Issuu on Google+

1

processor


processor


Editoriaal Er wordt in het discours van de architectuur nog te vaak de nadruk gelegd op het eindproduct. Ook het proces, waarbij de architect een intense band opbouwt met zijn ontwerp, is van groot belang. Daarom is het essentieel om het ontwerpproces een belangrijke plaats te geven in het discours. Het is voor ons duidelijk dat er soms niet verder gezocht moet worden naar andere motieven en dat de evolutie van een bouwwerk op zich een heel verhaal vertelt. In dit tijdschrift willen we verschillende benaderingen van de architectuurpraktijk belichten aan de hand van het ontwerpproces. Wanneer we inzoomen op zo’n proces, merken we al snel dat elke ontwerper op zijn eigen manier ideeën ontwikkelt en een project richting geeft. In dit magazine schetsen we een beeld van het architectuurproces. Het is onze ambitie om de eenzijdige focus op het eindproduct te doorbreken. Het tijdschrift leest als een proces in chronologische volgorde maar juist zoals in een proces kunnen stappen worden overgeslaan of onderdelen beklemtoond worden. Sommige projecten beperken zich tot een specifiek thema, anderen kennen een overlap tussen verschillende delen. Het zal duidelijk worden dat de projecten zich ontplooien doorheen het magazine en bij elke fase rijker worden. Door de kenmerkende eigenschap van een magazine om heen en weer te bladeren is het mogelijk om voorafgegane stappen te herbekijken. Door toevoeging van gekleurde lipjes is het makkelijk om de verschillende hoofdstukken van een artikel terug te vinden. De tijdschriften van Processor worden beperkt tot een reeks van zes nummers. In het eerste nummer uit deze reeks, wordt er een onderverdeling gemaakt volgens de verschillende hoofdfases die wij belangrijk achten in het ontstaan van een project. Deze fases zijn: kijken -verbeelden - ontwerpen -(ge)bouwen. Elke fase wordt gestaafd en verduidelijkt aan de hand van projecten van de redactie met elk haar eigen benadering tot architectuur. De toevoeging van recensies en essays maken dit nummer nog completer. Dit eerste nummer verheldert dus de structuur van de tijdschriftenreeks. De volgende nummers focussen telkens op één van de thema’s, waardoor elk onderdeel van het proces nog meer kan worden uitgediept. Het eerste thema handelt over ‘Kijken’. Hierin bespreken we het ontwerpproces dat tot stand komt uit theoretische of materiele bronnen die als inspirerende input gebruikt worden. Enerzijds kunnen (fictieve) architectuurtheorieën en/of –kritieken, al dan niet zelf ontwikkeld, gelezen en geanalyseerd worden. Anderzijds kunnen ook objectieve elementen zoals omgevingsfactoren, de bestaande context e.a. leiden tot een boeiend ontwerp. Bij ‘Verbeelden’ nemen we afstand van de realiteit en bekijken we de wereld en zijn architectuur vanuit een ander standpunt. ‘Wat als...?’, of “Hoe zou...?”, en “Misschien als...” of “Is dat wel zo?”, zijn hierbij de drijfveren. Maar waar stopt realiteit en start verbeelding? Het derde thema belicht ‘Ontwerpen’. Dit onderdeel van het tijdschrift illustreert hoe een ontwerp stap voor stap van een schets tot een uitvoeringsdetail evolueert. Hoe ontwikkelt een ontwerp zich vanuit de tekening? Waarom hangt die balk daar en heeft die muur dat baksteenpatroon? Tot slot omvat ‘(Ge)bouwen’ recensies over het gebouwde en over tentoonstellingen; hoe we iets kunnen opsteken van onze voorgangers en hoe zij ons inspireren tot nieuwe dingen. We vragen ervaren architecten en bouwheren hoe zij het proces ervaren en kijken wat we daarvan kunnen leren. We zijn ervan overtuigd dat er meer dan één manier bestaat om architectuur te benaderen.

De redactie


Kijken u bevindt zich hier

5

11

14

15

17

Stadsspel

Ontwerpen van/ uit de stad

editoriaal

Observatie in het proces Aan de hand van de observatie van het menselijke gedrag in relatie tot zijn omgeving trachten we levendige steden te creĂŤeren.

Intro Echo

Een geheel persoonlijke ontwerpervaring, zoals een ont we r p d ag b o ek . Met de nadruk op het proces, op Brussel, op architectuur

Banken, bomen, mensen, gevels, details, ‌ Brussel in een oogopslag vertaald naar een reeks nieuwe ontwerpen.

Ontwerpen

35

Stadsspel deel 2

39

43

Ontwerpen Reproduction vanuit de stad Equation deel 2

deel 3

46

55

Remix in wonderland

Ciudad del flamenco

vertelt het verhaal over een boeiende wisselwerking tussen twee personen die een poging ondernemen om de dode hoek van architectuur te vangen!

Ciudad illustreert hoe en gebouw ontworpen wordt zodanig dat het zich aanpast aan externe dynamische factoren zoals locatie, functiewijziging, stadsgroei.


Verbeelden 19

23

Reproduction Equation

27

30

Nemo

Persoonlijke werkelijkheid

Wanneer omgevingen bekeken worden als iets statisch, verliezen we gevoel van verantwoordelijkheid over de ruimtes waarin we ons begeven. De stad wordt een achtergrond van interactie eerder dan een actor.

De opzet, de ontwikkeling en een voorbeeld worden gegeven van de ‘reproduction equation’. Dit is een denkschema dat ingezet wordt als ideeëngenerator en reflectie-object.

Ieder interpreteert op een andere manier en creëert zijn eigen werkelijkheid. Dit project is voor iedereen een uniek verhaal.

(Ge)Bouwen

uitneembare colofon poster

60

67

Deuren openen naar collectief wonen

Stadsspel

Subtiliteit als hoofdgedachte voor een verbouwing. De problematiek aangepakt op een poëtische manier.

deel 3

68

71

Vorstelijk wonen

Het parcours van het discours

Ciudad illustreert hoe en gebouw ontworpen wordt zodanig dat het zich aanpast aan externe dynamische factoren zoals locatie, functiewijziging, stadsgroei.

Mies van der Rohe Award : Een kritische neerslag over de tentoonstelling van de geselecteerde projecten

75

77


kijken


Observatie in het proces

Een aangepaste ontwerpmethode voor de ontwikkeling van levendige steden

De laatste decennia heeft de rol van de stad een evolutie ondergaan. De organisch gegroeide stad, gevormd door de lokale identiteit, is getransformeerd naar een nieuwe stad, ontworpen als een universeel instrument voor consumptie en sensatie (Heynen, 2008). De prioriteiten van de architectuur zijn verschoven. Opvallende gebouwen, getagged met de naam van een ‘starchitect’ worden ingezet als toeristische blikvangers. Het besef dat een opzichtig concept belangrijker is geworden dan een doordacht en geanalyseerd ontwerp, doet de vraag rijzen hoe we deze kritieke evolutie kunnen tegengaan. In dit artikel willen we terugkeren naar een eerlijke, contextgerelateerde architectuur. Er wordt op zoek gegaan naar een ontwerpmethode die de hedendaagse, oppervlakkige conceptualisatie van architectuur vermijdt. Hierbij krijgt de observatie van het menselijke gedrag in relatie met de gebouwde omgeving aandacht in het ontwerpproces. Op deze manier kan het ontwerp een kritisch en onderbouwd antwoord geven op zijn omgeving. week transformeert deze plek tot een configuratie van kraampjes met een welbepaalde grondverdeling. Deze configuratie is niet ontworpen door planners maar ontstaat spontaan door het verhandelen van goederen. De geleefde ruimte heeft zich hier zichtbaar gemanifesteerd. Tegenwoordig lijkt de bedachte architectuur nauwelijks nog rekening te houden met de levendige wereld van het menselijk conduct. Na verloop van tijd zal de geleefde ruimte een eigen leven leiden en de artificiële gebouwen achterblijven als een malfunctionerend en verlaten stelsel. Het puur conceptueel ontwerpen beantwoordt niet langer aan het complexe weefsel van de geleefde ruimte. Om een project te realiseren dat de menselijke gedragingen ondersteunt zullen we de geleefde ruimte moeten integreren in het ontwerp. Observatie is nodig om te weten hoe de mensen zich echt gedragen in het stedelijke landschap en te vermijden dat we louter een ‘idee’ over dit gedrag naar voor brengen. In 1969 deed William H. Whyte een revolutionaire studie over het voetgangersgedrag in stadscentra, het Street Life project, waarvoor hij veel erkenning kreeg. Hij observeerde recent ontworpen steden om zo inzicht te krijgen in de relatie tussen het stadsontwerp en het functioneren van de stad. Whyte merkte op: “Mensen maken keuzes met hun voeten, ze gebruiken plaatsen die

kijken

Lefebvre, een groot denker van de twintigste eeuw, beklaagt zich dat het ontwerpproces vereenvoudigd is tot concepten als ‘functie’, ‘vorm’ en ‘structuur’, verzameld onder de naam ‘planning’ (Lefebvre, 1996). Deze algemene termen, waarin menselijke activiteit nauwelijks aanwezig is, tonen aan dat de stad niet erkend wordt als een voortdurend veranderende conditie. Juhani Pallasmaa, een criticus rond dit thema, spreekt van “een architecturaal object in een tijdloze, artificiële conditie, afgesloten van de realiteit” (Pallasmaa, 1999, Matter and time, §3). De onderverdeling van de ruimte volgens Henri Lefebvre (1974) in een ‘bedachte ruimte’ en een ‘geleefde ruimte’ kan men interpreteren als twee verschillende architecturale benaderingen. De ‘bedachte ruimte’ verwijst naar architecturale ontwerpen en de daaruit voortkomende fysieke bebouwing, onze zichtbare omgeving. Deze bedachte ruimte is dus rechtreeks afhankelijk van alle beslissingen die wij als architecten en ruimtelijke planners nemen. De ‘geleefde ruimte’ daarentegen, is niet tastbaar maar doordrongen van culturele identiteit en weerspiegelt het menselijke gedrag. Het is de ruimte waar alle dagelijkse activiteiten plaatsvinden. Om een beter beeld te scheppen van deze geleefde ruimte kan men kijken naar een marktplaats. Een marktplaats is meestal niet meer dan een open plaats in de stadsstructuur. Alleen op specifieke momenten in de

11


kijken

(www.nigelpeake.com)

Grafische output van het thesis project van Nigel Peake

12


makkelijk te gebruiken zijn, niet plaatsen die dat niet zijn”(Whyte, 1980). Een gebouw mag dan knap zijn, het is pas geslaagd wanneer het geleefd wordt. Zo merkte Whyte onder andere op dat grote pleinen, ontworpen om openheid te genereren in de stad, meestal leeg zijn. Mensen voelen zich bedreigd in deze open vlakte. Veel liever staan ze met hun rug beschermd aan de rand van het plein om voorbijgangers te aanschouwen. Het kan dan ook nuttig zijn om deze opmerking in acht te nemen bij het bedenken van een plein. Als schrijver van dit artikel, merkte ik zelf ook enkele schijnbaar logische maar toch onthutsende feiten op na het observeren van de Brusselse straten. Zo kijk ik nu

waarvoor hij een prijs ontving van het Royal Institute of British Architects. Voor de revitalisatie van de brug was Nigel Peake geïnspireerd door de atmosfeer en de vibraties die hij ervaarde in de Grand Bazaar, nabij de brug. Hij maakte een gedetailleerde grafische output van de gebaren en handelingen die hij observeerde in de levendige Bazaar. Vervolgens projecteerde hij zijn bevindingen op de brug en construeerde zo een concreet, vormelijk ontwerp. Door de letterlijke vertaling van deze bewegingen naar het ontwerp heeft Peake de geleefde en de bedachte ruimte met elkaar versmolten. Dankzij een ontwerp dat de bestaande atmosfeer ondersteunt en zelfs bekrachtigt is de brug

(eigen archief)

bijvoorbeeld met een andere blik naar het ontwerp van een banale zitbank. De banken in de stad kennen veel variatie: statige poten, sierlijke armleuningen, met of zonder rugleuning, enzovoort. Het platte vlak waarop men gaat zitten is echter steeds hetzelfde: een lang, doorlopend vlak. Opvallend was de manier waarop mensen op een bankje gaan zitten. In de stad gaan de mensen steeds zover mogelijk uiteen zitten, bang voor fysiek contact met vreemden. We gaan ons afvragen waarom banken dan niet ontworpen zijn zodanig dat mensen geen fysiek contact moeten maken? Het is duidelijk dat mensen niet veel geven om het uitzicht van de poten van een bank. Eerder zou men graag wat afzondering hebben. Misschien verdient dat doorlopend vlak toch wat meer aandacht in het ontwerp? Een concreet voorbeeld van de observatie-gerichte benadering vindt men in het thesisproject van Nigel Peake. Als student ontwikkelde Peake een ontwerp voor de heropwaardering van de Galatta brug in Istanbul,

nu een succesvolle plaats met een sfeer die eigen is aan de cultuur en de mensen van daar. De prioriteiten van de architectuur zijn verschoven. Als we willen terugkeren naar een contextgerelateerde architectuur moeten we ons richten tot een aangepaste ontwerpmethode die de oppervlakkige conceptualisatie van architectuur vermijdt. Het observeren van de omgeving maakt ons als architect bewust van de relaties tussen mens en architectuur. Door de observaties te gebruiken als input voor een project zijn wij in staat architectuur te creëren die correspondeert met de geleefde ruimte en zo levendige steden voortbrengt. Door het functioneren van nieuwe plaatsen te analyseren en vervolgens de bevindingen hieruit kritisch gebruiken bij het ontwerpen, kunnen we er zeker van zijn dat we een project afleveren waarin de gebruikers zich goed voelen. ■ E. G.

kijken

HEYNEN H., (2008) Heterotopia unfolded. In Dehaene M, De Cauter L. (Eds.), Heterotopia and the city: Public space in a post-civil society. London: Routledge. LEFEBVRE H., (1996) Writings on cities: Around the critical point. Kofman E. and Lebas E. (trans. and eds.) Oxford: Basil Blackwell. LEFEBVRE H., (1974) The production of space. Nicholson-Smith D. (trans.) Oxford: Basil Blackwell. PALLASMAA J., (1999) Hapticity and Time: Notes on fragile architecture. London: RIBA publishers. WHYTE H., (1980) The social life of small urban spaces. In Watson D., Plattus A., Shibley R., (2003) Time-Saver Standards for Urban Design. United States: McGraw-Hill.

13


ECHO Itineraries of vanishing points Vier projectbesprekingen binnen dit tijdschrift geven een antwoord op dezelfde ontwerpvraag. Een ontwerpvraag die ontwikkeld werd binnen REAL, een traject in het masterprogramma architectuur aan Sint-Lucas Brussel. REAL kent geen vooropgezet beeld van architectuur, maar stelt de verbeelding omtrent architectuur en het architect-zijn centraal. REAL staat voor RESEARCH, EXPLORATION, ARCHITECURE, LABORATORY. In het eerste semester van dit programma werd vooral RESEARCH belicht aan de hand van de opdracht ‘ECHO: itineraries of vanishing points’. De doelstelling van REAL RESEARCH is om het disciplinaire veld te verkennen en te verruimen. Dit door een grote productie van kritische massa. Hierbij staan drie aspecten centraal: het ontwikkelen van methodes voor exploratie, het ontwerpen van nieuwe en eigenzinnige percepties en het detecteren van potentiële, niet-standaard actieterreinen voor de architect in het algemeen. Samengevat betekent dit het ontwikkelen van verkennende standpunten voor een persoonlijk traject. De inhoud en het thema van de opdracht ‘ECHO: itineraries of vanishing points’’ werd tweeledig ingeleid. In het eerste deel stond ‘exploratie’ centraal. Exploreren is ‘het er op uit trekken’, een reis maken, een ongekend gebied verkennen en doorkruisen, op zoek naar nieuwe inzichten. Exploratie is onderzoek, alles van dichtbij benaderen, grondig tot op het diepste punt bestuderen. Het tweede centrale thema was ‘echo’. Wat betekent ‘echo’? Hoe werkt het? Waar komen we echo het tegen? Plaatsen, gebouwen, landschappen en steden zijn voortdurend in beweging. Het Brussel dat we willen leren kennen is op het moment van onze verkenning reeds aan het veranderen. De opzet is Brussel telkens opnieuw en opnieuw te verkennen en op zoek te gaan naar ‘echo’. Vier persoonlijke antwoorden werden op deze vraagstelling gegeven. Elke persoon heeft zijn eigen traject afgelegd, met elk zijn eigen verbeelding, een eigen ‘itinerary’ en een eigen ‘echo’. Deze vier verschillende antwoorden vind je terug onder de overeenstemmende thema ‘s van het tijdschrift. Drie van deze projectbesprekingen zijn terug te vinden in meerdere thema’s omdat deze trajecten niet binnen één enkel thema passen. Deze artikels zijn:

kijken

-Stadsspel > vertrekkend op p.15, onder de thema’s ‘kijken’, ‘ontwerpen’ en ‘(ge)bouwen’. -Ontwerpen van/uit de stad > vertrekkend op p.17, onder de thema’s ‘kijken’ en ‘ontwerpen’. -Reproduction Equation > vertrekkend op p.19, onder de thema’s ‘kijken’, ‘verbeelden’ en ‘ontwerpen’. -Nemo > vertrekkend op p.27, onder het thema ‘verbeelden’.

14


Stadsspel1 Stadsspel is het antwoord op ‘ECHO: itinerary of vanishing points’. Een antwoord op de opdracht die slechts uit twee woorden bestond, ‘echo’ en ‘Brussel’ en hoe ik daar dan mee omga. Hoe kom ik van niets tot iets? Hoe kom ik van iets heel vaag tot iets heel concreet. Van iets ijl, naar iets tastbaar. Welke stappen onderneem ik? Wat maakt deel uit van mijn proces? Geen lineaire opvolging: kennis verwerven, theorie ophangen en omzetten in praktijk. In tegenstelling, net het omarmen van chaotische randvoorwaarden. De noodzaak om te vertrouwen op intuïtie, om rechtdoor te gaan aan de hand van zijsporen. Een geheel persoonlijke ontwerpervaring, als een ontwerpdagboek, met de nadruk op het proces. Welke beslissingen werden genomen. Wat vloeit daaruit voort? Welke factoren hebben meegespeeld? Een inkijk hoe dit stadsspel tot stand kwam. Steeds zoekend naar een gevoeligheid naar architectuur.

van het stadsleven?’ ‘Is stad een verzamelnaam?’

Brussel is mijn startpunt en dus ga ik op verkenning. Ik neem plaatsen en straten in mij op die ik nog niet eerder zag. Maar ook plaatsen en gebouwen die ik reeds ken wil ik herontdekken. Ik wandel en dwaal rond in Brussel. Steeds opnieuw, van Noord naar Zuid, van West naar Oost, telkens een andere route. Terug op kot maak ik tekeningen, tekeningen van wat ik mij herinner, tekeningen hoe ik Brussel zag. Ik maak alternatieve kaarten, kaarten die mij veel meer Brussel tonen dan een traditioneel stadsplan. Kaarten zonder straten, maar met mensen die ik tegenkwam, gebouwen die mij opvielen of stoelen langs de weg. Ook nieuwe kaarten aan de hand van foto’s. Foto’s van pleinen en kerken, van boekenwinkels en kleine details zoals een barst in de muur. Foto’s van verpleegsters die gauw een sigaretje opsteken en vuilnismannen die vrolijk hun zakken in de kar gooien. Foto’s als een spoor van kruimels die me de weg terug moeten leiden. Foto’s die mijn Brussel in kaart brengen. Ik deel Brussel op in verschillende wijken met verschillende mensen en bewoners met verschillende types gebouwen. Met verschillende bomen, pleinen en straten. Brussel is. Brussel is? Al tekenend en wandelend vraag ik me af, ‘wat is nu een stad?’ ‘Waarin definieert een stad zich?’ ‘Zijn er parameters waaraan voldaan moet worden?’ ‘Wat is mijn rol als architect in de stad?’ ‘Wat is de functie van het gebouw?’ ‘Zijn gebouwen in de stad enkel het decor

Tijdens het atelierconsult werden sommige van mijn tekeningen vergeleken met afbeeldingen uit Steven Holl’s pamflet ‘Alphabetical City’. In dit pamflet stelt hij een onderzoek voor waar hij wolkenkrabbers en grote woonblokken in New York opdeelt in categorieën volgens hun grondplan. Dit door ze te vergelijken met letters van het alfabet, een A-vormig grondplan, een B-vormig grondplan, een C-vormig grondplan … De vormen van deze grondplannen ontstaan door analyse van het gebouw naar lichtinval, schaduw, structuur, constructie, indeling en programma. Op het einde van het onderzoek vraagt Steven Holl zich af waarin architectuur zich onderscheidt van gebouwen in de stad. Hij stelt dat deze studies rond licht en schaduw, structuur en constructie … zeker nodig zijn, maar dat deze elementen niet altijd voldoende zijn om architectuur te garanderen. Er wordt veel gebouwd, misschien wel meer constructie dan we ooit gezien hebben, maar bijna geen gebouwen. Architectuur lijkt zich te beperken tot tekeningen en hoop. Wanneer Louis Sullivan op zijn sterfbed ligt en hem wordt verteld dat een van zijn gebouwen afgebroken wordt zegt hij: “If you live long enough you’ll see all of your buildings destroyed. After all, it is only the idea that really counts.” (Holl, 1984, p. 71) In het pamflet waren het niet zo zeer de afbeeldingen en het onderzoek zelf die me interesseerde, maar wel de bevindingen, conclusies en de citaten op het einde

kijken

Hoofdstuk 1: Hersenkronkels

15


alternatieve kaart Brussel

kijken

( eigen archief)

16

van het pamflet. Ook lees ik Metaspaces van Chora. Een manifest over stedenbouw, waarin er wordt gesteld dat architectuur en steden dienen om de aarde (be)leefbaar te maken, maar ook om je eigen droomwereld te creĂŤren. Nog

wordt gezegd dat steden emoties hebben en dat elke stad zijn eigen DNA ontwikkelt. (Bunschoten, 1998) Deze citaten en onderzoeken blijven nazinderen in mijn hoofd. > p. 35


Ontwerpen van/uit de stad 1 Brussel, echo en exploratie. Zoals de algemene inleiding al vertelde, blijft de eigenlijke opdracht redelijk vaag omdat ze eerst meer vragen dan antwoorden oproept. Bijgevolg is het project aanvankelijk een onderzoek dat aanleiding geeft tot een lang en divers ontwerpproces wat moeilijk in 1 thema onder te brengen valt. Daarom kent ook dit project een overlap in verschillende thema’s die het ontwerpproces typeren.

Bestaande toestand constructie-deconstructie

De opdracht zet aan het denken. Brussel, een stad, maar wat is dat dan? Wat maakt de stad? Wat maakt Brussel? Historisch gezien ontstaan steden meestal rond een kerkplein of aan drukke handelswegen. Sommige definities zeggen dat vanaf een bepaald aantal inwoners of voorzieningen een stad een stad genoemd kan worden. Toch is het moeilijk om een vaste inhoudsbepaling op de stad vast te pinnen. Door wandelingen te maken in de stad, ze te observeren, te exploreren, vorm ik mijn eigen beeld van Brussel. Ik denk na over steden, over Brussel. Ik wandel van noord naar zuid of soms wandel ik gewoon wat rond. Ik rij rond de ring van Brussel, maar evenzeer door de kleine straatjes. Met verschillende percepties bepaal ik mijn eigen equivalent van wat de stad Brussel maakt tot wat ze is. Ik bouw het op met elementen uit de stad, van de stad. Maar eenmaal terug thuis zijn er enkel nog de herinneringen aan de stad die mijn beeld van Brussel bepalen. Het zijn herinneringen aan de elementen of verbonden aan de elementen die overblijven. Verbonden met de plaatsen in de stad waar ik ben geweest. Zoals een echo van de stad? Een echo van Brussel, ontstaan in de stad die uitgedoofd in een aaneenschakeling van herinneringen.

van de stad want het zijn mijn eigen herinneringen. Zo wordt de stad gefragmenteerd in beelden. Ik verzamel mijn herinneringen, ik verzamel de stad, delen van de stad. Maar herinneringen zijn moeilijk verwerkbaar, het moet allemaal wat concreter, tastbaar, duidelijker.

Brussel blijkt een beetje van alles te zijn, gelaagd in alle richtingen. Stukjes over elkaar en naast elkaar, zoals een lappendeken. Verschillende stukjes wijk, mensen, stukjes park, stukjes weg. Het is mijn persoonlijk beeld

kijken

opstapeling van herinneringen aan Brussel, uitgetekend op papier.

17


Omgezet in tekeningen worden de herinneringen fysieker. Niet in foto’s maar tekeningen, precies zoals ik het mij herinner. Duidelijke herinneringen van grote imponerende gebouwen, of net hele kleine details. Ze zien er niet meer uit zoals in de realiteit, maar zoals het voor mij is of toch zoals het was toen ik er rondwandelde. Ze zijn wel nog herkenbaar, ook al zijn het niet langer de originele elementen uit de stad, maar tekeningen uit de stad. Wat er overblijft van de architectuur van de stad is een ruime collectie tekeningen. Ik herbekijk mijn verzameling stad. Het moet nog verder gaan dan dat. Er is meer dan enkel de gebouwde laag van de stad. De stad is niet alleen fysiek, maar ook sociaal en cultureel. Niet de afzonderlijke elementen maken Brussel maar wel de manier waarop ze zich tot elkaar verhouden. Ik denk na over wat ik al gedaan heb, ga terug naar de stad, wandel en observeer. Mensen maken de stad en gebruiken de architectuur van de stad. Zoals het bedoeld is of gewoon zoals zij het willen. Zoals er monumenten staan die iedereen kent en gebruikt als wegwijzer tegenover monumenten die iedereen gewoon als zitbank gebruikt naast monumenten waar iedereen dagelijks voorbij loopt. De mensen bepalen mee het gebruik van de gebouwen, van de elementen en van de stad. En zo bepalen de mensen mee mijn herinneringen aan de stad. Ze gebruiken de elementen die ik heb opgenomen in mijn verzameling. Het is vaak door hun handelingen dat ik me de specifieke plekken en elementen van de stad herinner. Ik probeer de mensen te tekenen, tevergeefs. Ze ontbreken aan mijn verzameling. Ik zou eindeloos kunnen blijven verzamelen en tekenen. Elke keer weer zijn er nieuwe dingen om te ontdekken en te onthouden. Nog meer nieuwe herinneringen, nog meer tekeningen. Maar zou dat daarom ook een meerwaarde bieden? Het is hoog tijd voor de volgende stappen in mijn ontwerpproces.

18

(eigen archief)

kijken

Wat moet er nu met die verzameling stad gebeuren? > p. 39

Ramen, deuren, schoorstenen, bakstenen, gevels, grote gevels, gebouwen, details, bomen, struiken, planten, zitbanken‌ Elementen die in alle steden terug te vinden zijn, maar toch nooit helemaal hetzelfde.


Reproduction 1 Equation “Echo” Deze projectbespreking behandelt de vraagstelling die we hebben gekregen vanuit REAL semester één (zie ook de algemene inleiding p. 14). Deze gaat over de exploratie van het begrip ‘echo’ met als verkenningsveld Brussel. In een eerste deel zal ik dit onderzoek wat uitdiepen. Verder, in deel twee, zal ik uitleggen hoe de resultaten van dit exploratiewerk samenkomen en hoe ik deze heb ingezet om een denkschema te vormen, namelijk de ‘reproduction equation’. In het derde en laatste deel zal ik een voorbeeld geven hoe ik dit denkschema heb aangewend.

Vooreerst ben ik begonnen met het nader bekijken van wat juist die echo kan zijn en hoe deze zich manifesteert in de stad Brussel. Vanuit dit onderzoek heb ik een uitgebreid documentatielandschap opgebouwd over mogelijke echo’s en hoe deze echo’s kunnen beïnvloed worden. Er volgen een paar voorbeelden uit dit documentatielandschap. Een voorbeeld is echo als herinnering. Zij hebben eenzelfde soort mechanisme. Een herinnering kan gezien worden als een echo van iets wat gebeurd is of iets wat je gezien hebt. Maar deze herinnering blijft niet even sterk aanwezig en kan beïnvloed worden. Zo voeg je misschien andere dingen toe of vergeet je dingen. Een herinnering is broos en gevoelig aan zijn omgeving. Een echo kan ook voorgesteld worden als een sequentie. Het ene volgt het andere op. Het legt een pad af waar tijd een belangrijke invloed op heeft. Ook kwam ik heel specifieke echo’s tegen zoals bijvoorbeeld gentrificatie, een gevolg van opwaardering van een bepaald stadsdeel. Of zoals de sporen die achter-blijven wanneer een auto een droge plek achterlaat op een straat waar het heeft geregend. Maar ik zag echo ook als geluid, een mythe, reproductie, schaduw, reflectie, gedrag, en nog zo veel meer.

‘echo’ als mechanisme dat beïnvloed wordt door verschillende factoren (eigen archief)

kijken

Op zich lijken deze begrippen verschillend, maar volgens mij zijn zij enorm gerelateerd. Zo kon ik al de definities en mechanismen die uit dit onderzoek

kwamen niet van elkaar scheiden. Ik had verschillende benaderingen van ‘echo’, die op één of andere manier met elkaar in verhouding stonden, in mijn achterhoofd. zo ontstond dan ook de volgende stap, namelijk de zoektocht naar het proportioneren en het bepalen van de volgens mij belangrijke begrippen die een echo beschrijven. Deze volgende stap is te vinden bij het thema ‘verbeelden’. > p. 23

19


Reproduction 2 Equation “Van echo naar ontwerp” Van bij het begin was het duidelijk dat er een sterke analogie bestaat tussen een echo en een ontwerpproces. Ontwerpen is een sequentie. Een ontwerper reproduceert ideeën, herinneringen, … Zo vormt het ontwerpen een reproductie sequens. De echo zie ik ook als een soort van mechanisme waarbij de echo zichzelf reproduceert en sterk beïnvloed wordt door externe factoren. Ik vroeg me dan ook af of ik deze beschrijving van echo kon inzetten als een denkschema voor het ontwerpproces. Vooreest een kanttekening: Het is zo dat ik vanuit het middelbaar onderwijs kom met een sterke wiskundige achtergrond. Dit maakte dat bij het begin van mijn opleiding aan Sint-Lucas te Brussel, ik het gevoel had dat dit mij op een of andere manier beperkte. Ik zocht altijd naar een logisch systeem waaraan mijn ontwerpen moesten voldoen. Hiermee miste ik vrijheid. De intuïtieve kant van het ontwerpen was helemaal niet aanwezig. In de daaropvolgende jaren heb ik dan ook het methodisch denken volledig over boord gegooid. Wat voor mij op dat ogenblik een opluchting betekende. Maar in dit geval kon ik er niet omheen kijken. Tussen al de definities en

begrippen van echo zag ik sterke linken en proporties en wou deze ook blootleggen. Zo vroeg ik me af of ik mijn wiskundige of methodische achtergrond toch niet kon inzetten in dit geval om een beschrijving te vormen voor die reproductie sequens, echter zonder de intuïtieve kant van het ontwerpen uit te sluiten. Wat beïnvloed deze sequens? Hoe kon ik dit beter bepalen dan door het toepassen van de methode ‘trial and error’ op al de begrippen die ik uit het onderzoek in Brussel heb gehaald. Zo ben ik begonnen de begrippen naast elkaar te zetten, te proportioneren, te schrappen, er terug bij te nemen, er kleine ontwerpjes mee te gaan maken… stilaan werd er een ontwerpsequentie gereconstrueerd vanuit de begrippen van het echo-onderzoek. Niet alleen de begrippen die van belang waren, werden duidelijk maar ook hoe zij zich tot elkaar verhouden. Er ontstond een soort van formule die ik de ‘reproduction equation’ noem. De formule met zijn vastgelegde bewerkingen vormen het denkkader waarin je parameters moet invullen.

verbeelden 23


24

verbeelden


(eigen archief)

verbeelden

De bovenstaand afbeelding is een werkblad van hoe de formule tot stand is gekomen in de ‘trial and error’-fase

25


Nu volgen de begrippen die volgens mij van toepassing zijn op de echo als ontwerpproces, namelijk: ‘product’, ‘notie van tijd’, ‘kijker’, ‘ik’, ‘herinnering’, ‘mentale constructie’, ‘filter’ en ‘verhouding omgeving’. Dit zijn de parameters waaruit het denkschema is opgebouwdschema is opgebouwd.

verbeelden

(eigen archief)

26

We beginnen met het ‘product’. Bij een ‘klassieke’ ontwerpopdracht kan dit de opdracht op zich zijn, een gegeven site met de opgestelde eisen. Maar dit kan ook een bestaand gebouw zijn dat je in vraag wilt stellen of moet verbouwen. Het kan ook een bepaald materiaal zijn dat je wilt gaan uitpuren, enzovoort. Dit product plaatsen we dan in een notie van tijd, zoals bijvoorbeeld nacht, spitsuur, toekomst, enzoverder. De vierkantswortel die over het product heen staat betekent ‘toepassing’ Zo wordt de notie van tijd toegepast op het product. Eens dit gebeurd is, zien we al dat het product verandert want het ondergaat de notie van tijd. De ‘1’ in de formule staat voor jezelf. Jij ontwerpt, of je nu in groep ontwerpt of niet, je kan jezelf niet uitsluiten bij het ontwerpproces. Je moet ook bewust zijn van het feit dat als jij ontwerpt, je dan vanzelf prominent aanwezig bent in de ontwerpbeslissingen. Daarom plaats ik de 1 in het denkschema. Deze 1 staat dan ook nauw in verband met de ‘herinnering’. Het maalteken dat tussen deze woorden staat, betekent dan ook ‘uitwisselbaar en verweven’. Als ontwerper ontwerp je vanuit een soort herinnering, dit kan vanuit een meer collectief geheugen zijn of vanuit een meer persoonlijke recollectie. Het is er in ieder geval, dus kan je er best gebruik van maken. Deze ‘1’ en ‘herinnering’ staan onder de breukstreep, die ‘interpretatie’ betekent. Je gaat het product interpreteren door middel van jouw herinnering of recollectie. Dan vertel ik nu iets over het woord ‘filter’. Dit kan je zien als een soort van focus of een zekere kijker. Je kan dus de nadruk op iets gaan leggen. Je kan je focussen op een andere toeschouwer. Je wordt hier, als het ware, een beetje gedwongen om eens een andere bril op te zetten of dieper in te gaan op bepaalde elementen, zoals: kinderen, sporen uit het verleden, regenweer, enzovoort. De gegenereerde informatie en ideeën

moeten natuurlijk verwerkt en ingezet worden. Voor deze verwerking van de informatie heb ik het woord ‘mentale constructie’ gekozen. Dit omdat je wel degelijk een mentale constructie opzet als je je inleeft in iemand anders, of als je op iets focust. Je gaat deze gegevens construeren tot het deel uitmaakt van het ontwerp. Als laatste begrip, leg ik ‘verhouding omgeving’ uit. Het ontwerp wordt niet alleen beïnvloed door zijn omgeving maar beïnvloedt ook op zijn beurt de omgeving. De verhouding van het tot nu toe bekomen product en zijn omgeving wordt omvat in de bewerking van de macht tot de letter ‘n’. Al deze parameters ga je dus invullen en verwerken naargelang wat jij vindt dat van toepassing is. Je kan dan de reproductie (het eindproduct) vervolgens opnieuw in de formule plaatsen en de parameters anders gaan invullen. Zo voeg je lagen toe aan het project. Je gebruikt het denkschema tot je denkt dat je alles hebt afgetoetst.

(eigen archief)

Het denkschema in de vorm van de formule dient als kader voor het verwerken en inzetten van gegevens en ideeën die volgens mij een meerwaarde geven aan het ontwerpen. Enerzijds kan je het zien als een soort van generator van ideeën die je inzet in je ontwerp. Anderzijds kan je de formule ook zien als een reflectieobject waarin je je ontwerp aftoetst ten opzichte van de parameters van de formule. Ik gebruik dit denkschema omdat ik er van overtuigd ben dat het je dwingt om bewust te ontwerpen. Het dwingt je om over de parameters na te denken en je ontwerp dus ook af te toetsen ten opzichte van deze begrippen. Tegelijkertijd sluit het denkschema het intuïtieve van een ontwerpproces niet uit. Hiervoor blijft zeker nog voldoende ruimte. Natuurlijk heb ik ook verschillende testcases in Brussel uitgevoerd. Zo heb ik een bestaande configuratie, een tramhokje, in de ‘reproduction equation’ gestoken. Verder heb ik een bestaand gebouw genomen en hier een nieuw programma op toegepast. Een andere testcase was een quasi lege site met als programma een gezinswoning. In het laatste deel van dit artikel zal ik verder ingaan op deze laatste testcase. > p. 43


Nemo

opstelling project Nemo

(eigen archief)

verbeelden

Nemo is een onderzoek naar wat ik zie en ervaar in Brussel, hoe ik het interpreteer en zin geef. De titel verwijst naar het stripverhaal ‘Little Nemo’ van Winsor McCay. Beide handelen over het gebied temidden van ervaring en interpretatie. Voor ik aan deze opdracht begon, zag ik de stad als iets statisch. Ik aanvaarde Brussel en zijn gebouwen zoals ze zijn. Het gevaar hiervan is dat er geen interactie tot stand komt tussen gebouw en voorbijganger. De opzet van dit onderzoek is diezelfde passant dit laten ombuigen tot een gegeven dat dynamisch is van aard.

27


Met dit project probeer ik dit gegeven over te brengen om zo onze ruimtelijke interactie in de schijnwerpers te zetten. Wat binnen het kader van deze opdracht niet duidelijk bepaald werd, zijn de grenzen waarbinnen het project zich voor mij heeft afgespeeld. Dit was een bewuste keuze, in die zin dat ik het dynamische proces van de interactie tussen mens en gebouw niet op een statische manier vastpin.

Geen tijdsbesef

filmshot tijd (eigen archief)

Het project startte met de vraag: hoe ervaar ik Brussel? Al snel bleek dat ik alle door mezelf verzamelde indrukken niet kon samenvatten in een allesomvattend beeld. Na haast iedere verkenning door de stad zag ik iets nieuw, of veranderde er een voorgaand beeld. Ik distantieerde me dus van het om Brussel voor te stellen door één homogeen beeld en zo creëerde ik een persoonlijke kijk die continu veranderde. In de visie – die ik ontwikkelde- zat er verandering in verscholen. Zo gomde ik na ettelijke weken bepaalde ervaringen uit die tegenstrijdig waren met andere nieuwe persoonlijke stadsverkenningen. Hierdoor voelde ik de noodzaak om mijn ervaringen in een bepaalde vorm te gieten. Ik controleerde deze ervaringen en stuurde ze. Wat ik vooral wilde duidelijk maken is dat de realiteit plooibaar werd. Het was dus eerder een gegeven die ik kon aanpassen en reconstrueren. Het grootste gevolg was dat ik verantwoordelijk werd voor wat ik zag. Ik bepaalde immers wat er gewist werd en mocht blijven. Oorspronkelijk had ik moeite om deze aanpasbare realiteit om te buigen naar mijn eigen bestaande perceptie over Brussel. Ik had nood aan een methode die stapsgewijs deze nieuwe kijk blootlegde. De vraag die ik me hier stelde was: ‘Hoe neem ik dit waar?’. Deze pertinente vraag loste ik op aan de hand van drie methodes, die ik zelf bepaalde.

Allereerst merkte ik in het begin op dat de visie ten opzichte van Brussel heel statisch was. Met andere woorden was ik te hard gefocust op het opdelen van deze ervaringen volgens tijdstip Zo was ik bij elke verkenning bewust van waar ik was en vooral wanneer. Hierdoor kon ik me niet losrukken van het allesomvattende beeld Daarom startte ik met ‘getting lost’ in Brussel. Het doel ervan was verloren te lopen en geen tijdsbesef meer te hebben. Op een bewuste woensdag nam ik de metro en stapte ik af op een plek die me niet meer bekend was en van daar begon ik met ‘getting lost’. Het eerste uur dat ik rondliep voelde ik een vlaag van onwennigheid. Na enkele uren werd ik dit doelloos ronddwalen gewoon. Ik had geen tijdsbesef meer en aanvaardde die nieuwe zorgeloosheid van ervaring. De volgorde over van en naar een plek gaan smolt weg en het tijdstip was niet meer van belang. Met andere woorden, de ervaring an sich stond voorop. Door dit achterwege te laten, lukte het om me te distantiëren van die statische visie van opdeling. Achteraf heb ik geprobeerd deze bewuste woensdag te reconstrueren. Het interessante eraan was dat ik hierin faalde. Ervaringen dwarrelden door elkaar heen en sommige ervan vergat ik.

Dynamische interactie architectuur

stop motion woning

verbeelden

(eigen archief)

28

Vervolgens wilde ik een dynamische interactie tussen mezelf en de gebouwen, pleinen, bruggen en straten. Op die manier zouden ze een actievere rol spelen in mijn perceptie van Brussel. Mijn vooropgesteld doel was voornamelijk om de controle van waarneming te stoppen. Enerzijds probeerde ik hierbij gebouwen


niet meer in categorieën te plaatsen als plaats, kleur, functie of schoonheid. Anderzijds was de dynamiek tussen het gebouw en mijn persoonlijke invulling ervan onmiskenbaar van belang. Vooral het Leopoldsplein kende een markante wijziging. Dit plein was voor mij een afspreekpunt. De perceptie van het plein is rechtsreeks gelinkt met de bewuste ervaring. Op sommige momenten leek het onnoemelijk groot. De ervaring van de grootte ging steeds gepaard met wat ik daar deed. Zo was een frisbeematch eerder een uitdaging om binnen de afbakening te blijven. Terwijl het plein tijdens het brunchmoment op een onmetelijke leegte leek. Doordat de psychische grootte ervan veranderlijk werd, kreeg het plein ook een dynamische houding. Je kan dus zeggen dat het plein en mezelf een soort persoonlijke dynamiek delen. Dit geldt niet alleen voor aparte pleinen, gebouwen en dergelijke. Dit interacctief gegeven is toepasbaar op de hele stad.

Subjectieve realiteit

jezelf een centrale plaats te geven in wat je dagelijks waarneemt. De toeschouwer neemt een pertinente rol in en ontwikkelt zijn eigen waarneming. Hierdoor wordt er een bewustzijn gecreëerd in de perceptie van de stad. Bijgevolg heeft de beschouwer een grotere interactie met de stad en de architectuur. Hij bepaalt welke gebouwen en delen van de stad hij zin geeft. De architect kan dit gegeven gebruiken door deze methode enerzijds zelf toe te passen om zo persoonlijke gebouwen te ontwerpen in plaats van gebouwen die enkel naadloos in de stedelijke omgeving passen. Anderzijds kan hij ditzelfde persoonlijk proces inzetten bij gebruikers van de ontworpen architectuur. Architectuur dient de rol van actor te spelen in plaats van als achtergrond te fungeren. Door de drie methodes (dynamische interactieve realiteit, geen tijdsbesef en subjectieve realiteit) wordt een persoonlijk lezing gegenereerd. Met andere woorden treedt er een andere perceptie op dan bij een ‘klassieke’ analyse. Daarbij zijn vooral algemene termen als ligging, bereikbaarheid, stedelijke context en dergelijke van belang. De individuele factoren worden bij deze aanpak vergeten. Nemo keert dit om, stad en architectuur vormen de bouwstenen van die persoonlijke lezing. In heb getracht deze theorie te realiseren aan de hand van een dynamisch medium, namelijk film. Dankzij dit medium wordt de ervaring op een toegankelijke manier aangebracht. In deze film wordt het project uiteen gezet zoals hierboven beschreven. ■

filmshot subjectieve realiteit (eigen archief)

S. V. d. F

Tot slot wilde ik die dynamische zingeving niet blindelings op Brussel loslaten. Voor mij was het van belang dat ik zelf een persoonlijke uitzuivering hanteerde over welke gebouwen, straten en pleinen voor mij Brussel zijn. Ik wou zelf een subjectieve versie vormen. deze laatste stap was in feite al op een onbewust niveau aanwezig. De wijze waarop ik Brussel zie en me erin beweeg. vormden deze subjectieve realiteit. Maar ook dit is absoluut niet statisch van aard. Op een bepaald moment in het proces heb ik een aantal gebouwen en pleinen geselecteerd die voor mij op dat moment van uiterst belang waren. Drie maanden later, bij de voorstelling van het project, merkte ik dat dit beeld niet meer accuraat is. Je zou dus kunnen zeggen dat deze theorie verandert.

verbeelden

Heel dit onderzoek had als doel om de statische en vaak onbestaande interactie tussen stadsgebruiker en architectuur aan te kaarten. In zeker zin is het een pleidooi om verder te kijken dan de gebouwen van Brussel en

29


Persoonlijke Werkelijkheid We leven in een werkelijkheid. Dat is voor iedereen vanzelfsprekend. Maar hoe we die werkelijkheid zien, is iets waar we niet altijd bij stilstaan. Continu wordt onze werkelijkheid gefragmenteerd. Vanuit een bepaald vervoersmiddel of in een woning bijvoordbeeld wordt bepaald wat we zien door de grootte van het raamkader. Enkel die onvolledigheid aan prikkels krijgen we doorgestuurd naar onze hersenen. In theorie is alles wat buiten dat raamkader valt dus onbekend. Het grotere geheel kennen we niet, want daar krijgen we geen informatie over. Voor iedereen kan de invulling van die rest dus iets anders zijn, tot en met het meest absurde idee. Werkelijkheid kan op die manier dus in ieders gedachten tot iets anders uitdraaien.

verbeelden

Zonder concrete opdrachtbeschrijving, was het startpunt van mijn project een foto die me fascineerde. Meer bepaald een foto die genomen is vanuit een trein in beweging. Het element dat hierin aanwezig is en dat ook een grote rol speelt in de verdere ontwikkeling van het project, is de onduidelijkheid van de dingen. Het gekozen beeld bevat een wazigheid als resultaat van de beweging van het vervoersmiddel, waardoor er een soort vervorming van dat beeld optreedt. Mensen zijn herkenbaar, maar de detaillering die ze dragen niet meer. Het tafereel wordt vager gepercipieerd dan het in werkelijkheid is en er treedt een soort vluchtigheid op. De duidelijke contouren die in het reële wel aanwezig zijn, vervallen in de weergave ervan.

30

Startfotofoto project.

(Baltimore city street: uit ‘Travel and Culture Photos’ door John Power, National Geographic 1995)

In een volgende stap werd dit principe nagebootst in een gekende omgeving, in dit geval Rijsel. Door een reeks foto’s op dezelfde wijze te maken, namelijk vanuit een vervoersmiddel en dus gekadreerd door zijn raam, ontstaat er een soort van spontane observatie van gevels in de stad. De informatie die we hebben in de foto’s, is zoals eerder vermeld maar een deel van de bestaande werkelijkheid. Hetgeen we niet zien door dit raam is namelijk onbekend en kan door elk individu anders worden ingebeeld. Door de vaagheid van de beelden en de afwezigheid van duidelijke contouren, blijft er nog meer aan de verbeelding over. Dit deel kan door elke toeschouwer anders worden ingevuld. Er wordt op die manier, met fantasie als bijkomend ontwerpelement, een persoonlijke werkelijkheid gecreëerd rondom hetgene we hebben waargenomen. De invulling van deze werkelijkheid is zeer persoonlijk en kan volledig irreëel zijn. In mijn geval werd deze persoonlijke werkelijkheid in een eerste fase een soort van persoonlijk geïmproviseerde gevelaanzichten die rondom de foto ontstonden. Later resulteerden verdere manipulatie, assemblage en positionering van de oorspronkelijke beelden en toevoeging van eigen ontwerplijnen in nieuwe extremere interpretaties. Een nieuwe reeks gevels, die een nieuwe beleving met zich meebrengt. Het resultaat is tegengesteld aan het alledaagse, hoewel de klassieke gevelelementen nog steeds volledig herkenbaar zijn. Door de nieuwe samenstellingen en andere manier van inzetten, worden ze minder gebruikelijk. Alles wordt in vraag gesteld. Hiermee is het project niet ten einde. Net zoals de foto’s een aanzet waren tot een groter geheel, zijn de nieuwe facades dit ook. Hetzelfde proces kan nu herhaald worden. Deze ontworpen gevels zijn opnieuw prikkels, de basis voor een nieuwe start, net zoals de gevels uit de stad dat ook waren. Iedere waarnemer kan hetzelfde proces uitvoeren en opnieuw tot een volledig nieuwe werkelijkheid komen. Door met de gevels te doen wat hij vindt dat ermee gedaan moet worden kan de persoon in kwestie er een nieuw project mee beginnen. En zo kan dat resultaat steeds een nieuw beginpunt zijn voor de volgende waarnemer, die met die gegevens opnieuw een nieuwe werkelijkheid zal creëen. Zijn eigen werkelijkheid. Dit proces kan tot in de oneindigheid herhaald worden. Het resultaat van


iemand wordt dan steeds het beginpunt voor iemand anders. Zo zijn ook mijn gevels een startpunt voor het vervolg dat de waarnemer zal creëren. Om deze waarnemer niet te beïnvloeden, zijn de gevels niet op een bepaalde manier gepositioneerd ten opzichte van elkaar in de ruimte. Ze zijn simpelweg verzameld in een kartonnen doos. Hierdoor staat niets vast. Dit stimuleert de observator om zijn eigen werkelijkheid te creëren, om zijn verbeelding te gebruiken en om een project op te starten op zijn eigen persoonlijke manier, welke dat ook mag zijn. Hij doet wat hij wil, zoals hij het wil. Het enige wat de observator ertoe kan stimuleren om eraan te beginnen is de boodschap op de doos.

(Eigen Archief)

Ieder heeft een eigen visie over de realiteit rondom hem en kan door interpretatie kan ieder individu tot een heel andere gedachtengang komen. Op die manier is het mogelijk interessante, verschillende visies te bekomen en zo dingen in vraag te stellen en naar andere oplossingen te zoeken voor problemen in onze maatschappij. Interpretaties zijn persoonlijk. Voor iedereen anders. Zo is ook het einde van dit project. ■ M. S.

verbeelden

Nieuwe reeks gevels.

Open. Kijk. Grijp. Draai. Probeer. Creëer.

31


ontwerpen


Stadsspel2 Hoofdstuk 2: Van niets tot iets

onderdeel uit ‘Bruxelles-en-valise’ ( eigen archief)

ontwerpen

Op zoek naar antwoorden op mijn vragen ontwerp ik ‘Bruxelles-en-valise’. Een doos op meeneemformaat, die elementen bevat waarmee je Brussel kan recreëren. Voor mijn meeneem-Brussel koos ik straten uit verschillende wijken van Brussel. De Albert II Laan met zijn hoge kantoorgebouwen uit de Noordwijk, het Beenhouwersstraatje met zijn restaurants voor toeristen uit het centrum van Brussel, de Kunstberg met een park en statige museumgebouwen, de Nieuwstraat, een bekende winkelstraat uit Brussel, de Hoogstraat uit de Marollen , een oude woonwijk uit Brussel. Deze wijken stel ik voor op papieren a4 bladen waar ik de contouren van de gebouwen op uitzet, met vouw- en kniplijnen zodat deze gebouwen zelf geconstrueerd kunnen worden. Ook voeg ik bladen toe met baksteenpatronen, dakpannen, raamkaders, luifels, … die het gebouw kunnen aankleden. Zodat het geen gebouwen op een hoopje worden, voeg ik straten en trottoirs toe, en bladen met straatbekledingen. Ik voeg auto’s toe voor op de straten en bomen voor in de parken. Als laatste is er nog een blad vol uitknipbare mensen. Bij deze doos hoort ook een kaart, die aantoont hoe deze wijken ten opzicht van elkaar liggen, en een voorstelling van hoe deze gebouwen er dienen uit te zien. Maar deze kaart zou ook genegeerd kunnen worden, zodat de gebouwen naar eigen voorkeur kunnen worden ingepland. Het doel van deze ‘Bruxelles-en-valise’ is om Brussel, om een stad, in vraag te stellen. Niet enkel gericht aan architecten of stedenbouwers, ook aan de bewoners van een stad. Tijdens het reconstrueren van Brussel in papier hoop ik vragen te ontlokken zoals: Zijn het deze elementen die een stad vormen? Heb ik nu door gebouwen op schaal in papier na te maken ook een stad gemaakt? Zijn de gebouwen in de stad, de stad? Of zijn deze gebouwen het decor waar stad zich kan afspelen? Hoe ervaar ik architectuur in de stad? Graag wil ik deze samen met anderen construeren, om een debat op te starten, op zoek naar een antwoord op de vraag: wat is een stad? Helaas werkt mijn ‘Bruxelles-en-valise ‘ niet zoals ik gehoopt had. Er is weinig enthousiasme om al deze

gebouwen uit te snijden en in elkaar te steken. De vragen komen niet vanzelf en als ik ze zelf stel worden ze niet meteen begrepen. Ik moet op zoek naar een andere methode. Graag wil ik wel de elementen van participatie behouden, verschillende meningen bij elkaar brengen en een debat rond ‘de stad’ opstarten. Een periode van proberen en opnieuw proberen volgt. Van mijn ‘Bruxelles-en-valise’ evolueer ik naar een bordspel. Een echt bordspel, compleet met speelbord, pionnen en dobbelstenen. Een bordspel als een kapstok waar al mijn vragen in aan bod komen en ook beantwoord kunnen worden. Een spel waar ook ruimte is voor vragen van de medespelers. Een spel dat gespeeld wordt op het bord, maar ook verbaal, aan de hand van een debat.

35


Hoofdstuk 3: Stadsspel, wat is wat Het speelbord is het grondplan van een van mijn eerste wandelingen door Brussel. Elk vakje is een bouwblok. Elk bouwblok heeft een arcering. Een arcering die de bestemming van de grond weergeeft. Deze verdeling gebeurde volgens een vereenvoudigde versie van het Gewestelijk Bestemmingsplan van Brussel. Zo is een gestreept vak een typisch woongebied waar woningen en handelszaken voorkomen. Een leeg vak is een administratief gebied, voorbehouden voor kantoorgebouwen. De stippellijnen staan voor een gemengd gebied waar woningen nog steeds de overhand hebben, maar waar ook zowel handelszaken als kantoren zich kunnen bevinden. Een vakje met afwisselend een stippellijn en een volle lijn staat voor parkgebied. Een ruitjespatroon geeft een sterk gemengd gebied aan, dus woningen, handelszaken en kantoren door elkaar. Een dun gestreept vak is een gebied voor collectief of openbaar belang zoals musea of kerken. Tenslotte is een dubbel gestreept vak een residentieel woongebied, waar in mijn spelversie enkel 10 januari 2012 kunnen worden. woningen gebouwd

10 januari 2012

e.ral speelbord apparaat blad 1

appartement

kerk

museum

kantoor

tekening pionnen

( eigen archief)

kantoorgebouw. Groen wordt voorgesteld door een fig 8 = gron boom.

fig 9 = do

fig 1 = speelbord

ontwerpen

winkel

restaurant

Het spel wordt gespeeld door vijf deelnemers. Iedere speler heeft bij de start van het spel zeven pionnen en een bouwkostenkaart. De gekregen pionnen zijn een woning, een winkel, een restaurant, een museum, een appartement en twee bomen. Vooraleer het spel kan beginnen, trekken de vijf deelnemers elk een doelkaart. Op deze kaart staat hun rol specifieke rol in het stadsspel, wat een stedenbouwkundige, een historicus, een wandelaar, een toerist of een bouwpromotor kan zijn. Zo tracht de historicus beschermde monumenten te behouden en op de juiste plek op het speelbord te plaatsen, en deze ook op die plek te behouden. De toerist wenst zoveel mogelijk restaurants, winkels en culturele bestemming op het grondplan van Brussel te plaatsen. De stedenbouwkundige plant zijn gebouwen in volgens het gewestelijk bestemmingsplan van Brussel. De

fig 2 = legende

36

e.ral speelbord apparaat blad 3 woning

tekening speelbord Stadsspel ( eigen archief)

De pionnen van het spel zijn de gebouwen en het groen van de stad. Zo zijn er zeven types gebouwen: een woning, een appartement, een restaurant, een handelszaak, een museum, een kerk en een

doelkaart wandelaar ( eigen archief)


ontwerpen

Stadsspel

( eigen archief)

37


het gewestelijk bestemmingsplan van Brussel. De bouwpromotor wil zoveel mogelijk geld verdienen, dus wil hij vooral kantoren en appartementen neerplanten. De wandelaar plaatst de gebouwen in zoals ik ze ervaren heb op mijn wandeling. Doordat ieder een verschillend doel heeft, zal er veel beweging op het speelbord ontstaan. Tijdens zijn of haar beurt gooit de speler de dobbelstenen. Met de gegooide score kan de speler grondstoffen winnen, om daarna nieuwe gebouwen mee aan te kopen. Tijdens zijn beurt heeft de speler ook de kans om te bouwen, dit wil zeggen een pion op het bord te plaatsen, maximum drie per beurt. De speler kan ook, door middel van onderhandeling, een ruilactie aangaan met een van zijn medespelers.

ontwerpen

Telkens als er een zeven wordt gegooid, moet een kaart getrokken worden. Dit kan ofwel een stellingkaart, ofwel een proceskaart zijn. De stellingkaart geeft een stelling of een vraag weer waarop de speler zijn mening moet uiten. Hierdoor ontstaat er een debat met de andere speler. De stellingen op de kaartjes komen uit de vragen die ik bijeen heb gesprokkeld tijdens deze opdracht zoals ‘ de gebouwen in een stad zijn het decor voor het stadsleven’ of ‘inwoners creëren leven in de stad, deze maakt elke stad uniek’, of citaten die ik tijdens mijn denkproces reeds tegenkwam, zoals ‘elke architect maakt architectuur’ of ‘architectuur staat enkel voor een idee, een concept’. Er zijn ook lege kaartjes voorzien voor als een speler zelf een vraag heeft, of een stelling in de groep wil gooien. De proceskaarten geven vier processen weer die in een stad kunnen voorkomen. Bij ‘erasure’ worden gehele stadsdelen gewist. Het kaartje geeft instructies in verband met welke delen juist gewist moeten worden. Het kaartje ‘transformation’ zorgt ervoor dat gebieden van functie veranderen, een administratief gebied wordt bijvoorbeeld plots een sterk gemengd gebied, of een residentieel woongebied kan wijzigen in parkgebied. Bij ‘origination’ krijg je de mogelijkheid om nieuwe gebouwen in te planten op een plaats naar keuze, rekening houdend met de arceringen. Wanneer de kaart ‘migration’ getrokken wordt, verhuizen de pionnen van plaats. Ook dit gebeurt zoals aangegeven op de kaart.

38

Het spel werkt voor mij als onderzoeksinstrument. Mijn doel is verschillende meningen over de stad en stedenbouw te verzamelen en zo tot nieuwe inzichten te komen. Meningen van zowel architecten, als stedenbouwkundigen, als bewoners van een stad. Iedereen kan een deelnemer van het spel zijn. Zodat ik mijn eigen rol als architect in de stad kan ontdekken. > p 67

stelling- en proceskaarten ( eigen archief)

gewijzigd gebied door proceskaart ‘transformation’

( eigen archief)


Ontwerpen van/uit de stad 2 ‘Penser sauvage’(C. Lévi-Strauss, 1962) deconstructie-reconstructie

Met alles wat ik verzameld heb, wat ik gehoord en gezien heb, ga ik aan de slag. Ik maak opnieuw een stad. Alle zintuiglijke indrukken worden collectief vertaald in tekeningen. Tekeningen van een stad. Maar nu distantiëren ze zich terug van Brussel. Alle elementen uit de stad worden opnieuw samengesteld, geassocieerd tot een ander geheel.

Het zijn niet meer de elementen los naast elkaar, maar terug in relatie met elkaar, op elkaar, onder elkaar, over elkaar. Alle nieuwe associaties samen vormen een nieuwe stad.

collage van de stad als een tussenstap naar het ontwerp (eigen archief)

ontwerpen 39


Ze vormen opnieuw een stad. Of blijft het eigenlijk weer gewoon een tekening? De tekening vormt op die manier een uitgebreide tussenstap naar het eigenlijke ontwerp. Ze spreekt tot de verbeelding van de stad. In tegenstelling tot de collecties van de elementen uit de stad, verzamelen deze tekeningen alle lagen van de stad. Direct weer op papier vastgelegd. Wat nu nog overbleef van de architectuur van de stad wordt terug vertaald in een collage van wild denken op papier.

ontwerpen

Ik zie zelf duidelijk wat ik bedoel. Maar om erover te kunnen spreken moet het op papier staan, moet het ook zichtbaar zijn voor anderen. Nu kunnen de anderen het ook zien, dat wat ik bedoel, waar ik naartoe wil. Het wordt alweer een beetje duidelijker. Ik kijk naar mijn tekeningen, maar ook naar die van Nigel Peake, een tekenaar met een architectuur opleiding. Ze stralen een zeker materialiteit uit. Ze tonen meer dan enkel een tekening, er zit een structuur in, een verhaal. Dat moeten mijn tekeningen ook kunnen, zo communiceren. Op die manier krijgen ook mijn tekeningen een meer stedelijk karakter. Ze spreken

40

meer voor zichzelf. Maar hoeveel ik er ook over kan vertellen, het blijven hoe dan ook nog altijd tekeningen. Imaginair. Wat ik wil is een ontwerp! Daarom keer ik terug naar de realiteit. De tekeningen worden gefilterd tot een volwaardig ontwerp. De nieuwe associaties leverden nieuwe ideeĂŤn, over de stad, over wat ik wil ontwerpen. Ik denk terug aan de verschillende lagen van de stad, aan de mensen in de stad. Maar ook de vele vooroordelen die Brussel kent komen aan bod. De ontwerpen krijgen elk een eigen verhaal, ontwikkeld vanuit alle voorgaande tekeningen.

Geen grote opvallende veranderingen, maar op een kleine schaal vernieuwen ze het geheel. De stad is mooi zoals ze is, ik wil de gebouwen graag behouden, maar het moet ook geen museum worden. Daarom pas ik ze enigszins aan zoals ik er over dacht tijdens het tekenen van de complexe structuren van de stad. Een interactie tussen het ontwerp en de tekening van mijn gedachten en herinneringen over de stad, leidt tot kleine ingrepen die de stad kunnen vernieuwen op een onverwachte manier.


Zoals tekening tekeningen blijven, blijven de woorden ook enkel maar woorden. Enkele voorbeelden kunnen het geheel misschien nog wat helderder maken. (eigen archief)

zet me aan het denken. Ik ontdubbel de gevel, een losse gevel zoals in mijn herinneringen, de rest ben ik vergeten. Het huis krijgt twee gevels, met daartussen een tuintje. Een voortuintje, voor fietsen, planten, voor het spelende meisje.

ontwerpen

Zoals tekening tekeningen blijven, blijven de woorden ook enkel maar woorden. Aan de hand van dit voorbeeld wordt het geheel misschien nog wat helderder. Ik herinner me een spelend meisje in de zon. Theekopjes verspreid over een stuk stoep en een stuk gang achter een opstaande deur. In een laatste streepje zon op straat. Het

41


ontwerpen

Het hele ontwerpproces vormt een reeks van tekeningen. De eerste tekeningen verzamelen informatie. Over de stad, mijn eigen informatie van de stad. Opnames van wat ik gezien heb in Brussel, een opstapeling van herinneringen netjes uitgetekend op papier. Maar in mijn hoofd blijft het niet zo overzichtelijk. Ze zitten allemaal door elkaar, aan elkaar gekoppeld. Deze met herinneringen in elkaar geknutselde gedachten worden vertaald in alweer een nieuwe reeks tekeningen. Ze bevinden zich nu tussen de zintuiglijke waarnemingen en de verbeelding. Elk lijntje vertelt een verhaal, maar vanaf het moment dat ze zouden moeten uitgelegd worden, verliezen ze hun eigen karakter. En dat is nu net wat inspireert om alweer een nieuwe reeks

42

tekeningen te starten. De vreemde associaties worden uitgetekend als echte ontwerptekeningen, meer functioneel. Zodat ze te vertalen zijn in een geloofwaardig ontwerp, in een huis met ramen, een deur en een dak. Opnieuw een huis in de stad, bedacht in een stedelijke context met bestaande stedelijke elementen, gefilterd uit de stad. Kleine ingrepen op willekeurige plaatsen in de stad kunnen er zo een nieuw geheel van maken. Een toren met opengaande ramen, open en gesloten huizen, een voortuintje. Ze vormen opnieuw dezelfde stad. Of toch niet, een beetje anders. â–  A.K.


Reproduction 3 Equation “Testcase” In dit laatste deel zal ik tonen hoe ik deze formule heb ingezet om een opdrachtomschrijving te beantwoorden en zal ik beschrijven hoe deze parameters werden ingevuld en hoe ze een invloed uitoefenden op het ontwerp.

op het huis kreeg ik een eerste reproductie van het programma. Deze reproductie heb ik vervolgens opnieuw in het schema geplaatst als product en afgetoetst aan andere parameters.

Het product dat ik in het schema plaatste was een opdracht die bestond uit een gegeven site, met een aantal programmatorische eisen. De opdracht was een woning te ontwerpen voor vijf personen op een bepaalde site in Brussel. Er moesten vier slaapkamers zijn, een bureau en zoveel als mogelijk buitenruimte. l’impératif als notie van tijd

herinnering van een rijwoning

mentale contstructie van de filter

reproductie van het product (eigen archief)

ontwerpen

Bij het gebruik van het schema bepaal je eerst de ‘notie van tijd’, de ‘filter’ en ‘verhouding omgeving’. Deze vul je eerst in en vervolgens pas je al de bewerking, die het schema inhoudt, toe op het product. De eerste keer dat ik deze opdrachtomschrijving in het schema heb geplaatst, gebruikte ik ‘l’impératif’ als notie van tijd. Dit is de gebiedende wijs waarin ik de rechtstreeks opgestelde eisen, vanuit het programma naast elkaar heb geplaatst om zo het pallet van de verschillende eisen vanuit de opdracht zelf te kunnen overzien. Bij het deel van de ‘herinnering’ heb ik het plan uitgewerkt vanuit de herinnering van het archetype rijwoning in de stad. Als eerste ‘filter’ koos ik de oriëntatie. Deze speelt een heel belangrijke rol aangezien de site gelegen is tussen twee huizen en het een smal perceel betreft. Het huisje werd dan ook opengeklapt naar de zon toe. Als ‘verhouding omgeving’ vulde ik in dat één derde van de oppervlakte tuin of openruimte moest zijn. Dit laatste had als gevolg dat op het bovenste verdiep een stuk van het dak werd uitgesneden en een kleine buitenruimte werd gecreëerd. Nadat ik al deze paramaters had toegepast

43


De tweede maal dat ik het schema gebruikte, vulde ik als ‘notie van tijd’ de valavond in. Dit is het tijdstip waarop het van buiten naar binnen kijken, gemakkelijk wordt wanneer de eerste lichten in het huis aangaan omdat het buiten donker begint te worden. Bij de ‘herinnering’ heb ik gekeken hoe ik bij valavond een huis ervaar. Hieruit is er een soort van schermensysteem ontstaan, die s’ avonds als gordijnen gebruikt kunnen worden en overdag als zonwering. Als ‘filter’ gebruikte ik ‘sporen’. Het perceel is gevuld met sporen van vroegere constructies. Er stond ook nog een restant van de vroegere gevel. Hier vroeg ik mij af hoe ik deze sporen kon inzetten in het ontwerp. Zo heb ik bepaalde sporen behouden en soms zelfs in de kijker gezet waardoor het geheugen van de plek behouden wordt. Als ‘verhouding omgeving’ vulde ik in dat er 1/7e van de ramen die er nu waren, mochten gesloten worden. Omwille van de oriëntatie had ik in eerste instantie vele ramen bijgemaakt. Het aantal ramen mocht wel ongeveer behouden blijven, maar toch ben ik hier gaan kijken of wel alle ramen op zijn plaats stonden en hoe de relatie tussen binnen en buiten was. Als gevolg daarvan zijn enkelel ramen op de straat gevel dicht gemaakt. En zijn er een paar schermen bij gekomen. Zo verkreeg ik een tweede reproductie die dan opnieuw een product werd.

zonnewering

reproductie van het product (eigen archief)

ontwerpen

fictieve veranderingen van de gevel

44

reproductie van het product (eigen archief)

De derde en laatste maal dat ik het product in het schema plaatste, heb ik als ‘notie van tijd’ de toekomst gekozen. Hier wou ik de potentie aftasten van het huis dat het in de toekomst nog zou kunnen hebben. Hierbij aansluitend heb ik als ‘filter’ de populatie verdubbeld. In de oorspronkelijke opdracht was de woning bedoeld voor vijf personen, dit werd opgedreven naar tien personen. Bij de ‘herinnering’ heb ik dan een soort toekomstbeeld opgebouwd hoe dit huisje zou kunnen veranderen. Hoe ik dit al heb zien gebeuren en hoe dit kan ingezet worden. Door het opdrijven van het aantal personen moet ik ook in ‘verhouding omgeving’ aanpassingen maken. De verhouding van buitenruimte en binnenruimte veranderde dan ook naar ongeveer 1/5 vierkante meter buitenruimte per vierkante meter binnenruimte. Hier is een dakterras gecreëerd als een soort van kleine uitkijktoren over de stad. Het perceel is dan ook gelegen op een heuvel net aan het eind van een straat. Deze reproductie was de laatste. Hier besloot ik dat het ontwerp genoeg onderzocht was.


Ik heb al tekeningen en gemaakte stappen van het schema op een plaat van 90x200 geplaatst. Dit gaf mij een volledig beeld van het proces dat het product had doorgemaakt. Het proces dat hier zichtbaar werd, gaf me inzicht in mijn eigen werk. Dit geeft je de mogelijkheid om eventueel stappen ongedaan te maken of om juist andere gebreken te gaan ontdekken.

Een ontwerper ontwerpt met het vocabularium dat hijzelf heeft opgebouwd. Door onderzoek en exploratie breid je dit vocabularium uit. Ik zie de ‘reproduction equation’ als een begrip dat ik aan mijn vocabularium heb toegevoegd, dat ik op zijn beurt wil gebruiken om opnieuw mijn vocabularium uit te breiden. ■ D. D. G

(eigen archief)

ontwerpen

overzichtsplaat

45


ontwerpen

Remix In Wonderland

46

Vrijdagochtend 7 oktober 2011, de eerste les Remix In Wonderland. Een snelle opeenvolging van citaten en beelden leiden de opdracht in. Vage en glasheldere beschrijvingen over wat architectuur is, moet zijn of kan voorstellen. Henrik Plenge Jakobsen, Bernard Tschumi, Superstudio, Pamphlet Architecture 1-10,Livio Dimitiriu, Kasimir Malevich, Le Corbusier, John Hejduk, Madelon Vriesendorp, OMA, Achigram, Eboy zijn enkelen waarvan we beelden te zien krijgen. Elk hebben ze een heel eigen manier om hun gedachtegoed over architectuur duidelijk te maken. Hun beelden spreken voor zich, in een oogopslag kan je zien waar architectuur bij hen voor staat. Elk van deze beelden had op dat moment een antwoord kunnen zijn op de vraag van de opdracht. Maar onze opdracht is nu, 2011. Ons leven nu is hyperreëel, in thema, spectaculair, illusionair. 2011 is Facebook, 2nd life, gadgets, Ipod, Ipad, het virtuele leven, Istore, sociale netwerken. Iedereen is overal. We bloggen, we vloggen, jij bent nu hot en morgen weer not. We plukken onze eigen identiteit samen, pimpen ze terug, vinden onszelf steeds opnieuw uit. Een intuïtieve observatie van vandaag, de huidige culturele condities ingelijst. Terwijl we deze nieuwe processen, nieuwe levensvorm ontdekken, moeten we deze ook leren gebruiken. Ook in onze architecturale context. We wonen in de wereld die we vormgeven, we moeten deze dus de vorm geven zoals we er in leven. We moeten een methode ontwikkelen die overeenkomt met onze dagelijkse praktijk, waarmee we huidige vragen kunnen beantwoorden, en die het ons mogelijk maakt creatieve objecten en scenario’s te ontwikkelen. Beelden! Beelden zijn het medium. We communiceren met beelden. Beelden creëren geeft ons de kans om de context van architectuur in vraag te stellen. We verzamelen en produceren beelden uit de omgeving. Terwijl we aan het project werken mixen we alle visuele invloedsvelden. Wikipedia, mythologie, theorie, nieuws van de dag, software, locatie, persoonlijke ervaring …

We geven ons over aan een hyperhedendaagse reflectie. Visuele werelden ontwikkelen, combinaties genereren verhalen, objecten krijgen betekenis. We might be wrong. We geven ons hieraan over, met het voordeel een vrije, snelle en hyperhedendaagse visuele reflectie weer te geven. We zoeken een architectuur die niet uitdooft eens ze naar haar verwachtingen is opgeleefd. De dode hoek van architectuur is geen voorspelling van een gebouwde toekomst, noch een visualisatie van de realiteit. De dode hoek van architectuur creëert zijn eigen realiteit en aanwezigheid. Het heeft zijn eigen bouw en ontwerpcodes. Het kan een oververheerlijking van het echte zijn of juist niet. Kan je de dode hoek van architectuur strikken? Kan je zo een krachtig architecturaal idee schetsen? Dat was uiteindelijk de effectieve opdracht. Een architectuur als een gedicht, open en relatief, met alle verhalen van de wereld. Een parallel spoor uit te voeren met de andere gebieden van het vak. Een oppervlakte om in te duiken, opnieuw en opnieuw… Voor ons een erg overdonderende inleiding. Aarzelend begingen we. Halverwege de opdracht, eerlijk gezegd, drie weken voor het einde , slaat de twijfel toe. We gooien alles wat we tot nu hebben gemaakt overboord en besluiten het over een hele andere boeg te gooien. We might be wrong, we can’t be dull. Changing the subject! Challenge, how much work can be done in 24h? We maken er onze eigen opdracht van. De toren van Babel als ons nieuw vetrektpunt, als symbool voor ultieme hoogmoed van de menselijke creatie. We zoeken naar de dode hoek van architectuur. Hoe lang leeft architectuur? Maar net zolang als de periode dat deze gebouwd is? Of kan het idee verder leven? Is architectuur meer dan het idee? Hoe kunnen we een


3 dag 1 _ sessie 1

eigen ontwerp

ak

alexandra

er eigen ontwerp

eerste verbeelding van de tekst van alexandra

uitgewerkt ontwerp van de tekening van evelien

fictionele achitectuur kritiek over het ontwerp van alexandra

ak txt 1 wissel er tek 1

ak o 1

er txt 2

ak tek 2

er o 2

er o 2

ak txt 3

er tek 3

ak o 3

er txt 1 wissel ak tek 1

er o 1

ak txt 2

er tek 2

ak o 2

ak o 2

er txt 3

ak tek 3

er o 3

fictionele architectuur kritiek over eigen ontwerp evelien

eerste verbeelding van de tekst van evelien

uitgewerkt ontwerp van de tekening van alexandra

(eigen archief)

evelien

fictionele architectuur kritiek over eigen ontwerp alexandra

fictionele achitectuur kritiek over het ontwerp van evelien

3 dag 2 _ sessie 2

eigen ontwerp

maquette van het ontwerp van alexandra

fictionele architectuur kritiek via maquette van evelien

onsterfelijk ontwerpen? Kanakeen idee ooit af zijn tekst schets Alexandra haar verbeelding en omgekeerd. er m 2 ak idee o 1 ak txt 2 ak o 2 ak txt 1 er tek 1 er m 1 er tek 2 ak txt 3 ak o 3 er tek 3 er m 3 of kan er aan blijven gewerkt en vernieuwd worden? Hoe ver kunnen we hierin gaan? Kunnen we blijven Hoe maken we architectuur? Is architectuur meer dan nieuwe dingen ontdekken, creëren? Of hebben we op alexandra er er o 3 tek 3 m 2 bereikt? er o 1 er txt 2 eenakbepaald er o 2 er txt 1 ideeën ak tek evolueren? 1 ak m 1 tek 2 er txt Is 3 deakvolgende ak m 3 ideeën, hoe kunnen moment deaktop We maken een confrontatie van stijlen en talen, werken stap altijd beter, kan het altijd meer vernieuwend? We maquette van fictionele ontwerp samen, wisselen uit. We bedenken een loophet die we architectuur blijven doorgaan, vierenwtintig uur lang. van evelien kritiek via maquette van eindeloos zouden kunnen volhouden. Of toch op zijnalexandra minst 24 uur lang. Hoe onstaat architectuur? We willen het proces van architectuur ontrafelen. We zoeken een stappenplan 3 dag 3 _ sessie 3 uit in fases: schrijven – verbeelden – ontwerpen. referentie fictionele voor maquettearchitectuur ontwerp van We vertrekken van een eigen ontwerp. Geïnspireerd evelien kritiek van uit gebouwde de referentie door ‘Werkelijkheid zonder weerga’ van Christophe reëel wereld van alexandra van Gerrewey, schrijven we een fictionele architectuurkritiek door Een evelien ak ak txt 1 geïnspireerd ak o 1 ons ontwerp. er m 1 ak tek 2 ak m 2 ak txt 3 ak r 1 er tek 1 er txt 2 er r 2 er tek 3 er o 2 fictieve tekst, die een al dan niet positieve reflectie over dat ontwerp vertelt, opdat het verbetert kan worden. alexandra er er o 1 ak m 1 er tek 2 er m 2 er txt 3 er r 1 txt 1 ak tek 1 ak txt 2 ak r 2 ak tek 3 ak o 2 Volgende stap:er verbeelden. De verbeelding wordt tastbaar gemaakt door een schets. Een element, een referentie fictionele voor maquettearchitectuur zin die je oppikt uit de tekst, waar je door geïnspireerd ontwerp van kritiek van uit de referentie bent, waar je graag verder op wil werken. Misschien alexandra reëel gebouwde van evelien wereld wordt het vorige onwerp wel helemaal overboord gegooid, misschien is het net wel een heel logische stap. Als laatste fase: ontwerpen. Een ontwerpvoorstel Op de volgende pagina vind je van ons beide een persoonlijk verslag getekend in autocad. Een schets tot een degelijk van de eerste vierentwintig uur. ontwerp maken. Door onze hoogmoed en het plots (eigen archief) wijzigen van onze eigen opdracht zouden we aan elke stap slechts twintig minuten mogen besteden. Dus ook tijd speelt een factor. Nog een extra factor is dat we elke volgende stap niet door onszelf uitvoeren, maar we deze doorgeven aan de andere. Dus van Evelien haar evelien

eigen ontwerp

eigen ontwerp

eigen ontwerp

ontwerpen 47


ontwerpen 48

3 dag 1: verslag 1 x 24 h

3 dag 1: verslag 1 x 24 h

15/16 december 2011

15/16 december 2011

We geven ons zelf een tijdlimiet. Twinitg minuten per stap. Maar al gauw gaat de tijd sneller dan mijn verhaal… Aangezien ik het allemaal zelf bedacht heb kan ik me precies inbeelden hoe de bewoners vanuit het raam naar de tuin kunnen kijken, hoe ze door het huis rondlopen van boven naar onder, waar het licht door de ramen valt. Aan de hand van enkele personages beschrijf ik een luchtig verhaal dat zich afspeelt in mijn ontwerp, alsof het in de realiteit staat. Een fictionele architectuurkritiek op mijn eigen ontwerp. Tijd voor de tweede stap. We wisselen onze teksten. Evelien krijgt mijn tekst en ik die van Evelien. Tijdens het lezen van het verhaal maak ik tekeningen van hoe de dingen die Evelien verteld in haar verhaal er uit zien voor mij. Een bad, open gesloten, een muur. Een schema van dingen die me opvallen, hoe ik het verhaal zie. Wissel. Ik geef mijn tekening aan Evelien en krijg die van haar. We mixen digitaal en analoog, we springen van de tekening naar kaarsrechte lijnen in autocad. De tekening is te herkennen in het gebouw dat ik ontworpen had maar toch heeft een ander karakter gekregen, dat van Evelien. Aan het einde van de stap geef ik Evelien een snede, plannen en een inplanting en krijg ongeveer hetzelfde terug. Het is even moeilijk om me in het ontwerp van iemand anders te zetten, maar ik kan er me wel wat bij voorstellen. Het verhaal moet alweer snel beginnen met enkele karakters die in het huis rondlopen. Het heeft een groot terras, dat trekt de aandacht. Ik kan me zo voorstellen hoe de zon er in zomer hard moet branden op de stenen. Tien minuten razen voorbij. Hoe later op de dag, nacht, hoe banaler de verhalen worden, hoe meer de realiteit door de fictie gemengd wordt. Na de eerste 24 uur samen werken en wisselen hebben we een hele stapel teksten, tekeningen en ontwerpen. Consult. De tekeningen zijn niet verschillend genoeg, er is niet genoeg contrast de stijlen liggen te dicht bij elkaar. Maar dat is niet iets wat we kunnen veranderen. Wij zien het verschil wel, het zit in de details. Maar om de wisselwerking wat meer kracht bij te zetten krijgt ieder zijn eigen kleur. Maar er is nog meer ruimte voor verbetering. Natuurlijk is het zo nog niet af. Er moeten meer sessies zijn, meer 24 uren, meer stappen. Er moet een duidelijkere evolutie zijn. Er moeten meer verschillende resultaten zijn om te kunnen vergelijken. Eerst even slapen.

Een eerste sessie van 24 uur om onze verloren tijd in te halen. We vertrekken van een bestaand eigen ontwerp waar we beiden een fictieve architectuurkritiek over schrijven. Deze zal de start vormen voor een oneindige cyclus. Uit Alexandra haar fictieve kritiek verbeeld ik me een nieuw project. Eén zin spreekt me enorm aan ‘de deur stond al open, de zon belichtte met één lijn de gehele trappenhal, een steile, laatste klim.’ Op mijn blad papier ontvouwt er zich een toren, reikend naar een punt, met binnenin enkel trappen. Een tekening waarin ik die zin probeer te vatten. We zijn gelimiteerd in tijd en twintig minuten later moet ik mijn tekening alweer afgeven. Ik krijg haar tekening in de plaats. Nu bevind ik me plots al in een volgende fase, die van het ontwerp. Tijd om nog te verbeelden is er niet, het voorontwerp heb ik al in handen. Dat wordt dus aan autocadtekening.Ik tracht hieruit een plan en een snede te halen. Zo, zo zou deze misschien wel gebouwd kunnen worden? De wekker gaat. Een ontwerp wordt me in de handen geduwd. Hier schrijf ik dus weer een fictionele architectuurkritiek over. Een relaas dat zich nog enkele malen herhaald. Deze architectuurkritiek verloopt al niet meer zo vlot. Een ontwerp dat ik niet zelf ontworpen heb, dat ik niet tot in detail ken, maakt het veel moeilijker om er een degelijke kritiek over te schrijven. Op het einde van de eerste sessie overschouwen we onze teksten, tekeningen en ontwerpen. We bemerken dat een ontwerpvoorstel telkens weer uit een plan en een snede dient te bestaan, zonder dat we dit op voorhand bepaald hadden. Een fictionele architectuurkritiek speelt telkens verder in op een element , een detail uit een tekening. Waar je plots als je ze ziet een heel verhaal bij verbeeld. Is dat waar een ontwerpproces rondt draait, waar het mee start en mee overeind blijft? Het verhaal?


(eigen archief)

+03

+02

+01

1 ket re - 1 gad 3

3 dag 1 - ak tek 2

3 dag 1 - ak o 1

3 dag 1 - er tek 1

00

3 dag 1 - ak o 1

3 dag 1 - ak o 1

+01

00

3 dag 1 - ak o 3

3 dag 1 - ak o 3

3 dag 1 - er tek 2

3 dag 1 - er tek 2

3 dag 1 - er o 1

3 dag 1 - er o 1

3 dag 1 - ak tek 1

3 dag 1 - ak tek 1

3 dag 1 - er tek 3

3 dag 1 - er tek 3

3 dag 1 - er o 2

3 dag 1 - er o 2

AA’

AA’

+01

3 dag 1 - ak tek 3

3 dag 1 - er o 3

ontwerpen

3 dag 1 - ak o 2

3 dag 1 - er o 3

00

3 dag 1 - ak tek 3

3 dag 1 - ak o 2

AA’

49


Als tweede sessie van 24 uur besluiten we een element toe te voegen aan ons stappenplan. Wat als we dit 3 dag 1 _ sessie 1 effectief ook bouwen? In maquette. Kijken we dan nog anders naar een project? Wat gaat deze extra alexandra alexandra stap naar boven brengen. Wealexandra starten bij de eerste autocad tekening die we gemaakt hebben. Om daarna ak ak o 1 ak txt 1 er tek 1 er txt 2 ak tek 2 te kunnen vergelijken hoe het proces verandert door toevoeging van het element bouwen, door toevoeging alexandra er er o 1 ak tek 1 ak txt 2 er tek 2 van de maquette.er txt 1 fictionele architectuur kritiek over eigen ontwerp

eerste verbeelding van de tekst van

eigen ontwerp

evelien

eigen ontwerp

uitgewerkt ontwerp van de tekening van evelien

fictionele achitectuur kritiek over het ontwerp van

wissel

er o 2

er o 2

ak txt 3

er tek 3

ak o 3

wissel

ak o 2

ak o 2

er txt 3

ak tek 3

er o 3

fictionele architectuur kritiek over eigen ontwerp evelien

eerste verbeelding van de tekst van evelien

uitgewerkt ontwerp van de tekening van alexandra

fictionele achitectuur kritiek over het ontwerp van evelien

(eigen archief)

3 dag 2 _ sessie 2

eigen ontwerp

evelien

ak

alexandra

er

fictionele architectuur kritiek via maquette van evelien

ak txt 1

er tek 1

ak o 1

er m 1

ak txt 2

er tek 2

ak o 2

er m 2

ak txt 3

er tek 3

ak o 3

er m 3

er txt 1

ak tek 1

er o 1

ak m 1

er txt 2

ak tek 2

er o 2

ak m 2

er txt 3

ak tek 3

er o 3

ak m 3

eigen ontwerp

maquette van het ontwerp van evelien

(eigen archief)

maquette van het ontwerp van alexandra

fictionele architectuur kritiek via maquette van alexandra

3 dag 3 _ sessie 3 referentie voor maquetteontwerp van evelien uit reëel gebouwde wereld

3 dag 2: verslag 1 x 24 h eigen ontwerp

evelien

ak

ak txt 1

19/20 december

ontwerpen

ak o 1

er m 1

ak r 1

alexandra er er o 1 ak m 1 er r 1 er txt tek 1 Na het inslaan van1 deaknodige proviand beginnen we aan onze tweede sessie. We vertrekken opnieuw van de eerste tekst die we schreven over ons eigen ontwerp. alexandra De tekening en het ontwerp die daar op volgen hebben we al. We gaan dus terug verder met het eerste ontwerp ontstaan in de eerste sessie. We wisselen uit en maken er een maquette van. Die een voorstelling moet geven hoe het er uit zou kunnen zien als het gebouwd zou worden. Op die manier worden er alweer kleine details aangepast in het ontwerp. Het ontwerp wisselt weer van handen. De lijnen van de autocad tekeningen laten blijkbaar nog veel ruimte voor interpretatie bij het omzetten in maquette. De nieuwe stap neemt extra tijd in beslag maar aan het einde van deze sessie hebben we toch weer een hoop nieuwe ontwerpen. Want eigenlijk is elke stap op zich een ander ontwerp. Het oorspronkelijke ontwerp wordt elke keer weer herdacht en aangepast, door de wisselwerking evelienalexandra, maar evengoed door de interactie tussen tekst-tekening-ontwerp-maquette. eigen ontwerp

50

er tek 1

referentie voor maquetteontwerp van uit reëel gebouwde wereld

fictionele architectuur kritiek van de referentie van alexandra

3 dag 2: verslag 1 x 24 h

er txt 2

ak tek 2

er o 2

19/20 december

ak m 2

er r 2

ak txt 3

er tek 3

er tek 2 maquette er m 2eigenlijk txt 3 ak r 2 eener ak tek 3 ak o 2 Mijn eerste wordt vrij letterlijke vertaling van het ontwerp dat ik in handen kreeg. Ontwerpmatig maak ik geen grote veranderingn. En toch, als ik Alexandra’s maquette krijg, waar ik weer een nieuwe kritiek over zal schrijven, krijg ik plots weer veel nieuwe informatie. De kleur van het papier geeft een heel andere uitstraling mee. De print die op het papier is aangebracht, vertelt iets over de materialiteit. Een gebouw dat plots niet meer in het ijle staat, maar op een sokkel terechtkomt, of in een echte omgeving. Zo ontdek ik dat gevouwen blauw papier plots de uitstraling krijgt van een vlakke betonplaat, of dat is toch wat ik er van maak. Zo zijn we weer vertrokken. Twintig minuten worden al makkelijk dertig minuten, een maquette vereist nu eenmaal meer tijd. Een verhaal komt nu makkelijker los, de maquette geeft veel meer informatie over het gebouw weer. De beleving is makkelijker. Zoveel meer waarover je wil en kan schrijven.

ak txt 2

fictionele architectuur kritiek van de referentie van evelien

ak o 3

er m

er o 3

ak m


eigen ontwerp

evelien

alexandra

ak er eigen ontwerp

fictionele architectuur kritiek over eigen ontwerp alexandra

eerste verbeelding van de tekst van alexandra

uitgewerkt ontwerp van de tekening van evelien

fictionele achitectuur kritiek over het ontwerp van alexandra

ak txt 1 wissel er tek 1

ak o 1

er txt 2

ak tek 2

er o 2

er o 2

ak txt 3

er tek 3

ak o 3

er txt 1 wissel ak tek 1

er o 1

ak txt 2

er tek 2

ak o 2

ak o 2

er txt 3

ak tek 3

er o 3

fictionele architectuur kritiek over eigen ontwerp evelien

eerste verbeelding van de tekst van evelien

uitgewerkt ontwerp van de tekening van alexandra

fictionele achitectuur kritiek over het ontwerp van evelien

3 dag 2 _ sessie 2

maquette van het ontwerp van alexandra

eigen ontwerp

evelien

ak

alexandra

er

fictionele architectuur kritiek via maquette van evelien

ak txt 1

er tek 1

ak o 1

er m 1

ak txt 2

er tek 2

ak o 2

er txt 1

ak tek 1

er o 1

ak m 1

er txt 2

ak tek 2

er o 2

eigen ontwerp

maquette van het ontwerp van evelien

(eigen archief)

De derde en laatste sessie dient het ontwerp weer in de realiteit te brengen. We kiezen een referentiebeeld dat nauw aansluit bij de gegeven maquette. Waar in de eerste sessies steeds een ander element werd uitgekozen en het duidelijk niet rond één project draaide, heeft het referentiebeeld duidelijk een grotere invloed. De tekening, kritiek, ontwerp en maquette er mliggen 2 ak veel txt 3 dichterbij akelkaar. o 3 er tek 3 er m 3 proces dat ook door Een buitenstaanders kan begrepen worden. Een proces dat er o op 3 ak tek 3 drijft ak mniet 2 er txt 3 verder enkel impulsieve beslissingen. ak m 3

fictionele architectuur kritiek via maquette van alexandra

3 dag 3 _ sessie 3 referentie voor maquetteontwerp van evelien uit reëel gebouwde wereld

eigen ontwerp

ak

alexandra

er

ak txt 1

er tek 1

ak o 1

er m 1

ak r 1

er txt 2

ak tek 2

er o 2

ak m 2

er r 2

ak txt 3

er tek 3

ak o 3

er m 3

ak r 3

er txt 1

ak tek 1

er o 1

ak m 1

er r 1

ak txt 2

er tek 2

ak o 2

er m 2

ak r 2

er txt 3

ak tek 3

er o 3

ak m 3

er r 3

eigen ontwerp

referentie voor maquetteontwerp van alexandra uit reëel gebouwde wereld

(eigen archief)

evelien

fictionele architectuur kritiek van de referentie van alexandra

fictionele architectuur kritiek van de referentie van evelien

3 dag 3: verslag 1 x 24 h

22/23 december

22/23 december

De deadline nadert, maar vermits we op zoek zijn naar de top maken we nog 1 keer tekeningen, teksten, ontwerpen en maquettes. We zoeken dus een referentie voor de maquette. Om van hieruit terug een fictioneel verhaal te schrijven. Waardoor fantasie en werkelijkheid door elkaar beginnen te lopen. Nog 1 keer 24 uur. We vertrekken weer van ons eerste eigen ontwerp met bijhorende tekst, tekening, ontwerp en nu ook maquette. Het lijkt veel makkelijker dan eerst gedacht om een referentie voor de maquette van Evelien te vinden. Al snel val ik terug op de alledaagse gebouwen die ik ken, die iedereen kent. Na lang zoeken kies ik voor de witte toren van SANAA. The New Museum in New York. Van Evelien krijg ik house Saiko van atelier Bow-Wow. Het is heel moeilijk om een verhaal te schrijven over de mensen die er in zouden kunnen wonen, ik ken het gebouw helemaal niet. Maar dat maakt uiteindelijk niet veel uit, doel is om een inspirerende fictionele architectuurkritiek neer te pennen die de andere kan aanzetten tot het maken van een nieuw ontwerp. En kritiek uiten valt best mee.

Op zoek naar referenties. In het midden van de nacht, na al enkele dagen onvoldoende geslapen te hebben, gaat dit niet erg vlot. Alexandra’s blauwe huisje refereer ik naar house Saiko, ontworpen door Atelier Bow-Wow. Ik krijg in de plaats het Museum of Contemporary Art van SANAA. Een fictionele architectuurkritiek schrijven gaat verbazend genoeg niet zo snel meer. Zoveel informatie waardoor de woorden uit je pen zouden moeten rollen, maar anderzijds dient een kritiek hierrond veel nauwkeuriger te zijn. Ik ben er nog niet binnen geweest, ik heb het gebouw nog niet ervaren. Maar gelukkig biedt het uiterlijk van het gebouw voldoende stof om over te schrijven. In het algemeen hebben de opeenvolgende projecten nu meer een vaste lijn. Wat zeker aangenaam is om mee te werken is. Er kan nu meer concreet worden omgegaan met het project. Hoewel, hier en daar toch nog plots een heel impulsieve verandering wordt doorgevoerd. Maar dat is net leuk. Zo blijft het spannend en blijf ik gefocust.

ontwerpen

3 dag 3: verslag 1 x 24 h

51


+03

+02

+01

3 dag 3 - ak o 1

3 dag 3 - er m 1

3 dag 2 - er m 1

3 dag 3 - ak o 1

3 dag 1 - er tek 1

3 dag 3 - er tek 1

00

peter & alison smithson - solar pavillion

3 dag 3 - ak tek 2

3 dag 3 - er o 2

3 dag 3 - er o 2

3 dag 3 - ak tek 2

3 dag 3 - ak r 1

3 dag 3 - ak r 1

house van meerbeek - jan demuynck

3 dag 3 - er m 3

3 dag 3 - ak r 3 3 dag 3 - er m 3

3 dag 3 - ak r 3

ontwerpen

3 dag 3 - er tek 3

3 dag 3 - er tek 3

3 dag 3 - er r 2

3 dag 3 - er r 2

nu architecten - leeuw passive house

3 dag 3 - ak o 3 3 dag 3 - ak o 3

52

3 dag 3 - ak m 2

3 dag 3 - ak m 2


3 dag 3 - er o 1

3 dag 3 - ak m 1

3 dag 3 - ak m 1

3 dag 1 - er o 1

3 dag 3 - ak tek 1

3 dag 3 - ak tek 1

house saiko - atelier bow-wow

3 dag 3 - er tek 2

3 dag 3 - ak o 2

3 dag 3 - er tek 2

3 dag 3 - er r 1

3 dag 3 - er r 1

3 dag 3 - ak o 2

SANAA - Museum of Contemporary Art

3 dag 3 - ak tek 3

3 dag 3 - ak r 2

3 dag 3 - ak r 2

3 dag 3 - er m 2

3 dag 3 - er m 2

3 dag 3 - ak tek 3

cultural hall soignies - l’escaut

ontwerpen

3 dag 3 - er r 3

3 dag 3 - er r 3

3 dag 3 - ak m 3

3 dag 3 - ak m 3

3 dag 3 - er o 3

3 dag 3 - er o 3

53


Reflectie We gebruiken fictionele architectuurkritiek als hulpmiddel om onze kritiek te uiten. Een verhaal dat zich afspeelt in een reëel ontwerp, of toch zou kunnen zijn. Fictie en realiteit lopen los door elkaar. Er ontstaat een reële stemming, een sfeer. Toch komt de kritiek louter voort uit aspecten die op dat moment toen opvielen aan het ontwerp. Desalniettemin bezit de kritiek een capaciteit die inspireert tot een nieuwe tekening. Samen met de personages bepalen deze ideeën over architectuur. Componenten waar de volgende weer mee aan de slag kan, waar weer mee gecreëerd kan worden. Of laten rusten, voor later of nooit.

ontwerpen

Elke stap vertoont instabiliteit, wat eigenlijk niet anders kan. Het is een idee dat op dit moment wordt meegenomen, door iemand anders, wat ik toen net gezien of gelezen heb. Elk idee wordt gefilterd. Eenzelfde opdracht, met eenduidig programma geeft 40 verschillende uitkomsten. En toch weer niet instabiel, een goed ontwerp zal alle zones verkend hebben en uitgepuurd. Waardoor het net niet meer op toeval berust, maar een weloverwogen resultaat weergeeft.

54

Hoe gebruik ik een vreemd element om de realiteit beter te bestuderen? Is architectuur enkel maar een idee? Hoe evolueren ideeën, kunnen ideeën evolueren of zijn het gewoon variaties op hetzelfde? Hoe bepalen we wat goed, beter of het beste is? We bedenken een proces als creativiteitsmachine, we communiceren met elkaar via ontwerpen, zetten elkaar continu op een zijspoor. De ene is de andere niet, er worden telkens andere details dan je zelf zou verwachten belicht. Details die voor een heel andere wending in het verhaal zorgen. Meer stappen, meer werk, een langer ontwerpproces. Het ontwerp kan nog meer ontworpen worden, in 3D, in maquette. Gebouwd. Uitvoering van het ontwerp geeft het verhaal weer een andere wending. Textuur, kleur en vorm creëren andere zijsporen waarop de andere kan inspringen. Door de laatste stap wordt het verhaal terug gebracht naar de realiteit. Ook bestaande ontwerpen, gebouwen, moeten betrokken worden, vormen een referentie voor het fictionele. We mixen realiteit en fictie. We mixen Evelien en Alexandra. Resultaat is een hoop fictionele architectuurkritieken, tekeningen, ontwerpen, maquettes en enkele bijpassende referenties uit de gebouwde wereld. Alles wordt gebundeld. Alle tekeningen tonen een evolutie, net zoals alle teksten, ontwerpen en maquettes. Maar ook alles wat Evelien gemaakt heeft kan in één bundel, die naast de bundel van alles van Alexandra kan geplaatst worden. Ook alles wat we in de eerste sessie hebben gedaan komt in een

bundel samen en zo ook alles van de tweede en de derde sessie. We zien hoe de cyclus veranderd naarmate er meer stappen worden toegevoegd of naarmate we vermoeider geraken. We kunnen nagaan in hoe ver de maquette nog op de tekening lijkt. Of er nog sporen van de eerste tekening terug te vinden zijn in een tweede ontwerp. Je kan zien hoe wij het hebben gedaan en je afvragen of jij het anders zou hebben gedaan. Welke deelaspecten jij uit het ontwerp, de tekening of het verhaal zou hebben gefilterd. Of dat dan beter is, of hebben wij de top bereikt? Ontwerpen is vertalen, weergeven, verbeelding op papier zetten, hoe een gedachte een baksteen wordt. ■ A.K. & E.R. Issuu.com/howmuchworkcanbedonein24h

affiche eerste sessie (eigen archief)


Ciudad del Flamenco

render ciudad del flamenco

(eigen archief)

ontwerpen

Binnen het vakgebied architectuur speelt het proces een belangrijke rol. De globale vorm van een bouwwerk is onderhevig aan de verschillende componenten waaruit het is opgebouwd. De uiteindelijke belevenis van de architectuur is in feite een sommatie van de relaties tussen die talrijke componenten. We ontwerpen gebouwen als een logisch eindpunt, maar eigenlijk kunnen we het ons niet permitteren dit als iets absoluut te bekijken. Elke architect heeft wel een visie op dit eindresultaat. De ontwerper dient die persoonlijke visie te laten be誰nvloeden door externe factoren zoals locatie, functiewijziging, stadsgroei, verschuiving in de doelgroep enzovoort, om zo tot een ontwerp te komen dat zich als het ware hieraan aanpast. Het eindresultaat mag volgens mij nooit primeren als drijfveer voor een ontwerp. De gebouwde architectuur kent een grote meerwaarde wanneer het meegroeit met die aspecten.

55


Field conditions Op deze denkwijze sluit de theorie ‘Field conditions’ van Stan Allan naadloos op aan. Allan opteert voor een terugkeer naar de klassieke architectuur waarbij zowel proportie van individuele delen als de interne relaties een dominante rol spelen. Allans theorie impliceert een architectuur die verandering aanvaard en de onzekerheid van de realiteit incorporeert. Hierdoor kan er zonder enig probleem een architecturale uitbreiding aan een bestaand bouwwerk komen zonder substantiële vormelijke veranderingen. Deze bouwwerken zijn voortdurend aanpasbaar. De mogelijkheid tot oneindige groei en anticiperen tussen de verschillende delen is tevens ongelimiteerd. Helaas blijft Stan Allan louter bij theorie. Hierdoor rijst de vraag of dit wel toepasbaar is op architectuur. Het project ‘Ciudad del Flamenco Jerez’ vormt een testcase van ‘Field conditions’. Om deze theorie van Stan Allan te testen keer ik terug naar de kern van de theorie: “Field conditions zijn fenomenen, niet gedefinieerd door overheersende geometrische schema’s maar door lokale verbindingen.” – (Allan, 1985, p. 51) Vanaf de start van de opdracht is het lokale aspect van groot belang. Ciudad del Flamenco is gelegen in Jerez, Andalusië. Deze streek ontleent haar culturele identiteit aan de onderliggende laag van het Moorse verleden. De lokale elementen van deze Islamitische cultuur zijn de inspiratie voor het ontwerp van Ciudad del Flamenco.

Naast de site situeert zich de moskee van Cordoba. Na een kort onderzoek blijkt deze enorm adaptief voor ‘Field conditions’. De eigenschappen van de moskee in Cordoba zijn bijzonder modern. Zo is er aan de moskee al meerdere keren een nieuw deel gebouwd. Het laat met andere woorden groei toe. De nieuwe delen volgen naadloos de bestaande structuur en overheersen niet. Aangezien dit al een aantal keer is gebeurt, is het gebouw zeer dynamisch van aard. De moskee laat deze groei toe doordat het enerzijds geen vooropgesteld eindresultaat heeft. Anderzijds zijn alle kolommen in de moskee niet-axiaal geordend waardoor er geen duidelijke lijn aanwezig is. Deze ruimtewerking en conceptualiteit hiervan vormen het uitgangspunt van het ontwerp van Ciudad del Flamenco. Er wordt onderzocht in welke mate ik deze eigenschappen kan inzetten. De focus ligt op het bekomen van een ongeordende richtingloze ruimte. Het doel is om beslissingen te nemen tijdens het proces, die zorgen dat Ciudad del Flamenco zich niet statisch manifesteert in deze ruimte. Na de verdieping in de ruimtelijkheid in de moskee van Cordoba, verdiep ik me in zijn muurbetegelingen. Deze is zeer geometrisch van aard en een interessant startpunt.

tegelpatroon moskee Cordoba

ontwerpen

moskee Cordoba

56

grondplan moskee Cordoba

(eigen archief)

(eigen archief)

Bij de betegeling wordt een groot vlak onderverdeeld in kleinere vlakke figuren. Deze betegeling kan dus gezien worden als een ‘field condition’, aangezien er sprake is van kleine lokale elementen, onderling gelijk, die het vlak onderverdelen. In principe is er geen orde of richting aanwezig in het vlak. Dit betegelingspatroon genereert mogelijk een ruimte die antwoord aan de eigenschappen van deze ‘field condition’. Deze zoektocht leidt me uiteindelijk naar een stapelingsmethode, vormelijkheid en een structuur die bruikbaar is voor Ciudad del Flamenco. Allereerst verdiep ik me verder in deze vlakke onregelmatige betegeling. Deze heeft geen symmetrie waardoor ze groei toelaat en ze bestaan uit kleine deeltjes. Een dergelijk deeltje beantwoordt aan het principe van Stan Allan waarbij vele kleine elementen lokaal samen tot een overkoepeld patroon.


structuur van betegeling (eigen archief)

De volgende stap bestaat eruit deze betegeling om te zetten naar een bruikbare driedimensionale structuur, ook een spacefilling tessallation genoemd. Het doel is het creëren van een serie veelvlakken die de ruimte vullen zonder gaten of overlappingen, en dit met de afwezigheid van symmetrie. Dit blijkt vooral structureel een interessant gegeven. Het onderzoek naar een dergelijke ruimte is dus structureel van aard. De eerste stap is een onderzoek in de manier van stapelen, met uiteraard oog op de gekende eigenschappen van field conditions (groei, dynamische vorm, geen vooropgesteld einde, lokale elementen, niet-axiaal). Hierbij neem ik de toevlucht in parametrisch design en bekom ik een viertal mogelijke oplossingen.

stapelmethode biprisma’s

(eigen archief)

Als volgende stap verdiep ik me in de theorie van John Conway, the symmetries of things. Hij ontwikkelde hierin een eenvoudige manier om de ruimte te verdelen op basis van een vorm, in dit geval een biprisma. Een dergelijk biprisma bestaat, zoals het woord het zegt, uit twee prisma’s. Ze worden aaneengesloten en vormen een soort ‘wafel’. Deze kunnen slechts op één manier gestapeld worden en zijn telkens verschillend van richting. Op die manier ontstaat er een asymmetrische verdeling in de ruimte. Deze methode is echter niet goed, de ruimte van CIudad del Flamenco wordt namelijk te richtinggevend. Ze accordeert dus niet met de eigenschappen van Field Conditions. Hierbij dient de groei van de vorm onvoorspelbaar te zijn.

stapelmethode vijfhoeken stapelmethode vijfhoeken (eigen archief)

stapelmethode parametrisch design

(eigen archief)

Ze kennen echter één groot nadeel, namelijk dat het gesloten cellen zijn en de architecturale beleving wordt teniet gedaan. Ze zijn dus niet bruikbaar voor Ciudad del Flamenco

Na deze twee tegenslagen probeer ik een andere theorie van John Conway, fivefold symmetry. Onregelmatige betegelingen blijken hierrond te ontstaan. Deze vijfhoeken zijn ideaal voor groei. Maar bij het aaneenschakelen van deze vormen, zowel twee- als driedimensionaal, ontstaat er een opening of overlapping. Dit is dus een inefficiënte vorm voor de structuur van het project.

ontwerpen 57


penrose structuur

(eigen archief)

De penrose structuur biedt voor de vijfhoeksymmetrie een oplossing. Hierbij worden vijfhoeken gesubstitueerd door twee parallellogrammen: een stompe en een scherpe. De vorm die hiermee ontstaat slaagt erin het vlak onregelmatig te verdelen. Door middel van een groeialgoritme is ze tevens modeleerbaar. Deze penrose heeft trouwens een aantal uiterst interessante eigenschappen: alle lengtes zijn identiek en er zijn slechts twee hoeken. Deze structuur volgt de idealen van ‘field conditions’ en is bijgevolg ideaal voor het project Ciudad del Flamenco. Finaal wordt een ‘blok’ cellen van de penrose structuur losgesneden die als basis dienen voor de structuur van Ciudad del Flamenco. Dit systeem organiseert een ruimte, bestaande uit een massa identiek elementen, zonder hiërarchie en axialiteit. Er werd een systeem ontwikkeld dat onregelmatig is. Het organiseert een zekere onvoorspelbaarheid, maar toch is het structureel en constructief interessant. Dit aangezien er slechts één type staaf en twee verschillende hoeken voorkomen.

ribbenframe structuur

(eigen archief)

ontwerpen

De cellen worden vertaald naar een spaceframe, een structuur die enkel de ribben overhoud. Hoe een verbinding tussen de verschillende ribben gerealiseerd wordt, is een vraag die zich stelt. Doordat er verschillende hoeken voorkomen kan dit niet door een standaardelement. De verbinding wordt gerealiseerd door een twaalfvlakkig vormig element.

58

verbindingselement

(eigen archief)

Omwille van de penrose structuur en het verbindingselement kan de constructie op een rationele manier groeien. Zodanig dat er voldoende alternatieven bestaan voor het moduleren in traditionele ruimtes. Ciudad del Flamenco wordt hiermee eerder een dynamisch bouwwerk dat zich kan aanpassen, eerder dan een assemblages van geïsoleerde componenten.

Beleving

render structuur render structuur (eigen archief)

Wanneer je Ciudad del Flamenco bekijkt ziet deze er zeer chaotisch uit, hoewel deze in feite mathematisch en rationeel is opgebouwd. Er zit dus een paradox in verscholen. De beleving is volgens de theorie van Immanuel Kant subliem. “The sublime is a principle of disorder it is the phenomen of our understanding encountering something which it cannot organize or contain. It cannot determine a delimiting organizing principle in the thing because it cannot determine any limits to the thing” (Shaw, 2006, p. 54) De interpretatie van chaos komt met andere woorden voort uit het onvermogen het ontwerp te vatten en te organiseren.


Programma Na het bepalen van de structuur krijgen de verscheidene ruimtes functies. Het project, Ciudad del Flamenco, fungeert typologisch als een structuur die een ruimte overspant. Aangezien het in het centrum van Andalusië staat wordt er geopteerd om flamenco gelieerde activiteiten hier te laten plaatsvinden. Op het gelijkvloers wordt er een grote uitholling uitgesneden. Hierdoor zijn er meerdere richtingen om het gebouw te betreden en kunnen tevens spontane activiteiten ontstaan.

islamitische betegeling. Voor de ontwerper is het verband er nog, maar ziet de gebruiker dit? Waarschijnlijk niet, maar de andere eigenschappen, waaronder vooral groei, vormen de meerwaarde aan deze architecturale omgeving. ■ ALLAN S., (1985), points + lines, Princeton: Architectural Press. SHAW P., (2006), the sublime, New York: Routledge. S. V. d. F.

uitholling structuur (eigen archief)

Binnenin bevindt zich een mediatheek, enkele bars en logistieke functies zoals kleedruimtes. Zowel de mediatheek als de ontmoetingsruimtes kunnen de onderliggende ruimte inpalmen voor flamencooptredens of festivals. Door het loskoppelen van de artiestenruimte kan deze ook voor andere doeleinden gebruikt worden. Functioneel is het dynamisch opgevat, zodanig dat een verandering van locatie en functie geen grote morfologische veranderingen met zich meebrengt.

render Ciudad del Flamenco (eigen archief)

Field conditions geslaagd?

beleving Ciudad del Flamenco (eigen archief)

ontwerpen

Ciudad del Flamenco draagt alle kenmerken van Field Conditions. In dat opzicht is de theorie van Stan Allan vertaalbaar in de praktijk van de architect. Dit is, zoals eerder vermeld, te danken aan de bewuste penrose structuur. Hierdoor voldoet de structuur automatisch aan de eerder vernoemde kenmerken namelijk groei, non-hiërarchie, dynamische globale vorm, geen vooropgesteld einde, lokale elementen en non-axialiteit). De bedenking die hierbij gemaakt wordt, is of het lokale element nog herkenbaar is. De finale penrose structuur loopt zo ver uiteen van de oorspronkelijke

59


Deuren openen naar collectief wonen. ‘Kanaalzone: Nieuwe bruggen voor Brussel’. Met deze titel ging de veertien weken durende oefening van start waarmee bepaald wordt of je je bachelordiploma behaalt. Om wat meer voeling te krijgen met de site, werd een drie weken durende stedenbouwkundige analyse uitgevoerd in verschillende groepen. Hierbij lag de focus in negen verschillende thema’s, namelijk gelaagdheid, multifunctionaliteit, mobiliteit, densiteit, topografie, stedelijke morfologie, typologie en configuratieve collectieve structuur. Deze beginnende analyse moest meer helderheid bieden in verband met deze probleemzone rondom het kanaal van Brussel en moest een aanknopingspunt opleveren om verder te gaan met een eigen, individueel project, dat een visie zou bieden op de stad als basis voor het wonen. De kanaalzone is een zone die niet erg positief aangeschreven staat. Hoewel het de afgelopen jaren een positieve ontwikkeling kende, staat het nog voor enorme uitdagingen en zijn er nog heel wat projecten lopende voor verdere ontwikkeling. Deze oefening, hoewel fictief, was ook zo’n project met een vraag naar een visie om de problematiek in de toekomst te verbeteren. Om mensen naar deze zone aan te trekken in plaats van ze ervan weg te houden en zo de diversiteit aan bewoners te verhogen.

ontwerpen

Gegeven voor het individuele deel van de oefening, was een gesloten bouwblok van ongeveer vijfendertig woningen binnen het centrum van Molenbeek. Hierop zou de opdracht worden uitgevoerd. Het moest verbouwd worden tot een plaats met een gemengd woonprogramma. Een plaats die het tekort aan betaalbare woningen in Brussel zou verminderen en die interessante scenario’s zou bieden wat collectieve of publieke ruimte betreft.

60

Oorspronkelijke gevels. (Eigen archief)

Oorspronkelijke situatie bouwblok. (Eigen archief)

De grootste problematieken van het bewuste bouwblok, waren enerzijds de hoekwoningen. Door hun ligging bevatten ze namelijk enkel ramen in de voorgevel en konden ze dus enkel langs daar van licht voorzien worden. Anderzijds waren ook de aanbouwsels en koterijen een probleem. Ze vulden de hele binnenkant van het bouwblok op, waardoor de huidige wonigen amper buitenruimte bezaten. Voor velen was het dus een logische eerste stap om te beslissen dat deze weg moesten. Een derde opvallend kenmerk van het bouwblok was het gebruik ervan. Een woning die oorspronkelijk bedoeld was voor één gezin, werd namelijk bewoond door een veel groter aantal mensen. Zo werd één enkele woning in vele gevallen bewoond door drie of meer gezinnen. Voor mijn project vormden de woningen, die gewone rijwoningen waren, geen probleem. De gevels hadden een schoonheid die ik apprecieerde en dus werd in mijn project het uiterlijk van het bouwblok niet


heel erg aangepast. Het grootste deel van de woningen werd behouden. Van de woningen die wel verdwenen, bleven de faรงades bewaard. Voor voorbijgangers die het bouwblok niet kenden en er zouden voorbijlopen, zou het er ongeveer onveranderd uitzien. De enige uiterlijke aanpassing die doorgevoerd werd, was de keuze om een kalklaag op de gevels aan te brengen. Hierdoor werd de vorm van de gevels behouden, maar werd hun eenvormigheid versterkt.

namelijk gemeenschappelijk terrein zijn voor de bewoners. Plaats om kinderen te laten spelen, op een bank te zitten in de zon of in de zomer buiten te eten. Indien de bewoners gezamenlijk zouden beslissen om deze deuren open te houden, zou het wel toegankelijk zijn voor voorbijgangers. Indien niet, zouden enkel de raamopeningen als grote kijkgaten verraden wat er binnenin gebeurt.

Zoals eerder vermeld werden heel wat woningen behouden. Twintig van de vijfendertig wooneenDoor de gevels te behouden, werd ook de fysieke heden om precies te zijn. Daarbij werden nog negen grens van het bouwblok behouden. Hierdoor werd het nieuwe woningen gebouwd met dezelfde typologie niet plotseling een publieke site, die toegankelijk zou als de bestaande. Door de plaatsing van deze nieuwe zijn voor elke voorbijganger. Hoewel dit wel nog een woningen ten opzichte van de bestaande, onstonden mogelijkheid zou zijn indien de bewoners daar bewust er drie open ruimtes binnen het bouwblok. De ene al voor zouden kiezen. De perforaties in de facades werden wat groter dan de andere, maar elk met een redelijke namelijk bewaard. De deuren vormden hier in de eerste oppervlakte. Deze buitenruimtes zouden, zoals eerder plaats bijkomende ingangen voor de bewoners van het aangehaald, dienen als gemeenschappelijke ruimte bouwblok, maar daarnaast waren ze ook een barriere voor de bewoners van het bouwblok. Hoewel het er om buitenstaanders buiten het domein te houden. De drie verschillende zijn, staan ze ook met elkaar in open ruimte die zich achter deze deuren bevindt, is verbinding en is het voor een bewoner perfect mogelijk

(Eigen archief)

ontwerpen

Maquette nieuwe gevels

61


om van de ene naar de andere open ruimte te lopen. Zo wordt het ook makkelijk om één van de gezamenlijke deuren in de facades te gebruiken en de open ruimte over te steken naar je woning, eerder dan volledig om het bouwblok te lopen wanneer je zwaar geladen bent.

bestaan uit het gelijkvloers en het eerste verdiep van een rijwoning, plus het deel van het eerste verdiep van de rijwoning ernaast. Door deze doordachte indeling, die voor bijna elke woning verschillend is, is het mogelijk om meer woongelegenheid aan te bieden en is er meer ruimte voor een gemengd woonprogramma. Zo komen onder andere kangoeroewonen, zorgwonen en cohousing aan bod, waarbij iedereen ook een gemeenschappelijke buitenruimte heeft. Ook mensen die toch staan op hun eigen private buitenruimte, kunnen in dit bouwblok terecht, namelijk in de woningen met individuele tuinen. Zo is er in dit project een aanbod, waarin mensen met vele soorten noden terecht kunnen.

Nieuwe situatie bouwblok (Eigen archief)

ontwerpen

De zuidkant van het bouwblok, die acht bestaande woningen en één nieuwe woning telt, ligt tegenover een kerk. De plaats die hiertussen lag, werd oorspronkelijk vooral gebruikt door de duiven. Het was overbodig en vuil. Geen enkel probleem dus om deze restruimte in de palmen en tot het bouwblok te laten behoren. Om dit te verwezenlijken, werd nog een extra, nieuwe facade geplaatst op ongeveer zes meter afstand van de facade van de huidige woningen. Door deze ingreep was het mogelijk om deze extra ruimte in te richten als privétuinen voor de negen woningen aan de zuikant, wat een meerwaarde biedt aan het bouwblok in zijn geheel.

62

Het bouwblok bevat tot nu toe dertig woningen, waarvan negen met een eigen tuin en waarbij de overig eenentwintig drie gemeenschappelijke ruimtes delen. De negen wooneenheden die voorzien werden van een privétuin, behielden hun oorspronkelijke indeling. Dit wil zeggen één gezin per woning zoals waar we in onze maatschappij zeer vertrouwd mee zijn. De andere woningen, zowel oorspronkelijk als nieuw gebouwd, werden op een iets andere manier ingedeeld. Omdat één rijwoning betrekkelijk groot is, werd er een compactere indeling uitgedacht. Eén rijwoning, bestaande uit drie verdiepen, werd in de nieuwe situatie bijvoorbeeld een zorgwoning. Hierbij werd het gelijkvloers van de woning voorzien voor een oude, alleenstaande persoon en de twee andere verdiepen zouden dan bewoond worden door het gezin dat voor deze persoon zorgt. Een ander type wooneenheid voor een gezin, kan bijvoorbeeld

Voorbeeldschema indeling wooneenheden (Eigen archief)

Naast deze variërende indeling voor wooneenheden, werden er om de x-aantal woningen ook nog gemeenschappelijke delen voorzien als cohousing. Zo werd er op verschillende plaatsen een opbergplaats voor fietsen voorzien op het gelijkvloers. Gemeenschappelijke wasplaatsen werden op het plan geplaatst. Ook kregen kinderen een ruimte om te gaan studeren en ruimtes om samen te komen met hun vrienden. Sommige eenheden werden open gelaten zodat die ingepalmd kunnen worden voor een feestelijke gelegenheid. Als iemand bijvoorbeeld een plaats nodig heeft om een verjaar dagsfeest te vieren, dan is daar binnen het bouwblok de ruimte voor. Tenslotte werden alle oorspronkelijke kelderruimtes opnieuw ingedeeld, zodat elke nieuwe wooneenheid daarin een plek bezit als extra bergruimte. Hoewel het uiterlijk van het bouwblok niet drastisch is aangepakt, biedt de nieuwe situatie toch heel wat meer voordelen dan de oude versie. Zo zal er door het gemengde woonprogramma aantrekking zijn voor verschillende generaties. Zowel oude mensen als jonge gezinnen kunnen er iets naar hun zin vinden. Bovendien heeft iedereen een veilige, uitgebreid buitenruimte ter beschikking, al dan niet gemeenschappelijk.Tenslotte werd de uitstraling van het bouwblok opgeknapt, zonder het drastisch te wijzigen, waardoor het geen conflict aangaat met de omliggende omgeving. ■ M. S.


(Eigen archief)

ontwerpen

Plooivorm voor de maquette

63


(ge)bouwen


Stadsspel3 Hoofdstuk 4: En verder? Tijdens de eind jury ontdek ik dat mijn spel nog niet op zijn einde is, maar nu nog maar net is begonnen. Nu kan het eigenlijke onderzoek beginnen. Een voorstel wordt geopperd om dit spel inderdaad te spelen met de echte personen van de spelers, zoals de stedenbouwkundige, de historicus ‌ en wat dit zou opleveren. Er wordt aangeraden om de resultaten telkens te noteren en bij te houden. Ik trek met mijn spel naar de Fragile Student Conference week in Gent. Hier ontmoet ik mensen die ook bezig zijn een spel rond stedenbouw te maken, maar dan digitaal. Ook krijg ik veel input van buitenlandse studenten, om het spel te blijven corrigeren, up-to-date te houden en aan te passen aan de verschillende steden in verschillende landen en zo te kunnen ontdekken waar deze verschillen dan juist zitten en wat de constantes zijn. Een spel als een doorlopend proces. Waar elke eindfase weer het begin is van een nieuwe. ■ E. R. HOLL S., (1984), Pamphlet Architecture # 5: The Alphabetical City in: HOLL S., STOUT W. (eds) Pamphlet Architecture 1-10, New York: Princeton Architectural Press BUNSCHOTEN R.,(1998), Metaspaces, Black Dog Publishing

(ge) bouwen

Stadsspel

( eigen archief)

67


Vorstelijk wonen Mensen hebben de meest vreemde verlangens. Sommigen dromen van een reis naar de maan, anderen zouden alles opgeven voor een neuscorrectie. Als iedereen zou leven zoals hij of zij verlangt, zou de wereld er heel anders uit zien. Er bestaan de meest diverse ideëen over hoe te kleden, te koken, te reizen... Ook in de architectuur komen uitzonderlijke leefidealen naar voor. Hoe de mensen zouden willen wonen is vaak erg verbijsterend en onvoorspelbaar. Dit hebben we zelf kunnen ervaren tijdens een uitstap naar s’Hertogenbosch. Het gaat om een nieuwbouwwijk die bij veel architecten negatieve reacties uitlokt. Als we luisteren naar de bewoners van deze wijk echter blijkt dat een grote meerderheid erg gelukkig is met hun woonomgeving. Naar aanleiding van het vierde thema van Processor, ‘(ge)bouwen’, gaan we in dit artikel onderzoeken of deze gebouwde nieuwbouwwijk een geslaagd project is en wat we er van kunnen leren.

(ge) bouwen

Verschillende studies en diepte-interviews hebben reeds bewezen dat de hedendaagse, traditionele bouwstijl niet altijd overeenstemt met wat de mensen willen. Tijdens een studiereis naar s’Hertogenbosch in Nederland, werd dat opnieuw aangetoond. Met de bus komen we aan op de Haverleij, “waar vorstelijk wonen in het groen mogelijk is!”. Een vriendelijke Nederlandse man ontvangt ons in de vergaderzaal van de plaatselijke golfclub. Met lichte weerzin en veel vooroordelen luisteren we naar het verhaal van dit project. Na een korte introductie weten we wat we in de Haverleij kunnen verwachten. “Negen gebakjes en één grote taart”, zo noemt de man het domein waar we ons bevinden. Op het inplantingsplan dat hij voorhoudt zien we inderdaad tien groepen van woningen, waarvan er één duidelijk groter is.

68

Haverleij is een nieuwbouwwijk in de gemeente s’Hertogenbosch. Het project biedt huisvesting aan 2500 mensen en is maar liefst 225 hectare groot. Slechts tien procent hiervan is bebouwd, want een weidse omgeving en veel groen zijn de sleutelwoorden van de gemeenschap. De negen kastelen, waarvan er tot nu toe zeven gebouwd zijn, bevatten elk vijftig tot negentig woningen. Daarnaast is er het Slot Haverleij, dat zo’n 450 woningen telt. Het geheel volgt de middeleeuwse principes van een burcht met een grote omwalling en een gracht. De site waarin deze woningen zich bevinden wordt een landgoed met prachtige parktuinen, water

en wuivend riet genoemd, maar is in feite één groot golfterrein. Aanvankelijk werden er op het masterplan enkele anonieme vierkantjes getekend. Na verloop van tijd werden deze verder ingevuld. Stedenbouwkundige Sjoerd Sjoeters overzag het hele gebeuren en wees voor elk van de kastelen een verschillende architect aan, om een grote variatie aan bouwstijlen te garanderen en zo een uiteenlopend publiek te kunnen bereiken. Zo bemerken we in het eindresultaat woningen die refereren naar Toscaanse villa’s, Engelse hoeves, Incatempels en renaissancekastelen. Paul van Beek, de landschapsarchitect die aangewezen werd voor het invullen van de ruimte rondom en tussen de kastelen, legt uit dat de beproefde principes van een landgoed in de Haverleij worden toegepast op hedendaagse stadsuitbreiding: “deze prachtige hedendaagse kastelen zijn uitgerust met het comfort en de luxe van nu en tegelijkertijd bieden zij de ruimte en geborgenheid van weleer. Wat is er aangenamer dan een modern kasteel midden in het groen met riante woningen en luxe appartementen?” Het eerste kasteel werd ontworpen door architect Jo Crepain in 2000. De koopwoningen van dit kasteel hadden een prijskaartje van 195.000 tot 405.000 euro en waren in een mum van tijd allemaal verkocht. Ook de woningen van de daaropvolgende kastelen gingen vlot van de hand. Voor Leliënhuyze, een ietwat unieker kasteel was er bijzondere interesse. Leliënhuyze is een kasteel dat niet toegankelijk is voor publiek. De


Luchtfoto van domein Haverleij

(www.haverleij.nl)

ophaalbrug bepaalt wie binnen en buiten kan en een conciërge houdt toezicht aan de toegangspoort. Tijdens de financiële crisis verminderde de verkoop en werden er als alternatief ook huurwoningen voorzien in de kastelen. Daarnaast bieden de kastelen ook een klein aantal sociale woningen. Het grote succes van de Haverleij bleef niet onopgemerkt en al gauw ging men op zoek naar wat de aanleiding kon zijn voor deze populariteit. Onderzoek wijst uit dat de

Wat is er aangenamer dan een modern kasteel midden in het groen met riante woningen en luxe appartementen?

Na de rondleiding moeten we toegeven dat sommige elementen van de Haverleij wel degelijk tactvol aangepakt zijn. De grote diversiteit in woonvormen en stijlen komt spontaan over en verschillende kastelen tonen aan dat er op een kleine oppervlakte toch ruime en aangename woningen gebouwd kunnen worden. Er hangt inderdaad een rustieke en aangename sfeer. Toch blijven we met een vreemd gevoel achter. Ondanks de commercieel getinte verhalen over gelukkige gezinnetjes en de ideale samenleving blijven we met veel vragen zitten. Is kasteel Leliënhuyze, gepromoot als een fort waar de kinderen veilig kunnen spelen, in zijn essentie niet een gated community? Trekt het grote golfterrein, dat de bewoners van de verschillende kastelen moet verenigen, niet een gepriviligieerd publiek aan? Door de afwezigheid van diensten en werkgelegenheid vragen we ons ook af in hoeverre deze

(ge) bouwen

bewoners van het domein voornamelijk hoger opgeleiden zijn. Het project trekt jonge gezinnen aan omdat er veel speelruimte is en de veiligheid gewaarborgd wordt door de dikke omwallingsmuren. Daarnaast prijzen de bewoners van de Haveleij dit woongebied aan omwille van de knusse sfeer, het architecturale karakter en de unieke woonvorm. Maar ook de overdreven romantische

publiciteitsstrategie zal er wat mee te maken hebben. Zo vinden we op de website van de Haverleij terug: “Kasteel Leliënhuyze verrijst als een aangename en rustieke verrassing uit het overweldigende landschap. Als een mooie lelie dobbert het kasteel in het kabbelende water. De statige oprijlaan, de brug, de torens op de hoeken en de kasteelpoort doen oude tijden herleven.”

69


vestigingstadjes echt functioneren als een stad. Is het feit dat deze mensen zich terugtrekken in een artificieel woonlandschap, weg van de realiteit, niet puur een vorm van escapisme? En hoe gaat dit project om met de kritiek op Le Corbusier’s ‘wonen in het groen’, waarmee er onmiskenbaar veel overeenkomsten zijn? Na de wandeling in de kastelen besluit de spreker met: “Men heeft een aantal taartjes neergeplant en het heeft gesmaakt ook!”. Deze to-thepoint slotzin toont de kern van de zaak. Als architecten praten we over ruimtelijkheid, openheid, zichten en assen, sfeer en licht. Maar wanneer er kantelen, ridders en grachten vermeld worden, nemen we het niet serieus. En toch moeten we op het einde van de dag onze vooroordelen terzijde leggen. Want hoewel de Haverleij eerder kitscherig overkomt, de architectuur voldoet wel aan verschillende ruimtelijke en atmosferische aspecten. Dit artikel wil aantonen dat er ook in de laatste stap van het proces, het bouwen en het bewonen van het gebouw, nog veel te leren valt. Een reflectie over het gebouwde kan ons doen stilstaan bij de kwaliteiten of gebreken van het ontwerp. Als we deze bewustwording omzetten in lessen voor de toekomst kan deze laatste stap de eerste stap zijn voor een nieuw proces. De uistap naar dit eerder excentrieke woongebied heeft ons zeker doen inzien hoe simpel maar totaal ondenkbaar het allemaal kan zijn... ■

(ge) bouwen

E.G.

70

Kasteel Daliënwaerd

(www.haverleij.nl)

Kasteel Leliënhuyze

(www.haverleij.nl)


Het PARCOURS van het DISCOURS De Mies van der Rohe Award in de kijker De Mies van der Rohe award wordt tweejaarlijks toegekend aan architecturale productie in Europa waarin nieuwe ideeën en technieken centraal staan. Men wil door middel van deze prijs de connecties tussen architecten in de Europese Unie stimuleren en jonge architecten ondersteunen bij het begin van hun carrière. Dit tweedelig doel geven zij vorm in de twee prijzen die ze uitreiken. De eerste is de “European Union Prize for Contemporary Architecture” waarin er wordt beoordeeld op basis van de conceptuele, technische en bouwkundige kwaliteiten. De tweede prijs “Emerging Architect Special Mention” wordt uitgereikt aan een opkomend talent. Een tijdelijke tentoonstelling die de deelnemende projecten aan het publiek voorstelt, loopt deze maand in het M Museum in Leuven. Dit leek ons een ideale gelegenheid om het huidige discours van architectuur te onderzoeken en te koppelen aan de vier thema’s van het tijdschrift: kijken, verbeelden, ontwerpen en (ge) bouwen. Zo willen we kijken hoe de wedstrijdprojecten zich positioneren binnen deze thema’s en of er een duidelijke nadruk ligt op één van de thema’s. In het volgende deel verduidelijken we de opbouw van de checklist en de elementen waarop we gelet hebben binnen elk thema van het proces. Vervolgens vertellen we wat ons opvalt en welke tendensen zich voordoen of juist helemaal niet. Bij ‘Kijken’ zoeken we de bron waaruit het project ontsprongen is. Dit kan een specifieke context, een vooropgesteld programma, een vormelijke overtuiging, een theoretisch werk en zoveel meer zijn. We kijken of het bureau vasthoudt aan een omvattend concept of eerder vanuit verschillende hoeken input vergaart. Werd er voornamelijk gefocust op materialiteit, functionaliteit, circulatie of was er eerder een humaan, ecologisch of atmosferisch bewustzijn? Vormt het concept van waaruit de ontwerpers vertrekken een logische invalshoek of is het wat vergezocht? Door een grondige analyse van wat er aan de basis van het ingezonden project ligt, kunnen we een helder beeld verschaffen van de manier waarop architecten tegenwoordig van start gaan, waar ze hun drijfveer en inspiratie halen.

(ge) bouwen

We zien dat in veel projecten sterk ontworpen wordt vanuit het materiaal. Dit is niet onlogisch aangezien innovatief omgaan met materiaal één van de criteria is van de wedstrijd. Maar bij veel projecten is het de belangrijkste invalshoek van waaruit men antwoord geeft op een opdracht, zelfs indien dit niet werd opgelegd. Dit zie je vooral bij ‘Casa Collage’ van Ramon Bosch & Bet Capdeferro. Zij maken een collage van de materialen uit de omgeving om een antwoord te geven op de vraag om een woning te verbouwen. De materialen worden aangewend om een relatie te creëren tussen het oude en de interventie die zij doen op het gebouw.

Wat ook opvalt is dat het programma zelf weinig ingezet wordt als vormgever van het ontwerp. Eén van de uitzonderingen hierop is het DK Konserthuset van Jean Nouvel. Bij dit project wordt het uitzicht van de gevel bepaald door de functie van het gebouw. Het gebouw wordt door het grote publiek voornamelijk in de avond gebruikt. Overdag lijkt het alsof de gevel de binnenkant omsluiert. ’s Avonds, wanneer binnen de lichten aangaan, transformeert het gebouw en wordt de complexiteit van de concerthal duidelijk doordat de gevel het licht doorlaat. Daarentegen staat het gebruik bij sommige ontwerpen totaal los van de vormgeving van het gebouw. Deze kritische noot valt ons vooral op bij het ‘Maxxi Museo’ van Zaha Hadid. Het programma van dit gebouw, namelijk het kijken naar Moderne kunst en het ‘een plek’ geven, staat totaal los van het ontwerp. De betreffende architecte ontwerpt lange, golvende trappen doorheen het gebouw. Maar de circulatiewegen die zij ontwerpt, staan totaal los van de circulatie tussen de kunstwerken en maakt het soms zelfs moeilijk om te flaneren tussen de kunstwerken. De kunstwerken worden soms in ongemakkelijke ruimten geplaatst waardoor dat zij naar onze mening niet helemaal tot hun recht komen. Dit leiden we niet alleen af uit de presentatiepanelen maar hebben we ook zelf ondervonden tijdens een bezoek aan het museum.

71


In het tweede deel van de checklist gaan we kijken hoe groot de verbeeldingskracht van het gepresenteerde werk is. We gaan op zoek naar het suggestieve karakter van het ontwerp: wordt er ook wat van de verbeelding overgelaten aan de toeschouwer? Dit onderzoeken we door de graad van abstractie/detaillering af te meten. Laat de maquette veel aan de verbeelding over? Zijn er veel sfeerbeelden aanwezig? Wordt het proces afgebeeld? In dit deel hopen we een antwoord te vinden op de vraag of ontwerpers vandaag de dag verbeelding nog essentieel vinden in het afbeelden van het ontwerpproces. Of wordt architectuur steeds concreter en ondubbelzinnig weergegeven? Niet geheel onverwacht, wordt het proces eerder weinig afgebeeld. Af en toe gebeurt het echter wel. Bij het ‘Acropolis Museum’ van Bernard Tschumi is er zelfs een schema dat de vormelijke beslissingen stap voor stap toont. Dit geeft een duidelijk inzicht in hoe het ontwerp is opgebouwd en vormgegeven. Ook bij het project ‘La Trufa’ van Anton Garcia-Abril wordt het proces afgebeeld. Door de aard van dit ontwerp maakt het proces deel uit van de architectuur zelf. Garcia-Abril liet een hoop strobalen overgieten met cement om ze vervolgens te laten opeten door een koe. De negatieve ruimte die overbleef werd een fantastische kleine woning.

(www.architect.bjc.es)

(ge) bouwen

‘La Trufa’ van Anton Garcia-Abril

72

In het algemeen zijn er veel maquettes die een enorme verbeeldingskracht hebben. Het zijn geen letterlijke representaties van de projecten maar men werkt op een creatieve wijze met textuur en materiaal. De maquette van de ‘Altenburg Abbey’ van Jabornegg is een voorbeeld van een maquette die tot de verbeelding spreekt. Het is een doorsnedeschaalmodel waarin de werking van de ondergrondse gangen van de abdij duidelijk getoond wordt. Tegelijkertijd geeft de snede je ook de ruimte om je in te beelden hoe deze gangen zich verder ontplooien. Onder het thema ‘Ontwerpen’ bekijken we de manier waarop het ontwerp concreet word voorgesteld (digitaal

plan, schets, 3D-visualisatie, foto...). We vragen ons af of de geselecteerde beelden het ontwerp voorstellen als een eindproduct of we kunnen aflezen dat deze plannen en tekeningen ook duidelijk een werkattribuut waren in het proces? We leiden dit af uit de aanwezigheid van erg ruwe schetsen (ontwerpmatig) of juist heel doelbewuste lijntekeningen (eindvoorstelling). We kijken of er een bepaalde gelaagdheid aanwezig is of dat er wordt vastgehouden aan één omvattend concept. Hoewel het soms moeilijk in te schatten is, proberen we te achterhalen of het project fragmentarisch werd opgebouwd tot een groter geheel of dat er juist vanuit het globale volume naar het detail werd toegewerkt. Tenslotte richten we ons tot de leesbaarheid van het ontwerp. Is de opbouw duidelijk? Zijn er schaalverhoudingen aanwezig? Is het paneel samenhangend?

Het lijkt wel of de vormelijkheid van het ontwerp door de hoge complexiteitsgraad niet meer in een tekening getoond kan worden. Wanneer we de ontwerpmethode van de projecten bestuderen zien we dat er soms een verband is tussen de manier van ontwerpen en de wijze van presenteren. Bij de heel vormelijke ontwerpen bijvoorbeeld, worden er vaak 3D-visualisaties gebruikt. Bij deze projecten ontbreekt meestal ook een maquette. Het lijkt wel of de vormelijkheid van het ontwerp door de hoge complexiteitsgraad niet meer in een tekening getoond kan worden. Maar als het niet in maquette en tekening geïllustreerd kan worden, op welke manier en tegen welke kostprijs hebben ze het ontwerp dan gebouwd? Het is opvallend dat op de foto’s, plannen en 3D modellen van sommige projecten een menselijke schaal ontbreekt. Gelukkig is dit eerder uitzondering dan regel. Een vreemde samenhang van het paneel komt daarentegen wel vaak voor. Door de beperkte afmetingen van de panelen zijn velen overladen met informatie. Dit komt de leesbaarheid van het paneel niet ten goede. In het laatste deel van de onderzoekslijst, onder het topic ‘(Ge)Bouwen’, bespreken we het voltooide bouwwerk en de relatie met zijn omgeving. Is het gebouw voldoende toegankelijk? Lijkt het flexibel naar gebruik toe? Is het op vlak van stijl, omvang, kleur, materiaalgebruik... ingebed in zijn omgeving? Zijn er nog veel overeenkomsten met het oorspronkelijk ontwerp? Heeft het gebouw


Wanneer we het voltooide bouwwerk in ogenschouw nemen zien we dat de deelnemende projecten vooral bescheiden projecten zijn. ‘Starchitecture’, architectuur om te imponeren, komt weinig aan bod. De manier waarop de foto’s genomen zijn, vormt een aangename verrassing. In tegenstelling tot de gekuiste foto’s uit tijdschriften wordt er een beeld geschapen van het gebruik van de ruimte en bevatten de afbeeldingen enorm veel sfeer. Uiteraard moet men er rekening mee houden dat de resultaten van deze aanstiplijst enkel gebaseerd zijn op het grafische materiaal dat op de tentoonstelling aanwezig was en de bijhorende catalogus die we naderhand hebben doorgenomen. We hebben onze conclusies getrokken op basis van de panelen en de schaalmodellen die tentoongesteld waren. De manier waarop een bureau hun ideeën weergeeft aan externen vertelt vaak heel veel over hun visie, stijl en aanpak en we kunnen er dus van uit gaan dat het materiaal beschikbaar in het museum een redelijk correcte impressie geeft van het architectuurbureau. De checklist is voor ons een manier om voeling te krijgen met de werken van deze tentoonstelling en ze op verschillende niveaus te kunnen begrijpen. Wat ons verrast aan de tentoonstelling is dat het een heel diverse greep is uit de huidige architecturale productie. Het toont aan dat het discours heel gekleurd is. We vinden het positief dat er binnen één wedstrijd hiervoor ruimte is. ■

De geëvalueerde projecten, geselecteerd uit de tentoonstelling zijn: -Casa Collage, Ramon Bosch & Bet Capdeferro -DK Konserthuset, Jean Nouvel -Acropolis Museum, Bernardt Tschumi -Bronks Theater, MDMA -Maxxi Museo, Zaha Hadid -Wooden Church, Marta Rowinska -Passiefhuis Asse, BLAF Architecten -TU Delft, MVRDV -House in Paderm, Carlos Quintàns Eiras -La Trufa, Anton Garcia-Abril -Research Pavilion, Jan Knippers -Altenburg Abbey, Christian Jabornegg -Ponte Pedonal, JLCG Architects

(www.jeannouvel.com)

een eerder bescheiden attitude of komt het protserig over? Uiteindelijk proberen we ook wijzer te worden uit de foto’s van het gebouw in zijn afgewerkte staat. We bekijken in hoeverre de beelden atmosferisch zijn en of de scene ‘geleefd’ wordt of juist heel ‘clean’ is. Wordt het gebouw afgebeeld in zijn dagdagelijkse toestand of lijkt het beeld eerder onwaarschijnlijk, onrealistisch? Vinden we mensen terug op het plaatje? Vervolgens bespreken we ook het standpunt van waaruit de foto genomen is. Wordt de foto genomen vanuit het standpunt van de mens of eerder van bovenuit? We kunnen dus met andere woorden ook uit deze kleine dingen heel wat te weten komen over hoe de architecten zich positioneren ten opzichte van het bouwwerk, de omgeving en hun klanten.

DK Konserthuset van Jean Nouvel

D. D. G. & E. G.

(ge) bouwen 73


restauratie van een droom ik wil vliegen boven daken en wil fietsen op de wolken geloven in verhalen en wil lopen over een reus ik was onderweg alsof er niets bestond façades trillend in de wind op hun groene grastapijt de reus zit te loeren alsof hij wist dat ook ik hier even was wanneer de apen leren lezen en de meeuwen brieven schrijven wanneer de duiven kunnen praten en de hanen zullen geeuwen wanneer de zeeÍn kunnen slapen en de sterren tranen huilen wonen we allen achter façades en lopen over reuzen S. V. d. F.



processor