Page 1

Onderzoek naar de invloed van subsidiereglementen op de toegankelijkheid van lokaal jeugdwerk


1

Inhoudsopgave Inleiding en methodologie........................................................... 2 Samenvatting.................................................................................4 Resultaten 1. Lokale besturen.............................................................5 1.1 Aanwezigheid van soorten subsidies 1.1.1 Extra werkingssubsidies 1.1.2 Aparte subsidiereglementen 1.1.3 Projectsubsidies 1.1.4 Infrastructuursubsidies

1.2 Algemene vragen

2. Jeugdwerkorganisaties.................................................12 3. Focusgroepen...............................................................13 3.1 Wie heeft impact op het thema inclusie bij het lokaal jeugdwerk? 3.2 Hoe dwingend kan/moet een lokaal beleid zijn?

Conclusies....................................................................................17


2

Inleiding en methodologie 1

Lokale besturen hebben vanaf 2014 meer vrijheid om hun eigen lokaal beleid vorm te geven.

Door het afschaffen van de sectorale plannen én de integratie ervan in hun lokale meerjarenplanning, dalen de planlasten maar ook de inhoudelijke impulsen vanuit Vlaanderen. Het bestuurlijk landschap is met andere woorden veranderd, en met het volledig afbouwen van het jeugdbeleid van het provinciebestuur vanaf 2018, zijn er nog veranderingen op til. Voor ‘Jeugdwerk voor allen’ (JWVA), een netwerkorganisatie in de Provincie Oost-Vlaanderen, gericht op inclusie van kinderen en jongeren met een beperking en/of in maatschappelijk kwetsbare situaties, was het moment gekomen om een scherper zicht te krijgen op hoe gemeenten in hun jeugdwerkbeleid anno 2016 omgaan met kansengroepen. In het voorjaar van 2016 werd een onderzoek gestart naar de invloed van subsidiereglementen op de toegankelijkheid van het lokaal jeugdwerk. Dit onderzoek gebeurde in samenwerking met Diggie vzw, Oranje vzw, Vlaamse Dienst Speelpleinwerk vzw en Demos. JWVA onderzocht hoe lokale besturen via subsidiereglementen de toegankelijkheid van lokaal jeugdwerk stimuleren. JWVA ziet subsidiëring niet als hét instrument bij uitstek om kwetsbare groepen te helpen, maar merkt wel dat organisaties in hun zoektocht naar inclusie vaak vragen naar extra financiële middelen, zoals het inzetten van extra animatoren, het aankopen van bepaald materiaal of bekostigen van vorming en ondersteuning. Een aanvullende subsidie lijkt dan aangewezen, dus vroeg JWVA zich af of lokale besturen zelf impulssubsidies geven rond het werken met kwetsbare doelgroepen. Het doel was om enerzijds op zoek te gaan naar goede voorbeelden van lokale subsidies en anderzijds

na

te

gaan

welke

drempels

er

bestaan

binnen

de

gemeentelijke

jeugdsubsidiereglementen. Om dit doel te bereiken werden twee vragenlijsten opgesteld. De hoofdbevraging (zie bijlage 1) werd gericht aan alle 65 jeugddiensten/lokale besturen van Oost-Vlaanderen. De kernvragen waren: ● Zijn er structurele subsidies?

1

(BBC).

Dit is een gevolg van het Planlastendecreet en de algemene invoering van de Beleids- en Beheerscyclus


3 ● Wat met projectsubsidies? ● Zijn er specifieke regelingen voor doelgroepspecifieke werkingen? ● Hoe loopt de communicatie hieromtrent? Naast deze bevraging werd een bijkomende bevraging (zie bijlage 2) gericht aan 23 jeugdwerkorganisaties (zie bijlage 3) en werd er met vijf organisaties een verdiepend interview afgenomen. Deze vijf – ad random gekozen – organisaties zijn: JOS vzw, JAC Zottegem, Jeugdhuis De Route uit Eeklo, Uit De Marge en Groep Intro (zie bijlage 4 voor interviewleidraad). Op basis van de eerste resultaten uit beide bevragingen, besloot de stuurgroep twee focusgroepen te organiseren: één focusgroep gericht op kleinere steden en gemeenten in een meer landelijke omgeving en één voor grotere steden en gemeenten in een meer verstedelijkte omgeving. Hierbij werd dieper ingegaan op 2 thema’s: ● Wie heeft impact op het thema inclusie bij het lokaal jeugdwerk? ● Hoe sturend of vrijblijvend mag/moet een lokaal jeugdwerkbeleid zijn? In de tekst hieronder hanteren we ‘inclusie’ als verzamelnaam voor de inspanningen naar kinderen en jongeren met een beperking, maatschappelijk kwetsbare kinderen en jongeren en kinderen met een andere etnisch-culturele achtergrond. Deze laatste doelgroep werd in de bevraging weinig benoemd als een expliciete doelgroep. Een mogelijke verklaring is dat de bevraagden deze doelgroep niet als een aparte doelgroep benaderen, maar mee rekenen als maatschappelijk kwetsbare kinderen en jongeren. Een andere verklaring is dat er geen specifieke werkingsmiddelen zijn om deze kinderen en jongeren te betrekken. We moeten echter voorzichtig zijn om hierover conclusies te trekken, aangezien meerdere gemeenten met een hogere aanwezigheid van etnisch culturele minderheden de vragenlijst niet hebben ingevuld. In wat volgt worden de resultaten van de vragenlijsten besproken. Eerst gaan we in op de antwoorden van de lokale besturen, daarna komen de jeugdwerkorganisaties aan bod.


4

Samenvatting Naar aanleiding van het veranderend bestuurlijk landschap, wilde Jeugdwerk voor Allen (JWVA) scherper zicht krijgen op hoe gemeenten in hun jeugdwerkbeleid anno 2016 omgaan met kansengroepen. JWVA onderzocht om die reden of subsidiereglementen invloed hebben op de toegankelijkheid van het lokaal jeugdwerk. Het doel was enerzijds om op zoek te gaan naar goede voorbeelden van lokale subsidies en anderzijds om na te gaan welke drempels er bestaan binnen de gemeentelijke jeugdsubsidiereglementen. Er werden twee bevragingen opgesteld voor 65 Oost-Vlaamse lokale besturen en 23 jeugdwerkorganisaties. Er zijn ook vijf interviews afgenomen met organisaties uit het jeugdwerk en naar aanleiding van de eerste resultaten werden twee focusgroepen georganiseerd. Uit de resultaten kwam naar voor dat er weinig specifieke regelingen aanwezig zijn ter ondersteuning van inclusie in het jeugdwerk. Zo zijn er slechts in 1 op de vier gemeenten specifieke regelingen aanwezig binnen werkingssubsidies en maar 2 van de 34 gemeenten hebben subsidies voor doelgroepspecifieke werkingen. Bijna geen enkel lokaal bestuur heeft specifieke projectsubsidies rond inclusie. Uit de bevraging aan het jeugdwerk blijkt nochtans dat heel wat organisaties op zoek gaan naar extra middelen om hun werking rond inclusie te financieren. De meeste gemeentebesturen voeren een vraaggestuurd beleid en werken in die zin sterk bestendigend. Bestaande werkingen krijgen middelen en aandacht, maar een dergelijk beleid werkt niet corrigerend, laat staan stimulerend. Op ĂŠĂŠn van de focusgroepen werd de case van Eeklo als goed voorbeeld aangereikt om te tonen dat een lokaal bestuur wel stimulerend kan werken. Bijkomend blijkt de lokale jeugddienst niet altijd tot het netwerk van de lokale jeugdwerkorganisatie te behoren. Organisaties zoeken vaak hulp in hun eigen netwerk, en dit kan de koepelorganisatie zijn. Tot slot stellen we vast dat er binnen de koepels een duidelijk verschil zit in de omkadering rond dit thema. Recht op vrije tijd voor kansengroepen wordt door de lokale besturen grotendeels passief benaderd. Hierbij gaat men voorbij aan het feit dat de zwakste groepen hun rechten juist niet


5 opeisen. Een meer proactief lokaal beleid kan hier versterkend werken.

Resultaten 1.

Lokale besturen

De vragenlijst werd gestuurd naar alle 65 Oost-Vlaamse lokale besturen. De respons was hoog, namelijk 34 gemeenten of 52% van de bevraagden reageerden. De 34 gemeenten zijn goed verspreid over de provincie. Spijtig was er geen respons van de grotere steden zoals Gent, Aalst, Ronse en Sint-Niklaas. Inzake representativiteit scoort de respons goed zowel binnen de groep ‘centrumsteden’ (Oudenaarde, Aalter, Lokeren, enz.) als kleinere gemeenten. Het Waasland is verhoudingsgewijs het minst aanwezig in de bevraging.

In de bevraging aan de lokale besturen werd gepolst naar de aanwezigheid van vier soorten subsidiëring rond inclusie in hun gemeentelijke ondersteuning: extra werkingssubsidies, aparte doelgroepspecifieke subsidies, projectsubsidies en infrastructuursubsidies. Bij deze vier onderwerpen werd eerst de vraag gesteld of deze specifieke subsidies aanwezig zijn. Indien het antwoord positief was, werden steeds opnieuw vijf vragen gesteld: ● Voor welke doelgroepen kunnen organisaties deze subsidie aanvragen: Kinderen/jongeren met een beperking, kinderen/jongeren in een maatschappelijk kwetsbare situatie, kinderen/jongeren uit etnisch culturele minderheden of andere?


6 ● Welke soort ondersteuning biedt deze subsidie aan: financieel, materieel of pedagogisch? ● Wat zijn de voorwaarden om deze subsidiëring te krijgen? ● Hoe dient de organisatie haar inspanningen aan te tonen? ● In welke mate wordt deze subsidie effectief gebruikt? Na deze vier onderwerpen, werden er ook nog enkele algemene vragen gesteld. Zo polsten we onder meer naar de dalende trend van gemeentelijke subsidies en naar de communicatie over subsidiëring. Er werd gevraagd of men gemeentelijke subsidiëring als een belangrijke impuls ziet voor inclusie en of men vindt dat zijn/haar gemeente inspanningen doet voor inclusief jeugdwerk. We staan eerst stil bij de vragen rond de verschillende soorten subsidiëring.

1.1 Aanwezigheid van soorten subsidies 1.1.1. Extra werkingssubsidies Een eerste thema handelt over eventuele ​extra werkingssubsidies​ voor inclusie. Bij 26.5% van de respondenten ​zijn ​specifieke regelingen aanwezig binnen de werkingssubsidies voor het jeugdwerk.

Binnen de groep die instrumenten ontwikkelde ​(26.5%) ​werd bijkomend gevraagd naar de inhoud van deze ondersteuning. Voor wie? De extra werkingssubsidies die deze gemeenten voorzien rond inclusie, zijn meestal bedoeld voor kinderen en jongeren met een beperking en kinderen en jongeren in een maatschappelijk kwetsbare situatie. Vaak zijn er voor beide groepen mogelijkheden. Wat en hoe? In de meeste gevallen gaat het om een extra financiële ondersteuning, bv. extra punten te


7 verdienen bij bereik van kwetsbare doelgroepen. De opgelegde voorwaarden liggen niet hoog en zijn gelijkaardig als bij de andere subsidielijnen, zoals een erkende jeugdvereniging zijn bijvoorbeeld. In Eeklo zijn de voorwaarden beduidend hoger: de jeugdwerkorganisaties moeten extra inspanningen leveren en hun werking naar kansengroepen mondeling komen verdedigen voor een externe jury. Zo niet blijven de subsidies uit. Opvallend is wel dat er in deze groep geen enkele gemeente pistes heeft rond ‘pedagogische ondersteuning’.

Het voorzien van subsidielijnen betekent niet automatisch dat er gebruik van gemaakt wordt. In twee gemeenten werd aangegeven dat de voorziene piste niet gebruikt wordt. Eén gemeente, Eeklo, geeft aan dat juist alle organisaties er gebruik van maken. Het is één van de weinige respondenten die een meer sturend beleid heeft op vlak van toegankelijkheid. Zij werden uitgenodigd op één van de focusgroepen om hun werking toe te lichten. Uit een interview met het Jeugdhuis uit Eeklo blijkt het volgende: “Bij ons is werken aan toegankelijkheid een voorwaarde om onze middelen te krijgen (…) Jeugdbewegingen moeten ook in hun jaarverslag verantwoorden dat ze

rond toegankelijkheid werken om die middelen te krijgen.” ​Jeugdhuis De Route

De gemeenten die negatief antwoordden (73.5%), moesten motiveren waarom er in hun gemeente geen extra werkingssubsidies zijn. De helft antwoordt dat er in hun gemeente ​geen

vraag is naar extra werkingssubsidies ​rond toegankelijkheid. Vanuit de gesprekken in de focusgroep blijkt dat de inhoud van subsidiereglementen vaak bepaald wordt in samenhang met de verenigingen zelf en de gemeentelijke jeugdraad. Als er vanuit de jeugdwerkorganisaties of jeugdraad geen concrete vraag komt naar bepaalde ondersteuningsregelingen rond inclusie, is in deze gemeenten de kans klein dat het bestuur hier zelf een beleid ontwikkelt. Zo geeft ruim 1 op 3 van de totale groep aan hier zelf geen initiatief voor te nemen. Voor kansengroepen ligt er hier het risico op een ‘negatieve spiraal’: als het jeugdwerk geen of beperkt kansengroepen bereikt, dringen vragen en noden niet door tot de beleidsmakers. Vanuit de gesprekken met het doelgroepspecifiek jeugdwerk wordt deze stelling alvast bevestigd. Dit werd mooi geïllustreerd door JOS vzw, een vzw die jeugdwerk ondersteunt in Sint-Niklaas en ontstaan is uit een samenwerkingsverband tussen het stadsbestuur en het jeugdwerk:


8 “Wij werken voor een groot deel vanuit de vragen en behoeften van de jeugdverenigingen, dat is een groot deel van onze opdracht: ondersteunen van jeugdwerkinitiatieven die een aantal vragen hebben aan de stad. Anderzijds hebben we ook een aantal doelstellingen die de stad zichzelf oplegt, die komen ook bij ons. (…) Momenteel is de vraag vanuit jeugdwerkverenigingen wel ons grootste takenpakket, dat is 75-25 of zo. Dus als die vragen uit de jeugdbewegingen niet komen, hoe kunnen wij ons daar dan voor open stellen?”

De redenen om geen extra werkingssubsidies aan te vragen bij de andere helft van deze 73.5% respondenten zijn meer verdeeld: vijf gemeenten geven geen reden, vijf andere gemeenten geven aan op een andere manier ondersteuning te bieden, zoals praktische ondersteuning en een projectsubsidie. Tenslotte zijn er nog eens drie gemeenten die een volledig ander antwoord geven. Zo geeft het lokaal bestuur van Knesselare aan dat middelen voor toegankelijkheid behoren tot de basissubsidie voor lokale verenigingen: “Toegankelijkheid is een factor die bij ons omschreven is in de erkenningscriteria waaraan een vereniging moet voldoen om een basissubsidie te krijgen. Wij verwachten dat de gehanteerde prijzen zo laag mogelijk worden gehouden, alsook dat iedereen welkom is in elke vereniging, ongeacht de huidskleur, sociale afkomst, geloofsovertuiging, seksuele geaardheid,... Wij werken ook niet met een puntensysteem om subsidies toe te kennen. Voor de jeugdhuizen werken we wel met verschillende categorieën zodat ze verplicht worden om een divers aanbod van activiteiten uit te werken zodat hun werking openstaat voor een divers publiek.”

1.1.2 ​Aparte subsidiereglementen Een volgende vraag handelt over ​aparte subsidiereglementen​ voor doelgroepspecifieke werkingen. Bij ​88.2% van de respondenten zijn er geen specifieke subsidies voor doelgroepspecifieke werkingen. ​Dit betekent niet dat deze werkingen sowieso geen toegang tot subsidies hebben, maar wel dat ze eenzelfde regeling moeten volgen als het regulier jeugdwerk.


9

Bij de vier gemeenten die wel positief antwoordden, moet wel vermeld dat hun ‘ja’ slaat op kortingssystemen voor kansengroepen. Bij twee gemeenten slaat dit op een subsidiëring voor de organisaties zelf en kunnen we dus spreken van een aparte subsidiëring. In de andere gemeenten gaat dit om een korting voor de vrijetijdsgebruiker zelf (kansenpas). Anders gesteld, bij en volgens de respondenten zijn er ​nauwelijks gerichte structurele subsidielijnen voor doelgroepspecifieke werkingen​. Uit de interviews en focusgroepen blijkt dat er soms wel mogelijkheden zijn vanuit convenanten tussen bv. landelijk jeugdwerk en de betrokken steden en gemeenten. Deze hebben echter een projectmatig karakter. Het vergt evenwel een apart onderzoek om op deze tijdelijke instrumenten een correct zicht te krijgen. De groep die negatief antwoordde, moest motiveren waarom er in hun gemeente geen aparte subsidies zijn voor doelgroepspecifieke werkingen. We zien hier opnieuw dat de meerderheid antwoordt dat er in hun gemeente ​geen vraag naar is, of dat er geen doelgroepspecifieke werkingen zijn​. 1.1.3 ​Projectsubsidies Vervolgens werd het bestaan van ​projectsubsidies​ rond inclusie bevraagd.

85.3% van de respondenten antwoordden dat er geen projectsubsidies zijn en motiveerden ook waarom. De antwoorden hierop zijn meer verdeeld dan op de voorgaande vragen: 5 van de 29 respondenten antwoordden opnieuw dat er in hun gemeente geen vraag is naar projectsubsidies rond inclusie. Acht respondenten hadden geen verklaring en elf lokale besturen schreven dat er wel projectsubsidies bestaan, maar dat die open staan voor iedereen en dus niet focussen op inclusie. Vijf respondenten antwoordden wel positief. Bij twee van hen gaat het ook over algemene


10 projectsubsidies waarop organisaties kunnen intekenen die willen werken rond inclusie. We kunnen dus concluderen dat ​er bijna geen enkel lokaal bestuur specifieke projectsubsidies rond inclusie ​in de gemeente heeft.

Uit een bijkomende vraag aan de groep mét projectsubsidies, blijkt ook dat er bijna geen enkele organisatie gebruik maakt van projectsubsidies in functie van inclusie, al is dit op zich niet uitgesloten. 1.1.4 ​Infrastructuursubsidies Tenslotte stelde men de vraag of er ​infrastructuursubsidies ​mogelijk zijn vanuit andere sectoren. Met deze vraag werd gepeild naar andere mogelijke subsidielijnen dan deze vanuit de jeugddienst. Meer dan de helft van de respondenten lieten deze vraag blanco of hadden ‘geen idee’. Conclusies trekken is dan ook bijzonder moeilijk. Het enige dat kan gesteld worden is dat de respondenten van de jeugddiensten hier maar beperkt zicht op hebben.

1.2 Algemene vragen Na de vragen over de verschillende soorten subsidiëring, zijn er aan de lokale besturen nog vier meer algemene vragen gesteld. Hoewel het Cijferboek Lokaal Jeugdwerk 2014-2015 spreekt over een dalende trend van gemeentelijke subsidiëring voor inclusief jeugdwerk, herkennen de meeste lokale besturen (87,9%) deze trend niet.

Volgens een kleine helft (41%) is dit omdat hun gemeente wel degelijk het belang inziet van een gemeentelijke subsidiëring voor inclusief jeugdwerk. Volgens 38% is de situatie dezelfde gebleven en kan men dus niet spreken van een dalende, noch van een stijgende trend. Gemeentebesturen communiceren naar eigen zeggen actief. De jeugdraad wordt het vaakst als


11 medium aangehaald als 'go-between' tussen de administratie en de leiding. Hoewel we ons bewust zijn van het sociaal wenselijke van de vraag, werd er gepeild naar het belang van gemeentelijke subsidies inzake inclusie. De meeste respondenten geven een zekere waarde aan gemeentelijke subsidiëring, maar vinden andere zaken zoals bewustmaking en intrinsieke motivatie belangrijker.

Volgend citaat uit het interview met JOS vzw verduidelijkt dit ook: “Ik ben er niet van overtuigd dat een projectsubsidie werkt. De mensen die al overtuigd zijn tekenen erop in en er ontstaan zeker waardevolle initiatieven door maar of dat dat mensen/jeugdwerkers over de streep gaat trekken, daar geloof ik niet in. (...) Door uw reglement aan te passen, ga je echt niet de mindset van jongeren gaan veranderen, echt niet. Van bestuurders wel, gemeenteraadsleden, die wel.”

Meer dan de helft van de respondenten vindt dat zijn/haar gemeente wel degelijk inspanningen levert op vlak van inclusie. 30% vindt toch dat er weinig inspanningen gebeuren. Bij de verduidelijking van hun antwoord geven heel wat besturen aan wat ze al doen rond inclusie. Voorbeelden hiervan zijn het inclusief speelplein, persoonlijke inspanningen om open te staan voor deze doelgroep, met behulp van de jeugdopbouwwerker, enz. Niettegenstaande dat de helft van de lokale besturen antwoordt dat ze subsidiëring belangrijk vinden om inclusie te ondersteunen, ontbreken acties in de vorm van subsidies. Jeugddiensten kijken soms naar andere actoren, zoals koepelorganisaties, om dit op te nemen. We kunnen besluiten dat de meeste gemeentebesturen een eerder vraaggestuurde strategie hanteren om rond inclusie te werken. Recht op vrije tijd voor kansengroepen wordt in die zin vaak alleen passief benaderd. Als er concrete vragen zijn naar ondersteuning komt men in actie. Structurele pistes worden daarentegen weinig verkend.


12

2.

Jeugdwerkorganisaties

Aanvullend zijn ook 23 jeugdwerkorganisaties bevraagd. Deze organisaties werden door de stuurgroep van Jeugdwerk voor Allen uitgekozen omdat ze inclusief werken of een ‘good practice’ uitdragen wat betreft inspanningen voor inclusief jeugdwerk. 18 van de 23 of 78 % van de jeugdwerkorganisaties reageerden. De helft van de organisaties die reageerden, vinden dat hun werking open staat voor iedereen en dat ze echt gerichte inspanningen leveren om specifieke doelgroepen te bereiken. Slechts drie organisaties zien zichzelf als een doelgroepspecifieke werking. Aan deze jeugdwerkorganisaties vroegen we onder andere of er volgens hen voldoende informatie beschikbaar en vindbaar is over subsidies rond toegankelijkheid. We vroegen hen ook of ze een gemeentelijke subsidie konden aanvragen rond toegankelijkheid, of ze dit al gedaan hadden en wat de voorwaarden en de inspanningen zijn die ze moeten aantonen. Uit hun antwoorden konden we afleiden dat de informatie niet altijd op de juiste plaats terecht komt en dat er onvoldoende of onduidelijke informatie voorhanden is. Bovendien betwijfelt men of de betrokken leiding wel voldoende is ingelicht. Werkingen met professionelen zijn duidelijk beter op de hoogte. Toch antwoordt meer dan de helft van de organisaties dat er niet voldoende informatie te vinden is. De beroepskracht van Jeugdhuis De Route zei hierover het volgende: “Het is sowieso al moeilijk om die oproepen op te volgen, die worden niet alom verspreid via kanalen waar je veel kijkt. Bijvoorbeeld sociale media zou een uitstekend middel zijn om subsidieoproepen bekend te maken. Nu moet je al weten welke site je moet bekijken en dan moet je gaan kijken of er een oproep rond dat specifieke onderwerp tussenzit. En dat is soms moeilijk te vinden. Die subsidie rond artistieke expressie heb ik ook niet zelf gevonden. Formaat is zelf naar mij gekomen met de vraag 'zou je dat niet doen?'” Links en rechts duikt ook de ‘administratieve molen’ op. Veel pistes situeren zich buiten de jeugddienst: OCMW, Vlaamse oproepen, KBS, fondsen, serviceclubs, enz. Ook lokale organisaties die draaien op vrijwilligers zijn dus vaak bezig met fondsenwerving. Een structurele gemeentelijke subsidie zou dit (deels) kunnen opvangen. Uit de bevraging van het jeugdwerk blijkt dat er een beperkte kennis is over het gemeentelijk instrumentarium. Ook heeft de ‘leiding’ maar weinig zicht op de subsidieaanvragen van hun


13 voorgangers. De administratieve last wordt het vaakst aangehaald als drempel om een aanvraag voor een gemeentelijke subsidie in te dienen. We citeren hierover vzw Jeugdclubs, die pleit voor meer kwalitatieve voorwaarden: “Er zijn veel voorwaarden om deze subsidiëring te krijgen (samenwerkingsconvenant met Stad, met nadruk op maatschappelijk kwetsbare jeugd ) onder andere aan vindplaatsgericht jeugdwerk doen, jongeren toeleiden naar andere werkingen, jongeren bijstaan rond thema's als werk, onderwijs, welzijn, een muziekwerking organiseren,... Om de taken uit te voeren in deze convenant zijn er minimum 2 VTE beroepskrachten nodig, de subsidies bedragen echter nog niet voldoende om 1 VTE te werk te stellen. (…) Wij zouden het makkelijker vinden indien er meer openheid is om de werking te komen bekijken in plaats van enkel een verslag met cijfers te willen zien. De werking voorstellen samen met de jongeren, we proberen dit geregeld, maar het is moeilijk om hier de juiste mensen mee te bereiken (lokaal beleid)”

We kunnen ons de vraag stellen of lokale organisaties wel aan de jeugddienst denken als ze 2

ondersteuning zoeken voor het werken rond inclusie. Uit ander onderzoek

blijkt dat

jeugdbewegingen oplossingen zoeken binnen hun eigen netwerk of koepel, de jeugddienst is vaak niet de eerste instantie waar ze aan denken. Bij andere organisaties is er soms wel een nauwere relatie met de jeugddienst. Dit maakt dat de respons op een concrete vraag rond inclusie erg verschillend wordt ingevuld naargelang werkvorm of gemeente. Uit de interviews blijkt ook dat bij de informatiedoorstroom jeugdwerkkoepels een rol spelen. De vraag werd gesteld of de informatie over inclusie uit de koepels genoeg doorsijpelt tot op lokaal niveau. Dit werd één van de thema's op de focusgroepen.

3.

Focusgroepen

Op basis van de eerste resultaten uit de bevragingen, besloot de stuurgroep van Jeugdwerk voor Allen twee focusgroepen te organiseren. Twee thema's trokken namelijk de aandacht: 1) Wie heeft impact op het thema inclusie bij het lokaal jeugdwerk? Wordt er niet te vaak met de 2

Universiteit Gent, vakgroep Sociologie en vakgroep Sociale Agogiek (2009-2010) “Jeugdbewegingen in Vlaanderen. Een onderzoek bij groepen, leiding en leden.”


14 vinger naar elkaar gewezen? Wat is de rol van de koepelorganisaties hierin? 2) Hoe dwingend kan/moet een lokaal beleid zijn? De meeste besturen gaven aan vraaggestuurd te werk te gaan. Eén lokaal bestuur, nl. Eeklo, sprong eruit door toegankelijkheid als voorwaarde te stellen om subsidies te geven. De stuurgroep vond het zinvol dit lokaal bestuur uit te nodigen voor een focusgroep om hun case toe te lichten en de discussie open te trekken. Jeugdconsulenten en zowel beroepskrachten als vrijwilligers uit het jeugdwerk werden uitgenodigd om aanwezig te zijn op de focusgroepen.

3.1

Wie heeft impact op het thema inclusie bij het lokaal jeugdwerk?

De eerste focusgroep ging door op 7 december 2016 en was gericht op een meer landelijke context (zie bijlage 5 voor aanwezigheidslijst). Deze focusgroep ging dieper in op de vraag wie er invloed heeft op het lokaal beleid. Leven dergelijke thema's in het gemeentebestuur? Is het jeugdwerk hier zelf mee bezig? Merken jeugddiensten een invloed vanuit de koepelorganisatie – en omgekeerd? In het algemeen werd er bevestigd dat het een hele uitdaging is voor organisaties om het kluwen aan bestaande subsidies te ontwarren. Een goede communicatie en samenwerking tussen het lokaal bestuur en het jeugdwerk blijkt hier van belang. Gemeente Hamme geeft een suggestie van een handige tool die zij hebben ontwikkeld op hun website: via een vraag-traject komt men bij de juiste subsidies terecht. Jammer genoeg blijft de vraag naar ondersteuning nog steeds 'waar past deze werking/dit project?' in plaats van 'wat heeft deze organisatie nodig?'. De jeugddienst is zelf niet altijd goed op de hoogte van het onderwerp, maar ze zien zichzelf wel als katalysator voor samenwerkingen en als doorverwijzer. Men ziet het nut in van een proactiever beleid, maar komt er niet toe door onvoldoende kennis van zaken, geen tijd, andere prioriteiten... In het interview met Groep INTRO en Uit De Marge vzw werd het volgende voorstel gedaan: “De jeugdconsulent kan het bestuur warm maken om werk te maken van toegankelijkheid. (…) De gemeente kan meewerken aan het lokaal – zowel politiek als bestuurlijk – draagvlak om werk te maken van een aanbod voor maatschappelijk kwetsbare doelgroepen. Ze kunnen mee helpen werken aan een positiever verhaal over deze doelgroep: 'wat zij hier met die gasten doen is


15 waardevol en moeten wij een plek geven, nog meer ondersteuning geven'.” Uit interviews kwam ook de vraag of het thema inclusie vanuit de koepelorganisaties genoeg in de praktijk wordt vertaald. De ondersteuning van de koepels tot op het lokale jeugdwerkniveau is echter erg gedifferentieerd. Jeugdbewegingen zitten soms in een bepaalde fase waarbij ze prioriteit geven aan andere zaken dan inclusie. De vraag is of kwetsbare doelgroepen pas ter sprake mogen komen als aan alle basisvoorwaarden zijn voldaan? En hoeft een jeugddienst het hierbij te laten? Let wel, veel organisaties hebben geen koepel. Verenigingen die buiten het reguliere jeugdwerk vallen, hebben niet altijd contact met de jeugddienst. Overschrijdend werken waarbij linken worden gelegd met onder andere sport en cultuur lijken hiervoor aangewezen. Tenslotte kan de aanwezigheid van een werking die buiten het klassieke jeugdwerk valt, in de jeugdraad voor een interessante aanvulling zorgen, waardoor thema's aan bod komen die zonder die werking geen aandacht zouden krijgen. We citeren hier de jeugddienst van Hamme: “Habbekrats zit bij ons in de jeugdraad. De beroepskracht komt zelf naar de jeugdraad. Het weekt soms discussies los die anders niet zouden gevoerd worden. We proberen het interessant te maken voor Habbekrats door op de agenda's onder andere thema's aan te halen die zij wensen te bespreken.”

3.2

Hoe dwingend kan/moet een lokaal beleid zijn?

Een tweede focusgroep ging door op 14 december 2016 (zie bijlage 6 voor aanwezigheidslijst). De focusgroep voor grotere gemeenten in een stedelijke context richtte zich op de vraag: hoe vrijblijvend moet een lokaal beleid zijn? We gingen dieper in op de vraag of lokale besturen eerder vrijblijvend en vraaggestuurd dienen te werken door enkel actie te ondernemen als er een vraag komt vanuit de verenigingen zelf. Of als een beleid eerder proactief te werk moet gaan en sterkere eisen moet stellen aan lokale werkingen. Op basis van de resultaten uit het onderzoek gingen we het gesprek aan met stad Eeklo. In hun subsidiereglement is toegankelijkheid namelijk een expliciete voorwaarde. De jeugddienst van Eeklo lichtte toe dat organisaties die een subsidie aanvragen, 40% van de subsidiemiddelen aan inclusie moeten besteden. Er wordt gewerkt met een puntensysteem en het dossier moet mondeling worden voorgesteld aan een externe jury. Doordat jeugdwerkingen


16 mondeling hun inspanningen moeten toelichten, is er de mogelijkheid om in dialoog te gaan en kan de jury tips geven. Ook werkingen die niet uitblinken in het schrijven van dossiers krijgen op die manier een kans om een subsidie binnen te halen. De inspanningen die worden gedaan om kwetsbare doelgroepen te bereiken, worden meegenomen in de quotering. In Eeklo lijkt dit een evidente zaak: organisaties stellen deze regeling niet in vraag. Voorwaarde is wel een geïntegreerd verhaal, waarbij men de juiste partners en mindset heeft. Er is bij andere lokale besturen een duidelijke schroom om voorwaarden op te leggen of jeugdwerk te verplichten om de oefening over toegankelijkheid grondig te maken. Want raak je die laatste vrijwilliger niet net kwijt door ook dat nog te eisen? 'We moeten al blij zijn dat jongeren zich willen engageren'. Hier en daar lijkt een proces van ontkokering ingezet, maar dit proces zit duidelijk nog niet ver. Uit de bevraging, de interviews en de focusgroepen werden nauwelijks uitspraken gedaan die wijzen op een geïntegreerd gemeentelijk beleid. JOS vzw zei hierover het volgende: “Wat ik heel belangrijk vindt, vanuit de stad dan, is dat we stoppen met die verkokering. We maken de omslag bij de stad om alle vrijetijdsinitiatieven te clusteren: cultuur, sport en jeugd. (...) Die verkokering tussen jeugd en welzijn, die is er zeker ook wel en dat moet opengebroken worden. De stad moet zich presenteren aan jeugdverenigingen als de stad en het is niet de dienst welzijn die zich moet bekendmaken of de dienst jeugd en dat is zeker en vast wel een werkpunt. En dat gaat dus heel concreet over projectsubsidies of ondersteuningsvormen.”


17

Conclusies Wat meteen opvalt, is dat er weinig structurele middelen zijn ter ondersteuning van inclusie. In slechts 1 op 4 gemeenten worden financiële middelen ter beschikking gesteld. Er zijn ook nauwelijks gerichte structurele subsidielijnen voor doelgroepspecifieke werkingen (2 op 34 gemeenten). Hetzelfde geldt voor projectsubsidies rond inclusie: bijna geen enkel lokaal bestuur heeft specifieke projectsubsidies rond inclusie in de gemeente. De gemiddelde jeugddienst zet dus niet proactief in op de insluiting van kansengroepen via gemeentelijke subsidies. Maar een heel kleine groep aan gemeentebesturen neemt hierin wel een regierol op. De meeste gemeentebesturen hanteren een vraaggestuurde strategie als het gaat over inclusie in plaats van een proactief beleid. In de focusgroepen kwam naar boven dat jeugddiensten soms zelf geen duidelijk antwoord hebben op vragen van organisaties rond inclusie. De kennis, maar ook de tijd, is niet altijd voorhanden. Bovendien vinden lokale besturen het niet evident om organisaties te verplichten de denkoefening te maken. Waar het bestuur van Eeklo aantoont hoe dit wel kan – daar is het jeugdwerk verplicht om rond inclusie stil te staan om 40% van hun middelen te krijgen – merken we bij andere lokale besturen een duidelijke schroom om zaken op te leggen aan organisaties. Het vraaggestuurde ondersteuningsbeleid van gemeenten naar het lokaal jeugdwerk werkt in die zin sterk bestendigend. “Wat is” krijgt middelen en aandacht. Het gevoerde beleid werkt echter nauwelijks tot niet corrigerend ten aanzien van de insluiting van kansengroepen. Uit onder andere de interviews bleek dat jeugddiensten nauwelijks tot geen vat hebben op de visieontwikkeling van lokale leiding. Ze kijken hiervoor naar de koepels van het jeugdwerk. De ondersteuning van de koepels tot op het lokale jeugdwerkniveau is echter erg gedifferentieerd. Dit maakt dat de respons op een concrete vraag van de doelgroep erg verschillend wordt ingevuld naargelang werkvorm of gemeente. Bovendien wordt werken aan inclusie zowel binnen jeugddiensten als koepels nog vaak gezien als ‘een bonus’. Als alle andere uitdagingen zijn gecounterd, kan dit worden aangepakt. Recht op vrije tijd voor kansengroepen wordt in die zin


18 vaak alleen passief benaderd. Als er concrete vragen liggen naar ondersteuning, komt men in actie. Structurele pistes liggen zelden klaar om te verkennen. Hierbij gaat men onbewust voorbij aan het feit dat de zwakste groepen hun rechten juist niet opeisen. Uit de bevraging aan de jeugdwerkorganisaties, blijkt dat zij wel degelijk op zoek gaan naar extra financiĂŤle middelen om hun inspanningen rond inclusie te bekostigen. Veel van deze pistes situeren zich buiten de jeugddienst die vaak niet tot het netwerk van de lokale organisatie behoort. We durven hieruit besluiten dat het bestaan van lokale subsidies enerzijds vragen kan genereren en bewustmaking kan vergroten. Anderzijds kunnen lokale werkingen tijd en ruimte winnen als ze niet meer via andere wegen zoals bijvoorbeeld sponsoring aanvullende financiĂŤn moeten zoeken. Wanneer er echter wel subsidies voorhanden zijn, blijkt uit de bevraging aan het jeugdwerk dat zij hierover een beperkte kennis hebben. Gemeentebesturen communiceren naar eigen zeggen actief, maar het jeugdwerk zelf is kritischer. Men betwijfelt of de betrokken leiding wel voldoende is ingelicht en de info bij de juiste persoon terecht komt. Ook blijkt uit de interviews dat bij de informatiedoorstroom jeugdwerkkoepels een rol spelen: zowel het jeugdwerk als de jeugddiensten geven hier verschillen aan over de mate waarin dit gebeurt. In het onderzoek werd hier evenwel niet voldoende op gefocust om relevante uitspraken te doen. Het is wel duidelijk dat er binnen de koepels een duidelijk verschil zit in de omkadering rond dit thema. Hoewel er weinig structurele subsidielijnen zijn voor toegankelijk jeugdwerk, zien we dat velen het belangrijk vinden dat er meer aandacht is voor kwetsbare groepen. We hopen dat dit onderzoek een oproep mag zijn om deze aandacht nog te vergroten en in acties om te zetten.


19

Onderzoek naar de invloed van subsidiereglementen op de toegankelijkheid van lokaal jeugdwerk  
Onderzoek naar de invloed van subsidiereglementen op de toegankelijkheid van lokaal jeugdwerk  
Advertisement