Page 1

HANDSCHRIFT VAN DE ROODE ROOS 18E-19E EEUW in donkerbruin kalfsleer gebonden boekband; handgeschreven 448 blz. hoogte 32 cm x breedte 20,5 cm x dikte 6 cm

14

Inv.nr. 1992.0094.00 schenking vzw het stadsmuseum Hasselt


2

2


3 1. Beschrijving Sinds 1992 bevindt zich in de collectie van Het Stadsmus een merkwaardig handschrift. Het is een in donkerbruin kalfsleer gebonden boekband met sluitriempjes, 32 cm hoog, 20,2 cm breed en 6 cm dik. Het telt 448 bladzijden. De bladzijden 1 tot en met 83 en 102 tot en met 282 zijn beschreven, evenals 436, 437 en 438. In de nummering ontbreken de bladzijden 19 tot en met 22. De bladzijden 393 tot en met 396 zijn uitgescheurd. De overige zijn blanco. Het boek bestaat uit twee soorten papier: de bladzijden 1 tot 186 hebben als watermerk het wapenschild van de stad Amsterdam in combinatie met de letters RL, de andere bladzijden hebben als watermerk Pro Patria met de letters NV. Het boek bevat in talrijke verschillende handschriften de “ordinantien” van 1634 en 1687, bijkomende reglementen vanaf 23 mei 1728 en verslagen, inventarissen, enkele rekeningen en gelegenheidsgedichten tot 18 maart 1832. Alles heeft betrekking op de rederijkerskamer De Roode Roos.

2. Een verdwenen register keert terug In de zomer van 1992 kon de vzw Vrienden van het Stadsmuseum, via zijn toenmalige voorzitter Robert Rombouts, op een veiling in Brussel een lot van drie oude Hasseltse handschriften aankopen voor een bedrag van 18.000 frank, omgerekend ongeveer 450 euro. Twee van die handschriften gaan over de Ceciliakamer. Eén over de periode 1670-1767 en het andere over de periode 18221829. Het derde boek, dat we hier bespreken, gaat over De Roode Roos. In 1911 schreven De Baere en Gessler in hun door het Leesgezelschap bekroonde studie over de geschiedenis van de Roode Roos dat er naast de bronnen die zij konden inkijken nog een register was, dat Van Neuss gebruikte voor zijn artikel over de Hasseltse rederijkerskamer in het Bulletin des Mélophiles in 1866. Van Neuss had het over “…un régistre commençé en 1726, que la société royale de Musique et de Rhétorique possède encore et qu’elle a eu l’obligeance de mettre à notre disposition. Il contient des renseignements très précieux, entre autres une copie du nouveau règlement adopté en 1634. Si ce règlement ne répare pas entièrement la perte de l’ancienne Charte, il nous donne au moins plus d’un détail intéressant.” De Baere en Gessler moesten jammer genoeg vaststellen dat dit register zoek geraakt was en dat al hun pogingen om het te ontdekken vruchteloos bleven. Uit de beschrijving van Van Neuss blijkt duidelijk dat het om het hier besproken register gaat. Ergens tussen 1866 en 1911 moet het dus “verdwenen” zijn om pas in 1992 weer boven water te komen. Uitgaande van deze data en een naamstempel van iemand van de familie Bamps op het voorste dekblad (bij de restauratie vervangen) en op bladzijde 1 doen we een poging om deze “verdwijning” op te helderen. De man die op het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw bijzonder veel over Hasselt publiceerde was dr. Constant Bamps (1847-1907). Deze medicus moet over veel vrije tijd beschikt hebben, want alleen al over de geschiedenis van Hasselt schreef hij een 200-tal korte, meestal Franstalige, artikels, naast bijdragen over geologie, fauna en flora en zijn driedelige stadsgeschiedenis “Hasselt Jadis”, gepubliceerd in het Bulletin des Mélophiles. Hij was ook een aantal jaren schepen van de stad. Heeft Constant Bamps, eventueel via zijn invloedrijke familie, het register gekregen of geleend om het te onderzoeken en er een artikel over te schrijven? Dat gebeurde mogelijk ook met enkele registers van de Ceciliakamer, die na de fusie van deze vereniging – via de Société de Musique met de Roode Roos in de jaren1833-1850 ook tot het patrimonium van de rederijkers behoorden.

3


4

Is hij “vergeten� ze terug te bezorgen en zijn ze zo in zijn collectie geraakt?

Ook volgende arvoor deze stelling:

gumenten pleiten m.i.

4

in het boek zijn op enkele plaatsen in de marge met potlood Franstalige aantekeningen gemaakt bij vermeldingen over de broodpenningen en stempels in de inventarissen. Constant Bamps heeft hierover gepubliceerd; - van Constant Bamps was bekend dat hij een bijna maniakale verzamelaar was van o.m. alles wat met Hasselt en zijn geschiedenis te maken had. Hij was bijvoorbeeld de eigenaar van de Merovingische juwelen opgegraven in Hasselt in 1896; - vermits de rederijkers het nog lang niet volgeschreven register niet meer gebruikten sinds 1832 kan het zijn dat ze er niet veel belang meer aan hechtten; - op de veiling zijn nog minstens drie andere stukken van de Roode Roos verkocht; - de achterneef van Constant Bamps, de rechter-schilder Paul Bamps (1862-1932), was van 1894 tot 1901 prins-voorzitter van de Roode Roos en meerdere leden van de familie waren in de 19de eeuw actief bij de RhĂŠtorique; - ook in het register van de Ceciliakamer (zie foto hieronder) is op de titelbladzijde de naam Bamps geschreven.

1992.0095.00 Register Sint-Ceciliakamer, collectie Het Stadsmus

-


5 Constant Bamps is na de dood van zijn vrouw in 1904 naar Brussel verhuisd en er kinderloos overleden in 1907. De veiling van zijn verzameling door notaris Pierret in Elsene duurde vijf dagen. Jo Rombouts wees mij op een exemplaar van de catalogus van deze verkoop in de collectie van de PBL. Helaas vermeldt die catalogus onder de 363 loten boeken en manuscripten het register niet uitdrukkelijk. Als het al tot de collectie Bamps behoorde zat het misschien onder lotnummer 312, omschreven als “dix volumes de manuscrits du XVIIme et du XVIIIme siècle”. (Volgens de aantekeningen in de catalogus in de PBL zou dit lot voor 12 frank verkocht zijn.) Wél nominatim vermeld is het “novum registrum confraternitatis Sanctae Ceciliae in oppido Hasselensi” (lot 319) uit 1670, mogelijk verkocht voor 10 frank. Dit register behoorde ook tot het lot dat ons museum in 1992 aankocht, wat een aanduiding zou kunnen zijn voor het feit dat ze via de collectie Bamps in 1907 terecht kwamen bij dezelfde koper en ze van dan af onvindbaar waren voor geïnteresseerde onderzoekers. Hoe het ook zij, 85 jaar later waren de registers weer terug in Hasselt.

3. De restauratie We hebben weinig of geen zicht op de omstandigheden waarin het boek gedurende bijna 300 jaar bewaard en gebruikt is. Feit is wel dat het bij de verwerving door Het Stadsmus in zeer slechte staat verkeerde. Een restauratie drong zich dus op. Hiervoor werd een beroep gedaan op de gespecialiseerde restaurateurs Myriam van Herck (zie foto hiernaast) en Kristien Verdin uit Leuven. Uit hun verslag volgende passages: «Boekband van donkerbruin kalfsleer op kartonnen platkernen, genaaid op zes touwen. Beide platten vertonen een breuk. De rug van de bekleding staat volledig los en is gescheurd. De bindingen werden niet doorgehaald, maar uitgevlast en op de platkernen gelijmd. Het boekblok staat hol. Geen rugbeleg. De leren sluitriemen zijn afgebroken, de bevestigingen zijn bewaard. Het boekblok is erg vuil. Veel schade aan het papier. Vraatsporen aan de goot onderaan. Het boek wordt ontmanteld en het boekblok losgemaakt. We zien dat de platkernen niet gebroken zijn, maar elk samengesteld zijn uit twee stukken karton en overplakt met een strook recuperatiepapier om de naden te verstevigen. De platkernen zijn verder nog overlijmd met stukken oud papier, waarschijnlijk afkomstig van een druk uit het atelier van Plantin-Moretus (maculatuur). Het boekblok wordt droog gereinigd. De scheuren en beschadigingen van het papier worden hersteld met Japans papier. Alle katernruggen worden verstevigd met lenstissue. De touwen bindingen en het naaisel verpulveren bij het manipuleren. Het boekblok wordt opnieuw met een gewone rondslag genaaid op 6 touwen bindingen, in de oude naaigaten. Er worden nieuwe zuurvrije schutbladen meege-

5


6

naaid. De rug wordt ingelijmd en rondgezet. Er wordt perkamenten rugbeleg aangebracht. Er worden twee nieuwe kapitalen genaaid, naar model : ecru garen rond een touwen kern. Nieuwe zuurvrije kartonnen platkernen, met exact dezelfde maat als de oude platkernen. Alle touwen worden doorgehaald om de platten aan te hangen. De rug wordt bekleed met nieuw vegetaal gelooid kalfsleer, en waar nodig worden er stukken nieuw leer op hoeken en kanten aangebracht om de lacunes van de oude bekleding op te vangen. De oude bekleding wordt verder opgekuist. Het nieuwe leer wordt bijgekleurd. De oude platbekleding wordt over de nieuwe platten geschoven en vastgelijmd. De oude rugbekleding wordt geïncrusteerd in het nieuwe leer. Er worden nieuwe sluitriemen bevestigd. De binnenplatten worden opgevuld met een zuurvrij papier. De dekbladen worden gelijmd en er wordt een extra stukje papier over de uiteinden van de sluitriemen geplakt, naar model. Het oude leer wordt behandeld met de ‘cire 213’ van het CNRS (Bibliothèque Nationale de France).»

4. De inhoud In het kader van deze voordracht is het onmogelijk de volledige inhoud van het register te bespreken. We zullen ons moeten beperken tot een enigszins arbitrair overzicht.

6

Het register begint met het mooie handschrift van “alfeer” Guillaume Martens die in 1727 of in 1728 de 38 artikelen van het reglement van 1634 en de 10 aanvullende artikelen van 1687 overschrijft. Op dat ogenblik was de oude “kaerte” blijkbaar nog niet verloren gegaan. Dit intern reglement van de rederijkerskamer leert ons veel over de organisatie en ook over de soms nogal ruwe zeden van dit gezelschap. Enkele voorbeelden zullen dit illustreren. Wie lid wilde worden van de kamer moest zich aangeven bij de prins of de hoofdman. Kandidaat-leden moesten van onbesproken gedrag zijn: “…men sal geen gesellen oft broeders kiesen op onze kamer die befaemt is van diefte, ketterey, overspel, doodtslagh ende diergelycke gebreken, maer sal ter goeder naem en faem staan” (art. 5). In feite vormen de “ordinantien” een lange lijst van mogelijke overtredingen en de daarbij horende boetes. “Soo wie geen silentium en halt als men die scelle geklinckt heeft, sal verbeuren, soo


7 dicmaels als ‘t gebeurt VI st.” (art. 18). Wie “onredelycke eeden sweert by godt of syn lyden, oft desgelycken in ernste” moest een pond was betalen; wie “sulx doet uyt gewoonte oft jockerney” betaalde een half pond was (art. 7). Er stond ook een boete op gooien met brood (art. 12), het meebrengen van “degens oft poignaerden” (art. 11), vechtpartijen, het uiten van bedreigingen of het toebrengen van kwetsuren aan medeleden. Handel drijven, wedden en kaartspelen op de kamer waren verboden evenals het meebrengen van kinderen, knechten, dienstmeiden of vreemdelingen (art.35 en 43). Tijdens de feesten konden de rederijkers zelfs vanwege hun vrouwen beboet worden: “Alle gesellen en broeders van ons geselschap meugen gestraft ende gecorrigeert worden van alle fauten ende misbruyck, die haer huysvrauwen oft die vrouwmenschen sullen doen ende commiteren, die sy medebrengen op onse feesten.” (art. 33) De zwaarste straf, de uitsluiting, stond op het dienstnemen in een leger: “item oft iemandt van de gesellen oft broeders hem in den krijgh begaf, ‘t sy onder syn keyserlycke, oft koninglycke majestyt, oock mede onder die staeten van hollandt, oft elders sal men die terstont vanden geselscap afsnyden ende hunnen naem uytdoen.” (art.28) Uit art. 40 blijkt dan weer dat niet alle acteurs van de rederijkerskamer altijd even enthousiast waren om de repetities van de toneelstukken bij te wonen: “…dat niemant van die acteurs gekomen om te proeven en sal mogen van de kamer afgaan, oft hun ievers versteken voor en aleer ‘t geheel spel ende prologie sal geproeft zijn op die boete soo dicmaals als ‘t gebeurt van 10 oort…” Behalve de “ordinantien” bevat het register ook, zoals eerder gezegd, verslagen van vergaderingen en verkiezingen, lijsten van nieuwe en overleden leden, inventarissen, rekeningen, gelegenheidsgedichten en zelfs vonnissen. De verkiezing van een nieuw bestuur werd ingeschreven volgens een geijkte formule: “Den 25 mey 1766 wesende den dagh van de alderheyligste Dryvuldigheyt is in den refter der Eerw. Paters augustijnen tot prince gecosen joes nic. Speelmans tot hooftman Nic. M Berckx, tot Eersten Mr. Petrus van paesschen tot tweede meester Egidius gilkens ende Henricus wouters en hebben eodem den gewoonlijcken Eedt gepresteert.” (blz. 25) Op de bladzijden 50 tot 61 en op 151 e.v. kunnen we lezen dat, ondanks de afschaffing van de kamer in 1796 door de Fransen, de meeste activiteiten gewoon verdergezet werden, al gebruikte men een korte tijd de republikeinse kalender. De ledenlijsten, de bestuursverkiezingen, en de inventaris werden ingeschreven als vanouds. Een voorbeeld van een vonnis uit 1827: “De raad en leden op heden speciaallijk vergaderd zijnde ter oorzake alhier den 27en februari aan onze meester Paulus Thijs door Bruno Penxten, Arnoud Pricken en Jozef Sprenguel begane aanranding en beleediging. Overwegende dat dergelijke voorvallen nog meer zouden kunnen geschieden en dat de meesters belast met het toezicht van de kamer hun alsdan blootstellen van nogmaals door dezen of anderen aangerand te worden. Hebben goedgevonden en verdragen bij deze dat de twee eerstgenoemden het bal voor altijd zal geweigerd worden en de laatste, als minste plichtig, zal twee jaren van deszelve uitgesloten worden.” (blz. 222) Via de inventarissen vernemen we bijvoorbeeld dat de Roode Roos in 1769 o.m. in het bezit was van 34 tinnen borden, 100 eetborden (“tellioren”), 12 broodschotels en 6 zoutvaten, 5 nieuwe gordijnen, 2 metalen bloempotten en “twee ticktackberden met dammen en 2 steenen.” De zilveren schatten werden bewaard door de prins. Ook de Langeman komt ter sprake. Tussen 1769 en

7


8

1789 is de Hasseltse reus meestal aangeduid als “den langen man met 1 rock, scerpe en een paer mansetten”. In 1787 blijkt uit de inventaris dat de sjerp van de Langeman verloren gegaan is. Al die tijd verbleef hij op de zolder van het rederijkerslokaal in de Aldestraat, tussen de talrijke toneelkostuums en andere attributen. Op bladzijde 102 tot en met 103 vinden we een copie van de akte waarbij de stad in 1612 een huis in de Aldestraat en een bleekhof aan de stadswallen aan de Roode Roos schenkt op voorwaarde dat de rederijkers “…sullen uitgeven hunne speelen ende batementen na ouder gewoonte ende so dickwijls die heeren Borgemeesters ende raedt believen sal.” Merkwaardig zijn ook de bladzijden 117 tot en met 126. In zijn zeer mooie handschrift kopieert ‘factor’ Arnold Duys de uitgebreide briefwisseling die in 1774 en 1775 gevoerd werd tussen de Roode Roos en hun collega’s van de Olijftak uit Sint-Truiden. Dat gebeurde naar aanleiding van een rechtszaak die de Truiense rederijkers hadden gewonnen tegen hun stadsbestuur. In ellenlange gedichten, met chronogrammen, zingen de twee kamers elkaars lof en feliciteren de Hasselaren de rederijkers van de Olijftak met hun overwinning. Een fragment:

8

van daag de Roode Roos in vierige verlangen heeft door Gods Geest verlicht goe tijdinge ontfangen dat g’over Midas nu ten volle zegepraalt en tot sijn meerder schand den lauwer-tack behaalt. (…) hier mé de Roode Roos wenscht u wat sij kan wenschen dat d’honing vloeyende olijf niet mag verslenschen maar door Gods Geest verlicht nu zegen-rijk besproeyt veel groender als te voor met vollen luyster groeyt dit wenschen uytter hert u alle de Rosieren die om uw zegenpraal met u staag vreugden vieren want ieder Roosenblat met u in conste woelt en blijft met veel ontzag, zig schrijvend’ Hitt’ verkoelt Op 26 maart 1775 gaf de Olijftak een drie dagen durend feest om de overwinning te vieren en ze nodigden de Hasseltse rederijkers uit om “…aldaer een goed glas van vrindschap samen te mogen drinken om aldus den band van vrindschap sterker samen te strikken om noyt door de vingeren der nijdige ontknoopt te kunnen worden.” Tijdens het feest droeg de prins van de Roode Roos, Petrus van Paesschen, een lang huldedicht voor en zongen de Hasselaren een zelf gemaakt lied van 9 strofen. Het tegenbezoek van de Olijftak aan Hasselt had plaats op 1 mei van dat jaar en toen was het de beurt aan de Truiense rederijker De heusch om in lange verzen de lof van de Roode Roos te zingen. Uit de vele gelegenheidsgedichten, vooral uit de 19de eeuw, kies ik op bladzijde 234 een gedeelte uit een lang gedicht van Joris Baerts van 24 augustus 1828. Dat was de verjaardag van koning Willem I en de rederijkers hadden blijkbaar sinds een paar jaar de gewoonte op die dag mét hun reus Don Christoph een bezoek te brengen aan de burgemeester, die ze dan trakteerde op stadskosten. De stoet begaf zich ook naar de peter van de Langeman, gewezen (van 1800 tot 1817) burgemeester Godfried Cox, die bij de rederijkers blijkbaar zeer geliefd was als mecenas. Hij kreeg volgende verzen te horen:


9 Beschermer van ons geld ! Handhaver van zijn kunsten o mijnheer Godfried Cox ! die in uw meyerschap ons zoo hebt voorgestaan, door uwe jonst en gunsten dat tegen onze moed, de vijand viel te slap om naar zijn helsche plan ons zo lang te bestrijden tot hij het rederijk geheel had uitgerooyt, en dan de roos en stam en wortel zo te snijden dat zij als kaf kon zijn, door storm en wind verstroooyd

9

Gunt Don Christoph mijnheer ! van op den vreugdendag waar op de burgeren ’s stads oorsprongs feestevieren hij als uw petekind zijn hulde bieden mag: gij ziet hem vergezeld van jong en ouw rozieren om te gelijk met hen, den vader van hun stad zo lang als de zon in ’t oosten zal opreizen zal uwen naam mijnheer in ’t rederijk zijn gevierd. Op de beschreven bladzijden op het einde van het boek (436 e.v.), daterend van 2 februari en 29 april 1822 lezen we dat 27 leden van de Société d’Art Dramatique (de erfgenaam van de in 1796 afgeschafte rederijkerskamer) intekenden op evenveel loten van een loterij met als hoofdprijs «den ouden Biesen». Ze komen schriftelijk overeen eventuele winsten onder elkaar te verdelen. De 27 nummers van de loten staan er mooi bij vermeld. Het gaat hier om het bekende verhaal van de loterij met als inzet het kasteel en het domein van Alden Biezen dat in 1797 door Guillaume Claes als zwart goed was gekocht. Claes, ook een eminent lid en mecenas van de Société d’Art Dramatique, organiseerde die loterij omdat hij de 240.000 gulden belasting op het domein niet kon betalen aan de Hollandse fiscus. Tussen 1819 en 1822 verkocht Claes, soms met veel moeite, 80.000 loten van drie gulden. Het winnende nummer - 44780 - bleek in het bezit te zijn van schoenmaker Maurissen uit Bilzen. Hij verkocht zijn winnende lot voor 2000 gulden aan Guillaume Claes, die zo weer in het bezit van « zijn » kasteel kwam en met de opbrengst van de loterij zijn belastingen betaalde. Vermelden we tenslotte nog dat van de restauratie gebruik werd gemaakt om alle bladzijden te fotograferen en dat zodoende de inhoud van het register digitaal beschikbaar is.

***

5. Bronnen


10 10

C . DE BAERE en J. GESSLER, De Roode Roos. Geschiedenis der Hasseltsche Rederijkerskamer, in : Limburgsche Bijdragen IX, Hasselt 1911, p. 21-132. B. DE KEYSER, De ‘dynastie’ Bamps, een familie van artsen en juristen, in : Een sprong voorwaarts, Hasselt tussen 1800 en 1900, Hasselt, 2007, p. 28-29 M. ILSEN, 500 jaar rederijkers in Hasselt, Hasselt, 2000, p. 16 e.v. J. MERTENS, Loterijaffiche, in : Oog in Oog, Hasseltse familieportretten en –objecten uit de 17de en 18de eeuw, Hasselt, 2003, p.127-128. S. VANAUDENHOVE, Alden Biezen van de Franse Revolutie tot heden, in : Landcommanderij Alden Biezen, acht eeuwen Europese geschiedenis in het land van Rijn en Maas, Tielt, 1988, p. 103-104. L. VAN DE SIJPE, inleiding bij Dr. Constant Bamps, historische bijdragen over Hasselt, Limburg en het graafschap Loon, Hamont-Achel, 2002. M. VAN HERCK en K. VERDIN, restauratieverslag, Leuven, 2007.

10Bulletin des Mélophiles III, Hasselt, 1866, p. 85 e.v.

J. VAN NEUSS, Quelques recherches sur l’ancienne chambre de Rhétorique de Roode Roos, in : Catalogue des collections d’objets d’art ancien, Faïences, Porcelaines, Cuivres, Etains, Armes, Meubles anciens, Curiosités, etc., etc., Livres, Manuscrits, Documents, Autographes, Instruments de chirurgie, Médailles, Monnaies, Sceaux, Objets préhistoriques d‘histoire naturelle, etc., etc., laissés par feu le Docteur Constant Bamps de Hasselt, fondateur et rédacteur du journal d’art l’Ancien Pays de Looz (…), Brussel, 1907. (PBL LA-E7945/6) www.hasel.be


11

11


september 2008 - nr. 14 tekst:

Michel Ilsen

foto’s:

fototheek Het Stadsmus; restauratierapport Myriam Van Herck

copyright:

Het Stadsmus

Guido Gezellestraat 2, B-3500 HASSELT tel. 011-23 98 90 fax 011-26 23 98 e-mail: hetstadsmus@hasselt.be

Overzicht Kunst in de Kijker 2000-2005:

(nog steeds te verkrijgen aan de museumbalie!)

2000: 90. Schilderij “Portret van Dr. L. Willems” (1822-1907), 1878, Godfried Guffens (1823-1901); 91. Maquette tweedekker Farman Type III, 1985; 92. Zespuntige “Ster” van de Roode Roos, 1627;

93. Litho “Gezicht op de Leopoldplaats”, ca. 1860, C. J. Hoolans; 94. “Analemmatische zonnewijzer” in de museumtuin, 2000; 95. Portret van Ridder Guillaume de Corswarem (1799-1884); 96. Pastel “Portret van mevrouw Leynen (1842-1920)”, 1919, G.J. Wallaert (1889-1954); 97. Keramieken sierschotel “Irissen”, ca. 1896-1905. 98. Banier “Société Royale de Musique et de Rhétorique”, 1858.

2001: 99. Hasselts zilver: aanwinsten 1996-2000; 100. Schilderij “Stadspanorama van Hasselt”, 1915, Jos. Damien (1879-1973); 101. Uithangteken “Tabakskarot”; 102. Karikatuurtekeningen “10

Hasseltse figuren”, Stef Vanstiphout (1931-1995). 103. Sporttrofeeën 11e Linieregiment: “Coupe du Roi Albert” & “Coupe Prince Léopold” (2); 104. Affiche “Ville de Hasselt, 1882, programme des fêtes qui auront lieu à l’occasion de la kermesse...”, 1882; 105. Staande klok met uurwerk, 1761, Joannes Augustinus (ca. 1735-1790), Hasselt; 106. Schilderij “Overhandiging van het vrijheidscharter door Graaf Arnold IV van Loon aan de stad Hasselt”, 1846, Godfried Guffens (1823-1901); 107. Affiche “KEMPO - bronnen en limonaden”, Druk. E. Roose, Hasselt.

2002: 108. Zes wandkleden over “Het Sacrament van Mirakel van Herkenrode”, 1917, Jos. Damien (1879-1973); 109. Portretten van de vier abdissen van Herkenrode: “ Twee

eeuwen, twee werelden”; 110. Restauratieverslag “Rederijkerskraag De Roode Roos”; 111. Keramische vaas “Ros Beiaard en de Vier Heemskinderen”, Simonne Reynders(1924); 112. Keramische vaas in lusterglazuur, Céramiques Décoratives de Hasselt (1895-1954); 113. Ontwerptekening tegelpaneel ‘Tuin met vrouw’; 114. Jaarkalender Ceysens-Roose, 1912; 115. Affiche ‘Landbouwdagen 1900’; 116. Schilderij ‘Vlaggen’, Jac. Leduc (°1921);

2003:

117. Sculptuur ‘Icarus’, Robert Vandereycken (°1933); 118. Het Hasselts muzikaal verleden van 1910-1960; 2 luxepartituren, Albert Lefebvre (1886-1953); 119. Affiche “Langemansbier”, P. Bamps (1862-1932), M. Ceysens (1833-1927) en F. Roose (1843-1913); 120. Vloertegels van de Herkenrodeabdij, 2 tegelpanelen en majolicategels; 121. kopergravure ‘Exlibris familie Weytens’; 122. Schilderij ‘Gordon-Bennet’, 1924, Paul Hermans (1898-1972); 123. Henri Van Straten (1892-?), lino’s en litho’s; 124. Schilderijen ‘Geboortehuis’ & ‘Gezicht op Romboutstoren van Mechelen’, Guillaume Ballewijns (1875-1944); 125. Uithangteken ‘In Sint-Lambertus’, 1801;

2004: 126. De kraag van de Hasseltse boogschutters; 127. Schilderij ‘Grote Capucienenstraat’, Clement Van Campenhout (1921-1997), 1961; 128. Prent ‘Gezicht op de Boulevard met

links de gevangenis’, Charles Jooseph Hoolans (1814-?); 129. Offerandeschotel met in reliëf 7 (keizers)hoofden, 17e eeuw; 130. Affiche van het eerste Nederlands Eucharistisch Congres, Hasselt, 1904, Leo Jaminé (1854-1921); 131. Zes schilderijen uit de cyclus van het H. Sacrament van Mirakel bewaard in Herkenrode; 132. Alambiek afkomstig uit Staatlaboratorium in Guffenslaan in Hasselt, E. Adnet, Parijs; 133. Gedenkpenning “150 jaar Koninklijk Atheneum Hasselt”, Luc Verlee (°1939), 1994, 1994; 134. Schilderij ‘Hubert Leijnen (1909-1997), hoofdredacteur van HBvL van 1929 tot 1976’, Eugène Polus, 1951.

2005: 135. Ontwerptekening voor tegelpaneel ‘Tuin met pauw en zwaan’, Manufacture de Céramiques Décoratives de Hasselt (1895-1954); 136. Beeld van de Roode Roos; uitgave in beperkte oplage t.g.v. inhuldiging monument op de Schiervellaan Hasselt, Gerard Moonen (° 1953). ***

Overzicht Kunst en Erfgoed in de Kijker: (eveneens te verkrijgen aan de museumbalie)

2005: 1. De archeologische vondsten van Herkenrode in Het Stadsmus.

2006: 2. Jos Damiens wandschilderingen voor het gouvernement te Hasselt (1908-1910); 3. De Kiosk en het muziekleven in Hasselt in de 19e eeuw; 4. De kapel van Spalbeek, 5. De handboog: van verdedigingswapen tot Olympische discipline; 6. Menukaarten.

2007: 7. Stad in groei. Hasselt in de 19e eeuw; 8. De oorsprong van onze kapellen; 9. Een Hasselts bedevaartvaantje uit de 17e eeuw; 10. Processievaandel van de Hasseltse Broederschap van het Heilig Sacrament; 11. Ets ‘Het Offer’, Jan Toorop (1858-1928); 12. Vaas in lusterglazuur, Manufacture de Céramiques Décoratives de Hasselt (1895-1954); 13. 2 zilveren kandelaars, resultaten van een onderzoek. ***

HANDSCHRIFT VAN DE ROODE ROOS 18E-19E EEUW  

Michel Ilsen, september 2008 gepubliceerd in de lezingenreeks KEIK – Kunst en Erfgoed in de Kijker’ / KIK – Kunst in de Kijker Inv.nr. 1992....

HANDSCHRIFT VAN DE ROODE ROOS 18E-19E EEUW  

Michel Ilsen, september 2008 gepubliceerd in de lezingenreeks KEIK – Kunst en Erfgoed in de Kijker’ / KIK – Kunst in de Kijker Inv.nr. 1992....

Advertisement