Issuu on Google+


HOLLANDS

Ma and b lad inhoud no. 12 – 2012 vier-en-vijftigste jaargang • nummer 781 december 2012 Opgericht in 1959 door K.L. Poll. www.hollandsmaandblad.nl Redactioneel – Deze maand Eva Maria Staal – Wereldverbeteraars Leo Vroman – Gedichten Jo Tollebeek – De kermis van de geest Fredie Beckmans – Worstelingen Tina van Baren – Gedichten Frans Pointl – Amefa’s aquaduct Marijke Hanegraaf – Gedichten Antoine de Kom – De zaak S. Hugo Brandt Corstius – Sproei eiervlaai Gerry van der Linden – Elleboog Esther Porcelijn – Gedichten A.H.J. Dautzenberg – De zesde wand Daan Schrijvers – Een kerstvertelling (in proza) Houtsnede’s en litho’s – Jeroen Hermkens Auteurs in dit nummer Colofon


Deze maand Wij leven, zo maakte deze maand wederom duidelijk, in een tamelijk onnozele wereld, en wij weten het. Nu ja, wij weten het wellicht. Zelf sta ik nog elke dag paf over de onbegrijpelijkheid van het bestaan. Neem de grappige wetenschapsfraude van de ooit publiek gelauwerde en ruim gesubsidieerde Tilburgse hoogleraar sociale psychologie Diederik Stapel. Daarover is veel geschreven, becommentarieerd en geopinieerd. Dit is niet de plaats om een extra duit in het zakje te doen, hoewel het alom als ‘hard’ verwelkomde rapport over deze kwestie van de onderzoekscommissie onder leiding van emeritus hoogleraar Pim Levelt en de reacties daarop au fond verbazingwekkend onnozel waren. Zo meldden de media met gepaste geschoktheid dat ‘het hele controlesysteem in de sociale psychologie van werkvloer tot toptijdschrift niet heeft gewerkt’. Dit lijkt me een weinig heroïsche conclusie, want het vereist niet veel ruggengraat om kritiek te oefenen op een discipline die gefundeerd is op de wetenschapstheoretisch gezien dubieuze gezichtspunten van Sigmund Freud. Zelf stond ik nogal paf door het feit dat nergens in het rapport of in de reacties daarop gewag werd gemaakt van de evidentie dat deze wetenschapsfraude weinig meer is dan de logische uitkomst van drie ontwikkelingen in de Nederlandse cultuurgeschiedenis die wij van nabij hebben meegemaakt, onder onze ogen hebben zien gebeuren en niet hebben durven tegenhouden. De meest onschuldige ontwikkeling is de proliferatie van het pathologisch narcisme als succesvolle levenshouding. Dit is de reden dat Stapel zo goed paste in de kringen van sociaal-psychisch verwante universiteitsbestuurders en tv-presentatoren. Een meer verontrustende ontwikkeling is de ontbinding van de eenheid der wetenschap. Al sinds de


jaren zeventig is het principe losgelaten dat wetenschap bestaat uit het onderscheiden van nonsens en iets minder nonsens. Dat deze moeizame strijd de band vormt tussen wiskunde en geschiedkunde, tussen astrofysica en antropologie, is een standpunt dat nog door slechts weinigen aan de Alma Mater wordt omhelst. Tegenwoordig is de wetenschap versplinterd tot autonome ‘speech communities’ die zichzelf beoordelen en zichzelf fêteren op door niemand gelezen publicaties voor eigen kring. De derde, en meest amusante, ontwikkeling is de opmars van de façadecultuur die de onbegrijpelijke werkelijkheid aan het oog moet onttrekken. Men kan echter niet straffeloos tienduizenden communicatiedeskundigen en vrijetijdswetenschappers opleiden, zoals Nederland de afgelopen decennia deed. Het betreft hier bezigheden die achter de schijn van wetenschap op geen enkele wijze gefundeerd zijn in een kennisdoel of in een methodologie om nonsens van minder nonsens te onderscheiden. Kort gezegd berust de gehele expansie van het hoger onderwijs in Nederland vooral op de woekering van onzinstudies. Aldus blijkt het ziektebeeld van een individu het symptoom van een collectieve kwaal. In een samenleving waar universiteiten ‘Centers of Excellence’ heten, is wetenschapsfraude een vanzelfsprekend bijproduct. Hier is de strijd tussen nonsens en juistheid, tussen prietpraat en geleerdheid, tussen argumenten en reclametaal allang beslecht. Nu mag u raden wie deze strijd gewonnen heeft. – bb


Wereldverbeteraars door Eva Maria Staal Voor de goede orde: ik zit in de handel. De handel in wapens. Ik ben wapenhandelaar, zo kun je het ook zeggen. Samen met zes collega’s regel ik de import en export alsmede de transitohandel van onze koopwaar. Ons kantoor is net als elk ander kantoor, behalve dat ik werk voor een baas die groot en klein defensiematerieel verkoopt aan wie zichzelf wil verdedigen tegen het kwaad. Af en toe komt bij ons op kantoor, bij de koffieautomaat, de vraag op: wat is ‘Het Kwaad’? Met die vraag onderscheidt ons kantoor zich van het kantoor waar u werkt. Daarom geef ik ook niet veel om uw oordeel over wapenhandel. Het is gemakkelijk praten als je alleen maar subsidies heen en weer hoeft te schuiven en om vijf uur in de file naar huis sukkelt, het is eenvoudig oordelen als je de hele dag kunt doen alsof jouw nota over gemeentelijke herindeling of zorgtoeslagen of de digi-bieb de wereld beter maakt. Bij u leidt niet elke e-mail en elke fax tot de vraag bij de koffieautomaat: wat is ‘Het Kwaad’? Bij ons wel. Neem de e-mail die in november 2011 binnenkwam bij ons kantoor in Amsterdam. Een e-mail uit Syrië. Ooit, tijdens mijn sollicitatie, waagde ik het mijn baas te vragen waarom hij wapenhandelaar was geworden. Hij keek mij peinzend aan. ‘Mijn opa was wapensmid,’ antwoordde hij. ‘Hij smeedde kromzwaarden en messen voor huisvaders die hun gezin wilden beschermen tegen dieven en moordenaars.’ Ik vroeg hoe opa het verschil zag tussen een huisvader en een moordenaar. Mijn baas antwoordde dat zijn opa slechts zwaarden smeedde. Dat het zwaard zelf onpartijdig is. En dat het in de hand van een goede huisvader voldoende dreiging uit straalt om geweld te voorkomen en een


gezin te beschermen. Hij is van Chinese afkomst en gelooft misschien wel meer in zwaarden dan in de lasergestuurde bunkerbusters, Gradraketten, en Iron Dome-antiraketsystemen die we nu in de aanbieding hebben. ‘Mijn opa verkocht veiligheid,’ zei hij, ‘net als dit bedrijf. Wij verkopen veiligheid, vrijheid en vrede.’ Hij zei het alsof hij hoopte er nog eens de Nobelprijs mee te winnen. Daarna is het onderwerp nooit meer ter sprake gekomen. Dat voelde heel natuurlijk. Ik ben geboren in een stad die in 1940 werd gebombardeerd door de Duitsers. Ik ben grootgebracht door ouders die in luttele seconden hun volledige bezit in vlammen zagen opgaan. Het was mijn vreedzame vader die zich, na die dag, noodgedwongen, leerde verdedigen met alle wapens die hij te pakken kreeg en zo zijn gezin de oorlog door hielp. Ik denk dat ik geknipt ben voor het verkopen van wapens. Ik bedoel: het voelt niet alsof ik een vegetarische slagersknecht ben die, volledig tegen zijn principes in, een kalf moet uitbenen. Toch zet zo’n e-mail je altijd weer aan het denken. lees meer in het nieuwe nummer


De kermis van de geest Over nut en nadeel van de geesteswetenschappen door Jo Tollebeek ‘De klassieke vorming in Nederland staat op het punt grondig verknoeid te worden.’ Het klinkt als een actuele noodkreet, maar het is de openingszin van een in 1921 door het Genootschap van Leeraren aan Nederlandsche Gymnasiën uitgegeven brochure. De auteur ervan was Hendrik Wagenvoort, op dat moment nog conrector aan het Christelijk Gymnasium te Den Haag, maar weldra hoogleraar Latijnse taal- en letterkunde, eerst in Groningen, daarna in Utrecht, en een van de belangrijkste latinisten die Nederland in de moderne tijd heeft gekend. Wagenvoort schreef zijn brochure naar aanleiding van aangekondigde veranderingen in het onderwijs, veranderingen die hij zo desastreus achtte dat ze in zijn ogen niet alleen de klassieke vorming in Nederland dreigden ten onder te doen gaan. Ook ‘de positie van ons land als cultuurstaat’, zo meende hij, was in acuut gevaar. De waarschuwing van Wagenvoort maakt twee dingen duidelijk. In de eerste plaats toont zij dat de zorg om de toekomst van de geesteswetenschappen en alles wat daarmee samenhangt, niet nieuw is. Sterker nog, deze bekommernis is een steeds terugkerend thema in de geschiedenis van de geesteswetenschappen zelf. In de tweede plaats maakt de hartenkreet van Wagenvoort duidelijk dat de humaniora tegenwoordig oog in oog staan met andere bedreigingen dan een eeuw geleden. De ‘crisis van de geesteswetenschappen’ die vandaag de gemoederen beroert, handelt niet over het verdwijnen van de ‘klassieke vorming’ (die is al goeddeels verdwenen), maar behelst veel meer een fundamentele mismatch tussen deze wetenschappen en de economische geest des tijds. De geschiedschrijving en de archeologie, de kunstgeschiedenis en de


musicologie, de literatuurwetenschap en de taalkunde, de wijsbegeerte en de theologie: zij hebben, veel meer dan de sociale wetenschappen, de wind tegen nu de financierende overheid – en aan haar slippen het al te eigentijdse bestuur der universiteiten – slechts de taal spreekt van ‘maatschappelijk nut’ en ‘meetbaar resultaat’. Niet toevallig wordt thans een aanzienlijk deel van het geld voor wetenschappelijk onderzoek verdeeld door de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Deze bewindspersoon stipuleert dat onderwijs en wetenschap bovenal moeten dienen als ‘broedplaatsen’ voor het bedrijfsleven. Daartoe stelt hij een Human Capital Agenda op, investeert nog slechts in ‘topsectoren’ en predikt efficiëntie, ondernemingszin en profilering, precies zoals de huidige elite van nieuwe rijken en moderne managers dat eist. Deze taal klinkt de historici, de archeologen, de Latinisten en hun geesteswetenschappelijke collega’s vreemd en opgeblazen in de oren. Maar zij weten: de academische wereld waarin zij werken, is intussen zelf ‘vermarkt’. Voor orchideeënwetenschappen is daarin steeds minder plaats. ‘Valorisatie’ is het nieuwe mantra, competitiviteit de norm van de dag. Wat ‘valorisatie’ betekent, is overigens niet helemaal duidelijk, hoewel het begrip de spil van het moderne wetenschapsbeleid is. Filologen zullen wijzen op de oorspronkelijke betekenis van het woord, die neerkomt op het opnieuw bepalen van de waarde van een schuldvordering, maar in moderne woordenboeken staat dat het gaat om ‘het proces dat kennis omzet naar commercieel haalbare producten, processen of diensten (geld)’. lees meer in het nieuwe nummer


Amefa’s aquaduct door Frans Pointl ‘Goedemorgen dames,’ begroette Teniers de dames Anja en Amefa. Hij was laat, beide dames hadden al ontbeten. De zon scheen, eindelijk was het dan lente geworden. De ramen van ‘de huiskamer’ – die in niets daarop leek – stonden van boven een stukje open. Anja was vijfentachtig, ze was in de Jordaan geboren en getogen. Haar taalgebruik deed Teniers vaak lachen. Amefa (voorheen Jopie) was eenentachtig, een koket en frêle dametje met een grijs ponykapsel dat haar een jeugdige uitstraling verleende. Dertig jaar lang was ze cheffin van de sieradenafdeling van De Bijenkorf geweest. Teniers was tachtig. Hij was correspondent Frans, Duits en Engels geweest bij een internationaal handelsbedrijf. Hij had dik, wit haar dat altijd in een onberispelijke scheiding was gekamd, felblauwe ogen, borstelige wenkbrauwen en een forse maar rechte neus. Met zijn altijd keurige kostuums en zijden stropdassen, alsook zijn immer glanzende Van Bommelschoenen, zag hij eruit als een bejaarde di­plomaat. Ondanks de beroerte die hem had getroffen, was hij zijn uiterlijk minutieus blijven verzorgen. Alle drie woonden ze al enige tijd in het grote verpleeghuis waar ze zich, tot hun ergernis, met een kleine kamer moesten behelpen. Alle drie bewogen ze zich voort in een rolstoel. Amefo kon met moeite nog enkele minuten achter een rollator lopen, mits ze haar orthopedische schoenen droeg en door een fysiotherapeut werd begeleid. Ze haatte die lompe schoenen die er met hun stompe neuzen uitzagen alsof haar tenen onder lijn tien waren blijven liggen. Anja was door ouderdom te verzwakt om nog te kunnen lopen. Hoewel de drie regelmatig met elkaar praatten, waren ze ook erg op zichzelf. Apathisch, zoals velen op hun afdeling, waren ze zeker niet.


Amefa en Teniers lazen nog graag een goed boek terwijl Anja zich met overgave kon verdiepen in Privé en Story. ‘Ik mot wel van alles op de hoogte blijven toch?’ zei ze dan. Dat nutteloze ‘toch’ ergerde Teniers maar hij achtte haar te oud om het af te leren. Amefa was gecharmeerd van Terniers. Ze wist dat hij Karel heette maar bleef hem hardnekkig aanspreken met Teniers. ‘Ik vind Jopie niet zo’n geslaagde naam,’ had Teniers tegen haar gezegd toen ze pas in het verpleeghuis was. Verwonderd had ze hem aangekeken. Hij had een slokje thee genomen en gezegd: ‘Zou je het erg vinden als ik je zou omdopen?’ Vanaf de dag dat ze hem had gezien in het tehuis, was ze weer aandacht aan haar uiterlijk gaan besteden. Ze liet het grijze haar een lichtblonde spoeling geven, bracht oogschaduw aan en gebruikte een bescheiden kleur lippenstift. Zijn vraag had haar geamuseerd, en misschien wel meer. Ze had Jopie eigenlijk nooit een fijne naam gevonden. ‘Welke naam zou je me dan willen geven?’ had ze gezegd terwijl ze met beide handen voelde of heur haar wel netjes zat. ‘Tja, welke naam…,’ had Teniers geantwoord. Hij wist het niet zo snel, draaide zijn vork om en om en daar op de achterkant stond het: amefa, roestvrij staal. ‘Wat zou je zeggen van Amefa?’ had hij gezegd. ‘Amefa?’ had Jopie geaarzeld. ‘Wel apart en mooi, uit welk land stamt die naam?’ Teniers had gezegd dat hij dat zo gauw niet wist, maar dat zo mooi klonk. ‘Als het beessie maar een naam heeft toch?’ had Anja zich in het gesprek gemengd. Er was een lichte ondertoon van jaloezie in haar stem gekropen; waarom had hij haar geen aparte naam gegeven? lees meer in het nieuwe nummer


De zesde wand door A.H.J. Dautzenberg voor L.H. Wiener De vrouw komt op. Statig. Zelfverzekerd. Naakt. Haren strak naar achter gebonden. Handen op de heupen. Ze heeft er het karakter voor. Vanaf haar eerste stap houdt de lichtman haar gevangen in een stijve bundel manloos licht. Ravenzwart. Geen moment laat hij haar ontsnappen. Elke rimpel, elke gram onverzettelijkheid is zichtbaar. Ze zegt niets, maar alles aan haar heupen, aan haar ellebogen, aan haar schouders verraadt verzet. Elke stap spelt problemen. Alsof een hongerige slang naderbij sluipt over het woestijnzand. Midden op het podium blijft de vrouw staan. Je kunt de vlekken op haar hart nu goed zien. Het zwarte licht maakt de contouren van haar ziel zichtbaar. Arabesken van uitgelopen leven. Langzaam sluipt ze dan naar voren. De lichtman volgt haar bewegingen, bouwt tralies van zwart om haar heen. Ze laat het gebeuren. Als een slavin wier verzet nog niet is gebroken. Nog lang niet. Vooraan op het toneel bevriest ze. De plek waar veel moois begint. Soms dramatisch, soms hilarisch, maar altijd mooi. Haar tenen kromt ze over de podiumrand. Ze heeft grip op de situatie, haar kin steekt uitdagend naar voren. Uit haar mondhoeken ontsnappen schaduwen – neven en nichten zonder bewustzijn. Ook haar handen maken indruk. Geplooide daadkracht. De nagels klaar om te graven. Een gloed druppelt uit haar ogen, glinstert in het zwarte licht, baant zich een weg naar de werkelijkheid. Met nonchalance maakt de vrouw het lint op haar achterhoofd los. De haren vallen als gordijnen over haar borsten. Ze opent de mond. Haar tong kronkelt tussen de haren naar buiten en begint te dansen.


Langzaam, langzamer, iets minder langzaam, sneller nu, nog sneller, gretig... Dan begint ze te likken. Aan een onzichtbaar raam. De tong gaat van beneden naar boven. Van links naar rechts. Alsof ze de kou van het glas wil proeven, wil opeten. Enkele haren blijven aan de spuug plakken. De vrouw gaat onverstoorbaar door. De woeste bewegingen maken een web van haren. In het midden een natte spin, onrustig bewegend in de chaos. Langzaam zakt de vrouw door de knieĂŤn. Ze blijft likken. Een slakkenspoor van haren volgt het verticale pad naar beneden. Haar borsten worden weer zichtbaar. Daarna haar gezicht. Eenmaal in hurkzit staart de vrouw omhoog. De haren lijken in brand te staan. Het zwarte licht doet zijn werk. Ze opent haar mond, wil iets zeggen. Opeens valt ze naar achteren. De haren laten los en vallen over haar bovenlichaam. De brand is verdwenen. De opgetrokken benen in spreidstand. Mooi symmetrisch. De gloed druipt nu ook uit haar vlezige vulva. lees meer in het nieuwe nummer


Een kerstvertelling (in proza) door Daan Schrijvers Waarin de laatste held van het vrije woord op zijn zzp-verklaring abusievelijk ‘Professione Reporter’ blijkt te hebben ingevuld, hetgeen leidt tot een negatief saldo Kerst naakte, en de zaken stonden er weinig florissant voor. Net als de Oude Wereld was mijn inspiratie dood, om mee te beginnen. Mijn inspiratie was zo dood als een deurnagel. Hoewel ik geenszins uit eigen ervaring wist hoe dood een deurnagel is, moest ik bekennen dat deze wijsheid geheel van toepassing was op de manier waarop mijn leven op de zandbanken van de moderne tijd was gelopen. Zesenveertig jaar journalistieke pensioenopbouw, en dan dit! Door het gloednieuwe glazen redactielokaal had zachtjes de digitale versie van Nu zijt wellekome… euhh… pom-pom-pom geklonken, maar van een hartverwarmende kerstgedachte was geen sprake. Immers, op deze heuglijkste van alle heuglijke dagen des jaars, op de dag namelijk dat de Raad van Mediamagnaten de kerstpakketten zou gaan uitdelen aan de trouwe voorvechters van het vrije woord bij Boek in Beeld was er niemand te zien. In het kader van een synergetische journalis­tieke kwaliteitsslag hadden de mediamagnaten immers de kerstborrel voor het schrijvend personeel afgeschaft. Begrijpelijk genoeg, want de verhuizing naar deze transparante locatie waar het publiek dankzij de glazen design-architectuur kon kijken hoe het management belangwekkende dingen in het moderne medialandschap lanceerde, was een budgettaire aderlating van formaat geweest, journalistiek gesproken dan. Hola, wat was dat nu? Terwijl ik mijzelve sleepte naar de nieuwe koffie­ automaat, waarop de trouwe knop 31 voor lauwe bonenkoffie was ver-


vangen door een touch-screen met een YouTube-filmpje van een Latte Macchiato, stuitte ik plots op een morsige kribbe, met daaromheen drie duistere figuren. ‘Je bent laat, Daan!’ snauwde het eerste lid van de Raad van Mediamagnaten, in wie ik mijn eeuwige hoofdredacteur Walter Decheiver herkende. Naast hem stonden twee andere magnaten en zij keken niet erg feestelijk de kribbe in. ‘Lacht-ie al?’ vroeg ik, terwijl zachte gevoelens in mij opwelden. ‘Hij is dood, Daan. Net als de euro, de Oude Wereld, het gedrukte woord en jouw inspiratie,’ riep Walter, terwijl hij zijn mirre, wierook ende klatergoud op de grond smeet. ‘Dood?! Hoe bedoel je? Kerstmis moet nog beginnen,’ stamelde ik onthutst. ‘Kerstmis, kerstmis…waar heb je het over?’ snauwde het tweede lid van de Raad van Magnaten, in wie ik de Grote Eigenaar herkende. ‘Hier ligt ons luxe glansblad voor de weldenkende mens van de 21ste eeuw. Zo-even straalde hij nog, maar nu blijkt hij het doodgeboren kindje! Dat komt door al die tekst, Daan. Mensen van deze tijd hebben daar genoeg van. Wij mediamagnaten zijn mannen van weinig woorden, en dan kom jij weer met vijf pagina’s kostelijke kopij aan. Zo kan dat niet langer!’ ‘Euhhh…’ mompelde ik, terwijl ik mijn een beduimelde regenjas – dat attribuut bij uitstek van elke ware journalist pur sang! – plots zwaar op mijn schouders voelde drukken. ‘Dat is dan geregeld,’ riep de voltallige Raad van Mediamagnaten unisono, ‘Alles wat je hoeft te doen, is je stuk tot één kolom in te korten en dan kunnen we de rest vullen met advertenties voor zwavelstokjes. Die zijn erg gewild in dit seizoen. Vooral bij je voormalige collega’s daarbuiten in de sneeuw. Deze opportunity moeten we pakken, Daan!’ Verbeeldde ik mij dat nu, of maakten zij zich snel uit de voeten, terwijl ik met het culturele karkas in mijn armen achterbleef in het koude glazen redactielokaal. ‘Ja,’ fluisterde ik het tekstloze kadaver toe, ‘voor


de aarde zelf is de zaak simpel genoeg. Die draait maar om z’n as en heeft er geen weet van. Maar de gedrukte bladen erop tobben met zorg en verdriet door de rijstebrijberg van de werkelijkheid en alle misverstanden dien­aangaande, en dat geldt helemaal voor jou, kleine Boek in Beeld.’ Donnerwetter, wat was dat nu? Buiten klonk helemaal niet het zachte zingen van de engelen, maar het ronken van een gereedstaande limousine. Voor hij instapte, riep mijn hoofdredacteur Walter mij toe: ‘We zijn stolz op je, Daan, dat jij het voortouw neemt bij de Endlösung van het geschreven woord. Zelf kies ik nu voor een uitdagende job als consultant ­digitale subsidiëring. Apps, Daan, daar geloven de mensen in! Enne, reken jij even af?’ Achteloos wees hij op de kale mannen in Hugo Boss-pakken met het woord ‘app’ op hun zwarte kragen die de rekening kwamen vereffenen. Alle Jezus, mompelde ik zacht. Ze hebben je mooi te pakken Daan! Letterkundige apps leiden slechts tot cultureel eb, dat wist je al voordat je verplicht moest schrijven op je iPhone. IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid, journalistiek gesproken dan. lees meer in het nieuwe nummer


Auteurs in dit nummer tina van baren (1958) – Volgde een toneelopleiding in Londen, was te zien in thea­ter­­­producties, woont en werkt te Rotterdam, en studeert aan de Schrijversvakschool Am­ster­dam. Publiceerde de verhalen­bun­del Gemorste melk (2006), de theatermonoloog Opgesloten (2010) en poëzie in Hollands Maandblad. fredie beckmans (1956) – Schilder, voordrachtskunstenaar, voorzitter van de Worstclub, ex-wereld­kampioen kookperformance. Winnaar Hollands Maandblad Schrijversbeurs 2006-2007 (Essayistiek). hugo brandt corstius (1935) – Woont in Parijs. a.h.j. dautzenberg (1967) – Debuteerde in 2010 met de verhalenbundel Vogels met zwarte po­ten kun je niet vreten. In 2011 volgde onder meer de roman Samari­taan en in 2012 de roman Extra tijd. marijke hanegraaf (1946) – Stadsdichter van Nijmegen. Debuteerde in 2001 met de bundel Veerstraat (genomineerd voor de C. Buddinghprijs). In 2006 verscheen Proefsteen en in 2010 Restruimte. jeroen hermkens (1960) – Lithograaf, schilder, beeldhouwer. Ontving in 1996 de Nederlandse Gra­fiek­prijs. Werd in 2006 gekozen tot ‘Kunstenaar van het jaar’. Exposeerde o.m. in Wenen, New York, New Orleans, Utrecht, Beauvais, Laren, Rotterdam, Brugge en Amstelveen. Zie www. hermkens.com.


antoine de kom (1956) – Werkzaam als forensisch psychiater. Publiceerde o.m. de poëziebundels Tropen (1991), Chocoladetranen (2004) en De lieve geur van zijn of haar (2008). In 2012 verscheen Het misdadige brein, een bundeling miniaturen over verdachten die in Hollands Maandblad verschenen. gerry van der linden (1952) – Dichter, schrijfster en docente poëzie aan de Schrij­versvakschool Amsterdam. In 2012 verscheen haar nieuwste bundel Wat een geluk. Zie www.gerryvanderlinden.nl. frans pointl (1933) – Schrijver. Debuteerde in 1959 met de dichtbundel Afscheid van laatste lente. Op 56-jarige leeftijd publiceerde hij de verhalenbundel De kip die over de soep vloog, die onder meer werd genomineerd voor de ako Literatuurprijs. Zijn recentste boek is Jarig ben je d’r mee (2009). esther porcelijn (1985) – Toneelspeler, theatermaker en stadsdichter van Tilburg; studeert filosofie aan de Universiteit van Tilburg en publiceerde eerder in Brabant Literair en het tijdschrift Strak. daan schrijvers (1946) – Journalist in ruste; werkte o.m. bij Boek in Beeld en NRC Handelsblad. eva maria staal (1960) – Werkzaam als salesmanager bij een bedrijf in defensiematerieel te Am­ster­dam. Haar debuutroman Probeer het mortuarium (2007) werd onderscheiden met de Scha­duwprijs en de Lucy B. & C.W. van der Hoogt‑prijs. Onlangs verscheen Try the Morgue bij W.W. Norton.


jo tollebeek (1960) – Hoogleraar Cultuurgeschiedenis aan de KU Leuven. Auteur van onder meer Mannen van karakter. De wording van de moderne geesteswetenschappen (2011) en Gedachtenissen. Commemoratieve praktijken in de geesteswetenschappen omstreeks 1900 (2012). leo vroman (1915) – Schrijver, dichter, tekenaar, hematoloog. Ontving de P.C. Hooftprijs (1964) en de VSB Poëzieprijs (1996). Recent verschenen Nee, nog niet dood (2008), Zodra (2010) en Daar (2011).


HOLLANDS

Ma and b lad Redactie: Bastiaan Bommeljé Redactieraad: Gerard van Emmerik, Beatrijs Ritsema, Wim Brands en Janneke Louman Vormgeving: Steven Boland Copyright: Auteursrecht voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schrifte­lijke toestemming van de uitgever. Deze uitgave werd mede mogelijk gemaakt door subsidie van het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds, thans Nederlands Letterenfonds. Redactiesecretariaat: Hollands Maandblad • Jan Luijkenstraat 16 • 1071 cn Amsterdam • Tel. 020-5706100 • redactie@hollandsmaandblad.nl (niet voor kopij) Bij ongevraagde bijdragen postzegels voor antwoord bijsluiten Uitgevers: Nieuw Amsterdam Uitgevers in samenwerking met Stichting Hollands Maandblad, Jan Luijkenstraat 16 • 1071 cn Amsterdam Abonnementen: 12 nummers per kalenderjaar, prijs per jaargang s 70,00 • voor studenten en docenten s 52,50 Abonnementen die niet één maand voor afloop van de abonnementsperiode zijn opgezegd, worden automatisch verlengd Opgave: S.P. Abonneeservice • Antwoordnummer 10542 • 2400 wb Alphen aan den Rijn. Telefoon tijdens werkdagen van 8.30-18.00 uur: 0172-476085. Een acceptgiro voor betaling volgt Losse nummers: s 6,95 • dubbelnummers s 8,95 • Verkrijgbaar bij de boekhandel of door bestelling bij Nieuw Amsterdam Uitgevers


Hm201212