Page 1

PRIJZEN VAN MEISE

2012

POËZIE KORTVERHAAL

SCHILDERKUNST

TONEEL

POËZIE

Jules Van Campenhoutprijs

KORTVERHAAL Ward Ruyslinckprijs

SCHILDERKUNST Maurits Naessensprijs

TONEEL

Het amateurtheaterfestival van Meise


PRIJZEN VAN MEISE

de Muze van Meise Brusselsesteenweg 69 1860 Meise Tel 02 268 61 74 demuzevanmeise@skynet.be

www.demuzevanmeise.be

2


I NHOUDSTAFEL JULES VAN CAMPENHOUTPRIJS 1ste prijs Luc C. Martens Gestraft 2de prijs Mark Meekers Schildersverdriet

p8

p9 3de prijs Frans A. Brocatus Sneeuw p 10 Eervolle vermeldingen p 11

WARD RUYSLINCKPRIJS

1ste prijs Martine Wolfaert Stout 2de prijs Patricia Cappuyns De Groepssessie 3de prijs Heleen Driesen Roest

MAURITS NAESSENSPRIJS

1ste prijs Stefan Peters Fence 2de prijs Trix van Batenburg Kust in Noord-Frankrijk 3de prijs Bart Vinckier Elikia Eervolle vermeldingen

HET AMATEURTHEATERFESTIVAL VAN MEISE

p 20

p 24

p 29

p 40

p 41

p 42 p 43

p 50


4

PRIJZEN VAN MEISE


Om de twee jaar stelt Meise de deuren open van een artistieke arena waarin kunstenaars uit het hele land zich kunnen meten met andere kunstenaars. Drie wedstrijden en een (nog bescheiden) amateurtheaterfestival kleuren de maand maart van elk even jaar op de kalender. Uit alle windstreken verschijnen er dan inzendingen in diverse stijlen, formaten en gewichten. De jury’s hebben een zeer moeilijke taak om in die weelde op zoek te gaan naar de biënnale kampioenen van de Prijzen van Meise. Maar ze kwijten zich elke keer met veel ijver en vooral vakkundigheid van hun taak. Wie niet gewonnen heeft kan ik alvast aanraden er het palmares van de voorbije wedstrijden eens op na te slaan, heel wat dichters, schrijvers en schilders die een prijs in de wacht sleepten hebben sindsdien ook naam gemaakt. Je neemt het in Meise op tegen zware kalibers en daar zijn we fier op.

PRIJZEN VAN MEISE

Het Amateurtheaterfestival van Meise neemt dit jaar een bescheiden start, in plaats van een wedstrijd willen we hier een podium bieden aan amateur-toneelproducties uit de wijde regio, die de moeite waard zijn. We nodigen de gezelschappen nu al uit om zich kandidaat te stellen voor de editie 2014!

VOORWOORD

De andere kant van ons evenement -en daar zijn we even trots op- is dat we ook de niet-winnaars in de schijnwerpers plaatsen. Iedereen die aan de Naessensprijs deelneemt wordt tentoongesteld, uit de ruim 300 inzendingen van de poëzieprijs worden een aantal eervolle vermeldingen in deze bundel gepresenteerd en een selectie van kortverhalen kan je raadplegen op onze website: www.demuzevanmeise.be

Ik wil tenslotte ook graag iedereen bedanken, die aan deze organisatie heeft meegewerkt, de jury’s, de deelnemers, de vrijwilligers, de administratie, de cultuurraad, GC De Muze van Meise en in het bijzonder OPENDOEK en FNAC. Joos Vereertbrugghen, Schepen van Cultuur 5


JULES VAN CAMPENHOUTPRIJS

POËZIE

De Jules Van Campenhout prijs is een wedstrijd die tweejaarlijks georganiseerd wordt door dichters ouder dan 18 jaar. Kandidaten kunnen max. vijf ongepubliceerde en elders niet bekroonde gedichten insturen.

POË jury Theo H.A. Slachmuylders (voorzitter)

Geert Jan Beeckman Bert Bevers Richard Focqué Ann Van Dessel

6


1ste prijs Luc C. Martens Gestraft

p8

POËZIE 2de prijs Mark Meekers Schildersverdriet

ËZIE 3de prijs Frans A. Brocatus Sneeuw

p9

p 10

JULES VAN CAMPENHOUTPRIJS

POËZIE

7


1STE PRIJS Gestraft

LUC C. MARTENS

de ontsnapte parkiet, de tulpen in hun knop in het vergiet, de fiets zonder licht op het voetpad, de kersen uit de boomgaard van de buren bij de appels in de kelder verschrompelde ik op het vergeelde krantenpapier, gedroogde letters in mijn keel, bang van poeder op de winteraardappelen ‘s avonds aan de keukentafel zweeg vader een mond vol stilte en zure haring. ik nam van de verplichte kaas, moeder schilde oude letters van een belegen appel

8


2DE PRIJS

Schildersverdriet MARK MEEKERS (MARCEL RADEMAKERS)

weer schildert hij met het laatste grijs van zijn adem een afgeleefd landschap. bomen, ziek en moe van zoveel licht te dragen. de ogen wondkorsten. klaprozen het zwijgen opgelegd. het penseel verliest zijn wilde haren, wordt kaler met de dag. uit belegen tubes een vijver geknepen. verschaald water grauw als gietijzer. de horizon muurvast, geen kans er over te kijken. daarboven een zon zoals enkel een gestigmatiseerde hand ze weergeven kan. wie niet door vergaan getekend is, verdient de schoonheid niet. zijn enig verweer tegen de genadeklap, de kleine eeuwigheid op mensenmaat. en toch. wanhoop doet soms wonderen.

JULES VAN CAMPENHOUTPRIJS

POĂ‹ZIE

9


3DE PRIJS Sneeuw

FRANS A. BROCATUS

Een man sneeuwt. Tussen zijn gewei legt hij zijn meest trage tong. Onder zijn keelpels luisterademt hij in zijn ringbanen van bloed. Er is dat ene verlichte bovenraam dat hij sluit voor de sterren. Hij stapt van boom naar stam, sneeuwt op de mond van haar maan.

10


EERVOLLE VERMELDING

Twijfel

MARTIN CARRETTE

En dan zijn er de vragende dagen, waarop oostwaarts weer de magere monniken langstrekken. De buigzame stoeten van kleurig gezang zien niet om, gedreven door de sterke keel van de wind. De klankschalen onder de kaalgeblazen kruinen worden als door schrale houten vingers beroerd. Die dagen waarop het almaar blijft ruisen uit de ruggen, stammen, gebogen en stevig gegrondtoond. Maar op een morgen, het baart nauwelijks opzien, gaat het weer westwaarts, de ommekeer klinkt bekend in de oren. En er is geen antwoord op de vraag die hapert in de schurende stem van de aarde.

POĂ‹ZIE

JULES VAN CAMPENHOUTPRIJS

11


EERVOLLE VERMELDING

Buiten vliegt de nacht KARIN Dテ右

nog los van mij, nog onaangeraakt glijdt de schoot van het bed de kamer in. Ik vlinder tegen je aan, een mot danst tegen het raam naar het licht. Jij slaat je lach over mijn schouder en vraagt of ik mee nachtwaarts ga. Traag wuift het laken zich open, knielt de bedrand voor de honger in mijn dorst. In mij streel jij stormen tot leven. De nacht loopt over de bloemen op het overgordijn, legt mijn trillende vleugels in de knoop. Ik bezorg jou. Liefje, sla me aan juichende diggelen.

12


EERVOLLE VERMELDING

Driehoog overwinteren RIK DEREEPER

“O visited women. Foreign lusts infringe our restraints…” Geoffrey Hill Er moet een slaap zijn die minnaars huiswaarts jaagt, de aftocht niet overlevend. Een winterslaap die hun spieren knijpt tot stollend klei. Zoals bij dieren die gaan liggen in stervende dieren wanneer koude onverwacht hun leden strekt, hun ogen toedoet en zich terugtrekt. Zo’n lange slaap waar ik niet van huiswaarts raak. De vrieskou strikt me rillend in je flat: elke poging tot gebaar van je af te komen als een minnaar gaat teloor in splinters ijs op onze huid. Asemgeluid piept flinterdun, het nauwelijks nog praten kunnen. Het moeten slapen aan elkaar. Tot de dooi invalt en smelt de glasheldere pijn die ons zo omzichtig knelt. Dat minder ijskoud liefhebben, dat zacht geweld van niet meer samenzijn: wuivend daal ik langs de treden. Met ontvroren lippen blaas je, als was ’s winters slapen kinderspel, een handvol kusjes naar beneden.

13


EERVOLLE VERMELDING

In de maat van de zee LIEVE DESMET

Op het uur van de visser tastend in een blinddoek van water en lucht gooit hij zijn netten. Het zeegat ingelokt moet hij vrucht verlossen, verliezen hermeten, zich spoelen in een storm. Een dichter komt meestal van kale reizen terug. Karig de vangst die zilt doordrenkt groter is dan mazen. Soms verklanken stemmen, doorrookt als haringen aan wal zijn nagejaagde lied dat zich vasthaakt in een passant.

14


EERVOLLE VERMELDING

Navel

SYLVIE MARIE

zo voelt zwanger zijn dus. de kamer verlicht door de ramen en op de sofa een plaats om te wachten. mensen buiten lopen niet langs zoals ze horen langs te lopen, vogels op de takken zijn de vogels op de takken anders en binnenshuis is ingehouden adem. een hand op een buik, een blik op haar instulping die steeds kleiner wordt, het hoofd vol gecursiveerde zinnen en namen, namen.

15


EERVOLLE VERMELDING

Daarna

HILDE PINNOO

Het is niet omdat ze zwijgen dat ze net zo goed alleen konden zijn, of dat er geen zorgen zouden groeien, als onkruid in de moestuin. Tot nu toe is hij nog altijd degene die kan slapen ’s nachts en alle duivels en vleermuizen op afstand houdt. Maar hoe moet dat daarna, wanneer – in een onbepaalbaar maar grijnzend later – het grote sterven zijn opwachting maakt en de één de ander alsnog in de steek zal laten? Hoe doe je dat, voor altijd weggaan van wie je bewoont?

16


EERVOLLE VERMELDING

Ze moet een punt zetten LEEN RAATS

ze moet een punt zetten. en beginnen vandaag opent ze geen gordijnen ziet geen zon moet haar woorden als sokken in de bovenste lade te rusten leggen onuitspreekbare leugens in kreukvrije stof vouwen elke dag heeft een reden die ze niet begrijpt wanneer ze zichzelf achterlaat blijft ze toch een beetje  

17


WARD RUYSLINCKPRIJS

KORTVERHAAL

De Ward Ruyslinckprijs staat open voor iedereen, ouder dan 18 jaar, wonende in België. De deelnemers dienen een kortverhaal in te sturen dat niet langer mag zijn dan vijf getypte pagina’s. Het thema is vrij. jury

Stan Lauryssen (voorzitter) Chris Van Camp Dominique Biebau

KORTVE 18


1ste prijs Martine Wolfaert Stout 2de prijs Patricia Cappuyns De Groepssessie

3de prijs Heleen Driesen Roest

p 20

p 24

KORTVERHAAL p 29

WARD RUYSLINCKPRIJS

KORTVERHAAL

ERHAAL

19


1STE PRIJS Stout

MARTINE WOLFAERT

20

Toen mijn kleine zus werd geboren, zorgde mijn oma voor me, met roodbehuilde ogen en een handtas volgestopt met chocola. Dat weet ik nog goed, want voorheen kreeg ik nooit chocola. ‘Ik wil geen zus,’ zei ik, toen ik de nieuwe baby na een maand te zien kreeg. Met haar dikke buik en haar stokkenbeentjes leek ze op een diepvrieskip. ‘Ze huilt bijna nooit,’ zei mijn moeder aan de tantes die rond het bedje stonden. ‘Dat was met Jonas wel anders. Hij kon hele dagen huilen!’ Ik stak mijn tong uit naar de snertkip die niet huilen wilde. ‘Ik haat baby’s,’ riep ik, toen Silke voor het eerst haar lipjes vertrok in een scheve grijns. ‘Ik wil geen meisje,’ pruilde ik, de eerste keer dat de peuter mijn vinger greep. ‘Meisjes zijn stom en flauw.’ Ik kneep haar hand, ze begon zacht te huilen, met korte stootjes. Ik zag wel dat Silke geen watje was. Als ze viel, gaf ze geen kik, terwijl ik bij het minste schrammetje begon te brullen. Ik zag wel dat ze lief was. Ze knuffelde alle mensen, of ze hen nu kende of niet. In haar ogen, amper een spleet, danste altijd een glimp van plezier. Silke mocht zich niet vermoeien. Ze had een aangeboren hartziekte, iets wat wel vaker voorkwam bij haar afwijking. Silke sloeg de hele dag naar ingebeelde vliegen. Ze maakte mijn speelgoed kapot en beet vaak in mijn arm of been. Als ik huilde, kwam ze bovenop me liggen en streelde en kuste me. Toen ze zes was, ging ze naar een aangepaste school. Samen met moeder wachtte ze buiten op haar bus. Mama kamde nog eens over Silkes stugge haar, dat alle kanten oppiekte, ging nog eens met een zakdoek over de kwijldraad op haar kin. Terwijl ik mijn boekentas op mijn fiets riemde, stapte Silke op de bus. ‘Dag Jonas, dag, dag, dag!’ ‘s Avonds werd ze thuis afgezet. ‘Mama?’ was het eerste wat ze riep. Daarna galmde haar schaterlach in de gang. Trots toonde ze wat ze op school had geleerd. Ze kon haar naam schrijven, ijverig en geconcentreerd, het puntje van haar tong uit haar mond. Ze leerde tellen. De verrukking spatte uit de kleine ogen. Ze hield van het licht. Overal in huis zocht ze de lichtste plekjes op. Als het mooi weer was, liep ze naar buiten. Plukte madeliefjes en margrieten. Het meest hield ze van paardenbloemen. Als die uitgebloeid waren, klemde ze de stengels van de pluisbollen in haar vuist, blies uit alle macht, haar ogen stijf dichtgeknepen. ‘Wensen, wensen.’ Het lukte haar nooit om in één keer alle pluisjes weg te blazen, er bleven altijd wel een paar wensparachuutjes achter. Ze snoepte graag, ik liet haar hele voorraden lekkers voor ons jatten en bewaarde alles in een doos onder mijn bed. ‘Het is ons geheim,’ zei


ik haar, ‘ons Voor Altijd Geheim.’ Ze schaterde, huiverend van het verboden genot. Ze zei nooit veel, humde vaak in zichzelf. Ze was acht toen ze voor een operatie naar het ziekenhuis moest. ‘s Avonds hoorde ik het tuinhekje niet opengaan. Er klonk geen schaterlach in de gang. Niemand vloog rond mijn nek. Op school vroeg de meester me wat er scheelde, of ik ziek was. Ik vertelde het hem. ‘Het spastje is ziek!’ riep de jongen die naast me zat. ’s Avonds schopte ik hem van zijn fiets. Na veertien dagen mocht ik mee naar het ziekenhuis. Mijn zus lag wit in het witte bed, haar roze, dun geworden konijn in haar vuist gekneld. ‘Je mag vlugvlug weer naar huis,’ fluisterde ik, ‘zeven keer vlug’. Ik gaf haar tikjes op haar wangen: zeven keer, dat bracht geluk. Ze kwam terug naar huis met een berg medicijnen en een groot litteken op haar borst. Ze lag op de bank, speelde met haar roze konijn. Op de grond lag de nieuwe, hagelwitte knuffel die ze van oma had gekregen. ‘Had je pijn in het ziekenhuis, zus, moest je huilen?’ ‘Erg pijn, nie huilen.’ Ze humde verder tegen het roze konijn: ‘Overgegeefd. Een snee, een spuitje.’

WARD RUYSLINCKPRIJS

KORTVERHAAL

Silke vond het geweldig toen ik verpleegkunde ging studeren. ‘De zieken geneest!’ straalde ze. Ik ging op kamers wonen, maar op vrijdagnamiddag kwam ik thuis. Met haar 1 m 40 en 80 kg bewoog Silke zich altijd traag en bedachtzaam. Maar op vrijdagavond haastten de dikke voetjes zich over onze oprijlaan, en viel ze me schaterend rond de nek. In vijf minuten tijd hoorde ik soms evenveel lachen als in de voorbije week. Het meest opvallende aan mensen met het syndroom van Down, leerde ik in de les genetica, waren hun specifieke ogen en neus, hun kleine, mollige handen met de vreemde handlijnen en de korte, stompe vingers. Hun huid was droog en schilferend. Meisjes menstrueerden vaak al vanaf hun negende. Het hele rijtje klopte, maar het had niets met Silke te maken. Een bus bracht haar nu elke dag naar een beschutte werkplaats. Ik werkte ondertussen op een afdeling voor intensieve zorgen. Silke was vaak ziek. Op een nacht had ze hoge koorts. Ik overlegde met de huisdokter en gaf haar een inspuiting. ‘Stout!’ riep ze. ‘Jonas stout!’ Ze probeerde in mijn been te bijten. ‘Het is voorbij, zusje, ik ben weer lieflief, zeven keer lief!’ Ze kuste me, wreef met een voorzichtige vinger over mijn been. ‘Jij mag ons bruidsmeisje zijn!’ beloofde ik haar op een dag. ‘Je krijgt een bruidsmeisjesjurk! Welke kleur wil je het liefst? Blauw?’ ‘Nie blauw, roze, roze, roze. Mama ook roze.’ Ze kreeg een zalmkleurige jurk met pofmouwen. Het werd de mooiste

21


dag van haar leven. Ze gaf ons de ringen aan, haar tong hing van inspanning uit haar mond. Ze hielp me om ballonnen op te blazen voor de kinderen. Ze gierde het uit als er een op knappen stond. ‘Stop,’ riep ze, ‘stop lucht! Ontploft!’ Twee jaar later hield ze onze pasgeboren baby in de armen. Opeens ontblootte ze haar zware borsten, de baby sabbelde eraan. Silke keek naar me, een diepe rimpel boven haar neus. ‘Een Voor-Altijd-Geheim.’ ‘Ja?’ ‘Geen baby’s voor Silke.’ Ik pakte haar in mijn armen. De denkrimpel verdween. Op haar twintigste lag ze wekenlang op intensieve zorgen, in leven gehouden door apparaten en slangetjes. Mijn ouders durfden haar niet aan te raken. Toen ze tenslotte terug zelfstandig begon te ademen, verhuisde ze naar een speciale verzorgingsinstelling in de stad. Ze werd op een streng dieet gezet. ‘Silke eten hebben?’ Ze zocht voortdurend naar iets lekkers in moeders handtas en in mijn jaszak. Er bleven steeds minder stukjes Silke over. De uitdrukking verdween uit haar gezicht. Ze verloor haar lach, haar Silke lach. Onze ouders stierven kort na elkaar. ‘Zorg dat ze geen sukkelaar wordt,’ waren de laatste woorden van mijn moeder. Ieder weekend bleef ik mijn zus bezoeken in het verzorgingstehuis. Ze lag er hele dagen te woelen, trok lakens en dekens over haar hoofd, pulkte haar luier open. Het ooit roze konijn hield ze in haar vuist geklemd. Vaak ijlde ze. ‘Mama?’ ‘Nee, ik ben het, Jonas, je broer.’ ‘Jonas.’ En even later: ‘Mama?’ In onze kelder vond ik nog een paar potjes jam die mijn moeder had gemaakt. ‘Lekker,’ zei ik en stak Silke een volle theelepel toe. ‘Doe je mond open, zus, hij is van mama!’ Ze griste het potje uit mijn handen en smeet het kapot op de grond. Op een dag gaf ik een kus op haar arm. ‘Dag, dag, dag, zeven keer dag.’ Ze lachte, vreemd en huiveringwekkend, als het hinniken van een paard. Een geluid dat geleidelijk overging in een klaaglijk geschrei. ‘Silke nie alleen laten.’ Ik drukte mijn gezicht tegen haar roze hoofdhuid. ‘Geen denken aan,’ zei ik.

22

Een week voor haar dertigste verjaardag werd ze opnieuw in allerijl naar het ziekenhuis gebracht. Ze lag weer aan een beademingstoestel. Haar ogen waren open. Ik zocht het leven erin, ik vond niets. Soms geeuwde ze. ‘Reflexen,’ zei de verpleger, ‘niks om


je aan vast te klampen.’ Ik keek naar de vreemde vrouw in het witte ziekenhuishemd. Haar haar hing verward om haar hoofd, haar mond stond open, een straaltje speeksel liep op het kussen. Tijdens mijn studies had ik over palliatieve zorgen gehoord. Ik sprak erover met de dokter. ‘Dat is hier niet aan de orde,’ meende hij. Zijn woorden ploften als een stomp in mijn maag. ‘Het is genoeg geweest. Ik werk ook op intensieve zorgen. Maar er zijn grenzen. Leven heeft alleen zin als het iets met leven te maken heeft. Jullie moeten niet verlengen wat er niet meer is.’ De dokter zei dat ik me vergiste. Dat Silke wel degelijk leefde, en dat het nooit in hem of in zijn collega’s zou opkomen om mijn zus op te geven, te meer omdat ze zoveel moeite hadden gedaan om haar te redden. ‘Dit noem ik geen leven, dokter.’ ‘De vitale organen werken, meneer. Als ze ooit weer beter wordt, kan ze zelfs terug naar een verzorgingstehuis, een ander wellicht, aangepast aan de behoeften van de patiënt.’ Bijna elke dag nam ik de lift naar de tweede verdieping. Als de liftdeuren open gleden, hoorde ik het beademingsapparaat: Silke’s kamerdeur stond op een kier. Op een keer kwam een Afrikaanse werkster in een groene schort en met een emmer wit sop naar me toe. Ze leunde op haar poetsmop: ‘So’ n sukkelaar!’ Met grote, donkere ogen knikte ze naar Silke’s kamer.

WARD RUYSLINCKPRIJS

KORTVERHAAL

Het is lente, een late middag. Ik doe de deur van haar kamer achter me dicht, de hitte valt klam op me neer. Zoals altijd ligt Silke naar het licht gekeerd, naar de lichte lentedag: haar lichaam, haar hoofd, haar armen en handen naar het raam. Lucht wordt gepompt. In en uit. In en uit. Iets is groot als een ballon. Iets wacht tot het knapt. Er mag geen lucht meer bij. Ik maak het beademingsapparaat en het ziekenhuishemd los, pak de roze bruidsmeisjesjurk uit mijn tas en drapeer hem over haar heen. ‘Zou je graag bij mama zijn?’ fluister ik. ‘Kom maar bij mij, we gaan naar haar toe.’ Ze hangt zwaar in mijn armen. Ik streel haar hoofd, het grijzende haar is zijdezacht in haar nek. ‘Nog heel even, dan komt mama,’ fluister ik. ‘Ze zal ook in het roze zijn. Dag, dag, dag lieve zus van mij. Ben ik stout? Nee, dit keer is het geen spuitje. Toe, zeg eens, vind je me nu weer stout?’ Ik sta op en kijk door het raam. Massa’s gele paardenbloemen keren zich naar het licht. Sommigen zijn al veranderd in witte pluisbollen. In wachtende wensparachutes.

23


2DE PRIJS

De Groepssessie PATRICIA CAPPUYNS

De gang was lang, licht, recht, met een betegelde vloer en lichtgroen geschilderde muren. De veronderstelling was dat lichtgroen rustgevend was voor de patiënten, maar die veronderstelling dateerde al van de jaren ’70 toen men nog hetzelfde dacht van electroshoks. Bijna schudde hij zijn hoofd terwijl hij door de lichtgroene gang beende, zijn aktetas in zijn rechterhand, zijn witte jas gesteven en toegeknoopt. Hoe ver was de moderne psychiatrie niet gevorderd de laatste decennia. Patiënten werden niet meer gepord, gestoken, door elkaar geschud. Nee, men nam ze ernstig en zette hen bij elkaar in groepen om beter naar hen te kunnen luisteren. Hij geloofde sterk in het helende effect van de groepssessie, en had over de jaren heen een niet onaardig palmares van patiënten bijeengesprokkeld die elkaar naar de beterhand hadden geholpen. Slopend waren ze wel, die sessies. Gelukkig kon hij uitkijken naar een vroege avond met Freya, een goed glas wijn aan de open haard en wie weet wel een uitgebreid warm bad om de dag af te spoelen. Hij stapte het groepslokaal binnen en keek de kamer rond. Acht patiënten zaten in een cirkel. Sommigen keken hem met grote ogen aan. Anderen schuifelden zachtjes op hun stoel of onderzochten geïnteresseerd hun vingernagels. Het was een nieuwe groep van patiënten met een verstoord zelfbeeld. Lichte gevallen, ambulante patiënten. “Goeiemiddag iedereen, ik ben Dokter Hermans,” zei hij, met begrip maar vooral autoriteit, alsof de therapie al in gang was gezet met het uitspreken van zijn naam. De eerste jaren had hij het moeilijk gevonden om zich met enig gezag voor te stellen aan een nieuwe groep. Ze zagen er meestal ook zo verdomd verloren uit. Wie was hij dat hij deze gebroken zielen op het rechte pad kon zetten naar een mooiere toekomst, of minstens de weg kon tonen uit een pokkeverleden? Inmiddels had hij zijn ergste twijfels overwonnen. Niemand anders zou zich met deze sukkelaars bezig houden als hij het niet deed. Gaf die vaststelling op zich hem niet voldoende legitimatie om hen te begeleiden?

24

“Dit is onze eerste sessie samen. Ik stel voor dat jullie zich eerst allemaal voorstellen. Als je dat wil, tenminste. Het staat je even goed vrij om eerst te luisteren als je dat liever doet.” Hij maakte oogcontact met elk van de acht patiënten en probeerde in te schatten wie er het minst erg aan toe was. Die kon misschien beginnen. Een jonge vrouw van rond de 25 ving zijn blik, sloeg even haar ogen neer en keek hem dan onmiddellijk weer aan. Schuchter maar interactief. Troebel maar bereikbaar.


WARD RUYSLINCKPRIJS

KORTVERHAAL

“Juffrouw, misschien kan u beginnen? Wat is uw naam?” “Martine,” zei de vrouw met heldere stem. Ze keek naar haar knieën en dan opnieuw naar hem. Haar ogen stonden vragend. Ze wou meedoen maar wist niet wat er van haar verwacht werd. “En waarom bent u hier? Waar zit u mee?” “Ik ben poetsvrouw – was – poetsvrouw van beroep. Ik maak graag dingen proper. Als kind al. Heb het gewoon graag netjes. Hou niet van troep. Als ik troep tegenkom, doe ik het weg. Dat was dus het probleem.” Het probleem?” “Mijn laatste job was in het Museum. Het Museum van Schone Kunsten. Ze hadden het mij niet uitgelegd, ik wist niet beter. Ze waren komen verven in die vleugel de week ervoor. De vleugel was nieuw en ging enkele dagen later worden geopend.” Martine viel stil. “En wat gebeurde er toen, Martine?” “Het was rechtstreeks op de muur aangebracht, zonder kader. Ik vond het lelijk. Het was troep. Ik dacht dat ze gemorst hadden met de verf. Weet ik veel, ik ben een poetsvrouw, ik heb geen kunst gestudeerd.” “Je hebt iets proper gemaakt dat je niet mocht proper maken?” “Het was een ‘Banksy’, blijkbaar.” Ze spat de naam uit. “Dat vertellen ze je ook pas achteraf. Had nog nooit van die vent gehoord. Als er nu gewoon iemand had gezegd, Martine, van die muur blijf je af. Maar nee, al die sjieke curator types hebben wel betere dingen te doen dan te praten met de poetsvrouw. Het heeft bloed, zweet en tranen gekost om al die verf weg te schrobben, ik ben zelfs speciaal bijtend product gaan kopen in de Brico. Maar die muur was wel proper.” Ze deed een klein lachje, half trots. Dan versomberde haar blik weer. “En dan zijn ze kwaad natuurlijk. En ik maar sorry zeggen. Denkt u dat er iemand sorry tegen mij gezegd heeft? ‘Sorry, Martine, we hadden het beter moeten uitleggen?’ ‘Sorry dat je er zo veel werk hebt ingestoken?’ ‘Hoeveel was dat bij de Brico, we zullen het al gauw terugbetalen?’ Niets van dat. En maar roepen en tieren. Schelden zelfs. ‘Stom kuiswijf, hoe is dat nu mogelijk.’ Ik ben op staande voet ontslagen.” “En wat gebeurde er toen, Martine?” “Ik vond mijn draai niet meer. Ik poetste mijn appartementje drie keer per dag. Ik heb het graag proper, al van toen ik klein was. Dan ben ik de stoep beginnen schuren, en daarna de hele straat. Heb mij kwaadgemaakt tegen de mensen die voorbijreden. Die auto’s zijn altijd zo vuil. Ze zijn mij uiteindelijk komen halen toen ik het standbeeld in het stadspark aan het opblinken was.” Martine keek rond. “En nu zit ik hier. En vuil dat dat hier is! En nergens een bus

25


Ajax te vinden. Dat is niet gemakkelijk voor mij.” Verongelijkt kruiste ze de armen. Dokter Hermans voelde aan dat ze niet veel meer ging zeggen tijdens deze sessie. Hij zocht een volgend probleemgeval. “U, meneer? Wil u iets kwijt aan de groep?” De man was achteraan de vijftig. Een boekhouder of geleerde. Oogde zeer betrouwbaar met zijn ronde brilletje en wollen rolkraag. Uit ervaring wist Dokter Hermans dat dat vaak de ergste waren, degene die er normaal uitzagen. Hij zette zich schrap.

26

“Jazeker,” zei de man. “De naam is Pieters, Professor Pieters. Ik ben hoogleraar.” Professor Pieters liet een korte pauze alsof hij voor een volle aula stond en net een aartsmoeilijk academisch concept had uitgelegd. Altijd de mensen even tijd geven om informatie te verwerken. “Zo,” zei Dokter Hermans bij gebrek aan beter, en hij liet ook een korte pauze. “En waarmee kunnen we u helpen?” “Ik deed onderzoeken, Dokter.” Hij gebruikte de titel als om duidelijk te maken dat ze gelijken waren. Een Dokter tegen een Professor. Wat doet het er toe dat de ene een witte jas aanheeft en de andere niet. “Zeer veel onderzoeken. Ik deed verbijsterende vaststellingen. Vegetariërs zijn minder agressief dan vleeseters. Linkshandigen hebben meer succes in het leven dan rechtshandigen. Dat soort dingen.” Hij keek Dokter Hermans aan over de rand van zijn ronde brilletje alsof hij vreesde dat de Dokter er niet veel van zou begrijpen. “Ik publiceerde in de New Scientist.” Opnieuw een korte pauze. “Ik kwam op de televisie en over het minste werd mijn mening gevraagd.” “En toen liep het mis?” “Nee, toen liep het helemaal niet mis! Het ging zo maar lekker door. Jaren aan een stuk. Ik beheerde het onderzoeksbudget van de faculteit, begeleidde wel twaalf projecten tegelijk. Ik deed al mijn veldonderzoek zelf.” Pauze. “Toén is het misgelopen.” Dokter Hermans bleef hem aankijken tot hij zijn verhaal hervatte. “Mijn medewerkers vroegen naar de vragenlijsten. Van al mijn veldonderzoek. En dat was een probleem.” “Waarom was dat een probleem?” “Er… er waren namelijk geen vragenlijsten.” “Geen vragenlijsten?” “Nee. Ik had helemaal geen veldonderzoek gedaan.” Professor Pieters keek Dokter Hermans aan alsof hij een student was van bijzonder traag begrip. “U had de resultaten van uw onderzoek verzonnen?” “Daar komt het op neer, als je de kranten gelooft.” Professor Pieters keek verongelijkt. “Persoonlijk weet ik niet waarom er al die heisa rond gemaakt wordt. Ik moest presteren, onderzoek verrichten, met


WARD RUYSLINCKPRIJS

KORTVERHAAL

resultaten komen. Ik heb een kortere weg genomen en een deeltje van het werk overgeslagen omdat ik onder tijdsdruk stond. Het was inderdaad bijzonder leuk geweest als ik veldonderzoek had kunnen doen. Maar die luxe had ik gewoon niet. Trouwens, de mensen geloven toch alleen wat ze willen horen. Waarom dan al die moeite doen voor dat veldonderzoek?” Dokter Hermans krabde aan zijn rechteroor. “En wat zijn uw plannen voor de toekomst?” “Tja, onderzoek zal er niet meer bij zijn. Lesgeven ook niet. Ze hebben namelijk mijn titel afgepakt. Eigenlijk ben ik nu gewoon Meneer Pieters.” Professor Pieters leek zelf oprecht verbaasd. “Zodra ik weer beter ben, ga ik boeken schrijven. Fictie.” Dokter Hermans knikte begrijpend. “En u meneer?” De volgende patiënt was een man in een versleten maathemd met manchetknopen. Hij kuchte voor hij begon. “Stokmans, bedrijfsleider. Voormalig bedrijfsleider. Momenteel een bijzonder slechte crimineel.” Daar zit een verhaal achter, dacht Dokter Hermans. Hij knikte naar Stokmans dat hij verder mocht gaan. “Ik was een goede bedrijfsleider, dacht ik toch. Maar van de ene dag op de andere werd ik op straat gezet wegens bezuinigingen. Ik kreeg natuurlijk wel een mooie ontslagvergoeding, maar die heb ik vrij snel opgemaakt. Ik was namelijk ook aan het scheiden en ik vermoed dat ik op hetzelfde moment door een soort mid-life crisis ging. Het was een beetje veel tegelijk. Misschien had ik die Ferrari niet moeten kopen. Of toch niet direct na die dikke Mercedes.” Dokter Hermans droomde al jaren van een dikke Mercedes. “Ik kwam dus in geldnood. Ik had het gevoel dat de maatschappij mij in de steek had gelaten en vatte het plan op om de maatschappij terug te pakken. Ik zou een oud dametje beroven. Zoals in Schuld en Boete, weet u wel.” Professor Pieters knikte begrijpend. Hij hoopte dat daaruit voldoende bleek dat hij het boek had gelezen. “Ik hield haar eerst een week in de gaten en zag dat ze enkel op woensdag buiten kwam. Bezoek kreeg ze niet. Ze zag er eigenlijk best wel vriendelijk uit. Die maandag belde ik aan met een smoes en drong ik binnen in haar huis. Ik zei dat ze mij al haar geld en juwelen moest geven.” “En wat gebeurde er toen?” “Ze gaf mij een draai rond mijn oren. Ze zei dat mijn moeder beschaamd zou zijn. En toen zette ze koffie. We hebben de hele namiddag gepraat. Over haar zoon in het buitenland, haar kippen. Ik heb ze nog mee helpen voederen. Uiteindelijk stopte ze mij 100 euro toe en toen ben ik in tranen uitgebarsten. Ik heb zelf de politie gebeld

27


om mij aan te geven. Ik kreeg opschorting van straf, maar moest verplicht in therapie gaan.” Stokmans keek rond in de groep. “Ik kom met de bus.” Plots ging de deur van het groepslokaal open. Alle patiënten keken nieuwsgierig op. Dokter Hermans zat met zijn rug naar de deur en draaide zich geërgerd om. Een verpleegster in een lichtgroen uniform stapte gedecideerd op hem af. Ze had een spuitje vast. “Hubert! Wat ben je nu weer aan het doen? Waar heb je die witte jas vandaan? En waarom zit je hier samen met ambulante patiënten? Hoe dikwijls hebben we niet gezegd dat je niet uit je eigen gang mag komen zonder begeleiding? We waren jou overal aan het zoeken!” “Zeg, laat de Dokter eens met rust! ” zei Martine. “We waren net zo gezellig aan het babbelen. En ik praat al niet zo gemakkelijk over mijn problemen.” “Dokter Deprez komt zo dadelijk,” zei de verpleegster tegen de patiënten. “Hij staat in de file maar hij zou hier over enkele minuten moeten zijn. Kom Hubert, wij gaan terug naar de gesloten afdeling.” Hubert stond recht, nam zijn aktentas en knikte de patiënten gedag.

28


3DE PRIJS Roest

HELEEN DRIESEN

Zestien ben ik, en vier weken ver, wanneer ik mijn fiets voor het eerst bij het tankstation aan de randweg parkeer en in Benny’s shop om een pakje Gauloises vraag. ‘Light alstublieft, meneer’. Ik heb vanmorgen toen de strip tweemaal roos kleurde, beslist om minder te gaan roken. Meer uit plichtsbesef dan uit overtuiging. Ik houd er niet van mezelf dingen te ontzeggen. Vooral niet als ik er aan gehecht ben. En toegegeven, ik hecht aan mijn verslavingen. Ze zijn mij trouw, dat kan niet van alles gezegd. Ik heb nog andere zaken beslist vanochtend. Bijvoorbeeld dat ik dit zo lang mogelijk zal proberen verborgen te houden. Of als dat niet lukt, dat ik zo lang mogelijk zal ontkennen. Een slechte leugenaar ben ik niet. Daarin ben ik het kind van mijn moeder. Het station heeft een tijdje leeg gestaan. De laatste dagen was er weer beweging. Het losse grind werd van de oprit geveegd, de ramen van de shop gelapt. In de bloembakken tegen de gevel kwamen viooltjes. Blauwe met gele kroontjes. Lief en zonde van hun geld. Ik geef ze op zijn hoogst twee weken. Sinds eergisteren staat er op mijn terugweg van school een jongen op uitkijk. Ik zie hem al van ver staan. Wijdbeens, met gekruiste armen. Een magere jongen met een spitse neus en de ogen van een hond. Had ik van mijn moeder een hond gemogen, had ik er een gekozen met de ogen van deze jongen. Groot en glanzend. Ogen waaraan je alles mocht beloven. Ze had nee gezegd, mijn moeder, had ik het haar gevraagd. Zodra ik de oprit insla, haast de jongen zich naar de shop en wringt zich achter de toonbank. Bij de toon van de zoemer grijnst hij mij aan alsof ik ijslolly’s verkoop. Ik grijns terug op een manier die mij sociaal aanvaardbaar lijkt en doe mijn bestelling. ‘Prachtig weertje vandaag, nietwaar juffrouw?’ Terwijl ik de munten uitsorteer, tokkelt de jongen opgewekt met zijn vingers op de toonbank. Ik voel een lichte spijt dat ik mezelf hier naartoe heb gebracht. Gewoonlijk koop ik mijn sigaretten bij de krantenwinkel in het centrum van het dorp. Daar kennen ze mijn naam en mijn merk. En wellicht nog een hoop andere zaken die ik liever niet weet. Ik word er snel bediend, dat is wat telt. ‘We worden verwend de laatste tijd.’ Vanmiddag had ik geen zin in beleefdheden. Op school heb ik zo snel ik kon mijn tas gepakt, mijn fiets uit de rekken getrokken en ben als een gek beginnen trappen om de rest van de klas voor te blijven. Het hielp. Mijn hoofd was leeg toen ik de laatste brug afbolde. ‘Dat belooft voor de zomer.’

29


Ik kijk op. Deze jongen heeft het talent zo vrolijk te klinken dat ik er zelf op slag treurig van word. ‘Valt wel mee, meneer.’ ‘Benny’, zegt hij. ‘Zeg maar Benny.’ ‘Benny.’ Ik dwing mezelf adem te halen. ‘Benny. Sorry.’ Ik houd de geldbeugel tussen mijn vingers geklemd. Mijn handen trillen. Het lukt me niet ze onder controle te krijgen. Op de toonbank liggen de munten uitgespreid. Het is me een raadsel welk bedrag ik precies bijeen aan het zoeken ben. Ik kijk op en vang Benny’s blik. In een tel, een tussenmaat buiten de tijd, komen wij elkaar tegen. De meest onverbrekelijke beloften worden gemaakt op momenten die er schijnbaar niet toe doen. Benny en ik sluiten zo’n belofte op het ogenblik dat ik, in de shop waar ik op vrijdagnamiddag net na schooltijd, vlak voor het begin van de zomervakantie, op weg naar huis en bijna een maand zwanger, mijn tel verlies bij het afrekenen van een pakje sigaretten. Ik kijk naar Benny, voel alle kracht in een heftige, pijnloze kramp uit mijn lichaam wegstromen en begin onhoudbaar te huilen.

30

Ze ligt op de bank en kijkt op France 3 naar een aflevering van Derrick. Om haar Frans bij te schaven, beweert ze zelf. Omdat ze niets beters te doen heeft, weet ik. In de kamer hangt een geur van oude schoendozen. ‘Hallo.’ Ze springt op en scharrelt een asbak van het bijzettafeltje. Ik mag van haar niet roken in het appartement. Ik prop mijn boekentas in het opbergmeubel naast het dressoir en laat haar. Ik heb geen zin in gedoe. ‘Eten in de koelkast’, zegt ze. Ik haal het folie van de schotel. Kip met rijst. Ze heeft gekookt. Of tenminste iets in die richting geprobeerd. ‘Hoe was je rapport?’ Het klinkt alsof ze een hele middag op die vraag heeft liggen repeteren. Zo praat ze meestal wanneer ze veronderstelt belangstelling te moeten tonen, in mij of in andere voetnoten van haar leven. Mij maakt ze niets wijs. Een hete voorzomerdag aan het strand. Zij in een ligstoel, ik op blote voeten in het zand. Ik heb een tractor met een laadbak die echt omhoog kan en graaf een gat in de aarde rondom mij, levensgroot. Dan kijk ik op en zie haar niet meer. Drie kwartier later komt ze me oppikken aan de reddingspost. Uitgelaten. Haar arm om de schouders van een strandwacht. Grappend om mij en mijn onredelijk verdriet. Bij een volgende uitstap krijs ik het flatgebouw bijeen tot ze de koelbox weer uit de auto haalt. We gaan nooit meer naar zee. Ik haal mijn schouders op.


‘Ik mag overgaan.’ ‘Mooi zo.’ Onberispelijk opgewekt. Dat houdt ze nooit lang vol. Ik heb naar mijn moeder leren luisteren als naar een slecht afgestelde radio. In de weken dat het goed met haar gaat, is ze vrolijk en luidruchtig. Dat zijn de meest pijnlijke weken. Gaat het slecht, dan is er stilte, af en toe onderbroken door een fluittoon precies op golflengte van mijn oren. ‘Je kijkt zo sip.’ Ik heb geleerd om ruis te appreciëren. ‘Wat scheelt er? Met de oortjes van mijn mp3-speler in, ga ik aan de eettafel zitten. ‘Er is iets’, roept ze. ‘Moeders voelen dat.’ ‘Mooi zo’, roep ik terug. In mijn hoofd start een wijsje. Ik begin te neuriën.

WARD RUYSLINCKPRIJS

Twee maanden. Dat is de tijd die een lichaampje van twee centimeter nodig heeft om zich te vermenigvuldigen tot een wezen dat negen keer zo groot is als zichzelf. Ik heb het opgezocht op het internet. Ik schrok me een ongeluk. Volgens het laatste medisch schooltoezicht meet ik een meter zevenenvijftig centimeter voor vierenveertig kilo. Ik vraag mij af in welk

KORTVERHAAL

In de shop koop ik een chocoladereep. En de dagen erna een aansteker, een blikje limonade, een telefoonkaart, een ruitenkrabber, een rolletje muntjes en alweer een volgend pakje sigaretten. Benny geeft mij wat ik nodig heb en laat me de rest van de dag wat rondhangen bij het station. Hij is bezig met de zaken van grote mensen. Voor mij heeft hij pas tijd als hij daarmee rond is. Dat vind ik prima. Ik houd ervan Benny bezig te zien wanneer hij de pomp bedient. Gewoonlijk tref ik hem aan zoals die eerste keer. Tegen de wegberm aan, neus in de richting van het verkeer, de oren gespitst. Aan de manier waarop auto’s gas terugnemen of aarzelen bij het schakelen, hoort Benny al of ze het station zullen oprijden. Nog voor de bestuurder het portier kan openduwen, staat hij met de slang in zijn hand. ‘Hij mag vol?’ Het klinkt altijd eerder als een vaststelling dan als een vraag. Als de bestuurder te kennen geeft dat hij wel zin heeft in een praatje, babbelt Benny nog een eindje mee. Meestal blijft het bij een snelle knik en een gebaar naar de geldautomaat. De meeste passages zijn vluchtig en eenmalig. Niemand stopt speciaal voor Benny. Hij ligt per toeval op de weg naar mensen en zaken van groter belang. Dat realiseert Benny zich niet. Of hij weigert het voor zichzelf toe te geven. Dat leert hij nog. Ik kan hem daarbij helpen. Hij staat er niet alleen voor.

31


onderdeel van mijn lijf ik die vijftien extra centimeter moet verstoppen. Boodschap is zo veel mogelijk weg te blijven uit het appartement. Dat kost me weinig moeite. Het is een mooie zomer. Ik fiets door de straten in een losse jurk. De zon schijnt over het dorp. Mijn voorhoofd gloeit, mijn haar plakt in mijn nek. Ik voel me vrij en klaar voor avontuur. Het zou een fijne dag zijn voor picknick. Dat vertel ik haar. Dat we op uitstap zijn samen, het kind en ik. Ik laat haar dingen horen. Een grasmaaier, duiven, een haastige brommer, een hond die ons hier liever niet wil. Wij steken onze tong uit en blijven ongedeerd. Zo zou het altijd moeten gaan. Iedere ochtend voor openingstijd ben ik bij Benny. Ik vind hem in het schuurtje achterin. Daar knapt hij een Amerikaanse oldtimer op. Een blauwe cabriolet. Hij wijst mij welke onderdelen hij nog moet inlassen of vervangen, welke stukken moeten ontvet of geplamuurd en in welke vormen hij de platen zal slijpen. Soms laat hij mij een moer indraaien, lijm aanbrengen of een draad aanhechten. Op mijn rug onder de carrosserie voel ik het kind tegen mijn buikwand aankloppen. Ik ril. Het is fris in de schuur. De aanslag van uitlaatgassen heeft de muren klam gemaakt. Ik leun tegen de kast waarin Benny zijn materialen bewaart. Hij is bezig enkele stukken weer in mekaar te passen. ‘Wil jij foto’s nemen?’ ‘Van jou?’ ‘Van de wagen. Terwijl ik eraan werk. Het is belangrijk om niets te vergeten, niets kwijt te raken en vooral niets te beschadigen. Sommige dingen zijn onherstelbaar. Maar dat merk je pas achteraf.’ Ik fotografeer de kleefstof op Benny’s vingers, de roestranden onder zijn nagels, de strepen teer in zijn nek. Ik kijk toe hoe hij de wagen ontmantelt met de precisie van een horlogemaker. Elk onderdeel krijgt een nummer. Ieder schroefje en boutje steekt hij in een plastiekje en bergt hij zorgvuldig weg. Zijn materiaalkast telt tientallen schuifjes, onderverdelingen van schuifjes, doosjes in doosjes, opbergkisten met de perfecte logica van een bijenkorf. Ik stel mij voor hoe op een helblauwe zomerdag uit die raten een zwerm bijen zal weg zoemen, die Benny in hun vlucht zullen meenemen naar hun perfect geordende, gemotoriseerde wereld. Dat zou ik mooi vinden voor Benny. Ik zou niet treuren.

32

Zwanger zijn is in de eerste plaats een geestesgesteldheid. Je lichaam volgt je verstand. Na acht weken legt mijn hoofd zich bij de feiten neer. Nu wordt de hele situatie ook fysiek. Ik slaap onrustig. Ik heb het gevoel dat iets begint te leven buiten mij om. Op dagen dat ik me ‘s morgens te misselijk voel, blijf ik in bed. Mijn moeder zeurt, maar laat me verder met rust.


WARD RUYSLINCKPRIJS

Op een zondagochtend in week elf staat de cabriolet voor het schuurtje. Vers gelakt, met glimmende wieldoppen, leren interieur en Buddy Holly door de boxen. De motor ronkt al. Benny trippelt om de wagen heen als een kip rond haar enige kuiken. Hij lacht. ‘Zin in een ritje?’ We rijden door het dorp. Ik wuif naar iedere voorbijganger. Hier en daar wuift iemand terug. ‘Hij kan nog harder.’ Zijn trui wolt hoog op in zijn nek, happend naar lucht. ‘Hoeft niet’, zeg ik. ‘Nee’, zegt hij. Ik doe mijn ogen dicht en houd mijn adem in tot ik er duizelig van word. ‘Gaat het wel?’ Ja hoor, knik ik. Benny glimlacht zijn gebruikelijke glimlach tot de

KORTVERHAAL

Mijn lichaam krijgt vormen waarvoor het duidelijk niet bedoeld is. Mijn buik bind ik in met een ceintuur uit rekkatoen. In mijn lievelingsrok heb ik aan beide zijden een knip gegeven. Ik koop een paar ruime truien en flodderbroeken. Als ik mezelf in een ruit voorbij zie lopen, lijkt het alsof ik me naast een nieuwe kleerkast ook een ander paar armen en benen heb aangeschaft. Blijkbaar heb ik op het laatste dronken feestje niet alleen het verkeerde jasje, maar ook het verkeerde lijf meegegritst. Mijn moeder doet het af als aanstellerij. Dat vind ik best. Ik probeer zo weinig mogelijk in de weg te lopen, zo snel als kan van plek te wisselen en zo onopvallend mogelijk te verdwijnen. ‘Wat steek je in godsnaam uit bij die kerel?’, vraagt ze op een avond wanneer ik nog na twaalven het appartement binnenkom. Ze weet dat ik liever niet heb dat ze nog wakker is als ik thuiskom. Ik doe alsof ik haar niet gehoord heb en loop door naar mijn kamer. Ze sloft in haar slippers achter me aan en blijft in de deuropening staan. ‘Ik heb horen zeggen dat hij iedere avond zijn pompen opblinkt. Urenlang. Met citroensap, stel je voor.’ Met mijn kleren aan kruip ik onder de deken. ‘Het schijnt dat hij wat simpel is.’ Ze is op het bed gaan zitten. Ik draai mij op mijn andere zij. Haar stem daalt samenzweerderig. ‘Blijf bij zulke types uit de buurt.’ Ze geeft me een kus op de wang en steekt het nachtlampje aan. ‘Ik ken dat soort’. Ik zou mij zorgen kunnen maken om Benny. Hij redt zich wel. Wat maken de praatjes van mijn moeder. Zolang ze zich druk maakt om Benny, maakt ze zich niet druk om mij. Dat begrijpt Benny best. Hij is niet dom. Hij heeft alleen iemand nodig.

33


wereld en tot niemand in het bijzonder. Mijn oren suizen. We houden een picknick aan de zwemvijver en kijken op onze rug naar de zon. De baby ligt tussen ons in. Ze slaapt. Benny legt een hand over mijn ogen. Het gras glanst in het zomerlicht. Nergens een schaduw. Wie niet weg is, is gezien. Zo zou het altijd moeten gaan. Ze staat uit het raam te roken en tikt haar sigaret af op het terras van de buren. ‘Je loopt rond als een sloerie’. Ik bijt op mijn lip en zet mijn bord macaroni in de microgolf. Een minuut op de hoogste stand. Lauw is goed genoeg. ‘Tja.’ Ze plukt een draadje tabak van haar tong en draait haar hoofd weg. ‘Wie bij de hond slaapt.’ Ik lach. Het is zaterdagochtend. Dadelijk beginnen de tekenfilms op de kinderzender. Tegen het aanrecht schuif ik het opstapje dat mama gebruikt om bij de spiegelkast te komen. Daar mag ik niet in kijken. Ik vul de waterkoker en giet het hete water in een kop oploskoffie. De gang is donker. De deur van mama’s kamer staat op een kier. Er brandt licht. Ik houd het ontbijtblad stevig vast, zet mijn elleboog tegen de deur en giechel om mijn verrassing. Ze veert recht in bed en kijkt mij verward aan. Naast haar ligt een man die ik niet ken. Hij heeft helemaal geen pyjama aan. Ik zet het dienblad op de grond, draai mij om en hinkel terug naar de woonkamer. Het duurt dagen voor ik weer wil spreken.

34

Ik houd het winkeltje open terwijl Benny de pomp bedient. Ieder heeft zijn plek. Soms laat hij even zijn post in de steek en komt naast mij achter de toonbank staan. Dan vraag ik hem naar zijn lievelingskleur, de maat van zijn schoenen, de naam van zijn eerste juf, zijn favoriete geur of de geluiden waarmee hij ’s morgens wakker wordt. Benny antwoordt telkens met een woord of een halve zin, terwijl hij langs mij heen alweer naar buiten staart. Af en toe stel ik hem opzettelijk een vraag precies op het moment dat een auto de oprit inslaat. Alleen maar om te zien wie hij zal kiezen: de onbekende chauffeur op doorreis, of ik. Hij kiest altijd voor de onbekende. Met mijn rug tegen het etalageraam aangeleund, kijk ik naar Benny. Soms roep ik hem. Dan draait hij zich naar mij om en kijkt mij vragend aan. Zijn gezicht is leeg. Wat ik wou zeggen, ben ik al vergeten. Dus zeg ik snel iets anders. Ik praat met Benny, Benny praat terug. Dat is alles. Ik zou kunnen zeggen dat er meer is, maar dan zou ik liegen. Het kind schopt tegen mijn buikwand aan. Ik heb zin om terug te schoppen, maar het is buiten bereik.


‘Betaalt hij je nu ook al?’ Ze zwaait triomfantelijk met een briefje van twintig euro dat ze uit mijn broekzak heeft gehaald. Ik vlieg haar aan. ‘Geef hier’, zeg ik. ‘Het zijn je zaken niet.’ ‘Een moeder heeft het recht te weten waar haar dochter mee bezig is.’ In haar hals trekt een spier ritmisch samen. ‘Straks maakt hij je zwanger en zet hij je op straat.’ Ik lach. Ze maakt taart voor mijn verjaardag en ze huilt. Stiekem. Ik trek mijn Barbie nieuwe kleertjes aan. Ze denkt dat ik niet kijk. Als ik nu naar haar toe ga en vraag of ze wil spelen, veegt ze snel haar ogen droog. Zo eenvoudig lossen wij de dingen op. ‘Zeg niet dat het niet gebeurt’, dreigt ze. ‘Kijk naar mij.’ Ik loop de kamer al uit. ‘Kijk naar ons.’ Ik blijf staan en draai mij om, kijk haar aan, trek traag mijn trui uit en leg mijn hand op mijn buik. Ze zakt neer op de keukenstoel. ‘De smeerlap.’ Ik weet dat ik iets zou moeten zeggen, maar ik zwijg, schuif een stoel bij en ga naast haar zitten.

WARD RUYSLINCKPRIJS

Hoeveel hij weet, kan ik niet zeggen. Hij vraagt mij niets. Zoals gewoonlijk laat hij me mijn gang gaan. Alleen lijken we mekaar nu in de weg te lopen; twee vreemden die gedwongen zijn met elkaar in hetzelfde huis te leven. ‘Hoe was het’, vraag ik, ‘zwanger zijn van mij?’ Ze haalt een bord uit het afwaswater en legt het op het aanrecht. Haar vingers zijn dieproze en rimpelig. ‘Wat bedoel je, lieverd?’ ‘Hoe het was, daar.’ Ik wijs naar de appel op haar schort, ter hoogte van haar buik. Ze schudt haar hoofd.

KORTVERHAAL

Het valt moeilijk uit te maken waar een gerucht begint. Misschien was het gewoon een stem die zich vastzette in ons hoofd. Regelmatige bezoekers blijven weg. Losse klanten houden hun portieren gesloten, openen hun raampjes en bevelen Benny via hun achteruitkijkspiegels. Op mij werpen ze heimelijke blikken. Hun ogen blijven langer dan nodig op mijn lijf hangen. Soms knikken ze naar me. Daarbij glimlachen ze. Zuinig. Met alleen de rechterhelft van hun mond. In het schuurtje doodt Benny de tijd met het ordenen en herordenen van zijn schroefjes, buisjes, moeren en tandwielen. Hij schuifelt langs zijn werktafel heen en weer als een onrustig dier langs de bedrading van zijn kooi.

35


‘Fijn,’ zegt ze. ‘Anders. Je bent opeens niet meer alleen.’ Ik knik. Vanuit het etalageraam grijnst Benny naar een onzichtbare bezoeker aan de overzijde van de pomp. Een enkele keer sta ik op het punt met hem te praten. Dan bedenk ik mij. Ik ben hem niets verschuldigd. Hij heeft zijn keuze gemaakt. Vanochtend neem ik een laatste keer de weg naar het tankstation. Ik zie Benny van op een afstand aan de straatkant staan. Onbeweeglijk. Alleen zijn schouders trekken af en toe naar achter, alsof hij onwillekeurig zijn rug moet rechten. Mijn fiets ligt in de wegberm. Op de velden aan de overzijde van het station maait een tractor gerst. Morgen is de zomervakantie voorbij. Ik vis een Gauloise uit het pakje, houd de aansteker bij en inhaleer traag. De smaak van teer kleeft in mijn mond.

WARD RUYSLINCKPRIJS

KORTVERHAAL

36


PRIJZEN VAN MEISE

PRIJZEN van Meise 2012 IN SAMENWERKING MET:

37


MAURITS NAESSENSPRIJS

SCH I LDERKUNST Kunstkring Meise organiseert om de 2 jaar de nationale Maurits Naessensprijs, voor teken- en schilderkunst. De wedstrijd staat open voor iedereen, vanaf 16 jaar, wonende of verblijvende in BelgiĂŤ. De deelnemers dienen twee werken in te leveren, uitgevoerd in olieverf, gouache, acryl, potlood, inkt, aquarel of tempera. jury Diane Vander Aa (voorzitter) Maarten Peeters Jan Wellens Guido Van Causbroeck Katty Renneboogh

SCHILDER 38


1ste prijs Stefan Peters Fence

2de prijs Trix van Batenburg Kust in Noord-Frankrijk

3de prijs Bart Vinckier Elikia

p 40

p 41

SCH I LDERKUNST p 42

MAURITS NAESSENSPRIJS

SCHI LDERKUNST

RKUNST

39


1STE PRIJS Fence

STEFAN PETERS

40


2DE PRIJS

Kust in Noord-Frankrijk TRIX VAN BATENBURG

MAURITS NAESSENSPRIJS

SCHI LDERKUNST

41


3DE PRIJS Elikia

BART VINCKIER

42


EERVOLLE VERMELDING

Ilse Verstraete THINKING

MAURITS NAESSENSPRIJS

SCHI LDERKUNST

43


EERVOLLE VERMELDING

Kleine Duo

GEERT DE BLAES

44


EERVOLLE VERMELDING

Golfslag

IMELDA FERAILLE

MAURITS NAESSENSPRIJS

SCHI LDERKUNST

45


EERVOLLE VERMELDING

Duo 2

MARNIX BEIRLANDT

46


EERVOLLE VERMELDING

Voglio

GEORGETTE VAN NOPPEN

MAURITS NAESSENSPRIJS

SCHI LDERKUNST

47


EERVOLLE VERMELDING

Albino

CHRISTINA MIGNOLET

48


EERVOLLE VERMELDING

Houvast

LUDWIG SCHACK

SCHI LDERKUNST

MAURITS NAESSENSPRIJS

49


JEANNE STRUELENSJUWEEL

HET AMATEURTHEATERFESTIVAL VAN MEISE Het Jeanne Struelensjuweel werd omgevormd naar een Amateurtheaterfestival van Meise. Enkele gezelschappen werden uitgenodigd om een productie in de Muze van Meise te tonen. Voorwaarde om te mogen deelnemen was: het label ‘1ste categorie’ of ‘uitmuntendheid’ behaald hebben op het Provinciaal Toneeltornooi van 2009-2010 en/of 2010-2011. Theater Ipso Facto (Zemst-Laar) ging hierop in en bracht met ‘Engelin’ hun nieuw stuk in de Muze van Meise. Vaste deelnemer aan het festival is telkens een toneelkring uit Meise. Deze keer besloten Cie Mannetje Blauw en Kris Kras om samen een stuk te brengen in het kader van het Amateurtheaterfestival van Meise. Dit jaar brachten ze “De 12 gezworenen”, een toneelstuk uit 1954, maar des te meer brandend actueel door de pararachutemoord en aanverwante rechtzaken. Doel van het Amateurtheaterfestival van Meise is voornamelijk om de gezelschappen uit te dagen om met hun voorstelling op reis te gaan en theater te brengen voor een ander dan het vertrouwde publiek.

AMATEURT 50


In het kader van het Amateurtheaterfestival van Meise vond in het Cultuurhuis van Meise ook een voordracht over het leven en werk van Herman Teirlinck plaats. Al de aspecten van Teirlinck (literair grootmeester, graficus, politicus, kunstadviseur en leraar aan het Hof, ...) kwamen ruim aan bod in deze boeiende voordracht. Urbaan De Becker leidde representatieve teksten uit het werk van Teirlink in, Lut Wauters droeg ze met ernst en humor voor.

THEATER

HET AMATEURTHEATERFESTIVAL VAN MEISE

FESTIVAL

i.s.m. OPENDOEK

50


POËZIE KORTVERHAAL

SCH I LDERKUNST

TONEEL

Prijzen van Meise  
Prijzen van Meise  

Palmaresboek, Prijzen van Meise 2012

Advertisement