Page 1

2 ZILVEREN KANDELAARS, RESULTATEN VAN EEN ONDERZOEK toegeschreven aan Peter Jan Willers (1762-voor 1830) 1798 hoogte 25 cm

13

Inv.nr. 2006.0050.01 en 02 Aankoop stad Hasselt 22 mei 2006


2

2 2

Er zijn weinig objecten zo vanzelfsprekend als een koppel kandelaars. Toch kunnen ze op verschillende wijzen geschiedenis in zich dragen. Hetgeen volgt zijn de resultaten van een onderzoek waarbij het uitgangspunt, Hasseltse makelij, gaandeweg moet wijken voor een meer plausibel alternatief.

De kandelaar, een kleine cultuurgeschiedenis De Kandelaer, daar toe gericht, Op dat hy draag dat schoone licht, Het geen de lange avond-stonden, Zo welbehaagelyk verklaard, En alles in zich openbaard, Dat alles in het Duister lag bewonden. dichtte graficus Jan Luyken in zijn Leerzaam Huisraad 1 . In dit gesublimeerde beeld kan de hedendaagse mens, die kaarslicht enkel als gezelligheidsfactor kent, zich zeker herkennen. Het mag niet doen vergeten dat kaars en kandelaar eeuwenlang een dagdagelijkse noodzaak waren.

2

Etymologisch is ‘kandelaar’ te verklaren als ‘kaarsenhouder’ aangezien ze de stam van kaars of chandelle (in het Latijn candela) in zich draagt. Een kandelaar bestaat dan ook niet op zich, maar enkel bij de gratie van de lichtbron voor wie ze als voetstuk dient. De verre geschiedenis van de kandelaar zou teruggaan tot de Etrusken en de Romeinen, ook al is bij bodemvondsten niet steeds duidelijk of het een kaarsenhouder of een olielamp betreft 2 . In de vroege middeleeuwen werd er een basistype ontwikkeld dat omwille van de stabiliteit steunt op drie poten. Daarop is er een stam van variabele lengte en bovenaan mondt deze uit in een pin of een huls naargelang de dikte en lengte van de kaars. In de voet of aan de bovenzijde werd een uitbouw voorzien als vetvanger. Vanuit dit genetische materiaal is eigenlijk heel de verdere morfologische ontwikkeling van de kandelaar te verklaren; de evoluties nadien waren voornamelijk van stilistische aard. Enkel de drie poten werden van in de late middeleeuwen, naarmate de kandelaar op een meer stabiele ondergrond geplaatst kon worden, vervangen door een ronde of veelhoekige voet. Enkel bij hoge kerkkandelaars bleven de drie poten doorleven tot in de 19e eeuw (met uitlopers in de 20e eeuw); de grote kaarsen maakten daar ook nog een pin noodzakelijk die elders al in late 17e eeuw was opgegeven. Er waren twee soorten kaarsen naar gelang het basismateriaal: was en vet. Een vetkaars was het goedkoopst en kon zelfs in de huiselijke kring gemaakt worden op basis van dierlijk vet. Volgens sommigen leverde rundvet het beste resultaat, terwijl andere schapenvet verkozen. Waskaarsen stonden hoger aangeschreven. In de kerk mochten enkel wassen kaarsen gebruikt worden omdat in de nijvere arbeid van de maagdelijke bijen een referentie gezien werd naar de Maagd Maria. Het kerkelijk gebruik vond nadien ook ingang bij de meer gegoede klassen. Gezien zilveren kandelaars kostelijk waren, kan verondersteld worden dat er hier kaarsen van bijenwas in gebrand hebben. Gaandeweg werden aanvankelijk individuele kandelaars door paren vervangen. Wanneer in de 18e eeuw de feestelijk gedekte tafel zijn intrede deed, verschafte de hiertoe ontwikkelde kandelaber met zijn meerdere armen voldoende licht voor de disgenoten. Een paar enkelvoudige kandelaars is daarom zeker niet louter te interpreteren als tafelverlichting.


3 De kandelaar stond als object niet alleen. Omdat de wieken die uit linnen of hennep en later katoen vervaardigd werden, niet mee afbrandden, moest de wiek op tijd en stond geknipt of gesnoten worden. Hiertoe gebruikte men een kaarsensnuiter, een soort schaar met een bakje waarin men het afgeknipte stukje wiek kon opvangen. Als de afstand tussen wiek en kaars te lang werd, ontstond er hinderlijke rook. Een ander complementair object was de domper, een kegelvormig voorwerp met greep dat diende om de kaars te doven. Pas in de loop van de 19e eeuw, dus na het ontstaan van dit koppel kandelaars, werd stearine en paraffine gebruikt voor kaarsen en gedraaid katoen voor wieken: sindsdien zijn kaarsen bleker, geven ze meer licht en brandt de wiek mee op met de kaars.

Hasseltse kandelaars Een kandelaar in Hasselt is niet zeldzaam, maar in Hasselt vervaardigde kaarsenhouders zijn dat wel. Buiten twee sets koperen altaarkandelaars 3 , zijn het uitsluitend zilveren exemplaren. Er zijn zowel religieuze als burgerlijke exemplaren. Tot de eerste categorie horen de schitterende reeks van zes altaarkandelaars die edelsmid Gillis Goetbloets in opdracht van de Hasseltse geestelijke Wouter van Hilst vervaardigde voor de norbertinessenpriorij van O.L.Vrouw van Besloten Hof te Herentals, nu bewaard in de Sint-Gummaruskerk te Lier 4 . Daarnaast zijn er twee series van respectievelijk vier en zes altaarkandelaars in bezit van de Grauwzusters te Hasselt; het zijn werkstukken van de 19e-eeuwse edelsmid Jacques Vinckenbosch 5 . De bekende burgerlijke kandelaars komen uit de ateliers van Meester AV, Arnold, Jan Frans en Hendrik Arnold Frederici, Arnold II Cleersnyders, Arnold Dirix, Arnold Augustijn Geerts, Jacques Vinckenbosch en Leonard Philippen 6 . Samen gaat het om slechts 30 stuks. Deze bevinden zich allen in privébezit, met uitzondering van drie koppels. Eén wordt bewaard in het Musée de l’Orfèvrerie te Seneffe. De andere koppels bevinden zich in de kerkschatten van Bilzen en Hamont. Het lijkt vreemd dat burgerlijk zilver terecht gekomen is in een religieuze context, maar dat is op zich niet zo uitzonderlijk. Uit dank werd er al eens zilver geschonken dat dan volgens de noden kon hersmolten worden tot kerkelijk vaatwerk. Bij al deze kandelaars kan volledigheidshalve nog een kaarsensnuiter met schotel vermeld worden van de hand van Jan Frans Frederici 7 . Toen de Stad Hasselt op een veiling in mei 2006 een paar kandelaars van vermoedelijk Hasseltse origine kon aankopen en deze opgenomen werden in de verzameling van Het Stadsmus, was dat dan ook terecht een belangrijke gebeurtenis. Kandelaars van Dirix, Hasselts Zilver, p. 43.

3


4 Beschrijving en stilistische analyse

4 4

Ronde effen standring. Bolle welving met gekruist lintmotief in drie panden, onderbroken door drie smalle uitspringende panden met acanthusblad. Overgang van welving naar stam via opstaande holle plooien. Meermaals ingesnoerde, balustervormige stam met cannelures. Op bovenste knoop drie rozassen waaraan een druipmotief hangt. Huls opgebouwd met respectievelijk bolle en holle plooien en getopt met lancetvormige bladeren. Naar analogie met kandelaars uit dezelfde periode zou het kunnen dat er ooit losse vetvangers geweest zijn. De kandelaars zijn een zuiver voorbeeld van de Lodewijk XVI-stijl.

Details van kandelaars Het Stadsmus

4 De Lodewijk XVI-stijl Rond 1770 raakte de dynamiek van de rococo uit de mode. De asymmetrische rocaillemotieven, de bewegelijke lijnvoering en de getorste vormen, maakten plaats, na een periode van transition, voor een herwonnen symmetrie met een heldere ornamentiek 8 . Hoewel men dit classicisme terecht in verband brengt met de hernieuwde interesse voor de oudheid sinds de ontdekking van Pompei en Herculaneum, is er ook eigentijdse inspiratie. De Lodewijk XVI-stijl is minder een koninklijke dan wel een burgerlijke expressievorm. Bij wijze van boutade wordt wel eens gesteld dat het eerder de stijl is van Jean-Jacques Rousseau dan van koning Lodewijk XVI. Ze is in die zin ook een voorbode van de nog veel soberder Directoirestijl en de uitgesproken burgerlijke mode onder koning LouisPhilippe, het equivalent van de Biedermeier in Duitsland. De grammatica van de Lodewijk XVI-stijl bestaat uit een hele trits ornamenten die consequent, maar in steeds wisselende combinaties gebruikt worden: cannelures, rozassen, vruchtenkorven, vaasvormen, gekruiste linten, parelranden, guirlandes ... De lijnvoering is recht met uitzondering van ovalen en halve cirkels. Wanneer men systematisch kandelaars in Lodewijk XVI-stijl onderzoekt, dan blijkt dat deze allen familie van elkaar zijn, maar dat ze zelden of nooit identiek zijn, dankzij de relatief grote variatie aan ornamenten. Het is alleszins ook een internationale stijl: vertrokken in Parijs rond 1770, was de nieuwe mode enkele jaren later in Luik 9 en drong ze met enige vertraging ook door in de goede steden van het prinsbisdom, zoals in Hasselt. Zilverwerk in uitgesproken Lodewijk XVI-stijl zijn er aanwijsbaar in het oeuvre van o.a. Arnold Dirix en Arnold Augustijn Geerts 10 . De objecten kunnen, in tegenstelling tot deze in Luik, niet precies gedateerd worden. Wel kan de volwaardige inschrijving in het smedenambacht van deze twee meesters, respectievelijk in 1779 en 1784-1785 als terminus post quem gelden. Buiten edelsmeedwerk is de Lodewijk XVI-stijl in Hasselt nauwelijks aanwijsbaar, behalve in de uithangborden11 .


5 De merken, sleutel tot identificatie

5

Merken van de kandelaars Het Stadsmus

De stijl alleen is vaak een wat eenzijdige en soms gevaarlijke basis van datering. Klanten bestelden soms ouderwetse ontwerpen om bestaande collecties aan te vullen, stijlen kwamen soms generaties later opnieuw in de mode. Voor de Lodewijk XVI-stijl was dit het geval in het 3e kwart van de 19e eeuw als tegengewicht van de neo-rococo die toen ook opgang maakte. In het geval van zilverwerk geven de merken, als ze al leesbaar zijn, bijkomende en soms sluitende argumenten over datering en auteurschap. Op de voet van beide kandelaars zijn drie sterk afgesleten merken zichtbaar. Best leesbaar is een frontaal mannenhoofd. Dit eerder uitzonderlijke merk kan zonder twijfel geïdentificeerd worden als het keurkamermerk (‘hoofd van een grijsaard’) uit de Franse Tijd dat gangbaar was tussen 1798 en 1809 12 . Elk departement werd onderscheiden door een getal van twee cijfers, één aan elke zijde van het hoofd. Hasselt ressorteerde onder het departement van de Nedermaas met Maastricht als hoofdstad. Uit de literatuur is bekend dat de Maastrichtse keurkamer ‘62’ als getal toegewezen kreeg. Bij de beide kandelaars is enkel de rechterhelft van het hoofd te zien, maar een ‘2’ is niet afleesbaar. Onafscheidelijk bij het ovalen keurkamermerk hoorde een gehaltemerk dat aanduidt of het zilver van 1e (> 950/1000) of 2e gehalte (> 800/1000) is. Dit is telkens een langgerekt achthoekig merk met een haan, symbool van de Franse republiek. Een staande haan met cijfer 1 wijst op 1e gehalte en een stappende haan in een horizontale achthoek duidt op 2e allooi. Bij de kandelaars is vaagweg de rechtervleugel van de stappende haan en diens romp herkenbaar. In de praktijk is de overgrote meerderheid van zilver van 2 e gehalte omdat deze legering meer stevigheid bood voor gebruiksvoorwerpen. De keuring van zilveren objecten was belangrijk om de koper een objectieve garantie te bieden dat het object dat hij zou kopen een hoogwaardige legering - dus met een hoog aandeel zilver - bevatte, te meer daar de kost van het materiaal een veel groter aandeel had in de verkoopprijs dan het maakloon. De Franse merktekens werden opgelegd door de wet van 19 brumaire jaar VI (9 november 1797). Hierbij werden de (edel)smedenambachten, die sinds eeuwen instonden voor het keuren van edelsmeedwerk, vervangen door departementale keurkamers. Daar dienden de zilversmeden hun werk te laten keuren en dit tegen betaling: dit was tegelijk bedoeld als bescherming van de klant tegen bedrog en als fiscale maatregel. In dezelfde wet werden ook de nieuwe merken voor goud en zilver vastgelegd. Naast het keurkamerteken en het nieuwe gehaltemerk, werd gedecreteerd dat het meesterteken de vorm van een ruit zou hebben, vermoedelijk om een onderscheid te maken met de tot dan toe gebruikte rechthoekige merken, al dan niet getopt met een kroon. Bestaande stukken dienden herkeurd te worden vooraleer ze opnieuw in de handel gebracht konden worden.


6

6 6

Er is aardig wat tijd verlopen tussen de proclamatie van de wet en de uitvoering ervan. De wet van 19 brumaire jaar VI (9 november 1797) was theoretisch in uitvoering gesteld voor het departement van de Nedermaas op 13 vendémiaire jaar VII (4 oktober 1798) met een speling van 2 maanden. Het duurde evenwel tot 2 floréal 1799 (21 april 1799) dat de eerste goudsmid zijn merken in Maastricht liet registreren 13 . Het wel en wee van de edelsmeden in Maastricht tijdens de eerste jaren van de Franse Tijd is goed gekend dankzij een studie van A.A.M.N. Dejong 14 . Opvallend is het conservatisme van de gevestigde edelsmeden die afkerig stonden tegen de aankomende vernieuwingen en die zich verzetten tegen de teloorgang van de kwaliteitszorg zoals die door het ambacht werd opgenomen. Bovendien betreurden ze het volledig wegvallen van opdrachten uit kerkelijke hoek; daarnaast had ook de markt in luxeartikelen een stevige deuk gekregen. Wanneer het nieuwe systeem dan toch met vertraging in werking trad, bleek dat een aantal van de bestaande edelsmeden zich niet meer opnieuw liet registreren en dus zijn beroep opgaf. Bovendien klaagden de nieuw aangestelde controleurs dat er nauwelijks waarborgrechten betaald werden en overwogen ze huiszoekingen om gebeurlijke sluikhandel op te sporen. De malaise was dus groot.

6

Over de Hasseltse edelsmeden uit de Franse Tijd is er minder bekend, maar toch voldoende om in te schatten dat hun situatie niet sterk verschilde van deze waarin de Maastrichtse collega’s verkeerden 15 . Zeker is dat het stadsbestuur nog op 13 november 1797 niet voldaan had aan de verplichting om aan te geven wat de bezittingen waren van de ambachten 16 . Hieruit kan een zekere weerspannigheid afgeleid worden. Van de zeven edelsmeden die in 1796 nog werkten volgens de ‘oude’ ambachtelijke standaarden die nog bij wijze van overgang in voege bleven, waren er slechts twee die zich in 1799 lieten registreren op de kantonale insculpatieplaat in Hasselt. Deze plaat was samen met een alfabet en een hamer op 12 mei 1799 bezorgd aan het kantoor 17 . De geringe interesse is een duidelijk bewijs van de krimpende markt voor zilver in die tijd. Samenvattend kan hier reeds gesteld worden dat de kandelaars, op basis van de keurmerken, gesitueerd kunnen worden in de Franse Tijd en dat ze meer precies kunnen gedateerd worden tussen 1797 en 1809 toen er nieuwe merken opgelegd werden. Bovendien kan de begindatum in de praktijk opgeschoven worden naar 1798 omdat toen pas de merken in voege traden. Rest nog het derde merk om de identificatie en de datering nog meer te verfijnen: het meesterteken.

De edelsmid: Peter Jan Willers? Het meesterteken op de kandelaars is, net als de keurmerken, moeilijk leesbaar. Zeker is dat het rechthoekig is en dus afwijkt van de voorgeschreven ruitvorm. Dit kan erop wijzen dat de kandelaars vroeg moeten gedateerd worden binnen de periode dat de eerste Franse keurmerken van kracht waren. Dit is trouwens geen unicum aangezien van twee Hasseltse edelsmeden bekend is dat ze ook een rechthoekig merk lieten insculperen op de Franse plaat 18 . Het meestermerk bestaat, zoals gewoonlijk tijdens het ancien régime, uit twee letters. De tweede is zonder twijfel een ‘W’, waarbij opvalt dat deze vormgegeven is als twee in elkaar geschoven ‘V’s’. Er waren in die tijd relatief weinig achternamen die met een ‘W’ begonnen; dit brengt het aantal edelsmeden dat in aanmerking komt al danig terug. De eerste letter is problematischer: op één kandelaar is er een links geplaatste verticale streep te zien en op de andere bovenaan een lusvormige lijn. Als men systematisch het alfabet in hoofdletters overloopt, kan de combinatie van deze vormen enkel geïnterpreteerd worden als de letter ‘P’. ‘PW’ is het merk, steeds met opvallende dubbele ‘V’ dat kan toegeschreven worden aan Peter Jan Willers 19 . Zijn biografie is op zich een boeiend stuk stadsgeschiedenis.


7 Willers werd in Hasselt gedoopt op 16 december 1762. Hoewel hij geen aanwijsbare voorouders had die edelsmid waren, was er via zijn echtgenote wel een link met het smedenambacht: Maria Elisabeth was immers de dochter van tingieter Jan Niklaas Speelmans. Uit hun huwelijk werden in Hasselt vijf kinderen geboren tussen 1791 en 1803. Allicht was hij in de leer gegaan bij een Hasseltse meester en zal hij zich mogelijk op het einde van de jaren ’80 van de 18e eeuw als zelfstandig zilversmid gevestigd hebben. Uit zijn atelier zijn maar een heel beperkt aantal objecten bekend: een (naai)schaar aan een gesp van zijn collega Arnold Dirix, vijf koffielepels en een pollepel. Op geen van deze stukken staan er Franse merken, zodat ze ergens tussen 1785 en 1797 kunnen gedateerd worden. De Franse Tijd opende voor Willers nieuwe perspectieven aangezien hij zich ontpopte tot een fervent aanhanger van het nieuw bestuur 20 . Vanaf 1796 zetelde hij in de municipale raad en in maart 1797 werd hij tot voorzitter van deze raad verkozen. Op 25 februari 1798 proclameerde zijn bestuur een besluit waarbij bepaald werd dat al de kerkelijke goederen die onterecht bij burgers bewaard werden binnen de 24 uur dienden ingeleverd te worden 21 . Toen niemand gevolg gaf aan deze verordening, deed Willers persoonlijk en zonder machtiging, samen met enkele medestanders, een aantal huiszoekingen. Hierbij zou hij zich behoorlijk hardhandig gedragen hebben. Op 28 februari werden de buitgemaakte goederen openbaar verkocht, ondanks protest van de commissaris. Willers bleek één van de kopers te zijn van dit roerend zwart goed. Hij zou er zich op beroemd hebben dat hij een kazuifel voor 32 livres gekocht had, waarvan het zilver meer dan 10 kronen waard was. Na zo’n wangedrag, die hem de weinig flatterende bijnaam ‘Robbespierre’ opleverde, wekt het weinig verwondering dat hij bij de incidentrijke verkiezingen van maart/april 1798 niet opnieuw verkozen geraakte 22 . Toen het nieuwe, mildere bestuur op 27 mei ‘81 bedevaarders uit Maastricht en Keulen vrijliet die tevoren op hun terugtocht van Scherpenheuvel door de Rijkswacht gearresteerd waren, werden de leden door de centrale administratie geschorst. Op 12 juli werd er een nieuwe municipaliteit aangesteld met weer P.J. Willers als voorzitter 23 . In die functie maakte hij de nerveuze aanloop mee naar wat de finale slag van de Boerenkrijg zou worden. Willers eiste op 26 oktober al het buskruit op in de winkels en liet er patronen van maken 24 . Archivalia werden naar Maastricht gebracht, het waterpeil van de grachten rond de stad werd opgehoogd en de stadspoorten vergrendeld. Op 4 december, toen de Brigants de stad naderden, trok Willers naar Maastricht om departementeel commissaris Girard te informeren 25 . In 1800 kon de voormalige voorzitter van de municipaliteit zijn relaties nog verzilveren om aangesteld te worden als belastingsontvanger 26 . Vermoedelijk maakte hij zich hierdoor opnieuw onpopulair, want tussen 1803 en 1814 liet hij vrouw en kinderen achter in Hasselt en trok hij naar het Noorden om in Amsterdam terecht te komen, waar hij alleszins niet als zilversmid actief was. Daar zou hij voor 1830 overleden zijn 27 . F.A. Cavenne, die Girard in 1799 als commissaris opgevolgd was, typeerde Willers als volgt: “un homme exalté et sans moyens, soupçonné d’ailleurs de n’être attaché à sa place que pour ses propres intérêts”28 .

De cliënt Toen de kandelaars opdoken op de kunstmarkt, waren ze afkomstig van het kasteel van Schalkhoven (Hoeselt) waar ze minstens enkele decennia moeten gestaan hebben. Hoewel de historische eigenaars van het kasteel bekend zijn (o.m. de families de Heusch en de Borman) 29 geeft dat niet voldoende houvast om de oorspronkelijke koper te kunnen identificeren. Wel versterkt deze Limburgse pedigree de hypothese dat deze kandelaars van regionale origine zijn.

7


8 Een voorlopige conclusie en anomalieën

8 8

Als de initialen PW mogen geïdentificeerd worden als Peter Jan Willers, dan kunnen daar een aantal conclusies uit getrokken worden. Zijn tot nu zeer beperkte en bescheiden oeuvre wordt uitgebreid met een hoogstaand koppel kandelaars. Mogelijk heeft hij zilver, afkomstig van zwart goed, gebruikt voor het vervaardigen ervan. Toch blijven er ook anomalieën: hij zou werken hebben laten keuren onder het Franse regime, zonder zijn meestermerk te hebben laten registeren.

Een verrassende parallel

8

Hoger is aangegeven dat de Lodewijk XVI-stijl een heel arsenaal van motieven omvat, hetgeen verklaart waarom dergelijke kandelaars steeds van elkaar verschillen. Het was dan ook verbazingwekkend dat er, in het kader van de stilistische analyse, een paar identieke kandelaars aangetroffen werd in het Musée de Groesbeeck de Croix te Namen 30 . Deze dragen het meestermerk van Nicolas Wodon (17101794) en kunnen, aan de hand van een jaarletter, gedateerd worden in 1786. Nicolas Wodon was één van de meest vooraanstaande zilversmeden in Namen tijdens de 18e eeuw. Naamse kandelaars (www.kikirpa.be) Meteen rees de vraag of Willers de kandelaars ongestempeld bij zijn collega zou aangekocht hebben en ze vervolgens zelf zou gemerkt hebben. Van een vergelijkbare praktijk is er in Hasselt een voorbeeld bekend: Arnold Dirix merkte een grote melkpot met zijn meesterteken nadat hij de vier, meer dan waarschijnlijk Luikse merken, had uitgewist 31 . Ook deze niet onwaarschijnlijke hypothese moest verlaten worden, nadat bleek dat er in Namen tussen 1765 en ca. 1804 een achterneef van Nicolas Wodon actief was die Pierre (1736-na 1810) heette en die merkte met zijn initialen PW, waarbij ook de W duidelijk als een ‘double V’ gevormd werd. Hoewel dit niet met zekerheid geweten is, kan men met grote waarschijnlijkheid aannemen dat Pierre de ontwerpen en vormen van zijn oudere familielid overgenomen heeft 32 . Volgens Jhr. Walter van Dievoet die deze toeschrijving bevestigt, heeft hij zijn merk uit het ancien régime op de kandelaars gebruikt, maar heeft hij hierbij de kroon, die te zeer naar het verfoeide totalitaire regime verwees, weggelaten 33 . Pierre Wodon was evenzeer een gereputeerd edelsmid die bestuursfuncties opgenomen heeft binnen het ambacht 34 . Keren we terug naar de merken. PW mogen we met zekerheid toeschrijven aan de Naamse edelsmid Pierre Joseph Ghislain Wodon. Het keurkamernummer voor Namen in Franse Tijd was 81. Zonder dat men het scherp kan zien, is er een verticale streep zichtbaar op één van beide keurmerken, ter hoogte van het oor van het frontale mannengezicht: dit is, gezien wat vooraf ging, de ‘1’ van 81. Aangezien van Wodon geweten is dat hij zichzelf in 1804 gewezen edelsmid noemde 35 , kunnen de kandelaars gedateerd worden tussen 1798 en 1804.


9 Besluit Het koppel kandelaars dat hier besproken werd, mag dan wel niet Hasselts zijn, maar het blijft om meerdere redenen interessant. Het zijn op zich fraaie kunstobjecten die getuigen van vakmanschap en van een stijlzuivere stijl. Bovendien tonen ze aan dat modellen hernomen werden van de ene naar de andere edelsmid en van het ene naar het andere regime. Het kunnen toevoegen aan het oeuvre van Pierre Wodon, van wie ontgetwijfeld veel minder werk bekend is uit de Franse tijd, dan voordien, is op zich een belangrijk gegeven. En Peter Jan Willers? Ondanks de Limburgse pedigree van de kandelaars heeft hij meer dan waarschijnlijk niets met de kandelaars te maken. Ongewild heeft de notoire collaborateur die uit eigenbelang meeheulde met het Franse regime, twee eeuwen later nog voor de nodige verwarring gezorgd. ***

9


10 Voetnoten

10 1 10 2 3 4 5 6

7 8 9

10 10 11 12

13 14

15 16 17 18 19 20

21 22 23 24 25

Geciteerd door J. WEYNS, Volkshuisraad in Vlaanderen, Beerzel, 1974, p. 738. Over de geschiedenis van verlichting is relatief weinig gepubliceerd. Zie o.a. In het hoofdstuk Verlichting bij J. WEYNS, Volkshuisraad, pp. 719-779; Manda PLETTENBURG, Licht in huis, Kienspaan – Kaars – Olielamp, Arnhem, 1968 en D. VANLOOCKE, Steek je licht op ... van Romeinse olielamp tot Empire kandelaar (Volkskundig jaarboek ‘t Beertje Nieuwe Reeks V 2003), s.l., 2003 De Hasseltse Virga Jesse en haar kerk, Hasselt, 1981, nr. 93 (H. Naus, 1710) en 94 (G. Knapen, 1837) Hasselts Zilver. Tentoonstellingscatalogus, Hasselt, 1996, pp. 70-71, nrs. 21.1, 21.2 en 21.3 Hasselts Zilver, pp. 171-172, nrs. 58.23 en 58.24. Hasselts Zilver, p. 97 (nr. 35.1), p. 84 (nr. 27.6), p. 107 (nrs. 36.20 en 36.21), p. 116 (nr. 38.11), pp. 141-142 (nrs. 47.9, 47.10, 47.11 en 47.12), pp. 145-146 (nrs. 48.1 en 48.2), p. 183 (nr. 58.69) en pp. 225-226 (nrs. 66.69 en 70) Hasselts Zilver, p. 106, nr. 36.19 Over stijlgeschiedenis bestaat er massa’s literatuur. Interessant is o.m. L’Encyclopédie des styles d’hier et d’aujourd’hui, Parijs, 1969 De oudste dateerbare stukken Luiks zilver in Lodewijk XVI-stijl zijn een koffiepot uit 1776 (overgangsstijl) en een lamp uit 1778. De oudste kandelaars dateren uit 1781 (L’Orfèvrerie civile ancienne du Pays de Liège. Tentoonstellingscatalogus, Luik, 1991, nrs. 187, 195 en 201) Cfr. Hasselts Zilver, p. 138 e.v. en p. 144 e.v. Hasseltse uithangborden en gevelstenen. Tentoonstellingscatalogus, Hasselt, 1979, nrs.35 en 36. Over de Franse keurmerken: W. van DIEVOET, De geschiedenis en de officiële merken van de keurkamers voor de waarborg van goud en zilver in België van 1794 tot Nu (Gemeentekediet van België Historische Uitgaven Pro Civitate, reeks in 8°, nr . 59), Brussel, 1980, pp. 27-70. W. van DIEVOET, De geschiedenis en de officiële merken, p. 50. A.A.M.N. DEJONG, Zwanezang van het Maastrichtse goud- en zilversmedenambacht (Mededelingen van het Centrum voor Studie van de Boerenkrijg, 36), Hasselt, 1962 (= Miscellanea Trajecensia 1962, pp. 523-556) Hasselts Zilver, pp. 19-21. A.A.M.N. DEJONG, Zwanezang, p. 10. In tegenstelling tot de departementele plaat in Maastricht is de kantonale plaat voor Hasselt in de Franse Tijd wel bewaard, cf. afbeelding in Hasselts Zilver, p. 20. Hasselts Zilver, p. 20 Hasselts Zilver, p. 154-155 Over de Franse Tijd in Hasselt: J. GRAUWELS, in M. BUSSELS e.a., Hasselt 750 jaar Stad, Brussel, 1982, p. 81 e.v., G. CALUWAERTS, Hasselt bezet. De Boerenkrijg 1798: een tijdsbeeld, Hasselt, 1998. Over de Franse Tijd in Limburg: (N. PAESEN), Revolutie of evolutie. Limburg 1789 – 1815, Hasselt, 1989 J. GRAUWELS, Politieke strijd te Hasselt in 1798 (Mededelingen van het Centrum voor Studie van de Boerenkrijg, 24), Hasselt, 1960, pp. 261-262. IBIDEM, pp. 262-265 IBIDEM, PP. 257-260 T. VANDEBEECK en J. GRAUWELS, De Boerenkrijg in het departement van de Nedermaas (Standen en Landen, 23), Leuven-Parijs, 1961, p. 47 IBIDEM, p. 148 en 163


11 26

27 28 29 30 31 32

33

34 35

IBIDEM, p. 47. Dit kan bevestigd worden door kwitanties uit het familie-archief Cox die door Willers ondertekend zijn als percepteur (Rijksarchief Hasselt, Kleine Familie-archieven, 391). Hasselts Zilver, p. 154 T. VANDEBEECK en J. GRAUWELS, De Boerenkrijg, p. 47 F. SCHLUSSMANS, Bouwen door de eeuwen heen. dl. 14N3, Kanton Bilzen, Turnhout, 1996, pp. 214-217 Foto raadpleegbaar via de fototheek op www.kikirpa.be Hasselts Zilver, p. 143, nr. 47.14. Over de edelsmeden Wodon: G. POSKIN en P. STOKART, Orfèvres Namurois, Namen, 1982, pp. 311- 315. Algemene informatie over de Naamse edelsmeedkunst: A. SWARTENBROEKX, Zilveren Wijwatervaten in België 17e – 18e eeuw, Hasselt, 1993, pp. 225 – 230. W. van DIEVOET, Orfèvres de Namur du XIXe siècle, in Annales de la Société archéologique de Namur, 81 (2007) , pp. 87 – 88. We danken Jonkheer van Dievoet zeer hartelijk voor zijn gefundeerd advies. W. van DIEVOET, L’attribution des Poinçons de certains Orfèvres de Namur, in Annales de la Société de Namur, 73 1999), p. 165. W. van DIEVOET, 2007, p. 87. ***

11


juni 2008 - nr. 13 tekst:

lic. Jo ROMBOUTS

foto’s:

fototheek Het Stadsmus

copyright:

Het Stadsmus Guido Gezellestraat 2, B-3500 HASSELT tel. 011-23 98 90 fax 011-26 23 98 e-mail: hetstadsmus@hasselt.be

Overzicht Kunst in de Kijker 2000-2005: (nog steeds te verkrijgen aan de museumbalie!) 2000:

90. Schilderij “Portret van Dr. L. Willems” (1822-1907), 1878, Godfried Guffens (1823-1901); 91. Maquette tweedekker Farman Type III, 1985; 92. Zespuntige “Ster” van de Roode Roos, 1627; 93. Litho “Gezicht op de Leopoldplaats”, ca. 1860, C. J. Hoolans; 94. “Analemmatische zonnewijzer” in de museumtuin, 2000; 95. Portret van Ridder Guillaume de Corswarem (1799-1884); 96. Pastel “Portret van mevrouw Leynen (1842-1920)”, 1919, G.J. Wallaert (1889-1954); 97. Keramieken sierschotel “Irissen”, ca. 1896-1905. 98. Banier “Société Royale de Musique et de Rhétorique”, 1858.

2001: 99. Hasselts zilver: aanwinsten 1996-2000; 100. Schilderij “Stadspanorama van Hasselt”, 1915, Jos. Damien (1879-1973); 101. Uithangteken “Tabakskarot”; 102. Karikatuurtekeningen “10 Hasseltse figuren”, Stef Vanstiphout (1931-1995). 103. Sporttrofeeën 11e Linieregiment: “Coupe du Roi Albert” & “Coupe Prince Léopold” (2); 104. Affiche “Ville de Hasselt, 1882, programme des fêtes qui auront lieu à l’occasion de la kermesse...”, 1882; 105. Staande klok met uurwerk, 1761, Joannes Augustinus (ca. 17351790), Hasselt; 106. Schilderij “Overhandiging van het vrijheidscharter door Graaf Arnold IV van Loon aan de stad Hasselt”, 1846, Godfried Guffens (1823-1901); 107. Affiche “KEMPO - bronnen en limonaden”, Druk. E. Roose, Hasselt. 2002: 108. Zes wandkleden over “Het Sacrament van Mirakel van Herkenrode”, 1917, Jos. Damien (1879-1973); 109. Portretten van de vier abdissen van Herkenrode: “ Twee eeuwen, twee werelden”; 110. Restauratieverslag “Rederijkerskraag De Roode Roos”; 111. Keramische vaas “Ros Beiaard en de Vier Heemskinderen”, Simonne Reynders(1924); 112. Keramische vaas in lusterglazuur, Céramiques Décoratives de Hasselt (1895-1954); 113. Ontwerptekening tegelpaneel ‘Tuin met vrouw’; 114. Jaarkalender Ceysens-Roose, 1912; 115. Affiche ‘Landbouwdagen 1900’; 116. Schilderij ‘Vlaggen’, Jac. Leduc (°1921); 2003: 117. Sculptuur ‘Icarus’, Robert Vandereycken (°1933); 118. Het Hasselts muzikaal verleden van 1910-1960; 2 luxepartituren, Albert Lefebvre (1886-1953); 119. Affiche “Langemansbier”, P. Bamps (1862-1932), M. Ceysens (1833-1927) en F. Roose (1843-1913); 120. Vloertegels van de Herkenrodeabdij, 2 tegelpanelen en majolicategels; 121. kopergravure ‘Exlibris familie Weytens’; 122. Schilderij ‘Gordon-Bennet’, 1924, Paul Hermans (1898-1972); 123. Henri Van Straten (1892-?), lino’s en litho’s; 124. Schilderijen ‘Geboortehuis’ & ‘Gezicht op Romboutstoren van Mechelen’, Guillaume Ballewijns (1875-1944); 125. Uithangteken ‘In Sint-Lambertus’, 1801; 2004: 126. De kraag van de Hasseltse boogschutters; 127. Schilderij ‘Grote Capucienenstraat’, Clement Van Campenhout (1921-1997), 1961; 128. Prent ‘Gezicht op de Boulevard met links de gevangenis’, Charles Jooseph Hoolans (1814-?); 129. Offerandeschotel met in reliëf 7 (keizers)hoofden, 17e eeuw; 130. Affiche van het eerste Nederlands Eucharistisch Congres, Hasselt, 1904, Leo Jaminé (1854-1921); 131. Zes schilderijen uit de cyclus van het H. Sacrament van Mirakel bewaard in Herkenrode; 132. Alambiek afkomstig uit Staatlaboratorium in Guffenslaan in Hasselt, E. Adnet, Parijs; 133. Gedenkpenning “150 jaar Koninklijk Atheneum Hasselt”, Luc Verlee (°1939), 1994, 1994; 134. Schilderij ‘Hubert Leijnen (1909-1997), hoofdredacteur van HBvL van 1929 tot 1976’, Eugène Polus, 1951. 2005: 135. Ontwerptekening voor tegelpaneel ‘Tuin met pauw en zwaan’, Manufacture de Céramiques Décoratives de Hasselt (1895-1954);

136. Beeld van de Roode Roos;

uitgave in beperkte oplage t.g.v. inhuldiging monument op de Schiervellaan Hasselt, Gerard Moonen (° 1953). ***

Overzicht Kunst en Erfgoed in de Kijker: (eveneens te verkrijgen aan de museumbalie) 2005:

1. De archeologische vondsten van Herkenrode in Het Stadsmus.

2006: 2. Jos Damiens wandschilderingen voor het gouvernement te Hasselt (1908-1910); 3. De Kiosk en het muziekleven in Hasselt in de 19e eeuw; 4. De kapel van Spalbeek, 5. De handboog: van verdedigingswapen tot Olympische discipline; 6. Menukaarten.

2007: 7. Stad in groei. Hasselt in de 19e eeuw; 8. De oorsprong van onze kapellen; 9. Een Hasselts bedevaartvaantje uit de 17e eeuw; 10. Processievaandel van de Hasseltse Broederschap van het Heilig Sacrament; 11. Ets ‘Het Offer’, Jan Toorop (1858-1928); 12. Vaas in lusterglazuur, Manufacture de Céramiques Décoratives de Hasselt (1895-1954). ***

2 ZILVEREN KANDELAARS, RESULTATEN VAN EEN ONDERZOEK  

Jo Rombouts, juni 2008 gepubliceerd in de lezingenreeks KEIK – Kunst en Erfgoed in de Kijker’ / KIK – Kunst in de Kijker Inv.nr. 2006.0050.0...

2 ZILVEREN KANDELAARS, RESULTATEN VAN EEN ONDERZOEK  

Jo Rombouts, juni 2008 gepubliceerd in de lezingenreeks KEIK – Kunst en Erfgoed in de Kijker’ / KIK – Kunst in de Kijker Inv.nr. 2006.0050.0...

Advertisement