Page 1

Kelderkoorts #�

Een uitgave van: Museum Het Valkhof Kelfkensbos �� 65�� TB Nijmegen ��� 36�88�5 info@museumhetvalkhof.nl www.museumhetvalkhof.nl

Stan Wannet Les évolués �6.� t/m 8.5 ’�6 Stan Wannet (Overloon, 1977) bouwt installaties waarin poëzie, absurdisme, metafoor en mechaniek moeiteloos samensmelten. Als bezoeker word je direct betrokken in een surrealistische verhouding tussen mens, dier en machine. Geprepareerde dierenhuiden omkleden mechanische installaties, die vaak uiterst menselijke handelingen uitvoeren en daardoor een ongemakkelijk gevoel van herkenning oproepen.

Na een opleiding aan de Akademie voor Kunst en Vormgeving in Den Bosch, volgde de HTS electrotechniek. Onderhuids, verborgen in de installaties, schuilt een wereld van mechaniek en digitale techniek. Stan Wannet is bijzonder geïnteresseerd in het gebied waar de door hem geprogrammeerde software overgaat naar hardware, van de digitale code naar de mechanische uitvoering. Dat lijkt het spannende punt te zijn waar het levende en levenloze elkaar ontmoeten.

Stan Wannet bouwt en ontwikkelt alles zelf. Zijn beelden zijn vaak ongemakkelijk, hard en prikkelend. Er is veel te zien, te horen en te ontdekken. Het is hard en zacht tegelijkertijd. Mechaniek, aaibaarheid, herkenning, afschuw en humor komen samen in een kunstwerk dat niet gauw van het netvlies verdwijnt.

Kelderkoorts is een reeks projecten die de komende tijd plaatsvindt in de patio van Museum Het Valkhof. Kelderkoorts geeft zuurstof aan kunst van nu en straks, middels bijzondere installaties, concerten en lezingen. Kelderkoorts etaleert niet zozeer wat kunst hoort te zijn, veeleer wat het kán zijn. Kelderkoorts is een impuls voor een hernieuwd Museum Het Valkhof, waar vanuit een hedendaags en wisselend perspectief naar de collectie, de stad en de wereld er omheen gekeken wordt. Museum Het Valkhof streeft naar een energieke relatie met kunstenaars en daarom is de kunstenaar-conservator in het leven geroepen. De vrijheid en het onverwachte van de projecten van de kunstenaar-conservator moet de bezoeker en het museum verrassen. De eerste kunstenaar-conservator, bedenker en maker van het project Kelderkoorts, is Jan-Wieger van den Berg.


Bij de opening van Stan Wannets ‘Les évolués’, Museum Het Valkhof Nijmegen �6.��.’�6 Dames en heren, Het is een goede gewoonte om bij de opening van een tentoonstelling een moment van concentratie in te lassen, en iemand die er meer van schijnt te weten uit de doeken te laten doen wat de bezoeker nu eigenlijk gaat zien. Maar voor de spreker in kwestie is het een hachelijke onderneming. Hoe zou ik ooit in tien minuten met woorden kunnen benaderen wat Stan Wannet heeft bereikt in de honderden uren die hij gebruikte om honden op te zetten, bordspellen uit te zagen, vreemde machines aan de praat te krijgen, en van dat alles nog een eenheid te maken ook? Er past mij dus een zekere bescheidenheid, en ik zal moeten kiezen wat ik nu eigenlijk wil zijn. Ik kan besluiten louter inleider te zijn en u de wordingsgeschiedenis te schetsen van Stan Wannet, vertellen wat hij als kunstenaar zoal op zijn kerfstok heeft en hoe dat is uitgemond in Les évolués, de installatie die wij hier ten doop houden. Maar waarom zou ik zijn biografie of website gaan navertellen als u die zelf kunt opslaan? Zo’n inleidersrol lijkt mij dus overbodig. Een andere mogelijkheid is dat ik mij opstel als bemiddelaar. Wellicht bent u, toen u hier binnenkwam, geschrokken van de niet bepaald tot het snoezenras behorende honden, en was uw eerste reactie er een van bange afkeer. Of misschien stemt u wel op de Partij voor de Dieren, en was het juist kwaadheid die u beving. Hoe dan ook kan er direct al een kloof zijn ontstaan tussen u en het kunstwerk, en als bemiddelaar zou ik kunnen proberen die te dichten. Ik zou kunnen zeggen: u moet het kunstwerk niet te heftig nemen, het heeft ook zijn zachte kanten. Staat u er toch voor open, dan zal het kunstwerk op zijn beurt openstaan voor u. Maar ook die positie wil ik niet innemen. Als u bij de confrontatie met dit werk angst, afkeer of kwaadheid voelt, dan voelt u dat maar. Het is uw goed recht, zoals het ook het goede recht is van het kunstwerk om zo scherp te zijn als het zelf wil. Ik geloof dat een zekere polariteit en frictie tussen een kunstwerk en de kijker juist gunstig is, het bevordert het nadenken. Het is veel beter dan wanneer u hier was binnengelopen met het behaaglijke gevoel op Martha Stewart’s Dinky Dogs Show te zijn beland. Dus ook voor bemiddelaar wil ik niet spelen. Nee, de rol die mij nog het meest aantrekt, is die van medium. Een mooi woord dat veel kan betekenen, van waarzegger tot communicatiemiddel. Een groot verschil tussen die twee betekenissen is er overigens niet. In beide gevallen pretendeert een medium iets neutraals te zijn wat slechts boodschappen doorgeeft, terwijl het ondertussen die boodschappen op slinkse

wijze stuurt en verandert. Ja, zult u zeggen, voor de waarzegger gaat dat misschien op, want dat is een mens. Maar een computer is toch best neutraal, want dat is een machine. Gelooft u dat echt? Heeft u dan nooit meegemaakt dat er iets fout ging bij het ontvangen van een plaatje, en dat er in plaats van een beeld een onontwarbare spooktekst op uw scherm verscheen? Daar openbaarde zich de diepere aard van onze hedendaagse beelden: het is allemaal taal. In de loop van de geschiedenis is beeld al heel veel geweest, verf op doek, inkt op papier, emulsie op film, steen, klei, hout, noem maar op. Maar nooit was het taal. Nu wel. De computer verandert dus elk beeld om het leesbaar te maken in computertaal, en iedereen die handig is in die taal verandert een beeld weer op zijn beurt. Het is precies wat ik op dit moment hier aan het doen ben, nu ik als medium, met die handige taal van mij, mijn kijk op de beelden van Stan Wannet aan u doorgeef. Het zal u niet verbazen dat ik mij het meest identificeer met de Afghaanse windhond uit Les évolués. Kijk eens naar de verbeten concentratie waarmee het beest als een volleerd medium het licht van boven op zich in laat werken. En niet alleen het licht van boven, ook de wind van opzij, zie de haren eens wapperen. Alles staat op scherp om de waarheid uit de lucht te plukken, en het aardige was dat ik bij het zien van dit tafereel zelf ook spontaan een dichtregel uit de lucht plukte: The winds did sing it to me. Het zijn woorden uit Shakespeare’s The Tempest, een toneelstuk waarin alles draait om de combinatie van wind, magie en macht. Prospero, de hoofdpersoon, zet iedereen naar zijn hand met behulp van de wind, in de persoon van de onzichtbare luchtgeest Ariel, die hem roddels en geheimen influistert. Als ik een naam mocht verzinnen voor onze Afghaan dan zou het Prospero zijn. Dit is duidelijk de topdog, constant zingt de wind hem iets toe, en als vanzelf beweegt hij zijn hondenhand over het alfabet om de boodschap letter voor letter door te geven aan de andere honden. Die zijn meer van het aardse soort, maar niet minder van macht bezeten. Ze zitten om een bordspel, dat veel weg heeft van Super Monopoly. Het klassieke Monopoly had alleen een ring speelvakken aan de buitenrand, maar toen het gewone kapitalisme veranderde in een superkapitalisme kwam er ook een Super Monopoly, met aan de binnenkant nog een tweede ring. In de voorstelling van Stan Wannet zijn we daar alweer voorbij en is er binnen de tweede speelring nog een derde gekomen. Het bord is nu een en al vastgoed, slagveld van inhalige honden. Alleen in de geslonken binnenplaats schijnt nog iets wat op een zon lijkt, een als zon vermomde klok. Het spel is ook geen Monopoly meer, het heet nu Bureaucracy. Bureaucratie is wat je krijgt als je alles in de wereld probeert te

rationaliseren, kwantificeren en reguleren, in de overtuiging dat de mens het best af is als afgericht wezen, aan een onzichtbare lijn, in een onzichtbaar hok. Dat africhten lukt ook grotendeels, hele massa’s leven met de staart tussen de benen. Maar er is altijd een minderheid die zich niet laat vangen. Kunstenaars reken ik tot die groep, de echte dan, want dat zijn altijd ontsnappingskunstenaars. Niet dat zij zonder regels leven. Zij leven meer door de regels heen, om aan de andere kant daarvan de waarheid te vinden. En om vervolgens, als hun de eeuwige vraag wordt gesteld ‘Hoe ben je erop gekomen?’, als antwoord te geven: The winds did sing it to me..., aangevuld met de woorden die er direct op volgen, ...and the thunder, that deep and dreadful organ pipe. Want de ware kunst kent niet alleen het lichte, maar ook altijd het zware. De wind zingt daar nooit zonder dat ook de donder orgelt. In Stan Wannets Les évolués gebeurt het allebei. Meteen op het eerste gezicht drukt het kunstwerk uit dat wij, die ooit, zoals bekend, allemaal honden waren, zijn geëvolueerd tot mens. Dat kunnen we beschaving noemen. Op het tweede en derde gezicht toont het werk ook zijn diepere betekenis, namelijk dat de mens, die uit de hond is voortgekomen, daarmee niet de hond in zichzelf heeft overwonnen. Als beschaving is dat de hond mens is geworden, dan is hogere beschaving het besef van de mens dat hij de hond in zichzelf altijd zal blijven meedragen. Dat hij nooit ofte nimmer een systeem zal kunnen maken, hoe doorgereguleerd en tot in alle kieren gecontroleerd ook, waarmee hij de Schweinehund in zichzelf zal kunnen ausradieren. Nauwelijks had ik deze beladen woorden uitgespeld of mijn hondenhand bewoog naar de M, toen naar de A, toen naar de L, en vormde de achternaam van de Italiaanse schrijver Curzio Malaparte. Hij is nog goede vriendjes geweest met de dictator Mussolini. Laten we hem het voordeel van de twijfel gunnen, en het erop houden dat hij het fascisme in ieder geval van binnenuit heeft kunnen bestuderen. Hij is na de Tweede Wereldoorlog in Parijs gaan wonen en hield daar een dagboek bij, waaruit ik u tot slot graag een passage voorlees.


Crans, 31 januari. En dan was ik nog wel gewaarschuwd dat de Zwitsers een apart volk zijn. Gisteravond, net aangeko­men in dit logementje in Pas de l ‘Ours, in het sparrenbos boven Crans, heb ik de honden uit de buurt geroepen. Ik ben het terras op gelopen en ben gaan blaffen. En met­een reageerden de honden her en der in de door een zwak maansikkeltje beschenen nacht. Ik doe altijd hetzelfde als ik ergens nieuw kom. Ik maak kennis met de honden uit de buurt, ik doe niets verkeerds. Maar vanmorgen kwam de politie van Crans op me af met het verzoek niet meer ‘s nachts te blaffen. ‘U bent geen hond, mijnheer!’ ‘Ik mag graag ‘s nachts met de honden meeblaffen. Ik doe niets verkeerds!’ ‘In Zwitserland doet men zulke dingen niet, mijnheer, dat is tegen de regels.’ ‘Dank u, ik zal het niet meer doen. maar ik blijf niet in Zwitserland. Ik ga terug naar Frankrijk. Daar mag je ‘s nachts zoveel blaffen als je wilt.’ ‘Het spijt me mijnheer, buitenlanders hebben het erg naar hun zin in Zwitserland. Alleen blaffen ze niet ‘s nachts. Ik denk dat u de eerste bent.’ ‘Ik ga terug naar Frankrijk, waar buitenlanders zoveel mogen blaffen als ze willen.’ ‘Dat trek ik niet in twijfel, mijnheer. Frankrijk is een land van lichte zeden, mijnheer.’ ‘Wie ‘s nachts blaft hoeft nog geen lichte zeden te heb­ben.’ ‘Het begint met blaffen, mijnheer, en het eindigt met bijten. Zwitsers worden niet graag gebeten.’ Ik blijf niet in Zwitserland. Morgen vertrek ik. Ik houd niet van landen waar je ‘s nachts niet mag blaffen. Ik houd van vrije landen. Ik dank u voor uw aandacht. © Cornel Bierens

Citaat uit: Curzio Malaparte, Dagboek van een vreemdeling in Parijs. Pag.l07-108. Cornel Bierens is schrijver en kunstenaar. Hij maakt kunst en kan er vanuit die hoedanigheid ook met een andere blik naar kijken, over denken en over schrijven. Hij publiceerde kritieken en columns voor o.a. Metropolis M, De Witte Raaf en De Groene Amsterdammer. Daarnaast schrijft hij ook fictie, vaak met beeldende kunst als motief. Menig academie in Nederland heeft hem als gastdocent uitgenodigd.


Hondenlessen.

Reflecties over Stan Wannets ‘Les évolués’ “Alles Wissen, die Gesamtheit aller Fragen und alle Antworten sind im Hund enthalten.” Franz Kafka Misschien zit er waardigheid in de windhond. Met zijn mensenbek vol tanden doorstaat hij, grijnzend, alle turbulentie die over de speeltafel neerdaalt. Hij duwt zich omhoog en stijgt boven de gebeurtenissen uit. Als de wind er over heen waait, wordt zijn vacht een deinende zee. Lijdt de windhond? Natuurlijk. Alle honden lijden. Pijn, zo wist Nietzsche al, is een soort hond. Onverbiddelijk trouw en altijd terugkerend. Kijk onder de tafel en zie dan hoe wankel de positie van de windhond is. Dwars door de rode draadjes, die onder de tafel hangen en de ingewanden van de machine zijn, zie je kaal vel met diverse plukken haar. Niets van dat vel of haar raakt de grond. De windhond zweeft bijna. Hij moet zijn stinkende best doen om zich aan die tafel vast te klampen.Waarom zou hij dat doen? Wat heeft hij van die tafel te verwachten? Zijn disgenoten, een misvormd pitbulletje zo zwart als de baarlijke duivel en een veel grotere

hond, vermoedelijk een bastaardhellehond met een tandeloze en vacuümachtige meervallenbek, zweven niet en zijn via kunstpoten of stoelen verbonden met de grond. Anders dan de windhond zijn ze hun waardigheid al lang geleden kwijtgeraakt. Ze zitten vast, niet alleen aan de grond, maar ook aan een tweetal galgachtige constructies en aan de mechanische croupierharkjes, die als insectachtige automaten over de tafel bewegen. Hun bloedfanatieke middelmatigheid valt mij op. De twee kunnen geen kant op. Ze laten zich daarom met de valsheid van het slechte geweten meeslepen door het spel, dat op een kleurloos monopoliebord zonder kleuren en straatnamen gespeeld wordt en dat, zoals alle spelen, onvermijdelijk iets infernaals krijgt. Sinds Pinokkio’s roemruchte excursie in Speelland weten we: Spel = hel. Vandaar dus ook de pijn. Wie goed kijkt, ziet dat er in dat monopoliebord nog een monopoliebord zit, waarin ook weer de fragmenten van een ander, een derde bord zitten. Welkom in het labyrint van het kapitalisme!

Het spel, dat hier gespeeld wordt, heet overigens ‘bureaucratie’. De kunstenaar heeft goed in de smiezen dat kapitalisme en bureaucratie innig met elkaar zijn verstrengeld. In die verstrengeling kunnen we, zoals in iedere hel, alleen maar afdalen. Iedere hel is uiteindelijk alleen maar een afdaalgeschiedenis. In deze hel krijgt de windhond iets Victoriaans over zich. Anders dan bij pitbull en hellehond het geval, is er niets arbeideristisch of laag-bijde-gronds aan hem. Hij straalt in zekere zin cultuur uit, misschien zelfs een zekere wereldwijsheid. De windhond is een ontwikkeld wezen, maar al die kennis en cultuur heeft hem geen geluk gebracht, alleen maar pijn en ellende. Er hangt daarom een woedende melancholie over hem, alsof hij beseft dat alle waardigheid in de wereld in het licht van spel en hel wel moet verdampen. (Ik geef dit ter overweging mee: wie nog steeds niet gelooft dat melancholie ook woedend kan zijn, moet nog maar eens goed kijken naar Dürers Melencolia I uit 1514.) De windhond is een Victoriaans cynicus, die zijn neus ophaalt voor alles om hem heen. Dat maakt hem aan deze tafel tot een eenzame en pijnlijke figuur. De andere twee zijn duidelijk niet tot dergelijke vormen van pijn in staat. Hun cynisme is slechts vulgair, gemeen en onbehouwen. Dat ze mee mogen doen met het spel om de knikkers laat ons denken dat ze nouveaux riches zijn: steenrijk, maar niet in staat iets fatsoenlijks met die rijkdom aan te vangen. Michel Onfray, een Franse filosoof, schreef een tijd geleden over dit soort vulgaire cynisme dat het gekenmerkt wordt door de permanente bereidheid stijl op te offeren aan succes. Wie zich herinnert dat het woord ‘cynisme’ is afgeleid van het Griekse woord voor hond (kunos), zal in de installatie een zeer genuanceerde studie van hedendaags bureaucratisch en kapitalistisch cynisme kunnen ontwaren. Dat ongebreidelde cynisme geeft de kijker een onbehaaglijk gevoel. Er is iets hards en intimiderends in de installatie. Ik noem dat harde en intimiderende De Waarheid. Ze doet pijn. De Waarheid spreekt erover hoe leugenachtig kapitalisme en bureaucratie kunnen zijn. Neem even de moeite en lees een paar van de korte, Engelstalige tekstjes op de blokjes of op het bord dat aan de kant van de windhond ligt en dat hij als een soort reglement lijkt te bewaken. Ze staan vol met bureaucratische (non-)taal. Soms zie je ook iets wat meer filosofisch of goeroe-achtig


lijkt te zijn. Ik geef hier slechts een klein voorbeeld, dat door mijzelf uit het Engels vertaald is: “Ieder mens heeft recht op rust en vrije tijd, inclusief een redelijke beperking van de werkuren en af en toe doorbetaalde vakanties.” Als je dit in de hel te lezen krijgt, weet je dat je gepiepeld wordt. Het zijn pogingen tot zingeving in een zee van zinloosheid. Bureaucratie is onmiskenbaar een menselijke uitvinding is, maar het onbehagen met haar is zo groot dat we altijd het gevoel hebben dat ze onze menselijkheid op het spel zet. De megamachines, nodig om de Chinese muur of de Egyptische piramides te bouwen, vragen niet om mensen. Daarom kennen we in de literatuur over het onderwerp ook zoveel beschrijvingen van dierwordingen. Soms betreffen die dierwordingen de machines zelf. Charles Dickens, de beroemde schrijver uit de Victoriaanse tijd, wees op het dierlijke van deze machines die zich in tal van fabrieken bevonden. In Hard Times, een roman die het vulgaire cynisme van de calculerende utilitarist beschrijft, vergelijkt hij hen met “gekke, melancholische olifanten”. Een van de hoofdpersonen in het boek, een man die alleen maar in geld is geïnteresseerd en daarbij tal van medemensen onnoemlijk veel leed bezorgt, laat hij op gruwelijke wijze verongelukken in die olifantenmachi-

Diogenes, Jean-Léon Gérome, 1860. nes. Mr Bounderby, want dat is zijn naam, wordt vermalen door de tandwielen en de raderen van de gekke olifanten. “Hij was een self-made man”, schrijft Dickens spottend, “maar hij had zichzelf niet uit sterk genoeg materiaal gemaakt om de invloed van de melancholie-gestoorde olifanten te weerstaan.” Minstens zo bekend zijn de dierwordingen van mensen die in de bureaucratie werken. Het werk van Franz Kafka zit, zoals bekend, vol met beesten, vooral ook met honden. Aan het einde van Het Proces, na ellenlange omzwervingen door het bureaucratische apparaat dat hem in staat van beschuldiging had gesteld, sterft Jozef K als een hond. Maar juist dan wordt hij één met al die dociele naturen die hij in dat apparaat tegenkwam. De Franse schrijver Boris Vian maakte in zijn Vercoquin et le Plancton van de bureaucratie een heuse dierentuin, die overgoten is met een vieze ganzenkakkleur. Het wemelt in de dierentuin van konijnen, haaien, mollen, padden, salamanders, zelfs van lynxen, giraffen en tapirs. Uiteindelijk is de hele dierentuin te zien als een groot weerzinwekkend organisme, iets wat soms lijkt op een kolossaal gewerveld dier, maar vaker nog op een oncontroleerbaar weekdier. Dat bureaucratie een inktvis is, heb ik elders uitvoerig betoogd. Ze is echter ook een hondenasiel. Dat maakt de installatie goed duidelijk. Sommige honden voelen zich er beter in thuis dan andere. De titel is veelzeggend: Les évolués is een term met wederom Victoriaanse of zelfs kolonialistische bijbetekenissen. Een évolué was ooit een slaaf of een tweederangsburger die in de overzeese gebiedsdelen van Europese koloniale machten door zijn omgang met de blanke elite – en alleen daardoor – een zekere mate van ontwikkeling en beschaving kreeg. Hij werd daarom het tastbare bewijs voor de aanstekelijkheid van het civilisatieproces, maar natuurlijk ook de belichaming van verraad. Die pijnlijkheid van deze positie – denk nog eens aan wat er door een windhond gaat als hij denkt aan het vulgus om hem heen – waait door de hele installatie. Onontkoombare en waarachtige hondenlessen over bureaucratie en kapitalisme en over onszelf.

René ten Bos, 28 maart 2016 Nijmegen


Melencolia I Albrecht Durer, 1514


Kelderkoorts #1 Les évolués Stan Wannet  

Krant op, Berliner formaat, samengesteld bij de tentoonstelling Les évolués, van Stan Wannet. Les écolués is de eerste tentoonstelling in de...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you