P³ | Nr. 2 - Lente 2016

Page 1

Dossier: Parasieten Cryo: (g)een koud kunstje Monet en moleculaire epidemiologie

Parasietenjager van de Amazone naar Antwerpen

Instituut voor Tropische Geneeskunde, Antwerpen | P続 | Nr. 2 - februari 2016

eng


Colofon verantwoordelijke uitgever Bruno Gryseels hoofdredacteur Roeland Scholtalbers redactionele coördinatie Eline Van Meervenne redactiecomité Ildikó Bokros Nathalie Brouwers Nadia Ehlinger Stefan De Pauw Alexandra Hörlberger Roeland Scholtalbers Mieke Stevens Nico Van Aerde Eline Van Meervenne Marc Vandenbruaene Gert Van der Auwera Luc Verhelst Daphné Vleeschouwer Maria Zolfo layout & fotografie Stefan De Pauw vertalingen Serv-U contact communicatie@itg.be +32 (0)3 247 07 29

Voorwoord Beste lezer, Parasieten zijn alom vertegenwoordigd. Ze be­volken onze darmen, longen, spieren, hersenen, lever, huid en ons bloed in grote getalen. Ook dieren en planten krijgen met parasieten te maken. Zelfs parasieten hebben parasieten. In het oude Griekenland werd het woord gebruikt om mensen te beschrijven die op kosten van anderen of de maatschappij leefden. Dat is exact wat ook de parasieten doen die ITG-onderzoekers zo fascineren. Waar een normaal mens om zou huiveren, doet de harten van onze vorsers sneller kloppen. In deze tweede aflevering van ons huismagazine P³ ontmoet u onder andere een mediterrane parasiet­enjager in Antwerpen, leert u meer over beestjes op ons bord, en leest u over pinguïns en malaria. U neemt een kijkje in het bevroren geheugen van het Instituut, maakt kennis met een onwelkome gast uit Zuid-Amerika en ziet wat Monet en moleculaire epidemio­logie gemeen hebben. Buiten het themadossier ontmoet u in deze tweede P³ ook Anne Chapelle, zakelijk leider van het Antwerpse mode­huis BVBA 32 en nieuw lid van onze Raad van Bestuur. Het Instituut en zij hebben ook een stukje gedeelde geschiedenis. Patrick Reyntiens leeft al 30 jaar met hiv en vertelt over zijn erva­ringen. Een Vietnamese studente verhaalt over de uitdaging­en waar ze als internationale student in Antwerpen mee te maken krijgt. Daarnaast gaat u in deze P³ ook even terug in de tijd, om te zien hoe de kliniek voor kolonialen en zeelieden een polikliniek werd. Namens de voltallige redactie wens ik u veel leesplezier. Uw vragen, opmerkingen en suggesties zijn van harte welkom via communicatie@itg.be. Met vriendelijke groeten Roeland Scholtalbers Hoofdredacteur

*P³ - de kern van het ITG in één letter Ons innovatief en interdisciplinair onderzoek gaat uit van Pathogenen (Departement Biomedische Wetenschappen), Patiënten (Departement Klinische Wetenschappen) en Populaties (Departement Volksgezondheid). ITG-onderzoekers werken aan een beter begrip van tropische ziekten en ontwikkelen hiervoor verbeterde diagnose-, behandelings- en preventiemethoden. Anderen bestuderen de organisatie en het management van de gezondheidszorg en ziektebestrijding in regio’s waar de nood hoog is maar de middelen beperkt zijn. We focussen ook op de gezondheid van dieren en bestuderen daarbij vooral ziektes die op de mens overdraagbaar zijn.


4 ITG-cijfer

5 Dossier: parasieten

6 Parasietenjacht: van Amazone tot Antwerpen

12 Monet en moleculaire epidemiologie

14 Beestjes op ons bord

20 1987 - Van kliniek naar polikliniek

23 De boekenkast

8 Cryo: (g)een koud kunstje

11 Krijgen pinguïns anti-malariapillen?

16 Leishmania: een globetrotter met vele gezichten

18 Ha’s high five

24 Portret: Patrick Reyntiens

26 ITG en ik: Anne Chapelle

© De inhoud van deze publicatie mag niet volledig of gedeeltelijk gereproduceerd worden zonder de uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. Foto’s in deze publicatie weren genomen met het volledige begrip, deelname en toestemming van de geportretteerden. De beelden geven de afgebeelde situatie waarheidsgetrouw weer met de bedoeling de lezer de mogelijkheid te geven een beter beeld te vormen van ons werk.


itg-cijfer

van de malariagevallen in Afrika voorkomt, worden ook in België patiënten gediagnosticeerd die terugkeren uit malariagebieden.

Hoewel bijna

In 2015 registreerde het ITG

gevallen van malaria. (*) Het voorbije jaar zagen we aan het ITG een lichte daling in het aantal malariagevallen. Dat kan te maken hebben met een verminderde malariatransmissie in sommige regio’s maar er kan ook een verband zijn met een laag aantal reizigers data naar West-Afrika trok door de ebola-uitbraak.

21 van de gehospitaliseerde patiënten werden opgenomen in het Universitair Ziekenhuis in Antwerpen. Het gaat hierbij voornamelijk om mensen die in Afrika zijn geweest.


dossier

Parasieten “Parasieten zijn een vreemde en uiterst diverse verzameling van levensvormen die je moeilijk kan veralgemenen: ze worden voornamelijk gedefinieerd door hun activiteit. Het woord parasiet had oorspronkelijk betrekking op de mens en werd gebruikt voor personen die leven op andermans kosten. Ze profiteren van hun gastheer en verteren zijn middelen of vermogen. Een parasiet in de biologische zin is vergelijkbaar: hij leeft op of in een andere soort en ontvangt alles wat hij nodig heeft van deze gastheer. Volgens de culturele overlevering is een parasiet een verachtelijk schepsel. De extreemste biologische definitie stelt dat parasieten schadelijk zijn voor hun gastheer. Vreemd genoeg wordt het woord parasiet niet consequent gebruikt om alle levensvormen te beschrijven die op deze manier te werk gaan. Traditioneel worden bacteriën, schimmels en virussen die zich in weefsels van andere soorten vermenigvuldigen, uitgesloten. Kleine roofdieren, zoals muggen, worden ook niet meegerekend in de groep parasieten omdat ze zich wel voeden via hun gastheer, maar er niet op leven. Medisch gezien omvatten parasieten protozoa, wormen en een aantal beestjes met poten, zoals insecten en mijten. Ze brengen minstens een deel van hun leven door in of op de weefsels van andere levende wezens.” Uit “Rosemary Drisdelle, 2010. Parasites: tales of humanity’s most unwelcome guests”


Parasietenjacht: van Amazone tot Antwerpen

(via Papoea-Nieuw-Guinea)

Alexandra Hörlberger

Anna Rosanas, hoofd van de Dienst Malariologie van het ITG, is geen labokluizenaar. De bevlogen wetenschapper uit het Spaanse Catalonië ziet het leven niet enkel door de microscoop, als moleculair bioloog met een geneticaachtergrond, maar bekijkt ook het bredere perspectief als epidemioloog. Als een gedreven labo-onderzoeker wilde Anna de wetenschap ervaren op een meer persoonlijke manier. In 2005, na haar doctoraat over de rol van ParaHox-genen in de ontwikkeling van diabetes, besloot ze een pauze te nemen om zich te bezinnen over haar toekomst en trok ze naar Zuid-Amerika. Enkele intense maanden van rondreizen later maakte Anna de overgang van “evo-devo” (evolutionaire ontwikkeling) naar malaria-onderzoek. Ze startte een postdoc aan de Universiteit van São Paulo en verhuisde later naar het Hospitaal voor Tropische Geneeskunde in Manaus. Ze kreeg er de kans om samen met het Braziliaanse nationale malariaprogramma te midden van de riviergemeenschappen te werken in het hart van het Ama­ zonegebied.

P³ | 6

Na deze avontuurlijke periode zette Anna haar werk verder aan het Institute of Medical Research in Madang, Papua-Nieuw-Guinea. Samen met een arts coördineerde ze een terreinonderzoek in een afgelegen deel van de Sepikregio waar 80% van de bevolking leeft in plattelandsgmeenschappen zonder stromend water of elektriciteit en kleinschalige zelfvoorzienende landbouw. De studie volg­de 500 kinderen over een periode van 12 maanden, gevolgd door een extra jaar voor de moleculaire analyse van de bevindingen. Anna bleef nadien nog drie boeiende jaren in dit “fantastisch land van uitersten”, als hoofd van de Eenheid Moleculaire Epidemiologie.


“Jaarlijks zijn Tijdens haar verblijf in Papua-­ terrein. De projecten in Zuid-Ame­ Nieuw-Guinea kreeg Anna twee rika, West-Afrika, Zuidoost-Azië er wereldwijd kinderen en was ze niet enkel meer en Europa (Peru, Mozambique, ongeveer 250 onderzoeker maar ook moeder, een Burkina Faso, Gambia, Vietnam, miljoen gevallen Papoea-Nieuw-Guinea en Spanje) keerpunt in haar leven. Na vijf jaar was het tijd voor verandering en van malaria met worden medegefinancierd door de ging ze op zoek naar een nieuwe Ontwikkelingssamen­ een sterftecijfer Belgische uitdaging. Zo belandde ze met haar werking. Jaarlijks zijn er wereld­wijd van bijna 1 jonge ge­zin in Antwerpen waar ze ongeveer 250 miljoen gevallen van aan het hoofd kwam te staan van de miljoen mensen.” malaria met een sterftecijfer van Dienst Malariologie van het ITG. meer dan een half miljoen mensen. Het was even wennen want de verhuis bracht zowel Het doel is dan ook om dit cijfer naar beneden een cultuur- als een temperatuurschok met zich te krijgen en uiteindelijk deze dodelijke parasiet mee. Nu, drie jaar later, leidt Anna een enthousiast uit te roeien. Als de financiering op het huidige team van negen malaria-onderzoekers die elke peil behouden blijft en niet vermindert als gevolg vrijdagochtend om 11.00 uur samenzitten en elkaar van een te optimistische interpretatie van lagere briefen over hun onderzoeksactiviteiten. Bij het ziektecijfers, is dit voor Anna een haalbare kaart. nastreven van haar passie kan Anna rekenen op een geweldig team van bekwame wetenschappers. Ze Haar persoonlijke ambitie is verder plezier te vingeniet van het uitwisselen van wetenschappe­lijke den in wat ze doet, haar enthousiasme en flexibiervaringen en het enthousiasme waarmee ge­werkt liteit te handhaven en verstarring tegen te gaan. wordt. En, niet te vergeten, de diepe voldoening die Antwerpen is haar thuisbasis geworden, een stad voortkomt uit de zichtbare impact van de waar- klein genoeg om makkelijk te verkennen maar ook devolle projecten waaraan haar dienst meewerkt. groot genoeg om de voordelen van een grootstad te bieden. Bovendien is het een familiestad. Met De Dienst Malariologie legt zich toe op drie belang­ het weer in België heeft Anna het echter wel wat rijke onderzoeksthema’s: geneesmiddelenresisten- moeilijk. Terwijl ze dit zegt, lacht ze even en haalt tie, transmissie- en invasiedynamica. De studies haar schouders op. vinden zowel plaats in het laboratorium als op het

7 | P³


beeldverhaal

Cryo

(g)een koud kunstje

Roeland Scholtalbers

Het woord ‘cryobiologie’ hebben we geërfd van het oude Griekenland. ‘Koud’ noemde men in de schaduw van de Akropolis ‘cryo’, het leven ‘bios’, en wetenschap was ‘logos’. De cryobiologie bestudeert dus het effect van ultralage temperaturen (-196 °C) op levende structuren. Zo kunnen cellen, weefsels, organen of zelfs levende organismen jarenlang bewaard worden in vloeibare stikstof om daarna terug tot leven gewekt te worden. Met meer dan 60.000 stalen van menselijke en dierlijke ziekteverwekkers is de cryobank van het ITG van onschatbare waarde voor onderzoek in Antwerpen en wereldwijd.

P³ | 8


beeldverhaal Onder het toeziend oog van Jeroen Swiers wor­ den ziekmakende kleine beestjes van over de hele wereld in diepe slaap gesust, met behulp van ongeveer 400 liter stikstof per week. In zijn wit-oranje containers is het een komen en gaan van Plasmodium, Trypanosoma, Leishmania en Theileria. Naast de boosdoeners van de parasitaire infectieziektes malaria, slaapziekte en de vee­­ziekte theileriosis, komen er ook regelmatig hiv-stalen en minder bekende pathogenen binnen.

De collectie Trypanosoma- en Leishmania-stammen in de cryobiologie zijn uniek qua omvang en verscheidenheid aan stammen en daarmee een belangrijke bron voor wetenschappelijk onderzoek. ’s Werelds grootste publiek toegankelijke collectie tuberculosestalen heeft elders in het ITG een eigen optrekje, maar Swiers en collega’s zorgen wel voor de bodems waar de Dienst Mycobacteriologie tbc-stammen op kweekt.

9 | P³


beeldverhaal

Jeroen heeft de afgelopen 10 jaar al heel wat stalen zien passeren: “Meestal gaat het om kleine hoe­ veelheden, al kreeg ik ooit in één keer 10.000 hivstalen uit Oeganda voor onderzoek van de Dienst Immunologie. Ik heb er behoorlijk wat werk aan gehad om die een plekje te geven.”

“Eén staal van een bepaalde verzameling gaat altijd in een andere container. Mocht de rest van de stalen verloren gaan, bijvoorbeeld door ontdooiing, dan kan men nog altijd een stam opkweken op basis van de overgebleven ampul. Een kwestie van risicospreiding,” aldus Swiers.

En dat doet Swiers secuur, als hoeder van het bevro­ ren geheugen van het Instituut. Elke staal steekt hij volgens een vast stramien en goed ge­documenteerd weg in stikstof, totdat onderzoekers ze weer nodig hebben voor onderzoek naar bijvoorbeeld nieuwe diagnostiek en behandeling.

Swiers en zijn collega’s van de Dienst Toegepaste Technologie en Productie werken dagelijks met virologen, bacteriologen en parasitologen van verscheidene wetenschappelijke diensten, want in de cryobank kom het ITG op microniveau samen: “Het maakt mij trots dat ik mijn rol een kleine bijdrage kan leveren aan onderzoek dat het leven van mensen positief kan veranderen.”

Jeroen Swiers – Man van ijs Jeroen Swiers belandde in 2006 als vers afgestudeerd medisch laboratoriumtechnoloog in het ITG. Tij­ dens zijn studie draaide hij al een tijdje mee in het klinisch laboratorium van het ITG, waar zijn interesse voor exotische beestjes werd gewekt. Als coördinator cryobiologie, laboratoriumkeuken en sterilisatie legt hij zich volledig toe op het bevroren geheugen van het instituut. Swiers is gehecht aan “zijn” collectie, maar hij is te koudbloedig om het een passie te noemen. De -196°C van de stikstof bezorgen Swiers af en toe eens een brandwond, meestal door zijn dikke blauwe handschoenen heen. Hij vreest de winter niet, want zijn blote handen zijn in de loop der jaren minder gevoelig geworden voor de kou.

P³ | 10


fun fact

© ZOO Antwerpen

Krijgen pinguïns in de Antwerpse ZOO anti-malariapillen? Marc Vandenbruaene

De kinderlijke verwondering van Eva Hemelaer, sociaalverpleegkundige op de soa-hiv-raadpleging van het ITG is de aanleiding van dit stukje. Ze was gisteren, zo mailde ze op 2 juli 2015, op bezoek in de ZOO in Antwerpen en genoot van de voederbabbel bij de zwartvoetpinguïns. Tot haar verbazing hoor­ de ze dat deze pinguïns antimala­ria-behandeling krijgen. Hoe kan dat? Is er malaria in de ZOO? Dierenarts en voormalig ITG-medewerker Francis Vercammen bevestigt dat pinguïns in de ZOO en in Planckendael antimalariapillen krijgen tijdens het muggenseizoen (van april tot november). Vogelmalaria bestaat inderdaad. De verwekkers behoren tot de groep van micro-organismen Plasmodium relictum en Plasmodium elongatum. Deze worden door de Culex-mug, zeg maar de Belgische huis-, tuin- en keukenmug, overgedragen. “Zonder anti­malariapillen zouden alle kleine zwartvoeten Humboldtpinguïns sterven. Ze ontwikkelen

geen enkele resistentie als ze besmet raken met deze ziekteverwekkers. Mét pillen is sterfte door malaria zeer zeldzaam.” Alle pinguïns krijgen één keer per week een combinatie van chloroquine en primaquine. De dierenverzorgers steken de capsules onder de kieuwdeksels van een vis. Elke pinguïn krijgt dan preventievissen uit de hand van de verzorger. Elke pinguïn heeft een nummer. Het is een hele administratie om geen enkel dier te vergeten. Een aantal pinguïns leeft permanent in afgesloten koele ruimten. Het is er voortdurend tussen de 7 en 10 graden. Geen enkele mug overleeft er. Deze dieren krijgen geen anti-malariabehandeling. Alleen de buitenlevende dieren krijgen de preven­tieve medicatie. Ook kanaries, roof- en andere vogels kunnen be­ smet raken met deze Plasmodium-stammen, maar ze ontwikkelen meestal geen ziektever­schijnselen.

11 | P³


Monet en moleculaire epidemiologie

Mieke Stevens

Van 10 tot 13 mei 2016 verwacht het ITG een groot aantal vooraanstaande wetenschappers voor de 13e editie van MEEGID, een toonaangevende conferentie over moleculaire epidemiologie en evolutionaire genetica van infectieziekten. Een hele mond vol, maar gelukkig is prof. Jean-Claude Dujardin bereid om ons letterlijk een beeld te schetsen van wat dit allemaal betekent. De MEEGID-congressen en het bijbehorend tijd­ schrift ‘Infection, Genetics and Evolution’ vertegenwoordigen een uniek forum voor kruisbestuiving tussen moleculaire epidemiologie, evolutionaire genetica en infectieziekten. Moleculaire epidemiologie behelst zowel het ‘molecule’-aspect, het gebruik van moleculaire biologietechnieken en de ‘epidemiologie’, de studie van de verspreiding en de aanwezigheid van bepalende ziektefactoren bij populaties. “Je zou kunnen zeggen dat moleculaire biologen en epidemiologen oogproblemen hebben.” aldus prof. Dujardin, hoofd van het Departement Biomedische Wetenschappen van het ITG. “Neem dit schilderij van Monet bijvoorbeeld. Moleculaire biologen zul­ len het zo gedetailleerd mogelijk willen bekijken. Daardoor gaat echter het totaalbeeld verloren en alles wat ze zien is een verzameling pixels.

P³ | 12

Moleculaire biologie


Epidemiologie

Moleculaire epidemiologie

Epidemiologen daarentegen kijken naar infectieziekten vanop afstand en zien enkel een wazig beeld. Als je dus moleculaire biologie en epidemiolo­gie samenbrengt, krijg je moleculaire epidemiologie en een beeld dat dicht bij de werkelijkheid ligt.”

zijn voor bepaalde ernstige aandoeningen, terwijl hetzelfde pathogeen geen ernstige gevolgen heeft in andere regio’s”, concludeert Dujardin.

Maar het MEEGID-congres is meer dan een waarheidsgetrouw schilderij van Monet. Het unieke aan deze congressenreeks is dat ook de evolutio­ naire genetica aan bod komt. “Je zult veel bomen zien tijdens het congres. Computergegenereerde boomachtige structuren laten wetenschappers niet alleen toe de ziekteverwekkers te identificeren, maar ook de evolutionaire relatie tussen pathogenen die bij patiënten met een bepaalde ziekte geïsoleerd worden. Hoe helpt dit bij de bestrijding van infectieziekten? Als we een homogene groep ziekteverwekkers vinden en deze kunnen koppelen aan specifieke ziektesymptomen, kunnen we ze gebruiken voor het ontwikkelen van meer precieze diagnoses of behandelingen. Een ander voorbeeld is dat we fylogenetische bomen kunnen gebruiken om gebieden waar bepaalde pathogene groepen gevonden worden in kaart te brengen. Het verklaart waarom patiënten in een bepaalde regio gevoeliger

De relatie tussen pathogeen en gastheer (de patiënt) voltooit het beeld van deze multidisciplinaire aanpak. De ernst van de ziektesymptomen wordt onder meer bepaald door het immuunsysteem van de gastheer, terwijl de verschillende symptomen ons helpen zicht krijgen op de interactie tussen pathogeen en gastheer. MEEGID XIII

13e Internationale Conferentie over Moleculaire Epidemiologie en Evolutionaire Genetica van Infectieziekten Antwerpen, 10-13 mei 2016 www.meegidconference.com Reproductie Monet: © www.claudemonetgallery.org

13 | P³


Beestjes op ons bord Twee miljoen mensen per jaar sterven aan voedsel en water dat besmet is met bacteriën, parasieten, virussen en chemische substanties. Hoe veilig is ons voedsel? Het ITG heeft als nationaal referentielaboratorium voor trichinellose een belangrijke rol in het detecteren van de rondworm die tot ernstige klachten kan leiden. Eline Van Meervenne

Het is december 2014. De feestdagen staan voor de deur en de horeca beleeft hoogdagen. Zestien Vlamingen genieten in drie restaurants in Limburg en Antwerpen van een stukje everzwijn maar voe­ len zich daarna niet lekker en worden zelfs in het ziekenhuis opgenomen. Wetenschappers van het ITG onderzoeken het everzwijnvlees en de stalen van de patiënten. Ze stellen vast dat de patiënten besmet zijn met Trichinella, een parasiet die in het vlees huisde. De Trichinella-parasiet kan varkens, paarden en wilde zwijnen infecteren. De mens raakt besmet door het eten van onvoldoende gebakken vlees. Dieren ondervinden weinig hinder van de parasiet, maar bij mensen kunnen de larven van de parasiet ernstige maagdarmklachten, spierpijn en ontstekingen veroorzaken. In het ergste geval kan de parasiet zelfs dodelijk zijn. Al sinds jaar en dag herbergt het ITG een nationaal referentielaboratorium voor trichinellose dat gefinancierd wordt door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen. Als er verdachte gevallen zijn, zoals in december, onderzoeken de wetenschappers besmet vlees door het eerst letterlijk te mixen en te verteren en daarna de parasieten uit het papje via de microscoop te detecteren. Daarnaast controleert het referentielabo of andere labo’s die Trichinella onderzoeken goed functioneren en wordt er advies verstrekt.

P³ | 14


“Ziektes die veroorzaakt worden door voeding besmet met parasieten komen steeds vaker voor.”

“Vroeger kwam Trichinella in het Westen regelmatig voor, daarom werden de lidstaten van de EU verplicht om een referentielabo aan te duiden,” vertelt prof. Pierre Dorny, hoofd van de Dienst Veterinaire Helminthologie. “Vandaag is Trichinella in het Westen zeldzaam omdat de voeding voor varkens sterk is gecontroleerd en worden de gevallen voornamelijk veroorzaakt door het eten van wild. In andere werelddelen zoals Zuid-Ameri­ ka en Zuid-Oost-Azië komt Trichinella vaker voor. Varkens lopen er vrij rond en er is weinig regelge­ ving over de voeding van de dieren. Ook het vlees wordt er regelmatig minder goed doorbakken,” gaat Pierre verder.

Trichinella is lang niet de enige parasiet die via voeding wordt verspreid. Al decennialang voert het ITG in het Zuiden onderzoek naar een reeks diverse lintwormen en platwormen.

Het everzwijnvlees wordt onderzocht in het nationaal referentielabo van het ITG.

Het vlees wordt gemixt en verteerd. De parasieten worden gedetecteerd uit het papje.

“Ziektes die veroorzaakt worden door voeding besmet met parasieten komen steeds vaker voor. Dat heeft o.a. te maken met globalisatie van onze voedselvoorziening, toename van de bevolking in risicogebieden, veranderingen in culinaire gewoontes maar ook met betere diagnostische tests en meer communicatie. Meer aandacht voor deze ziektes is dus geen overbodige luxe,” sluit Dorny af.

15 | P³


Leishmania

een globetrotter met vele gezichten Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie vallen elk jaar 1,3 miljoen mensen ten prooi aan leishmaniase, waarvan er twintig- tot dertigduizend overlijden. De ziekte kent verschillende vormen, gaande van een onschuldig huidletsel tot de dodelijke variant kala-azar. Een ding hebben ze gemeen: ze worden veroorzaakt door de Leishmania-parasiet, die het slachtoffer binnendringt via de beet van een geïnfecteerde zandvlieg. Je kunt de infectie oplopen in 98 landen verspreid over Azië, Afrika, Latijns-Amerika en Europa. Niet enkel is het ITG actief in talrijke projecten omtrent de diagnose, behandeling, preventie en epidemiologie van de ziekte, ook in de polikliniek krijgen we jaarlijks een twintigtal patiënten over de vloer die de diagnose leishmaniase mee naar huis krijgen. Eén daarvan is Philip, een militair die de parasiet meebracht uit Zuid-Amerika. Gert Van der Auwera

Ongeveer een maand nadat Luitenant Philip D. (26) uit Essen terugkwam van een overzeese training merkte hij een klein puistje aan zijn linkeronderbeen op. Philip is met zijn meer dan twee meter een opvallende en knappe verschijning, en vertelt enthousiast over zijn ervaringen bij het leger: “Het puistje was niet groter dan een centimeter, en niet ongewoon na een opdracht in de jungle waar de omstandigheden niet altijd even hygiënisch zijn.” Door een schaafwond verloor hij het puistje uit het oog, maar toen de gevormde korst loskwam gaapte er een hevig bloedende open wonde ter grootte van een koffielepel. “Vanaf dan werd de wond alsmaar groter en begon te etteren, en pas vanaf dat moment vermoedden de legerarts en ikzelf dat er meer aan de hand was,” vertelt hij, “dat was tien weken na mijn te­rug­keer naar België. Kort daarna kreeg ik op andere plaatsen op mijn onderbeen nog enkele P³ | 16

kleine rode verdikkingen.” In het Militair Hospitaal van Neder-over-Heembeek besloten de dokters een staal te laten analyseren door het ITG. Het verdict: infectie met Leishmania guyanensis, een van de twintig parasietsoorten die de ziekte veroorzaakt. De cutane vorm die Philip trof, is slechts een van de vele gedaanten van leishmaniase, en meteen ook de meest goedaardige. De schade beperkt zich tot een lokaal letsel op de plaats van infectie, soms vergezeld van enkele uitzaaiingen in de buurt, zoals bij Philip. Hoogst uitzonderlijk tasten parasieten ook de slijmvliezen van mond en neus aan, wat tot zware aangezichtsverminking kan leiden. In het ergste geval nestelt Leishmania zich in het beenmerg, de lever en de milt. Men spreekt dan van viscerale leishmaniase of kala-azar. Welke ziekte zich ontwikkelt, hangt af van de immuniteit van de


patiënt en van de precieze soort die de besmetting veroorzaakt. In de meeste gevallen gebeurt er zelfs helemaal niets, of verdwijnt een huidletsel vanzelf, vertelt dr. Jan Clerinx van het ITG. Jaarlijks diagnosticeert het ITG tussen de 15 en de 20 patiënten, waarvan 1 tot 5 met viscerale leishmaniase en de meerderheid met de cutane ziekte. Dit zijn toeristen, militairen en expats die voor langere tijd in risicogebied verbleven, en immigranten uit endemische regio’s. Ze zijn van alle leeftijden en er is niet bepaald een gebied waar opvallend meer of minder patiënten besmet raken, al zien we de laatste maanden meer gevallen uit Syrië, zo zegt dr. Marjan Van Esbroeck van het klinisch laboratorium. Wanneer Philip gestoken werd, weet hij niet: “Ik zat meer dan twee maanden in het Amazonewoud, met een vochtigheid van bijna honderd procent en temperaturen die schommelden tussen de 28 graden ’s nachts en boven de 40 overdag. We moesten vaak ook zwemmen, wat alle insectensprays wegspoelt. En je mag dan wel onder een muskietennet slapen, maar in die omstandigheden val je ten prooi aan zoveel insecten dat een beet van een zandvlieg echt niet opvalt tussen de rest. Op een gegeven ogenblik stond heel mijn lichaam trouwens vol rode puntjes en pusbolletjes door bourbouille, een gigantische huidinfectie.” Hij voegt eraan toe dat alle kledij normaal gezien geïmpregneerd is met insecticiden: “Buiten onze wil om werden we tijdens

onze training echter verplicht afdankertjes van het Franse leger te dragen. Dan is alles een maat voor niks natuurlijk.” Het is belangrijk tijdig met een specifieke behandeling te starten, aldus dr. Clerinx. Volgens dr. Pierre Buffet van het Hôpital de la Pitié-Salpêtrière in Parijs genezen 80% van de cutane leishmaniasepatiënten binnen de drie maanden, de overblijvende na enkele bijkomende behandelingen. De infectie verdween bij Philip na drie intraveneuze inspuitingen: “Binnen de twee weken begon de wonde te genezen en groeide dicht.” Er is nu nog een perkamentachtig litteken zichtbaar van vijf bij acht centimeter. “Ook de kleinere wondjes op mijn been gingen weg.” Wat daarvan overblijft noemt Philip zijn ‘rode vrienden’. Hij lijkt er zelfs een beetje trots op. “Ik had al wel van leishmaniase gehoord,” besluit Philip, “maar niet voor we vertrokken op training. De lokale bevolking had er ons over verteld, dus wisten we dat er zandvliegen zaten. Hoewel onze legerartsen tonnen Afrika-ervaring hebben, is Defensie vooral actief in Centraal- en West-Afrika”, niet de gekende hotspots van Leishmania-transmissie dus. “Ik ken dan ook geen andere collega’s die besmet zijn geraakt, maar als mijn verhaal kan bijdragen tot een verbeterde kennis en bewustwor­ ding van de ziekte kom ik er graag mee naar buiten.”

“Je kunt de infectie oplopen in 98 landen verspreid over Azië, Afrika, Latijns-Amerika en Europa.” Wat een schattig zandvliegje al niet kan doen.

17 | P³


de lijst Alexandra Hörlberger

De vijf uitdagingen voor een Vietnamese studente in Antwerpen.

Ha’s High Five

Ha Dinh Don, een opmerkelijke volksgezondheidspecialist uit het noorden van Vietnam, vertelt over haar vijf grootste uitdagingen als een buitenlandse studente in Antwerpen. Ha volgt momenteel de éénjarige opleiding Master of Public Health en is de jongste van de 39 studenten. Ze begon drie jaar geleden met de voorbereidingen van haar verblijf in België en was toen zwanger van haar eerste kind. “Vanaf het moment dat mijn dochter geboren werd, probeerde ik haar zo zelfstandig mogelijk te maken”, zegt ze over haar nu tweejarige dochter, “zodat ze een hechtere band met haar vader opbouwde en ze het allebei minder lastig zouden hebben eens ik weg was. Als jonge getrouwde vrouwelijke professional met een peuter een opleiding in het buitenland beginnen, komt niet zoveel voor in Ha’s geboortestreek. Zij en haar man hebben echter een moderne relatie waarbij ze elkaar steunen en dat stelde haar in staat alle obstakels te overwinnen en haar droom waar te maken.

1. De taal Voor Ha vormde de taal de grootste uitdaging bij aankomst in Antwerpen. “Engels is een vreemde taal in Vietnam. Voordat ik naar Antwerpen kwam probeerde ik om wat Brits en Amerikaans Engels te P³ | 18

studeren, maar ik had veel moeite om de kleurrijke accenten van mijn klasgenoten en het jargon dat we in de les gebruiken, te begrijpen. “Bovendien,” voegt ze eraan toe, ”is er de extra uitdaging van het Nederlands. Ik begrijp niet wat er staat op de etiketten in de supermarkt en de verkeersborden zijn een mysterie!”

2. Culturele verschillen De culturele verschillen zijn enorm, maar de Ant­ werpenaren zijn vriendelijk en altijd bereid om een vreemdeling in nood te helpen. “Op een keer liep ik verloren en kon mijn weg niet meer terug vinden.” Ha lacht. “Ik stond in het midden van een straat rond te draaien en de straatnaambordjes te bekijken. Ik was was nogal in de war. Een voorbijganger kwam naar me toe en vroeg of ik soms hulp nodig had.” Een andere vervelende ervaring overkwam haar aan de kassa in de supermarkt. De kassierster stopte Ha een plastic zak toe. Ha begon,


onder het geduldig oog van de kassierster en de langer wordende wachtrij, rustig al haar aankopen in de zak te stoppen. “Ik had geen idee dat je moet betalen voor plastic zakken,” fluistert ze. “Ik voelde me zo beschaamd!”

3. Heimwee Ha heeft vaak heimwee. “Ik mis mijn dochter en man vreselijk,” zegt ze weemoedig. “Soms zit ik uren te kijken naar video’s van onze familie. Het was bijzonder moeilijk voor mij toen mijn dochtertje ziek was en ik er niet was voor haar.”

4. Tijdsverschil Bovendien bemoeilijkt het tijdsverschil de communicatie. “Als we klaar zijn met de les, is het nacht in Vietnam en slapen mijn man en dochter al, zodat we enkel kunnen skypen in het weekend,” haalt Ha haar schouders op.

5. Euros omrekenen Meer praktisch dan. “Ik heb het opgegeven om euros om te rekenen in Vietnamese Dong”, zegt ze lach­end. “En ik vond dit!” Ze toont triomfantelijk een rond plastic ding dat netjes past in de palm van haar hand. Het is een munthouder, die haar in staat stelt om het verwarrend assortiment euromunten uit elkaar te houden. “Het leven is niet makkelijk in het begin,” be­sluit Ha. “De cursus is erg veeleisend en bovendien heb je een zekere aanpassingsperiode nodig, om te wennen aan de nieuwe omgeving en de culturele verschillen.” Maar er is hoop! “Het ITG-personeel is echt heel behulpzaam en de communicatie met onze docenten is bijzonder open.” “Een goede voorbereiding is de sleutel voor een succesvolle studie in het buitenland,” benadrukt Ha. Tot slot voegt ze er nog aan toe “En een raad die ik iedereen meegeef: vergeet vooral nooit je paraplu, want in België kan het elk moment regenen!”

19 | P³


<< rewind

1987 - Van Kliniek voor Kolonialen en Zeelieden naar polikliniek Eline Van Meervenne

Medische dienstverlening is één van de kernactiviteiten van het ITG. Jaarlijks verrichten onze artsen meer dan 35.000 consultaties op het gebied van reisgeneeskunde en hiv/soa in de polikliniek. Tot 1987 konden patiënten ook worden opgenomen in deze kliniek, die zelfs was uitgerust met een operatiezaal. We maken een trip doorheen haar geschiedenis. In 1931 wordt de School voor Tropenziekte omgevormd tot het Prins Leopold Instituut voor Tropische Geneeskunde en verhuist de instelling van Brussel naar Antwerpen. Dat gaat gepaard met de oprichting van de ‘Kliniek voor Kolonialen en Zeelieden’ dat deel uit maakt van het Instituut. In november 1933 opent de kliniek haar deuren voor zieken uit koloniën en de marine, die er te­recht kunnen voor opnames en raadplegingen. De kliniek telt enkele slaapzalen en –kamers, een operatiezaal, een laboratorium en een radiologische uitrusting. Het eerste jaar waren er 126 opnames en zagen de artsen gemiddeld 12 patiënten per dag tijdens consultaties.

Tijdens de oorlog Tijdens de Tweede Wereldoorlog stond de activiteit in de kliniek op een laag pitje, dat kwam vooral door het gebrek aan terugkerende kolonialen en een verminderde scheepsvaart. In mei 1940 werd de kliniek en haar personeel een tijdje ter beschikking gesteld als hulphospitaal van het Rode Kruis. Later in 1945 werd een deel van de ruimtes heringericht voor de opvang van de tal­rijke gewonden die vielen bij de luchtaanvallen op Antwerpen. Na de oorlog hervatten de activiteiten in de kliniek. In 1951 steeg het aantal raadplegingen van 10 naar 34 per dag op amper twee jaar tijd. Een uitbreiding was noodzakelijk, zo werd er een hoofdverpleeg­ kundige aangesteld en kwam er o.a. een nieuwe operatietafel en gemoderniseerde uitrusting voor sterilisatie.

Verplegend personeel, 1948.

P³ | 20


<< rewind

Ontspanningszaal voor patiënten

Reisgeneeskunde en hiv/soa Eind jaren ’60 maken steeds meer mensen verre reizen naar overzeese gebieden. De raadpleging­ en voor vaccinaties en reisadvies zitten in de lift. In 1975 geven artsen regelmatig informatieve voordrachten en wordt er voor het eerst een reis­ geneeskundebrochure uitgegeven die een groot succes kende. In 1980 maakte prof. dr. Peter Piot de weg vrij voor consultaties voor patiënten met soa’s. De kliniek was hier enigszins mee vertrouwd. Zeelui kwamen niet enkel aankloppen met tropische ziekten maar ook met soa’s. De raadpleging­en kenden een groot succes zowel door de uitmuntendheid van de verzorging maar ook door het respect voor de privacy van de patiënten; binnen de homogemeenschappen genoot de kliniek een groot vertrouwen. In de daaropvolgende ja­ren was dit één van de factoren die de belangrijke rol van het ITG in de hiv/aidsepi­demie bepaalde. Eersteklasse-kamer

21 | P³


<< rewind

Afscheid van de kliniek

Financiële moeilijkheden In 1976 is er bezorgdheid over de financiële situa­tie van de kliniek. De kosten swingen de pan uit en er wordt er verlies gemaakt. Er zijn al enkele jaren steeds minder opnames; dat is te wijten aan de opkomst van doelmatige en korte behandelingen die ook thuis kunnen worden toegediend. De pro­ blemen stapelen zich op: er waren te weinig bedden bezet en de kliniek beschikte niet over voldoende uitrusting, waardoor patiënten voor bijzondere onderzoeken overgebracht werden naar andere ziekenhuizen. De genadeslag kwam in 1986 toen de regering besliste om alle klinieken met minder dan 90 bedden te laten verdwijnen of fuseren. Een jaar later, in 1987, werd er in het Universitair Ziekenhuis Antwerpen een afde­ling ‘Tropische Geneeskunde’ ingericht die werd geleid door het ITG. De bedden van de Kliniek werden in deze afdeling opgenomen.

P³ | 22

De overgang van een klein hospitaal tot een dagkliniek verliep niet zonder slag of stoot. Al meer dan dertig jaar werkt Marina Cloetens als verpleegster bij het ITG. Ze blikt terug op de woelige periode in 1986 – 1987. “We werkten in een hecht team met ongeveer 15 verpleegsters. We deelden lief en leed met elkaar en met de patiënten. De stopzetting van onze activiteiten als hospitaal had een grote impact op onze werking. Slechts vier verpleegsters zouden in de polikliniek werken, de anderen zouden aan de slag gaan in onze afdeling in het UZA. Ik kwam in de poli­kliniek terecht en werkte voortaan met een vast uurrooster en niet meer in ploegen, dat was een belangrijk voordeel. Maar ik miste de verzorging en het contact met de patiënten.” vertelt Marina. “Toen het nieuws werd aangekondigd organiseerden we een aantal protestacties, zo maakten we een overlijdensbericht van onze geliefde kliniek en marcheerden we mee in een rouw­stoet. Maar de beslissing was onomkeerbaar. Gelukkig kregen we veel inspraak in de reorganisatie van ons werk in de polikliniek. Er was genoeg ruimte om onze taken zelf mee in te richten, iets wat ik erg waardeer. Regelmatig organiseerden we reünies met ons toenmalig team en haalden we samen herinneringen op. Nog tot op de dag van vandaag heb ik contact met mijn oud-collega’s.” sluit Marina af.


de boekenkast

Patrick Reyntiens en Guido van der Groen, twee prominente figuren uit de ITG-community, brachten onlangs elk een boek uit waarin ze hun opmerkelijk verhaal uit de doeken doen. Beide heren stelden hun boek voor in de gebouwen van het Instituut. Patrick Reyntiens Dansen in het luchtledige – leven met hiv

Guido van der Groen In het spoor van ebola

Dertig jaar geleden kreeg Patrick Reyntiens in het ITG te horen dat hij besmet was met hiv. Hij kroop door het oog van de naald en richtte zijn leven in om als persoon met hiv in België zijn verhaal te vertellen, om de duizenden die na hem besmet werden te laten zien dat het ook met hiv mogelijk is om van het leven te genieten. In zijn boek vertelt hij over zijn chronische aandoening en de hindernissen, tegenwerkingen en beproevingen van allerlei slag die ermee gepaard gaan. Hij toont hoe je kan leven zonder geheimen, discriminatie of stigmatisering.

Midden jaren ’70 onderzocht voormalig ITG-professor Guido van der Groen thermosflessen met daarin het bloed van een overleden Belgische missiezuster. Dat zette hem en collega Peter Piot op het spoor van een nieuw virus: ebola. Met de recente verwoestende ebola-uitbraak in West-Afrika komt van der Groen veertig jaar na datum opnieuw zijn oude vijand en ‘maîtresse’ tegen. “In het spoor van ebola” vertelt het spannende levensverhaal van een vermaarde onderzoeker en van de gevaarlijke virussen die overal schuilen.

Een uitgebreid portret van Patrick Reyntiens vind je op pagina 22.

23 | P³


portret

Patrick Reyntiens Leven met hiv, al 30 jaar lang Eline Van Meervenne

Op een warme zomerdag in 1985 kreeg Patrick Reyntiens in het Instituut voor Tropische Geneeskunde te horen dat hij seropositief was. Het verdict klonk als een doodvonnis. Aids was toen een mysterieuze ziekte die wereldwijd miljoenen slachtoffers maakte. Meer dan 30 jaar later werkt Patrick als ervaringsdeskundige bij Sensoa, woont hij samen met zijn vaste vriend en is hij pluspapa van twee jongvolwassenen. De diagnose Omdat hij zich al een tijdje niet lekker voelde, bracht Patrick een bezoek aan de huisdokter. De artsen merkten op dat de infecties van Patrick te wijten waren aan een verminderde weerstand. Uiteindelijk werd in het ITG de diagnose vastgesteld. Patrick was seropositief. “Ik kon het toen nog niet goed vatten. Ik was net 21 jaar geworden en de wereld lag aan mijn voeten. Plots kreeg ik te horen dat ik ongeneeslijk ziek was en zelfs kon sterven. Dat was als een donderslag bij heldere hemel”, vertelt Patrick.

P³ | 24

Vanaf toen bezocht Patrick iedere woensdag het ITG voor zijn behandeling. “Er was in de jaren ‘80 nog heel weinig informatie over de ziekte. De uitgebreide multidisciplinaire zorg die er vandaag is, zoals een gesprek met een sociaal-verpleegkundige of psycholoog, was toen nog onbestaande. Toch heb ik dit gebrek nooit ervaren. De artsen en verpleegsters van het ITG stonden voor me klaar als ik het moeilijk had en boden me een luisterend oor aan. Als patiënt stond je centraal en er werd oprecht geluisterd naar de noden die je ervaarde als persoon met hiv. Ik deed vaak mee aan wetenschappelijke studies van het ITG, om de mysterieuze ziekte samen met het ITG-team te bestrijden. Dat waren bijzondere tijden. Met sommige artsen en verpleegsters heb ik een speciale band opgebouwd”, zegt Patrick.


portret “Toen ik het nieuws vertelde aan mijn familie reageerden ze begripvol. Mijn ouders wisten dat ik homo was en ik had veel steun aan hen. Mijn familie en vrienden waren in de eerste plaats bezorgd over het feit dat ik kon sterven. Ze waren niet bang dat ik hen zou kunnen besmetten. Vandaag klinkt dat raar maar in die tijd was er nog heel weinig geweten over aids. Ik had soms ook schrik van mezelf. Mijn zus had net een kindje gekregen en ik durfde het kindje niet vastnemen uit angst dat er iets zou misgaan en ik het zou besmetten”, vertelt Patrick.

Hiv-activisme Niet overal werd zo positief gereageerd. Vlak voor Patricks diagnose ging hij aan de slag bij een groot bedrijf in Antwerpen. Vlak nadat hij de personeelsdienst op de hoogte bracht van zijn gezondheidssituatie, werd hij ontslagen wegens herstructureringen. “Dat was heel confronterend,” reageert Patrick, “ik was gewend dat niet iedereen even begripvol reageert als ik vertel dat ik hiv heb maar dit ging wel heel ver. Ik ben er wekenlang

niet goed van geweest. Ik heb in die periode ook geleerd om op te komen voor mijn rechten en me niet te laten doen. Als personen met hiv waren we niet enkel patiënten maar we hebben ook echt zelf initiatief genomen. Samen hebben we gestreden om bijvoorbeeld medicijnen sneller te kunnen testen. We bepaalden mee het beleid rond hiv-zorg. Vandaag is leven met hiv in België comfortabeler dan pakweg 20 jaar geleden, maar onze strijd is nog niet voorbij. Leven met hiv in landen zoals Oekraïne en Rusland is een hele opgave. Zij hebben niet dezelfde opvolging en behandeling die we hier ervaren. Ook in eigen land zijn er nog sociale stigma’s. We hebben al een hele weg afgelegd, maar het is nu vooral belangrijk dat we blijven streven voor onze rechten.” Meer informatie over leven met hiv: www.levenmethiv.be

Patrick met Sensoa-collega’s tijdens de presentatie van zijn boek.

25 | P³


itg en ik

Anne Chapelle Anne Chapelle is zakelijk leider van het Antwerpse modehuis BVBA 32. Zij volgde in jaargang 1980-1981 de postgraduaatcursus aan het ITG en trad in 2015 toe tot de Raad van Bestuur van het Instituut.

© Frederik Beyens

Mijn eerste aanraking met ITG was via de tram die er langs gleed. De magie van het ge­bouw en het avontuur van onderzoek… Ik beloofde mezelf: “Ooit kom ik hier studeren.” Als zojuist afgestudeerde verpleegster lag de weg naar het ITG open en ik ging er naartoe. De opleiding was een openbaring, zowel aan materie als het omgaan met studenten.

mijn casus nauw op. Wat was ik blij toen ik na een aantal weken het ITG-hospitaal gezond weer uit­ kwam. De ruggenmergpuncties zitten tot vandaag in mijn hoofd geprent.

Voor het eerst werd er zelfstandigheid verwacht, de uren in het videolokaal, in de tuin en de rollen behangpapier die ik nodig had voor entomologie zijn nog steeds een nostalgie.

Het ITG blijft voor mij een bakermat van onze wereldgezondheid, en het Instituut zal door de globalisering meer en meer van belang zijn. Ziektebeelden die muteren, vermengen in verschillende gemeenschappen, verschuiven van land naar land, zullen het meer dan ooit noodzakelijk maken dat het ITG zijn belangrijke rol in onderzoek en ontwikkeling blijft spelen.

Ik vertrok naar Zaïre, waar ik in Buta met prof. Groenen samenwerkte. We verzorgden alle patiënten, maar voornamelijk lepra en tuberculose kregen onze aandacht. We verzamelden informatie om de status en verspreiding van deze ziektes in kaart te brengen. Tbc-patiënten bleken snel te sterven en vertoonden allemaal de ziekte van Kaposi. Syste­ matisch namen we biopsies en stuurden deze naar prof. Stefaan Pattyn en Peter Piot in Antwerpen voor verder onderzoek. Ik werd ziek en werd gerepatrieerd naar het ITG. Een encefalitis velde me. Prof. Eyckmans volgde P³ | 26

Nadien ging ik op regelmatige basis terug naar Afrika voor humane opdrachten, tot vandaag, maar nu weliswaar in de mode.

Ik ben uitermate vereerd te mogen meewerken aan de vormgeving van het ITG via de Raad van Bestuur. Het Instituut, een van de beste ter wereld, was de basis voor mijn intellectuele vorming. Het bevorderde mijn zin voor degelijk werk afleveren en het bood mij diepgang in onderzoek van micro tot macro. Ik pas dit vandaag zonder meer toe, weliswaar op een hele andere industrie, maar de techniek is dezelfde.


aankondigingen

Een algemeen overzicht van de geschiedenis en mijlpalen op het gebied van Ebola, 40 jaar na zijn ontdekking.

Een uitgelezen kans om van gedachten te wisselen met de internationale topexperten.

Voor meer informatie en registratie voor de conferentie, ga naar de website www.Filovirus2016.com.

SAVE THE DATE

Van 17 tot 20 oktober 2017 organiseert het ITG voor de allereerste keer het Europese Congres over Tropische Geneeskunde en Internationale Gezondheid (ECTMIH2017). De 10e editie van ECTMIH vindt plaats in het Flanders Meeting & Convention Center (Antwerpse ZOO). Grote centrale thema’s voor de bijna 2000 deelnemers: migratie, klimaatverandering, innovatie & technologie, complexe systemen. Met de steun van Be-cause Health, universiteiten, NGO’s en privé-instellingen. Meer informatie volgt in de loop van 2016. Wees erbij in Antwerpen!

27 | P³


Kalender 24-25

maart

Health 2.0: Are we ready to go digital? (Egmontpaleis Brussel)

10-13

mei

MEEGID XIII conferentie (ITG, Antwerpen)

26

mei

Knowledge for Growth life sciences conference (ICC Gent)

8-9

juli

Bringing Evidence into Public Health Policy (Bengaluru, India)

12-15

september

ITG Colloquium “Ebola: 40 jaar na Yambuku” (ITG, Antwerpen)

14-18

november

Emerging Voices for Global Health (Vancouver, Canada)

Blijf op de hoogte Wij staan open voor uw vragen, opmerkingen of suggesties via communicatie@itg.be. U kunt via deze weg ook exemplaren van dit magazine bestellen.

Lees P3 online: www.itg.be/magazine

Instituut voor Tropische Geneeskunde Stichting van Openbaar Nut RPR 0410.057.701 | IBAN BE 38 2200 5311 1172 Nationalestraat 155 | 2000 Antwerpen | België Tel: +32 (0)3 247 66 66 Fax: +32 (0)3 216 14 31