P³ | #8 Lente - Zomer 2019

Page 1

I TG - M A G A Z I N E

#8

LENTE-ZOMER 2019

LEPRA NAAR DE GESCHIEDENISBOEKEN VERWIJZEN BOUKE DE JONG & EPCO HASKER INTERVIEW MET UITTREDEND DIRECTEUR BRUNO GRYSEELS EEN DUITSE EN EEN SPAANSE PROFESSOR VESTIGEN ZICH IN ANTWERPEN

EN


COLOFON Verantwoordelijke uitgever Bruno Gryseels Hoofdredacteur Roeland Scholtalbers

Redactionele coördinatie Ildikó Bokros Redactiecomité Roeland Scholtalbers Nico Van Aerde Eline Van Meervenne Catie Young Maria Zolfo

Lay-out Toech Reclamestudio *P³ - de kern van het ITG in één letter Ons innovatief en interdisciplinair onderzoek gaat uit van Pathogenen (Departement Biomedische Wetenschappen), Patiënten (Departement Klinische Wetenschappen) en Populaties (Departement Volksgezondheid). ITG-onderzoekers werken aan een beter begrip van tropische ziekten en ontwikkelen hiervoor verbeterde diagnose-, behandelingsen preventiemethoden. Anderen bestuderen de organisatie en het management van de gezondheidszorg en ziektebestrijding in regio’s waar de nood hoog is maar de middelen beperkt zijn. We focussen ook op de gezondheid van dieren en bestuderen daarbij vooral ziektes die op de mens overdraagbaar zijn

Fotogra�e Astrid Bultijnck, Enric Català, Jessica Hilltout Vertalingen Serv-U

Contact communicatie@itg.be +32 (0)3 247 07 29


#8

LENTE-ZOMER 2019

Beste lezer, Bijna 25 jaar lang heeft Bruno Gryseels als directeur zijn stempel gedrukt op het Instituut voor Tropische Geneeskunde. In de zomer 2019 geeft hij de fakkel door aan zijn opvolger Marc-Alain Widdowson. In een uitgebreid interview met P3 blikt Bruno terug op een kwart eeuw tropische geneeskunde. Eén ding is zeker, het Instituut en de wereld zijn in de loop der jaren flink veranderd. Verder lees je in deze voorjaarseditie over een ambitieuze leprastudie op de Comoren en in Madagaskar. ITG-wetenschappers zoeken samen met lokale en internationale partners naar nieuwe oplossingen om mensen te beschermen tegen deze vergeten ziekte die in deze landen nog veel voorkomt. In deze P3 lees je ook over de band van kunstenaar Philip Aguirre y Otegui met het ITG. En hoe 20 jaar later een tweede exponent van de Nacoulma-familie uit Burkina Faso aan het Instituut specialiseert in volksgezondheid. Verdiep je in een stukje gezondheidsgeschiedenis over malaria aan de Noordzee en ontdek wat er nieuw is op het gebied van reisadvies. Geniet ook van de foto’s van ons laatste wetenschappelijk colloquium in Phnom Penh en leer meer over wetenschappelijke podcasts met dank aan een wetenschapsjournaliste uit Indonesië. Last but not least, maak in dit magazine kennis met twee nieuwe professoren uit Duitsland en Spanje die recent het ITG kwamen versterken. Veel leesplezier! Met vriendelijke groet, Het Redactiecomité

# Voorwoord

1


11 5

20


4 5 11

ITG-CIJFER

INTERVIEW: BOUKE DE JONG & EPCO HASKER INTERVIEW MET UITTREDEND DIRECTEUR BRUNO GRYSEELS

20

MASTER OF PUBLIC HEALTH – EEN NACOULMA-FAMILIETRADITIE

22

22

BEELDVERHAAL: ITG-COLLOQUIUM 2018

24

REWIND: MALARIA AAN DE NOORDZEE – GESCHIEDENIS IN EEN NOTENDOP

26

BINNENKORT OP REIS? LEES DE LAATSTE NIEUWTJES!

29

PORTRET: RUTH MÜLLER & JOSÉ PEÑALVO

32 34

DE LIJST: DEWI’S 4 FAVORIETE PODCASTS ITG EN IK: PHILIP AGUIRRE Y OTEGUI © De inhoud van deze publicatie mag niet volledig of gedeeltelijk gereproduceerd worden zonder de uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. Foto’s in deze publicatie werden genomen met het volledige begrip, deelname en toestemming van de geportretteerden. De beelden geven de afgebeelde situatie waarheidsgetrouw weer met de bedoeling de lezer de mogelijkheid te geven een beter beeld te vormen van ons werk.

# Inhoudsopgave 3


# ITG-CIJFER

Mo n e p O

nu

te n men

1803

dag

Tijdens Open Monumentendag 2018 verwelkomden we met 1803 deelnemers een recordaantal bezoekers. Samen met onze 20 enthousiaste vrijwilligers maakten zij er een succesvolle dag van! Het was fijn om iedereen onze gebouwen en tuin te kunnen tonen op die zonnige zondag.


LEPRA NAAR DE GESCHIEDENISBOEKEN VERWIJZEN Kolonies met ernstig verminkte, blinde patiënten, vaak met ontbrekende ledematen, besmettelijk, geconfronteerd met sociale uitsluiting, discriminatie en schaamte. Allemaal begrippen gelinkt aan lepra of de ziekte van Hansen. Hoewel de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) in 2000 de ziekte als uitgebannen verklaarde, blijven het stigma en het leed actueel. In sommige delen van de wereld vormt deze ziekte nog steeds een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid.

Het ITG en zijn partners blijven actief toezien op de eliminatie-inspanningen van lepra. In een klinische studie screenen ze meer dan 140.000 personen, op de Comoren en in Madagaskar. De bedoeling is om lepra in de meest getro�en landen terug te dringen. P³ praat met epidemioloog dr. Epco Hasker en prof. Bouke de Jong, hoofd van de Dienst Mycobacteriologie, over de actuele toestand van lepra in de wereld, de huidige mondiale WHO leprastrategie en hun onderzoek. CATIE YOUNG

# cover story 5


Jullie beginnen aan een vierjarig project om beter te begrijpen hoe mensen tegen lepra beschermd kunnen worden. Waarom in dit deel van de wereld en waarom nu? BOUKE: Zo’n drie jaar geleden werden we gecontacteerd door Damiaanactie, een partner waar we al lang mee samenwerken. Ze hebben een zeer toegewijd en capabel team dat zich intensief inzet voor het terugdringen van lepra op de Comoren. Hoewel ze de WHO-richtlijnen voor leprabestrijding strikt opvolgden, was de ziekte extreem endemisch in hun regio. Ze schakelden onze hulp in om dit te onderzoeken. EPCO: Voor ik bij het ITG begon, werkte ik op tuberculose en lepra. Toen Damiaanactie me vroeg een bijdrage te leveren aan een studie over lepra op de Comoren, was ik meteen erg geïnteresseerd. Bouke en ik bezochten de eilanden voor het eerst in april 2016. Het bleek een prachtige omgeving, met hagelwitte stranden en palmbomen aan de Indische oceaan. Helaas is de politieke toestand er onstabiel en er heerst armoede. Ondanks de doorgedreven inspanningen van onze partners, woedt lepra verder. Tijdens huis-aan-huisonderzoeken in 2017 merkten we dat 2% van de bevolking in vier dorpen lepra had. Dat is een enorm hoog percentage, vooral omdat in de rest van de wereld lepra als een uitgebannen volksgezondheidprobleem wordt beschouwd. De WHO verklaarde in 2000 dat de wereldwijde lepraprevalentie slechts 1 op 10.000 mensen bedraagt en dat de ziekte dus ‘geëlimineerd’ is. Dit geldt echter niet voor individuele landen. De Comoren hebben vandaag zelfs 5 tot 10 maal het WHO-eliminatiepercentage.

BOUKE: En daar ligt de moeilijkheid. De prevalentie van minder dan 1/10.000 mensen is mogelijk reëel voor de wereldbevolking van 7,7 miljard. Maar ik denk dat men te vroeg victorie heeft gekraaid als je kijkt naar de regio’s waar de ziekte nog endemisch is. Helaas heeft deze verklaring ertoe geleid dat sinds 2000 de financiering voor bestrijdingsprogramma’s ingeperkt werd; opleiding van artsen en gezondheidswerkers in diagnose en behandeling van lepra afgebouwd; laboratoriumtesten onnodig geacht. EPCO: Ja, ik geloof dat dit succes van de ‘eliminatie’ een gevolg was van een aanpak waarbij de achtergebleven bestaande gevallen verzorgd werden met een behandeling van één jaar en niet levenslang. Eens je ontslagen wordt van behandeling, ben je niet langer leprapatiënt, dus de aantallen waren sterk verminderd. Het aantal nieuwe patiënten dat elk jaar werd geïdentificeerd, daalde echter niet zo aanzienlijk. Bovendien hangt er nog steeds een groot stigma rond lepra, en zullen gezinnen de ziekte vaak verbergen. We mogen ook niet vergeten dat in dergelijke verarmde gemeenschappen contact met gezondheidswerkers niet vaak voorkomt. Dit zijn de belangrijkste factoren die het voortduren van overdracht mogelijk maken. Ondanks de stevige inspanningen en met behulp van de WHO-aanbeveling, is het jaarlijks aantal nieuwe patiënten weinig teruggevallen en de voorbije vijf jaar zelfs stabiel gebleven. Het is dan ook geen wonder dat, toen ik het personeel van Damiaanactie vroeg: “Wat kan jullie in een perfecte wereld het meest helpen in jullie strijd tegen de ziekte?”, ze meteen rea-


© foto’s door Johanna de Tessières voor Damiaanactie

Er hangt nog steeds een groot stigma rond lepra, en gezinnen zullen de ziekte vaak verbergen.

# cover story 7


geerden met: “Massascreenings van de bevolking.”

Kunnen jullie ons wat meer vertellen over jullie studie?

BOUKE: Met die boodschap van de frontlinie van de ziekte ontwierpen we een klinische studie voor de eilanden, waarbij we hopen ongeveer 140.000 mensen te screenen en te onderzoeken. We willen uitvissen wie meest baat zal hebben bij de preventieve effecten van rifampicine, een antibioticum dat zijn werkzaamheid al vele jaren heeft bewezen bij de behandeling van lepra.

EPCO: Onze voorstudie, gefinancierd door R2Stop, onderzoekt waarom lepra nog steeds een hardnekkig gezondheidsprobleem vormt op het Comoro-eiland Anjouan. Om deze studie te verbreden met inclusie van de andere Comoro-eilanden en Madagaskar, deden we beroep op het EDCTP*. We zijn erg dankbaar voor hun financiering, waaraan ook het Leprosy Research Initiative royaal heeft bijgedragen. Dit zorgde ervoor dat de PEOPLE**-studie werkelijkheid werd. Dankzij die hulp kunnen we nu onderzoeken wat de meest optimale aanpak is van leprapreventie in endemische gebieden.

Rifampicine kan worden gebruikt als ‘post-expositie profylaxe’ of kortweg PEP. Momenteel wordt deze methode, waarbij we diegenen behandelen die in contact komen met besmette mensen, gezien als de meest effectieve manier om de infectieketen te stoppen. We willen te weten komen of het effect van de profylaxe beperkt is tot het gezin van een persoon of tot een bredere sociale context. Een andere reden voor deze focus is de WHO-oproep naar meer onderzoek op gebied van het systematisch traceren van gezinscontacten en het vinden van de optimale manier om PEP toe te dienen vooral omwille van kostenefficiëntie. Dat is waar onze klinische studie mooi inpast.

BOUKE: De hypothese van onze PEOPLE-studie is dat PEP beter werkt als het toegediend wordt aan gezinsleden van patiënten én andere mensen in hun omgeving. Daarnaast wordt algemeen aangenomen dat de overdracht van Mycobacterium leprae, de bacterie die de ziekte veroorzaakt, wordt bestendigd door mensen die grote aantallen bacteriën dragen maar geen symptomen vertonen. We willen bewijzen dat we de infectie effectief kunnen stoppen door PEP toe te dienen aan mensen zonder symptomen,


maar die positief testen in een vingerprikbloedtest op antilichamen tegen M. leprae - wat wijst op infectie met de bacterie. Daarnaast zullen we patiëntstalen gebruiken voor DNA-fingerprinting van M. leprae en ook het sociaal netwerk van patiënten analyseren. Op die manier kunnen we zeer besmettelijke personen beter identificeren en transmissienetwerken schetsen. Dit alles is opgenomen in de vier luiken van het onderzoek. In elk luik zullen we, na toestemming van de deelnemer, een jaarlijkse huis-aan-huis-screening uitvoeren, en leprapatiënten identificeren en behandelen. Vervolgens zal elk dorp een van de vier verschillende benaderingen krijgen. Het controleluik is ons eerste luik. We zullen zoals voorheen leprapatiënten behandelen zonder preventieve behandeling van de contactpersonen van huishoudens die als lepra-vrij zijn onderzocht. In luik twee behandelen we de leprapatiënten en geven tevens preventieve behandelingen aan leden van hetzelfde gezin. In luik drie krijgt elke persoon die in een straal van 100 meter rond een bevestigde leprapatiënt woont PEP. In luik vier geven we PEP aan elk lid van hetzelfde gezin maar ook aan personen die in een straal van 100 meter wonen en positief testen in de vingerprikbloedonderzoeken. Belangrijk is dat we binnen elk van deze luiken de sociale aanvaardbaarheid van de screening beoordelen en een kostenberekening van de diverse benaderingen uitvoeren. Jullie hebben veel partners in dit project – kunnen jullie ons vertellen welke competenties hierbij versterkt worden en wat jullie toekomstverwachtingen zijn?

story 97 # Dossier # cover


BOUKE: Het PEOPLE-team bestaat uit een imposante groep met zeven lokale zuidelijke partners en enkele organisaties uit het noorden. Op de endemische eilanden hebben we vertegenwoordigers die zich al decennia lang inzetten voor leprapatiënten. We zijn ook blij dat er een Zuid-Zuid-capaciteitsopbouw is met het zeer goed georganiseerde Damiaanactie-team in Anjouan. Zij delen hun kennis en ervaring met de Fondation Raoul Follereau, in Madagaskar, onze andere zuidelijke partner. Wij zijn alvast erg dankbaar voor de fantastische inzet van alle betrokkenen.

EPCO: We zijn inderdaad erg dankbaar voor de partnerschappen, zowel lokaal als internationaal, en kijken erg uit naar onze samenwerking. We hebben ook een uitstekende wetenschappelijke adviescommissie. We hebben echt alles in het werk gesteld om te zorgen dat de studie relevant is voor het grotere goed, het helpen van mensen met lepra op andere continenten. * EDCTP: European & Developing Countries Clinical Trials Partnership ** PEOPLE: Post ExpOsure Prophylaxis in the Comoros and Madagascar

PARTNERS IN DE PEOPLE STUDIE » » » » » » » »

Instituut voor Tropische Geneeskunde Antwerpen (België) Damiaanactie (België, Comoren) Centre d’Infectiologie Charles Mérieux (Madagascar) Fondation Raoul Follereau (France, Madagascar) L’Institut National de la Santé et de la Recherche Médicale (France) Leiden University Medical Center (The Netherlands) Genoscreen (France) Fiocruz (Brazil)

LEPRA » Lepra wordt veroorzaakt door de Mycobacterium leprae of M. leprae bacterie » De meeste mensen (95%) hebben voldoende afweer tegen de bacteriën zodat de infectie zich niet verder ontwikkelt. » In de gevallen waarin de bacterie overleeft, vermenigvuldigt M.leprae zich langzaam met een gemiddelde incubatietijd van vijf jaar. Symptomen kunnen optreden na één jaar maar het kan ook tot 20 jaar duren. » Lepra is geneesbaar dankzij een behandeling met een combinatie van medicijnen. » Als lepra een chronische ziekte wordt, sterven mensen niet door, maar met lepra.

» Ledematen ‘vallen niet af’ door de ziekte - mensen verliezen alle gevoel in zones waar de bacil gedijt, meer bepaald sommige zenuwuiteinden. Dat betekent dat door gevoelsverlies in ledematen, patiënten zichzelf snijden en blauwe plekken oplopen zonder dat ze dit merken. Superinfecties met andere bacteriën hebben op dat moment vrij spel. Ledematen dienen dan geamputeerd wegens bot infectie. » Tot 1996 werden lepra patiënten in Japan nog steeds in afzondering geplaatst en sterk gestigmatiseerd. Die wetten werden echter herroepen en dit soort praktijk stopgezet. De meeste landen sloten hun lepra-kolonies in de jaren zestig.


“IK WERK NOG AAN MIJN EERSTE 100-DAGENPLAN” Uittredend directeur Bruno Gryseels over de omschakeling van het ITG naar een wetenschapsgedreven instituut


Voor de P³-lezers hoeft Prof. Dr Bruno Gryseels geen introductie. Sinds 1995 is hij directeur van het ITG. Eind juni zal hij, na 24 jaar dienst, met pensioen gaan. P³ sprak met hem over zijn leven vóór en aan het ITG - en natuurlijk over zijn toekomstverwachtingen voor het Instituut. Hoe was uw leven voor het ITG? Hoe ging het er bij u thuis aan toe? Ik kom uit een heel grote familie met elf kinderen; ik had acht broers en twee zussen. Vandaag klinkt dat ongewoon, maar in die jaren had een gemiddeld gezin gemakkelijk vijf, zes kinderen. Mijn vader was leraar biologie en chemie aan een plaatselijke katholieke school. Hij was een van de eersten in zijn pajottendorp die na de middelbare school verder studeerde. Van zijn kinderen gingen bijna iedereen naar de universiteit. Drie behaalden een doctoraat. Van mijn eigen drie dochters haalden er twee een doctoraat, de derde twee masters. De toegankelijkheid en kwaliteit van het onderwijs in het naoorlogse Vlaanderen heeft in enkele generaties een onvoorstelbare intellectuele evolutie mogelijk gemaakt. We hebben daarenboven de ontvoogding van de jaren zestig en zeventig heel bewust meegemaakt. Ik zelf deed het goed op school, las veel en leverde al op jonge leeftijd politieke artikels aan voor het lokale jeugdblad. Toch genoot ik ook van wiskunde en fysica. Ik wilde dus ofwel ingenieur ofwel schrijver worden.

Waarom ging u dan geneeskunde studeren? Tenslotte besloot ik mijn interesse in wetenschap te volgen, en tegelijk sociaal betrokken te blijven. Ik dacht dat geneeskunde de ideale combinatie vormde, maar dat viel wel tegen – voor beide aspecten. Na mijn medische studie aan de Universiteit van Gent in 1979 besloot ik daarom de ‘nationale diplomacursus’ in tropische geneeskunde aan het ITG te volgen. Daar kreeg ik echt de openbaring die ik verhoopt had. Enerzijds lange uren boven de microscoop en ondergedompeld in wonderbare parasitaire cycli, anderzijds een onverwachte confrontatie met het concept volksgezondheid. Plots hoorde ik van prioriteitstelling in de geneeskunde; het idee dat je bij de aanpak van een ziekte, hoe ernstig ook, rekening moet houden met de beperkte middelen. De enthousiaste verhalen over het werken in exotische en avontuurlijke omstandigheden gaven de doorslag: ik moest en zou in de tropen gaan werken. En toen? Professor Gigase, professor pathologie aan het ITG, deed onderzoek naar schistosomiasis. De bestrijding van die wormziekte, overgedragen door zoetwaterslakken, was toen vooral een zaak voor biologen. Omdat er nieuwe geneesmiddelen op de markt kwamen die een strategie van massabehandeling mogelijk maakten, zocht hij naar een jonge arts die de eerste veldexperimenten zou uitvoeren. Direct na mijn tropenstudies ging ik, in augustus 1979, aan de slag op zijn afdeling Tropische Pathologie van het ITG. Om ervaring op te doen werd ik in 1980-1981 naar het Labo-


ratorium voor Parasitologie aan de Universiteit van Kinshasa gestuurd, toen nog beheerd door het ITG. Sterk genoeg was professor Muyembe, nog steeds directeur van het Institut National de Recherche Biomédicale (INRB) in Kinshasa en een zeer nauwe partner en vriend van het ITG, toen al decaan van de faculteit geneeskunde. Mijn werk bestond er uit diagnostiek, onderwijs, deelname aan de opsporing van slaapziekte, epidemiologisch onderzoek naar parasitaire ziekten. Voor het opstarten van nieuwe bestrijdingsprogramma’s tegen schistosomiasis werkte ik regelmatig in het oerwoudgebied van Maniema in Oost-Congo, waar open mijnbouw gepaard ging met extreme infectie- en ziektecijfers.

troleprogramma voor schistosomiasis en darmparasieten bij het ministerie van Volksgezondheid. Als jonge, onervaren cooperant leidde ik 40 doorwinterde technici; zo beschamend paternalistisch ging het er toen nog aan toe. Ik pakte het programma wetenschappelijk aan en daardoor werd het een belangrijk proefproject voor de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), die me mijn eerste onderzoekbeurs leverde. Ik kocht er mijn eerste Apple II-computer mee, met 36 KB geheugen en schreef er zelf BASIC programma’s voor. Voor de vrije tijd was er alleen mijn gezin, de natuur en heel veel boeken; geen TV, telefoon, fax, laat staan internet. Ik heb toen zowat de hele wereldliteratuur van de Grieken tot heden bij elkaar gelezen.

Na Congo bracht een ander project me naar Burundi, dit keer in dienst van het toenmalige ABOS (nu DGD, het Directoraat-Generaal voor Ontwikkelingssamenwerking). Daar bleef ik 5 jaar, en werden onze twee oudste dochters geboren; beide zijn nu zelf onderzoekers in de tropische geneeskunde en biologie. Ik leidde er het nationale onderzoeks- en con-

Ik leerde er ook de kunst van de institutionele politiek, die in België zo belangrijk is. De relatie tussen het ITG en ABOS was in die tijd verre van ideaal; ABOS verdacht het ITG ervan zijn onderzoeksprojecten met ontwikkelingsgeld te financieren, niet geheel onterecht trouwens. Ik gedroeg me dus als een loyaal ABOS-coöperant, en tekende ook als dusdanig mijn artikelen. Dat

# Dossier 13


werd me door de toenmalige directie van het ITG niet in dank afgenomen, met als gevolg dat de beloofde terugkeer naar de Antwerpse basis niet doorging. Hoe eindigden dan je tropenjaren? Terwijl de deur van het ITG voor me dichtging, bood in 1985 het Instituut voor Parasitologie en Tropische Geneeskunde aan de Universiteit Leiden mij een plaats aan als docent-onderzoeker. Vanuit Kinshasa en Burundi had ik nauw met hen samengewerkt, met Anton Polderman als mentor. Ik heb toen, met mijn vrouw, heel doordacht de keuze gemaakt tussen een loopbaan als coöperant of als wetenschapper, hoewel mijn salaris er twee derde bij inschoot. In Leiden kreeg ik de gelegenheid om mijn onderzoek in een academische omgeving verder uit te bouwen, zelf een doctoraat af te leggen en een team van nog jongere onderzoekers te verzamelen. Samen gingen we nieuwe projecten op het terrein aan, in Senegal, Mali, Marokko, Egypte, Congo en nog wat landen, veelal met financiering van de vroege Europese kaderprogramma’s en dus ook in samenwerking met groepen in Frankrijk, Duitsland, Engeland, Denemarken, Italië… Met de naïeve lef van de onwetende werd ik als jonge dertiger consultant voor internationale organisaties zoals de WHO, de Wereldbank en GTZ (het voormalige Duitse ontwikkelingsagentschap) in bestrijdingsprogramma’s in China over Egypte tot in Brazilië. Intussen ging het dagelijkse leven door en kregen we onze derde dochter, die later de artistieke richting van mijn vrouw insloeg. Ondanks de waarheid van vele Hollandse clichés hebben we er tien jaar lang een fijne tijd gehad en heel veel geleerd.

In 1995 werd je de zevende directeur van ITG. Hoe is dat in zijn werk gegaan? Professor Eyckmans ging in 1995 met pensioen. Peter Piot, zijn gedoodverfde opvolger, was in afwachting op sabbatical bij de WHO in Geneve, waar hij tenslotte UNAIDS oprichtte en er als de eerste directeur aanbleef. Er stonden een aantal andere interne kandidaten te drummen, maar de interne verhoudingen zaten behoorlijk scheef. De Raad van Bestuur schreef een open vacature uit. Ik was nog geen 40 jaar oud maar weer eens had ik de naïeve durf om me kandidaat te stellen. De Raad van Bestuur was in die tijd nogal onthecht en liet het aan de Academische Raad van professoren om de kandidaten te interviewen en te rangschikken. Blijkbaar bracht ik een goed verhaal, en wellicht speelde mijn profiel als externe kandidaat met een intern verleden ook een rol.

Het ITG heeft het potentieel om academische excellentie en wetenschappelijke vernieuwing om te zetten in aanzienlijke toegevoegde waarde. Hoe was het met het ITG gesteld toen je de leiding overnam? In 1995 telde het ITG nog maar een 200-tal personeelsleden, en het budget bedroeg een vierde van wat het nu is. Er was geen duidelijke opdracht, structuur of strategie voor de toekomst. De samenwerking met ABOS was moeizaam en gefragmenteerd; elke beurs of project werd apart onderhandeld naar gelang de opportuniteit. Zelfs de basistoelage van het Vlaamse ministerie


Bruno Gryseels als student aan het ITG, 1978-79 (vooraan in beige trui en wit hemd) van Onderwijs lag niet vast; behalve een bijzinnetje in het Decreet op de Universiteiten was er geen enkele wet of contract dat onze rol, positie of financiering regelde. Van een onderzoektoelage was al helemaal geen sprake en de medische diensten waren virtueel failliet. Ik trad aan op 1 juli 1995; in oktober legde in aan de Raad van Bestuur een diagnose en een plan van aanpak voor, en in december keurde die de uitvoeringsbesluiten goed. Ik denk wel eens dat ik 24 jaar later nog steeds met dat initiële ‘100 dagen plan’ bezig ben. Dat is ook niet verwonderlijk: in de wereld van vandaag is stilstand geen optie, hervormingen zijn een constante noodzaak. Mijn allereerste prioriteit was van de maatschappelijke mandaten van het ITG inhoudelijk en wettelijk vast te leggen. Dat was geen sinecure: de bevoegdheden voor onderwijs, onderzoek, gezondheidszorg en ontwikkelingssamenwerking waren met de vierde staatshervorming van 1993 nog maar net volledig overgegaan van de federale naar de regionale overheden, en er heersten nog veel onduidelijkheden over wie nu wat moest financieren. Hoe pakte u dat dan aan? Eerst en vooral met onderbouwde, objectieve dossiers en een goede verstand-

houding met de administraties, eerder dan met politieke lobbying bij ministers en kabinetten; en ten tweede met een neus voor de juiste gelegenheid in bredere evoluties. In 1998 werd, na een heleboel schandalen, het toenmalige ABOS grondig hervormd. Voor de uitvoering van de bilaterale samenwerking werd de Belgische Technische Coöperatie (nu Enabel) opgericht, de ngo’s en de universiteiten werden ondergebracht in Nederlandstalige en een Franstalige koepels. We zijn er toen in geslaagd een apart raamakkoord te bekomen, als gespecialiseerde actor zonder tegenhanger aan de Franstalige kant. We begonnen met 3 miljoen euro per jaar, voor een eigen programma van institutionele en individuele capaciteitsversterking in het zuiden. Momenteel zijn we aan ons vierde raamakkoord met een budget van 15 miljoen euro per jaar, volledig gewijd aan wetenschappelijke capaciteitsversterking voor in de ziektebestrijding en gezondheidszorg. We hebben het dus blijkbaar niet slecht gedaan. Met het Vlaamse Ministerie van Onderwijs waren we sinds 1996 al op zoek naar een beter statuut voor het ITG. In 1999 moest, weer eens om ‘politiek gevoelige’ redenen, de Vlerick Business School in Gent dringend geregulariseerd worden. Op diens slippen zijn we dan ondergebracht # Dossier 15


in een nieuwe categorie “Instellingen van Openbaar Nut voor Postinitieel Onderwijs, Onderzoek en Dienstverlening” die op postuniversitair niveau opereren. Een apart decreet voorzag in wettelijke erkenningen en opdrachten, vijfjaarlijkse beheersovereenkomsten en een structurele financiering.’Bien étonné de se retrouver ensemble’ vormen we nog altijd een aparte categorie met de businessscholen, nu als autonome stichtingen. Voor een aparte onderzoeksubsidie duurde het wat langer, maar na jarenlang hameren op onze gelijkwaardigheid met de universiteiten werd deze in 2007 ook een feit. Vanaf 2020 wordt ze zelfs gesynchroniseerd met de toelage van onderwijs, een evidente logica maar administratief en politiek geen evidentie. Ook de het federale ministerie voor Volksgezondheid en Sociale Zekerheid konden we overtuigen van onze onmisbaarheid als referentiecentrum voor tropische ziekten en reisgeneeskunde. Na een ‘experimentele fase’ van 3 jaar zijn we sinds 1998 als

dusdanig erkend en gesubsidieerd, als enige in België. Later kwamen daar ook nog het referentielaboratorium en centrum voor hiv/aids zorg bij. Zonder deze erkenningen en subsidiëringen zou het heel moeilijk zijn om de zo noodzakelijke expertise voor reizigers, expatriates en migranten in stand te houden. Het vastleggen van deze onderscheiden, maar sterk verweven mandaten en financieringen was en blijft de basis voor het bestaansrecht en de werking van het ITG. Intussen werden we ook partnerinstellingen van de Vlaamse departementen voor Welzijn en voor Internationale Samenwerking. We mogen trots op zijn dit maatschappelijke draagvlak, maar om het te blijven verdienen moeten we, voor elke opdracht en dag na dag, onze meerwaarde blijven bewijzen. Ons bestaan is geen evidentie en, inderdaad, vrij uitzonderlijk in Europa. Dat betekent ook dat we ons voortdurend in vraag moeten blijven stellen en ons voortdurend verbeteren of veranderen in steeds sneller veranderende omgevingen. Het tweede deel van mijn 100-dagenplan ging daarom over de interne werking, met nadruk op wetenschappelijke kwaliteit. Wat is er sindsdien dan veranderd binnen het ITG?

Bruno Gryseels in DR Congo, 1980

Toen ik directeur werd, hadden vele professoren en zelfs administratoren nog een koloniaal of neokoloniaal verleden of gedachtengoed. Benoemingen gebeurden vooral ad hominem en zonder veel strategie: zo waren er negen professoren diergeneeskunde en maar drie professoren volksgezondheid. De weinige assistenten hadden veel terreinervaring maar veelal


Bruno (links) en zijn broer Guido (rechts) in DR Congo, 1980

nog geen doctoraat, laat staan academische vooruitzichten. Artikels publiceren werd eerder ontmoedigd; de resultaten op het terrein waren veel belangrijker. Het ITG heeft nochtans geweldig pionierswerk verricht op het gebied van basisgezondheidszorg, en lag mee aan de basis van het Primary Health Care-concept. Het grootste deel van dat werk is nooit of slechts zijdelings gepubliceerd. Dat is ook beleidsmatig erg jammer, want in het mondiale gezondheidsbeleid blijft het vechten voor basisgezondheidszorg als universeel mensenrecht. Hiv/aids was in die tijd een overweldigende prioriteit maar kreeg als ‘vuile ziekte’ weinig middelen; de pioniers bouwden dan maar een eigen imperium op met externe fondsen. Er was geen departement voor klinische wetenschappen; de artsen in de medische diensten namen de academische taken erbij. Onze cursussen had wereldwijde faam, maar onze masterdiploma’s waren niet wettelijk erkend. Ook in het onderwijs sijpelde de tweespalt horizontale gezondheidssystemen en ver-

ticale ziektebestrijding door, met twee gescheiden en tegengestelde programma’s. Het instituut was ook in zijn structuur nogal gefragmenteerd. Het 100-dagenplan regelde de oprichting van vijf wetenschappelijke departementen, met name Microbiologie, Parasitologie, Diergeneeskunde, Volksgezondheid en, voor het eerst, Klinische Wetenschappen. De roterende departementshoofden vormden samen met de directeur en de algemeen beheerder een directiecomité. Daarin werden homerische discussies gevoerd, zowel over de grote lijnen als over uitvoerende details. Desondanks gingen heel wat collega’s de uitdagingen aan. De tweedeling in het onderwijs werd aangepakt met de nieuwe Master in Disease Control, die later zelfs fuseerde met de Master in Public Health. De medische diensten werden operationeel en budgettair afgescheiden en geprofessionaliseerd. Mee onder impuls van een externe Wetenschappelijke Raad van Advies stelde de departementen strategische onderzoeksprogramma’s op. De allocatie

# Dossier 17


van ZAP (zelfstandig academisch personeel) en ander werd op een rationele leest geschoeid. Het raamakkoordprogramma met DGD werd aanzienlijk uitgebreid en geschoeid op projectcyclusmanagement. Alle diensthoofden, ook het ZAP, leerden omgaan met hun lijnverantwoordelijkheden voor personeelsmanagement, veiligheid en welzijn. Met horten en stoten voerden we een kwaliteitssysteem in. We investeerden aanzienlijk in gebouwen en infrastructuur, met de Rochuscampus, de L3-laboratoria, Campus Mortelmans, de studentenverblijven en het Kariburestaurant als hoogtepunten. Alle beslissingen, ook controversiële, werden grondig onderbouwd, overlegd en tenslotte aan de Raad van Bestuur voorgelegd. In 2010 begonnen we aan een nieuw hoofdstuk met de ‘ITG2020+’-visie, in feite een verdieping van de eerdere hervormingen voor de 21ste eeuw: omvorming van vijf thematische tot drie disciplinaire departementen volgens het P³-concept (pathogenen, patiënten en populaties);

departementele autonomie en lijnmanagement; ‘Switching the Poles’ in onze Zuidwerking; een strategische generatiewissel; bestuurlijke professionalisering; een nieuwe institutionele opdrachtverklaring; en alles wat dat meebrengt. In alle opzichten is het ITG van vandaag dus niet meer te vergelijken met dat van 1995. Dat is niet mijn verdienste maar die van een hele generatie wetenschappers, personeel en bestuurders. In de omvorming naar een doelgerichte, gestructureerde en professionele organisatie hebben we de fundamentele waarden van het ITG weten te behouden en zelfs versterken. Ze ging gepaard met een blijvende inzet voor onze partners in het Zuiden, die nu het roer in eigen land kunnen overnemen. Ons bestaansrecht en meerwaarde zullen we steeds meer moeten putten uit onze academische en wetenschappelijke kwaliteit en integriteit. Als u terugkijkt, wat had beter of anders gekund? Ik had een sterke visie en wist deze te vertalen in strategische, operationele en financiële realiteit, maar ik slaagde er niet altijd in alle medewerkers mee te krijgen. Ik geloofde te makkelijk dat wanneer je gelijk hebt (of denkt te hebben), mensen uiteindelijk wel zullen volgen. Door schade en schande leerde ik dat voor de meesten verandering altijd moeilijk is, ook al begrijpen ze de ratio. Ik had meer en sneller hulp moeten inroepen bij het veranderingsmanagement, en mezelf beter laten coachen. Dat had me wellicht ook heel wat slapelo-

Prof. Bruno Gryseels ontmoet mevrouw Dubois tijdens de inwijding van het Duboisgebouw in 1996. Links van Gryseels staan voormalige directeurs Prof. Luc Eyckmans en Prof. Pieter-Gustaaf Janssens


ze nachten en persoonlijke kwetsuren bespaard, want een echt olifantenvel heb ik niet. Een onafgewerkte werf blijft de aanpassing van de administratieve diensten op het nieuwe ITG. We hebben een zeer sterk en geëngageerd middenkader, maar de structuren en processen zijn nog niet optimaal afgestemd op de huidige noden van de departementen. We zijn een zeer veelzijdige en gespecialiseerde organisatie, met veel uitzonderlijke noden in een steeds sterker gereguleerde omgeving waarin kleinschaligheid zowel voor- als nadelen heeft. Maar we zitten zeker in de goede richting. Welk soort ITG laat u achter? Het ITG heeft mijn inziens het potentieel om academische excellentie en wetenschappelijke vernieuwing om te zetten in aanzienlijke toegevoegde waarde, vooral voor de arme en kwetsbare gemeenschappen in een geglobaliseerde wereld. Wij leveren topwetenschap af die een echt verschil maakt voor patiënten, gemeenschappen en overheden. Recente artikels in toptijdschriften over onderwerpen als ebola en slaapziekte zijn daar getuige van. Zonder ons onderwijs, onze partnerschappen en onze medische diensten zouden Vlaanderen en België niet zover boven hun gewicht kunnen boksen in de internationale gezondheidsarena. En is nog zoveel meer te doen. Tropische geneeskunde blijft een fascinerend onderzoekonderwerp, dat fundamentele mechanismen van mens, pathogeen en vector blootlegt. Kost-efficiëntie in de gezondheidszorg maakt deel uit van ons DNA, en wordt ook in het Westen een van de grootste maatschappelijke uitdagingen van de 21ste eeuw. Onze kennis en ervaring is onmisbaar voor het

aanpakken van klimaatverandering, infectieuze ziektes en antibioticaresistentie die de hele wereld bedreigen. Ik ben er trots op dat alle medewerkers van het ITG klaar staan om die toekomst gezamenlijk aan te gaan. Wat staat de nieuwe directeur te doen? Er zijn veel meer middelen dan ooit beschikbaar voor ziektebestrijding in ontwikkelingslanden, vooral via doelgerichte internationale fondsen en grote filantropische organisaties. Dat is een heel goede zaak maar er is anderzijds een echte ‘global health’-industrie ontstaan waarin wetenschappelijke integriteit en gelijkwaardig partnerschap wijken voor retoriek en geldnood. Het ITG heeft er voor gekozen om daar niet in mee te draaien en vanuit het zuiden wordt de roep om ‘dekolonialisme’ steeds luider. Ik hoop dat we met steun van overheden en publiek onze onafhankelijkheid kunnen bewaren zodat we niet van, maar voor het zuiden blijven werken. Anderzijds moeten we onvervaard de competitie voor wetenschappelijke fondsen en talent aangaan, de middelen nog efficiënter inzetten, en onze interdisciplinair potentieel verder exploiteren. Daarin is er zeker genoeg werk voor mijn opvolger blijven liggen. Het ITG heeft in zijn niche een werkelijk unieke combinatie van excellentie, relevantie en integriteit opgebouwd. Het is niet alleen aan de directeur, maar aan het hele ITG om die identiteit te blijven koesteren. Meer over het Switching the Poles programma op switchingthepoles.itg.be

# ITG-verhaal 19


MASTER OF PUBLIC HEALTH een Nacoulma-familietraditie In de voetsporen treden van een familielid dat je erg bewondert geeft een speciaal gevoel. Dit geldt ook voor Dr. Noël Nacoulma die momenteel een Master of Public Health volgt aan het Instituut. Hij geniet met volle teugen van de Antwerpse campus-omgeving en lessen terwijl hij de familietraditie verderzet. Hij werd arts, en, zoals zijn oom aan vaders kant, specialiseert hij zich in volksgezondheid aan het ITG. CATIE YOUNG

“Ik was heel blij dat ik werd toegelaten tot de 2018-2019 Masters of Public Health hier in Antwerpen. Het was mijn tweede aanvraag - mijn eerste kandidatuur stelde ik in 2014 maar die werd helaas verworpen. Mijn contacten bij UNICEF moedigden mij echter aan opnieuw te proberen. Grote opluchting: dit keer lukte het wel en werd ik aanvaard!” Als opgeleide huisarts, echtgenoot van een apotheker en trotse vader van twee jongens, zou je kunnen stellen dat Nacoulma geneeskunde in zijn bloed heeft. Ook al omdat de meerderheid van zijn familie in de publieke gezondheidszorg werkt. De familie, afkomstig uit Tanghini, een landelijke dorpje in Burkina Faso, op ongeveer 20 km van Ouagadougou, telt artsen, verpleegkundigen, ambtenaren in volksgezondheid en apothekers. “Als kind wilde ik al arts worden. Tijdens mijn middelbare schoolopleiding woonde ik bij mijn vaders oudere broer, Innocent Nacoulma, een traumachirurg. Ik heb me altijd verbaasd over zijn uithoudingsvermogen en hoe hij ondanks zijn zware werklast bleef verder studeren. Hij was een uitstekend voorbeeld en het maakte me nog vastberadener om na de middelbare school geneeskunde te studeren.” Na zijn medische studies in 2008, ging Nacoulma werken voor de openbare gezondheidszorg in zijn land. Hij begon zijn carrière als hoofdarts in het gezondheids-


centrum van het district Gourcy en werkte vervolgens als hoofdarts in Seguenega, beiden in het noorden van het land, en in het district Boulmiougou in de hoofdstad Ouagadougou. “Door het werk in de noordelijke districten verwierf ik een zeer rijke en gevarieerde ervaring als spoedchirurg, assistent bij het opzetten van gratis medische behandelingen voor kinderen jonger dan vijf jaar en door mijn werk met zwangere vrouwen bij de ngo ‘Terre des Hommes’. Daarnaast hielp ik mee aan de invoering van een elektronisch consultatieregister voor de PCIME-kliniek (kliniek voor geïntegreerd beleid voor kinderziekten).” Om zijn carrière in volksgezondheid nog een extra push te geven, stapt Nacoulma nu in de voetsporen van Daniel, zijn andere oom langs vaders kant. Daniel, ook arts, studeerde in 1999 af in hetzelfde ITG-masterprogramma en ging werken voor

UNICEF in de Democratische Republiek Congo. Hij begeleidde ook de implementatie van het shared-cost-zorgsysteem in het district Houndé nabij Ouagadougou. De jonge Nacoulma zag de positieve effecten van de ITG-studies voor zijn oom en voelde zich meteen geroepen om hetzelfde te doen. “Via de ervaring van mijn oom wist ik al heel wat over het ITG. Dit instituut is gerenommeerd op het gebied van volksgezondheid. Ik ben dan ook erg dankbaar dat ik hier kan studeren. Het Instituut geniet veel respect in Burkina Faso voor de kwaliteit van zijn onderwijs.” Tot besluit vertelt een duidelijk trotse Nacoulma dat de dochter van zijn oom Daniel, die nu in Marocco woont, ook geneeskunde studeert. Wie weet zet een andere Nacoulma de traditie binnen afzienbare tijd weer verder? Daniel Nacoulma als student aan het ITG in 1998-99, achteraan, vijfde van rechts

Photo Story 21 ##Beeldverhaal


BEELDVERHAAL ITG COLLOQUIUM 2018 Sinds 1959 is het Colloquium de jaarlijkse wetenschappelijke conferentie van het ITG, gefinancierd door de Belgische Ontwikkelingssamenwerking. Om het jaar vindt het Colloquium plaats in een partnerland van het ITG. In 2018 organiseerde het ITG samen met zijn partnerorganisaties in Cambodja de 59ste editie in Phnom Penh. Deze editie ging over een van de belangrijkste uitdagingen van deze tijd op vlak van wereldgezondheid: antibioticaresistentie.


# Beeldverhaal # Rewind 23


<<REWIND

MALARIA AAN DE NOORDZEE – GESCHIEDENIS IN EEN NOTENDOP Vandaag denken we bij malaria meteen aan warme en tropische gebieden. Maar de ziekte kwam tot in de jaren ’50 van de vorige eeuw regelmatig voor in onze contreien. Vooral in de poldergebieden had je kans om malaria op te lopen. De Anopheles-mug, die ‘malaria’ kan verspreiden, plant zich namelijk graag voort in brak water. In de volksmond werd de ziekte ‘moeraskoorts’ genoemd, omdat men toen dacht dat malaria (een woord met Italiaanse oorsprong, mal’ aria, oftewel slechte lucht) veroorzaakt werd door de sterke lucht in de moerasgebieden. Eeuwenlang maakte de ziekte een stevig aantal slachto�ers in West-Europa.

uitbraken van malaria. Vanaf de 11de eeuw ging men dijken aanleggen en groef men heel wat greppels en kanalen. Het brakke water dat tussen de dijken bleef staan vormden de perfecte habitat voor de malariamuggen. Daarnaast brachten kruisvaarders en pelgrims die terugkwamen van kruistochten naar verre bestemmingen verschillende ziektes met zich mee, waaronder malaria.

ELINE VAN MEERVENNE De Plasmodium-parasiet, die malaria veroorzaakt, reisde vanuit zijn ontstaansgebied in Afrika mee met haar menselijke gastheer naar Europa. De parasiet brengt zijn leven deels door in de mens en in de Anopheles-mug. Deze mug nestelde zich graag in de uitgestrekte moerassen in het Noordzeegebied. Deze omgeving, met stilstaand half zout en half zoet water, vormde een ideale broedplaats voor de malariamuggen. Dankzij de nederzettingen van onze voorouders kon de mug zich beschermen tegen de koude periodes in onze gebieden. Al vanaf de 4de en 5de eeuw na Christus wijzen massale overlijdens aan de kusten in West-Europa op

Bespuiting Kerkbuurtschool Foto Noord-Hollands Archief

Tussen 1500 en 1750 bereikte de moeraskoorts haar hoogtepunt in West-Europa. De ziekte brak massaal uit omdat de toenmalige bevolking sterk inzette op scheepsvaart. Door het aanleggen van waterwegen kon het zeewater landinwaarts stromen en vermengde het met zoet water. Meren werden kunstmatig drooggelegd waardoor brak water vanuit de diepte naar het oppervlak kwam. Deze factoren deden de muggenpopulatie floreren en verhoogde het risico op malaria. Door het uitgebreide scheepsverkeer kon de ziekte meereizen


en doken er ook gevallen van malaria op in gebieden waar de ziekte voorheen niet voorkwam. Tot in de 19de eeuw wist men niet wat de oorzaak van malaria was en kon men geen diagnose stellen. Omdat er geen nauwkeurige behandeling was voor malaria of ‘moeraskoorts’ probeerde men de ziekte met alternatieve middeltjes te bestrijden. Pas in 1880 ontdekte de Franse arts Charles Laveran een eencellige parasiet in het bloed van malariapatiënten. In 1897 legde Ronald Ross, een Britse fysicus, de link tussen de parasiet en de vrouwelijke Anopheles-mug. Vanaf toen vielen de puzzelstukjes op hun plaats en kwam men te weten dat de ziekte werd overgedragen via de muggen in de moerasgebieden. Malaria was al op retour nog voor men had ontdekt hoe de ziekte veroorzaakt en verspreid werd. De drassige gronden werden op grote schaal drooggelegd omdat men

Foto Geheugen van Nederland

Woning in Nederland waar malaria vorige eeuw nog een gewone ziekte was - Ook de open regentonnen waren broedplaats van muggen Foto Noord-Hollands Archief

zo de ‘schadelijke’ moeraslucht probeerde in te perken. Bij de aanleg van nieuwe dijken en kanalen werd zoet en zout water zoveel mogelijk gescheiden en stilstaand water ingeperkt. Hierdoor kwam het voortplantingsgebied van de malariamuggen in het gedrang. Daarnaast was er de opmars van kinine ter behandeling van malaria. Meer mensen gingen in de stad wonen door de industrialisatie en grotere kuddes vee werden nu het hele jaar door gehoed waardoor de malariamuggen vooral de dieren staken. Dankzij uitroeiingscampagnes en maatschappelijke factoren werd België malariavrij in de jaren ‘50. Vandaag krijgen de meeste Europeanen malaria tijdens een verre reis naar het Zuiden. Heel zelden zijn er (soms onverklaarbare) gevallen van malaria in o.a. Duitsland, Italië en België van mensen die niet in gebieden geweest zijn waar malaria voorkomt. Griekenland kende in 2011 een lokale uitbraak met ongeveer 40 malariagevallen. Door klimaatsveranderingen en globalisatie zouden we in de toekomst ook bij ons weer met malaria te maken kunnen krijgen. Dat is echt moeilijk te voorspellen vanwege de complexe samenhang tussen de Plasmodium-parasiet, de malariamug, de cultuur en de economische welvaart van de gemeenschap. # Rewind 25


BINNENKORT OP REIS? Lees de laatste nieuwtjes!

Onze artsen in de reiskliniek zien elk jaar meer dan 24.000 reizigers. We gaan dieper in op vier ziekten die speciale aandacht vereisen.

TEKENENCEFALITIS Status: in opmars in Europa Tekenencefalitis is een virale ziekte van het centrale zenuwstelsel. Symptomen komen meestal in twee fasen, eerst mild en vergelijkbaar met griep. In de tweede fase kunnen er neurologische symptomen optreden die in sommige gevallen leidt tot neurologische schade.


Voor wie

Vaccinatie

Als je in de lente, zomer of herfst een actieve vakantie plant met veel buitenactiviteiten (kamperen, wandelen) in Midden- of Oost-Europa, overweeg dan vaccinatie. Overleg met je arts of consulteer specialisten in een reiskliniek.

Er bestaan twee soorten vaccinatieschema’s tegen rabiës: preventieve vaccinatie en vaccinatie na een mogelijke blootstelling aan het virus (als je gebeten of gekrabd bent door een dier). Preventieve vaccinatie is aanbevolen voor mensen die naar gebieden gaan waar rabiës bij honden voorkomt en die: vaak of voor langere periodes reizen; gaan naar afgelegen oorden waar medische hulp niet direct beschikbaar is; een hoger risico lopen door hun activiteiten (fietsen, werken met dieren).

Vaccinatie Drie injecties: op dag nul (1); één tot drie maanden later (2); en vijf tot 12 maanden na de tweede (3). Eerste booster na drie jaar en volgende booster na vijf tot tien jaar. RABIËS (HONDSDOLHEID) Status: een vereenvoudigd vaccinatieschema Rabiës is een besmettelijke en dodelijke virale ziekte, overgedragen via speeksel van zoogdieren (bijvoorbeeld honden). De ziekte veroorzaakt waanzin en stuiptrekkingen of apathie. Eens de symptomen verschijnen, is de ziekte bijna altijd fataal. Waar In België en de meeste andere Europese landen komt rabiës via honden niet meer voor, maar nog wel bij vleermuizen. In de meeste niet-Westerse landen kunnen honden wel rabiës overdragen. Preventie Hou dieren op afstand en raak geen dode dieren aan.

Wat na een beet Was de wonde grondig met zeep en raadpleeg zo snel mogelijk een arts. ‘Post-expositie-vaccinatie’ vaccinatie is aanbevolen. De arts zal bepalen welk vaccinatieschema best aangewezen is (korte of lange procedure) en of je al dan niet immunoglobulines nodig hebt. Immunoglobulines of antilichamen worden soms rond de wonde geïnjecteerd om het virus meteen te neutraliseren. Bij mensen die preventieve vaccinatie kregen, is een kortere post-expositieprocedure voldoende, zonder toediening van immunoglobulines. Vaccinatie De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) introduceerde nieuwe richtlijnen voor rabiës in april 2018, waarbij het schema voor preventieve vaccinatie verkort werd van drie vaccinaties naar een schema van twee vaccinaties in zeven dagen, toegediend op dag nul en zeven. Het nieuwe regime is gebaseerd op onderzoek van het ITG en de Belgische Defensie; ons Instituut past het nieuwe regime sinds mei 2018 toe. # De lijst 27


GELE KOORTS

MALARIA

Status: geactualiseerde aanbevelingen

Status: Belgische reizigers lopen nog steeds gevaar

Gele koorts is een dodelijk virus, overgedragen door muggen die overdag steken. Het virus komt alleen voor in bepaalde landen van Zuid-Amerika en Afrika. Er zijn geen medicijnen om deze ziekte te behandelen, maar er is een zeer effectief vaccin dat goed verdragen wordt. Voor wie Je moet gevaccineerd zijn als je naar, en van, endemische gebieden reist in Zuid-Amerika en Afrika. Het vaccin kan in België enkel toegediend worden in een erkend vaccinatiecentrum voor gele koorts. Vaccinaties De WHO verklaarde in juni 2016 dat het bewijs van vaccinatie tegen gele koorts levenslang geldig is. Het is echter niet zeker of één enkele vaccinatie levenslange bescherming biedt aan iedereen. Voor een lijst met de categorieën van mensen voor wie een herhalingsvaccin aanbevolen wordt, zie: www.itg.be/N/Artikel/reisgeneeskunde/gele-koorts-vaccinatie.

Malaria wordt veroorzaakt door een parasiet, die wordt overgedragen door de Anopheles-mug. De ziekte wordt gekenmerkt door koortsaanvallen, maar kan ook op een gewone griep lijken. Malaria is behandelbaar maar, als de behandeling niet snel wordt gestart, kan de ziekte dodelijk zijn. Voor wie Malaria komt voor in de tropen en in een aantal subtropische regio’s. Het risico is afhankelijk van het land en de bezochte regio, maar kan variëren volgens het seizoen en de verblijfsmodaliteiten. Er is geen vaccin voor malaria voor reizigers, maar je kan de ziekte voorkomen en behandelen, waarbij preventie het beste medicijn is. Preventie Malariapreventie bestaat uit een combinatie van verschillende maatregelen: informatie inwinnen over het malariarisico op de plaats van bestemming, muggensteken voorkomen van zonsondergang tot zonsopgang en de inname van preventieve pillen in regio’s met een hoog malariarisico. Malariapillen zijn enkel verkrijgbaar op voorschrift. In geval van koorts tijdens, of tot drie maanden na de reis, moet men binnen 24 uur worden getest voor malaria.

TIP! Start acht weken voor vertrek met je reisvoorbereidingen. Volledige details over hoe jezelf optimaal te beschermen vind je op: https://www.itg.be/N/reisgeneeskunde/gezond-op-reis


PORTRET

HOLA, WIE GEHT’S? Een Duitse en een Spaanse professor vestigen zich in Antwerpen # Portret 29


Wanneer professoren met pensioen vertrekken, gaat er meteen ook een schat aan expertise de deur uit. Maar het biedt ook gelegenheid om vers bloed binnen te halen en scherp te stellen op de uitdagingen van de toekomst. P3 introduceert Ruth Müller en José Peñalvo, de respectievelijk Duitse en Spaanse wetenschappers die het entomologisch onderzoek en de zoektocht naar nietoverdraagbare aandoeningen naar een hoger niveau willen tillen. ROELAND SCHOLTALBERS Ruth Müller is bioloog en onze nieuwe hoogleraar Medische Entomologie in het Departement Biomedische Wetenschappen. José Peñalvo is een epidemioloog, die recent het Departement Volksgezondheid vervoegde als de eerste hoogleraar niet-overdraagbare aandoeningen van het ITG. Ruth groeide op in een Duits dorp aan de grens met Polen. José is Madrileen in hart en nieren. De twee hebben echter meer gemeen dan je zou denken. Beide jonge veertigers hebben sterke academische geloofsbrieven en willen graag hun stempel drukken. De nieuwe professoren hebben duidelijke ideeën over hun toegevoegde waarde en over de manier waarop ze de onderzoeksportfolio van het Instituut kunnen versterken. Ruth bestudeert het verband tussen door muggen overgedragen ziekten en wereldwijde veranderingen door een ecologische, biologische en sociale lens. Ze ontwikkelt milieuvriendelijke instrumenten om vectoren te monitoren en draagt bij tot de

ontwikkeling van geïntegreerde preventie- en controlestrategieën. Ze bestudeert inheemse en invasieve muggen in Europa, in met name Duitsland en Italië en in Azië. José bestudeert gezondheidsbevordering vanuit een levensloopperspectief. Hij gebruikt grote datasets voor de analyse van lange termijneffecten van biologische, fysieke en sociale blootstelling op het ontstaan en de ontwikkeling van chronische ziekten. Zijn carrière bracht hem via Spanje, Finland, de Verenigde Staten en Duitsland naar Antwerpen. INTEGRATIE EN AANSLUITING In zijn kantoor, met uitzicht op de kloostertuin van Campus Rochus, vertelt José ons over zijn eerste weken in Antwerpen. “Een specifieke focus op niet-overdraagbare aandoeningen is nieuw in het Instituut en weerspiegelt het groeiende belang van deze ziekten wereldwijd. De belasting van cardiometabole ziekten en kanker neemt gestaag toe in lage- en middeninkomenslanden in Afrika, Azië en Latijns-Amerika. De specifieke risicofactoren die aan de basis hiervan liggen, zijn echter nog niet volledig bekend. Effectieve strategieën gericht op de aanwezigheid van twee of meerdere chronische ziekten tegelijkertijd ontbreken momenteel.” Zelfs als de belasting van niet-overdraagbare aandoeningen groter is dan die van infectieziekten, maakt het gebrek aan goede gegevens het moeilijker om ze aan te pakken. Volgens José heeft het ITG veel te winnen bij de toepassing van epidemiologische methoden op grote datasets. Het laat toe de huidige last van niet-over-


draagbare ziekten te begrijpen en toekomstige uitkomsten te modelleren om op die manier het ontwerp van volksgezondheidsinterventies te ondersteunen. “Datamodellen leveren essentiële informatie vóór de interventie, maar kunnen ook worden gebruikt om voorspellingen te doen over uitkomsten. Er is bijvoorbeeld veel aandacht voor diabetes en hypertensie, omdat ze momenteel de hoogste ziektelast veroorzaken. Maar hoe zit dat voor de toekomst? Hart- en vaatziekten en geestelijke gezondheid kunnen een grotere last worden. Psychische gezondheidsproblemen treffen ook mensen die normaal gezond zijn, inclusief jonge mensen in de fleur van hun leven. Het beheer van deze aspecten wordt steeds belangrijker en gegevens kunnen hierbij helpen. Bij geestelijke gezondheid zijn er ook interessante verbanden mogelijk met ander ITG-onderzoek, omdat patiënten met infectieziekten een groter risico lopen op psychische problemen.”

Er moet veel meer aan preventie gedaan worden om de huidige last van nietoverdraagbare aandoeningen wereldwijd af te remmen. Prof. José Peñalvo

Vanwege hun grote impact op de preventie van chronische ziekten, streeft José ook naar het uitbouwen van ITG-expertise op het gebied van lifestyle in het algemeen en voeding in het bijzonder. Vanuit de VS heeft hij uitgebreid aan dit onderwerp ge-

JOSÉ L. PEÑALVO – PROFESSOR NIETOVERDRAAGBARE ZIEKTEN, ITG » Adjunct Professor Epidemiologie, Friedman School of Nutrition Science and Policy, Tufts University, Boston (2017-heden); » Associate Director Epidemiologie, Real-World Evidence, Merck, Darmstadt (2017-2018) » Assistent Prof. Epidemiologie, Friedman School of Nutrition Science and Policy aan Tufts University, Boston (20142017); » Hoofd epidemiologie bij het Spaanse nationale centrum voor cardiovasculair onderzoek in Madrid (2008-2014); » BSc in Farmacie, Universidad Complutense, Madrid; PhD, Universiteit van Helsinki; en postdoctorale opleiding Epidemiologie, Johns Hopkins University, Baltimore.

# Portret 31


werkt. Hij legde zich van toe op Spanje, Colombia en Mexico en achtergestelde gemeenschappen in de VS. “Het woord preventie is in deze context cruciaal. Veel van mijn werk is gericht op het vinden van de bepalende factoren bij het begin van niet-overdraagbare aandoeningen om zinvolle preventiestrategieën te kunnen adviseren. Ik ben ervan overtuigd dat dit soort onderzoek ook voor het ITG belangrijk zal zijn. Veel aandacht gaat naar ziektebestrijding en behandeling, en terecht, maar er moet nog veel meer worden gedaan aan de preventie van ziekten om de opmars van niet-overdraagbare aandoeningen wereldwijd te stuiten.” José onderzoekt op welke manier zijn expertise optimaal kan bijdragen tot de versterking van zowel de onderzoeksportfolio van het ministerie van Volksgezondheid als van het ITG als geheel. “Ik ben momenteel volop in gesprek met verschillende ITGteams om te zien hoe mijn kwantitatief werk kan aansluiten bij hun meer kwalitatieve aanpak. Ik ben blij dat er nogal wat opportuniteiten zijn waarbij beide partijen elkaar kunnen versterken.” NIEUWE PERSPECTIEVEN Het kantoor van Ruth Müller bevindt zich in Campus Mortelmans, een paar straten verderop. In tegenstelling tot José, die een nieuwe dienst opzet, leidt Ruth een gevestigd team met tal van projecten in België en in de tropen. “ITG heeft een geweldige expertise op het gebied van vectorcontro-

le, zowel wat betreft invasieve soorten in België als muggen in tropische landen. Mijn voorganger, professor Marc Coosemans, was een gerenommeerd internationaal expert op het gebied van met insecticide behandelde muskietennetten. Mijn expertise ligt meer op het domein van andere bestrijdingsmethoden. Ik kijk er bijvoorbeeld naar uit om meer aansluiting te vinden met de Dienst Virologie, om een dieper inzicht te krijgen in de ecologie van virussen die door muggen worden overgedragen.”

Er is nood aan nieuwe hulpmiddelen die beproefde controlemethoden, zoals met insecticide behandelde muskietennetten, kunnen aanvullen. Prof. Ruth Müller

In 2018 vonden ITG-onderzoekers het bewijs dat de Aziatische tijgermug niet langer uitsluitend in België arriveert via importgoederen, maar ook via populaties op de grens met buurlanden, zoals Duitsland. “Ik wil Belgische en Duitse experts rond de tafel krijgen om samen het probleem van invasieve muggen te bekijken. Er is veel dat we van elkaar kunnen leren,” zegt Ruth. Vectorcontrole is een dynamisch vakgebied met nogal wat nieuwe ontwikkelingen. In haar trans-Alpijns avontuur overziet Ruth de studie van genetisch gemodifi-


ceerde muggen. Ze zal de samenwerking met het Italiaanse Polo d’Innovazione di Genomica Genetica e Biologia (POLO GGB) ook als ITG-professor voortzetten. “We weten dat we geïntegreerde methoden voor vectorcontrole nodig hebben om muggenpopulaties te reduceren en op die manier ziekten te elimineren als probleem voor de volksgezondheid. Dat vereist onderzoek naar nieuwe hulpmiddelen die bewezen concepten, zoals met insecticide behandelde muskietennetten, kunnen aanvullen.” Door genetische manipulatie kunnen muggenpopulaties worden gereduceerd of kan voorkomen worden dat muggen ziekten doorgeven. “We onderzoeken momenteel de mogelijkheden voor een nieuw insectarium in het ITG, zodat we meer intensieve experimenten rond vectorcontrole kunnen uitvoeren”, zegt Ruth. Ruth is ook gepassioneerd door het klimaat. Bij het begin van haar carrière reisde ze zelfs naar de Noordpool om het milieurisico van verhoogde uv-straling en de gevolgen van ozonafbraak en opwarming van de oceanen door klimaatverandering te bestuderen. Ruth werkt ook nauw samen met het National Health Research Institute in Nepal. Ze zal haar lopende studies over de Aedes-muggen op verschillende hoogten in het bergachtige land voortzetten. “We onderzoeken het verband tussen klimaat en de risico’s van door muggen overgedragen ziekten voor de leefomgeving en de samenleving om specifieke vectorcontrolestrategieën en communicatiehulpmiddelen te ontwikkelen. Dat vereist een interdisciplinaire benadering met oog voor biologische, ecologische en sociale aspecten en een One-Health-perspectief.”

RUTH MÜLLER – PROFESSOR MEDISCHE ENTOMOLOGIE, ITG » Departmentshoofd Milieutoxicologie en Medische Entomologie en hoofd BSL1 laboratoria aan het Institute of Occupational Medicine, Social Medicine and Environmental Medicine, Goethe University Frankfurt (2015-2018); » Hoofdonderzoeker en leidinggevende van de Contained Release Facilities of Genetically Modified Mosquitoes bij Polo d’Innovazione di Genomica, Genetica e Biologia (PoloGGB), Perugia en Terni (2017-heden); » Diploma Biologie, Freie Universität Berlin; Dr. rer. nat. aan het AlfredWegener Instituut en de Universiteit Bremen.

Portret 44 33 ##Portrait


THE LIST Dewi’s favoriete podcasts In oktober 2018 verbleef wetenschapsjournalist Dewi Safitri drie weken in Antwerpen, als ITG-journalist-in-residence. Tijdens haar verblijf verdiepte ze zich in dengue-onderzoek en interviewde ze ITG-wetenschappers. Eenmaal thuis schreef ze voor CNN Indonesia een lang essay over dengue. ELINE VAN MEERVENNE

Het journalist-in-residence-programma van het ITG geeft journalisten uit Afrika, AziĂŤ en Latijns-Amerika de kans een onderwerp naar keuze, op gebied van tropische ziekten of andere actuele kwesties in internationale gezondheid uit te diepen. Het initiatief maakt deel uit van het capaciteitsversterkingsprogramma in ontwikkelingslanden van het ITG en wordt gefinancierd door de Belgische Directie-Generaal Ontwikkelingssamenwerking.


Als echte ’nieuwsjunkie’ is Dewi verslaafd aan nieuwssites en kranten, maar ook aan podcasts. Een podcast is een reeks audio-afleveringen die gebruikers kunnen downloaden om te beluisteren, meestal op hun mobiele telefoon. De opkomst van de podcast begon zo’n tien jaar geleden. De populariteit van deze audioverhalen à la carte gaat in stijgende lijn en elk jaar komen er meer luisteraars bij. Dewi geeft P³ een overzicht van haar vier favoriete podcasts. De nadruk ligt op wetenschap , maar er is één buitenbeentje. 1. LIFE SCIENTIFIC The Life Scientific wordt gepresenteerd door astrofysicus Jim Alkhalili op BBC Radio 4. De podcast gaat over wetenschappers en hun wetenschappelijke reis. Ik vind deze podcast geweldig omdat je een glimp opvangt van wat er in het hoofd van grote geleerden omgaat. Ze praten over hun ups en downs en hun dagdagelijkse ervaringen. Ik hou van de manier waarop deze wetenschappers doen alsof hun leven niet zo anders is als dat van ons, gewone stervelingen. Fantastische mensen, geweldige geesten. www.bbc.co.uk/programmes/b015sqc7/ episodes/downloads 2. INFINITY MONKEY CAGE Infinity Monkey Cage wordt gehost door de beroemde astrofysicus Prof Brian Cox en komiek Robin Ince op BBC Radio 4. Ze verdiepen zich in vermakelijke kwesties die de wetenschap kruisen. Het is hilarisch en luidruchtig. En meer dan eens testte het de

grenzen van mijn Engelse taalkennis. Prof Cox is een ‘serieuze’ wetenschapper terwijl Ince een echte komiek is. De onderwerpen die ze kiezen, zijn ook geestig. Zoals de aflevering Serendipity die het geheim vertelt van grote wetenschappelijke doorbraken die eigenlijk onbedoelde ongelukken zijn. www.bbc.co.uk/programmes/b00snr0w/ episodes/downloads 3. STARTALK In Startalk vertelt astrofysicus Neil deGrasse-Tyson over ruimte, wetenschap en populaire cultuur. Hij wordt bijgestaan door verschillende komieken en celebrity-co-hosts en nodigt vaak gasten uit. Neil deGrasse-Tyson is op dit moment waarschijnlijk de bekendste persoon op het vlak van wetenschapscommunicatie over de ruimte. Hij heeft 13 miljoen volgers op Twitter, dat is sterniveau. www.startalkradio.net 4. CALIPHATE Caliphate, een podcast van de New York Times, is geschreven en wordt gepresenteerd door Rukmini Callimachi, oorlogscorrespondent van de krant. Het is een niet-wetenschappelijke podcast, maar bewijst gewoon dat journalistiek van vitaal belang in onze huidige cultuur. Zij wil vooral bijdragen aan een beter begrip van één van de grootste verschrikkingen van onze tijd: de opkomst en ondergang van IS. www.nytimes.com/interactive/2018/podcasts/caliphate-isis-rukmini-callimachi. html # De lijst 35



ITG & IK PHILIP AGUIRRE Y OTEGUI Kunstenaar Philip Aguirre y Otegui maakte enkele beelden die tijdens de Ecce Homo-tentoonstelling (2017-2018) in de tuin van het ITG te bewonderen waren. Ik schrijf u vanuit Kinshasa waar ik op uitnodiging van Artsen Zonder Grenzen (AZG) ben om hun hiv-projecten te bezoeken en te leren kennen. Een paar dagen voor mijn vertrek naar Kinshasa kreeg ik de vraag van het ITG om dit tekstje te schrijven. Het moment kon niet beter gekozen zijn. Het ITG ken ik al heel lang, als Instituut is het een begrip door zijn medisch en wetenschappelijk werk en de prachtige gebouwen hebben me steeds gefascineerd. Voor mijn werk als kunstenaar kon ik ook dikwijls naar Afrika reizen, vooral Senegal en Kameroen en nu ook DR Congo. Zo ben ik als reiziger klant in het ITG voor vaccinaties, maar ook al meerdere keren voor behandeling van kleine kwalen opgelopen tijdens die reizen. De expertise van de behandelende dokters heeft me altijd enorm geholpen. Sinds de uitbraak van de hiv-epidemie heb ik als leek steeds de ontwikkelingen gevolgd en zeker ook de rol van het ITG in het opzoeken en bestrijden van de ziekte. Hier in Kinshasa zie ik nu de keiharde realiteit van de ziekte, de ravage die het aanbrengt

bij vele mensen. Met AZG bezoeken we hier de ziekenhuizen waar hiv-patiënten behandeld worden. Velen onder hen hebben tuberculose. De behandeling is gratis, het personeel is fantastisch gemotiveerd en tracht elke patiënt een erg persoonlijke begeleiding te geven. Ik mocht met vele patiënten spreken en luisteren naar hun getuigenissen. De medische problemen kunnen eigenlijk verholpen worden, maar nog erger en moeilijker zijn de vooroordelen in de samenleving die maken dat de patiënten gestigmatiseerd en uitgesloten worden. We hebben hier ook veel gesprekken gevoerd met plaatselijke ngo’s van mensen die met hiv leven en die trachten de vooroordelen te bestrijden. Het zijn ontzettend moedige initiatieven. Na deze ervaringen in Congo is mijn respect voor het werk dat het ITG levert rond bijvoorbeeld hiv, tuberculose en malaria alleen maar groter geworden. Van november 2017 tot februari 2018 mocht ik in de tuin van het ITG beelden plaatsen voor de tentoonstelling Ecce Homo. Zowel door de architecturale als door de inhoudelijke context van het ITG blijft dit voor mij als kunstenaar en als mens een unieke gebeurtenis. www.eccehomoantwerpen.com www.philipaguirre.be # ITG & ik 37


KALENDER 17 maa

Antwerp Urban Trail

23 apr

ITG-CEMIS Migration and Health seminar

28 apr

Antwerp 10 Miles

9-10 okt

Connecting the dots 60e ITG-Colloquium

22 nov

Dag van de Wetenschap

UW INBRENG TELT Voor vragen, opmerkingen en suggesties of om een papieren versie van P³ te ontvangen, neem contact op met communicatie@itg.be

@

Lees P³ online via www.itg.be/magazine

@

www.itg.be ITGITMAntwerp @ @ITMantwerp / @TropischITG @

@ www.itg.be/update