Issuu on Google+

Informatie over de opslag in bovengrondse tanks In Nederland zijn veel bovengrondse tanks voor brandgevaarlijke en milieubedreigende stoffen geïnstalleerd. De eigenaar van de opslaginstallatie is verantwoordelijk voor de juiste kwaliteit en het goed functioneren van zo’n installatie volgens de geldende besluiten en installatievoorschriften. In de Wet milieubeheer worden voorschriften gesteld aan deze opslag. Enerzijds worden er voorschriften opgenomen in de milieuvergunningen en anderzijds staan in de vele uitvoeringsbesluiten ook de nodige voorschriften voor deze opslag. Hierbij wordt veelal verwezen naar de richtlijn PGS 30 met als titel ‘Vloeibare aardolieproducten: buitenopslag in kleine installaties’. In deze richtlijn zijn voorschriften opgenomen die ervoor zorgen dat de kans op milieuverontreiniging zeer gering is. Daarnaast bevat de PGS 30 aanvullende richtlijnen voor: • opslag in dubbelwandige tanks; • opslag in milieubeschermingsgebieden voor grondwater; • inpandige opslag; • tijdelijke niet-stationaire opslag en aflevering. In nieuwe milieuvergunningen en uitvoeringsbesluiten wordt verwezen naar de relevante publicaties uit de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen. Meer informatie over de PGS 30 is te vinden op de website van VROM of Infomil (www.vrom.nl of www.infomil.nl). Installeren van een nieuwe bovengrondse tank De tank dient door een erkend installatiebedrijf te worden geïnstalleerd. Bij het in gebruik nemen van deze tank krijgt u van het installatiebedrijf een installatiecertificaat en een tankcertificaat. Op basis van deze certificaten kan de gemeente beoordelen of de tank goed is geïnstalleerd en of de tank voldoet aan de geldende kwaliteitseisen. Wie mag werkzaamheden aan tanks uitvoeren? De inspectie en het onderhoud van een tank moeten worden verricht door KIWAgecertificeerde bedrijven. Periodieke controles Bovengrondse tanks dienen regelmatig te worden geïnspecteerd op goede staat van onderhoud. Deze inspecties hebben betrekking op het voorkomen van corrosie (roesten) van de tank. Corrosie kan van binnenuit optreden, dit gebeurt meestal doordat er (condens)water in de tank is gekomen. Na verloop van tijd wordt dit water in de tank zuur waardoor het de metalen binnenwand aantast. Daarom moet jaarlijks een inspectie plaatsvinden op de aanwezigheid van water in de tank. Eventueel aanwezig water moet direct worden verwijderd om aantasting van binnenuit te voorkomen. De tankleverancier kan deze keuring voor u verrichten. Op de bovenstaande regels geldt één uitzondering. Als een gecertificeerde tank vijftien jaar oud is, dient deze opnieuw door of namens het KIWA gekeurd te worden. De keurende instantie zal bij goedkeuring een bewijs daarvan afgeven.


Welke voorschriften gelden er voor een bovengrondse tank? Afhankelijk van het feit of de tank buiten of binnen is opgesteld, zijn er speciale voorschriften. Gezien het feit dat de meeste tanks buiten worden opgesteld, wordt niet nader ingegaan op aanvullende voorschriften voor de inpandige opslag. Hieronder staan de belangrijkste eisen weergegeven die aan de locatie van een enkelwandige tank gesteld worden. Opgemerkt wordt dat hier veelal aan voldaan zal worden als er een installatiecertificaat is afgegeven door een KIWA-erkend bedrijf.  De tank moet zijn geplaatst op een stevige fundering of plaat, zodat deze niet kan verzakken en deze op afschot geplaatst kan worden.  Bij de opstelplaats van een tankend voertuig moet binnen een afstand van 10 meter ten minste één draagbaar goedgekeurd brandblusapparaat aanwezig zijn.  Bij tanks die via een vulleiding worden gevuld, moet bij ieder vulpunt duidelijk zijn aangegeven wat de netto inhoud van de tank is, voor welk product de tank bestemd is en dat een overvulbeveiliging is aangebracht.  Indien gevaar voor mechanische beschadiging van leidingen of bijbehorende onderdelen bestaat (b.v. door aanrijding of vallende voorwerpen), moet de bovengrondse installatie hiertegen zijn beschermd.  Als er leidingen ondergronds worden aangelegd, moeten deze in de regel voorzien worden van een kathodische bescherming.  Bij kleinschalige aflevering van brandstoffen moet ter plaatse van het afleverpunt de opstelplaats van de voertuigen (over een oppervlakte van ten minste 3 x 5 meter) voorzien zijn van een aaneengesloten verharding. Hiermee kan gedurende beperkte tijd het doordringen van gemorst product in de bodem worden verhinderd. Gemorst product moet met behulp van absorptiemateriaal zo spoedig mogelijk worden verwijderd, tenzij de verharding vloeistofdicht is uitgevoerd en een voorziening is getroffen waarbij het hemelwater via een oliebenzine-afscheider wordt afgevoerd. In de nabijheid van het afleverpunt moet een daarop afgestemde hoeveelheid absorptiemateriaal in voorraad worden gehouden. De oliebenzine-afscheider moet volgens BRL 5251, BRL 5253, BRL 5255, BRL 5258 zijn geconstrueerd.  Er is sprake van kleinschalige aflevering aan voertuigen wanneer wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: aflevering vindt uitsluitend plaats aan voertuigen die niet bestemd zijn voor wegvervoer en die bestemd zijn voor eigen bedrijfsmatig gebruik, waarbij een jaaromzet van ten hoogste 25.000 liter wordt bereikt.

Geraadpleegde bronnen: www.infomil.nl www.vrom.nl


test opslag bovengrondse tanks