Page 1

Kelderkoorts #5

Een uitgave van: Museum Het Valkhof Kelfkensbos �� 65�� TB Nijmegen ��� 36�88�5 info@museumhetvalkhof.nl www.museumhetvalkhof.nl

Pohjankonna Oy The Secret World of Moths �.�� t/m 3�.��’�6 ‘The Secret World of Moths’ is de laatste productie van Hannes Vartiainen en Pekka Veikkolainen van het Finse filmcollectief Pohjankonna Oy. Eind ���� verbleven zij twee maanden in het Besiendershuis in Nijmegen, waar de productie startte. In een boeiende eindpresentatie destijds werden de eerste contouren van een veelbelovend project al zichtbaar. ‘The Secret World of Moths’ is een magische reis naar de wereld van motten. Onder andere door middel van het gebruik van ‘3D X-ray scanning’ wordt de verborgen macrokosmos van het leven van de mot indringend zichtbaar gemaakt. Geografisch gezien volgen Hannes en Pekka in de film, motten vanaf de evenaar tot aan de poolcirkel.

Door ze te observeren in deze twee extreme biotopen leren we veel over de diversiteit en complexiteit van hun macroscopische wereld, maar worden we ons ook bewust van de fragiliteit van ons eigen bestaan op deze planeet. Hannes Vartiainen en Pekka Veikkolainen bundelden in ���8 hun talenten, als respectievelijk animator en illustrator, om samen grensverleggende films te maken. In korte films en documentaires combineren ze verschillende geavanceerde digitale en analoge technieken. De resultaten zijn even experimenteel als toegankelijk. Ze nemen het publiek mee op een avontuurlijke beeldenreis, een ontdekkingstocht over het witte doek.

In december ���5 ging ‘The Secret World of Moths’ in première in het Heureka planetarium in Helsinki. Afgelopen april was hij een paar avonden te zien in een 'minidome' tijdens het Go Short Filmfestival. Regie en camera: Hannes Vartiainen & Pekka Veikkolainen. Muziek en sound design: Joonatan Portaankorva. Software voor X-ray CT Data visualisatie: Janne Pulkkinen.Wetenschappelijk consultant: Ph.D. Kristjan Niitepõld. Graphic design: Otto Donner. Verteller: Jonathan Hutchings. Productie: Nordic Fulldome Production / Hannes Vartiainen & Pekka Veikkolainen

Kelderkoorts is een reeks projecten die de komende tijd plaatsvindt in de patio van Museum Het Valkhof. Kelderkoorts geeft zuurstof aan kunst van nu en straks, middels bijzondere installaties, concerten en lezingen. Kelderkoorts etaleert niet zozeer wat kunst hoort te zijn, veeleer wat het kán zijn. Kelderkoorts is een impuls voor een hernieuwd Museum Het Valkhof, waar vanuit een hedendaags en wisselend perspectief naar de collectie, de stad en de wereld er omheen gekeken wordt. Museum Het Valkhof streeft naar een energieke relatie met kunstenaars en daarom is de kunstenaar-conservator in het leven geroepen. De vrijheid en het onverwachte van de projecten van de kunstenaar-conservator moet de bezoeker en het museum verrassen. De eerste kunstenaar-conservator, bedenker en maker van het project Kelderkoorts, is Jan-Wieger van den Berg.

ISSN: 2468-6921


Motten bestaan echt Juha Matias Lehtonen: wetenschapsjournalist, theoloog en essayist (Vertaling: Minna Mulder-Laitinen)

In The Secret World Of Moths laten Finse filmmakers Hannes Vartiainen en Pekka Veikkolainen op unieke wijze het verborgen leven zien van ogenschijnlijk alledaagse nachtdieren: de motten. In 25 minuten tonen de betoverende beelden de levenscyclus van dit bijzondere dier. Het Finse filmduo had het zwaar tijdens het verzamelen van het beeldmateriaal voor hun documentaire; ze doorstonden de hitte van het Oegandese regenwoud, de kou in Lapland en filmden wekenlang de inkapseling en ontpopping van een rups tot een volgroeide nachtpauwoog. Maar dit alles niet zonder succes; de film is wetenschappelijk en esthetisch een uniek document dat diverse awards won, waaronder de JANUS prijs.

Unieke kijk in de leefwereld van de motten Motten leven in het donker. Hun wereld blijft daardoor voor de mens grotendeels verborgen. Zelfs bij daglicht zijn motten moeilijk te volgen door hun onvoorspelbare bewegingen. The Secret World of Moths geeft een unieke kijk in de leefwereld van dit bijzondere nachtdier. Door de speciale belichting en slow-motion beelden is elke beweging van de mottenvleugel en zelfs de trilling van een voelspriet te zien. De toeschouwer is in de bevoorrechte positie om een vlucht in de Finse zomernacht te mogen meemaken. De film maakt het mogelijk, de kenmerkende schoonheid van een zo alledaags, maar bijzonder insect, in alle rust en van dichtbij te kunnen aanschouwen. Vleermuizen en motten Hannes Vartiainen en Pekka Veikkolainen maken vakkundig gebruik van videomateriaal, verzameld door een onderzoeksgroep uit de Verenigde Staten, waarin we vleermuizen op motten zien jagen. De beelden onthullen wat er boven ons hoofd plaatsvindt in de schemering. Meestal blijft een gevecht tussen vleermuizen en motten voor ons verborgen. Wij zien ‘s avonds wel eens de onrustige bewegingen van een vleermuis, of motten vliegen rondom het licht van een lantaarnpaal, maar hadden geen weet van het dramatische overlevingsgevecht tussen beide dieren. Dit maakt The secret world of moths tot een uitmuntende natuurdocumentaire. Eentje die het vermogen heeft de wereld van de kijker op te rekken. Na het zien van de film beseffen we dat er vlakbij ons, maar buiten bereik van ons gezichtsvermogen en gehoor een gevecht op leven en dood aan de gang is. Vleermuizen staan bekend om hun echolocatie. Met behulp van deze techniek ‘visualiseren’ de vleermuizen akoestisch de omgeving in hun hersenen. Ook hun prooien zoeken ze op deze

manier. Hoewel de mot instinctief als eerste reactie zal vluchten, hebben ook deze dieren bijzondere verdedigingstechnieken. Zo kan een mot giftig zijn of voorzien zijn van patronen of uitsteeksels die zijn aanvaller in de war brengen. De meest fascinerende verdedigingstechniek komt van de Bertholdia trigona, uit de familie van de spinneruilen. Hij herkent het geluid van echolocatie van vleermuizen met een gehoororgaan in zijn borstkas en laat als reactie tikkende geluiden horen om de vleermuis in de war te brengen. Helaas trekken de motten vaak aan het kortste eind. De vleermuis vangt zijn prooi in zijn vliezige vleugels en slokt hem op. Dit beeld blijft hangen in het visueel geheugen van de kijker, want dit is de natuur, zo gaat het in het echt. Het drama dat zich afspeelt tussen vleermuizen en motten toont hoe een documentaire de mens rechtstreeks in hoofd en hart kan raken. Veel meer dan fictie dat kan. Metapresentatie: feit versus fictie In cognitieve wetenschappen spreekt men over ‘metapresentatie’. Metapresentatie is het raamwerk waarbinnen een mens elke ervaring en geleerde informatie waarneemt. Als de metapresentatie van de kijker een waargebeurde film is, dan maakt het meer indruk dan bij fictie. Het overlevingsgevecht van de motten heeft daarom een meer diepgaand effect op ons dan bijvoorbeeld vechtende draken. Hoewel allebei voor mooi beeld kan zorgen, sluiten onze hersenen de drakenherinnering op in een aparte ‘fictie-kamer’ om vervolgens de opgewekte gevoelens opzij te kunnen vegen. Men zegt als het ware tegen zichzelf, dat dit alleen een sprookje was. De waarheid is mooier en krachtiger dan fictie. Ten minste, als het wordt geserveerd in een


makkelijk verteerbare vorm, maar soms voelt ook een documentaire niet echt. Het is van belang dat er een vertrouwensband is tussen de filmmaker en de kijker. Hoewel het de taak van een documentairemaker is om informatie te dramatiseren en deze op een toegankelijke manier te tonen, mag hij zich er niet in laten meeslepen. Hij moet erop vertrouwen dat de kijker geïnteresseerd is in het onderwerp en het echt wil zien. Gebrek aan vertrouwen kan van de film onopzettelijke ‘docufictie’ maken, dat fantasielozer is dan fictie, maar niet geloofwaardig genoeg om een documentaire te zijn. Zulke producten zijn zowel nutteloos als saai. Het verkrijgen van dat vertrouwen is niet altijd makkelijk. Toch is het de Finse filmmakers gelukt! Als kijker weten we dat ze daadwerkelijk de hitte van het Oegandese regenwoud en de kou in Lapland doorstonden. Wetenschap vs esthetiek Röntgenmicrotomografie The Secret World of Moths omvat veel meer dan beeldmateriaal verzameld door heroïsche cameramannen in de ruwe wildernis. Ongeveer de helft van de beelden komt uit biologische laboratoria. Diepgaand research en een omvangrijk netwerk, leverden ongekend bronmateriaal. De meest fascinerende beelden zijn geproduceerd met zogenaamde ‘röntgenmicrotomografie’. Met microscopische precisie wordt voor het eerst de binnenkant van de mot zichtbaar gemaakt. Zonder fysieke aanraking, wordt de innerlijke structuur onthuld: een kosmos ontwaart zich.

In de film worden deze in het laboratorium gemaakte beelden gebundeld in gedetailleerde driedimensionale modellen. De samenvoeging van deze modellen vergt veel externe digitale rekenkracht. Computernetwerken, opgesteld op zogenaamde ‘render farms’ hebben dag en nacht, maandenlang gedraaid om de afzonderlijke hoge resolutie beelden in een filmische animatie te vatten. De kijker kan zo elk detail van het bijzondere dier tot zich nemen. Kristjan Niitepõld van de universiteit van Helsinki heeft de filmmakers hierin wetenschappelijk ondersteund. Het omzetten van de data, verzameld met microtomografie tot driedimensionale modellen was een enorme uitdaging. Janne Pulkkinen heeft daar veel uren aan besteed. Pulkkinen verdiende eerder zijn sporen in de wereld van computergames. Met deze achtergrond is hij in staat, wetenschappelijk verantwoorde dataverzamelingsmethodes te combineren met grafische kennis en de aantrekkingskracht van de gelikte gamewereld. De röntgenmicrotomografie maakt van The Secret World of Moths een unieke natuurfilm. De kijker wordt fantastische beelden voorgeschoteld, die verzameld zijn met behulp van de modernste technologie. De microscopisch exacte, driedimensionale beelden van het innerlijk gestel van de motten, dienen niet alleen voor het overdragen van informatie maar wekken ook oprechte, bijna kinderlijke verwondering. Heb je ooit nagedacht hoe de ingewanden van een mot eruitzien? Misschien niet, maar na het kijken van deze film weet je het. Wat eenmaal op het scherm getoond is, is moeilijk te vergeten.

Esthetiek The Secret World of Moths is een gestileerde en deels zelfs een esthetische film. De esthetische uniformiteit is een verdienste, maar er is ook een gevaar in verborgen. Kan een kijker vertrouwen op een zo mooie natuurdocumentaire? Het zweet van Vartiainen en Veikkolainen ruiken we tenslotte niet op het scherm. Het harde werken is enkel tastbaar tussen de beelden door. Het sublieme materiaal dat het samenstellen van een dergelijk mooie film mogelijk heeft gemaakt, is niet vanzelf bij elkaar gekomen, maar zegt iets over de toewijding en de wil en de zoektocht van de makers. Conclusie De combinatie van wetenschap en esthetiek zetten de toon voor het verhaal en voegen aan de documentaire een nieuwe, meer mystieke laag toe. Een mot komt steeds dichterbij en groeit uit tot een wonderlijk wezen. We worden meegezogen naar het oppervlak van de vleugelschubben, of naar het innerlijke weefsel gebracht, alsof het een andere, voor ons onbekende, maar zeker aanwezige realiteit betreft. De film maakt het mogelijk, de kenmerkende schoonheid van een zo alledaags, maar bijzonder insect, in rust en van dichtbij te kunnen aanschouwen. Motten bestaan echt.


‘Wat mot je, Tom?’ vroeg de uitbater van Het Holst. Hoewel hij niet per se een antwoord verwachtte van de klant die vlak na middernacht zuchtend op een kruk aan de bar plaatsnam, was hij er zeker van dat zich het volgende moment een gesprek zou ontvouwen dat ze nog geen vierentwintig uur geleden ook al hadden gevoerd. Een conversatie die zich nacht in, nacht uit herhaalde. Te flauw om opgenomen te worden in het moppenboek van Max Tailleur dat aan een haakje op het toilet hing. ‘Een dubbele whisky on the rocks, kastelein.’ Tom trok zijn versleten jas uit, de jas waar hij al acht jaar geen afstand van kon doen, en legde die met trillende handen op de kruk naast de zijne. ‘Ik heb helaas geen stenen in huis, Tom.’ Joviaal, met een knipoog. Een klant bleef een klant.

Tom hief het glas en kapte de helft van de whisky naar binnen. Het enige dat Het Holst wat spaarzame gezelligheid verschafte, was de vergunning om drank te schenken. Hij werd rustig van de rinkelende ijsklontjes, voelde zijn bevende lijf gloeien en begon langzaam te ontspannen. ‘Je vraagt je toch weleens af,’ zei hij met een minzaam knikje richting de motten, ‘hoe die dwaze diertjes hun dagen doorbrachten voordat Edison de gloeilamp tot een commercieel succes maakte, nietwaar? Waren ze toen met z’n allen op weg naar de zon? Hoe leeg hun leven, dat onrustige fladderen rond een onbereikbaar licht tot de dood erop volgt.’ Tom stuurde het iedere keer op de motten aan. Hij was erdoor geobsedeerd. Het moest steeds weer over de motten gaan. De barman negeerde hem. Hij gedoogde zijn gast, diens drankgebruik en het oneindige gemekker over motten,

bloedsurrogaat, zodat ze met niets tevreden te houden zijn. Ze werken, ze zijn content, ze stellen geen vragen. Vandaar allicht dat die vlinders voortdurend in de weer zijn zonder zich druk te maken om waar ze zich precies druk om maken. Heb ik je ooit verteld hoe ik mijn baan verloren ben, vriend?’ ‘Tom, heb je me ooit níet verteld hoe jij je baan verloren bent?’ ‘Daar vraag je me wat, vriend.’ Tom kwam kreunend overeind van zijn kruk. Hij merkte hoe de drank naar zijn benen vloeide, trok met veel moeite zijn jas aan en wankelde even, maar stapte toen in een stevige tred richting het toilet. De barman keek hem na en schudde meewarig het hoofd. Nadat zijn vrouw hem verlaten had, was het met Tom niet bepaald bergopwaarts gegaan. Zijn huis was in vlammen opgegaan. Na een bezoek aan Het Holst had hij in de bijkeuken frikandellen in de fri-

Het Holst Gerjon Gijsbers

‘Maak er in dat geval maar ijsklontjes van, beste man.’ ‘Sneller dan je snel kunt zeggen, Tom!’ De bestelling stond al voor zijn neus nog voordat Tom een bedankje kon mompelen. Hij kwam langer in Het Holst dan hij zich kon heugen, maar beschouwde het desondanks niet als zijn stamkroeg. Het Holst had het niet in zich om een stamkroeg te zijn. In het beste geval een stamkrocht, te vinden in het donkerste steegje van de stad. Via een vermolmd trapje, getimmerd door een verre-van-vakman, betrad je een ondergrondse ruimte. Vochtig en vaal verlicht. Ramen waren er niet, laat staan een uitzicht. De toog was nog geen twee meter breed. In een hoek stonden wat oude banken, waar heel sporadisch jongeren lagen te loungen, voordat ze het ware nachtleven indoken. Er was een laptop met internet aangesloten op de armoedige stereotoren, maar de Spotify-playlist werd minder vaak ververst dan de olie van een wrak op het autokerkhof. Een zwart-wit geblokte dansvloer die het in aantrekkelijkheid aflegde tegen een slecht onderhouden dodenakker. Op de krakkemikkige tafels waren lege mosterdpotjes met kaarsjes neergezet, vermoedelijk in een laatste poging om sfeer te creëren, maar de vlammetjes verzopen sissend in hun eigen vet. Aan het plafond bungelden een paar kale peertjes waar alleen muggen en motten op af kwamen.

zolang hij maar niet schreeuwde naar het Mariabeeld dat op een houten plankje achter de bar stond, ongecontroleerd met zijn armen ging zwaaien of het jeremiëren een voorbode bleek van een hartverscheurende jankbui. Dan kreeg hij het op zijn heupen en gooide hij Tom buiten de deur met het argument dat hij met zijn gejammer de andere klanten verjoeg. Een weinig valide argument, want - zo beschikte hij zelf nog wel over de tegenwoordigheid van geest om te bedenken - welke andere klanten? ‘Dat daar is duidelijk een gamma-uiltje,’ zei Tom tegen niemand, terwijl hij van zijn zoveelste whisky nipte. Hij wees naar een nachtvlindertje dat bewegingsloos op de bar zat. ‘Je ziet ze veel, maar nu het najaar voor de deur staat, trekken ze weer zuidwaarts. Ze zijn te herkennen aan de derde letter van het Griekse alfabet op hun voorvleugel en ze zitten zelden stil. Dag en nacht actief.’ Zijn woorden waren nog niet koud of het beestje was alweer weg, op zoek naar het licht. Er kwamen twee meisjes de krakende trap af. Ze keken even rond, zagen de enige schim aan de toog en begaven zich terug naar de buitenlucht. De barman keerde weer van het toilet. ‘In Brave New World van Aldous Huxley behoren de gamma’s tot de lagere arbeidersklasse,’ ging Tom onvermoeibaar door. ‘Ze groeien met gebrek aan zuurstof en te veel alcohol in hun

tuur gedaan om vervolgens, boven het verorberen van een nachtelijke snack, de voorkeur te geven aan het in slaap sukkelen op de bank. De bank was nog van de brand gered, maar daarna was Tom er net zolang op blijven liggen tot zijn baas hem belde om te melden dat hij drie dagen had om zijn bureau leeg te maken voor zijn opvolger. Sindsdien bewoonde hij naar eigen zeggen een appartement waar het behang beschimmeld was en er verschillende soorten knaagdieren door de keuken kropen. Uit medelijden zette de barman een nieuwe dubbele whisky voor hem klaar. Een rondje van het huis. Op het toilet vulde Tom zijn benzineaansteker bij met een busje uit de binnenzak van zijn jas. Toen stak hij een sigaret op. Tijdens het roken bladerde hij door het boek van Max Tailleur. Hij las drie moppen en hoefde om geen enkele te lachen. Hij rommelde in een krantenbak naast de pot en haalde een ander boekje van de Joodse moppenmeester boven. Mot je horen. Ook hierin trof hij geen enkele dijenkletser aan. ‘Vertelsels uit vervlogen tijden,’ mompelde Tom. ‘Gedateerde grappen. Met z’n lijfspreuk. Ik lach om niet te huilen. Nou, meneer Tailleur, laat ik je dit zeggen, ik huil om niet te hoeven lachen. Een nacht niet gehuild, is een nacht niet geleefd.’ Hij gooide het boekje in de krantenbak en stond op. Iemand had met een zwarte markeer-


stift op de spiegel boven de wasbak geschreven. If there is light, it will find you – Bukowski. Zie je wel, dacht Tom, zoeken is zinloos. Het zal donker blijven, zolang het licht ons verzaakt te vinden. Onder het citaat schreef hij met een vette vinger zijn eigen naam in blokletters. Daarna draaide hij zich om, schoot de peuk in de pot en spoelde door. ‘Mariposa! Mariposa!’ snauwde Tom naar het Mariabeeld achter de bar. ‘De eerste vrouw die niet als hoer geboren is, moet godverdomme nog geboren worden.’ Er rolden druppels drank over zijn onverzorgde baard. De motten leken op zijn stemverheffing te reageren en steeds zenuwachtiger rond hun lichtbron te zwermen.

Tom. ‘Weet je nog, die avond, de talentenjacht, toen het hier afgeladen was. Gouden tijden. Ik trad op met de twee motten van Tom Manders, Dorus de zwerver in z’n ouwe jas, weet je nog? Een succes, de tweede plek, de eeuwige tweede. Mijn buurman Bas, de misselijke moppentapper, dat akelige a-a-alfa-mannetje met zijn aftandse gitaar, won de eerste prijs door enkele nummers van Boudewijn de Groot te kwelen. Verdronken vlinder, de nachtwacht, beneden alle peil. Weet je wat pas echt beneden alle peil was? Dat hij er vandoor ging met Charlotte. Mijn Charlotte, vriend. Ik had ook wel wat van Boudewijn kunnen zingen, maar ik koos voor een liedje van een naamgenoot, vanwege de verbondenheid, weet je wel, en kan ik het verdomme helpen dat ik het Hammondorgel niet beheers. Ik zweer

Tom, ‘ik heb haar acht jaar niet gezien, mijn Cha-charlotte, en mijn jas is het enige aandenken aan die astrante teef. Het was haar laatste cadeau. Als je mijn jas aanraakt, zie je me hier nooit meer terug.’ De barman duwde hem het trapje op en het steegje in. ‘Vergeef me, vriend,’ prevelde Tom. ‘Je bent mijn vriend, zul je mijn naam onthouden. Het is Tom, tomtom, tomtietom, navigeren naar het noorderlicht lukt me niet meer.’ Hij was alleen. Hij zwaaide woest met zijn armen naar de vlekken voor zijn ogen, tastte in zijn zakken, vond zijn sigaretten en stak er een op. Daarna merkte hij het busje benzine op. Met wilde bewegingen trok hij zijn jas uit, gooide deze op de grond en goot de brandstof er over-

‘Je moet niet gaan schreeuwen, Tom,’ maande de barman hem tot kalmte, ‘daarmee jaag je mijn andere klanten weg.’ ‘Doe me nog een laatste dubbele dan,’ zei Tom, die dankzij zijn decorumverlies geen oog meer had voor zijn omgeving en niet doorhad dat hij de enige bezoeker was. ‘Een laatste rondje voor het licht uitgaat. Geef iedereen wat van mij, schrijf het op de rekening. Weet je nog hoe het hier vroeger ging, vriend? Alles op de pof, de tent elke nacht tot de nok gevuld. Het waren gouden tijden…’ Tom zakte even in zijn kraag en schrok weer wakker toen de barman een glas voor zijn neus zette. ‘Gouden tijden… Hier heb ik… Ik heb haar hier in Het Holst leren kennen, de hoer. Je weet wel, Cha-Cha-Charlotte. Tien, vijftien jaar geleden? Meteen in vuur en vlam. Ze heeft me in de val gelokt, de verraadster, verspreidster van valse feronomen… fenoromen… feromonen. Vergeef me, vriend. De lichtekooi liet me in notime de gruwelijkste beloften afleggen.’ ‘De huwelijkse geloften,’ verbeterde de barman hem. De motten tikten koortsachtig tegen de peertjes. ‘Bedrogen, belazerd, b-b-beetgenomen,’ lalde

het, had ik die avond gewonnen, dan was ze bij me gebleven. Een gore golddigger, dat was ze.’ ‘De hoofdprijs was een giftcard van vijftig euro voor de Gall en Gall,’ zei de barman. ‘Dat bedoel ik!’ schreeuwde Tom. ‘Ik dacht dat het snor zat tussen ons, maar toen kreeg ik die gaten in de ga-gaten. Ze liep tegen de lamp toen ze stopte met strijken en stofzuigen en net iets te vaak om een kopje suiker ging. Vrouw weg, huis weg, werk weg. Het heeft me nog een half uur bij de psycholoog gekost, die me een stresstraumatische poststoornis probeerde aan te smeren, of hoe heet het? Bij de vijfde plaat van de Rorschachtest haakte ik af. Het enige wat ik erin zie, zei ik hem, is dat je een nieuwe vulpen nodig hebt, eentje die niet lekt, en laat me nu met rust, charlatan. Alles weg!’ Tom sloeg de sterke drank naar binnen, dacht vol weemoed aan de gouden tijden, legde toen zijn hoofd op zijn armen en begon theatraal te snikken. ‘Ik ga sluiten, Tom,’ zei de barman. Hij kwam achter de toog vandaan, gaf Tom een schouderklop en nam hem bij zijn arm om hem onder het gebruikelijke protest naar buiten te begeleiden. ‘Je moet niet aan m’n jas komen, vriend,’ zei

heen. Er was niemand die hem opmerkte. Hij nam een laatste hijs van zijn sigaret en wierp de peuk op zijn jas die onmiddellijk in brand vloog. Hij ging op de koude stenen van de stoep liggen en krulde zich op in foetushouding. Het duurde niet lang of hij voelde de hitte op zijn huid, de vlammen die zijn huiverende lichaam likten. ‘Eindelijk s-s-samen, schatje,’ siste hij, ‘ik weet van het vuur, ik weet van de vlam, ik vlieg me in je zon kapot.’ Verderop zag hij nog net het vage schijnsel uit het trappengat van Het Holst, het laatste lichtpuntje in zijn bestaan, wetend dat hij morgen weer welkom zou zijn.


Moths gathered in a fluttering throng one night To learn the truth about the candle light, And they decided one of them should go To gather news of the elusive glow. One flew till the distance he discerned A palace window where a candle burnedAnd went no nearer: back again he flew To tell the others what he thought he knew. The mentor of the moths dismissed his claim, Remarking: "He knows nothing of the flame." A moth more eager than the one before Set out and passed beyond the palace door. He hovered in the aura of the fire, A trembling blur of timorous desire, Then headed back to say how far he's been, And how much he had undergone and seen. The mentor said: "You do not bear the signs Of one who's fathomed how the candle shines." Another moth flew out-- his dizzy flight Turned to an ardent wooing of the light; He dipped and soared, and in his frenzied trance Both self and fire were mingled by his dance-The flame engulfed his wing-tips, body, head, His being glowed a fierce translucent red; And when the mentor saw that sudden blaze, The moth's form lost within the glowing rays, He said: "He knows, he knows the truth we seek, That hidden truth of which we cannot speak." To go beyond all knowledge is to find That comprehension which eludes the mind, And you can never gain the longed-for goal Until you first outsoar both flesh and soul; But should one part remain, a single hair Will drag you back and plunge you in despair-No creature's self can be admitted here, Where all identity must disappear.

Uit: Farid ud-Din Attar, Conference of the Birds (vertaling: Afkham Darbandi and Dick Davis)

In de mystieke poëzie van de islam vormen de mot en de vlam samen een weerkerend thema. De aantrekkingskracht van het licht en het opgaan van de mot in de kaarsvlam symboliseren het mystieke pad dat elke soefi (mysticus) moet bewandelen om tot zelfkennis te komen en uiteindelijk op te gaan in het goddelijke. Het gedicht hierboven is een fragment uit de Manteq ut-Tayr van Farid ud-Din Attar (���5-����), een van de grote dichters uit de Perzische poëzie. In de Manteq ut-Tayr gaan de vogels onder leiding van de hop op zoek naar hun God. Aan het einde van hun lange en barre tocht blijven er dertig vogels over die tot zelfinzicht komen en opgaan in hun God. De tocht van de vogels is van begin tot het einde eveneens een gedetailleerd uitgewerkte metafoor voor het mystieke pad dat leidt naar eenwording met het goddelijke. (met dank aan Hans Timmermans)

Kelderkoorts #5. The Secret World of Moths  
Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you