Page 1

56ste jaargang 2019 nummer 1


Een heilzame volgorde Bij opgravingen in Israël is een verhaal gevonden over een ‘verloren’ zoon dat heel bekend was in de tijd dat Jezus op aarde leefde. Het lijkt een variant op de gelijkenis: Een zoon mishandelt zijn vader en verkwist zijn vaders goed. Bij terugkeer verklaart hij niet meer waard te zijn ‘zoon’ genoemd te worden en dat hij daarom als knecht op het bedrijf wil werken. Zijn vader laat hemel echter in de boeien slaan en duizend stokslagen geven. Jezus vertelt in de evangeliën ook een gelijkenis over een verloren zoon. Daarin schetst Hij een radicaal ander beeld van de vader. De vader stond reikhalzend op de uitkijk en toen de terugkerende zoon nog ver van hem verwijderd was, zag hij hem en met innerlijke ontferming bewogen, rende hij hem tegemoet, omhelsde en kuste hem. Net als de verloren zoon zoeken ook wij de vervulling van ons leven buiten onze Schepper, door ons voortdurend voor Hem te verbergen. Een houding die we van Adam hebben geleerd. God de Vader verlangt er echter naar ons te ontvangen en te laten delen in Zijn goedheid. Dát zijn de feiten. De primaire vraag is dus niet: ‘Hoe moet ík als

2

weggelopen kind mijn Vader vinden?’, maar: ‘Hoe láát ik mij door mijn zoekende Vader vinden?’ De Vader verlangt immers naar mij, maar ík verberg mij voor Hem. Je dit realiseren betekent werkelijk een omslag in denken en ervaren. Enerzijds betekent het ontspanning: Ik mag mij door de Vader láten vinden, lief hebben en dienen. Anderzijds een verdiept schuldbesef: ‘Hoe dwaas om steeds mijn levensvervulling buiten mijn Schepper te zoeken’. Vanuit deze omslag bloeit er dankbare wederliefde op voor deze unieke Vader. Daarom de uitnodiging deze heilzame volgorde scherp in de gaten te houden, anders ontstaan er problemen. Een mensenhart kent namelijk de dominante neiging om Gods liefde te willen verdienen door bijvoorbeeld een wettisch leven te leiden. Sta de Heilige Geest toe Gods liefde in uw hart uit te storten (Romeinen 5:5) en bidt dagelijks belijdend met de Psalmdichter: ‘U bent goed en U doet goed. Leer mij Uw verordeningen.’ (Psalm 119: 68)

Ds. H.G. de Graaff, Nieuwerbrug aan den Rijn


In gesprek met Gerrit Bos

‘We hebben iets ontvangen om door te geven’ ‘Vanmorgen vroeg, bij het opstaan, keek ik uit het raam en zag ik de helder stralende morgenster’, zegt Gerrit Bos (83). Hij werpt een blik door het raam, naar de plek waar hij hem zag. De zon schijnt inmiddels. Aan de andere kant van de slingerweg voor zijn huis stroomt de Goudriaan, nu vol met kroos. ‘De ster deed me denken aan wat de apostel Petrus aan het eind van zijn leven schreef: We zijn niet zomaar wat fabeltjes nagevolgd, maar het profetische woord. Je doet er goed aan daar acht op te slaan, tot de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in je hart. Dat bedoel ik: we hebben iets ontvangen om door te geven.’ Na enige aarzeling had Gerrit toegestemd in een gesprek. We zouden kunnen praten over het bedrijf dat hij hielp opbouwen. Of over de decennia waarin hij de kerk diende, als ouderling en afgevaardigde naar allerlei kerkelijke vergaderingen. ‘Laat het

vooral over Jezus gaan. Dat is toch het enige wat blijft, dat je uiteindelijk alleen Hem overhoudt.’ Zo verging het ook zijn gelovige ouders, vertelt hij. Zijn vader overleed na een lang ziekbed aan longkanker, op 68-jarige leeftijd; zijn moeder mocht 100 jaar worden. ‘Op het eind van haar leven, zittend in haar rolstoel, sloeg ze na een gebed de ogen op en zei: “Wat is Hij toch lief, hè”.’ Gerrit stamt uit een familie van dorpstimmerlieden. Vader, grootvader, overgrootvader, allemaal eenvoudige handwerkslui. Het gezin waarin Gerrit opgroeide kende best veel zorgen. ‘Vader was een kleine zelfstandige, in een tijd zonder sociale voorzieningen. Hij had een zwakke gezondheid. Ik was de oudste van vijf kinderen. We hadden het niet breed. Als kind leerde ik al vroeg te leven met de Here. Je besefte dat je Hem elke dag nodig had. Hij is me altijd nabij geweest. En ik heb Hem van kind af aan mogen volgen.’ 3


Mulo Samen met zijn broer ging hij naar school. ‘We deden samen met één broodtrommel en één tas; meer hadden we niet nodig. Als we naar de mulo in Schoonhoven gingen, lieten we de fiets aan deze kant van de rivier achter. Dan was overtocht met de pont goedkoper…’ De mulo werd voor Gerrit overigens een kortstondig avontuur. Het was van de één op de andere dag afgelopen, toen vader zei dat hij thuis moest blijven om mee te helpen in de zaak. Gerrit was toen 14 jaar. Hoe anders zou zijn leven gelopen zijn, als dat niet gebeurd was? De hoofdonderwijzer van het dorp had wel een dominee in Gerrit gezien. ‘Maar dan moet je een roeping hebben… Een of ander dienend beroep had me wel gelegen. Nee, ik heb me ermee verzoend dat het gegaan is zoals het gegaan is. Ook in het bedrijfsleven is behoefte aan christelijke normen en waarden, zei een goede vriend van me. Eerlijk zaken doen, de belasting niet tillen, het zijn uitdagingen. ‘Mijn vader leefde met God, maar hij was niet tot ruimte gekomen in zijn leven. Geestelijk was hij opgegroeid in de kring van de conventikels, de bevindelijke gezelschappen die doordeweeks bij een van hen thuis samen kwamen, her en der in de Alblasserwaard. Hij had van nature een enigzins neerslachtig karakter en met de sfeer waarin hij geestelijk verkeerde maakte dat hij vaak in donkerheid leefde. Als kinderen waren we wel van jongs af onder de indruk dat er meer was alsof hij een geheim kende. Je voelde dat vooral met het bijbellezen aan tafel. Later veranderde dat en leefde hij uit de verwondering en kwam hij tot volle ruimte zodat hij op zijn sterfbed kon zeggen: “Nu ben ik van alles los.” Daar heb je het weer hè: dat alleen Jezus voor je overblijft.’ Al op jonge leeftijd moest Gerrit leidinggeven aan het bedrijf. ‘Het voelde wel vreemd om als 18-jarige opdrachten te geven aan collega’s die 36 of 54 waren. Je hebt de zorg voor het personeel, je voelt de verantwoordelijkheid. Na de studie kwam zijn broer in het bedrijf, dat leverde een vruchtbare samenwerking op. Het bedrijf groeide, zeker nadat een groot nationaal bouwbedrijf vertrouwen in hen had uitgesproken. Ook kerken kon Bos tot zijn klantenkring 4

rekenen. ‘De kerkbanken die we maakten, waren een ontwerp van ons zelf, aan de praktijk getoetst! Een goede zithouding bevordert het luisteren.’ Timmerfabriek Bos, waar in de hoogtijdagen meer dan 40 personeelsleden werkten, genoot een uitstekende reputatie. Gerrit bleef er bescheiden onder. Hij herkent zich in de uitspraak van de apostel Paulus: ‘Wat hebt gij dat gij niet ontvangen hebt?’ (1 Kor 4:7). Verwondering Naast zijn drukke baan vond hij tijd voor het ouderlingschap. En vandaaruit nam hij deel aan allerlei kerkelijke overlegstructuren: de classis, de visitatie, het college voor opzicht en tucht, om er een paar te noemen. ‘Met vreugde heb ik de kerk mogen dienen. Het mooiste vond ik de commissie die gesprekken voerde met kandidaten voor de toelating tot het ambt van predikant. Daar, in Amsterdam, heb ik de breedte van de kerk leren kennen en liefhebben. De kerk van mijn jeugd in de Alblasserwaard kon, vergeleken daarbij, nog wel eens benauwd overkomen. Maar in de ontmoeting met aanstaande predikanten ontdekte ik dat de Geest veel breder en ruimer werkt dan wij vaak denken. Hij is niet aan ons denkraam gebonden. Dat was een ware ontdekking voor me. Daar past maar één woord bij: verwondering. Een boekjaar sluit met een balans. De eindbalans maakt God. Zelf mogen we de tussenbalans maken. Het resultaat is: de activa alleen schuld en tekort, de passiva alles genade.’

Tekst: ds. H.G. de Graaff en Koos van Noppen


Aan boord getild Ze was een bejaarde weduwe, Adrie, zo zal ik haar maar noemen om het wat persoonlijker te maken. Ze woonde in een buurtschap op behoorlijke afstand van de gemeente waar ik predikant was. In de zomer was het bij mooi droog weer prachtig om er heen te fietsen. Het zonlicht speelde zijn wonderlijk spel met de bladeren van de bomen. In allerlei tinten groen lichtten ze op. In de herfst was het haast nog mooier. Dan drongen de overbekende dichtregels van Jacqueline van de Waals zich onwillekeurig op: Als gouden de portalen zijn, hoe zullen dan de zalen zijn. Adrie woonde op een boerderijtje aan het eind van een zandpad. Als je het erf op fietste, waande je je een stuk terug in de tijd. Alleen al die houten pomp. Niet dat hij nog nodig was, want waterleiding, gas en elektriciteit, het was allemaal aangelegd. Maar wat je zag herinnerde sterk aan vroeger. Zulke boerderijtjes waren er wel meer in die buurtschap. Ze leverden lang niet genoeg op om van te leven. De mannen werkten er bij in het bos, of op een bedrijf in het dorp. Dat betekende voor de vrouwen wel behoorlijk hard werken, want naast de zorg voor het gezin moest er het nodige gedaan worden om het bedrijfje op gang te houden. Dat was ook Adries leven geweest. Nu was er wat meer rust gekomen. Na het overlijden van haar man had een zoon met zijn vrouw het bedrijf voortgezet. Zij woonde in een gedeelte voor in de boerderij. De volksaard in die buurtschap was wat stil en teruggetrokken. De bewoners lieten zich niet gemakkelijk in het hart kijken. Daar was veel vertrouwen voor nodig, dat slechts gaandeweg kon groeien. Adrie was open, ook over haar relatie met de Here God. Telkens kwam het er in ons gesprek op neer, hoe moeilijk ze het had met zich aan de HERE over te geven en aan Hem toe te vertrouwen. Want ja, het moest toch wel echt zijn. Zo was ze ook opgevoed. 5


Als Adrie daarover sprak gebruikte ze het beeld, dat ze op de oever stond van een wetering. In het water lag een boot, waar ze op moest stappen om aan de overkant te komen. Een beetje beschaamd omdat ze wel aanvoelde dat het niet goed was, eindigde ze dan met ‘Dominee, ik vind die oever nog zo veilig, ik durf niet’. En hoe ik ook telkens weer probeerde om haar te overtuigen van de betrouwbaarheid van die boot, omdat Christus Zelf het roer hield, ze bleef maar steken in: ‘Ik durf niet’. Na zo’n gesprek beëindigd te hebben met het lezen van wat teksten uit de Bijbel over die betrouwbaarheid van Gods beloften en een gebed, fietste ik dan nog wel eens naar huis met een gevoel van machteloosheid. Je zou haar wel op die boot willen tillen, maar dat kon je niet, dat moest je aan God overlaten. Tot die andere keer. Ik kwam binnen en zag meteen dat er iets veranderd was. Haar ogen lichtten blij op. ‘Dominee, ik ben aan boord getild.’ ‘Hoe ging dat? Heb je dan iets bijzonders meegemaakt? Een droom of zoiets? ‘Niet zoals u denkt, maar wel iets bijzonders. Het was zondag. Ik had de kerktelefoon aangezet . Mijn Bijbeltje lag open, ik zong zo goed en kwaad als het ging met mijn gebarsten stem de psalmen mee. En toen die preek over ’Wend u tot Mij, word behouden alle einden der aarde’. En vooral wat die dominee zei over Hem, die dat zegt. Hij heeft zoveel liefde, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gaf tot verzoening van al mijn zonden. Zelfs van mijn ongeloof. Toen werd ik zomaar opgenomen en aan boord getild.’ Enkele jaren later overleed Adrie in stil vertrouwen op haar HEERE en Heiland. Ze is aan de overkant gekomen in het land van louter licht en vreugd.

Ds. J. Westland, Putten

6


Geloof, hoop en liefde De woonkamer is nu ook slaapkamer. Er staat een speciaal bed waarin ik nog wat lijk. Het zitten gaat weer, ik hoef ik het niet zelf te doen. Welk knopje ik daarvoor gebruiken moet heeft Sanne uitgelegd. Ze is er, ik hoor haar stofzuigen boven, ze heeft zojuist een boterham voor me neergezet, in kleine hapjes gesneden. Sanne is mijn schoondochter, was getrouwd met Menno, mijn zoon, maar die zag meer in een ander. Mijn familie is niet van de trouwe soort, Sanne wel. Je snapt niet dat iemand haar niet lief kan vinden, in mijn ogen is ze te goed voor deze wereld.

Ze is christelijk, ja, maar vertel me nou niet dat geloof mensen beter maakt dan de rest. Misschien worden sommige mensen gewoon beter geboren. Ik heb zelf ook op de zondagschool gezeten, maar ik ben er beslist geen aardiger mens geworden. Ik kom uit een familie die nogal goed is in ruzie en achterdocht. En na mijn vechtscheiding, nu al dik twintig jaar geleden, was ik er wel klaar mee. Met het mijn best doen voor God en de samenleving, bedoel ik. Ik wil niet zielig doen, maar als je helemaal nooit resultaat ziet, dan houdt het een keer op. Nu ben ik ziek, ik heb geen zin meer in nog meer chemo. Maar 7


Sanne maakt het verschil tussen een slechte en een goede dag. Ze komt om de andere dag nu, dat zijn momenten waar ik naar uitkijk. Sanne maakt mijn bril schoon, wil op elk moment mijn gebit poetsen bij de wasbak, ze legt ook vaak haar handen even om mijn gezicht. Het is fijn dat er thuiszorg is maar Sanne’s zielszorg werkt beter. Alles waar ik in mijn leven van kon houden bleek stuk te kunnen. Mijn beide zussen zie ik na de erfeniskwestie nooit meer, mijn ex woont al jaren in het buitenland, mijn zoon heeft op mijn hart getrapt door Sanne aan de kant te zetten. Ik ga geen knieval maken en ook niet op iemands gemoed werken nu ik weet dat ik niet meer beter kan worden. Het is graag of niet bij mij. Sanne is het daar niet mee eens. Zij probeert van alles.

‘Julia was het prinsesje. Door en door verwend. In haar tienertijd werd ze dwars en riep ze dat ze stopte met er voor de pronk te zijn, dat liefde niet te koop was. Ze woont al sinds haar achttiende in Frankrijk, hè. Zelden meer thuis geweest.’

‘Met welke zus kon u vroeger het beste opschieten? Tante Meta of tante Julia?’

‘Heeft u het laten maken? Waarom draagt u het nooit?’

Ik doe mijn ogen dicht, ze moet niet zien dat het denken aan vroeger weerzin wekt. Maar dat heeft ze al weer door. Ik voel een kus op mijn wang.

Dat is dan weer zo’n vraag die aankomt. Nee, ik heb het niet laten maken. Waarom eigenlijk niet? ‘Het ligt in de linnenkast op de bovenste plank. Een klein zwart doosje.’

‘Wanneer heeft u hen voor het laatst gezien?’ ‘Twaalf jaar geleden. Toen mijn vader stierf hebben we met elkaar het huis leeg moeten halen. Die twee kregen weer ruzie over alles.’ ‘Maakte u geen ruzie?’ ‘Ik wilde alleen het kettinkje van mijn moeder. Meer niet. En dat kettinkje was nog kapot ook!’

‘Als u te moe bent, hoeft het praten niet hoor.’ Voor haar kan ik mijn best wel doen toch? ‘Meta is twee jaar ouder dan ik, ze was altijd zo stellig. Had alleen maar ruimte voor haar eigen gelijk. Als kind keek ik tegen haar op, geloofde ik wat ze beweerde. Ze nam het op school ook wel voor mij op, hoor! Zij twijfelt nooit, zij weet alles beter.’ ‘Is zij nog gelovig?’ ‘Ze maakt deel uit van een groepering die God in hun broekzak denkt te hebben. Alleen zij weten het. God is niet groter dan hun soort mensen. Ik weet niet of dat nog christelijk is.’ ’En tante Julia?’

8

Binnen twintig seconden houd ik het in mijn handen. Het openmaken lukt niet, mijn handen trillen. ‘Zal ik het doen?’ vraagt Sanne. Glinsterend glijdt het dunne gouden sliertje in mijn hand. Het slotje is stuk. De drie bedeltjes vallen tussen de lakens. ‘Het is zo’n Moed, Beleid en Trouw kettinkje.’ Mijn stem klinkt schor. Ik vis het hartje, het ankertje en kruisje tussen de plooien vandaan. ‘Neem jij het maar. Als je het niet wilt dragen, dan laat je het maar omsmelten tot iets moderners. Waarom lach je nou?’ ‘Het is niet Moed, Beleid en Trouw, Ma… Geloof, Hoop en Liefde toch?


9


Ik kijk verbluft naar het geflonker in mijn hand. Ja, ze heeft natuurlijk gelijk. We worden er allebei stil van. Waarom moet ik nu huilen, ik huil nooit. Haar hand streelt mijn arm. ‘Stil maar, Ma, het is heel mooi. Ik laat het niet omsmelten, hoor.” ‘Mag ik het repareren dan voor je betalen? Dat zou ik zo fijn vinden, kind!’ ‘Mag ik er mee doen wat ik wil?’ Gouden sterren in Sannes’ ogen, als ik knik. Ze neemt het strengetje goud van mij over en schuift het ankertje naar het midden. ‘Dan graag twee kettinkjes erbij kopen, een voor het hartje en een voor het kruisje.’ ‘Dat mag gerust, heb je graag drie kettinkjes in plaats van een.? Ze kijkt me zo aan, wat wil ze? ‘Die met het kruisje breng ik naar tante Meta, hopelijk leert ze het een beetje. Die met het hartje sturen we naar tante Julia, omdat ze gelijk heeft dat liefde aan de binnenkant moet zitten.’ Ik probeer manmoedig de brok uit mijn keel weg te slikken. ‘En neem jij dan het ankertje?’ ‘Het ankertje van de hoop gaat met u mee, Ma.’ ‘Waar zou ik dan nog op moeten hopen, meisje?’ fluister ik. Haar ogen lopen over, ze vouwt haar handen om de mijne. ‘Alles nieuw en alles goed toch, Ma?’

Joke Verweerd

10


‘Hij heeft ons gemaakt’

De beroemdste Utrechter uit de vorige eeuw was Gerrit Rietveld, meubelmaker en architect. Hij heeft de stoel ontworpen die de hele wereld overgegaan is. In een tv-programma vertelde een jonge vrouw dat ze op een vlooienmarkt een aftandse stoel gekocht had, voor een paar tientjes. Hij lag uit elkaar, maar het leek wel wat op een Rietveld. Nu kwam ze vragen: is het misschien een echte? Heeft hij hem gemaakt? Dat bleek zo te zijn. Hoe kun je dat zien? Daarvoor gingen ze naar een kenner, die restaurateur is. ‘Kijk’, zei hij, ‘zo werkte Rietveld.’ Hij gebruikte een handschaaf en hij deed alles met hout, ook de verbindingen. Die kleuren, deze verf. Aan tientallen details kon je de hand van de meester herkennen. Zijn fingerprints staan erop. ‘Hij (God) heeft ons gemaakt; Hem behoren wij toe’, zegt de Psalmdichter. We zijn geen nep, maar echt. Hoe komt het toch dat wij daarvan vervreemden? Dat ligt niet alleen aan de wetenschap en de moderniteit. Het zit dieper in onszelf. Wij willen God, maar niet te dichtbij. Wij willen zeker niet zonder Hem en beseffen ook dat we Hem nodig hebben. Maar dat Hij ons gemaakt heeft, betekent dat Hij recht heeft op onze handen, voeten, adem en hersens. Er kan niet één reden zijn om te leven buiten Hem om. ‘ Hem behoren wij toe?’ Wil ik dat? Ik twijfel en loop een eindje om. Toch weet ik dat dit het mooiste is dat er is. Het moet het grootste geluk zijn om God toe te behoren. Je kunt er door leven met moed en sterven in vrede.

Ds. Andries Zoutendijk Uit: Mijn Psalm, uitg. Boekencentrum 2009

11


In den beginne was het Woord In den beginne was het Woord, God die van eeuwigheid bestond, Stond op en opende zijn mond; zijn stem wordt tot vandaag gehoord. In den beginne was het Woord dat alles wat op aarde leeft met sterke hand geschapen heeft, waar alle ding aan toebehoort. In den beginne was het Woord. Het liep uit het volmaakte licht dat glansde om Gods aangezicht; het heeft de duisternis doorboord. In den beginne was het Woord dat voor de mensen leven is, dat nimmer door de duisternis verstaan kan worden of verstoord. Het Woord dat vlees geworden is, het groot en goddelijk begin, dat loopt tussen de mensen in, dat overwint de duisternis. Tekst: J.W. Schulte Nordholt. Melodie: Psalm 134. Uit: Weerklank, no. 53.

Lichtspoor verschijnt zes maal per jaar en is een uitgave van de IZB, vereniging voor zending in Nederland. Redactie ds. J.H. Gijsbertsen (voorzitter) M. Verkaik (secretariaat) ds. H.G. de Graaff ds. J. Westland K. van Noppen Redactie-adres Breestraat 59-61 3818 BH Amersfoort Tel. (033) 461 19 49 E-mail: info@izb.nl Cover foto iStock

Profile for IZB, passie voor missie

IZB | Lichtspoor 1 2019  

IZB | Lichtspoor 1 2019