Page 1

Een historisch blad met toekomst

Déjà Vu jaargang 3

nummer 2

LINKSE HOBBY’

S

Leidsch Dichtersgilde Stanley Kubrick

Jazzhistorie Het Amsterdamsch Hoerdom

‘Het ademt, spuwt woorden, rookt en drinkt, staat op twee benen en draagt voor.’


Voorwoord En ineens was daar alweer de laatste Déjà-Vu van dit studiejaar, een editie waarin we alle onderwerpen die tijdens vergaderingen de revue zijn gepasseerd eens en voor altijd tot een geheel wilden bundelen. Het enige probleem; een goede beschrijving die de diversiteit van alle onderwerpen samen zou kunnen vatten. Gelukkig bestaat er in onze moerstaal prachtige termen als ‘Linkse Hobby’s’ die precies al onze onderwerpen thematisch kon overkoepelen. Helaas wist tegelijkertijd niemand waar die term eigenlijk vandaan kwam, laat staan wat het betekent. Volgens de overlevering schijnt het zo te zijn dat de term rond 2007 voor het eerst werd gesignaleerd in de Tweede Kamer alwaar het vrij snel werd geclaimd door zowel de Mark Rutte als de Geert Wilders die het woord te pas en te onpas gebruikte voor…. inderdaad: Linkse Hobby’s. En daarmee wist uiteindelijk iedereen precies wat er mee werd bedoeld. Een andere omschrijving die je op het internet kunt vinden is dat je onder Linkse Hobby’s eigenlijk álles kunt plaatsen wat een samenleving maakt tot een beschaving. Een opmerking die waarschijnlijk nog linkser is dan de hobby’s zelf. Deze Déjà-Vu is qua onderwerpen waarschijnlijk net zo breed als het de uitleg van het thema Linkse Hobby. U kunt in deze editie onder andere lezen hoe het is om een “Linkse Hobby”, ofwel een AIO, van de vakgroep geschiedenis te zijn, welke interessante hobby’s men er op nahield in de zeventiende en achttiende eeuw of lees over de politieke achtergrond van vele wereldberoemde stripfiguren die wij door de jaren heen hebben leren kennen. Het is de bedoeling dat Déjà-Vu een doorlopende redactie gaat worden, wat in de praktijk zal betekenen dat de eerste Déjà-Vu van het nieuwe studiejaar niet in december, maar direct bij aanvang van het nieuwe studiejaar zal verschijnen. Om dit te kunnen realiserenzijn we op zoek naar een enthousiaste aanwas van nieuwe redacteuren die ons hierbij willen helpen. Als je wilt meeschrijven aan Déjà Vu, stuur dan een mailtje naar dejavuhsvl@gmail.com en wie weet zit jij volgende jaar in de redactie! Dan rest mij niets meer dan mijn team te bedanken voor de enorme inzet en flexibiliteit die zij de afgelopen tijd hebben getoond in soms erg hectische tijden. Deze editie draag ik dan ook volledig op aan jullie. Veel leesplezier! Esther Viergever 2

Inhoud 2 Voorwoord 3 Historisch nieuws 4 Zijn asielzoekers een (linkse) hobby? 6 Wie is die AIO? 8 De cynische perfectionist Kubrick 10 Je eigen televisierring 11 Tussen boeken en geweren 12 Het land van Don Quichot 13 De laatste der actievelingen 14 Als juf in de schoolbanken 16 Jazz 19 Strips 22 Leidsch dichtersgilde 24 Liszt vs. Thalberg 27 Mag ik op jouw klarinet blazen? 30 Madridreis 31 Colofon


Historisch Nieuws

Wendy Dallinga

Van Gogh Amsterdam – Vincent van Gogh werd vermoord. Dit stellen de Amerikaanse auteurs Gregory White Smith en Steven Naifeh in hun nieuwe biografie over de schilder is. Men ging er altijd van uit dat Van Gogh zelfmoord had gepleegd, maar de schrijvers beargumenteren dat hij het slachtoffers is geworden van een uit de hand gelopen pesterij.

Wilhelmina Den Haag - De Nederlandse regering moet excuses maken voor de passieve opstelling van de regering tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dat stellen oud-ministers Gerrit Zalm en Els Borst in het boek Judging the Netherlands. Volgens Borst had Wilhelmina met haar gezag de Nederlandse bevolking moeten oproepen tot bescherming van de Joden.

Rawagede Jakarta - Nederland biedt excuses aan voor de oorlogsmisdaden in het Indonesische dorp Rawagede op Java. De Nederlandse ambassadeur Tjeerd de Zwaan deed dit bij het monument dat aan het bloedbad herinnert. Negen nabestaanden krijgen een schadevergoeding van 20.000 euro per persoon.

Nazi-jacht Los Angeles - Het Simon Wiesenthal Centrum heropent de jacht op nazi’s. Er worden premies uitgeloofd voor informatie die kan leiden naar oorlogsmisdadigers die zich nog schuilhouden. Aanleiding is de veroordeling van concentratiekampbewaker John Demjanjuk, afgelopen oktober in Duitsland.

Dochter Stalin Richland - De dochter van Sovjetdictator Jozef Stalin, Svetlana Alliloejeva, is op 85-jarige leeftijd overleden in de Verenigde Staten. Sinds 1967 woonde Svetlana in Amerika om aan het communistische systeem en haar vader te ontsnappen. Haar vlucht uit de Sovjet-Unie maakte haar tot mascotte voor de Amerikanen.

Mein Kampf Londen- De Britse uitgever Peter McGee gaat delen van het boek Mein Kampf van Adolf Hitler verspreiden in het Duitse weekblad Zeitungszeugen. De Duitse deelstaat Beieren heeft de auteursrechten van het boek tot 2015 en overweegt gerechtelijke stappen te ondernemen tegen de uitgever.

Scriptie Tilburg - Een vergelijking tussen de PVV en fascistische partijen in het verleden levert een Tilburgse geschiedenisstudent een tien op. De student betoogde dit in zijn bachelorscriptie. Geert Wilders reageert via Twitter: ‘Op de KU in T zijn ze allemaal Stapel.’

3


Zijn asielzoekers een (linkse) hobby? Geregeld krijgen links georiënteerde politici het verwijt dat zij als hobby asielzoekers hebben. Zo hoorde de staatssecretaris van Justitie in 1980 dat veel te veel asielzoekers werden toegelaten. De reden zou zijn dat zij haar mening te veel liet bepalen door linkse politici en actiegroepen. In 1985 informeerde een anonieme man de staatssecretaris dat ‘al die Tamils onmiddellijk het land uit moeten worden uitgezet’. Hij vond dat de ‘linkse oppositie naar de hel moest lopen, want die verzieken ons hele land. Dit was een belediging voor de Nederlanders’. En in 1996 liet een Amsterdammer dezelfde staatssecretaris weten dat om onbegrijpelijke redenen die linkse politici zich meer bekommerden om al die asielzoekers dan om de echte Hollanders. Hun boodschap is duidelijk: asielzoekers worden onterecht toegelaten en dat komt door de hulp van linkse partijen. Tycho Walaardt

Enerzijds is er dus weerstand, anderzijds is er trots op de diepgewortelde traditie van gastvrijheid voor asielzoekers (denk aan het fameuze warme welkom voor de Hugenoten en de Hongaren waar keer op keer naar wordt verwezen). Deze gastvrijheid is geen mythe: Nederland liet veel asielzoekers toe, zij het niet altijd van harte. Uitgangspunt van het asielbeleid is dat geloofwaardige asielzoekers met ge-

Demonstratie van Tamils op het Plein in Den Haag. De boodschappen op de borden maken melding van depressie onder de Tamils en tonen aan dat het gaat om echte vluchtelingen. Bron: Fotocollectie Nationaal Archief, ANEFO (11/3/1986). 4

gronde vrees voor vervolging welkom waren; alle anderen niet. ‘Onechte vluchtelingen’, ‘malafide vluchtelingen’, ‘pseudo vluchtelingen’, ‘economische vluchtelingen’ en ‘gelukszoekers’ moeten vertrekken. Na invoering van deze scheidslijn ontstaan twee groepen asielzoekers en slechts een deel van hen mag blijven. Deze scheiding werd in de periode 1945-1994 aangebracht, maar lang niet alle afvallers werden uitgezet of vertrokken vrijwillig. Het onderzoek verricht in het kader van mijn dissertatie toont aan dat hele andere belangen beslissend waren. Het gaat ook om de vraag wie een stem in de asielprocedure en wie de uitkomst van asielverzoeken tracht te beïnvloeden en met welke argumenten. Allereerst is duidelijk dat politici geen asielzoekers toelaten: dat doen ambtenaren aan de hand van wetgeving en beleid, eventueel op aandringen van de rechterlijke macht. Persoonsdossiers van asielzoekers, die ik in het kader van mijn dissertatie heb onderzocht, laten wel zien dat politici in individuele gevallen door het stellen van Kamervragen naar invloed zochten. Hierin stonden zij niet alleen: ook werkgevers, buren, vrienden, familieleden, vluchtelingenwerkgroepen en klasgenootjes wilden ambtenaren beïnvloeden. Asielzoekers bleken een hobby voor Nederlanders die er persoonlijk een kende. De zaak van de Tamil X. toont deze belangen. X. was


een ongetrouwde man van 22 jaar. Hij kwam eind 1984 in Nederland aan en vroeg onmiddellijk om asiel. X. werd korte tijd later afgewezen wegens ongeloofwaardige verklaringen – volgens Justitie had X. een kleurrijke fantasie - want hij had elders in Sri Lanka kunnen gaan wonen en hij hoefde niet te vrezen voor vervolging in Sri Lanka. Ook zijn bezwaar en beroep (in 1988!) leidden niet tot succes. In 1989 blies zijn advocaat zijn asielverzoek nieuw leven in door te stellen dat de ‘uitermate lange procedure’ en ‘zijn lange verblijf in Nederland’ zijn cliënt recht gaf op een verblijfsvergunning. Daarnaast had X. zich inmiddels verloofd met een Tamilvrouw die nog in de procedure zat en bleek hij een gewaardeerd lid van de Wageningse cricketclub. Volgens een bevriende Wageninger was het uitzetten van dit jonge en goed geïntegreerde gezin naar een land in oorlog een ‘onverkwikkelijke zaak’. In mei 1990 kreeg dit gezin na een interne evaluatie een verblijfsvergunning op humanitaire gronden. De doorslag gaf dat de situatie in Sri Lanka was verslechterd en er een einde moest komen aan hun slopende onzekerheid. Dit voorbeeld laat zien dat een ongeloofwaardige asielzoeker die volgens Justitie en rechters niet hoefde te vrezen voor vervolging in zijn herkomstland toch succes kon hebben en uiteindelijk mocht blijven. De zaak X. toont dat ambtenaren speelruimte hadden; er bestonden andere redenen (hun lange verblijfsduur in Nederland) de familie X. alsnog toe te laten, zij het niet als vluchtelingen. De Nederlandse overheid voerde in de gehele naoorlogse periode een restrictief beleid en hoopte dat asielzoekers vertrokken, maar dit gebeurde niet altijd. Hierdoor ontstond een patstelling, waarna de ambtenaren van Justitie besloten na veel aandringen toe te geven en de zaak geruisloos in te willigen. Door het voeren van propaganda, het schrijven van brieven en kaarten, hongerstakingen, (kerk-)bezettingen en het organiseren van demonstraties, veranderden de aanvankelijk als onecht gekwalificeerde vluchtelingen in echte vluchtelingen of in personen die om economische redenen of op humanitaire gronden recht hadden op toelating. Hierbij komt de al genoemde speelruimte kijken. Deze speelruimte laat zien dat streng beleid is te combineren met een humane praktijk. De omvang van deze speelruimte en wat de succesvolle argumenten waren, veranderde in de naoorlogse periode. Tot 1975 bood vooral de arbeidsmarkt een ontsnappingsroute, nadat deze ruimte was ingeperkt, werd speelruimte gevonden in het gebruik van humanitaire argumenten. Asielzoekers waren aardig, vrienden,

ziek, getraumatiseerd, sympathieke cricketers, kwetsbaar, zielig, wachtten al heel lang of het waren medechristenen. Duidelijk is dat hoe langer asielzoekers in Nederland verbleven des te problematischer hun uitzetting werd. Hen toelaten, zij het niet altijd als vluchtelingen, was weinig problematisch wanneer de aantallen niet (te) groot waren of in ieder geval niet groot dreigden te worden. Hier is het belang van personificatie van een asielzoeker zichtbaar (zoals bij Mauro of Sahar): alleen deze ene asielzoeker was een aanwinst. Zo voorkwam men dat Nederland te aantrekkelijk werd en werd de vrees voor aanzuigende werking ingedamd. Kortom: juist persoonlijk contact met asielzoekers zorgde ervoor dat asielzoekers een hobby werden. Hiervan tot slot een illustratie: in 1979 eiste het Anthoniusstraat Comité uit Hengelo dat Justitie de asielzoekers (het ging om christenen uit Turkije) uit hun straat verwijderde, omdat zij zorgden voor hoogoplopende spanningen. Vier jaar later vroegen eenentwintig bewoners uit diezelfde straat in een petitie om toelating van ‘hun Turks Christelijke buren’. Zij legden uit dat zij door ontmoetingen aan elkaar gewend waren geraakt. Het was ongewenst hun buren na jaren van wachten uit hun vertrouwde leefomgeving te halen. Geïnteresseerd geraakt in hoe ambtenaren erin slaagden moeilijk oplosbare zaken op te lossen: mijn dissertatie, met als titel Geruisloos inwilligen, argumenten en speelruimte in de Nederlandse asielprocedure 1945-1994, over deze thematiek verschijnt in april 2012 bij uitgeverij Verloren.

Niet langer zijn asielzoekers welkom. Hier een foto tegen van een demonstratie tegen de huisvesting van 325 asielzoekers in een asielzoekerscentrum in Slagharen. Bron: Collectie IISG Amsterdam, Vrije Volk, BG B29/907 (1987). 5


Wie is die AIO? We hebben af en toe wel eens een werkgroep of een hoorcollege van ze. Maar over het algemeen blijven de AIO’s tamelijk op de achtergrond binnen het Instituut voor Geschiedenis. Toch wordt een groot deel van het Huizingagebouw bezet door deze jonge historici. Het is dus de hoogste tijd om twee van hen aan een vragenvuur te onderwerpen. Adriaan van Veldhuizen (30) is AIO bij de sectie Vaderlandse Geschiedenis en Aniek Smit (26) bij Sociale Geschiedenis. Wie zijn zij, waar zijn ze precies mee bezig? En hoe word je Wietse Stam eigenlijk AIO?

De term AIO staat voor ‘assistent in opleiding’ en is onderhand alweer een wat verouderde benaming voor iemand die promoveert, ook wel ‘promovendus’ genoemd. Tegenwoordig wordt de functie vaak in modieus Engels omschreven als ‘PhD-student’. Zij zijn in de eerste plaats bezig met het verrichten van een onderzoeksproject om hier vervolgens een proefschrift over te schrijven. Met deze studie hopen zij te promoveren. Dit houdt concreet in dat je de academische graad van ‘Doctor’ verwerft en in aanmerking kunt komen om een aanstelling aan de universiteit te krijgen. Als je het onderzoek hebt afgerond is er eerst een leescommissie die keurt of het proefschrift goed is. Wanneer je daar goedkeuring van hebt gekregen zal een promotiecommissie, bestaande uit Leidse- en hoogleraren van andere universiteiten, er vragen over stellen tijdens een promotieceremonie, wat de eigenlijke promotie is.

Via welke weg zijn jullie als AIO in Leiden terechtgekomen? Aniek: Sinds augustus 2010 ben ik AIO. Ik heb hier in Leiden Geschiedenis gestudeerd en daarnaast een Minor Journalistiek & Nieuwe Media gedaan. Naarmate ik in mijn studie vorderde raakte ik steeds meer geïnteresseerd in migratiegeschiedenis en kwam erachter dat ik daarin verder wilde gaan. Mijn masterscriptie is uiteindelijk ook als boek uitgegeven met de titel: “Mijn vader had een Afro” en gaat over het kleedgedrag van Marokkaanse migranten in Nederland vanaf de jaren zestig. Adriaan: Toen ik net studeerde in Groningen werd Henk te Velde daar hoogleraar. Ik heb zijn oratie (rede bij de aanvaarding van het hoogleraarsambt, red.) bezocht en volgde ook een aantal vakken bij hem, totdat hij naar Leiden vertrok. Een paar jaar later -ik was net begonnen met afstuderen- kwam ik hem toevallig tegen op de Vismarkt in Groningen. Hij was onderweg naar de promotie van Maartje Janse, maar we raakten even aan de praat. Ik heb hem toen verteld dat ik de ambitie had om een promotieonderzoek te doen en hij raadde me aan om later nog eens contact met hem op te nemen. Dat heb ik gedaan en na een aantal gesprekken in Leiden heb ik een onderzoeksvoorstel geschreven. Dat werd goedgekeurd en zo ben ik hier in 2007 terechtgekomen. Waar gaat jullie onderzoek over? Adriaan: In mijn onderzoek wil ik het fenomeen van de politieke partij op een andere manier belichten. Ik laat zien dat het begrip ‘politiek’ meer inhoudt dan enkel besluitvormingsprocessen. Een politieke partij is vooral ook een sociale vereniging. Dit sociale aspect is vormend voor wat politiek is. Mijn begeleider of ‘beoogd promotor’ zoals dat officieel heet, is professor te Velde. Doctor Dennis Bos is

6


mijn copromotor, hij leest eveneens mijn teksten en geeft feedback hierop. Aniek: Mijn onderzoek gaat over expats in Den Haag en Jakarta in de periode na 1945. Mijn beoogd promotor is professor Leo Lucassen. Ik kijk naar het vestigingsproces van deze hooggeschoolde migranten en de rol die verschillende partijen, zoals hun werkgever, de stedelijke overheid, en eigen organisaties daarbij speelden. Ik ben tot nu toe voornamelijk bezig geweest met bronnenonderzoek in Den Haag. In april ga ik naar Jakarta om daar mensen te interviewen die bij de expatgemeenschap betrokken zijn geweest of zelf zijn ‘blijven hangen’ na een tijdelijke uitzending. Daarnaast zal ik krantenonderzoek doen. Wat doe je als AIO naast je onderzoek nog meer? Adriaan: Naast het onderzoek doen ben ik onder andere bezig met het voorbereiden van colleges en het geven ervan. Ik heb twee jaar met veel plezier lesgegeven aan een aantal eerstejaars werkgroepen van Vaderlandse Geschiedenis. Daarnaast heb ik het vorige semester een gastcollege Inleiding Historische Wetenschap gedaan, waarin ik in debat ging met Herman Paul. Verder heb ik een Bachelor Seminar over Karl Marx gegeven en gastcolleges bij ‘politieke religie en religieuze politiek’ en ‘Clio en de macht’. Naast mijn werkzaamheden op de universiteit ben ik als redacteur verbonden aan het tijdschrift ‘Socialisme en Democratie’. Verder ben je als AIO vooral de hele tijd in gesprek met jezelf. Je hebt wel deadlines, maar je moet het gedurende die vier of vijf jaar uiteindelijk allemaal wel zelf doen, je hebt niet iemand die jou opdrachten geeft of achter je aan zit. Aniek: Ik heb vorig jaar als ‘beginnend docent’ meegelopen bij het eerstejaarsvak ‘Economische en Sociale Geschieden-

is’. Volgend semester ga ik zelf het vak ‘Oral History’ geven. Dat lijkt me erg leuk, aangezien ik zelf ook veel gebruik maak van interviews in mijn onderzoek. Nu houd ik mij primair bezig met mijn onderzoek, waar ik gemiddeld vier dagen in de week aan besteed. Daarnaast ben ik betrokken bij verschillende projecten over migratiegeschiedenis, georganiseerd vanuit het Centrum voor de Geschiedenis van Migranten (CGM). Tevens bezoek ik dit jaar twee congressen. Zo maak je mooie reizen, maar leer je vooral ook de academische wereld goed kennen. Wat moet je doen en kunnen om AIO te worden? Adriaan: Belangrijk is dat je moet willen werken in de wetenschap en laten zien dat je ambitie hebt in het doen van onderzoek. Daarnaast moet je een prikkelende eindscriptie schrijven gebaseerd op een degelijk onderzoek. Laat daarnaast, voordat je begint met je masterscriptie, weten of je de ambitie hebt om te promoveren. Het is echt van belang dat men hiervan op de hoogte is. Een uiteindelijke aanstelling aan een universiteit kun je op twee manieren krijgen: ofwel via de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Deze instantie financiert in dit geval je onderzoek. De andere optie is dat je door een universiteit zelf een onderzoeksplek aangeboden krijgt. Het laatste geval is op mij van toepassing. Aniek: Ook ik ben via de Universiteit Leiden aangesteld. Tijdens het schrijven van mijn scriptie voor de onderzoeksmaster kwam ik erachter dat ik het leuk vond zelfstandig een onderzoek op te zetten en uit te voeren. Dit is naar mijn idee dan ook de beste manier om te ontdekken of promoveren iets voor je is. Als je dit eenmaal weet, is het zoals Adriaan ook al zei, belangrijk dat je aan iedereen laat zien dat je het ook echt heel graag wilt.

7


Cynische perfectionist Kubrick Controversieel, duister en confronterend. Zo zijn de films van Stanley Kubrick te omschrijven Sven Schaap

Met een vrijwel stilstaand beeld van een verlaten gang in een eenzaam hotel presenteert Kubrick in 1980 zijn film “The Shining” aan het grote publiek. Aan het einde van de gang zijn twee fraai omlijste rode liftdeuren te zien. Tijdens het fragment klinkt een onheilspellende opbouwende zoem en na enige tijd lopen er liters bloed langs de randen van de liftdeuren de gang in alwaar het zich in een lugubere rode golf verspreidt. In Kubricks verfilming van het gelijknamige boek van Stephen King zullen deze scènes nog meerdere malen in gruwelijkheid worden overtroffen, maar het beeld van de bebloede gang is exemplarisch voor Kubrick: confronterend en in al zijn eenvoud toch ontzettend duister.

Op 26 juli 1928 werd Stanley Kubrick in New York geboren. Hij groeide op in de New Yorkse wijk The Bronx, waar hij al op jonge leeftijd een grote interesse ontwikkelde voor schaken en fotografie. Al snel werd duidelijk dat hier zijn talenten lagen en niet op school. Als middelmatige student verliet hij in 1946 de universiteit en dook hij op zijn passie voor fotografie en film. In de jaren die volgden kwam Kubrick in aanraking met talloze films en regisseurs die hem vormden tot de vakman en perfectionist die hij vanaf de jaren vijftig zou blijken te zijn. Naast het terugkerende gebruik van controversiële onder-

‘Goedbeschouwd was Kubrick zijn eigen personages’ werpen en een zeer grafische en expliciete weergave van gebeurtenissen in zijn films, wordt Kubricks werk gekenmerkt door een terugkerende situatie van het individu tegenover de massa. Dit uit zich bijvoorbeeld in “Full Metal Jacket” in het personage van Leonard Lawrence. De Amerikaanse militair wordt in dit verhaal door sergeant Hartman door zijn onhandigheid omgedoopt tot Private Pyle. Na veel getreiter van zijn sergeant en de leden van zijn regiment vermoordt Lawrence uiteindelijk Hartman en pleegt zelfmoord. Kubrick laat zien hoe het individu tegenover de massa komt te staan en weet - op wederom zeer gruwelijke wijze - te laten zien hoe dit individu hierop reageert. Er wordt zelfs beweerd dat de bloedspetters op de hagelwitte tegels van de badkamer waarin Pyle aan het moorden slaat zo duidelijk in beeld worden gebracht om het effect van het buitengesloten individu op de geaccepteerde orde te laten zien. In zijn verfilming van Nabokovs “Lolita” confronteert Kubrick met de personages van Humbert Humbert en Clare Quilty het seksuele moraal door hun obsessie voor een twaalfjarig meisje. Een ander voorbeeld van controver-

8


Shining Lift

Dr. Strangelove

sieel werk van de filmmaker is de bekende zwarte komedie “Dr. Strangelove”, waarin er een nucleaire Holocaust wordt begonnen. In deze film uit de hoogtijdagen van de koude oorlog staat de massa wederom onwetend tegenover het individu. Het lukt hen niet op tijd om in te zien dat het doel van de gestoorde dokter, om een nucleaire oorlog te beginnen, niet te stoppen is. Aan Russische zijde wordt het individu in de film compleet uitgewist door “The Doomsday Machine” die gebouwd is om automatisch te reageren op een Amerikaanse aanval. Het confronterende van deze film zit vooral in de absurde weergave van de militaire top. Zo

‘If it can be written, or thought, it can be filmed’

Lolita

stond Kubrick er bijvoorbeeld op dat de tafel van de heren in de War Room, waaraan alle militaire beslissingen werden genomen, groen was. Ook al was de film geheel in zwartwit, wilde hij hiermee laten zien dat de beslissingen die genomen werden allemaal onderdeel waren van een spel. Ook de uitspraak “Gentlemen, you can’t fight in here, this is the War Room!” als reactie op twee vechtende aanwezigen in de vergadering illustreert de absurde benadering van Kubrick op de Koude Oorlog. Kubrick bij de opname van Full Metal Jacket Kubrick werd het meest bekend als de regiseur die consequent films produceerde die door het publiek slechts gelaten ontvangen werden, om later als meesterwerken bekroond te worden. De cynische Kubrick herkent zich wellicht in zijn eigen personages: de slimme jongen die niks te maken wilde hebben met school en de Amerikaan die in een periode van angst voor een nucleaire oorlog er een gitzwarte komedie over maakte. Hij was zelf het individu die zichzelf tegenover de massa zag staan en wist zijn misantropische levensvisie op een compleet eigen manier in zijn werken te verpakken. Pyle 9


Je eigen televisierring Het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid is het nationaal audiovisueel archief en beheert in totaal ruim 800.000 uur aan radio- en televisieprogramma’s. Deze collectie blijft met de dag gestaag doorgroeien vanwege de constante aanstroom van nieuw materiaal. Aan dit in Hilversum gehuisveste archief is tevens het Museum voor Beeld en Geluid gebonden. Wietse Stam Het opvallende en architectonisch indrukwekkende gebouw werd in 2006 geopend en kennen wij allemaal wel van de serie ‘Andere Tijden’. De fundamenten van het museum worden letterlijk en figuurlijk gevormd door de uit vijf verdiepingen bestaande depotruimte waar het beeld- en geluidmateriaal onder speciale klimatologische omstandigheden is opgeslagen. Daarboven bevindt zich het museumgedeelte dat bestaat uit één grote vaste tentoonstellingsruimte, de zogenaamde ‘beeld en geluid experience’. Daarnaast is er een tentoonstellingsruimte met wisselexposities, momenteel is deze gewijd aan André van Duin. Voordat je begint met de ‘experience’ dien je bij een computer eerst een keuze te maken voor een persoonlijke ‘virtuele gids’. Na even getwijfeld te hebben tussen vijftien verschillende BN-ers, was Hans Goedkoop natuurlijk de enige goede keuze op deze locatie. Na hem geselecteerd te hebben, sprak hij de woorden: “ik schat je in als iemand die van geschiedenis houdt”. Ik had geen spijt. Na nog meer persoonlijke gegevens te hebben geladen op waarschijnlijk de meest afgrijselijke ring ter wereld, kon ik mijn weg vervolgen.

10

De ‘experience’ bevindt zich in een grote open ruimte met daarin vooral heel erg veel beeldschermen. Het basisconcept van het museum is dan ook logischerwijs het bekijken van filmfragmenten. Bij ieder scherm dat je tegenkomt scan je eerst je ring waarna in mijn geval de heer Goedkoop mij introduceerde met het specifieke onderdeel. De tentoonstelling is onderverdeeld in zeventien paviljoens met elk een apart thema. Voornamelijk voor kinderen zijn er bij alle onderdelen allerlei interactieve dingen te doen, zoals het lezen van het journaal met een autocue, of een screentest voor een soap. Maar, de essentiële vraag is of er nog wat te beleven valt voor de historicus. Zeker! In de medialounge is er bijvoorbeeld de mogelijkheid om even te ontsnappen aan de mediaspeeltuin. Je kunt hier in alle rust door een zeer uitgebreid archief van beeldmateriaal ploegen en die ene aflevering van je favoriete tv-programma bekijken. Alleen al bij dit onderdeel ben je zo een dagje zoet. Bovendien is er de mogelijkheid om alle door jou in het museum bekeken fragmenten toe te voegen aan je favorieten. Deze worden vervolgens opgeslagen op je account, waardoor je ze thuis kunt downloaden en terugkijken. Zo neem je na een bezoek je persoonlijke archief mee naar huis. Kijk, daar wordt de historicus nu blij van. Interessant vond ik ook het nieuwspaviljoen waar je onder andere kunt kijken naar een compilatie van het meest spraakmakende nieuws van de afgelopen eeuw. Handig, zo’n historisch overzicht. Bovendien wordt er ook aandacht besteed aan het fenomeen van verzuiling in de media. Buitengewoon vermakelijk is het onderdeel ‘kijkbuiskinderen’ waar je met een flinke dosis jeugdsentiment fragmenten van je favoriete kinderprogramma’s kunt bekijken. Bert & Ernie en de Fabeltjeskrant heb ik hier volledig herontdekt. Het museum heeft een uniek concept waarbij een bezoek voor ieder individu anders zal zijn. ‘De geschiedenis van radio en televisie’ is niet bepaald een evident thema om een expositie over in te richten, maar het museum voor Beeld en Geluid weet hier op een originele manier invulling aan te geven.


Tussen boeken en geweren als medewerker van het Collectie Informatie Centrum in het Legermuseum Delft Wietse Stam Bijna vijf jaar ben ik nu werkzaam in het Legermuseum te Delft, gehuisvest in het monumentale Armamentarium uit 1602. Naast onder andere het geven van rondleidingen aan kinderen ben ik eveneens werkzaam als assistent van de bibliothecaris in het Collectie Informatie Centrum (CIC), het nationaal kenniscentrum voor militaire geschiedenis. Dit is de meest uitgebreide militair-historische bibliotheek van Nederland en behoort tot een van de grootste van Europa. Het CIC is in het bezit van een indrukwekkende collectie van ongeveer 500.000 twee-dimensionale objecten, bestaande uit voornamelijk boeken, maar ook foto’s, prenten, schilderijen, films en geluidsopnamen. Het CIC maakt al deze informatie toegankelijk voor geïnteresseerden en studenten die onderzoek doen naar een militair-historisch onderwerp. Lees meer over het CIC en mijn werkzaamheden aldaar op de Déjà weblog (zie QR-code) en kijk op de facebookpagina: www.facebook.com/legermuseumcollectie of www.collectie.legermuseum.nl

Déjà Vu redactie 2011-2012 11


Het land van Don Quichot Onlangs verscheen het boek ‘Het land van Don Quichot. De Spanjaarden en hun geschiedenis’. De redactie werd gevoerd door niemand minder dan ‘onze eigen’ Raymond Fagel en Eric Storm, met bijdragen van Maurits Ebben, Mario Damen en Peer Vries. Arnout le Clercq Studenten die vorig jaar de hoorcollegereeks ‘De Geschiedenis van Spanje’ hebben gevolgd, zullen al gauw een déjà vu krijgen bij sommige delen van het boek. In de inleiding wordt dat ook nader toegelicht, namelijk dat het idee voor het boek ook grotendeels haar oorsprong vindt in deze hoorcolleges. Het boek valt veel lof toe te bedelen. Het is helder geschreven, weet de aandacht van de lezer vast te houden en ondanks dat er maar liefst vijf verschillende auteurs zijn, is de redactie zo gevoerd dat de hoofdstukken harmonieus samenkomen, terwijl het gebruik van een lichte persoonlijke stijl niet wordt geschuwd.

‘Het boek benadert de balans tussen populaire en academische geschiedschrijving’ Het boek geeft een goed overzichtsbeeld van de Spaanse geschiedenis tot op het heden en valt ook geschiedschrijving van niveau te noemen. Er bestaat natuurlijk een eeuwige discussie als het gaat om historische boeken tussen populaire en academische geschiedschrijving: ‘Het land van Don Quichot’ weet de balans tussen de twee goed te benaderen. Het boek is van academische waarde, maar ook toegankelijk voor het grote publiek. Dit is dan wel voor de serieuze lezer, want ondanks de saillante details en kleurrijke anekdotes is het boek niet altijd even ontspannende lectuur, wanneer men in de roerige en complexe Spaanse politieke geschiedenis duikt. Soms is het vanuit het oogpunt van historicus wel jammer dat het slechts een overzichtswerk betreft: veel dingen worden genoemd maar slechts kort toegelicht, waarbij de details, waar historici over het algemeen dol op zijn, achterwege worden gelaten. Helaas, want het boek kent een plezante schrijfstijl waarin men graag nog eens honderd pagina’s zou willen lezen. Aan de andere kant wordt dit ruim12

schoots goedgemaakt door een vrij uitgebreide lijst aan te bevelen literatuur bij elk hoofdstuk aan het einde van het boek. Hispanofielen zijn na ‘Het land van Don Quichot’ dus nog lang niet uitgelezen. Concluderend kan worden gezegd dat het boek zowel als handboek voor studenten als voor liefhebbers van Spanje en haar geschiedenis gelezen kan worden: het werk is voor beide doeleinden uitstekend geschikt. Dus, vooral nu het zonnetje weer doorbreekt, een tip voor historisch verantwoorde vakantielectuur van De Kritische Lezer©: Het land van Don Quichot, voor als u deze zomer op uw gat aan de Costa del Sol ligt!


De laatste der actievelingen In een grote berg papier, ook wel bekend als het HSVL-archief in wording, probeert een groep naïeve enthousiastelingen, ook wel bekend als de HSVL-archiefcommissie, sinds begin dit jaar orde in de chaos aan te brengen, maar wat voor interessante zaken uit het verleden ontrekken zij daar aan de vergetelheid?

Daan van Bloois

Laat mij u meenemen naar het jaar 1976, dertien jaar voor de oprichting van het HSVL (toen nog het Historisch Samenwerkingsverband Leiden, vanaf 2003 de Historische StudieVereniging Leiden). In deze tijd zat de wereld nog middenin de Koude Oorlog en hoewel men vandaag van een enkele Leidse (geschiedenis) student nog smalende opmerkingen kan horen over ‘die rooien/ socialisten’ aan de UVA, kon men er in Leiden in die tijd ook wat van. Zo had men hier indertijd bij de opleiding geschiedenis het Histories Aktie Komitee. Tegenwoordig zouden studenten te weinig geëngageerd zijn en protesteren op het Malieveld alleen maar zien als het volgende leuke uitje in plaats van een manier om hard voor je rechten te strijden. Dergelijke slappe hap lijkt niet besteed te zijn geweest aan de HAK’kers. Voor de duidelijkheid: dit waren dus geen doorgesnoven hedonisten, maar zeer betrokken historici met een links wereldbeeld ‘van PvdA tot IKB’ (Internationale Kommunisten Bond). In de tijd van het HAK leek de actieve en betrokken (geschiedenis) student helemaal geen bedreigde diersoort te zijn, zoals men nu wel eens het idee krijgt. Men protesteerde heftig (in ieder geval in geschrift) tegen de invoering van de zogenaamde nota van Posthumus. Deze hield onder andere in dat de nominale studieduur zou worden beperkt van vijf tot vier jaar. Daarin was de situatie dus enigszins vergelijkbaar met die van nu met de nominaal plus één regeling. HAK’kers, die vreesden dat dit het democratiseren van het onderwijs niet ten goede kwam, schreven hier vol verontwaardiging over. Ook het buitenland trok de aandacht van het Komitee. Zo schreef men vol vuur over de toenmalige dictatuur in Portugal: ‘Steun de democratiese organen en komitees van het Portugese volk. Tegen de EEG, NATO en CIA-inmenging: geen voorwaarden bij hulp aan Portugal.’ Als we deze betrokkenheid vergelijken met de bescheiden opkomst van HSVL’ers bij de eerste onderwijsdemonstratie vorig jaar, dan kunnen we nog wat van hun actieve instelling leren(de politieke voorkeur moet iedereen uiteraard voor zichzelf bepalen).

Het zou geschiedvervalsing zijn als ik hier zou stoppen met mijn column; met de conclusie dat alles vroeger beter was en iedereen veel actiever. Die goede oude tijd… Hoe het precies met het HAK is afgelopen weten wij nog niet, maar de VGL (waarschijnlijk Vereniging Geschiedenisstudenten Leiden, een soort voorloper van de HSVL) blies in 1981 haar laatste adem uit wegens een tekort of totale afwezigheid van actieve leden. Het convocaat voor de laatste ALV van de VGL eindigde met: ‘Mensen die nog enige toekomst voor de VGL zien hebben 13 november hun laatste kans. Tot dan, […] !! BLIJF WEG!! Een slechte aanmoediging: men had er zelf duidelijk geen zin meer in. Zo ziet men weer: inactieve studenten zijn van alle tijden. Uiteindelijk komt het wel weer goed. Nadat de VGL ophield te bestaan is acht jaar later het Historisch Samenwerkingsverband Leiden opgericht. Tegenwoordig zijn mensen bang dat nieuwe wetten, zoals het schrappen van de studiefinanciering voor de master en de invoer van de langstudeerboete, een grote impact zullen hebben op het aantal actieve studenten. Dat is geen gekke gedachte, maar aan de andere kant zien we ook dat men in het verleden te maken had met pieken en dalen in het aantal actieve studenten. Voor de mensen met de angst de laatsten der actieve studenten te zijn, kan dit stuk misschien hoop bieden. Wie weet: Active students might just be around the corner. Tot zover dit inkijkje in het HSVL-archief. Er is nog veel meer, meer dan we in een jaar kunnen lezen als commissie en bijna oneindig meer dan er in een Déjà Vu past. Bent u in de besproken periode student geschiedenis geweest in Leiden en heeft u over dit onderwerp meer te vertellen? Of vindt u dat de schrijver van dit stuk de geschiedschrijving geweld heeft aangedaan? Reageer dan alstublieft, wij staan altijd open voor kritiek en ook voor verhalen over uw tijd als student (of docent) geschiedenis in Leiden in het verleden. Ons e-mailadres is archiefcohsvl@ gmail.com. Ook kunt u altijd bellen naar de HSVL of langskomen op het hok tussen 11 en 13 uur. 13


Als juf in de schoolbanken Zoals Arnout le Clercq het al eens verwoordde, ben ik een “vreemde eend in de historisch -redactionele bijt”. Want naast mijn studie geschiedenis, sta ik ook drie dagen voor de klas. Dat ik hiervoor op dinsdagavond flink moet omschakelen zal niemand verbazen. Vanaf dat moment wissel ik mijn studieboeken, werkstukken en colleges om voor 23 leerlingen, een digibord en een stapel nakijkwerk. Veerle Beurze

Uiteraard geef ik mijn leerlingen les in alle vakken, maar voor geschiedenis ga ik altijd een paar stappen verder. Ik ben absoluut geen fan van lessen waarbij een boek wordt gelezen en vragen in een werkboek worden beantwoord. Ik heb de indruk dat kinderen daar niet veel van onthouden. Het is mijn doel om bij mijn leerlingen enthousiasme te wekken voor geschiedenis, waardoor ze er de rest van hun leven geïnteresseerd in blijven. Daarbij gebruik ik o.a. gesprekken, opdrachten in groepjes, creatieve opdrachten

en het kijken van korte filmpjes, wat vaak duidelijker is voor kinderen dan een lang verhaal. Al kunnen die filmpjes best spannend zijn: “Het is niet echt, dat zijn maar acteurs!” Het blijft wel groep 5 natuurlijk. Als leerkracht ben ik op zoek naar manieren om kinderen actief met het verleden bezig te laten zijn. Een voorbeeld hiervan is een project over de middeleeuwen. Ik bedacht Johannes, een jongen die in het klooster was opgegroeid en daardoor kon schrijven. Johannes schreef een brieven voor de toekomst, die ik zogenaamd per toeval in een boek had gevonden. Deze brieven waren gebaseerd op informatie uit het archief. Het voorlezen van de eerste brief van Johannes (compleet met vergeeld papier en oude letters) zorgde voor heel wat opwinding. Omdat hij vroeg naar de toekomst, gingen mijn leerlingen aan de slag en beschreven zij hoe wij nu leven. Daarnaast moesten ze onderzoeken hoe Johannes’ tijd eruit zag. Ze gingen ijverig op zoek in informatieboeken en op het internet. Alles wat werd gevonden, deelden ze met de rest van de klas en door de briefwisseling met Johannes kwamen ze veel te weten. In de laatste brief van Johannes vertelde hij over het stadhuis van Leiden en andere plaatsen in de stad, zoals de blauwe steen. De afsluiting van het project was een stadswandeling door Leiden, waar ik met een collega bekende middeleeuwse plekken aan de klas liet zien. Ze vonden het fantastisch en raakten er niet over uitgepraat: missie geslaagd dus! Dit was een avontuur dat ze niet meer zullen vergeten. Ik ben continu bezig om mijn onderwijs te verbeteren en kinderen op een afwisselende manier te laten leren. Het was daardoor even slikken toen ik zelf weer de schoolbanken in ging . Ik kijk automatisch naar de manier waarop het onderwijs op de universiteit gegeven wordt. En daarbij zie ik nog een aantal verbeterpunten. Dat kan al een kleine

14


aanpassing zijn, zoals aan het begin van een hoor- of werkcollege de voorkennis te activeren. In onze colleges kan dat bijvoorbeeld door te vragen wat studenten al weten over een onderwerp of een mindmap te maken. Zo weten docenten meteen de beginsituatie van de groep. De opzet van hoorcolleges vind ik ouderwets, ze duren te lang en zijn te massaal. Ik denk dat het veel effectiever is als de hoorcolleges korter zouden zijn en in kleinere groepen. Zo zijn ze intensiever; studenten kunnen meer vragen stellen en over de stof discussiëren. Het zou een karakter van een responsiecollege moeten krijgen , waardoor studenten en docenten veel onderling contact hebben. Daardoor gaat de kwaliteit van het onderwijs denk ik omhoog. Als laatste vind ik het niet goed dat er zo weinig tijd wordt gestoken in het kennismaken met de groep studenten, zowel bij hoor- als werkcolleges. Het komt vaak voor dat ik aan het eind van een collegereeks nog steeds geen idee heb wie de rest van mijn groep is, behalve als ik daar zelf iets aan heb gedaan. Terwijl dat een ‘veiliger’ gevoel geeft en studenten bijvoorbeeld sneller mee doen aan een discussie. Het is ook wonderlijk om te zien dat het mogelijk is om deze studie af te ronden zonder structurele samenwerkingsopdrachten. Op dit moment zijn er een paar colleges, een

minor en een master waarbij dit wel gebeurt, maar deze zijn net als de stage niet verplicht. Het is dus mogelijk om bijna wereldvreemd af te studeren, want wat voor ervaring heb je dan als student? Ik neem aan dat veel studenten in een team of afdeling terecht komen zodra zij de arbeidsmarkt op gaan. Daar kan nog meer rekening mee gehouden worden. Het zal duidelijk zijn dat ik ervoor pleit om dingen in het onderwijs vooral niet zo te laten “omdat ze nu eenmaal zo zijn”. Wat mij betreft kunnen we overgaan naar universitair onderwijs 2.0.

15


Muziek van ‘verschoppelingen’ Jazz is muziek die in de geschiedenis vaak gepaard is gegaan met revolutie en opstandigheid. De muziek weerspiegelt de extremen van de twintigste eeuw. Merel van Tol

Een bekende opvatting is dat cultuur de zuurstof is van vernieuwing en verandering. Jazz blijkt hier het voorbeeld bij uitstek van te zijn en wordt vaak gezien als de muziek van vernieuwing en culturele uitwisseling. De geschiedenis van de jazzmuziek toont aan dat jazz vaak wortel schiet onder groepen die zich verzetten tegen een bepaalde gevestigde orde. Jazz is niet alleen muziek van beschaafd en intellectueel vermaak, maar is tegelijkertijd muziek die in de geschiedenis vaak gepaard is gegaan met revolutie en opstandigheid. Zo weerspiegelt de muziek de extremen van de twintigste eeuw. Hoewel jazz zoals wij het nu herkennen pas echt tot bloei kwam in de twintigste eeuw, liggen volgens sommige specialisten de wortels al in de zestiende eeuw. Slaven uit verschillende Afrikaanse landen werden op slavenschepen naar de Nieuwe Wereld gebracht om de rijkdommen van de kolonies volledig te kunnen uitbuiten. De slaven kwamen uit verschillende landen, spraken verschillende talen en hadden verschillende culturen. Ook kwamen zij uit landen met verschillende muzikale tradities. De ‘smeltkroes’ van verschillende nationaliteiten en culturen die op Amerikaanse bodem ontstond en de onderdrukking door buitenlandse overheersers, zou een vruchtbare voedingsbodem blijken voor het ontstaan van volksmuziek, die zich later zou ontwikkelen tot jazz. Jazz zou in de gepolariseerde samenleving die na de afschaffing van de slavernij ontstond, tot grote bloei komen en zich daarna over de wereld verspreiden. Jazz werd de muziek van de ‘verschoppelingen’, van de gekleurde bevolking van de Amerikaanse steden. Eeuwen later, in de eerste helft van de twintigste eeuw, trekken de Afro-Americans massaal naar het noorden van de Verenigde Staten. Ze zijn op zoek naar een baan en op de vlucht voor het felle rac16

isme in de zuidelijke staten. Wanneer in de jaren twintig van de twintigste eeuw het gebruik van alcohol in Amerika werd verboden, gaat het verzet hiertegen gepaard met een opbloei van de jazzmuziek. In de zogenaamde ‘black areas’ werd avond na avond gedronken, gedanst en jazz gespeeld. Ook in andere delen van de wereld werd jazz populaire muziek onder jongeren die zich afzetten tegen heersende normen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd niet alleen afgestemd op de geallieerde radiozenders vanwege de nieuwsuitzendingen, maar net zo goed werd er hoop geput uit de uitgezonden jazzmuziek. In de jaren vijftig werd de Nederlandse samenleving gekenmerkt door gezapigheid, maar vernieuwende jazzmuzikanten probeerden de naoorlogse mentaliteit voortdurend te doorbreken. In de jaren zestig experimenteerden jazzmusici en braken met muzikale taboes: revolutionaire jazz kwam tegenover mainstream jazz te staan. Volgens historicus en jazzspecialist Cor Smit is jazz de enige muzieksoort die je kenmerkend voor de gehele twintigste eeuw kunt noemen. Alle andere muziek is tekenend voor een meer specifieke periode. Jazzmuziek is verknoopt met de geschiedenis van de twintigste eeuw. Toch doet deze muziek zich ook gelden in de eenentwintigste eeuw en lijkt zijn karakter als muziek van ‘verschoppelingen’ opnieuw waar te maken. Zo maakt de Egyptische jazzscene sinds de Arabische Lente een grote bloei door. De Cairo Jazz Club is iedere zaterdagavond strak uitverkocht en de club probeert zijn talentvolle musici te ontwikkelen en samen te werken met buitenlandse festivals. Hoe de jazzmuziek zich in dit gebied verder zal ontwikkelen zal de toekomst uit moeten wijzen, maar jazz is ook vandaag de dag nog springlevend, vooral in gebieden waar het putten van hoop uit mooie melodieën het hardst nodig is.


“You are young and growing and I am old and going” Leiden een kleine stad, daardoor is het bijzonder om te zien hoe omvangrijk de Leidse jazzcultuur eigenlijk is geweest. Er wordt wel gezegd dat Leiden heeft bijgedragen aan de nationale, en zelfs internationale jazzscene. Esther Viergever

De doorbraak van een echte Leidse ‘ jazzscene’ begon al zeer vroeg - in de jaren twintig van de negentiende eeuwen liep in zekere zin synchroon met de culturele ontwikkelingen in de Verenigde Staten. Vrij bijzonder, aangezien de middelen tot interculturele uitwisseling in deze periode nogal beperkt waren: grammofoonplaten waren spiksplinternieuw en radio’s waren nog amper in particulier bezit te vinden. Toch wist de Amerikaanse jazz over te waaien naar Nederland en heeft het hier, vooral in de steden, flink wortel kunnen schieten. In Leiden gebeurde dit, zoals te verwachten valt, onder internationaal georiënteerde studenten, maar ook bij typisch Leidse jongens uit de arbeidersklasse. Wat zij met elkaar deelden, was het collectief afzetten tegen de gemeenschappelijke conservatieve norm in een revolutionaire jaren twintig. Deze generatiekloof, in combinatie met internationalisme, interculturele uitwisseling en globalisering kreeg steeds meer voet aan de grond en wist dus zelfs boven de klassenverschillen uit te groeien. Toen jazz rond de jaren vijftig officieel was uitgegroeid tot een gevestigde amusementscultuur deden de tumultueuze jaren zestig hun intrede die voor een nieuwe muzikale omwenteling zouden zorgen. Alles moest voortaan anders, was het credo, en uit de mainstreamjazz groeide een nieuwe revolutionaire stroming met experimenterende jazzmuzikanten die zo veel mogelijk heilige huisjes omver wilden

17


schoppen. Er werd daarbij flink geëxperimenteerd met nieuwe muziektechnieken als elektronica en het gebruiken van diverse tempowisselingen en geïmproviseerde soli. Deze Leidse jazzmuzikanten speelden onder andere op het podium van Hot House (1969), de huidige tuinzaal van sociëteit de Burcht en het op één na oudste jazzpodium van Nederland. In 1971 liet Ben Walenkamp zijn droom werkelijkheid worden toen hij in de Nieuwstraat het eerste jazzcafé van Leiden, De Twee Spieghels, opende. Zijn doel, een stamkroeg volgens het boekje Eentje waar fel gediscussieerd kon worden, waar ook middenstanders en rechtse kunstenaars konden binnenvallen en waar bovendien vrouwen zich op hun gemak zouden voelen. Vooral het laatste vond Walenkamp erg belangrijk, iedereen moest zichzelf kunnen zijn. Tot slot, niet geheel onbelangrijk, moest er uiteraard jazzmuziek worden gedraaid. Eerst waren het grammofoonplaten, maar deze werden op den duur vervangen door livemuziek, wat het begin zou betekenen van een kleine jazzscene met internationale allure. Een van de meest memorabele momenten in de Leidse jazzgeschiedenis is het allerlaatste optreden van de Amerikaanse tenorsaxofonist Ben Webster (1909-1973) Op 6 september 1973. speelde hij zijn laatste noten in café De Twee Spieghels, enkele uren na dit optreden raakte hij in een coma en twee weken later overleed hij in het Luciaziekenhuis in Amsterdam. Met deze informatie in het achterhoofd is het misschien niet heel vreemd dat men muzikaal gezien niet bepaald lyrisch was over dit optreden. Het was duidelijk te merken dat Ben zich niet helemaal goed voelde. Bovendien was hij niet te spreken over de slagwerker die hem die avond begeleidde en klaagde hij over de vieux die hij moest drinken, een vervanging voor zijn favoriete cognac. Wat deze avond uiteindelijk toch zeer bijzonder maakte en wat menig muziekliefhebber is bijgebleven waren de, achteraf gezien nogal macabere woorden waar hij dit concert deze avond mee afsloot: “You’re young and growing and I’m old and going. So have fun while you can”. Volgens een tijdgenoot werd er wel eens aan de in 1909 geboren Webster gevraagd hoe hij racisme ervaarde. Zijn antwoord was net zo direct als zijn speelwijze en laat eigenlijk precies samen wat de jazzscene zo groot maakte onder zoveel Afro-Amerikanen: “We had our own thing”. Net als andere grote tijdgenoten als The Duke Ellington Band, Count Basie, en Jimmy Lunceford, leefde ook Webster in hun eigen maatschappij binnen de Amerikaanse maatschappij. 18


Onder de maskers van superhelden Perfectie is een abstract woord, volmaaktheid is tevens subjectief. Veel beschavingen onder andere de Grieken creëerden daarom onberispelijke beelden van goden die ‘het perfecte’ belichaamden. Het was belangrijk dat Grieken zich kon identificeren met deze goden, dus bezaten goden ook menselijke kenmerken. Tegelijkertijd moesten ze feilloos en onbereikbaar zijn, zodat men voortdurend bleef streven naar het perfecte. Vanaf de jaren dertig van de twintigste eeuw kreeg volmaaktheid een gelijksoortige personificatie: superhelden zoals Superman en Wonder Woman werden gecreëerd en dienden als het voorbeeld voor de Amerikaanse bevolking. Sara Tatou Tijdens The golden age of comic books ( 1930-1950) lazen ongeveer de helft van de Amerikanen stripboeken. De Golden age of comic books was de bloeiperiode van stripboeken. Het was tevens de periode waarin stripboeken het grootse aantal lezers trokken. Het was een medium dat goedkoper was dan de cinema en luchtiger was dan boeken en kranten. Omdat stripboeken door een groot aantal Amerikanen werd gelezen, gebruikten veel stripboekauteurs comic books als een protestmiddel. Opvallend was dat dit protestmiddel niet geïnitieerd werd vanuit de overheid, maar vanuit de auteurs zelf. Hier volgt een top drie van Amerikaans striphelden die voor propagandadoeleinden werden gebruikt.

verloor zijn spaargeld en het leven was hierdoor onzeker. Amerikanen waren op zoek naar een superheld die hen beschermde tegen de hebzucht van grote corrupte bedrijven. De behoefte aan een superheld eindigde niet in de jaren dertig. In februari 1940 kwam er een uitgave van Superman uit waarin hij Hitler en Stalin versloeg. Dit was eigenaardig aangezien de Amerikaanse regering op dat moment

Nummer 1. Superman Op een planeet die op ontploffing stond, ver hier vandaan, plaatste een verontruste professor zijn zoon in een capsule richting de aarde. De zoon van de professor groeide op tot Clark Kent die door zijn buitenaardse gaven de wereld redde als Superman. Een geassimileerde immigrant die het boegbeeld werd van de American Dream. De oorsprong van het verhaal van deze superheld situeerde zich in de kamers van de zeventienjarige Jerry Siegel en Jerome Shuster. In 1938 brachten Siegel en Shuster de eerste Action Comic uit, waarin Superman de hoofdrol kreeg. Action Comic was geen krant, maar een Science Fiction tijdschrift dat draaide om één superheld genaamd Superman. Aanvankelijk streed Superman met corrupte bankiers en aandeelhouders die valse aandelen verkochten. Superman had een vergelijkbare functie met Roosevelt, alleen droeg Superman een cape en bezat superkrachten in plaats van politiek gezag. Superman vocht dus met de vijanden van het New Deal-tijdperk. Door de depressie waren de jaren dertig grimmige tijden: men 19


afstand deed van de oorlog in Europa. De superhelden vochten dus tegen Hitler voordat de Amerikaanse regering dat deed. De publicatie van februari 1940 bleef ook niet onopgemerkt in nazi-Duitsland. De Duitse Minister van Propaganda Joseph Goebbels reageerde woedend op deze editie en noemde Superman een jood.

‘De superhelden vochten dus tegen Hitler voordat de Amerikaanse regering dat deed.’ Nummer 2. Captain America Captain America werd in 1941 gecreëerd door Joe Simon en Jack Kirby. Een patriottistische held die de vijanden van Amerika, Japan en Duitsland, aanvocht. De Amerikaanse isolationisten wilden zich niet met het oorlog bemoeien en stuurden haatmail om hun ongenoegen te laten blijken. Fans waren daar niet onder de indruk van en de eerste druk van Captain America werd meteen uitverkocht. De naam van het alter ego van Captain America was Steve Roger. Hij was geborgen gedurende de grote depressie en had een zwak lichaam. Hierdoor kon Roger zijn land niet verdedigen en ten oorlog gaan. Professor Reinstein die onder opdracht stond van Roosevelt om een leger van supermensen te creëren, bood Roger een serum aan. Dit serum veranderde Roger in een perfect schepsel genaamd: Captain America. Kort daarna sneuvelde Reinstein en nam het recept met zich mee naar zijn graf. Vanaf toen was het de taak van Captain America om de vijanden van de VS te verslaan. De Auteurs van Captain America schreven vaak over politieke onderwerpen in hun boeken. Zeven maanden voor

20


de aanval op Pearl Harbor werd er een editie uitgegeven van Captain Amerika, waarin hij de Japanners versloeg die een aanval op een Amerikaanse marinebasis beraamden. Na de aanval op Pearl Harbor in 1941, verklaarde de stripboekenindustrie de oorlog aan Japan en Duitsland. In deze periode vochten superhelden in bijna alle stripboekenuitgaven tegen de nazi’s en de Japanners. Comic books werden zelfs gelezen in het oorloogfront door Amerikaanse soldaten. Volgens de auteur van Spiderman, Stan Lee, was de propaganda die in stripboeken te vinden waren een uiting van frustratie van de politieke situatie. ‘Men had behoefte aan simpele oplossingen voor complexe problemen en dat was wat de superhelden voor stonden’ aldus Lee. Nummer 3. Wonder Woman. Wonder Woman was in 1941 de eerste vrouwelijke superheld. Zij werd gecreëerd door William Martson, een psycholoog die afgestudeerd was aan de universiteit van Harvard. Martson was zich bewust van de culturele impact die stripboeken hadden tijdens de golden age of comic books. Hij besloot daarom dit medium te gebruiken om zijn ideeën te verspreiden. William Martson heeft hier het volgende over gezegd: ‘Wonder Woman is the psychological propaganda for the new type of Woman who should, I believe, rule the World’ Wonder Woman kwam oorspronkelijk uit een utopische wereld, die enkel door vrouwen werd bewoond. Op haar witte paard onderwierp ze mannen met behulp van haar Magic Lasso. Hoewel Wonder Woman symbool stond voor sterke vrouwen, bezat ze echter ook eigenschappen van de stereotype vrouw en werd ze zelfs af en toe onderworpen. Wonder Woman was enerzijds een dominante vrouw, anderzijds moederlijk en zorgzaam en het stripverhaal speelt zich af in een seksuele mannenfantasie: zowel Wonder Woman als haar vrouwelijke vijanden waren schaars gekleed. Als Wonder Woman werd vastgebonden door een man verloor ze haar krachten. Tegelijkertijd onderwierp zij mannen aan haar eigen wil. Het is dus een constant machtsspel tussen man en vrouw. William Martson schreef later ook: ‘Give them an alluring woman stronger than themselves to submit to, and they’ll be proud to become her willing slaves’ Ondanks bepaalde vrouwelijke stereotypen die in Wonder Woman naar voren komen, blijft Wonder Woman een boegbeeld voor vrouwenemancipatie. Haar karakter representeerde de vooruitstrevende culturele impact die stripboeken konden bezitten.

21


Dode dichters over de dood Sinds de stichting van de universiteit in Leiden is de stad altijd een hotspot geweest voor (o.a.) poëtisch schrijftalent. Hoewel de stad de afgelopen vierhonderd jaar een hoop (dode) dichters heeft voortgebracht zijn er twee die er toch bovenuit steken. Tim Hartman Beide heren hebben een periode van hun leven in Leiden door gebracht. Hoewel zij totaal andere gedichten maakten en levens leidde hebben zij één ding gemeen; hun fascinatie met de dood. Bilderdijk werd in 1817 privédocent aan de universiteit in Leiden. Hij gaf tien jaar lang les in vaderlandse geschiedenis en rechtsgeleerdheid. Ook publiceerde hij in zijn Leidsche tijd vijfentwintig dichtbundels en meerdere essays. Als kind leidde hij een afgezonderd bestaan. Hij had naar eigen zeggen als baby al een fascinatie met de dood. Zo schreef hij in 1813 in het gedicht ‘afscheid’: ‘k Lag in mijn wiegj’ alreeds met natbeschreide wangen In ‘t dorsten naar de dood te smachten van ‘t verlangen Een dergelijk lange tijd een eenzaam leven leiden versterkte zijn fascinatie voor de dood alleen maar. Zijn laatste jaren bracht hij vol depressies en opium door in Haarlem. Toen hij uiteindelijk stierf op vijfenzeventig jarige leeftijd waren zijn twee vrouwen en meerdere kinderen al gestorven. Paaltjens is vooral bekend geworden door zijn simpele gedichten vol zwarte humor en ironie. Meerdere spelen zich af

in Leiden waar hij van 1852 tot 1858 theologie studeerde en lid was van Minerva. Hij woonde aan de Hogewoerd 63 boven een doodbidder, iemand die het overlijden van iemand aan de familie van de overledene vertelde. Hij schreef over zijn onderbuurman: Als ik een bidder zie loopen, dan slaat mij ‘t hart zoo blij. Dan denk ik hoe hij ook weldra Uit bidden zal gaan voor mij Met groot verdriet nam Paaltjens afscheid in 1858 van het studentenleven en ging te werk als dominee. Het bracht hem niet wat hij hoopte. Na vele depressies en sterfgevallen om hem heen hing hij zichzelf uiteindelijk op. Hij zag zelfmoord altijd als een gevecht met een wrongengel. Gevochten heeft hij, de bedstede waaraan hij zich ophing was kapot getrapt door zijn voeten. Beide dichters hebben al een lange tijd hun rust gevonden. Doch leeft hun poëzie nog altijd voort. In Leiden brachten zij hun betere jaren door. Moge het een veilige haven blijven voor toekomstig dichttalent en de poëzie in leven houden. Tekst voor kader, als daar ruimte voor is. Leiden is vooral bekend om haar muurgedichten. Iedereen heeft er wel één of meerdere gezien. Dit project is in 1992 gestart en in 2005 afgerond. In totaal zijn er 103 officiële muurgedichten en nog een aantal particuliere initiatieven. Op het moment in stichting tegenbeeld bezig om het gedicht ‘Le bateau Ivre‘, van Arthur Rimbaud, in Parijs op een muur te krijgen. Leiden staat vooral bekend om haar muurgedichten. Iedereen heeft er wel één of meerdere gezien. Dit project is in 1992 gestart en in 2005 afgerond. In totaal zijn er 103 officiële muurgedichten en nog een aantal particuliere initiatieven. Op het moment in stichting tegenbeeld bezig om het gedicht ‘Le bateau Ivre‘, van Arthur Rimbaud, in Parijs op een muur te krijgen.

22


De Leidsche poëzie leeft! Leiden kent dus een rijke historie als het gaat om het gedicht. Willem Bilderdijk, Piet Paaltjens en vele anderen hebben het poëtisch elan van onze sleutelstad bevestigd. Maar hoe zit het vandaag de dag? Wonen er nog dichters in Leiden? Leeft de poëzie nog? Het meest voor de hand liggende voorbeeld is Ilja Leonard Pfeiffer, classicus, dichter, schrijver en NRC-redacteur. Hij is inmiddels echter met de zuiderzon vertrokken naar het Italiaanse Genua –en geef hem eens ongelijk. Arnout le Clercq Uw redacteuren kwamen echter iets op het spoor en thans bevonden wij ons op Valentijnsdag in Café de WW, een zorgvuldig verborgen dranklokaal in de Wolsteeg, temidden van het doolhof tussen het Rapenburg en de Breestraat, bij een poëzieslag (poetry slam, dichtwedstrijd, red.) van het Leids Dichtersgilde. Inmiddels kunnen wij u vertellen: ja (!), de poëzie leeft in het Leidsche. Het ademt, spuwt woorden, rookt en drinkt, staat op twee benen en draagt voor. Martin Aart de Jong, dichter en bestuurslid van het gilde, vertelt ons meer. ‘Het gilde bestaat inmiddels ruim twaalvenhalf jaar. We zijn ooit begonnen bij de X (cultureel podium hier in Leiden, red.) met de eerste dichtersmiddagen; daaruit is het gilde toen ontstaan.’ Hoewel Den Haag en Utrecht ook dichtersgilden kennen, is er niet zo gek veel contact. ‘Aan de ene kant heb je elkaar nodig, maar aan de andere kant is het ook iedere dichter voor zich. Dat is ook van deze tijd, de poëzieslag is daar ook een uitdrukking van, met haar competitieve element.’ Het concept van een poëzieslag is als volgt: in verscheidene rondes krijgt een aantal dichters dat zich heeft opgegeven de tijd om enkele van hun gedichten voor te dragen. Uiteindelijk

Martin Aart de Jong bij ‘Dichters op Terrassen’

beraadt de jury zich en kiezen zij de finalisten. Deze avond was de kwaliteit echter zo denderend, dat er drie finalisten waren. Doch kan er maar één de beste zijn en dat was ‘debutant’ Gijs ter Haar, op de dichterlijke hielen gezeten door de Haagse Alex Franken en jongeling Martijn Holtslag –de laatste ging er met de publieksprijs vandoor.

‘Het ademt, spuwt woorden, rookt en drinkt, staat op twee benen en draagt voor.’ Het dichtersgilde organiseert vele activiteiten. De Jong: ‘Iedere tweede dinsdag van de maand is er in Café de WW een poëzieslag. Dit zijn allemaal voorrondes voor de echte finales die in het najaar plaatsvinden. Daarnaast is er eens in de twee maanden een dichtersmiddag bij Meneer Jansen en 10 juni organiseren we weer ‘Dichters op terrassen’, waar dichters zullen voordragen op terrassen in Leiden.’ Dan de hamvraag: leeft de dichtkunst nog in Leiden? Martin Aart de Jong is stellig overtuigd. ‘Het leeft wel degelijk, maar we hebben wél nieuwe input nodig. Leiden heeft heel veel potentie op het gebied van letteren, maar het gilde vergrijst op het moment wel. Je moet verder wel in gedachten houden dat er ook niet één scene is in Leiden. Tot slot hebben mensen soms een wat oubollig beeld van poëzie, daarom is het belangrijk dat we het ook naar de mensen toe brengen.’ Dus, lieve lezers, om met een imperatief af te sluiten, bezoekt u eens een activiteit van het gilde, doe mee aan de poëzieslag met al uw dichterlijke pretenties en laat de poëzie in Leiden nog intenser leven! 23


Liszt vs. Thalberg Franz Liszt. Muziekkenners zullen zijn Tweede Hongaarse Rhapsodie misschien kennen uit het beroemde Tom & Jerry-filmpje, of zijn Liebestraum die laatst werd gebruikt in een McDonaldsreclame. Maar weinigen zullen hebben gehoord van zijn grootste rivaal Sigismund Thalberg, destijds volgens muziekcritici een groter pianotalent, en iemand die bovendien de muziekwereld op zijn kop zette. Liszt, inmiddels gewend was om als een halfgod te worden aanbeden, kon het niet hebben dat de Parijse kranten Thalberg prefereerden en zette de aanval in op Thalberg, die dat op zijn beurt natuurlijk niet over zijn kant kon laten gaan. De rivaliteit tussen beide heren mondde zelfs uit in een ware mediaoorlog die uiteindelijk tot een directe confrontatie leidde in een Parijse salon. Werd Thalberg naar aanleiding van deze noodlottige soirée door zijn jaloerse collega tot vergetelheid gedoemd, of was Liszt misschien simpelweg een betere pianist? Is dat dan ook één van de oorzaken geweest dat menigeen vandaag de dag de muziek van Liszt nog steeds kent maar dat alleen de echte liefhebbers naar Thalberg luisteren? Iris Hoogeweij Liszt heeft in de jaren 30 van de 19e eeuw groot succes in Parijs. Recensenten aanbidden de briljante pianovirtuoos en daarnaast verovert hij vele harten van Parijse dames. Niets lijkt een glansrijke carrière dan ook in de weg te staan. Totdat Liszt met zijn minnares voor een tijd naar Zwitserland vertrekt en daar enkele maanden later berichten hoort over een jonge Weense pianist, Sigismund Thalberg. De Parijzenaars zijn geheel in de ban van Thalberg en ze lijken het voormalig wonderkind Liszt direct te zijn vergeten. Deze haast zich dan ook terug naar Parijs om zelf die Thalberg te kunnen aanschouwen. Als hij daar uiteindelijk aankomt is de nieuwe publiekslieveling Thalberg echter alweer vertrokken. Liszt krijgt wel wat composities van zijn nieuwe rivaal in handen en schrijft er een giftig artikel over, dat gepubliceerd wordt in de ‘Gazette Musicale de Paris’. Hij noemt de muziek “saai en één van de meest pretentieuze, lege en middelmatige werken” en bovendien “impotent en monotoon”. De spanning tussen de pianoleeuwen bouwt zich op, tot na enkele maanden een prinses de beide heren uitnodigt om op een, door haar georganiseerd, benefietconcert te spelen.

24

Eindelijk een echte krachtmeting, waarna de winnaar zich met recht de ‘enige en eerste pianist’ zou mogen noemen. In de lente van 1837 is het dan zo ver; de jaloerse rivalen zitten tegenover elkaar achter hun vleugel en spelen hun eigen variaties op onder andere ‘God save the Queen’. Het ene stuk blonk Liszt uit en bij het andere was Thalberg weer superieur. Volgens een recensent speelde Liszt “nog nooit zo energiek en met meer passie”, maar hij was ook lovend

‘Le concert, c’est moi!’

over Thalberg: “nog nooit liet Thalberg de piano zingen met grotere verve en tederheid”. Volgens de legende heeft Liszt die avond Thalberg definitief verslagen, maar volgens recensies was er helemaal geen winnaar.


De strijd was dus nog zeker niet afgelopen. Liszt wil zich echter wederom de status van “eerste en enige pianist” toe-eigenen want hij is tenslotte de ‘duivelse halfgod’. Dezelfde prinses, Christina Trivulzio Belgiojoso, vraagt Liszt en Thalberg een variatie te schrijven op een thema uit een opera van Bellini. Enkele maanden later staan er in de salon zes vleugels klaar voor de beroemdste pianisten uit die tijd: Liszt en Thalberg uiteraard, maar ook Chopin, Czerny, Pixis en Herz zijn van de partij. Liszt begint met de introductie van het stuk, waarna de pianisten één voor één hun eigen variatie spelen. Met zijn slotstuk, de Grande Finale, bevestigd Liszt zijn status als pianogrootheid en Thalberg’s stuk valt er eigenlijk bij in het niet. Maar, zou één soirée dan echt het einde hebben betekend van deze Weense virtuoos? Hij was in de eerste plaats wel degelijk een briljante pianist, maar aangezien er van dit concert geen opnames zijn, kunnen we alleen van recensies afleiden hoe hij die avond daadwerkelijk speelde. Wat wel van hem is overgebleven, is zijn bladmuziek, maar ook zijn composities zijn niet zo spectaculair als die van Liszt. Daarnaast had Thalberg, in tegenstelling tot Liszt, een stuk minder indrukwekkend privéleven; in zijn vrije tijd was hij vooral bezig met spelen en het ontwikkelen van nieuwe pianotechnieken, waarvan het ‘drie handen-effect’ zijn grootste muzikale wapenfeit is. Het privéleven van Liszt was daarentegen een stuk interessanter, hij beleefde vele stormachtige affaires. Een groot schandaal ontstond toen hij er met de eerder genoemde minnares, gravin d’Agoult, vandoor ging. Zij was namelijk nog niet gescheiden van haar man, maar was wel in verwachting van Liszt. Uiteindelijk krijgen ze drie kinderen, maar ook deze relatie liep stuk. De maestro had ondertussen ook nog seksuele relaties met de vele groupies die zich om hem heen schaarden en kreeg later een relatie met de prinses Caroline von Sayn Wittgenstein. Hij rookte, dronk en genoot van het leven. Bescheidenheid was niet een van zijn talenten, zo zei hij regelmatig “le concert, c’est moi”, om daar later “l’orchestre, c’est moi” van te maken, toen hij een aantal orkestwerken

Karikatuur van Liszt terwijl hij de ‘finale furioso’ speelt

Het driehandeneffect van Thalberg

Liszt en zijn fans

25


succesvol tot pianosolo had bewerkt. En de laatste zeven jaar van zijn leven zat hij in een klooster vroom katholiek te zijn. Toch heeft Thalberg een aantal prachtige werken gecomponeerd (zie kader) en zijn pianotechnieken worden heden ten dage nog steeds gedoceerd. Helaas zal altijd in de schaduw van Liszt blijven staan. Of zoals prinses Christina Trivulzio Belgiojoso, die de duels tussen de kemphanen organiseerde, diplomatiek zei: “Thalberg is een groot pianist, maar er is maar één Liszt”. De vete tussen Liszt en Thalberg is uiteindelijk toch nog opgelost: zo zei Liszt uiteindelijk over Thalberg’s pianospel: “hij speelt viool op de piano”. Toen Liszt in Wenen was, logeerde hij bij de vader van Thalberg en zou daar een briefje hebben ontvangen waarop stond: “je mag best op mijn vleugel spelen, als je dat wilt”. Als dat geen zoenoffer is.

Op de vorige pagina: afbeeldingen van The Cat Concerto, het oscarwinnende Tom & Jerry filmpje, waarin Tom de 2e Hongaarse Rhapsodie van Liszt speelt. Verder luisteren naar Liszt en Thalberg? Een kleine aanbeveling: Liszt, Thalberg, Chopin, Czerny, Herz & Pixis: Hexameron Thalberg: Opus 27: “Fantasie op God save the Queen” Liszt: S.237, “La Marseillaise” S.141 “La Campanella” S.126, “Totentanz” Transcendentale étude nr. 4, “Mazeppa” (naar een gedicht van Victor Hugo) Dante sonate “Après une lecture de Dante”

Liszt vergebruikte gemiddeld twee vleugels per recital, de piano’s haalden ternauwernood de pauze 26


Mag ik op jouw klarinet blazen? Al in de zeventiende eeuw was er sprake van een relatief hoge concentratie van prostitutie in Amsterdam. De bordelen en straatprostitutie hebben de tijd overleefd. De speelhuizen echter niet. Tijd voor een herontdekking van deze etablissementen waar ‘Borstjes zich brat door brakkinnetjes lieten vermaeken.’ Tim Hartman Ik begaf mij op oudejaarsavond jl. op de roemruchte Reeperbahn. Een stuk straat van 930 meter lang die in de wijk St. Pauli te Hamburg ligt. Al decennialang bekend om haar prostitutie scene en natuurlijk de Beatles. Hoewel ik mijn best deed niet teveel op de dames van lichte zeden te letten zette het mij als historicus in spé wel aan het denken: ‘Hoe zit het met prostitutie in historisch opzicht? Bij thuiskomst dook ik snel de UB-catalogus in en stuitte ik op een bijzonder interessant boekje.’ ‘Het Amsterdamsch Hoerdom’, gepubliceerd in 1681. Het boek vertelt over een man die aan de hand van de duivel door het nachtleven van zeventiende eeuws Amsterdam wordt geleid. Zij bezoeken bordelen, straatprostitutie maar ook de eerder genoemde speelhuizen. Vooral deze speelhuizen spreken tot de verbeelding. Hoe werkte deze speelhuizen? En waarom zijn ze uit het straatbeeld verdwenen? De speelhuizen waren de grote uitgaansattracties van het zeventiende eeuws Amsterdam. Eén van de bekendste uit die tijd was de ‘d’Os in de Bruyloften.’ Het was een groot pand van zes verdiepingen aan de Oudebrugsteeg. Het bevatte een enorme collectie aan muziekinstrumenten, speeldozen, fonteinen en andere mechanische waterwerken. Deze speelhuizen ontstonden uit de muziekhallen waar men kwam om te dansen. Hoewel de speelhuizen erg populair waren onder de Amsterdammers begonnen zij ook onder de toeristen bekend te worden. Dit kwam omdat de speelhuizen sinds 1683 voor het eerst genoemd werden in reisgidsen. Vooral jonge mannen vermaakten zich er en dansten, zongen en zopen zich de avond door. Deze grote groep jonge dronken mannen trokken veel prostituees aan die opzoek waren naar klanten. De eigenaren zagen zich genoodzaakt om de prostituees aan zich te binden zodat de klanten terug

zouden blijven komen. Uiteindelijk gingen de speelhuizen zonder prostituees failliet ten koste van de speelhuizen met prostituees. Noem het oneerlijke concurrentie of inspelen op de vraag van de markt. Er was ook sprake van discriminatie in de speelhuizen. Eigenaren huurden muzikanten in die geen muziek mochten spelen die erg populair was bij de lagere klassen. Want ‘waar schurken niet kunnen dansen, komen ze ook niet om hun geld te verspillen.’ Is te lezen in ‘Het Amsterdamsch Hoerdom.’ Maar er werd ook gewoonweg aan de deur geselecteerd. Ook op prostituees werd er geselecteerd. Wie zich geen mooie kleding kon veroorloven was veroordeeld om haar werk in de speelhuizen, waar het simpele volk kwam, te doen. Ook de kwaliteiten om mooi te kunnen zingen en dansen zorgden voor een betere marktwaarde van de prostituee. De speelhuizen werden lange tijd getolereerd. Zo nu en dan viel de politie (eens) binnen en arresteerde vooral de prostituees. Deze werden dan bestraft met kleine boetes. De acties waren nodig om genoeg mensen af te schikken om zelf geen speelhuis te starten. Op deze manier konden de autoriteiten het aantal speelhuizen beperkt houden.

27


Echter kwam er eind zeventiende eeuw verandering in het beleid. De invallen werden vaker uitgevoerd, de eigenaren van de speelhuizen werden nu hard berecht en muziekinstrumenten werden in beslag genomen. Veel speelhuizen moesten hun deuren sluiten als gevolg van deze maatregelen. Tot de tweede helft van de achttiende eeuw hadden de overgebleven speelhuizen het zwaar. De hardere aanpak van de autoriteiten leek effect te hebben. Hoewel de speelhuizen niet helemaal verdwenen. In de periode van de eerste helft van de zeventiende eeuw zijn veel gevallen bekend van speelhuizen die ‘ondergronds’ gingen om het risico te spreiden. Toch kwam er in de tweede helft van de achttiende eeuw weer een opleving van de speelhuizen. De aanpak van de autoriteiten was weer verslapt en men accepteerde de speelhuizen zolang ze maar niet teveel lawaai maakten. Hierdoor ontstond er een tweedeling. Aan de ene kant waren er de speelhuizen die omgebouwd werden tot een soort balzalen die meer aanspraken tot de elite.En aan de andere kant waren er de speelhuizen die meer bordelen werden en vooral arm volk aanspraken. Toeristen en elite verloren hun interesse in deze etablissementen waardoor de speelhuizen in een sociaal verval raakte waar enkel nog de

28

simpele arbeider kwam. In de loop van de negentiende eeuw verdween het begrip ‘speelhuis’ in zijn geheel. Ook in het verleden kon men dus spreken van een levendige prostitutie scene. Hoewel de speelhuizen zijn verdwenen uit het straatbeeld zal het mooi zijn als zij blijven bestaan in ons geheugen. Als iets nostalgisch dat altijd tot de verbeelding zal blijven spreken. Als iets dat de volgende worden fluistert: ‘Ik ga wel weg, maar verlaat je niet’. Overigens gezongen door een zanger die niet had misstaan als artiest in de speelhuizen van de late achttiende eeuw. Het boek ‘Het Amsterdamsche Hoerdom‘ is voor het eerst in 1681 anoniem gepubliceerd. De schrijver is nooit meer achterhaald. In 2010 is er een nieuwe editie uitgebracht door Coos Dieters onder de titel: ‘Meniste Bruyloften of het Amsterdamsch Hoerdom.‘ De tekst is verwerkt in leesbare taal en er zijn prenten toegevoegd. Meniste Bruyloften of het Amsterdamsch Hoerdom. d’Jonge Hond 2010 156blz. €29,95.


Word vriend van de Déjà Vu

De Déjà Vu is mooi, dames en heren. Leescht Déjà Vu, zou ik u willen aanraden. Maar de Déjà Vu is ook behoeftig. In het huidige economische klimaat is het lastig om zo’n mooi blad te blijven handhaven als zowel bedrijven als de universiteit zich genoodzaakt zien hun financiële handen ervan af te trekken. We zullen er dus maar niet langer omheen draaien: we hebben geld nodig. Daarom is er nu een stichting in het leven geroepen voor het behoud van ons blad! Voor tien euro per jaar kunt u Vriend worden van Déjà Vu en krijgt u het blad thuisgestuurd, een leuk aandenken en natuurlijk onze eeuwige waardering. Interesse? Mail naar vrienden.dejavu@gmail.com en wordt Vriend! Dank u.

29


De stad die nooit slaapt “Nee, meneer, u mag hier niets vertellen over het paleis.” Bijt een geïrriteerde vrouw een groepje studenten dat gefascineerd staat te luisteren naar een uitleg over een zaal in het Palacio Real toe. “U hebt geen vergunning.” Ontdaan kijkt de groep wat in het rond en zien dat de verteller grinnikt. Een museummedewerkster irriteren door met fascinatie te vertellen over haar museum is eigenlijk wel als een compliment op te vatten. Sven Schaap

Met het verzoek van de Kleine Reiscommissie om een Calvinistische werkethiek mee te brengen vertrok afgelopen week een groep HSVL’ers richting Madrid. Of de Spanjaarden daadwerkelijk iets hebben overgenomen van de werkethiek van het Leidsche gevolg is - wellicht gelukkig - zeer de vraag. In ieder geval hebben ze de harten - en in sommige gevallen ook de stemmen - van het gezelschap met groot succes veroverd. Al snel bleek de enorme historische waarde van de tamelijk jonge en grote stad. De grootsheid van El Escorial straalde er vanaf en ook de Valle de los Caídos was ondanks, en misschien zelfs door, zijn onbehaaglijke geschiedenis zeer indrukwekkend. Tel hier een enthousiaste verteller in de vorm van dr. Maurits Ebben bij op en je hebt al snel een geheel verzorgde historische cruise langs de hoogte- en dieptepunten van de Spaanse geschiedenis. Een luxe cruise met hier een daar een tussenstop om een verfrissende duik te nemen in een van de gezellige authentieke Spaanse cafés en restaurants. ’s Avonds deed Madrid zijn naam eer aan als stad die nooit slaapt. Tot in de late uurtjes klonk er een gezellig rumoer vanuit de straten van de koninklijke stad. Het was een rumoer waar de delegatie HSVL’ers en Maurits Ebben, als doorgewinterd Madrileen, dankbaar in opgingen. Cervezas, Mojitos en natuurlijk de verrukkelijke Spaanse keuken vulden de avonden en buiken van het grote gezelschap dat de volgende ochtend uiteraard weer fris opstond. Vermoeid, maar gelukkig liet het reisgezelschap op zondag het luidruchtige en indrukwekkende Madrid achter zich en ruilde dit in voor het heuvelachtige Nederland zoals alleen Velázques dit kende. Na Brugge waren de verwachtingen van de reis groot, maar de commissie heeft bewezen dat ze goed om hebben kunnen gaan met deze druk. Kleine Reisco, nogmaals bedankt voor de mooie tijden. Na deze prachtige reis naar de stad die nooit slaapt hebben jullie je rust wel verdiend. 30


Sara Tatou

Het Land van de idioten Vergeet de werkelijkheid, eentonig Stap in de wereld van de blinden De gekken horen je zingen De schepsels geloven je niet Jouw boek is niets minder, niets meer. Dwaas! Vergeet mij niet, Want alleen de dwazen, Veranderen illusie in werkelijkheid. Sara Tatou

DĂŠjĂ Vu: Periodiek van de Historische StudieVereniging Leiden

Hoofdredactie: Esther Viergever Eindredactie: Anika van de Wijngaard Esther Viergever Vormgeving Iris Hoogeweij

Redactie: Veerle Beurze Wendy Dallinga Tim Hartman Iris Hoogeweij Sven Schaap Wietse Stam Sara Tatou Merel van Tol Esther Viergever 31


32

Déjà Vu maart 2012  

Déjà Vu, het historisch blad met toekomst, geschreven door studenten Geschiedenis aan de Universiteit Leiden

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you