Issuu on Google+

52ste jaargang | 2014 nummer 4


Een naam om nooit te vergeten Hoeveel namen zijn er in de loop van het leven niet bij je langs gekomen? Namen van kinderen uit je klas. Van collega’s, van mensen die je ontmoette tijdens de vakantie, van leden van je vereniging, gemeenteleden uit de kerk. Zoveel namen. Teveel om op te noemen. De meeste zijn allang vervaagd in de nevels van vroeger. Soms heb je daar maar een hekel aan. Je ontmoet iemand, je herkent hem wel, maar je kunt maar niet op zijn naam komen. Hoe heet hij toch ook al weer? ‘Wat vervelend, dat ik dat nou toch niet weet!’ Doorgaans is het minder erg. Al die namen… je kunt, je hoeft ze toch niet te onthouden. What’s in a name? vroeg een Engelse dramadichter ooit. Met anderen woorden: Zoveel betekent een naam niet. Eén Naam vormt daarop wel een uitzondering. Het is de Naam van Jezus Christus. In die Naam schuilt zoveel kracht, dat ooit zelfs een verlamde man ging lopen door op die Naam te vertrouwen. Zijn verlamde benen hadden hem veroordeeld tot bedelen bij de tempelpoort. Een vetpot zal dat niet geweest zijn, maar hij kon er van leven. Dan vragen 2

twee dienaren van Jezus zijn speciale aandacht. Kijk ons aan, zeggen ze als ze langskomen en bij hem stilstaan. Verwachtingsvol heeft hij opgekeken. Een royale gift kon hij best gebruiken. Maar het wordt wel even meer. Petrus, een van die dienaren zegt: In de Naam van Jezus Christus sta op en loop! Hij pakt hem bij de hand en richt hem op. En het gaat! Hoe? Ach, weet hij eigenlijk veel! Maar Petrus weet het wel. Petrus weet van de Naam. De Naam van Jezus Christus. Meteen na de genezing getuigt Petrus daarvan in een toespraak: ‘Zijn Naam heeft deze man, die u ziet en kent, sterk gemaakt door het geloof in Zijn Naam.’ (Hand. 3:16) Het geloof in die Naam is een bron van kracht. Of je dan zomaar je rolstoel uitkomt? Dat kan, maar dat kan ook niet, althans nu nog niet. Maar die Naam geeft wel moed; levensmoed en levensvreugd. Die Naam is goed voor het eeuwige leven. Jezus Christus, een naam om nooit te vergeten. Om op te vertrouwen! Ds. J.Westland

‘Elk leven is het waard te worden beschreven’ ‘Mijn zus Riek zat in haar laatste levensfase in een verzorgingshuis. Ze leed aan Parkinson. Als we op bezoek gingen zaten we vaak zwijgend bij elkaar. Totdat ik een keer een stukje van mijn levensbeschrijving meenam, met foto’s en verhalen van ons gezin van vroeger. Ze bloeide helemaal op en vertelde verhalen waar ze uit zichzelf nooit op gekomen zou zijn.’ Dr. Henk van ’t Veld, oud-rector van het Ichthus College in Veenendaal, kan het iedereen aanraden: Zet je levensloop op papier. Leg gebeurtenissen vast, voordat de herinnering vervaagt en het geheugen minder wordt. Zo kan het van betekenis zijn voor jezelf, maar ook voor kinderen en kleinkinderen, mensen in de naaste

omgeving. Van ’t Veld, die inmiddels de leeftijd der zeer sterken heeft bereikt, is voorzitter van een grote afdeling van de Protestants Christelijke Ouderenbond in ­Veenendaal en in die hoedanigheid heeft hij al vaak gewezen op het belang van een levensbeschrijving. Als redacteur van de maandelijkse nieuwsbrief publiceerde

hij regelmatig een bladzijde uit zijn eigen levensboek en soms uit dat van één van de honderden leden. ‘Laatst zei één van hen dat haar leven in het teken stond van Psalm 68:10: ‘Geloofd zij God met diepst ontzag, Hij overlaadt ons dag aan dag, met Zijne gunstbewijzen’. Het is prachtig om zoiets te lezen. Persoonlijk vind ik het ook mooi 3


om in zo’n levensbeschrijving tot uitdrukking te laten komen hoe God iemands leven heeft geleid.’ Studie Zelf kan Van ‘t Veld daar ook over verhalen: ‘Als 10-jarig jochie hoorde ik de meester van de zondagsschool een verhaal vertellen over de zending en vanaf dat moment koesterde ik maar één wens: zendeling worden. Mijn vader temperde dat verlangen, door te zeggen: dan moet je bekeerd zijn. Tijdens mijn middelbare-schoolperiode nam ik me voor geneeskunde te

In een hele serie multomappen heeft Van ’t Veld zijn leven beschreven. Het ouderlijk huis, zijn jeugd en opleiding, zijn loopbaan, publicaties en nevenactiviteiten; alles bij elkaar is het een boeiend en indrukwekkend document, rijk geïllustreerd met foto’s uit vervlogen tijden. Als een film trekt het hele leven voorbij: de jaren in Kenia, zijn ervaringen in het onderwijs, zijn werk in de kerk, zijn levensbeschrijvingen van Jan Luyken, van John Bunyan, van markante Veenendalers, zijn studie en promotie, zijn publicaties van berijmingen van de Heidelbergse

‘Leg gebeurtenissen vast, voordat de herinnering vervaagt en het geheugen minder wordt.’ gaan studeren, om later als zendingsarts te worden uitgezonden. Maar in het examenjaar van de HBS kampte ik met gezondheidsklachten en ‘als je de zending in wilt, moet je een lichaam hebben als een ijzeren pot’, zei een leraar. Dus koos ik noodgedwongen voor een studie Nederlands. Tijdens mijn studie in Amsterdam leerde ik Jezus Christus als mijn Heiland kennen. Het verlangen om de zending in te gaan, dat nooit helemaal was weggeweest, bloeide weer op na het zien van een film over bijbelvertaalwerk. Daar stond het groot op het scherm: ‘GO YE THEREFORE’ (‘Gaat dan heen’). Ik werd leraar, ging Afrikaanse talen studeren en begin jaren zestig werden mijn vrouw en ik uitgezonden naar Kenia. Via een lange omweg kwam ik dan toch in de zending. Dat heb ik ervaren als leiding van God in mijn leven.’ 4

Catechismus, zijn koninklijke onderscheiding… De tekst verraadt de pen van een vaardige schrijver en de systematische werkwijze van een wetenschapper. De feitelijke gegevens zijn gelardeerd met anekdotes. ‘Ik kom uit een traditie waarin in de kerkdienst alleen Psalmen werden gezongen. De kerkleden in Afrika stelden daar vragen bij: ‘ Kun je voor Pasen niet een lied maken over de vrouwen die naar het graf gingen?’ Naast een vertaling van 25 Psalmen heb ik toen een aantal liederen gepubliceerd in het Swahili.’ Multomap Niet iedereen heeft zo’n rijk en gevarieerd leven als Van ‘t Veld. Zou het leven van zijn vader, op de boerderij tussen Nijkerk en

Barneveld, ook de moeite van de beschrijving waard zijn geweest? Van ’t Veld; ‘Zeker. Elk leven is het waard te worden beschreven, zelfs het meest eenvoudige.’ Hij stimuleert ouderen in zijn omgeving graag met praktische adviezen: ‘Begin met een multomap, dan kun je makkelijk rangschikken en naderhand nog eens wat toevoegen. Schrijf je geheugen uit: hoe was de sfeer thuis in het gezin? Wie waren je ouders, hoe was hun karakter? Wat waren de gewoonten en gebruiken in het ouderlijk huis? Hoe werd er gecorrigeerd als je ondeugend was geweest? Hoe verliep de schoolperiode? Je verkering, verloving, je eerste baan? Wat kocht je van je eerste salaris? Plaats ook alle foto’s erbij, want hoe snel vervaagt je herinnering! Je weet na jaren niet meer wanneer de foto’s zijn genomen, wie er op staan, etc. Bij een ouderenbezoek thuis of in een verzorgingshuis kan een levensboek heel nuttig zijn. Om geïnteresseerden behulpzaam te zijn, heeft Van ’t Veld een handig overzicht gemaakt, met allerlei aandachtspunten, tips en suggesties. Het heeft zijn nut al vele malen bewezen. ‘Mensen zien er vaak tegenop: wat een werk, een heel leven beschrijven. Maar het hoeft geen uitputtende opsomming te zijn. Begin gewoon ergens. Grote kans dat je de slag te pakken krijgt.’

Wie belangstelling heeft voor het overzicht van Van ’t Veld, kan het gratis toegestuurd krijgen. Een telefoontje of mailtje naar de IZB is voldoende: info@izb.nl of 0334611949.

De rode draad Bekende Nederlanders - politici, schrijvers, artiesten – schrijven soms aan het eind van hun werkzame leven hun mémoires, waarin ze terugblikken op belangrijke momenten uit hun loopbaan. Soms is er een opvallende rode draad, als levensles.

Zo schreef de bekende predikant dr. A.A. Spijkerboer (1928-2013) net na de eeuwwisseling een beknopte autobiografie. Daarin vertelt hij hoe hij als tiener het besluit had genomen ‘een goed mens’ van zichzelf te maken. ‘Ik nam geen halve maatregelen en deed vreselijk mijn best. Mijn vader merkte hoe krampachtig ik begon te leven en sprak mij daarover aan. In lange, en soms moeizame gesprekken maakte hij mij duidelijk dat je niet alleen langs het evangelie heen, maar ook nog eens lijnrecht ertegenin gaat, als je een goed mens van jezelf wilt maken. In het evangelie komt Jezus Christus naar beneden, naar het niveau waarop je met je hele hebben en houden leeft, om zich over je te ontfermen. Beter gezegd: hij is Gods ontferming over je leven. Door Hem merk je dat God vergeeft wat je verkeerd gedaan hebt, én wat er verkeerd in je is. Daar hoef je niets voor te doen, je hoeft er zelfs geen tegenprestatie

voor te leveren.Toen dat eenmaal goed en wel tot mij doorgedrongen was, viel er een enorme last van me af.‘ Decennia later formuleert Spijkerboer waar het op aan komt in het leven: Jezus Christus belijden, ten overstaan van de machten die je eigen tijd beheersen. Hij schrijft dan dat het niet eenvoudig is om die machten aan te wijzen, maar ‘zeker lijkt mij, dat er in onze tijd van alle kanten wordt gespeculeerd op onze begeerte: je moet gebruik maken van alle mogelijkheden die je in je hebt, je moet jezelf helemaal ontplooien en je mag niets tekortkomen. Zo lijkt onze samenleving één grote ­samenzwering tegen het vermogen om God te danken. Het scherpste wapen tegen de begeerte dat ik ken is de dankbaarheid. God danken voor alles wat je zomaar in de schoot geworpen

wordt: de kleuren in de lucht bij zonsopgang, mensen in je omgeving die van je houden en het feit dat je er bent, en niet niet-bent. Het vermogen om God te danken wordt opgeroepen door het geloof in Jezus Christus: Hij is Gods ontferming over je leven, Hij rekent je niet toe wat je verkeerd hebt gedaan en Hij leidt je binnen in de vrijheid van Gods kinderen. Wanneer dat tot je doordringt gebeurt er een wonder en door dat wonder ga je alles anders beleven: je blijkt in feite te leven van wat je zomaar gekregen hebt.’ De bejaarde Spijkerboer is daarmee terug bij de overtuiging die hij als tiener omarmde: Jezus Christus: Hij is Gods ontferming over je leven. Een prachtige rode draad. 5


Pimpelmees en koekoeksjong ‘Pimpelmees,’ zegt meneer Ten Brinke tegen zijn vrouw. Ze glimlacht dan en legt haar hand op zijn arm. Als lid van de activiteitencommissie in het verzorgingshuis hier in de wijk schuif ik twee keer per week mijn eigen leven aan de kant om de verhalen van anderen aan te horen. Ik houd van levensverhalen. En zo was ik er getuige van dat meneer Ten Brinke zijn vrouw ‘Pimpelmees’ noemt. Ik vond het vertederend, maar het maakte me ook nieuwsgierig. Wie noemt zijn vrouw nu zo? Ik zocht naar een moment om het te vragen. Dat kan ik aan mevrouw Ten Brinke niet doen, ze geeft op geen enkele vraag antwoord meer. Haar leven bestaat uit spelen met de franje van het tafelkleed en voor het raam zitten. Ik weet niet of ze de vogels op de voederplaats nog ziet. Meneer is nog goed, hij redt zich prima alleen in het statige herenhuis aan de vaart. Hij zit nu in de raad van bestuur van het bedrijf waarvan hij vroeger directeur was. Maatpak met bijpassend overhemd en stropdas, elke dag. Hij is een man die respect afdwingt, en nog wel het meest voor de liefde voor zijn vrouw. Pimpelmees. Hoe kom je erop? Vandaag zaten we in de huiskamer na het koffiedrinken. De anderen waren allemaal naar het verplichte rolstoelgymen. Mevrouw Ten Brinke schrikt te veel van een opblaasbal, voor haar maken we een uitzondering. Haar man installeerde zich op zijn vaste plekje. Hij wees naar de voedertafel, waaraan een pindakaaspot zit geklemd, helemaal leeg, want hij hangt er al sinds de winter. ‘Daar moeten we eens wat aan doen, Pimpelmees!’ Ze knikte. Zoals ze altijd knikt in reactie op wat hij zegt.

‘Mag ik weten waar dat koosnaampje vandaan komt, meneer Ten Brinke?’ Er vloog een lach over zijn gezicht en hij klopte op de lege stoel naast hem. Ik keek naar de lege kopjes op tafel, maar ik ging toch zitten. ‘Die bijnamen van ons? Dat wil ik je wel vertellen hoor!’ ‘Hebt u er ook één dan?’ Hij wees naar haar en zei: “Pimpelmees” en op zichzelf wijzend: “Koekoeksjong”. Mevrouw Ten Brinke schudde haar hoofd. Hij: ‘Ik zal beginnen bij mezelf, want dat ligt in de aard van een koekoeksjong. Ik heb mijn levenlang een grote plek ingenomen, er werd voor mij gedraafd en gebogen, van jongs af aan. Zo word je vanzelf hoog op de ladder getild en je denkt dan ook nog dat je het zelf hebt geregeld. Ik was vijfenveertig jaar toen mijn toenmalige vrouw, totaal onverwacht, van mij wegging. We waren ruim twintig jaar getrouwd. We hadden alles wat ons hart begeerde, behalve kinderen, want daar hadden we geen tijd voor. Op een dag was ze vertrokken en ik was woedend. Iedereen vond het ongelooflijk. ‘Ze had het zo goed bij je!’ Ik hield me goed, had mijn werk en mijn verantwoordelijkheid, maar ’s avonds, in mijn mooie huis, viel de leegte op me. Ik had het niet meer naar mijn zin, er was eigenlijk niets om voor te leven. Had ik wel ooit geleefd? Ik miste ineens iets wezenlijks maar ik wist niet wat. ‘ Hij legde zijn hand op de rusteloos aan haar zakdoek plukkende hand van zijn vrouw. ‘Zij kwam al jaren bij ons over de vloer, ze poetste en boende, twee dagen per week. En omdat ze dacht dat ik slecht voor mezelf zorgde, zette ze dan een paar zelfgekookte maaltijden in de koelkast. Ik dacht in eerste instantie: waar zou ze die lekkere stamppotten kopen? In feite was ze het koekoeksjong aan het vetmesten, hè?’

Nu trok mevrouw Ten Brinke haar hand onder de zijne weg en legde die op zijn mouw. Bezwerend. Zij had die bijnaam niet bedacht, dat was duidelijk. Hij glimlachte en ging door: ‘Op een dag in de lente kwam ik thuis van een vergadering en vond ik haar gebogen over een schoenendoos en in tranen. In de doos lag een dood pimpelmeesje. Ze had hem gevonden en geprobeerd te redden met geweekt brood en een bakje water, maar het was niet gelukt. Ik vond het maar een vies dingetje hoor, het ziet er niet uit, hé, zo’n uit het nest gevallen jonkie. Maar zij zei: ‘Hij had zo verschrikkelijk mooi kunnen worden! En dat had ik zo verschrikkelijk graag gewild.’ Toen dacht ik: ‘Een vrouw die dát ziet in een dood vogeltje, wat is die rijk!’ Het was alsof ik aangeraakt werd op een plek, waar ik nog nooit was aangeraakt. Ik wist ineens wat het woord ontferming betekende. Ik was jaloers op dat dode vogeltje, ik had me nog nooit van mijn leven zo’n koekoeksjong gevoeld. Maar dat mag ik van haar niet zeggen. Ik mag haar wel pimpelmees noemen, gelukkig maar. Nu zit ze al een half jaar hier en ik mis haar thuis, maar niet in mijn hart. Daar woont een pimpelmeesje, een verschrikkelijk mooi exemplaar. Ja toch?’ vroeg hij nu aan haar, zich naar haar overbuigend. Ze knikte, ze knikt op alles wat hij vraagt. Joke Verweerd

6

7


Kom maar, mijn kind, hier mag je schuilen en zeggen al wat je bezeert. Bij Mij is plaats om uit te huilen, Ik droog straks al je tranen weer. Kom maar, mijn kind, hier is mijn liefde. Al doet het leven telkens pijn, vergeef, vergeet maar wat je griefde, mijn zachte troost zal bij je zijn. Kom aan mijn hart, Ik zal verwarmen wat in jouw dagen is verkild. Vlucht, bang en moe, maar in mijn armen, Ik ben het, die jouw onrust stilt. Hier zijn mijn handen, kind, zij vouwen zich om jouw beide handen heen.

Kom maar, mijn kind, hier mag je schuilen

Bid maar om moed en om vertrouwen en weet: Ik laat jou nooit alleen. Kom ook, wanneer je niets kunt vragen, voor elke verd’re stap te moe. Ik zal je door het donker dragen. Kom maar, mijn kind, kom naar Mij toe.

H. van ’t Veld

Lichtspoor (voorheen ‘Licht in de avond’) verschijnt zes maal per jaar en is een uitgave van de IZB, vereniging voor zending in Nederland.

Redactie: ds. J.H. Gijsbertsen (voorzitter) G. van de Beek (secretariaat) ds. H.G. de Graaff ds. J. Westland K. van Noppen

Redactie-adres: Joh. van Oldenbarneveltlaan 10 3818 HB Amersfoort Telefoon 033-4611949 E-mail: info@izb.nl


S izb lichtspoor 4 2014 (3)