haar zoontje optilde om bij haar in de hangmat te nemen, brak de pilaar net boven de grond af en viel over haar heen. X wist nog op tijd haar zoontje uit de hangmat te tillen, maar liep bij het ongeval zelf ernstig letsel op. X zal door het ongeval haar armen en benen nooit meer kunnen gebruiken. Op 1 december 2004 zijn X en haar echtgenoot (Y) gezamenlijk eigenaar geworden van de woning waar het ongeval is gebeurd. Zij hebben een aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren afgesloten bij Achmea.

Vordering X vordert te verklaren voor recht dat Y (in zijn hoedanigheid als bezitter), jegens haar aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval en gedaagden (Y en Achmea) hoofdelijk te veroordelen tot

vergoeding van alle door X geleden en nog te lijden schade. X baseert haar vordering op artikel 6:174 lid 1 van het BW.

De beoordeling In deze zaak staat de vraag centraal of ook een benadeelde die medebezitter is van de gebrekkige opstal de risicoaansprakelijkheid van artikel 6:174 BW kan inroepen. In de wettekst of in de parlementaire geschiedenis zijn geen aanknopingspunten te vinden ter beantwoording van deze vraag. Het lijkt erop dat de wetgever aan deze mogelijkheid niet heeft gedacht. Artikel 6:174 BW betreft een risicoaansprakelijkheid. De bezitter van een opstal is aansprakelijk indien de schade een gevolg is van een gebrek aan de opstal. Aan deze in 1992 inwerking getreden bepaling ligt de al langer in de wet neergelegde denkwijze ten grondslag dat een benadeelde de mogelijkheid moet hebben schadevergoeding te vorderen van degene tot wiens vermogen de opstal hoort, zodat op de benadeelde niet het risico rust dat

niet meer achterhaald kan worden of het gebrek in de opstal is ontstaan door een fout bij de bouw of door een onderhoudsverzuim en zo ja, aan wie die fout of dat verzuim kan worden toegerekend.1 Volgens Achmea kan een medebezitter van de opstal zich niet beroepen op artikel 6:174 BW. Achmea verwijst hierbij naar een door hen ingewonnen juridisch advies van prof. mr. Oldenhuis. Naar aanleiding van het advies voeren gedaagden aan dat de norm van artikel 6:174 BW alleen de belangen beschermt van derden die schade lijden als gevolg van een gebrekkige opstal, en niet tevens de belangen van de bezitter of medebezitter zelf. Zij halen hierbij het voorbeeld aan van een bezitter die door een dakpan van zijn eigen woning wordt getroffen. In beginsel draagt ieder zijn eigen schade, tenzij de wet de vergoeding van de schade bij iemand anders legt. De getroffen bezitter kan zichzelf niet aanspreken op grond van de wet omdat je immers geen vordering tegen jezelf kan richten. Gedaagden stellen, onder verwijzing naar


UITGELICHT

JFV IN CASU - DECEMBER 2011

40

zich voor een geringe premie verzekeren tegen de gevolgen van deze wettelijke aansprakelijkheid. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat X jegens Y en Achmea in beginsel een terecht beroep doet op de aansprakelijkheid van artikel 6:174 BW, maar dat dit beroep slechts kan leiden tot een aansprakelijkheid voor maximaal 50 procent van de schade nu X als medebezitter met een aandeel van 50 procent in de opstal, dat deel van de schade zelf zal hebben te dragen.3

het advies van prof. mr. Oldenhuis, dat dit niet anders wordt indien er twee bezitters zijn en er sprake is van medebezit. Slechts een derde (niet bezitter) die schade lijdt door de gebrekkige opstal, kan een geslaagd beroep doen op artikel 6:174 BW. De rechtbank verwerpt het verweer van gedaagden. Volgens de rechtbank zal de eigenaar die tevens benadeelde is, zijn schade (slechts) moeten dragen naar rato van zijn medebezit. De rechtbank legt dit uit aan de hand van een voorbeeld. Neem nu het (fictieve) geval dat er honderd appartementseigenaren zijn en dat één van hen schade lijdt als gevolg van een gebrek in het gebouw waarin de appartementen zich bevinden. Indien in de onderlinge verhouding tussen de appartementseigenaren de risicoaansprakelijkheid van artikel 6:174 BW niet zou gelden, betekent dit dat de benadeelde eigenaar de schade voor 100% zelf moet dragen en de andere eigenaren daarin niets hoeven bij te dragen. Dat leidt tot het – naar het oordeel van de rechtbank – onwenselijke resultaat dat als een willekeurige derde schade lijdt, die schade wordt gespreid over alle eigenaren van de opstal, en dat in het geval één van de eigenaren schade lijdt, hij deze volledig zelf zal hebben te dragen.2 Het resultaat hiervan is dat de schade komt te drukken op alle eigenaren van de opstal. Dit is naar het oordeel van de rechtbank veel meer in overeenstemming met de parlementaire geschiedenis. Bovendien kan de bezitter van een opstal

Tegen dit oordeel hebben partijen (principaal en incidenteel) sprongcassatie ingesteld. Volgens de Hoge Raad moet ter beantwoording van de vraag of artikel 6:174 BW uitsluitend jegens derden een risicoaansprakelijkheid vestigt, in het bijzonder worden onderzocht of het relativiteitsvereiste (welke is neergelegd in artikel 6:163 BW) aan vergoeding van de schade in de weg staat. Volgens advocaatgeneraal Spier moet niet alleen worden gekeken naar het doel en de strekking van de aansprakelijkheidsnorm, maar ook naar “(...)de actuele maatschappelijke context, voortschrijdende inzichten, redelijkheid en dergelijke meer.”4 De Hoge Raad kijkt bij zijn beoordeling vooral naar ‘de maatschappelijke opvatting’ met inachtneming van de belangen van de partijen in deze procedure.5 Allereerst staat de Hoge Raad stil bij de algemene doelstelling van artikel 6:174 BW, welke terug te vinden is in de parlementaire geschiedenis. De benadeelde moet de mogelijkheid hebben om schadevergoeding te krijgen van degene tot wiens vermogen de opstal hoort, zonder dat benadeelde wordt belast met het vaak moeilijke onderzoek of de schade door een fout is ontstaan en zo ja, door wiens fout. De Hoge Raad acht deze beschermingsgedachte evenzeer van toepassing op de benadeelde medebezitter en kenmerkt het belang van de medebezitter, die zijn schade niet elders vergoed kan krijgen, als een zwaarwegend belang. Dat de onderhavige aanspraak zich binnen een samenlevingsverband afspeelt, vormt geen reden om een aanspraak van de medebezitter niet te honoreren.6 De Hoge Raad gaat mee in het standpunt van de rechtbank dat het uit maatschap-

pelijk oogpunt redelijker is om de schade over de bezitters te verdelen en benadrukt dat de schade die volgt uit deze wettelijke aansprakelijkheid tegen een geringe premie is te verzekeren. Als medebezitter van de opstal kan X maximaal 50 procent van de schade vergoed krijgen. De Hoge Raad concludeert dat er voldaan is aan het relativiteitsvereiste en verwerpt het (principale en incidentele) beroep.

Conclusie In dit arrest stond de vraag centraal of een benadeelde die tevens medebezitter is, een geslaagd beroep kan doen op artikel 6:174 BW. Ondanks het feit dat de kwalitatieve aansprakelijkheden al bijna twintig jaar geleden in ons BW zijn opgenomen, is deze vraag nooit eerder aan de orde geweest in de rechtspraak. De rechtbank moest dan ook rechtsvormend te werk gaan en komt tot het oordeel dat niet blijkt dat X geen geslaagd beroep kan doen op artikel 6:174 BW. De Hoge Raad onderzoekt of er voldaan is aan het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW en sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank. Ook al is de aanspraak van X jegens haar echtgenoot op juridische gronden te onderbouwen de aanspraak van een medebezitter op haar echtgenoot-medebezitter gaat toch wel erg ver. Het aansprakelijkheidsrecht is door deze uitspraak verder opgerekt nu medebezitters elkaar kunnen aanspreken voor kwalitatieve aansprakelijkheden. Het ligt in de lijn der verwachting dat het aantal claims zal stijgen. Dit zal tot gevolg hebben dat de premies van de aansprakelijkheidsverzekeringen zullen stijgen. De Hoge Raad heeft rekening gehouden met deze omstandigheid, maar vond dit van ondergeschikt belang.

1 Rb. Den Bosch 21 januari 2009, JA 2009, 52, r.o. 4.8. 2 Rb. Den Bosch 21 januari 2009, JA 2009, 52, r.o. 4.12. 3 Rb. Den Bosch 21 januari 2009, JA 2009, 52, r.o. 4.13. 4 HR 8 oktober 2010, LJN: BM6095, r.o. 4.4.1. 5 HR 8 oktober 2010, LJN: BM6095, r.o. 4.3.4. 6 HR 8 oktober 2010, LJN: BM6095, r.o. 4.3.5.


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

OPINIE

41

Opinie

Vandalen (super) snel gestraft Door Bram Zwagemakers

H

ET (SUPER)SNELRECHT IS NU AL ENIGE TIJD EEN FEIT EN IS IN DE PRAKTIJK EEN ZEER EFFICIËNT MIDDEL GEBLEKEN OM ZAKEN IN KORTE TIJD AF TE DOEN. VOORNAMELIJK IN TIJDEN WAAR IN VERHOOGDE MATE OVERTREDINGEN WORDEN GECONSTATEERD, BIJVOORBEELD TIJDENS OUD EN NIEUW, BLIJKT HET KUNNEN TOEPASSEN VAN (SUPER)SNELRECHT EEN VERADEMING TE ZIJN. MAAR ER ZITTEN OOK EEN AANTAL HAKEN EN OGEN AAN, KOMT BIJVOORBEELD HET RECHT OP EEN EERLIJK PROCES IN HET GEDING? DESALNIETTEMIN ZIET HET HUIDIGE KABINET REDEN OM HET BEREIK VERGROTEN. OM DIE AFWEGING BEHOORLIJK TE KUNNEN MAKEN IS IN DE EERSTE PLAATS UNIVERSITAIR DOCENT STRAFPROCESRECHT AAN DE RUG, MR. DR. NICO KWAKMAN GEVRAAGD TE REAGEREN OP DE VOLGENDE STELLING: ‘HET (SUPER)SNELRECHT IS EEN WAARDEVOL INSTRUMENT, WAAR MOGELIJK DIENT HET TOEPASSINGSBEREIK DAARVAN TE WORDEN VERGROOT.’ VERVOLGENS KOMT JEROEN RECOURT AAN HET WOORD, TWEEDE KAMERLID NAMENS DE PARTIJ VAN DE ARBEID EN VOORMALIG RECHTER.

Nico Kwakman Mij is gevraagd een (ongezouten) mening te geven over de stelling. Dat verzoek zal ongetwijfeld verband houden met de plannen van de regering om een nog krachtiger likop-stuk-beleid mogelijk te maken, zoals bij uitgaansgeweld tijdens de jaarwisseling. Ernstige vormen van uitgaansgeweld zullen, zelfs als het aan de regering ligt, een nieuwe grond vormen voor voorlopige hechtenis en zullen als zodanig worden toegevoegd aan de gronden van artikel 67a Wetboek van Strafvordering. Dat zal worden gekoppeld aan de voorwaarde dat de desbetreffende strafbare feiten binnen zeventien dagen en vijftien uur dienen te worden berecht. Kortom: aanhouden, vast-

houden, snelrecht en executie van de straf binnen enkele weken. Maar ook in andere opzichten wil de regering snelrecht stimuleren en – meer algemeen – bevorderen dat alle eenvoudige zaken sneller, binnen een maand, worden afgedaan. Het is de bedoeling dat politie en OM deze eenvoudige zaken in een zo vroeg mogelijk stadium zelf afdoen door middel van onderlinge afstemming, concentratie en vereenvoudiging ‘aan de voorkant’ van de strafrechtelijke keten, in nauwe samenwerking met andere ketenpartners. Dat biedt, aldus de regering, de beste garantie voor een optimaal op de verdachte toegesneden aanpak. Dat alles is mogelijk doordat het OM (en/of de

Nico Kwakman: “Een veiligheidsklep zou kunnen zijn dat (super)snelrecht alleen toelaatbaar is als vergissingen praktisch zijn uitgesloten, zoals in gevallen van heterdaad.”

politie) sinds enige tijd eenvoudige zaken zelf af kunnen doen door middel van een OM-beschikking. De snelste variant van deze voortvarende afhandeling van eenvoudige zaken is de zogenoemde ‘Zo Spoedig Mogelijkaanpak’. In diverse steden zijn inmiddels pilots van start gegaan om ervaring op te doen met deze nieuwe ZSM-aanpak. Uitgangspunt is dat op lokaal niveau persoons- en gebiedsgebonden wordt gewerkt in de zogenaamde ‘veiligheidshuizen’, waarin de verschillende ketenpartners en deskundigen fysiek met elkaar samenwerken en afspraken maken in concrete zaken. Het streven is om in onderling overleg een snelle professionele beslissing te nemen, zoals een onmiddellijke strafbeschikking, een eventuele voorgeleiding aan de R-C, (super)snelrecht, etc. In onder andere ‘Perspectief op 2015’ (de visie van het OM op de strafrechtelijke handhaving voor de komende jaren) wordt deze werkwijze nader toegelicht en uitgewerkt. Daarmee wordt beoogd binnen zes uur na de aanhouding (of binnen drie dagen in geval van inverzekeringstelling) een beslissing te nemen over de wijze van afdoening. De eventuele executie wordt bij


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

OPINIE

42

Jeroen Recourt: “Essentieel voor een volwaardige, gedragen en rechtvaardige rechtspleging is zorgvuldigheid.”

voorkeur meteen gestart, omdat een snelle afhandeling van de zaak en een snelle start van de executie kunnen bijdragen aan het corrigerende gehalte van de interventie. Het kan niet anders dan dat mijn opvatting – vanuit een zekere rechtswetenschappelijke distantie bezien – zal moeten luiden: ‘Ik juich (super)snelrecht niet zonder meer toe, maar ik wijs het ook niet zonder meer af’. Allesbehalve spectaculair en misschien ook wel een beetje laf, maar wel mijn echte ongezouten mening. Om een bekend voorbeeld maar weer eens van stal te halen: een mes is een handig en onmisbaar hulpmiddel in de keuken, maar een gevaarlijk moordwapen in het uitgaansleven. Is dat laatste dus een reden om het gebruik van messen te verbieden? In zijn algemeenheid niet natuurlijk, maar in bepaalde situaties misschien wel. Zo kan ook (super)snelrecht een effectief instrument zijn om als handhavende overheid je tanden te kunnen laten zien en een lik-op-stukbeleid te voeren met betrekking tot veel voorkomende criminaliteit die veel overlast veroorzaakt. Maar er kunnen ook grote nadelen aan kleven. Voor de meeste van die nadelen is wel een oplossing of een vorm van compensatie te bedenken, maar voor een aantal nadelen wellicht ook niet. In dat geval zullen de nadelen moeten worden afgewogen tegen de voordelen. Wat dat betreft behoor ik in ieder geval niet tot degenen die bij elk nieuw wetsvoorstel waarmee de rechtspositie van verdachten en daders enigszins wordt aangetast, of dat op gespannen voet staat met bepaalde fundamentele uitgangspunten van ons recht, al op voorhand het rechtsstatelijke gehalte daarvan ter discussie stellen.

Recht is mensenwerk. Ons recht is weliswaar stevig verankerd in een aantal van oudsher geldende fundamentele uitgangspunten, maar dat neemt niet weg dat het recht voortdurend in beweging is en voortdurend zal moeten worden afgestemd op eigentijdse problemen, inzichten en opvattingen. Want ook fundamentele uitgangspunten hebben nooit absolute gelding, zeker niet als ze moeten worden afgewogen tegen andere fundamentele beginselen of belangen (vergelijk het discriminatieverbod met het recht op vrijheid van onderwijs). Ook in verband met de plannen om een krachtiger lik-op-stukbeleid door middel van (super)snelrecht mogelijk te maken, staan bepaalde belangen, beginselen en andere factoren op gespannen voet met elkaar. Zo wordt tegenwoordig steeds meer waarde gehecht aan het recht op een eerlijk proces en het daarin besloten liggende recht op een behoorlijke verdediging, ook in de voorfase van het strafrechtelijk onderzoek (vergelijk de Salduz-ontwikkelingen). Dat kan in het gedrang komen als zaken steeds vaker via (super)snelrecht en/of door middel van de ZSM-aanpak worden afgedaan en er tevens onvoldoende maatregelen worden getroffen om de nadelige effecten die dat kan hebben voor het recht op een behoorlijke verdediging, te ondervangen. Maar afgezien daarvan is ook het recht op een behoorlijke verdediging niet ‘absoluut’ in die zin, dat het steeds moet worden afgewogen tegen andere rechten en belangen (vergelijk de beperking van het ondervragingsrecht van de verdachte met het oog op het welzijn van bijvoorbeeld het slachtoffer. Het EHRM heeft

immers vastgesteld dat een ‘fair trial’ van artikel 6 EVRM inhoudt dat er ook rekening moet worden gehouden met de belangen van derden). Zo ook zal in het kader van het (super)snelrecht de wijze waarop het recht op een behoorlijke verdediging concreet moet worden ingevuld, mede afhangen van andere beginselen en belangen. Vergelijk in dit verband de zogenaamde ‘positive obligations’ (de ‘opdracht’ van het EHRM aan de overheid om [potentiële] slachtoffers te beschermen tegen criminaliteit door middel van afschrikwekkende straffen en snel, effectief en efficiënt optreden). Naast deze en nog tal van andere relevante factoren moet ook nog worden gewezen op allerlei randvoorwaarden, zoals het gegeven dat de financiële middelen en beschikbare menskracht niet onuitputtelijk zijn. Als er dan toch moet worden gekozen, dan bij voorkeur maximale zorgvuldigheid en maximaal opgetuigde verdedigingsrechten in zaken waarbij er echt iets op het spel staat. Differentiëren is dus de boodschap. Zo zal niemand er moeite mee hebben dat iemand die te hard rijdt en wordt geflitst, een beschikking thuis gestuurd krijgt. Een lik-op-stukaanpak in zijn zuiverste vorm. Een ultieme variant van (super)snelrecht. Geen mens die zich het hoofd breekt over de vraag of de overtreder zijn verdedigingsrechten wel voldoende heeft kunnen uitoefenen, voordat hij zijn boete betaalde. Maar toch geldt ook hier: mits de overtreder maar op de één of andere manier de gelegenheid krijgt om ‘zijn recht’ te halen. Een andere veiligheidsklep zou nog kunnen zijn dat (super) snelrecht alleen toelaatbaar is als vergissingen praktisch zijn uitgesloten, zoals in geval van ontdekking op heterdaad. En ten slotte moet steeds compensatie en herstel mogelijk zijn, als het toch nog eens fout mocht gaan. Als we dan ook nog in aanmerking nemen dat met de ZSM-aanpak in combinatie met het ‘veiligheidshuis’, wordt beoogd in elke concrete zaak een optimaal op de persoon van de (jeugdige) dader toegesneden beslissing te nemen, hetgeen niet steeds tot een ‘echte’ strafrechtelijke sanctie hoeft te leiden, dan is er misschien toch wel iets


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

OPINIE

43

Tijdens en na de jaarwisseling is de werklading voor politie en justitie aanzienlijk hoger. Het snel- en supersnelrecht zijn ideale middelen om het systeem efficiënter en effectiever te laten werken, dus wil het kabinet dit middel uitbreiden. Universitair docent Nico Kwakman en Tweede kamerlid Jeroen Recourt laten hun licht over dit onderwerp schijnen.

te zeggen voor deze lik-op-stukaanpak. Kortom: moet (super)snelrecht worden afgewezen? Nee, tenzij. Moet (super)snelrecht worden toegejuicht en omarmd? Ja, mits.

Jeroen Recourt Hoe werkt jouw recht? Snel? Nee, super snel! Het recht als wasmiddel; nu nog sneller! Regering en oppositie bieden tegen elkaar op met plannen om verdachten zo snel mogelijk voor de rechter te brengen. De voor- en nadelen op een rijtje. Het huidige kabinet zet al zijn kaarten op law-and-order-maatregelen en plannetjes. Als je er maar hard op slaat dan stopt de boef vanzelf met zijn criminele gedrag. En zo niet, dan is de boef in ieder geval een tijdje van de straat, zo is de ideologie. En hoewel harder straffen in sommige gevallen gerechtvaardigd kan zijn, is het op z’n best de helft van het verhaal. De Partij van de Arbeid vindt namelijk dat het ook niet onverstandig is om naar effectiviteit te kijken. De pakkans vergroten, tijdig en met kennis van zaken ingrijpen aan het begin van de criminele carrière, dat soort zaken. Maar welke partij dan ook, iedereen is voor

snelrecht. Terecht, ideologie en bewezen effectiviteit vinden elkaar in een snelle strafrechtelijke reactie. Het leereffect is kort na het strafbare feit optimaal. Bovendien is het voor alle betrokkenen, niet in de laatste plaats voor het slachtoffer, prettig als er snel duidelijkheid volgt. Is de verdachte schuldig en welke straf moet volgen? Kamerbreed dus steun voor initiatieven op dit terrein. Ook het laatste initiatief uit de praktijk, de ZSM-aanpak heeft deze brede steun ontvangen. Logisch, want het achterliggende idee om de politie, hulpverlening en officier van justitie niet meer volgtijdelijk maar gelijktijdig te laten optreden is zo simpel en aantrekkelijk, dat je je afvraagt waarom het niet eerder is bedacht. Toch is de wens tot steeds sneller berechten niet zonder keerzijde. Essentieel voor een volwaardige, gedragen en rechtvaardige rechtspleging is zorgvuldigheid. En juist de zorgvuldigheid kan onder druk komen te staan als al in de fase van de inverzekeringstelling het dossier panklaar moet zijn voor de rechter. Heeft de politie voldoende tijd om de processen verbaal uit te werken? Is er voldoende tijd om alle getuigen te horen? Is er voldoende tijd om het tech-

nisch bewijs te realiseren? Kan de verdediging nog iets uitrichten, bijvoorbeeld alternatieve getuigen laten horen? Welke ruimte krijgt de reclassering om te adviseren over de persoon van de verdachte en mogelijke gedragsinterventies? Heeft het slachtoffer wel de tijd om zijn vordering als benadeelde partij (gemotiveerd) in te dienen? In vele gevallen zal het antwoord ‘nee’ zijn. En dan moet je het gewoon niet doen. Zorgvuldigheid voorop. Het betekent wel dat (super)snelrecht niet het wondermiddel is dat velen willen doen geloven. Het blijft beperkt tot de relatief eenvoudige zaken. En zelfs daar blijft het oppassen. Ik heb zelf voorgesteld om bij de zaken die geschikt zijn voor snelrecht de financiële vordering van het slachtoffer los te koppelen. Eerst de schuldvraag (snel) beantwoorden om later in alle rust de schade te bespreken. Verdachte is dan al dader en kan zich niet meer achter de onschuld verschuilen. Het slachtoffer heeft alle tijd om de schade te onderbouwen. Evidente schades kunnen al zijn voldaan. En misschien, heel misschien is er wat meer ruimte voor verzoening. Na (en niet in plaats van) de straf het optimale resultaat. Winst kan eveneens worden geboekt met modernisering van het proces. Uitgeschreven processen-verbaal kunnen veel korter en worden aangevuld met andere bewijsmiddelen zoals opnamen van het verhoor. Het zal niet alleen de snelheid maar de ook de kwaliteit bevorderen. Sowieso is het nu zaak snel het elektronisch dossier in te voeren. Als laatste verbeterpunt een open deur: organiseer meer snelheid in de gangbare procedure. Daar is nog veel winst te behalen. Het voorkomt dat er zaken naar het snelrecht worden verwezen die daar eigenlijk niet geschikt voor zijn. Het voorkomt dat recht onrecht wordt. ‘Nog sneller’ is immers niet altijd ‘nog beter’.


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

JFV KATERN

44

JFV Katern

Ga jij de uitdaging aan?

Juridische Faculteitsvereniging Groningen

D

E TIJD VLIEGT, DE DECEMBERMAAND IS AANGEBROKEN. DIT BETEKENT DAT JE ALWEER BIJNA HALVERWEGE JE COLLEGEJAAR BENT. JE BENT JE AAN HET VOORBEREIDEN OP DE EERSTE TENTAMENS EN ONGETWIJFELD SNAK JE NAAR DE KERSTVAKANTIE. MISSCHIEN BLIK JE ALVAST VOORUIT NAAR HET VOLGENDE HALFJAAR EN WELLICHT MAAK JE AL PLANNEN VOOR DE ZOMER.

Het komende halfjaar wil je de nodige studiepunten halen, want met de huidige regeringsplannen is lang studeren verleden tijd. Daarnaast wil je een wintersport meepakken en geld verdienen voor je zomervakantie. Ook op het gebied van je studie is er het komende halfjaar weer een hoop te kiezen. In een studentenstad als Groningen is namelijk genoeg te doen. Commissie hier, stage lopen daar, het volgen van een minor, het schrijven van je scriptie of misschien wel een bestuursjaar. Mogelijkheden te over, maar dat maakt de keuze niet makkelijker! Met name omdat de overheid voor te veel vertraging een boete in het vooruitzicht stelt. Echter, al maakt de overheid het lastig om leuke en interessante dingen te doen naast je studie, het is en blijft een pre. Niet alleen staat het goed op je cv, ook is het goed voor je eigen ontwikkeling. Waar je later ook gaat werken, niemand zit te wachten op een afgestudeerde student die keurig in vier jaar z’n studie heeft afgerond, zonder ook maar enige ervaring. Net als velen heb ook ik er voor gekozen om het één en ander naast mijn studie te doen. Zo heb ik commissie-ervaring opgedaan en juridisch advies gegeven. Wat je ook naast je studie doet, ik kan het een ieder aanraden. Naast dat het heel gezellig is, ontwikkel je jezelf enorm. Het zou jammer zijn als je deze keuzes niet meer gaat maken door de boeteregeling en de harde knip die zijn ingevoerd. Afgelopen jaar sprak ik hierover dhr. Jaap de Hoop Scheffer op de Bedrijven- en Instel-

lingendag. Hij gaf aan dat hij het heel jammer vond dat de huidige student zich zo in zijn of haar keuzes laat beperken door de boeteregeling en de harde knip. Want wat stelt een jaar extra vertraging nu voor? Natuurlijk is 3000 euro veel geld als je student bent, maar wat is dit bedrag op je hele leven? Als jij tijdens je studietijd ervaring op doet, is dat een investering waar je je hele leven de vruchten van blijft plukken. Deze ervaring kan van alles zijn: een bijbaantje, een eigen bedrijfje, een commissie of het maken van een reis. Je kunt er voor kiezen om, net als ik, een bestuursjaar bij de JFV te doen. Dit is een stap waar je goed over na moet denken, want je bent er een jaar lang fulltime mee bezig. Ik heb de keuze vorig jaar gemaakt en heb er tot de dag van vandaag geen moment spijt van gehad. Het is prettig om een jaar iets anders te doen dan studeren, maar je wel voor de Groningse rechtenstudenten in te zetten. Het is erg leerzaam en je ontplooit jezelf enorm. Door een bestuursjaar onderscheid je je van al die andere duizenden rechtenstudenten. Je verdiept je in onderwerpen die voorheen een ver-van-je-bed-show waren. Je hebt contact met het bedrijfsleven, bent verantwoordelijk voor de JFV Studiewinkel, maakt het PR beleid, begeleidt commissies of zorgt ervoor dat de financiën van de vereniging op orde blijven. Elke functie heeft z’n eigen specifieke taken, waar je elkaar van op de hoogte houdt. Voor alles ben je gezamenlijk verantwoordelijk. Dit laatste maakt een bestuursjaar heel leuk. Je bent samen

met je medebestuursgenoten een team dat steeds hechter wordt naarmate het jaar vordert. Naast alle serieuze zaken zijn er ook de nodige constitutieborrels, diesborrels en besturendagen die bezocht worden. Zo maak je als bestuurslid kennis met alle andere verenigingen in Groningen, maar ook met de zusterverengingen in de rest van Nederland. Je leert je eigen netwerk op te bouwen en leert de tradities en leden van de verengingen kennen. Tijdens besturendagen leer je kantoren beter kennen en krijg je een beter beeld van jezelf door inhoudelijke workshops. Natuurlijk staat er ook wat tegenover. Zo ontvang je een bestuursbeurs van de universiteit en ontvang je een vergoeding van de JFV. Dhr. Jaap de Hoop Scheffer nam mijn twijfel weg om een jaar ervaring op te doen. Laat die 3000 euro en de harde knip ook voor jou geen belemmering zijn en doe iets leuks naast je studie. Het maakt je studie leuker én je doet ervaring op. Ga de uitdaging aan! Graag zie ik je op één van onze activiteiten! Met vriendelijke groet, Namens het 104e bestuur der Juridische Faculteitsvereniging Groningen, Elza Lenferink Voorzitter


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

JFV KATERN COLLAGE

45

Den Haag-reis

Den Haag-reis

Algemene ledenborrel september

Algemene ledenborrel september

Algemene ledenborrel september

Algemene ledenborrel september

Den Haag-reis

Introductiekamp

Den Haag-reis

Introductiekamp


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

JFV KATERN COLLAGE

46

Introductiekamp

Introductiekamp

Openingsfeest

Openingsfeest

Openingsfeest

Schierweekend

Openingsfeest

Openingsfeest

Schierweekend

Schierweekend


De wet van Van Doorne:

Zonder ambitie ben je kansloos

Bij Van Doorne weten we hoe het hoort. We weten wat er van ons wordt verwacht, en ook hoe we die verwachtingen kunnen overtreffen. Kom je bij ons werken, dan gaan we ervan uit dat je ambitieus genoeg bent om je eigen kansen te grijpen. Dat je niet braaf blijft afwachten, maar dat je op eigen gezag en intuĂŻtie het voortouw neemt. Onze praktijk leert dat je zonder lef geen leven hebt. Kijk op www.werkenbijvandoorne.nl hoe je je talent op scherp kunt zetten. Maak kennis met je nieuwe collegaâ&#x20AC;&#x2122;s, neem een kijkje op je nieuwe werkplek en kies de toekomst die je wilt. Heb je vragen of wil je solliciteren, neem dan contact op met onze recruiter Willemijn Wille, telefoon 020 6789 338, humanresources@vandoorne.com

Van Doorne houdt je scherp

Van Doorne N.V. Afdeling Human Resources Postbus 75265 1070 AG Amsterdam


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

JFV KATERN

48

JFV Katern

Activiteitenoverzicht @Den Haag-reis In de vroege ochtend van 5 oktober vertrok een groep enthousiaste studenten vanuit Groningen richting het politieke hart van Nederland, de stad achter de duinen: Den Haag. Tijdens deze driedaagse excursie werd onder andere een bezoek gebracht aan de restitutiecommissie, de Hoge Raad der Nederlanden, het Humanity House en het kantoor van Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn. Uiteraard was er ook genoeg tijd voor ontspanning. Met een bezoek aan de Crazy Piano’s en vele andere kroegen werd het Haagse nachtleven ontdekt door de Groningse studenten.

@Eerstejaars Pubquiz en ISP-bekendmakingsborrel Op maandag 31 oktober vond de maandelijkse algemene ledenborrel van de JFV plaats in Café de Keyzer. Voorafgaand aan deze borrel vond er een Eerstejaars Pubquiz plaats in de Troonzaal onder leiding van de pubcommissie. Deze quiz werd druk bezocht en was daardoor een daverend succes! Vervolgens werden op de borrel alle geruchten en vragen omtrent de bestemming en het thema van het Internationaal Studieproject (hierna: ISP) weggenomen. Met een spectaculair filmpje werd het allemaal duidelijk: de deelnemers aan het ISP mogen zich gaan buigen over het interessante vraagstuk energierecht. Na afloop van zeven kantoorbezoeken in Nederland zullen de deelnemers het project voortzetten in de energieke stad Moskou!

@Sollicitatietrainingendag Als jij vrijdag 11 november in het Kasteel aanwezig was, dan heb jij je alle fijne kneepjes van het solliciteren eigen kunnen maken. Op deze dag vond namelijk de Sollicitatietrainingendag plaats, georganiseerd door de commissie JFV CarrièreBoard. Het thema was: ‘Are you ready for take-off?’. Door middel van enkele interessante lezingen tijdens het plenair gedeelte, een interactief forum en de nodige workshops, was iedereen aan het einde van de dag sollicitatieproof.

@EBF/JFV Kerstgala In de koude decembermaanden slaan de EBF en de JFV traditiegetrouw hun handen ineen om een geweldig Kerstgala neer te zetten. Ook dit jaar staat het gala op het programma en wel op donderdag 22 december. Dit gala is de ideale manier om na je tentamens je welverdiende vakantie in te luiden en tot in de late uurtjes door te gaan, want vrijdag de 23e is een tentamenvrije dag! Dames, ga alvast op zoek naar een fancy twenties jurk, want dit jaar is het thema: ‘The Roaring Twenties: Drink in fashion, enjoy with passion’. Heren, uiteraard zijn jullie ook welkom, het belooft een mooie avond te worden!


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

JFV CARRIEREBOARD KATERN

49

JFV CarrièreBoard Katern

‘Your Roadmap to succes’

E

EN GOED BEGIN IS HET HALVE WERK. JE ZULT HET ONGETWIJFELD EERDER HEBBEN GEHOORD EN HET KLINKT HEEL CLICHÉ. MET HET NIEUWE JAAR IN AANTOCHT IS HET WELLICHT GOED OM DAAR EENS BIJ STIL TE STAAN. TUSSEN ALLE TENTAMENDRUKTE DOOR IS JANUARI EEN GOED MOMENT OM EENS TE BEDENKEN WAT JE KOMEND JAAR WILT GAAT DOEN. WELLICHT GA JE DEZE ZOMER AFSTUDEREN EN MOET JE DUS GAAN BEDENKEN WAT JE NA JE STUDENTENTIJD GAAN DOEN. WIL JE EEN GOEDE START MAKEN DAN DIEN JE JE GOED VOOR TE BEREIDEN. HET KOMENDE HALFJAAR BIEDEN ZOWEL DE JFV ALS VEEL ADVOCATENKANTOREN JE DE MOGELIJKHEID OM JE TE ORIËNTEREN EN VOOR TE BEREIDEN OP HET WERKENDE LEVEN.

Op 11 november was de Sollicitatietrainingendag waarop studenten hun sollicitatieskills hebben kunnen verbeteren. Diverse workshops, een cv-check, een forum met recruiters en inspirerende lezingen van mensen uit het vak zorgden voor een complete dag waarop de student goed geïnstrueerd werd om een sollicitatie succesvol uit te laten pakken. Op 17 februari 2012 organiseert de JFV de grootste door studenten georganiseerde carrièrebeurs van Noord-Nederland. Op die dag vindt namelijk voor inmiddels de 21e keer de Bedrijven- en Instellingendag (BID) plaats! De Bedrijven- en Instellingendagcommissie is inmiddels al een tijd druk bezig om deze dag tot in de puntjes te organiseren. Elk jaar verklaren bekende Nederlanders, die net als jij ook rechten hebben gestudeerd, zich bereid om op de BID over hun carrière te komen spreken. Dit jaar zullen niemand minder dan mr. Corstens, mr. Houtzagers en mr. Bartels spreken over hun carrière! Aansluitend vinden, onderbroken door een lunch, verschillende workshoprondes plaats waarin de aanwezige bedrijven en instellingen zichzelf presenteren. Vervolgens kun je bij de stands op de banenmarkt een drankje drinken en een praatje maken bij de circa 40 aanwezige bedrijven

en instellingen. Bovendien is het mogelijk om gedurende de dag individuele gesprekken te voeren met recruiters van verschillende bedrijven. Voor de personen die graag een vorkje prikken met hun toekomstige werkgever is het roulerende diner een must. Na elke gang van dit diner wissel je van tafel en kantoor waardoor je in de gelegenheid wordt gesteld om met veel verschillende advocaten en recruiters te praten. Inschrijven voor de BID kan via www.jfvcarriereboard.nl! Naast de BID organiseert het JFV CarrièreBoardcommissie het hele jaar door recruitmentactiviteiten met verschillende kantoren. Zo was er in september een kennismakingsdiner met Damsté advocaten - notarissen en zullen ook in de lente enkele recruitmentactiviteiten met verschillende kantoren georganiseerd worden. Voor studenten die geïnteresseerd zijn in een klein of middelgroot kantoor in het westen van het land organiseert het JFV CarrièreBoardcommissie in maart voor de 2e keer de JFV CarrièreTour. In twee dagen kan jij op een ontspannen manier kennismaken met de kantoren en haar mensen: een ideale manier om in een korte tijd bij verschillende kantoren binnen te kijken! Ben jij geïnteresseerd in een dergelijk kantoor? Houd dan vanaf februari de JFV CarrièreBoard Website in de gaten.

Dan rest mij niets meer dan je fijne feestdagen te wensen en een succesvol Nieuwjaar. Stel je doelen voor volgend jaar en zorg dat ze werkelijkheid worden! Met vriendelijke groet, Jesse Trommel Commissaris JFV CarrièreBoard


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

JFV CARRIEREBOARD KATERN

50

Recruitmentagenda Instantie/Activiteit

Datum

Deadline inschrijven

Meer Informatie

Eversheds Faasen Kennismakingslunch

12 januari 2012

6 januari 2012

www.eversheds.nl/nl/careers

NautaDutilh Experience NautaDutilh: Tax

26 januari 2012

20 januari 2012

recruitment@nautadutilh.nl

De Brauw Blackstone Westbroek The Double: Transactiepraktijk

1 - 4 februari 2012

6 januari 2012

www.werkenbijdebrauw.nl

Clifford Chance Legal Lunch Lounge

6 februari 2012

zie website

www.ontdekcliffordchance.nl

Loyens & Loeff Case Fondue Zürich

8 - 10 februari 2012

1 januari 2012

www.loyensloeffacademy.nl

Simmons & Simmons Around the World in 100 Days - Asia

9 februari 2012

30 januari 2012

www.werkenbijsimmons.nl

Freshfields Bruckhaus Deringer Corporate Notary Law Course

15 - 16 februari 2012

27 januari 2012

www.werkenbijfreshfields.nl

De Brauw Blackstone Westbroek The Double: Procespraktijk

22 - 25 februari 2012

6 januari 2012

www.werkenbijdebrauw.nl

NautaDutilh Experience NautaDutilh: Notariaat

23 februari 2012

17 februari 2011

recruitment@nautadutilh.nl

Clifford Chance Legal Lunch Lounge

5 maart 2012

zie website

www.ontdekcliffordchance.nl

Trip Advocaten & Notarissen Trip Talentendag

16 maart 2012

2 maart 2012

www.kijkjeindekeukenbijtrip.nl

Clifford Chance Legal Lunch Lounge

2 april 2012

zie website

www.ontdekcliffordchance.nl

Simmons & Simmons Around the World in 100 Days - Middle East

12 april 2012

2 april 2012

www.werkenbijsimmons.nl

Holland Van Gijzen Advocaten en Notarissen Masterclass New York

19 - 23 april 2012

zie website

www.werkenbijhvg.nl

NautaDutilh Masterclass NautaDutilh

19 - 21 april 2012

5 maart 2012

www.werkenbijnautadutilh.l

Freshfields Bruckhaus Deringer Corporate Law Course

26 - 27 april 2012

9 april 2012

www.werkenbijfreshfields.nl

Clifford Chance Masterclass”Select Class”

8 - 11 mei 2012

zie website

www.ontdekcliffordchance.nl

NautaDutilh Experience NautaDutilh: Verschil moet er zijn

24 mei 2012

18 mei 2012

recruitment@nautadutilh.nl

Clifford Chance Legal Lunch Lounge

4 juni 2012

zie website

www.ontdekcliffordchance.nl

NautaDutilh Experience NautaDutilh: Banking & Finance

7 juni 2012

1 juni 2012

recruitment@nautadutilh.nl

JANUARI

FEBRUARI

MAART

APRIL

MEI

JUNI


Maak kennis met je nieuwe carrière Dirkzwager is altijd op zoek naar ambitieuze professionals. Juristen die een stap verder willen gaan, die hun kennis willen verbreden en delen. Om dat laatste draait het bij ons. We delen onze juridische kennis met onze cliënten en elkaar, zodat we samen sterker staan. Kennis ontwikkelen staat daarom hoog in het vaandel. We bieden dan ook uitstekende opleidingsmogelijkheden binnen en buiten onze Dirkzwager Academy. Maar ook door te werken aan uitdagende (internationale) projecten voor mooie cliënten. Daarnaast heb je altijd toegang tot brede juridische kennis die jij en je collega’s delen via onder andere onze eigen kennispagina’s, juridische (digitale) bibliotheken en de Dirkzwager KennisApp. Dirkzwager is een veelzijdig, landelijk top-20 kantoor. We werken voor grote en middelgrote bedrijven, overheden, instellingen en particulieren, op de meest uiteenlopende rechtsgebieden. Ons kantoor heeft vestigingen in Arnhem en Nijmegen en telt ca. 260 medewerkers, waarvan 110 juristen die zich thuis voelen in een professionele en collegiale werkomgeving.

Kom kennis maken en kennis delen bij Dirkzwager. Kijk op www.dirkzwager.nl voor de actuele vacatures en studentenstages.


Van duurzame ideeĂŤn een zakelijk succes maken vraagt om businesswise studenten

BEN JIJ

ISE BUSINESSOW D R E GENOEG VO OLLO GLOBAL AP E EXPERIENC 2012?

Dit is geen standaard business course of masterclass van een paar dagen. Het is de Global Apollo Experience van Allen & Overy. DĂŠ kans om ervaring op te doen op het allerhoogste niveau binnen de advocatuur. Gedurende vier maanden werk je aan een internationale case waarbij je echt laat zien wat je waard bent. Het onderwerp: windhandel. Jij strijdt met je team om de overname van een wereldwijde onderneming in verplaatsbare windmolenparken. Businesswise genoeg voor een duurzame toekomst? Schrijf je in op businesswiseadvocaten.nl


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

INHOUDELIJKE BIJDRAGEN

53

Inhoudelijke bijdragen

Ontmoet Allen & Overy Antoine Schijf (advocaat-stagiaire Employment)

T

WEE EN EEN HALF JAAR GELEDEN BEN IK ALS ADVOCAAT-STAGIAIR BEGONNEN BIJ ALLEN & OVERY. NA EEN KLEINE TWEE JAAR OP DE AFDELING BANKING TE HEBBEN GEZETEN, BEN IK VOOR MIJN WISSEL NAAR DE AFDELING EMPLOYMENT ‘VERHUISD’. HIER WERK IK NU IN EEN TEAM BESTAANDE UIT 2 PARTNERS, 1 COUNSEL EN 14 ADVOCATEN.

Waar Banking wordt gezien als een transactie- of adviespraktijk, wordt Employment beschouwd als een procespraktijk.

De praktijk Een groot deel van de praktijkgroep Employment heeft te maken met allerlei vraagstukken rondom ontslag. Zo staan wij cliënten regelmatig bij in ontbindingen van individuele arbeidsovereenkomsten voor de rechter. Wij schrijven in dergelijke zaken een ontbindingsverzoek aan de hand van informatie die wij van de cliënt, doorgaans de werkgever, krijgen. Ook adviseren wij bij het opzeggen van arbeidsovereenkomsten. Indien een werkgever de arbeidsovereenkomst met een werknemer wenst op te zeggen, komen er twee rechtsregimes om de hoek kijken: het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA) en titel 10 van Boek 7 BW. In beginsel zal de werkgever een vergunning van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) nodig hebben om een arbeidsovereenkomst op te kunnen zeggen. Dit geldt niet bij een opzegging tijdens proeftijd, een ontslag op staande voet (opzegging wegens dringende reden) of een opzegging tijdens faillissement: in die gevallen kan zonder vergunning worden opgezegd. Als de werkgever de vergunning heeft gekregen, moet hij nog rekening houden met de opzegver-

boden uit het arbeidsrecht, moet de opzegging regelmatig geschieden (wat inhoudt dat specifieke opzegtermijnen gelden), en mag de opzegging niet kennelijk onredelijk zijn. Naast deze proceszaken staan wij cliënten ook bij in verschillende soorten (kort) gedingen. Wanneer in een arbeidsovereenkomst een concurrentiebeding (artikel 7:653 BW) is opgenomen en de werknemer houdt zich hier niet aan – door bijvoorbeeld na zijn ontslag meteen bij de concurrent te gaan werken – dan wil een werkgever zo snel en effectief mogelijk actie ondernemen. Hij zou dan in een kort geding een voorlopige voorziening kunnen uitlokken. Ook bij stakingen of de intentie om te gaan staken, zal de werkgever adequaat moeten reageren. Als onderhandelen dan niet meer tot een oplossing kan leiden, stapt de werkgever nog wel eens naar de rechter om in een kort geding een (mogelijke) staking te laten verbieden. Hierin kunnen wij de werkgever ook bijstaan. Een enkele keer spelen procedures, waar wij onze cliënten bij staan, zich af bij de Ondernemingskamer van het Hof Amsterdam. Voor een limitatief aantal voorgenomen besluiten zal de ondernemer

naar de ondernemingsraad (OR) moeten stappen voor advies. Welke besluiten dat precies zijn, staat opgesomd in artikel 25 lid 1 van de Wet op de Ondernemingsraden. Wanneer de ondernemer na het adviestraject uiteindelijk een besluit neemt, dat afwijkt van het gegeven OR-advies, dan heeft de OR de mogelijkheid om tegen dat besluit beroep in te stellen bij de Ondernemingskamer. Dan mag het besluit dus ook nog niet worden c.q. zijn uitgevoerd. Als dergelijke situaties zich voordoen, staan wij (over het algemeen) de ondernemer bij voor de Ondernemingskamer. Zoals je hiervoor hebt kunnen lezen, wordt er op onze afdeling Employment dus in veel verschillende disciplines geprocedeerd. Naast dit procedeerwerk adviseren wij onze cliënten ook op veel andere vlakken. Wanneer er binnen een onderneming een reorganisatie moet plaatsvinden, zal de ondernemer met veel arbeidsrechtelijke aspecten rekening moeten houden. Vaak is onvermijdelijk dat er bij een reorganisatie ontslagen moeten vallen. Wij adviseren de ondernemer bij gesprekken met de OR, maar wij helpen bijvoorbeeld ook bij het opstellen van een plan hoe de reorganisatie kan worden vormgegeven. Een reorganisatie is dikwijls een gecompliceerd traject, waarbij ook de juridische knelpunten duidelijk op het netvlies moeten


INHOUDELIJKE BIJDRAGEN

JFV IN CASU - DECEMBER 2011

54

staan. Een reorganisatie heeft grote gevolgen voor de onderneming en gaat niet altijd zonder slag of stoot. Vandaar dat dan ons juridisch advies wordt ingewonnen.

verleden van de werknemer (hoeveel jaren heeft hij gewerkt), het laatstverdiende loon en een correctiefactor, die afhankelijk is van de omstandigheden van het geval.

Daarnaast helpen wij ondernemingen bij hun interne beloningsregelingen, die tegenwoordig aan verschillende regelgeving gebonden moeten zijn. Collectief ontslag (en het bijbehorende sociaal plan) en ook CAO onderhandelingen behoren tot ons werkgebied en wanneer een ondernemer met deze arbeidsrechtelijke problematiek te maken krijgt, adviseren wij daarin.

Medewerkersweekend

Veel van onze cliënten zijn omvangrijke ondernemingen, die vaak ook in de internationale markt een grote speler zijn. Dit neemt niet weg dat wij ook individuen (kunnen) bijstaan. Ikzelf adviseer momenteel met een van de twee partners een directeur van een internationaal concern. Deze directeur kwam enkele weken geleden bij ons op kantoor om iets te bespreken. Vanuit het hoofdkantoor, dat in Engeland staat, bleken geluiden te komen, waaruit hij concludeerde dat er aan zijn stoelpoten werd gezaagd. Hij vreesde dus voor zijn positie. Na een eerste gesprek, waarin wij probeerden zoveel mogelijk van de situatie te weten te komen, werd er direct een strategie bepaald. Een dossier moet worden opgebouwd voor het geval onze cliënte daadwerkelijk de laan uit zou worden gestuurd. Werkgever en werknemer belanden dan vaak bij de rechter voor de discussie welke vergoeding de werknemer krijgt voor het feit dat de arbeidsovereenkomst is ontbonden. Als de rechter oordeelt dat de werknemer recht heeft op een vergoeding zal de kantonrechtersformule worden gebruikt (ABC-formule). Hierbij wordt rekening gehouden met het arbeids-

Zoals bij veel andere advocatenkantoren wordt er bij ons hard gewerkt. De complexiteit van de zaken maakt het wel des te interessanter. Daarnaast werk ik met een leuke groep mensen, die passie hebben voor hun vak. Maar, er wordt niet alleen maar gewerkt. Naast alle gebruikelijke sociale activiteiten als de wekelijkse borrels en een jaarlijks terugkerend kerstfeest, wordt er ieder jaar een weekend voor alle medewerkers georganiseerd. Dit jaar heb ik samen met drie collega’s het hele weekend georganiseerd. De locatie moet worden geregeld en er moeten dj’s komen voor de vrijdag- en zaterdagavond. De zaterdag wordt opgevuld met een sportieve dagactiviteit en ‘s avonds wordt door een achttal kantoorgenoten een cabaret opgevoerd. Het weekend zorgt altijd voor veel leuke momenten, waarbij je op een gezellige manier veel mensen binnen kantoor leert kennen. Met veel plezier werk ik nu ruim twee en een half jaar bij Allen & Overy. De juridische werkzaamheden, die je als advocaat-stagiaire uitvoert, zorgen voor veel uitdaging, waarbij je op een prettige manier door een senior associate of partner wordt begeleid. Over mijn ervaringen kan ik nog pagina’s doorschrijven, maar wil je zelf eens ervaren hoe het er in de advocatuur aan toe gaat, kom dan gerust bij ons een studentstage lopen. Het geeft je de mogelijkheid een kijkje te nemen in onze ‘keuken’ en zo er achter te komen of de commerciële advocatuur iets voor je is. Wil je kennis maken met al onze praktijkgroepen en daarnaast

een deal van A tot Z meemaken, schrijf je dan vooral in voor de Global Apollo Experience 2012. Wellicht tot gauw bij ons op kantoor.

Antoine Schijf


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

INHOUDELIJKE BIJDRAGEN

55

Inhoudelijke bijdragen

Wetgeving voor de bühne? Het rommelt in ons toekomstige ondernemingsrecht. Naam: Kantoor: Partner sinds:

Prof. Mr. Martin van Olffen (Notaris Compagnon) De Brauw Blackstone Westbroek N.V. 1995

Expertise:

Corporate law, mergers and acquisitions, corporate governance

H

ET ROMMELT IN ONS ONDERNEMINGSRECHT. MET ENIGE REGELMAAT VERSCHIJNT ER EEN PROEFBALLON, EEN AMENDEMENT OF AANHANGIGE WETGEVING OF EEN ANDERSOORTIGE PUBLICATIE DIE ONS ONDERNEMINGSRECHT DOET ROMMELEN. EEN STRATEGISCHE VISIE OVER DE OPBOUW VAN HET ONDERNEMINGSRECHT LIJKT TE ONTBREKEN. DE WAAN VAN DE DAG BEPAALT DE ACTUALITEIT EN DE ACTUALITEIT MOET IN WETGEVING VERTAALD WORDEN.

‘Beloning van topbestuurders is een hot issue. Daar kun je mee scoren als politicus.’ Kamerleden Tang en Irrgang ruiken hun kans en lanceren bij het wetsvoorstel Bestuur en toezicht een amendement. De regeling komt er op neer dat bij de aankondiging door een vennootschap van een omvangrijke transactie de waarde van het bezit aan aandelen/opties van een bestuurder wordt bevroren en dat een latere meerwaarde van die aandelen/ opties door de bestuurder aan de vennootschap moet worden vergoed. Het amendement wordt door de Tweede Kamer afgewezen maar een week later bij een ander wetsvoorstel (Flex BV) aanvaard. De regeling is in de praktijk onuitvoerbaar. De geest is uit de fles, dus er moet iets anders voor deze regeling komen. Er wordt door de regering een ander wetsvoorstel ingediend, waarmee de regeling in het wetsvoorstel Bestuur en toezicht komt te vervallen. Irrgang accepteert dat niet en lanceert zijn oorspronkelijke amendement opnieuw

maar inhoudelijk identiek amendement in bij het wetsvoorstel Invoeringswet Flex BV. De regering onderneemt als reactie daarop een poging om de door Irrgang voorgestelde regeling te verplaatsen naar een ander wetsvoorstel.

Old boys network Doorbreken van het old boys network is een ander dankbaar gespreksonderwerp. Kamerleden Tang en Irrgang lanceren alweer via een amendement een regeling die het aantal toezichthoudende functies bij grote vennootschappen en stichtingen moet beperken. Een persoon mag maximaal 5 toezichthoudende functies uitoefenen. De uitwerking van het amendement rammelt aan alle kanten en vergt een nieuw amendement om enigszins tegemoet te komen aan de beoogde strekking. De Eerste Kamer dreigt het wetsvoorstel bestuur en toezicht af te stemmen als geen handreiking wordt gedaan om charitatieve stichtingen aan de regeling te ontrekken. Die handreiking wordt gedaan, de regeling

zal geen toepassing vinden op stichtingen die niet jaarrekening-plichtig zijn. De wettelijke regeling van onze personenvennootschap (de maatschap, VOF en CV) is dringend aan renovatie toe. De huidige regeling dateert uit 1838, is nauwelijks leesbaar en zonder kennis nemen van vaak oude rechtspraak of handboeken niet te doorgronden. Een nieuwe wettelijke regeling wordt in 2002 aan de Tweede Kamer aangeboden die uiteindelijk in 2009 wordt aanvaard. Vanuit VNO-NCW en MKB Nederland komt aan einde van wetgevingsproces opeens principiële kritiek. De nieuwe regeling is kostenverhogend voor ondernemers en leidt niet tot de gewenste vereenvoudiging van het ondernemingsrecht. Deze kritiek wordt in bestreden, maar dat geluid lijkt niet te worden gehoord, althans er wordt niet naar geluisterd. De Eerste Kamer volgt de kritiek van VNO-NCW/MKB Nederland. Minister Opstelten kondigde begin september aan voornemens te zijn het wetsvoorstel in te trekken. Hij lijkt daarmee ondernemend Nederland te paaien. De


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

KANTOORSPECIAL

56

realiteit is dat ondernemers blijven steken in het moeras uit 1838 en eerder op kosten gejaagd zullen worden dan dat zij kosten kunnen besparen. Activistische aandeelhouders belaagden de afgelopen jaren grote Nederlandse beursfondsen. Denk aan Stork, ABN AMRO en ASMI. Zij ontvingen ieder een brief van aandeelhouders met wensen of eisen over wijzigingen in de strategie. Die brieven werden gevolgd door verdere acties en leidden allen tot procedures bij de Ondernemingskamer. ABN AMRO en Stork zijn nog een schaduw van het bedrijf van voor de acties. Aandeelhouders kregen in het begin van het nieuwe decennium nieuwe rechten in Boek 2 BW en via de Corporate Governance Code en zij wisten daar goed gebruik van te maken. Er ligt nu een wetsvoorstel waarbij iedere aandeelhouder die 3 procent van de stemrechten/aandelen vertegenwoordigt een melding moet doen bij de AFM over het bezit en daarbij dan ook moet melden of hij al dan niet bezwaren heeft tegen de strategie van de onderneming. Verwacht wordt dat vele meldingen zullen aangeven tegen de strategie te zijn, teneinde te voorkomen dat een melding anderszins later tegen de aandeelhouder gebruikt kan worden. Dat zal een raar beeld geven van de verhouding tussen Nederlandse beursbedrijven met aandeelhouders. Diversiteit is een belangrijk thema. De wetgever pakt dat op. In het wetsvoorstel Bestuur en toezicht wordt een bepaling opgenomen die voorschrijft dat een bestuur en raad van commissarissen van een NV of BV voor ten minste 30 procent moet bestaan uit vrouwen en voor ten minste 30 procent uit mannen. Op niet naleving staat geen sanctie, althans geen andere dan een vermelding in het jaarverslag dat niet aan de regeling wordt voldaan. De regeling zal automatisch in 2016 komen te vervallen.

Toekomst Zo maar een paar voorbeelden van wetgeving die je niet of nauwelijks kunt begrijpen. De voorstellen en beslissingen

zijn vooral politiek gedreven en dragen niet bij aan een systematische opbouw van een modern ondernemingsrecht. Een strategie op dat vlak lijkt bij regering en parlement te ontbreken. Nederland heeft een modern en efficiënt ondernemingsrecht hard nodig om haar internationale concurrentiepositie te handhaven. Daar ligt de uitdaging voor de toekomst.

Over De Brauw “Who’s Who Legal has once again chosen De Brauw Blackstone Westbroek as the leading firm in Netherlands”. “De Brauw Blackstone Westbroek has been named “Netherlands Law Firm of the Year 2011” by Chambers and Partners”.

Oriënteren Een goede manier om kennis te maken met De Brauw is door een studentstage te lopen, als studerend medewerker bij De Brauw te werken of deel te nemen aan een van de Brains in Business Courses. Bij De Brauw is zo’n business course niet alleen een sociaal evenement maar ook iets waar je wat aan hebt. Je kunt De Brauw ook ontmoeten op beurzen, banenmarkten en congressen in het hele land. En uiteraard kun je bellen of mailen met een specifieke vraag.

Iedereen die De Brauwerij heeft gedaan is razend enthousiast: “Ik heb hier meer geleerd dan tijdens m’n studie”.

Verdere opleiding Bij De Brauw houdt je opleiding nooit op. We hebben een uitgebreid en doorlopend opleidingsaanbod met cursussen en trainingen, zowel inhoudelijk als qua ontwikkeling van vaardigheden. De loopbaan bij De Brauw bestaat uit verschillende fasen van ontwikkeling. De stagetijd staat vooral in het teken van je ontwikkeling tot professional. Bij medewerkers ligt het accent – naast het uitbouwen van de rol van professional – op managementvaardigheden. En als gevorderd medeweker dien je steeds meer aandacht te besteden aan de ontwikkeling van ondernemerschap. Kortom, bij De Brauw raak je nooit uitgeleerd.

Buitenland De Brauw vindt het belangrijk dat kantoorgenoten ervaring opdoen in het buitenland. Afhankelijk van je voorkeur en de beschikbare plaatsen kan dat bij onze vestigingen in Beijing, Brussel, Londen of New York, of bij een van onze bevriende kantoren in het buitenland. Dit kan voor een kortere periode (twee maanden) of voor een langere periode (meestal één tot twee jaar).

Studentstage

Sollicitatieprocedure

Een stage bij De Brauw is een goede manier om kennis te maken met de praktijk. Wij hebben op iedere sectie plaats voor studenten (advocatuur, notarieel en fiscaal). Je draait gedurende acht weken volledig mee.

Solliciteer vóór dinsdag via de website. Na positieve beoordeling van je stukken is er al diezelfde vrijdag de eerste ronde: twee één-op-één gesprekken met een compagnon. Vervolgens maak je een korte capaciteitentest (de Watson Glaser Kritisch Denken Test) en dezelfde middag hoor je of je door bent naar de tweede ronde. Die is de volgende vrijdag; weer twee één-opéén gesprekken met een compagnon en een informatieve lunch met twee stagiaires. Veelal hoor je dezelfde dag of je een aanbod krijgt.

De Brauwerij De Brauw gelooft in constante ontwikkeling, en dat start in De Brauwerij. Alle stagiaires beginnen in deze aparte sectie waarin ze namens hun eigen cliënten geheel zelfstandig zaken behandelen. Je leert er alle facetten van het vak in de praktijk. Natuurlijk is daarbij volop hulp en begeleiding.


Solliciteren is niet eng. Ja, De Brauw is de top. Nee, je hebt geen cijferlijst met tienen nodig. (En in schedelmeting hebben we nooit geloofd.) Natuurlijk zoeken we kennis. Maar ook creativiteit. Sociale vaardigheden. Kleine glinsteringen in een zee van grijs. Kijk op werkenbijdebrauw.nl.

BRAINS IN BUSINESS


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

KANTOORSPECIAL

58

Kantoorspecial

DLA Piper

Bij DLA Piper draag jij actief bij aan de verdere groei van het kantoor Door Rogier Wennink en Rachelle Carolien Boneva

O

P DE AMSTERDAMSE VESTIGING VAN DLA PIPER WERDEN WIJ IN EEN LOUNGERUIMTE VAN INTERNATIONALE ALLURE ONTVANGEN. DIT IS GEEN TOEVAL. SINDS MEI 2011 IS DLA PIPER NAMELIJK HET GROOTSTE ADVOCATENKANTOOR TER WERELD! ER WERKEN 4200 JURISTEN, VERSPREID OVER 30 LANDEN EN MAAR LIEFST 76 VESTIGINGEN.

DLA Piper: de oorsprong van de grootste ter wereld DLA Piper heeft een nationale oorsprong. Zij werd al in 1916 opgericht onder de naam SchutGrosheide. In 2004 vond een fusie met het Engelse DLA plaats, waaruit DLA SchutGrosheide ontstond. Het feit dat steeds meer cliënten van SchutGrosheide behoefte kregen aan een wereldwijde ‘one stop shop’, lag hieraan ten grondslag. In 2005 volgde een fusie met twee Amerikaanse kantoren, Piper Rudnick en Gray Cary. Sinds 2006 heet het kantoor wereldwijd DLA Piper. Er zijn zowel Europese kantoren als partners uit Azië, Amerika en het Midden-Oosten. Dit zijn van origine nationale kantoren, met een eigen nationaal karakter. Sinds mei 2011 is DLA Piper zelfs uitgegroeid tot het grootste advocatenkantoor ter wereld dankzij aanwas van Australische kant.

Het Amsterdamse kantoor DLA Piper is in Nederland gehuisvest op de Amsterdamse Zuidas en telt 130 advocaten, (kandidaat-) notarissen en belastingadviseurs. In totaal werken er 250 medewerkers.

Praktijkgroepen De juristen van DLA Piper werken samen in acht verschillende internationaal georganiseerde praktijkgroepen: œ ;gjhgjYl] œ =ehdgqe]flH]fkagfk:]f]Çlk œ >afYf[]Yf\Hjgb][lk œ Afl]dd][lmYd Hjgh]jlq Yf\ L][`fgdg_q (IP&T) œ Dala_YlagfYf\J]_mdYlgjq œ J]Yd=klYl] œ J]kljm[lmjaf_ œ LYp Start je als junior associate dan krijg je een contract voor drie jaar en drie maanden. Tijdens deze zogenaamde stageperiode wissel je na ruim anderhalf jaar van praktijkgroep. Het voordeel daarvan is dat je je breed ontwikkelt. Je werkt samen met verschillende partners en medewerkers en je krijgt te maken met verschillende rechtsgebieden. Je ontdekt waar jouw kwaliteiten

liggen en bij welke praktijkgroep die het best passen.

Wat kenmerkt het kantoor DLA Piper is een echte business law firm. Dat betekent dat het kantoor wereldwijd full service dienstverlening biedt aan cliënten. Als junior associate heb je daardoor binnen elke praktijkgroep te maken met buitenlandse collega’s en Nederlandse en internationale cliënten. DLA Piper kenmerkt zich door haar informele karakter. Alle ramen en deuren in het kantoor zijn van glas zodat het gemakkelijk is om ergens naar binnen te stappen. Er heerst een prettige, ontspannen sfeer en naast het harde werken is er ook ruimte voor gezelligheid. Ondanks de grootte van het kantoor, kent iedereen elkaar. Als je nieuw op kantoor bent, word je meteen aan iedereen voorgesteld. Je werk is de plek waar je de meeste tijd van je leven doorbrengt dus is het heel belangrijk dat je je er thuis voelt.

You matter DLA Piper is een dynamisch kantoor dat nog steeds volop in ontwikkeling is. Als je begint met werken bij DLA Piper bouw je letterlijk mee aan het kantoor. DLA Piper


JFV IN CASU - DECEMBER 2011

KANTOORSPECIAL

59

is dan ook op zoek naar ondernemende mensen die initiatief durven nemen. Bij DLA Piper krijg jij de ruimte om je te ontwikkelen. Jij doet er toe en draagt actief bij aan de verdere groei van het kantoor. De groei van het kantoor uit zich bijvoorbeeld ook in de uitbreiding van rechtsgebieden. Zo bestaat binnen de praktijkgroep Litigation & Regulatory sinds kort de “witteboordencriminaliteit” praktijk. Wensen en behoeften van cliënten veranderen en bij DLA Piper spelen ze daarop in en waarborgen ze het fullservice karakter van het kantoor.

Sollicitatieprocedure Een sollicitatie bij DLA Piper start met een selectie op papier. Je stuurt een motivatiebrief met CV, officiële cijferlijst, scriptie en een stagebeoordeling indien je stage hebt gelopen bij een kantoor. Vervolgens kun je uitgenodigd worden voor een sollicitatiegesprek met een partner van DLA Piper. Aansluitend volgt een assessment die verschillende relevante capaciteiten meet. Afhankelijk van de testresultaten en de feedback op het eerste gesprek, volgt

direct een tweede gesprek met een andere partner. De twee gesprekken en de capaciteitentest vormen samen de eerste ronde. De tweede en laatste ronde bestaat uit een gesprek met drie mensen uit de sollicitatiecommissie. Als alles positief verloopt, volgt een aanbod bij het kantoor en kun je snel aan de slag. Tijdens de sollicitatieprocedure wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met je persoonlijke voorkeur voor een praktijkgroep. Heb je geen voorkeur dan is dat uiteraard geen probleem. Voor goede mensen is altijd plek binnen het kantoor! In de tweede ronde spreek je altijd met partners of medewerkers van de praktijkgroep waar je gaat starten. Bij de selectie wordt gekeken naar het complete plaatje. De hoogte van je cijfers is van belang, maar juist ook ervaring die je opdoet naast je studie. Denk bijvoorbeeld aan stages, werk, activiteiten bij een studie- of studentenvereniging, sport, een studieperiode in het buitenland, de zorg voor anderen of een actieve bijdrage in de politiek.

Studentstage Voor studenten die zich in de eindfase van hun bachelor of in hun master bevinden, is er gedurende het hele jaar de mogelijkheid om bij DLA Piper stage te lopen. Een stage duurt in principe twee maanden. Gedurende je stage ben je werkzaam op een praktijkgroep. Tijdens de stage doe je zoveel mogelijk het werk van een advocaat. Je gaat mee naar zittingen, je bespreekt de zaak en werkt samen met andere kantoorgenoten, eventueel internationaal. Daarnaast doe je uiteraard mee met de sociale activiteiten van het kantoor. Iedere vrijdag is er bijvoorbeeld een borrel in de kantoorbar en er vinden regelmatig leuke uitjes plaats. Binnenkort is er het kerstdiner waar studentstagiaires ook mee naartoe gaan. Kortom: alle kans om de sfeer van het kantoor echt goed te proeven. Het is belangrijk om tijdens je studie een keer stage te lopen. Het geeft je namelijk een goed beeld van een kantoor en je weet hoe het is om te werken in de advocatuur. Zo kun je tijdens het sollicitatieproces goed onderbouwen waarom je advocaat


KANTOORSPECIAL

JFV IN CASU - DECEMBER 2011

60

wil worden. Ondanks de hoge studiedruk is het dus echt de moeite waard om hier tijd voor vrij te maken.

DLA Piper Career Academy Bij DLA Piper volg je de DLA Piper Career Academy. Dat is een continu opleidingstraject dat je ondersteunt gedurende iedere fase in je carrière. Van junior associate tot en met partner. Onderdeel van de DLA Piper Career Academy is voor advocaatstagiaires de Law Firm School. DLA Piper is samen met veertien andere, grote kantoren met een internationale praktijk aangesloten bij de Law Firm School. De opleiding start twee keer per jaar, in september en in maart. Wanneer je bent aangenomen, start je de eerstvolgende startdatum met de opleiding. Tijdens de negen maanden durende opleidingsperiode ben je eens in de twee weken twee dagen in Scheveningen. Je volgt daar met de hele groep colleges. De DLA Piper Career Academy bestaat onder andere ook uit internationale trainingen. Deze trainingen vinden meestal in Engeland plaats. Je komt samen met alle andere starters uit vestigingen van DLA Piper wereldwijd. Erg leuk en nuttig om je collega’s te leren kennen. Je krijgt trainingen op het gebied van cultural awareness, maar ook soft skills trainingen, bijvoorbeeld presentatievaardigheden en het opstellen van drafts in het Engels. Ben je klaar met je advocaatstage en ben je associate (medewerker) geworden bij DLA Piper dan bestaat de mogelijkheid om een tijd in het buitenland te werken. Dit zogenaamde secondment kan drie maanden tot een half jaar of zelfs langer duren. Je werkt bij één van de buitenlandse vestigingen of internationale cliënten van DLA Piper. Je leert de lokale praktijk kennen en natuurlijk ook je buitenlandse collega’s.

Nadere kennismaking met DLA Piper? Nader kennismaken met DLA Piper kan op veel manieren. DLA Piper is te vinden op alle grote juridische banenmarkten en carrièrebeurzen. In Groningen staat DLA Piper bijvoorbeeld onder andere met een

stand op de BID van de JFV. Daarnaast vinden er regelmatig inhousedagen plaats waar je je voor kunt aanmelden. Ook is er de mogelijkheid om een oriënterende lunch aan te vragen. Je luncht dan met twee advocaten en een recruiter en krijgt aansluitend een rondleiding door het kantoor. In het voorjaar wordt er voor rechtenstudenten in de eindfase van hun studie een drie daagse Talent Class in Amsterdam en Londen georganiseerd. Je leert de mensen van DLA Piper kennen, maar ook wat het werken bij DLA Piper concreet inhoudt. Je werkt daarom tijdens het programma met je medestudenten aan een realistische casus. Je bezoekt daarvoor het kantoor van DLA Piper en een cliënt in Londen. Wil je meer weten over DLA Piper? Ga dan naar www.youmatter.nu of neem contact op met Nicole Kijkuit (recruiter): 020-5419 820 of per e-mail: nicole.kijkuit@dlapiper. com.


!      '   (  "    "* )

!  ,  #& &%#$-   '


<ZkdcYZc/

BZccdkVc:hhZcb$

HeZX^Va^hiKZgkdZggZX]iZc 8jaijjg`VbZaZdc# LZodX]iZc^ZbVcYkddgkZgkdZggZX]i#BZccdlVh^c WZZaY!bVVg]VYo^_co^ccZcde:jgdeZZhgZX]i\ZoZi# >ciZgcVi^dcVaZXjaijjgkZghX]^aaZc]VYYZc]Zbi^_YZch o^_cÈZmeVi_Zj\YÉZcdgb\ZWdZ^Y#CVZZcBVhiZg :jgdeZZhGZX]iZcilZZiVa^\ZhiV\Zl^aYZ]^_c^Zih a^ZkZgYVcY^i^cYZegV`i^_`iZWgZc\Zc#>YZVVakddgdch! lVcilVi]^_cd\c^ZiWZhZ[iZlVhYVikZgkdZggZX]i o^X]kVV`idikZgWj^iZcYZaVcYh\gZcoZcj^ihigZ`i# Æ9ZoZa[YZlZZ`cd\oViZclZVX]iZgZZc\ZhidaZcbZ\V_VX]i VVcYViZg\Zch^cIjg`^_ZbdZhia^\\Zc#Od:jgdeZZh]VY^` ]ZiW^_:jgdeZZhgZX]ic^Zi\Z`gZ\ZcYZc`^`#6Xi^Z^h]^Zg YV\Za^_`hZ`dhi#Cnh^c\]oZiiZbZde]Zi\dZYZheddg0 odlZagZX]ih\ZW^ZYVah`VciddgWaZ`ZcZZchX]di^cYZgddh# 7dkZcY^Zc]Vc\iZgZZcegZii^\Z!adhhZh[ZZg#?ZaZZhikVV` YVi`VcidgZcZmea^X^ZiVVcYVX]iWZhiZYZcVVcÈldg`a^[Z" WVaVcXZÉ#BVVgYVio^i]^Zg\Zlddc^cYZcVijjg#Ç Cnh^c\]^hZZcWZYg^_[kVc`VgV`iZgkdaaZheZX^Va^hiZc#6aaZZc YZlZi^hW^_dchhiVcYVVgY#KddgYZgZhi`g^_\_ZVaaZgj^biZ dbWj^iZc\ZlddciZo^_c#@a^c`iY^i\dZYZc`ZccZcl^_ Za`VVgcd\c^Zi4AVVi_ZYVck^cYZck^VlZg`ZcW^_cnh^c\]#ca

Cnh^c\]#9Z_j^hiZ_jg^hideYZ_j^hiZeaZ`#


“BOEKEL DE NERÉE, WAAR KWALITEIT EEN RECHT IS” Heleen Biesheuvel, Advocaat Boekel De Nerée

www.boekel.com 6ŦKDUDQDMY@JDKŦJD ITQHCHRBGDCHDMRSUDQKDMHMFUNNQADCQŦUDM NUDQGDHCRHMRSDKKHMFDMDMMNM OQNjS NQF@MHR@SHDR #@@QAŦKHFSNMYDENBTRNONMCDQMDLHMFRQDBGS U@RSFNDCDM@QADHCRQDBGS 6ŦYŦMFDUDRSHFCHM LRSDQC@LDM+NMCDM


Meteen

je eigen

dossiers,

je eigen en je eigen

zaken

kansen

Advocaatstagiaires en studentstagiaires vinden hun ideale werkplek in Oost-Nederland. Kijk op www.jpr.nl

EIGENZINNIG PROFESSIONEEL

In Casu  

Juridisch Magazine

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you