Page 1

NOTA BEN

Op weg naar de

toekomst

• Eerstejaarsspecial: Overleven op De Poort • Fred Teeven: een strenge pedagoog • Het rommelt in ons toekomstig ondernemingsrecht • De shariarechtbank in Nederland

nummer 26 oktober 2011 jaargang 18

• Ambitieuze studenten gaan betalen


Link up. Vind je het een spannende uitdaging om hechte relaties op te bouwen met gerenommeerde, internationale cliënten? Wil je de grenzen van je praktijkgebied verleggen naar een breed spectrum van sectoren? Heb je het talent, inzicht én de energie om de meest complexe transacties succesvol af te ronden? Link dan met Linklaters! Wij zijn een wereldwijd, toonaangevend kantoor met advocaten, notarissen en fiscalisten. We zijn altijd op zoek naar jong toptalent. Dus als jij carrière wilt maken in een open en toegankelijke omgeving, waarin pragmatisme en vernieuwend denken centraal staan, bekijk dan onze stagemogelijkheden en vacatures op www.linklatersgraduates.nl Delicious

Flickr

Twitter

Retweet

Facebook

MySpace

StumbleUpon

Digg

Slash Dot

Mixx

Skype

Technorati


Hoofdredactioneel

Onder het motto ‘sharing is caring’ reisde het JFAS bestuur af naar Groningen – door Jan Mulder ook wel geheel onterecht het ‘Toscane van Nederland’ genoemd. Besturen doe je niet alleen dachten wij, en in een poging elkaar beter te leren kennen namen wij onze intrede in een prachtige villa op Parc Emslandermeer. In het idyllische dorpje Vlagtwedde genoten wij drie dagen lang van de ‘Toscaanse’ zon, heerlijke Groningse likeuren en de delicatessen van de lokale snackbar. Tijdens dit weekend filosofeerden wij over wat de toekomst voor ons in petto zou hebben. Hoewel we ‘JFAS at the Park’ en ‘JFAS Open Air’ van het verlanglijstje hebben geschrapt, verheugden we ons op de altijd gezellige borrels in de Heeren van Aemstel, de eerstejaarsreis naar Berlijn, de Bachelorreis naar Praag en de Masterreis naar São Paulo en Rio de Janeiro. Ook de JFAS Alumnidag en de uitreiking van de allereerste almanak op 18 april, tijdens de 101ste verjaardag van de JFAS, deden ons al deugd.

Ons motto: ‘Sharing is caring’ Tijdens een eenzaam momentje dacht ik ook na over de toekomst van het recht, de studie en de samenleving. Economische crises, hoge griffierechten, langstudeerboetes. Door deze negatieve gedachten brak er lichtelijk paniek uit in mijn hoofd. Dan maar nadenken over mijn eigen toekomst. Deze ziet er rooskleurig uit. Het uitbrengen van vier mooie edities, de vele reizen, kantoorbezoeken, JFAS feestjes en vele andere activiteiten, genoeg om naar uit te kijken. En met alle kennis die ik door de jaren heen heb opgedaan, staat mij vast een mooie toekomst tegemoet, denk ik dan. Zeker is dat we als bestuur een mooie toekomst tegemoet gaan. Hoewel besturen soms letterlijk vallen en opstaan is, kunnen we elkaar vertrouwen. Wakker worden met rare tekeningen op je gezicht of de volgende dag concluderen dat er genante foto’s op Facebook zijn gezet, dat is ons vreemd. Met deze gedachten in mijn achterhoofd wist ik zeker dat het een fantastisch jaar zou gaan worden en nam de paniek in mijn hoofd weer af. En terwijl een ‘lustdief’ genoot van gebruikte laarzen uit een meststal ten behoeve van zijn seksuele bevrediging1 keerden wij uitgefilosofeerd, uitgepiekerd en uitgeput terug naar Amsterdam, waar ons de ‘zware edoch eervolle’ taak wacht: Het besturen van de JFAS. Namens ‘het bestuur dat alle andere besturen overbodig maakt’, Maartje Stabel Hoofdredacteur Nota Bene 2011-2012

Noot 1 ‘Boete voor diefstal boerenlaarzen voor seksuele kick’, Elsevier, 16 september 2011, http://www.elsevier.nl/ web/Nieuws/Nederland/316765/Boete-voor-diefstalboerenlaarzen-voor-seksuele-kick.htm.

3


8 p.11 p.19 p.23

p.

ACTUALITEIT

3

Hoofdredactioneel

6

Actualiteitenkalender en colofon

7

Van het oude bestuur Een terugblik op een mooi, spannend en leerzaam jaar

8

Even voorstellen... Het JFAS Bestuur 2011-2012

11

De illusie van de monoculturele samenleving Oratie Ernst Hirsch Ballin

OPINIE

19

Een toekomst voor de shariarechtbank? Column door Jaimy Lankman

20

Het rommelt in ons toekomstige ondernemingsrecht Van de kantoren

23

De Grondwet op de schop Naar Amerikaans model



4


inhoud

14 p.24 p.30 p.33

p.

RUBRIEKEN

22 Apple vs. Samsung De octrooioorlog

24

Interview met drs. Kathalijne M. Buitenweg Over studeren aan de UvA, het Europees Parlement en de toekomst

27

De langstudeerboete: wie ambitieus is, betaalt

46

Fotopagina Constitutieborrel

Eerstejaarsspecial

14

Overleven op de Oudemanhuispoort

17

Studenten hebben recht op hun kamer! Voorkom kamerleed

47

Fotopagina Eerstejaarsborrel

VERDIEPING

30

Staatssecretaris Fred Teeven: een strenge pedagoog

33

De tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf in Nederland

38

“Let op! Geld lenen kost geld� Regeling consumentenkredietovereenkomsten

42

Futuristische opsporingsmethoden Het gebruik van de leugendetector in de toekomst

5


Activiteitenkalender 3 november:

Masterclass met FNV over ‘overtuigend onderhandelen’

Colofon §De Nota Bene is een uitgave van de Juridische Faculteit der Amsterdamsche Studenten, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en verschijnt vier maal per jaar. Hoofdredactie Maartje Stabel Eindredactie Vincent de Haan Redactie Daan Barbiers Valeria Boshnakova Eline Botter Salima Guettache Bas Kentie

3 november:

JFAS borrel 28 november:

Debat over de legitimiteit van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met Thierry Baudet

Jaimy Lankman Stasja Olejniczak Veysi Tas Melle Timmers

Overige bijdrage Martin Olffen - De Brauw Blackstone Westbroek Jeroen Postma Dianora Rekveld Michael Verstraeten Adverteerders AKD advocaten en notarissen De Brauw Blackstone Westbroek Linklaters LLP Nysingh advocaten-notarissen N.V. Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn

1 december:

Sponsorexploitatie Jeroen Postma

JFAS borrel

Vormgeving Willem Don - willemdon.nl

22 december:

Drukkerij Grafiplan Nederland B.V. te Grootebroek

JFAS Kerstgala Extra informatie komt op www. jfas.com te staan. Aanmelden kan door een email te sturen naar extern@jfas.com.

JFAS Bestuur Jeroen Postma – Voorzitter voorzitter@jfas.com Evy Heldens – Vice-voorzitter vvz@jfas.com Jorn Kwakkelstein – Penningmeester penningmeester@jfas.com Brenda Stuart - Secretaris secretaris@jfas.com Mirjam Davelaar – Commissaris intern intern@jfas.com Joost ter Linden – Commissaris extern extern@jfas.com Maartje Stabel – Hoofdredacteur Nota Bene notabene@jfas.com Juridische Faculteit der Amsterdamsche Studenten Oudemanhuispoort 4 Kamer A2.04 1012 CN Amsterdam Tel: 020-5253441 Email: voorzitter@jfas.com Internet: www.jfas.com Met dank aan Alle bestuursleden en sponsoren die deze Nota Bene hebben gemaakt. De gepubliceerde artikelen in de Nota Bene vertegenwoordigen niet noodzakelijkerwijs de mening van de voltallige redactie. Reacties op artikelen worden met belangstelling tegemoet gezien op notabene@jfas. com. Wil je schrijven voor de Nota Bene? Mail dan naar notabene@jfas.com. Heb je de Nota Bene niet ontvangen of zijn je adresgegevens gewijzigd? Mail dan naar secretaris@jfas.com.

6


actualiteit

Een spannend en leerzaam jaar

O

p 28 mei 2010 werd het nieuwe bestuur van de JFAS bekend gemaakt. Na een aantal weken van spanning was het eindelijk duidelijk: ik mocht plaats nemen in het 100ste bestuur van de JFAS. Wat een eer en wat een verantwoordelijkheid! Een bestuursjaar, je leert er veel van en eigenlijk hoor je vaak dat het iets is wat je gedaan moet hebben. Dat je veel leert in een bestuursjaar staat vast. Ik denk dat ik ook namens mijn bestuursgenoten kan spreken wanneer ik zeg dat geen van ons had gedacht dat je er zoveel van zou leren. Natuurlijk leer je goed hoe je met een team iets neerzet, maar wat nog belangrijker is, is dat we allemaal erg veel over onszelf geleerd hebben en we zijn stuk voor stuk volwassener geworden. We hebben vrienden gemaakt en veel van ons zullen elkaar ook zeker blijven zien. In zo’n jaar leer je elkaar snel goed kennen. Na de bekendmaking gingen we met z’n allen vol enthousiasme aan de slag. Door de wekelijkse vergaderingen kwamen er steeds nieuwe plannen. De JFAS professioneler maken was ons voornaamste doel. Om ons volledig in te kunnen zetten voor de JFAS, hebben we allemaal een jaar lang de studie op een lager pitje gezet. De praktijk dichter bij de student brengen, dat is wat wij wilden bereiken. Daarnaast moest de JFAS de vereniging blijven waar de rechtenstudent van de UvA zich mee verbonden voelt en waar nieuwe vriendschappen ontstaan. Nu, alweer een jaar later kijk ik hier met een goed gevoel op terug. Het was in één woord een fantastisch jaar! Het bestuur van 2009-2010 heeft een inhoudelijk programma voor ons neergelegd dat wij hebben kunnen uitdiepen. Ik ben erg trots op alles wat we hebben gedaan, zoals de vele kantoorbezoeken en tentamentrainingen die wij georganiseerd hebben. Ook

de studiereizen naar Berlijn, Istanbul en Hongkong waren een groot succes. Met lezingen, workshops en uitstapjes naar onder andere de rechterlijke macht hebben we kunnen laten zien dat een studievereniging heel goed het sociale aspect met het inhoudelijke aspect kan combineren. Want laten we niet vergeten dat ook onze borrels en feesten dit jaar een groot succes waren!

‘De JFAS professioneler maken was ons voornaamste doel’ Hiervoor noemde ik het al eens: afgelopen jaar vierde de JFAS haar 100-jarig bestaan. Het moest een ontzettend groot feest worden, en dat was het absoluut. Ook de workshops, het symposium en als afsluiter het gala waren een groot succes. De activiteiten waren goed geregeld en ik denk dat door het lustrum de JFAS nog beter op de kaart is gezet. Rest mij nu alleen nog mijn bestuur te bedanken voor een fantastisch jaar en het nieuwe bestuur veel succes te wensen. Dankzij onze luxe positie hebben wij een leuke groep samengesteld waar we ontzettend veel vertrouwen in hebben! Groet, Dianora Rekveld Voorzitter JFAS 2010-2011

7


Even voorstellen...

V.l.n.r.: Joost ter Linden, Mirjam Davelaar, Jeroen Postma, Jorn Kwakkelstein, Brenda Stuart, Maartje Stabel, Evy Heldens.

weergeven waar onze bestuursleden zich in de toekomst mee zullen bezighouden.

V.l.n.r.: Joost ter Linden, Mirjam Davelaar, Jeroen Postma, Jorn Kwakkelstein, Brenda Stuart, Maartje Stabel, Evy Heldens.

Beste lezer,

H

et is mij een warm genoegen om aan u voor te stellen: het JFAS bestuur 2011-2012! Met deze groep van zeven enthousiaste studenten zullen wij proberen om ook dit jaar tot een succesvol jaar te maken. Na de fantastische viering van het 100-jarig bestaan, is het aan ons om de JFAS ook in een nieuwe eeuw te laten doorgroeien. Als eerste bestuur van een nieuwe eeuw rust op ons een grote verantwoordelijkheid om de JFAS te blijven vernieuwen en verdiepen, zodat zij ook ooit haar 200e verjaardag zal kunnen meemaken. Bij het schrijven van dit stuk zijn wij al ruim twee maanden bezig om een volgepakt jaar te kunnen presenteren, en tegen de tijd dat dit daadwerkelijk gelezen wordt hebben we zowel de boekenverkoop als de traditionele Berlijnreis reeds achter de rug. Dat betekent echter niet dat wij nu al op onze lauweren kunnen gaan rusten, integendeel. Er is nog genoeg te doen en om dat te illustreren, en ons te introduceren, zal ik hieronder

8

‘Na het fantastische lustrum, is het aan ons om de JFAS ook in een nieuwe eeuw door te laten groeien’


actualiteit Secretaris Onze secretaris Brenda Stuart, inmiddels beter bekend onder haar pseudoniem ‘Booksale Brennie’, heeft de afgelopen maanden keihard gewerkt om de boekenverkoop in goede banen te leiden. Dat deze voorbij is, betekent echter niet dat Brenda nu niets meer te doen heeft. De administratie van de boekenverkoop, het in orde brengen en houden van het ledenbestand, en het onvermijdelijke voorbereiden van de halfjaarlijkse boekenverkoop in januari zullen haar voornaamste bezigheden zijn de komende tijd. Daarnaast moet er uiteraard ook nog gestudeerd worden; het behalen van het bachelordiploma staat ook nog op de to-do list voor dit jaar. Kortom, je zult Brenda komend jaar veel op De Poort zien rondrennen, met een telefoon aan haar oor of te laat voor college. Penningmeester Ook penningmeester Jorn Kwakkelstein krijgt het de komende tijd heel erg druk. Net terug van een half jaar studeren in Engeland, is aan hem de schone taak opgedragen om de financiën van de JFAS in het oog te houden. Geen gemakkelijke taak, want naast het versturen van facturen en het betalen van rekeningen, betekent het penningmeester zijn vooral dat Jorn zijn medebestuursleden er telkens op zal moeten wijzen dat ook onze bankrekening eindig is, en dat voor niets de zon opgaat. Naast het letten op de portemonnee van de JFAS, wil Jorn ook nog een master Privaatrecht doen. Enige ambitie is hem niet vreemd, zoveel is duidelijk. Commissaris Extern Joost ter Linden is het komende jaar onze commissaris extern. Zo ongeveer alle activiteiten die de JFAS op inhoudelijk vlak organiseert, zullen uit zijn koker komen. Onder Joosts bezielende leiding organiseert de kantoorcommissie de inmiddels welbekende activiteiten. Denk aan kantoorbezoeken, (kroeg)lezingen, tentamentrainingen en sollicitatieworkshops. Daarnaast heeft Joost een aantal nieuwe ideeën, die hij in de toekomst graag bij JFAS verwezenlijkt ziet, en waarover later meer. Het wordt kortom een heel druk jaar, maar ook Joost heeft zijn studie niet uit het oog verloren, want na het behalen van zijn bachelordiploma eerder dit jaar, zal hij beginnen aan de master International Trade and Investment Law. Commissaris Intern Naast alle inhoudelijke activiteiten, hecht de JFAS ook groot belang aan haar sociale kant. Die kant wordt dit jaar vertegenwoordigd door Mirjam Davelaar, als commissaris intern. Komend jaar houdt zij zich bezig met het organiseren

van de maandelijkse borrel, het kerstgala en het eindfeest. Maar, en veel belangrijker wellicht, zij is ook verantwoordelijk voor het organiseren van de drie reizen die de JFAS elk jaar aanbiedt. Tegen de tijd dat dit stuk gelezen wordt is de Berlijnreis reeds vlekkeloos verlopen, en dat geeft natuurlijk veel vertrouwen voor de toekomst, zijnde de bachelor- en masterreis. Qua studie zit het ook wel goed bij Mirjam, zij is inmiddels meester in de rechten. Hoofdredacteur Nota Bene Het schitterende blad dat voor u ligt, komt natuurlijk ook niet zomaar uit de lucht vallen. Maartje Stabel is dit jaar onze hoofdredacteur. Het uitbrengen van de Nota Bene, en het leiden van de complete redactie, is natuurlijk al een gigantische taak, maar dat is niet alles waar Maartje zich mee bezighoudt. Ook de redactie van de website, en het bijhouden van de social media ligt op Maartje’s bord. We zouden haar dan ook kunnen omdopen tot mediacommissaris. Terwijl u dit leest, is Maartje alweer druk bezig met de toekomst, te weten de volgende editie van de Nota Bene, welke verschijnt in januari en het afronden van haar bachelor en master. Vice-voorzitter & Voorzitter Dan resten mij nog de functies van vice-voorzitter en voorzitter. Evy Heldens zal het komende jaar vice-voorzitter zijn, en ondergetekende zal de rol van voorzitter vervullen. Tezamen zullen wij de grote lijnen van het beleid uitzetten en in de gaten houden, en onderhouden we contact met partijen zoals sponsoren en de UvA. Evy zal zich daarbij ook nog bezighouden met de interne verhoudingen, wat zoveel betekent als het blussen van de onvermijdelijke interne brandjes. Naast dat alles zullen wij aanspreekpunt zijn voor iedereen die iets wil weten of nodig heeft van de JFAS. Er wordt ook nog gestudeerd: Evy is bezig haar master af te ronden. Voor ondergetekende is dat echter toekomstmuziek, ik zal dit jaar pas beginnen aan een master, en dit zal ongetwijfeld een meerjarenplan worden. Tot zover de introductie van het 101ste JFAS-bestuur. Ik hoop dat we een mooi jaar voor onze leden kunnen neerzetten. Voor tips, vragen en/of suggesties, schiet gerust een van ons aan in de hal bij de koffiecounter, of kom eens langs bij de JFAS-kamer op A2.04! Jeroen Postma Voorzitter JFAS 2011-2012

9


Het diepe in. Je kunt wachten tot je geduwd wordt, je kunt ook zelf een duik nemen. Door een studentstage bij De Brauw ervaar je de praktijk als volwaardig lid van het team. En je komt boven als een betere jurist. Studenten in het derde of vierde jaar kijken op werkenbijdebrauw.nl/studentstage.

BRAINS IN BUSINESS


actualiteit

De illusie van de monoculturele samenleving Inaugurele rede van dhr. prof. dr. E.M.H. Hirsch Ballin

Door Valeria Boshnakova en Bas Kentie

N

a een prachtige carrière als JFAS bestuurder en Minister van Justitie sprak Ernst Hirsch Ballin op vrijdag 9 september 2011, zijn inaugurele rede uit.1 Een jaar geleden verliet de CDA-politicus de politiek, omdat hij een gedoogakkoord met de PVV niet zag zitten. In februari werd Hirsch Ballin benoemd tot hoogleraar Staats- en Bestuursrecht, in het bijzonder Rechten van de Mens, aan de UvA. Hij zal zich specifiek bezighouden met de leerstukken rechtsstaat en democratie. Het betreft een deeltijdaanstelling, Hirsch Ballin zal het hoogleraarschap combineren met zijn leerstoel aan de Universiteit van Tilburg. Onder veel belangstelling van politici, studenten en docenten sneed hij tijdens zijn inaugurele rede in de aula het onderwerp burgerrechten aan. Burgerrechten kunnen gedefinieerd worden als de aan de staatsburgers toegekende gewaarborgde fundamentele rechten die hen in staat stellen actief en volledig aan het openbare leven van een staat deel te nemen. Dit in tegenstelling tot mensenrechten, die aan ieder persoon toekomen zonder onderscheid. Burgerrechten onderscheiden zich van de rechten van de mens, omdat deze rechten slechts aan staatsburgers toegekend worden en niet aan vreemdelingen. Hoewel burgerschap een mensenrecht is, kan men niet kiezen van welke staat men burger wil zijn. Burgerrechten lijken dan ook op gespannen voet te staan met begrippen als wereldburgerschap en universaliteit, waar mensenrechten een deel van zouden moeten uitmaken. Gaandeweg is het recht met betrekking tot het staatsburgerschap verder af komen te staan van de politieke inrichting van de mens en steeds is het in verband gebracht met het integratiebeleid. Staten die tot immigratie overgingen kenden staatsburgerschap toe aan immigranten, in tegenstelling tot staten die geen migranten wensten. Nederland heeft op dit punt een ontwikkeling doorgemaakt naar meer acceptatie van ingeburgerde vreemdelingen als Nederlanders, maar het beleid werd afgezwakt. Het uitoefenen van burgerrechten en de naleving van de daarbij samenhangende verplichtingen werd in een monocultureel perspectief geplaatst. Sporen daarvan zijn

te vinden in de gedachte dat integratie moet neerkomen op het aanvaarden van een nationale beleidcultuur, ook in het huidige kabinet. De door generalisatie onjuiste bewering dat de multiculturele samenleving ‘mislukt’ is, creëert valse tegenstellingen. De multiculturele samenleving is nooit probleemloos. De eenzijdige afkeur van de multiculturele samenleving wekt de indruk dat een monoculturele samenleving mogelijk én wenselijk is. Dit noemt Hirsch Ballin echter uitgesloten doordat Nederland een democratische rechtsstaat is en deze stelling slechts spanningen en frustraties voedt. Dat is het drama van de valse illusie van een monoculturele samenleving. Het is dan ook zinloos en verkeerd immigratie te beantwoorden met het afknijpen van burgerrechten. Burgerrechten zorgen voor het tegengaan van uitsluiting en het bevorderen van sociale cohesie.

Noten 1 De rede is terug te vinden in de oratiereeks van de Universiteit van Amsterdam, oratie 409.

11


Overleven op



12


De Poort

eer ste spe jaar cia s l

In een ver verleden bracht de JFAS de ‘Prop’ uit voor eerstejaarsstudenten. Hierin vond je alle informatie met betrekking tot de JFAS, de rechtenstudie en de Oudemanhuispoort. Omdat de tijden van introductieweekenden in Muiden, borrels in het Atrium café en vakaanmelding bij de onderwijsbalie voorbij zijn, lees je alles wat je moet weten om je eerste jaar te overleven in de Prop 2.0: De eerstejaarsspecial.

13


Overleven op de Oudemanhuispoort Door Maartje Stabel

D

e naam Oudemanhuispoort – door studenten kortweg ‘De Poort’ genoemd – verraadt het eigenlijk al: het gebouw diende vanaf 1602 als bejaardentehuis voor oude, arme mannen. In 1880 vestigde de Universiteit van Amsterdam zich op De Poort. Een prachtig stukje Amsterdam, waar je straks dagelijks te vinden bent. Toch kent het gebouw gebreken; tijdens de studie wordt duidelijk dat de rechtenfaculteit het ‘van de buitenkant’ moet hebben. De geur van de hal doet mij na vijf jaar nog steeds aan lijm denken. Kleine werkgroepzaaltjes, vieze toiletten, een tekort aan studieplekken, om maar een greep uit het leed van de Oudemanhuispoort te doen. Daarnaast vermoed ik – en velen met mij – dat het gebouw oorspronkelijk als doolhof werd gebouwd en pas in de laatste fase van de bouw de bestemming van bejaardentehuis kreeg. Je merkt het vanzelf als je straks vanuit C1.23 naar F0.01 moet lopen om vervolgens werkgroep in A2.14 te volgen. Dan hebben we het niet eens over Perron 17 of het G-gebouw. Desalniettemin heeft De Poort een charme die zij nooit zal verliezen. De eerste editie van de Nota Bene gaat terug naar haar roots: Lees alle tips en trucs om je wegwijs te maken op De Poort en de rechtenstudie te overleven. De Poort De weg vinden in de Oudemanhuispoort is niet simpel. Het gebouw kent een kelder en drie verdiepingen. Daarnaast zijn er verschillende gedeelten: Bouwdeel A, B, C, D, E, F en G. De indeling lijkt enigszins willekeurig, het is niet geheel duidelijk waar het ene bouwdeel eindigt en het andere begint of waarom. Probeer zo veel mogelijk de bordjes te volgen en kom in de eerste lesweken op tijd naar De Poort toe, want als je er eenmaal een keer bent geweest vind je het juiste lokaal wel weer terug. De hoorcolleges vinden doorgaans plaats in het D-gebouw. Daar bevinden zich vier grote hoorcollegezalen. Let op het academisch kwartiertje. Colleges die worden gehouden in de zalen D0.09 en D1.08 hebben dit wel, andere zalen niet. Wie goed zoekt, vindt de inkerving van zijn of haar ouders dan wel grootouders terug in deze collegebanken. De zalen zijn oud en de apparatuur is gebrekkig. Het zal regelmatig voorkomen dat er geen powerpointpresentatie getoond kan worden tijdens het college en ook de opnames van de colleges mislukken regelmatig. Sommige eerstejaars hebben het misschien al gemerkt; wie het eerst komt, wie het eerst maalt. Ook al ben je op tijd, als de collegezaal vol zit, wordt je de toegang geweigerd door de

14

‘De geur van de hal doet mij na vijf jaar nog steeds aan lijm denken’ bewaking. Ook in het tweede blok van het eerste semester kan dit zich voordoen, dus probeer in de eerste lesweek wat eerder naar college te gaan. Studeren Met een beetje geluk kun je één van de schamele studieplekken op de UvA bemachtigen. Op de Oudemanhuispoort bevindt zich de Juridische Bibliotheek. De bibliotheek biedt de mogelijkheid te studeren tussen verouderde en vergeelde boeken. Mede door de rust en uitzicht over het hofje van De Poort is het de ideale plek om te studeren. Er zijn echter wel weinig studieplekken en die zitten snel vol. Dan blijft er op De Poort nog de kelder over. Er zijn aparte kelders voor studieplekken en computers. Geen ideale setting; het gebrek aan zonlicht en frisse lucht leidt tot droge neuzen en bleke gezichten. Voordeel is wel dat je lekker vertrouwd op De Poort kunt studeren en er vrijwel altijd een plekje te bemachtigen is. Daarnaast is het vaak ook erg stil, wat de concentratie ten goede komt. Op werkdagen zijn alle bibliotheken en studiecentra geopend, maar in het weekend is het aantal studieplekken beperkt. In de weekenden studeer je in de Universiteitsbibliotheek (UB) aan de Singel. Maar kom op tijd naar de UB toe. En met op tijd bedoel ik een kwartier voor opening; de deuren gaat al voor tienen open en de UB zit om 10.15 vol. Heb je een computer


eer ste spe jaar cia s l nodig, dan is de kans vrij groot dat er in de middag zo’n vijftien wachtende voor je zijn. Ga je op werkdagen in de UB studeren, probeer dan ook de afdelingen Religiestudies & Klassieken en Archeologie, daar zijn ook enkele studieplekken en computers beschikbaar. Check wel even je kledingkast voordat je erheen gaat, want de kans dat je ‘overdressed’ in de UB zit is erg klein. Om wachtrijen in het studiecentrum in de UB te voorkomen, heeft de UvA bedacht om computers na twintig minuten inactiviteit te blokkeren. Het komt regelmatig voor dat medewerkers deze computers afsluiten en bijbehorend studiemateriaal verwijderd wordt. Zo kan een wachtende student plaats nemen aan de computer. Om dit te voorkomen heeft het geen zin meer om een boek op de spatietoets te leggen om inactiviteit van de computer te beletten. Medewerkers zijn zich bewust van deze truc. Op tijd terug zijn dus! Is er geen plaats meer in de UB, ga dan naar de Bushuisbibliotheek op de Kloveniersburgwal. Deze is op loopafstand van de Oudemanhuispoort te vinden. Het ‘Bushuis’ heeft verschillende verdiepingen met zowel computers als studieplekken. De kans dat je hier een plekje bemachtigt is groter dan in de UB, maar ook hier kan het snel vol zijn. Het zijn geen ideale studieruimtes; het is er erg lawaaierig, met name doordat de ruimtes en verdiepingen open zijn. Oordoppen zijn geen overbodige luxe – ook niet in de UB. Als je geen zin hebt om verrast en teleurgesteld aan te komen in de bibliotheek, check dan even diensten.uba.uva.nl/uba-mobiel/ pc-mob.php. Op deze site zie je precies welke studiecentra open zijn en hoeveel beschikbare pc’s er zijn. Deze dienst is ook te downloaden als applicatie voor je mobiele telefoon.

opnieuw gebruikt worden. Heb je deze vragen geoefend, dan is de kans groot dat je deze vragen goed beantwoordt. Kijk voor de slagingspercentages van de tentamens in de Alibi, het opinieblad voor de rechtenfaculteit van de UvA. Ondanks vele waarschuwingen van docenten en medestudenten zal het tijdens je studie voorkomen dat je vergeet om je aan te melden voor een tentamen. Toch belangrijk om dit even te herhalen. De inschrijving voor het tentamen opent vrij vroeg en sluit één week tot het tentamen. Aanmelding in de laatste week voor het tentamen kost je €40. Aanmelding geschiedt volgens het SiS-systeem. Ook voor de aanmelding van het onderwijs in het tweede semester gebruik je dit systeem. Ga bij opening van de inschrijving direct achter de computer zitten en wees niet verbaasd als je na een half uur geen plaats in een werkgroep kan bemachtigen.

‘De indeling lijkt enigszins willekeurig, het is niet geheel duidelijk waar het ene bouwdeel eindigt en het andere begint of waarom’

Tentamens De eerste tentamenweek staat alweer voor de deur en de kans is groot dat je naar het IWO moet afreizen om tentamens te maken. Het IWO bevindt zich bij het AMC; neem op tijd de metro en kijk van tevoren hoe je naar het gebouw moet lopen. Trek een dikke trui aan, want het is er erg koud. Onderschat de tentamens niet; vooral de overgang van middelbare school naar universiteit is lastig. In de eerste tentamenweek worden de deeltoetsen van Inleiding in de rechtswetenschap en Constitutioneel recht afgenomen. Voor Inleiding in de rechtswetenschap is het belangrijk alle literatuur te lezen; de multiplechoicevragen komen doorgaans letterlijk uit de tekst. Cruciaal is dan ook het maken van oefententamens, omdat oude tentamenvragen

15


Versnaperingen Studeren doe je niet op een lege maag en colleges volgen zonder koffie is haast onmogelijk. In de hal van De Poort koop je een kopje koffie en kun je de kleine trek stillen met een tussendoortje. Denk je de tweede helft van het college niet te kunnen overleven zonder bakkie troost, haast je dan naar de hal toe, want tijdens de pauze staan er enorm lange rijen. Voor een kopje gratis koffie of soep volg je de gele bordjes met daarop ‘koffie- en soepautomaat’ vanaf de rechteringang van de Oudemanhuispoort. Voor lekkere broodjes ga je natuurlijk naar Tony’s Corner toe. Een juweeltje verstopt in het Atrium van het Binnengasthuis. Voor drie euro heb je een heerlijke ‘pyramid’ met zalm, mozzarella of parmaham. Lunch je alleen, neem dan een Folia Magazine, het weekblad van de UvA en HvA, uit de hal mee. Probeer het Atrium in de avonduren te mijden, tenzij je zin hebt in een bord vol smakeloos eten. De pasta’s kunnen er over het algemeen wel mee door, maar na half zeven zijn deze meestal niet meer verkrijgbaar.

‘Denk je de tweede helft van het college niet te kunnen overleven zonder bakkie troost, haast je dan naar de hal toe’ In de omgeving van De Poort zijn er genoeg lekkere hapjes verkrijgbaar. Voor goede koffie ga je naar de Coffee Company. Voor lekkere, maar dure broodje loop je de Staalstraat in naar Sterk Staaltje. Lunchen rondom De Poort doe je bij Staalmeesters in de Staalstraat en De Jaren in de Nieuwe Doelenstraat. Ook kun je lekker lunchen en dineren bij Café ’t Gasthuys. Een aanrader is de cheeseburger; maar ook de andere gerechten zijn erg lekker en goedkoop. Studenten krijgen overigens 10% korting, ook op bier!

16

Naast de rechtenstudie Helaas maken veel studenten de verkeerde studiekeuze. Ook veel eerstejaars rechtenstudenten verlaten De Poort voortijdig. Bedenk dus goed of de rechtenstudie wel goed bij jou past. Voor alle eerstejaars die wel een goede keuze hebben gemaakt is het belangrijk om na te gaan hoe je jezelf kunt ontplooien tijdens de studie. In het derde jaar heb je de mogelijkheid om een minor te volgen buiten de rechtenfaculteit, bijvoorbeeld een minor Economie of Spaans. Hierdoor doe je kennis op buiten het vakgebied. Een half jaar studeren in het buitenland is een aanrader. Meestal ga je in het derde jaar van de studie weg. Begin daarom snel met de oriëntatie en inschrijving; deze moet bijtijds geregeld zijn. Om je kennis in de praktijk te brengen kun je een studentstage lopen bij een advocatenkantoor, studentassistent worden of gaan werken bij de Wetswinkel Amsterdam of de Strafrechtswinkel Amsterdam.

Ook door actief te worden binnen de JFAS geef je de rechtenstudie meer kleur. Naast het uitgeven van de Nota Bene organiseert de JFAS sociale en inhoudelijke activiteiten. Elke eerste donderdag van de maand vindt de JFAS-borrel plaats in De Heeren van Aemstel. In december organiseert de JFAS een kerstgala en het einde van het studiejaar wordt gevierd met een eindfeest. Ook gaan we driemaal per jaar op reis met onze leden. Een eerstejaarsreis naar Berlijn, een tweede- en derdejaarsreis naar een Europese bestemming en we gaan elk jaar op ‘masterreis’ naar een bestemming buiten Europa. Daarnaast organiseert de JFAS interessante inhoudelijke activiteiten, zoals bezoeken aan advocatenkantoren, juridische instanties en symposia. Deze activiteiten worden georganiseerd door de commissies van de JFAS. Commissieleden worden beloond met een commissieledendag. Mocht je interesse hebben om actief lid te worden, mail dan naar secretaris@jfas. com. Hopelijk zien we jullie tijdens een van onze activiteiten.


Studenten hebben recht op hun kamer!

E

indelijk is het zover, studeren! Na een heftige vakantie zoals in Oh Oh Cherso tentoongesteld toch maar gekozen voor rechten. Waarom niet? Nu nog een leuke kamer vinden voor weinig in het centrum. Misschien toch maar inschrijven op Kamernet.nl, want een kamer via via regelen wordt lastiger dan gedacht. De huurprijzen en onbekende locaties schieten over je beeldscherm en met Google Maps in de andere tab ben je op zoek naar je toekomstige thuis. Eindelijk zie je het: “Drie rustige en vriendelijke meisjes zijn op zoek naar een nieuw huisgenootje en vriendin. Voor 500 euro – dan toch maar bijlenen – heb je een eigen verdieping!” Na het kopen van credits stuur je de onbekende verhuurder een berichtje. De volgende dag krijg je bericht dat ze jou hebben uitgekozen en dat je vooraf een maand huur en borg moet overmaken. Blij en trots dat je helemaal op jezelf een kamer hebt kunnen regelen in het brutale Amsterdam, nodig je al je vrienden en vriendinnen uit om te borrelen. Na een week nog niets gehoord te hebben van de verhuurder begin je toch ongerust te worden, het opgegeven telefoonnummer is incorrect en het geld al overgemaakt. Het zal toch niet? De politie wordt overstroomd met aangiftes van de verhuur van nepkamers. Maar de politie kan (wil) hier eigenlijk niets aan doen, dit is namelijk een “civiele procedure”. Je hebt namelijk het geld zelf vrijwillig afgegeven en ondanks dat het dan oplichting is, weten ze dat het opsporen van de spookverhuurders veel tijd kost en weinig oplevert. Je wordt doorgestuurd naar een rechtsof wetwinkel die je belangen moet behartigen. Zij schrijven dan een ingebrekestelling welke aangetekend wordt verstuurd (kosten 7 euro) naar het spookadres van de verhuurder. Deze zal, nadat hij door de brievenbus is gegooid, landen op een stapel van nog meer ingebrekestellingen en deurwaardersbrieven. Na de “redelijke termijn” te hebben afgewacht zal je voor een keuze gesteld worden: A. Je dagvaardt de verhuurder voor een bedrag van ongeveer €280. B. Je laat de verhuurder er cocktails van drinken op vakantie. C. Je laat je verhuurder dagvaarden door een advocaat op toevoeging voor slecht €70. Nadat je je moeder als hulplijn hebt ingeschakeld zul je kiezen voor het enige juiste antwoord, antwoord C. Je speelt nu door voor 600 euro.

eer ste spe jaar cia s l

Deze advocaat vraagt bij de Raad voor Rechtsbijstand een zogenoemde “toevoeging” aan. Deze toevoeging is een bijdrage van de staat voor mensen die “minder vermogend” zijn en toch rechtshulp nodig hebben. Aan de levensstijl van de student is niet te zien dat hij tot deze categorie behoord, echter heeft hij wel een laag inkomen en leent zij maandelijks bij, waardoor zij vaak meer schulden heeft dan baten. Op deze manier hoeft de student slechts een kleine eigen bijdrage van 125 euro te betalen. En dat om een bedrag van 600 euro terug te vorderen. Deze advocaat kan conservatoir beslag leggen op het rekeningnummer waarnaar jij de maand huur en borg hebt overgemaakt. Dit houdt in dat de tegoeden op de rekening worden bevroren en gemakkelijk van de rekening afgehaald kunnen worden indien de rechter dit toewijst. Rechters hebben hun handen vol aan dit soort verhuur praktijken en zullen dit dus aan de lopende band toewijzen. Op deze wijze moet al het onrecht dat de student wordt aangedaan bestreden kunnen worden.

Het viel me op dat ik vaak benaderd werd door andere studenten: “Jij studeert toch rechten en werkt bij de Wetwinkel? Zou je mij dan misschien kunnen adviseren? Ik heb namelijk een brief ontvangen van mijn verhuurder die de huur opzegt en ik zit pas in de derde maand van mijn jaarcontract. Wat moet ik nu doen?” Het leek me een goed idee om voor alle studenten in Nederland een internetsite te creëren waarop alle huurrechtvragen in normaal Nederlands aan de studenten worden uitgelegd. Dit werd rechtopeenkamer.nl. Doordat studenten vaak in een benadeelde positie verkeren vanwege de woningnood en lage inkomsten, durven ze vaak niet op te komen tegen hun verhuurder. Met de juiste informatie kunnen ze zich nu echter wel wapenen tegen deze praktijken. Wat veel mensen niet weten is dat de huurders in Nederland zeer goed worden beschermd. Zo bestaat er niet zoiets als een jaarcontract dat vanzelf afloopt, maar dit dient door de verhuurder altijd opgezegd te worden op grond van een van de

17


wettelijke opzeggronden en met inachtneming van de wettelijke termijnen. Als je niet elke dag een feest geeft waardoor er overlast ontstaat of je maandelijks je huur te laat overmaakt zal je verhuurder niet aan deze opzeggronden kunnen voldoen. Het opnemen van all-in huurprijzen is verboden, als straf wordt de kale huurprijs van de kamer op 55% van je all-in huurprijs gesteld. Daarnaast zijn er maximale huurprijzen voor kamers. Je kunt na het tekenen van je contract je huurprijs laten toetsen en laten berekenen of jij niet teveel huur betaald. En nee, je oude huurprijs is niet bindend omdat je het contract getekend hebt of dit gewild hebt, deze kun je alsnog laten verlagen! Je verhuurder kan het huurcontract niet beĂŤindigen doordat jij de huur laat verlagen. Bekijk op de site het filmpje over hoe de maximale huurprijs wordt berekend. De informatie op de website is gratis toegankelijk voor iedereen, maar doordat elk juridisch probleem weer anders is leek het me nodig om studenten de mogelijkheid te bieden hierover met een jurist te praten. Daarom hebben we een juridische helpdesk opgericht waarnaar studenten vijf dagen per week kunnen bellen met alle huurrechtproblemen. Onze medewerkers kunnen adviseren en helpen met alle huurrechtkwesties. Tevens zijn we bezig met het opzetten van een netwerk van huurrechtadvocaten die op toevoeging werken; dit netwerk dient over enkele maanden ter beschikking gesteld te worden. Recht op een kamer is een initiatief van studenten voor studenten. Ons doel is om de rechten die in de wet zijn vastgelegd beter tot hun recht te laten komen. Dit willen we effectueren door de studenten goed te informeren over wat hun rechten zijn en ze daardoor hier ook gebruik van te laten maken. We zijn bezig om de internetsite steeds meer uit te breiden door middel van modelbrieven en door een huurprijscheck erop te installeren. Wij hopen dat veel studenten in hun woningen kunnen blijven na opzegging van de verhuurder, veel huurverhogingen kunnen tegengaan, ongewenst verhuurgedrag kunnen beĂŤindigen, gebreken in de woning kunnen laten herstellen en natuurlijk te veel betaalde huur kunnen laten terugstorten op hun rekeningen! Geef de informatie dus door aan al je niet juridisch geschoolde vrienden en vriendinnen die iets minder verstand hebben van de stoffige letter van de wet.

18

Enkele aandachtspunten bij het huren van een kamer: - Maak de borg en huur nooit over via een grenswisselkantoor-procedure, want de kans dat de verhuurder je wilt oplichten is dan erg groot. - Controleer of de sleutel die je ontvangen hebt, ook wel daadwerkelijk bij dat huis hoort. - Controleer of de buren en misschien nog huidige bewoner bekend zijn met de verhuurder. - Controleer bij de bank of het rekeningnummer correspondeert met de naam van de verhuurder. - Betaal alleen contant indien je hiervan een kwitantie ontvangt; anders kun je niet bewijzen dat je het geld al betaald hebt.

Michael Verstraeten Initiatiefnemer Recht op een kamer www.rechtopeenkamer.nl


opinie

Een toekomst voor de shariarechtbank? Door Jaimy Lankman

“W

e willen de derde en vierde generatie moslims helpen om van Engeland een thuisland te maken”. 1 Dit citaat komt van de Britse regering als je vraagt wat de gedachtegang is geweest om de shariarechtbank in het desbetreffende land in te voeren. Echter, had er niet verder moeten worden gekeken dan alleen maar naar het bovengenoemde argument? Mijns inziens wel degelijk, want deze ‘tweede’ rechtbank leidt tot meer nadelige effecten dan men in eerste instantie voor ogen heeft. Volgens de islamitische leer is de sharia, wat ‘islamitisch recht’ betekent, vastgelegd in de Koran. Het is een religieuze plichtenleer die het menselijk handelen bepaalt met betrekking tot religieuze en wereldse zaken. De rechtbank van de sharia oordeelt over private geschillen, waarbij het met name gaat om erfenis- en huwelijkskwesties, tussen natuurlijke personen van islamitische komaf op basis van het islamitische recht.2 Nu lijkt het alsof deze plichtenleer veel overeenkomsten vertoont met het Westerse recht, integendeel, het bevat veel tegenstrijdigheden met de burgerlijke vrijheden in de Nederlandse Grondwet. Enkele voorbeelden: De vrijheid van godsdienst, meningsuiting, gelijke behandeling van man en vrouw; alle vertonen een slechte verhouding met de sharia. De waarden van de beginselen die in de Grondwet verankerd zijn, moeten het begin en tevens het einde zijn van elk betoog. Dit betekent, met andere woorden, dat de rechten in ons land niet zomaar aan de kant kunnen worden geschoven.3 Minister Donner zegt in Vrij Nederland: “Als het merendeel van de Nederlanders de sharia zou willen invoeren, moet dat kunnen.”4 Daar heeft de heer Donner zeker een punt, want Nederland blijft een democratisch land. Wat de minister echter over het hoofd ziet, is dat een mening wél binnen de grenzen van de wet moet blijven. Daarnaast is Nederland een multiculturele samenleving die haar burgers de kans wil geven zoveel mogelijk het leven in te richten naar hun eigen zin. Toch is er in de geschiedenis bewezen dat we met erkenning van ieders eigenheid niet ver zijn gekomen. De burgeroorlog tussen de patriotten en Willem V in de jaren ’80 van de 18e eeuw kan hierbij als een goed voorbeeld worden beschouwd. Het is daarom van belang dat er bepaalde rechten en plichten ingevoerd worden die zorgen voor een vreedzame samenleving.5 Eén daarvan is dat er voor iedere Nederlander dezelfde rechtsregels gelden, ongeacht de afkomst. Wanneer deze regels niet bestaan, kunnen er grote conflicten ontstaan. Want hoe vind je rechtvaardigheid en gerechtigheid

in een samenleving met uiteenlopende normen en waarden en verschillende rechtssystemen? En welk rechtssysteem past men toe wanneer er een conflict is tussen een christen en een moslim? Door één rechtsstelsel toe te passen, ontstaat er eenheid en duidelijkheid binnen de Nederlandse samenleving. De burger mag in de kerk, moskee of op een kameel trouwen, maar eerst moet men toch echt het stadhuis bezoeken. Noten 1 Abul Taher, ‘ Revealed: UK’s first official sharia courts’ , The Sunday Times, 14 september 2008, http://www.ctwilcox. com/articles/ukshariacourts.pdf. 2 Worldlingo, http://www.worldlingo.com/ma/enwiki/nl/ Sharia 3 Abul Taher, ‘ Revealed: UK’s first official sharia courts’ , The Sunday Times, 14 september 2008, http://www. ctwilcox.com/articles/ukshariacourts.pdf. 4 Kim van Keken en Ron Meerhof, ‘Donner blijft bij omstreden uitspraak over sharia’ , Volkskrant, 18 Juni 2011, http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2686/Binnenland/article/ detail/2446559/2011/06/18/Donner-blijft-bij-omstredenuitspraak-om-sharia.dhtml. 5 Sue Reid, ‘As Islamic extremists declare Britain’s first Sharia law zone, the worrying social and moral implications’, Daily Mail, 29 juli 2011, http://www.dailymail.co.uk/ news/article-2020382/You-entering-Sharia-law-Britain-AsIslamic-extremists-declare-Sharia-law-zone-London-suburbworrying-social-moral-implications.html.

19


Wetgeving voor de bühne? Het rommelt in ons toekomstige ondernemingsrecht. Door Martin van Olffen Notaris Compagnon bij De Brauw Blackstone Westbroek

H

et rommelt in ons ondernemingsrecht. Met enige regelmaat verschijnt er een proefballon, een amendement of aanhangige wetgeving of een andersoortige publicatie die ons ondernemingsrecht doet rommelen. Een strategische visie over de opbouw van het ondernemingsrecht lijkt te ontbreken. De waan van de dag bepaalt de actualiteit en de actualiteit moet in wetgeving vertaald worden. Beloning van topbestuurders is een hot issue. Daar kun je mee scoren als politicus. Kamerleden Tang en Irrgang ruiken hun kans en lanceren bij het wetsvoorstel Bestuur en toezicht een amendement. De regeling komt er op neer dat bij de aankondiging door een vennootschap van een omvangrijke transactie de waarde van het bezit aan aandelen/opties van een bestuurder wordt bevroren en dat een latere meerwaarde van die aandelen/opties door de bestuurder aan de vennootschap moet worden vergoed. Het amendement wordt door de Tweede Kamer afgewezen, maar een week later bij een ander wetsvoorstel (Flex BV) aanvaard. De regeling is in de praktijk onuitvoerbaar. De geest is uit de fles, dus er moet iets anders voor deze regeling komen. Er wordt door de regering een ander wetsvoorstel ingediend, waarmee de regeling in het wetsvoorstel Bestuur en toezicht komt te vervallen. Irrgang accepteert dat niet en lanceert zijn oorspronkelijke amendement opnieuw maar inhoudelijk identiek bij het wetsvoorstel Invoeringswet Flex BV. De regering onderneemt als reactie daarop een poging om de door Irrgang voorgestelde regeling te verplaatsen naar een ander wetsvoorstel. Doorbreken van het old boys network is een ander dankbaar gespreksonderwerp. Kamerleden Tang en Irrgang lanceren alweer via een amendement een regeling die het aantal toezichthoudende functies bij grote vennootschappen en stichtingen moet beperken. Een persoon mag maximaal vijf toezichthoudende functies uitoefenen. De uitwerking van het amendement rammelt aan alle kanten en vergt een nieuw amendement om enigszins tegemoet te komen aan de beoogde strekking. De Eerste Kamer dreigt het wetsvoorstel bestuur en toezicht af te stemmen als geen handreiking wordt gedaan om charitatieve stichtingen aan de regeling te ontrekken. Die

20

handreiking wordt gedaan, de regeling zal geen toepassing vinden op stichtingen die niet jaarrekeningplichtig zijn. De wettelijke regeling van onze personenvennootschap (de maatschap, VOF en CV) is dringend aan renovatie toe. De huidige regeling dateert uit 1838, is nauwelijks leesbaar en zonder kennis nemen van vaak oude rechtspraak of handboeken niet te doorgronden. Een nieuwe wettelijke regeling wordt in 2002 aan de Tweede Kamer aangeboden die uiteindelijk in 2009 wordt aanvaard. Vanuit VNO-NCW en MKB Nederland komt aan het einde van wetgevingsproces opeens principiële kritiek. De nieuwe regeling is kostenverhogend voor ondernemers en leidt niet tot de gewenste vereenvoudiging van het ondernemingsrecht. Deze kritiek wordt bestreden, maar dat geluid lijkt niet te worden gehoord, althans er wordt niet naar geluisterd. De Eerste Kamer volgt de kritiek van VNO-NCW/ MKB Nederland. Minister Opstelten kondigde begin september aan voornemens te zijn het wetsvoorstel in te trekken. Hij lijkt daarmee ondernemend Nederland te paaien. De realiteit is dat ondernemers blijven steken in het moeras uit 1838 en eerder op kosten gejaagd zullen worden dan dat zij kosten kunnen besparen.

‘Beloning van topbestuurders is een hot issue. Daar kun je mee scoren als politicus’ Activistische aandeelhouders belaagden de afgelopen jaren grote Nederlandse beursfondsen. Denk aan Stork, ABN AMRO en ASMI. Zij ontvingen ieder een brief van aandeelhouders met wensen of eisen over wijzigingen in de strategie. Die brieven werden gevolgd door verdere acties en leidden allen tot procedures bij de Ondernemingskamer. ABN AMRO en Stork zijn nog een schaduw van het bedrijf van voor de acties.


opinie

Aandeelhouders kregen in het begin van het nieuwe decennium nieuwe rechten in Boek 2 BW en via de Corporate Governance Code en zij wisten daar goed gebruik van te maken. Er ligt nu een wetsvoorstel waarbij iedere aandeelhouder die 3 procent van de stemrechten/aandelen vertegenwoordigt een melding moet doen bij de AFM over het bezit en daarbij dan ook moet melden of hij al dan niet bezwaren heeft tegen de strategie van de onderneming. Verwacht wordt dat vele meldingen zullen aangeven tegen de strategie te zijn, teneinde te voorkomen dat een melding anderszins later tegen de aandeelhouder gebruikt kan worden. Dat zal een raar beeld geven van de verhouding tussen Nederlandse beursbedrijven met aandeelhouders. Diversiteit is een belangrijk thema. De wetgever pakt dat op. In het wetsvoorstel Bestuur en toezicht wordt een bepaling opgenomen die voorschrijft dat een bestuur en raad van commissarissen van een NV of BV voor ten minste 30 procent moet bestaan uit vrouwen en voor ten minste 30 procent uit mannen. Op niet naleving staat geen sanctie, althans geen andere dan een vermelding in het jaarverslag dat niet aan de regeling wordt voldaan. De regeling zal automatisch in 2016 komen te vervallen.

‘Nederland heeft een modern en efficiënt ondernemingsrecht hard nodig om haar internationale concurrentiepositie te handhaven. Daar ligt de uitdaging voor de toekomst’

Zo maar een paar voorbeelden van wetgeving die je niet of nauwelijks kunt begrijpen. De voorstellen en beslissingen zijn vooral politiek gedreven en dragen niet bij aan een systematische opbouw van een modern ondernemingsrecht. Een strategie op dat vlak lijkt bij regering en parlement te ontbreken. Nederland heeft een modern en efficiënt ondernemingsrecht hard nodig om haar internationale concurrentiepositie te handhaven. Daar ligt de uitdaging voor de toekomst.

21


Rubrieken

Apple vs. Samsung Door Eline Botter

D

at de ene mobiele telefoon de andere niet is, ziet iedereen. Dat een Samsung geen iPhone is vermoedelijk ook. Toch? Apple denkt hier anders over. Zij klaagden Samsung aan wegens ‘slaafse nabootsing’ en auteursrechtinbreuk. Op 24 augustus 2011 deed het Haagse gerechtshof hier uitspraak1 over. De hierop volgende media-aandacht was niet te missen. Krantenkoppen varieerden de volgende dag van ‘octrooioorlogje kost mobieltjes Samsung de kop’2 tot ‘smartphones Samsung verboden’3. Maar wat zegt het Hof nou eigenlijk in deze uitspraak?

Apple spande het kort geding jegens Samsung aan omdat het van mening is dat de Galaxy Tab 10.1 en diverse Galaxy smartphones exacte kopieën zijn van de iPad en iPhone van Apple. Daarnaast zou Samsung drie octrooien schenden, welke betrekking hebben op modelrechten en auteursrechten (die voor de liefhebber tot in detail beschreven staan in de uitspraak). In tegenstelling tot wat verscheidene media deden voorkomen, stelde de voorzieningsrechter Apple slechts op één punt in het gelijk. Samsung maakt inbreuk op een Europees octrooi, betreffende de wijze van scrollen in de fotogalerij. Om deze reden is vanaf 13 oktober de verkoop van de Galaxy smartphones verboden in Nederland. Een verbod waar Samsung met software-aanpassingen naar eigen zeggen echter makkelijk onderuit kan komen. De rechter besloot tevens dat zowel de telefoons als de tablet computers geen inbreuk maken op de beschermde ontwerpen van Apple en Samsung deze niet ‘slaafs nabootst’. Als belangrijk argument werd hierbij genoemd: dat het vanuit modelrechtelijk oogpunt een ongerechtvaardigd concurrentievoordeel voor een modelhouder met een modelrecht op een ‘minimalistisch’ ontwerp oplevert, simpelweg omdat die deze (toevallig) als eerst weet te registreren. Nauwelijks een verlies voor Samsung te noemen dus, misschien zelfs een overwinning. Daarbij is deze uitspraak natuurlijk een goed voorbeeld van het gebruik van het intellectueel eigendomsrecht in een hevige concurrentiestrijd. Dat de strijd tussen Apple en Samsung nog niet gestreden is bewijzen de overige rechtszaken wel. Waar de Nederlandse rechter het voorgaande over modelrechten besloot, ging de Duitse op 9 september hier tegen de verwachting geheel tegen

22

in. Na eerder een voorlopig importverbod op de Galaxy Tab 10.1 in heel Europa te hebben uitgevaardigd, oordeelde de rechtbank Düsseldorf dat Samsung met zijn tablet inbreuk maakt op modelrechten van Apple. Het Europese importverbod werd al snel grotendeels teruggedraaid wegens het ontbreken van jurisdictie over Samsung Korea (het moederbedrijf) in landen buiten Duitsland. Maar het Duitse importverbod blijft in stand en ondertussen is in Duitsland ook een voorlopig verbod voor de Galaxy Tab 7.7 uitgevaardigd. Samsung heeft laten weten in hoger beroep te gaan tegen deze Duitse uitspraak.

‘Dat de strijd tussen Apple en Samsung nog niet gestreden is bewijzen de overige rechtszaken wel’ Het gebrek aan consensus tussen de Duitse en Nederlandse rechter heeft verder geen gevolgen, al maakt dit wel duidelijk dat Europese rechters in principe geen rekening met elkaars uitspraken hoeven te houden. Misschien dat de rechter in hoger beroep hier toch wat mee doet. Tot die tijd is het afwachten of er in de toekomst nog andere (Europese) stappen zullen volgen van Samsung, dan wel Apple op deze markt. Naar verwachting allemaal te volgen in de media. Noten 1 Rechtbank Den Haag 24 augustus 2011, vonnis in kort geding, KG ZA 11-730. 2 ‘Octrooioorlogje kost mobieltjes Samsung de kop’, de Volkskrant, 25 augustus 2011. 3 ‘Verkoop Galaxy-smartphones verboden in Europa, alhoewel ....’, NOS journaal, 24 augustus 2011.


opinie

De Grondwet op de schop Door Stasja Olejniczak Begrijpen begint met weten Als jurist valt het bijna niet voor te stellen, maar veel leken begrijpen weinig van de Nederlandse Grondwet1. Als ik aan willekeurige mensen op straat vraag wat de Grondwet nu precies is, waar die voor dient en wat je ermee kunt doen, krijg ik antwoorden als: “Weet ik veel, de Grondwet is een wet die ervoor zorgt dat burgers zich aan de wet houden of zo, dat je niet mag doden en stelen, en je kunt naar een advocaat gaan om er iets mee te doen, die heeft daar verstand van.” Uit een dergelijk antwoord blijkt dat het onmogelijk is om te begrijpen, zonder eerst te weten. Niet-juristen denken soms dat in de Grondwet de tien geboden staan. Ze zijn zich er vaak niet van bewust dat in de Grondwet de fundamenten van de Nederlandse samenleving zijn vastgelegd. Ze weten niet wat er in de Grondwet staat. Velen hebben zelfs nog nooit één artikel uit de Grondwet gelezen. Op de schop ermee! De Grondwet staat in Nederland dus niet bepaald in het centrum van de belangstelling. Dat is aan de ene kant te begrijpen, aangezien leken de juridische taal ontberen. Aan de andere kant vind ik het frappant, want Amerikanen dreunen hun grondwet te pas en te onpas op. Dat komt doordat de Amerikaanse grondwet anders van vorm is. Deze wet heeft een welgevormde preambule, gevolgd door een kern van korte statements. Het is een enkelvoudig document dat sterk ideologisch geformuleerd is. De verklaring van het verschil tussen de Amerikaanse en de Nederlandse Grondwet valt te vinden in het feit dat onze Grondwet zich heel anders ontwikkeld heeft. Stapsgewijs hebben de artikelen zich gevormd tot het document dat nu de Grondwet heet. De Amerikaanse Grondwet werd in 1789 van kracht, er zijn sindsdien alleen nog enkele amendementen toegevoegd. Los van de vraag of Amerikanen de Grondwet werkelijk snappen, is het geen goed idee om onze Grondwet op de schop te nemen en er een document als dat van Amerika te maken? Een leesbare en eenvoudige wet, zodat men weet wat er werkelijk mee bedoeld wordt. Praktische bezwaren zorgen er helaas voor dat dit bijna onmogelijk is. Iedereen weet dat het veranderen van één artikel uit de Grondwet enorm veel tijd en geld kost, stel eens voor wat erbij komt kijken als de hele Grondwet veranderd wordt. Informeren en vertalen Er zijn natuurlijk ook andere manieren om mensen kennis te laten maken met de Grondwet. Begin al in het basisonderwijs

met kinderen te informeren. Zorg dat ze de wet leren lezen. Leer ze dat de Grondwet er is om burgers te beschermen. Er is laatst een leesbare versie van de Grondwet2 uitgebracht. Elk artikel is zo vertaald dat iedereen het kan begrijpen. Niemand die ik sprak was op de hoogte van het bestaan van dit boek. Dit kan komen door desinteresse of doordat de uitgave van dit boek onderbelicht gebleven is. De overheid moet ons kennis laten maken met de Grondwet zoals zij de burgers kennis liet maken met de Euro. De overheid zou iedereen deze “vertaling” van de Grondwet kunnen sturen.

‘Is het geen goed idee om onze Grondwet op te stellen als de Amerikaanse?’

Stof en populariseren Wat zal er van de Grondwet terechtkomen als er niks verandert? Deze wet dient om burgers te beschermen tegen de overheid, maar weinig mensen zijn daarvan op de hoogte. Als de Grondwet niet gepopulariseerd wordt, zal deze wet een oud stoffig karakter krijgen in de toekomst. Of houden... Noten 1 GRONDWET voor het Koninkrijk der Nederlanden van 24 augustus 1815. 2 K. Heij, De Grondwet in eenvoudig Nederlands, Den Haag: Sdu uitgevers, 2011.

23


Interview met drs. Kathalijne M. Door Valeria Boshnakova en Bas Kentie

K

athalijne Buitenweg is van 1999 tot en met 2009 lid geweest van het Europees Parlement als delegatieleider van de transnationale delegatie van GroenLinks en Groen! Ze zat daarnaast in het comité over burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken van het Europees Parlement. Daarnaast is zij actief geweest en blijft zij actief in verschillende internationale en Europese commissies. Zij studeerde Europese Studies en Amerikanistiek in Amsterdam, en is in het bezit van een propedeuse Geschiedenis. Nu werkt zij aan de UvA bij de sectie Europees Recht. Genoeg reden voor de redactie om haar wat vragen te stellen over haar studentenleven, het werk in het Europees Parlement en de toekomst. Hoe hebt u uw studentenjaren ervaren? Bent u het echte studentenleven ingedoken? Ik was geen typische student. Ik heb veel gewerkt naast mijn studie, onder andere vrijwilligerswerk en bij internationale jongerenorganisaties. Ik deed twee studies en dat deed ik dan ook serieus. Ik vond dat al die buitenactiviteiten ook niet voldoende gewaardeerd werden. Als ik bijvoorbeeld een onderwerp voor een scriptie wilde kiezen dan werd ik daarin beperkt, omdat er niemand was die dat onderwerp kon nakijken. Ik ben nu aan het kijken of de UvA mij gelukkiger kan maken dan toen. Toen was het meer iets dat gedaan moest worden, ik vond het niet erg maar heel spannend was het niet. U hebt vroeger gestudeerd aan de UvA, nu werkt u er. Is er iets veranderd aan de sfeer, de studenten, de werknemers, het beleid? Vroeger was ik weinig bezig met de UvA. Dat ligt voor een gedeelte ook aan mezelf. Ik vind het nu bijvoorbeeld heel irritant als studenten niet komen opdagen in werkgroepen, maar ik nam het vroeger zelf ook niet zo serieus. Ik werkte eerder tegen de UvA. Ik zag studeren meer als verplichting, ik moest het wel doen. Het studeren had zelf geen meerwaarde voor mij. De meerwaarde die ik vond dat een studie moest hebben, namelijk dat je ook gaat nadenken over dingen, en leert analyseren, die heb ik toen niet geleerd. Nu heb ik bedacht dat het komt doordat ik daar zelf niet genoeg in heb geïnvesteerd. Want juist voor dingen als analytisch denken moet je aanwezig

24

zijn en een heel proces doormaken en dat leer je niet door zomaar een boek te lezen. Ik ben bij de Europese Commissie stage gaan lopen, en ik ben daar denk ik aangenomen omdat ik al allerlei activiteiten had gedaan in Europa. Ook daarna, toen ik assistent werd van een Europarlementariër, waren het vooral mijn buitenactiviteiten die mij hebben geholpen en niet zozeer het feit dat ik Europese Studies had gestudeerd. Dat is echt heel belangrijk, omdat je dan initiatief laat zien en je leert je te verhouden tot anderen en problemen op te lossen. Het voordeel van een jongerenorganisatie boven studeren is dat het een eigen ruimte is van jongeren onderling. Ik hecht heel erg aan jongerenorganisaties. Dat zijn de scholen van burgerschap en de vaardigheden die je leert via samenwerking moeten echt gestimuleerd worden.

‘Ik ben een aanhanger van Slow Politics: eerst even ademhalen voordat je op de ander ingaat’ Had u vanaf uw VWO al Europese interesse? Hebt u altijd al gewild dat u zich later met de Europese Unie zou bezighouden? Nee, ik studeerde Amerikanistiek in de hoop naar Amerika te vertrekken en in de band van Prince te gaan spelen. Uiteindelijk heb ik het niet geprobeerd, maar waarschijnlijk speelde ik toch te slecht gitaar. U hebt geen rechten gestudeerd. Hebt u daar enige invloed van ondervonden bij het begrijpen van het Europese recht? Ik vind het zonde, maar ik heb geen grote invloed daarvan ondervonden. Nu heb ik wel spijt dat ik niet een andere studiekeuze gemaakt heb. Nu zou ik kiezen voor rechten en ethiek. Deze studies gaan net een laag dieper op rechtvaardigheid in. Inmiddels ben ik wel bijgeschoold geraakt door mijn werk. Maar volgens mij was het handiger geweest.


Rubrieken

Buitenweg Is een rechtenstudie tegenwoordig noodzakelijk voor een functie binnen het Europees Parlement? Het is zeker niet noodzakelijk, maar het hangt van je functie af. Je moet weten welke regels er gelden, maar het is ook belangrijk te weten waarom deze regels gelden. Dat leer je niet noodzakelijkerwijs bij de rechtenstudie. In het Europese debat zijn er verschillende lagen. Het gaat om regels, maar ook om de politiek en de media. Welke eigenschappen dient men te hebben voor een functie binnen het Europees Parlement? Het is goed om flexibel te zijn, om open te staan voor anderen. Het is voornamelijk belangrijk om te begrijpen wat de ander wil. Probeer jezelf te verplaatsen in de nationale realiteit van de ander. Er zijn veel verschillen tussen nationaliteiten, waardoor er verschillend tegen onderwerpen aan wordt gekeken. Ik ben een aanhanger van Slow Politics: eerst even ademhalen voordat je op de ander ingaat. U hebt geschreven over uiteenlopende onderwerpen zoals procedurele rechten, verdovende middelen, discriminatie en gelijkheid. Hebt u uw jaren bij het Europees Parlement als bijzonder druk ervaren of ligt de werkdruk op een normaal niveau? De werkdruk is groot! Er zit een verschil tussen werken in Straatsburg en werken in Brussel. In Brussel werkte ik normaal tot 20.00 uur, in Straatsburg werkte ik langer door. Er is genoeg te doen, ik ben me nooit gaan vervelen. Het is ook een sociale setting, dat anders is dan de Tweede Kamer. Je bent meer van elkaar afhankelijk, er is geen andere plek om op terug te vallen. U diende in april 2003 een verslag in over hervorming van VNverdragen inzake verdovende middelen. Ach ja, tragisch! Wat wilde u precies veranderen? In de VN conventie bestaan er verschillende categorieën verdovende middelen. Ik wilde cannabis naar een minder zware categorie overhevelen. Ik heb met één stem tegen verloren. Toch vind ik dat we hiermee echt iets bereikt hebben. Bijna de helft van het parlement stemde dus vóór! Wat voor doel had u voor ogen? Decriminalisering! Ik moedig het gebruik niet aan; cannabis is schadelijk. Maar ik denk dat een minder streng beleid

‘Ik studeerde Amerikanistiek in de hoop naar Amerika te vertrekken en in de band van Prince te gaan spelen’ decriminalisering tot gevolg heeft. Nederland lijkt onder druk te staan wegens het gedoogbeleid, maar dat heeft de regering aan zichzelf te danken. De Nederlandse regering vindt dat zij een perfect beleid omtrent drugs heeft ontwikkeld, en dit wil de regering graag in ieders gezicht wrijven. Andere landen hebben een minder zwaar beleid, terwijl ze daar ook gemoedelijker kunnen zijn omtrent drugs. Ook in andere landen is er methadonverschaffing, daar is Nederland niet uniek in! Indien Nederland zelf zou uitdragen waarom het dit beleid heeft zou het veel meer armslag krijgen. In plaats daarvan

25


zijn regeringen van plan, onder leiding van het CDA, om het drugsbeleid conservatiever te maken en ze gebruiken sterk Europa om te zeggen dat het moet, maar het hoeft helemaal niet en het is hun eigen keus. Denkt u dat het huidige beleid in de toekomst zal veranderen? Ik verwacht voorlopig nog geen versoepeling. De druk op Nederland vanuit Europa zal wel toenemen. In het verdrag van Lissabon is mede bepaald dat het Europees Parlement na invoering van het verdrag meer invloed zal krijgen. Heeft het Europees Parlement in werkelijkheid meer macht gekregen na de invoering van het Verdrag van Lissabon? Er zijn een aantal beleidsterreinen zoals immigratie en civiele bescherming, waar de gewone wetgevingsprocedure is ingevoerd. Dit werkt heel anders dan de Tweede Kamer, daar worden moties ingediend terwijl in het Europees Parlement onderhandeld wordt over wetteksten. Dit spel is geweldig, maar niet makkelijk. Er is in de EU een beleidskoers waar te nemen waarbij het Europees Parlement toegenomen macht heeft. Ik vind dit een goede ontwikkeling, maar we moeten wel letten op de belangen in het licht van de democratie. Een democratie die daarnaast niet levendig is. We zouden deze levendiger moeten maken door nationale parlementen meer te betrekken bij de samenstelling van het Europees Parlement. De Raad van Ministers is eigenlijk een vreemde eend waar veel achter gesloten deuren plaatsvindt. We zouden dit kunnen omvormen tot een doorzichtig parlement. Hoe ziet u de toekomst van Europa en het Europees Parlement voor zich in het licht van de schuldencrisis? Het is een lastig onderwerp dus erg moeilijk om daar een concreet antwoord op te geven. Ik maak me zorgen om de combinatie van deze tijden met de populistische stromingen. Aan het begin van de monetaire unie was het heel helder dat een monetaire unie niet kon zonder een politieke unie. We hebben op heel veel terreinen geen soevereiniteit meer en het irriteert me dan ook wanneer politici zeggen dat bepaalde hervormingen slecht zijn omdat we dan als land soevereiniteit verliezen. Laten we alsjeblieft ophouden met schijndebatten! U bent sinds 2010 werkzaam als universitair docent aan de UvA. In het verlengde hiervan werkt u als promovenda aan uw proefschrift. Waar richt uw onderzoek zich voornamelijk op? Niet meer als docent. Ik ben nu promovenda en heb andere klussen gekregen zoals in de adviesraad Internationale

26

vraagstukken en in de Mensenrechtencommissie. Alleen maar op de universiteit zitten is heel leuk, maar niet voor 100 procent. Mijn onderzoek gaat over de zoektocht van het Europees Parlement naar zijn autonome representatieve rol. Het onderzoek laat zien hoeveel deze is veranderd. Het hof in Duitsland heeft gezegd dat het Europees Parlement vooral een vertegenwoordiging van nationale delegaties is en ik wil laten zien dat ook als je de formele regels bekijkt het complexer is. Ook wil ik aantonen dat het Europees Parlement zelf een grote rol heeft gespeeld in het aanpassen van de constitutionele regels. Dat is raar want eigenlijk zijn de lidstaten de ‘masters of the treaty’. Op het moment dat het instituut zelf invloed heeft op het veranderen van de constitutionele regels dan is er in feite sprake van een constitutionalisering van Europa.

‘Er moet meer tijd zijn voor docenten om zich goed voor te bereiden.’ Wat is het leukste aan werken aan de UvA? De studenten en het praten over Europa. Ik vind het commentaar van studenten erg interessant om te horen. Juridische elementen met betrekking tot Europa worden door studenten soms heel anders uitgedacht. De papers vind ik ook interessant. Soms komen daar heel briljante dingen in voor en sommige papers zijn ook echt prut. Is je paper prut, dan ben ik wel flexibel (ik geef studenten meestal nog een kans), maar ik blijf wel strikt. Het is niet de bedoeling dat je enige tien bronnen van één internetsite afkomstig zijn. Wat is het vervelendst? Een hoorcollege van 09.00 tot 11.00 uur vind ik erg vervelend. Vroeg in de ochtend bestaat de collegezaal veelal uit ongemotiveerde, vermoeide studenten. In vergelijking met de avondcolleges: daar zijn de studenten erg enthousiast en energiek. Dit is een ontluisterend verschil. Ook geeft het onderzoek doen aan de UvA veel prestige, het lesgeven niet. Dat is jammer, want je hebt geen profijt van het excelleren in lesgeven. Er zou meer tijd moeten zijn voor docenten om zich goed voor te bereiden.


Rubrieken

De langstudeerboete: wie ambitieus is, betaalt Door Salima Guettache

T

erwijl iedereen zomervakantie viert, zit jij je scriptie te schrijven. Geen tijd meer voor stages, commissies of een jaartje bestuur. Aan het begin van de studententijd nog vol ambities, nu alleen nog maar stress. Stress om alles op tijd af te ronden. Want anders moet je betalen. Een jaar uitlopen na de bachelor- en masterfase is nog toegestaan, maar wie langer uitloopt, moet €3000,- per studiejaar betalen, en dat is exclusief het wettelijk vastgestelde collegegeldtarief. Het kabinet, dat de langstudeerboete als middel gebruikt om het studierendement te verhogen en de kenniseconomie te vergroten, ziet niet in dat deze maatregel studenten juist enorme beperkingen oplegt. De langstudeerboete brengt namelijk vervelende consequenties met zich mee voor studerend Nederland.

Deeltijd = voltijd? Vooral deeltijdstudenten zijn de dupe van de langstudeerboete. Deze studenten, die vaak een vaste baan hebben naast hun studie en daardoor weinig tijd hebben om te studeren, moeten hun deeltijdstudie plotseling binnen vier jaar afronden. Feitelijk gezien is dat even lang als in voltijd studeren. In plaats van aangemoedigd te worden om naast hun werk nog een studie te volgen, worden deze studenten nu gestraft voor hun ambities.

Strijd met rechtszekerheid Ten eerste krijgen studenten die al studeerden voordat deze plannen bekend waren, het zwaar. Zij hebben deze wet niet zien aankomen of kunnen zien aankomen. Zonder enige overgangsregeling wordt er nu van hen verwacht dat ze hun studie binnen de gegeven tijd afronden. Advocatenkantoor Stibbe zegt hierover dat het gebrek aan overgangsrecht zorgt voor een niet gerechtvaardigde inbreuk op toekomstverwachtingen van studenten.1 Dat de langstudeerboete in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel lijkt het kabinet niets uit te maken. Zij zijn gewoon van plan door te gaan met hetgeen zij ‘het studierendement verhogen’ noemen. Niet alleen het rechtszekerheidsbeginsel, maar ook het gelijkheidsbeginsel wordt aangetast. Een vervelend aspect van de langstudeerboete is namelijk dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende studenten die verschillende studies doen. Of je nu voltijd- of deeltijdstudent bent, het kabinet scheert alle studenten over één kam. Zo oordeelt Stibbe: “Studenten van alle soorten studies en hogere onderwijsinstellingen worden beschouwd als gelijke gevallen waar een gelijke behandeling tegenover staat. Maar gelet op de verschillende zwaartes en flexibiliteit van de diverse studies zijn deze studenten in verhouding tot elkaar ongelijke gevallen die geen gelijke behandeling rechtvaardigen.”2

‘Dat de langstudeerboete in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel lijkt het kabinet niets uit te maken’ 27


Wie ambitieus is, moet volgens de nieuwe regeling immers betalen. Dat de langstudeerboete niet zonder consequenties is, blijkt uit het feit dat er dit jaar 30% minder vooraanmeldingen van bachelor- en masteropleidingen in deeltijd waren aan de universiteiten. Op het HBO is dit aantal met 10% afgenomen.3 Het studierendement, dat verhoogd dient te worden, gaat zo alleen maar omlaag. Ook andere ambitieuze studenten krijgen het zwaar. Voor mensen die twee studies tegelijk doen, lijkt het onmogelijk om beide studies binnen maximaal vier jaar tijd af te ronden. Veel studenten zullen zich daardoor genoodzaakt voelen om zich vooral op één studie te richten of misschien zelfs te stoppen met een tweede studie. De langstudeerboete zal op die manier het aantal studenten dat meerdere studies volgt doen afnemen in plaats van toenemen. De kenniseconomie, die het kabinet zegt te willen vergroten, lijkt juist in te storten door de langstudeerboete. Studentenraad Ook onze facultaire studentenraad is tegen de overheidsplannen met betrekking tot het langstuderen. De leden van de studentenraad vinden de plannen oneerlijk en onredelijk tegenover studenten die al aan hun studie zijn begonnen voordat de kabinetsplannen bekend werden gemaakt. Het oneerlijke en onredelijke zit hem in het feit dat er geen overgangsregeling komt voor deze studenten. Maar de studentenraad maakt zich vooral grote zorgen om de deeltijdstudenten, die de studie feitelijk gezien even snel als voltijdstudenten moeten afronden. Daarom hoopt de raad – in tegenstelling tot het huidige kabinet – wel de belangen van deze studenten te kunnen behartigen. Zo zal de studentenraad verzachtende omstandigheden proberen te bepleiten bij de decaan, om het allemaal net even wat makkelijker te maken. Wellicht een extra tentamenkans, zodat studenten kunnen ontkomen aan een extra uitloopjaar en dus aan de boete van €3000,-. Het is alleen nog even afwachten voor de studentenraad hoeveel ruimte en vrijheid zij hebben om dergelijke maatregelen te kunnen treffen. Kabinet slaat plank mis Het kabinet heeft de plank volledig misgeslagen met de langstudeerboete die voor vergaande consequenties zal zorgen. Niet alleen zien we al minder vooraanmeldingen bij deeltijdstudies, maar ook zal het aantal studenten dat meerdere studies tegelijk doet, afnemen. Hoe deze gevolgen zouden moeten leiden tot een hoger studierendement en een sterkere kenniseconomie is dan ook voor iedereen een raadsel.

28

‘Dit jaar waren er 30% minder vooraanmeldingen van bachelor- en masteropleidingen in deeltijd aan de universiteiten’

Bovendien heeft de politiek met deze regeling studenten het recht op rechtszekerheid ontnomen en ook het gelijkheidsbeginsel geschonden. De politiek speelt een juridisch gevaarlijk spel. Noten 1 Tom Barkhuysen en Anna Collignon (Stibbe advocaten), Juridische analyse van het wetsvoorstel verhoging collegegeld langstudeerders, 4 april 2011, zie p. 12. http://www.iso.nl/ LinkClick.aspx?fileticket=Xn9YEliVPhI%3d. 2 Tom Barkhuysen en Anna Collignon (Stibbe advocaten), Juridische analyse van het wetsvoorstel verhoging collegegeld langstudeerders, Interstedelijk Studentenoverleg (ISO) 4 april 2011, zie p. 2-3, http://www.iso.nl/LinkClick.aspx?fileticket= Xn9YEliVPhI%3d. 3 ‘Een derde minder deeltijd studenten’, Een vandaag, 24 augustus 2011, http://www.eenvandaag.nl/binnenland/38486/ eenderde_minder_deeltijd_studenten.


de Verdieping ‘Zouden in de toekomst ’Teeven laat zien dat hij het gedachten strafbaar pedagogische aspect van het kunnen worden?’ jeugdstrafrecht erkent’ (p.42) (p.30) ‘Het overgrote deel van de Nederlandse politici miskent het Europese streven inzake de levenslange gevangenisstraf’(p.33)


Staatssecretaris Fred Teeven: Door Daan Barbiers

I

n een eerder dit jaar verzonden brief aan de Tweede Kamer kondigt Fred Teeven (staatssecretaris van Veiligheid & Justitie) ingrijpende wetgeving aan voor het strafrecht van adolescenten.1 Deze nieuwe wetgeving zal in het licht komen te staan van een samenhangende, consequente en stevige aanpak van risicojongeren. Hierbij moet volgens Teeven voornamelijk gedacht worden aan een flexibel adolescentenstrafrecht voor jongvolwassen van 16 tot 23 jaar en hier en daar een verharding van het bestaande jeugdstrafrecht. De brief is het startsein van de uitvoering van de afspraken die de VVD en het CDA hieromtrent hebben gemaakt met de PVV. 2 Daarmee zijn deze afspraken nu concreet geworden. Een discussie over de toekomst van adolescenten in het strafrecht lijkt te zijn losgebarsten. ‘In het belang van het kind’ Een afzonderlijk jeugdstrafrecht bestaat reeds sinds 1901 door de komst van de Kinderwetten.3 De wetgever achtte het wenselijk dat minderjarigen in het strafrecht anders dan volwassenen zouden worden behandeld. Deze nieuwe opstelling hield verband met het feit dat men specifieke doelstellingen begon toe te schrijven aan het strafrecht voor minderjarigen. Minderjarigen zouden in vergelijking met volwassenen geschikter zijn voor een meer pedagogisch en minder punitief strafrecht, omdat zij nog niet uitontwikkeld zijn en omdat zij gezien deze onvolledige ontwikkeling minder verantwoordelijkheid dragen voor hun gedrag en de consequenties daarvan.4 Het jeugdstrafrecht diende ingericht te worden naar het vaak gebezigde ‘belang van het kind’.5 Deze zinsnede verwees in algemene termen naar de pedagogische kant van het jeugdstrafrecht, maar de precieze inhoud zou altijd omstreden blijven. Bijzonder hoogleraar jeugdrechtspleging Ido Weijers merkt in dit verband op dat het van belang is dat de minderjarige op weg naar verantwoordelijkheid moet worden geholpen door hem te confronteren met de gevolgen van zijn gedrag. Communicatie met slachtoffers – direct of indirect – vindt Weijers essentieel. Verder moet hij zoveel mogelijk goed maken van wat hij heeft aangericht.6 Ook kenmerkte het jeugdstrafrecht zich door zijn beschermende karakter. Vooral in het procesrecht kwam dit tot uitdrukking. Zo kennen we tot op de dag van vandaag de artikelen 495b en 496 Sv: in principe vindt de zitting plaats achter gesloten deuren en de ouders of voogd van de verdachte zijn nauw betrokken bij de berechting.

30

Na de invoering van het afzonderlijke jeugdstrafrecht heeft dit beschermingsbeginsel tot ver in de 20e eeuw een belangrijke rol gespeeld bij de overwegingen van de wetgever. In 1922 werd bijvoorbeeld de kinderrechter ingesteld die vanaf dat moment in een driehoeksoverleg met de Officier van Justitie en de Raad voor de Kinderbescherming zou vergaderen en beslissen over vervolgingsstappen.7 Een aantal decennia later in 1965 werden de bevoegdheden van deze rechter flink uitgebreid door hem van meer mogelijkheden te voorzien bij het opleggen van sancties.8 Reden voor de focus op de kinderrechter binnen het jeugdstrafrecht was dat hij vanwege zijn meest omvattende positie daarin het beste zou kunnen inschatten wat ‘in het belang van het kind’ zou zijn.9 Deze reeds eerder genoemde hoofdgedachte werd in de paternalistische jaren ’50 en begin jaren ’60, hoewel in een ander jasje, ook ter legitimatie van bepaalde dwangpraktijken ingezet: ‘dwang om bestwil’. 5 Dezelfde wet uit 1965 zorgde conform het populaire beschermingsbeginsel voor een grotere rol van de Raad voor de Kinderbescherming. Zij kreeg een duidelijk adviserende en toelichtende taak. De decennia na de herziening van 1965 kenmerkten zich door een sterke opkomst van de juridiseringsbeweging. Deze vernieuwde kijk op het strafrecht heeft het jeugdstrafrecht niet ongemoeid gelaten. Voorman van deze beweging A.A.G. Peters zag de eigenlijke functie van het strafrecht niet zozeer in ordening, controle, problemen oplossen en misdaadbestrijding, maar in het normeren van deze oppervlakkige functies met behulp van waarden en beginselen. Daarbij wordt in deze beweging met name waarde gehecht aan het normeren van de rechtsbescherming van de verdachte tegenover de overheid.10 De wens ontstond om onder invloed van dit rechtsbeschermingbeginsel en de toegenomen jeugdige mondigheid11 de rechtspositie van de minderjarige verdachte te versterken. In 1922 en 1965 was zij juist


verdieping

een strenge pedagoog afgezwakt, omdat destijds het eerder genoemde paternalistische beschermingsbeginsel hoogtij vierde. Bovendien kwamen de brede en verstrekkende bevoegdheden van de kinderrechter door (inter)nationale jurisprudentie over artikel 6 lid 1 EVRM aangaande onpartijdige rechtspraak onder druk te staan. 12 De wetgever reageerde uiteindelijk in 1995: het driehoeksoverleg werd afgeschaft met als gevolg een hersteld vervolgingsmonopolie van het OM, de minderjarige kreeg in overeenstemming met het volwassenenstrafrecht een bezwaarrecht tegen vervolging en sindsdien kan de minderjarige ongeacht zijn leeftijd onafhankelijk van zijn raadsman beroep in stellen.13 Het plan van Teeven Over het algemeen kunnen we vaststellen dat de wetgever in het verleden voortdurend het pedagogische doel van het jeugdstrafrecht heeft erkend en haar beleid voornamelijk daarop heeft afgestemd. De wijze waarop vervolgens met de rechtspositie van de minderjarige zou moeten worden omgegaan heeft in de loop der tijd verschild. Aan de ene kant heeft het paternalistische beschermingsbeginsel invloed gehad, maar ook het rechtsbeschermingbeginsel heeft zich laten gelden. Hoe dienen we het toekomstidee van Teeven nu te interpreteren? Staat zij in het teken van een pedagogische aanpak van het jeugdstrafrecht, of breekt zij met traditie? Wordt zij strenger van aard? En is zij in overeenstemming met de juridiseringsgedachte, of grijpt zij juist weer terug naar het bevoogdende beschermingsbeginsel? Een belangrijke voorgenomen wijziging is het verruimen van het toepassingsbereik van het jeugdstrafrecht op meerderjarigen via artikel 77c Sr. De rechter zal ook bij de wat oudere jongvolwassenen – 21 tot 23 jaar – in plaats van het reguliere volwassenenstrafrecht voor het pedagogische jeugdstrafrecht kunnen kiezen. Niet alleen vindt deze aanpassing steun in de Tweede Kamer, óók lijkt zij in vruchtbare aarde te vallen binnen de academische wereld. Dit laatste lag in de lijn van verwachting, omdat het idee daar is ontwikkeld.14 Teeven laat zien dat hij het pedagogische aspect van het jeugdstrafrecht en de behoefte van jongvolwassenen daaraan erkent. Daarnaast kiest Teeven voor een zogenaamde ‘strafdienstplicht’: “Voor een zinvolle en effectieve aanpak van risicojongeren wordt gezocht naar een combinatie van straf, verwijdering van de straat, uitvoering van opgedragen werkzaamheden en heropvoeding vanuit het verblijf thuis en op school.”15 De

’Teeven laat zien dat hij het pedagogische aspect van het jeugdstrafrecht en de behoefte van jongvolwassenen daaraan erkent’

31


zelfstandige rechtspositie van de jonge crimineel lijkt hier niet centraal te staan. Deze stevige aanpak doet eerder denken aan een verhard beschermingsbeginsel; een beschermend systeem is van belang, maar vrijblijvend is dit niet. In tegenstelling tot de zonet genoemde verruiming van het toepassingsbereik van het jeugdstrafrecht stuit dit beleid op stevige kritiek. In een artikel in het NRC Handelsblad valt een groep hoogleraren deze keuze van Teeven aan met het argument dat eerdere vergelijkbare strafdienstplichtsystemen een mislukking waren.16

‘De verzwaring is voor de bühne en niet gebaseerd op feiten, aldus de hoogleraren’ In hetzelfde artikel wordt de verhoging van het punitieve gehalte van het jeugdstrafrecht bestreden. Het jeugdstrafrecht wordt inderdaad meer punitief doordat het maximum aantal jaren jeugddetentie voor 16 en 17 jarigen – voorheen twee jaar – met twee jaar zal worden verhoogd en de rechter bij zware delicten bovenop een gegeven taakstraf een verplichte additionele hoofdstraf zal moeten geven. De critici zien echter geen aanleiding voor deze aanpassingen. Zij nemen juist een daling van de jeugdcriminaliteit waar. Bovendien achten zij zwaarder straffen zinloos, omdat volgens hen onderzoek steeds aantoont dat dit eerder negatieve dan positieve effecten heeft. De verzwaring is voor de bühne en niet gebaseerd op feiten, aldus de hoogleraren. Uit de brief van Teeven blijkt dat een conceptwetsvoorstel nu aanhangig is bij de gebruikelijke adviesorganen. De plannen van Teeven liggen dus zeker nog niet vast, maar de richting die gekozen wordt, is duidelijk. Teeven zet de historische lijn van het pedagogische aspect voort, maar legt tegelijkertijd sterker de nadruk op de punitieve kant. Het karakter van de strafuitvoering lijkt daarbij meer beschermend van aard te worden. Het plan heeft vele nog niet genoemde specifieke onderdelen, die stuk voor stuk op hun merites moeten worden beoordeeld. Ondertussen wachten wij de toekomst van het jeugdstrafrecht af.

32

Noten 1  ‘Adolescentenstrafrecht’, Rijksoverheid, 24 juni 2011, http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/ persberichten/2011/06/25/strenger-straffen-risicojongeren. html. 2  ‘Gedoogakkoord VVD-PVV-CDA’, Rijksoverheid, 30 september 2010, http://www.rijksoverheid.nl/documentenen-publicaties/rapporten/2010/09/30/gedoogakkoord-vvdpvv-cda.html, p11. 3 Kinderwetten: 12 februari 1901 (Stb. 63). 4 G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2007, p. 822. 5 C. Kelk, Studieboek Materieel Strafrecht, Deventer: Kluwer 2010, p.507. 6 I. Weijers, ‘ Confronteer jeugdige dader met de gevolgen’, NRC Handelsblad, 10 maart 2005. 7 Wet van 5 juli 1921 houdende invoering van den kinderrechter en van de ondertoezichtstelling van minderjarigen (Stb.834). 8 Wet van 9 november 1961 tot herziening van het kinderstrafrecht en het kinderstrafprocesrecht (Stb. 402). 9 Rapport Commissie Overwater, Den Haag: Staatsdrukkerijen Uitgeverijbedrijf, 1951, p. 14. 10 C. Kelk, Studieboek Materieel Strafrecht, Deventer: Kluwer 2010, p.35-36. 11 Rapport Commissie Anneveldt, Den Haag: Staatsuitgeverij 1982, p.14-15. 12 HR 13 november 1990, NJ 1991, 219, m.nt. ThWvW; EHRM 24 mei 1989, NJ 1990, 627 (Hauschildt/Denemarken). 13 Wet van 7 juli 1994 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en andere wetten in verband met de herziening van het strafrecht voor jeugdigen (Stb. 528). 14 Oratie Th. Doreleijers, 8 mei 2009. Opgenomen in: Th. Doreleijers, J. ten Voorde en M. Moerings, Strafrecht en forensische psychiatrie voor 16- tot 23 jarigen, Den Haag: Boom Lemma uitgevers 2010. 15 Kamerstukken II 2010/2011, 32 417, nr. 14. 16 I. Weijers, M. Bruning, Th. Doreleijers, G. de Jonge, Gênant: minderjarigen harder straffen, NRC Handelsblad, 13 juli 2011.


verdieping

Worden met de huidige tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf in Nederland de beginselen van ons strafklimaat miskend? Door Melle Timmers

D

e levenslange gevangenisstraf is in de 19e eeuw door Tweede Kamerlid De Brauw omschreven als ‘eene pijniging, die den mensch kan verlagen tot het peil van het redelooze dier, omdat alle hoop in de toekomst wordt ontnomen. (…) Sluit gij iemand levenslang op, gij brengt een wanhopige in de gevangenis, zoo er voor hem geen uitkomst hoegenaamd is, en dat is de pijniging zoo niet van het ligchaam, dan toch, veel erger, van de ziel.’1

Het Nederlandse strafklimaat wordt sinds de codificatie van het Wetboek van Strafrecht in 1886 gekenmerkt door een lange traditie van mildheid en acceptatie, waardoor ‘een cultuur van tolerantie’ is ontstaan.2 Het strafstelsel was gebaseerd op de ‘zedelijke verbetering’ van de wetsovertreder.3 De invoering van de levenslange gevangenisstraf verliep niet zonder slag of stoot, doordat de straf als een zeer zware sanctie werd gezien en niet in het Nederlandse strafstelsel zou passen. De levenslange gevangenisstraf zou een ‘zedelijke verbetering’ niet bewerkstelligen, omdat langdurige detentie van negatieve invloed is op het vermogen van een veroordeelde om terug te kunnen keren in de maatschappij. Bepaald werd dat de straf slechts in zeer uitzonderlijke gevallen opgelegd kon worden. Het recht op gratie bleef bestaan, waardoor ook de behandeling van levenslang gestraften gericht was op resocialisatie en hierdoor in lijn was met het strafstelsel.4 Vanaf de jaren ’80 van de vorige eeuw is echter een verzakelijking van het Nederlandse strafklimaat ontstaan.5 Zo is de lengte van gevangenisstraffen toegenomen en wordt het gevangenisregime steeds meer versoberd.6 Ook ten aanzien van de levenslange gevangenisstraf kan een dergelijke ontwikkeling worden waargenomen.7 Het aantal veroordelingen tot de levenslange gevangenisstraf is de laatste decennia explosief gestegen en er is voor tot levenslang veroordeelden nauwelijks perspectief op vrijlating. Dit heeft tot gevolg dat de tenuitvoerlegging van de levenslange

gevangenisstraf in Nederland op gespannen voet staat met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.8

‘Van een actief beleid gericht op resocialisatie van levenslang gestraften is geen sprake’ Levenslang is levenslang De levenslange gevangenisstraf is in Nederland gecodificeerd in art. 10 van het Wetboek van Strafrecht. Opmerkelijk is dat dit artikel door de leek verkeerd kan worden opgevat; art 10 lid 1 Sr geeft aan dat ‘de gevangenisstraf levenslang of tijdelijk’ is. In lid 4 is neergelegd dat ‘zij in geen geval de tijd van dertig jaar te boven kan gaan’. Hiermee wordt ten onrechte de indruk gewekt dat ‘zij’ betrekking heeft op de levenslange gevangenisstraf. Er is echter slechts sprake van een verwijzing naar de tijdelijke gevangenisstraf; de levenslange gevangenisstraf wordt niet verder toegelicht. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Engeland, waar de levenslange gevangenisstraf bij bepaalde misdrijven verplicht dient te worden opgelegd door de rechter, heeft de Nederlandse rechter in beginsel een vrije keuze voor het al dan niet opleggen van de levenslange gevangenisstraf. Bij achttien verschillende misdrijven kan de rechter een keuze maken tussen het opleggen van de levenslange gevangenisstraf, dan wel het opleggen van een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste dertig jaar (art. 10 lid 3 Sr).9 Tot 1 februari 2006 bedroeg de tijdelijke gevangenisstraf

33


ten hoogste twintig jaar; in de praktijk had art. 15 Sr tot gevolg dat de maximale tijdelijke straf dertien jaar en vier maanden bedroeg. Dit werd als te kort ervaren, waardoor het wettelijke maximum werd verhoogd naar dertig jaar, wat in de praktijk neerkomt op maximaal twintig jaar tijdelijke gevangenisstraf.10 Tevens wordt hierdoor de kloof tussen de levenslange en de tijdelijke gevangenisstraf verkleind.

‘Het overgrote deel van de Nederlandse politici miskent het Europese streven inzake de levenslange gevangenisstraf’ Op grond van het resocialisatiebeginsel en door middel van het gratierecht heeft de oplegging van een levenslange gevangenisstraf aan een persoon niet automatisch tot gevolg dat hij zijn hele leven in detentie door dient te brengen. Er dient een afweging gemaakt te worden tussen het resocialisatiebeginsel en beveiliging van de samenleving, waarbij laatstgenoemde doel veelal als gewichtiger wordt aangemerkt.11 Na de Tweede Wereldoorlog stond een humane detentie hoog in het vaandel. Tevens werd er zorg voor gedragen dat gedetineerden werden voorbereid op hun terugkeer in de samenleving, door hun contact met de buitenwereld te vergroten.12 Vastgesteld kan worden dat de lijn ingezet na de Tweede Wereldoorlog de afgelopen decennia niet is gecontinueerd. Van 1945 tot 2000 zijn 25 personen onherroepelijk tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld, sinds 2000 is deze straf al 35 keer opgelegd.13 Van een actief beleid gericht op resocialisatie van levenslang gestraften is geen sprake. Er heeft niet alleen een stagnatie van de ontwikkeling tot een humane tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf plaatsgevonden, ook is de politieke opvatting over het perspectief van levenslang gestraften gewijzigd. Tegenwoordig is het algemene standpunt dat van een (voorbereiding op) terugkeer in de samenleving voor deze groep gedetineerden geen sprake kan zijn.14

34

Wanneer het resocialisatiebeginsel bij langgestraften ondergesneeuwd raakt doordat vooral oog is voor beveiliging van de samenleving, komt de vraag aan de orde hoe het gesteld is met het gratierecht in Nederland. Onder invloed van een politieke verschuiving is de afgelopen decennia steeds minder sprake geweest van een consistent gratiebeleid. Minister van Justitie Dries van Agt was in 1972 van mening dat wanneer levenslang gestraften tot hun dood in detentie doorbrengen, dit onverenigbaar is met de beginselen van onze strafrechtstoepassing. Het verschil in tijdsbeeld komt treffend naar voren wanneer we het standpunt van Van Agt vergelijken met het standpunt van Minister van Justitie Donner in 2003. Hij was van mening dat er geen sprake is van een gratiebeleid ten aanzien van levenslange gestraften en dat levenslang voor de rest van het leven is.15 Andere politici bevestigen het standpunt van Donner. Zo heeft toenmalig staatssecretaris van Justitie Albayrak in 2008 de hoop op resocialisatie van levenslang gestraften de kop ingedrukt: ‘Dat verblijf is uiteraard niet gericht op terugkeer in de samenleving.’16 Ook binnen de rechterlijke macht raakt men doordrongen van het karakter van de levenslange gevangenisstraf. Zo overwoog het Hof Arnhem in zijn uitspraak van 28 juni 2006: ‘De ernst van het feit brengt het hof tot een keuze tussen een maximale tijdelijke gevangenisstraf en een levenslange gevangenisstraf. Bij die keuze neemt het hof in aanmerking dat naar de huidige stand van de regelgeving en het beleid een levenslange gevangenisstraf ook daadwerkelijk volledig ten uitvoer gelegd wordt.’17 Het overgrote deel van de Nederlandse politici miskent met het ingenomen standpunt over de levenslange gevangenisstraf het Europese streven. In 2003 is door het Comité van Ministers verwezen naar de Resolutie uit 1976.18 Punt 15 van deze resolutie geeft aan dat de verdragssluitende lidstaten trachten in de samenleving begrip te kweken voor de bijzondere rechtspositie van levenslang gestraften en de daarbij behorende problematiek. Doel is ‘een sociaal klimaat te creëren dat hun reclassering bevordert’.19 De vraag is of de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf in Nederland in strijd is met het EVRM. Allereerst is art. 3 EVRM van belang. In dit artikel is neergelegd dat ‘niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen’. Het doet voorkomen dat dit artikel aan verdragspartijen slechts de negatieve verplichting oplegt zich te onthouden


verdieping

van het mensonwaardig behandelen van individuen binnen de jurisdictie van de betreffende staat. Wanneer slechts sprake zou zijn van deze verplichting, zijn staten niet verplicht tot het doen van effectief onderzoek naar vermeende wreedheden die kunnen leiden tot de vervolging en bestraffing van degenen die zich hieraan hebben bezondigd. Ook zou, wanneer slechts sprake is van een negatieve verplichting, het zijn toegestaan aan particuliere rechtspersonen om zich niet te conformeren aan de plichten die zijn neergelegd in art. 3 EVRM. Om dit tegen te gaan schuilt in het artikel ook een positieve verplichting: verdragsstaten hebben de plicht om een effectief onderzoek in te stellen naar beschuldigingen van onmenselijke behandelingen en bestraffingen, welk onderzoek kan leiden tot de identificatie en bestraffing van die personen verantwoordelijk voor de wantoestanden, door middel van het nemen van effectieve maatregelen door de staat.20 Voor het beantwoorden van de vraag naar schending van art. 3 EVRM, dient te worden beoordeeld of een bepaalde mate van lijden is bereikt bij de behandeling dan wel bestraffing. Wanneer inderdaad sprake is geweest van een bepaalde mate van lijden, dient het Hof te bekijken of in casu sprake is van foltering, een onmenselijke of vernederende behandeling dan wel bestraffing.21 De term ‘foltering’ is toepasbaar op de meest ernstige vormen van schending van art. 3 EVRM. Van een ‘onmenselijke behandeling’ is sprake bij intens fysiek en geestelijk lijden. Bij ‘vernedering’ wordt de nadruk gelegd op de intentie ‘to humiliate and debase’ en het effect op de persoonlijkheid van het slachtoffer.22 In de loop der jaren hebben tal van uitspraken verder vorm gegeven aan de inkleuring van art. 3 EVRM.

Artikel 3 EVRM Het oordeel naar de vraag of art. 3 EVRM is geschonden hangt af van bijzonderheden van het individuele geval. Als dergelijke bijzonderheden worden aangemerkt de duur die door de levenslang gestrafte al in detentie is doorgebracht, de mate van recidivegevaar en de mate van beveiligingsoverwegingen bij het opleggen van de straf. Ook kan het in casu niet verlenen van passende medische zorg, dan wel een erbarmelijke staat van de detentiefaciliteiten ertoe leiden dat een levenslange gevangenisstraf in strijd is met art. 3 EVRM.24 Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn in Nederland niet aan de orde. Schending van art. 3 EVRM kan tevens worden aangenomen als een levenslange gevangenisstraf als ‘irreducible’ wordt aangemerkt.25 Hiervan is sprake als perspectief op terugkeer in de samenleving volledig ontbreekt voor een tot levenslang veroordeelde.26 Gebleken is dat schending van art. 3 EVRM niet snel wordt aangenomen door het Europese Hof. Met betrekking tot het perspectief op vrijlating, kan slechts voortzetting van de detentie bij een geheel reële verwachting op vervroegde vrijlating leiden tot schending van art. 3 EVRM.27 Wordt art. 5 lid 4 EVRM geschonden als een wettelijke periodieke toetsing van de gronden voor een levenslange gevangenisstraf ontbreekt? In het Nederlandse strafrecht kan binnen het doel van de straf een vergeldend en een beveiligend element worden onderscheiden. Aan een veroordeelde kan een levenslange gevangenisstraf worden opgelegd, omdat hij een dergelijk groot gevaar is voor de samenleving en het uit het oogpunt van beveiliging van de samenleving derhalve noodzakelijk is dat hij hierin niet terugkeert. De grote kans op recidivegevaar is dan een grond voor het opleggen van een levenslange gevangenisstraf.

Naast art. 3 EVRM richten de klachten ingediend bij het Hof op grond van schending van het EVRM bij een levenslange gevangenisstraf zich vooral op art. 5 lid 1 en lid 4 EVRM, veelal in combinatie met art. 3 EVRM. Art. 5 lid 1 EVRM gaat in op de persoonlijke vrijheid en veiligheid, zo worden in sub a t/m f de voorwaarden voor een rechtmatige detentie behandeld. Van belang is dat de detentie in overeenstemming met de nationale wet dient te zijn: op deze wijze wordt tegen willekeur beschermd.23 In art. 5 lid 4 is het recht op toetsing van de rechtmatigheid van de detentie neergelegd. Wat is de houding van het Europese Hof ten opzichte van vermeende schendingen van het EVRM die uit verschillende arresten naar voren komt?

35


Door tijdsverloop kan het recidivegevaar afnemen, waardoor de gronden van de straf ‘susceptible to change’ zijn.28 Art. 5 lid 4 EVRM waarborgt aan een levenslang gestrafte het recht om voorziening te vragen bij het gerecht over de rechtmatigheid van zijn detentie. Nergens wordt echter gerept over een recht op periodieke toetsing, noch komt het recht hierop naar voren uit Europese rechtspraak. Wel verdient het vanuit menselijk oogpunt aanbeveling een recht op periodieke toetsing opnieuw in te voeren, om zo de levenslang gestrafte meer perspectief op vrijlating te bieden. Een aantal juristen heeft zich verdiept in de vraag welke wijzigingen in de toekomst dienen plaats te vinden, om de rechtspositie van levenslang veroordeelden te verbeteren.

‘De rechtspraktijk ten aanzien van de levenslange gevangenisstraf in Nederland is in strijd met het EVRM’

36

Verbetering rechtspositie Zo pleit Kwakman voor het invoeren van de mogelijkheid op vervroegde invrijheidstelling bij de levenslange gevangenisstraf: ‘Dat maakt immers maatwerk mogelijk door voorwaarden aan de invrijheidstelling te koppelen die enerzijds zo precies mogelijk zijn toegesneden op de persoon van de dader, maar die ook recht doen aan de behoefte van de samenleving haar diepste afkeuring tot uitdrukking te brengen.’29 Op deze manier staat de levenslange gevangenisstraf meer in het teken van resocialisatie van de veroordeelde. Kruit is van mening dat een periodieke onafhankelijke toets dient te worden ingevoerd, zodat aan de veroordeelde toekomstperspectief kan worden geboden.30 Ook zou verlof ‘een integrerend onderdeel moeten zijn van de tenuitvoerlegging van de straf.’31 Volgens Hamer en De Bont dient na een minimum detentieperiode van tenminste twintig jaar de tot levenslang veroordeelde in vrijheid te worden gesteld, tenzij sprake is van recidivegevaar. Met de bovengenoemde minimum detentieperiode wordt voorkomen wordt dat een kortere straf wordt uitgezeten dan in het geval dat de maximale tijdelijke gevangenisstraf zou zijn opgelegd, die effectief maximaal 20 jaar bedraagt. Als de gedetineerde niet in vrijheid wordt gesteld, vindt, naar het model van de TBS, iedere twee jaar een periodieke toetsing plaats naar de mate van recidivegevaar. De voorgestelde regeling zou tot gevolg hebben dat de levenslange gevangenisstraf alleen in de meest ernstige gevallen verder ten uitvoer wordt gelegd en dat de gestrafte dan niet meer levenslang wordt vergeten. Wanneer de levenslange gevangenisstraf toch zijn huidige vorm behoudt, moet naar de mening van Hamer en De Bont niet de Kroon, maar de rechter te beslissen over de vraag of er nog voldoende gronden zijn voor tenuitvoerlegging van de detentie. De minister kan immers over gratieverlening worden aangesproken door de Tweede Kamer, waardoor hij gemakkelijker te beïnvloeden is dan de rechter.32 De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming benadrukt het belang van perspectief op terugkeer in de samenleving voor levenslang gestraften. Een tot levenslang veroordeelde kan een ontwikkeling doormaken waardoor het delictgevaar afneemt. Volgens de Raad ‘lijkt het waarschijnlijk dat zo’n positieve ontwikkeling wordt gestimuleerd door het bestaan van perspectief op mogelijke vrijlating.’33 Om het perspectief op terugkeer in de samenleving te vergroten voor levenslang gestraften, pleit de Raad voor de invoering van een periodieke herbeoordeling van de noodzaak tot voortzetting van de detentie. Immers ‘kan de strafopleggende rechter de


verdieping

toekomstige ontwikkeling van de veroordeelde slechts tot op zekere hoogte overzien.’34 De Raad geeft de voorkeur aan een eerste toetsing na vijftien jaar met periodiek heronderzoek in de periode daarna. Bij de toetsing na vijftien jaar kan de straf op jaren worden gesteld. In het resterende gedeelte van zijn straf kan de veroordeelde worden voorbereid op zijn terugkeer in de samenleving. Volgens de Raad wordt geen afbreuk gedaan aan het feit dat in dit geval de maximale tijdelijke gevangenisstraf langer kan zijn dan de levenslange gevangenisstraf, omdat het ontbreken van een vaste einddatum vde detentie van levenslang gestraften aanmerkelijk zwaarder maakt.35 Elzinga en Van Hattum pleiten voor de invoering van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor levenslang gestraften, om zo de resocialisatiekansen van levenslang gestraften te vergroten en hen meer rechtspositionele waarborgen te bieden. De voorgestelde voorwaardelijke invrijheidstelling moet als een wijze van tenuitvoerlegging van het vonnis worden gezien en niet zozeer als een inbreuk op het vonnis, zoals het geval is bij de gratieverlening. De voorwaardelijke invrijheidstelling vindt namelijk van rechtswege plaats, in tegenstelling tot de gratieverlening, die geen recht maar een gunst is.36 Naar een nieuw strafstelsel? De rechtspraktijk ten aanzien van de levenslange gevangenisstraf in Nederland is niet in strijd is met het EVRM. Het huidige standpunt van het Europese Hof om een bepaalde mate van vrijheid toe te kennen bij het implementeren van rechtsregels ten aanzien van de levenslange gevangenisstraf, is echter geen excuus om een levenslang gestrafte perspectief op terugkeer in de samenleving te onthouden. Naar mijn mening verdient het de voorkeur de huidige gratieprocedure te schrappen en voor levenslang gestraften in de toekomst de mogelijkheid tot voorwaardelijke invrijheidstelling te creëren. Op deze wijze wordt aan de tot levenslang veroordeelde perspectief op terugkeer in de maatschappij geboden en leidt deze in detentie een menswaardig bestaan. Ook is het rechtskarakter van de levenslange gevangenisstraf dan meer in lijn met ons omringende landen. Tenslotte wordt dreiging van schending van het EVRM voorkomen.

Noten 1 Hand. II 1869/70, p. 1485, in: F. Bleichrodt, Een leven lang: De levenslange gevangenisstraf en de long stay in het kader van de terbeschikkingstelling in onderlinge samenhang bezien, Deventer: Kluwer 2006, p. 1. 2 J. Muncie & R. Sparks, Imprisonment: European Perspectives, Hertfordshire: Harvester Wheatsleaf 1991, p. 97. 3 J.M. ten Voorde, ‘Het ontstaan en de ontwikkeling van de levenslange gevangenisstraf in Nederland’, Sancties 2003, pp. 270-283, zie p. 271-272. 4 J. Muncie & R. Sparks, Imprisonment: European Perspectives, Hertfordshire: Harvester Wheatsleaf 1991, p. 121. 5 R.W. Jongman, ‘Over macht en onmacht van de vrijheidsstraf’, in: D.H. de Jong, J.L. van der Neut & J.J.J. Tulkens (red.), De vrijheidsstraf: bundel opstellen ter gelegenheid van de eeuwherdenking op 15 april 1986 te Groningen van de invoering van het Wetboek van Strafrecht en de eerste Beginselenwet van het gevangeniswezen, Arnhem: Gouda Quint 1986, pp.37-56, zie p. 39. 6 S. van Wingerden & P. Nieuwberta, ‘Ontwikkelingen in de lengte van gevangenisstraffen voor moord en doodslag: een trend naar langere straffen’, Trema 2006, p. 329-337, zie p. 336. 7 J.C.M. Leijten, ‘Het Nederlandse strafrecht in 2050 een utopie?’, DD 2006, pp. 777-782, zie p. 781. 8 C.W. Noorduyn, ‘Levenslang, gratie en art. 5 lid 4 EVRM’, Strafblad 2007, pp. 217-225, zie p. 225. 9 C.P.M. Cleiren & J.F. Nijboer (red.), Tekst & Commentaar, Kluwer 2008, p. 27. 10 W.F. van Hattum, ‘De levenslange gevangenisstraf en de toevalsfactor’, DD 2006, pp. 755-776, zie p. 761. 11 HR 8 juli 2008, NJ 2008, 429, beoordeling van het derde middel, r.o. 3.2. 12 N. Morris & D. Rothman, The Oxford History of the Prison, New York: Oxford University Press 1995, p. 220. 13 Stichting Forum Levenslang, Factsheet. Feitelijke gegevens over de levenslange gevangenisstraf, Groningen: 2010, p. 3 en p. 21. 14 A.A. Franken, ‘Zuinigheid troef’, DD 2009, pp. 777-792, zie p. 782. 15 C.W. Noorduyn, ‘Levenslang, gratie en art. 5 lid 4 EVRM’, Strafblad 2007, pp. 217-225, zie p. 219. 1 6   h t t p : / / w w w. r s j . n l / a c t u e e l / n i e u w s b e r i c h t e n / C o n g r e s n i e u w s . aspx?cp=60&cs=15850, p. 4. 17 Hof Arnhem 28 juni 2006, LJN AX9524. 18 Resolutie van het Comité van Ministers (76) 2, 17 februari 1976. 19 W.F. van Hattum, ‘Perspectief op verandering’, Sancties 2007, pp. 19-31, zie p. 24. 20 U. Erdal & H. Bakirci, Article 3 of the European Convention on Human Rights, Geneva: OMTC 2006, p. 213. 21 J. Murdoch, The treatment of prisoners: European standards, Strasbourg: Council of Europe Publishing 2006, p. 116. 22 M. Janis, R. Kay & A. Bradley, European Human Rights Law, text and materials, Oxford: Oxford University Press, 2008, p. 181. 23 EHRM 11 april 2006, no. 19324/02, r.o. 90. 24 HR 16 juni 2009, LJN BF3741, conclusie A-G Knigge, r.o. 8.26. 25 HR 16 juni 2009, LJN BF3741, beoordeling van het middel, r.o. 2.8. 26 HR 16 juni 2009, LJN BF3741, conclusie A-G Knigge, r.o. 7.4.3. 27 EHRM 12 februari 2008, no. 21906/04, NJ 2009, 90, m. nt. Schalken, r.o. 105. 28 HR 16 juni 2009, LJN BF3741, conclusie A-G Knigge, r.o. 7.3.4. 29 N.J.M. Kwakman, ‘Het rationele van de straf, Levenslang: een offer aan de rede of aan de emotie?’, DD 2007, pp. 865-876, zie p. 875. 30 I.E. Kruit, ‘Levenslange gevangenisstraf’, NJB 2006, p. 1900. 31 W.F. van Hattum, ‘Perspectief op verandering’, Sancties 2007, pp. 19-31, zie p. 24. 32 G. Hamer & T. de Bont, ‘Levenslang getoetst’, NJB 2005, pp. 2254-2259, zie p. 2258. 33 Levenslang, Perspectief op verandering, advies RSJ van 1 december 2006, p. 12. 34 Levenslang, Perspectief op verandering, advies RSJ van 1 december 2006, p. 14. 35 Levenslang, Perspectief op verandering, advies RSJ van 1 december 2006, p. 16. 36 H. Elzinga & W.F. van Hattum, ‘Het wetsontwerp voorwaardelijke invrijheidsstelling en de levenslange gevangenisstraf’, NJB 2006, pp. 1302-1307, zie p. 1305 en p. 1306.

37


“Let op! Geld lenen kost geld’’ Door Veysi Tas

O

p 17 januari 2011 werden kredietverstrekkers door TROS Radar in een kwaad daglicht geplaatst. In de uitzending Rood staan is duur werd onder meer gesteld dat de meeste banken in hun relatie tot de consument transparantie lijken te mijden. Op het punt van informatieverstrekking inzake de inhoud van de kredietovereenkomst – in het bijzonder wat betreft de debetrentevoet – plegen kredietverstrekkers als ABN AMRO en ING hun informatieverplichtingen te verwaarlozen.1 In vergelijkbare zin heeft ombudsman Nol Monster van het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid) een uiterst kritisch oordeel uitgesproken over de wijze waarop kredietverstrekkers variabele-rente aanpassingen benaderen. Monster acht de totstandkoming van de overeenkomst geldig; de invulling van de bank toekomende beleidsvrijheid oordeelt de ombudsman echter onredelijk. Nu de bank tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichting jegens de consumentkredietnemer, is zij gehouden tot het vergoeden van de schade van haar wederpartij. Het rapport benadrukt de cruciale rol van de verplichting tot het verstrekken van precontractuele informatie bij de totstandkoming van de overeenkomst.2 Daarbij kan gedacht worden aan een in de kredietovereenkomst opgenomen aflossingstabel. De kredietverstrekker voorziet hier lang niet altijd in. Ook placht deze bij de berekening

van de rente uit te gaan van de verschuldigde rente over het oorspronkelijk verstrekte kredietkapitaal, terwijl rekening moet worden gehouden met het ‘’rente op rente effect’’. Daarnaast worden de nevendiensten die voor het afsluiten van een consumentenkrediet vereist zijn, dikwijls bij het aangaan van de kredietovereenkomst niet aan de consument medegedeeld. Het vocabulaire van de duivel schiet tekort om het ongemak waarmee kredietnemers te maken kunnen krijgen, in woorden te vatten. De wijzigingswet De zojuist omschreven twee gevallen hebben zich voorgedaan op een tijdstip vóór de inwerkingtreding van de Wijzigingswet Burgerlijk Wetboek Boek 7, die zijn grondslag vindt in Richtlijn nr. 2008/48/EG van de Europese Unie.3 De wet is van relatief recente datum, en het verdient aandacht om nader te bezien wat ons in het vooruitzicht is gesteld met de invoering van een nieuw Titel 7.2A Burgerlijk Wetboek, getiteld: Consumentenkredietovereenkomsten. Boven vermelde richtlijn streeft met name twee doelen na. In de eerste plaats wil de richtlijn de rechtseenheid onder de lidstaten bevorderen met betrekking tot consumentenkrediet.

‘Het vocabulaire van de duivel schiet tekort om het ongemak waarmee kredietnemers te maken kunnen krijgen, in woorden te vatten’

38


verdieping

Deze ontwikkeling zal de werking van de interne markt gunstig beïnvloeden.4 Ten tweede beoogt de richtlijn de consument te beschermen bij het sluiten van kredietovereenkomsten die oneerlijke kredietvoorwaarden bevatten. De harmonisatie van algemene voorwaarden met betrekking tot het consumentenkrediet is eveneens een prioriteit.5 Nu de desbetreffende wet de bepalingen, de volgorde en de indeling van de geïmplementeerde richtlijn zoveel mogelijk op de letter volgt, komen de uitgangspunten nadrukkelijk tot uiting. Titel 7.2A bevat regels omtrent de relatie tussen de aanbieder van krediet en de consument. Wordt de plaatsing van de nieuwe titel in ogenschouw genomen, dan valt de vindplaats in Boek 7 eenvoudig te verklaren. De consumentenkredietovereenkomst kan gezien worden als een bijzondere overeenkomst. De gelaagde structuur van ons BW brengt aldus met zich mee dat regels van contractenrecht uit de Boeken 3 en 6 van toepassing zijn, mits zij niet strijden met titel 7.2A. Afdeling 1 regelt het toepassingsgebied. De hierin neergelegde definitiebepalingen zijn exclusief van toepassing op het consumentenkrediet. Vervolgens ziet afdeling 2 op de inhoud van de te sluiten kredietovereenkomst en op de vraag of al dan niet sprake is van een oneerlijke handelspraktijk. In aanvulling op afdeling 6.3.3a BW – die een consument beschermt tegen oneerlijke of misleidende praktijken – komt afdeling 2 van de nieuwe titel de consument tegemoet door een kredietgever te verplichten tot het verstrekken van precontractuele informatie. Houdt de kredietgever zich niet aan de voorschriften, dan verricht deze een oneerlijke handelspraktijk in de zin van art. 6:193b. Op deze wijze wordt de consument voor het sluiten van de overeenkomst zo veel mogelijk in staat gesteld een goed geïnformeerd besluit te nemen over het sluiten van de kredietovereenkomst.6 Afdeling 3 (Informatie en rechten betreffende kredietovereenkomsten) van titel 7.2A vormt de kern; aan bod komen vorm en inhoud van de consumentenkredietovereenkomst, en de consumentenbescherming. In art. 7:61 van deze afdeling is in lid 1 een vormvoorschrift neergelegd; de sanctie op nietnaleving van dit vereiste is ingevolge art. 3:39 BW nietigheid. In lid 2 van hetzelfde artikel staan informatieverplichtingen voor de kredietgever vermeld. Blijkens art. 7:72 is de consument bij niet-nakoming van deze verplichting bevoegd tot vernietiging op de grondslag van art. 3:40 lid 2. Ten behoeve van transparantie moet de consument in de precontractuele fase en bij het sluiten van de overeenkomst de nodige informatie

krijgen over (wijzigingen in) de debetrentevoet. Verzaakt de kredietgever deze plicht, dan is er sprake van een tekortkoming in de nakoming van de verbintenis in de zin van art. 6:74 en art. 6:265, zodat de consument een recht op schadevergoeding of ontbinding kan hebben.7 Uit de slotbepaling volgt dat titel 7.2A dwingend recht is, vergelijkbaar met art. 7:6 wat betreft de consumentenkoop. Dat betekent dus dat exoneratiebedingen ter zake van de precontractuele informatieverplichting niet jegens de consument kunnen worden tegengeworpen door de kredietgever.8

‘Het belang van de consumentenbescherming weegt – terecht – op tegen het winstoogmerk van de kredietgever.’ Halen we ons de eerder geschetste anekdotes voor de geest, dan kunnen we veronderstellen dat de nieuwe titel 7.2A kredietgevers, bijvoorbeeld banken, eerder stimuleert transparantie te betrachten. De markt voor consumentenkredietovereenkomsten is aanzienlijk te noemen. De nieuwe regeling zal aldus de grote groep consumenten betere bescherming bieden tegen onder andere overkreditering.9 Bestond voorheen onduidelijkheid omtrent de in de kredietovereenkomst op te nemen informatie, of de vóór het sluiten van de kredietovereenkomst te verstrekken informatie, nu is wettelijk voorzien in een verplichting voor kredietverstrekkers om – kort gezegd – de consument duidelijk te maken waartoe beide partijen zich verplichten. Het belang van de consumentenbescherming weegt – terecht – op tegen het winstoogmerk van de kredietgever. De positie van de consument zal logischerwijs verbeteren. Om terug te komen op het voorbeeld van ombudsman Monster; de kredietgever

39


Gevonden: Menno van Essen (m/ )

Specialist Vervoerrecht en Cultuurkameleon. We zochten iemand voor vervoerrecht. Menno was in beeld, maar had zijn zinnen op Europees recht gezet. Internationale cultuurverschillen hadden hem tijdens zijn ‘expatjeugd’ enorm geboeid. Na een Master Europees Recht en tweetalige stage wilde hij niets liever dan dit in de praktijk te brengen. Ideaal voor ons, want wat hij nog niet besefte was dat vervoerrecht zich vaak tot ver buiten de landsgrenzen uitstrekt. “Dezelfde week nog zaten we achter een gestolen megajacht aan dat ergens in Turkije moest liggen. Zo Europees had ik het bij Europees recht niet gekregen denk ik. Actie is hier dagelijkse kost. Nysingh zette me op het goede spoor; zowel rechtsgebied als kantoor bleken een schot in de roos. Bovendien hangt er een prettige, losse sfeer. Je leest vaak dat kantoren expliciet aandacht besteden aan ‘worklifebalance’. Maar dat zit hier gewoon in de natuur.” Nysingh is een bedrijf van karaktervolle specialisten. Alleen de wet is bij ons standaard. Voor de rest krijg je alle ruimte om buitengewoon te zijn. Klinkt dit goed en kennen wij elkaar nog niet? Laat je dan vinden via werkenbijnysingh.nl

Nysingh. De juiste jurist op de juiste plek.

40


verdieping

kan zich niet langer beroepen op zijn beleidsvrijheid inzake de fluctuerende rentevoet. Besluit hij de variabele rente stapsgewijs te verhogen, dan staat het hem vrij zich te beroepen op de marktomstandigheden, mits hij dit kan staven met feitelijke omstandigheden. We kunnen voorzichtig de verwachtingen uitspreken dat het cortisolgehalte in het bloed van Nol Monster geleidelijk zal verminderen, en zijn bijnierschors niet langer overuren hoeft te draaien. De wil van de wet… is wet.

Noten 1 ‘Rood staan is duur’, TROS radar, 17 januari 2011, http:// www.trosradar.nl/artikel_detail/bericht/rood-staan-is-duur. 2  Nol Monster, ‘Ombudsman Kifid laakt variabele-rente aanpassing kredietverstrekkers’, Klachteninstituut Financiële Dienstverlening, 03 maart 2011, http://kifid.nl/fileupload/ jurisprudentie/OMB/omb_2011-01.pdf. 3 Wet van 19 mei 2011 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten ter implementatie van richtlijn nr. 2008/48/ EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PbEU L 133/66). 4 ‘Grensoverschrijdend krediet verstrekken wordt makkelijker’, Nederlands Juristenblad, 2010, nr. 633, pp. 766-767. 5 Kamerstukken II, 2009/10, 32 339, nr. 3, p. 1-2 en p. 27. 6 Kamerstukken II, 2009/10, 32 339, nr. 3, p. 16. 7Kamerstukken II, 2009/10, 32 339, nr. 3, p. 20-21. 8 Zie ook: A.S. Hartkamp, ‘Kredietovereenkomsten voor consumenten’, in: A.S. Hartkamp, Asser 3-I* Europees recht en Nederlands vermogensrecht, Deventer: Kluwer 2011, nrs. 240-243. 9 De Memorie van Toelichting spreekt van 200.000 roodstandfaciliteiten, waarop de nieuwe regeling voorziet in een verlicht regime. Zie Kamerstukken II, 2009/10, 32 339, nr. 3, p. 5.

41


Futuristische opsporingsmethoden Door Vincent de Haan

G

edachtelezen lijkt thuis te horen in sf-films en dystopische romans, maar wat is er eigenlijk mogelijk op dit gebied? En wat zijn de juridische consequenties, met name bij de opsporing van strafbare feiten? Daarover gaat deze bijdrage. Ik zal eerst bespreken welke technische mogelijkheden bestaan op het gebied van gedachtelezen, in het bijzonder leugendetectie, en welke daarvan nu al in de praktijk gebruikt worden. Daarna zal ik ingaan op de juridische aspecten hiervan. Voor ik inga op de technische mogelijkheden en juridische complicaties, wil ik eerst drie zaken van elkaar onderscheiden: leugens, schuldige kennis en schuldige gedachten. Een leugen is een (verbale) uiting die opzettelijk niet strookt met de waarheid. Schuldige kennis is kennis over een strafbaar feit, die in het algemeen alleen bij een dader bekend is. Schuldige gedachten zijn ideologieën, niet geconcretiseerde plannen of voorkeuren die ongewenst worden geacht, maar die naar het huidige strafrecht geen rol spelen. Dit onderscheid lijkt vanzelfsprekend, maar wordt in de praktijk niet altijd gemaakt.

De polygraaf De meest gebruikte leugendetector1 is de polygraaf. Een polygraaf (letterlijk: veelschrijver) is een kinderlijk eenvoudig apparaat dat niets anders doet dan de hartslag, bloeddruk, huidgeleiding en enkele andere fysiologische parameters van de verdachte registeren. Een verhoogde hartslag, bloeddruk en huidgeleiding (die toeneemt als de verdachte zweet) worden geassocieerd met spanning, dus eigenlijk is de polygraaf slechts een instrument om systematisch te meten hoe gespannen de verdachte is. Men kan de polygraaf gebruiken om leugens te ontmaskeren, en om de aanwezigheid van schuldige kennis vast te stellen. Leugens ontmaskert men met de controlevragentechniek. De verdachte krijgt twee soorten vragen: vragen waarop het antwoord bekend is (controlevragen) en vragen waarvan dat niet zo is, en waarvan men dus wil weten of ze naar waarheid beantwoord worden (relevante vragen). Als de polygraaf ongeveer hetzelfde spanningsniveau registreert bij de correcte beantwoording van de controlevragen, als bij de beantwoording van de relevante vragen, wordt aangenomen dat ook daarbij niet gelogen is. Hoewel de resultaten hiermee aardig zijn, is door de psychologie niet goed verklaard wat het achterliggende mechanisme is.2

42

Schuldige kennis vindt men met een andere methode: men stelt meerkeuzevragen waarop een goed antwoord alleen gegeven kan worden door iemand die over schuldige kennis beschikt. De theorie is dat het brein anders reageert op bekende, dan op onbekende informatie. Als bij het voorlezen van de alternatieven de polygraaf uitslaat bij één daarvan, kan worden aangenomen dat dit een herkenningsreactie is van de verdachte. Het is vervolgens eigenlijk niet belangrijk dat de verdachte de meerkeuzevraag nog beantwoordt; het voorlezen van de alternatieven is voldoende. Aan de verdachte van een moord wordt bijvoorbeeld gevraagd of de moord met a. een mes, b. een voorwapen, c. een touw of d. een knuppel is gepleegd. Reageert de verdachte sterker bij het antwoord knuppel, dan kan worden aangenomen dat dit komt doordat de verdachte weet dat dit het goede antwoord is.

‘Was de verdachte op de plaats delict? Weet hij er iets van? Heeft hij het gedaan?’ Deze methode biedt, zeker wanneer meerdere vragen gesteld worden, zeer aardige resultaten en is ook door de psychologie goed te verklaren.3 Er zijn echter door de omstandigheden van het geval niet altijd geschikte vragen te stellen, bijvoorbeeld doordat allerlei informatie in de media al is uitgelekt. Ook kan het zijn dat van een verdachte niet betwist dat hij aanwezig was tijdens het delict – en hij dus schuldige kennis heeft – maar dat onduidelijk is of hij dader of getuige was. Deze techniek is dus niet altijd toepasbaar. Ten slotte kan niet onopgemerkt blijven dat het gebruik van de polygraaf altijd vrijwillig is. De verdachte kan zich er eenvoudig tegen verzetten door zich druk te bewegen, wat subtiele verschillen in hartslag en bloeddruk ten gevolge van een veranderende geestestoestand onwaarneembaar zal maken. Dit praktische problem kan met moderne technieken wellicht worden opgelost.


verdieping

De tot nu toe besproken technieken gingen over feiten. Was de verdachte op de plaats delict? Weet hij er iets van? Heeft hij het gedaan? Met een functionele MRI-scan (fMRI) is het echter ook mogelijk meningen te meten. Volgens sommigen kan het apparaat dat zelfs beter dan de persoon zelf. De scanner stelt vast wat iemand ‘echt’ vindt.

‘Uit het onderzoek bleek dat de wetenschap, waarin Ronald Plasterk jarenlang actief geweest is, hem volledig koud laat’

Moderne technieken De polygraaf bestaat al meer dan een halve eeuw. De laatste jaren doen echter ook andere technieken (experimenteel) hun intrede. Sommige daarvan zijn gericht op het ontmaskeren van leugens, maar andere op het lokaliseren van schuldige kennis of zelfs schuldige gedachten. Meet de polygraaf nog de gevolgen van het liegen, met een functionele MRI-scan kan de oorzaak ervan gemeten worden. Op een dergelijke scan kan de activiteit van het gebied dat in de hersenen verantwoordelijk wordt gehouden voor onderdrukken (‘inhibitie’) zichtbaar worden gemaakt. Zo kan men de controlevragentechniek wellicht nauwkeuriger toepassen, omdat de metingen dichter bij de ‘bron’ plaatsvinden.4 De Amerikaan Larry Farwell heeft een techniek ontwikkeld die hij brain fingerprinting noemt, om te benadrukken dat het delict een soort afdruk achterlaat in het brein.5 Met behulp van een elektro-encefalogram (EEG) kan hij deze afdruk opsporen. De theorie achter deze techniek is gelijk aan die achter de schuldige-kennistechniek met de polygraaf. Verschil is wel dat deze eventueel onder dwang kan worden toegepast.

Een onschuldig voorbeeld is een experiment waarbij onderzoekers van de UvA de ‘echte’ mening van Ronald Plasterk hebben vastgesteld. Ze onderzochten Plasterk op uiteenlopende onderwerpen (kunst, politiek, etc.) en kwamen tot de conclusie dat zijn brein soms anders dacht dan hij deed voorkomen.6 Uit het onderzoek bleek ten eerste dat de wetenschap, waarin hij jarenlang actief geweest is, hem volledig koud laat. Zijn interesse ligt volledig bij de politiek en zijn brein licht dan ook positief op bij foto’s van Tweede Kamerbankjes of het koffertje van Prinsjesdag. Ook is hij een echte fan van Obama, maar dit lijkt niet met politieke kleur te maken te hebben. Wim Kok en Joop den Uyl interesseren hem weinig. Lamme schrijft pakkend: Wim Kok roept niet meer gevoelens op dan het plaatje van een paraplu of haardroger.” Juridische inbedding In de Verenigde Staten is de polygraaf een zeer algemeen gebruikt apparaat; overigens niet alleen in het strafrecht. Ook in het bedrijfsleven en bij overheidsinstellingen wordt hij routinematig toegepast om de integriteit van werknemers te controleren. In Nederland is dat anders. De enige keren waarbij enige vorm van leugendetectie ter sprake kwam in het Nederlandse strafrecht, was dat op verzoek van de verdachte, die hiermee zijn ontkenning kracht bij wilde zetten. Deze verzoeken

43


werden steeds afgewezen, maar de Hoge Raad sloot niet uit dat leugendetectie wel een plaats kon hebben in het Nederlandse strafrecht.7 Er is echter geen jurisprudentie te vinden, waarin dat in de praktijk gebracht wordt.

hij mag geobserveerd worden. Met een fMRI-scanner wordt niet naar, maar in de verdachte gekeken. Daar ligt wat mij betreft een verschil, waar in de toekomst juridisch vorm aan gegeven moet worden.

In België heeft zich op dit punt een interessante ontwikkeling voorgedaan. Was leugendetectie daar 10 jaar geleden nog taboe, tegenwoordig is het een zeer geaccepteerde (weliswaar bijzondere) opsporingsmethode. Er zijn instructies8 van de minister en in de jurisprudentie9 is uitgemaakt welke waarborgen moeten gelden. Naast een groot aantal praktische aanwijzingen, is de voornaamste regel dat leugendetectie plaatsvindt op een basis van informed consent: de verdachte neemt vrijwillig deel, nadat hij is geïnformeerd over de werking van de leugendetector.

Strafbare gedachten Ons strafrecht is in beginsel gericht tegen bepaalde gewilde spierbewegingen. Een achterliggende gedachte (opzet) kan daarbij een rol spelen, en ook voorbereidingshandelingen kunnen strafbaar zijn. In ieder geval moet de gedraging ‘uiterlijk waarneembaar’ zijn.10 Een kwade gedachte op zichzelf is echter nooit strafbaar. Het werd door de wetgever principieel niet wenselijk geacht gedachten op zich strafbaar te stellen, maar misschien was die keuze ook wel pragmatisch: gedachten strafbaar stellen zou tot onoplosbare bewijsproblemen leiden. Met de bovengenoemde technische ontwikkelingen kan dat standpunt wellicht worden herzien.

‘Deze ontwikkelingen doen de vraag herleven: zouden in de toekomst gedachten strafbaar kunnen worden?’ Opmerkelijk en mijns inziens verkeerd is dat nergens in de jurisprudentie onderscheid wordt gemaakt tussen detectie van leugens en detectie van schuldige kennis. Sterker nog, uit het arrest blijkt vaak niet eens wat er bedoeld wordt. Buiten het feit dat er wat praktische verschillen zijn, is er volgens mij ook een juridisch verschil: bij de detectie van leugens is het zwijgrecht veel eenvoudiger te waarborgen. De verdachte kan immers zelf kiezen om te liegen of in het geheel niets te verklaren. Bij de schuldige-kennistechniek kan hij voor verrassingen komen te staan, die al onomkeerbaar zijn zodra hij er weet van heeft. Met de komst van hersenscans wordt nog een juridisch probleem opgeworpen. Een oplettende opsporingsambtenaar kan op het oog hetzelfde zien als met een polygraaf. De polygraaf is wellicht nauwkeuriger, systematischer en beter wetenschappelijk te onderbouwen, maar zowel de polygraaf als de opsporingsambtenaar kijken naar de buitenkant van de verdachte. Dat heeft de verdachte sinds jaar en dag te dulden:

44

Deze ontwikkelingen doen de vraag herleven: zouden in de toekomst gedachten strafbaar kunnen worden? Grondrechtelijk is dat moeilijk te verdragen, maar met het oog op terrorismebestrijding zal dit niet het eerste principe zijn dat sneuvelt. Er zal zich een interessant debat ontvouwen! Noten 1 Sommigen zien leugendetector en polygraaf als synoniem, maar er zijn ook andere technische hulpmiddelen om leugens mee te ontmaskeren; deze kunnen ook als leugendetector worden aangemerkt. 2 E.H. Meijer, ‘Leugendetectie en wetenschap: vriend of vijand?’, De Psycholoog 2004 (4)., p. 174. 3 Ibidem., p. 176. 4 E.H. Meijer, H. Merkelbach, Leugendetectie: oude waarheden en nieuwe technologie, in: Technologie, cognitie en Justitie, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers (WODC) 2008, p. 47-51. 5 www.brainwavescience.com. 6  Zie bijvoorbeeld http://www.youtube.com/ watch?v=dqZ381RRrSw of V.A.F. Lamme, De Vrije Wil Bestaat Niet, Amsterdam: Bert Bakker 2010, p. 248-257. 7 HR 16 juni 1984, NJ 1985, 137, m.nt. ThWvV. 8 Omzendbrief COL 3/2003 (België). 9 Cass., 5 maart 2003, A.C., 2003, nr. 151 en Cass., 15 feb. 2006, A.C., 2006, nr. 95. 10 J. de Hullu, Materieel Strafrecht, Deventer: Kluwer 2009, p. 149.


Wat neem jij mee?

Wat je elke dag bij je hebt, zegt veel over wie je bent. Over wat je bezighoudt, de dingen die je meemaakt en wat je motiveert. Bij AKD zijn we benieuwd naar wat mensen ‘meenemen’. Naar hun interesses en ambitie. Wat deed jou besluiten rechten te gaan studeren? En wat wil je bereiken? AKD bestaat uit een hecht team van bevlogen advocaten en notarissen. Professionals met een eigen stijl. Vastbesloten alles eruit te halen wat erin zit. We investeren dan ook veel in de ontwikkeling van jong talent. Spreekt onze werkwijze jou aan? Laat het ons weten. We zijn benieuwd naar wat jij meeneemt. Kijk op watneemjijmee.nl.

45


Constitutieborrel - 15 september

46


Eerstejaarsborrel - 30 augustus

47


30 november tot en met 2 december

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn advocaten en notarissen

mr.

De masterclass van Pels Rijcken 48

Meld je nu aan op pelsrijcken.nl/mrz


Nota Bene oktober editie 2011  

De Nota Bene is het verenigingsblad van de Juridische Faculteit der Amsterdamsche Studenten (JFAS) en wordt vier maal per jaar uitgegeven.

Advertisement
Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you