Issuu on Google+

Ides Chamon


Nederlands Luisteren en spreken Creatief schrijven Hardop lezen Begrijpend lezen Taalbeschouwing Spelling

Wiskunde Getalkennis Bewerkingen Meten Meetkunde Toegepast rekenen

WO Godsdienst Sova Leren leren IHP Taal IHP Wiskunde


Luisteren en spreken

Luisteren 1.Doelgroep: klas 8L1 2.2 keer bij ieder thema 3.Kameleon 4 4.Activiteiten, did.werkvormen:met cd-rom/audioboek/werkboekjes 5 en 6:de leerinhouden (ontwikkelingsdoelen) De leerlingen moeten gericht en met voldoende aandacht kunnen luisteren, de beluisterde boodschap begrijpen en eventueel kunnen navertellen.

Spreken 1.Doelgroep:klas 8L1 2. 2 keer bij ieder thema 3. Kameleon 4 4, 5 en 6. Het spreekt voor zich dat zowat alle OD’s in de lessen aan bod komen: vb. de lln moeten altijd verstaanbaar praten, moeten altijd luisterbereid zijn,… Hier staan enkel die OD’s die in de kijker staan. OD’s

Les 1.1 Vakantieherinneringen H oe heet jij?

1 De kinderen kunnen spreken over eigen ervaringen en over eigen gevoelens zoals blijheid, angst en nieuwsgierigheid. 2 De kinderen kunnen zich oriënteren op te beluisteren teksten. 3 De kinderen kunnen beluisterde boodschappen begrijpen en interpreteren in eenvoudige mededelingen, beschrijvingen over gebeurtenissen en plaatsaanduidingen. 4 De kinderen kunnen gericht en selectief luisteren. 5 De kinderen kunnen nadenken over zender en boodschap. 6 De kinderen kunnen bij het uitspreken van eigennamen de intonatie en klemtoon verzorgen. 7 De kinderen kunnen de namen van de klasgenoten herkennen in het ritmische getik van de opeenvolgende lettergrepen. 8 De kinderen kunnen voornamen die met elkaar verwant zijn, herkennen en aanduiden. Les 1.6 Gedichten het hele jaar door! 1 De kinderen kunnen in gedichten de bedoeling van de dichter ontdekken en verwoorden. 2 De kinderen kunnen beluisterde gedichten associëren met een dag of gebeurtenis in een jaar en die aanduiden op een jaarfries. 3 De kinderen kunnen genieten van de beluisterde gedichten. 4 De kinderen kunnen spreken over de belevenissen en ervaringen naar aanleiding van bepaalde data of gebeurtenissen. 5 De kinderen kunnen een gedicht alleen of in groep expressief naar voren brengen.

Les: 1.1

ET

VVKBaO

Doel 1

2.3

S 1.8 S 1.14

Doel 2

5

L 1.2

Doel 3

1.1

L 2.2.2

1.5

L 2.2.3

Doel 4

1.1

L 1.2

Doel 5

4.8

L 2.3.1

Doel 6

5

S 2.2 S 2.3 S 2.4

Doel 7

1.1

L 2.2.2

Doel 8

1.5

L 2.2.2

Les: 1.6

ET

VVKBaO

Doel 1

1.1

L 2.3.5

Doel 2

1.5

L 3.2.2

Doel 3

4.8

L - Ad 4.3

Doel 4

2.3

S 1.8

Doel 5

5

S 1.44

9,10,14

11


Evaluatie 1.1

Zichzelf voorstellen of het vervolg van een verhaal verzinnen 1 De kinderen kunnen op passende toon, goed articulerend en voldoende luid en verstaanbaar spreken tot hun leeftijdsgenoten. 2 De kinderen kunnen op een begrijpelijke wijze het vervolg van een verhaal verzinnen en daarbij rekening houden met vooraf bepaalde criteria. Of 3 De kinderen kunnen op een begrijpelijke wijze zichzelf voorstellen aan hun klasgenoten en daarbij rekening houden met vooraf bepaalde criteria. Evaluatie 1.2 Gemengde luisteropdrachten 1 De kinderen kunnen klank- en stemnuances onderscheiden en koppelen aan de passende gelaatsuitdrukking. 2 De kinderen kunnen tekenopdrachten correct interpreteren en uitvoeren.

Doel/opdracht

ET

1/1 en 2

5

VVKBaO S 2.2 S 2.3 S 2.4

2/1

5

S 1.6 S 1.9

3/2

2.1 2.6

S 1.7 S 1.12

1 Doel/opdracht 1/1

ET 5 1.5

VVKBaO L. 1.2.3 L. 1.3 L. 2.2.2

5

L. 2.2.3

2/2

Les 2.1 Lachen is gezond

1 De kinderen kunnen het gepaste taalregister hanteren volgens de situatie. 2 De kinderen kunnen grapjes expressief naar voren brengen, ofwel in de eigen streektaal, ofwel in het Algemeen Nederlands. 3 De kinderen kunnen hun ervaringen met streektaal in eigen familiekring verwoorden. 4 De kinderen geven blijk van voldoende spreekdurf om een grapje te vertellen aan hun leeftijdsgenoten. 5 De kinderen kunnen de talige boodschappen begrijpen door streektaal en AN van elkaar te onderscheiden. 6 De kinderen kunnen varianten van het gesproken Nederlands herkennen en plaatsen. 7 De kinderen kunnen de plot van een grapje verwoorden. 8 De kinderen kunnen reflecteren over taal en taalgebruik. 9 Vanuit hun eigen referentiekader kunnen de kinderen kennis verwerven over diversiteit in het culturele erfgoed. Les 2.6 Dialectwoorden beluisteren P oĂŤzie 1 De kinderen kunnen een auditief aangeboden streektaalwoord herkennen en verklaren vanuit de gegeven context. 2 De kinderen kunnen reflecteren over taal en taalgebruik door streektaal en AN te onderscheiden en te vergelijken. 3 De kinderen kunnen vanuit hun eigen beleving een gedicht uit een gegeven aanbod expressief voordragen. 4 Vanuit hun eigen referentiekader kunnen de kinderen kennis verwerven over diversiteit in het culturele erfgoed. Les 3.1 H et kameleongedicht Spreektechnische oefeningen 1 De kinderen kunnen in functie van de spreektaak hun voorkennis activeren. 2 De kinderen kunnen zich in duidelijk herkenbare rollen en situaties inleven en vanuit de eigen verbeelding en beleving daarop inspelen. 3 De kinderen kunnen zich op basis van de titel van een gedicht, een beeld vormen van de te verwachten inhoud van een tekst en kunnen hun ideeĂŤn daarover meedelen. 4 De kinderen herkennen de informatieve boodschap van een gedicht en kunnen de inhoud in grote lijnen weergeven. 5 De kinderen kunnen tong- en mondstanden nabootsen tijdens de spreektechnische oefeningen. Les 3.6 H et kameleongedicht Luisteropdrachten 1 De kinderen kunnen genietend luisteren naar een gedicht. 2 De kinderen kunnen op basis van een aantal oriĂŤntatievragen of opdrachten vooraf het gedicht gericht of selectief beluisteren om daarop een antwoord te geven. 3 De leerlingen kunnen aangeven welke bedoelingen de dichter (zender) heeft met het gedicht. 4 De leerlingen kunnen het gedicht expressief, alleen of in groep, voordragen.

35,36

Les: 2.1

ET

VVKBaO

Doel 1

2.3

S 1.8

Doel 2

2.3

S 1.2

Doel 3

2.3 2.6

S 1.8

Doel 4

5

S Ad 15

Doel 5

1.1 1.4

L 2.2.2

Doel 6

1.1 1.4

L 2.2.1.1

Doel 7

2.3 2.6

S 1.6

Doel 8

4.8 6.1 6.5

S4

Les: 2.6

ET

VVKBaO

Doel 1

1.1

L 2.2.2

31

13

1.4 Doel 2

4.8

S4

6.1 6.5 Doel 3

5

S 1.44

Les: 3.1

ET

VVKBaO

Doel 1

25

Doel 2

4.8

Doel 3

2

S-Ad 21 S 1.9 S 1.13 S 1.10 S 1.11

Doel 4

2

S 1.8

Doel 5

2.6

S2

Les: 3.6

ET

VVKBaO

Doel 1

4.8

L - Ad 4.3

Doel 2

1.1 4.8

L - Ad 19

Doel 3

4.8

L 2.2.2

Doel 4

5

S 1.44

44,45

15


CP 1.1 K ringgesprek

1 De kinderen kunnen onder leiding van de leerkracht actief deelnemen aan een kringgesprek en daarbij de vastgelegde luister- en gespreksregels respecteren. 2 De kinderen kunnen observeren en verwoorden of medeleerlingen in een kringgesprek vooraf vastgelegde afspraken respecteren. 3 De kinderen kunnen onder leiding van de leerkracht een kringgesprek voorbereiden door: • samen rond een bepaald onderwerp een woordveld aan te leggen; • argumenten aan te brengen en te inventariseren.

CP 1.5 K ringgesprek

1 De kinderen kunnen onder leiding van de leerkracht actief deelnemen aan een kringgesprek en daarbij de vastgelegde luister- en gespreksregels respecteren. 2 De kinderen kunnen observeren en verwoorden of medeleerlingen in een kringgesprek vooraf vastgelegde afspraken respecteren. 3 De kinderen kunnen onder leiding van de leerkracht een kringgesprek voorbereiden door: • samen rond een bepaald onderwerp een woordveld aan te leggen; • argumenten aan te brengen en te inventariseren. 4 De kinderen kunnen het evaluatieschema vlot gebruiken. 5 De kinderen kunnen op een effectieve manier een korte evaluatie formuleren. Les 4.1 E en vakman op bezoek E en interview voorbereiden en afnemen 1 De kinderen kunnen interviews (vraaggesprekken) met mensen uit de ruimere leefomgeving voorbereiden. 2 De kinderen kunnen daarbij onder meer: - passende vragen stellen, - doorvragen bij onduidelijkheden, - een vraaggesprek openen, afsluiten en samenvatten. 3 De kinderen kunnen zich oriënteren op hun spreektaak door vooraf na te denken welke vragen ze zullen stellen aan de geïnterviewde en in welke volgorde. 4 De leerlingen kunnen een ja-neevraag (een vraag die begint met een werkwoord) of een vraag die begint met een vraagwoord van elkaar onderscheiden. 5 De kinderen kunnen inschatten welk antwoord ze op dat soort vragen zullen krijgen. 6 De kinderen kunnen vragen stellen die beginnen met een vraagwoord of met een werkwoord. 7 De kinderen kunnen gericht vragen naar een opgegeven aspect. 8 De kinderen kunnen algemene spreek- en luistervaardigheden toepassen in de context van een interview. Les 4.6 L uisteren is mijn job (luisteropdrachten) P oëzie in de beroepenwereld (voordragen) 1 De kinderen kunnen inhoudelijke verschillen aanduiden tussen een auditief en een visueel aangeboden advertentie. 2 De kinderen kunnen zelf vragen stellen over een personeelsadvertentie en die door medeleerlingen laten beantwoorden. 3 De kinderen kunnen spreekwoorden over beroepen beluisteren en associëren met een visuele voorstelling. 4 De kinderen kunnen woorden met betrekking tot beroepen en vakjargon correct uitspreken. 5 De kinderen kunnen de plot van een gedichtje achterhalen en verwoorden. 6 De kinderen kunnen bij het voordragen van een gedicht een correcte spreektechniek (articulatie en ademhaling) toepassen. 7 De kinderen kunnen een gedicht expressief naar voren brengen.

Evaluatie 4.1

Beroepen raden 1 De kinderen kunnen door gericht te luisteren achterhalen welk beroep wordt bedoeld in een auditieve boodschap, wanneer de mogelijkheden zijn gegeven.

CP 1.1

ET

Doel 1

2.1

Doel 2

2.3

VVKBaO S 1.29 1.43 S 1.30 1.35

Doel 3

2.5

S 1.33

CP 1.5

ET

Doel 1

2.1

Doel 2

2.3

Doel 3

Doel 5

2.5 4.8 6.1 6.5 5** 4.8 6.1 6.5 5 **

Les: 4.1

ET

VVKBaO

Doel 1

2.2 2.7

Doel 2

2.2 2.7

S 1.34 S 1.34 S 1.21

Doel 3

2.2 2.7

S 1.34

Doel 4

2.2 2.7

S 1.34

Doel 5

4.8

S 1.34

Doel 6

2.2 2.7

S 1.34

Doel 7

2.2 2.7

S 1.34

Doel 8

4.8

S 1.34

Les: 4.6

ET

VVKBaO

Doel 1

2.3

S 1.13

Doel 2

2.2 2.7

S 1.24

Doel 3

2.1

Doel 4

5

L 2.2.3 S 2.1 S 2.2 S 2.3

Doel 5

1.2

L 2.3.7

Doel 6

5

S 2.1 S 2.3

Doel 7

5

S 1.46

Doel 4

Doel/opdrac ht 1/reeks 1 en 2

VVKBaO S 1.29 1.43 S 1.30 1.35

32

41,42, 43

S 1.33 S4 S4

ET

VVKBaO

ET 5

Le 2.2.2 Le 2.2.3 Le 2.3.3

10,28, 32

30


Evaluatie 4.2 Een tweeminutenspreekbeurt

‘Wat wil ik later worden?’ of ‘Ik vertel over het beroep van mijn mama of papa’ 1 De kinderen kunnen voldoende gearticuleerd en verstaanbaar spreken. 2 De kinderen spreken in een gepast tempo. 3 De kinderen kunnen de klasgenoten aankijken wanneer zij spreken. 4 De kinderen kunnen spreken over welk beroep zij later willen uitvoeren. of 5 De kinderen kunnen spreken over het beroep van hun vader of moeder en kunnen daarvan een beschrijving geven. 6 De kinderen kunnen op een begrijpelijke wijze een antwoord geven op vragen van medeleerlingen. Les 5.1 L iedje van de luie week (poëzie) V rije tijd, leuke tijd (spreekbeurt voorbereiden) 1 De kinderen kunnen bij een gegeven spreekonderwerp ideeën verzamelen op basis van associaties. 2 De kinderen kunnen in functie van de spreektaak hun voorkennis activeren, om informatie vragen of informatiebronnen raadplegen. 3 De kinderen kunnen hun spreektaak voorbereiden aan de hand van oriëntatievragen door, onder leiding van de leerkracht, de vragen te behandelen. 4 De kinderen kunnen de oriëntatievragen individueel beantwoorden. 5 De kinderen kunnen aanschouwelijk materiaal als ondersteuning bij hun spreekopdracht selecteren. Les 5.6 S preekbeurt ‘Mijn hobby’ 1 De kinderen kunnen informatie presenteren in een functioneel spreekbeurtje. 2 De kinderen kunnen gericht vragen van hun medeleerlingen beantwoorden. 3 De kinderen kunnen spreken over eigen belevenissen en ervaringen. 4 De kinderen kunnen vragen stellen aan leeftijdsgenoten om over een behandeld onderwerp de gewenste of ontbrekende informatie te krijgen. 5 De kinderen kunnen achteraf reflecteren over bepaalde aspecten van hun spreektaak door - te antwoorden op enkele controlevragen over verschillende aspecten van de spreektaak; - zich de stappen te herinneren die ze gezet hebben bij de voorbereiding van hun spreektaak; - bij een volgende spreekact enkele aandachtspunten mee te nemen. 6 De kinderen kunnen onder leiding van de leerkracht reflecteren over de spreektaak van een klasgenoot. 7 De kinderen kunnen een gedicht expressief naar voren brengen met speciale aandacht voor accentuering en intonatie. Les 6.1 W erken met strips: tweegesprekken 1 De kinderen kunnen elementen van de beeldgrammatica in voor hen bestemde stripverhalen begrijpen, verklanken en/of verwoorden. 2 De kinderen kunnen de gevoelens van getekende figuren benoemen. 3 De kinderen kunnen verwoorden welke gevoelens stripfiguren en afbeeldingen bij hen oproepen. Spreektaak 1 4 De kinderen kunnen zich inleven in duidelijk herkenbare rollen en situaties en kunnen vanuit de eigen verbeelding en beleving daarop inspelen. Spreektaak 2 5 De kinderen kunnen in duo doorassociëren op woorden uit een strip, er dan een verhaaltje bij verzinnen en dat hardop vertellen aan de klasgenoten. 6 De kinderen kunnen als luisteraar beide spreektaken op hun niveau en volgens gegeven criteria evalueren. Les 6.6 E en krant vol woorden 1 De kinderen kunnen genieten van een gedicht. 2 De kinderen kunnen een tekst gericht of selectief beluisteren, als de luisteropdrachten (weggelaten woord in gedicht achterhalen; verschillen tussen krantenbericht en radiobericht opmerken) vooraf werden gegeven. 3 De kinderen kunnen diverse tekstsoorten (nieuwsberichten, reclameboodschappen en gedichten) van elkaar onderscheiden. 4 De kinderen kunnen beluisterde reclameslogans koppelen aan de passende reclamebeelden. 5 De kinderen kunnen de bedoeling en de ontvanger van een reclameboodschap achterhalen en verwoorden. 6 De kinderen kunnen talige boodschappen decoderen, begrijpen en interpreteren op woordniveau (woordstructuur) en op betekenisniveau (tegenstellingen, homoniemen, synoniemen).

Doel/opdrac ht

ET

VVKBaO

1

5

S 2.1 S 2.2 S 2.3 S 2.4

2

5

S 2.4

3

5

S 1.43

4, 5

5

S 1.8 S 1.10 S 1.12

6

5

S 1.19

Les: 5.1

ET

VVKBaO

Doel 1

2.5

S 1.21

Doel 2

2.5

S-Ad 21

Doel 3

2.5

S 1.18

Doel 4

2.5

S 1.17

Doel 5

2.3 2.6

S-Ad 9

Les: 5.6

ET

VVKBaO

Doel 1

2.3 2.6

S 1.32

Doel 2

2.5

S 1.19

Doel 3

2.3 2.6

S 1.8

Doel 4

2.2 2.7

S 1.24

Doel 5

4.8 6.5

S4

Doel 6

4.8 6.5

S 1.26

Doel 7

5

S 2.4

Les: 6.1

ET

VVKBaO

Doel 1

2 6.5

S 1.13

Doel 2

2.9 2.10

S 1.14

Doel 3

2.9 2.10

S 1.14

Les: 6.6

ET

VVKBaO

Doel 1

4.8

L Ad 14

Doel 2

5

L Ad 19

Doel 3

4.8

L 2.3.8

Doel 4

L 2.3.3

Doel 5

4.8 6.3 6.5 1.10 4.8 6.5

Doel 6

4.8

L 2.2

Doel 7

2.9 2.10

S 1.31

Doel 8

5

S 1.9

Doel 9

5

S2

L 2.3.5

31,33, 39 40-51

31,33, 39 40-51

31,33, 39 40-51

2,11


7 De kinderen kunnen deelnemen aan een klassengesprek en hun mening over de problematiek van te zware schooltassen formuleren. 8 De kinderen kunnen met enkele gegeven woorden een kort verhaaltje fantaseren. 9 De kinderen kunnen auditief aangeboden woorden correct nazeggen.

CP 2.1 K ringgesprek

1 De kinderen kunnen onder leiding van de leerkracht actief deelnemen aan een kringgesprek en daarbij de vastgelegde luister- en gespreksregels respecteren. 2 De kinderen kunnen observeren en verwoorden of medeleerlingen in een kringgesprek vooraf vastgelegde afspraken respecteren. 3 De kinderen kunnen onder leiding van de leerkracht een kringgesprek voorbereiden door: • samen rond een bepaald onderwerp een woordveld aan te leggen; • argumenten aan te brengen en te inventariseren. 4 De kinderen kunnen doorvragen, als ze iets willen weten of als ze iets niet goed hebben begrepen. 5 De kinderen kunnen een korte evaluatie formuleren. CP 2.5 K ringgesprek 1 De kinderen kunnen onder leiding van de leerkracht actief deelnemen aan een kringgesprek en daarbij de vastgelegde luister- en gespreksregels respecteren. 2 De kinderen kunnen observeren en verwoorden of medeleerlingen in een kringgesprek vooraf vastgelegde afspraken respecteren. 3 De kinderen kunnen onder leiding van de leerkracht een kringgesprek voorbereiden door: • samen rond een bepaald onderwerp een woordveld aan te leggen; • argumenten aan te brengen en te inventariseren. 4 De kinderen kunnen het evaluatieschema vlot gebruiken. 5 De kinderen kunnen gericht observeren en noteren om zinvol te evalueren. 6 De kinderen kunnen op een effectieve manier een korte evaluatie formuleren.

CP 2.1

ET

Doel 1

2.1

Doel 2

2.3

VVKBaO S 1.29 1.43 S 1.30 1.35

Doel 3

2.5

S 1.33

Doel 4

2.2 2.7

S 1.21

Doel 5

4.8

S 1.1

CP 2.5

ET

Doel 1

2.1

Doel 2

2.3

VVKBaO S 1.29 1.43 S 1.30 1.35

Doel 3

2.5

S 1.33

Doel 4

4.8

S4

6.1 6.5 5** Doel 5

4.8

S 1.1

Doel 6

4.8

S4

6.1 6.5 5 **

Les 7.1 Conflicten oplossen, een moeilijke maar belangrijke klus

1 De kinderen kunnen een situatie (conflictsituatie) zo objectief mogelijk beschrijven. 2 De kinderen kunnen daarbij feiten en meningen onderscheiden en benoemen. 3 De kinderen kunnen een standpunt innemen en dat verdedigen. 4 De kinderen kunnen technieken en vaardigheden die passen bij de onderdelen van het stappenplan ‘conflicten oplossen’ benoemen en uitvoeren. 5 De kinderen kunnen een probleemoplossend gesprek voeren aan de hand van een stappenplan. Les 7.6 Taalregisters 1 De kinderen kunnen verschillende taalregisters onderscheiden. 2 De kinderen kunnen gepaste taalregisters aan situaties koppelen. 3 De kinderen kunnen een gepast taalregister gebruiken in concrete situaties.

Evaluatie 7.1

Luisteropdracht: verschillen zoeken in een reclameboodschap en in een krantenartikel 1 De kinderen kunnen de auditieve boodschap aandachtig beluisteren en correct begrijpen en interpreteren. 2 De kinderen kunnen een beluisterde boodschap herkennen en benoemen als een bepaalde tekstsoort.

Les: 7.1

ET

VVKBaO

Doel 1

2.3

S 1.7

Doel 2

4.8 6.5

S 1.7

Doel 3

2.9 2.10

S 1.31

Doel 4

2.3

S 1.26

Doel 5

5 **

S 1.26

Les: 7.6

ET

VVKBaO

Doel 1

4.8 5

L 3.2.3

Doel 2

4.8 5

L 3.2.3

Doel 3 4.8 5 Doel/opdrac ht ET

L 3.2.3 VVKBaO

1/1

5

Le 2.2.2 Le2.2.3

2/2

5 6.1

Le 2.3.5 Le2.3.8

1/3

5

Le 2.2.2 Le 2.2.3

2/4

5 6.1

Le 2.3.5 Le 2.3.8

31,33, 38,39 40-51


Evaluatie 7.2

Een gedicht voordragen 1 De kinderen kunnen zich vanuit de eigen verbeelding en beleving inleven in een gedicht en het expressief voordragen. 2 De kinderen kunnen spreektechnische vaardigheden ontwikkelen en beheersen.

Les 8.1 Luisteropdrachten voor uitvinders

1 De kinderen kunnen n a v een gedicht vertellen vanuit hun fantasie. 2 De kinderen kunnen een instructie correct interpreteren en de opdracht in duo correct uitvoeren. 3 De kinderen kunnen niet-talige geluiden onderscheiden en ordenen. 4 De kinderen kunnen een auditieve boodschap (telefoongesprek) koppelen aan de juiste zender en ontvanger. 5 De kinderen kunnen op basis van een auditieve boodschap ontbrekende informatie aanvullen op een fiche. 6 De kinderen kunnen een gedicht expressief voordragen. Les 8.6 Telefoneren 1 De kinderen kunnen een telefoongesprek formeel openen en afsluiten. 2 De kinderen kunnen informatie uitwisselen in een telefoon- of gsm-gesprek. 3 De kinderen kunnen reflecteren over een telefoongesprek (zender, boodschap, ontvanger, situatie). 4 De kinderen kunnen zich aan de telefoon verontschuldigen voor een verkeerde verbinding. 5 De kinderen kunnen een boodschap inspreken op een antwoordapparaat of voicemail. 6 De kinderen kunnen hun gevoelens verwoorden, als ze een boodschap moeten inspreken op een antwoordapparaat of voicemail. 7 De kinderen kunnen genieten van een gedicht. Les 9.1 Het weerbericht 1 De kinderen kunnen een luisterstrategie gebruiken om informatie uit een gesproken tekst te halen. 2 De kinderen kunnen de informatie uit een tekst selecteren. 3 De kinderen kunnen zelf een gesproken tekst samenstellen aan de hand van vooraf aangeboden, selectieve informatie. Les 9.6 Spelen met kleuren 1 De kinderen gebruiken een luisterstrategie om informatie uit een gesproken tekst te halen. 2 De kinderen kunnen de informatie uit een tekst selecteren. 3 De kinderen kunnen hun voorkeuren en gevoelens verwoorden. 4 De kinderen kunnen informatie die ze verzameld hebben, combineren met eigen ideeĂŤn en voorkeuren. 5 De kinderen kunnen op een creatieve manier een idee of gevoel rond kleuren naar voren brengen. CP 3.1 K ringgesprek 1 De kinderen kunnen onder leiding van de leerkracht actief deelnemen aan een kringgesprek en daarbij de vastgelegde luister- en gespreksregels respecteren. 2 De kinderen kunnen observeren en verwoorden of medeleerlingen in een kringgesprek vooraf vastgelegde afspraken respecteren. 3 De kinderen kunnen onder leiding van de leerkracht een kringgesprek voorbereiden door: - samen rond een bepaald onderwerp een woordveld aan te leggen; - argumenten aan te brengen en te inventariseren. 4 De kinderen kunnen met eigen woorden kort de gedachte of mening van de vorige spreker verwoorden. 5 De kinderen kunnen aansluiten bij de vorige spreker. 6 De kinderen kunnen het evaluatieschema vlot gebruiken. 7 De kinderen kunnen gericht observeren en noteren om zinvol te evalueren. 8 De kinderen kunnen op een effectieve manier een korte evaluatie formuleren.

Doel/opdrac ht

ET

VVKBaO

1/1

5

S1.44

2/1

5

S2

Les: 8.1

ET

VVKBaO

Doel 1

2.3 2.6

S 1.9

Doel 2

1.1

L 2.2.3

Doel 3

2.3 2.6

L 1.1.1

Doel 4

4.8 6.3 6.5

L 2.3.1 L 2.3.4

Doel 5

1.7

L 3.2.2

Doel 6

3.4 3.7

S 1.46

Les: 8.6

ET

VVKBaO

Doel 1

2.4

S 1.39

Doel 2

2.4

S 1.42

Doel 3

2.4

S4

Doel 4

2.4

S 1.42

Doel 5

2.4

S 1.42

Doel 6

2.4

S 1.15

Doel 7

4.8

L Ad 14

Les: 9.1

ET

VVKBaO

Doel 1

4.8 6.5

L 3.2.3

Doel 2

1.5 1.7

L 2.2.3

Doel 3

1.5 1.7

L 3.2.2

Les: 9.6

ET

VVKBaO

Doel 1

4.8 6.5

L 3.2.3

Doel 2

1.5 1.7

L 2.2.3

Doel 3

2.3

S 1.10 S 1.15

Doel 4

2.3 2.6

S 1.11

Doel 5

2.3

S 1.11

CP 3.1

ET

VVKBaO

Doel 1

2.1

S 1.29 - 1.43

Doel 2

2.3

S 1.30 - 1.35

Doel 3

2.5

S 1.33

Doel 4

4.8 6.5

S 1.43

Doel 5

4.8

S 1.43

Doel 6

6.5

S4

Doel 7

6.5

S4

Doel 8

6.5

S4

31,36

31

2

2


CP 3.5 K ringgesprek

1 De kinderen kunnen onder leiding van de leerkracht actief deelnemen aan een kringgesprek en daarbij de vastgelegde luister- en gespreksregels respecteren. 2 De kinderen kunnen observeren en verwoorden of medeleerlingen in een kringgesprek vooraf vastgelegde afspraken respecteren. 3 De kinderen kunnen onder leiding van de leerkracht een kringgesprek voorbereiden door: - samen rond een bepaald onderwerp een woordveld aan te leggen; - argumenten aan te brengen en te inventariseren. 4 De kinderen kunnen met eigen woorden kort de gedachte of mening van de vorige spreker verwoorden. 5 De kinderen kunnen aansluiten bij de vorige spreker. 6 De kinderen kunnen kort een besluit of een gedachte tijdens het kringgesprek noteren. 7 De kinderen kunnen het evaluatieschema vlot gebruiken. 8 De kinderen kunnen op een effectieve manier een korte evaluatie formuleren. Les 10.1 Een markttafereel dramatiseren 1 De kinderen kunnen zich inleven in duidelijk herkenbare rollen en situaties en kunnen vanuit de eigen verbeelding en beleving daarop inspelen. 2 De kinderen kunnen door leeftijdsgenoten gedramatiseerde situaties plaatsen in de juiste context. 3 De kinderen kunnen de woorden uit het gedichtje Achttien smaken correct uitspreken, met bijzondere aandacht voor de juiste accentuering (klemtoon). Les 10.6 Luisteropdrachten bij een recept en een artikel E en gedicht herwerken en voordragen 1 De kinderen kunnen spreekwoorden, uitdrukkingen en zegswijzen met eigen woorden verklaren en koppelen aan relevante situaties. 2 De kinderen kunnen gericht en selectief luisteren en daarbij door eliminatie een luisteropdracht correct uitvoeren. 3 De kinderen kunnen in een beluisterd radiobericht de hoofd- en bijzaken van elkaar onderscheiden en die noteren. 4 De kinderen kunnen genieten van het gedicht De koopman en kunnen de nonsenswoorden correct en goed gearticuleerd uitspreken. 5 De kinderen kunnen in hun fantasie beschrijven hoe ‘nonsensproducten’ er zouden kunnen uitzien en smaken. 6 De kinderen kunnen het gedicht voordragen

Evaluatie 10.1

Telefoneren 1 De kinderen kunnen een telefoongesprek inleiden en/of afronden door zich onder meer passend voor te stellen. 2 De kinderen kunnen de correspondent op een passende wijze aanspreken. 3 De kinderen kunnen in een telefoongesprek met bekenden uit de directe en ruimere omgeving passend informatie uitwisselen. 4 De kinderen kunnen in een telefoongesprek enkele gespreksregels respecteren.

CP 3.5

ET

VVKBaO

Doel 1

2.1

S 1.29 - 1.43

Doel 2

2.3

S 1.30 - 1.35

Doel 3

2.5

S 1.33

Doel 4

4.8 6.5

S 1.43

Doel 5

4.8

S 1.43

Doel 6

2.3

S 1.36

Doel 7

6.5

S4

Doel 8

6.5

S4

Les: 10.1

ET

VVKBaO

Doel 1

1.5 1.7

L 2.2.2

Doel 2

1.5 1.7

L 2.2.3

Doel 3

5

S 2.4

Les: 10.6

ET

VVKBaO

Doel 1

4.8 6.3 6.5

L 2.2.1.4

Doel 2

1.5 1.7

L 3.2.2

Doel 3

1.3

L 2.2.2.2

Doel 4

5

S 2.3

Doel 5

2.3

S 1.9

Doel 6

5

S 1.44

Doel/opdrac ht

ET

VVKBaO

1/1, 2, 3

2.4

S. 1.39

5

S. 1.40

11,32, 39

6,33

S. 1.41 S. 1.42 1/4

*4.8

S. 1.43

5

Evaluatie 10.2

De grootste! D e beste! Luisteropdrachten 1 De kinderen kunnen beluisterde boodschappen begrijpen, interpreteren en verwerken. 2 De kinderen kunnen informatie uit beluisterde non-fictieve boodschappen aanvullen in een invultekst. Les 11.1 Luisteropdrachten bij een lied Spreken bij prenten 1 De kinderen kunnen aangeven welk gevoel een lied hun geeft en kunnen dat verwoorden en verklaren. 2 De kinderen kunnen elementen uit het lied selecteren en aanduiden. 3 De kinderen kunnen een titel verzinnen voor een beluisterd lied en kunnen die verklaren. 4 De kinderen kunnen de thematitel associëren met een gegeven prent en kunnen hun keuze verantwoorden. Les 11.6 Dialogen verzinnen Poëzie voordragen 1 De kinderen kunnen in duo een dialoog verzinnen op basis van een prent van een situatie. 2 De kinderen kunnen zich inleven in een zelfverzonnen rollenspel. 3 De kinderen kunnen een gedicht waarderen en passend voordragen.

Doel/opdrac ht

ET

VVKBaO

1/1

5

L2.2.2

2/2

L2.2.3

Les: 11.1

ET

VVKBaO

Doel 1

2.9 2.10

S 1.14

Doel 2

1.2

L 2.2.2

Doel 3

2.9 2.10

S 1.13

Doel 4

2.9 2.10

S 1.13

Les: 11.6

ET

VVKBaO

Doel 1

3.7 5

S 1.46

Doel 2

3.1 3.3

S 1.44

Doel 3

3.7 5

S 1.46

2,6

31,39, 41,49


Les 12.1 Het productenspel

1 De kinderen kunnen consumentenartikelen voor leeftijdsgenoten beschrijven. 2 De kinderen kunnen passende ja-neenvragen stellen om de naam van een consumentenartikel te achterhalen. 3 De kinderen kunnen zich inleven in een opgelegde rol. 4 De kinderen kunnen op basis van een beschrijving, een uitgebeelde rol of gestelde vragen de naam van een consumentenartikel achterhalen. 5 De kinderen kunnen in groep een kwartetspel spelen. 6 De kinderen kunnen achteraf het spel zowel qua product als qua proces evalueren. Les 12.6 Spelen met gedichten Spelen met reclameslogans 1 De kinderen kunnen genietend luisteren naar een gedicht. 2 De kinderen kunnen een gedicht passend voordragen. 3 De kinderen kunnen opdrachten bij een gedicht uitvoeren. 4 De kinderen kunnen reclameslogans koppelen aan het passende product. 5 De kinderen kunnen een passende slogan verzinnen bij een gegeven product. 6 De kinderen kunnen experimenteren met tempo, intonatie en klankkleur bij het voordragen van reclameslogans en kunnen daarover reflecteren.

CP 4.1 K ringgesprek met

brainstorming en stellingenspel 1 De kinderen kunnen onder leiding van de leerkracht actief deelnemen aan een kringgesprek en daarbij de vastgelegde luister- en gespreksregels respecteren. 2 De kinderen kunnen onder leiding van de leerkracht brainstormen. 3 De kinderen kunnen een standpunt innemen. 4 De kinderen kunnen hun standpunt uitleggen en motiveren. 5 De kinderen kunnen op een effectieve manier een korte evaluatie formuleren.

CP 4.5 K ringgesprek met brainstorming en stellingenspel

1 De kinderen kunnen onder leiding van de leerkracht actief deelnemen aan een kringgesprek en daarbij de vastgelegde luister- en gespreksregels respecteren. 2 De kinderen kunnen een brainstorming houden. 3 De kinderen kunnen een standpunt innemen. 4 De kinderen kunnen hun standpunt uitleggen en motiveren. 5 De kinderen kunnen op een effectieve manier een korte evaluatie formuleren.

Les: 12.1

ET

VVKBaO

Doel 1

2.3

S 1.16

Doel 2

2.2 2.7

S 1.17

Doel 3

2.3 4.8

S 1.44

Doel 4

2.3

S 1.11

Doel 5

4.8

S 1.30

Doel 6

4.8 6.5

S4

Les: 12.6

ET

VVKBaO

Doel 1

4.8

L Ad 14

Doel 2

3.4 3.7

S 1.46

Doel 3

1.1

L 2.2.2.1

Doel 4

1.5 1.7

L 2.2.3

Doel 5

2.6

S 1.13 S 3.1

Doel 6

4.8 6.2 6.5 ET

Doel 1

2.1

VVKBaO S 1.29 1.43

Doel 2

2.3

S 1.29

Doel 3

2.9 2.10

S 1.17

Doel 4

2.9 2.10

S 1.17

Doel 5

6.5

S4

CP 4.5

ET

Doel 1

2.1

VVKBaO S 1.29 1.43

Doel 2

2.3

S 1.29

Doel 3

2.9 2.10

S 1.17

Doel 4

2.9 2.10

S 1.17

Doel 5

6.5

S4

Deze OD’s komen in zowat alle lessen voor.

Luisteren Taalgebruik Informatie achterhalen op het verwerkingsniveau beschrijven 1 De leerling begrijpt de functie van taal ondersteund door lichaamstaal, beeld of geluid. De leerling begrijpt voor hem bestemde boodschappen.

Informatie ordenen op het verwerkingsniveau structureren 3 De leerling begrijpt eenvoudige instructies, eventueel ondersteund door lichaamstaal. 4

De leerling begrijpt een verhaal.

5

De leerling onderscheidt oorzaak en gevolg in het verhaal.

6

De leerling begrijpt hoofd- en bijzaken in een verhaal.

7

De leerling begrijpt kritiek in gesprekken.

8

De leerling begrijpt argumenten in een discussie.

49,51

CP 4.1

7.Evaluatie: Kameleon voorziet in evaluaties na ieder thema.

2

39

Taalbeschouwing 10

De leerling hanteert luisterstrategieĂŤn.

11

De leerling bemerkt verschillende betekenissen van wdn naargelang de context.


12

De leerling onderscheidt soorten zinnen.

Luisterattitudes 14

De leerling toont een adequate luisterbereidheid.

15

De leerling reageert gepast op wat hij hoort.

Taalvorm 17

De leerling begrijpt de voornaamste morfologische aspecten van taal.

18

De leerling begrijpt de voornaamste syntactische aspecten van taal.

Taalinhoud 19

De leerling begrijpt woorden in situaties binnen zijn leefwereld.

24

De leerling begrijpt tegenstellingen en synoniemen.

25

De leerling begrijpt enkelvoudige zinnen.

29

De leerling begrijpt samengestelde zinnen.

30

De leerling begrijpt woorden die relaties tussen woorden en zinnen betekenis geven.

2 Spreken Taalgebruik Doorgeven van informatie op het verwerkingsniveau beschrijven 31 De leerling gebruikt functioneel taal in alledaagse situaties. Doorgeven van informatie op het verwerkingsniveau structureren 32 De leerling gebruikt taal om tot interactie te komen. 33 De leerling gebruikt taal die aansluit bij de leersituatie. 34 De leerling vertelt een verhaal na. 35 De leerling vertelt relevant over zichzelf. 36 De leerling vertelt een verhaal. 37 De leerling geeft instructie, zodat iemand die vertrouwd is met de situatie, ze kan uitvoeren. 38 De leerling verwoordt zijn mening.

Taalbeschouwing spreken 39 40

De leerling past zijn taal aan in functie van de context. De leerling maakt gebruik van hulpmiddelen om zich te verduidelijken.

Spreekattitudes 41 42 43

De leerling heeft spreekdurf. De leerling is bereid te reflecteren op eigen spreekgedrag. De leerling toont respect voor de gesprekpartners.

Taalvorm 44 45 46 47 48

De De De De De

leerling leerling leerling leerling leerling

spreekt met correct mondgedrag. spreekt goed verstaanbaar. gaat correct om met morfologische aspecten. voegt woorden samen tot woordgroepen die een zinsdeel vormen. voegt zinsdelen samen tot zinnen.

Taalinhoud 49 50 51

De leerling beschikt over voldoende actieve woordenschat waarvan hij actief gebruik maakt. De leerling gebruikt voldoende woordsoorten. De leerling gebruikt semantische relaties.


Doelstellingen uit de OD ‘SOCIAAL-EMOTIONELE ONTWIKKELING’ Nummers:2/16/17/18/19/34/35/37/38/39/40/46/51/52/53/54/55/56/58/59

Doelstellingen uit OD ‘LEREN LEREN’ Nummers:14/15/44/62

Creatief schrijven 1.Klas 8L1 2.iedere thema 2 keer 3.Kameleon 4 4.Opdracht inkleden en inleiden, bespreken. 5 en 6 Hoofddoel is dat de leerlingen een eigen mening, idee, verhaal, … verstaanbaar, volgens bepaalde regels en rekening houdende met spelling en zinsbouw op papier kunnen zodanig dat anderen de geschreven boodschap kunnen begrijpen. De doelstellingen die beoogd worden in de spellingslessen, de werkwoordsvervoegingslessen en de rondomlessen vinden hier natuurlijk ook hun ingang maar zijn eerder onderschikt aan de doelstellingen met een creatief karakter. Desalniettemin moeten de kinderen hun opgedane kennis in het ‘vrij-schrijven’ kunnen toepassen. Deze OD’s komen in zowat alle stelopdrachten voor. 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 83 86 87 88 90 91 92 93 94

De De De De De De De De De De De De De De De De De De De De

leerling leerling leerling leerling leerling leerling leerling leerling leerling leerling leerling leerling leerling leerling leerling leerling leerling leerling leerling leerling

maakt onderscheid tussen verschillende soorten zinnen. maakt onderscheid tussen verschillende tekstsoorten. legt relaties tussen zinnen in een tekst. haalt de hoofdgedachte uit een tekst. kopieert eenvoudige schriftelijke informatie. schrijft zelf met een minimum aan schrijffouten. gebruikt zijn creativiteit bij het schrijven. gebruikt hulpmiddelen om correct te spellen. past zijn taalkeuze aan met het oog op het publiek. pakt een complexe schrijftaak stapsgewijze aan. schrijft wanneer het van hem verlangd wordt. leest zijn tekst na en corrigeert indien nodig. gaat correct om met morfologische aspecten. voegt woorden samen tot zinsdelen. voegt zinsdelen samen tot zinnen. hanteert gepaste spellingsstrategieën bij het voortgezet spellen. heeft een goede schrijfhouding en schrijfbeweging. schrijft leesbaar en verzorgd. schrijft verschillende soorten teksten. legt chronologie en structuur in zijn teksten.


Les 1.4 Mijn vakantieherinneringen in een brief 1 De kinderen kunnen in een brief aan een klasgenoot een eigen belevenis beschrijven. 2 De kinderen kunnen hun bedoeling als schrijver van een brief verwoorden. 3 De kinderen kunnen informatie ordenen volgens de chronologische volgorde in een brief: de identificatiegegevens, de begroeting, het overbrengen van de boodschap en het slot. 4 De kinderen kunnen gebruikmaken van een interne representatie om de vormaspecten van een brief te controleren. 5 De kinderen kunnen de structuur van een brief zien en verwoorden. Les 1.9 Een naamgedicht maken 1 De kinderen kunnen het schrijfdoel omschrijven als de lezer amuseren. 2 De kinderen kunnen de belangrijkste vormkenmerken van het teksttype ‘naamgedicht’ hanteren om een eigen schrijfsel te maken. 3 De kinderen kunnen informatie verzamelen door te fantaseren. 4 De kinderen kunnen woorden kiezen die geschikt zijn om het gestelde schrijfdoel te bereiken.

Les: 1.4

ET

VVKBaO

Doel 1

4.1

Schr 2.2.4

Doel 2

4.8

Schr 2.2.2

Doel 3

4.8 6.2

Schr 2.2.3

Doel 4

4.8 6.2

Schr 2.2.5

Doel 5

6.2

Schr 4.3

Les: 1.9

ET

VVKBaO

Doel 1

4

Schr 1.1

Doel 2

4.8

Schr 2.2.5

Doel 3

4.8 5

Schr 2.2.1

Doel 4

4.8 5

Schr 2.2.5

Les 2.4 Ik word kinderburgemeester. Een tof idee? 1 De kinderen kunnen zeggen tot wie ze zich richten in deze brief (ontvanger). 2 De kinderen kunnen hun formele bedoeling als schrijver van deze tekst verwoorden. 3 De kinderen kunnen de belangrijkste vormkenmerken van een brief hanteren. 4 De kinderen kunnen informatie verzamelen door gerichte vragen te stellen aan klasgenoten en de leerkracht. 5 De kinderen kunnen de verzamelde informatie ordenen volgens het schema inleiding, midden, slot. 6 De kinderen kunnen de bladspiegel aanpassen, afhankelijk van de lengte van de brief, en kunnen die indelen in alinea’s.

Les: 2.4

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Schr 1.2

Doel 2

5

Schr 1.3

Doel 3

4.1 4.2 6.5

Schr 2.2.4

Doel 4

5

Schr 2.2.2

Doel 5

5 6.5

Schr 2.2.3

Doel 6

5

Schr 2.2.4 Schr 2.2.5

Les 2.9 In … is het fijn om te wonen! 1 De kinderen kunnen het schrijfdoel omschrijven als informatie verschaffen ter promotie van hun gemeente/stad. 2 De kinderen kunnen de belangrijkste vormkenmerken van een uitnodigende tekst hanteren. 3 De kinderen kunnen zich vragen stellen die essentieel zijn voor het promoten van hun eigen leefomgeving. 4 De kinderen kunnen die informatie ordenen volgens hoofd- en bijzaken. 5 De kinderen kunnen woorden kiezen die geschikt zijn om het gestelde doel te bereiken. 6 De kinderen kunnen de toegankelijkheid van de informatie in de tekst verhogen door typografische middelen te gebruiken.

Les: 2.9

ET

VVKBaO

Doel 1

4

Schr 1.1

Doel 2

4.8

Schr 2.2.5

Doel 3

4.8 5

Schr 2.2.1

Doel 4

4.8

Schr 2.2.2

Evaluatie 2.1 en 2.2 Evaluatie van de doelen na thema 1 en 2 1 De kinderen kunnen de informatie in een brief ordenen in de standaardvolgorde: de identificatiegegevens, de begroeting, de boodschap en het slot. 2 De kinderen kunnen een beperkte toeristische folder uitschrijven en daarbij de belangrijkste vormkenmerken van een uitnodigende tekst hanteren. De indeling en rubrieken van de folder zijn gegeven. 3 De kinderen kunnen uitdrukken voor wie een brief bestemd is (ontvanger). 4 De kinderen kunnen zeggen wie de schrijver is (zender). 5 De kinderen kunnen de bedoeling van de schrijver achterhalen. Facultatief aanbod 2.1 Bijna een milieuramp in mijn straat! Een verslag schrijven 1 De kinderen hebben voldoende schrijfdurf om het verhaal aan te vatten. 2 De kinderen kunnen informatie verzamelen door te putten uit eigen belevingen en daarop door te fantaseren. 3 De kinderen kunnen informatie selecteren op grond van hun expressieve en creatieve waarde. 4 De kinderen kunnen het verhaal schrijven in functie van logische verbanden. 5 De kinderen kunnen nuances uitdrukken door gekende woordsoorten te gebruiken. 6 De kinderen kunnen tijdsrelaties weergeven door signaalwoorden als over, voor, wanneer, eerst, daarna, vervolgens, ten slotte, na … te gebruiken. 7 De kinderen kunnen herhaling vermijden door de passende verwijswoorden te gebruiken.

Doel/op-dracht

ET

VVKBaO

1/1

4.3 / 5 6.5

Schr. 2.2.5

2/2

4.1 / 4.2 5

Schr. 2.2.4

3/3

5

Schr. 1.3

4/3

5

Schr. 1.3

5/3

5

Schr. 1.3

5 Doel 5

4.8

Schr 2.2.5

5 Doel 6

5

Schr 2.2.5

Fac 2.1

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Schr 4.2

Streefdoel Doel 2

5

Schr 2.2.2

Doel 3

5

Schr 2.2.2

Doel 4

5 6.5

Schr 2.2.3

Doel 5

4.8 5

Schr 2.2.5

Doel 6

5

Schr 2.2.5

Doel 7

5

Schr 2.2.5


Les 3.4 Informatiedragers, een steekkaart van een dier 1 De kinderen kunnen de belangrijkste vormkenmerken van een teksttype (dierenfiche) hanteren. 2 De kinderen kunnen zich vragen stellen die essentieel zijn om een dier te beschrijven. 3 De kinderen kunnen daarbij niet-relevante informatie en woorden elimineren, zowel wanneer die zijn gegeven (sleutelwoorden aanduiden) als wanneer die zelf moeten worden gezocht en verwoord. 4 De kinderen kunnen de informatie ordenen in een gegeven schema met titels. 5 De kinderen kunnen de toegankelijkheid van de informatie verbeteren door een tekst te ordenen in een schema.

Les: 3.4

ET

VVKBaO

Doel 1

4.1

Sc

Les 3.9 Een nestkastje maken 1 De kinderen kunnen de stappen van een instructie correct interpreteren. 2 De kinderen kunnen de bedoeling van de schrijver verwoorden. 3 De kinderen kunnen verbanden aanduiden door signaalwoorden van tijd en opsomming te gebruiken. 4 De kinderen kunnen tijdsrelaties weergeven door signaalwoorden als eerst, daarna, vervolgens, ten slotte, na … te gebruiken. Facultatief aanbod 3.1 Camouflage, een spel van kleuren: een titel noteren 1 De kinderen kunnen bij een tekst een passende titel bedenken. 2 De kinderen kunnen het begrip ‘titel’ passend gebruiken en invullen. 3 De kinderen kunnen de passende woordenschat gebruiken om het schrijfdoel te bereiken. CP 1.4 Echte schrijvers schrijven échte verhalen! 1 De kinderen kunnen voldoende schrijfdurf aan de dag leggen om een verhaal op te starten, al of niet met de hulp van de leerkracht of een medeleerling. 2 De kinderen kunnen een eigen verhaal schrijven door te fantaseren over foto’s van kunstwerken. 3 De kinderen kunnen bij het schrijven van hun eigen verhaal de vooropgestelde aandachtspunten van spelling en/of taalbeschouwing realiseren. 4 De kinderen kunnen de nuttige van de overbodige informatie onderscheiden in functie van een vervolgverhaal. 5 De kinderen kunnen hun eigen schrijfstrategie verwoorden en hun eigen problemen met schriftelijke communicatie herkennen. 6 De kinderen kunnen het verhaal-zonder-einde logisch en chronologisch uitschrijven met voldoende aandacht voor de spanningsboog. 7 De kinderen beseffen dat een tekst schrijven een lang proces vergt en kunnen daarmee passend omgaan. 8 De kinderen kunnen het resultaat van hun schrijfactiviteit in verband brengen met hun kennis en interesse voor het onderwerp. 9 De kinderen beseffen dat je de kwaliteit van teksten kunt verbeteren door er met anderen over te spreken. Dat betekent onder meer openstaan voor hulp, hulp durven te vragen, kritiek aanvaarden, eigen producten door anderen laten bekijken en lezen. Les 4.4 H et werkrooster van Roland 1 De kinderen kunnen uit de ‘informatiedrager’ (werkrooster) de nodige informatie aflezen en noteren in degelijke zinnen. 2 De kinderen kunnen de oriëntatievragen van de leerkracht beantwoorden om zo de nodige informatie te verzamelen. 3 De kinderen kunnen overtollige herhalingen vermijden door verwijswoorden of synoniemen te gebruiken. 4 De kinderen kunnen verbanden aanduiden door de passende verbindingswoorden (signaalwoorden) te gebruiken. 5 De kinderen kunnen oorzaak-gevolgrelaties en tijdsrelaties weergeven door verbindingswoorden (signaalwoorden) als doordat, omdat, daardoor, toen, dan, vaak ... te gebruiken. 6 De kinderen kunnen bij de ordening van de zinnen het logische of chronologische verloop van de feiten of gebeurtenissen weergeven. Les 4.9 ... werft aan!? Een grappige personeelsadvertentie schrijven 1 De kinderen kunnen informatie verzamelen door te associëren en te fantaseren. 2 De kinderen kunnen informatie selecteren op grond van de expressieve en creatieve waarde. 3 De kinderen kunnen nuances uitdrukken door leuke zinnen te bedenken. 4 De kinderen kunnen en durven te experimenteren met specifieke tekststijlen.

4.2 6.5 Doel 2

Schr 2.2.2

Doel 3

5 4.8 6.2

Doel 4

5

Schr 2.2.3

Doel 5

5

Le 2.2.5

Les: 3.9

ET

VVKBaO

Doel 1

1.5

L 2.2.3

Doel 2

4.8

Schr 2.2.2

Doel 3

4.8

Schr 2.2.3

Doel 4

4.8

Schr 2.2.3

Fac 3.1

ET

VVKBaO

Doel 1

4.8

Schr 4.3

Doel 2

4.7 4.8

Schr 4.3

Doel 3

4.2 4.8

Schr 2.2.5

CP 1.4

ET

VVKBaO

Doel 1

5 6.2

Schr 2.1

Doel 2

5 6.2

Schr 2.2.4

Doel 3

5 6.2

Schr 2.2.5

Doel 4

5 6.2

Schr 2.2.2

Doel 5

5

Schr 2.1

Doel 6

5 6.2

Schr 2.2.4

Doel 7

6.2

Doel 8

6.2

Doel 9

6.2

Schr 2.1 Schr 2.2.5 Schr 4.3 Schr 2.2.5 Schr 4.3

Schr 2.2.2

Les: 4.4

ET

VVKBaO

Doel 1

3.4 3.5 5

Le 3.2.3

Doel 2

4.8 5

Schr 2.2.1

Doel 3

5

Schr 2.2.5

Doel 4

5

Schr 2.2.5

Doel 5

5

Schr 2.2.3

Doel 6

5

Schr 2.2.3

Les: 4.9

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Schr 2.2.1

Doel 2

5

Schr 2.2.2

Doel 3

5

Schr 2.2.5

Doel 4

5

Schr 2.2.4


Facultatief aanbod 4.1 En wat doe jij dan zoal, loodgieter? 1 De kinderen kunnen in duo met ‘vraag en antwoord’ een fictief interview uitschrijven. 2 De kinderen kunnen materiaal verzamelen om een beroep te analyseren door te putten uit hun ervaringen en eigen belevingen. 3 De kinderen kunnen de informatie ordenen volgens het onderwerp. 4 De kinderen kunnen vormkenmerken van het interview gebruiken om structuur in hun tekst aan te brengen. 5 De kinderen kunnen een stukje tekst, waar nodig, herformuleren. Les 5.4 E en brochure ‘Vlaanderen Vakantieland’ maken 1 De kinderen kunnen hun bedoeling als schrijver van een tekst verwoorden. 2 De kinderen kunnen gegeven oriëntatievragen beantwoorden. 3 De kinderen kunnen informatie verzamelen door te associëren. 4 De kinderen kunnen informatie verzamelen door antwoord te geven op vragen. 5 De kinderen kunnen de informatie ordenen volgens het onderwerp. 6 De kinderen kunnen nuances uitdrukken door bijvoeglijke naamwoorden te gebruiken. 7 De kinderen kunnen structuur in de tekst brengen door de gangbare vormkenmerken van een teksttype (hier een vakantiebrochure) over te nemen. Les 5.9 W elkom in de club E en formulier invullen 1 De kinderen kunnen een formulier invullen over henzelf voor het lidmaatschap van een club. 2 De kinderen kunnen de belangrijkste vormkenmerken van het teksttype ‘formulier’ hanteren. 3 De kinderen kunnen bepalen en verantwoorden wanneer het aangewezen is om in een formulier drukletters te gebruiken. 4 De kinderen kunnen de leesbaarheid van een tekst verhogen door die in een verzorgd handschrift te schrijven. Evaluatie 5.1 en 5.2 Evaluatie van de doelen na thema 3, 4 en 5 1 De kinderen kunnen informatie ordenen volgens het onderwerp in een steekkaart voor dieren. 2 De kinderen kunnen de belangrijkste vormkenmerken van een formulier hanteren. 3 De kinderen kunnen informatie verzamelen door de passende vragen te stellen aan volwassenen. 4 De kinderen kunnen de informatie uit een woordveld gebruiken in een goede zin. 5 De kinderen kunnen bij een gegeven tekstfragment een passende titel schrijven. Facultatief aanbod 5.1 Een verslagje over mijn hobby 1 De kinderen kunnen informatie verzamelen door te associëren. 2 De kinderen kunnen de relevante informatie gebruiken om een verslagje te schrijven. 3 De kinderen kunnen de verzamelde informatie ordenen volgens de indeling: inleiding, midden en slot. Les 6.4 ’t Is nieuws, want het stond in de krant 1 De kinderen kunnen de belangrijkste vormkenmerken van een krantenartikel hanteren. 2 De kinderen kunnen de verschillende stappen van het schrijfproces systematisch doorlopen. 3 De kinderen hebben voldoende schrijfdurf om deze schrijfactiviteit tot een goed einde te brengen. 4 De kinderen kunnen zich vragen stellen die essentieel zijn om de nodige informatie te verzamelen. 5 De kinderen kunnen de niet-relevante informatie elimineren. 6 De kinderen kunnen het resultaat van hun schrijfactiviteit in verband brengen met hun voorkennis van en de interesse voor dit onderwerp.

Fac 4.1

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Schr 2.2.4

Doel 2

4.8 6.2

Schr 2.2.1

Doel 3

4.8 6.2

Schr 2.2.3

Doel 4

4.8 5

Schr 2.2.5

Doel 5

4.8 6.2

Schr 2.2.5

Les: 5.4

ET

VVKBaO

Doel 1

4.8

Schr 2.2.2

Doel 2

4.7 4.8 6.2

Schr 2.2.1

Doel 3

4.7 4.8 6.2

Schr 2.2.1

Doel 4

4.7 4.8 6.2

Schr 2.2.1

Doel 5

4.7 4.8 6.2

Schr 2.2.3

Doel 6

4.7 4.8 6.2

Schr 2.2.5

Doel 7

4.1 4.5

Schr 2.2.4

Les: 5.9

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Schr 2.2.4

Doel 2

4.1 4.5

Schr 2.2.4

Doel 3

5

Schr 2.2.5

Doel 4

5

Schr 2.2.5

Doel/opdracht

VVKBaO

1/1

ET 4.7 4.8 5 6.2

2/2

4.1 4.5

Schr. 2.2.4

3/3

4.7 5

Schr. 2.2.1

4/4

4.7 5

Schr. 2.2.2

5/5

5 6.2

Schr. 2.2.3

Schr. 2.2.3

Fac 5.1

ET

VVKBaO

Doel 1

6.2 6.3

Schr 2.2.1

Doel 2

4.1 4.6

Schr 2.2.2

Doel 3

6.2 6.3

Schr 2.2.3

Les: 6.4

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Schr 2.2.4

Doel 2

6.2 6.5

Schr 4

Doel 3

4.8 6.5

Schr 4.2 Streefdoel

Doel 4

5

Schr 2.2.1

Doel 5

5 6.3 6.5

Schr 2.2.2

Doel 6

5 6.5

Schr 2.2.5


Les 6.9 E en dubbelverslag van een ongeval 1 De kinderen kunnen informatie verzamelen door gerichte vragen te stellen aan een vriendje. 2 De kinderen kunnen herhalingen vermijden door verwijswoorden te gebruiken. 3 De kinderen kunnen verbanden aanduiden door verbindingswoorden (signaalwoorden) te gebruiken. 4 De kinderen kunnen oorzaak-gevolgrelaties weergeven door op hun niveau gebeurtenissen te beschrijven zoals ze elkaar opvolgen. 5 De kinderen kunnen tijdsrelaties weergeven door op hun niveau gebeurtenissen in hun chronologische volgorde te beschrijven. 6 De kinderen kunnen tekstdelen van een passende titel voorzien. Facultatief aanbod 6.1 Een dubbelverslag van een ongeval 1 De kinderen kunnen informatie verzamelen door gerichte vragen te stellen aan een vriendje. 2 De kinderen kunnen herhalingen vermijden door verwijswoorden te gebruiken. 3 De kinderen kunnen verbanden aanduiden door verbindingswoorden (signaalwoorden) te gebruiken. 4 De kinderen kunnen oorzaak-gevolgrelaties weergeven door op hun niveau gebeurtenissen te beschrijven zoals ze elkaar opvolgen. 5 De kinderen kunnen tijdsrelaties weergeven door op hun niveau gebeurtenissen in hun chronologische volgorde te beschrijven. 6 De kinderen kunnen tekstdelen van een passende titel voorzien. CP 2.4 E chte schrijvers schrijven échte verhalen! 1 De kinderen kunnen voldoende schrijfdurf aan de dag leggen om hun verhaal verder te schrijven, al of niet met de hulp van de leerkracht of een medeleerling. 2 De kinderen kunnen een eigen verhaal verder schrijven door te fantaseren over foto’s van kunstwerken. 3 De kinderen kunnen bij het schrijven van hun eigen verhaal de vooropgestelde aandachtspunten van spelling en/of taalbeschouwing realiseren. 4 De kinderen kunnen de nuttige van de overbodige informatie onderscheiden in functie van een vervolgverhaal. 5 De kinderen kunnen hun eigen schrijfstrategie verwoorden en hun eigen problemen met schriftelijke communicatie herkennen. 6 De kinderen kunnen het verhaal-zonder-einde logisch en chronologisch uitschrijven met voldoende aandacht voor de spanningsboog. 7 De kinderen beseffen dat een tekst schrijven een lang proces vergt en kunnen daarmee passend omgaan. 8 De kinderen kunnen het resultaat van hun schrijfactiviteit in verband brengen met hun kennis van en interesse voor het onderwerp. 9 De kinderen beseffen dat je de kwaliteit van teksten kunt verbeteren door er met anderen over te spreken. Dat betekent onder meer openstaan voor hulp, hulp durven te vragen, kritiek aanvaarden, eigen producten door anderen laten bekijken en lezen.

Les: 6.9

ET

VVKBaO

Doel 1

4.2 6.2

Schr 2.2.1

Doel 2

5

Schr 2.2.5

Doel 3

5

Schr 2.2.2

Doel 4

4.2 6.2

Schr 2.2.3

Doel 5

4.2 6.2

Schr 2.2.3

Doel 6

4.8 6.2

Schr 4.3

Fac 6.1

ET

VVKBaO

Doel 1

4.2 6.2

Schr 2.2.1

Doel 2

5

Schr 2.2.5

Doel 3

5

Schr 2.2.2

Doel 4

4.2 6.2

Schr 2.2.3

Doel5

4.2 6,2

Schr 2.2.3

Doel6

4,8 6,2

Schr 4.3

CP 2.4

ET

VVKBaO

Doel 1

5 6.2

Schr 2.1

Doel 2

5 6.2

Schr 2.2.4

Doel 3

5 6.2

Schr 2.2.5

Doel 4

5 6.2

Schr 2.2.2

Doel 5

5

Schr 2.1

Doel 6

5 6.2

Schr 2.2.4

Doel 7

6.2

Schr 2.1

Doel 8

6.2

Schr 2.2.5 Schr 4.3

Doel 9

6.2

Schr 2.2.5 Schr 4.3

Les 7.4 Een dialoog schrijven: standbeelden spreken 1 De kinderen kunnen het schrijfdoel omschrijven als plezier verschaffen aan de lezer. 2 De kinderen kunnen de informatie ordenen volgens de ruimte. 3 De kinderen kunnen structuur aanbrengen in een tekst door de gangbare kenmerken van het teksttype ‘dialoog’ over te nemen en daardoor de toegankelijkheid te verhogen. Les 7.9 Een krantenbericht over verkeersagressie in een schema verwerken 1 De kinderen kunnen de vormkenmerken van een informatiedrager (schema) hanteren. 2 De kinderen kunnen informatie ordenen in functie van een logisch verband: oorzaak en gevolg. 3 De kinderen kunnen aangeven dat een proces-verbaal de feiten weergeeft. Facultatief aanbod 7.1 Vraag en antwoord: een leidinggevende figuur interviewen 1 De kinderen kunnen zich vragen stellen die essentieel zijn om een persoon te leren kennen. 2 De kinderen kunnen gerichte vragen stellen aan volwassenen. 3 De kinderen kunnen het verloop van hun schrijfactiviteit beoordelen op basis van aanwijzingen van anderen. 4 De kinderen kunnen een vraag herformuleren. 5 De kinderen kunnen in een rollenspel een zelf uitgeschreven dialoog in vraag en antwoord spelen.

Les: 7.4

ET

VVKBaO

Doel 1

4

Schr 2.1

Doel 2

4.8

Schr 2.2.3

Doel 3

4.8

Schr 2.2.5

Les: 7.9

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Schr 2.2.5

Doel 2

5

Schr 2.2.3

Doel 3

5

Schr 2.1

Fac 7.1

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Schr 2.2.1

Doel 2

5

Schr 2.2.1

Doel 3

4.8

Schr 2.2.5

Doel 4

6.3

Schr 2.2.5

Doel 5

4.1

Schr 2.2.4

4.6


Les 8.4 Een gipsafdruk van een spoor maken Een instructie uitschrijven 1 De kinderen kunnen informatie verzamelen door antwoord te geven op vragen als wat, waar, wanneer, waarom, hoe ... 2 De kinderen kunnen tijdens het onderwijsleergesprek de belangrijkste gegevens aan de hand van sleutelwoorden noteren. 3 De kinderen kunnen een schema opbouwen om logische en chronologische verbanden weer te geven. 4 De kinderen kunnen de passende woordenschat gebruiken bij een instructie. 5 De kinderen kunnen tijdsrelaties weergeven door signaalwoorden als voor, wanneer, eerst, daarna, vervolgens, ten slotte, na ... te gebruiken. 6 De kinderen kunnen een bestaande tekst gebruiken om vorm- en betekenisaspecten te controleren op zinsniveau. 7 De kinderen kunnen informatie aan de tekst toevoegen door zelfgemaakt passend fotomateriaal te gebruiken. Les 8.9 Een nobele man? Een beschrijving samenstellen aan de hand van gekregen teksten 1 De kinderen kunnen de belangrijkste vormkenmerken van een informatieve tekst hanteren. 2 De kinderen kunnen informatie verzamelen door gerichte vragen te stellen aan hun werkpartners na het lezen van infoteksten. 3 De kinderen kunnen de niet-relevante informatie elimineren bij het schrijven van een informatieve tekst. 4 De kinderen kunnen een schema opbouwen om hun informatie te ordenen en neer te schrijven. 5 De kinderen kunnen de functie van inleiding en slot verwoorden en hanteren in een eigen tekst. 6 De kinderen kunnen de juiste informatie kiezen door tekstmarkeringen aan te brengen. 7 De kinderen kunnen het resultaat van hun schrijfactiviteit in verband brengen met de organisatie van het schrijfproces. Evaluatie 8.1 en 8.2 Evaluatie van de doelen na thema 6, 7 en 8 1 De kinderen kunnen de belangrijkste vormkenmerken van een teksttype herkennen. 2 De kinderen kunnen zeggen voor wie een tekst bestemd is. 3 De kinderen kunnen de passende woordenschat kiezen en gebruiken in een zelf geschreven krantenbericht als teksttype. 4 De kinderen kunnen oorzaak-gevolgrelaties weergeven door zinnen met signaalwoorden als omdat, wanneer, daarna, want aan te vullen. 5 De kinderen kunnen informatie aflezen van een afbeelding en die gebruiken in de beschrijving van een persoon. Facultatief aanbod 8.1 Hier rust ... Een grafschrift bedenken en uitschrijven 1 De kinderen kunnen een fictief grafschrift verzinnen voor een bestaande of fictieve geleerde. 2 De kinderen kunnen daarbij de passende vormkenmerken hanteren. 3 De kinderen kunnen daarbij beslissen of ze in groep werken of individueel. 4 De kinderen kunnen vooraf besproken aandachtspunten correct toepassen in hun schrijfopdracht. Les 9.4 Een uitnodiging (brief) voor een benefiet 1 De kinderen kunnen een uitnodiging met de nodige informatie schrijven. 2 De kinderen kunnen een uitnodiging voor een feestje richten tot leeftijdsgenoten en tot volwassenen (hun ouders). 3 De kinderen kunnen selecteren op grond van bruikbaarheid en belang bij een wervende tekst. 4 De kinderen kunnen de informatie ordenen volgens het ordeningsschema van een brief. 5 De kinderen kunnen de leesbaarheid verhogen door een verzorgd handschrift te gebruiken. Les 9.9 Zegswijzen: in vuur en vlam 1 De kinderen kunnen bijkomende vragen stellen bij de schrijftaak. 2 De kinderen kunnen aantonen dat ze de betekenis kunnen controleren op woordniveau. 3 De kinderen kunnen experimenteren met zegswijzen. 4 De kinderen kunnen een voorwaarde aangeven door signaalwoorden als als, omdat, indien, want ... te gebruiken.

Les: 8.4

ET

VVKBaO

Doel 1

4.8 5 6.2

Schr 2.2.1

Doel 2

Schr 2.2.2

Doel 3

4.8 5 6.2 4.8 5 6.2 **

Doel 4

4.8 5 6.2

Schr 4.3

Doel 5

4.8 5 6.2

Schr 2.2.3

Doel 6

4.8

Schr 2.2.5

Schr 2.2.3

5 Doel 7

4.8 5 6.2

Schr 2.2.5

Les: 8.9

VVKBaO

Doel 1

ET 4.8 5 6.1 6.5

Doel 2

5

Schr 2.2.2

Doel 3

4.1 4.6

Schr 2.2.2

Doel 4

5 **

Schr 2.2.3

Doel 5

5

Schr 2.2.3

Doel 6

4.8 5 6.2

Schr 2.2.5

Doel 7

4.8 6.2

Schr 4.3

Doel/opdracht

Schr 1.4

VVKBaO

1/1

ET 4.8 5 6.1 6.5

2/1

5 6.5

3/2

4.8 5 6.5

Schr. 1.3 Schr. 2.1, 2.2

4/3

5

Schr. 2.2.4

5/4

5

Schr. 2.2.4

Schr. 1.4

Fac 8.1

ET

VVKBaO

Doel 1

6.1 6.4

Schr 2.2.1

Doel 2

5 6.2

Schr 2.2.5

Doel 3

4.8 6.2

Schr 4.3

Doel 4

4.8 6.2

Schr 4.3

Les: 9.4

ET

VVKBaO

Doel 1

4.1 4.6

Schr 2.2.4

Doel 2

4.1 4.6

Schr 2.2.4

Doel 3

5 6.5

Schr 2.2.2

Doel 4

5 6.5

Schr 2.2.3

Doel 5

5 6.5

Schr 2.2.5

Les: 9.9

ET

VVKBaO

Doel 1

4.8 6.2

Schr 2.2.1

Doel 2

4.8 6.2

Schr 2.2.5

Doel 3

4.8 6.2

Schr 2.2.2

Doel 4

4.8 6.2

Schr 4.3


Facultatief aanbod 9.1 Kom bij de brandweer! Een slogan verzinnen 1 De kinderen kunnen de bedoeling als schrijver van een wervende tekst verwoorden. 2 De kinderen kunnen het schrijfdoel omschrijven als aanzetten tot handelen. 3 De kinderen kunnen woordenschat selecteren op bruikbaarheid in functie van een wervende tekst. 4 De kinderen kunnen de woordenschat kiezen om het gestelde schrijfdoel te bereiken. CP 3.4 E chte schrijvers schrijven échte verhalen! 1 De kinderen kunnen voldoende schrijfdurf aan de dag leggen om hun verhaal verder te schrijven, al of niet met de hulp van de leerkracht of een medeleerling. 2 De kinderen kunnen een eigen verhaal verder schrijven door te fantaseren bij de foto’s. 3 De kinderen kunnen bij het schrijven van hun eigen verhaal de vooropgestelde aandachtspunten van spelling en/of taalbeschouwing realiseren. 4 De kinderen kunnen de nuttige van de overbodige informatie onderscheiden in functie van een vervolgverhaal. 5 De kinderen kunnen hun eigen schrijfstrategie verwoorden en eigen problemen met schriftelijke communicatie herkennen. 6 De kinderen kunnen het verhaal-zonder-einde logisch en chronologisch uitschrijven met voldoende aandacht voor de spanningsboog. 7 De kinderen beseffen dat een tekst schrijven een lang proces vergt. 8 De kinderen kunnen het resultaat van hun schrijfactiviteit in verband brengen met hun kennis en interesse voor het onderwerp. 9 De kinderen beseffen dat je de kwaliteit van teksten kunt verbeteren door er met anderen over te spreken: openstaan voor hulp, hulp durven te vragen, kritiek aanvaarden, eigen producten door anderen laten bekijken en lezen. Les 10.4 Een recept uitschrijven 1 De kinderen kunnen als duo-opdracht het recept uitschrijven, als de benodigdheden zijn gegeven en het eindresultaat op foto bekend is. 2 De kinderen kunnen hun bedoeling als schrijver van een instructie verwoorden. 3 De kinderen kunnen de belangrijkste vormkenmerken van de instructie gebruiken. 4 De kinderen kunnen antwoorden op vragen over de verschillende stappen van het schrijfproces. 5 De kinderen kunnen informatie verzamelen door vragen te stellen aan elkaar in duo en door te putten uit hun ervaringen en fantasie. 6 De kinderen kunnen een bestaande tekst (recept) gebruiken om de betekenis en de vormaspecten te controleren. Les 10.9 Etiketten uitschrijven 1 De kinderen kunnen en willen zich uiten in deze schrijfactiviteit. 2 De kinderen kunnen informatie aflezen van een productetiket en kunnen die gebruiken om goede zinnen te formuleren. 3 De kinderen kunnen informatie verzamelen door te associëren bij elementen uit het etiket. 4 De kinderen kunnen de informatie selecteren die ze nodig hebben voor hun beschrijving. 5 De kinderen kunnen de informatie ordenen volgens het te beschrijven onderwerp. 6 De kinderen kunnen regels van de taalsystematiek toepassen (gebruik synoniemen, verwijswoorden ...). Facultatief aanbod 10.1 Inkopen op de wekelijkse markt 1 De kinderen kunnen een fictief verhaal schrijven met behulp van enkele foto’s. 2 De kinderen kunnen zich inleven in een uitstapje naar de markt met de klas of met enkele vriendjes. 3 De kinderen kunnen informatie aflezen van de foto’s en die via fantasie en associatie omzetten tot een fijn verhaal. 4 De kinderen kunnen nuances uitdrukken door verwijswoorden, de passende woordsoorten en andere stilistische aspecten te gebruiken.

Fac 9.1

ET

VVKBaO

Doel 1

4.8 6.2

Schr 4.3

Doel 2

4.8 6.2

Schr 4.3

Doel 3

4.8 6.2

Schr 2.2.2

Doel 4

4.8 6.2

Schr 2.2.5

CP 3.4

ET

VVKBaO

Doel 1

5 6.2

Schr 2.1

Doel 2

5 6.2

Schr 2.2.4

Doel 3

5 6.2

Schr 2.2.5

Doel 4

5 6.2

Schr 2.2.2

Doel 5

5

Schr 2.1

Doel 6

5 6.2

Schr 2.2.4

Doel 7

6.2

Schr 2.1

Doel 8

6.2

Schr 2.2.5 Schr 4.3

Doel 9

6.2

Schr 2.2.5

Les 11.4 Het verhaal van een jas (fictie) Een verhaal uitschrijven 1 De kinderen kunnen een eenvoudige verhaallijn opbouwen door de gebeurtenissen chronologisch te ordenen. 2 De kinderen hebben voldoende schrijfdurf om een gegeven situatie aan te vatten. 3 De kinderen kunnen voldoende informatie verzamelen door elkaar te bevragen. 4 De kinderen beseffen dat een tekst een samenhangende structuur heeft:

Schr 4.3

Les: 10.4

ET

VVKBaO

Doel 1

4.1 4.6 *

Schr 2.2.4

Doel 2

4.8 6.2

Schr 1.3

Doel 3

6.2

Schr 1.4

Doel 4

4.8 6.2

Schr 2.1

Doel 5

4.8 6.2

Schr 2.2.1

Doel 6

4.8 6.2

Schr 2.2.5

Les: 10.9

ET

Doel 1

4.8 6.2

VVKBaO Schr Ad 15

Doel 2

4.8 6.2

Schr 2.2.1

Doel 3

4.8 6.2

Schr 2.2.1

Doel 4

4.8 6.2

Schr 2.2.2

Doel 5

4.8 6.2

Schr 2.2.3

Doel 6

4.8 6.2

Schr 2.2.5

Fac 10.1

ET

VVKBaO

Doel 1

4.1 4.6

Schr 2.2.4

Doel 2

4.8 6.2

Schr 2.2.1

Doel 3

4.1 4.6

Schr 2.2.4

Doel 4

4.8 5

Schr 2.2.5

Les: 11.4

ET

VVKBaO

Doel 1

4.8 5 6.2

Doel 2

4.8 6.2

Schr 2.2.3 Schr Ad 19

Doel 3

4.8 6.2

Schr 2.2.1

Doel 4

4.8 5 6.2

Schr 4.3


inleiding, midden en slot. 5 De kinderen kunnen nuances uitdrukken door bijvoeglijke naamwoorden en betekenisverwante woorden te gebruiken. Les 11.9 Verbeterles ‘Het verhaal van mijn jas’ 1 De kinderen kunnen overtollige herhalingen in hun tekst vermijden door verwijswoorden en synoniemen te gebruiken. 2 De kinderen kunnen nuances uitdrukken door bijvoeglijke naamwoorden of betekenisverwante woorden te gebruiken. 3 De kinderen kunnen een tekst herstellen waarvan de delen door elkaar gegooid zijn. 4 De kinderen kunnen een tekst verzorgen door de inhoud na te gaan en eventueel de samenhang aan te passen. 5 De kinderen kunnen een moeilijk geformuleerde zin herschrijven in een meer leesbare vorm of splitsen in enkele kortere zinnen. Evaluatie 11.1 en 11.2 Evaluatie van de doelen na thema 9, 10 en 11 1 De kinderen kunnen een uitnodiging schrijven met voldoende informatie voor een duidelijke boodschap. 2 De kinderen kunnen een recept uitschrijven (instructie) als de benodigdheden gegeven zijn. 3 De kinderen kunnen vanuit een begeleidende tekst informatie verzamelen op een etiket. 4 De kinderen kunnen moeilijke, te lange zinnen herschrijven in gemakkelijk leesbare, kortere zinnen. 5 De kinderen kunnen overtollige herhalingen voorkomen door synoniemen te gebruiken. Facultatief aanbod 11.1 Verbeterles ‘Het verhaal van mijn jas’ (deel 2) 1 De kinderen kunnen overtollige herhalingen in hun tekst vermijden door verwijswoorden en synoniemen te gebruiken. 2 De kinderen kunnen nuances uitdrukken door bijvoeglijke naamwoorden of betekenisverwante woorden te gebruiken. 3 De kinderen kunnen een tekst herstellen waarvan de delen door elkaar gegooid zijn. 4 De kinderen kunnen een tekst verzorgen door de inhoud na te gaan en eventueel de samenhang aan te passen. 5 De kinderen kunnen een moeilijk geformuleerde zin herschrijven in een meer leesbare vorm of splitsen in enkele kortere zinnen. Les 12.4 Poëtisch terugkijken op het voorbije schooljaar 1 De kinderen beseffen dat ze zich met geschreven boodschappen tot een bepaald publiek richten en kunnen dat verwoorden. 2 De kinderen kunnen het schrijfdoel omschrijven als ‘plezier verschaffen aan de lezer’. 3 De kinderen kunnen de oriëntatievragen spontaan stellen en beantwoorden, voor ze zelfstandig een gedicht schrijven. 4 De kinderen kunnen schrijfmateriaal verzamelen door te associëren, door elkaar te bevragen over het voorbije schooljaar en door te putten uit hun gevoelsleven en fantasie. 5 De kinderen kunnen informatie selecteren in functie van de schoonheid van de taal (het poëtische, het rijmen ...). 6 De kinderen kunnen nuances uitdrukken door de kennis en vaardigheden te gebruiken die ze dit jaar verworven hebben. 7 De kinderen beseffen dat je de kwaliteit van teksten kunt verbeteren door er met anderen over te praten: openstaan voor hulp, eigen producten laten lezen ... 8 De kinderen kunnen een stuk tekst, waar nodig, herformuleren en aanpassen

Doel 5

5

Schr 2.2.5

Les: 11.9

ET

VVKBaO

Doel 1

4.8 5 6.5

Schr 4.3

Doel 2

4.8 6.2

Schr 4.3

Doel 3

4.8 6.2

Schr 2.2.5

Doel 4

4.8 6.2

Schr 2.2.5

Doel 5

4.8 6.2

Schr 4.3

Doel/opdracht

ET

VVKBaO

1/1

4.2 5

Schr. 2.2.4

2/2

4.2 5

Schr. 2.2.4

3/3

4.1 5

Schr. 2.2.4

4/4

6.1

Schr. 2.2.5

5/5

4.8 5 6.5

Schr. 2.2.5

Fac 11.1

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Schr 2.2.5

Doel 2

5

Schr 2.2.5

Doel 3

5

Schr 2.2.5

Doel 4

5

Schr 2.2.5

Doel 5

5

Schr 2.2.5

Les: 12.4

ET

Doel 1

5

VVKBaO Schr Ad 1 Schr 1.3

Doel 2

5

Schr Ad 16

Doel 3

4.7 4.8 6.2

Schr 2.2.1

Doel 4

4.7 4.8 6.2

Schr 2.2.1

Doel 5

4.7 4.8 6.2

Schr 2.2.2

Doel 6

5

Schr 2.2.5

Doel 7

4.8 6.2 6.5

Schr 1.5

Doel 8

5

Schr 2.2.5


Les 12.9 Poëtisch terugkijken op het voorbije schooljaar 1 De kinderen beseffen dat ze zich met geschreven boodschappen tot een bepaald publiek richten en kunnen dat verwoorden. 2 De kinderen kunnen het schrijfdoel omschrijven als ‘plezier verschaffen aan de lezer’. 3 De kinderen kunnen de oriëntatievragen spontaan stellen en beantwoorden, voor ze zelfstandig een gedicht schrijven. 4 De kinderen kunnen schrijfmateriaal verzamelen door te associëren, door elkaar te bevragen over het voorbije schooljaar en door te putten uit hun gevoelsleven en fantasie. 5 De kinderen kunnen informatie selecteren in functie van de schoonheid van de taal (het poëtische, het rijmen ...). 6 De kinderen kunnen nuances uitdrukken door de kennis en vaardigheden te gebruiken die ze dit jaar verworven hebben. 7 De kinderen beseffen dat je de kwaliteit van teksten kunt verbeteren door er met anderen over te praten: openstaan voor hulp, eigen producten laten lezen ... 8 De kinderen kunnen een stuk tekst, waar nodig, herformuleren en aanpassen. Facultatief aanbod 12.1 Poëtisch terugkijken op het voorbije schooljaar 1 De kinderen beseffen dat ze zich met geschreven boodschappen tot een bepaald publiek richten en kunnen dat verwoorden. 2 De kinderen kunnen het schrijfdoel omschrijven als ‘plezier verschaffen aan de lezer’. 3 De kinderen kunnen de oriëntatievragen spontaan stellen en beantwoorden, voor ze zelfstandig een gedicht schrijven. 4 De kinderen kunnen schrijfmateriaal verzamelen door te associëren, door elkaar te bevragen over het voorbije schooljaar en door te putten uit hun gevoelsleven en fantasie. 5 De kinderen kunnen informatie selecteren in functie van de schoonheid van de taal (het poëtische, het rijmen ...). 6 De kinderen kunnen nuances uitdrukken door de kennis en vaardigheden te gebruiken die ze dit jaar verworven hebben. 7 De kinderen beseffen dat je de kwaliteit van teksten kunt verbeteren door er met anderen over te praten: openstaan voor hulp, eigen producten laten lezen ... 8 De kinderen kunnen een stuk tekst, waar nodig, herformuleren en aanpassen. CP 4.4 E chte schrijvers schrijven échte verhalen! 1 De kinderen kunnen voldoende schrijfdurf aan de dag leggen om hun verhaal verder te schrijven, al of niet met de hulp van de leerkracht of een medeleerling. 2 De kinderen kunnen hun eigen verhaal afronden door te fantaseren bij de foto’s. 3 De kinderen kunnen bij het schrijven van hun eigen verhaal de vooropgestelde aandachtspunten van spelling en/of taalbeschouwing realiseren. 4 De kinderen kunnen de nuttige van de overbodige informatie onderscheiden in functie van het vervolgverhaal. 5 De kinderen kunnen hun eigen schrijfstrategie verwoorden en eigen problemen met schriftelijke communicatie herkennen. 6 De kinderen kunnen het verhaal logisch en chronologisch uitschrijven met voldoende aandacht voor de spanningsboog. 7 De kinderen beseffen dat een tekst schrijven een lang proces vergt. 8 De kinderen kunnen het resultaat van hun schrijfactiviteit in verband brengen met hun kennis en interesse voor het onderwerp. 9 De kinderen beseffen dat je de kwaliteit van teksten kunt verbeteren door er met anderen over te spreken: openstaan voor hulp, hulp durven te vragen, kritiek aanvaarden, eigen producten door anderen laten bekijken en lezen.

Les: 12.9

ET

Doel 1

5

VVKBaO Schr Ad 1 Schr 1.3

Doel 2

5

Schr Ad 16

Doel 3

4.7 4.8 6.2

Schr 2.2.1

Doel 4

4.7 4.8 6.2

Schr 2.2.1

Doel 5

4.7 4.8 6.2

Schr 2.2.2

Doel 6

5

Schr 2.2.5

Doel 7

4.8 6.2 6.5

Schr 1.5

Doel 8

5

Schr 2.2.5

Fac 12.1

ET

Doel 1

5

VVKBaO Schr Ad 1 Schr 1.3

Doel 2

5

Schr Ad 16

Doel 3

4.7 4.8 6.2

Schr 2.2.1

Doel 4

4.7 4.8 6.2

Schr 2.2.1

Doel 5

4.7 4.8 6.2

Schr 2.2.2

Doel 6

5

Schr 2.2.5

Doel 7

4.8 6.2 6.5

Schr 1.5

Doel 8

5

Schr 2.2.5

CP 4.4

ET

VVKBaO

Doel 1

5 6.2

Schr 2.1

Doel 2

5 6.2

Schr 2.2.4

Doel 3

5 6.2

Schr 2.2.5

Doel 4

5 6.2

Schr 2.2.2

Doel 5

5

Schr 2.1

Doel 6

5 6.2

Schr 2.2.4

Doel 7

6.2

Schr 2.1

Doel 8

6.2

Schr 2.2.5 Schr 4.3

Doel 9

6.2

Schr 2.2.5 Schr 4.3

7.Iedere steloefening wordt gekwoteerd en bijgehouden voor ’t rapport. Kameleon voorziet in evaluaties na ieder thema. Deze OD’s komen in zowat alle stelopdrachten voor.

4 Schrijven Taalgebruik 75

De leerling schrijft zelf met een minimum aan schrijffouten.

76

De leerling gebruikt zijn creativiteit bij het schrijven.

Taalbeschouwing schrijven 78

De leerling past zijn taalkeuze aan met het oog op het publiek.

79

De leerling pakt een complexe schrijftaak stapsgewijze aan.


Schrijfattitudes 80

De leerling schrijft wanneer het van hem verlangd wordt.

83

De leerling leest zijn tekst na en corrigeert indien nodig.

Taalvorm 86

De leerling gaat correct om met morfologische aspecten.

87

De leerling voegt woorden samen tot zinsdelen.

88

De leerling voegt zinsdelen samen tot zinnen.

Schrijftechnische aspecten 91 De leerling heeft een goede schrijfhouding en schrijfbeweging. 92

De leerling schrijft leesbaar en verzorgd.

Taalinhoud 93

De leerling schrijft verschillende soorten teksten.

94

De leerling legt chronologie en structuur in zijn teksten.

7.Iedere steloefening wordt gekwoteerd en bijgehouden voor ’t rapport.

Technisch lezen 1.Doelgroep:8L1 2.2 beurten per thema 3.Kameleon 4 4.Hardop en expressief lezen om beurten. 5 en 6 OD 59. De leerling ontwikkelt een adequate leesattitude. 67. De leerling leest vlot door directe woord- en woordgroepherkenning. 68. De leerling leest met een goede leeshouding. 69. De leerling leest hardop.


Les 1.2 Samen lezen met aandacht voor de opzoekstrategie van

moeilijke woorden T ekst: Meester Grollo 1 De kinderen kunnen moeilijke woorden uit de tekst in wisselrijen lezen. 2 De kinderen kunnen samen lezen met een partner van een ander leesniveau en aanvaarden daarbij elkaars verschillende competentie. 3 De kinderen kunnen de betekenis van moeilijke woorden in de zinscontext of na opzoekwerk in een woordenlijst verklaren. Les 1.7 Samen lezen met aandacht voor de opzoekstrategie van moeilijke woorden T ekst: Mag ik me even voorstellen? 1 De kinderen kunnen moeilijke woorden uit de tekst in wisselrijen lezen. 2 De kinderen kunnen samen lezen met een partner van een ander leesniveau en aanvaarden daarbij elkaars verschillende competentie. 3 De kinderen kunnen de betekenis van moeilijke woorden in de zinscontext of na opzoekwerk in een woordenlijst verklaren. Les 2.2 Samen lezen met aandacht voor leestekens T ekst: Mad en de babbelkat 1 De kinderen kunnen moeilijke woorden uit de tekst in wisselrijen lezen. 2 De kinderen kunnen samen lezen met een partner van een ander leesniveau en aanvaarden daarbij elkaars verschillende competentie. 3 De kinderen kunnen de betekenis van moeilijke woorden in de zinscontext of na opzoekwerk in een woordenlijst verklaren. 4 De kinderen vertalen de leestekens in gepaste rustpunten tijdens het voorlezen. Les 2.7 Samen lezen met aandacht voor leestekens T ekst: Onder de dijk 1 De kinderen kunnen moeilijke woorden uit de tekst in wisselrijen lezen. 2 De kinderen kunnen samen lezen met een partner van een ander leesniveau en aanvaarden daarbij elkaars verschillende competentie. 3 De kinderen kunnen de betekenis van moeilijke woorden in de zinscontext of na opzoekwerk in een woordenlijst verklaren. 4 De kinderen vertalen de leestekens in gepaste rustpunten tijdens het voorlezen. Les 3.2 Samen lezen met aandacht voor het expressief lezen van tekst tussen aanhalingstekens T ekst: Wablief? Wablaf! 1 De kinderen kunnen moeilijke woorden uit de tekst in wisselrijen lezen. 2 De kinderen kunnen samen lezen met een partner van een ander leesniveau en aanvaarden daarbij elkaars verschillende competentie. 3 De kinderen kunnen de betekenis van moeilijke woorden in de zinscontext of na opzoekwerk in een woordenlijst verklaren. 4 De kinderen kunnen de stukjes tekst tussen aanhalingstekens expressief lezen. Les 3.7 Samen lezen met aandacht voor het expressief lezen van tekst tussen aanhalingstekens T ekst: Een sprookje voor Heersers 1 De kinderen kunnen moeilijke woorden uit de tekst in wisselrijen lezen. 2 De kinderen kunnen samen lezen met een partner van een ander leesniveau en aanvaarden daarbij elkaars verschillende competentie. 3 De kinderen kunnen de betekenis van moeilijke woorden in de zinscontext of na opzoekwerk in een woordenlijst verklaren. 4 De kinderen kunnen de stukjes tekst tussen aanhalingstekens expressief lezen.

Evaluatie CP 1.2

Afname AVI -testen en eventueel drieminutentoets voor Vlaanderen 1 De kinderen kunnen woorden en zinnen op hun niveau correct en vlot hardop lezen.

Les: 1.2

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Le 2.2.1.6

Doel 2

*3

*

Doel 3

3.4 3.5

Le 3.2.2

Les: 1.7

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Le 2.2.1.6

Doel 2

*3

*

Doel 3

3.4 3.5

Le 3.2.2

Les: 2.2

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Le 2.2.1.6

Doel 2

*3

*

Doel 3

3.4 3.5

Le 3.2.2

Doel 4

5

Le 2.2.1.7

Les: 2.7

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Le 2.2.1.6

Doel 2

*3

*

Doel 3

3.4 3.5

Le 3.2.2

Doel 4

5

Le 2.2.1.7

Les: 3.2

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Le 2.2.1.6

Doel 2

*3

*

Doel 3

3.4 3.5

Le 3.2.2

Doel 4

5

Le 3.2.2

Les: 3.7

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Le 2.2.1.6

Doel 2

*3

*

Doel 3

3.4 3.5

Le 3.2.2

Doel 4

5

Le 3.2.2

Doel/

opdracht

ET

VVKBaO

1

Le 2.2.1.1 Le 2.2.1.2 Le 2.2.1.4

Les 4.2 Samen lezen met aandacht voor het rustig hardop lezen

van een tekst T ekst: Een man voor mama 1 De kinderen kunnen moeilijke woorden uit de tekst in wisselrijen lezen. 2 De kinderen kunnen samen lezen met een partner van een ander leesniveau en aanvaarden daarbij elkaars verschillende competentie. 3 De kinderen kunnen de betekenis van moeilijke woorden vanuit de zinscontext of na opzoekwerk in een woordenlijst verklaren. 4 De kinderen kunnen de tekst lezen net alsof ze vertellen.

Les: 4.2

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Le 2.2.1.6

Doel 2

*3

*

Doel 3

3.4 3.5

Le 3.2.2

Doel 4

5

Le 3.2.2

OD’s


Les 4.7 Samen lezen met aandacht voor het rustig hardop lezen

van een tekst T ekst: De race van de rat 1 De kinderen kunnen moeilijke woorden uit de tekst in wisselrijen lezen. 2 De kinderen kunnen samen lezen met een partner van een ander leesniveau en aanvaarden daarbij elkaars verschillende competentie. 3 De kinderen kunnen de betekenis van moeilijke woorden vanuit de zinscontext of na opzoekwerk in een woordenlijst verklaren. 4 De kinderen kunnen de tekst lezen net alsof ze vertellen. Les 5.2 S amen lezen met aandacht voor vertragen bij moeilijke woorden of zinsdelen T ekst: Verboden een schaar te gebruiken 1 De kinderen kunnen moeilijke woorden uit de tekst in wisselrijen lezen. 2 De kinderen kunnen samen lezen met een partner van een ander leesniveau en aanvaarden daarbij elkaars verschillende competentie. 3 De kinderen kunnen de betekenis van moeilijke woorden vanuit de zinscontext of na opzoekwerk in een woordenlijst verklaren. 4 De kinderen durven te vertragen bij een moeilijk woord of zinsdeel en gebruiken verschillende strategieĂŤn (spellend lezen, woorden splitsen ...) om moeilijke delen uit de tekst te verklanken. Les 5.7 Samen lezen met aandacht voor vertragen bij moeilijke woorden of zinsdelen T ekst: Zapkast 1 De kinderen kunnen moeilijke woorden uit de tekst in wisselrijen lezen. 2 De kinderen kunnen samen lezen met een partner van een ander leesniveau en aanvaarden daarbij elkaars verschillende competentie. 3 De kinderen kunnen de betekenis van moeilijke woorden vanuit de zinscontext of na opzoekwerk in een woordenlijst verklaren. 4 De kinderen durven te vertragen bij een moeilijk woord of zinsdeel en gebruiken verschillende strategieĂŤn (spellend lezen, woorden splitsen ...) om moeilijke delen uit de tekst te verklanken. Les 6.2 Samen lezen met aandacht voor de juiste timing binnen de zin Tekst: Drukke tijden 1 De kinderen kunnen moeilijke woorden uit de tekst in wisselrijen lezen. 2 De kinderen kunnen samen lezen met een partner van een ander leesniveau en aanvaarden daarbij elkaars verschillende competentie. 3 De kinderen kunnen de betekenis van moeilijke woorden vanuit de zinscontext of na opzoekwerk in een woordenlijst verklaren. 4 De kinderen kunnen logische delen samen lezen in een zin en zo een natuurlijke zinsmelodie verkrijgen. Les 6.7 S amen lezen met aandacht voor de juiste timing binnen de zin Tekst: Heet van de naald 1 De kinderen kunnen moeilijke woorden uit de tekst in wisselrijen lezen. 2 De kinderen kunnen samen lezen met een partner van een ander leesniveau en aanvaarden daarbij elkaars verschillende competentie. 3 De kinderen kunnen de betekenis van moeilijke woorden vanuit de zinscontext of na opzoekwerk in een woordenlijst verklaren. 4 De kinderen kunnen logische delen samen lezen in een zin en zo een natuurlijke zinsmelodie verkrijgen. 5 De kinderen kunnen achterhalen of een stukje voorgelezen tekst een nieuwsbericht of reclame is.

Les 7.2 Samen lezen met aandacht voor gemengde leestips

Tekst: Een peuter die dringend moest 1 De kinderen kunnen moeilijke woorden uit de tekst in wisselrijen lezen. 2 De kinderen kunnen samen lezen met een partner van een ander leesniveau en aanvaarden daarbij elkaars verschillende competentie. 3 De kinderen kunnen de betekenis van moeilijke woorden in de zinscontext of na opzoekwerk in een woordenboek verklaren. 4 De kinderen houden rekening met de leestips van Kameleon. 5 De kinderen kunnen in kleine groepjes reflecteren over het leeswerk.

Les: 4.7

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Le 2.2.1.6

Doel 2

*3

*

Doel 3

3.4 3.5

Le 3.2.2

Doel 4

5

Le 3.2.2

Les: 5.2

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Le 2.2.1.6

Doel 2

*3

*

Doel 3

3.4 3.5

Le 3.2.2

Doel 4

4.8

Le 3.2.3

Les: 5.7

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Le 2.2.1.6

Doel 2

*3

*

Doel 3

3.4 3.5

Le 3.2.2

Doel 4

4.8

Le 3.2.3

Les: 6.2

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Le 2.2.1.6

Doel 2

*3

*

Doel 3

3.4 3.5

Le 3.2.2

Doel 4

3.1 3.3

Le 2.3.8

Les: 6.7

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Le 2.2.1.6

Doel 2

*3

*

Doel 3

3.4 3.5

Le 3.2.2

Doel 4

3.1 3.3

Le 2.3.8

Doel 5

8

Le 2.3.8

Les: 7.2

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Le 2.2.1.6

Doel 2

*3

*

Doel 3

3.4 3.5

Le 3.2.2

Doel 4

5 **

Le Ad 12

Doel 5

5 ** 6.5

Le Ad 12


Les 7.7 Samen lezen met aandacht voor gemengde leestips

T ekst: Kukel 1 De kinderen kunnen moeilijke woorden uit de tekst in wisselrijen lezen. 2 De kinderen kunnen samen lezen met een partner van een ander leesniveau en aanvaarden daarbij elkaars verschillende competentie. 3 De kinderen kunnen de betekenis van moeilijke woorden vanuit de zinscontext of na opzoekwerk in een woordenboek verklaren. 4 De kinderen kunnen rekening houden met de leestips van Kameleon. 5 De kinderen kunnen achterhalen of een stukje voorgelezen tekst een nieuwsbericht of reclame is.

Les: 7.7

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Le 2.2.1.6

Doel 2

*3

*

Doel 3

3.4 3.5

Le 3.2.2

Doel 4

5

Le 3.2.3

Doel 5

8

Le 2.3.8

Les 8.2 Samen lezen met aandacht voor gemengde leestips

Les: 8.2

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Le 2.2.1.6

Doel 2

*3

*

Doel 3

3.4 3.5

Le 3.2.2

Doel 4

5 **

Le Ad 12

Doel 5

5 ** 6.5

Le Ad 12

Les: 8.7

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Le 2.2.1.6

Doel 2

*3

*

Doel 3

3.4 3.5

Le 3.2.2

Doel 4

5 **

Le Ad 12

Doel 5

5 ** 6.5

Le Ad 12

Les: 9.2

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Le 2.2.1.6

Doel 2

*3

*

Doel 3

3.4 3.5

Le 3.2.2

Doel 4

5 **

Le Ad 12

Doel 5

5 ** 6.5

Le Ad 12

Les: 9.7

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Le 2.2.1.6

Doel 2

*3

*

Doel 3

3.4 3.5

Le 3.2.2

Doel 4

5 **

Le Ad 12

Doel 5

5 ** 6.5

Le Ad 12

T ekst: Drijven of zinken? Hoger of lager? 1 De kinderen kunnen moeilijke woorden uit de tekst in wisselrijen lezen. 2 De kinderen kunnen samen lezen met een partner van een ander leesniveau en aanvaarden daarbij elkaars verschillende competentie. 3 De kinderen kunnen de betekenis van moeilijke woorden vanuit de zinscontext of na opzoekwerk in een woordenboek verklaren. 4 De kinderen kunnen rekening houden met de leestips van Kameleon. 5 De kinderen kunnen in kleine groepjes reflecteren over het leeswerk. Les 8.7 Samen lezen met aandacht voor gemengde leestips Tekst: De schat van Boudelo 1 De kinderen kunnen moeilijke woorden uit de tekst in wisselrijen lezen. 2 De kinderen kunnen samen lezen met een partner van een ander leesniveau en aanvaarden daarbij elkaars verschillende competentie. 3 De kinderen kunnen de betekenis van moeilijke woorden vanuit de zinscontext of na opzoekwerk in een woordenboek verklaren. 4 De kinderen kunnen rekening houden met de leestips van Kameleon. 5 De kinderen kunnen in kleine groepjes reflecteren over het leeswerk. Les 9.2 Samen lezen met aandacht voor gemengde leestips Tekst: Vuur! 1 De kinderen kunnen moeilijke woorden uit de tekst in wisselrijen lezen. 2 De kinderen kunnen samen lezen met een partner van een ander leesniveau en aanvaarden daarbij elkaars verschillende competentie. 3 De kinderen kunnen de betekenis van moeilijke woorden vanuit de zinscontext of na opzoekwerk in een woordenboek verklaren. 4 De kinderen kunnen rekening houden met de leestips van Kameleon. 5 De kinderen kunnen in kleine groepjes reflecteren over het leeswerk. Les 9.7 Samen lezen met aandacht voor de juiste timing binnen de zin Tekst: Pardaf! 1 De kinderen kunnen moeilijke woorden uit de tekst in wisselrijen lezen. 2 De kinderen kunnen samen lezen met een partner van een ander leesniveau en aanvaarden daarbij elkaars verschillende competentie. 3 De kinderen kunnen de betekenis van moeilijke woorden vanuit de zinscontext of na opzoekwerk in een woordenboek verklaren. 4 De kinderen kunnen rekening houden met de gemengde leestips van Kameleon. 5 De kinderen kunnen in kleine groepjes reflecteren over het eigen leeswerk.

Evaluatie CP 3.2

Afname AVI -testen en eventueel drieminutentoets voor Vlaanderen 1 De kdn kunnen woorden, zinnen op hun niveau correct en vlot hardop lezen.

**

Doelen

ET

VVKBaO

1

Le 2.2.1.1 Le 2.2.1.2 Le2.2.1.4

Les 10.2 Samen lezen met aandacht voor de juiste timing binnen de zin

Tekst: BelgiĂŤ & erwtensoep 1 De kinderen kunnen moeilijke woorden uit de tekst in wisselrijen lezen. 2 De kinderen kunnen samen lezen met een partner van een ander leesniveau en aanvaarden daarbij elkaars verschillende competentie. 3 De kinderen kunnen de betekenis van moeilijke woorden vanuit de zinscontext of na opzoekwerk in een woordenboek verklaren. 4 De kinderen kunnen zender, ontvanger en doel bij een reclametekst aangeven. 5 De kinderen kunnen reflecteren over het waarheidsgehalte van de reclametekst. Les 10.7 Samen lezen met aandacht voor de juiste timing binnen de zin T ekst: Heksenlach 1 De kinderen kunnen moeilijke woorden uit de tekst in wisselrijen lezen. 2 De kinderen kunnen samen lezen met een partner van een ander leesniveau en aanvaarden daarbij elkaars verschillende competentie. 3 De kinderen kunnen de betekenis van moeilijke woorden vanuit de zinscontext of na opzoekwerk in een woordenboek verklaren.

Les: 10.2

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Le 2.2.1.6 Le 2.2.1.7

Doel 2

3.1 3.4

Le 3.2.2

Doel 3

5

Le 2.2.1.3

Doel 4

3.1 6.3

Le 3.1.3

Doel 5

3.6 3.7

Le 3.1.2

Les: 10.7

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Le 2.2.1.6

Doel 2

*3

*

Doel 3

3.4 6.3

Le 3.2.2


Les 11.2 Samen lezen met aandacht voor de juiste timing binnen de zin

Tekst: Blije schapen 1 De kinderen kunnen moeilijke woorden uit de tekst in wisselrijen lezen. 2 De kinderen kunnen samen lezen met een partner van een ander leesniveau en aanvaarden daarbij elkaars verschillende competentie. 3 De kinderen kunnen de betekenis van moeilijke woorden vanuit de zinscontext of na opzoekwerk in een woordenboek verklaren. Les 11.7 Samen lezen met aandacht voor de juiste timing binnen de zin Tekst: Nachtvlinders 1 De kinderen kunnen moeilijke woorden uit de tekst in wisselrijen lezen. 2 De kinderen kunnen samen lezen met een partner van een ander leesniveau en aanvaarden daarbij elkaars verschillende competentie. 3 De kinderen kunnen de betekenis van moeilijke woorden in de zinscontext of na opzoekwerk in een woordenboek verklaren. Les 12.2 Samen lezen met aandacht voor gemengde technische moeilijkheden T ekst: Een onbewoond eiland 1 De kinderen kunnen moeilijke woorden uit de tekst in wisselrijen lezen. 2 De kinderen kunnen samen lezen met een partner van een ander leesniveau en aanvaarden daarbij elkaars verschillende competentie. 3 De kinderen kunnen de betekenis van moeilijke woorden vanuit de zinscontext of na opzoekwerk in een woordenboek verklaren. Les 12.7 Samen lezen met aandacht voor gemengde technische moeilijkheden T ekst: Eindelijk vakantie! 1 De kinderen kunnen moeilijke woorden uit de tekst in wisselrijen lezen. 2 De kinderen kunnen samen lezen met een partner van een ander leesniveau en aanvaarden daarbij elkaars verschillende competentie. 3 De kinderen kunnen de betekenis van moeilijke woorden vanuit de zinscontext of na opzoekwerk in een woordenboek verklaren.

Evaluatie CP 4.2

Afname AVI -testen en eventueel drieminutentoets voor Vlaanderen 1 De kinderen kunnen woorden en zinnen op hun niveau correct en vlot hardop lezen.

Les: 11.2 Doel 1

5

VVKBaO Le 2.2.1.6 Le 2.2.1.7

Doel 2

3.1 3.3

Le 2.3.8

Doel 3

3.4 3.5

Le 3.2.2

Les: 11.7

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Le 2.2.1.6 Le 2.2.1.7

Doel 2

3.1 3.3

Le 2.3.8

Doel 3

3.4 3.5

Le 3.2.2

Les: 12.2

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Le 2.2.1.6 Le 2.2.1.7

Doel 2

3.1 3.3

Le 2.3.8

Doel 3

3.4 3.5

Le 3.2.2

Les: 12.7

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Le 2.2.1.6 Le 2.2.1.7

Doel 2

3.1 3.3

Le 2.3.8

Doel 3

3.4 3.5

Le 3.2.2

Doelen 1

ET

VVKBaO Le 2.2.1.1 Le 2.2.1.2 Le2.2.1.4

OD 59. De leerling ontwikkelt een adequate leesattitude. 67. De leerling leest vlot door directe woord- en woordgroepherkenning. 68. De leerling leest met een goede leeshouding. 69. De leerling leest hardop.

7.Evaluatie: onderwijl verbeteren + bespreken van de tekst mbv een aantal vraagjes. leesgroeptesten met niveaubepaling door de logo’s

Leesgroep Hardop lezen 1.Doelgroep:leesgroep 2.2 x ½ uur 3.

* Losse teksten uit Taalmakker


* films met ondertiteling * mystery-games begeleid spelen en opdrachten lezen * andere ‘talige’ games (kruiswoorden) * eventueel extra begrijpend lezen met ABCDE-pakket 4.Hardop en expressief lezen om beurten. 5 en 6 OD 59. De leerling ontwikkelt een adequate leesattitude. 67. De leerling leest vlot door directe woord- en woordgroepherkenning. 68. De leerling leest met een goede leeshouding. 69. De leerling leest hardop.

7.Evaluatie: onderwijl verbeteren + bespreken van de tekst mbv een aantal vraagjes. leesgroeptesten met niveaubepaling door de logo’s

Begrijpend – studerend – toegepast lezen 1.Doelgroep:klas 8L1 2.2 uren per thema 3.Kameleon 4 4.Steeds samen begeleid teksten doorlopen en bespreken. 5 en 6Hier komen weer tal van OD’s aan bod maar ik noteer enkel diegene die er echt expliciet uitspringen. Vb bij les 1.5: alle OD’s over technisch lezen en vele van begrijpend lezen kun je hierbij sleuren maar enkel 71 springt er echt als ‘speciaal’ uit. Les 1.5 Gemengde opdrachten bij een fictieve en bij een informatieve tekst 1 De kinderen kunnen op basis van de eerste tekstregels over de inhoud van het verhaal vertellen. 2 De kinderen kunnen de tekst op hun niveau vlot lezen. 3 De kinderen kunnen gegevens over de tijd in de tekst opzoeken. 4 De kinderen kunnen relevante informatie uit informatieve teksten over de eigen school opzoeken en noteren. 5 De kinderen kunnen de tekstsoort aanduiden en een bedoeling van de auteur verklaren. 6 De kinderen kunnen het schema met tekstsoorten hanteren.

Les: 1.5

ET

VVKBaO

Doel 1

3.3

Le 2.2.3

Doel 2

5

Le 3.2.3

Doel 3

3.4 3.5

Le 3.2.2

Doel 4

3.4 3.5

Le 3.2.2

Doel 5

5

Le 3.1.3

Doel 6

5

Le 2.3.8

71


Les 1.11 Studerend lezen H et thema en de hoofdgedachte van een tekst bepalen en een syntheseschema aanvullen 1 De kinderen kunnen het thema van een informatieve tekst afleiden uit de titel en de tussentitels. 2 De kinderen kunnen de hoofdgedachtezin aanduiden in een informatieve tekst. 3 De kinderen kunnen vaststellen dat de hoofdgedachtezin (meestal) de eerste zin is van een tekst. 4 De kinderen kunnen belangrijke woorden aanduiden in een tekst. Les 2.5 Informatie opzoeken in een fictieve en een non-fictieve tekst 1 De kinderen kunnen op basis van een introductie over het verhaal vanuit hun voorkennis over samenleven met buren vertellen. 2 De kinderen kunnen de tekst op hun niveau vlot lezen. 3 De kinderen kunnen gegevens in de tekst opzoeken. 4 De kinderen kunnen relevante informatie uit informatieve teksten over gemeentediensten opzoeken en noteren. 5 De kinderen kunnen tekstsoorten aanduiden. Les 2.11 S tuderend lezen Het thema en de hoofdgedachte van een tekst bepalen, een syntheseschema aanvullen 1 De kinderen kunnen het thema van de tekst afleiden uit de titel en tussentitels bij een informatieve tekst. 2 De kinderen kunnen de hoofdgedachtezin aanduiden in een informatieve tekst. 3 De kinderen kunnen vaststellen dat de hoofdgedachtezin (vaak) de eerste zin is van een tekst. 4 De kinderen kunnen de belangrijke woorden aanduiden in een tekst. 5 De kinderen kennen het begrip alinea en kunnen het passend gebruiken. Les 3.5 E en paddenverhaal Opdrachten bij een non-fictietekst 1 De kinderen kunnen op basis van een titel mogelijke inhouden van de tekst geven. 2 De kinderen stellen vast dat een titel doelbewust misleidend kan zijn en kunnen mogelijke redenen verwoorden waarom de schrijver dat doet. 3 De kinderen kunnen gegevens in de tekst opzoeken. 4 De kinderen kunnen in een tekst verwijswoorden aan hun antecedent koppelen. 5 De kinderen kunnen op basis van signaalwoorden aanduiden dat het gaat over een feit of een mening.

Les: 1.11

ET

VVKBaO

Doel 1

3.1 3.3

Le 2.2.3

Doel 2

3.1 3.3

Le 2.2.2

Doel 3

6.5

Le 2.2.2

Doel 4

6.5

Le 2.2.1.5

Les: 2.5

ET

VVKBaO

Doel 1

3.3

Le 2.2.3

Doel 2

5

Le 3.2.3

Doel 3

3.4 3.5

Le 3.2.2

Doel 4

3.4 3.5

Le 3.2.2

Doel 5

5

Le 3.1.3

Les: 2.11

ET

VVKBaO

Doel 1

3.1 3.3

Le 2.2.3

Doel 2

3.1 3.3

Le 2.2.2

Doel 3

6.5

Le 2.2.2

Doel 4

6.5

Le 2.2.1.5

Doel 5

3.1 3.3

Le 2.2.1.8

Les: 3.5

ET

VVKBaO

Doel 1

3.6

Le 2.2.3

53,73

53

53,73

54

3.7 Doel 2

3.6

Le 2.2.3

3.7 Doel 3

3.1

Le 2.3.8

3.3 Doel 4

3.1

Le 2.3.2

3.3 Doel 5

3.5

Le 2.2.2

3.6

Le 2.2.3

3.7

Le 3.2.2

6.5 Les 3.11 Studerend lezen Het thema en de hoofdgedachte v tekst bepalen en een syntheseschema aanvullen 1 De kinderen kunnen het thema van de tekst afleiden uit de titel en tussentitels bij een informatieve tekst. 2 De kinderen kunnen de hoofdgedachtezin aanduiden in een informatieve tekst. 3 De kinderen kunnen vaststellen dat de hoofdgedachtezin vaak de eerste zin is van een tekst. 4 De kinderen kunnen de belangrijke woorden aanduiden in een tekst. Evaluatie 3.1 Evaluatie na thema 1, 2 en 3 1 De kinderen kunnen informatie achterhalen en interpreteren in een voor hen bestemd verhaal. 2 De kinderen kunnen elementen uit het verhaal chronologisch rangschikken. 3 De kinderen kunnen het bijbehorende antecedent koppelen aan het verwijswoord. 4 De kinderen kunnen feiten en meningen onderscheiden.

Les: 3.11

ET

VVKBaO

Doel 1

3.1 3.3

Le 2.2.3

Doel 2

3.1 3.3

Le 2.2.2

Doel 3

6.5

Le 2.2.2

Doel 4

6.5

Le 2.2.1.5

CP 1.2 E en avondje film samenstellen op basis van een filmkrant 1 De kinderen kunnen op basis van een gemengd aanbod teksten een keuze maken uit films. 2 De kinderen kunnen de eerder aangeleerde en geoefende leesvaardigheden toepassen. 3 De kinderen kunnen hun keuze verantwoorden en verwijzen naar bronnenmateriaal dat hun keuze staaft. 4 De kinderen ervaren lezen als functioneel.

CP 1.2

ET

Doel 1

6.2

VVKBaO Le 3.1.2 Le 3.2.1

Doel 2

3.4 3.5

Le 3.2.3

Doel 3

4.8 6.1

Le 3.2.3

Doel 4

3.4 3.5

Le 3.2.1

53,73

Doel/ opdracht

ET

VVKBaO

1/1, 2, 6

3.4 3,5

Le 2.2.2/3

2/3

3.3 3,5

Le 2.2.2/3

3/4

3.1 3,3

Le 2.3.2 Le 2.2.2/3 3.5 3.7 3.6 6.5 3.2.2

4/5


Les 4.5 K ennismaken met striptechnieken 1 De kinderen maken kennis met een overzichtsbeeld, een tusseninbeeld en een close-up en kunnen de functionaliteit van die beelden in strips verwoorden. 2 De kinderen maken kennis met de verschillende vormen van perspectief in strips en kunnen de functionaliteit ervan in strips verwoorden. Les 4.11 V rij lezen 1 De kinderen kunnen met plezier een verhaal naar keuze lezen. 2 De kinderen kunnen reflecteren over het verhaal: ze verwoorden of het verhaal aan de verwachtingen voldeed en waarom dat wel/niet zo was. 3 De kinderen kunnen elkaar tips geven over goede boeken, per genre.

Les: 4.5

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Le 3.2.1

Doel 2

5

Le 2.3.8

Les: 4.11

ET

VVKBaO

Doel 1

4.8

Le 3.2.2

Doel 2

6.2 6.3

Le 3.2.1

Doel 3

3.6 3.7

Le 3.2.3

Les 5.5 Informatie opzoeken T ekst: Een pruik en paarse lippen 1 De kinderen kunnen hun voorkennis in verband met toneelspelen verwoorden. 2 De kinderen kunnen een tekst op hun niveau vlot lezen. 3 De kinderen kunnen gegevens in een tekst opzoeken. 4 De kinderen kunnen van zinnen aangeven of ze letterlijk of figuurlijk bedoeld worden. 5 De kinderen kunnen de tekstsoort aanduiden. 6 De kinderen kunnen een rol aanduiden in een stukje toneeltekst. 7 De kinderen durven een rol expressief naar voren te brengen.

Les: 5.5

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Le 2.2.3

Doel 2

5

Le 2.2.1.7

Doel 3

3.6 3.7

Le 3.2.1

Doel 4

3.4 3.5

Le 2.2.1.5

Doel 5

5

Le 2.2.3

Doel 6

5

Le 2.2.3

Doel 7

3.6 3.7

Le 2.3.6

Les: 5.11

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Le 3.2.2

Doel 2

5

Le 3.2.2

Doel 3

5

Le 3.2.2

Doel 4

5

Le 3.2.2

Doel 5

5

Le 3.2.2

Les: 6.5

ET

VVKBaO

Doel 1

4.8 5 6.5

Le 2.2.1.8

Doel 2

5

Le 2.2.1.7

Doel 3

3.6 3.7

Le 3.2.1

Doel 4

4.8 6.2

Le 2.3.5

Doel 5

4.8 6.2

Le 2.3.8

Les 5.11 O efenen met een woordenboek 1 De kinderen kunnen enkele kenmerken van een woordenboek geven. 2 De kinderen kunnen verwoorden welke gegevens in een woordenboek staan. (betekenis – genus – werkwoordsvormen) 3 De kinderen kunnen woordbetekenissen opzoeken in een deel van een woordenboek. 4 De kinderen kunnen een stappenplan maken over hoe ze in hun woordenboek snel kunnen opzoeken. 5 De kinderen ervaren dat de lay-out helpt om goed te kunnen werken met een woordenboek en kunnen dat verwoorden. Les 6.5 Aan de slag met een instructie 1 De kinderen kunnen vormkenmerken van een instructie verwoorden. 2 De kinderen kunnen de tekst op hun niveau vlot lezen. 3 De kinderen kunnen gegevens in de tekst opzoeken. 4 De kinderen kunnen zender, ontvanger, bedoeling van de zender verwoorden. 5 De kinderen kunnen woordtaal en beeldtaal aan elkaar koppelen. 6 De kinderen geven aan dat een instructie geïllustreerd met beeldtaal meestal veel duidelijker is.

Doel 6

4.8 6.5

Le 2.3.9

Les 6.11 Studerend lezen Het thema en de hoofdgedachte bepalen, een syntheseschema aanvullen 1 De kinderen kunnen het thema van de tekst afleiden uit de titel en tussentitels bij een informatieve tekst. 2 De kinderen merken dat de vragen in een vraaggesprek of interview fungeren als tussentitels. 3 De kinderen kunnen vaststellen dat de hoofdgedachtezin meestal de eerste zin na de vraag is. 4 De kinderen kunnen de vraag en bijbehorende hoofdgedachte markeren en noteren. 5 De kinderen reflecteren over het studerend lezen tot hiertoe. Ze geven aan wat vlot loopt en wat minder vlot loopt. Ze verwoorden wat deze methodiek voor hen betekent. Evaluatie 6.1 Evaluatie na thema 4, 5 en 6 1 De kinderen kunnen letterlijk en figuurlijk taalgebruik benoemen. 2 De kinderen kunnen het bijbehorende antecedent koppelen aan het verwijswoord. 3 De kinderen kunnen het communicatieschema toepassen op een instructie. 4 De kinderen kunnen de begrippen overzichtsbeeld en close-up onderscheiden en benoemen.

Les: 6.11

ET

VVKBaO

Doel 1

3.1 3.3

Le 3.2.2

Doel 2

5

Le 2.3.8

Doel 3

5

Le 2.3.8

Doel 4

5

Le 3.2.2

Doel 5

6.1 6.5

Le 3.2.3

CP 2.2 C adeautjes kiezen uit een reclamekrant 1 De kinderen kunnen op basis van een gemengd aanbod teksten een keuze maken uit cadeautjes. 2 De kinderen kunnen hun keuze verantwoorden en verwijzen naar bronnenmateriaal dat hun keuze staaft. 3 De kinderen ervaren lezen als functioneel.

Doel

ET

VVKBaO

1/1

6.2 6.3 6.5

Le 2.2.2 Le 2.2.3

2/2

3.1 3.3

3/3

Le 2.2.2 Le 2.2.3 Le 2.3.1 Le 2.3.2 Le 3.1 3.4 6.4 2.3.3

4/4

3.3 6.4

Le 2.2.2 Le 2.2.3

CP 2.2

ET

Doel 1

6.2

VVKBaO Le 3.1.2 Le 3.2.1

Doel 2

4.8 6.1

Le 3.2.3

Doel 3

3.4 3.5

Le 3.2.1

71

59

53,54, 56

55

56

73


Evaluatie CP 2.2 Afname AVI -testen en eventueel drieminutentoets voor Vlaanderen 1 De kinderen kunnen woorden en zinnen op hun niveau correct en vlot hardop lezen. Les 7.5 De geschiedenis van Bonifaas 1 De kinderen kunnen hun voorkennis over ‘leven in het koninklijk paleis 150 jaar geleden’ mobiliseren. 2 De kinderen kunnen de tekst op hun niveau vlot lezen. 3 De kinderen kunnen gegevens in de tekst opzoeken. 4 De kinderen kunnen het antecedent van het verwijswoord noteren. 5 De kinderen kunnen aangeven of elementen uit het verhaal fantasie of werkelijkheid zijn. 6 De kinderen kunnen de tekstsoort benoemen. Les 7.11 Studerend lezen H et thema en de hoofdgedachte bepalen, een syntheseschema aanvullen 1 De kinderen kunnen het thema van de tekst afleiden uit de titel en tussentitels bij een informatieve tekst. 2 De kinderen kunnen de hoofdgedachtezin aanduiden in een informatieve tekst. 3 De kinderen kunnen sleutelwoorden aanduiden in een tekst. Les 8.5 Machtige krachten 1 De kinderen kunnen aandachtig luisteren naar het verhaal over Isaac Newton. 2 De kinderen kunnen de tekst op hun niveau vlot lezen. 3 De kinderen kunnen gegevens in de tekst opzoeken. 4 De kinderen kunnen relaties doel-middel aanvullen. 5 De kinderen kunnen betekenisvolle woorden opzoeken. 6 De kinderen kunnen de tekstsoort benoemen.

Les 8.11 Studerend lezen H et thema en de hoofdgedachte bepalen en een syntheseschema aanvullen T ekst: De dag van de geleerden 1 De kinderen kunnen het thema van de tekst afleiden uit de titel en tussentitels bij een informatieve tekst. 2 De kinderen kunnen de hoofdgedachtezin aanduiden in een informatieve tekst. 3 De kinderen kunnen de belangrijke woorden aanduiden in een tekst. Les 9.5 Een weerbericht uit de zomervakantie 1 De kinderen kunnen hun voorkennis in verband met weerberichten mobiliseren. 2 De kinderen kunnen tabellen en kaarten in verband met het weer lezen. 3 De kinderen kunnen temperaturen en de weersgesteldheid in de tabellen opzoeken. 4 De kinderen kunnen de legende vinden en de pictogrammen daarmee verklaren. 5 De kinderen kunnen een actuele temperatuur van een bestemming in Europa opzoeken. 6 De kinderen kunnen de tekstsoort benoemen.

1

Le 2.2.1.1 Le 2.2.1.2 Le2.2.1.4

Les: 7.5

ET

Doel 1

5

VVKBaO Le 2.2.3 Le 3.2.3

Doel 2

5

Le 2.2.1.6

Doel 3

3.6 3.7

Le 3.2.2

Doel 4

3.1 3.3

Le 2.2.1.5

Doel 5

3.6 3.7

Le 2.3.3

Doel 6

3.4 3.5

Le 2.3.8

Les: 7.11

ET

VVKBaO

Doel 1

3.1 3.3

Le 3.2.2

Doel 2

5

Le 2.3.8

Doel 3

3.1 3.3

Le 2.2.1.5

Les: 8.5

ET

VVKBaO

Doel 1

4.8

L Ad 19

Doel 2

5

Le 2.2.1.6

Doel 3

3.6 3.7

Le 3.2.2

Doel 4

3.1 3.3

Le 2.2.3

Doel 5

3.4 3.5

Le 2.3.8

Doel 6

5

Le 2.3.8

Les: 8.11

ET

VVKBaO

Doel 1

3.1 3.3

Le 2.2.3

Doel 2

3.1 3.3

Le 2.2.3

Doel 3

3.1 3.3

Le 2.2.1.5

Les: 9.5

ET

VVKBaO

Doel 1

3.4

Le 2.2.3

53,54

73

53,54, 71

55,71

3.5 5 Doel 2

3.6

Le 2.2.2

3.7 Doel 3

3.6

Le 2.2.2

3.7 Doel 4

3.1

Le 2.2.2

3.3 Doel 5

3.6

Le 2.2.2

3.7 Les 9.11 Een tekst dramatiseren T ekst: Mijnheer Bach! Mijnheer Bach! 1 De kinderen kunnen de tekst expressief in rollen lezen en spelen. 2 De kinderen kunnen de aanwijzingen omzetten in spel.

Doel 6

5

Le 2.3.8

Les: 9.11

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Le 2.3.8

Doel 2

4.8

Le 3.2.2

6.5

52,56


Evaluatie 9.1 Opdrachten bij een weerbericht 1 De kinderen kunnen gegevens opzoeken in een weerbericht. 2 De kinderen kunnen een weerbericht benoemen als een zakelijke, informatieve tekst.

Doel/opdracht

ET

VVKBaO

1/1

3.2

Le 2.2.2 Le 2.2.3 Le 3.2.1 Le 3.2.2

2/2

6.3

Le 2.3.8

6.5 CP 3.2 O ver leven in de middeleeuwen – (eenvoudig) forumlezen 1 De kinderen kunnen een informatieve tekst in een groepje lezen. 2 De kinderen kunnen moeilijke woorden uit de tekst opzoeken. 3 De kinderen kunnen de belangrijkste gegevens uit de tekst noteren. 4 De kinderen kunnen kort vertellen aan de klasgenoten wat ze gelezen hebben.

CP 3.2

ET

VVKBaO

Doel 1

3.1 3.3

Le 2.3.8

Doel 2

3.4 3.5

Le 2.2.1.5

Doel 3

3.4 3.5 5

Le 3.2.2

Doel 4

3.6 3.7

Le 3.2.2

Les 10.5 Gemengde opdrachten bij een verhalende tekst Tekst: In de supermarkt 1 De kinderen kunnen de inhoud van de tekst voorspellen op basis van de eerste drie zinnen van het verhaal. 2 De kinderen kunnen de tekst technisch vlot lezen. 3 De kinderen kunnen synoniemen aanduiden van het werkwoord ‘zeggen’ en kunnen de gevoelswaarde ervan achterhalen. 4 De kinderen kunnen vanuit de tekst aanvullen wie het doet. 5 De kinderen kunnen zinnen aanvullen met oorzaken of gevolgen. 6 De kinderen kunnen antwoorden opzoeken in de tekst. 7 De kinderen kunnen de tekstsoort benoemen. Les 10.11 Over lezers ... leespromotie! 1 De kinderen kunnen op basis van de tekst een gesprek beginnen waar ze lezen, waarom ze lezen en welk type lezer ze zijn. 2 De kinderen ervaren dat er vele manieren van lezen zijn en dat iedereen op zijn eigen manier lezen leuk vindt. Les 11.5 Nadenken over zender-ontvanger-boodschap Tekst: Opa zwijgt 1 De kinderen kunnen de schrijver van een korte tekst herkennen en benoemen. 2 De kinderen kunnen de bedoeling van de schrijver verwoorden. 3 De kinderen kunnen de beoogde lezer (ontvanger) van de schrijver aanduiden. 4 De kinderen kunnen de tekstsoort benoemen.

Les: 10.5

ET

VVKBaO

Doel 1

5

Le 2.2.3

Doel 2

5

Le 2.2.1.7 Le 3.2.3

Doel 3

3.3 6.3

Le 3.1.2

Doel 4

3.3 6.3

Le 2.2.3

Doel 5

3.1 3.3

Le 2.1

Doel 6

3.4 3.5

Le 3.2.2

Doel 7

5

Le 2.3.8

Les: 10.11

ET

VVKBaO

Doel 1

2.3 2.6

S 1.30

Doel 2

4.8

Le 3.2.2

Les: 11.5

ET

VVKBaO

Doel 1

3.1 3.3

Le 2.3.1

Doel 2

5

Le 2.3.5

Doel 3

5

Le 2.3.4

Doel 4

3.6 3.7

Le 2.3.8

Les 11.11 Studerend lezen H et thema en de hoofdgedachte van een tekst bepalen, een syntheseschema aanvullen 1 De kinderen kunnen het thema van de tekst afleiden uit de titel en tussentitels bij een informatieve tekst. 2 De kinderen kunnen de hoofdgedachtezin aanduiden in een informatieve tekst. 3 De kinderen kunnen belangrijke woorden aanduiden in een tekst. Les 12.5 Reclameboodschappen 1 De kinderen kunnen verwoorden dat reclame probeert om mensen iets te laten kopen, doen ... 2 De kinderen kunnen aangeven hoe de reclame de aandacht trekt van de lezer. 3 De kinderen kunnen het communicatieschema toepassen op de reclameteksten.

Les: 11.11

ET

VVKBaO

Doel 1

3.1 3.3

Le 2.2.3

Doel 2

3.1 3.3

Le 2.2.3

Doel 3

3.4 3.5 5

Le 2.2.3

Les: 12.5

ET

VVKBaO

Doel 1

3.6

Le 2.2.2

53,71

59

71

73

9, 53,57

3.7 Doel 2

Doel 3

3.6

Le 2.2.2

3.7

Le 3.1.2

6.1

Le 2.3

6.5 Les 12.11 Vrij lezen 1 De kinderen kunnen met plezier een verhaal naar keuze lezen.

Les: 12.11

ET

VVKBaO

Doel 1

4.8

Le 3.2.2

Evaluatie 12.1 Tekstkenmerken 1 De kinderen kunnen zender, ontvanger en het waarom van de boodschap formuleren. 2 De kinderen kunnen teksttypes benoemen.

Doel/opdracht

ET

VVKBaO

1 en 2/1

6.4

Le 2.3

53,57, 71


CP 4.2 Een uitstapje plannen 1 De kinderen kunnen een informatieve tekst in een groep lezen. 2 De kinderen kunnen moeilijke woorden uit de tekst opzoeken. 3 De kinderen kunnen samen het leukste uitstapje uitkiezen. 4 De kinderen kunnen samen het leukste, gebudgetteerde uitstapje kiezen. 5 De kinderen kunnen samen het leukste uitstapje voor de leerkracht kiezen en motiveren waarom dat zo is.

CP 4.2

ET

VVKBaO

Doel 1

3.4 3.5 5

Le 2.2.1.5

Doel 2

3.4 3.5

Le 2.3.8

Doel 3

4.8

Le 3.2.2

Doel 4

4.8

Le 3.2.2

Doel 5

4.8

Le 3.2.2

7.Evaluatie: mbv syntheseblaadjes uit het kopieerboek van ‘Wie dit leest C’ met punten. Taalgebruik Informatie achterhalen op het verwerkingsniveau beschrijven 52 De leerling begrijpt een geschreven tekst. 53

De leerling kan informatie achterhalen uit teksten, ze beoordelen en functioneel gebruiken.

Informatie ordenen op het verwerkingsniveau structureren 54 De leerling vindt en herkent elementen en relaties in de tekst. 55

De leerling raadpleegt bronnen en haalt er informatie uit.

56

De leerling past gebruiksaanwijzingen en instructies toe. Informatie ordenen op het verwerkingsniveau beoordelen.

57

De leerling beoordeelt een tekst.

Taalbeschouwing 58

De leerling begrijpt de variatie in taalgebruik tussen zakelijke teksten, verhalende teksten en poëzie.

Leesattitudes 59

De leerling ontwikkelt een adequate leesattitude.

60

De leerling is bereid te reflecteren over zijn leesgedrag.

Taalvorm 63

De leerling begrijpt morfologische aspecten.

64

De leerling begrijpt de structuur van een zin.

Leestechnische aspecten 68 De leerling leest met een goede leeshouding. 69

De leerling leest hardop.

Taalinhoud 70

De leerling maakt onderscheid tussen verschillende soorten zinnen.

71

De leerling maakt onderscheid tussen verschillende tekstsoorten.

72

De leerling legt relaties tussen zinnen in een tekst.

73

De leerling haalt de hoofdgedachte uit een tekst.


Taalbeschouwing 1.Doelgroep:klas 8L1 2.2 uur per thema 3.Kameleon 4 4.Samen overlopen, oplossen en bespreken 5 en 6 Het is duidelijk dat heel wat OD’s hier ingang vinden. Ik beperk me tot diegene die expliciet beoogd worden in de les. Vb les 1.3: 1,2,3,9,17,18,19-33,39,40,46,47,48,51,52,54,58,63,64,77,86,87,88,90 en ik beperk me tot

Les 1.3 Verbale en niet-verbale communicatie 1 De kinderen kunnen van een gesproken en een geschreven boodschap zeggen wat de bedoeling is van de zender en voor wie de boodschap is bedoeld. 2 De kinderen begrijpen de verbale en niet-verbale boodschappen. 3 De kinderen kunnen een niet-verbale boodschap herkennen en interpreteren. Les 1.8 Klinkers en medeklinkers 1 De kinderen kunnen de klinkers en medeklinkers van een woord ordenen in een schema. 2 De kinderen kunnen woorden vormen met gegeven klinkers en medeklinkers. 3 De kinderen kunnen met de letters van een gegeven woord een ander betekenisvol woord maken. 4 De kinderen kunnen woorden alfabetisch rangschikken. 5 De kinderen begrijpen de termen alfabet, klinker, medeklinker, kort of lang, tweeklank en doffe e en kunnen die zelf gebruiken. Les 1.10 Woorden splitsen 1 De kinderen kunnen woorden splitsen. 2 De kinderen kunnen met gegeven lettergroepen woorden vormen. 3 De kinderen weten hoe ze bij splitsen in lettergrepen opeenvolgende medeklinkers verdelen over de lettergrepen. 4 De kinderen kunnen woorden alfabetisch rangschikken. les 2.3 herhalingsles: onderwerp en wat erover wordt gezegd, congruentie tussen onderwerp en persoonsvorm 1 De kinderen herhalen de begrippen onderwerp, wat erover het onderwerp wordt gezegd en persoonsvorm. 2 De kinderen kunnen die begrippen in zinnen aanduiden. 3 De kinderen weten dat onderwerp en persoonsvorm overeenkomen in persoon en getal (congruentie). 4 De kinderen kunnen bij een onderwerp de passende persoonsvorm schrijven. 5 De kinderen kunnen bij een persoonsvorm een passend onderwerp schrijven Les 2.8 Soorten zinnen 1 De kinderen kunnen de drie communicatiefuncties van een zin benoemen: een mededeling doen, een vraag stellen, een bevel geven. 2 De kinderen weten dat uitroepende zinnen emoties uitdrukken en kunnen dat illustreren. 3 De kinderen kunnen de passende leestekens bij de verschillende soorten zinnen aanduiden. 4 De kinderen weten dat zinnen een eigen tonaliteit hebben en kunnen die herkennen. 5 De kinderen herkennen onvolledige zinnen en kunnen de boodschap ervan verklaren en/of aanvullen.

Eindterm

VVKBaO

OD’s

6.5/6.6/6.7.7

Tb. 3.1 tot 3.18

9,77,86,87,8 8,90

6.5/6.7.1

Tb. 6.3/7.1 Tb. 24

17,62,63,90

6.5

Tb. 9.2

77

6.5 /6.7.4

Tb. 14.5/6/7

47,48,50,87, 88

6.5

Tb. 14.4 Tb. 3.19


les 2.10 woordsoorten: lidwoord, eigennaam en zelfstandig naamwoord genus, enkelvoud en meervoud 1 De kinderen herkennen het zelfstandig naamwoord. 2 De kinderen weten dat je voor een zelfstandig naamwoord een lidwoord kunt zetten en kunnen dat illustreren. 3 De kinderen kunnen het genus van zelfstandige naamwoorden zoeken om het juiste verwijswoord te gebruiken. 4 De kinderen kunnen het meervoud en/of het enkelvoud van een zelfstandig naamwoord vormen. 5 De kinderen kennen de termen zelfstandig naamwoord, lidwoord, enkelvoud en meervoud en kunnen die gebruiken. les 3.3 woordsoorten, eigennamenen hoofdletters 1 De kinderen kennen het begrip eigennaam en kunnen dat op hun niveau verklaren. 2 De kinderen herkennen eigennamen in een zin of tekst en kunnen die aanduiden. 3 De kinderen weten dat een eigennaam met een hoofdletter wordt geschreven, met uitzondering van de namen van dagen en maanden. les 3.8 zelfde letter, andere klank,zelfde klank, andere letter 1 De kinderen herkennen klanken die gelijk klinken maar met (een) andere letter(s) worden geschreven en kunnen die aanduiden. 2 De kinderen herkennen verschillende letters die op dezelfde wijze worden uitgesproken en kunnen die aanduiden. 3 De kinderen kunnen de spellingafspraken correct toepassen.

6.5/6.7.3

Tb. 10.1/2/3/ 4

46,47,48,50, 86,87,88

6.5/6.7.2/3

Tb. 10.2

47,48,50,87, 88,90

6.5

Tb. 7.3

90

Les 3.10 Onderwerp, wat er over het onderwerp wordt gezegd en persoonsvorm: herhaling envastzetting 1 De kinderen kunnen de begrippen onderwerp, wat er over het onderwerp wordt gezegd en persoonsvorm in een zin aanduiden. 2 De kinderen weten dat onderwerp en persoonsvorm overeenkomen in persoon en getal (congruentie) en kunnen dat toepassen. 3 De kinderen kunnen een onderwerp uitbreiden van een woord naar een woordgroep. 4 De kinderen kunnen een zin met een onderwerp in het enkelvoud herschrijven in het meervoud. 5 De kinderen kunnen een zin uitbreiden met meer informatie. Evaluatie 3.2 Evaluatie na thema 1, 2 en 3 1 De kinderen kunnen klanken analyseren en synthetiseren tot nieuwe woorden. 2 De kinderen kunnen met de letters van een gegeven woord een ander zinvol woord vormen. 3 De kinderen kunnen een woord bedenken dat past volgens een schema met klinkers en medeklinkers. 4 De kinderen herkennen andere letters met dezelfde klank. 5 De kinderen herkennen dezelfde letters met een andere klank. 6 De kinderen kunnen een woord splitsen. 7 De kinderen herkennen een zelfstandig naamwoord in een zin. 8 De kinderen herkennen een eigennaam in een zin. 9 De kinderen kunnen een passend woord dat verwijst gebruiken. 10 De kinderen kunnen woorden alfabetisch rangschikken, wanneer de beginletter van het woord dezelfde is. 11 De kinderen kunnen de boodschap in een zin benoemen als een mededeling, vraag, een uitroep. 12 De kinderen herkennen een bevelende zin die ook een uitroep is. 13 De kinderen kunnen het onderwerp aanduiden in een zin. 14 De kinderen kunnen in een zin aanduiden wat er over het onderwerp wordt gezegd. 15 De kinderen kunnen de persoonsvorm aanduiden in een zin. 16 De kinderen kunnen het onderwerp aanpassen van een woord naar een woordgroep. 17 De kinderen kunnen een onderwerp kiezen dat past bij een persoonsvorm. (toepassen van de congruentie) CP 1.3 Herhaling 1 De kinderen kunnen gegeven woorden koppelen aan het passende schema van klinkers en medeklinkers. 2 De kinderen kunnen woorden vormen met gegeven letters. 3 De kinderen kunnen woorden alfabetisch rangschikken tot op de derde letter. 4 De kinderen kunnen woorden splitsen.

6.5/6.7.4

Tb. 14.5/6/7

46,47,48,50, 86,87,88

ET

VVKBaO

1/1

6.5

Tb.6.3/Tb.6.4

2/2

6.5

Tb.6.3/Tb.6.4

3/3

6.5

Tb.6.3/Tb.6.4

4/4

6.5

Tb.7.3

5/5

6.5

Tb.6.5

6/6

6.5

Tb.9.2

7/7

6.5 6.7/3

Tb.10.1

8/7

6.5 6.7/3

Tb.10.2

9/8

6.5

Tb.20.2

10/9

6.5 6.7/2

Tb.24.3/Tb.24.4

11/10

6.5

Tb.14.4

12/10

6.5

Tb.14.4

13/11

6.7.4

Tb.14.4

14/11

6.5

Tb.14.8/Tb.14.9

15/11

6.5 6.7/3

Tb.14.7

16/12

6.5 6.7/4

Tb.14.5

17/13

6.5 6.7/3

Tb.14.7

Herhaling van de doelen uit thema 1, 2 en 3

Herhaling van de doelen uit thema 1, 2 en 3


5 De kinderen kunnen in een zin zelfstandige naamwoorden en eigennamen aanduiden. 6 De kinderen kunnen in een zin het onderwerp, wat er over het onderwerp wordt gezegd en de persoonsvorm aanduiden. 7 De kinderen kunnen het onderwerp vervangen en indien nodig de persoonsvorm aanpassen. CP 1.6 Taalschat uit thema 1, 2 en 3 1 De kinderen herkennen de betekenis van de woorden, uitdrukkingen en zegswijzen en kunnen die passend gebruiken. 2 De kinderen kunnen woorden, uitdrukkingen en zegswijzen volgens hun correcte betekenis gebruiken. 3 De kinderen kunnen een woordenlijst raadplegen. Evaluatie CP 1.1 T aalschat thema 1, 2 en 3 1 De kinderen kunnen de betekenis van woorden aanduiden. 2 De kinderen kunnen een woord kiezen in een woordenlijst dat past binnen de context van een zin. 3 De kinderen kunnen een woord verbinden met zijn synoniem. 4 De kinderen kunnen een woord verbinden met zijn tegengestelde. 5 De kinderen kunnen de betekenis van een woord of zegswijze verklaren. 6 De kinderen kunnen de betekenis van een woord of zegswijze te weten komen door het op te zoeken. les 4.3 bijvoeglijke naamwoorden 1 De kinderen kunnen in een zin bijvoeglijke naamwoorden bij een zelfstandig naamwoord aanduiden. 2 De kinderen kunnen de term bijvoeglijk naamwoord passend gebruiken. 3 De kinderen kunnen een passend bijvoeglijk naamwoord bij een zelfstandig naamwoord voegen. 4 De kinderen weten dat door bijvoeglijke naamwoorden toe te voegen de boodschap in een zin duidelijker wordt en kunnen dat verwoorden. 5 De kinderen kunnen bijvoeglijke naamwoorden vervangen en het effect op de boodschap van de zin verduidelijken, bv. door de trappen van vergelijking te gebruiken of door een bijvoeglijk naamwoord te vervangen door een tegengestelde. 6 De kinderen weten dat je een bijvoeglijk naamwoord in een zin kunt weglaten en toch de essentie van de boodschap bewaren, en kunnen dat illustreren. les 4.8 Substitutie van onderwerp en persoonsvorm congruentie tussen onderwerp en persoonsvorm 1 De kinderen kunnen in een zin van een woord een woordgroep maken en omgekeerd en, indien nodig, andere woorden in de zin aanpassen. 2 De kinderen kunnen in een zin werkwoorden herkennen. 3 De kinderen kunnen het onderwerp als een woord of woordgroep aanduiden. 4 De kinderen weten dat in een zin ĂŠĂŠn of meer werkwoorden kunnen voorkomen en kunnen die aanduiden. 5 De kinderen kunnen de congruentie tussen onderwerp en persoonsvorm toepassen bij het aanvullen van zinnen. 6 De kinderen kunnen onderwerp en persoonsvorm in een zin aanduiden. 7 De kinderen kunnen de termen infinitiefvorm, stam en uitgang in de context van de congruentie tussen onderwerp en persoonsvorm passend gebruiken. les 4.10 verkleinwoorden 1 De kinderen kunnen verkleinwoorden in een zin aanduiden. 2 De kinderen kunnen verkleinwoorden vormen met de achtervoegsels -je, -pje, -tje, -kje en -etje. 3 De kinderen kunnen de nuances in een boodschap door het gebruik van verkleinwoorden verklaren. 4 De kinderen kunnen rekening houden met de spellingregels bij de vorming van verkleinwoorden. 5 De kinderen kunnen lokale varianten op de verkleinwoordvorming herkennen en omzetten naar AN. les 5.3 samenstellingen en afleidingen 1 De kinderen herkennen een samenstelling en kunnen die benoemen. 2 De kinderen herkennen een afleiding en kunnen die benoemen. 3 De kinderen kunnen samenstellingen vormen. 4 De kinderen kunnen afleidingen vormen met een gegeven grondwoord en een voor- of achtervoegsel.

6.5/6.6/6.7.5

Tb. 20.21.2

21

21,24,51 1/1

6.5

Tb.19.2

2/5, 6, 7

6.5

Tb.19.4

3/2

6.5

Tb.20.2

4/3

6.5

Tb.20.4

5/4, 8 6/5, 6, 7, 8

6.5

Tb.21.2

6.5

Tb.19.4

6.5/6.7.3

Tb. 12.1/2 46,47,48,50, 86,87,88

6.5/6.7.4

Tb. 14.6/7/10

46,47,48,50, 86,87,88,90

6.5/6.6/6.7.3

Tb. 10.5/6/7 Tb. 3

86,90

6.5/6.7.3

Tb. 9.3/4

86,90


5 De kinderen weten dat er een betekenisverschil is tussen de samenstelling en de afzonderlijke woorden van een samengesteld woord en passen dat toe. 6 De kinderen weten dat er een betekenisverschil is tussen het grondwoord en de afleidingen ervan en kunnen dat toepassen. 7 De kinderen kunnen de termen voor- en achtervoegsel correct gebruiken. les 5.8 zinsdelen afbakenen zinnen uitbreiden en afbouwen 1 De kinderen kunnen zinsdelen in een zin afbakenen. 2 De kinderen kunnen een zin uitbreiden met zinsdelen. 3 De kinderen kunnen zinsdelen uit een zin schrappen, maar toch de essentie van de boodschap bewaren. 4 De kinderen kunnen zinsdelen verplaatsen en het effect ervan op de boodschap toelichten. les 5.10 tegenwoordige tijd en verleden tijd 1 De kinderen herkennen de tegenwoordige en verleden tijd en kunnen die benoemen. 2 De kinderen kunnen met ondersteuning een tekst in de tegenwoordige tijd omzetten naar verleden tijd en omgekeerd. 3 De kinderen weten wat de stam en de infinitief zijn en kunnen die vormen. 4 De kinderen kunnen werkwoorden aanduiden die in de verleden tijd - van klank veranderen; - niet van klank veranderen. 5 De kinderen kunnen de congruentie tussen onderwerp en persoonsvorm toepassen. 6 De kinderen kunnen de begrippen werkwoord, persoonsvorm, onderwerp, stam, uitgang, infinitiefvorm correct gebruiken. les 6.3 over rijmen, ritme, dichters en gedichten 1 De kinderen weten dat er gedichten zijn met rijm en zonder rijm. 2 De kinderen herkennen eindrijm en beginrijm en kunnen dat aanduiden. 3 De kinderen weten dat een gedicht meestal een ritme heeft. 4 De kinderen weten dat er geen vaste taal- en spellingregels zijn bij het schrijven van een gedicht. 5 De kinderen houden rekening met de afspraken bij het expressief lezen van een gedicht. 6 De kinderen kennen de term poĂŤzie en kunnen die passend gebruiken. 7 De kinderen waarderen en genieten van poĂŤzie. Les 6.8 Standaardtaal en dialect, Algemeen Nederlands en taalvarianten 1 De kinderen herkennen standaardtaal van regionale varianten en kunnen dat aanduiden. 2 De kinderen kunnen duiden wanneer en waarom ze standaardtaal gebruiken. 3 De kinderen kunnen woorden ordenen volgens de criteria Vlaams en NoordNederlands. Les 6.10 Onderwerp, persoonsvorm en wat er over het onderwerp wordt gezegd W erkwoordgroep 1 De kinderen kunnen de werkwoorden in een zin aanduiden en benoemen als werkwoordgroep. 2 De kinderen kunnen in een werkwoordgroep in een zin de persoonsvorm aanduiden. 3 De kinderen kunnen onderwerp en wat er over het onderwerp wordt gezegd aanduiden in een zin. 4 De kinderen kunnen passend gebruikmaken van de congruentie tussen onderwerp en persoonsvorm. Evaluatie 6.2 Evaluatie na thema 4, 5 en 6 1 De kinderen kunnen in een zin een bijvoeglijk naamwoord aanduiden. 2 De kinderen kunnen in een zin een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord aanduiden (facultatief). 3 De kinderen kunnen een verkleinwoord vormen. 4 De kinderen kunnen een samenstelling vormen, wanneer een samenstellend woord is gegeven. 5 De kinderen kunnen een afleiding vormen, wanneer voor- en achtervoegsels en grondwoorden zijn gegeven. 6 De kinderen kunnen een passend rijmwoord kiezen uit een gegeven aanbod. 7 De kinderen kunnen een (Noord-)Nederlands woord vinden voor een meer typisch Vlaams woord. 8 De kinderen kunnen zinsdelen afbakenen. 9 De kinderen kunnen in een zin een onderwerp aanduiden. 10 De kinderen kunnen in een zin een persoonsvorm aanduiden. 11 De kinderen kunnen een persoonsvorm aanpassen aan het onderwerp van een zin.

6.5/6.7.4

Tb.14 Tb. 3

46,47,48,50, 86,87,88

6.5/6.7.3

Tb. 13.8/9 86,90

6.5/6.7.1

Tb. 8

51

6.5/6.7.7

Tb. 3.20

13

6.5/6.7.4

Tb.14.7/8

46,47,48,50, 86,87,88

1/1

6.5 6.7/3

Tb.12.1

2/2

6.5 6.7/3

Tb.12.1

3/3

6.5 6.7/3

Tb.10.6

4/4

6.5 6.7/3

Tb.9.2/Tb.9.3

5/5

6.5 6.7/3

Tb.9.2/Tb.9.4

6/6

6.5 6.7/2

Tb 8

7/7

6.5 6.7/4

8/8

6.7/4

9/9

6.7/4

Tb.3.20 Tb.14.8 Tb.14.9 Tb.14.20

10/10

6.7/4

11/11

6.5

12/11

6.7/3

Tb.14.6 Tb.14.7 Tb.14.7 Tb.13.8/Tb.13.9


12 De kinderen kunnen de passende persoonsvorm in de juiste tijd en vorm selecteren uit een gegeven aanbod en die inpassen in een gegeven zin. CP 2.3 H erhaling 1 De kinderen herkennen een bijvoeglijk naamwoord en een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord in een zin. 2 De kinderen kunnen een verkleinwoord maken. 3 De kinderen kunnen een samenstelling maken. 4 De kinderen kunnen een afleiding maken. 5 De kinderen kunnen een passend rijmwoord vinden. 6 De kinderen kennen een Nederlands synoniem voor Vlaamse woorden. 7 De kinderen kunnen zinsdelen afbakenen. 8 De kinderen kunnen een onderwerp herkennen en omzetten naar een woordgroep. 9 De kinderen kunnen de persoonsvorm aanduiden. 10 De kinderen kunnen een persoonsvorm die als infinitief is gegeven, aanpassen aan het onderwerp. 11 De kinderen kunnen een persoonsvorm in de juiste tijd schrijven. CP 2.6 T aalschat thema 4, 5 en 6 1 De kinderen herkennen de betekenis van de woorden, uitdrukkingen en zegswijzen. 2 De kinderen kunnen woorden, uitdrukkingen en zegswijzen volgens hun correcte betekenis gebruiken. 3 De kinderen kunnen een woordenlijst raadplegen.

Evaluatie CP 2.1 Taalschat thema 4, 5 en 6 1 De kinderen kunnen de betekenis van woorden aanduiden. 2 De kinderen kunnen een woord kiezen uit een woordenlijst dat past binnen de context van een zin. 3 De kinderen kunnen een woord verbinden met een synoniem. 4 De kinderen kunnen een woord verbinden met zijn tegengestelde. 5 De kinderen kunnen de betekenis van een woord of zegswijze verklaren. 6 De kinderen kunnen de betekenis van een woord of zegswijze te weten komen door het op te zoeken. Les 7.3 Leestekens 1 De kinderen kunnen de leestekens punt, vraagteken, uitroepteken, komma, dubbele punt en aanhalingstekens in een tekst aanduiden. 2 De kinderen kunnen in een tekst de passende leestekens aanvullen. 3 De kinderen kennen de functie van de leestekens voor het lezen van een zin (tekst) en kunnen dat toepassen. 4 De kinderen weten wanneer ze een hoofdletter moeten schrijven. Les 7.8 Woorden vormen,keerwoorden, spiegelwoorden 1 De kinderen herkennen keerwoorden en spiegelwoorden en kunnen die aanduiden in een zin. 2 De kinderen kennen de specifieke eigenschap van die woorden en kunnen die toepassen: je kunt een keerwoord van achteren naar voren lezen, een spiegelwoord levert een nieuw, bestaand woord op, als je het van achteren naar voren leest. 3 De kinderen kunnen woorden uitbreiden tot een nieuw woord door een letter toe te voegen of weg te laten. 4 De kinderen kunnen woorden omstructureren tot een ander woord. Les 7.10 De valentie van werkwdn: noodzakelijke en niet-noodzakelijke zinsdelen 1 De kinderen herkennen eenvoudige structuren in zinnen. 2 De kinderen kunnen door de handeling uit te beelden ontdekken of er andere zinsdelen naast het onderwerp noodzakelijk zijn om een goede boodschap uit te drukken. 3 De kinderen kunnen in zinnen aanvullende informatie bijvoegen of weglaten. Les 8.3 Bovenliggende en onderliggende begrippen 1 De kinderen herkennen bovenliggende en onderliggende begrippen. 2 De kinderen kunnen woorden ordenen volgens de criteria van bovenliggende en onderliggende begrippen. 3 De kinderen kunnen een woordtrap aanvullen. 4 De kinderen kunnen een woordtrap opbouwen met zelfgekozen woorden. Les 8.8 Herhaling van de woordsoorten 1 De kinderen kennen de begrippen: lidwoord, zelfstandig naamwoord, eigennaam, werkwoord en bijvoeglijk naamwoord. 2 De kinderen kunnen de begrippen koppelen aan de passende woorden in een

Herhaling van de doelen uit thema 4, 5 en 6

6.5/6.7.5

Tb. 20/21.2

1/1

6.5

Tb.19.2

2/5, 6, 7

6.5

Tb.19.4

3/2

6.5

Tb.20.2

4/3

6.5

Tb.20.4

5/4, 8 6/5, 6, 7, 8

6.5 6.5

Tb.21.2

30,51

20,21,24

Tb.19.4

6.5/6.7.2

Tb. 26

64,90

6.5

Tb. 9.2

30

6.5

Tb. 14.9

46,47,48,50, 86,87,88

6.5

Tb. 20.5

21

6.5/6.7.3

Tb. 10/11/12 /13

23


tekst. 3 De kinderen kunnen van een zelfstandig naamwoord zeggen of het mannelijk, vrouwelijk of onzijdig is. 4 De kinderen kunnen de infinitief geven van een persoonsvorm. Les 8.10 Zinnen splitsen - K ennismaken met twee manieren waarop er iets wordt verteld over het onderwerp 1 De kinderen kunnen zinnen met een werkwoordelijk gezegde en zinnen met een naamwoordelijk gezegde van elkaar onderscheiden, zonder de termen te gebruiken. 2 De kinderen weten dat in sommige zinnen het werkwoord zegt wat het onderwerp doet of ondergaat. 3 De kinderen weten dat sommige zelfstandige naamwoorden zeggen wie of wat het onderwerp is en kunnen dat aanduiden in een zin. 4 De kinderen weten dat sommige bijvoeglijke naamwoorden zeggen hoe het onderwerp is en kunnen dat aanduiden in een zin. 5 De kinderen kunnen zinnen vormen met een naamwoordelijk gezegde. Les 9.3 Betekenis van woorden: synoniemen, antoniemen en homoniemen 1 De kinderen kunnen een synoniem voor een woord bedenken of opzoeken. 2 De kinderen weten dat er woorden zijn met meer dan één betekenis. 3 De kinderen kunnen die betekenisverschillen door de context verduidelijken. 4 De kinderen kunnen van een woord een tegengesteld woord bedenken of opzoeken. 5 De kinderen herkennen synoniemen, homoniemen en antoniemen en kunnen er opdrachten mee uitvoeren. Les 9.8 Woorden die verwijzen 1 De kinderen herkennen verwijswoorden in de tekst. 2 De kinderen kunnen aangeven naar welk woord (antecedent) het verwijswoord verwijst. 3 De kinderen kunnen in een tekst een woord vervangen door een verwijswoord. 4 De kinderen weten dat we met verwijswoorden herhalingen in een tekst vermijden. Les 9.10 Zinnen splitsen, afbouwen,opbouwen Kennismaken met twee manieren waarop iets wordt gezegd over het onderwerp 1 De kinderen kunnen zinsdelen afbakenen. 2 De kinderen kunnen de zinsdelen onderwerp, wat er over het onderwerp wordt gezegd en persoonsvorm aangeven. 3 De kinderen kunnen de congruentie tussen onderwerp en persoonsvorm toepassen. 4 De kinderen kunnen zinnen ordenen volgens de criteria ‘het werkwoord zegt iets over het onderwerp’ en ‘een naamwoord zegt iets over het onderwerp’. Evaluatie 9.2 Opdrachten na thema 7, 8, 9 1 De kinderen kunnen een keerwoord maken met gegeven letters. 2 De kinderen kunnen met gegeven letters een woord en zijn spiegelwoord maken. 3 De kinderen kunnen met de letters van een woord een ander woord vormen. 4 De kinderen kunnen van opgegeven woorden de woordsoort benoemen. 5 De kinderen kunnen in een tekst een woord opzoeken dat voldoet aan opgegeven criteria van woordleer. 6 De kinderen kunnen aanduiden naar wie of wat een woord verwijst. 7 De kinderen kunnen ontbrekende leestekens aanvullen. 8 De kinderen kunnen in een schema een bovenliggend en een onderliggend begrip invullen. 9 De kinderen kunnen een woordtrap aanvullen. 10 De kinderen kunnen de betekenis van een homoniem aanduiden. 11 De kinderen kunnen een synoniem van een woord aanduiden. 12 De kinderen kunnen het tegengestelde van een woord aanduiden. 13 De kinderen kunnen zinnen met een monovalent werkwoord onderscheiden van een zin met een bivalent werkwoord (zonder de termen te gebruiken). 14 De kinderen kunnen reflecteren over welke woorden er iets zeggen over het onderwerp. 15 De kinderen kunnen zinsdelen afbakenen. 16 De kinderen kunnen het onderwerp aanduiden. 17 De kinderen kunnen aanduiden wat er over het onderwerp wordt gezegd. 18 De kinderen kunnen de persoonsvorm aanduiden. CP 3.3 Herhaling 1 De kinderen kunnen een keerwoord maken met gegeven letters. 2 De kinderen kunnen met gegeven letters een woord en zijn spiegelwoord

6.5/6.7.4

Tb. 14.8

46,47,48,50, 86,87,88

6.5/6.7.5

Tb. 20.1/2/3/ 4

11,20,24,30

6.5

Tb. 17.2

30,72

6.5/6.7.4

Tb. 14.8

46,47,48,50, 86,87,88

1/1

6.5

Tb.6.3 Tb.6.4

2/2

6.5

Tb.6.3 Tb.6.4

3/3

6.5

Tb.6.3 Tb.6.4

4/4

6.7/3

Tb.10.1 10.2 11.2 13.3 12.1

5/5

6.7/3

Tb.10.1 10.2 11.2 13.3 12.1

6/6

6.5

Tb.17.2

7/7

6.7/2

Tb.14.4 Tb.26.1 Tb.26.2

8/8

6.5

Tb.20.5

9/9

6.7.3

Tb.20.5

10/10

6.5

Tb.20.1

11/11

6.7/5

Tb.20.2 Tb.20.3

12/12

6.5

Tb.20.4

13/13

6.5

Tb.14.8 Tb.14.9

14/14

6.5

Tb.14.9

15/15

6.7/4

Tb.14.8 Tb.14.9 Tb.14.20

16/15

6.7/4

Tb.14.6

17/15

6.5

Tb.14.8

18/15

6.7/2

Tb.14.7

Herhaling van de doelen uit

Herhaling van de


maken. 3 De kinderen kunnen met de letters van een woord een ander woord vormen. 4 De kinderen kunnen van opgegeven woorden de woordsoort benoemen. 5 De kinderen kunnen aanduiden naar wie of wat een woord verwijst. 6 De kinderen kunnen in een schema een bovenliggend en onderliggend begrip invullen. 7 De kinderen kunnen de betekenis van een homoniem aanduiden. 8 De kinderen kunnen het synoniem van een woord aanduiden. 9 De kinderen kunnen het tegengestelde van een woord aanduiden. 10 De kinderen kunnen zinnen onderscheiden waarin een naamwoord iets zegt over het onderwerp en zinnen waarin het werkwoord iets zegt. 11 De kinderen kunnen zinsdelen afbakenen. 12 De kinderen kunnen het onderwerp aanduiden. 13 De kinderen kunnen aanduiden wat er over het onderwerp wordt gezegd. 14 De kinderen kunnen de persoonsvorm aanduiden. CP 3.6 Taalschat thema 7, 8 en 9 1 De kinderen herkennen de betekenis van de woorden, uitdrukkingen en zegswijzen. 2 De kinderen kunnen woorden, uitdrukkingen en zegswijzen volgens hun correcte betekenis gebruiken. 3 De kinderen kunnen een woordenlijst raadplegen.

Evaluatie CP 3.1 Taalschat thema 7, 8 en 9 1 De kinderen kunnen de betekenis van woorden aanduiden. 2 De kinderen kunnen uit een woordenlijst een woord kiezen dat past binnen de context van een zin. 3 De kinderen kunnen een woord verbinden met een synoniem. 4 De kinderen kunnen een woord verbinden met zijn tegengestelde. 5 De kinderen kunnen een woord of een zegswijze verklaren. 6 De kinderen kunnen de betekenis van een woord of zegswijze te weten komen door het op te zoeken. Les 10.3 Tekstsoorten 1 De kinderen herkennen verschillende tekstsoorten en kunnen ze benoemen. 2 De kinderen kennen de bedoeling van de verschillende tekstsoorten en kunnen ze benoemen. 3 De kinderen kunnen teksten vergelijken en ordenen volgens de bedoeling van de schrijver. Les 10.8 Woorden die belangrijk zijn voor de structuur van de tekst 1 De kinderen kunnen nadenken over signaalwoorden. 2 De kinderen kunnen signaalwoorden in een tekst aanduiden. 3 De kinderen kunnen signaalwoorden in een tekst gebruiken. 4 De kinderen kunnen sleutelwoorden in een tekst aanduiden. 5 De kinderen kunnen de betekenis van dergelijke woorden verklaren. Les 10.10 Voorzetsels (facultatief) 1 De kinderen kunnen in een zin het juiste voorzetsel schrijven. 2 De kinderen kunnen voorzetsels correct gebruiken, wanneer ze zinnen bouwen. 3 De kinderen kunnen het verschil in betekenis verklaren, wanneer men in een zin het ene voorzetsel door een ander vervangt. Facultatieve les over voorzetsels en over de functie ervan voor een correcte communicatie Les 11.3 Herhaling klanken en letters 1 De kinderen kunnen woorden alfabetisch rangschikken. 2 De kinderen kennen klinkers, tweeklanken en medeklinkers. 3 De kinderen kunnen woorden vormen met gegeven letters. 4 De kinderen kunnen keerwoorden en spiegelwoorden omvormen tot een ander woord. 5 De kinderen kunnen voorbeelden aanduiden met: - eenzelfde klank voor een andere letter; - eenzelfde letter voor een andere klank. 6 De kinderen kunnen woorden schrijven met een eindrijm en met een beginrijm. Les 11.8 Herhaling woorden/ Woordbetekenis 1 De kinderen kunnen woorden in splitsen. 2 De kinderen kunnen woorden ordenen volgens de woordsoorten. 3 De kinderen kunnen een woordtrap vervolledigen. 4 De kinderen kunnen samenstellingen en afleidingen vormen met gegeven lettergrepen.

thema 7, 8 en 9

doelen uit thema 7, 8 en 9

6.5/6.7.5

Tb. 20/21.2

1/1

6.5

Tb.19.2

2/ 5, 6, 7

6.5

Tb.19.4

3/2

6.5

Tb.20.2

4/3

6.5

Tb.20.4

5/4, 8 6/5, 6, 7, 8

6.5

Tb.21.2

6.5

Tb.19.4

6.5/6.7.6

Tb. 15.1/2/3/ 4

58,70,71

6.5/6.7.6

Tb. 17.2

54,72

6.5

50

6.5/ 6.7.1

Tb. 6/7/8

90

6.5/6.7.3/5

Tb. 9/10/11/ 12/13/17. 2

90


5 De kinderen kunnen van een zelfstandig naamwoord het verkleinwoord vormen. 6 De kinderen kunnen van een zelfstandig naamwoord het meervoud vormen. 7 De kinderen herkennen woorden die verwijzen en kunnen aanduiden naar welk woord wordt verwezen. 8 De kinderen herkennen synoniemen, homoniemen en antoniemen. 9 De kinderen kunnen woorden ordenen als bovenliggende of onderliggende begrippen. 10 De kinderen kunnen woorden die belangrijk zijn voor de tekststructuur herkennen en gebruiken. (facultatief) Les 11.10 Herhaling zinnen 1 De kinderen kunnen in een zin onderwerp en wat er over het onderwerp wordt gezegd aanduiden. 2 De kinderen kunnen de verschillende zinsdelen afbakenen. 3 De kinderen kunnen een persoonsvorm aanduiden. 4 De kinderen kunnen de persoonsvorm en het onderwerp in getal aanpassen aanelkaar. 5 De kinderen weten dat soms een werkwoord iets zegt over het onderwerp of soms een zelfstandig of bijvoeglijk naamwoord. 6 De kinderen kunnen in een zin zinsdelen schrappen die niet strikt noodzakelijk zijn voor de essentie van de boodschap. 7 De kinderen weten dat je in een zin een woord kunt vervangen door een woordgroep. 8 De kinderen weten of een zin in de tegenwoordige of verleden tijd staat. Les 12.3 Les 12.8 Les 12.10 Herhalingsoefeningeneinde vierde leerjaar Algemene doelen 1 De kinderen kunnen zelfstandig opdrachten uitvoeren over de leerinhouden van taalsystematiek. 2 De kinderen kunnen het Alfabeestje gebruiken bij het oplossen van taken over taalsystematiek. Klanken en letters 1 De kinderen kunnen woorden alfabetisch rangschikken. 2 De kinderen kunnen een woord vormen met gegeven klinkers, medeklinkers of tweeklanken. 3 De kinderen kunnen de letters van een woord omstructureren tot een ander woord. 4 De kinderen kunnen een keerwoord vormen met gegeven letters. 5 De kinderen kunnen met gegeven letters een woord en zijn spiegelwoord vormen. 6 De kinderen kunnen de letters die hetzelfde klinken, maar anders worden geschreven correct inpassen in een woord. 7 De kinderen herkennen eenzelfde klank die met andere letters wordt geschreven. 8 De kinderen kunnen een eindrijm bedenken. 9 De kinderen kunnen een beginrijm bedenken. Woorden 1 De kinderen kunnen een woord splitsen. 2 De kinderen kunnen met gegeven lettergrepen een woord vormen. 3 De kinderen herkennen een zelfstandig naamwoord in een zin. 4 De kinderen herkennen een lidwoord in een zin. 5 De kinderen herkennen de eigennamen in een zin. 6 De kinderen herkennen een werkwoord in een zin. 7 De kinderen herkennen een bijvoeglijk naamwoord in een zin. 8 De kinderen kunnen in een zin bij een zelfstandig naamwoord een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord schrijven. 9 De kinderen kunnen bij een reeks woorden een bovenliggend begrip noteren en bij een bovenliggend begrip onderliggende begrippen bedenken. (hyperoniemen en hyponiemen) 10 De kinderen kunnen de naam noteren waarnaar een woord verwijst. 11 De kinderen kunnen het verkleinwoord van een woord schrijven. 12 De kinderen kunnen een samenstelling vormen. 13 De kinderen kunnen een afleiding vormen. 14 De kinderen kunnen een meervoud vormen. 15 De kinderen kunnen van een zelfstandig naamwoord aanduiden of het mannelijk, vrouwelijk of onzijdig is. 16 De kinderen kunnen een synoniem aanduiden. 17 De kinderen kunnen het tegengestelde aanduiden. (antoniem) 18 De kinderen kunnen een homoniem koppelen aan de juiste betekenis. Facultatief

6.5/6.7.4

Tb. 14

6.5 6.7

Herhaling in een zelfstandi ge oefenreek s van de doelen uit thema 1 tot en met 11

47,48,50,87, 88


19 De kinderen kunnen woorden die belangrijk zijn voor de tekststructuur aanduiden in een tekst. 20 De kinderen kunnen sleutelbegrippen aanduiden in een tekst. 21 De kinderen kunnen een passend voorzetsel gebruiken. 22 De kinderen kunnen een Vlaams woord koppelen aan zijn Nederlands synoniem. 23 De kinderen kunnen aanduiden of een werkwoord in de tegenwoordige of in de verleden tijd staat. Zinnen 1 De kinderen kunnen een zin in zinsdelen verdelen. 2 De kinderen kunnen in een zin het onderwerp en wat er over het onderwerp gezegd wordt aanduiden. 3 De kinderen kunnen een persoonsvorm aanduiden. 4 De kinderen kunnen aankruisen welk soort zin het is. 5 De kinderen kunnen de congruentie tussen onderwerp en persoonsvorm toepassen. 6 De kinderen kunnen zinnen aanduiden waarin een werkwoord iets zegt over het onderwerp en ze kunnen zinnen aanduiden waarin een naamwoord iets zegt over het onderwerp. 7 De kinderen kunnen een woord vervangen door een woordgroep. 8 De kinderen kunnen de werkwoordgroep aanduiden. 9 De kinderen kunnen zinsdelen die niet strikt nodig zijn voor de boodschap van een zin schrappen. 10 De kinderen kunnen een onvolledige zin aanvullen met noodzakelijke en nietnoodzakelijke zinsdelen. 11 De kinderen kunnen van een werkwoord uit een zin de stam en de infinitief noteren. 12 De kinderen kunnen ontbrekende leestekens invullen. Tekst 1 De kinderen kunnen de tekstsoort aanduiden. 2 De kinderen kunnen de bedoeling van de schrijver aanduiden. CP 4.3 Herhaling, verdieping, remediĂŤring 1 De kinderen kunnen de opdrachten over de leerinhouden taalbeschouwing/ taalsystematiek van het vierde leerjaar oplossen. 2 De kinderen kunnen en durven uitleg vragen over individuele hiaten in hun kennis en begrip van de leerinhouden taalbeschouwing van het vierde leerjaar. CP 4.6 Taalschat thema 10, 11 en 12 1 De kinderen herkennen de betekenis van de woorden, uitdrukkingen en zegswijzen. 2 De kinderen kunnen woorden, uitdrukkingen en zegswijzen volgens hun correcte betekenis gebruiken. 3 De kinderen kunnen een woordenlijst raadplegen. Evaluatie CP 4.1 Taalschat thema 10, 11 en 12 1 De kinderen kunnen de betekenis van woorden aanduiden. 2 De kinderen kunnen uit een woordenlijst een woord kiezen dat past binnen de context van een zin. 3 De kinderen kunnen een woord verbinden met een synoniem. 4 De kinderen kunnen een woord verbinden met zijn tegengestelde. 5 De kinderen kunnen een woord of een zegswijze verklaren. 6 De kinderen kunnen de betekenis van een woord of zegswijze te weten komen door het op te zoeken.

Herhaling en remediĂŤring van de opdrachten uit thema 12 6.5/6.7.5

Tb. 20/21.2

1/1

6.5

Tb.19.2

2/ 5, 6, 7

6.5

Tb.19.4

3/2

6.5

Tb.20.2

4/3

6.5

Tb.20.4

5/4, 8 6/5, 6, 7, 8

6.5

Tb.21.2

6.5

Tb.19.4

7. Kameleon voorziet in evaluaties Kameleon voorziet volgens mij niet genoeg in duidelijke gerichte taalbeschouwingslessen ivm woordgebruik en zinsbouw. Daarom komt een halfuurtje

Extra taalbeschouwing – woorden en zinnen 1.Doelgroep:klas 8L1 2.1/2 uur 3.Eigen samengesteld boekje met de symbolen van rondom B en C


4.Samen mondeling veel woordgroepen en zinnen maken. Daar een deel van noteren in een schema. Alle opdrachten werden in 1 boekje gebundeld. De leerlingen gebruiken de woordsoorten om op grammatikaal juiste manier woordgroepen en zinnen te maken. De lesgang is de volgende: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

Ik plaats met de symbolen een woordgroep op het bord,benoemen de woordsoorten We vullen de juiste woorden in (eventueel houden we een vast thema) We vervangen woorden in die woordgroep We schrijven een deel van deze woordgroepen op, op een blad met symbolen We plaatsen die woordgroep in een zinsdeelconstructie We zoeken gelijkaardige zinnen We schrijven die zinnen op, op het blad met symbolen We voeren veranderingen uit:vervangen, bewerken (mv‌)

5 en 6 De doelstellingen die hier aan bod komen zijn zeer ruim. Zowel OD’s uit luisteren, spreken, lezen als schrijven zijn vertegenwoordigd in deze lessen. nrs 2/9/11/12/17/18/19/23/25/28/29/30/31/33/39/ 44/45/46/47/48/49/50/51/63/64/70/72/74/83/86/87/88 Maar vooral:

4 Schrijven Taalvorm 86

De leerling gaat correct om met morfologische aspecten.

87

De leerling voegt woorden samen tot zinsdelen.

88

De leerling voegt zinsdelen samen tot zinnen.

O.D.T1nr

Concrete doelstellingomschrijving

87/88

z.n. herkennen en correct gebruiken

87/88

z.n. als eigennaam

87/88

het lidwoord bij het z.n. juist gebruiken

87/88

het b.n. herkennen en correct gebruiken

87/88

voorzetsels herkennen en correct gebruiken

87/88

telwoorden herkennen en correct gebruiken

87/88

voornaamwdn herkennen en gebruiken

87/88

bijwoorden herkennen en correct gebruiken

87/88

voegwdn herkennen en correct gebruiken

87/88

een zin maken met opgegeven woorden

87/88

het onderwerp en gezegde in een zin aanduiden

87/88

een zin met opgeven onderwerp (in woordsoorten) maken


87/88

het werkwoordelijk gezegde in een zin vinden

87/88

PERSOONSVORM en de AANVULLINGEN vinden

87/88

diverse aanvullingen in het WWG kunnen opstellen

87/88

passende voorwerpen vinden en/of aanvullen

87/88

passende bepalingen vinden en/of aanvullen

86/

wwdn vervoegen in de TT in werkwoordschema’s

86/

wwdn vervoegen in de TT in zinnen

86/

onderscheid tussen TT en VT in een zin zien en aanduiden

86/

regelmatige wwdn vervoegen in de VT in schema’s

86/

regelmatige wwdn vervoegen in de VT in zinnen

86/

onregelmatige wwdn vervoegen in de VT in schema’s

86/

onregelmatige wwdn vervoegen in de VT in zinnen

86/

deze vervoegingen door elkaar toepassen

Het half uurtje woord –en zinsbouw: Dit jaar lesnr.

WOORDGROEPEN MAKEN

ZINNEN BOUWEN

trimester

5

lidwoord + bijv. nw. + z.n.

O = lidw + bn + zn

1

7

lidwoord + bijv. nw. + z.n. ( en b.n. is

O = lidw + bn + zn en bn is

1

R


stoffelijk)

stoffelijk

8

voorzetsel + lidwoord + b.n. + z.n.

O = lidw + bn + zn / ww / waar-deel

1

9

lidwoord + telwoord + z.n.

O = lidw + bn + zn / ww / waar-deel (meervoud met telwoord)

1

12

herhalen van de uitgebreide naamwoordgroep

O + WW + iets-deel

1

13

voorstellen scheidbare werkwoorden O + WWG met scheidbaar ww

1

15

lidw + zn + scheidbaar ww

O + WWG met scheidbaar ww + waar-deel

1

16

woordgroep (lidw + bn + zn) vervangen door een voornaamwoord

O = persoonlijk voornaamwoord

1

17

zn vervangen door een voornaamwoord

O = persoonlijk voornaamwoord + waar-deel

1

18

zn vervangen door een voornaamwoord

O = persoonlijk voornaamwoord + wanneerdeel

1

19

lidwoord + bijwoord + bijv. nw. + z.n.

O = lidw + bijwoord + bn + zn / WWG / hoe-deel

1

20

lidwoord + bijwoord + bijv. nw. + z.n.

O = lidw + bijwoord + bn + zn / WWG / iets-deel

2

21

vz + lidwoord + bijwoord + bijv. nw. + z.n.

O + WWG / iets-deel + waardeel

2

22

hulpwerkwoord + V.D.

O + WWG (hulpww en VD)

2

23

hulpwerkwoord + V.D.

O + WWG (hulpww en VD) + iets-deel

1

24

hulpwerkwoord + V.D.

O + WWG (hulpww en VD) + iets-deel + een bepaling naar keuze

2

25

hulpwerkwoord + V.D.

O + WWG (hulpww en VD) + iets-deel + een bepaling naar keuze

2

26

hulpwerkwoord + INFINITIEF

O + WWG (hulpww en INF)

2

27

hulpwerkwoord + INFINITIEF

O + WWG (hulpww en INF) + een bepaling naar keuze

3

28

hulpwerkwoord + INFINITIEF

O + WWG (hulpww en INF) + een bepaling naar keuze + iets-deel

3


29

hulpwerkwoord + INFINITIEF

O + WWG (hulpww en INF) + een bepaling naar keuze + iemand-deel

3

30

Complexe constructies

3

31

Complexe constructies

3

voegwoord gebruiken

Complexe constructies

3

voegwoord gebruiken

complexe constructies

3

tussenwerpsel gebruiken

complexe constructies

3

Kameleon voorziet volgens mij niet genoeg in duidelijke gerichte taalbeschouwingslessen ivm werkwoordsvervoeging. Daarom komt een halfuurtje

Extra taalbeschouwing – werkwoorden 1.Doelgroep:klas 8L1 2.1/2 uur 3.Eigen samengesteld boekje:infinitief, OTT, VT 4.Samen overlopen, oplossen en bespreken 5 en 6 OD’s uit Nederlands zijn :

4 Schrijven


77

De leerling gebruikt hulpmiddelen om correct te spellen.

83

De leerling leest zijn tekst na en corrigeert indien nodig.

86

De leerling gaat correct om met morfologische aspecten.

Spellingstrategieën 90 De leerling hanteert gepaste spellingsstrategieën bij het voortgezet spellen.

Concrete doelstellingomschrijving

trimester

1.

werkwoorden herkennen, uitbeelden, opsommen

1

2.

werkwoorden zoeken in een tekst

1

3.

TT in schema’s vervoegen

1

4.

TT in zinnen vervoegen

½

5.

het verschil zien tussen TT en VT en aanduiden

2

6.

VT van regelmatige werkwoorden in schema’s vervoegen

2/3

7.

VT van regelmatige werkwoorden in zinnen vervoegen

2/3

8.

VT van onregelmatige werkwoorden in schema’s vervoegen

2/3

9.

VT van onregelmatige werkwoorden in zinnen vervoegen

2/3

7.Evaluatie: blaadjes met vervoeging in TT en VT worden gekwoteerd en bijgehouden voor ‘ rapport.


Spelling 1.Doelgroep:klas 8L1 2.3 x ½ uur 3.Eigen samengestelde woordenreeksen. 4.Analyseren van de woorden. Die visueel inhoud geven. Morfologische bewerkingen doen ermee. Woordzoeker invullen. Organisatie: •

iedere maandag wordt de reeks aangeboden, voorgelezen en naar betekenis uitgeklaard en visueel voorgesteld waar dat kan

De kinderen maken de oefeningen thuis (die staan ten dienste van het uiteindelijk juist schrijven).

De woensdag wordt alles klassikaal verbeterd en besproken met ‘rondom’ als remediëringsmiddel.

De lln kunnen thuis verder inoefenen en het woordzoekersspel maken.

De vrijdagmorgen is het dictee.

De foutieve woorden worden juist op de tegenliggende blz geschreven.

5 en 6 Taalgebruik 75

De leerling schrijft zelf met een minimum aan schrijffouten.

77

De leerling gebruikt hulpmiddelen om correct te spellen.

Schrijfattitudes 83

De leerling leest zijn tekst na en corrigeert indien nodig.

86

De leerling gaat correct om met morfologische aspecten.

87

De leerling voegt woorden samen tot zinsdelen.

88

De leerling voegt zinsdelen samen tot zinnen.

Spellingstrategieën 90 De leerling hanteert gepaste spellingsstrategieën bij het voortgezet spellen.

Schrijftechnische aspecten 91 De leerling heeft een goede schrijfhouding en schrijfbeweging. 92

De leerling schrijft leesbaar en verzorgd.

7.Evaluatie: iedere week dictee op 40.


Wiskunde Organisatie Deze kinderen verlaten zowat allemaal de school volgend jaar. Eurobasis 4a is eigenlijk een volledige herhaling van het 3de. Diegenen met hiaten hebben daar zeker deugd van. Zij zullen echter tijdens het zelfstandig werk (onder individuele begeleiding) verder hoofdrekenen en cijferen op niveau 3 inoefenen. Diegenen die verst staan (zogezegd E3) zullen van deze herhaling zeker ook deugd hebben want niet alle leerstof zit reeds vast. Zij zullen echter tijdens zelfstandig werk enkel leerstof 4 de (hoofdrekenen, komma’s en cijferen) inoefenen. Het kan natuurlijk ook dat één van uit de groep die het derde moet inoefenen op hoofdrekenen of cijferen goed genoeg scoort om dat onderdeel op een hoger (4de) niveau aan tevatten. Het spreekt voor zich dat wie uit de mindere groep goed evolueert en bewijst snel de hiaten van het 3 de opgeschoond te hebben, kan overstappen naar inoefening van leerstof 4de.

Beca Vanesa Brabant Niels Brachet Yoni Cappoen Dylan Demeulenare Chadia

Eurobasis 4 starten

Extra cijferen 3de

Inoefenen hoofdrekenen 3de met fiches

x x x x x

x x x x x

x x

x x x x x x x x

x x

x x

Extra cijferen 4de

Inoefenen hoofdrekenen 4de met fiches

x x x

Deraeve Gauthier Demuynck Melanie Feys Cyrille Jacques Jarne Kuypers Yoran Pauwelyn Dennis Van Oplynes Yentl Vanoudendycke Elias Garrein Tobi

x x x

x x

x x

x

x x

x x


Getalkennis 1.Doelgroep:klas 8L1, groep 4de 2.1uur 3.eurobasis4, individuele fiches 4.klassikaal met ’t smartbord, zelfstandig afwerken en/of inoefenen 5 en 6 Getalbegrip Tellen 13

De leerling kent en reproduceert de getallenrij (op- en aftellen).

18

De leerling vergelijkt hoeveelheden.

Notatiesysteem en positiestelsel 23

De leerling benoemt, leest en noteert natuurlijke getallen.

24

De leerling kan volgende symbolen benoemen, noteren en hanteren: + - x : / %.

27

De leerling stelt zich getallen voor en plaatst ze op de getallenlijn.

28

De leerling geeft de waarde van een cijfer aan in een getal.

29

De leerling heeft inzicht in het tiendelig wiskundesysteem.

Inzicht in eenvoudige breuken vanuit een levensechte context 4 4

De leerling begrijpt eenvoudige breuken.

4 5

De leerling hanteert een eenvoudige breuk.

Inzicht in eenvoudige decimale getallen vanuit een levensechte context 4 6

De leerling leest eenvoudige decimale getallen met betrekking tot zijn leefwereld.

Inzicht in eenvoudige procenten vanuit een levensechte context 4 7

De leerling ontwikkelt inzicht in eenvoudige procenten.

4-01

natuurlijke getallen tot 100 000 in cijfers schrijven

4-02

plaatswaarde van een cijfer in een getal bepalen

4-03

natuurlijke getallen van meer naar minder ordenen

4-04

natuurlijke getallen op getallenlijn situeren


4-05

van getal naar HD+TD+D+H en omgekeerd - waarde HD en TD

4-06

willekeurig nat. getal en willekeurige stambreuk noteren

4-07

stambreuken op getallenlijn situeren

4-08

breuken op getallenlijn situeren

4-09

breuken ordenen van meer naar minder

4-10

in reeks breuken de gelijkwaardige breuken aanduiden

4-11

breuken structureren

4-12

kommagetallen in cijfers schrijven

4-13

plaatswaarde van cijfers in kommagetallen bepalen

4-14

kommagetallen van meer naar minder ordenen

4-15

waarde van kommagetallen op getallenlijn bepalen

4-16

kommagetallen: tellen met sprongen

4-17

van T + E + t + h + d naar getal en omgekeerd - waarde t h d

4-18

van breuk naar kommagetal

4-19

van kommagetal naar breuk

4-20

negatieve getallen op thermometer situeren en ordenen

4-21

lijngrafiek interpreteren en aanvullen

7.Evaluatie: de blaadjes worden ofwel klassikaal gemaakt en besproken, ofwel verbeterd door de lln zelf en door mij nagekeken. Een toetsje op ’t einde van elke trimester volgt. De punten worden bijgehouden.

Bewerkingen 1.Doelgroep:klas 8L1, groep 4de 2.2-3uur 3.eurobasis4, individuele fiches 4.klassikaal met ’t smartbord, zelfstandig afwerken en/of inoefenen 5 en 6 Bewerkingen in context 30

De leerling begrijpt een eenvoudige rekenhandeling en zet deze om in een formule.

31

De leerling begrijpt en verwoordt een eenvoudige formule en voert de rekenhandeling uit.

32

De leerling leidt bewerkingen af uit concrete en schematische situaties.

33

De leerling heeft inzicht in enkele eigenschappen van bewerkingen.

39

De leerling vertaalt bewerkingen in een concrete en/of schematische situatie


40

De leerling hanteert hoofdrekenen als oplosstrategie bij het optellen en aftrekken van grote getallen.

41

De leerling maakt eenvoudige vermenigvuldigingen of delingen met grotere getallen uit het hoofd.

42

De leerling vertaalt een situatie naar een optelling, aftrekking, vermenigvuldiging of deling en werkt deze uit.

43

De leerling past aangeleerde vaardigheden met getallen toe in de persoonlijke leefwereld.

Procedures

Schattend rekenen 4 8

De leerling rondt getallen af.

4 9

De leerling schat bij benadering de uitkomst voor en na het uitvoeren van een bewerking.

Zakrekenmachine 5 0

De leerling voert in betekenisvolle situaties een enkelvoudige wiskundige bewerking uit met een zakrekenmachine.

5 1

De leerling voert in betekenisvolle situaties een samengestelde bewerking uit met de zakrekenmachine

5 2

De leerling vertaalt een betekenisvolle opgave in handelingen die met de rekenmachine moeten worden uitgevoerd.

5 3

De leerling controleert de uitkomst van uitgevoerde bewerkingen met de zakrekenmachine.

HOOFDREKENE N 4-22

DHTE+D / DHTE+DH / DHT+DHT / DH+DHTE

4-23

DH-DHT / DHT-DH / DHTE-D / DHTE-DH

4-24

x5 x50 :5 :50

4-25

niet opgaande deling: deeltal < 1000

4-26

gelijknamige breuken + en -

4-27

kommagetallen +

4-28

kommagetallen -

CIJFEREN 4-29

natuurlijke getallen: + (zelf plaatsen)


4-30

natuurlijke getallen: - (zelf plaatsen)

4-31

natuurlijke getallen: x vermenigvuldiger < 100 (zelf plaatsen)

4-32

natuurlijke getallen: : deler < 10 rest bepalen

4-33

kommagetallen: + (zelf plaatsen)

4-34

kommagetallen: - (zelf plaatsen)

4-35

kommagetallen: x vermenigvuldiger < 100 (zelf plaatsen)

4-36

kommagetallen: : deler < 10 tot op 0,01 en 0,001 nauwkeurig

7.Evaluatie: de blaadjes worden ofwel klassikaal gemaakt en besproken, ofwel verbeterd door de lln zelf en door mij nagekeken. Een toetsje op â&#x20AC;&#x2122;t einde van elke trimester volgt. De punten worden bijgehouden.

Meten 1.Doelgroep:klas 8L1, groep 4de 2.1 uur 3.eurobasis4 4.klassikaal met â&#x20AC;&#x2122;t smartbord, zelfstandig afwerken en/of inoefenen 5 en 6 5 De leerling kent de belangrijkste maateenheden met betrekking tot lengte, oppervlakte, inhoud, 4 gewicht (massa), tijd, snelheid en temperatuur. 5 De leerling geeft een grootheid weer met de gepaste maateenheid. 5 5 De leerling gebruikt het juiste meetinstrument voor het meten van een grootheid. 6 Herleidingen vanuit een levensechte context 5 De leerling heeft inzicht in de verhoudingen tussen functionele maateenheden voor lengte, inhoud en 8 gewicht. 5 De leerling noteert het resultaat van een meting in gemengde maten. 9 Procedures Geld vanuit een realistische context 6 De leerling onderscheidt de waarde van muntstukken en de bankbiljetten die in omloop zijn. 0 6 De leerling hanteert geld in reĂŤle situaties. 1 6 De leerling leest en gebruikt prijsaanduidingen/-lijsten. 2 6 De leerling hanteert functionele hulpmiddelen om adequaat met geld te kunnen omgaan. 4 Lengtematen vanuit een realistische context 6 De leerling hanteert de lengtematen: meter, centimeter, millimeter en kilometer en hun gebruikelijke 6 afkorting. 6 De leerling meet en tekent nauwkeurig met verschillende soorten meetinstrumenten in gekende 7 lengtematen. 6 De leerling geeft aan hoe de omtrek van een veelhoek bepaald wordt.


8 Gewichtsmaten vanuit een realistische context 6 De leerling begrijpt en gebruikt de begrippen: "zwaar", "zwaarder", "even zwaar" en "gewicht". 9 7 De leerling gebruikt de gewichten ton, kg en g en kent hun gebruikelijke afkortingen. 0 7 De leerling leest gewichten af op verpakkingen en in reclamefolders en geeft er betekenis aan. 1 Inhoudsmaten vanuit een realistische context 7 De leerling begrijpt en gebruikt de begrippen "inhoud" en "eenheid van inhoud". 2 7 De leerling toetst de standaard inhoudsmaat aan een referentiemaat uit zijn onmiddellijke omgeving. 3 7 De leerling gebruikt de inhoudsmaten liter, deciliter en centiliter en de gebruikelijke afkorting. 4 7 De leerling leest de inhoud af op verpakkingen en in reclamefolders en geeft er betekenis aan. 5 Temperatuursmaten vanuit een realistische context 7 De leerling leest een thermometer af en geeft er betekenis aan. 6 7 De leerling berekent het aantal graden stijging of daling van de temperatuur ook over het nulpunt. 7 7 De leerling kent enkele "vaste" temperaturen. 8 Oppervlaktematen vanuit een realistische context 7 De leerling begrijpt en gebruikt het begrip "oppervlakte". 9 Tijdsmaten vanuit een realistische context 8 De leerling begrijpt en gebruikt de tijdsbegrippen en -verhoudingen 0 8 De leerling drukt de tijdsduur tussen 2 momenten uit in dagen, uren of minuten. 1 8 De leerling leest de klok (analoog en digitaal). 2 8 De leerling geeft betekenis aan tijdsbegrippen en uurtabellen. 3

4-38

lijnstukken meten en tekenen: cm mm

4-39

lengtematen herleiden: mm cm dm m km

4-40

basis en hoogte aanduiden en benoemen (ifv oppervlakteberekening)

4-41

relatie vorm-oppervlakte / relatie omtrek-oppervlakte

4-42

inhoudsmaten herleiden: ml cl dl l

4-43

gewichtsmaten herleiden: g kg ton

4-44

aantal dagen in jaar en in schrikkeljaar - aantal jaren in eeuw

4-45

datum op drie verschillende manieren noteren

4-46

tijdsmaten herleiden: sec. min. uur - digitale tijdsweergave

4-47

tijdsduur in jaren en dagen bepalen: van ... tot en met ... - tussen


4-48

betalen en teruggeven in euro

4-49

symbolen en afkortingen: EUR sec. °C m2 ml mm

4-50

temperatuur: notatie vriespunt - graden beneden vriespunt

7.Evaluatie: de blaadjes worden ofwel klassikaal gemaakt en besproken, ofwel verbeterd door de lln zelf en door mij nagekeken. Een toetsje op â&#x20AC;&#x2122;t einde van elke trimester volgt. De punten worden bijgehouden.

Meetkunde 1.Doelgroep:klas 8L1, groep 4de 2.1 uur om de 2 weken 3.eurobasis4 4.klassikaal met â&#x20AC;&#x2122;t smartbord, zelfstandig afwerken en/of inoefenen 5 en 6 8 5

De leerling herkent en benoemt driehoeken, vierhoeken en cirkels.

8 6

De leerling benoemt veelhoeken op grond van het aantal zijden en hoeken.

8 7

De leerling herkent rechte, stompe en scherpe hoeken.

8 8

De leerling gebruikt de termen "lengte" en "breedte" adequaat bij een rechthoekig voorwerp in levensechte situaties.

9 1

De leerling tekent driehoeken, vierhoeken en cirkels.

4-51

horizontale en verticale lijn tekenen

4-52

diagonaal in rechthoek, middelpunt en straal in cirkel tekenen

4-53

overstaande hoeken in vierhoek aanduiden

4-54

vlakke hoeken noteren

4-55

vierhoeken benoemen: parallellogram, ruit, trapezium

4-56

vierkant, rechthoek en cirkel aanduiden

4-57

driehoeken vergelijken volgens eigenschappen van zijden en hoeken

4-58

veelhoeken benoemen op basis van aantal zijden

4-59

evenwijdige rechte tekenen door punt buiten een rechte

4-60

loodlijn tekenen door punt op en buiten een rechte


4-61

symbolen evenwijdigheid en loodrechte stand

7.Evaluatie: de blaadjes worden ofwel klassikaal gemaakt en besproken, ofwel verbeterd door de lln zelf en door mij nagekeken. Een toetsje op ’t einde van elke trimester volgt. De punten worden bijgehouden.

Toepassingen 1.Doelgroep:klas 8L1, groep 4de/5de 2.1 uur om de 2 weken 3.eurobasis4 , fiches functioneel rekenen 4.klassikaal met ’t smartbord, zelfstandig afwerken en/of inoefenen 5 en 6 Strategieën en probleemoplossende vaardigheden De leerling haalt relevante gegevens uit een wiskundige context. De leerling geeft met concrete voorbeelden uit zijn leefwereld aan welke de rol en het praktisch nut van wiskunde is.

6 Attitudes De leerling ontwikkelt een kritische houding ten aanzien van cijfermateriaal, tabellen en berekeningen waarvan in de eigen omgeving gebruik of misbruik gemaakt wordt. De leerling is bereid zichzelf vragen te stellen over zijn aanpak voor, tijdens en na het oplossen van een wiskundig probleem en wil op basis hiervan zijn aanpak bijsturen.

7.Evaluatie: de blaadjes worden ofwel klassikaal gemaakt en besproken, ofwel verbeterd door de lln zelf en door mij nagekeken. Een toetsje op ’t einde van elke trimester volgt. De punten worden bijgehouden.


WO Hierachter zit het jaaroverzicht van het lopende schooljaar. Dit is dit jaar ‘jaar ‘1. Hier kun je per maand zien wat er aan bod zal komen. De betreffende les kun je dan vinden in de map van het domein achter het nummer van de opgegeven eindterm. Aangezien ‘techniek’ door iemand anders gegeven wordt en er 2 uur (naast actua en techniek) voorzien wordt, is er meer tijd voor de rest:trager werken, meer tijd voor de geschiedenislessen en de verwerking in ’t algemeen, meer visuele ondersteuning. Achter dit jaarrooster vind je nog een rooster dat de aan bod te komen eindtermen per domein opsomt met daarbij de voorziene les voor jaar 1 en voor jaar 2.


En daarachter vind je de eindtermen 1 voor 1 afgedrukt in kleur. • Daarbij wordt vermeld of deze eindterm in type 1 gegeven wordt. • Indien niet wordt vermeld of ik die eindterm op eigen initiatief laat aan bod komen. • In welke maand dit gebeurt, zodat je weer bij de eerste roosters kunt vinden wat de leerinhoud is. • Er werd een poging gedaan om de juiste ontwikkelingsdoelen aan deze eindterm/les te koppelen. • De passende leerinhoud wordt kort omschreven. • Belangrijke opmerkingen en verwijzingen naar andere eindtermen en/of vakken worden vermeld.

De gekozen eindtermen voor WO in type 1 zijn in aparte overzichten te vinden. Ik vind echter dat heel wat eindtermen die niet aan bod zouden komen, in mijn klas toch ingang moeten vinden. Er is dan natuurlijk niet direct een lijn te vinden van de laagste klassen tot bij mij maar we gaan er dan van uit dat die te moeilijk zijn in de lagere klassen en dat de poging om deze eindtermen te behalen bij mij start. Hierna komt een overzicht met alle beoogde eindtermen, het onderwerp waarmee die beoogd worden en het tijdstip.

Alle ET’s die in type 1 gekozen werden komen aan bod + nog enkele die ik er zelf bijneem. Deze echter niet: - 1.10 niet in T1 als les (zie soc. Opv.) - 1.14 in de lessen techniek - 4.2 niet in T1 - 4.3 niet in T1


- 4.9 zie 1.18 + godsdienst - 4.10 zie 1.18 + godsdienst - 5.1/5.2/5.3 bij agenda en zelfstandig werk - 5.6 vorige klassen + eurobasis 4a - 6.5 in wiskunde - 6.6 geen expliciete les


Overzicht WO sep

ET

natuur

B E ET

maatschappij

6

B E ET 5.4 5.5 5.7

tijd

B E ET

Open of gesloten p 35

ruimte

6.1 6.3

Route p 47b

6.1b

OriĂŤnteren 55

B E

Plattegrond p49b

Uitvindingen p39b Tijdslijn

13

Ev 4.2

Prijs maken

6.3 27

1.8

Spijsvertering en bloedsomloop p31a

okt

ET

natuur

4

1.4

Het bos p 15a

B E ET

maatschappij

11

B E ET

5.5 5.7

tijd

B E ET

Tijdlijn:oudheid

x

18

6.2 6.3b

25

nov

ET

natuur

4.1

Beroepen p 3b

5.5 5.7

B E ET

maatschappij

B E ET

Egypte

x

tijd

B E ET

ruimte

B E

Europa p 51b/59b

ruimte

B E


8 15

1.3

1.2

Zaden en sporen p 9a

6.3b

Steekkaart van een land

Plattegrond en oriĂŤnteren p 55b

x

+ ev. Kweken in klas p 7a

22

5.5 5.7

29

Grieken en Romeinen

4.5

Reclame p 9b

6.3

4.6

Vrije tijd

6.4 4.17

BelgiĂŤ p 63b Provincies en gemeenschappen

dec

ET

natuur

6

1.15

Veranderen p 49a

B E ET

maatschappij

B E ET

tijd

B E ET

proef 5.5 5.7 13

4.4 4.7 4.8 6.9

20

Levensstijlen p 13b Andere culturen p 17b

Middeleeuwen

x

ruimte

B E


inhalen

jan

ET

natuur

10

1.5

Dieren p 19a ’s Winters en ’s nachts p 21a

B E ET

maatschappij

17

B E ET

5.5 5.7

24

4.10 4.11

31

1.3 1.5 1.1

Dieren p13a + extra’s Paspoorten p3a

feb

ET

natuur

B E ET

maatschappij

Aarde en ruimte p43.a

28

1.9

Skelet p 33

B E ET

natuur

B E ET

maatschappij

B E ET

B E

x

tijd

B E ET

Landelijk of stedelijk p67b

ruimte

B E

Onze tijd

6.4 6.8 6.10

ET

ruimte

Vorstentijd

22

mrt

B E ET

6.6 6.7 6.10

5.5 5.7 1.13

Volkerentijd

Vooroordelen p 21b

7 14

tijd

tijd

B E ET

Mijn streek + veel kaarten p69b

ruimte

B E


6

4.13

13

1.9

Zintuigen p 33

20

1.6/ 1.7

Voedsel en voedselpiramides p25a/29a

Kinderrechten p23b

27

april

ET

natuur

17

1.6/ 1.11 1.12

Het weer p 39a

24

1.17

Ik leef gezond p53a

mei

ET

natuur

29

Atlasoefeningen

maatschappij

B E ET

tijd

B E ET

ruimte

B E

B E ET

maatschappij

B E ET

tijd

B E ET

ruimte

B E

Vrede p 25b

15

5.8

1.19

6.11

B E ET

4.15

1.18 1.20 1.21

Atlas p77b

41a

8

22

6.11

Allergie p 55a Noodgeval p59a EHBO p 61a Proper en veilig p 57a 4.16 4.17

Wie is de baas? P 27a Vlaanderen

Vroeger en nu p43b


p29b 31

6.15 1.16 1.24 1.25 1.26

6.12 6.13 6.14

juni

ET

natuur

1.16 1.24 1.25 1.26

Energie p51a

B E ET

maatschappij

B E ET

tijd

B E ET

Autogebruik p 83b

Kruispunten p 81b

ruimte

B E

5 zeeklas

12

Ev.milieu p 71

19 proef

1 WereldoriĂŤntatie - Natuur De leerlingen

1.1

eindterm kunnen gericht waarnemen met alle zintuigen en kunnen waarnemingen op een systematische wijze

jaar 1 (uit Basis voor wo) Een dierenpaspoort maken (p4)

Jaar 2 Een dierenpaspoort maken (extra blaadjes)

periode jan

samen met 1.3/1.5


1.2

1.3

1.4

1.5

1.6 1.7

noteren; kunnen, onder begeleiding, minstens één natuurlijk verschijnsel dat ze waarnemen via een eenvoudig onderzoek toetsen aan een hypothese. kunnen in een beperkte verzameling van organismen en gangbare materialen gelijkenissen en verschillen ontdekken en op basis van minstens één criterium een eigen ordening aanbrengen en verantwoorden;

kennen in hun omgeving twee verschillende biotopen en kunnen er enkele veel voorkomende organismen in herkennen en benoemen; kunnen bij organismen kenmerken aangeven die illustreren dat ze aangepast zijn aan hun omgeving;

kunnen illustreren dat de mens de aanwezigheid van organismen beïnvloedt; kunnen de wet van eten en gegeten worden illustreren aan de hand van minstens twee met elkaar verbonden voedselketens;

Boon planten in een glazen pot en evolutie bijhouden (p7)

Idem met ander verwerkingsblad (tuinkers zaaien) (extra p6.15)

nov

1.3

1.Verschillen aanduiden tussen een paddestoel en een sporeplant

Gemeenschappelijke kenmerken geven van paddestoelen, varens en mossen (extra p 17) De groei en de delen van een paddestoel beschrijven (extra eigen blaadjes)

nov

1.2

1.1/1.5

Nog andere mogelijkheden Verschillen tss wortels en stengels. Verschillen tss bladeren. Kenmerken van bloemen.

2. Aanpassing van enkele dieren in hun biotoop beschrijven Het bos (p15) + kennismaking met ‘De woestijn’

Extra blaadjes:’Hoe is … aangepast aan de leefomgeving?’ De zee + kennismaking met ‘Het regenwoud’

jan

Over schut- en camouflagekleuren (p19) Dag-en nachtdieren.

Extra blaadjes:’Hoe is … aangepast aan de leefomgeving?’

jan

1.3

Steeds starten met een film uit de reeks LIFE (zoogdieren)

Steeds starten met een film uit de reeks LIFE (vogels)

Planten en dieren:bron van voedsel (p25ev)

De mens beïnvloedt de natuur(zonneland172010 p 18 ev)

mrt

De voedselpiramide (p29)

Eten en gegeten worden (Zonneland17-2010 vanaf p 3) Nog andere mogelijkheden Extra blaadjes over voedselketens 3.26/3.27/3.28

mrt

1.7 Techniek 2.18 1.6

okt


1.8

1.9

1.10

1.11

1.12

1.13

1.14 1.15 1.16

1.17

kunnen de functie van belangrijke organen die betrokken zijn bij ademhaling, spijsvertering en bloedsomloop in het menselijk lichaam verwoorden op een eenvoudige wijze; kunnen de functie van de zintuigen, het skelet en de spieren op een eenvoudige wijze verwoorden; kunnen lichamelijke veranderingen die ze bij zichzelf en leeftijdsgenoten waarnemen, herkennen als normale aspecten in hun ontwikkeling; kunnen de weerselementen op een bepaald moment en over een beperkte periode, meten, vergelijken en die weersituatie beschrijven; kunnen het verband illustreren tussen de leefgewoonten van mensen en het klimaat waarin ze leven; kunnen tonen hoe de aarde om de eigen as draait, welk gevolg dit heeft voor het dag- en nachtritme in de eigen omgeving en hoe de aarde, de zon en de maan ten opzichte van elkaar bewegen; kunnen van courante materialen uit hun omgeving enkele eigenschappen aantonen; kunnen illustreren dat een stof van toestand kan veranderen; kunnen met enkele voorbeelden aantonen dat energie nodig is voor het functioneren van levende en niet-levende systemen en kunnen daarvan de energiebronnen benoemen. kunnen gezonde en ongezonde levensgewoonten in verband

Spijsvertering en bloedsomloop p 31

De ademhaling met extra blaadjes

sep

Zintuigen-zenuwen-hersenen p33

Zintuigen (extra blaadjes)

mrt

Het geraamte 34 Iedereen is anders p 37

Het geraamte en de spieren (extra blaadjes) Extra blaadjes uit Yeti, Zonneland

feb In andere lessen

SOVA Mschpij4.9/ 4.10/4.12

Na regen komt zonneschijn p 39

Lessenreeks over het weer uit 4wereldwijzer’

mrt

1.12

Klimaatzones p 41

Lessenreeks over het weer uit 4wereldwijzer’

mrt

1.6/1.11

De zon, de aarde en de maan p 43ev

Eigen reeks ‘Samen de ruimte in’

feb

Textielgrondstoffen

Grondstoffen

Veranderen:smelten, stollen, condenseren, verdampen p49 On/off energie p 52

Idem met extra blaadjes

In andere lessen dec

Milieu p 71

Extra rond alternatieve energie

Ik leef gezond p 53

Extra blaadjes rond gezonde voeding

Eventueel:klimaatdoos maken(extra)

Extra blaadjes rond steenkool, elektriciteit, aardgas

Techniek 2.1

juni

1.24/1.25/ 1.26 Techniek 2.18 mrt


brengen met wat ze weten over het functioneren van het eigen lichaam; 1.18

1.19 1.20 1.21 1.22

1.23*

1.24

1.25

1.26*

weten dat bepaalde ziekteverschijnselen en handicaps niet altijd kunnen worden vermeden; beseffen dat het nemen van voorzorgen de kans op ziekten en ongevallen vermindert; kunnen de hulp inroepen van een volwassene in een noodsituatie; kunnen elementaire hulp toedienen bij brandwonden. kunnen bij de verzorging van dieren en planten uit hun omgeving zelfstandig basishandelingen uitvoeren; tonen zich in hun gedrag bereid om in de eigen klas en school zorgvuldig om te gaan met afval, energie, papier, voedsel en water; kunnen met concrete voorbeelden uit hun omgeving illustreren hoe mensen op positieve, maar ook op negatieve wijze omgaan met het milieu; kunnen met concrete voorbeelden uit hun omgeving illustreren dat aan milieuproblemen vaak tegengestelde belangen ten grondslag liggen; tonen respect en zorg voor de natuur vanuit het besef dat de mens voor zijn levensbehoeften afhankelijk is van het natuurlijk leefmilieu.

4 Wereldorientatie - Maatschappij

Voedseldriehoek Extra blaadje:gezondheid te koop AllergieĂŤn p 55

Voedseldriehoek

Proper en veilig p 57

Kleine en grote ongelukken Veilig met elektriciteit

mei

Contactgegevens p 59

En als er dan toch iets gebeurt?(eigen bl)

mei

EHBO bij brandwonden en neusbloedingen p 61 xxxxxxxxxxxx

EHBO bij brandwonden en neusbloedingen en andere (extra p8.4b/8.18) xxxxxxxxxxxxxx

mei

mei

altijd

juni

1.6/1.16/ 1.24 Ruimte6.15 Techniek 2.18 1.6/1.16/ 1.23 Ruimte6.15 Techniek 2.18 1.16

juni

1.16

juni

Bodemloos, hopeloos p 73 Eventueel als extra les

Landbouw en industrie Eventueel als extra les

Mschpij4.9/ 4.10/4.12


De leerlingen eindterm

jaar 1 (uit Basis voor wo)

Jaar 2

periode

4.1

Maatpakken overal p 3

Beroepenkaart maken en bespreken

okt

xxxxxxxxxxxxxxx

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxx

xxxxxxxxxxxxxxx

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxx

Arm en rijk in de wereld (extra)

Arm en rijk in de wereld (extra)

dec

Reclame p9

Reclame:kopen en betalen (extra)

nov

Vrije tijd p11

Vrije tijd (extra)

nov

Andere levenstijlen p 13

Volkeren uit de hele wereld (extra)

dec

4.4/4.8 Ruimte6.9

Andere levenstijlen p13

Volkeren uit de hele wereld (extra)

dec

4.4/4.7 Ruimte6.9

Eventueel p 15

Eventueel ‘Zuster Leontine’

jan

Godsdienst

4.2 4.3

4.4

4.5* 4.6*

4.7*

4.8

4.9

4.10

kunnen illustreren dat verschillende vormen van arbeid verschillend toegankelijk zijn voor mannen en vrouwen en verschillend gewaardeerd worden. kunnen met een zelf gekozen voorbeeld illusteren hoe de prijs van een product tot stand komt. kunnen met een zelf gekozen voorbeeld het nut en het belang aangeven van een collectieve voorziening, waarvoor de overheid zorg draagt. kunnen illustreren dat welvaart zowel over de verschillende landen in de wereld als in België ongelijk verdeeld is. beseffen dat hun gedrag beïnvloed wordt door de reclame en de media. tonen zich bereid om actieve en passieve vormen van vrijetijdsbesteding te onderzoeken en te evalueren. kunnen er in hun omgang met leeftijdgenoten op discrete wijze rekening mee houden dat niet alle kinderen in hetzelfde type gezin wonen als zijzelf. kunnen illustreren dat verschillende sociale en culturele groepen verschillende waarden en normen bezitten. kunnen voorbeelden geven van mogelijkheden die in onze samenleving bestaan voor de zorg en opvang van bejaarden en mensen met een handicap. weten dat ze in het contact met mensen met een handicap attent moeten zijn voor de noden en

samen met

4.7/4.8/

Natuur 1.10/1.18

Eventueel p 15

Eventueel ‘Zuster Leontine’

jan

Godsdienst Natuur


4.11

4.12

4.13

4.14

4.15

4.16

4.17

verwachtingen van deze mensen. kunnen illustreren dat arbeidsmigratie en het probleem van vluchtelingen een rol hebben gespeeld bij de ontwikkeling van onze multiculturele samenleving. zien in dat racisme vaak gebaseerd is op onbekendheid met en vrees voor het vreemde. kunnen het belang illustreren van de fundamentele Rechten van de Mens en de Rechten van het Kind. Ze zien daarbij in dat de rechten en plichten complementair zijn. kunnen op een eenvoudige wijze uitleggen dat verkiezingen een basiselement zijn van het democratisch functioneren van onze instellingen. kunnen illustreren op welke wijze internationale organisaties ernaar streven om het welzijn en/of de vrede in de wereld te bevorderen. weten dat Vlaanderen één van de gemeenschappen is van het federale België en dat België deel uitmaakt van de Europese Unie. Ze weten daarbij dat elk een eigen bestuur heeft waar beslissingen worden genomen. kennen de erkende symbolen van de Vlaamse Gemeenschap (met name feestdag, wapen, vlag, volkslied en memoriaal).

5 Wereldoriëntatie - Tijd

Multiculturele samenleving p 17

Extra blaadjes rond racisme

jan

1.10/1.18 4.12 Natuur 1.10

Rollenverdeling jongen/meisje p 21

Project ‘Jongen-meisje’

4.11 Natuur 1.10

De rechten van het kind p 23 ev +extra blaadjes

Strijd tegen kinderarbeid Of Zonnelanddossier over kinderrechten

Occasioneel uitspitten wanneer het actueel is.

Occasioneel uitspitten wanneer het actueel is.

Vrede en welzijn p25

Verenigde naties en hulporganisaties

mei

Vlaanderen en de gemeenschappen in België

Vlaanderen en de gemeenschappen in België

mei nov

Ruimte 6.4

Vlaanderen en de gemeenschappen in België

Vlaanderen en de gemeenschappen in België

mei nov

Ruimte 6.4

mrt


De leerlingen eindterm 5.1 5.2

5.3

5.4

5.5

5.6 5.7

5.8

kunnen de tijd die ze nodig hebben voor een voor hen bekende bezigheid realistisch schatten. kunnen een kalender gebruiken om speciale gebeurtenissen uit eigen leven in de tijd te situeren en om de tijd tussen deze gebeurtenissen correct te bepalen. kunnen in een kleine groep voor een welomschreven opdracht een taakverdeling en planning in de tijd opmaken. kunnen tijdsaanduidingen op uitnodigingen en openings- en sluitingstijden correct interpreteren.

jaar 1 (uit Basis voor wo)

Jaar 2

Geen expliciete les. Zie agendagebruik en plannen van taken

Geen expliciete les. Zie agendagebruik en plannen van taken

Geen expliciete les. Zie agendagebruik en plannen van taken

Geen expliciete les. Zie agendagebruik en plannen van taken

Geen expliciete les. Zie agendagebruik en plannen van taken contractwerk

Geen expliciete les. Zie agendagebruik en plannen van taken contractwerk

Wiskundeles ivm tabellen Leren leren

Wiskundeles ivm tabellen Leren leren

Eventueel â&#x20AC;&#x2DC;Open of geslotenâ&#x20AC;&#x2122; p 35

periode

kunnen belangrijke gebeurtenissen of ervaringen uit eigen leven chronologisch ordenen en indelen in periodes. Ze kunnen daarvoor eigen indelingscriteria vinden. kunnen hun afstamming aangeven tot twee generaties terug. kennen de grote periodes uit de geschiedenis en ze kunnen duidelijke historische elementen in hun omgeving en belangrijke historische figuren en gebeurtenissen waarmee ze kennis maken, situeren in de juiste tijdsperiode aan de hand van een tijdband.

Een tijdslijn met de belangrijkste historische periodes lezen, interpreteren.

Openingsuren van instanties projecteren en bespreken Een tijdslijn met de belangrijkste historische periodes lezen, interpreteren.

Wiskunde eurobasis 4a week1 les 5

Wiskunde eurobasis 4a week1 les 5

Oudheid:oertijd 1WRijken:Egypte ME kersteningstijd Vorstentijd Onze tijden

Oudheid: nederzettingstijd 1Wrijken: Grieken en Romeinen ME:stedentijd Volkerentijd Onze tijden

sep-feb

kunnen aan de hand van een voorbeeld illustreren dat een actuele toestand, die voor kinderen herkenbaar is, en die door de geschiedenis beĂŻnvloed werd,

Vroeger en nu p 43

Geschiedenis van de fiets (extra)

mei

samen met

sep sep

5.7


5.9* 5.10*

vroeger anders was en in de loop der tijden evolueert. tonen belangstelling voor het verleden, heden en de toekomst, hier en elders. beseffen dat er een onderscheid is tussen een mening over een historisch feit en het feit zelf.

5.5/5.7/5.8 5.5/5.7/5.8


6 Wereldoriëntatie - Ruimte De leerlingen eindterm 6.1 kunnen aan elkaar een te volgen weg tussen twee plaatsen in de eigen gemeente of stad beschrijven. Ze kunnen deze reisweg ook aanduiden op een plattegrond. 6.1bis kunnen aan de hand van een kaart de afstand tussen twee plaatsen in Vlaanderen berekenen en beschrijven. 6.2

6.3

6.3bis

6.4

6.5

periode sep

samen met 6.3

jaar 1 (uit Basis voor wo) Route vinden p 47

Jaar 2 Op schatten jacht (extra)

Ook oefeningen in BLITS (lerenleren)

Ook oefeningen in BLITS (lerenleren)

Afstanden vinden p 49

Afstanden vinden (kaarten op smartbord)

Zie ook ev. wiskundelessen

Zie ook ev. wiskundelessen

kunnen in een praktische toepassingssituatie op een gepaste kaart en op de globe evenaar, de polen, de oceanen , de landen van de Europese Unie en de werelddelen opzoeken en aanwijzen. kunnen bij een oriëntatie in de werkelijkheid de windstreken (hoofd- en tussenrichtingen) bepalen aan de hand van de zonnestand of een kompas.

België en buurlanden Europa in de wereld P51-53/59

België en buurlanden Europa in de wereld

kunnen begrippen zoals wijk, gehucht, dorp, deelgemeente, fusiegemeente, stad, provincie, gemeenschap, land en continent in een juiste context gebruiken.

Europa in de wereld Werelddelen P61

Europa in de wereld Werelddelen Blinde kaarten

okt

1 land voorstellen en een steekkaart maken

1 land voorstellen en een steekkaart maken

nov

België en gemeenschappen p 63 + extra blad over de provincies

België en gemeenschappen extra bladen + extra blad over de provincies

nov

Mschpij 4.16

Eventueel p 65

Gelijkaardige oefeningen zoals p 65 Blad10.6

Wiskundelessen

6.11

hebben een voorstelling van de kaart van Vlaanderen en van België zodat ze in een praktische toepassingssituatie de gemeenschappen, de provincies en de provinciehoofdplaatsen kunnen aanwijzen. kunnen aan de hand van een concreet voorbeeld het verschil

Het noorden kwijt p 55

Zelfde les als jaar 1 maar met blinde kaarten van Europa Oriënteren in klas met een plannetje van de klas

sep

okt

6.3bis

sep nov

6.2


6.6 6.7

6.8

6.9

6.10

6.11

6.12

tussen beleefde en absolute afstand illustreren. kunnen suggesties geven voor het inrichten van hun eigen omgeving. kunnen in de realiteit op een gepaste kaart een landelijke, stedelijke, toeristische en industriële omgeving herkennen en van elkaar onderscheiden. kunnen hun eigen streek en twee andere streken in België situeren op een kaart en de relatie beschrijven tussen de omgeving en aspecten van het dagelijks leven van de mensen. kunnen aspecten van het dagelijks leven in een land van een ander cultuurgebied vergelijken met het eigen leven. kunnen in een landschap gericht waarnemen en ze kunnen op een eenvoudige wijze onderzoeken waarom het er zo uitziet. kunnen een atlas raadplegen en kunnen enkele soorten kaarten hanteren gebruik makend van de legende, windrichting en schaal. kunnen de gevaarlijke verkeerssituaties in de ruimere schoolomgeving lokaliseren.

xxxxxxxxxxxxxx

xxxxxxxxxxxxxxxxxx

Landelijk of stedelijk p 67 + extra blad stad/dorp vergelijken

Miljoenensteden 8.11(bij 6.7)

jan

6.10

Mijn streek p69 Foto’s eigen streek uitknippen en collage maken p71

Extra blaadjes over Ieper, omstreken en West-Vlaanderen (veel kaarten) Foto’s eigen streek uitknippen en collage maken

feb

6.4

Eventueel Onderwijs in een ander land Spelen in een ander land p 73

Eventueel Kinderen wereldwijd4.1/4.2 Leven in Marokko

Landschappen bekijken p75

Over landschappen 9.6/9.7/1.8

jan feb

Atlas leren gebruiken p 77 en vrije oefeningen in opzoekingswerk

Atlas leren gebruiken p 77 en vrije oefeningen in opzoekingswerk

mrt

De kinderen zijn nu en dan tevoet op weg (uitstapje,zwemmen) en gaan iedere maand onder begeleiding met de fiets op weg.

De kinderen zijn nu en dan tevoet op weg (uitstapje,zwemmen) en gaan iedere maand onder begeleiding met de fiets op weg.

mei

6.13/6.14

mei

6.12/6.14

Kruispunten p 81 Een straat om te delen (Zonneland) 6.13

beschikken over voldoende reactiesnelheid, evenwichtsbehoud en gevoel voor coördinatie en ze kennen de verkeersregels voor fietsers en voetgangers, om zich zelfstandig en veilig te kunnen verplaatsen langs een voor hen vertrouwde route.

Mschpij 4.8 Natuur 1.12 6.7

Extra oefeningen uit ‘Verkeersspelboek’ Extra oefeningen uit ‘Veilig in het verkeer’


6.14* 6.15

6.16

tonen zich in hun gedrag bereid rekening te houden met andere weggebruikers. kennen de belangrijkste gevolgen van het groeiende autogebruik en kunnen de voor- en nadelen van mogelijke alternatieven vergelijken. kunnen een eenvoudige route uitstippelen met het openbaar vervoer.

6.12/6.13

Het groeiende autoverbruik p 83

Hoe naar school? 8.1

mei

De tram of bus p 85

Trajecten en tijdstippen zoeken op de site van â&#x20AC;&#x2DC;De Lijnâ&#x20AC;&#x2122; en 4nmbsâ&#x20AC;&#x2122;

mei

7 Brongebruik De leerlingen kunnen op hun niveau verschillende informatiebronnen raadplegen.

6.16 Natuur 1.24/1.25/ 1.26 Tijd 5.4


Sociale vaardigheden vanuit Kameleon (eventueel ondersteund met de passende video van dhr.Verliefde. Zowat alle OD’s kunnen hier wel ingang vinden maar ik vermeld enkel de echt expliciete. Facultatief aanbod 1.2 Sociale vaardigheden thema 1: zichzelf voorstellen 1 De kinderen kunnen zich op een assertieve manier voorstellen. 2 De kinderen kunnen naar anderen toestappen en contact leggen. 3 De kinderen kunnen spontaan iets over zichzelf vertellen.

Fac 1.2

ET

Doel 1

2.1 2.6

VVKBaO S 1.7 S 1.12

Doel 2

2.1 2.6

S 1.28

Doel 3

2.1 2.6

S 1.12

Facultatief aanbod 2.2 Sociale vaardigheden thema 2: samenwerken met anderen 1 De kinderen beseffen dat samenwerken voordelen biedt. 2 De kinderen kunnen onderling overleggen om een groepsopdracht uit te voeren. Facultatief aanbod 3.2 Sociale vaardigheden thema 3: samenwerken met anderen 1 De kinderen kunnen onderling overleggen naar aanleiding van een groepsopdracht. 2 De kinderen kunnen toegeven aan de anderen om tot een oplossing te komen. Facultatief aanbod 4.2 Sociale vaardigheden thema 4: respect en waardering opbrengen 1 De kinderen kunnen in omgang met anderen respect en waardering opbrengen. 2 De kinderen hebben respect voor verschillen. 3 De kinderen kunnen elkaar een pluim/een waarderend woord geven.

Fac 2.2

ET

VVKBaO

Doel 1

2

S 1.22

Facultatief aanbod 5.2 Sociale vaardigheden thema 5: leiding geven en leiding aanvaarden 1 De kinderen kunnen op een zorgzame manier leiding geven aan een medeleerling. 2 De kinderen kunnen leiding aanvaarden van een medeleerling. Facultatief aanbod 6.2 Sociale vaardigheden thema 6: open vragen stellen 1 De kinderen weten wat het verschil is tussen open en gesloten vragen. 2 De kinderen kunnen in passende situaties open vragen stellen. 3 De kinderen kunnen op een goede manier een open vraag stellen. Facultatief aanbod 7.2 Sociale vaardigheden thema 7: beleefd neen durven te zeggen 1 De kinderen durven neen te zeggen, als ze iets niet willen of aanvaarden. 2 De kinderen kunnen op een aanvaardbare manier neen zeggen of weerbare signalen geven, als ze iets niet willen. Facultatief aanbod 8.2 Sociale vaardigheden thema 8: zich discreet opstellen 1 De kinderen ervaren dat informatie in communicatie veranderingen ondergaat. 2 De kinderen zien het onderscheid tussen onbewuste en bewuste verandering in boodschappen en kunnen dat aanduiden. 3 De kinderen worden zich bewust van roddel en kunnen dat verwoorden. 4 De kinderen weten waarom ze geen roddel mogen rondstrooien en kunnen dat verwoorden. 5 De kinderen kunnen op een effectieve manier omgaan met roddel.

Doel 2

2

S 1.27

Fac 3.2

ET

VVKBaO

Doel 1

2

S 1.22

Doel 2

2

S 1.27

Fac 4.2

ET

VVKBaO

Doel 1

* 1.2

S 1.28

Doel 2

*3

S 1.28

Doel 3

* 1.2

S 1.28

Fac 5.2

ET

VVKBaO

Doel 1

2.8

S 1.27

Doel 2

4.8

L 3.2.2

Fac 6.2

ET

VVKBaO

Doel 1

2.2 2.7

S 3.3

Doel 2

2.2 2.7

S 3.3

Doel 3

2.2 2.7

S 3.3

Fac 7.2

Doel 2

ET *1.7 *1.8 4.8 *1.7 *1.8 4.8

Fac 8.2

ET

VVKBaO

Doel 1

1.10 *

L 2.3

Doel 2

1.8 1.10 *

L 3.1.2

Doel 3

2.3 *

S 1.13

Doel 4

1.8

L 3.2.3

Doel 1

VVKBaO

OD’s 1,27 29 33-36

59-64

29,54 59-64

27,29 41

33,38 40,42 47 34

37,45 46

S 1.31 S 1.31

39

1.10 Doel 5

1.8

L 3.2.3

1.10 Facultatief aanbod 9.2 Sociale vaardigheden thema 9: ongelijk toegeven – zich verontschuldigen 1 De kinderen kunnen hun ongelijk of onmacht toegeven. 2 De kinderen kunnen zich verontschuldigen, als ze in de fout zijn gegaan. Facultatief aanbod 10.2 Sociale vaardigheden thema 10: zorgzaam omgaan met gevoelens van anderen 1 De kinderen kunnen nauwkeurig gevoelens en lichaamstaal bij elkaar observeren. 2 De kinderen gaan op een positieve en zorgzame wijze om met de gevoelens van anderen. Facultatief aanbod 11.2 Sociale vaardigheden thema 11: hulp vragen en je laten helpen 1 De kinderen kunnen op een beleefde en assertieve manier hulp vragen. 2 De kinderen kunnen accuraat hun wensen en noden aan bekende en onbekende personen meedelen. 3 De kinderen tonen dankbaarheid, wanneer ze hulp krijgen.

Fac 9.2

ET

VVKBaO

Doel 1

4.8 6.5

S4

Doel 2

4.8 6.5

S4

Fac 10.2

ET

VVKBaO

Doel 1

4.8 *

L2

Doel 2

4.8 *

L2

Fac 11.2

ET

VVKBaO

Doel 1

2.2 2.7

S 1.22

Doel 2

2.9 2.10

S 1.10

Doel 3

2.9 2.10

S 1.28

47-50

18,19 27,40

3,6,12 44


Facultatief aanbod 12.2 Sociale vaardigheden thema 12: ik kom uit voor mijn mening 1 De kinderen kunnen een eigen mening formuleren. 2 De kinderen kunnen voor zichzelf een kritische bedenking maken bij een voorstel. 3 De kinderen kunnen een kritische bedenking op een aanvaardbare manier naar de ander overbrengen. Uit â&#x20AC;&#x2DC;Luisteren en sprekenâ&#x20AC;&#x2122; (zie aldaar) Les 6.1 Werken met strips: tweegesprekken Les 7.1 Conflicten oplossen, een moeilijke maar belangrijke klus

Fac 12.2

ET

VVKBaO

Doel 1

2.9 2.10 *

S 1.13

Doel 2

2.9 2.10 *

S 1.13

Doel 3

4.8 6.2 6.5

S 1.37

4,37 46,51


Leren leren

Er wordt gewerkt met ‘Blits’ rond studievaardigheden:studieteksten, informatiebronnen, kaartlezen en schema’s, tabellen en grafieken. Kerndoelen zijn: * informatie achterhalen in informatieve en instructieve teksten waaronder schema’s, tabellen en digitale bronnen * informatie en meningen ordenen uit die bronnen * die informatie en meningen vergelijken en beoordelen. In Blits werken we met 4 hoofdrubrieken. Hanteren van studieteksten:samenvatten, uittreksels maken, aantekeningen maken, hoofdgedachte en centrale vraag weergeven, schematiseren in tabellen, diagrammen, grafieken, beoordelen van een tekst op bruikbaarheid, feiten en meningen, conclusies. 8

De leerling neemt systematisch en gericht waar en heeft hierbij ook oog voor relevante details.

1 6

De leerling is gericht op het juist begrijpen en gebruiken van informatie.

1 7

De leerling legt verbanden tussen nieuwe informatie en reeds verworven informatie.

Hanteren van informatiebronnen: alfabetiseren, kiezen van een geschikte bron en ingang, kiezen van trefwoorden, onderscheiden van en omgaan met diverse naslagwerken. 9

De leerling weet in welke aan zijn leeftijd en niveau aangepaste informatiebronnen hij gepaste informatie kan vinden.

1 0

De leerling weet bij welke personen hij informatie kan vragen.

1 1

De leerling beheerst zijn impulsiviteit en gaat pas aan de slag, nadat hij alle relevante informatie verworven heeft.

2 9

De leerling gaat na of hij op de gepaste manier de juiste informatie verworven heeft.

Kaartlezen:selecteren van de geschikte kaart, identificeren (mbv vakkenstelsel, windroos, legenda, register en schaal), visualiseren, analyseren en interpreteren van kaartgegevens. 1 6

De leerling is gericht op het juist begrijpen en gebruiken van informatie.

2 9

De leerling gaat na of hij op de gepaste manier de juiste informatie verworven heeft.

Lezen van schema’s, tabellen en grafieken:selecteren van een grafiek als informatiebron, identificeren van gegevens met gebruik van titel en symbolen, analyseren en interpreteren van gegevens. 1 6

De leerling is gericht op het juist begrijpen en gebruiken van informatie.


Godsdienst

TOV 6

Voor de doelen zie E://2010-2011/godsdienst

I Bewogen en zoekende mensen

datum

sep

week

les

1

1

Zo sterk als een touw

6/7

4

2

Herhaling

6/7

5/6

3

Scouting

8

4

Scouting

5

Op naar een nieuwe groep

6

Kerk of kerk

12

8/9

7

Kerkopbouw

13

10/11

8

Samengeroepen

14-17

9

Samengeroepen

18-21

2

3

4

okt

5

onderwerp

10 De Islam 6

bronboek

PC

10/11

12/13

22-25

11 De Islam

PC 14-20

13 afwerken 14 afwerken

8

15 Allerheiligen 16 Afscheid

andere

7

12 De Islam 7

groeiboek

100 113-117

80-82


II Zoek het eens op

datum

nov

week

9

10

les

onderwerp

bronboek

groeiboek

17 Tijdsband

122-123

18 OT en NT

130-131

21

19 Exodus

132-133

22

20 Exodus 11

12

dec

13

14

15

andere

film

21 4 evangelisten

134-135

23

22 Bijzondere maaltijd

138-139

24

23 Lam Gods

140-141

25

24 Advent-profeten

102

72

25 Zet een bord bij

103

73

26 Kerstverhaal

film

27 Kerstverhaal

film

28 Kerstverhaal

film

29 Kerstverhaal 30 viering


III Groeien in liefde en tederheid datum

jan

week

16

17

18

19

datum

feb

week

20

21

22

maart

23

24

25

les

onderwerp

bronboek

groeiboek

31 Vriendschap vele hoeken

28

26-28

32 Vriend of …

29

29

33 Voor altijd samen

30/31

30

34 Huwen

32/33

31

35 Huwen

foto’s

36 Scheppingsverhaal

34/35

37 Liefde

36/37

38 Liefde

38/39

les

onderwerp

andere

bronboek

32

liedjes

groeiboek

andere

39 Liefde in beeld

40/41

33

40 Terugblikkend

42/43

34

41 Over vasten

104/105

74

42 Hindoeïsme

142/143

PC

43 Boeddhisme

144/145

PC

44 Jodendom

146/147

PC

45 christendom

148/149

PC

46 paasverhaal

film

47 paasverhaal

film

48 paasverhaal

film

49 Laatste Avondmaal vieren 50

IV Natuur en cultuur


datum

week

april

26

27

les

onderwerp

51 Natuur en techniek

bronboek

groeiboek

62/63

52 Icarus

64

49

53 Icarus

65

50

66-68

51

54 Kun je verdwalen â&#x20AC;Ś

andere

PC

28

mei

29

55 Hemelvaart

30

56 De mens geworteld in de aarde

69/70

52

107-109

77

58 De mens in strijd

71

53

De mens bezorgd

72

54

59 De mens verwonderd

73

55-58

60 Hubertus

74/75

59

61 Mohammed-Hildegard

76/77

62 De kunst van het leven

78-80

60/61

63 Saulus-Paulus

82/83

62

64 Paulus als verkondiger/reiziger

84/85

63/64

57 Pinksteren 31

32

33

juni

35

36

zelf

65 De rest van Paulus overlopen

86/87


Groepshandelingsplan 8L1