Page 1

54ste jaargang | 2017 nummer 1


Gebed om bewaring S

oms slaat de schrik je op­ eens om het hart. Je leest de krant of je kijkt het journaal en je beseft dat de rust en stilte van de woonkamer relatief is. Je hart wordt onrustig, want de bedreigingen waarmee we in onze samenleving worden ge­ confronteerd, zijn niet op één hand te tellen. De verharding in de maatschappij, de polarisatie in de politiek, de grote crisis die ons boven het hoofd groeien: de vluchtelingen, de klimaat­ problematiek. En dan zijn er nog andere bedreigingen, geestelijk van aard. De tegenstander van God, die rondgaat als een honge­ rige leeuw. Als christen tob je er soms over hoe je temidden van dit alles staande zult blijven in het geloof en hoe je als getuige van God zult leven. Die roeping houdt immers bij het ouder wor­ den niet op!

De dichter van Psalm 17 voelt zich bedreigd door vijanden en vraagt in dat verband of God hem wil bewaren ‘als zijn oog­appel’. Toen God ons hart bouwde, heeft hij daar een be­ schermende ribbenkast omheen gebouwd. Toen Hij onze her­ senen inéénvlocht heeft hij er een soort betonnen plaat in de vorm van onze schedel overheen gelegd. Ons oog kon Hij echter niet op die manier beschermen, want dan kan het geen contact meer onderhouden met de bui­ tenwereld. Ons oog moet dus zó beveiligd worden dat het z’n functie kan behouden. Daarom heeft onze Schepper wenkbrauwen geplant, om het zweet dat van ons voorhoofd drupt op te vangen. Vervolgens heeft Hij oogleden vóór het oog gevormd, die razendsnel kunnen reageren wanneer er gevaar dreigt. Hij

heeft er ook voor gezorgd dat onze pupil zich kan verwijden en vernauwen als daar behoefte aan is in verband met de felheid van het licht. En tenslotte heeft Hij hele fijne traankliertjes in het oog gebouwd die, zodra er een vuiltje in het oog gekomen is, onmiddellijk vocht beginnen af te scheiden om de indringer weg te spoelen. We zien dus dat de Schepper een veiligheidssysteem ontworpen heeft waardoor onze oogappel goed beschermd is. Wanneer wij bidden: ‘Bewaar me als de appel van het oog’, dan zeggen we als het ware ­tegen God: ‘U wilt dat ik in deze wereld als uw getuige zal leven. Wilt U mij in deze wereld dan op de­ zelfde wijze bewaren als U mijn oog bewaart?’ We zouden ook kunnen concretiseren: ‘Wilt U, zoals mijn oog bewaard wordt door mijn wenkbrauwen, alle boze machten, verleidingen en verontreinigingen op afstand hou­ den? Wilt U, zoals mijn oogleden, mij fijngevoelig maken zodat ik aanvoel wanneer ik beloerd word door de boze? Wilt U, zoals mijn oogpupil zich instelt op het licht, mij geven dat ik temidden van de duisternis tóch U niet uit het oog verlies? Wilt U, zoals mijn traan­ kliertjes alle vuiltjes wegspoelen, mij geven wanneer er toch ver­ ontreiniging binnendringt dat ik dan de toevlucht neem tot de Uw vergevende genade opdat mijn leven elke dag gereinigd mag worden?’ Ds H.G. de Graaff Nieuwerbrug aan den Rijn

2

Fred Althaboe ‘Waar ik ook kwam, ik zocht eerst een christelijke gemeente’ ‘Op de zendingsschool hoorde ik voor het eerst de verhalen uit de Bijbel. Op een dag vertelde onze docent over Elia, die met een vurige wagen en vurige paarden ten hemel was gevaren. Tijdens het verhaal sprong ik op en riep ‘Ja! Zo was het! Dat heb ik meegemaakt!’ Ik ben opgegroeid in een klein dorp met twintig huizen in het voormalig Nederlands Nieuw Guinea. Op 5-jarige leeftijd had ik een bijzondere beleve­ nis – die sommigen vandaag een ‘bijna-dood-ervaring’ zouden noemen. Mijn geest had mijn lichaam verlaten. Alle dorpsbe­ woners liepen uit, om met mijn moeder, broers en zussen te rou­

wen. Een paar jaar eerder was mijn vader gestorven, dat maak­ te het voor ons gezin extra triest. Ik herinner me dat mijn geest in een witte wagen, getrokken door twee vurige paarden, met over­ weldigend hoge snelheid door de hemel rende. Alle wolken splijten. Zo voerden de paar­ den mijn geest terug naar mijn gestorven lichaam, en kwam ik weer tot leven. Omgeven door al die rouwende mensen stond ik van mijn bed op. Maar ik kon amper uitleggen wat er was ge­ beurd. Vurige paarden - in ons dorp hadden we nog nooit een paard gezien. Pas een aantal jaren later, toen ik het verhaal over de hemelvaart van Elia 3

hoorde, viel bij mij het kwartje. Iets dergelijks was mij overko­ men. Ik realiseer me dat het een wonder Gods was in mij. Het is een van mijn vroegste herinne­ ringen van Gods ingreep in mijn leven. En wat Hij doet in het leven van een mens, is blijvend.’ Groei Fred Althaboe (71) kan leven­ dig vertellen. Over zijn land, Nieuw Guinea, over zijn studie en werk, over de kerken en ge­ meenten waar hij lid van was. Het liefst praat hij over Jezus. ‘Ja, ik doe niets liever. Jezus Christus is de kern van het bij­ belse getuigenis. Daar heb ik me heel mijn leven mee bezigge­


houden, het bestuderen en overdenken van de be­ tekenis van het leven en sterven en de opstanding van Jezus. Als ik in vrijzinnige gemeenten kwam, bleek dat thema helemaal niet aan de orde te ko­ men. Daar verbaasde ik me over. Hoe kun je dan groeien in geloof?’ Tijdens het gesprek stuiten we meerdere keren op littekens. Zijn leven had er zo anders uitgezien als Nieuw Guinea een onafhankelijke staat was ge­ worden, en niet door Indonesië was ingelijfd. ‘Bij de dekolonisatie had niemand ons geïnformeerd over de soevereniteitsoverdracht. Van de één op de andere dag kwamen er Indonesiërs, als een ‘bezet­ tende macht’. We verstonden hun taal niet en zij waren in meerderheid moslims. Wij waren dankzij de zendingswerkers – onder andere uit Nederland – christen geworden. Los daarvan, wij zijn een ander ras. Wij zijn Melanesiërs, mensen van de ‘zwarte eilanden’, net als de Molukkers, de inwo­ ners van de Fiji-eilanden, Oost-Timor, de Salomons eilanden, Nieuw-Caledonië, etc. Maar we zijn ge­ woon door Indonesië geannexeerd.’

‘Ik had me een beeld gevormd van Nederland als een christelijke natie. Dat viel hard tegen!’

Vluchten Die omwenteling in de geschiedenis betekende ook een breuk in mijn loopbaan. ‘Als beste van de klas op de Hoge Bestuursschool zou ik de kans krijgen om rechten te gaan studeren in Nederland, in Leiden. Maar na de soevereniteitsoverdracht ­waren die plannen van de baan. Sterker nog: ik heb een paar jaar zonder enige vorm van proces

Gemeenten ‘Bij aankomst in Nederland wachtte me nog een teleurstelling: ik kende de Nederlanders als echte christenen. Zij werkten als zendelingen, onder­ wijzers, artsen en verpleegsters of in dienst bij de overheid. Daardoor had ik me een beeld gevormd van Nederland als een christelijke natie. Dat viel hard tegen! 4

Gebed

Op 16 juli 1985 kwam ik in Nederland aan. Naar mijn gewoonte ben ik meteen op zoek gegaan naar een christelijke gemeente. Vijf dagen later bezocht ik voor de eerste keer een kerkdienst in Utrecht, en de boodschap was meteen raak: “ …. want mijn huis zal een bedehuis heten voor alle volken!” (Jes. 56:7). In de loop van de dertig jaar ben ik lid geweest van diverse gemeenten. Een baptisten­ gemeente, volle-evangelie-gemeente, een Messiasbelijdende gemeente, Zevende-dags-adventisten, een huisgemeente, een hervormde gemeente… Het belangrijkste voor mij is de kern van het evangelie: hoe denk je over Jezus? Welke bijbels boodschap over Jezus werd daar verkondigd? De rest is bij­ zaak, vandaar dat ik makkelijk kon switchen van de ene naar de andere gemeente, op zoek naar de waarheid over Jezus. Vanwege mijn hartklachten ben ik vóór mijn pensio­nering afgekeurd. Ik heb me verdienste­ lijk weten te maken als vertaler. Diverse door mij ­vertaalde preken en boeken zijn in Indonesië uit­ gegeven.’

Heer, U weet beter dan ik dat ik ouder word en op een dag oud zal zijn. Behoed me voor de dodelijke gewoonte te denken dat ik over elk ding en bij elke gelegenheid iets meen te moeten zeggen. Maak me nadenkend maar niet humeurig; behulpzaam, maar niet bazig. Hou mijn geest vrij zodat ik me niet eindeloos verlies in kleinigheden. Verzegel mijn lippen als het gaat over mijn pijn en mijn leed. Die nemen toe en van jaar tot jaar zal ik er niet meer over willen praten. Ik waag het niet U te vragen mij zoveel genade te geven dat ik er blij mee kan zijn om het verhaal van andermans pijn te horen. Maar help me het te verdragen met geduld. Ik waag niet U te vragen dat mijn geheugen beter wordt, maar wel dat mijn nederigheid groeit en mijn eigenwijsheid afneemt als mijn herinneringen niet stroken met de herinneringen van anderen.

‘Opeens besefte ik hoe egoïstisch mijn gebed vaak was’

Gebed en Bijbel ‘Dagelijks neem ik ruim de tijd om te bidden en de bijbel te lezen en het Woord te overdenken. ­Dagelijks bid ik voor de vervolgde christenen ­wereldwijd, voor Israël, voor Nederland, voor ­artsen en medisch personeel. Twee keren per dag bid ik intensief. Een ervaring tijdens mijn verblijf in Athene zorgde voor een doorbraak in mijn gebeds­ leven. Ik had de gewoonte om in mijn kamer, naast het bed, te knielen voor mijn gebed. Op een dag, 31 januari 1985, kon ik geen woord uitbrengen. Mijn tong kleefde aan mijn verhemelte. Ik baadde in het zweet, hoewel het koud was in de kamer. Toen was het een stem die tegen me zei: “Fred, waarom bid je altijd vooral voor jezelf, voor je gezin, je land. Waarom bid je niet voor mijn volk, Israël?” Het was de Here Jezus die tot mij sprak. Opeens besefte ik hoe egoïstisch mijn gebed vaak was. Daarop heb ik mijn zonden beleden. Vanaf die dag is mijn gebedsleven veranderd.’

Zorg ervoor dat ik vriendelijk blijf. Ik wil geen heilige zijn - sommige heiligen zijn zo moeilijk om mee samen te wonen maar een verzuurd mens is een parel aan de kroon van de duivel. Geef me het vermogen goede dingen te zien op plaatsen waar ik ze niet verwacht en talenten bij mensen bij wie ik die niet had voorzien. En geef mij de genade, o Heer, hun dat dan ook te zeggen. Gebed van een onbekende auteur uit de 17e eeuw

Tekst en foto’s: Koos van Noppen 5

Geciteerd uit het boekje ‘Gericht op het licht’; geloven in de levensavond’, geschreven door André F. Troost.

achter de tralies gezeten, louter omdat ik secre­ taris van een jeugdorganisatie was. Later ben ik naar Java gegaaan en heb ik toch nog rechten gestudeerd aan de eerste Indonesische nationale universiteit in Djokjakarta en daarna zeven jaar les gegeven. Maar omdat er veel landgenoten werden gearresteerd, of op schimmige wijze van het to­ neel verdwenen, was het op een gegeven moment te gevaarlijk om te blijven en besloot ik toch met pijn in het hart mijn land te verlaten. Een half jaar heb ik in de rimboe geleefd, gezworven, totdat ik met negen landgenoten in een zelfgebouwde boot wist te ontkomen. Na een reis over de wijde zee – 1500 mijl in 16 dagen - bereikten we de haven­ stad Rabaul in het verre oosten van Papoea Nieuw Guinea. Daar hebben we asiel aangevraagd. Het Hoge Commissariaat voor Vluchtelingen van de VN zorgde ervoor dat ik samen met twee landgenoten naar Griekenland kon vertrekken. Twee jaar woonde ik in de miljoenenstad Athene. Waar ik ook kwam – in welk land, in welke plaats ook - het eerste wat ik deed is: zoeken naar een christelijke gemeente. Ik vond een kleine baptis­ tengemeente, gesticht door Amerikanen. Na een tijdje kon ik er koster worden, op die manier had ik wat zakgeld. Later werd ik hulppastor. Via zelf­ studie verwierf ik veel kennis van de Bijbel. Op een dag kreeg ik op de ambassade te horen dat ik werd uitgenodigd om naar Nederland te komen, ‘op grond van de historische band tussen Neder­ land en het Papoea-volk.’ Ik heb gedurende enkele maanden niet op dit mooie gebaar van Nederland gereageerd. Het klonk heel dierbaar, maar ik zou het liefst naar Australië gaan, want dat ligt dichtbij mijn vaderland. Wij Papoea’s voelen ons nog altijd verraden door Nederland.’


K

ijk eens naar de prachtige foto op deze pagina. Brandganzen, doelgericht op weg naar hun volgende bestemming, die ver in het noorden van Europa ligt. Het is een reis met veel onzekerheden. Ze weten van tevoren niet in wat voor weer ze terechtkomen en welke gevaren hun te wachten staan. Ze moeten er bovendien op vertrouwen dat ze op elkaars steun kunnen blijven rekenen. Al was het alleen al om te wis­ selen van plaats in de groep. Soms de zwaarste plek vooraan innemen, dan weer achteraan vlie­ gen om energie op te doen. Ze zijn op weg, zon­ der dat ze met eigen ogen al gezien hebben of de plek waar ze naartoe vliegen op dit moment oké is. Vogels kunnen iets leren over vertrouwen. ‘Kijk naar de vogels in de lucht,‘ zegt Jezus op zeker moment tegen Zijn bezorgde discipelen. Ze hebben geen menselijke zekerheden achter de hand, zoals een voorraadschuur met eten; ‘(…) het is jullie hemelse Vader die ze voedt. Zijn jullie niet meer waard dan zij?’ Vogels le­ ren ons aan de ene kant dat vertrouwen onze verantwoordelijkheid niet uitsluit om te doen wat we kunnen. Vogels moeten zelf vliegen en zelf hun voedsel zoeken. Maar ze laten ons ook zien dat wie geen zekerheden achter de hand heeft, niet hoeft te wanhopen. Christus daagt ons

bovendien uit om onze waarde goed in het oog te houden. ‘Wat kosten vijf mussen? Bijna niets. Toch wordt er niet één door God vergeten; ‘(…) wees niet bang, jullie zijn meer waard dan een hele zwerm mussen.’ Vertrouwen groeit als we beseffen hoe waardevol we zijn voor God. Met enige humor voegt Jezus eraan toe dat trouwens niemand zichzelf één dag langer in leven kan houden door zich zorgen te maken. Het is ver­ spilde energie. Reisgeld voor de dag Niet één mus wordt vergeten: bemoedigende woorden voor ons senioren. Misschien hebben wij wél een gedegen ‘voorraadschuur’ achter de hand zoals een goed pensioen, voldoende geld om een aangepaste flat te kopen als dat nodig is, een stevig sociaal netwerk, een eigen huis, ge­ zonde genen. Toch zorgen al die ‘zekerheden’ er niet voor dat we automatisch vol vertrouwen de toekomst tegemoet treden. We kunnen datgenen wat ons dagelijks zekerheid lijkt te bieden im­ mers niet veiligstellen. De Spreukendichter zegt bijvoorbeeld over ons vermogen dat het vleugels kan krijgen en weg kan vliegen als een arend. Je kunt het plots kwijtraken. En bovendien leggen we een traject af waarbij nieuwe onzekerhe­

6

Wil Doornenbal

Ga met God ‘D (Met toestemming overgenomen uit ‘Reizen door nieuw land; ouder worden met perspectief’, uitgave Boeken­centrum, Zoetermeer, 2015).

Hoe geloofs­ vertrouwen werkt

den als paddenstoelen links en rechts uit de grond schieten. Konden we bijvoorbeeld als jongere re­ kenen op ons lichaam (tenzij we ziek waren), nu weten we dat het ons in de komende jaren steeds minder kan steunen. Het wordt zwakker en tra­ ger. Hoe lang zullen we nog zelfstandig op onze levensweg reizen? We weten niet hoe afhankelijk we van anderen zullen worden, en wie ons dan zal (moeten) helpen. Zullen we dan met respect be­ handeld worden? Of zullen we ons voelen als een eenzame vogel op een leeg dak, zoals de slape­ loze dichter? Zullen we helder van geest blijven of slaat de dementie ook bij ons toe? Ons overlijden komt dichterbij; hoe zal dat gaan? Zullen we veel pijn moeten lijden? Zullen we het proces aankun­ nen? Hoe zal het gaan met onze partner als hij of zij alleen achterblijft? En krijgt ons hulpbehoe­ vend kind de goede zorg wanneer wij er beiden niet meer zijn? Na zo’n lijstje van onzekerheden lijken de woorden ‘vertrouw maar’ slechts een ‘goed-gevoel-spreuk’ voor op een tegeltje. En als de woorden niet uit de mond van Jezus kwamen zou ik ze inderdaad niet veel meer gewicht geven dan die van een goedbedoelde oppepper. Maar ze komen uit de mond van Iemand die weet wat het is om het totale leven te leven. Die zelfs tot in de diepste dieptengeleden heeft. En Hij, de ervarings­ deskundige, zegt: ‘Gerustheid en vertrouwen krijg je alleen door de juiste focus. Concentreer je niet op je schijnzekerheden; dat helpt je van de wal in de sloot. Naast de zorg voor je toekomst draag je dan vandaag ook nog de ­extra last hoe je in vredesnaam je zekerheden kunt veiligstellen. Con­ centreer je ook niet op de vele onzekerheden in je toekomst; daardoor word je alleen maar angstiger. Verleg je focus. Reken op je Vader die weet wat er nodig is: zowel vandaag als in de toekomst.’ Een voorbeeld van dat vertrouwen zien we bij Simeon en de oude Hanna. Zij houden vast aan Gods be­ loften van herstel – terwijl het land er tijdens hun leven slecht aan toe was. Toen ik eens in de put zat, vroeg een oudere dame me: ‘Heb je genoeg moed om vandaag te leven? Kun je het vandaag uithouden?’ ‘Ja’ ze ik, ‘vandaag zal het nog wel gaan.’ ‘Dat is voldoende, ‘ zei ze. ‘Je krijgt je reis­ geld niet vooruit; alleen per dag. ’Toen deze dame heel erg zwak was geworden, zei ze: ‘Ik leef nu per dagdeel.’ Door de jaren heen hebben die wijze woorden me geholpen.  

7

oei, oma!’ zeggen de kleinkinderen als ze de gang uitlopen. ‘Tot gauw’, zeggen hun ouders. Soms voelt het een beetje kaal. Je zou meer willen zeggen, maar voordat je er toe komt, zijn ze de deur als uit. De Engelsen zeggen bij een afscheid vaak ‘Goodbye’. Dat is een verkorte versie van ‘God be with you’, God zij met je’. Ook in andere talen vind je die diepere lading terug: ‘Adieu’ (Frans) of ‘Adios’ (Spaans). ‘Ga met God’. Op de achterpagina van deze uitgave van ‘Lichtspoor’ staan enkele coupletten van het lied ‘Ga met God en Hij zal met je zijn.’ Het origineel is geschreven door Jeremiah Eames Rankin (1828-1904), een predikant die beschikte over een vaardige pen. Op zondagavonden ging hij voor in ‘gospel meetings’, samenkomsten waarin liederen werden gezongen op populaire melodieën. Rankin schreef zelf regelmatig teksten voor die bijeenkomsten. Op een dag las hij in een woordenboek dat de alledaagse groet ‘good-bye’ eigenlijk een afkorting was voor ‘God be with you’, God zij met je. Hij besloot een tekst te schrijven, dat goed kon dienen als slotzang voor de wekelijkse samenkomsten. Hij stuurde de kersverse tekst naar twee musici, met het verzoek er een melodie bij te maken. William G. Tomer, een organist, zette de woorden op muziek. Het lied was meteen erg populair. Later voorzag de bekende componist Ralph Vaughan Williams de tekst van een nieuwe melodie, die tot op de dag van vandaag over heel de wereld wordt gezongen. Kenmerkend voor het lied is dat de eerste en vierde regel van elk couplet hetzelfde zijn, waardoor alle nadruk valt op deze zegenbede ‘Ga met God en Hij zal met je zijn.’

en Hij zal met je zijn


Ga met God en Hij zal met je zijn Ga met God en Hij zal met je zijn, jou nabij op al je wegen, met zijn raad en troost en zegen.  Ga met God en Hij zal met je zijn. Ga met God en Hij zal met je zijn, bij gevaar, in bange tijden, over jou zijn vleugels spreiden. Ga met God en Hij zal met je zijn.

(Lied 416 uit het Liedboek ‘Zingen en bidden in huis en kerk; vertaling Gert Landman)

Ga met God en Hij zal met je zijn, in zijn liefde je bewaren, in de dood je leven sparen. Ga met God en Hij zal met je zijn. Ga met God en Hij zal met je zijn, tot wij weer elkaar ontmoeten, in zijn naam elkaar begroeten. Ga met God en Hij zal met je zijn.

Lichtspoor (voorheen ‘Licht in de avond’) verschijnt zes maal per jaar en is een uitgave van de IZB, vereniging voor zending in Nederland. Redactie: ds. J.H. Gijsbertsen (voorzitter) M. Verkaik (secretariaat) ds. H.G. de Graaff ds. J. Westland K. van Noppen Redactie-adres: Breestraat 59-61 3818 BH Amersfoort Tel. 033-4611949 E-mail: info@izb.nl

Lichtspoor januari 2017  
Lichtspoor januari 2017