Page 1

VERHALENDE JAREN Gatse Boschma

1


1


De lachende kok Terwijl de harde Zuidwesterwind door de verstaging van de voor ons afgemeerde zeiljachten zingt, huilt en giert, en zo een wonderlijke melodie componeert, genieten wij op het terras van een verfrissend drankje. Net op tijd redden we de glazen van de ondergang als een plotselinge windstoot al het andere in één vloeiende beweging van de tafeltjes veegt. Asbakken en menukaarten zeilen door de lucht en ploffen meters verderop weer neer. Het schept een wonderlijke eensgezindheid tussen de bezoekers aan de diverse tafeltjes. Iedereen probeert gillend te redden wat er te redden valt. ‘De Lachende Kok’ had ik op een bord bij de ingang gelezen. Waarom ik dat een toepasselijke naam vond, wist ik toen nog niet. Maar het leek me een verademing, na alle televisiekoks die het ongetwijfeld goed zullen bedoelen, maar op een ongelooflijke manier tekeer kunnen gaan tegen even goedwillende doch minder begaafde soort- c.q. branchegenoten. ‘Le chef qui rit’. Het was weer eens wat anders dan ‘le vache qui rit.’. Toen ik hem voor de eerste keer zag, viel de gelijkenis mij onmiddellijk op Alleen de neusring ontbrak, maar hij had een forse goudkleurige ring aan één van zijn oorlellen hangen. Voeg daarbij een groot hoofd met een woeste snor, maar verder zo kaal als een pas opgewreven biljartbal, en de gedachten aan hoge zeeën en wijde verten dringen zich op. Hij moest wel veel van de wereld hebben gezien. Hij stormde naar buiten om zijn bezittingen te redden, maar deed dat met een bulderende lach. Hier klonk de lach van de doorgewinterde zeeman aan het roer van zijn jacht dat door een plotselinge windstoot zich op één oor vleit, maar tegelijk op hol slaat als een Arabische volbloedhengst dat de sporen heeft gekregen. ‘Ha, ha, toe maar Aeolus, probeer het maar. Het zal je niet lukken. Hier ben ik de baas’ Hij verzamelde alles wat hij nog bij elkaar kon harken in een grote jutezak, veegde in dezelfde beweging ook de parasols naar beneden en beende weer met grote passen richting de keuken. De windstoot was een teken. Dat was wel duidelijk. Na nauwelijks

1


een minuut verduisterde de hemel als werd er een gordijn voor de zon geschoven. Van het ene op het andere ogenblik werd het pikzwart en barstte er een onweer los, zoals je dat maar een paar keer in je leven meemaakt. De regen viel letterlijk met bakken uit de hemel, bliksemstralen verlichtten de hemel spookachtig en de donderslagen waren niet in decibellen uit te drukken. Hierbij vielen alle bestaande uitdrukkingen in het niet: ’hondenweer’ veranderde op slag in een mild voorjaarsbuitje en ‘het regent dat het giet’ werd een speelgoedgietertje. Nee, de Oranjesluizen werden in één vloeiende beweging vol opengezet. De totale terrasbevolking probeerde zich als één man naar binnen te haasten. De toegang was met een paar forse openslaande deuren op een behoorlijke toeloop berekend, maar dit waren teveel in te korte tijd. M.a.w. de toegang verstopte, met als gevolg dat er een prop bezoekers onder een immens grote douchekop stond. Eenmaal binnen veranderde de natuurstenen vloer binnen de kortste tijd in een pierenbad. Het water stroomde werkelijk naar binnen en het was er overvol met schuilende, soppende mensen. Uiteraard was het beschikbare aantal stoelen ook niet op deze toestroom berekend. Een staande receptie noemden wij dat vroeger. Ik probeerde zoveel mogelijk naar achteren door te schuiven. Het leek wat op het binnenlopen van een overvolle haven. Soms vind je dan, helemaal achterin nog wel eens een plaatsje. En zo was het hier ook. Stijf tegen de achterwand, naast de keukendeur was zowaar nog een stoel vrij. Bijna dankbaar nam ik plaats, want dit kon nog wel eens een hele tijd gaan duren, begreep ik al snel. Mijn tafelgenoten zaten hier kennelijk al wat langer. Behoudens de harde klappen, hadden ze van het noodweer nog niet veel gemerkt. ‘Slecht weer?’, vroeg er iemand uit louter beleefdheid. Ik kon moeilijk anders doen dan het volmondig beamen.‘Tja, de tijd van het jaar zeker’, merkte een ander op. Eveneens volmondig, maar hij was aan het eten. Ik bekeek de kaart eens. Als ik hier nu toch moest verblijven, kon ik, misschien niet voor hetzelfde geld, maar in ieder geval wel voor hetzelfde gemak, iets gaan eten. Het viel mij op dat er eigenlijk maar één menu werd geserveerd. Het werd omschreven als een ‘tien gangenmenu voor een schappelijke prijs’. De tien gangen werden verder niet omschreven, maar de taal sprak mij wel aan. Ik keek eens om mij heen

2


voor zover dat nog mogelijk was en zag dat, naar mijn inschatting, iedereen ook inderdaad met een onderdeel van het menu bezig was. De één had een spoon, de ander een klein kopje met iets wat ik meende te herkennen als een heldere bouillon en een derde had een gefrituurde garnaal op een lepeltje. Het zag er allemaal veelbelovend uit. De keukendeur zwaaide open en daar verscheen ‘de lachende kok’. Het enige verschil met zijn verschijning op het terras was de torenhoge koksmuts die hij droeg. Een imponerende gestalte. Hij lachte weer aanstekelijk toen hij bulderde: ‘dat moest effe rap daarbuiten. Effe de handjes laten wapperen en wat zeil minderen. Wat mag het zijn. Eenmaal menu en nog wat te drinken? Dat komt straks, want we beginnen met een drankje van het huis. Hoort er allemaal bij. Je vraagt je af hoe kan het allemaal voor dat geld.’ ‘Eigenlijk wou ik een theaterdiner. Maar dat heeft een dubbele bodem. Kijk, het eten is slecht, want dat merk je toch niet door het toneelspel en het spel is slecht, maar dat hoor je weer niet omdat je zit te eten. Dat is dus van beiden helemaal niks. En tweemaal niks blijft niks.’ En weg was hij weer. Ik hoorde hem in de keuken nog lachen. De eigenlijke bediening liet hij over aan zijn personeel. Maar het leek wel of iedereen door zijn positieve levenshouding werd aangestoken. Er heerste een soort jolige stemming, niet normaal voor dit soort gelegenheden. Het meisje, dat met een zwierige beweging mijn drankje serveerde deed dat met een olijke glimlach en koketteerde openlijk: ‘alstublieft mijnheer, nummer één van een lange reeks. Neemt er maar rustig de tijd voor, want dat zult U nog nodig hebben. Zowel de rust als de tijd.’ Een doordenkertje, dacht ik. Maar hoe ik ook doordacht, ik kwam er niet uit. Toen ik haar na een paar gerechten naar de betekenis vroeg, flirtte ze: ‘afwachten, mijnheer, we zijn pas begonnen.’ Ik kon er geen chocola van maken. Intussen was de kok ook alweer een paar maal aan tafel verschenen om het volgende gerecht aan te prijzen. Hij deed dat steeds met dezelfde overtuiging, maar ook met verstand van zaken. Ieder gerecht bleek in naam iets met varen en zee te hebben: een gebrast razeil, een kaapstander, een stukje verschansing, windkracht zeven, of een lopend zeetje. Het leek soms of de gerechten hem op datzelfde ogenblik te

3


binnen schoten. Maar in de loop van de avond kreeg je een idee van: wat, waar en hoe. ‘Gedurende lange nachten aan het roer had hij het allemaal bedacht,’ vertelde hij. ‘Bemanning aan boord at wat de kok hen voorzette, Vond men het achteraf helemaal niets dan kreeg de kok zijn congé.’ Dit had hem op de idee gebracht een kaart samen te stellen met weinig keus in de menu’s, maar met een overvloed aan gerechten. Hij had zich verdiept in de samenstelling van een ‘overdadig menu’ dat betrekkelijk weinig calorieën bevatte, maar een uitstekende prijs – kwaliteitverhouding moest hebben. Topkoks uit diverse landen hadden hem geadviseerd, en zo was het menu ontstaan. ‘Na zoveel jaren op zee lokte de vaste wal’, vertelde hij. ‘Hij waagde de gok en had tot nu geen moment spijt gehad.’ Alleen de lach was van hem zelf en dat had hij maar zo gelaten. Over kok is restaurant die gerechten zelf aanbeveelt en uitleg verschaft, maar gelardeerd met veel humor. Meer conferencier dan kok. Hij vertelt over theaterdiner: dubbele functie – het eten is slecht, maar dat merk je niet omdat je wordt afgeleid door het toneelspel en het toneelspel is slecht, maar dat merk je niet omdat je zit te eten. Op de vraag of we nog iets konden eten, antwoordde men: nee er zijn geen aardappelen meer. Ongetwijfeld als persiflage op la vache qui rit had men het restaurant ‘de lachende kok’ genoemd. Het beeldmerk toonde het beeld van de lachende koe, maar met een koksmuts op en een schootsvel omgeknoopt.

4


Doordrinken, opa ‘U moet wel flink doordrinken opa,’ sprak de vrijwilligster in ‘Avondrood’, een bejaardenhuis aan de rand van de stad. Verzorgingscentrum heette het nu. Vroeger, toen het nog gewoon bejaardenhuis heette, wisten de bewoners waar ze aan toe waren. Ze waren bejaard en zaten in een groot huis dat daar speciaal voor was opgericht. Maar nu het Verzorgingscentrum heette, veronderstelden veel bejaarden geheel ten onrechte dat ze nu ook verzorgd zouden worden. Maar daar was geen tijd meer voor en misschien ook wel geen geld. Het komt wel vaker voor dat mensen die ergens het meest bij zijn betrokken er de minste kijk op hebben. Avondrood was gesitueerd aan de uiterste buitenkant van de stad. De stedenbouwkundigen hadden diep nagedacht over de meest gunstige bouwlocatie en na ampele overwegingen was deze plaats uit de hoge hoed gerold. De architecten waren daarin meegegaan en hadden een monsterlijk gebouw ontworpen waarbij alle wooneenheden, kamers dus, naar buiten waren gericht. Zo konden de toekomstige bewoners allemaal mooi naar buiten kijken en het landschap bewonderen. Een prijzenswaardig initiatief, vonden de opdrachtgevers. Het was ongetwijfeld zomer geweest toen deze gedachten op papier waren gezet en verder waren uitgewerkt. Zomers viel er ook wat voor te zeggen, maar helaas kent de natuur ook een winterslaap en wat zomers in bloei staat lijkt winters grauw en triest. De naam Avondrood was uit diezelfde hersenkronkel ontsproten. De zonsondergangen moesten welhaast adembenemend zijn. Sommige bewoners gingen daar heel ver in mee en vergeleken de ondergaande zon met hun eigen situatie. ‘Dag zon,’zeiden ze iedere avond. ‘Slaap lekker, en misschien tot morgen.’ Misschien ging dit nog wel verder dan de ontwerpers hadden bedacht. In ieder geval hadden ze niet bedacht dat de oudere medemens misschien ook nog wel eens de behoefte zou voelen zich naar het centrum van de stad te laten verplaatsen, om andere mensen te zien en een andere winkel met iets meer keus dan hun eigen ‘supermarkt’ beneden in de hal bij de uitgang. Maar ja, die leeftijd hadden de doorgeleerde heren nog niet bereikt. En dus zaten 188 ouderen gevangen in een soort gouden kooi. Prachtig, maar wel

5


gevangen. Hij haatte het. Hij haatte het drankje dat ze hem driemaal daags probeerden te laten drinken. ‘U moet wel flink doordrinken, opa.‘ Hij haatte het meisje met haar iets te schel stemgeluid dat pijn deed aan zijn oren. Terwijl toch algemeen bekend mocht worden geacht dat de hoge tonen bij ouderen het eerst verdwijnen. Jaren geleden had men hem al eens geprobeerd te interesseren voor een hoorapparaat, zodat hij weer deel kon nemen aan de gesprekken om hem heen. Hij had tot dan nooit het gevoel gehad iets te hebben gemist, en toen hij hoorde wat die hightech apparaten wel niet zouden moeten kosten hoorde hij alles weer haarscherp. Het meisje oogde weliswaar geduldig, maar je moest wel voortmaken. Hij haatte het allemaal. “U moet wel flink doordrinken, opa.’ ‘U moet wel flink doorhappen, opa.’ ‘U moet wel flink doorschuifelen, opa.’ ‘U moet nu wel gaan slapen, opa.’ ‘U moet ’s nachts wel doorslapen, opa.’ ‘U moet ’s morgens wel weer wakker worden, opa.’ ‘U moet wel door, opa.’ Door, door, door. Alles moest en niets mocht. Natuurlijk deden ze hun best. Dat begreep hij ook wel, maar het maakte hem opstandig en tegelijk melancholiek. Vroeger was het allemaal anders geweest. Dar herinnerde hij zich nog heel goed. Die goeie, ouwe tijd. Hij was 61 jaar getrouwd toen zijn vrouw overleed, en daarna was hij in een soort vrije val beland. Toen bleek eigenlijk pas goed hoeveel zij voor hem had betekend. Hoe ze hem al die jaren had gesteund en voor hem had gezorgd. Hij had altijd gemeend dat hij zijn leven aardig op de rails had. Maar na haar overlijden, hadden de wissels regelmatig verkeerd gestaan en was hij verschillende malen ontspoord, of hij had een ontsporing nog net kunnen voorkomen. Ze woonden samen al in een appartement met ‘voorkeur voor 55+.’ Zo ver hadden ze het samen nog geschopt.

6


Hij had er daarna nog een aantal jaren alleen ‘gebivakkeerd’, want wonen kon je het nauwelijks meer noemen. Hij had een buurvrouw gehad die aanvankelijk regelmatig even binnenwipte, daarna was er een hulp in de huishouding gekomen en werden zijn maaltijden geserveerd door ‘tafeltje dekje’. Maar toen hij, ondanks alle goede zorgen, langzaam afgleed naar een soort apathie voor alles wat er om hem heen gebeurde, was hij in Huize Avondrood beland. Aanvankelijk nog in een zogeheten aanleunwoning en nu alweer twee jaar in de achterste coupé van de trein. Omdat hij zich dat laatste heel goed realiseerde, werd hij steeds chagrijniger. En dat paste helemaal niet bij zijn karakter en levenshouding. Leef je leven was altijd zijn motto geweest. Maar dan moest er nog wel iets zijn om voor te leven. Hij had alles al moeten inleveren: zijn geluk en zijn vrijheid, maar ook zijn rijbewijs en zijn bankpasje. ‘Zullen wij dat maar niet liever even voor U bewaren, opa.’ Dat betekende: ‘hier maar met die spullen. Je weet het nooit met die oudjes.’ Ze bewaarden het in een kluisje, zeiden ze. Kijk opa, hier zit het in. Alles wat we voor U bewaren. En wij hebben de sleutel. Kijk, dit is dus Uw sleutel, maar wij passen erop. Dus als U er wat uit wil halen, vraagt U ons gewoon even om de sleutel. Maar wat zou hij er uit moeten halen. Hij wist nauwelijks meer wat er in zat. Maar het was zijn kluisje. Dat wel. Het laatste wat ze hem hadden afgenomen om op te bergen was zij gouden horloge. Ooit gekregen: ‘als beloning voor goed gedrag en als dank voor de dienstenbewezen aan ons bedrijf, gedurende een lange reeks van jaren.’ Ze bedoelden, dat hij het had verdiend door 25 jaar als een trouwe hond achter zijn baas aan te lopen en alleen zijn mond open te doen als ze hem iets vroegen en er van hem werd verwacht dat hij dan antwoord zou geven. Dat hij 25 jaar volgehouden, en dat was eigenlijk best lang, vond hij zelf. Leef je leven. ‘Ik ben, als ik er over nadenk, mijn hele leven schizofreen geweest’, dacht hij wel eens. ‘Twee zielen, één gedachte.’ Hij moest onwilkeurig glimlachen en schrok wakker. ‘U moet wel flink doordrinken, opa’, zei ze.

7


Een bewogen vlucht Ons vliegtuig had vertraging. Dat komt meer voor en het is dus niet iets om je bij voorbaat druk om te maken. We waren op de terugweg naar huis, na 10 dagen vakantie in een zonnig land. Een georganiseerde vakantie, zoals dat heet. We komen op een leeftijd dat we, alles wat anderen voor ons organiseren, hogelijk waarderen. In dit geval betekende dat een retourvlucht met onze nationale trots, transfer met een shuttlebus van het vliegveld naar het hotel met een voldoende aantal sterren, vol pension en een aantal interessante excursies. Het had ons allemaal als muziek in de oren geklonken en was ons tot nu prima bevallen. We konden het iedereen van harte aanbevelen. De excursies waren inderdaad uiterst interessant gebleken, de verzorging was uitstekend geweest en de reisleiding behulpzaam en deskundig. Kortom, een vakantie zoals een vakantie hoort te zijn. Maar aan alle goede dingen komt een eind en dus‌‌ De shuttlebus had ons ruimschoots op tijd afgezet bij de airport. We hadden afscheid genomen van onze reisleiders en ons bij de rij wachtenden gevoegd om in te checken en de bagage af te geven. Ze waren streng deze reis. Iedere koffer werd nauwkeurig gewogen en overgewicht werd in rekening gebracht. Bovendien werden alle trolleys gemeten en gewogen. Klopte het niet dan werden ze consequent als bagage beschouwd, gestickerd, op de band geplaatst, gewogen en als extra bagage berekend. Dat liep leuk op, zagen we. Wij vonden het ook wel een goede zaak. De groeiende hoeveelheid tassen en trolleys die mee naar binnen worden genomen maken dat de bagagekisten boven je hoofd overvol raken en amper nog gesloten kunnen worden. Dit bedachten en bespraken we, terwijl we stonden te wachten en zeer langzaam in de rij naar voren schoven. Wij hadden geen problemen met de bagage, bleven keurig binnen het maximumgewicht en hoefden niets bij te betalen. Het blijft altijd een spannend ogenblik, vinden we. Hoewel we ruimschoots tijd hadden, gingen we toch maar richting onze Gate; B8, stond op het ticket. Tot B7 was het geen probleem, maar B8 vonden we boven. We moesten een trap op en zagen een lege hal met glazen deuren, maar hermetisch gesloten. Er was ook geen wacht ruimte, tenzij we op de

8


grond zouden gaan zitten. We daalden weer af naar B7 en wachtten daar op de dingen die zouden gebeuren. Er zou vast wel iemand komen. Langzaam druppelden de passagiers binnen bij B7, liepen dan na enig speurwerk de trap op naar B8, maar kwamen ook weer naar beneden en voegden zich bij de rest van het volk. Men wandelde wat rond en liep eens naar de andere Gates, maar iedereen keerde ook steevast weer op zijn schreden terug. Daar zagen we haar voor het eerst: ‘the pink lady’ doopten we haar op hetzelfde ogenblik. Ze schuifelde achter een kofferkar, hing er half overheen en duwde zichzelf vooruit. Geschatte leeftijd met ruime marges: 40 jaar. Doorleefde jaren, leken het ons. Op haar karretje stonden zeker zes stuks handbagage, alle in een zelfde hardroze kleur en opvallend. Het grootste stuk handbagage was groter dan voor handbagage is toegestaan, dat zagen we vanaf deze afstand heel duidelijk. Hoe had deze dame het klaargespeeld met die verhuizing door de controle te komen, waar iedereen alles moest inleveren. Ze droeg roze laarzen met hakken van 12 tot 15 cm, een dachten wij, witte, pantalon, een roze trui, daar zagen we nog een brede strook van, onder een witte jas met een brede, jawel: hardroze ceintuur. Ze moet blond zijn geweest, maar dat konden we nauwelijks meer onderscheiden, want ze droeg een zeer forse pet in dezelfde opvallende kleur en het geheel werd bekroond door een donkere zonnebril met even opvallende grote, ronde glazen. Ze trok de aandacht en misschien was dat ook wel de bedoeling, zeiden we tegen elkaar. We vroegen ons wel af hoe zij met al haar bagage straks naar boven moest komen, maar toen we, veel later, onze plaatsen hadden gevonden, zagen we haar door het gangpad naar achteren strompelen, zich links en rechts vasthoudend aan de stoelen en achter haar aan kwamen een paar stewards, of ander boordpersoneel, met de bagage. Ze was binnen en zat op haar plaats. Maar daarmee was het feest nog niet voorbij. Het bleek dat ze op de plaats van een andere passagier zat. Ze probeerde aanvankelijk met handen en voeten uit te leggen dat die meneer ongelijk had. Ook de stewardessen konden haar niet overtuigen. Dat was haar plaats, wat er ook op het ticket was ingevuld. Tenminste, dat begrepen wij, want er scheen niemand te zijn

9


die precies verstond wat ze zei. Ze liep moeilijk, demonstreerde ze, iets met haar knieën, en daarom moest ze daar zitten. De man die meende recht te hebben op die plaats nam ten langen leste genoegen met een andere plaats. Gelukkig was er nog ruimte in overvloed. Toen de motoren zouden worden gestart, hoorden we een eigenaardig raspend geluid. Een versleten startmotor in een auto op jaren, maakt soms hetzelfde geluid. En net als bij een auto wil de motor dan niet starten. De pogingen volgden zich in steeds hoger tempo op, maar het verlossende geluid bleef uit. Er werd niet gestart. En dus werd er ook niet gevlogen. Het zou toch niet waar zijn dat we met een ander toestel zouden moeten vliegen. Maar het was wel waar. Nauwelijks verstaanbaar, maar we begrepen dat we er weer uit moesten. Met een bus werden we naar een ander toestel gebracht. Iedereen nam zijn plaats weer in. Zelfs onze ‘pink lady’ was weer aan boord gehesen en zat meteen op de goede plaats. Everybody happy? Dan gaan we starten en vliegen. Ziezo, we waren onderweg. Ineens ontstond er een kabaal achter ons. The pink lady moest naar het toilet en dus moest er een steward aan te pas komen om haar te begeleiden. En zoals dat gaar, begon toen het geroezemoes. De passagiers om haar heen vormden een front. Men wou haar daar niet meer hebben, want ze was zo stoned als een garnaal, hoorden we iemand zeggen. En ze stonk een uur in de wind, beweerde een ander. Een zeer pénetrante parfumlucht vermengd met een even doordringende dranklucht. Het personeel werd er bij gehaald en men stond er op, dat zij een andere plaats kreeg. Er waren immers nog zitplaatsen genoeg. Even dreigde er een opstand toen het personeel vond dat daarvan geen sprake kon zijn, maar die kozen eieren voor hun geld. Ze lichtten haar begeleider in die bij de deur had postgevat om haar weer op te vangen. Hij moest het maar vertellen, meenden de anderen. En vraag niet hoe ze het voor elkaar hebben gekregen, en de hoogste baas aan boord moest er aan te pas komen, maar ze kregen haar zo ver dat ze genoegen nam met een andere zitplaats. Het zal wel beter voor haar knieën zijn geweest. Een beetje verongelijkt deed ze, dat wel. Ze

10


mokte, dachten wij. Ze leefde pas weer op toen de meisjes langskwamen met de versnaperingen. Ze bestelde iets alcoholisch en dat verwonderde ons niet. Wat nog wel opviel was dat de rest van de vlucht er steeds iemand van het personeel even bij haar langs kwam om een praatje te maken. Een belangrijke passagier. Toen we landden zagen we bij de uitgang van het vliegtuig een invalidenwagentje staan met twee marechaussees ernaast. En op weg naar de lopende band voor de koffers passeerden ze ons. The pink lady zat erin als een vorstin. Maar wel een beetje verlept, vonden we.

11


12

verhalende jaren  

75 jaren met 75 verhalen

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you