Issuu on Google+


HOL L A NDS

Maa ndblad inhoud no. 10 – 2013 vijf-en-vijftigste jaargang • nummer 791 oktober 2013 Opgericht in 1959 door K.L. Poll. www.hollandsmaandblad.nl Aanvullende honoraria Redactioneel – Deze maand Olga Kortz – Zomersproeten Maarten ’t Hart – Hondenmuziek Esther Porcelijn – Gedichten J.M.A. Biesheuvel – Het ergste H.L. Wesseling – Europa, best belangrijk Hugo Brandt Corstius – Kunt u ook in een lang woord de middelste letter veranderen? Leo Vroman – Gedichten Gerard van Emmerik – Iets kleins Branko Van – Gedichten Arnon Grunberg – Apocalyps Auteurs in dit nummer Colofon


Aanvullende honoraria * * *       12/13 Dankzij de gewaardeerde steun van derden is de Stichting Hollands Maandblad in staat jaarlijks prozaschrijvers, dichters, essayisten en grafisch kunstenaars die meewerken aan Hollands Maandblad ten behoeve van de verdere ontplooiing en bestendiging van hun werk een financiële aanmoediging te bieden in de vorm van het Hollands Maandblad Aanvullend Honorarium. Het Bestuur van de Stichting Hollands Maanblad en de redactie hebben het genoegen mede te delen dat de volgende auteurs, dichters en kunstenaars uit jaargang 12-2013 van Hollands Maandblad in aanmerking komen voor een jaarlijks in de maand oktober vastgesteld en uitgereikt Hollands Maandblad Aanvullend Honorarium:

* małgosia briefjes ‒ tekeningen elise van iterson ‒ tekeningen karen opstelten ‒ tekeningen vrouwkje tuinman ‒ proza esther porcelijn ‒ poëzie maartje wortel ‒ proza vicky francken ‒ poëzie iris le rüt te ‒ poëzie philip huff ‒ proza kira wuck ‒ poëzie

*


* * * Het Aanvullend Honorarium is bedoeld als materiële steun in de rug, en niet als een prijs in de zin van de drie Hollands Maandblad Schrijversbeurzen die jaarlijks worden uitgereikt door de Redactieraad voor de beste bijdrage in de categorieën Poëzie, Proza en Essayistiek. Het gaat om een donatie aan medewerkers van wie de bijdragen in de afgelopen jaargang door het Stichtingsbestuur in het bijzonder werden opgemerkt. De leeftijd van de medewerkers, de continuïteit van hun band met Hollands Maandblad en de mate van relevantie van de ondersteuning, speelt bij de nominatie mede een rol.

* * *


Deze maand Hoewel wij leven in een land waarin de tijd die men spendeert aan het lezen van tijdschriften, kranten en boeken de afgelopen vijftien jaar meer dan gehalveerd is, en deze teruggang nog sterker was onder hoogopgeleide mannen in de leeftijd tussen 20 en 50 jaar, een maatschappelijke groepering waartoe ik gelukkig niet behoor, las ik deze maand door een zonderling toeval buiten mijn schuld wijze woorden over de geest van onze wereld. Nu ja, ‘wijs’ is wellicht een wat versleten begrip nu in Nederland de filosofendichtheid vrijwel ondraaglijke proporties heeft aangenomen, maar in elk geval bleven deze zinnen me iets langer bij dan de meeste die tegenwoordig langs trekken. Waarschijnlijk beklijfden de woorden waarover ik het heb omdat ze zowel leerzaam zijn voor de huidige lezer, als uit de pen vloeiden van een moralistische mopperpot die ergens tussen 750 en 650 voor onze jaartelling leefde. Hij was dus een tijdgenoot van Homerus, doch anders dan zijn collega geen schepper van epische heldenfabels, maar een boer die probeerde de wereld enigszins begrijpelijk te maken met behulp van bonkige hexameters. Deze onwillige poëet leefde in een dorpje in centraal Griekenland, dat hij met de hem kenmerkende opgewektheid omschreef als ‘een vervloekte plek, wreed in de winter, onleefbaar in de zomer, nimmer aangenaam’. Uiteraard heb ik het over Hesiodus, en de woorden waar ik op doelde, komen uit zijn merkwaardig associatieve en opmerkelijke persoonlijk getinte Werken en dagen, waarin misschien eerder dan de verheerlijking van het plattelandsleven de ruzie met zijn broer Perses over hun erfenis centraal staat. U begrijpt inmiddels dat ik alles in het werk stel om niet datgene te hoeven aansnijden dat deze maand als een schrijnend symptoom van onze bekommernissen talrijke uren de beeldbuis vulde: vaderlandse


politici die de crisis te lijf gaan. Houd u mij ten goede, de gemeenplaats ligt mij na aan het hart en voor een cliché kunt u mij op elk uur van de dag wakker maken, maar de beeldspraak van de politieke gedoogconstructie als een ‘motorblok’, dat kamerbreed klonk, deed mij ongewild in gepeins verzinken. De economie van ons land is voor 80 procent afhankelijk van de ontwikkeling der wereldhandel en nog nader beschouwd voor 90 procent van de conjunctuur in Duitsland. De werkelijkheid lijkt dus veeleer dat voor de Nederlandse politiek een beperkte manoeuvreerruimte overblijft, waar men met een autoped al snel brokken maakt, laat staan met een motorblok, dat ogenschijnlijk meer wordt aangedreven door de aanwezigheid van televisiecamera’s dan door een diagnose van de economische, culturele en intellectuele stagnatie waarin wij als natie zijn verzeild. Omdat ik dat thema ten koste van alles wilde vermijden, deel ik hier met u de wijze woorden van bijna drieduizend jaar geleden. Hesiodus schreef twee dingen die wij nu, indien wij ons ertoe zetten, als leerzaam kunnen beschouwen. Hij diagnosticeerde: ‘Geld is geworden tot de ziel van de mens.’ En hij noteerde: ‘Het allerergste wat stervelingen kan overkomen, is slecht management.’ Men mag hopen dat ondanks hun meer dan gehalveerde leestijd ook hoger­opgeleiden dit kunnen herkennen als wijsheid voor onze tijd, want anders rest ons echt niets anders dan de eeuwige herhaling van De Wereld Draait Door. – bb


Hondenmuziek door Maarten ’t Hart In 1963 kwamen enkele leden van de Leidse studentenvereniging Catena voor het eerst op een avond bijeen om gram­mofoonplaten te draaien van minder bekende composities. In 2013 vierden wij dat onze platenclub vijftig jaar bestond. Ondanks het feit dat zich een schisma had voorgedaan, waarbij enige leden van de club zich hadden afgescheiden vanwege het feit dat lid Jan van de Craats zure opmerkingen had gemaakt over de kakelende verloofde die lid Pim van der Meiden plotseling meebracht naar onze bijeenkomsten, had de club toch wonderbaarlijk goed de tand des tijds doorstaan. Vijftig jaar lang hadden wij voor elkaar ‘raadwerken’ opgezet. Want zo was het ritueel: een der leden zette een plaat op en de anderen moesten dan raden wie de componist was en liefst ook welk werk er opklonk. Om ieder de gelegenheid te geven te raden, moest een lid dat meende te weten welk werk was opgezet, de naam van de componist op een papiertje zetten en dit opgevouwen overhandigen aan de opzetter. Die vouwde dan het papiertje open en knikte als het goed was, en putte zich uit in scheldwoorden en beledigingen als het fout was. Ofschoon ik geen lid was van Catena, werd ik in 1964 door Jan van de Craats, die vijfentwintig jaar later het opzienbarende boek over harmonieleer De Fis van Euler zou publiceren, uitgenodigd om zo’n platenclubavond op zijn zolderkamer te Leiden mee te maken. Het eerste dat werd opgezet, waren de ‘Kaukasische schetsen’ van Michail IppolitovIvanov. Ik vond het prachtige muziek, maar ik had geen flauw idee welk werk ik beluisterde. Dat het uit Rusland afkomstig moest zijn, was mij wel duidelijk, maar van wie? Uiteindelijk schreef ik de naam Glazunov op een papiertje. Hoongelach was mijn deel. Ondanks deze ongelukkige start ontpopte ik mij als een trouw lid van de platenclub. In de eerste jaren raadde ik vrijwel niets, de vreselijk-


ste scheldwoorden klonken op als er weer een papiertje werd open­ge­ vouwen waarop ik een foute naam had gekalligrafeerd. Maar ja, denk niet dat het bekende werken waren die werden opgezet! Welnee, je kreeg de eerste symfonie van Franz Schmidt of het tweede piano­concert van Giuseppe Martucci, of een van de strijkkwartetten van Ernst von Dohnanyi voorgeschoteld. De clubleden hadden al snel ontdekt dat diverse ambassades platen van gerenommeerde componisten uit hun land gaarne uitleenden, dus Jan van de Craats reed op zijn scooter naar de Russische, de Finse of de Hongaarse ambassade en scoorde daar dan de prachtigste raadwerken, zoals de symfonieën van Kal­li­nikov en Madetoja en de vioolconcerten van Janos Hubay. Vooral bij de Russische ambassade was Jan kind aan huis, en een enkele keer klom ik achter op zijn scooter en reed ik mee naar de Haagse sovjetvilla. Deze uitstapjes bleven niet onopgemerkt. Dat bleek toen ik in 1968 als toekomstig militair werd ge­screend of ik ervoor in aanmerking kwam als dienstplichtige bioloog wetenschappelijk onderzoek te doen bij rvo-tno te Rijswijk. Op een middag werd ik ontboden op een kamer in het gebouw van wat toen nog de Binnenlandse Veiligheidsdienst (bvd) heette (en nu Algemene Inlichtingen- en Veilig­heidsdienst, ofwel aivd). Een tamelijk barse bvd’er vouwde een map open waarop mijn naam prijkte. Het ding bleek mijn volledige culturele doopceel te bevatten. lees meer in het nieuwe nummer


Het ergste door J.M.A. Biesheuvel Het was een hysterische aanval, want ik ben veel te bang voor de verdrinkingsdood!, bedenk ik later. Ik zit in de kamer en hef een vuist omhoog. ‘Ik heb niets!’ roep ik. Daarmee bedoel ik dat ik helemaal niet lezen of schrijven kan. ‘Ik heb helemaal niets!’ Het schuim staat op mijn lippen. Ik tril over mijn hele lichaam. Eva loopt zenuwachtig heen en weer, de nagels aan de tanden. Ik ren naar de keuken en trek daar een la open. ‘Wat doe je?’ roept Eva zenuwachtig. Een tiental spulletjes vallen op de grond. ‘Ik zoek naar het broodmes!’ schreeuw ik. ‘Wat wil je dan?’ vraagt Eva. Ik haal de hand langs de keel. ‘Snijden!’ roep ik. ‘Maar wij hebben helemaal geen broodmes,’ lacht Eva, op van de zenuwen. En ik maak mezelf een verwijt: ‘Wat zal haar hart kloppen…’ Dan draai ik mezelf om en trek een deurtje open en pak een pot Trilafon. ‘Waarom is die pot niet vol?’ roep ik. Er zitten maar twaalf pillen in. ‘Wat wil je?’ roept Eva. ‘Innemen, een hele pot en dan een halve fles whisky erachteraan, dan in bed gaan liggen en slapend op de dood wachten. Dat hoort nog tot de mogelijkheden!’ ‘Nee,’ zegt Eva beslist. ‘Dat doene me niet.’ Nu zou de geest Gods over me vaardig moeten worden. Ik zou naar boven moeten gaan en een afscheidsbrief van tweeëntwintig bladzijden moeten schrijven. Dat alles op mijn bureau laten liggen en dan naar beneden gaan. Maar ik doe het niet. ‘Eva,’ zou ik moeten zeggen, ‘vergeef me mijn gedrag. Ik dank je dat je me 55 jaar in leven hebt gehouden. Dat je 55 jaar voor mijn kleren hebt gezorgd, dat ik er 55 jaar schoon bij heb gelopen. Dat je me altijd te eten hebt gegeven en voor mijn pillen hebt gezorgd, je hebt een zware zenuwpatiënt getrouwd. Vergeef me mijn onzin. Ik weet niet wat ik moet doen. En nu ga ik een half uur wandelen.’


Binnen vijf minuten ben ik weer terug. Ik ben thuis! Maar het huis is door de bezetting overgenomen. Vier politiewagens staan voor de deur. Een politie­officier met een grote gele helm op staat in de kameropening. Dat is het ergste. Twee vrouwelijke politieagenten zitten rechts en links naast de gemakkelijke stoel voor de boekenkast, ik zit daar nooit! ‘Gaat u hier maar zitten,’ zegt een van de agentes, die zwaar is opgemaakt. Eentje gaat vlak naast me zitten. De ander gaat op de bank zitten. De officier staat in de deuropening en kijkt afwisselend naar mij, naar de boekenkast, naar de piano, naar het radiomeubel, naar de achthoekige ets ‘De verloren zoon’. Ik leg mijn hand op het wapen van de agente naast me. ‘Mooi wapen waarschijnlijk,’ zeg ik. ‘Alleen weet ik niet hoe ik de veiligheidspal eraf moet krijgen.’ Op de grond ligt een manuscript, ‘Het nut van de wereld’, speciaal voor Thijs in het kort omdat hij de scène met de zwanen op Noord-Beveland zo mooi vindt. Eva komt binnen. Geeft iedereen een hand. Zegt deftig: ‘Eva Gütlich, aangenaam.’ ‘De afscheidsbrief ligt hier, “Het nut van de wereld”,’ zegt een agente. ‘Nee, nee,’ glimlacht Eva tegen de agente. ‘Dat is wat anders.’ ‘Nou, jij kunt anders een mooie afscheidsbrief schrijven,’ zegt Eva dan tegen mij. ‘Voel je je nogal op je gemak met die twee schoonheden om je heen?’ ‘Eva,’ zeg ik, ‘mijn whisky en mijn sigaar alsjeblieft.’ Eva haalt ze – vreugde. Vijf minuten later zitten de twee agentes naar me te glimlachen. Ik rook mijn sigaar en drink voorzichtig van mijn whisky. De mooie agente legt een hand op mijn knie. ‘Nou,’ zegt ze, ‘nog zelfmoord plegen, meneer Biesheuvel?’ De dwaasheid is de wereld nog niet uit. lees meer in het nieuwe nummer


Europa, best belangrijk Maar eigen volk eerst door H.L. Wesseling Op 1 juni 2005 werd in Nederland een referendum gehouden over wat officieel het Europees Grondwettelijk Verdrag heette, maar doorgaans eenvoudig de Europese Grondwet werd genoemd. De Nederlandse staatsinrichting kent geen referendum en dat was het in strikte zin dan ook niet. Het was een door het parlement bedachte en georganiseerde, niet bindende volksraadpleging. Maar al was het resultaat juridisch niet bindend, moreel was het dat natuurlijk wel. Je kunt moeilijk een referendum houden en de uitslag daarvan, als die ongewenst is, naast je neerleggen. Welnu, die uitslag was voor de regering hoogst ongewenst, want het resultaat was dat de Grondwet door een meerderheid van de kiezers werd verworpen: 38,5 procent was v贸贸r, maar 61,6 procent tegen. Wat nu? Goede raad was duur, lijkt in dit geval een toepasselijke zegswijze. Gelukkig was in Frankrijk kort daarvoor, op 29 mei, ook een referendum gehouden, in dit geval een echt want de constitutie van de Vijfde Republiek kent het referendum wel. De grondlegger ervan, Charles de Gaulle, heeft er vaak gebruik van gemaakt. Het resultaat was ook hier negatief. Het voorstel werd verworpen met 45,1 procent v贸贸r en 54,9 procent tegen. Nederland stond dus niet alleen. Het zou niet als enige de voortgang van de Europese integratie tegenhouden. Het was voor de landen van de Europese Unie een gezamenlijke taak uit de impasse te komen en dat gebeurde dan ook. Een nieuw verdrag met een aantal wijzigingen werd getekend. Een referendum werd nu niet meer nodig geacht, zodat het rechtstreeks aan de parlementen werd voorgelegd en goedgekeurd. Europa was gered.


De vraag waarom Nederland en Frankrijk, beide – zij het op geheel verschillende wijze – traditioneel voorstanders van verdere Europese integratie, zich opeens anti-Europees opstelden, heeft velen beziggehouden. De slappe en inconsequente verdediging van het Europese Grondwettelijk Verdrag door de Nederlandse regering heeft hierbij zeker een rol gespeeld. Het begon al met de door een halve-gare-pr-expert bedachte leuze ‘Europa, best belangrijk!’. Daar werd alleen maar om gelachen. Bovendien zei de ene minister dat we absoluut vóór moesten stemmen, dat dat heel belangrijk was, ja van levensbelang, want anders gingen in Europa de lichten uit en bleven we achter in het rijk van de duisternis. Waarna een ander zei dat we gerust vóór konden stemmen omdat er door het verdrag in feite niets veranderde. Zoals Abraham Lincoln al zei: ‘You can fool some of the people all of the time, and all of the people some of the time, but you cannot fool all of the people all of the time.’ Ook zal een afkeer van het beleid van het kabinet-Balkenende ii in het algemeen zeker een rol hebben gespeeld. In dit land krijg je niet vaak de kans je gram eens duchtig te uiten en nu die kans zich voordeed, maakte menigeen daarvan gretig gebruik. Maar er was meer aan de hand bij die volksraadplegingen over Europa in 2005. De stemming was wel degelijk het resultaat van groeiende euroscepsis en van herlevend nationaal gevoel. Dat gold voor beide landen, maar er waren ook en zijn nog steeds duidelijke verschillen tussen Frankrijk en Nederland wat betreft nationaal gevoel en natiebesef. lees meer in het nieuwe nummer


Apocalyps door Arnon Grunberg Als kind heb ik veel in de zon gezeten. Mijn vader runde een vakantiepark (met bungalows, zwembad, restaurant en disco) aan het Gardameer. De zomers bracht ik door bij het zwembad. Toen ik oud genoeg was, werkte ik in de keuken of ik hielp mee ijs te verkopen aan de bar naast het zwembad, waar we ook cocktails verkochten en snacks, maar ijs scheppen vond ik het leukst. Ik ontdekte al vroeg mijn commerciële talenten, de verkoop lag mij. Mijn ouders stimuleerden mijn commerciële talenten, zij het op speelse wijze. Er lag geen grote druk op mij. Als ik veel ijs had verkocht, kreeg ik een cadeautje, een autootje, een voetbal, of ik mocht extra lang opblijven. Ik heb veel geknikkerd. Vooral mijn vader was gelovig, hij was een fanatieke kerkganger, maar toen ik hem vertelde dat ik geen misdienaar meer wilde zijn, knikte hij slechts. Verder zei hij niets. Met mijn jongere broer had ik weinig contact. Hij hield niet van de zon, hij zat veel binnen. We gingen elkaar uit de weg. Ik werd naar een internationale school gestuurd. Zo ben ik drietalig opgevoed: Nederlands, de taal van mijn ouders, Engels, de taal die op de internationale school werd gesproken, en Italiaans, de taal van het land waar ik mijn jeugd doorbracht en waar ik mijn commerciële talenten heb kunnen ontwikkelen. Voor zover een jeugd zorgeloos kan zijn, was de mijne zorgeloos. Mijn moeder overleed vrij jong, op mijn zestiende, toen was mijn jeugd feitelijk al voorbij. Het lag voor de hand dat ik mijn commerciële talenten zou uitbuiten en in de verkoop zou gaan, maar ik besloot fysiotherapeut te worden. Het werken met lichamen trok me uiteindelijk meer dan de verkoop. Mijn halve jeugd heb ik halfnaakte mensen gezien, ik heb de mens leren


kennen in zwemkleding. De scheiding tussen lichaam en ziel ervaar ik als iets onnatuurlijks, het lichaam ís de ziel. De fysiotherapie leek mij een natuurlijk vervolg op mijn jeugd aan het Gardameer. Stiekem was ik altijd al fysiotherapeut geweest. In de winter ging het vakantiepark dicht. Mijn vader richtte zich dan op het exporteren van Italiaanse olijfolie en wijnen naar Nederland. Ook hij had commerciële aanleg. Om van je naaste te kunnen houden als van jezelf, moest je voldoende geld op je bankrekening hebben staan, zei mijn vader dikwijls. Voor mij waren de winters een wachtkamer. Het leven begon pas weer als ik in mijn zwembroek langs de badgasten kon paraderen en als ik ze hoorde fluisteren ‘Dat is de zoon van de eigenaar’, dan was ik gelukkig. Ik was een mooie jongen. Er was niets onherbergzaams aan deze wereld, die ik tot mijn zestiende heb ervaren als een lange zomervakantie. Het zwembad was mijn natuurlijke habitat, de duikplank mijn god, ons zelfgemaakte ijs de hostie. Met vrouwen ben ik ondanks deze achtergrond altijd uiterst terughoudend geweest. Ik heb twee vakantieliefdes gehad. Op mijn vijftiende heb ik een paar keer gezoend met een getrouwde vrouw uit Saarbrücken. Ze was erg jong getrouwd en vermoedelijk ongelukkig. Ik werd verliefd op haar, op haar ongeluk vooral, maar op het hoogtepunt van mijn verliefdheid ging ze met haar man terug naar Saarbrücken. Ikzelf was te gelukkig en te frivool om lang te rouwen of om me schuldig te voelen vanwege haar man. Slechts één avond heb ik overwogen naar Saarbrücken af te reizen. Ik wist niet wat dat was: rouwen. lees meer in het nieuwe nummer


Auteurs in dit nummer j.m.a. biesheuvel (1939) – Schrijver. Publiceerde o.m. de verhalenbundels In de bovenkooi (1972), Slechte mensen (1973), De verpletterende werkelijkheid (1979) en Het wonder (1995). In 2007 ontving hij voor zijn gehele oeuvre de P.C. Hooft-prijs. In 2008 verscheen in drie delen zijn Verzameld werk. hugo brandt corstius (1935) – Woont in Parijs. gerard van emmerik (1955) – Schrijver. Publiceerde o.m. de romans Micha’s koorts (1998), De verzachters (2005) alsook de roman in verhalen Ik ben je vriend (2008) en de roman De kippenjongen (2011). arnon grunberg (1971) – Schrijver en columnist. Ont­ving o.m. de Anton Wachterprijs, de F. Bordewijkprijs, tweemaal de Gouden Uil, tweemaal de ako-li­te­ra­tuurprijs, de Libris literatuurprijs, de C. Huygens-prijs en de Frans Kellendonk-prijs. Binnenkort verschijnt de verhalenbundel Apocalyps. maarten ’t hart (1944) – Studeerde biologie aan de Universiteit van Leiden. Auteur van talrijke romans en geschriften. olga kortz (1985) – Schrijfster, dichteres en columnist voor HP/DeTijd. Was tussen 2007 en 2010 redacteur van Propria Cures. Eind 2013 verschijnt haar debuutroman Onnozele kinderen. stance oonk (1959) – Beeldend kunstenaar. Studeerde aan de Hogeschool voor de Kunsten te Amster­dam. Woont, werkt, exposeert te Haarlem. Publiceert in Hollands Maandblad. Zie: www.stanceoonk.nl.


esther porcelijn (1985) – Theatermaker en stadsdichter van Tilburg; studeert filosofie aan de Universiteit van Tilburg. Ontving de Hollands Maandblad Aanmoedigingsbeurs 2012-2013 (poëzie). Onlangs verscheen van haar debuutbundel met gedichten en verhalen: De keren dat ik verwaai. branko van (1985) – Dichter; studeerde geneeskunde en werkt aan een dissertatie over de neuro­biologische aspecten van ontwikkelingsstoornissen. leo vroman (1915) – Schrijver, dichter, tekenaar, hematoloog. Ontving de P.C. Hooftprijs (1964) en de VSB Poëzieprijs (1996). Recent verschenen Nee, nog niet dood (2008), Zodra (2010) en Daar (2011). h.l. wesseling (1937) – Emeritus-hoogleraar Algemene Geschiedenis aan de RU Leiden en van 1995 tot 2002 rector van het nias te Wassenaar. Publiceerde o.m. Verdeel en heers; de deling van Afrika (1991), Zoon en vader, Vader en zoon (2008) en De man die nee zei; Charles de Gaulle 1890-1970 (2012).


HOL L A NDS

Maa ndblad Redactie: Bastiaan Bommeljé Redactieraad: Gerard van Emmerik, Beatrijs Ritsema, Wim Brands en Janneke ­Louman Vormgeving: Steven Boland Copyright: Auteursrecht voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schrifte­lijke toestemming van de uitgever. Deze uitgave werd mede mogelijk gemaakt door subsidie van het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds, thans Nederlands Letterenfonds. Redactiesecretariaat: Hollands Maandblad • Johannes Vermeerstraat 63 • 1071 dn Amsterdam • Tel. 020-5706100 • redactie@hollandsmaandblad.nl (niet voor kopij) Bij ongevraagde bijdragen postzegels voor antwoord bijsluiten Uitgevers: Nieuw Amsterdam Uitgevers in samenwerking met Stichting Hollands Maandblad, Johannes Vermeerstraat 63 • 1071 dn Amsterdam Abonnementen: 12 nummers per kalenderjaar, prijs per jaargang € 70,00 • voor stu-

denten en docenten € 52,50 Abonnementen die niet één maand voor afloop van de abonnementsperiode zijn opgezegd, worden automatisch verlengd Opgave: S.P. Abonneeservice • Postbus 105 • 2400 ac Alphen aan den Rijn. Telefoon tijdens werkdagen van 9.00-17.00 uur: 0172-476085. Een acceptgiro voor betaling volgt

Losse nummers: € 6,95 • dubbelnummers € 8,95 • Verkrijgbaar bij de boekhandel of door bestelling bij Nieuw Amsterdam Uitgevers


Hm201310