Issuu on Google+

NOTA BENE

Privacy

nummer 23 januari 2011 jaargang 18

De Paspoortwet Foute foto’s op je Facebook, carrièrekansen verpest? Hoe ver reikt de privacy van de patiënt? Privacy en het OM Persvrijheid en privacy in Italië


Je bent derde- of vierdejaars rechtenstudent en je hebt ambitie. Dan schrijf je je in voor de vijfdaagse Masterclass van 10 tot en met 16 mei 2011 op ons kantoor in

STBB2NY

New York. Want daar pak je tijdens workshops samen met ons zaken aan binnen

een breed scala van rechtsgebieden en leer je onze internationale rechtspraktijk beter kennen. En natuurlijk laat je de stad zelf ook niet links liggen. Kortom, net als vorig jaar, vijf dagen ‘work hard, play hard’ in New York. Schrijf je voor 14 maart 2011 in via onze website www.werkenbijstibbe.nl

STI003-32_STBB2NY_Appel_A4.indd 1

29-11-2010 10:10:26


Hoofdredactioneel

Status update: “x likes y”

Nadat ik net had besloten om mijn facebook account vaarwel te zeggen vanwege de toch tè grote inbreuk op mijn nederige privacy ontdekte ik iets nieuws. Facebook Notes! Het was alsof mijn wereld even instortte. Als trouwe internetfreak, die elke ochtend bij het opstaan haar laptop aanzet om vervolgens met een bak koffie turend naar het scherm, alle nieuwssites, blogs, en alle andere troep op het internet te aanschouwen, was dat nog het enige wat ontbrak. Facebook Notes. Het had mijn idee moeten zijn. Ik heb namelijk weleens dat ik tussen de hectiek van de dag door mijn weldoordachte heldere momenten of men dit nu wil of niet - graag wil delen met alles en iedereen. Maar helaas, iemand anders was me voor. Dus daar zat ik, ‘s avonds laat terwijl ik eigenlijk moest studeren of moest gaan slapen, weer achter mijn laptop. Vol verbijstering over het feit dat ik dit schijnbaar al die tijd gemist had, begon ik fanatiek alle notes van mijn vrienden en kennissen te lezen. Ik kwam langs literatuurlijsten die men van plan was te lezen, een 9-punten plan van een jonge politieke vereniging, gedichten van bekende schrijvers, een rechtsfilosofisch betoog, een reisverslag uit Australië, een planning van verre bestemmingen nog te bezoeken. Er was blijkbaar ook iets leuks wat facebook te bieden had. Alle hersendodende privacyschendende statusupdates (‘x is op dat feestje’, ‘x heeft zoveel kilometers gerend’, ‘x likes y’, of andere banale uitlatingen) maakten plaats voor interessante notes waar daadwerkelijk over nagedacht was. Het was alsof ik een geheime deur had gevonden die me weg voerde van alle misère en tragedie. En dat net op het punt dat ik van plan was mijn account te verwijderen, lucky me... die studiepunten kan ik nu wel vergeten. Hoewel we allemaal wel weten wat voor inbreuk facebook maakt op onze privacy, toch geven we hier als sociale media verslaafden telkens weer aan toe. We willen immers op de hoogte blijven van alle ins en outs binnen onze vriendenkring en daar zelf – als het even kan - ook iets (semi-)interessants aan toevoegen. Hoe ver deze schending reikt, heb je geheel zelf in de hand. Voor de anti-facebookers tussen ons, er zijn zeker voordelen aan het hebben van een account, zolang je er goed mee om gaat. Dus mijn advies: lees je goed in over de werking van facebook (het zal je verbazen wat je nog niet weet), blokkeer vervelende statusberichten en neem alleen de interessante informatie op. In de tussentijd ga ik passiefagressief verder met mijn gematigde (ik heb nog een echt sociaal leven) privacy schending op facebook. Valeria Boshnakova Hoofdredactrice 2010-2011

3


JFAS activiteiten kalender 2011 3 februari: JFAS borrel 9 februari: Rondleiding Cellenblok Amsterdam 10 februari: Masterreisbezoek aan Simmons & simmons; Asia workshop en daaropvolgend het ‘1woord spel’, afsluitend een borrel. 11 februari: Sollicitatietraining Clifford Chance 1 t/m 6 maart: Bachelorreis Istanbul 10 maart: JFAS borrel 18 maart: Clifford Chance: Hong Kong kantoorbezoek thema intellectueel eigendom 15 maart: Bezoek aan TBS kliniek 31 maart t/m 12 april: Masterreis Hongkong 15 april: Themaronde - ‘De Zuidas around the world’ 29 april: Themaronde - ‘De Zuidas around the world’ 6 mei: Themaronde - ‘De Zuidas around the world’ 18 t/m 20 april: Lustrum – JFAS 100 jaar! 19 mei: Eindfeest JFAS

Colofon De Nota Bene is een uitgave van de Juridische Faculteit der Amsterdamsche Studenten, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en verschijnt vier keer per jaar. Hoofd- en eindredactie Valeria Boshnakova Studentredactie

Rik Torn Tamara de Wit Adverteerders: AKD advocaten en notarissen Boekel de Nerée Clifford Chance De Brauw Blackstone Westbroek JPR advocaten Nauta Dutilh Nysingh advocaten-notarissen N.V. Stibbe

Aan deze editie hebben meegewerkt: Suzanne van den Broek Bouke Knop Jaimy Lankman Vivian Oliana Maartje Stabel Sharon Amo-Adjei Diederik van Elsas

Sponsorexploitatie Dianora Rekveld

Overige bijdragen aan deze editie: Jan-Paul van Barneveld C.M. Bitter Nina de Groote Friederike van der Jagt Marko Jovovic Nina Tutein Nolthenius Wendy van Poorten Elisabeth Thole

JFAS bestuur Dianora Rekveld - voorzitter voorzitter@jfas.nu Bas Kentie - vice-voorzitter vvz@jfas.nu Floris Maessen - penningmeester penningmeester@jfas.nu Nina Tutein Nolthenius - secretaris secretaris@jfas.nu

4

Vormgeving Willem Don Drukkerij Grafiplan Nederland B.V. te Grootebroek

Nina de Groote - PR & Activiteiten activiteiten@jfas.nu Anouk Vendel - Reiscommissaris reiscommissie@jfas.nu Valeria Boshnakova Hoofdredacteur Nota Bene notabene@jfas.nu Juridische Faculteit der Amsterdamse studenten Oudemanhuispoort 4 Kamer A 204 1012 CN Amsterdam Tel: 020-5253441 Email: voorzitter@jfas.nu Internet: http://www.jfas.nu Met dank aan Alle bestuursleden en sponsoren die deze Nota Bene mogelijk hebben gemaakt. In de Nota Bene geplaatste artikelen vertegenwoordigen niet noodzakelijkerwijs de mening van de voltallige redactie. Reacties op artikelen worden met belangstelling tegemoet gezien op notabene@jfas.nu. Wil je schrijven voor de Nota Bene? Mail dan naar notabene@jfas.nu. Heb je de Nota Bene niet ontvangen of zijn je adresgegevens gewijzigd? Mail dan naar secretaris@jfas.nu


inhoud

ACTUALITEIT

3

Hoofdredactioneel

4

JFAS Activiteiten kalender 2011

6

Minor: Rechten van het Kind

7

Blog over de kroeglezing JFAS i.s.m. Elsa Hoe word ik internationaal rechter?

OPINIE

17

Big Brother is watching you too... Column door vaste columnist Bouke Knop

23

De Nieuwe Privacy Is privacy een waarde waar de burger belang aan hecht?

RUBRIEKEN

13

Interview met Wendy van Poorten Ex-hoofdredactrice Nota Bene nu eindredactrice van de Jackie

15

Arrestbespreking Het Copland arrest

18

Privacy versus Veiligheid Voor of Tegen?

21

Verslag: eerstejaarsreis Berlijn Wereldstad, hoofdstad van drie rijken

25

Van het bestuur Tentamens: ‘Studeren’ of studeren? Een vergelijkend onderzoek naar twee compleet verschillende studielocaties

51

Fotopagina JFAS borrel van 2 november

VERDIEPING

8

De Paspoortwet: Natte vingerwerk door de overheid?

30

Privacy Van de kantoren

33

Persvrijheid en privacy van een staatshoofd in Italië

35

Adverteren op internet Van de kantoren

39

Hoe ver reikt de privacy van de patiënt?

41

Foute foto’s op je Facebook, carrièrekansen verpest? Van de kantoren

45

Weighing interests of individuals against the international community

47

Verstrekking van strafvorderlijke informatie door het Openbaar Ministerie – een zwaarwegend algemeen belang. Van de kantoren

5


Minor: Rechten van het Kind

H

et aanbieden van onderwijs in de vorm van een minor is de laatste jaren steeds meer in trek gekomen daar het aan studenten de mogelijkheid biedt om zelf een bepaalde invulling aan hun studie te geven. Zo kunnen studenten zich in de bachelorfase door middel van een minor specialiseren op een bepaald gebied, of juist hun horizon verbreden door middel van het volgen van een minor, of een gedeelte daarvan, buiten de eigen faculteit. De minor Rechten van het Kind, georganiseerd door het Centre for Children’s Rights Amsterdam, is een interdisciplinaire minor waarin het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind de rode draad vormt. In deze minor wordt de mogelijkheid geboden om het kinderrecht vanuit verschillende wetenschappelijke disciplines te bekijken. De basismodule binnen deze minor wordt gevormd door de interdisciplinaire lezingencyclus ‘Rechten van het Kind’, waarbij in tien lezingen het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, vanuit verschillende invalshoeken wordt bekeken. Zo wordt onder anderen de ouderlijke verantwoordelijkheid onder loep genomen, wordt er aandacht besteed aan de betekenis die het IVRK heeft voor kinderen in ontwikkelingslanden, en wordt de dagelijkse praktijk binnen het jeugdstrafrecht besproken door een kinderrechter. Ook komen actuele thema’s aan bod, zoals de schrijnende situaties waarin vreemdelingenkinderen hier te lande verkeren en de problemen binnen de jeugdzorg. Na het afronden van deze basismodule wordt een drietal verplichte modules afgelegd en is er een vrije keuzeruimte. Het verplichte programma zal bestaan uit het vak ‘Morele Ontwikkeling en Behandeling’, het vak Jeugdrecht en het bijwonen van het seminar Kind en Recht. Aan het vak ‘Morele Ontwikkeling en Behandeling’ ligt een tweeledig doelstelling ten grondslag. Enerzijds wordt getracht inzicht te geven in morele ontwikkeling in relatie tot antisociaal, delinquent en prosociaal gedrag. Anderzijds zal de student worden geïnformeerd over behandelprogramma’s en –methoden die momenteel gangbaar zijn, dan wel sterk in de belangstelling staan bij de behandeling van jongeren met gedragsproblemen. In het vak Jeugdrecht komen de maatregelen van kinderbescherming alsmede de specifieke sancties en de bijzondere strafrechtelijke procedure voor jeugdigen aan bod. Tijdens het seminar Kind en Recht, dat ieder jaar georganiseerd wordt aan de Universiteit van Amsterdam, wordt een jaarlijks wisselend, relevant thema binnen het kinder- en jeugdrecht belicht, waarbij actuele ontwikkelingen en verband houdende vraagstukken omtrent dit thema aan bod komen. Het thema van dit jaar is het gezondheidsrecht. Gezien de veelzijdigheid van het wetenschapsgebied, wordt door middel van een vrije keuzeruimte de student de kans geboden zich verder te oriënteren op een facet van het kinderrecht naar keuze. De minor wordt afgesloten met de zogenoemde minorthesis, waarbij de verworven kennis op een creatieve manier dient te worden geïntegreerd en toegepast. Indien je je wilt aanmelden voor de minor Rechten van het Kind of vragen hebt, stuur dan een e-mail naar T.dewit@uva.nl

6


actualiteit

Kroeglezing: ‘Hoe word ik internationaal rechter?’ Door Nina Tutein en Nina de Groote

I

n samenwerking met ELSA organiseerde de JFAS 12 november een kroeglezing met als thema ‘Hoe word ik internationaal rechter?’. Alphons Orie, de enige Nederlander onder de 32 rechters van het JoegoslavieTribunaal van de Verenigde Naties, kwam spreken. Met enige bescheidenheid, maar vooral veel enthousiasme en humor vertelde Alphons Orie over zijn loopbaan en ervaringen in de juridische wereld. Hij belichtte daarbij zowel praktische als inhoudelijke problemen en gaf daarnaast natuurlijk een antwoord op de vraag hoe je zelf internationaal rechter kunt worden. “Het allerbelangrijkste aspect is passie voor je vak! Als je passie hebt voor internationaal (straf)recht en dat ook kunt aantonen op je CV, ben je al een heel eind.” Zelf heeft Alphons Orie zich tijdens het wetenschappelijke werk wat hij heeft verricht verdiept in het internationale recht. Vervolgens is hij daarmee aan de slag gegaan als advocaat bij Spong. Tegen de tijd dat hij als rechter aan het werk ging had hij dus al vele jaren praktijkervaring. Maar er wordt natuurlijk naar meer gekeken dan alleen passie. Een goede cijferlijst en overige ervaringen zijn zeer van belang. En als je bijvoorbeeld een stage hebt gelopen bij een Internationaal Tribunaal o.i.d. en daar je kwaliteiten hebt laten zien, heb je natuurlijk helemaal een streepje voor als je gaat solliciteren.

In de internationale wereld geldt: “Spreek je talen!” Verder geldt in de internationale wereld: “Spreek je talen!”. Uitstekend Engels en Frans zijn eigenlijk al een must en iedere extra taal is mooi meegenomen. Ga dus naar het buitenland en spreek daar de taal die je wilt leren zoveel mogelijk. Dat is de beste manier een taal echt te leren. Zelf

is hij vroeger door zijn ouders in een Frans gezin gedumpt. Ook al vond hij de oudste dochter veel interessanter dan de taal zelf, heeft hij er nog steeds profijt van. Ook is het van belang, maar dat geldt ook buiten het internationale recht, dat je de afschuwelijke dingen die je soms bij een zaak op je bord krijgt, na werktijd van je af kunt zetten. Natuurlijk sleept het wel eens na, als je bijvoorbeeld tijdens een belangrijke zaak bewaking mee naar huis krijgt. Alphons Orie zegt dat je daar best wat laconiek mee om kunt gaan. Zoals hij zelf de keer dat hij met de beveiliging zijn zoon van de bushalte kwam halen en zijn zoon daar innig zoenend bleek te staan. Je moet dus aan behoorlijk wat eisen voldoen om internationaal rechter te kunnen worden. Hoewel dat natuurlijk logisch is voor die functie. Je kunt, zoals Alphons Orie zijn lezing begon echter ook de straat op gaan om de criminaliteit te verhogen. Het blijft natuurlijk een kwestie van vraag en aanbod! Na de lezing werd onder het genot van een drankje nog flink nagepraat en nam Alphons Orie alle tijd ieders vragen te beantwoorden. Toen hij uiteindelijk naar zijn gezin in Den Haag terugging, benadrukte hij dat zijn vrouw gelijk heeft als ze weer eens roept dat als het op overwerken aankomt niet aan het vak ligt, maar aan hem. En zo stroomde ‘The Three Sisters’ na een geslaagde avond om een uur of tien weer leeg.

7


De Paspoortwet: natte vingerwerk door de overheid? Door Diederik van Elsas

O

p 21 september 2009 trad de gewijzigde Paspoortwet in werking. Deze wet zal slechts bij weinigen onbekend zijn. De wet is uitvoerig in de publiciteit geweest en meer dan drie miljoen Nederlanders hebben sinds de invoering van de wet hun vingerafdrukken afgestaan aan de staat. De kans is niet ondenkbaar dat lezer daar één van is. Hoewel deze opkomst misschien anders doet vermoeden klinkt er protest van verschillende kanten van de maatschappij. Niet zozeer tegen het afnemen van de vingerafdrukken, als wel tegen de opslag van de biometrische gegevens van burgers in een (centrale) database. Verschillende commentatoren noemden Nederland in haar wetgeving al ‘de ijverigste leerling van de klas’. Betreft het hier overdreven protest van privacy-extremisten, of kan hier wel degelijk gesproken worden van een schending van het recht op privacy?

In 2004, ten tijde van het EU-voorzitterschap van Nederland, kwam de Europese Paspoortverordening1 tot stand. Deze verordening regelt de opslag van biometrische gegevens - vingerafdrukken en een gezichtsscan - in het paspoort. Door deze gegevens in het paspoort op te nemen is nog beter te verifiëren dat een individu de legitieme houder van het paspoort is. Dit is wenselijk, zo vond men, in het licht van terrorismebestrijding. Op deze wijze zal onder andere ‘look-a-like fraude’ met reisdocumenten veel effectiever kunnen worden bestreden. Hoewel de Europese verordening opslag van de gegevens op de chip in het paspoort voldoende achtte, besloot de Nederlandse regering tot een verdergaande ‘nationale kop’ op deze Europese regelgeving. De Paspoortwet van 11 juni 2009 voorziet in centrale opslag van deze biometrische gegevens. Het is bij deze opslag dat de schoen begint te wringen. Tot de juridische horden die de Paspoortwet tegen kan komen behoort artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Dit artikel ziet toe op het beschermen van de persoonlijke levenssfeer. Binnen de beperkingssystematiek van het EVRM zijn inbreuken op dit recht enkel toegestaan indien deze inbreuk noodzakelijk is in een democratische samenleving ten behoeve van bepaalde legitieme doelen. De inbreuk op het grondrecht

8

van de burger dient proportioneel te zijn aan het gediende doel. Er dient dus zonder meer een zorgvuldige afweging van publieke en private belangen plaats te vinden. Wat is nu het doel dat de regering met deze centrale opslag voor ogen heeft? Getuige de Memorie van Toelichting zal de centrale administratie leiden tot “een meer effectief en betrouwbaar aanvraag- en uitgifteproces van reisdocumenten”.2 Dit zal op zijn beurt leiden tot een effectievere bestrijding van identiteitsfraude. Tevens dient de centrale opslag volgens de MvT het belang van opsporing en vervolging van strafbare feiten, en de identificatie van slachtoffers van rampen en ongevallen. Deze doelen kunnen volgens de regering alleen door middel van een maximalisering van de mogelijkheden tot identificatie gerealiseerd worden. Bezwaren Privacy-organisaties en deskundigen reageerden al vroeg in de wetgevingsprocedure negatief op een (de)centrale administratie. Onder meer het College Bescherming Persoonsgegevens (Cbp)3, de Europese Toezichthouder


verdieping

voor gegevensbescherming4 en de Artikel 29-werkgroep5 brachten negatief advies uit over centrale opslag. Aan de opslag zitten volgens hen veel risico’s voor de burger, die niet opwegen tegen de gediende doelen. Sterker nog, het zal volgens veel critici juist kunnen leiden tot een toename van identiteitsfraude. Tevens stellen zij vraagtekens bij de noodzakelijkheid van de centrale opslag, en het onderzoek naar alternatieven. Een eerste twijfel die veel critici delen is de veiligheid van de administratie. Er kleeft volgens experts een groot misbruikrisico aan een online te raadplegen database. Onder meer het Cbp sprak zijn zorgen uit over de veiligheid van de internationale infrastructurele voorzieningen.6 Bovendien leert ervaring ons dat de ‘hackersgemeenschap’ voorop loopt in de technische ontwikkelingen, en het kraken van onfeilbaar geachte systemen eerder regel dan uitzondering is. De ingrijpende gevolgen van een dergelijke inbraak, zoals ‘identity theft’, zijn evident.7 De veiligheid van de database bleek tijdens de parlementaire behandeling het ondergeschoven kind. Een studie naar de Paspoortwet door de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (hierna: WRR-rapport) stelt: “Verder werd de veiligheid van centrale opslag tegenover het parlement eenvoudigweg gesteld maar nimmer concreet onderbouwd, laat staan aangetoond.”8 Het bestaan van een veiligheidsrisico werd door de staatssecretaris in haar Memorie van Antwoord onderkend9. Een tweede bezwaar tegen het gebruik van een database is de feilbaarheid van de techniek. In april 2006 stelde de Commissie Meijers al: “Zo is aangetoond dat het gebruik van biometrische data voor persoonsherkenning nog steeds niet onfeilbaar is. Identificatie of verificatie op basis van deze gegevens zal dus altijd een foutmarge inhouden.”10 Uit proeven met vingerafdruk-biometrie in opdracht van de overheid blijkt een foutmarge van 3%.11 Een foutmarge van 3 op 100 – zeker in het licht van mogelijke ingrijpende gevolgen van een foute identificatie - is niet gering te noemen. De MvT belooft dat er ‘bijzondere aandacht zal worden besteed aan de programmatuur’.12 Of deze bijzondere aandacht zal leiden tot een acceptabele foutmarge wordt nergens duidelijk. De opsporings- en vervolgingsdoelen van (de)centrale opslag stuiten eveneens op weerstand, zeker als we de bovengenoemde gebreken in het achterhoofd houden. De

Officier van Justitie heeft in gevallen waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan of ter identificatie van de verdachte toegang tot gegevens uit de database.13 Ten tijde van de totstandkoming van de Paspoortwet werd door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens het arrest Marper v. UK gewezen. In dit arrest concludeert het EHRM dat de ongelimiteerde opslag van vingerafdrukken van personen die zijn vrijgesproken in een database met vingerafdrukken van verdachten, in strijd is met artikel 8 EVRM.14 Door de regering werd het arrest Marper v. UK eenvoudig afgedaan als niet van toepassing. Volgens de staatssecretaris was er, in tegenstelling tot Marper v. UK, geen sprake van een strafrechtelijke context, omdat de opslag in het kader van reisdocumentregistratie geschiedde. Hier valt echter een vraagteken bij te stellen. De prominente plek van de opsporingsfunctie in de Paspoortwet lijkt wel degelijk een strafrechtelijke context te creëren. Bovendien lijkt er hier juist sprake van een veel verdergaande inbreuk dan in Marper v. UK, door de database met biometrie van alle burgers beschikbaar te stellen voor opsporing. De bijbehorende rechtvaardiging zal dus juist aan strengere eisen moeten voldoen. De afweging tussen het publieke en private belang die in Marper v. UK volgens het Hof tekort schoot lijkt in de Memorie van Toelichting eveneens te mager.

De toegang van de Officier van Justitie tot de database roept vragen op omtrent de zogeheten ‘function creep’ De toegang van de Officier van Justitie tot de database roept verder vragen op omtrent de zogeheten ‘function creep’: het gebruik van de database voor doeleinden die bij het totstandkomen zijn beoogd noch gewild. Het WRR-rapport zegt hierover: “ Uit diverse opmerkingen van het CDA, PVV en VVD bleek overigens dat dit risico [op ‘function creep’]

9


de ideale werkplek in oost nederland voor een advocaatstagiaire of een studentstage Kijk op www.jpr.nl

voor eigenzinnige professionals met ambitie

7055020_A4_Adv_Studentenwerving.indd 1

09-11-2010 12:38:40


verdieping

juist zeer groot is. Zo pleitte de PVV voor openstelling van de gehele database ten behoeve van sporenonderzoek en liet het CDA blijken de database te willen gebruiken voor de bestrijding van alle misdrijven en overtredingen. De VVD reageerde hierop niet negatief.”15 Het wetsvoorstel sloot het risico van ‘function creep’ niet voldoende uit, zo vond ook het Cbp.16 De mogelijkheid tot nadere regelgeving middels AMvB vermindert de invloed van de Tweede Kamer hierop. De Memorie van Toelichting spreekt van expliciete waarborgen om het risico van ‘function creep’ tegen te gaan. Veel verder dan een opsomming van de doelbinding uit de Paspoortwet komt de MvT echter niet. Schending? Het afnemen van vingerafdrukken bij het aanvragen van een reisdocument was oorspronkelijk bedoeld om identiteitsfraude tegen te gaan. Volgens de regering is dat in de Paspoortwet nog steeds het voornaamste doel. Mede gezien bovengenoemde bezwaren, lijkt er echter een verschuiving plaats te vinden. Niet slechts de verificatie van de connectie houder-paspoort, maar identificatie aan de hand van een database staat centraal. Gezien de mate van inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en de misbruikrisico’s die aan (de)centrale opslag kleven, is een zorgvuldige belangenafweging tussen het publieke en private belang vereist. In een open brief aan de Eerste Kamer stelden een aantal wetenschappers destijds terecht: “De kernvraag is of de voordelen van een biometrische zoekfunctie wel opwegen tegen de risico’s van opslag van deze gevoelige gegevens buiten het paspoort zelf.”17 Het is precies deze vraag die door de regering ontoereikend is beantwoord. Het antwoord op deze vraag zal bepalen of we hier van doen hebben met een gerechtvaardigde inbreuk of een schending van artikel 8 EVRM. Op dit moment lopen verschillende procedures van belangenorganisaties en burgers tegen de Paspoortwet. Gezien het toetsingsverbod zal het waarschijnlijk tot aan het Europese Hof duren voordat de burger duidelijkheid krijgt over de vermeende privacyschending in de Paspoortwet. Het is niet ondenkbaar dat het Europese Hof de wet naar de eeuwige jachtvelden zal verwijzen. Tot die tijd is het ‘fingers crossed’ dat uw gegevens in goede handen zijn.

Noten 1 Verordening (EG) Nr. 2252/2004 van de Raad van 13 december 2004 2 Kamerstukken II, 2007-2008, 31324, nr. 3, p. 21 3 Advies College bescherming persoonsgegevens, d.d. 30 maart 2007 inzake wijziging Paspoortwet in verband met de herinrichting van de reisdocumentenadministratie, http:// www.cbpweb.nl/Pages/adv_z2007-00010.aspx. Het rapport dateert van 2007. Dat de overwegingen nog steeds relevant zijn bewijst het WRR-rapport in samenhang met de Memorie van Toelichting en recente uitlatingen van het Cbp in de media 4 Advies van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming d.d. 26 maart 2008 (2008/C 200/01, 6.8.2008) 5 http://ec.europa.eu/justice/policies/privacy/workinggroup/ wpdocs/2005_en.htm. 6 Advies College bescherming persoonsgegevens, d.d. 30 maart 2007 inzake wijziging Paspoortwet in verband met de herinrichting van de reisdocumentenadministratie, p. 7 7 Een van de schrijnende voorbeelden is het verhaal van Ron Kowsoleea. Zie voor het rapport van de Nationale Ombudsman hierover: http://www.ombudsman.nl/nieuws/ persberichten/2008/documents/Samenvatting.pdf 8 Happy Landings? Het biometrische paspoort als zwarte doos, Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid,Vincent Böhre, Webpublicatie nr. 46, p. 94 9 Zie memorie van antwoord van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken (Ank Bijleveld-Schouten) d.d. 28 april 2009, Kamerstukken I, 2008-2009, 31324, C., p.2 10Brief van de Permanente Commissie van deskundigen in internationaal vreemdelingen-, vluchtelingen- en strafrecht (Commissie Meijers) aan de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van de Tweede Kamer (CM0603), 13 april 2006, pp. 1-2. www.commissie-meijers.nl/ commissiemeijers/pagina.asp?pagnaam=commentaren. 11De MvT bevestigt dit; Kamerstukken II, 2007-2008, 31324, nr. 3, p. 14 12Ibid. 13Artikel 4b lid 4 van de Paspoortwet. In dit opzicht is ook art. 126nc WvSv van belang, welke opsporingsambtenaren onder voorwaarden toestemming geeft biometrische gegevens te vorderen. 14EHRM 4 december 2008, 30562/04 en 30566/04 (Marper v. UK), r.o. 125 15Happy Landings? Het biometrische paspoort als zwarte doos, Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid,Vincent Böhre, Webpublicatie nr. 46, p. 95 16Advies College bescherming persoonsgegevens, d.d. 30 maart 2007 inzake wijziging Paspoortwet in verband met de herinrichting van de reisdocumentenadministratie, p.8 17Centrale biometrische databank: vloek of zegen, open brief aan de Eerste Kamer van Annemarie Sprokkereef, Ronald Leenes, Bart Jacobs, Raymond Veldhuis en Max Snijder d.d. 8 juni 2009; http://vortex.uvt.nl/TILTblog/?p=69#more-69.

11


Interview met Wendy van Poorten, eindredactrice bij de Jackie Van de redactie Wendy was drie jaar geleden hoofdredactrice van de Nota Bene bij de JFAS. In augustus is ze als eindredactrice bij het vrouwenblad ‘Jackie’ begonnen. Wij zijn ontzettend benieuwd naar je verhaal, dus vertel: hoe is het zo gekomen dat een meester in de rechten eindredacteur van Jackie wordt? Na mijn rechtenstudie ben ik gaan werken op een heel klein advocatenkantoor. Ik had tijdens mijn studie al stage gelopen bij een aantal grote kantoren en ik wist dat dat niet mijn ding was. Ik kwam langs een vacature mediarecht bij een klein kantoor, heb gesolliciteerd en werd aangenomen. Toen zat ik daar ineens, achter een groot bureau met een computer en echte zaken. De eerste maand is alles leuk. Maar daarna ga je je beter realiseren waar je precies mee bezig bent, en bij sommige zaken dacht ik: waarom doe ik dit? Dan was ik bijvoorbeeld de hele dag achter mijn bureau over heipalen aan het schrijven. I couldn’t care less!

‘Ze zeggen dat je met rechten alles kunt worden. Maar dat is gewoon gelul.’ Het kantoor was ontzettend leuk, maar toch voelde het alsof ik iets anders moest gaan doen. Had ik me nou zo vergist in de advocatuur? Ik besloot om minder te werken en een minor entrepreneurship te volgen. Daarna koos ik er voor om nog een master Media en Journalistiek te doen. Ik hou gewoon heel erg van studeren denk ik, haha. Maar zelfs toen ik begon aan die master wist ik niet specifiek wat ik wilde. Het was meer van: volgens mij zit ik in de goede richting nu. En het is ook niet dat rechten helemaal overbodig was. Ik heb veel van mijn rechtenstudie geleerd. Je leert op een bepaalde manier te denken, je wordt als het goed is erg analytisch. Dat is nuttig, wat je verder ook gaat doen.

12

Hoe was het om informatierecht aan de UvA te studeren? Ik vond het heel leuk. Ik wilde informatierecht doen omdat ik dat in mijn derde jaar als keuzevak had gevolgd en erg interessant vond. Het werken in groepjes stond me wel een beetje tegen, maar ik vond ook wel dat ik daar niet over moest zeuren en het gewoon moest doen. Het is wel een zware master. Mensen die strafrecht deden begonnen één dag voor een tentamen te leren en haalden dan een negen, maar dat kon bij informatierecht gewoon echt niet. Hoe was je studententijd? Voordat ik rechten ben gaan studeren heb ik op de dansacademie gezeten. Dat was heel intens, en rechten was daarna een soort verademing omdat je heel weinig op de faculteit hoeft te zijn. Het eerste jaar vond ik best moeilijk. Je leert allemaal nieuwe dingen, ik wist toen ik begon bij wijze van spreke niet eens wat de Hoge Raad was. Als snel bleek dat ik er wel goed in was. Dan kwam ik terug van een tentamen met het idee dat ik het verknald had, maar dan had ik een negen gehaald. Daar moest ik op een gegeven moment wel wat relaxter in worden. Maar ik kan niet ‘half’ leren: ik weet het, of ik weet het niet, maar ik heb geen idee wanneer je zou moeten stoppen met lezen om een zes te halen. Dat kan ik gewoon niet. Ik haalde hoge cijfers, maar daar heb ik ook heel hard voor gewerkt. In mijn tweede jaar kwam ik in de honoursbachelor terecht, en dat was wel fijn. Je komt dan in een klasje terecht waar je makkelijk mensen leert kennen, en dat was erg gezellig. Na mijn bachelor ben ik een half jaar naar New York geweest, als exchange student aan Columbia University. Dat is echt mijn tip voor iedereen: als je naar het buitenland kan, al moet je je in honderd bochten wringen, ga! Want het is echt een geweldige ervaring. Maar begin wel op tijd met plannen en aanmelden! Heb je daar veel geleerd? Meer over mezelf dan juridisch. Ik moest natuurlijk mijn vakken halen, maar de stad had zelf ook zoveel te bieden. Alles was daar in het kwadraat. Je studeert heel hard maar je winkelt ook heel hard, je gaat heel hard uit, je slaapt twee keer zo weinig maar je krijgt twee keer zo veel energie. Het is veel extremer dan in Nederland. En het feit dat je daar in je eentje aan de andere kant van de wereld bent, is natuurlijk heel cool.


Rubrieken

Hoe was het om hoofdredactrice te zijn van de Nota Bene? Ik vond het heel leuk. Ik heb dat in mijn laatste jaar gedaan, tijdens mijn Master. Ik was het jaar daarvoor mee met de studiereis naar Dubai. Toen heb ik in een halfdronken bui met een vriend afgesproken dat we het jaar daarop bij de JFAS zouden gaan. We hadden heel erg het gevoel dat we de JFAS uit het slop moesten trekken. We gingen er vol goede moed in, dat doet ieder bestuur. En ik heb ook echt het idee dat we wel een hoop veranderd hebben in dat jaar. Ik vond het heel fijn dat ik mijn eigen dingetje had. De Nota Bene is toch een eigen eilandje. Maar er is altijd stuggle en dat hoort erbij. Je wordt er wijzer van. Ze zeggen dat het leuk staat op je cv, maar ik vond het vooral een leuke ervaring.

‘Natuurlijk kan ik een pleidooi over heipalen schrijven als het moet, maar dat betekent niet dat ik er blij van word.’

Je schreef al veel blogs voor de JFAS en je was hoofdredactrice van de Nota Bene. Zag je dit als opstapje naar je huidige carrière? Om dat moment dacht ik dat ik er misschien ooit wel iets mee wilde doen, maar wat precies wist ik niet. Ik heb nog steeds contact met mijn wiskundeleraar van de middelbare school, hij zei altijd tegen mij: ‘Wendy, je moet iets met dat schrijven doen.’ Stiekem was er ook altijd een stemmetje in mijn hoofd dat zei, maar ik dacht: ja, met rechten kan ik straks als advocaat ook lekker stukken gaan schrijven. Maar schrijven over heipalen is toch niet zo heel interessant. Toen realiseerde ik me dat ik vooral wil schrijven over dingen die me echt boeien, dat kan ik ook het best. Natuurlijk kan ik een pleidooi over heipalen schrijven als het moet, maar dat betekent niet dat ik er blij van word. Hoe ziet nu je leven eruit, als eindredacteur van Jackie? Dat is onwijs snel gegaan. Vorig studiejaar augustus tot en met juli deed ik de master Media en Journalistiek in Rotterdam. Vanaf februari stond dat helemaal in teken van mijn masterscriptie. Ik had zo’n uitgebreid onderzoek dat mijn scriptiebegeleider aan het begin zei: ‘Is dit niet wat te ambitieus?’ Toen zei ik: ‘Nou, daar hou ik wel van.’ Mijn onderwerp was het alsmaar dunner wordende vrouwbeeld in glossy’s, dus ik mocht vier maanden lang in glossy’s bladeren en daar over schrijven. Niet dat het alleen maar leuk was hoor, ik moest wel een intelligent onderzoeksverslag inleveren. Ik moest bijvoorbeeld leren SPSS’en, en dat was verschrikkelijk. Tijdens het schrijven van mijn scriptie bedacht ik me dat het misschien wel leuk zou zijn om bij zo’n vrouwenblad te

13


werken. Maar ik was daar niet heel concreet mee bezig. Tot ik in april realiseerde dat ik straks weer klaar zou zijn met een studie, en gewoon weer moest gaan werken. En dan voor het ‘eggie’ deze keer. Ik was me dus een beetje aan het oriënteren op de arbeidsmarkt, en toen zag ik ineens dé vacature: ‘Jackie zoekt: schrijvend eindredacteur.’ Ze riepen mij! Ik had een deadline voor mijn scriptie en heb toen een nacht doorgewerkt aan mijn sollicitatiebrief. Ik hoorde een tijdje niets, en dacht dat ik het niet was geworden, maar toen werd ik ineens gebeld voor een gesprek. Na een sollicitatiegesprek en een aanvullende opdracht werd ik de nieuwe eindredacteur van Jackie. Ik moest nog wel eerst mijn scriptie afronden, maar dat liep allemaal vlot en daar heb ik uiteindelijk een negen voor gekregen. Mijn dagen bij Jackie zijn heel verschillend. Vooral aan het begin was alles heel hectisch, omdat ik zoveel moest leren. Ik ben ongeveer de helft van mijn tijd bezig met het schrijven van artikelen en de andere helft van mijn tijd ben ik bezig met het corrigeren van teksten van anderen. Ik vind die combinatie van het creatieve en de verantwoordelijkheid erg mooi aan mijn baan. Als de Jackie eenmaal gedrukt is kan ik hem niet meer openslaan. Ik kijk ernaar en denk: oké mooi. Punt. Ik ben zo bang dat ik alsnog een spelfout tegenkom als ik erin kijk, dat is een beetje een verlammende angst geworden.

‘Noem het wispelturig, maar ik heb gewoon alles gedaan wat me interesseerde.’ Waar zie je jezelf over 10 jaar? Denk je dat je ooit nog iets met rechten gaat doen? Als je ziet wat ik de afgelopen tien jaar allemaal heb gedaan dan is daar geen peil op te trekken. Noem het wispelturig, maar ik heb gewoon alles gedaan wat me interesseerde. Ik wil nu wel wat meer stabiliteit, dus het zou kunnen dat ik over tien jaar gewoon nog eindredacteur ben. Maar ik ben erg ambitieus, dus het zal wel weer een keer gaan kriebelen. En het kan natuurlijk ook dat ik op een willekeurige dag

14

naar New York verhuis, werkeloos raak en onder een brug eindig. Ik weet het niet, het kan alle kanten op. Maar je zou nooit meer iets met rechten doen? Dat weet ik niet. Ik denk niet dat ik nog advocaat word. Dan heb ik een hoop uit te leggen bij een sollicitatiegesprek, haha! Daar zitten ze denk ik niet op te wachten, er zijn genoeg mensen die dat wel echt willen. Misschien dat ik er iets zijdelings mee zou kunnen doen. Rechten heeft wel iets intelligents dat een vrouwenblad niet zozeer heeft, dus misschien dat ik ooit op zoek ga naar een combinatie van dat intelligente en het leuke. Ik weet het niet, ik zit nu gewoon ontzettend op mijn plek. Er zijn veel rechtenstudenten die, naarmate hun studie vordert, er inderdaad voor kiezen om een andere weg in het leven in te slaan. Wat zou je deze mensen adviseren met de ervaring en inzichten die je nu hebt? Ze zeggen altijd: ‘Als je rechten gestudeerd hebt kun je alles worden.’ Maar dat is gewoon gelul, je kunt helemaal niet alles worden. Je kunt bedrijfsjurist worden en je kunt advocaat worden en daar houdt het wel een klein beetje mee op, tenzij je de juiste connecties hebt. Je gaat geen sterrenkundige worden met deze studie. En ik had deze baan ook niet gekregen als ik niet nog Media en Journalistiek had gestudeerd. Je moet altijd wel iets relevants in hoofdzaak hebben gedaan. Als je nog een jaar iets kan studeren en je bent nog jong, doe het, want als je iets gaat doen waar je niet gelukkig van wordt is het heel lastig om daar weer uit te komen. Volg je gevoel, en als je iets wilt dan kan dat, maar je moet er wel je best voor doen. Maar wel je rechtenstudie afmaken hoor! Het is namelijk heel leuk om meester in de rechten te zijn, vooral als je een keer gedonder hebt met een klantenservice…


arrestbespreking

Het Copland arrest Door Jaimy Lankman

W

anneer je door een winkelstraat loopt, is er altijd wel een camera op te merken. Het lijkt erop alsof je overal, waar je ook komt, wordt opgenomen. Kunnen we eigenlijk nog wel onopgemerkt ergens heen gaan? De afgelopen jaren zijn er tal van maatregelen genomen om misdaad en terrorisme te voorkomen: camera’s, gebiedsverboden, de Paspoortwet, de opslag van telecomgegevens, preventief fouilleren, identificatieplicht enzovoorts. Voormalig Minister van Verkeer en Waterstaat, Camiel Eurlings, zegt hierover dat de privacy van de burger beschermd zal blijven, maar tegelijkertijd mogen de inlichtingendiensten en politie wél inzage in de gegevens krijgen. Wanneer een persoon vindt dat zijn privacy geschonden is, zal de rechter bepalen of daar daadwerkelijk sprake van is en er dus op een grondrecht gewezen kan worden (artikel 8 EVRM). Privacy van de burger laat zich, met andere woorden, lezen als een noodzakelijk tegengewicht om te voorkomen dat het individu verpletterd wordt. Een goed voorbeeld: stel je werkt in het voortgezet onderwijs en al je privégegevens worden verzameld. Dit vormt een duidelijke schending op het gebied van privacy. Het arrest ‘Copland’ (NJ 2007) heeft betrekking op deze kwestie. De zaak is gebaseerd op privacy rondom de werkplek; de werkgever moet namelijk zorgvuldig omgaan met de (privé) gegevens van de werknemer. Het EHRM oordeelde dat privacy wel degelijk ook op de werkplek geldt. Mevrouw Copland werkte bij een onderwijsinstelling, het Carmarthenshire College te Wales. Ze kwam erachter dat haar werkgever de afgelopen achttien maanden haar telefoon- en internetgebruik had gemonitord met als gevolg dat Copland beklag deed bij haar werkgever. De klaagster diende een klacht in op grond van artikel 8 EVRM bij het EHRM. Het Hof had dus geoordeeld dat de werkgever niet zomaar alle gegevens (internet- en telefoonverkeer) mag monitoren. Er werd geconcludeerd dat: – ‘Private correspondance’ ook slaat op verkeersgegevens die betrekking hebben op elektronische communicatie en andere gesprekken en niet alleen op de inhoud van communicatie zodat deze gegevens dus ook verboden zijn. – Zakelijke communicatie ook onder artikel 8 EVRM valt. – De uitspraak ook betrekking heeft op de verwerking van

informatie nadat het desbetreffende is opgeslagen op de computer. Dit arrest biedt meer duidelijkheid over hoe de privacy in de werkgelegenheid moet worden uitgelegd en over de privacybescherming van verkeersgegevens betreft communicatie. De vraag die hierbij gesteld kan worden: welke verkeersgegevens worden beschermd onder het kopje ‘privacy’? Het arrest ‘Malone’ geeft meer duidelijkheid omtrent deze kwestie. Er werd geoordeeld dat de gegevens van e-mail en internet onder artikel 8 EVRM vallen. Het Hof geeft, naast de uitleg over privacybescherming op de werkvloer en communicatie, ook meer duidelijkheid over de ‘voorafgaande waarschuwing’ (arrest Halford). Wanneer een werkgever aan de werknemer heeft aangegeven dat er gemonitord wordt, betekent dit niet dat er geen privacy is. Wat de arresten Halford en Copland met elkaar gemeen hebben, is dat de inbreuk op privacy buiten medeweten van de werknemers omging.

‘Hoe ver mogen werkgevers gaan met betrekking tot de (privé)gegevens van werknemers?’ Helaas heeft het Hof tijdens de beoordeling in het ‘Coplandarrest’ niet gelet op de proportionaliteitstoets. Wanneer dat wel zou zijn gebeurd, was er meer duidelijkheid geweest over de belangenafweging tussen de werkgevers bij het verzamelen van verkeersgegevens enerzijds en anderzijds de privacy van de werknemers. Toch biedt het arrest veel duidelijkheid over de privacy van werknemers tijdens de werkuren. Het geeft een duidelijke grens aan voor de werkgevers; hoe ver mogen zij gaan met betrekking tot de (privé)gegevens van werknemers? Door de snelle ontwikkeling van internetverkeer is het in ieder geval belangrijk om bepaalde vormen van internetgebruik expliciet uit te sluiten en bepaalde reglementen aan te passen.

15


NEW YORK - SÃO PAULO - WASHINGTON D.C. - AMSTERDAM - BARCELONA - BRUSSEL - BOEKAREST - DÜSSELDORF - FRANKFURT - KIEV - LONDEN - LUXEMBURG - MADRID MILAAN - MOSKOU - MÜNCHEN - PARIJS - PRAAG - ROME - WARSCHAU - ABU DHABI - DUBAI - RIYAD - BANGKOK - PEKING - DELHI - HONG KONG - SJANGHAI - SINGAPORE - TOKIO

Rondje van de zaak? Fiets van de zaak?

Opleiding van de zaak? Word advocaat-stagiair bij Clifford Chance Wil jij ook het beste uit jouw carrière halen? Word dan advocaat-stagiair bij Clifford Chance, één van de meest toonaangevende advocatenkantoren ter wereld. We bieden je met de Clifford Chance Academy niet alleen een nationaal maar ook een internationaal opleidingsprogramma aan. Zo ontmoet je collega’s uit bijvoorbeeld Londen, Barcelona en Milaan met wie je kennis en ervaringen kunt uitwisselen. Met alle ruimte om jouw carrière naar de top te brengen en volop aandacht voor jouw persoonlijke ontwikkeling. Ook een kickstart voor een succesvolle carrière in de internationale advocatuur? Solliciteer nu op wordadvocaatstagiair.nl en profiteer ook van een opleiding van de zaak!

wordadvocaatstagiair.nl


opinie

Big Brother is watching you too... Door Bouke Knop

E

en veelgehoorde reactie op privacy kwesties is “ik heb toch niets te verbergen” of een nog nog veel ergerlijker “meh, nou en?” Nu gaat de rest van deze Nota Bene over wat daar “nou en” aan is dus dat laat ik even in het midden. Wat wél zorgelijk is, is dat alle ontwikkelingen van de laatste tijd op het gebied van privacy, deze verder beperken in plaats van waarborgen. En ik vind dat nu juist rechtenstudenten hier het meest kritisch naar moeten kijken. Het verbaast me dan ook nog steeds dat veel mensen het boek 1984 van George Orwell niet gelezen hebben. Mooi hoogtepunt hiervan was een man die een schilderij stond te bekijken dat ik naar aanleiding van het boek had gemaakt. Hij had meegedaan aan het televisieprogramma Big Brother dus herkende de slogan wel. Dat het uit een boek kwam wist hij niet. Nu zegt dit misschien meer over Big Brotherdeelnemers dan over het boek, maar zelfs op onze universiteit lopen er genoeg mensen rond die iets in hun literaire opvoeding gemist hebben. De parallellen tussen het boek en de actualiteit vliegen je om de oren in het dagelijkse nieuws. Denk aan een Ministerie van Veiligheid en Justitie en natuurlijk de Partij voor de Vrijheid die tot doel heeft gesteld de vrijheid van veel mensen zo veel mogelijk in te perken. De in het boek genoemde ministeries van Liefde, Vrede, Welvaart en Waarheid zijn verantwoordelijk voor de emotieloze, in oorlog verkerende, straatarme en voorgelogen staat waarin de hoofdpersoon leeft. En naast het begrijpen van deze parallellen heeft het boek mij ook geholpen om welhaast achterdochtig te kijken naar overheidsoptreden op dit uiterst belangrijke gebied. Vaak wordt me tegengeworpen dat ik te wantrouwig ben en dat we nog lang niet zo ver zijn. Dat klopt. Maar dan ligt de nadruk op nóg niet zo ver. In mijn ogen is een beetje gezonde paranoia op zijn plaats. We leven in een land waar de vingerafdrukken voor iedereen vastgelegd worden, medische gegevens straks worden bewaard in één database, er een identificatieplicht geldt, er steeds meer beveiligingscamera’s komen en mensen daarnaast vrijwillig hun privacy opgeven op Twitter en Facebook en Google. Daarnaast scoort Nederland ook al slecht op bijvoorbeeld het gebied van telefoontaps. En privacy is geen geliefd onderwerp in tijden van grote onveiligheid. En laat dat nu ook juist zo duidelijk in dit verhaal naar voren komen.

Zelf heb ik het boek pas vrij laat gelezen. Animal Farm heb ik op de middelbare school al gelezen maar dit boek werd me pas een paar jaar geleden aangeraden. Ik heb het na aanschaf in één ruk uitgelezen. En nu ben ik als een soort evangelische missie begonnen om mensen waarvan ik vermoed dat ze zich in mijn ogen nog niet druk genoeg maken om privacyzaken en 1984 nog niet hebben gelezen, het fantastische boek cadeau te doen voor hun verjaardag. Van een vriend heb ik de pretentieuze gewoonte overgenomen op de eerste bladzijde van een cadeau te geven boek een verhaaltje te schrijven. Dus mijn beweegredenen zijn duidelijk voor degene die het boek krijgt. Naast een politiek correct cadeau is het natuurlijk ook gewoon een goed cadeau want ik ken werkelijk nog niemand die het een slecht boek vond. En hoewel het boek al in 1949 voor het eerst uitkwam blijft de waarschuwing die er in verpakt zit tot op de de dag van vandaag actueel.

‘In mijn ogen is een beetje gezonde paranoia op zijn plaats’ Als iedereen binnen mijn vriendengroep dan eindelijk 1984 heeft gelezen kunnen we verder gaan met het feit dat het recht onoverzichtelijk is en niemand weet waar hij mee bezig is. Dit doen we dan aan de hand van Kafka’s “Das Proces”. Maar dat bespreek ik nog wel eens in een andere Nota Bene.

17


Privacy... Door Jaimy Lankman

I

n de rechtsstaat staat de individuele vrijheid van de burger voorop. Als meest bedreigend voor deze vrijheid wordt het eigenmachtig optreden van de rechter en het bestuur beschouwd. Om dit te beperken dient het handelen van deze instanties zo goed mogelijk onder de heerschappij van de wet te worden gebracht. Echter, komen de wet en de wetsvorm onder grote druk te staan door de opkomst van de verzorgingsstaat in de twintigste eeuw. Dit komt doordat de lagere regelgevers grosso modo de inhoud van de ‘lege wet’, ‘kader-‘ of ‘raamwet’ bepalen.1 Het probleem wordt alleen maar groter wanneer er op een zonnige morgen, op de elfde van september 2001, twee Boeings de Twin Towers in New York doorboren. In reactie op deze aanslagen worden er in West-Europa strenge maatregelen genomen als het gaat om veiligheid. De bevoegdheden voor inlichtingendiensten en politie kunnen hierbij als een goed voorbeeld dienen.

den duur zal de beperking tegen ‘vissend rechercheren’ vrijwel zeker worden opgeheven en er zullen op termijn ongetwijfeld aanvullende regelingen komen.‘4

Uit de studie van Rathenau Instituut2 is gebleken dat de bevoegdheden van deze instanties in de loop der tijd zijn opgeschroefd. Eerst mocht er namelijk alleen bloed voor DNA-onderzoek vrijwillig bij een verdachte worden afgenomen. Daarna werd dat verplicht voor de zwaardere misdrijven en vervolgens óók voor de minder zware misdrijven. Tegenwoordig mag DNA van lichaamsmateriaal, dat aangetroffen is bij een misdrijf, vergeleken worden met bekende profielen van eerder veroordeelde misdadigers. Hier is duidelijk uit op te merken dat de privacy van burgers steeds kleiner wordt.

Het is zeer begrijpelijk dat DNA wordt gebruikt ter opsporing en bestrijding van criminaliteit, maar gezien de blik op de toekomst kan dit grote consequenties hebben. De kennis van genen (stukjes DNA) neemt gestaag toe. Zij hebben een substantiële invloed op zowel gedrags- als persoonskenmerken. Hierdoor kan men van de individuen risicoprofielen aanmaken om een inschatting te kunnen maken van bijvoorbeeld pedofilie of agressie. Dit heeft als nadelig effect dat een individu nauwlettend in de gaten wordt gehouden wanneer er ontdekt wordt dat er een kans van 0,1% bestaat op impulsiviteit.5

De DNA-databank wordt alleen gebruikt bij verdachten en veroordeelden, maar berust dit wel op de waarheid? De Paspoortwet3 bewijst het tegendeel, want niet alleen de veroordeelden en verdachten staan DNA af, maar ook de burgers die niks met een misdrijf te maken hebben. De wet houdt in dat alle Nederlanders, boven de veertien jaar, met onder andere hun foto én vingerafdrukken in een databank komen te staan. Doordat het landelijk wordt opgeslagen, kunnen de inlichtingendiensten en politie gemakkelijk gebruik maken van deze gegevens. De burgers zijn in feite allemaal tot potentiële verdachten bestempeld. De instanties mogen deze gegevens pas gebruiken als er een verdachte is en diens materiaal moet worden vergeleken. Echter, oudmedewerkster van de politie en onderzoekster, Sprokkereef, heeft daar weinig vertrouwen in. Ze zegt hierbij: ‘Op

De rechtsstaat heeft dus als doel de individuele vrijheid van de burger voorop te stellen, maar aan de andere kant is er ook bescherming nodig. De vraag die men bij de bescherming kan stellen is: tot hoe ver mag de grens van veiligheid gaan? Uit het bovenstaande kan namelijk worden afgeleid dat op momenten van crisis en grote onzekerheid de maatschappelijke druk op het recht wordt opgevoerd om de bestaande rechtsnormen onder andere te versterken of op te geven.6 Het is goed dat er zo nu en dan verandering komt, maar dit heeft ook zijn begrenzingen. Door dit beleid zal de privacy langzamerhand afnemen. Wie vaak zegt, ‘ik heb toch niets te verbergen?’, suggereert hierbij dat de burger vertrouwen heeft in de overheid maar de overheid niet in hem. En het zou toch óók fijn zijn wanneer de overheid dat vertrouwen wel heeft.

18


Rubrieken

...versus Veiligheid Door Maartje Stabel

‘Is het opslaan van DNA-materiaal een bedreiging van onze privacy of eerder een bevordering van onze veiligheid?’

V

eiligheid heeft zich ontwikkeld tot het kernbegrip van het huidige politieke klimaat; veel problemen en oplossingen worden vanuit het begrip veiligheid geframed. Het politieke klimaat ontwikkelt zich echter niet in een vacuüm, het is de burger die zich onveiliger voelt en deze ontwikkeling in gang heeft gezet. De vraag naar meer veiligheid kan leiden tot afname van andere waarden waar men een belang aan hecht. Volgens Buruma moeten veiligheid en privacy ook niet als idealen, maar als waarden worden gezien.7 Het zijn geen doelen op zich. Niemand streeft naar ultieme privacy of ultieme veiligheid, omdat andere doelen dan niet kunnen worden gerealiseerd. Bij een afweging tussen veiligheid en privacy, moeten verschillende belangen worden meegewogen. Dit geldt ook bij de discussie over de DNA-databank. Door het opslaan van DNA-materiaal en DNA-profielen wordt de opsporing en bestrijding van criminaliteit vereenvoudigd. Er bestaat een verschil tussen DNA-materiaal en DNA-profielen. Uit DNA-materiaal kan het geslacht worden afgeleid en er kan een globale schatting van het ras van de persoon worden gedaan.8 Deze kenmerken zijn van belang voor strafvordering.9 Uit een DNA-profiel valt volgens Prinsen enkel het geslacht af te leiden.10 Het aantal DNA-profielen in de DNA-databank is in de afgelopen jaren sterk gegroeid. In oktober 2006 bevonden er 6.004 DNA-profielen in de DNA-databank, dit aantal is gegroeid tot 105.232 in oktober 2010.11 De DNA-databank wist in 23.797 keren een spoor aan een persoon te koppelen.12 Het opslaan van DNA-profielen en DNA-materiaal helpt bij de opsporing en bestrijding van criminaliteit, maar het is geen wondermiddel. Toch zullen velen zich zorgen maken over de opslag van hun genetische materiaal. Een belangrijk argument is de ‘contextloosheid’ van DNA-materiaal. Hier komt de bekende tunnelvisie van opsporingsambtenaren en Justitie kijken; zodra DNA-materiaal is gevonden wordt er teveel belang gehecht aan het gebruik van dit materiaal. Het gaat om ‘hard’ forensisch bewijs, maar het vinden van materiaal betekent niet dat de persoon van wie het materiaal is, een bepaald delict heeft gepleegd. Het kan natuurlijk wel tot gevolg hebben dat het strafrechtelijk onderzoek om dit lees verder op de ommezijde

19


materiaal wordt ‘heen gebouwd’. Dit is een gegronde angst van burgers; dit kan niet worden ontkend. Het is echter geen direct gevolg van het opslaan van DNA-profielen of DNA-materiaal. De fouten liggen dan voornamelijk bij de opsporingdiensten en Justitie. Om de wenselijkheid van een DNA-databank te boordelen moet men zich niet blindstaren op de mogelijke inbreuken op de privacy. Het belang van een DNA-databank ligt voornamelijk in de bestrijding en opsporing van criminaliteit. Het bestaan van een DNA-databank kan een preventieve werking hebben, omdat de pakkans stijgt wanneer genetisch materiaal op de plaats delict wordt gevonden. Daarnaast is DNA-materiaal betrouwbaar en kan er in samenhang met ander bewijs makkelijker tot een veroordeling worden gekomen. Echter, de nadruk bij het pleiten voor de DNA-databank ligt op de veiligheid. Het huidige politieke klimaat vraagt om een efficiëntere bestrijding van criminaliteit. Ook moet men zich afvragen of het huidige politieke klimaat niet vraagt naar argumenten ten voordele van de gemeenschap en niet slechts vanuit een ‘samenleving der individuen’. De huidige maatschappij kan omschreven worden als een risicomaatschappij en de burger vraagt ook steeds meer naar bescherming tegen risico’s van derden. De vraag is dus in hoeverre het maatschappelijk belang ten koste mag gaan om de privacy van het individu te beschermen. Het opslaan van DNA-materiaal en DNA-profielen wordt slechts gebruikt voor de opsporing en bestrijding van criminaliteit, niet voor andere doeleinden. Zolang het voor deze doeleinden wordt gebruikt, volstaat het niet enkel de aantasting van de privacy te beargumenteren, omdat andere – belangrijkere – belangen gediend worden bij de opslag van DNA-profielen en DNA-materiaal.

20

Noten 1 Oratie prof. van Klink, Oratie van prof. van Klink, ‘Autonomie van het recht en rechtswetenschap’, 23 april 2010 2 Rathenau instituut, Christian van ’t Hof/ Eefje van den Heuvel/ Rinie van Est en Frans Brom, ‘RFID ter discussie’, oktober 2007 3 Paspoortwet: http://wetten.overheid.nl/BWBR0005212/ geldigheidsdatum_12-11-2010, Rijkswet van 26 september 1991, houdende het stellen van regelen betreffende de verstrekking van reisdocumenten 4 Universiteit van Tilburg: drs. A.C.J. Sprokkereef, ‘Centrale Biometrische Databank: Vloek of zegen’, 8 juni 2009 5 TILT- Centrum voor Recht, Technologie en Samenleving, B.J. Koops, R. Poels, R. Leenes, M. Lips, ‘ Veiligheid en privacy in 2030: twee toekomstscenario’s’, Januari 2005 6 Oratie prof. van Klink, ‘Autonomie van het recht en rechtswetenschap’, 23 april 2010 7 Y. Buruma, ‘Privacy en veiligheid: de passie voor de werkelijkheid’, Radbout Universiteit Nijmegen (2008). 8 M.M. Prinsen, ‘De bestaande forensische DNA-databank en een verkenning van de mogelijkheden tot uitbreiding’, Privacy & Informatie (2006) 9: 54-58, p. 57. 9 Voor medische doeleinden kan er meer worden afgeleid uit het materiaal, zoals het dragen van erfelijke ziekten. De mogelijkheid tot het vaststellen van erfelijke ziekten kan echter ook relevant zijn voor strafvordering, bijvoorbeeld omdat de vermoedelijke verdachte diabetespatiënt is en dit een leidraad kan vormen bij opsporing. 10 M.M. Prinsen, ‘De bestaande forensische DNA-databank en een verkenning van de mogelijkheden tot uitbreiding’, Privacy & Informatie (2006) 9: 54-58, p. 57. 11 Zie www.dnasporen.nl; de groeitoename van het aantal DNAprofielen van sporen vanaf mei 2001 wordt echter ook veroorzaakt door het feit dat vanaf dat moment een tweetal politieregio’s sporen naar het NFI zijn gaan insturen afkomstig van plaatsen delict van volumecriminaliteit (inbraken, autodiefstallen enz.). 12 Cijfers van oktober 2010, zie www.dnasporen.nl.


Rubrieken

Verslag: Eerstejaarsreis Berlijn Door Marko Jovovic

W

aar kunt u nog onder het genot van de humpahumpa van menopausale Schlagerzangeressen een bordje Nudel-Geflügel-Pfanne wegeten terwijl u aan uw derde pint bier bezig bent met uw medestudenten? Naar mijn weten overal in Duitsland, maar ik in het bijzonder, natuurlijk, in Berlijn. Wereldstad, hoofdstad van drie rijken, en de stad van legendarische clubs Berghain en Watergate, alwaar ik tot mijn grote schaamte de toegang geweigerd ben, met de vleiende woorden ‘We don’t want you’. De stad waar naast de Reichstag een soort permanente bier/wurst-kermis gaande is waar men zich van rijkelijk vloeiend Weissbier en Currywurst kan bedienen. Laat hier een troep hongerige wolven (lees: eerstejaars) los en het is gegarandeerd feest. Toch? Toch? Jazeker! Hoewel we niet het neusje van de zalm der technowereld hebben mogen proeven, hebben wij onze smaakpapillen rijkelijk gelaafd aan de sfeer in Berlijn, een stad waar niets chique hoeft te zijn, zelfs niet mág zijn. En chique was het zeker niet, de manier waarop mijn medestudenten vermoeid en onderkoeld uit de touringcar in het hostel rolden. In tegenstelling tot mij - met mijn slavische slaapkwaliteiten slaap ik zonder problemen overal en altijd - hadden vele van mijn collega’s een slapeloze en vrij frisse nacht gehad. Het hostel, de Sunflower is een oud kraakpand in Friedrichshain, met themakamers van het kaliber onderzeëer, schaapjes en robots. Deels dankzij deze inrichting, deels dankzij het uitzicht op het pittoreske betonnen gebouw met bijpassende pittoreske verbouwingsgeluiden en deels dankzij de 24/7 shop op twee minuten lopen was het een zeer geslaagde locatie, die we gelijk de eerste avond, na een dag gevuld met worsten, bier, Reichstagen en S-Bahnen hebben benut als uitvalsbasis om de Matrix te bezoeken, een club onder de S-Bahn. Noem me een snob, maar de top-40 liedjes en dure drankprijzen konden respectievelijk mijn oor en mijn portemonnee niet bekoren, en omdat ik heer en meester over mijn eigen lot ben, vertrok ik even later samen met vier andere stappers op zoek naar Techno met een hoofdletter. Na een wandeltocht die voor mijn vrouwelijke compagnon dankzij haar hakjes eindeloos leek, kwamen we aan bij Watergate, een club waarvan je niet zou zeggen dat het een club was als er niet een lange rij would-be partygoers voor

‘Langs de uitsmijter komen was niet zo moeilijk, maar de lief lachende doorbitch bleek een groter probleem’

zou staan. Het hekwerk bestond uit een fietsenrek of twee met een grote uitsmijter en een tengere blonde doorbitch als bezetting. Langs de uitsmijter komen was niet zo moeilijk, maar de lief lachende doorbitch bleek een groter probleem. We zagen er volgens haar te netjes uit voor de Watergate en moesten ons heil elders zoeken. Gelukkig lag ons heil voor die avond op slechts vijf meter afstand van de rij en

21


heette The Magnet. Hier was er geen moeilijke procedure om binnen te komen en na betaling van ons entreegeld konden we dan ook heerlijk dansen, fistpumpen en losgaan op fijne technobeats in de ene zaal en genieten van indie in de andere. Nadat onze avond prematuur was afgelopen omdat compagnon M. K. verwijderd werd uit de club om een geschil dat draaide om de belangrijke vraag of er wel of geen ijsblokjes in zijn 7-up moesten, aten wij met veel gusto de laatste worst van de avond en gingen onze bedjes in. Sommigen van ons, zoals ik, moesten alleen in koude bedden en zonder liefde in slaap komen, en anderen, zoals de hopeloos verliefde J.K. en B.K. konden in de warme liefdevolle armen van hun juridische tortelduifje in slaap vallen. Na de volgende dag lekker te zijn wakker geworden van een ontnuchterend koude douche, begeleid door mijn eigen buitengewoon mannelijke gillen, mochten wij van een rondleiding door het Judisches Museum, een mooi gebouw vol symboliek waarin elke gang zijn eigen betekenis draagt. Hoewel onze, overigens heel goede rondleider ons aan het begin van de tour op het hart drukte dat de expositie die wij zouden bezoeken op geen enkele manier over de Holocaust ging vielen in zijn betoog over de twintiger en dertiger jaren in Berlijn toch vaak de bekende namen. Na vertrek bestond de rest van de dag uit doelloos slenteren, ouwehoeren en een biertje drinken in wat wel de coolste kroeg van Berlijn moet zijn geweest: een donker hol met een in de lucht

22

hangende opgezette stier waar je nog steeds binnen mag roken, vergezeld van hardcore punk en naamloos lauw bier dat uit een tap kwam met alleen een groen doodshoofd erop. Na eventjes in het hostel te zijn geweest om ons om te kleden en te douchen gingen we naar een restaurantje, waar we van een prima buffet mochten eten. Toen ik naar het toilet ging hoorde ik een zachte beat en trof ik op een bank in een halletje een vijftal meisjes met enorme pupillen aan die beplakt waren met peace-tekens. Onderzoeksjournalist als ik ben, stelde ik ze een aantal vragen, maar ik kreeg er telkens niet meer uit dan wat zwaar geaccentueerd gebrabbel en stralende glimlachen. Ach, ze waren in ieder geval gelukkig. Die avond maakten we een lange wandeling naar club Berghain (we don’t want you), stapten in de taxi naar de Magnet (shitmuziek), en gingen richting hostel omdat we ervan overtuigd waren dat we gedoemd waren tot een waardeloze avond. Later bleek dat mijn vrienden dit alleen dachten omdat ze ervan overtuigd waren dat we waren geweigerd bij The Fritz, een marginaal leuke studentenbar en niet bij Berghain, de coolste tent van heel Europa (hyperbool). Op de derde dag werden we wakker en moesten we eigenlijk direct de touringcar in. En net zoals God op de derde dag het water liet samenvloeien en de aarde schiep, keerden onze studenten in hun tourincar weder naar Amsterdam.


opinie

De Nieuwe Privacy Door Maartje Stabel

D

e maatschappij verandert en onze waarden veranderen mee. Privacy is een dergelijke waarde waar de burger veel belang aan hecht. Of toch niet? Volgens NRC Handelsblad maken we ons nauwelijks druk om de aantasting van ons grondrecht.1 Alleen studenten, journalisten, bekende Nederlanders en een handjevol actievoerders lijken zich nog in te zetten voor het behoud van onze privacy. Een belangrijke vraag is dus ook welke veranderingen hebben plaatsgevonden en welke gevaren dit oplevert. Daarnaast moeten we ons afvragen welke rol de burger in dit proces speelt en welke verantwoordelijkheden wijzelf dragen in de bescherming van onze privacy. Vroeger was het allemaal beter Artikel 10 van de Grondwet beschermt ons recht op privacy. De wet mag echter beperkingen stellen op de persoonlijke levenssfeer. En dat zijn er heel wat. Zo heeft de politie de bevoegdheid om informatie op te vragen over het gebruik van mobiele telefoons, het internet- en mailgedrag en de ovchipkaart. Zelfs de gegevens van de Albert Heijn bonuskaart en de leengegevens van bibliotheken en videotheken kunnen worden opgevraagd. Daarnaast moet een vingerafdruk worden afgeven voor het nieuwe biometrisch paspoort. Op veel plaatsen in het land hangen camera’s, net als in veel trams, bussen of metro’s. De tijden van de ‘nachtwakersstaat’ zijn allang over; de vraag naar ‘meer overheid’ brengt logischerwijs met zich mee dat de overheid steeds meer informatie nodig heeft om de maatschappij van dienst te zijn. Dit lijkt niet nieuws te zijn. Toch lijkt het alsof de verzamelwoede van de overheid nu wel erg ver gaat.

‘Tien jaar geleden werden treinen niet stilgelegd na het ontdekken van achtergelaten koffertjes.’

Deze verzamelwoede lijkt mede te zijn ontstaan door de ontwikkeling van nieuwe technologieën en ICT. De overheid wil niet meer gegevens hebben omdat er nieuwe technologieën zijn ontwikkeld, maar omdat de ontwikkeling van nieuwe technologieën dit heeft vereenvoudigd. Veel overheidsdiensten vinden plaats langs elektronische wegen. Daarnaast heeft de overheid zichzelf de bevoegdheid gegeven om bijvoorbeeld internetgegevens en telefoongegevens in te zien. Ook gebruikt de politie het internet op een meer directe manier. Zo worden op YouTube beelden geplaatst van verdachten en ook hield de politie enkele mensen aan na het zien van een foto op de sociale netwerksite Hyves. Een andere belangrijke ontwikkeling in de strafvorderlijke context is het DNA-onderzoek. Veel van deze nieuwe technologieën worden gebruikt om de veiligheid van burgers te vergroten. Dit wordt noodzakelijk geacht om een andere ontwikkeling, namelijk het ontstaan van nieuwe vormen van criminaliteit – terrorisme – te bestrijden. Ondanks dat terrorisme niet nieuw is, heeft het slechts sinds enkele jaren een impact op onze veiligheid. Om een vergelijking te schetsen: tien jaar geleden werden treinen niet stilgelegd na het ontdekken van achtergelaten koffertjes. Er bestaat een sterke wisselwerking tussen deze nieuwe technologieën en zogenaamde ‘nieuwe’ vormen van criminaliteit. Terrorisme kenmerkt zich door zijn internationale karakter, dus worden er op internationaal niveau naar oplossingen gezocht. Het Verwey-Jonker Instituut voorspelt in haar rapport ‘Veiligheid gegarandeerd’ en ‘Privacy gered’ dat in de periode tot 2030 het verlangen naar veiligheid groot en onverzadigbaar is, waarbij criminaliteit en terrorisme als permanente bedreigingen worden beschouwd.2 Dit heeft tot gevolg dat politie, justitie, defensie en inlichtingendiensten steeds meer in elkaars verlengde gaan opereren. Dit gebeurt met name op Europees of internationaal niveau.3 Er bestaat dus een sterke wisselwerking tussen diverse nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen, namelijk de ontwikkeling van nieuwe technologieën, het ontstaan van nieuwe normen van criminaliteit en internationalisering van de samenleving. Deze ontwikkelingen versterken elkaar niet alleen, maar maken elkaars ontwikkeling ook eenvoudiger. Pas op: gevaar De maatschappelijke ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat steeds meer maatregelen genomen moeten worden om

23


onze veiligheid te beschermen. Deze maatregelen lijken, zoals eerder werd beschreven, onze privacy aan te tasten. De overheid verzamelt allerlei gegevens over het dagelijks leven van de burger, zelfs de boodschappen lijken er niet aan te ontkomen. Echter, in de meeste gevallen is de overheid niet eens geïnteresseerd in ons doen en laten. Toch maken we ons zorgen over de gevolgen van maatregelen die onze privacy aan tasten of kunnen aantasten. Maar waar ligt nu eigenlijk het gevaar? Volgens Buruma liggen de gevaren van verregaande registratie van persoonsgegevens in de onveiligheid, onbetrouwbaarheid en contextloosheid van registraties.4 Hackers kunnen inbreken in databases, maar ook ongeautoriseerde personen kunnen registraties raadplegen. Voorbeeld: toen Robin van Persie in 2005 beschuldigd werd van verkrachting probeerden meer dan 200 Rotterdamse agenten het dossier van de voetballer in te zien.5 Registraties kunnen niet alleen onveilig zijn, ze bevatten vaak onbetrouwbare informatie. De informatie kan bijvoorbeeld zijn ontrokken door tips van informanten of kliklijnen. Daarnaast ligt het gevaar van identiteitsfraude op de loer. In 1994 begon de Kafkaiaanse nachtmerrie van zakenman Ron Kowsoleea. Een drugscrimineel deed zich voor als Kowsoleea, waardoor zijn persoonsgegevens en gepleegde delicten in het systeem van de politie terecht kwamen. Tientallen keren werd hij gearresteerd. Vijftien jaar later kreeg Kowsoleea, na een rapport van Nationale Ombudsman Alex Brenninkmeijer, excuses van de toenmalige Minister van Justitie Hirsch Ballin aangeboden. Het adagium ‘wie niets te verbergen heeft, hoeft nergens bang voor te zijn’ geldt dus niet altijd. Naast de onveiligheid en onbetrouwbaarheid van registraties, zijn de gegevens vaak contextloos. Gevonden vingerafdrukken of DNA op een plaats delict hoeven niet van de dader te zijn, maar na een match in de databank kan dit wel leiden tot tunnelvisie bij opsporingsambtenaren. Schaamt u! Ondanks dat er weldegelijk gevaren kleven aan de verregaande registratie van persoonsgegevens, ligt niet alleen de overheid op de loer. De relaties tussen burgers onderling kunnen ook aangetast worden door het strekken van gegevens via het internet. Zo kreeg een Amerikaanse studente geen diploma toegewezen, nadat zij op de sociale netwerksite MySpace te zien was met een beker drinken en een piratenhoed op. De foto, getiteld “Drunken Pirate”,

24

viel niet in goede aarde bij haar docenten. Ook werd een Amerikaanse vrouw ontslagen nadat zij kritiek via haar Facebookpagina had geuit op haar baas. De komst van sociale netwerksites heeft ertoe geleid dat we steeds opener naar anderen toe zijn geworden. Foto’s, persoonlijke gegevens, blogs; vaak via pagina’s die voor iedereen toegankelijk zijn. We kunnen er voor kiezen niet te bellen, te surfen op het internet, te reizen met de ov-chipkaart of te vliegen. Dit zijn echter geen reële opties. Wel kun je er voor kiezen te “pingen” met je Blackberry telefoon (dit schijnt minder privacy gevoelig te zijn dan sms’en), de Bonusaanbiedingen links te laten liggen of dubieuze internetformulieren niet in te vullen. Wat er vaak in de bespreking van het onderwerp privacy ontbreekt, is de rol van de burger. We moeten namelijk ook zelf verantwoordelijkheid nemen. We willen vooral niet dat de overheid zich mengt in onze persoonlijke levenssfeer, maar we willen ook gebruik maken van de technologische vernieuwingen die de laatste decennia zijn ontwikkeld. We zijn bang dat de overheid vreemde dingen met onze gegevens gaat doen, maar maken ons niet zorgen over gevolgen van onze openbaarheid naar anderen toe. Kunnen we dan nog wel verwachten dat de overheid zich afzijdig houdt? En zouden we niet allemaal een beetje privacy kunnen inleveren, om de veiligheid van jezelf en die van anderen te vergroten? Misschien moeten we tot actie overgaan, of ons toch wat meer schamen.

Noten 1 D. Stokmans, ‘Privacy? Ik heb niks te verbergen’, NRC Handelsblad (22 mei 2007), zie http://www.nrc.nl/binnenland/ article1890065.ece/Privacy_Ik_heb_niks_te_verbergen. 2 H. Boutellier, P. Ippel, S. Nieborg en L. Kruis, ‘Veiligheid gegarandeerd’ en Privacy gered’: twee voorstelbare toekomstbeelden in Nederland anno 2030’, Verwey-Jonker Instituut (februari 2005), p. 11. 3 Ibid. 4 Y. Buruma, ‘Privacy en veiligheid: de passie voor de werkelijkheid’, Radbout Universiteit Nijmegen (2008). 5 D. Stokmans, ‘Privacy? Ik heb niks te verbergen’, NRC Handelsblad (22 mei 2007), zie http://www.nrc.nl/binnenland/ article1890065.ece/Privacy_Ik_heb_niks_te_verbergen.


Rubrieken

Tentamens: ‘Studeren’ of studeren?

D

e tentamenperiode zit er gelukkig weer (bijna) op. Hoewel je ‘vroeger’ nog uitkeek naar de decembermaand vanwege de vakantie en vele feestdagen, ziet diezelfde maand er als student heel anders uit. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat blokken voor al die tentamens! Ja, het studentenleven is zwaar in de maand december. Genoeg reden om te klagen tegen je ouders, maar is het wel echt zo verschrikkelijk? Afgelopen tentamenperiode hebben wij (naast het leren) een vergelijkend onderzoek gedaan naar twee compleet verschillende studielocaties. Hieronder de clichés. Studeren in de Universiteitsbibliotheek Tijdens de tentamenperiodes zit de Universiteitsbibliotheek aan het Koningsplein – door studenten UB genoemd – bomvol. Zorg er dus voor dat iemand een plekje voor je bezet houdt of sluit een half uur voor openingstijd aan in de enorme rij! Instelling studenten Na wekenlang optimaal genieten van het studentenleven door te feesten, borrelen en af en toe naar een college of werkgroep te gaan om contacten op te doen is het tijd het ritme weer om te gooien! Twee weken voor de tentamens kunnen we ons voorbereiden op de tocht naar de UB om op het nippertje toch nog alles te geven en de gevreesde tentamens met een 6-je te halen. Voorbereidingen Voordat we ons huis verlaten moeten de nodige voorbereidingen getroffen worden. Voor de nog niet met de UB bekende studenten hebben we een stappenplan gemaakt:

Stap 1: ‘Nonchalante’ catwalkoutfit Na een frisse douche (je moet toch wakker zien te worden om half 8) hijs je je in een UB-waardige outfit. Dit houdt in: Voor de jongens: - Sneakers, all-stars of vans - Casual spijkerbroek of joggingbroek - T-shirt - V-halstrui of chille hoodie - Eventueel een sjaal Voor de meisjes: - Mooie laarzen - Legging met wijd shirtje of jurkje - Strakke spijkerbroek met mooie top - Blazer, vestje of leren jasje Stap 2: Finishing touch uiterlijke verschijning Voor de jongens is deze stap relatief snel achter de rug. Het gaat hier puur om het haar, want vergeet niet, ook in de UB geldt het motto: ‘Als je haar maar goed zit!’. Mocht het nou echt niks worden, zet dan een petje op. Voor de dames duurt deze stap wat langer. Tentamenstress brengt wallen en puistjes met zich mee en dat moet natuurlijk gecamoufleerd worden. Daarnaast doet mascara ook wonderen voor een wakkere/stressloze uitstraling. Dan het haar: Gaan we voor de goed gekamde en net gewassen losse lokken, die uit onze ogen worden gehouden door de voorste pluk naar achteren te vlechten/draaien en met een klemmetje vast te zetten? Of toch voor de knot die losjes op het hoofd zit, daardoor ‘nonchalant’ is, maar waar stiekem toch langer aan gefriemeld is dan je zou denken? Tot slot wat accessoires en parfum en het plaatje is af. Stap 3: Het inpakken van je tas(sen) I. Studiebenodigdheden: - Je weken geleden gekochte, maar nog niet opengeslagen studieboeken - Hoorcollegesheets - Van een vriend(in) gekopieerde werkgroepaantekeningen - Samenvattingen: liefst Capita Selecta, anders Joho - Markers en tabjes in alle kleuren van de regenboog - MacBook voor blackboard (lees: facebook)

25


II. Overige benodigdheden: - Flesje water - Redbull - Kauwgom (om evt. rookgeur en koffiesmaak te camoufleren) - Lippenbalsem - Evt. een appel, maar zeker geen voorraad aan eten - Blackberry (met oplader, de batterij is zo leeg en tijdens het studeren moet je natuurlijk wel bereikbaar zijn) - Portemonnee met: o UvA Collegekaart o Pinpas (hopelijk met net gestorte zorgtoeslag en stufi) met chipknip o Bonuskaart AH Stap 4: Op weg naar de UB Dan volgt de reis naar de UB. Ondanks de enorme hoeveelheid aan spullen ga je met de fiets. Alleen als je kapsel of make-up het vanwege extreme weersomstandigheden niet aan kan mag je met het OV. Vergeet niet onderweg een ontbijtje te kopen bij de AH. Tijdens Het studeren zelf is eigenlijk al zwaar genoeg, want het is vrijwel onmogelijk van meerdere vakken alle stof in 2 weken te proppen. Maar goed, de achterstand is er en de tijd niet, dus: alternatieve oplossingen. Af en toe een hopeloze poging wagen het boek open te slaan, en dat het liefst meteen weer naar de hoek van de tafel schuiven. Dan maar

26

een overzicht proberen te krijgen door samenvattingen en werkgroepaantekeningen door te nemen. Ja, de tentamens halen is even flink stressen, maar gelukkig zijn er ook de nodige momenten ontspanning om de balans te houden. Aan de ene kant fijn, maar aan de andere kant heb je er tijdens de tentamens wel heel veel sociale ‘verplichtingen’ bij. In de UB wordt namelijk veel gesogt (een werkwoordsvorm voor het ‘studie ontwijkend gedrag’). Je kunt een onderscheid maken tussen direct en indirect soggen, hebben wij gemerkt. Indirect soggen houdt in het kopen en ordenen van samenvattingen, netjes neerleggen van je spullen, tabjes inplakken. Zo heb je het gevoel dat je iets doet, maar eigenlijk heeft het absoluut geen zin meer vlak voor het tentamen. Daarnaast heb je ook het direct soggen. Enkele voorbeelden: - het vullen van je flesje water - het om je heen kijken naar alle andere mensen die hard aan het ‘studeren’ zijn - het heen en weer lopen naar de AH voor verse broodjes met een salade of filet americain en een fruitsapje (in de hoop dat het schap niet leeg is) - uitgebreid lunchen met vriend(inn)en - avondeten bij de Wok to Walk - het bellen, pingen, mailen, sms-en etc. met je BB - je BB ondersteboven leggen zodat je het ledlampje niet ziet knipperen, maar hem dan vervolgens iedere minuut dat ding omdraaien om te zien of er niet toevallig een lotgenoot heeft gepingt om koffie te gaan drinken: pauze!


- urenlange koffiepauzes in de buurt van de UB - het verdoen van je tijd op je Macbook, met als absolute nummer 1 facebook! Tip: Sog, maar sog met mate. Pas in ieder geval op voor de gestapo op de eerste verdieping die je van je computer afmeldt als die te lang buiten gebruik is en leg dus je studieboek zo neer dat de ctrl-knop is ingedrukt. Resultaat Is het “studeren” in de UB dus wel zo erg als het in eerste instantie klinkt? Je zult ons nooit horen zeggen dat we niet blij zijn dat de tentamenperiode voorbij is en we weer lekker te kunnen feesten. Maar ergens, diep in ons hart, kijken we stiekem al weer uit naar de volgende tentamenperiode in juli. Want dan kunnen we tussen het studeren door de terrasjes weer op. Warme chocolademelk heeft natuurlijk zijn charme, maar onder het genot van een cola light een bruin tintje opdoen is helemaal de manier om te genieten van de tentamenperiode. Die zesjescultuur nemen we dan maar op de koop toe. Studeren in de kelder van de Oudemanhuispoort Als studielocatie op de Oudemanhuispoort hebben we de, door de boekenverkoop vertrouwde, kelder ‘getest’. Tijdens de onderwijsperiode zijn er al wat studenten te vinden die tussen de colleges en werkgroepen door wat aan de studie willen doen, maar in de tentamenperiode zit het ook hier bomvol. Wees dus op tijd! Instelling studenten Hoewel ook op de Poort hartje centrum zit, worden er niet zoveel pauzes buiten de deur gehouden, eigenlijk worden er sowieso minder pauzes gehouden. Studeren op de Poort gaat er serieuzer aan toe dan in de UB. Het gaat echt om het studeren en het halen van het tentamen, het liefst nog met een hoog cijfer ook. En terecht, we willen later toch die goedbetaalde baan bij dat leuke advocatenkantoor. Voorbereiding Studeren op de Poort scheelt een half uur voorbereiding. Het blijft natuurlijk Amsterdam, maar we kunnen er ook prima verschijnen zonder een verse laag mascara en die hoge hakken. Verder kan een groot deel van de paklijst thuisblijven. Markers en tabjes hebben we niet meer nodig, want de boeken hebben de make-over tijdens de onderwijsperiode

al gehad. Laptops hoeven niet mee, want de hoorcolleges zijn al gevolgd en alles op blackboard is ook al bekend. Bovendien is er in de kelder geen bereik, dus kunnen we onze telefoons ook net zo goed thuis laten. Studieboeken, hoorcollegesheets, eigen aantekeningen en oude tentamens daarentegen zijn wel een must, er wordt namelijk hard gestudeerd! Dan nog wat geld voor een broodje Tony en de Sorbon-spaarkaart voor een koffiepauze, als de concentratie echt te ver te zoeken is, maar daar blijft het wel bij. Tijdens Bikkelen! Boeken openslaan en herhalen maar, tot we alles kunnen dromen. Als het tentamen dan echt nadert is het alleen nog een kwestie van het vrijwel foutloos maken van de oude tentamens. Al klinkt dat helaas makkelijker dan het is. De Poort mag dan wel minder ruime openingstijden hebben dan de UB en bovendien in de avonduren niet zo druk meer bezocht; áls je op de Poort bent, dan studeer je full-time. Afleiding is er ook niet: bij gebrek aan ramen in de kelder heb je geen idee van hoe het buiten is (zonnig, sneeuw, veel leuke mensen om mee pauze te houden, etc.). Bovendien is de beste plek om pauze te houden, A2.04 (de JFAS-kamer), in de tentamenweek gesloten. Resultaat Vol zelfvertrouwen en trots ‘s avonds naar huis om daar lekker te koken en op de bank te hangen met in het achterhoofd: ‘Dat tentamen komt wel goed.’ En dat komt het meestal ook, want je weet precies waar het over gaat. Nadeel bij deze locatie is wel dat de discipline erg hoog ligt: geen daglicht, weinig pauzes en daardoor geen frisse lucht of tussentijdse ontspanning. Conclusie Beide studiemogelijkheden hebben voordelen en nadelen. Onze tip: Test ze en kijk waar jij je het beste bij voelt! Een leuke studententijd heb je gelukkig sowieso als JFAS-lid!! NB: Ga je net als wij vol goede moed en goede voornemens het tweede semester in? Kom dan naar de boekenverkoop van de JFAS in de kelder van de Oudemanhuispoort. Want of je je boeken nou koopt om echt in te kijken of puur voor de sier, 8% korting is altijd mooi meegenomen! Geschreven door Nina de Groote en Nina Tutein Nolthenius tijdens de tentamenperiode in de UB. (We zullen het maar op indirect soggen houden).

27


Gevonden: Mark Tunnissen (m/ )

Specialist Bestuursrecht. Type: atypisch. “Generaliserend heb je twee soorten advocaten: de snelle schreeuwers en de grijze universiteitspakken. Van die formele gasten. Ik vermoedde altijd dat Nysingh bij de tweede groep hoorde.” Tot Mark Tunnissen hoorde van een oud-collega dat ze al een tijdje bij Nysingh zat. “Ik dacht: als jij het daar naar je zin hebt, kan het geen saaie club zijn. Grappig: in feite was ze dus een soort visitekaartje van haar eigen kantoor.” Ik had er dus behoorlijk naast gezeten, want de typische Nysingher bestáát helemaal niet. Het is een verzameling eigenwijze teamplayers. De specialist is hier geen solist. Bij Nysingh ontmoette ik autoriteiten op mijn vakgebied waarvan ik trouwens niet eens wist dat ze hier werkten. We houden elkaars zaken vaak vanuit verschillend perspectief tegen het licht. Dat resulteert in het beste voor de klant, maar ook voor jezelf.” Nysingh is een bedrijf van karaktervolle specialisten. Alleen de wet is bij ons standaard. Voor de rest krijg je alle ruimte om buitengewoon te zijn. Klinkt dit goed en kennen wij elkaar nog niet? Laat je dan vinden via werkenbijnysingh.nl

Nysingh. De juiste jurist op de juiste plek.

-00008_4_Mark_A4.indd 1

31-05-2010 12:38:13


de Verdieping

‘De Big Brother Award gaat naar ons allemaal.’ (p.26) ‘Het is de vraag of nieuwsgierige werkgevers de verleiding van Google kunnen weerstaan.’ (p.41)

‘In Italië is slechts sprake van gedeeltelijke persvrijheid.’ (p.33) ‘Een patiënt heeft recht op inzage in zijn medisch dossier.’ (p.39)


Privacy Door Jan-Paul van Barneveld Advocaat bij Nysingh advocaten-notarissen N.V. te Arnhem

D

e bescherming van de privacy wordt gezien als een (klassiek) grondrecht. Het recht op privacy is in de Grondwet verankerd in artikel 10 (persoonlijke levenssfeer). Daarnaast zijn relevant artikel 11 (onaantastbaarheid van het lichaam), artikel 12 (huisrecht) en artikel 13 (brief-, telefoon- en telegraafgeheim) van de Grondwet. Naast de Grondwet is de bescherming van privacy verankerd in diverse internationale grondrechtendeclaraties, zoals in artikel 8 EVRM.

Onder burgers lijkt privacy niet tot nauwelijks te leven. De Big Brother Award 2007 in de categorie Personen is toegekend aan ons allemaal. De Nederlandse burger was volgens de jury namelijk de grootste bedreiging voor de privacy. Door een onverschilligheid, het ‘Ik-heb-toch-nikste-verbergen-denken’ en desinteresse in wie er toegang heeft tot zijn of haar persoonsgegevens en wat daarmee allemaal gebeurt, zou de burger zelf medeverantwoordelijk zijn voor het verdwijnen van privacy in Nederland. Zo is er bijvoorbeeld een enorme hoeveelheid informatie over mensen te vinden op internet. Volgens het door EMC gesponsorde IDC-onderzoek komt het totaalcijfer neer op gemiddeld bijna 45Gb digitale informatie per persoon. Het gaat overigens niet alleen om informatie die door gebruikers zelf - bijvoorbeeld op social networksites - op het internet is geplaatst, maar ook om de zogenaamde ‘digitale schaduw’, zoals privacygevoelige informatie, mailinglists, surfgeschiedenis en door derden of beveiligingscamera’s genomen foto’s.1 Waarschijnlijk mede doordat informatie op internet nauwelijks vergankelijk is, zou in 2011 het totaal neerkomen op 1,8 zettabytes per persoon. Mensen moeten zich in een democratische rechtstaat zoveel mogelijk in vrijheid en vertrouwelijkheid kunnen bewegen en moeten desnoods kritisch kunnen zijn ten aanzien van autoriteiten. Voor sommigen is dat noodzakelijk voor het uitoefenen van hun maatschappelijke taak. Te denken valt aan advocaten, journalisten, politici van oppositiepartijen, belangenpartijen en -behartigers en vreedzame actievoerders, zorgverleners en zorginstellingen en hun patiënten etc. Zij moeten hun werk kunnen uitoefenen, zonder dat zij het gevoel hebben dat de autoriteiten, jegens wie hun kritiek zich richt, hen 24 uur per dag in de gaten

30

kunnen houden. Dat een meerderheid van de bevolking zich niet zo druk lijkt te maken over zijn of haar privacy, is niet doorslaggevend. Tenslotte dienen grondrechten van een individu of een minderheid, zowel tegen inbreuken als tegen een onverschilligheid van de meerderheid, beschermd te worden. Argumenten als “veiligheid” en bestrijding van criminaliteit zijn een geducht argument voor de overheid om de privacy van burgers te beperken. Onderliggende belangen zijn vaak gelegen in verbetering van efficiëntie en besparing van kosten. De toenemende inzet van informatie- en communicatietechnologie (ICT) heeft geleid tot steeds meer mogelijkheden om persoonsgegevens te verwerken.2 Informatietechnologie maakt het de autoriteiten mogelijk om enorme hoeveelheden informatie te verzamelen over burgers. Zo surveilleert onder ander het KLPD op het internet “teneinde meer zicht te krijgen op radicale uitingen en terrorismegerelateerde activiteiten op het internet”. Nuttige informatie, “bijvangst” wordt daarbij doorgegeven aan de regiokorpsen.3 Systemen ter bescherming van de privacy zoals vastgesteld in de Wet BOB of in de Wpg worden op deze wijze voor een belangrijk deel buitenspel gezet. Nederland is met grote voorsprong koploper ten aanzien van het opvragen van telecomgegevens bij providers.4 Ook bij het aftappen van telefoon en e-mail heeft Nederland een koppositie. Diverse instellingen zoals het CBP, de Adviescommissie Informatiestromen en Veiligheid en het Rathenau Instituut (in het rapport “Van Privacy Paradijs tot Controlestaat”) hebben zich kritisch uitgelaten over de manier waarop de overheid omgaat met de privacy van burgers. Door het gemak waarmee de overheid omgaat met dergelijke kritiek, wekt het de indruk dat de overheid het de normaalste zaak van de wereld vindt om zoveel mogelijk informatie te verzamelen over burgers. Zo stemmen plannen om te tornen aan het beroepsgeheim van advocaten en notarissen tot zorg. Althans, ze zouden tot grote zorg moeten stemmen. De overheid zou zich - in het kader van proportionaliteit en subsidiariteit - ook dienen af te vragen of het voortdurend verzamelen van gegevens wel zinvol is. De technologie op het gebied van dataverzameling en -opslag ontwikkelt zich, naar het zich laat aanzien, sneller dan de mogelijkheid al die gegevens adequaat te verwerken.5 Daarmee is duidelijk


verdieping

dat vooralsnog het nut van het ongebreideld verzamelen van gegevens discutabel is. Bovendien bestaat er een groot risico dat het inzetten van capaciteit en middelen voor het verzamelen en verwerken van gegevens niet gewoon ten koste gaat van degelijk, ouderwets opsporingswerk. Toch blijft een feit dat ‘privacy’ een abstract begrip is en lastig meetbaar is wat de consequenties zijn van inbreuken op de privacy en de inperking daarvan. Want wat is “persoonlijke levenssfeer” en wat is het gevolg van een inbreuk daarop? De consequentie is dat, wanneer het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer botst met andere - meer concrete belangen - de neiging zal bestaan om dan het recht waarvan het belang minder tastbaar en meetbaar is, op te offeren. Bovendien zijn er vrij weinig mogelijkheden om de belangenafweging te toetsen als de politieke wil daartoe ontbreekt. Zo kent bijvoorbeeld het systeem waarmee binnen het strafrecht zou moeten worden getoetst of bevoegdheden met betrekking tot gegevensverzameling en -verwerking juist zijn gebruikt, kent een fundamentele zwakte. In het strafrecht vindt rechterlijke toetsing in veel gevallen pas achteraf plaats op grond van artikel 359a Sv. Slechts in een zeer klein percentage van de gevallen is vooraf een machtiging van de rechter-commissaris nodig. Bovendien heeft de rechter-commissaris weinig mogelijkheden om verzoeken tot de inzet van (bijzondere) opsporingsbevoegdheden te toetsen. De rechter toetst dus meestal achteraf in gevallen wanneer opsporing/gegevensverwerking resultaat heeft opgeleverd en wordt dan aldus vaak voor een lastige keus gesteld: of een ‘boef’ laten gaan, of kijken of er met een creatieve wetstoepassing nog een mouw aan te passen valt. En zo wordt het verduisteren van een mobiel telefoontje door een brandweerman, een misdrijf “dat gezien zijn aard een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert”.6 De feiten en omstandigheden die het Hof aan die stelling ten grondslag heeft gelegd worden door de Hoge Raad niet meer getoetst, zodat dit precedent zijn weg vindt in het Handboek voor de opsporingspraktijk voor een volgende keer.7 Ook komt het regelmatig voor dat het opsporingsbelang botst met het beroepsgeheim van bijvoorbeeld een zorginstelling of zorgverlener. Uit diverse uitspraken van het EHRM volgt dat de omgang met medische gegevens de kern raakt van art. 8 EVRM.8 Aan het verschoningsrecht

ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat eenieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden. Het (afgeleid) verschoningsrecht van onder meer zorgverleners en zorginstellingen is echter in zoverre niet absoluut, dat er uitzonderlijke omstandigheden kunnen zijn waardoor het belang dat van de waarheidsvinding prevaleert boven het verschoningsrecht. Bij het beoordelen of er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden zal onder meer moeten worden gelet op de aard en de ernst van het strafbare feit, de aard en de inhoud van het materiaal waarover zich het verschoningsrecht uitstrekt in verband met het belang dat door het verschoningsrecht wordt gediend en de mate waarin de betrokken belangen van de patiënten worden geschaad door doorbreking van het verschoningsrecht en in hoeverre er andere wegen zijn om de waarheid aan het licht te brengen dan de doorbreking van het verschoningsrecht.9 De enkele omstandigheid dat een verschoningsgerechtigde als verdachte wordt aangemerkt, is niet toereikend om het verschoningsrecht te doorbreken.10

‘De Big Brother Award 2007 in de categorie Personen is toegekend aan ons allemaal.’ Ondanks het feit dat het uitgangspunt dient te zijn dat het verschoningsrecht prevaleert en dat van het belang dat daaraan ten grondslag ligt redelijk concreet is, worden zorgverleners met grote regelmaat geconfronteerd met bijvoorbeeld vorderingen ex artikel 126nf Sv. Het openbaar ministerie en de politie lijken daarbij alleen het opsporingsbelang te wegen. De zorginstelling moet dan de gang naar de rechter maken. En ook die lijkt soms de belangen van een individuele zaak te laten prevaleren boven het belang van het verschoningsrecht, zoals de Zwolle-Lelystad 20 mei 2010. 11 Natuurlijk gaat het vaak

31


om ernstige feiten, zoals ernstige kindermishandeling. De keerzijde van het laten prevaleren van het opsporingsbelang in een individuele zaak zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat ouders een kind iedere zorg onthouden of dat zorgverleners waarnemingen niet melden of niet vastleggen in de medische status. Wanneer een rechter wel consequenties verbindt aan een schending van artikel 8 EVRM of andere rechtsregel op het gebied van de persoonlijke levenssfeer, dan volgt in de meeste gevallen hooguit uitsluiting van bewijs of strafvermindering. Sinds het Zwolsmanarrest (HR 19 december 1995, NJ 1996, 249) volgt niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie slechts wanneer het onrechtmatig optreden van opsporingsambtenaren een zo ernstige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde oplevert, dat niet met minder kan worden volstaan. Ook is het maar zeer de vraag of verwerkingen van gegevens in strijd met de Wpg door de verdachte kunnen worden ontdekt en of dit aangemerkt zal worden als een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sr. 12 In een aantal zaken waarbij zich telefoontaps bevonden van gesprekken tussen advocaten en cliënten is dit overigens wel gebeurd, zoals in de Acroniem-zaak, de zaak tegen 22 leden van de Hell’s Angels.13 Maar rechters worden in dit soort zaken vaak voor zeer moeilijke dilemma’s gesteld waarbij de privacy regelmatig het onderspit delft. De overheid moet willen inzien dat wat opsporingstechnisch kan en mag, niet altijd hoeft en dat de bescherming van persoonlijke levenssfeer een belangrijk goed is voor het functioneren van een democratische rechtstaat. Die wil lijkt echter te ontbreken, hetgeen leidt tot een wat sombere metafoor om de mogelijke (nabije) toekomst van de maatschappij te schetsen. Tijdens de migratie van gnoes en zebra’s van de Serengeti naar Masai Mara wordt de bescherming van de individu geboden door omvang van de kudde. Roofdieren hebben vrij spel en overleven is een kwestie van kansberekening. Hoe groter de kudde, hoe kleiner de kans om als individuele gnoe of zebra om opgegeten te worden. Voorkomen dient te worden dat onze samenleving verwordt tot een soort savanne waar wij de massaliteit dient als primaire bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Dat zou immers betekenen dat mensen die opvallen of afwijken van de norm, die minder goed opgaan in de massa, zich niet meer vrij voelen. Hoeveel kans maakt immers

32

een roze-zwart gestreepte zebra of een paarse gnoe? Mijns inziens is het algemeen belang dat gediend wordt met de bescherming van het persoonlijke levenssfeer, en waaronder het verschoningsrecht van geheimhouders, van groot belang voor de samenleving. De overheid zou hiermee niet lichtvaardig dienen om te gaan. Veiligheid, opsporing van strafbare feiten, efficiëntie en bezuiniging zijn ongetwijfeld ook belangrijk, maar deze dienen niet in alle gevallen te prevaleren omdat ze beter meetbaar zijn of meer tot de verbeelding van de burger spreken.

Noten 1 M. Hell, Privé-informatie over mensen overschaduwt het web, webwereld.nl 21 april 2008. 2 Hooghiemstra T.F. en Nouwt S., ‘Tekst en toelichting Wet Bescherming Persoonsgegevens’, 2007, p. 15. 3 Directie Rechtshandhaving en Criminaliteitsbestrijding, Rechtshandhaving & Internet, brief Voorzitter Tweede Kamer, 14 april 2008, pag. 32. 4 https://www.bof.nl/2010/11/11/persbericht-nederlandeuropees-koploper-opvragingen-telecomgegevens/ 5 (W.P. Teuw, H.J.G. de Poot en E.C.C. Faber, pag. 16 en 17, De impact van convergerende technologieën op Securitytoepassingen, Justitiële Verkenningen, JRG.3-4, nr. 1, 2008.) 6 Hoge Raad 21 november 2006, LJN AY9673 7 Handboek voor de opsporingspraktijk, Staatscourant 10 december 2007, nr. 239, pag. 18 8 Zie o.a. EHRM 25 februari 1997, nr. 22009/93, Z. tegen Finland, NJCM-Bulletin 1997, p. 712 e.v. (met noot Hendriks); EHRM 17 februari 2008, I. tegen Finland, nr. 20511/03, GJ 2008/139 (met noot Hendriks) en/of EHRM 25 november 2008, nr. 36919/02, EHRC 2009/6 (met noot Gerards). 9 Zie o.a. HR 21 oktober 2008 LJN BD7817 10 HR 27 mei 2008, LJN BC1370, NJ 2008, 407; 11 LJN BM5163 12 Het is ook mogelijk dat de bestuursrechter moet oordelen over de verwerking van politiegegevens, op grond van artikel 25 t/m 29 WPolg of bijvoorbeeld in het kader van een weigering tot het afgeven van een vergunning wegens een negatief Bibobadvies of weigering van een VOG. Ik betwijfel of dat enige normerende werking heeft voor de wijze waarop de politie gegevens verwerkt. 13 Rechtbank Amsterdam, 20 december 2007, LJN BC685


verdieping

Persvrijheid en privacy van een staatshoofd in Italië Door: Sharon Amo-Adjei “Meglio essere appasionati delle belle ragazze che gay’’1 -Silvio Berlusconi

V

olgens de Italiaanse Minister-President Silvio Berlusconi moet er in persberichten die over staatshoofden gaan een onderscheid worden gemaakt tussen hun publieke en privé handelingen2. Volgens hem zou alleen over de publieke handelingen bericht mogen worden. De voorzitter van de Nationale Federatie van de Italiaanse Pers (FSNI) stelt dat dit beleid van Berlusconi er vooral op gericht is om zijn ‘nogal opvallende’ privé leven te beschermen. In Italië krijgt het beschermen van het recht op privacy door de premier een nieuwe dimensie omdat hij als staatshoofd en tevens als mediamagnaat invloed heeft op de media en hierdoor kan bepalen wat er wel en wat er niet wordt uitgezonden3. Door deze vorm van privacy bescherming komt tevens het recht op persvrijheid in het geding. Dit allemaal ten faveure van zijn privé leven. Een vrij recent voorbeeld is het ontslag van de populaire presentatrice Maria Luisa Busi na een interview dat zij gaf over ‘zuiveringen’ op de Italiaanse redactie. Naar eigen zeggen werd zij ontslagen omdat ze de hoofdredactie niet steunde in een recente rel door de berichtgeving over premier Silvio Berlusconi4. Gelet moet worden op het feit dat het recht van persvrijheid en het recht op privacy begrippen zijn die nogal met elkaar verbonden zijn. En in geval van botsing van twee grondrechten dient het ene recht te prevaleren boven het ander. De vraag die in dit stuk aan de orde is, is in hoeverre de persvrijheid moet lijden om de privacy van publieke personen te beschermen? Privacy van staatshoofden en hun eigen verantwoordelijkheid Volgens artikel 8 EVRM heeft eenieder recht op eerbiediging van prive-, familie en gezinsleven.5 Het leidt geen twijfel dat ook publieke figuren recht hebben op privacy. ‘Personen die een publieke functie vervullen, moeten zich weliswaar wat privacyinbreuken betreft meer laten welgevallen dan anderen, maar daar staat tegenover dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in het zogenaamde Caroline von Hannover-arrest heeft bepaald

‘In Italië is slechts sprake van gedeeltelijke persvrijheid.’ dat ook publieke figuren bescherming van de persoonlijke levenssfeer toekomt, voor zover hun functioneren privé is.6 Tevens is het voor publieke figuren moeilijker om een juridische procedure te starten tegen onjuiste of kwetsende uitlatingen7. Makkelijker wordt het als er bewezen kan worden dat het gepubliceerde een kwaadaardige intentie behelst of als het gepubliceerde een roekeloze miskenning van de waarheid inhoudt. Tegelijkertijd hebben publieke figuren zoals politici een voorbeeldfunctie. Persvrijheid in de wet Omdat het recht op privacy en het recht op persvrijheid des te meer in het geval van Berlusconi met elkaar verbonden zijn is het ook nuttig om kort in te gaan op het recht op persvrijheid. In Italië wordt het recht op persvrijheid gegarandeerd in artikel 21 van de Italiaanse constitutie. Op Europees niveau is dit recht neergelegd in artikel 10 EVRM. In dit artikel wordt in lid 1 over het volgende gesproken: ‘Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio-omroep-, en bioscoop- of televisieondernemingen

33


te onderwerpen aan een systeem van vergunningen’’. In 1993 erkende de Verenigde Naties al het belang van de persvrijheid door 3 mei uit te roepen tot de internationale dag van de persvrijheid. Achterliggende gedachte van deze dag was om de beginselen van de persvrijheid onder de aandacht van het publiek en regeringsleiders te brengen en deze wereldwijd te bevorderen. Persvrijheid in Italië en de invloed van Berlusconi Berlusconi is eigenaar van Italië’s grootste uitgeverij, Mondadori, die naast boeken ook vijftig tijdschriften op de markt brengt8. Daarnaast bezit zijn familie bijna de helft van de aandelen van Mediaset een van de grootste commerciële tv-stations van Italië9. Dit is een aparte eigendomsverhouding omdat er hiermee sprake is van concentratie van staatsmedia en commerciële media onder een enkele leider. In het Freedom House Report van 2009 werd duidelijk dat er in Italië slechts sprake is van gedeeltelijke persvrijheid in plaats van volledige persvrijheid.10 Grote kans dat de concentratie van commerciële- en staatsmedia in handen van Berlusconi invloed hebben gehad op de uitslag van dit rapport. Berlusconi en zijn privéleven We hebben eerder kunnen lezen dat Berlusconi van mening is dat alleen over publieke handelingen bericht zou mogen worden. Hij impliceert hiermee dat als men zich niet beperkt tot berichtgeving over publieke handelingen, men zich schuldig maakt aan schending van privacy. Verder hebben we ook kunnen lezen dat artikel 8 EVRM aan publieke figuren een beperktere vorm van privé leven toekent. De volgende affaire is illustratief. Begin november 2010 werd namelijk bekend gemaakt dat Silvio Berlusconi een 17-jarig model genaamd Ruby11 heeft geholpen vrij te komen nadat zij was gearresteerd voor diefstal. Dit door persoonlijk te bellen met de politie en te stellen dat zij het nichtje was van de Egyptische president Hosni Sayyid Mubarak12. Achteraf bleek dit meisje geen nichtje van de Egyptische president Mubarak. Mijns inziens heeft Silvio Berlusconi hiermee een privé aangelegenheid zelf publiekelijk gemaakt. Hij vervaagt zelf de lijn tussen privé en publieke aangelegenheden. Als hier nu in de pers over bericht moet worden kunnen we zeker stellen dat deze Ruby-affaire een publiekelijk karakter heeft nu de Egyptische president in het verhaal wordt betrokken. Een publiekelijk figuur moet zijn privé leven kunnen hebben. Maar door deze actie maakt Berlusconi van een prive kwestie een publieke aangelegenheid. Het mag toch

34

niet zo zijn dat een premier staatsbelangen, zoals een relatie tussen twee staten op het spel zet voor privé doeleinden? Naar mijn mening is hier de grens. Persvrijheid is een belangrijk goed, zoals blijkt uit artikel 10 EVRM en artikel 21 Italiaanse Constitutie, zo ook het recht op bescherming van het privé leven zoals artikel 8 EVRM garandeert. Maar zoals eerder aangegeven moet bij een botsing van grondrechten het ene recht prevaleren boven het ander. Het lijkt mij dat het recht op persvrijheid in een democratische samenleving niet te lijden mag hebben onder dít soort privé uitspattingen. En dat in dit Italiaanse voorbeeld het recht op vrije pers zal moeten prevaleren boven het recht op (Berlusconi’s) privacy.

Noten 1 Citaat van minister-president Silvio Berlusconi in een persconferentie over zijn beruchte prive feestjes. ‘www.republica. it’. 2 Dit werd duidelijk gemaakt door de voorzitter van het FSNI tijdens mijn bezoek aan Rome, november 2010. 3 Dit leidt tot censuur en/of informele inperking van de persvrijheid. In veel landen vindt dit plaats door censuur vanuit de overheid waarbij controleurs bij kranten etc. toestemming moeten geven voordat artikelen geplaatst mogen worden. Ook als de gedrukte media, televisiekanalen etc. in handen zijn van de overheid. Formeel is er dan geen controle maar feitelijk wel omdat de hoofdredactie zich altijd zal schikken naar de wensen van de overheid. Ook als er sprake is van belangenverstrengeling tussen overheid of bedrijfsleven enerzijds en media anderzijds kan er sprake zijn van informele inperking van de persvrijheid. 4 www.nu.nl. Zoek op ‘nieuwe-rel-persvrijheid-italie’ 5 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. 6 www.rechtspraak.nl. Zoek op ‘vonnis in de zaak van Prins Willem-Alexander, Prinses Maxima, en Prinses Amalia tegen the associated Press over vakantie foto’s’. 7 Risico aanvaarding. 8 ‘www.trouw.nl’, Zoek op ‘mediamagnaat Berlusconi heeft nu ook staatstelevisie in handen’. 9 ‘www.trouw.nl’, Zoek op ‘mediamagnaat Berlusconi heeft nu ook staatstelevisie in handen’. 10 ‘www.denieuwereporter.nl’. Zoek op: ‘Italië en de stevige machten die de pers inwerken’. 11 Gaat door het leven als Karima Keyek. 12 www.huffingtonpost.com


verdieping

Adverteren op internet

Het aanhangige wetsvoorstel met betrekking tot cookies nader bekeken1 Door Rik Torn2

W

ie wel eens een website buiten Nederland - zoals de website van een Amerikaanse krant - bezoekt, zal het misschien al wel eens zijn opgevallen. De betreffende Engelstalige website bevat een advertentie van een recent geopend restaurant in Amsterdam. Waar een dergelijk reclamebericht voor een leek op het eerste gezicht puur toeval lijkt, is dit het natuurlijk niet. Anders dan reclame op radio en televisie is het via het internet immers mogelijk een reclameboodschap zeer specifiek op een bepaalde internetgebruiker te richten. De techniek die hiertoe door internetadverteerders - waarvan Google onbetwist de grootste en bekendste is - wordt gebruikt, wordt ‘behavioral targeting’ genoemd. Over deze wijze van adverteren is de afgelopen periode een hoop te doen geweest. Zeer onlangs - op 3 november 2010 - heeft de regering een wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer dat onder andere over dit onderwerp handelt. In de beperkte ruimte die mij voor dit artikel geboden wordt, wil ik - na kort de belangrijkste basisbeginselen van behavioral targeting te hebben uitgelegd - ingaan op het genoemde wetsvoorstel. Behavioral targeting: de basisbeginselen Hoe werkt ‘behavioral targeting’ nou precies? De techniek is vrij simpel. Een beheerder van een website plaatst een heel klein bestandje (een zogenoemde ‘cookie’) op de computer van de bezoeker. Door deze cookies kan de beheerder van de website het surfgedrag van de bezoeker vastleggen. Als de bezoeker de website een volgende keer weer bezoekt, stuurt zijn browser de informatie van de cookie terug naar de server van de website. De server past de inhoud van de website vervolgens aan op de betreffende bezoeker. Niet alleen beheerders van websites maken gebruik van deze techniek, ook adverteerders doen dat. Zij beperken zich daarbij niet tot een enkele website, maar plaatsen via tal van verschillende websites diverse cookies op de pc van de betreffende bezoekers. Door deze cookies hebben zij een zeer goed beeld van het surfgedrag van de betreffende internetgebruiker. Hierbij geldt uiteraard dat hoe meer websites bij een betreffend advertentienetwerk zijn aangesloten, des te meer informatie de betreffende adverteerder van de internetgebruiker heeft. Indien een bezoeker bijvoorbeeld regelmatig een website als ‘funda. nl’ bezoekt, kan de adverteerder zijn advertenties op dit surfgedrag aanpassen. Op deze wijze kan - op het moment

dat de betreffende internetgebruiker een andere bij het advertentienetwerk aangesloten website bezoekt - een op hem gerichte advertentie van bijvoorbeeld een lokaal makelaarskantoor worden getoond. Het kenmerkende aan deze techniek van cookies is dat de informatie over het internetgebruik niet wordt opgeslagen in een centrale database, maar op de computer van de betreffende internetgebruiker zelf. Veel internetgebruikers zijn zich daarvan echter niet bewust.

‘Nederland zou het slimste jongetje van de klas willen zijn.’ Huidig juridisch kader Voor Nederland zijn deze regels op dit moment nog geïmplementeerd in artikel 4.1 van het Besluit universele dienst en eindgebruikersbelangen (BUDE). Kort gezegd schrijft dit besluit voor dat websitebeheerders die cookies willen plaatsen of raadplegen betrokkenen daarover goed moeten informeren en daarbij de mogelijkheid moeten bieden deze handelingen te weigeren. De gebruikers moet met andere woorden een ‘opt-out’ worden geboden.

35


Recent wetsvoorstel Ter uitvoering van een nieuwe Europese richtlijn - de ‘richtlijn burgerrechten’ - heeft de Nederlandse regering op 3 november 2010 een wetsvoorstel aan de Tweede Kamer gezonden.3 Met dit wetsvoorstel wordt mede beoogd een nieuwe bepaling (art. 11.7a) toe te voegen aan de Telecommunicatiewet, die handelt over het gebruik van cookies.4 Kort gezegd komt deze bepaling er op neer dat degene die een cookie op de computer van een internetgebruiker wil opslaan en/of wil raadplegen hierover de gebruiker (i) duidelijke en volledige informatie moet verstrekken overeenkomstig de Wet bescherming persoonsgegevens en in ieder geval omtrent de doeleinden waarvoor men toegang wenst te verkrijgen tot de desbetreffende cookie dan wel waarvoor men die cookie wenst op te slaan, en (ii) van de gebruiker toestemming dient te hebben verkregen voor de desbetreffende handeling. Deze eisen uit de wet zijn cumulatief.

‘Leiden nu echt alle wegen naar het moeras?’ De vereisten van informatie en toestemming gelden overigens niet voor cookies die het uitsluitend doel hebben de communicatie met de betreffende website uit te voeren of de daarop aangeboden online dienst mogelijk te maken. Voor deze categorieën ‘functionele cookies’ wordt in lid 3 van de conceptbepaling een uitzondering gemaakt. In het vervolg van dit artikel gaat het steeds om cookies die niet onder deze uitzondering van lid 3 vallen. Degene die een cookie wenst te plaatsen en/of raadplegen dient de internetgebruiker daarover dus niet alleen vrij uitgebreid te informeren, maar zal hem of haar daarvoor ook toestemming moeten vragen.5 Hoewel dit vereiste van toestemming rechtstreeks aan de Europese richtlijn is ontleend, is hierover in de literatuur, maar ook op vele internetfora, een uitgebreide discussie ontstaan. Wanneer is die vereiste toestemming immers verkregen? Is het in dat verband voldoende dat de betreffende internetgebruiker zijn internetbrowser op dusdanige wijze heeft ingesteld dat deze cookies accepteert? Of dient hij keer op keer, voor iedere

36

cookie apart, toestemming te verlenen? De vorige minister van Economische Zaken, Maria van der Hoeven, gaf in het voorjaar van 2010 tijdens een lezing nog aan dat zij opteerde voor het laatste: “[B]edrijven worden verplicht anders om te gaan met cookies. Voordat ze cookies mogen plaatsen, moeten ze straks eerst de consument goed informeren. En ze moeten hem om toestemming vragen voordat ze deze gegevensbestandjes mogen plaatsen op de computer van die consument. Heel terecht natuurlijk. Want de consument moet toch zeker weten wat er met zijn gegevens wordt gedaan? En hij moet daar natuurlijk expliciet mee instemmen.”6 (onderstreping RKT) Deze door de minister gekozen lijn kon op weinig instemming vanuit de ‘internetwereld’ rekenen. Het vereiste van expliciete (ondubbelzinnige) toestemming zou immers verder gaan dan de richtlijn zou voorschrijven. Nederland zou op deze wijze - aldus de critici - het slimste jongetje van de klas willen zijn. In de Memorie van Toelichting merkt de inmiddels nieuwe minister van Economische Zaken, Landbouw en Inovatie, Maxime Verhagen, hierover het volgende op: “De consequentie hiervan is volgens de ingezonden reacties dat het gebruik van het internet gebruiksonvriendelijk wordt, dat in de praktijk de gebruiker steeds toestemming zal verlenen zonder zich te realiseren waarvoor en dat er juist meer persoonsgegevens geregistreerd moeten worden door degene die verantwoordelijk is voor de cookies. Ook zou het voorstel leiden tot economische schade voor de hele internetsector. Het doel van de regeling, namelijk een verbetering van de bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer, wordt met het voorstel niet bereikt naar de opvatting van de vele respondenten. Als breed gedragen oplossing wordt voorgesteld de browserinstelling van de gebruiker bepalend te laten zijn voor de vraag of de gebruiker de vereiste toestemming voor het plaatsen en lezen van cookies heeft gegeven.”7 Deze kritiek is voor de regering reden geweest het wetsvoorstel aan te passen: “Met het gewijzigde voorstel wordt de geldende cookiebepaling overeenkomstig de bedoeling van de richtlijn aangescherpt maar op een voor de sector minder


verdieping

ingrijpende wijze. Zo komt de eis dat voor het plaatsen of lezen van informatie op de computer van de eindgebruiker «ondubbelzinnige» toestemming vereist is, te vervallen.”8 Wat betekent deze versoepeling van het toestemmingsvereiste nou voor de praktijk? Op welke wijze dient de toestemming - die kennelijk niet ondubbelzinnig hoeft te zijn - te worden verkregen? De Memorie van Toelichting brengt enige helderheid: “Het is vanuit het perspectief van de werking van het internet en het gebruiksgemak van de eindgebruiker niet praktisch om bij ieder bezoek van een site waarbij een cookie wordt geplaatst die niet onder de uitzondering in het derde lid valt de gebruiker te confronteren met een scherm waarop deze uitdrukkelijk om toestemming wordt gevraagd alvorens de site wordt geopend. Vandaar dat in de overweging 66 bij de Richtlijn burgerrechten is aangegeven dat «wanneer dit technisch mogelijk en doeltreffend is (...) overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van richtlijn 95/46/EG [de Algemene privacyrichtlijn, red.], de toestemming van de gebruikers met verwerking» kan «worden uitgedrukt door gebruik te maken van de desbetreffende instelling van de browser of andere toepassing».”9

nadere voorschriften worden gegeven omtrent de wijze waarop de toestemming moet worden verkregen en informatie moet worden verstrekt. (…) Overigens bestaat thans niet het voornemen om nadere voorschriften te geven. Op dit moment worden namelijk door de Europese Commissie initiatieven ontplooid om met het bedrijfsleven te komen tot zelfregulering waarin – binnen de grenzen van de e-Privacyrichtlijn – wordt gekomen tot een praktische invulling van de toestemmingseis.”12 Zoals wel vaker bij internetgerelateerde regelgeving, komen ook hier de wettelijke normen met horten en stoten tot stand. Duidelijk is in ieder geval dat de regering - in tegenstelling tot april 2010 - met dit wetsvoorstel voor een praktische en niet al te rigide implementatie van de richtlijn kiest. Het is afwachten hoe de Tweede Kamer hierop zal reageren. Daarnaast zijn de Europese marktpartijen nu aan zet teneinde te komen tot zelfregulering. Over het, met behulp van cookies, op een specifieke internetgebruiker gerichte vorm van adverteren op internet is dus het laatste woord nog niet gezegd.

Noten De op het gebied van het privacyrecht gezaghebbende ‘Artikel 29 werkgroep’ heeft naar aanleiding van de Richtlijn burgerrechten echter kritiek geuit op toestemmingsverlening via browserinstellingen.10 Eenmalig toestemming geven voor alle toekomstige cookies zonder nadere overweging omtrent het doel daarvan, zou - anders dan in de Memorie van Toelichting wordt gesuggereerd - niet in lijn zijn met de genoemde richtlijn, aldus de werkgroep.11 Hoe nu verder? Wie het bovenstaande leest, wordt per saldo niet veel wijzer. Leiden nu echt alle wegen naar het moeras? Of biedt het nieuwe wetsvoorstel toch nog een strohalm waaraan de rechtszoekende zich kan vastklampen? Het wetsvoorstel voorziet in de mogelijkheid bij algemene maatregel van bestuur nadere regels te geven over (de praktische vormgeving van) het toestemmingsvereiste en de informatieplicht: “Indien dat uit het oogpunt van rechtszekerheid gewenst is kunnen bij algemene maatregel van bestuur

1 De tekst van dit artikel is afgesloten op 15 november 2010. 2 Advocaat bij De Brauw Blackstone Westbroek te Amsterdam 3 Kamerstukken II 2010/11, 32 549, nr. 2. 4 Deze nieuwe bepaling vervangt artikel 4.1 BUDE. 5 Hoewel ook over deze informatieplicht in het kader van dit wetsvoorstel het nodige valt op te merken, laat ik dit onderwerp in het vervolg van dit artikel achterwege. 6 Speech van de minister van Economische Zaken tijdens uitreiking DDMA privacy waarborg d.d. 21 april 2010. Te raadplegen via: http://www.rijksoverheid.nl/bestanden/documenten-enpublicaties/toespraken/2010/04/21/speech-van-minister-vaneconomische-zaken-mevrouw-m-j-a-van-der-hoeven-uitreikingddma-privacy-waarborg-den-haag-pulchri-studio-21-april-2010/ microsoft-word-atlas-10053343-v1-definitieve-speech-ddmaprivacy-waarborg-21-april-2010.pdf 7 Kamerstukken II 2010/11, 32 549, nr. 3, p. 41 (MvT). 8 Ibidem. 9 Ibidem, p. 80. 10 Article 29 data protection working party, opinion 2/2010 on online behavioural advertising, adopted on 22 June 2010. Te raadplegen via: http://www.cbpweb.nl/downloads_ int/20100624_WP171en.pdf. 11 Ibidem, p. 14. 12 Kamerstukken II 2010/11, 32 549, nr. 3, p. 81 (MvT).

37


Brein op z’n best. Je hersenen werken het best in gezelschap. In écht multidisciplinaire teams. Daarom is De Brauw óók de ideale werkkring voor notarieel en scaal talent. Bij ons werk je aan zeer uiteenlopende zaken in telkens andere teams. Maar altijd op hoog niveau. Kijk op werkenbijdebrauw.nl.

BRAINS IN BUSINESS

brauw_notfisc_a4_FC.indd 1

28-04-2009 13:18:59


verdieping

Hoe ver reikt de privacy van de patiënt? Door Suzanne van den Broek

D

e opslag van medische gegevens kan iemand kwetsbaar maken. Bijvoorbeeld door interesse van een verzekeraar of werkgever. Er is dan ook uitgebreide regelgeving op het gebied van privacybescherming en medische gegevens.

Over iedere persoon wordt specifieke informatie bij diverse instanties verwerkt, bewaard en uitgewisseld. De gemiddelde Nederlander staat in zo’n 250 tot 500 bestanden opgenomen, maar dit kunnen er ook veel meer zijn afhankelijk van hoe men het begrip bestand definieert1. Zowel de kwantiteit als de zeer persoonlijke inhoud van deze gegevens maken dat wetgeving noodzakelijk is voor bescherming van persoonsgegevens en eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Dit is met name het geval als het medische gegevens betreft, deze kunnen iemand erg kwetsbaar maken. Bijvoorbeeld door interesse van een willekeurige verzekeraar, werkgever of andere instantie waarbij sprake is van een afhankelijkheidsrelatie. Er is op internationaal niveau veel wetgeving ter bescherming van de privacy (art. 8 EVRM, art. 12 UVRM, art. 17 IVBPR, Verdrag van Straatsburg, art. 7,8 EU-Handvest van de Grondrechten, art. 16 B Verdrag van Lissabon, art. 16 EU-Werkingsverdrag en de Europese Privacyrichtlijn). Vraag is alleen hoe deze brei van bepalingen doorwerkt in de Nederlandse rechtsorde en welke werking er in de praktijk vanuit gaat. In zijn algemeenheid geldt als anker art. 10 van de Grondwet, waarin het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is opgenomen. Meer concreet is de Wet bescherming persoonsgegevens (destijds ter implementatie van de Privacyrichtlijn), die regels stelt over inzage en verwerking van persoonsgegevens. Gegevens over de gezondheid vallen volgens deze wet onder de categorie bijzondere persoonsgegevens (art. 16 Wbp.). Het begrip ‘bijzondere persoonsgegevens’ moet ruim worden opgevat, het gaat hierbij niet alleen om gegevens die direct betrekking hebben op de gezondheid, maar ook om gegevens waaruit kan worden opgemaakt dat iemand ziek is. Zoals afspraken van patiënten, die uitlekken door een niet goed beveiligd afsprakensysteem van een ziekenhuis2. Uitwisseling van medische gegevens In de Wet op de beroepen in de Individuele Gezondheidszorg

is opgenomen dat artsen, tandartsen, apothekers, psychologen, psychotherapeuten, fysiotherapeuten, verloskundigen en verpleegkundigen een medisch beroepsgeheim hebben (art. 88 WBIG). Dit betekent dat de behandelaar geen gegevens van de patiënt aan anderen mag verschaffen, tenzij toestemming van de patiënt is verkregen. Uitwisseling kan ook toegestaan zijn op grond van een wettelijk voorschrift, of indien dit noodzakelijk is voor wetenschappelijk onderzoek. Als het gaat om de uitwisseling van medische gegevens met degene die direct betrokken is bij de uitvoering van de behandelingsovereenkomst of de vervanger van de behandelaar, dan wordt toestemming van de patiënt voor uitwisseling van gegevens verondersteld3. In zeer uitzonderlijke gevallen kan, gezien een conflict tussen het strikt vasthouden aan het beroepsgeheim en zwaarwegende belangen van de patiënt of een derde, doorbreking van de geheimhoudingsplicht zijn toegestaan.

Verwerken van medische gegevens Het is verboden om gezondheidsgegevens te verwerken (art. 16 Wbp), op dit verbod gelden echter ook uitzonderingen. Specifieke uitzonderingen staan genoemd in artikel 17-22 Wet bescherming persoonsgegevens. Als extra vereiste om persoonsgegevens te mogen verwerken geldt dat de behandelaar op basis van een ambt, beroep, wettelijk voorschrift of overeenkomst verplicht moet zijn geheimhouding in acht te houden (art. 21 lid2 Wbp). Er gelden voor diverse beroepen dan ook gedragscodes met bepalingen die de wet aanvullen4. Zo hanteert het Nederlands Instituut voor Psychologen (NIP) een gedragscode met nadere regels over privacy van de cliënt, ook maatschappelijk werkers hebben een eigen beroepscode.

39


Algemene uitzonderingen op het verbod om gezondheidsgegevens te verwerken kunnen worden gebaseerd op de restbepaling artikel 23 Wet bescherming persoonsgegevens. Dit kan echter alleen als de specifieke uitzonderingsbepalingen (art. 17-22 Wbp) geen uitputtend of verbiedend karakter hebben. Met name sub e van het eerste lid biedt gezien de algemene bewoordingen voor uiteenlopende situaties een rechtsgrond; het verbod om persoonsgegevens te verwerken is niet van toepassing als ‘dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, passende waarborgen worden geboden ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer en dit bij wet wordt bepaald dan wel het College ontheffing heeft verleend. Het College kan bij de verlening van ontheffing beperkingen en voorschriften opleggen.’ Deze zeer algemeen geformuleerde restbepaling vormt de grondslag van het elektronisch patiëntendossier. Inzage, aanvulling of vernietiging medisch dossier Elke behandelaar is verplicht een dossier van een patiënt aan te leggen over de behandeling, begeleiding en verzorging (art. 7:454 lid1 BW). Er wordt bijgehouden hoe het gaat met de gezondheid van de patiënt en hoe de behandeling loopt. Met betrekking tot inzage in medische gegevens zijn zowel de Wet bescherming persoonsgegevens als de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (boek 7 titel 7 afdeling 5 BW) van belang. Een patiënt heeft recht op inzage in zijn medisch dossier. De persoonlijke werkaantekeningen die de behandelaar heeft gemaakt mag de patiënt niet inzien5. Althans als het persoonlijke aantekeningen betreft die slechts worden gebruikt als geheugensteuntje, op het moment dat de aantekeningen worden opgeslagen in een dossier of worden uitgewisseld, dan vallen zij wel degelijk onder de reikwijdte van het inzagerecht6. Overigens kan aan een inzageverzoek alleen tegemoet worden gekomen, indien de patiënt tenminste 16 jaar is en niet onder curatele is gesteld. Is een patiënt onder curatele gesteld, dan moet een verzoek worden gedaan door de wettelijk vertegenwoordiger (art. 7:450 lid1 BW). Bij kinderen tussen de 12 en 16 jaar geldt een genuanceerder regime, zij mogen namelijk mee beslissen met de wettelijk vertegenwoordiger. Een behandelaar kan inzage in het medisch dossier weigeren, indien dit noodzakelijk is voor de bescherming

40

van de persoonlijke levenssfeer van een ander, de veiligheid van de staat, opsporing en vervolging van strafbare feiten en bescherming van gewichtige economische en financiële belangen van openbare lichamen (art. 7:456 BW jo art. 47 Wbp). Als het gaat om de bescherming van de belangen van een derde, dan moet uiteraard het belang van deze derde zwaarder wegen, dan dat van de patiënt zelf. Als gegevens in het medisch dossier feitelijk onjuist, onvolledig of irrelevant zijn, dan heeft de patiënt het recht op correctie van de gegevens (art. 36 Wbp). Het recht op correctie strekt zich niet uit tot meningen of subjectieve uitspraken. Naast correctie heeft een patiënt het recht op gehele of gedeeltelijke vernietiging van zijn dossier, ongeacht of het relevante gegevens betreft. Aan een verzoek tot vernietiging moet binnen 3 maanden door de behandelaar worden voldaan (art. 7:455 BW). De patiënt heeft geen recht op vernietiging van de gegevens in zijn medisch dossier, indien een wettelijk voorschrift bepaald dat de gegevens bewaard moeten blijven, of een andere patiënt een aanmerkelijk belang heeft bij bewaring van de gegevens (art. 43 Wbp). De uitgebreide regelgeving op het gebied van privacybescherming met betrekking tot medische gegevens leidt ertoe dat behandelaars zeer zorgvuldig om moeten gaan met gegevens. Aan een te grote opslag van gegevens en te eenvoudige uitwisseling kleeft als nadeel dat een individu of een groep mensen een kwalificatie krijgt die zeer nadelig kan uitpakken. Hierbij valt te denken aan een mogelijke beperking van het afsluiten van een ziektekostenverzekering of overlijdensrisicoverzekering. Aan de andere kant kan snelle informatie-uitwisseling tussen behandelaars zorgen voor een adequate behandeling. Dit laatste is onder andere in spoedgevallen van groot belang. Noten 1 ‘Onze digitale schaduw. Een verkennend onderzoek naar het aantal databases waarin de gemiddelde Nederlander geregistreerd staat’, januari 2009, www.considerati.com 2 CBP 9 mei 2006, z2005-1372 3 ‘Geheimhouding van medische gegevens’, CBP september 2010, informatieblad nr. 33A 4 E. Thole, F. van der Jagt, H. Roerdink, 50 vragen over privacy, Deventer: Kluwer 2010, p.84 5 ‘Rechten van uw patiënt’, CBP oktober 2010, informatieblad nr. 34A 6 ‘Het geven van inzage in persoonsgegevens’, CBP september 2010, informatieblad nr. 28A


verdieping

Foute foto’s op je Facebook, carrièrekansen verpest? Door Elisabeth Thole en Friederike van der Jagt1

N

a het binnenhalen van je laatste tentamens en het afronden van je scriptie is het zover: je bent klaar voor het werkende leven. Met hulp van alle tips op internet pimp je je CV. Ook maak je snel een LinkedInprofiel aan. Nu nog wat brieven de deur uitdoen en dan maar afwachten. Gelukkig volgt al snel een uitnodiging voor een sollicitatiegesprek bij je droomwerkgever. Tijdens dit gesprek word je geconfronteerd met de vraag of je jezelf als ‘sociaal’ zou omschrijven. Volmondig antwoord je het sociaal wenselijke ‘ja’. De personen met wie je een gesprek hebt, beginnen te lachen. Dat je sociaal was, dat wisten ze al; ze hebben prachtige foto’s daarvan gezien op je Facebook-pagina…. Oeps…praat je daar maar eens uit. Maar hoe zit dat eigenlijk? Mogen bedrijven het internet afstruinen op zoek naar informatie over sollicitanten? En als je eenmaal aangenomen bent, mag je werkgever dan je internet- en e-mailverkeer controleren? “Ik googel die kandidaat wel even” Als je tegenwoordig iets van iemand wil weten, is er niets makkelijker dan die persoon te googelen. Een enorme hoeveelheid informatie is op het internet beschikbaar. Van iemands professionele gegevens, tot zijn hobby’s en huisdieren. Ook zijn er sites die overzichten bieden van alle informatie die er van een bepaalde persoon op het internet te vinden is, zoals de site www.wieowie.nl. Steeds vaker maken bedrijven gebruik van de online zoekmogelijkheden voor het vervullen van hun vacatures. Ook voor sollicitanten is het internet een mooie manier om bij bedrijven ‘binnen te kijken’. Maar er is een keerzijde. In de VS zou maar liefst één op de drie werkgevers een sollicitant hebben afgewezen wegens ongepaste informatie die te vinden was op sociale netwerksites. In Europa is dit evengoed denkbaar. Toen je die vakantiefoto’s plaatste, dacht je niet na over de gevolgen daarvan voor je carrièrekansen. Ook kan je op sites van vrienden staan die nu juist die ene minder goed gelukte foto van jou graag met de rest van de wereld delen. De Artikel 29 Werkgroep, het onafhankelijke adviesorgaan van Europese privacytoezichthouders vindt dat sociale netwerksites de gebruikers moeten wijzen op de

privacyrisico’s voor henzelf en anderen als zij informatie aan hun profiel toevoegen.2 Maar, wat als het kwaad al is geschied? In de NVP Sollicitatiecode uit 2009 staat dat zowel de sollicitant als de werkgever zich er van bewust moet zijn dat de beschikbare informatie van open bronnen, zoals internet, niet altijd betrouwbaar is.3

‘Toen je die vakantiefoto’s plaatste, dacht je niet na over de gevolgen daarvan voor je carrièrekansen’ Wettelijk kader De Nederlandse wet kent geen algemeen wetsartikel over de privacy van sollicitanten en werknemers. Wel biedt artikel 10 van de Grondwet een ieder het recht op de bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, ook wel het recht op privacy genoemd. Dit is ook terug te vinden in artikel 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) en artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR). Artikel 10 van de Grondwet is nader uitgewerkt in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). In artikel 13 van de Grondwet is het recht op vertrouwelijke communicatie opgenomen. Deze verschillende rechten werken door in de relatie tussen de werkgever en zijn (potentiële) werknemer. In de werksfeer is dit met name terug te zien bij de invulling van de arbeidsrechtelijke normen van ‘goed werkgeverschap’ en ‘goed werknemerschap’ van artikel 7:611 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De werkgever en de werknemer moeten zich tegenover elkaar als een goed werkgever respectievelijk goed werknemer gedragen. Daar hoort bij dat de privacy van de werknemer in een bepaalde mate gerespecteerd dient te worden. Dit betekent dat er steeds een belangenafweging zal moeten plaatsvinden.

41


werk contacten met andere mensen te kunnen aangaan en dat artikel 8 EVRM de werknemer dan ook beschermt tegen inbreuken op zijn privacy door de werkgever. Een werkgever zal een beperkt aantal privécontacten (in tijdsduur beperkt) moeten toestaan, indien en voor zover daarvan geen concrete aanwijsbare nadelige invloed op het werk of de werksfeer uitgaat.6 Eveneens is het van belang dat als de werkgever besluit om het internet- en e-mailverkeer te gaan controleren, hij de werknemers hierover informeert. Dit is door de Europese rechter bevestigd in het Copland-arrest.7

Mag een recruiter een kandidaat googelen? Volgens de Wbp mag een internetsearch worden uitgevoerd voor “persoonlijk of huishoudelijk gebruik”. Hiervan zal niet snel sprake zijn bij de werving en selectie van sollicitanten. Maar werkgevers en recruiters kunnen wel een gerechtvaardigd belang hebben bij de internetsearch. Toch zitten ook daaraan haken en ogen. Het maakt bijvoorbeeld verschil waar de informatie gevonden is. Voor een professioneel netwerk, zoals LinkedIn, zal iets anders gelden dan voor een Facebook-profiel, dat zich vooral op iemands vrienden richt. De meest aangewezen weg lijkt dan ook te zijn om eerst toestemming aan de sollicitant te vragen, net zoals bij het checken van referenties in de offline wereld gebruikelijk is. Het is echter de vraag of nieuwsgierige recruiters en werkgevers de verleiding van Google tot het moment van toestemming kunnen weerstaan. Daarnaast zou in de vacaturetekst de waarschuwing opgenomen kunnen worden dat een internetsearch deel uitmaakt van de sollicitatieprocedure.4 “Even mijn (werknemers) mail checken” De Facebook-foto’s heb je overleefd en met een prachtig contract op zak, begin je aan je nieuwe baan. Hoe zit het dan met je privacy? Wanneer mag je werkgever je interneten e-mailverkeer controleren? En mag je zelf onder werktijd privémails versturen? Privémailen mag…. De Europese rechter heeft bepaald dat het recht op privacy zich ook uitstrekt tot de werkplek. In de zaak Niemitz5 stelde de Europese rechter vast dat werknemers een gerechtvaardigd belang hebben om ook gedurende het uitvoeren van hun

42

maar de werkgever mag ook controleren! De werkgever mag, op grond van de gezagsbevoegdheid die hij heeft (artikel 7:660 BW) in sommige gevallen internet en e-mailverkeer verbieden. Zo kan bijvoorbeeld het bezoeken van pornografische en racistische websites verboden worden. Dit soort zaken kan worden vastgelegd in een gedragscode, mede als de mogelijke controle van het internet- en e-mailverkeer door de werkgever. Bij deze controle worden persoonsgegevens verwerkt omdat de werkgever kan achterhalen wie, op welk moment, op welke site is geweest of aan wie een bepaalde e-mail is verzonden. Als een werkgever persoonsgegevens verzamelt, moet hij dit doen voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden (artikel 7 Wbp). Doeleinden kunnen bijvoorbeeld zijn: begeleiding en individuele beoordeling, het beschermen van bedrijfsgeheimen, de systeem- en netwerkbeveiliging, het vastleggen van bewijsmateriaal, het controleren of de regels binnen een organisatie worden nageleefd, kostenen capaciteitsbeheersing, het voorkomen van negatieve publiciteit (reputatieschade) en het voorkomen van seksuele intimidatie. Uit een zaak van de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) is gebleken dat de goede naam van een werkgever en het mogelijk chantabel worden van een werknemer, goede redenen kunnen zijn om het internet- en e-mailverkeer van een werknemer nader onder de loep te nemen.8 Het ging hier om een werknemer die onder werktijd vrouwen lastig viel via de chatbox en de webcam. Hij deed daarbij seksueel getinte uitlatingen en verrichtte seksuele handelingen. Toen de man door zijn werkgever hierop aangesproken werd, erkende hij dat hij inderdaad dit soort contacten onderhield. De rechter ging akkoord met het ontslag van de man en nam daarbij in overweging dat de medewerkers van de FIOD toegang hebben tot gevoelige en vertrouwelijke


verdieping

informatie waardoor de werknemer in een kwetsbare positie kan worden gebracht. Ofschoon in deze zaak niet werd ingegaan op de privacy van de werknemer, zou in deze situatie kunnen worden aangenomen dat de werkgever een gerechtvaardigd belang had om het computergebruik van de werknemer te controleren, dat zwaarder woog dan het privacybelang van de werknemer. De Wbp moet voor de controle een rechtmatige grondslag (rechtvaardigingsgrond) bieden (artikel 8 Wbp). Een van de rechtvaardigingsgronden waarop een werkgever een beroep kan doen is sub f van artikel 8 Wbp, het zogenaamde ‘gerechtvaardigd belang’. Dit betekent dat de werkgever steeds zijn belangen bij de controle moet afwegen tegen de privacy-belangen van de werknemer. Hierbij moet hij ook letten op de eisen van proportionaliteit (de controle mag niet verder gaan dan noodzakelijk is om het doel van de controle te bereiken) en subsidiariteit (het doel kan niet op een andere, minder ingrijpende, manier worden bereikt). Aan de Ombudsman is een zaak voorgelegd waarin de inbox van een medewerkster gedurende haar afwezigheid wegens ziekte door haar teamleider gecontroleerd was.9 De teamleider deed dit om te kijken of er nog zaken waren die moesten worden afgehandeld. Hierbij had de teamleider zich echter niet beperkt tot de zakelijke e-mails, maar ook e-mails met een duidelijk privékarakter gelezen. In de privémails had de medewerker zich negatief uitgelaten over haar werk en haar teamleider. De teamleider liet vervolgens aan de medewerkster weten dat dit aan de orde zou komen in het eerstvolgende beoordelingsgesprek. De Ombudsman stelde dat de werkgever, conform diens gedragscode, wel de inbox had mogen controleren om te zorgen dat de voortgang van het werk niet in gevaar kwam. Hij had echter niet de privémails mogen lezen. Natuurlijk had de teamleider per ongeluk een privémail kunnen openen, maar de negatieve uitlatingen bevonden zich onderaan in de privémails, waaruit kon worden afgeleid dat de teamleider de berichten geheel had gelezen. Daarmee had de teamleider het proportionaliteitsbeginsel geschonden. Andere eisen De werkgever moet zich bij zijn internetsearch en bij de controle van het internet- en e-mailverkeer ook aan een aantal andere eisen van de Wbp houden. Zo mag de verwerking van de verzamelde gegevens niet onverenigbaar zijn met de vastgestelde doeleinden. Ook mogen de gegevens niet

langer worden bewaard dan noodzakelijk (artikelen 9 en 10 Wbp). Verder moet de werknemer op de hoogte zijn van de controle (artikelen 33 en 34 Wbp). De norm van goed werkgeverschap speelt hierbij eveneens een rol: een goed werkgever controleert zijn werknemers niet stiekem, tenzij er sprake is van een duidelijke verdenking van strafbare feiten, een zwaarwegend belang van de ondernemer en dit als laatste redmiddel gebeurt. De werkgever hoeft niet te zeggen wanneer hij precies het e-mail- of internetgebruik van de werknemer controleert, maar de werknemer moet weten dát dit kan gebeuren. Daarnaast moet de betrokkene worden ingelicht over de rechten die hij heeft. Op grond van het inzagerecht van artikel 35 Wbp mag hij de gegevens die over hem worden verwerkt inzien en indien nodig corrigeren (artikel 36 Wbp). Van bepaalde werknemers, zoals bedrijfsartsen en leden van de ondernemingsraad, kan worden afgesproken dat hun internet- en e-mailverkeer niet wordt gecontroleerd. Bezint, eer gij online iets begint! Het is van groot belang dat je als werkzoekende en werknemer goed nadenkt over de gevolgen die je online activiteiten, offline kunnen hebben. Met een beetje gezond verstand weet je vaak al wat door de beugel kan. En voordat je aan de slag gaat, kan je altijd jezelf nog even googelen om genante voorvallen te voorkomen…..

Noten 1 Mr. dr. Elisabeth Thole (thole@vandoorne.com) en mr. Friederike van der Jagt (jagt@vandoorne.com) zijn advocaat bij Van Doorne N.V. te Amsterdam en maken deel uit van het Van Doorne Privacyteam. Ook zijn zij coauteurs van het boek “50 Vragen over Privacy”, Deventer: Kluwer 2010. 2 Advies 5/2009 over online sociale netwerken, Artikel 29 Werkgroep, 12 juni 2009, WP 163. 3 Zie http://www.nvp-plaza.nl/site/nl/kennis. phtml?p=sollicitatiecode. 4 A.R. Lodder e.a., Recht en Web 2.0, preadvies Nederlandse Vereniging voor Informatietechnologie en Recht (NVvIR), 2010, no. 27, p. 123-124. 5 EHRM 16 december 1992, NJ 1993/400. 6 Zie ook: EHRM 25 juni 1997, Halford, NJ 1998, 506, Kantongerecht Amsterdam 26 april 2001, JAR 2001/101 en Kantongerecht Haarlem 16 juni 2000, JAR 2000/170. 7 EHRM 3 april 2007, Copland, NJ 2007/617. 8 Rechtbank Leeuwarden 8 november 2007, LJN BB7695. 9 Nationale Ombudsman 7 juni 2007, JAR 2007/164.

43


Wat neem jij mee?

Wat je elke dag bij je hebt, zegt veel over wie je bent. Over wat je bezighoudt, de dingen die je meemaakt en wat je motiveert. Bij AKD zijn we benieuwd naar wat mensen ‘meenemen’. Naar hun interesses en ambitie. Wat deed jou besluiten rechten te gaan studeren? En wat wil je bereiken? AKD bestaat uit een hecht team van bevlogen advocaten en notarissen. Professionals met een eigen stijl. Vastbesloten alles eruit te halen wat erin zit. We investeren dan ook veel in de ontwikkeling van jong talent. Spreekt onze werkwijze jou aan? Laat het ons weten. We zijn benieuwd naar wat jij meeneemt. Kijk op watneemjijmee.nl.

44

-00003_adv_E_210x297mm_OF.indd 1

10-12-2009 20:04:11


verdieping

Weighing interests of individuals against the international community Door Vivian Oliana

S

ince the terrorist attacks on 11 September 2001 the socalled war against terrorism was born. The fight against terrorism discharged into a co-operation at regional and international level to prevent terrorism attacks and to make it more difficult for terrorist organizations to operate globally. As a result of several resolutions of the United Nations Security Council1, the European Union established a so-called terrorism list, also named the “blacklist” without a proper judicial procedure. Not only this lack of legal justification, but also the impact on a human being in the sense of privacy will be the main focus of this article. Privacy is a fundamental human right recognized on International and European level. On the International level the right of privacy is recognized in the Universal Declaration of Human Rights2 as well as in the International Covenant on Civil and Political Rights3. The former, although formally non-binding, represents most of the international human rights which are now recognized in several treaties. Besides that, most of them are customary law and are in that sense binding. The wording of Article 12 of the UDHR stipulating the right of privacy is almost the same as in Article 17 of the ICCPR, where the latter stated in paragraph one that “no one shall be subjected to arbitrary or unlawful interference with his privacy, family, home or correspondence, nor to unlawful attacks on his honour and reputation”. On the European level, the European Convention on Human Rights4 included the right of privacy in Article 8 and determined the right in paragraph one as follow: “Everyone has the right to respect for his private and family life, his home and his correspondence”. However, paragraph two of the Article gives the right of privacy some space for limitations and stated that “ There shall be no interference by a public authority with the exercise of this right except such as is in accordance with the law and is necessary in a democratic society in the interests of national security, public safety or the economic well-being of the country, for the prevention of disorder or crime, for the protection of health or morals, or for the protection of the rights and freedoms of others”. The same limitations are, although implied, present in the ICCPR in Article 5, paragraph 25. According to this Article derogation is only possible when it is pursuant to law,

conventions, regulations of custom. In this article we will concentrate on the European legislation as on the limitations of the right of privacy with regard to the terrorism list. Everyone will agree that blacklisting automatically creates a deep impact on the private life of the person concerned. Resolution 1373 of the Security Council stated that as a result of the terrorist attacks which took place in New York, Washington D.C. and Pennsylvania on 11 September 2001, States have to prevent such terrorist acts. Furthermore, it declared that such acts, like any act of international terrorism, constituted a threat to international peace and security6. The existence of a threat as a result of the attacks established the competence of the Security Council to take measures under Chapter VII of the Charter of the United Nations (1945) to maintain and/or to restore international peace and security. This resulted in resolutions like Resolution 1373, which are binding for all the member states of the United Nations7. The Security Council is calling on States to work together urgently to prevent and suppress the financing of terrorist acts and to criminalize the wilful provision or collection of funds by their nationals or in their territories with the intention to use these funds for carrying out terrorist acts. It also calls on States to freeze without any delay funds and other financial assets or economic resources of persons who commit terrorist acts or participate in or facilitate the commission of terrorist acts8. Therefore, the European Union took measures in the form of Regulations, to achieve the goal of the Resolution in question. Those measures were taken against persons on the list. It is questionable, though, if this list is in conformity with the fundamental right of privacy as protected under several international human rights documents, like the treaties mentioned before in this article. The General Court9 ruled, unfortunately, in its judgment of 21 September 200510 that national or Community orders do not have the jurisdiction to review the lawfulness of those regulations, given that Member States are obliged to comply with resolutions of the Security Council. It holds, furthermore, that it essentially lacked the jurisdiction to review Security Council acts, even when it concerned human rights. However, the General Court found that it was empowered to check, indirectly, the lawfulness of the resolutions of the Security Council in question with regard to jus cogens11,

45


something it derived most likely from the gravity of such norms12. However, the Court of Justice13 in its judgment of 3 September 200814, declared in appeal against the judgment of the General Court. The Court held, on the contrary, that the Community Courts have jurisdiction to review measures adopted by the Community which gave effect to resolutions of the Security Council. The Court came to this conclusion by holding in mind that the Community is based on the rule of law. As a result, neither the Member States of the Community, nor its institutions can avoid review of the conformity of their acts with the basic Constitutional Charter, the EC Treaty15. Consequently, as a result of those considerations, the Court settled the judgment of the General Court aside and found itself competent to review the measures adopted by the Community which gave effect to resolutions of the Security Council. Although the main right in the two Kadi cases has been the right of defence, it is possible to review Regulations and therefore, to review the Security Council Resolutions. And even when there is no practice whatsoever yet with regard to the terrorist list and the right of privacy, the Court found itself competent to review those regulations with regard to human rights and thus also in accordance with the right of privacy. Although the issue of privacy is not yet discussed in Court today, we can always ask the question if such an act is in conformity with this particular right of privacy. As said before, limitations of the right in question are allowed when they are in accordance with law and when they pursue a legitimate aim. In this case the terrorism list is based on the Security Council Resolution, which for that reason is in accordance with law. The latter requirement of the limitation, the legitimate aim, can be found in maintaining international peace and security. The Security Council namely determined in its resolution that terrorist attacks constitutes a threat to international peace and security. It is however debatable if this kind of action is necessary in the sense of Article 8, paragraph 2 of the European Convention on Human Rights16. It can be argued, that there are alternative ways to maintain international peace and security, by for example, filing a case against a suspect of terrorist relationships. Countermeasures, however, can be argued that other measures are not effective enough to prevent terrorist attacks.

46

In the end, there has to be made a balance between the interests of the individual and the international community as such. Lastly, Article 6, paragraph 2 of the ECHR deserves some attention. Besides the question if the terrorism list is in conformity with the right of privacy, it is also questionable if this list respects Article 6 of the Convention, which assumes that everyone is innocent, unless the contrary is proved. It is well known that the blacklisting practice does not provide a trial for the suspects, i.e. the suspect does not have the possibility to defend himself properly to prevent the blacklisting. For that reason many question marks can be made against this particular practice of the Security Council, which assumed to be another political way to solve grave problems in the international world. Noten Further to be mentioned the “Security Council”. Further to be mentioned the “UDHR”. Further to be mentioned the “ICCPR”. Further to be mentioned the “ECHR”. Article 5 § 2 ICCPR: “There shall be no restriction upon or derogation from any of the fundamental human rights recognized or existing in any State Party to the present Covenant pursuant to law, conventions, regulations or custom on the pretext that the present Covenant does not recognize such rights or that it recognizes them to a lesser extent”. 6 UN SC, S/RES/1373 (2001), 28 September 2001. 7 According to Article 25 of the UN Charter. The Security Council even determined that resolutions of the Security Council under Chapter VII are binding for non-members. 8 UN SC, S/RES/1373 (2001), 28 September 2001, Article 1, p. 2. 9 Before the “Court of First Instance”. 10 Court of First Instance of the European Communities, Kadi v. Council and Commission, Case T-315/01, ECR II-3649, 21 September 2005. 11 With regard to Article 53 of the Vienna Convention on the Law of Treaties “a norm from which no derogation is permitted and which can be modified only by a subsequent norm of general international law having the same character”. 12 T-306/01, Yusuf and Al Barakaat v. Council (2005) ECR II-3533 and T-315/01, Kadi v. Council (2005) ECR-II-3649. 13 Further to be mentioned the “Court”. 14 Court of Justice, Kadi v. Council and Commission, Joined Case C-402/05 and C-415/15, 3 September 2008. 15 Court of Justice, Kadi v. Council and Commission, Joined Case C-402/05 and C-415/15, §§§ 281-283, 3 September 2008. 16 Further to be mentioned the “ECHR”. 1 2 3 4 5


verdieping

Een zwaarwegend algemeen belang Verstrekking van strafvorderlijke informatie door het Openbaar Ministerie

D

e minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties raakt op de hoogte van een opsporingsonderzoek tegen een burgemeester die door het openbaar ministerie wordt verdacht van corruptie. Een ziekenhuis heeft iemand in dienst die op zijn beveiligingsafdeling werkt en die wordt vervolgd wegens verdenking van brandstichting in het ziekenhuis. Kan de minister van Binnenlandse Zaken, die politiek verantwoordelijk is voor de integriteit van het openbaar bestuur, (meteen) de beschikking krijgen over het strafdossier? Geldt hetzelfde voor een particuliere werkgever? Het ziekenhuis bijvoorbeeld, dat verantwoordelijk is voor de veiligheid van zijn patiënten en medewerkers en wil kunnen beoordelen of het het dienstverband met de betrokken beveiligingsbeambte moet beëindigen. Of de verhuurder, die zijn huis alleen wil verhuren aan mensen die niet met justitie in aanraking zijn geweest; kan hij de beschikking krijgen over strafvorderlijke informatie over een kandidaathuurder? Andersom kan het ook voorkomen: het openbaar ministerie krijgt uit tapgesprekken die zijn verkregen in het kader van een fraudeonderzoek een vermoeden van verboden prijsafspraken, en daarmee van overtreding van art. 6 van de Mededingingswet (Mw). Zelf kan het niet strafrechtelijk vervolgen voor overtreding van art. 6 Mw; de wetgever heeft de handhaving van die bepaling exclusief aan de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) opgedragen. Kan het openbaar ministerie de tapgesprekken aan de NMa verstrekken met het oog op handhaving door deze toezichthouder? Veel informatie die het openbaar ministerie in het kader van opsporing en vervolging verzamelt zou ook goed van pas kunnen komen bij bestuursrechtelijk en privaatrechtelijk optreden tegen de betrokken personen of bedrijven en dat optreden aanzienlijk kunnen vereenvoudigen. Anders dan via het Openbaar Ministerie kan men veelal ook niet de beschikking over die informatie krijgen. En soms wil het openbaar ministerie informatie waarover het beschikt zelf graag delen met anderen, bijvoorbeeld toezichthouders, opdat zij tegen de betrokkene(n) kunnen optreden. Omdat een toezichthouder meer specifieke kennis en ervaring op een bepaald terrein heeft, of omdat een toezichthouder zelfs exclusief met de handhaving is belast, zoals de NMa in het geval van overtreding van art. 6 Mw. Maar kan justitiële informatie zo maar met particulieren en bestuursorganen worden gedeeld en kunnen zij zelfs aanspraak maken op justitiële informatie?

De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) verbiedt in beginsel de verwerking van bijzondere (gevoelige) persoonsgegevens (art. 16). De wetgever heeft er uitdrukkelijk voor gekozen het verbod ook van toepassing te laten zijn op strafvorderlijke gegevens; de EG-richtlijn 95/46/EG, die met de Wbp in de Nederlandse rechtsorde is geïmplementeerd, schrijft dat niet voor. Strafrechtelijke persoonsgegevens mogen vanzelfsprekend worden gebruikt voor het doel waarvoor zij – met toepassing van het Wetboek van Strafvordering of een andere, bijzondere wet - zijn verzameld, kort gezegd voor de opsporing en vervolging. Maar voor het overige – voor gebruik voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden - geldt als hoofdregel dus een verbod. Het verbod om te verwerken is niet van toepassing voor zover “dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, passende waarborgen worden geboden ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer en dit bij wet wordt bepaald dan wel het College bescherming persoonsgegevens ontheffing heeft verleend” (art. 23, lid 1 aanhef en onder e Wbp).

‘Kan justitiële informatie zo maar met particulieren en bestuursorganen worden gedeeld?’ Informatie van politie en justitie is veelal verkregen met toepassing van dwangmiddelen, buiten medeweten en tegen de wil van de betrokkene, met het oog op de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Daarom is er eigenlijk weinig discussie mogelijk over het uitgangspunt dat die informatie niet vrijelijk voor iedereen die dat zou willen beschikbaar mag zijn, hoe begrijpelijk zo’n wens soms kan zijn. En ook al zijn persoonsgegevens waarover politie en justitie beschikken lang niet altijd heel gevoelig van aard, in hun context worden ze dat wel. De bescherming van de persoonlijke levenssfeer vereist dat zeer zorgvuldig met deze gegevens wordt omgegaan, en dat ze in beginsel alleen

47


worden gebruikt voor het doel waarvoor ze zijn verkregen en met het oog waarop de bijzondere bevoegdheden waarmee ze konden worden verkregen aan de opsporingsautoriteiten zijn toegekend; doelbinding is een belangrijk uitgangspunt in het privacyrecht. Staan er echter levens op het spel, die mogelijk kunnen worden gered als strafvorderlijke informatie aan een derde wordt verstrekt, dan zullen weinigen iets op die verstrekking tegen hebben.

‘Het Openbaar Ministerie mocht zijn tapgesprekken aan de NMA verstrekken, omdat met verboden prijsafspraken het economisch belang van Nederland in het geding is.’ Verder kan het contraproductief en niet aanvaardbaar zijn als bepaalde informatie wel beschikbaar is bij politie en justitie, maar er in voorkomend geval, in een andere context, geen gebruik van kan worden gemaakt. Zo zal menigeen het tenminste onwenselijk vinden als politie en justitie in het kader van een strafrechtelijk onderzoek concrete aanwijzingen voor corruptie van een burgemeester hebben, hij daarvoor wordt vervolgd, maar de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties niets tegen de betrokken burgemeester kan uitrichten omdat hij niet over die aanwijzingen kan beschikken. Terwijl de minister van Binnenlandse Zaken toch verantwoordelijk is voor een integere overheid, die wezenlijk is voor een democratische samenleving. Hij zou tenminste over zodanige informatie moeten kunnen beschikken dat hij een eigen onderzoek kan starten. Alleen dan is effectief optreden tegen corruptie mogelijk. En is er geen wettelijke mogelijkheid om informatie te verstrekken, dan wordt

48

in de praktijk naar informele wegen gezocht, onduidelijk en niet toetsbaar. De Parlementaire Enquetecommissie Opsporingsmethoden (Commissie Van Traa) heeft in 1996 al in haar eindrapport “Inzake opsporing” vastgesteld dat dat gebeurt. De commissie heeft ook overwogen dat de behoefte aan strafvorderlijke informatie voor buiten de strafrechtspleging gelegen doelen gerechtvaardigd kan zijn. Aan de andere kant zou niet goed uit te leggen zijn dat iedere huurder, of iedere werknemer kan worden gescreend door de verhuurder of de werkgever (en andersom?) voordat de huurovereenkomst of de arbeidsovereenkomst tot stand komt, terwijl deze mogelijk niet tot stand zou komen als er een vuiltje aan de lucht zou blijken te zijn, afhankelijk van de beoordeling van de verhuurder of werkgever. Daargelaten dat het de vraag is of dat zou bijdragen aan een effectieve bestrijding van criminaliteit – het zou vermoedelijk mede aanleiding zijn voor allerlei duistere praktijken, en daarmee contraproductief – is duidelijk dat een dergelijke benadering geen recht zou doen aan de noodzakelijke bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de rechten en vrijheden van betrokkenen. De oplossing moet dus ergens tussen deze uitersten worden gezocht. Informatieverstrekking uit een strafdossier is in navolging van de aanbeveling van de Commissie Van Traa om te voorzien in een wettelijke regeling, geregeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) (artt. 39e en 39f). Daarin is in overeenstemming met art. 23, lid 1 aanhef en onder e Wbp vastgelegd dat verstrekking van de bedoelde gegevens aan derden voor buiten de strafrechtspleging gelegen doelen mogelijk is indien dit wordt gerechtvaardigd door een zwaarwegend algemeen belang. Gezien de relatie van de gegevensverwerking met art. 8 EVRM moet het gaan om een van de in het tweede lid van art. 8 genoemde belangen. De lidstaten hebben volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens een ruime mate van vrijheid bij de invulling ervan. De eis van een zwaarwegend algemeen belang gaat verder dan een gerechtvaardigd belang. Art. 8, aanhef en onder f Wbp regelt, als een soort restbepaling, de gegevensverwerking ter behartiging van een gerechtvaardigd belang. Het begrip heeft een ruime betekenis en omvat in beginsel ieder belang van een overheidsorgaan of particulier dat verwerking van persoonsgegevens rechtvaardigt. Dat in de context van verwerking van bijzondere persoonsgegevens het begrip


verdieping

zwaarwegend algemeen belang wordt gebruikt maakt duidelijk dat het bereik van het begrip beperkter moet zijn dan het bereik van het begrip gerechtvaardigd belang. Als een gegevensverwerking voor de samenleving van betekenis is, wordt er een algemeen belang mee gediend. Is de gegevensverwerking voor de samenleving van meer dan gewone betekenis, dan is de gegevensverwerking met het oog op een zwaarwegend algemeen belang gerechtvaardigd, zo valt uit de wetsgeschiedenis op te maken. Zo zal gegevensverstrekking aan het openbaar bestuur met het oog op de bestrijding van criminaliteit door het openbaar bestuur in beginsel een zwaarwegend algemeen belang dienen. Het komt vervolgens aan op de afweging die in concreto wordt gemaakt. Voor het Openbaar Ministerie is die afweging uitgewerkt in een Aanwijzing van het College van procureurs-generaal, de Aanwijzing Wjsg. Voor deze constructie pleit dat flexibeler kan worden ingespeeld op ontwikkelingen dan als de uitwerking in de wet zou zijn vastgelegd. Verstrekking met het oog op een zwaarwegend belang moet vanzelfsprekend altijd noodzakelijk zijn ter bescherming van dat belang, en dat betekent dat verstrekking in het concrete geval steeds moet voldoen aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De afweging met het belang van de betrokkene bij bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer moet dus altijd nog in concreto worden gemaakt. In de wetsgeschiedenis wordt als voorbeeld genoemd het geval waarin een werkgever het voornemen heeft een werknemer te ontslaan vanwege een verdenking van corruptie. Op zichzelf zou verstrekking van informatie uit het strafdossier aan de werkgever een zwaarwegend algemeen belang dienen, maar verstrekking vindt in beginsel in het belang van de verdachte toch niet plaats zo lang de strafzaak nog loopt en ook niet als de verdachte is vrijgesproken. Dat kan uitzondering lijden als er sprake is van een spoedeisend belang, dat verstrekking rechtvaardigt voordat de vervolging is afgerond, of als sprake is van een bijzonder geval, waarin verstrekking ook in het geval van een vrijspraak gerechtvaardigd is. In de nota naar aanleiding van het verslag wordt als voorbeeld van een spoedeisend belang acute gevaarzetting genoemd. In het hiervoor genoemde voorbeeld van de burgemeester tegen wie aanwijzingen van corruptie bestonden werd in de omstandigheid dat het ging om een burgemeester een spoedeisend belang gezien, dat rechtvaardigde dat al na

afronding van het vooronderzoek informatie aan de minister van Binnenlandse Zaken werd verstrekt. Een voorbeeld van een bijzonder geval waarin verstrekking gerechtvaardigd is hoewel het strafrechtelijk niet tot een veroordeling komt is het voorbeeld van de tapgesprekken. Het Openbaar Ministerie mocht zijn tapgesprekken aan de NMa verstrekken, omdat met verboden prijsafspraken het belang van het economisch welzijn van Nederland in het geding is en verstrekking van de informatie met het oog op onderzoek naar die prijsafspraken een zwaarwegend algemeen belang dient. Gezien de beoogde handhaving door de NMa, in plaats van het Openbaar Ministerie, was verstrekking gerechtvaardigd hoewel het in strafrechtelijk opzicht niet tot een veroordeling zou komen. Aan de andere kant kreeg de minister van Defensie pas informatie over een strafrechtelijk onderzoek tegen militairen wegens strafbare feiten die zij als leidinggevenden/instructeurs aan een Defensieopleidingsinstituut hadden gepleegd nadat de militairen in eerste aanleg waren veroordeeld. Ook het ziekenhuis kreeg geen informatie over zijn beveiligingsmedewerker die werd vervolgd voor brandstichting, omdat de medewerker door de strafrechter was vrijgesproken. In zo’n geval weegt de privacy van de gewezen verdachte zwaarder en wordt in principe aan derden geen informatie uit het strafdossier verstrekt. Dat laat zien dat strafrechtelijke gegevens niet zonder meer met derden, voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden, worden gedeeld, maar dat de privacybescherming van de verdachte nog altijd zwaar weegt. Die bescherming is echter niet meer absoluut. Hoewel ook deze oplossingen vragen en debat kunnen oproepen, lijkt zo een betere balans tussen de privacybelangen van de verdachte en andere, algemene zwaarwegende belangen te worden gevonden. C.M. Bitter Voorzitter sectie Strafrecht Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn Den Haag

49


JFAS borrel - 2 november 2010


Master the class

Op 14 t/m 16 april krijgen 24 toptalenten de kans zich uit te leven tijdens onze Masterclass. Ben je 3 e- of 4e jaars rechtenstudent? Wil je advocaat, fiscalist of notaris worden? En kun je een case meesterlijk oplossen? Meld je dan vóór 28 februari 2011 aan via werkenbijnautadutilh.nl.

advOcatEn • nOtarissEn • BElastingadvisEurs amsterdam Brussel londen luxemburg new York rotterdam

room for you


Nota Bene januari nr. 23