Issuu on Google+


HET VERMOEDEN VAN EISENSTEIN The printing press as an agent of change als aanleiding voor filosofisch onderzoek

Heine Scholtens

Š 2005-2014 | Heine Scholtens | mail@heinescholtens.com


“Here indeed is a phenomenon of the ‘typographical revolution’ — a book about books about books” — DONALD R. KELLEY (1981, p. 213)

“Books are a load of crap” — PHILIP LARKIN, A Study of Reading Habits (1988, p. 131)


INHOUDSOPGAVE WOORD VOORAF

pagina 7

HOOFDSTUK 1

pagina 9 FILOSOFEN EN BOEKEN. EEN INLEIDING 1. Filosofen 2. Boeken HOOFDSTUK 2

pagina 13

ELIZABETH EISENSTEINS THE PRINTING PRESS AS AN AGENT OF CHANGE

1. Ter inleiding 2. Vorm 3. Inhoud 3.1 Een miskende revolutie 3.2 De transformatie van een schriftcultuur in een boekdrukcultuur 3.3 Karakteristieken van de boekdrukcultuur 3.4 Historiografische toepassingen 4. Ter afsluiting HOOFDSTUK 3

pagina 25

DE KRITISCHE ONTVANGST VAN THE PRINTING PRESS AS AN AGENT OF CHANGE

1. Ter inleiding 2. De ontvangst bij verschijnen 2.1 Stijl 2.2 Werkwijze 2.3 Inhoud 3. De tweede golf van kritiek 3.1 De kritiek van Adrian Johns 3.2 Het antwoord van Eisenstein 3.3 Opnieuw Johns’ kritiek 4. Ter afsluiting

—5—


6 / HEINE SCHOLTENS

HOOFDSTUK 4

pagina 37

THE PRINTING PRESS AS AN AGENT OF CHANGE ALS AANLEIDING VOOR FILOSOFISCH ONDERZOEK

1. Ter inleiding 2. Een inventarisatie 3. Een nuancering 3.1 De typografische en de mentale organisatie van kennis 3.2 De problematische benadering van Eisenstein 4. Een andere benadering CONCLUSIE BIJLAGE

pagina 47

pagina 49

EEN OVERZICHT VAN BOEKBESPREKINGEN (1979-1990) VAN THE PRINTING PRESS AS AN AGENT OF CHANGE SUMMARY

pagina 53

BIBLIOGRAFIE

pagina 55


WOORD VOORAF “Ich komm noch um vor Wissbegier und niemand, niemand will mir helfen” — MICHAEL ENDE, Die unendliche Geschichte (1979)

In 1998 schreef ik mij in bij de opleiding wijsbegeerte van de Universiteit Leiden. Als ik had geweten wat mij te wachten stond, dan was ik er nooit aan begonnen. Maar het is volbracht. De unendliche Geschichte is tot een einde gekomen; gelukkig zijn er altijd mensen geweest die mij hebben willen helpen. De mensen die ik op het oog heb, zal het ook duidelijk zijn zonder dat ik hun namen hier noem. Ik dank hen voor hun steun. Ik dank Susanna de Beer en Niels Niessen voor de hulp die zij geboden hebben bij het verzamelen van materiaal. Jan Sleutels, Adriaan van der Weel en Paul Hoftijzer dank ik voor hun stimulerende interesse in het onderzoek. Leiden, valentijnsdag 2005

De verspreiding van deze scriptie was oorspronkelijk beperkt tot enkele exemplaren. Ik maak nu online een PDF versie beschikbaar. Afgezien van een paar typografische details is deze versie gelijk aan de oorpsronkelijke. De tekst is niet bijgewerkt om de resultaten van recent onderzoek weer te geven.

Amsterdam, april 2014

—7—


HOOFDSTUK 1

FILOSOFEN EN BOEKEN EEN INLEIDING Ach... de filosoof en zijn boeken. Zelden werd er een vruchtbaarder pact gesloten dan dat tussen filosoof en boek, om de woorden van Willem Otterspeer enigszins te verdraaien (vgl. Otterspeer 2000, p. 32). Maar het is een huwelijk, waarin de echtelieden zich maar weinig om elkaar bekommeren. Dat het boek niet warm of koud wordt van de filosoof zal niemand verbazen, maar ook het omgekeerde is het geval. Filosofen en boeken zijn bijna onafscheidelijk, maar de filosoof heeft maar weinig oog voor de verschijningsvorm van het boek. Het is alsof hij getrouwd is, en geen idee heeft hoe zijn liefje er nu eigenlijk uitziet. De filosoof lijkt daarmee blind te zijn voor een verhouding waarin hij zich altijd al bevindt: hij is in de eerste plaats een lezer van tekst. 1. Filosofen Wellicht ben ik te streng. Ook onder filosofen is het niet onbekend dat niet alle boeken aan elkaar gelijk zijn. Sommige boeken zijn beter dan andere; sommige edities zijn beter dan andere. In veel gevallen hangt daar zelfs de waarheid van wat gezegd wordt vanaf. Wanneer men, zeer geleerd, de woorden van Friedrich Nietzsche wenst aan te halen, doet men er goed aan hiervoor niet de Schlechta-editie te gebruiken.1 Het is mogelijk dat wat in de Schlechtaeditie van de werken van Nietzsche staat niet de woorden van de meester zelf zijn. Hij dient te worden geciteerd uit de Kritische Studienausgabe (KSA) van Colli en Montenari.2 Wat in de KSA staat, zijn wel de woorden van Nietzsche. Tot er weer een nieuwe en betere Nietzscheeditie komt; vanaf dat moment geeft de KSA niet meer per sé de juiste woorden weer. We zouden hetzelfde punt kunnen illustreren aan de hand van de Gesamtausgabe van de werken van Martin Heidegger (HGA)3 of de Wiener Ausgabe van de werken van Ludwig Wittgenstein (WA).4 Niet alle edities zijn aan elkaar gelijk; niet alle boeken zijn aan elkaar gelijk. Het grote belang dat wordt gehecht aan het gebruik van de ‘juiste’ tekst is wellicht een eerste aanleiding om te veronderstellen dat er een gebied is waar de boekwetenschap en de wijsbegeerte aan elkaar raken.

1 2

3 4

F. Nietzsche: Werke. Hrsg. K. Schlechta. München, Hanser, 1954-1956 (3 vols.). F. Nietzsche: Sämtliche Werke. Kritische Studienausgabe. Hrsg. G. Colli und M. Montinari. Berlin/New York/München, De Gruyter/Deutscher Taschenbuch Verlag, 1980, 19882 (15 vols.). M. Heidegger: Gesamtausgabe. Frankfurt am Main, Klostermann, 1975–. L. Wittgenstein: Wiener Ausgabe. Hrsg. M. Nedo. Wien/New York, Springer Verlag, 1993–.

—9—


10 / HEINE SCHOLTENS

Maar de beschreven situatie is een uitzondering. Waar het niet gaat om de aanschaf van het verzameld werk van een wijsgeer waar ze de rest van hun levensdagen mee zoet kunnen zijn, zijn filosofen opmerkelijk onverschillig ten opzichte van de uiterlijke verschijningsvorm van tekst of ten opzichte van de geschiedenis van het boek. Dat is op zijn minst verbazingwekkend. Het boek, waar we zo innig mee vertrouwd zijn, speelt een grote rol bij de totstandkoming en de verspreiding van kennis. Het is niet weg te denken uit het wetenschappelijke bedrijf. Het boek is ook bij uitstek een plek waar ‘de mens’ en ‘de techniek’ elkaar ontmoeten — op een uiterst intieme wijze. Maar cultuurfilosofen, wetenschapstheoretici en de mensen die zich bezig houden met kennisleer hebben zich er nooit bijzonder druk om gemaakt. Ze nemen het boek zoals het is, zonder er verder bij stil te staan wat het is en waarom het is zoals het is. Vanwaar deze blinde vlek voor het boek? Jan Sleutels somt zo zeven redenen op waarom filosofen in staat zijn geweest media vrijwel volledig te negeren (Sleutels 2004). (a) Filosofen zijn, zo meent hij, door de eeuwen heen geneigd geweest media te identificeren met taal, waarbij taal werd opgevat als een soort ‘super-medium’. (b) Ze hebben de ‘boodschap’ van een medium consequent opgevat als een propositionele inhoud die goeddeels onafhankelijk is van het medium dat het uitdrukt. (c) Ze begrijpen redeneren over het algemeen als het verwerken van deze propositionele inhouden volgens een bepaald systeem van regels. (d) De geest wordt gezien als de zetel van de media-onafhankelijke inhouden, of als het vermogen zich deze inhouden op een media-onafhankelijke manier eigen te maken. (e) Verder hebben filosofen een groot vertrouwen in wat je ‘de psychologische eenheid’ van de mens zou kunnen noemen; het wezen van de mens zou onveranderd gebleven zijn, zelfs al vertoont het medialandschap waarin hij zich beweegt grote verschuivingen. (f) Ons bewustzijn van onszelf en van de wereld is zo nauw verbonden met de media waarin we ons kunnen uitdrukken, dat het welhaast onmogelijk lijkt de relatie tussen deze twee te bestuderen. (g) De filosofie zelf, tenslotte, wordt gezien als een voortdurende zoektocht naar de antwoorden op vragen die gesteld zijn aan het begin van onze wijsgerige traditie. Deze eeuwige queeste zou niet worden beïnvloed door de manier waarop we met elkaar over de vragen en de antwoorden communiceren. Het is duidelijk dat in elk vakgebied binnen de wijsbegeerte wel een gegeven is aan te wijzen dat het ontbreken van enige filosofische reflectie op het verschijnsel boek mede kan verklaren. In de hedendaagse wijsbegeerte lijkt er echter een soort omslag plaats te vinden. Jacques Derrida bijvoorbeeld wijst op de centrale plaats van het schrift, en neemt de eigenaardigheden van het schriftsysteem tot uitgangspunt van zijn poging tot een communicatiebegrip te komen (vgl. Derrida 1972). Maar ook hier blijft de filosoof vooral gepreoccupeerd met zijn eigen traditie, en is er van een ontmoeting tussen boekwetenschap en filosofie eigenlijk geen sprake.5

5

In een college over Derrida, gegeven in het wintersemester van het collegejaar 2003-2004, werd veel aandacht geschonken aan de centrale rol van spatiëring (espacement) in de filosofie van Derrida (vgl. Derrida 1972, pp. 377-8). Het feit dat tekst gespatieerd is, werd evenwel zonder verdere discussie aangenomen. Re-


HET VERMOEDEN VAN EISENSTEIN

/ 11

2. Boeken Is er dan wellicht vanuit de boekwetenschap een poging ondernomen de filosofie nader te komen?6 Zijn er boekwetenschappers geweest die zich gewaagd hebben aan min of meer filosofische reflectie ten aanzien van het boek? De boekwetenschap is een vrij jonge discipline. De boekdrukkunst is weliswaar vrijwel vanaf de dag van haar uitvinding het onderwerp van een verhit debat geweest — men was er voor, of men was er tegen; de drukpers was een geschenk van God of een instrument van de duivel, al naar gelang de effecten die men aan de nieuwe uitvinding toeschreef7 — maar pas vanaf de negentiende eeuw is er op een wetenschappelijke grondslag onderzoek gedaan naar de uitvinding en de doorwerking van de boekdrukkunst (vgl. Hoftijzer 2003, p. 23). Dit leidde in eerste instantie tot de vervaardiging van betere onderzoeksinstrumenten, zoals een betrouwbaar bibliografisch apparaat, repertoria van lettertypen en van watermerken en dergelijke, en tot het schrijven van deelstudies. Pas daarna konden overzichtswerken verschijnen over de historische betekenis van de boekdrukkunst, zoals het baanbrekende werk van Lucien Febvre en Henri-Jean Martin: L’apparition du livre (1958).8 Met het verschijnen van overzichtswerken kwam het ook voor het eerst tot reflectie op het verschijnsel boek en op de betekenis die de uitvinding van de boekdrukkunst voor onze cultuur gehad zou kunnen hebben. Febvre en Martin keken bijvoorbeeld naar de uitwerking van de boekdrukkunst op historische fenomenen als de Renaissance en de Reformatie. Het besef dat men in de tweede helft van de twintigste eeuw wederom het onderwerp was van grote verschuivingen in het medialandschap gaf een extra stimulans aan deze vorm van onderzoek. Dit leidde onder meer tot klassiek geworden studies van Marshall McLuhan (The Gutenberg galaxy, 1962) en Elizabeth Eisenstein (The printing press as an agent of change, 1979). Het hoofdwerk van Elizabeth Eisenstein heeft niet alleen een vakgebied geopend, maar beheerst ook tot op heden de discussie die er gevoerd wordt (Grafton 2002, al. 5-6; Hoftijzer 2003, p. 24; Hudson 2002, pp. 83-84; Raven 1999, p. 223 n. 3). Haar werk is een poging de fundamentele veranderingen in kaart te brengen die zouden zijn veroorzaakt door de overgang van een cultuur waarin het schrift centraal stond naar een cultuur waarin het gedrukte

6

7

8

cente boekwetenschappelijke literatuur over het onderwerp (met name Saenger 1997) kwam niet aan de orde. Een voor de hand liggend voorbeeld is Robert Darntons beroemde studie naar de schrijf-, druk- en uitgeefgeschiedenis van de 35-delige Encyclopédie van Diderot en d’Alembert en de Encyclopédie méthodique, ou par ordre de matières van de uitgever Pancoucke (Darnton 1979), maar dat is niet het soort boek dat ik bedoel. Het gaat immers om een puur boekwetenschappelijk werk dat min of meer toevallig een belangrijk werk uit de filosofiegeschiedenis tot onderwerp heeft. Zie voor een beknopt overzicht van de vroege opvattingen over de boekdrukkunst Hoftijzer (2003) en met name het daarin geciteerde Swierk (1972). Grafton (2002) lijkt, ondanks de schijn van het tegendeel, grofweg tot dezelfde geschiedenis te komen. Welliswaar begint hij zijn inleiding tot het forum in de American Historical Review door te stellen dat ‘Historians and philosophers of history have been assessing the impact of print for some 500 years’ (al. 1), maar hij perkt de geschiedenis van de boekwetenschap in door op te merken dat de bibliografie pas als formele discipline ontwikkeld is vanaf de zeventiende eeuw (al. 2), en er pas vanaf het midden van de twintigste eeuw sprake was van een echte ‘historiografie van het boek’ (al. 3).


12 / HEINE SCHOLTENS

woord deze centrale plaats innam. De uitvinding van de boekdrukkunst zorgde voor een verhoogde productie van boeken, en maakte het mogelijk dat vrijwel identieke teksten en afbeeldingen over een groter publiek verspreid werden. De standaardiserende, conserverende en democratiserende werking van de boekdrukkunst is volgens Eisenstein verantwoordelijk geweest voor het succes van de Renaissance, van de Reformatie en van de wetenschappelijke revolutie. De verschuiving in het medialandschap had een verandering in de ervaring van de gebruiker van de tekst tot gevolg: in eerste instantie vooral met betrekking tot de tekst zelf en met betrekking tot de daarin overgeleverde kennis, maar in tweede instantie ook in zijn ervaring van de wereld buiten de tekst en in de ervaring van zijn persoonlijke identiteit. Deze overgang is in meer dan ĂŠĂŠn opzicht verwant aan de paradigmawisselingen zoals ze worden beschreven door Thomas Kuhn (1962). En daarmee zijn we weer bij de filosofie aangeland. De vraag die we ons nu kunnen stellen, is: op welke manier en onder welke voorwaarden kan The printing press as an agent of change van Elizabeth Eisenstein gebruikt worden voor filosofisch onderzoek? In wat volgt zal getracht worden deze vraag te beantwoorden. Daartoe zullen we eerst het werk van Eisenstein onder de loep nemen. Dat is het onderwerp van het tweede hoofdstuk. Eerst bespreken we de problematische vorm; daarna volgt een stapsgewijs overzicht van de hoofdpunten. In het derde hoofdstuk richten we onze aandacht op de reactie van de wetenschappelijke gemeenschap. We beginnen met een weergave van de hoofdpunten van het debat dat volgde op het verschijnen van The printing press as an agent of change; vervolgens zullen we de kritiek bespreken van Adrian Johns, tot op heden de meest doortastende criticus van het werk van Eisenstein. In het vierde hoofdstuk zullen we tenslotte trachten de eerder gestelde vraag te beantwoorden. Daartoe gaan we eerst na, voor welke wijsgerige disciplines het werk van Eisenstein van belang kan zijn. Omdat haar werk niet zonder problemen gebruikt kan worden, zullen we een voorstel doen voor een alternatieve manier waarop haar vragen beantwoord kunnen worden. Bij dat voorstel zal het werk van Johns een onverwachte rol spelen. Maar zover is het nog niet; laten we bij het begin beginnen.


HOOFDSTUK 2

ELIZABETH EISENSTEINS THE PRINTING PRESS AS AN AGENT OF CHANGE 1. Ter inleiding We hebben ons vragen gesteld over mogelijke raakvlakken tussen filosofie en boekwetenschap. Deze vragen hebben ons geleid naar een theoretische benadering binnen de boekwetenschap, namelijk die van Elizabeth Eisenstein. Op welke manier en onder welke voorwaarden zou haar werk gebruikt kunnen worden voor filosofisch onderzoek? In dit hoofdstuk zullen we dit werk bespreken. The printing press as an agent of change. Communications and cultural transformations in early-modern Europe (1979) is het belangrijkste boek van Eisenstein. Het is gebaseerd op een reeks beroemde artikelen;9 in 1983 verscheen een geïllustreerde samenvatting onder de titel The printing revolution in early modern Europe. Dit laatste, veel toegankelijkere werk zorgde ervoor dat de theorie van Eisenstein ook buiten de boekwetenschap opgeld deed. We beginnen onze bespreking van het werk van Eisenstein met een omschrijving van de opbouw van The printing press as an agent of change (§ 2). Daarbij zullen we zien, dat de indeling van het werk de lezer voor grote problemen kan stellen. Als we deze problemen opgelost hebben, zullen we onze aandacht richten op een inhoudelijke bespreking van Eisensteins theorie (§ 3). Deze inhoudelijke bespreking biedt ons de eerste aanwijzingen voor het beantwoorden van onze hoofdvraag. Het hoofdstuk zal worden afgesloten met een korte samenvatting (§ 4). 2. Vorm Elizabeth Eisensteins The printing press as an agent of change heeft een grote omvang: het telt maar liefst 794 pagina’s. Bij het lezen van deze pagina’s kan de lezer voor onverwachte problemen komen te staan. Deze problemen hebben er vooral mee te maken, dat het onduidelijk is, welk deel van het werk het belangrijkste is. Het lijkt zo te zijn, dat de indeling van The printing press as an agent of change niet in overeenstemming is met de opbouw ervan.

9

Vgl. Bouwsma (1979), p. 1356; Grafton (1980), p. 267; Grafton (2002), al. 5; Kelley (1981), p. 214; Westman (1980), p. 474. De bedoelde artikelen vindt men in de bibliografie onder Eisenstein (1966), (1968), (1969), (1970) en (1971).

— 13 —


14 / HEINE SCHOLTENS

In mijn lezing is het zo, dat het werk globaal uit vier onderdelen is opgebouwd. Allereerst geeft Eisenstein aan dat zich volgens haar een revolutionaire gebeurtenis heeft afgespeeld toen de boekdrukkunst werd uitgevonden, en geeft zij aan waarom deze gebeurtenis niet algemeen als revolutionair wordt beschouwd. Vervolgens schetst zij de bestanddelen van deze revolutie: zij geeft een beschrijving van vier terreinen waarop de uitvinding van de boekdrukkunst grote veranderingen teweeg heeft gebracht. Deze boekdrukrevolutie (printing revolution) leidde tot de vorming van een boekdrukcultuur (print culture). In het derde onderdeel worden de voornaamste kenmerken van deze boekdrukcultuur beschreven. Het werk sluit af met een illustratie van de mogelijkheden die deze theorie biedt voor de geschiedwetenschap, en wel aan de hand van drie historische voorbeelden: de Renaissance, de Reformatie en de wetenschappelijke revolutie. De indeling van The printing press as an agent of change is een geheel andere. Het werk bestaat uit twee boekdelen (volumes), die zijn onderverdeeld in drie gedeelten (parts). De onderverdeling in twee boekdelen kan een puur praktische oorzaak hebben en zal hier verder buiten beschouwing blijven. De indeling in drie gedeelten is echter opmerkelijk. Het eerste gedeelte bevat de drie stukken die hierboven zijn aangeduid als de eerste drie delen in de opbouw van het werk, samengebundeld in niet meer dan twee hoofdstukken. Dit maakt het zeer moeilijk de in de opbouw onderscheiden gedeelten twee en drie in hun onderlinge verhouding te zien. Het tweede gedeelte bevat de eerste twee historische voorbeelden, in twee hoofdstukken; het derde gedeelte tenslotte bevat het laatste voorbeeld, in maar liefst vier hoofdstukken. Deze incongruentie van opbouw en indeling heeft tot gevolg dat het voor de lezer van The printing press as an agent of change niet eenvoudig is de hoofdzaken in het werk te onderscheiden. Eisenstein loopt bovendien het risico dat veel kritiek op haar werk zal worden uitgelokt door onderdelen die in feite van secundair belang zijn.10 Ze lijkt zich van deze bezwaren bewust te zijn geweest want de indeling van The printing revolution in early modern Europe, de geïllustreerde samenvatting uit 1983, beantwoordt veel beter aan de logische opbouw van haar theorie. Deze samenvatting kent twee delen (parts). Het eerste deel bestaat uit de eerste drie gedeelten die we in de opbouw onderscheiden hebben, elk in een eigen hoofdstuk. Het tweede deel bestaat uit de uitwerking van de drie historische voorbeelden, ook elk in een eigen hoofdstuk.11 In het vervolg van dit hoofdstuk zal de indeling van The printing press as an agent of change min of meer terzijde worden geschoven en zal worden vastgehouden aan de opbouw in vier gedeelten, zoals deze hierboven onderscheiden is.

10

11

Vgl. Bouwsma (1979), p. 1356; Westman (1980), p. 474. We zullen op deze kritieken terugkomen in hoofdstuk 3, § 2. Dat de samenvatting bovendien in het eerste deel nog een vierde hoofdstuk kent waarin materiaal is terechtgekomen dat eigenlijk in hoofdstuk 3.6 thuishoort (hetgeen in de editie van 1979 nu juist wèl correct was), laten we hier verder maar buiten beschouwing.


HET VERMOEDEN VAN EISENSTEIN

/ 15

3. Inhoud Nu we hebben kennisgemaakt met de opbouw van Eisensteins hoofdwerk, is het tijd om onze aandacht te richten op de inhoud ervan. Deze inhoud zullen we bespreken in de vier gedeelten die in § 2 onderscheiden zijn. Allereerst (3.1) zullen we zien hoe Eisenstein de uitvinding van de boekdrukkunst beschrijft als een revolutionaire gebeurtenis, die door historici als zodanig erkend zou moeten worden. Vervolgens (3.2) zullen we zien wat er volgens haar veranderde in deze boekdrukrevolutie. Daarna (3.3) zullen we de voornaamste eigenschappen leren kennen van de boekdrukcultuur, die het gevolg was van de boekdrukrevolutie. Tot slot (3.4) zullen we zien hoe Eisenstein haar theorie toepast in historiografische voorbeelden. 3.1 Een miskende revolutie Elizabeth Eisensteins The printing press as an agent of change is een boek dat geschreven is vanuit de ervaring van een miskenning. Deze miskenning geldt het gegeven, dat er iets heel bijzonders is gebeurd in het vroegmoderne Europa. De uitvinding van de boekdrukkunst was een gebeurtenis die zijn gelijke niet kende (Eisenstein 1979, pp. 167-68). De meeste geschiedkundigen zijn het erover eens dat deze uitvinding op allerlei gebieden tot grote veranderingen leidde, maar eigenlijk is er niemand geweest die deze transformatie nauwkeurig in kaart heeft gebracht. Het oogmerk van The printing press as an agent of change is de genoemde transformatie gedetailleerd te beschrijven, en op die manier een einde te maken aan de miskenning van deze revolutionaire ontwikkeling door de geschiedswetenschap (a.w., p. xvi). Eisenstein houdt zich daarbij niet in eerste instantie bezig met de overgang van een orale cultuur naar een schriftcultuur, maar met de verschuiving van een cultuur waarin het handschrift centraal staat naar een cultuur waarin deze plaats wordt ingenomen door gedrukte teksten: een boekdrukcultuur. ‘[I]t is not the spread of literacy but how printing altered written communication within the Commonwealth of Learning which provides the main focus of this book’ (a.w., p. xiv). Een vraag die we ons kunnen stellen, is waarom deze belangrijke transformatie niet op algemene erkenning kan rekenen. Eisenstein geeft een aantal redenen, waarvan sommige een methodologisch karakter hebben en andere eerder praktisch van aard zijn. Methodologisch gezien is het problematisch de transformatie te bestuderen, omdat het erg moeilijk is de cultuur die verdwenen is voor ogen te krijgen. Een eerste probleem is, dat er heden ten dage geen pure schriftcultuur meer bestaat, die ons in staat zou stellen vergelijkend onderzoek te doen. Een tweede probleem is, dat als we onderzoek doen naar de schriftcultuur zoals deze in het verleden bestond, we voortdurend onze toevlucht moeten nemen tot middelen die ons slechts ter beschikking staan sinds de uitvinding van de boekdrukkunst. ‘[T]he conditions of scribal culture can only be observed through a veil of print’ (a.w., p. 8). Daar komt nog bij, dat ‘de schriftcultuur’ zeer pluriform was, en het dus moeilijk is er algemene uitspraken over te doen (a.w., p. 16). Ook in de praktijk van het historische onderzoek zijn oorzaken aan te wijzen voor de miskenning van de transformatie in kwestie. Er lijkt geen aanleiding te zijn tot onderzoek


16 / HEINE SCHOLTENS

naar het verschil tussen schriftcultuur en drukcultuur. Gedrukte tekst is zo alomtegenwoordig en zo algemeen geaccepteerd, dat we geen oog meer hebben voor de bijzonderheden van het fenomeen. Bovendien is er, omdat de boekdrukkunst in vrijwel ieder vakgebied een rol speelt, niemand die de verschillende aspecten van de uitvinding bijeenbrengt en de betekenis van de samenhang duidelijk maakt. 3.2 De transformatie van een schriftcultuur in een boekdrukcultuur De bestudering van de boekdrukrevolutie lijkt een afgesloten hoofdstuk, nog voordat het hoofdstuk ooit geschreven is (vgl. a.w., p. 31). Maar wat houdt de transformatie van een schriftcultuur in een boekdrukcultuur precies in? Op welke gebieden zijn veranderingen te bespeuren? In de beschrijving die Eisenstein geeft van de ‘communicatierevolutie’ (a.w., p. 37) die plaatsvond in de tweede helft van de vijftiende eeuw, kunnen we een viertal groepen onderscheiden (vgl. Eisenstein 1983, p. 40). Deze groepen betreffen achtereenvolgens (3.2.1) de kwantitatieve aspecten van het boek, (3.2.2) de kwalitatieve aspecten van het boek, (3.2.3) de omstandigheden van producenten en (3.2.4) de omstandigheden van consumenten. We zullen ze hieronder bespreken. 3.2.1. De kwantitatieve aspecten van het boek Ten eerste was er sprake van een plotselinge toename van het aantal beschikbare boeken en een plotselinge afname van het aantal manuren dat nodig was om een boek te maken. Deze verandering is niet te vergelijken met eerdere productieverhogingen, zoals die bijvoorbeeld werden bereikt door de invoering van het pecia-systeem. De toename van de productie was dusdanig, dat tijdgenoten niet aarzelden deze aan bovennatuurlijke krachten toe te schrijven. ‘It should not be too difficult to obtain agreement that an abrubt rather than a gradual increase did occur in the second half of the fifteenth century’ (Eisenstein 1979, p. 51). 3.2.2. De kwalitatieve aspecten van het boek De veranderingen in het uiterlijk van de geproduceerde boeken waren veel minder abrupt. Drukkers deden hun uiterste best om manuscripten zou getrouw mogelijk te imiteren, en na de introductie van de boekdrukkunst imiteerden handschriften ook het uiterlijk van gedrukte werken. Toch was de veranderde productiewijze niet zonder gevolgen. De uitvinding van de boekdrukkunst leidde tot een aantal ontwikkelingen die bedoeld waren het gemak van de lezer te vergroten, zoals kopregels, voetnoten en inhoudsopgaven. Het werd gebruikelijk een werk van een titelpagina te voorzien; illustraties zoals afbeeldingen en kaarten waren voortaan in alle exemplaren uniform. 3.2.3. De omstandigheden van producenten De veranderde wijze van boekproductie leidde tot een hervorming van de beroepsgroep van boekvervaardigers. ‘The advent of printing led to the creation of a new kind of shop structure; to a regrouping which entailed closer contacts among diversely skilled workers and en-


HET VERMOEDEN VAN EISENSTEIN

/ 17

couraged new forms of cross-cultural interchange’ (a.w., p. 55). De drukkerswerkplaats ontwikkelde zich tot een ontmoetingsplaats voor notabelen en intellectuelen. Bovendien werd het maken van boeken werd een zeer commerciële onderneming. 3.2.4. De omstandigheden van consumenten Naast deze vrij zichtbare veranderingen, was er ook sprake van veranderingen in de consumptie van teksten, die moeilijker op het spoor te komen zijn. Het is volgens Eisenstein moeilijk uitspraken te doen over bijvoorbeeld het niveau van geletterdheid, de voorkeur voor bepaalde genres en de beheersing van het Latijn. Toch zijn er wel een aantal dingen te zeggen. Wel staat vast dat de overdracht van informatie door middel van tekst na de introductie van de boekdrukkunst veel efficiënter werd. Daardoor werd de rol van geheugentechnieken teruggedrongen. 3.3 Karakteristieken van de boekdrukcultuur Zoals gezegd waren de vier genoemde groepen van veranderingen onderdeel van een communicatierevolutie, die leidde tot een cultuur waarin gedrukte tekst centraal stond. Maar wat was er nu zo bijzonder aan deze boekdrukcultuur? Eisenstein onderscheidt een zestal kenmerkende eigenschappen. De eigenschappen betreffen achtereenvolgens (3.3.1) de verspreiding van teksten, (3.3.2) de standaardisatie van teksten, (3.3.3) de rationalisatie van teksten, (3.3.4) de mogelijkheden van dataverzameling, (3.3.5) de conservering van kennis en (3.3.6) de afzondering van sociale groepen. We zullen ze hieronder bespreken. 3.3.1. De verspreiding van teksten Na de uitvinding van de boekdrukkunst kon men binnen afzienbare tijd over veel meer teksten beschikken. Het ging hierbij in eerste instantie niet om teksten waarin nieuwe theorieën uiteengezet werden, maar om een mengsel van oud, gecanoniseerd materiaal. De ruimere beschikbaarheid van oude teksten maakte het mogelijk om verschillende teksten te raadplegen en te vergelijken, waardoor verschillen van opvatting eerder aan het licht kwamen en de vorming van nieuwe ideeën werd gestimuleerd. ‘Increased output directed at relatively stable markets, in short, created conditions that favoured new combinations of old ideas at first and then, later on, the creation of entirely new systems of thought’ (a.w., p. 75). In de drukkerswerkplaats was de beschikbaarheid van teksten het grootst; bovendien waren buitenlanders graag geziene gasten. Mede daarom deed de drukkerswerkplaats dienst als onderzoeksschool. ‘Printing encouraged forms of combinatory activity which were social as well as intellectual. It changed relationships between men of learning as well as between systems of ideas’ (a.w., p. 76).


18 / HEINE SCHOLTENS

3.3.2. De standaardisatie van teksten De technieken van de vroege boekdrukkers leidden niet tot het soort standaardedities waar wij tegenwoordig mee vertrouwd zijn, maar het werd wel mogelijk de in een editie gemaakte fouten eenvoudig te lokaliseren en te herstellen. Dit gebeurde bijvoorbeeld door na verloop van tijd een nieuwe editie uit te geven of door middel van de uitgifte van een blad met ‘errata’. Op deze manier konden min of meer uniforme teksten een grote verspreiding bereiken. Deze opkomst van het uniforme leidde volgens Eisenstein op haar beurt tot een nieuwe waardering van het oorspronkelijke. Standaardisering leidde tot een grotere erkenning van de bestaande diversiteit in bijvoorbeeld bouw- en kledingstijlen. ‘Concepts pertaining to uniformity and diversity — to the typical and to the unique — are interdependent. [...] In this regard one might consider the emergence of a new sense of individualism as a by-product of the new forms of standardization’ (a.w., p. 84). 3.3.3. De rationalisatie van teksten De wijze waarop teksten na de uitvinding van de boekdrukkunst georganiseerd werden, had gevolgen voor de manier waarop mensen nadachten. ‘Basic changes in book format might well lead to changes in thought patterns’ (a.w., p. 89). Het alfabet werd steeds belangrijker als ordeningsprincipe, onder meer door de opkomst van de verkoopcatalogus en de index. Ook in de schriftcultuur was sprake geweest van pogingen informatie lexicografisch te ordenen, maar de boekdrukkunst bracht in deze pogingen een nieuwe uniformiteit en bood nieuwe hulpmiddelen om oude doelen te realiseren. In dit proces werd de index bovendien een steeds neutraler hulpmiddel: het ging niet langer om een overzicht van morele voorbeelden, maar om een overzicht van objectieve zaken, zoals namen en geografische locaties. Door het maken van een dergelijke index leerde men op een andere manier naar teksten kijken. De zichtbare veranderingen in de organisatie van tekst hadden moeilijk te bespeuren gevolgen voor de manier van denken van lezers. ‘Increasing familiarity with regularly numbered pages, punctuation marks, section breaks, running heads, indexes and so forth helped to reorder the thought of all readers, whatever their profession or craft’ (a.w., pp. 105-6). 3.3.4. De mogelijkheden van dataverzameling Alhoewel het aantal fouten en onduidelijkheden in teksten alleen maar lijkt te zijn toegenomen na de uitvinding van de boekdrukkunst, is toch duidelijk dat gewetensvolle drukkers in staat waren hun uitgaven in opeenvolgende edities te verbeteren. ‘[I]n the very course of accelerating a process of corruption, which had gone on in a much slower and more irregular fashion under the aegis of scribes, the new medium made this process more visible to learned men and offered a way of overcoming it for the first time’ (a.w., p. 108). Voor het eerst deed zich de mogelijkheid van terugkoppeling voor. ‘After printing, large-scale datacollection did become subject to new forms of feed-back which had not been possible in the age of scribes’ (a.w., p. 111).


HET VERMOEDEN VAN EISENSTEIN

/ 19

3.3.5. De conservering van kennis ‘Of all the new features introduced by the duplicative powers of print, preservation is possibly the most important’ (a.w., p. 113). In de schriftcultuur betekende elke vermenigvuldiging van een tekst tevens een onoverkomelijke corruptie. De uitvinding van de boekdrukkunst betekende in dit opzicht een belangrijke doorbraak, doordat de mogelijkheid ontstond teksten in grote hoeveelheden te produceren. Dat betekende ook dat de boekdrukkunst een democratiserende werking had: een tekst die vroeger slechts voor enkelen bereikbaar was, stond nu tot de beschikking van veel meer mensen.12 Deze democratiserende werking toonde zich ook in de grotere waardering waarin individuele prestaties zich mochten verheugen; de grotere erkenning van de auteur als persoon is één van de belangrijkste exponenten van deze ontwikkeling. ‘Preservation of the old, in brief, was a prerequisite for a tradition of the new’ (a.w., p. 124). 3.3.6. De afzondering van sociale groepen Vanaf het moment dat de boekdrukkunst werd uitgevonden werd het materiaal uit een beperkte, handschriftelijke bron voortdurend opnieuw gebruikt voor verschillende uitgaven. Deze voortdurende herhaling droeg bij aan de vorming van stereotypen en clichés — niet toevallig termen die we aan de praktijk van het drukken te danken hebben. Dit gebeurde in elk van de volkstalen op een andere manier, hetgeen bijdroeg aan de vorming van een nationale identiteit. Ook in de samenleving werden groepen afgezonderd. Terwijl het publiek in een orale samenleving bijeenkwam om samen te luisteren, was het leespubliek verspreid en individueel.13 Er ontstonden verschillende publieken voor verschillende genres, zoals jeugdliteratuur en vrouwenliteratuur. De traditionele gemeenschap loste op ten gunste van nieuwe, verspreide gemeenschappen. De komst van de boekdrukkunst bracht ook de totstandkoming van een nieuwe sociale groep met zich mee, namelijk die van broodschrijvers en andere mensen die voor hun inkomen afhankelijk waren van de pers. Het betekende de opkomst van de intellectuelen als een afgescheiden sociale klasse.

12

13

Eisenstein is zowel in The printing press as an agent of change als in The printing revolution in early-modern Europe zeer expliciet in haar onderscheid van zes karakteristieken van de drukcultuur. Er valt echter veel voor te zeggen ‘democratisering’, dat door haar niet afzonderlijk genoemd wordt, als zevende karakteristiek aan te merken. Hier treedt Eisenstein in feite buiten haar onderwerp. Ze gaf immers eerder te kennen dat haar onderzoek zich zou richten op de transformatie van een schriftcultuur in een boekdrukcultuur en niet op de verspreiding van geletterdheid binnen een orale samenleving (Eisenstein 1979, p. xiv). Nu was de schriftcultuur natuurlijk óók min of meer een orale cultuur, zoals de boekdrukcultuur tevens een orale cultuur èn een schriftcultuur is, maar dat doet aan het bezwaar niet af. Eisensteins bespreking van de orale samenleving blijft noodzakelijkerwijs zeer summier. Voor een grondiger bespreking van het verschil tussen een orale cultuur en een schriftcultuur zie Ong (1982).


20 / HEINE SCHOLTENS

3.4 Historiografische toepassingen Eisenstein heeft nu duidelijk gemaakt dat er een grote transformatie is opgetreden in het vroegmoderne Europa: de overgang van een schriftcultuur naar een boekdrukcultuur. Ze heeft aangegeven wat de voornaamste gebieden zijn waarop veranderingen zijn opgetreden. Ook heeft ze zes karakteristieken geschetst van de boekdrukcultuur. Wat rest is de uitwerking van een drietal historische voorbeelden aan de hand waarvan Eisenstein de waarde van haar benadering voor de geschiedwetenschap illustreert. De uitwerking van deze voorbeelden — de Renaissance (3.4.1), de Reformatie (3.4.2) en de wetenschappelijke revolutie (3.4.3) — vormt het leeuwendeel van The printing press as an agent of change. Welbeschouwd zijn de voorbeelden echter slechts van secundair belang; daarom zullen we ze relatief kort bespreken. 3.4.1. De Renaissance De uitvinding van de boekdrukkunst heeft een belangrijke rol gespeeld in de culturele transformatie die we de Renaissance noemen, maar lijkt zich te onttrekken aan de gebruikelijke periodiseringen. Om deze paradox te verklaren moeten we onze aandacht vestigen op de centrale rol die de boekdrukkunst in de Renaissance gespeeld heeft. ‘Instead of coupling the advent of printing with other innovations or regarding it as an example of some other development, we must single it out as an event which was sui generis and to which conventional models of historical change cannot be applied’ (a.w., pp. 167-8). Al eerder waren er oplevingen geweest in de interesse voor de klassieke oudheid, zoals bijvoorbeeld de Karolingische Renaissance. Maar met de introductie van de boekdrukkunst verloor de Italiaanse opleving in de tijd van Petrarca haar specifiek lokale karakter. De idealen van het humanisme vonden uiteindelijk verspreiding over heel Europa en over alle vakgebieden. In de Renaissance zijn zo twee fasen te onderscheiden: een beperkte, mogelijk tijdelijke opleving, en een opleving met een universeel en duurzaam karakter, die daarvoor in de plaats kwam na de uitvinding van de boekdrukpers. Verschillende eigenschappen die als kenmerkend worden gezien voor de Renaissance zijn slechts te begrijpen als we ze in verband brengen met de mogelijkheden die de boekdrukkunst bood. Het vermogen het verleden van een afstand te bezien bijvoorbeeld, kon slechts worden ontwikkeld nadat de uitvinding van de boekdrukpers een reorganisatie van historische gegevens en een onderlinge vergelijking van historische tijdrekenmechanismen mogelijk had gemaakt (a.w., p. 192). Tevens slaagde men er pas in, klassieke teksten permanent beschikbaar te stellen, toen het mogelijk werd de tekst van teruggevonden handschriften in druk te verspreiden. ‘Until the advent of printing [...] a sustained and permanent recovery of all portions of the antique heritage remained out of reach’ (a.w., p. 217). Een derde eigenschap die als kenmerkend word gezien voor de Renaissance, is de totstandkoming van onze moderne vorm van zelfbewustzijn. De opkomst van individualiteit


HET VERMOEDEN VAN EISENSTEIN

/ 21

werd volgens Eisenstein mogelijk gemaakt door de uitvinding van de boekdrukkunst (a.w., p. 232); de ontwikkeling van de auteur als persoonlijkheid is hiervan een goed voorbeeld. Bovendien werd het ook voor ‘gewone’ mensen mogelijk hun levensverhaal voor het nageslacht te bewaren. Tenslotte is ook het bekende fenomeen van de uomo universale tenslotte is beter te verklaren als we de eigenschappen van de boekdrukcultuur in aanmerking nemen. Enerzijds is het zo, dat wij door de bestendigheid van kennis sinds de uitvinding van de boekdrukkunst meer weten over bijzondere individuen, en derhalve eerder geneigd zijn hen als zodanig te erkennen. Anderzijds werd het dankzij de uitvinding van de boekdrukkunst mogelijk om theoretische en praktische kennis met elkaar te combineren. Een onoverzichtelijke maar vruchtbare kruisbestuiving was hiervan het gevolg (a.w., p. 249, vgl. p. 554). 3.4.2. De Reformatie De rol van de boekdrukkunst in de Reformatie wordt niet zo snel over het hoofd gezien. Het protestantisme was de eerste beweging die de boekdrukpers aanwendde voor propagandistische doeleinden. Protestanten zagen de boekdrukkunst als een door God gegeven uitvinding. De vijfennegentig thesen van Luther kenden bijvoorbeeld een opmerkelijke verspreidingsgraad. Wederom is de fixerende werking van de boekdrukkunst van groot belang: al eerder waren er ketterse opvattingen geweest, maar niet eerder konden ze zo hardnekkig zijn. ‘Thus medieval heresies can be distinguished from the Protestant Revolt in much the same manner as medieval revivals from the Italian Renaissance. In both instances, localized transitory effects were superseded by widespread permanent ones’ (a.w., p. 311). Ook op een andere manier zette de uitvinding van de boekdrukkunst de katholieke kerk onder druk. De Vulgaat werd op twee fronten aangevallen: enerzijds van de kant van de geleerde bijbelstudie, anderzijds van de kant van bijbelvertalingen in de volkstaal. In beide aanvallen zijn de economische overwegingen van boekdrukkers een belangrijke factor geweest in de verspreiding van de Reformatie (a.w., p. 353). De textuele diversiteit van overgeleverde bijbels gaf aanleiding tot een vrijwel oneindige reeks onderzoekingen. Deze linguïstische, historische, geografische en numismatische onderzoeken vonden onder meer hun beslag in de uitgave van polyglotte bijbels; de autoriteit van de bijbeltekst werd hiermee ter discussie gesteld. Een andere zaak was het lezen van de bijbel in de volkstaal. In protestante landen werd het lezen van vertalingen gestimuleerd, maar de katholieke kerk handhaafde voor zover mogelijk een beleid van restrictie en ontmoediging. De angst voor ketterij leidde tot een hevige censuur; de eerste Index van verboden boeken verscheen in 1559. De vertalingen bestemd voor katholieke landen verschenen vanaf dat moment veelal in het buitenland. ‘Eager to expand markets and diversify production, the enterprising publisher was the natural enemy of narrow minds’ (a.w., p. 419). De katholieke kerk veranderde echter niet alleen van aanzien door aanvallen van buitenaf. Door toedoen van de boekdrukkunst veranderde de orthodoxe leer ook van binnenuit. Voor het eerst werd het mogelijk te staan op uniformiteit in de aanbidding van God. De liturgie werd gestandaardiseerd en vastgelegd; de verspreiding van het geloof over de gehele


22 / HEINE SCHOLTENS

wereld werd mogelijk gemaakt. ‘On the whole, it seems safe to conclude that all the problems associated with the disruption of Western Christendom will become less baffling if we approach them by respecting the order of events and put the advent of printing ahead of the Protestant Revolt’ (a.w., p. 450). 3.4.3. De wetenschappelijke revolutie Ook bij het beschrijven van de opkomst van de moderne wetenschap zouden geschiedkundigen meer rekening moeten houden met de rol van de boekdrukkunst (a.w., p. 459). De boekdrukkunst was op twee manieren van groot belang voor de ontwikkeling van de moderne natuurwetenschappen: enerzijds door oud materiaal in veelvoud toegankelijk te maken en anderzijds door nieuwe mogelijkheden te bieden voor de publicatie van onderzoeksresultaten. Het belang van de beschikbaarheid van oud materiaal is te illustreren aan de hand van de geschiedenis van de astronomie. ‘If the importance of archival research for astronomers were to receive more attention, the early phases of the Copernican revolution could be more clearly related to concurrent changes transforming libraries and book routes’ (a.w., p. 578). Copernicus was door de grotere beschikbaarheid van teksten veel beter in staat van verschillende astronomische theorieën kennis te nemen. Bovendien kon hij voor een zeer lange periode over empirische gegevens beschikken, omdat deze beschikbaar waren in gedrukte edities. Het nieuwe programma van astronomische observaties werd bestendigd onder invloed van de boekdrukkunst. ‘What was unprecedented (with new stars and new worlds alike) was the way observed phenomena could be recorded and confirmed’ (a.w., pp. 601-2). Een ander goed voorbeeld is de cartografie. Ook in de Middeleeuwen werden er pogingen in het werk gesteld om een goede atlas te maken, maar de verspreiding van deze atlas was beperkt tot één exemplaar. Eventuele afschriften waren onmiddellijk aan degradatie onderhevig. Deze beperkte verspreiding belemmerde het systeem van terugkoppeling waarop de autoriteit van de moderne atlas is gebaseerd. De boekdrukkunst bood ook nieuwe mogelijkheden voor de publicatie van onderzoeksresultaten. Illustraties werden steeds nauwkeuriger en waren door hun ruime verspreiding minder vatbaar voor corruptie. De boekdrukkunst nam wetenschappers ook werk uit handen en bood zo tijd voor pure nieuwsgierigheid (a.w., p. 662). Dat wil echter niet zeggen dat publicatie altijd probleemloos verliep; we moeten de moeilijkheden die zich hebben voorgedaan bij de publicatie van baanbrekende werken niet buiten beschouwing laten als we de geschiedenis van de wetenschappen bestuderen (a.w., p. 642). 4. Ter afsluiting We hebben kennis gemaakt met het werk van Elizabeth Eisenstein en met name met haar The printing press as an agent of change. Eisenstein is van mening dat de uitvinding van de boekdrukkunst een revolutionaire ontwikkeling is geweest die als zodanig door de geschiedwetenschap erkend zou moeten worden. De uitvinding van de boekdrukkunst leidde tot re-


HET VERMOEDEN VAN EISENSTEIN

/ 23

volutionaire veranderingen in de kwantitatieve en kwalitatieve aspecten van het boek en in de omstandigheden van producenten en consumenten van tekst. Deze ‘boekdrukrevolutie’ leidde tot de vorming van een cultuur waarin gedrukte tekst centraal staat, de zogenaamde ‘boekdrukcultuur’. Deze boekdrukcultuur is door Eisenstein gekarakteriseerd in termen van de verspreiding, standaardisatie en rationalisatie van teksten, de mogelijkheden van dataverzameling, de conservering van kennis en de afzondering van sociale groepen. Pas als we de karakteristieken van de boekdrukcultuur kennen, kunnen we ontwikkelingen die traditioneel geassocieerd worden met de totstandkoming van de moderne tijd — de Renaissance, de Reformatie en de wetenschappelijke revolutie — werkelijk begrijpen. Onze kennismaking met het werk van Eisenstein betekent een eerste opmaat tot beantwoording van onze hoofdvraag. Maar voor het zover is, zullen we proberen het werk van Eisenstein in perspectief te plaatsen. In het volgende hoofdstuk zullen we daarom kijken hoe de wetenschappelijke gemeenschap gereageerd heeft op Eisensteins voorstellen.


HOOFDSTUK 3

DE KRITISCHE ONTVANGST VAN THE PRINTING PRESS AS AN AGENT OF CHANGE 1. Ter inleiding In het voorgaande hebben we het gehad over Elizabeth Eisensteins theoretische benadering van de uitvinding van de boekdrukkunst. Voor we de vraag naar de bruikbaarheid van haar werk voor filosofisch onderzoek kunnen beantwoorden, is het wellicht goed om te kijken hoe de wetenschappelijke gemeenschap heeft gereageerd op haar voorstellen. Dat is wat we in dit derde hoofdstuk zullen doen. Allereerst zullen we onze aandacht richten op de ontvangst die het werk bij verschijnen ten deel viel (§ 2). Bij de bespreking daarvan zal duidelijk worden, dat er nogal wat op het werk van Eisenstein aan te merken valt. Maar het zal ook duidelijk worden, dat deze eerste golf van kritiek moeite heeft door te dringen tot de kern van Eisensteins theorie. Daarom zullen we onze aandacht richten op een recente opleving in het Eisenstein-debat (§ 3). In deze opleving staat het werk centraal van Adrian Johns, met name zijn The nature of the book (1998). Hij is in staat één van de centrale elementen in de theorie van Eisenstein te bekritiseren. Deze kritiek verschaft ons niet alleen een perspectief op het werk van Eisenstein; het alternatief dat hij biedt zal ons nog van pas komen bij de beantwoording van onze hoofdvraag. Het hoofdstuk zal worden afgesloten met een korte samenvatting (§ 4). 2. De ontvangst bij verschijnen Het werk van Elizabeth Eisenstein bleef niet onopgemerkt. In vrijwel alle secundaire literatuur over Eisenstein is sprake van het feit dat haar omvangrijke studie een wijdverspreid debat veroorzaakte. De informatieve waarde van een dergelijke mededeling is echter gering, zolang niet duidelijk is wat de daadwerkelijke omvang van het debat was en wat het onderwerp van gesprek. In de bijlage vindt men een zo volledig mogelijk overzicht van de kritische reacties op The printing press as an agent of change.14 Daaruit blijkt, dat in de vier jaar na het verschijnen van The printing press as an agent of change bijna zestig besprekingen aan het boek wer-

14

In de bijlage vindt men ook een verwijzing naar het werk van McNally, die als enige getracht heeft de omvang van het debat in kaart te brengen. Helaas heeft zijn werk een zeer beperkte verspreiding gevonden.

— 25 —


26 / HEINE SCHOLTENS

den gewijd. Dat is inderdaad een opmerkelijk aantal. Maar wat ons op dit moment vooral interesseert, is de vraag hoe men op Eisensteins werk reageerde. In de kritische besprekingen van The printing press as an agent of change toonde men over het algemeen bewondering voor de reikwijdte en de omvang van Eisensteins onderneming, maar deze bewondering was vaak niet meer dan een welwillende inleiding op een kritiek, die zeer heftige vormen kon aannemen15. In het volgende wil ik een aantal representatieve reacties bespreken. Deze betreffen allereerst Eisensteins stijl (2.1), vervolgens haar werkwijze (2.2) en tenslotte de inhoud van haar werk (2.3). 2.1 Stijl Over Eisensteins stijl was men het min of meer eens: men achtte de twee delen bijkans onleesbaar. Marshall McLuhan memoreert haar vaststelling dat het ‘one of the ironies of the history of Western civilization’ is dat de geleerde bijbelstudie, die erop gericht was de zuivere Christelijke waarheid aan het licht te brengen, ertoe leidde dat tussen bijbellezer en Heilige Schrift een ‘impenetrable thicket of recondite annotation’ werd opgetrokken, dat wil zeggen een ondoordringbare kluwen van moeilijk te doorgronden aantekeningen (Eisenstein 1979, p. 700). Om vervolgens uit te halen: ‘Many readers will find the two volumes of Professor Eisenstein no less of an impenetrable thicket of recondite annotation than that which confronts the readers of the Holy Book’ (McLuhan 1981, p. 98). Donald Kelley noemt het werk van Eisenstein ‘one of the most curious and impenetrable examples of latter-day scholasticism that I have ever encountered’ (1981, p. 214); Peter Laslett, die van alle van de hier besproken critici nog het mildst is, noemt het ‘quintessentially monotonous’ (1981, p. 83). Bovendien vindt men het werk te lang: ‘As to length, Kuhn’s Structure rather than Gibbon’s Decline and Fall would have been a better ideal for an age that admires pithiness’ (Westman 1980, p. 477). Maar het meest moet haar strijdlustige toon het ontgelden: ‘[I]t is a pity that the author has chosen to adopt such a polemical and often pugnacious approach’ (Kelley 1981, p. 213). Het voortdurende polemiseren, door Westman (1980, p. 477) ‘redundant hammering’ en door Grafton (1980, p. 271) ‘an unpleasant [...] tone of hectoring’ genoemd — dat voortdurende polemiseren werkt averechts, omdat het zelfs bij een aanvankelijk welwillende lezer verzet oproept (Bouwsma 1979, p. 1357). 2.2 Werkwijze Maar, en daarmee komen we bij het volgende punt van kritiek, de strijdlustige aanpak van Eisenstein is onlosmakelijk verbonden met de werkwijze die zij in The printing press as an agent of change hanteert. Het werk is immers niet zozeer historisch, als wel methodologisch van aard. Natuurlijk gaat het over het belang van de uitvinding van de boekdrukkunst voor de loop van de geschiedenis. Maar het belangrijkste is, dat geschiedkundigen het belang van de 15

Van der Weel zegt in zijn terugblik op het verschijnen van The printing press as an agent of change dat het werk ‘juichend ontvangen’ werd (2003, p. 3). Die bewering stemt niet overeen met mijn bevindingen.


HET VERMOEDEN VAN EISENSTEIN

/ 27

boekdrukrevolutie onderkennen en hun werkzaamheden afstemmen op het bestaan van een boekdrukcultuur. ‘The strategy of the book, in fact, might best be characterized as a historiographical critique’ (Westman 1980, p. 476) — een werkwijze waarbij Eisenstein een onwaarschijnlijke hoeveelheid opponenten verzamelt (vgl. Bouwsma 1979, p. 1357; Kelley 1981, p. 214). Het methodologische karakter van het werk leidt ertoe, dat Eisenstein zich een heel typische manier van spreken aanmeet: ze doet geen uitspraken over hoe het vroeger was, maar geeft aan hoe het eventueel zou kunnen blijken te zijn geweest, als er maar onderzoek naar gedaan zou worden. Zinsneden als ‘something more should be said about’, ‘might be the case’ en ‘the entire problem has to be thought through again’ keren met een opvallende regelmaat terug (Westman 1980, pp. 475, 476).16 Ze blijft steken in generaliserende opmerkingen die eerder kenmerkend zijn voor een compilatie dan voor een wetenschappelijke studie — Grafton noemt het grootste deel van Eisensteins studie ‘a world of textbookstyle generalities’ (1980, p. 271; vgl. Kelley 1981, p. 214). Eisensteins algemene uitspraken zouden gebaat zijn bij een illustratie aan de hand van voorbeelden uit de praktijk. Haar voorbeelden zijn echter vrijwel zonder uitzondering ontleend aan secundaire literatuur. Dit stuit over het algemeen op bezwaren (Bouwsma 1979, p. 1357; Grafton 1980, pp. 269-270; Kelley 1981, p. 214; Westman 1980, p. 476). Maar het zou zo erg nog niet zijn, als het niet zo was dat ze secundaire literatuur die ze gebruikt geweld aandoet om haar eigen theorie kracht bij te zetten, zoals wordt aangetoond door Grafton. ‘I do not think that anyone who has read the works on which Eisenstein relies would agree that her account of them is entirely judicious’ (Grafton 1980, p. 272). Dit heeft vanzelfsprekend gevolgen voor de geldigheid van Eisensteins beschrijving van de verschuiving van een schriftcultuur naar een boekdrukcultuur en van de intellectuele implicaties van deze verschuiving. Het betekent ook dat het open karakter van haar methodologische raadgevingen ter discussie staat. De vrijblijvendheid van haar suggesties lijkt in eerste instantie van ‘speculative open-mindedness’ te getuigen, maar ‘the regularity with which they are invoked sometimes renders a sense that the explanatory vessel might spring leaks if one were to attempt to set it afloat’ (Westman 1980, p. 475). In plaats van onbevooroordeeld lijkt Eisenstein zo eerder verongelijkt: ‘the insistent repetition of the innuendo: “Well, if printing doesn’t explain it all, it explains a great deal, does it not? And it has been neglected, hasn’t it?”’ (Laslett 1981, p. 85). En dat is jammer, want met deze stofwolken ontneemt ze ons het zicht op wat werkelijk belangrijk is: de inhoud van haar theorie (vgl. Kelley 1981, p. 216).

16

Het is vrij eenvoudig een hele bloemlezing van dergelijke zinsneden samen te stellen. Het zou me niet verbazen als John Eisenstein zaliger juist dit taalgebruik op het oog had toen hij zijn moeder berispte middels zijn statistische ‘fog-count’ (vgl. Eisenstein 1979, xxi). Voor een aardige analyse van andere aspecten van Eisensteins stijl, zie Teigen (1987), m.n. pp. 10-12.


28 / HEINE SCHOLTENS

2.3 Inhoud Daarmee zijn we aangekomen bij waar het allemaal om begonnen was — Eisensteins theorie over de boekdrukrevolutie en de boekdrukcultuur, en daarmee ook bij het volgende punt van kritiek. Want dat men kritiek heeft op Eisensteins theorie laat zich raden, na het voorgaande. Over het algemeen is men het erover eens dat Eisenstein, alhoewel ze de boekdrukkunst zeer nadrukkelijk presenteert als ‘an agent of change’ (vgl. Eisenstein 1979, pp. xv-xvi) — als een factor van verandering die het bestaan van andere factoren niet uitsluit — de boekdrukkunst toch te veel naar voren brengt als ‘the agent of change’, en dus andere factoren veronachtzaamt (Grafton 1980, p. 267). Op deze manier wordt er te veel verklarende kracht aan de boekdrukkunst toegekend (a.w., p. 285; Westman 1980, p. 476). Dit is mijns inziens de centrale misvatting in het werk van Eisenstein. Ze heeft het idee dat de uitvinding van de boekdrukkunst een ontwikkeling is die zijn gelijke niet kent, en derhalve een ontwikkeling waarop conventionele historische modellen niet van toepassing zijn (Eisenstein 1979, pp. 167-8). Deze misvatting zou ik graag de ‘Gutenberg-fallacy’ willen noemen, met een knipoog naar het werk van Marshall McLuhan. Het begaan van de Gutenberg-fallacy betekent, de uitvinding van de boekdrukkunst een eigen verklarende kracht toe te dichten en deze uitvinding vervolgens aan te halen als factor, die zonder meer het welslagen van andere historische ontwikkelingen kan verklaren. Dit is een misvatting, omdat de uitvinding van de boekdrukkunst een historische ontwikkeling is, die zelf om een verklaring vraagt. Het begaan van de Gutenberg-fallacy leidt tot een eenzijdige benadering, door Westman ook wel een ‘typographocentric perspective’ (1980, p. 476) genoemd, heeft twee keerzijden. Enerzijds heeft Eisenstein te weinig aandacht voor andere, met name sociale aspecten van de ontwikkeling die ze beschrijft; anderzijds kan ze, door te staan op de uitzonderlijkheid van de uitvinding van de boekdrukkunst aan de eigenschappen van de schriftcultuur geen recht doen. Om met de eerste keerzijde te beginnen: ‘One ought to be able to make a case for the significance of printing without minimizing the importance of everything else’ (Bouwsma 1979, p. 1357). Met haar nadruk op de boekdrukkunst als de oorzaak van grootschalige veranderingen in het vroegmoderne Europa bewijst ze ons begrip van de geschiedenis geen dienst (Kelley 1981, p. 215). ‘[B]y singling out from all social contexts such features as authorship, retrievability, and data collection as the dominant properties of typographical culture, she fails to perform an equally deep analysis of other cultures such as those of court and university’ (Westman 1980, p. 476). De boekdrukkunst wordt zo ‘an independent force in human affairs’ (Bouwsma 1979, p. 1357). Deze eenzijdigheid is voor sommigen zelfs genoeg Eisensteins capaciteiten als geschiedkundige in twijfel te trekken: ‘She is wall-eyed, as the English rural phrase has it, to an extent which the truly eminent historian could not afford to be’ (Laslett 1981, p. 84). Deze lijn van kritiek zal later door Johns verder ontwikkeld worden (vgl. § 4).


HET VERMOEDEN VAN EISENSTEIN

/ 29

De andere keerzijde was, zoals gezegd, dat Eisenstein door haar wens de boekdrukkunst als explanans sui generis te zien, gedwongen is de breuk tussen schriftcultuur en drukcultuur veel te groot voor te stellen (Westman 1980, p. 476). ‘She wishes above all to keep the nature of print seperate from the nature of the manuscript culture which preceded it’ (McLuhan 1981, p. 103; vgl. Grafton 1980, p. 273). Daarmee doet ze geen recht aan recente inzichten in de geleidelijke overgang tussen de Middeleeuwen en de Renaissance (Laslett 1981, p. 83). Bovendien is het er de oorzaak van dat ze bovenmatig veel aandacht besteedt aan ‘het periodiseringsprobleem’ (vgl. Kelley 1981, p. 214). Anthony Grafton stelt dat Eisenstein het verschil tussen schriftcultuur en drukcultuur overdrijft (1980, pp. 279, 281, 285), en staaft deze beschuldiging met talrijke voorbeelden.17 3. De tweede golf van kritiek En dat was nog niet het einde. Niet lang nadat aan de stortvloed van besprekingen een einde was gekomen, verscheen van de hand van Adrian Johns The nature of the book. Print and knowledge in the making (1998). In dit boek stelde Johns het werk van Eisenstein opnieuw ter discussie. Eerdere critici hadden hun aanvallen nog voornamelijk gericht op niet-inhoudelijke aspecten, zoals de gebruikte methode en de stijl (vgl. § 2). De kritiek op het centrale deel, Eisensteins theorie over het bestaan van een boekdrukcultuur, beperkte zich tot de vaststelling dat zij enerzijds de complexiteit van sociale factoren uit het oog verloren had, en anderzijds de breuk tussen schriftcultuur en boekdrukcultuur te dik had aangezet. Johns bleek in staat de eerstgenoemde lijn van kritiek op zo’n manier te ontwikkelen, dat hij een alternatief kan formuleren voor Eisensteins theorie. Dit heeft geleid tot een debat tussen Eisenstein en Johns, dat we in drie stappen zullen bespreken. Allereerst (3.1) geven we het oorspronkelijke argument van Johns weer; vervolgens (3.2) schetsen we de reactie van Eisenstein; en tenslotte (3.3) laten we Johns nogmaals aan het woord. 3.1 De kritiek van Adrian Johns Adrian Johns stelt: ‘To put it brutally [...] Eisenstein’s print culture does not exist’ (Johns 1998, p. 19). In deze zin is vooral één woord belangrijk: ‘Eisenstein’s’. Johns betwist niet dat we in een boekdrukcultuur leven: hij lijkt het zelfs te beamen (a.w., p. 2). Hij is echter van 17

Dat is, om nogmaals met Adriaan van der Weel te spreken, ‘stevige kritiek’ (2003, p. 3). Maar wederom stemmen mijn bevindingen niet met zijn interpretatie overeen. In Van der Weels lezing is het zo, dat de kritiek op Eisenstein er in het algemeen op neerkwam, dat zij te veel aandacht had voor de uitvinding van de boekdrukkunst als oorzaak van veranderingen, en te weinig voor de conserverende werking van dezelfde uitvinding. Voorbeelden van deze conserverende werking zijn de eenvormigheid en betrouwbaarheid van tekstoverlevering na de uitvinding van de boekdrukkunst, de canonisering van werken uit de westerse traditie en de consolidatie en standaardisatie van de Europese landstalen. Deze kritiek heb ik niet alleen niet kunnen terugvinden in de literatuur, hij zou ook onterecht zijn, mocht hij wel zijn geformuleerd. Eisenstein besteedt immers wel degelijk aandacht aan de genoemde conserverende werking, met name aan de eenvormigheid en betrouwbaarheid van tekstoverlevering (Eisenstein 1979, pp. 80-88) en aan de consolidatie en standaardisatie van landstalen (a.w., p. 127, en vooral in relatie tot het verschijnen van bijbels in de volkstaal, p. 329 e.v.).


30 / HEINE SCHOLTENS

mening dat Eisensteins interpretatie van de boekdrukcultuur onjuist is. Ze legt zijns inziens te veel nadruk op het technologische aspect van deze cultuur, en veronachtzaamt het sociale aspect. Het centrale begrip in het werk van Eisenstein, aldus Johns, is ‘print culture’. Eisenstein geeft een technologische uitleg van deze boekdrukcultuur. De boekdrukcultuur wordt door haar primair gekwalificeerd in termen van bepaalde eigenschappen die inherent zouden zijn aan het principe van typografische reproductie. Deze inherente eigenschappen worden bij de productie van tekst op alle gereproduceerde teksten overgedragen. Johns vat de kwalificaties van Eisenstein samen in drie termen: standaardisatie (standardization), verspreiding (dissemination) en stabiliteit (fixity) (a.w., p. 10). Dit zijn intrinsieke eigenschappen van alle tekst die door middel van de boekdrukkunst vermenigvuldigd is (a.w., p. 19). Van de genoemde eigenschappen is stabiliteit volgens Johns de belangrijkste (a.w., p. 10). Deze stabiliteit staat garant voor de betrouwbaarheid van gedrukte tekst. Het was de betrouwbaarheid van gedrukte teksten die het mogelijk maakte aan gevestigde autoriteiten te twijfelen. Daarmee was het de eigenschap die er voor gezorgd heeft dat zowel de Renaissance, de Reformatie als de wetenschappelijke revolutie mogelijk waren en een duurzaam karakter hadden. De stabiliteit en betrouwbaarheid van gedrukte tekst zijn voor ons zo vanzelfsprekend, dat we ze als eigenschappen beschouwen die onlosmakelijk verbonden zijn met de boekdrukcultuur. We zien ze, zoals gezegd, als intrinsieke eigenschappen van de boekdrukkunst zelf. ‘It is this very self-evidence that encourages us to ascribe all these characteristics to a technological order of reality. If called upon, we may assert that printed texts are identical and reliable because that is simply what printing is’ (a.w., p. 2). De technologische uitleg van de drukcultuur is het uitgangspunt van alle interpretaties van de boekdrukkunst en haar culturele consequenties — en zij is in feite de enige basis onder het bestaan van de notie van een ‘boekdrukcultuur’ (a.w., p. 2). Voorbeelden van situaties waarin de noodzakelijke stabiliteit niet bereikt werd, worden daarom als irrelevant terzijde geschoven (a.w., p. 19). De emblematische figuur voor de hierboven geschetste opvatting van de eigenschappen van gedrukte tekst is Tycho Brahe (a.w., p. 6). Tycho is de held van Elizabeth Eisenstein. Hij was op het eiland Hven, waarover hij met toestemming van de Deense koning feodale macht kon uitoefenen, in het bezit van zijn eigen observatoria, zijn eigen papiermolen, en zelfs zijn eigen drukkerij. Vanachter muren van zes meter hoog en zes meter breed deed hij zijn astronomische observaties. Het enige waar hij rekening mee hoefde te houden, was de toestand van zijn technische installaties, met mensen had hij weinig te maken. ‘[...] Tycho has come to personify the role of print in transcending place and rendering natural knowledge universal’ (a.w., p. 10). Maar Tycho is, juist door de overzichtelijkheid en de afstandelijkheid van zijn situatie, geen geloofwaardig embleem (a.w., p. 14). De situatie was niet zo rooskleurig voor minder fortuinlijke geleerden. En zelfs van Tycho’s eigen werk bleef het grootste deel ongepubliceerd tot na zijn dood. ‘[...] Tycho was extremely atypical in his succesful use of print.


HET VERMOEDEN VAN EISENSTEIN

/ 31

[...] Like most icons, he stood for an ideal that was unrealizable. [...] [E]ven Tycho himself found the ideal impossible to achieve’ (a.w., p. 17). Als zelfs Tycho Brahe niet kan voldoen aan de interpretatie van de boekdrukcultuur die hij representeert, dan zijn Eisensteins bepalingen zeker niet van toepassing op minder machtige figuren. Tegenover het beeld van Tycho als gedistantieerde en almachtige geleerde stelt Adrian Johns het beeld van Galileo Galilei. Galileo was zijn hele leven afhankelijk van de grillen van de vorsten bij wie hij in dienst was. Boeken waren voor hem een middel om gebruik te kunnen maken van de mogelijkheden van het patronagesysteem (a.w., p. 25). Dat betekende dat hij niet, vanaf een veilige afstand, zijn bevindingen de wereld in kon sturen. Galileo had voortdurend te maken met mensen. ‘This was no Tychonic succes story. [...] [Galileo’s] fortunes [...] rested on the way in which his book would be read’ (a.w., p. 27). En daarmee zijn we aangekomen bij Johns’ eigen interpretatie van de boekdrukcultuur. Hij meent dat de eigenschappen van de boekdrukcultuur niet inherent zijn aan de technologie van typografische reproductie, maar door mensenhand tot stand komen. ‘[Explaining achievements in Eisenstein’s terms] would mean attributing to printed books themselves attributes of credibility and persuasion that actually took much work to maintain’ (a.w., p. 18). ‘In short, The Nature of the Book claims that the very identity of print itself has to be made’ (a.w., p. 2). In Johns’ interpretatie wordt de technologische uitleg van de boekdrukcultuur aangevuld met een uitleg in termen van een cultuur van wellevendheid (civility) waarin het belangrijk is vertrouwen op te bouwen (a.w., p. 35). Gedrukte tekst is een product dat moet worden gemaakt en moet worden gebruikt. Daarbij is het onderwerp van allerlei toevalligheden. ‘Any printed book is, as a matter of fact, both the product of one complex set of social and technological processes and also the starting point for another’ (a.w., p. 3). De arbeid die vereist is om gedrukte tekst zijn betrouwbaarheid te geven, is noodzakelijkerwijs goeddeels onzichtbaar: alleen zo kon aan de boekdrukkunst een imago van intrinsieke betrouwbaarheid worden meegegeven. Eisenstein heeft geen oog voor deze arbeid; Johns probeert haar juist zichtbaar te maken (a.w., p. 3) Dit betekent dat de drie eigenschappen die volgens Johns centraal staan in Eisensteins opvatting van de boekdrukcultuur — standaardisatie, verspreiding en stabiliteit — op een andere manier moeten worden geïnterpreteerd. Het zijn geen intrinsieke kwaliteiten, maar transitieve (a.w., p. 19). Neem bijvoorbeeld stabiliteit. Stabiliteit bestaat alleen voor zover het erkend wordt door mensen en voor zover deze mensen hun handelen erop afstemmen. Hierbij is zowel de rol van de uitgever als die van de lezer van belang (a.w., p. 3). Waar het om gaat, is het tot stand brengen van geloofwaardigheid (credit) (a.w., p. 31). ‘The “printing revolution,” if there was one, consisted in changes in the conventions of handling and investing credit in textual materials, as much as in transformations in their manufacture. [...] Printed texts were not intrisically trustworthy. When they were in fact trusted, it was only as a result of hard work’ (a.w., pp. 35-36). Dit blijkt onder meer uit het feit dat drukkers, door Eisenstein nog voorgesteld als ‘the natural enem[ies] of narrow minds’ (Eisenstein 1979, p. 419), actief betrokken


32 / HEINE SCHOLTENS

waren bij het tot stand brengen van wettelijke regulering van het boekenvak (Johns 1998, pp. 35-36). Ook de andere kwalificaties van de boekdrukcultuur moeten in termen van de constructie van geloofwaardigheid begrepen worden (a.w., p. 2). Het is niet de boekdrukkunst op zichzelf die het mogelijk maakt teksten te behouden; deze kunst moet op een bepaalde manier worden gebruikt (a.w., p. 5). Eisenstein houdt onvoldoende rekening met de actieve rol van de lezer, als zij het heeft over de verspreiding van tekst. ‘Talk of diffusion or dissemination will not now pass muster. The evocation of an all-powerful central source from which influence spreads across an inert terrain is no longer tenable, because sites of reception previously supposed passive are now recognized to have been vital, dynamic, and appropriative’ (a.w., p. 43). Samenvattend moeten we stellen dat Eisensteins voorstelling van zaken onthecht is van de dagelijkse praktijk van drukkers en lezers. Maar hoe kan het ook anders? Was het immers niet Eisenstein die de uitvinding van de boekdrukkunst buiten de geschiedenis plaatste, door het te beschouwen als een gebeurtenis sui generis? Johns citeert met instemming Roger Chartier: ‘“Do books make revolutions?” asks Chartier, and answers that books themselves do not, but the way they are made, used and read just might. We can rephrase his query to ask, “Do books make scientific revolutions?” But the answer may well stay the same’ (a.w., p. 57). 3.2 Het antwoord van Eisenstein Eisenstein heeft op verschillende momenten gereageerd op de kritiek van Johns. Niet lang na het verschijnen van The nature of the book verscheen een boekbespreking van de hand van Eisenstein (2000). Hierin gaat ze kort in op het meningsverschil tussen Johns en haarzelf. In het bijzonder wijst ze erop dat Johns de noties van stabiliteit en betrouwbaarheid door elkaar lijkt te halen: ‘In my view, he mistakenly conflates fixity with credibility and overlooks the significance of fixing errors and contradictions’ (Eisenstein 2000, p. 316). Een korte bespreking is echter niet de gelegenheid om het meningsverschil uit te werken, zo zegt ze. Die gelegenheid deed zich twee jaar later wel voor, toen de American Historical Review een themanummer weidde aan het debat tussen Eisenstein en Johns. Eisensteins bijdrage aan dit themanummer bestaat uit een verdediging van haar werk, die de vorm aanneemt van een kritische bespreking van het werk van Johns.18 Zij richt zich op een aantal punten waarop haar werk van dat van Johns verschilt. Het belangrijkste punt is de vraag, of aan de boekdrukkunst al dan niet een intrinsieke kracht kan worden toegekend, en de daarmee samenhangende vraag of de karaktersitieken van de boekdrukcultuur kunnen worden beschouwd als onpersoonlijke processen. (Eisenstein 2002a, al. 8). 18

Deze verdediging wordt gekenmerkt door dezelfde verongelijktheid die Laslett al in 1981 bekritiseerde (vgl. § 3.2), van het begin (‘Some twenty years ago,’ Eisenstein 2002a, al. 1) tot het einde (‘As I wrote some twenty years ago,’ a.w., al. 47). Dit betekent op zijn minst dat men de bescheidenheid kan betwijfelen die ze in het voorwoord van The printing press as an agent of change voorwendt: ‘I [...] felt that a preliminary effort, however inadequate, was better than none’ (Eisenstein 1979, p. xi); ‘I have not reached any final formulation’ (a.w., p. xii); ‘[M]y inevitably inadequate, necessarily tentative treatment’ (a.w., p. xvii).


HET VERMOEDEN VAN EISENSTEIN

/ 33

Volgens Eisenstein was één van de belangrijkste veranderingen die optraden na de uitvinding van de boekdrukkunst de toename van de hoeveelheid beschikbare teksten. Dit is een kwantitatieve verandering en een kwantitatieve verandering is van nature onpersoonlijk (a.w., al. 9). Dat is een opmerkelijke stellingname, want in The printing press as an agent of change ging het niet alleen om kwantitatieve veranderingen maar ook om kwalitatieve (vgl. hfst. 2 § 3.2). Het werk beschreef niet allen een toename van het aantal beschikbare teksten, maar ook het effect van deze toename. Wat volgt is een zeer eigenzinnige lezing van het werk van Johns. Johns’ opvatting dat een technologische uitvinding op zich niet verantwoordelijk kan zijn voor het ontstaan van een cultuur van gedrukte tekst, doet ze af als onzinnig. Ze meent dat hij in het geheel geen ruimte laat voor de mogelijkheid dat de uitvinding van de boekdrukkunst bepaalde consequenties had (a.w., al. 11). ‘Rather like members of the National Rifle Association (NRA) who insist that “guns don’t shoot people, people do,” Johns argues that printing did not preserve texts more securely than had hand copying. Only people using printing presses could do that’ (a.w., al. 5). Eisenstein meent dat Johns’ werkwijze het onmogelijk maakt te spreken over een ruimere verspreiding van teksten. Ze haalt hem aan: ‘“Talk of diffusion and dissemination,” he writes, “will not now pass muster,”’ om vervolgens te verzuchten: ‘One wonders why’ (a.w., al. 12). Zoals we in het voorgaande gezien hebben, wordt het antwoord op deze verzuchting door Johns onmiddellijk na de aangehaalde zin gegeven: ‘The evocation of an all-powerful central source from which influence spreads across an inert terrain is no longer tenable, because sites of reception previously supposed passive are now recognized to have been vital, dynamic, and appropriative’ (Johns 1998, p. 43). Ook op andere terreinen lijkt er een misverstand in het spel te zijn. Zo meent Eisenstein dat Johns ‘standardization’ en ‘preservation’ samenbrengt onder de noemer ‘fixity’ (Eisenstein 2002a, al. 13), terwijl we eerder hebben gezien dat Johns ‘standardization’ en ‘fixity’ juist van elkaar onderscheidt (Johns 1998, p. 10). Adrian Johns was van mening dat het verwerven van een imago van betrouwbaarheid een centrale rol speelde bij het ontstaan van de boekdrukcultuur. Zijn cultuur van het boek heeft daarom een persoonlijk en lokaal karakter. Eisenstein stelt tegenover deze notie van betrouwbaarheid een onpersoonlijk correctiemechanisme: het systeem van terugkoppeling. Deze terugkoppeling had geen lokaal karakter, maar betrof de relatie tussen een uitgever en the public at large (Eisenstein 2002a, al. 21). Ze heeft een treffend voorbeeld van deze relatie: de open brief van Gassendi, waarin hij alle Europese astronomen uitdaagde de passage van Mercurius op 7 november 1631 te vergelijken met de informatie die te vinden was in de tabellen van Kepler (a.w., al. 19). ‘Gassendi’s challenge was scarcely “local in character,”’ zo zegt ze (a.w., al. 20). Dat ook hier van een misverstand sprake is, zal in het volgende blijken.


34 / HEINE SCHOLTENS

3.3 Opnieuw Johns’ kritiek Adrian Johns maakt van de ontstane verwarring handig gebruik om zijn eigen theorie te illustreren. Hij richt zich in zijn bijdrage aan het themanummer op twee punten van verschil tussen Eisenstein en hemzelf. Het eerste punt is de mate van autonomie die historici aan de lezers van tekst zouden moeten toeschrijven. Het tweede punt is de aard en zelfs het bestaan van de boekdrukcultuur (Johns 2002, al. 2). Centraal in de theorie van Eisenstein staat het optreden van een boekdrukrevolutie en het daaruit voortvloeien van een cultuur van gedrukte tekst. Het voornaamste oogmerk van The printing press as an agent of change was, dat historici deze revolutionaire gebeurtenis als zodanig zouden erkennen. Maar, zo vraagt Johns zich af, wat betekent dat eigenlijk, het erkennen van een revolutie (a.w., al. 6)? Volgens Eisenstein was de boekdrukrevolutie een gebeurtenis die zijn gelijke niet kende. De beschrijving van zo’n gebeurtenis vraagt om een bijzondere aanpak. De aanpak die Eisenstein kiest is synthetisch van aard. In haar optiek is er sprake geweest van één alomvattende boekdrukrevolutie; een revolutie die geleid heeft tot één homogene boekdrukcultuur. Het ‘erkennen van de boekdrukrevolutie’ houdt voor Eisenstein de aanvaarding van dit holistische concept in (a.w., al. 8). Niet-synthetisch onderzoek, zoals de bestudering van leesgedrag, dat vaak op een microhistorisch niveau plaatsvindt, staat zonder meer op gespannen voet met de vereiste erkenning. Door deze stellingname is het voor Eisenstein onmogelijk om te zien, dat men het bestaan van een cultuur van gedrukte tekst ook op een andere manier zou kunnen onderzoeken (a.w., al. 9). En dat is precies wat de huidige generatie van boekhistorici tracht te doen. Eén van de meest fundamentele ontwikkelingen in de boekwetenschap sinds het verschijnen van The printing press as an agent of change is de opkomst van de geschiedenis van het lezen.19 Langzaam maar zeker worden technieken ontwikkeld om na te gaan hoe lezers in de praktijk betekenissen construeren uit tekst. Eisensteins kritiek is zelf een goed voorbeeld van hoe zo’n constructie tot stand komt. Dat Eisensteins lezing van The nature of the book niet correspondeert met wat Johns had willen zeggen, is helemaal niet erg. Het is juist een prima voorbeeld van de actieve rol van de lezer, een rol waarvoor in de theorie van Eisenstein geen plaats is. ‘[Her readings] exemplify the active power of the critic to frame meanings out of what is on the page — a power that is very much part of the world of the book but is not an emergent property of the press itself and hence has no clear place in Eisenstein’s notion of print culture’ (a.w., al. 11; vgl. al. 14). In sommige gevallen is de kritiek van Eisenstein op The nature of the book heel terecht. In andere gevallen is haar lezing van het werk volledig in strijd met de bedoeling van Johns. Een voorbeeld is de nadruk die Johns legt op het sociale element in de totstandkoming van de

19

Vgl. Grafton (2002, als. 4, 6). We zouden Grafton zelf kunnen beschouwen als de eerste exponent van deze generatie. Zijn recensie van The printing press as an agent of change sloot immers al af met de verzuchting: ‘“Book do furnish a room”; whether they do anything else depends on those who read them far more than on those who copy or print them’ (Grafton 1980, p. 286).


HET VERMOEDEN VAN EISENSTEIN

/ 35

stabiliteit en de geloofwaardigheid van gedrukte tekst. Eisenstein leest hierin een extreem individualisme, alsof enkelingen in staat zouden zijn geweest de opvattingen van een heel volk te veranderen. Of, zoals ze het parafraseerde in termen van de NRA: ‘guns don’t shoot people, people do’ (2002a, al. 5). Johns had echter geen individuen op het oog, maar de samenleving als geheel. Hij wilde dat de complexe sociale factoren die onmiskenbaar deel uitmaken van de wereld van het boek ook een plaats zouden krijgen in de geschiedenis van het boek. Johns kan dan ook antwoorden, in termen van de NRA: ‘Guns don’t kill people, society kills people’ (2002, al. 25). In deze en andere gevallen toont Eisensteins kritiek een opmerkelijk arsenaal aan technieken van interpretatieve flexibiliteit. Deze technieken kennen één onderliggende praktijk. ‘She consistently treats short remarks as self-sufficient entities’ (a.w., al. 18). Deze praktijk, die opmerkelijke overeenkomsten vertoont met de vroegmoderne leespraktijk van het verzamelen van ‘adversaria’ of bruikbare citaten, heeft echter ook zijn zwakke kanten. Ze heeft er bijvoorbeeld toe geleid, dat Gassendi’s open brief over het passeren van Mercurius een centraal onderdeel van haar verweer tegen Johns is geworden. Als Eisenstein haar theorieën op deugdelijk onderzoek had gebaseerd in plaats van op een verzameling adversaria, dan had ze geweten dat de open brief van Gassendi in het geheel niet bestaat. Haar bron voor deze anekdote is een secundaire, en wel één die verslag doet van lezing van een werk van de Tübingse astronoom Wilhelm Schikard, die zelf verslag deed van het lezen van Gassendi, die op zijn beurt iets van Kepler had gelezen. ‘This reading of a reading of a reading of a reading leads her a long way from reality’ (a.w., al. 21). Daar is de boekgeschiedenis niet mee gediend. Het lijkt erop dat Adrian Johns een zwakke plek heeft gevonden in de theorie van Elizabeth Eisenstein. Zij is dan ook niet in staat geweest een deugdelijk antwoord te formuleren (vgl. Eisenstein 2002b). 4. Ter afsluiting We hebben het werk van Elizabeth Eisenstein in perspectief geplaatst door te kijken hoe het door haar vakgenoten ontvangen is. Daarbij hebben we eerst onze aandacht gericht op de ontvangst die The printing press as an agent of change bij verschijnen oogstte. Het is duidelijk geworden dat er nogal wat op het werk viel aan te merken; maar ook is het duidelijk geworden dat het niet eenvoudig een interpretatie tegenover die van Eisenstein te stellen. Over het algemeen kunnen we zeggen dat men Eisenstein de fout aanrekende, de uitvinding van de boekdrukkunst als een al te bijzondere gebeurtenis te beschouwen, waardoor ze andere relevante factoren uit het oog verloor. Deze fout hebben we de Gutenberg-fallacy genoemd. Adrian Johns heeft deze lijn van kritiek verdiept, waarbij hij vooral aandacht heeft gevraagd voor de rol van de lezer bij het construeren van betekenis uit tekst. Nu we deze kritiek kennen, is het tijd om te kijken op welke manier en onder welke voorwaarden Eisensteins The printing press as an agent of change gebruikt kan worden voor filosofisch onderzoek. Die vraag zal het onderwerp zijn van het vierde hoofdstuk.


HOOFDSTUK 4

THE PRINTING PRESS AS AN AGENT OF CHANGE ALS AANLEIDING VOOR FILOSOFISCH ONDERZOEK 1. Ter inleiding ‘Ach... de filosoof en zijn boeken,’ zo begonnen we ons onderzoek. Een onderzoek dat zijn motivatie vond in een verwondering over de vrijwel reflectieloze omgang van de filosoof met zijn boeken. In onze zoektocht naar een plaats waar de wereld van het boek en de wereld van de filosofie aan elkaar raken, kwamen we terecht bij het werk van Elizabeth Eisenstein. Dat werk hebben we in het voorgaande besproken. Tevens hebben we gezien hoe het ontvangen is. Daarom is nu het moment gekomen om te proberen een antwoord te vinden op de vraag die we aanvankelijk gesteld hebben. Op welke manier en onder welke voorwaarden kan Eisensteins The printing press as an agent of change worden gebruikt voor filosofisch onderzoek? Om deze vraag te kunnen beantwoorden, keren we eerst terug naar het werk van Eisenstein (§ 2). We zullen inventariseren wat de hoofdpunten van The printing press as an agent of change zijn, en voor welke gebieden van filosofisch onderzoek deze hoofdpunten relevant zijn. Het werk van Eisenstein zal voor verschillende wijsgerige disciplines relevant blijken te zijn. We zullen deze optimistische conclusie echter moeten nuanceren (§ 3). Het werk van Eisenstein is bruikbaar voor filosofen, maar het is bij lange na niet voldoende uitgewerkt om te volstaan. Deze ontoereikendheid zal aan de hand van een voorbeeld worden geïllustreerd. Dat met een andere benadering wel degelijk meer gedetailleerde resultaten te behalen zijn, zal betoogd worden in de laatste paragraaf (§ 4). 2. Een inventarisatie The printing press as an agent of change is geen eenvoudig boek om te lezen. De breedsprakige voorbeelden en de voortdurende methodologische aanwijzingen ontnemen de lezer het zicht op waar het werkelijk om gaat. Dat Eisensteins werk niet eenvoudig te lezen is, blijkt niet alleen uit het werk zelf maar ook uit de reacties van haar critici. Een groot deel van hun kritiek richt zich op secundaire onderdelen. Met name Eisensteins illustratie van haar theorie aan de hand van de wetenschappelijke revolutie moet het ontgelden. De bundel van McNally

— 37 —


38 / HEINE SCHOLTENS

(1987a), waarschijnlijk de enige groepsgewijze reactie op het werk van Eisenstein, is hiervan een goed voorbeeld. De veelzeggende ondertitel luidt: Historians of science respond to Elizabeth Eisenstein’s ‘The printing press as an agent of change’. Deze tendens valt te betreuren, omdat het onvermogen tot de kern van de zaak door te dringen er ook toe leidt, dat deze kern nooit op zijn waarde beoordeeld kan worden. In onze lezing is het zo, dat het centrale deel van het werk van Eisenstein wordt gevormd door haar stelling dat er in het vroegmoderne Europa een bijzondere gebeurtenis heeft plaatsgevonden: de zogenaamde boekdrukrevolutie (vgl. hfst. 2 § 3). De boekdrukrevolutie bestond uit radicale veranderingen in de productie en consumptie van teksten, in het uiterlijk van het boek en in de mate waarin het beschikbaar was. Deze radicale veranderingen leidden tot de totstandkoming van een cultuur met een geheel eigen karakter, de boekdrukcultuur. Eisenstein beschrijft de boekdrukcultuur aan de hand van een zestal eigenschappen, die betrekking hebben op de verspreiding, de standaardisatie en de rationalisatie van tekst, op de mogelijkheden van dataverzameling en de conservering van kennis en op de afzondering van sociale groepen. Het zijn deze zes kwalificaties die door middel van historische voorbeelden worden toegelicht. Dat betekent dat we de eigenschappen die Eisenstein toeschrijft aan de boekdrukcultuur moeten beschouwen als de kern van haar theorie. We zullen dan ook bij de beantwoording van de vraag, in hoeverre en onder welke voorwaarden The printing press as an agent of change gebruikt kan worden voor filosofisch onderzoek, de genoemde eigenschappen tot uitgangspunt nemen. Het mag duidelijk zijn dat de eigenschappen van Eisensteins boekdrukcultuur bij voortduring raakvlakken vertonen met het onderwerp van onderzoek van verschillende wijsgerige disciplines. Voor de wetenschapsfilosofie bijvoorbeeld, het vakgebied waar men de totstandkoming en de verspreiding van nieuwe wetenschappelijke theorieën bestudeert, lijkt Eisensteins theorie, dat een ruimere verspreiding van oude teksten in de vroegmoderne tijd heeft geleid tot de vorming van nieuwe ideeën, van groot belang. Hetzelfde geldt voor haar observatie dat het in stand houden van systemen van terugkoppeling en foutencorrectie, systemen waarop het functioneren van de moderne natuurwetenschappen gebaseerd is, pas mogelijk werden dankzij de uitvinding van de boekdrukkunst. Een vergelijkbare observatie valt te maken voor de kennisleer en de philosophy of mind. Ook in deze vakgebieden houdt men zich bezig met de studie naar de totstandkoming en de organisatie van kennis, maar dan niet slechts met betrekking tot de wetenschappen. Er worden vragen gesteld bij de werking van de cognitieve faculteiten van de mens in het algemeen. Eisenstein meent dat de mentale organisatie van onze kennis in grote mate wordt bepaald door de manier waarop wij teksten structureren en vormgeven. In dat opzicht zijn we voor de totstandkoming en de organisatie van kennis afhankelijk van de typografische middelen die ons ter beschikking staan, en is de bestudering van Eisensteins boekdrukcultuur ook voor filosofen belangrijk. Op grond van onze lezing van The printing press as an agent of change moeten we tot de conclusie komen dat het werk van Eisenstein binnen verschillende wijsgerige disciplines een nieuw gezichtspunt kan bieden. Het lijkt redelijk om te veronderstellen dat de manieren waarop kennis georganiseerd is — in de samenleving, in boeken en in ons hoofd — zijn ver-


HET VERMOEDEN VAN EISENSTEIN

/ 39

anderd op het moment dat gedrukte teksten de dominante positie van handgeschreven teksten overnamen. Eisenstein is de eerste geweest die deze verschuiving uitvoerig heeft beschreven; ook filosofen zouden hun voordeel kunnen doen met deze beschrijving. 3. Een nuancering We hebben het werk van Eisenstein onderzocht op de bruikbaarheid ervan voor filosofisch onderzoek. Na een analyse van haar theorie zijn we tot de conclusie gekomen dat de uitspraken die zij doet voor verschillende wijsgerige disciplines een vruchtbaar nieuw gezichtspunt kunnen opleveren. Dat betekent echter niet dat we tevreden achterover mogen leunen. Er is vanuit verschillende gezichtspunten kritiek te formuleren op The printing press as an agent of change (vgl. hfst. 3, m.n. § 2). Al bij het verschijnen van het werk plaatste men kanttekeningen bij Eisensteins stijl, haar werkwijze en de inhoudelijke uitwerking van haar theorie. Deze kritiek is ook voor ons onderzoek van belang. Want alhoewel Eisenstein in staat is gebleken uitdagende stellingen te formuleren op een onderzoeksterrein dat voorheen vrijwel onbetreden was, is zij niet altijd even goed in staat geweest om deze uitdagende stellingen te onderbouwen of zelfs maar uit te werken. Eerst (3.1) zullen we hiervan een voorbeeld geven; vervolgens (3.2) zullen we haar benadering in meer algemene termen bespreken. 3.1 De typografische en de mentale organisatie van kennis Een goed voorbeeld van deze tekortkoming van het werk van Eisenstein is de beschrijving die zij geeft van de veranderingen die optreden in de organisatie van gedrukte teksten, en van de veranderingen in de mentale organisatie van kennis bij de lezers van deze teksten, die daar volgens haar mee zouden corresponderen. Ook in dit geval wordt weer duidelijk hoe moeilijk critici het hebben met het werk van Eisenstein. In twee recente terugblikken op haar werk lopen de lezingen ver uiteen. Shannon Duffy (2000) zegt: ‘By focusing on a fundamental shift in mentality [...] Eisenstein’s book anticipates many areas of interest in recent intellectual history,’ en is dus van mening dat deze correspondentie tot het centrale deel van het werk van Eisenstein behoort. Daartegenover staat Carolyn Jensen (2001), die verzucht: ‘[...] I would have liked to also read of the effects of printing on thought or consciousness.’ We zullen zien dat zowel op de lezing van Duffy als op de lezing van Jensen iets af te dingen valt. Op zich is het een spannend vermoeden: een rationelere organisatie van teksten zou een rationelere manier van denken tot gevolg gehad hebben. Maar een aantal vragen dient zich onmiddellijk aan. In welk opzicht is de organisatie van tekst na de uitvinding van de boekdrukkunst precies rationeler? Hoe komt de relatie tussen tekst en denken tot stand? Op welke manier getuigen vroegmoderne lezers van een grotere rationaliteit dan hun voorgangers, die niet konden beschikken over gedrukte teksten? Bij nader inzien blijkt Eisenstein, wanneer zij spreekt over verhouding tussen de typografische en de mentale organisatie van kennis, erg weinig te zeggen te hebben. We zullen


40 / HEINE SCHOLTENS

haar beschrijving van deze verhouding nogmaals nagaan in The printing press as an agent of change. Het begint al bij de beschrijving van de vier fundamentele verschuivingen die de boekdrukrevolutie uitmaken. Eisenstein vraagt wel onze aandacht voor de veranderingen die zijn opgetreden in de consumptie van teksten, maar ze maakt daar meteen de volgende kanttekening bij: ‘[T]hose [changes] that were associated with the consumption of new printed products are more intangible, indirect, and difficult to handle. A large margin for uncertainty must be left when dealing with such changes. Many of them also have to be left for later discussion because they involved prolonged, unevenly phased transformations which occured over the course of several centuries’ (Eisenstein 1979, p. 60). In het vervolg van de beschrijving benadrukt ze vooral hoeveel onzekerheid er bestaat over het leespubliek voor bepaalde uitgaven. De beschrijving van de eigenschappen van de boekdrukcultuur biedt hetzelfde onzekere beeld. Van meet af aan staat één ding vast: dat Eisenstein geen definitieve uitspraak durft te doen over de veranderingen die ze beschrijft. Ze begint haar beschrijving van de derde karakteristiek van de boekdrukcultuur aldus: ‘Editoral decisions made by early printers with regard to layout and presentation probably helped to reorganize the thinking of readers’ (a.w., p. 88). Een aantal regels verder vervolgt ze: ‘Basic changes in book format might well lead to changes in thought-patterns’ (a.w., p. 89; mijn curs.). Dat klinkt veelbelovend, maar het blijft onduidelijk wat voor ‘changes in thought-patterns’ Eisenstein op het oog heeft, en hoe ze zich de relatie tussen de uiterlijke verschijningsvorm van tekst en de manier waarop de lezer nadenkt precies voorstelt. Er volgt welgeteld één voorbeeld: dat het alfabet na de uitvinding van de boekdrukkunst een steeds belangrijkere rol kreeg als onderzoeksinstrument, zowel in indices als in catalogi. Op deze manier zou men een ‘zakelijker’ kijk op teksten hebben ontwikkeld (a.w., p. 101); bovendien kon het domein van de menselijke kennis ordelijker worden ingedeeld (a.w., p. 105). Dat is allemaal mooi en aardig, maar na tien jaar studie zou je iets meer verwachten. Hoe leidt een toename van het gebruik van het alfabet als ordeningsprincipe tot een zakelijker kijk op teksten? En hoe leidt een zakelijker kijk op teksten tot meer rationele manier van nadenken? Dit zijn vragen die beantwoord moeten worden, wil een filosofische toepassing van de ideeën van Eisenstein vruchtbaar zijn. Aan het einde van haar beschrijving vat Eisenstein het nog eens samen: ‘Increasing familiarity with regularly numbered pages, punctuation marks, section breaks, running heads, indices, and so forth, helped to reorder the thought of all readers, whatever their profession or craft. Hence countless activities were subjected to a new “esprit de système”’ (a.w., pp. 105-6). En weer is de vraag: hoe hielp de regelmatige omgang met de nieuwe, typografische eigenschappen van tekst de lezer bij het ‘opnieuw ordenen van zijn gedachten’? Eisensteins ‘esprit de système’ heeft het karakter van een black box, een explanans sui generis, ten tonele verschijnend als een deus ex machina — als we dan toch onze toevlucht nemen tot nietszeggende Fremdwörter. In het resterende deel van The printing press as an agent of change is het niet veel beter gesteld. De verhouding tussen de typografische en de mentale organisatie van kennis komt


HET VERMOEDEN VAN EISENSTEIN

/ 41

nauwelijks ter sprake in de historiografische voorbeelden die Eisenstein geeft. Waar het onderwerp wel ter sprake komt, is Eisenstein al even summier als in het voorgaande. Zo roept ze in haar behandeling van de Copernicaanse revolutie het beeld op van de Venetiaanse drukker Erhard Ratholdt, die in verband wordt gebracht met grote uitvindingen op het gebied van boekvormgeving. ‘Innovations associated with Ratholt’s press: the first ‘modern’ title page, the first use of Arabic numerals for dating a book, the earliest extant typespecimen sheet, the first list of errata, the first three-color printed illustrations, the first engraved diagrams in a printed geometry book — are often noted in books aimed at bibliophiles. But their broader significance for the history of science remains to be explored’ (a.w., pp. 587-8). Het verkennen van de betekenis van typografische ontwikkelingen voor de geschiedenis van de wetenschappen — dat was toch de taak die Eisenstein zich gesteld had? De lezer die nu zo’n verkenning verwacht, komt bedrogen uit. Eisenstein spreekt slechts zeer summier en in zeer voorlopige termen over de verhouding tussen de typografische en de mentale organisatie van kennis. Ze lijkt bovendien gewoonweg geen oog te hebben voor de ontwikkeling die ze beschrijft. Zelfs niet als zich onder haar handen een voorbeeld vormt, waarmee de besproken theorie uitstekend te illustreren is. Al eerder is gewezen op de ondoorzichtige indeling van The printing press as an agent of change, en met name op de problemen die ontstaan als men de verhouding probeert te bepalen tussen de vier bestanddelen van the boekdrukrevolutie en de zes karakteristieken van de boekdrukcultuur (zie hfst. 2, § 2). Het tweede hoofdstuk is voluit getiteld ‘Defining the initial shift; some features of print culture’. In deze titel zijn de twee onderdelen nog duidelijk van elkaar gescheiden. De titel is echter te lang voor de kopregel, die derhalve voor de eerste 26 pagina’s ‘Defining the initial shift’ luidt en voor de laatste 88 ‘Some features of print culture’. De scheiding komt echter in de tekst van het hoofdstuk zelf niet voor. Het is onduidelijk welke tekstindeling de voorkeur geniet; het is aan de lezer om te bepalen of de kopregel onjuist is of de hoofdstukindeling.20 De lezer wordt zo op een verwarrende manier geconfronteerd met het vertrouwen dat hij doorgaans hecht aan de typografische organisatie van kennis. Lezing van het tweede hoofdstuk biedt de lezer een ervaring die hem duidelijk maakt hoe de zaken er voor staan. Zou Eisenstein deze ervaring met opzet voorbereid hebben, dan was dat een buitengewoon subtiele en effectieve manier om haar theorie te illustreren. Er kan echter geen opzet in het spel zijn, want Eisenstein ontkent de mogelijkheid een ervaring als deze te construeren. Juist op dit punt wijst ze Marshall McLuhan immers terecht. McLuhan beweerde in zijn The Gutenberg galaxy. The making of typographic man (1962) met opzet voor een typografisch verwarrende opmaak gekozen te hebben, zodat zijn lezers zich van hun typografische afhankelijkheid bewust zouden worden. Eisenstein voorziet deze bewering van het 20

Deze verwarring is niet denkbeeldig. In een recente herdruk van het eerste gedeelte van het tweede hoofdstuk — het stuk dat in de editie van 1979 in de kopregel wordt aangeduid met ‘Defining the initial shift’ — wordt de gehele titel van het hoofdstuk als titel van het herdrukte gedeelte gebruikt, waarbij ‘Some features of print culture’ opeens dient als ondertitel (vgl. Finkelstein & McCleery 2002, pp. 151 e.v.).


42 / HEINE SCHOLTENS

volgende commentaar: ‘The bizarre typographical format of The Gutenberg Galaxy is presumably designed to counteract this conditioning [namelijk het gegeven dat lezers psychologisch afhankelijk raken van gestandaardiseerde typografie] and to jolt the reader out of accustomed mental rusts’ (a.w., p. 16). Ze meent dat McLuhan zijn claim dat hij zich dankzij de komst van nieuwe, elektronische media van de typografische hypnose kan bevrijden niet kan waarmaken en bitst: ‘The chaotic format of The Gutenberg Galaxy probably owes less to the impact of new media than to the old-fashioned difficulty of trying to organize material gleaned from wide-ranging reading — evaded in this instance by an old-fashioned tactic, by resorting to scissors and paste’ (a.w., p. 17). Hoe goed Eisenstein zelf is in het organiseren van ‘material gleaned from wide-ranging reading’ mag de lezer inmiddels duidelijk zijn. 3.2. De problematische benadering van Eisenstein Eisenstein vermoedt een relatie tussen de rationele, typografische organisatie van teksten en een rationalisering van het denken. Over de finesses van deze relatie is ze opmerkelijk zwijgzaam. Als zich onder haar handen een voorbeeld vormt van de wijze waarop moderne lezers van de typografische organisatie van tekst afhankelijk zijn voor een juist begrip van de daarin verwoorde opvattingen, kan dit slechts per ongeluk gebeurd zijn. We moeten tot de conclusie komen dat Eisenstein er niet in slaagt op enigerlei wijze ernst te maken met haar vermoeden. De hier besproken stelling is slechts een voorbeeld. Onze conclusie is evenzeer van toepassing op de andere stellingen die in The printing press as an agent of change naar voren gebracht worden. Dit gebrek aan uitwerking is niet in de laatste plaats opmerkelijk, omdat het feit dat de ontwikkelingen die het gevolg waren van de uitvinding van de boekdrukkunst nooit uitputtend in kaart zijn gebracht, de aanleiding was haar omvangrijke werk te schrijven. The printing press as an agent of change moest aan dit verzuim een einde te maken (vgl. hfst. 2 § 3.1). Eisenstein maakt zich schuldig aan de nalatigheid die ze anderen verwijt: ze schrijft belangrijke ontwikkelingen toe aan de uitvinding van de boekdrukkunst, maar verzuimt de relatie tussen deze kunst en de eraan toegeschreven ontwikkelingen nauwkeurig te beschrijven. Ons onderzoek leidt tot de paradoxale vaststelling dat Eisenstein’s omvangrijke onderzoek haar in staat heeft gesteld intrigerende vermoedens te formuleren, maar dat hetzelfde onderzoek, hoe omvangrijk het ook is, er evenwel niet toe geleid heeft dat er met deze vermoedens ernst gemaakt is. Het onderzoek roept vragen op, die door Eisenstein zelf niet beantwoord kunnen worden. De uitspraken die ze wel doet, wekken daardoor de indruk beloften te zijn die nooit worden ingelost. Dat heeft alles te maken met de methode die Eisenstein gekozen heeft. Ze neemt de transformerende werking van een technologie tot uitgangspunt (vgl. Heim 1987, hfst. 2). De benadering die hieruit voortvloeit kan worden omschreven als generalistisch, onpersoonlijk en kwantitatief. Het onderzoek van Eisenstein heeft betrekking op niet minder dan de gehele Westerse beschaving in de tweede helft van de vijftiende eeuw (vgl. Eisenstein 2002a, al. 3). Dat betekent dat een groot aantal culturele ontwikkelingen, die op verschillende plaatsen op


HET VERMOEDEN VAN EISENSTEIN

/ 43

verschillende momenten optraden, binnen het kader van één theorie gevat moeten worden. Dit leidt onvermijdelijk tot een hoge mate van abstractie. Hetzelfde geldt voor Eisensteins keuze zich op onpersoonlijke processen te concentreren (vgl. Eisenstein 1979, p. xv). Een benadering die de boekdrukpers tot voornaamste factor in een proces van verandering bestempelt, heeft onvermijdelijk tot een verminderde aandacht voor de gebruikers van de producten van deze pers tot gevolg (vgl. Teigen 1987, pp. 8-9). In de theorie van Eisenstein verschijnen lezers als anonieme receptoren in een proces van grootschalige veranderingen. Deze anonimiteit komt ook tot uiting in de nadruk die Eisenstein legt op kwantitatieve veranderingen: de verspreiding van de boekdrukkunst over Europa en de toename van het aantal gedrukte teksten. Dergelijke kwantitatieve veranderingen zijn van nature onpersoonlijk (Eisenstein 2002a, al. 9). Eisensteins benadering van de boekdrukkunst als een transformerende technologie leidt tot anonimiteit en abstractie, twee eigenschappen die verhinderen dat haar theorie meer is geworden dan een schets (vgl. a.w., al. 7). Het is haar technologische benadering die er de oorzaak van dat Eisenstein niet in staat is geweest meer te formuleren dan een intrigerend vermoeden. Eisensteins theorie lijkt ook voor wijsgerig onderzoek relevant te zijn. Maar wil de filosofie werkelijk geholpen zijn met haar werk, dan zal getracht moeten worden dezelfde vragen op een andere manier te beantwoorden. 4. Een andere benadering Elizabeth Eisenstein is in staat geweest vermoedens te formuleren met betrekking tot de rol die de uitvinding van de boekdrukkunst heeft gespeeld in het teweeg brengen van veranderingen in de manier waarop kennis tot stand komt. Ze beschikt echter niet over het instrumentarium om ernst te maken met deze vermoedens. Om te laten zien dat het mogelijk moet zijn om door middel van een andere benadering verder te komen met de vermoedens die door Eisenstein geformuleerd zijn, wil ik ter afsluiting terugkeren bij het onderwerp dat we eerder besproken hebben: de door haar veronderstelde relatie tussen de typografische en de mentale organisatie van kennis (vgl. § 3.1). Eisenstein vermoedt dat de vormgeving van gedrukte teksten van invloed is geweest op de organisatie van denkpatronen bij de lezers van deze teksten. We kunnen ons de vraag stellen op welke manieren deze relatie onderzocht zou kunnen worden. Dat leidt opnieuw tot en paradoxale constatering. Een inmiddels bekende naam dient zich aan: die van Adrian Johns, die we hebben leren kennen als de meest uitgesproken criticus van het werk van Eisenstein (vgl. hfst. 3 § 3). De werkwijze die wordt voorgestaan door Johns zou in dit geval een oplossing kunnen bieden voor de problemen waarvoor Eisenstein zich gesteld ziet. Want hoe zou dit intrigerende vermoeden beter onderzocht kunnen worden dan vanuit de lezer zelf? De methode die door Johns wordt voorgesteld is voor deze benadering bij uitstek geschikt. Hij noemt zijn methode, in tegenstelling tot Eisensteins ‘history of print culture’, ‘a cultural history of print’ (Johns 2002, al. 24). Een cultuurgeschiedenis van de boekdrukkunst


44 / HEINE SCHOLTENS

onderscheidt zich van een geschiedenis van de boekdrukcultuur door een oorzakelijk gewicht toe te kennen aan de representaties, de situaties en de handelingen van de mensen die betrokken waren bij de totstandkoming van de boekdrukcultuur. Daar waar Eisenstein uitgaat van een transformerende technologie, gaat Johns uit van menselijk handelen. We zouden zijn benadering dan ook humanistisch kunnen noemen. Volgens Johns moet een cultuurgeschiedenis van de boekdrukkunst haar onderwerp op een constructivistische wijze benaderen. Dat wil zeggen dat men zich van de aard van de boekdrukkunst rekenschap moet geven op een historische wijze, rekening houdend met de manier waarop deze aard gevormd is door gemeenschappen van boekdrukkers, boekverkopers, lezers en censoren. Dat betekent, dat juist aangaande de onderdelen van het onderwerp die het meest voor zich lijken te spreken, een nadere historische verklaring moet worden gezocht (a.w., al. 25). Deze benadering moet ertoe leiden, dat we inzicht krijgen in de complexe sociale processen die een rol spelen bij de productie en het gebruik van boeken. Een cultuurgeschiedenis van de boekdrukkunst is dus in eerste instantie een sociale geschiedenis (a.w., al. 25). Een dergelijke sociale geschiedenis, gebaseerd op een constructivistische werkwijze, is het beste gediend door een lokale benadering. De beslissingen en handelingen die de wereld van het boek hebben vormgegeven, vonden plaats in specifieke situaties en ontleenden hun karakter aan de eigenaardigheden van deze situaties. ‘[I]f one’s concern is to understand processes, then a concentration on the places where they occured is [...] appropriate’ (a.w., al. 26). Op deze manier kunnen we leren zien hoe gemeenschappen die verantwoordelijk waren voor de productie en de distributie van boeken en gemeenschappen die verantwoordelijk waren voor de regulering van het boekenvak hun eigen ambacht begrepen. (a.w., al. 40). Pas als we dit zien, is het mogelijk de geschiedenis van de boekdrukcultuur te begrijpen. Dat geldt niet in de laatste plaats voor de rol van de lezer. Eisenstein vermoedt dat er een verband bestaat tussen de typografische organisatie van kennis in teksten en de mentale organisatie van kennis door lezers van deze teksten. Het is pas mogelijk dit vermoeden nader te onderzoeken op het moment dat we de lezer zelf beschouwen als iets dat vraagt om een nadere historische verklaring. Willen we iets zeggen over de lezer, dan zullen we een lezer onder de loep moeten nemen — een lezer waarvan bovendien voldoende gegevens beschikbaar zijn om iets te kunnen zeggen over zijn leesgedrag. Op grond van dagboeken, brieven, leesaantekeningen en marginalia is het wellicht mogelijk iets van de relatie die Eisenstein vermoedt op het spoor te komen in één welomschreven geval. Op grond van een aantal van dergelijke gevallen kan men tot meer algemene conclusies komen. Een algemene geschiedenis van de boekdrukcultuur in het vroegmoderne Europa is slechts mogelijk als allerlaatste stap in deze ontwikkeling. Voor Eisenstein is dit een onbewandelbare weg. Sinds het verschijnen van The printing press as an agent of change heeft de bestudering van de geschiedenis van het lezen echter een grote ontwikkeling doorgemaakt. Binnen het kader van een cultuurgeschiedenis van de boekdrukkunst is het wellicht mogelijk iets verder door te dringen in het domein van de lezer.


HET VERMOEDEN VAN EISENSTEIN

/ 45

Op een zelfde manier is het mogelijk dat de methode die wordt voorgesteld door Johns meer licht kan werpen op de ontwikkelingen die door Eisenstein beschreven zijn — door juist vragen te stellen bij de onderdelen die het meest voor zich lijken te spreken. Dat zo’n cultuurgeschiedenis van de boekdrukkunst noodzakelijkerwijs een lokaal en persoonlijk karakter zal dragen, in tegenstelling tot Eisensteins algemene interpretatie van het vroegmoderne Europa — het zij zo. Het is waarschijnlijk de enige manier waarop de intrigerende gevolgen van de uitvinding van de boekdrukkunst aan het licht kunnen worden gebracht. Het is de enige manier waarop het vermoeden van Eisenstein meer kan blijken te zijn dan wat het nu is: een vermoeden.


CONCLUSIE Filosofen en boeken zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Binnen de filosofie lijkt men echter een blinde vlek te hebben voor de invloed van media. Daarom hebben we ons afgevraagd of er misschien boekwetenschappelijke theorieën zijn die gebruikt kunnen worden voor filosofisch onderzoek. We hebben het werk van Elizabeth Eisenstein als uitgangspunt genomen, met name The printing press as an agent of change (1979). In dit werk probeert Eisenstein de intellectuele implicaties van de uitvinding van de boekdrukkunst te peilen. Haar werk bleek niet onproblematisch. Allereerst wachten de lezer problemen, wanneer hij probeert wijs te worden uit deze massieve studie. Als deze hindernis genomen is, wachten de hem methodologische en inhoudelijke bezwaren tegen Eisensteins aanpak, die al vanaf het moment van verschijnen van haar hoofdwerk geuit zijn. Maar de vraag blijft: op welke manier en onder welke voorwaarden kan The printing press as an agent of change gebruikt worden als aanleiding voor filosofisch onderzoek? Ik hoop dat uit het voorgaande duidelijk is geworden, dat het werk van Eisenstein zeker gebruikt kan worden voor filosofisch onderzoek. Binnen de boekwetenschap is het in staat geweest een nieuw onderzoeksgebied te openen; diezelfde rol zou het binnen de wijsbegeerte ook kunnen vervullen. Het is hoog tijd dat de filosofie haar blinde vlek voor de invloed van media op onze ervaring verliest. Maar een waarschuwing is op zijn plaats. Het werk van Eisenstein is niet zonder gevaren. Met name haar opvatting dat de uitvinding van de boekdrukkunst een ontwikkeling is die zich aan conventionele verklaringskaders onttrekt, is riskant. Ze is geneigd de ontwikkeling van de nieuwe technologie zonder meer als een grote vooruitgang te zien. Daarmee verliest ze het zicht op het belang van contemporaine ontwikkelingen, met name op de rol van drukkers, censors en lezers bij het construeren van de boekdrukcultuur. Elke lezer van het werk van Eisenstein ziet zich voor vragen gesteld, die niet beantwoord kunnen worden zolang aan haar technologische benadering vastgehouden wordt. Wil de filosofie werkelijk geholpen zijn met haar werk, dan zal het dit slechts moeten gebruiken als aanleiding. We zullen dezelfde vragen moeten stellen, maar op een andere manier naar antwoorden moeten zoeken. Daarbij is het nodig dat juist bij de factoren die het meest voor zich lijken te spreken vragen worden gesteld. Het stellen van vragen bij het vanzelfsprekende is een onderneming waar de filosofie al van oudsher mee vertrouwd is. Dat belooft dus wat.

— 47 —


BIJLAGE

EEN OVERZICHT VAN BOEKBESPREKINGEN (1979-1990) VAN THE PRINTING PRESS AS AN AGENT OF CHANGE Om enig zicht te krijgen op het ‘wijdverspreide debat’ dat volgde op het verschijnen van Elizabeth Eisensteins The Printing Press as an Agent of Change, wordt in het onderstaande getracht een volledig overzicht te geven van alle besprekingen die van dit werk verschenen zijn. Het overzicht betreft louter afzonderlijk verschenen boekbesprekingen; kritische reacties op The printing press as an agent of change die in een andere vorm verschenen zijn, zijn niet opgenomen. Dit overzicht was in eerste instantie het resultaat van eigen onderzoek in de Online contents, de Annual bibliography for the history of the printed book and libraries (ABHB) en de Bibliographie der Buch- und Bibliotheksgeschichte (BBB). Pas toen dit onderzoek voltooid was, hoorde ik van het bestaan van McNally (1987b).21 Bij het vergelijken van mijn resultaten met het werk van McNally bleek, dat we beiden besprekingen hadden gevonden die de ander over het hoofd had gezien. Ik ben daarom zo vrij geweest de beide resultaten samen te voegen. De besprekingen zijn ingedeeld op jaar van verschijnen, en daarbinnen op alfabetische volgorde op auteursnaam. Bij besprekingen die ook in het overzicht van McNally voorkomen, is tussen rechte haken een verwijzing naar het betreffende nummer toegevoegd.

1979 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

[anon.]., Choice, vol. 16 (1979), pt. 7, p. 808 [10] Ahern, J., Commonweal, vol. 106 (1979), pt. 10, p. 309 [1] Bouwsma, J., The American Historical Review, vol. 84 (1979), pt. 5, p. 1356 [5] Broadus, J.R., Library Journal, vol. 104 (1979), pt. 3, p. 400 [6] Burke, P., Historical Journal, vol. vol. 22 (1979), pt. 4, pp. 975) [7] Feld, M.D., New Republic, vol. 180 (1979), pt. 12, p. 34 [12] Grannis, C.B., Publishers Weekly, vol. 216 (1979), pt. 6, p. 56 [15] Hay, D., New Statesman, vol. 98 (1979), pt. 2526, p. 244 [16] Hunter, M., The Book Collector, vol. 28 (1979), p. 335 [17] 21

Deze suggestie dank ik aan Adriaan van der Weel, die ik bij deze dankzeg.

— 49 —


50 / HEINE SCHOLTENS

10. 11. 12. 13. 14. 15. 16.

Leitch, M., Antiquarian Book Monthly Review, vol. 6 (1979), p. 480 Marvin, C., Technology and Culture, (1979), pt. 4, p. 793 [26] Sokolov, R.A., New York Times Book Review, vol. 84 (1979), pt. 12, p. 16 [43] Thompson, L.S., American Notes and Queries, vol. 17 (1979), pt. 9, p. 149 [44] Walker, D.P., The New York Review of Books, vol. 26 (1979), pt. 16, p. 44 [47] Yates, F., Encounter, vol. 52 (1979), pt. 4, p. 59 [51] Yates, F., Times Literary Supplement (1979.11.23), p. 5 [52]

1980 17. 18. 19. 20. 21. 22. 23. 24. 25. 26. 27. 28. 29. 30. 31. 32. 33. 34. 35. 36.

[anon.]., Book World, vol. 10 (1980), p. 12 [4] Censer, J.R., Journal of Social History, vol. 13 (1980), pt. 4, p. 629 [9] Crahay, R., Bibliothèque d’humanisme et Renaissance, vol. 42 (1980), p. 700 [11] Grafton, A., Journal of Interdisciplinary History, vol. 11 (1980), pt. 2, p. 265 [14] Haile, H.G., Michigan German Studies, vol. 6 (1980), p. 120 Kingdon, R.M., The Library Quarterly, vol. 40 (1980), pt. 1, p. 139 [20] Knight, D.M., British Journal for the History of Science, vol. 13 (1980), p. 164 [21] Krummel, D.W., The Journal of Library History, vol. 15 (1980), pt. 2, p. 205 [22] Lovett, A.W., Irish Historical Studies, vol. 22 (1980), pt. 86, p. 184 Mander, M.S., Journal of Communication, vol. 30, pt. 2, p. 217 [25] Mitchison, R., The Listener, vol. 103 (1980), pt. 2644, p. 58 [29] Nauert, C.G., 16th Century Journal, vol. 11 (1980), pt. 1, p. 103 [31] Needham, P., Fine Print, vol. 6 (1980), p. 23, 32 [32] Schiebert, E.G., Church History, vol. 49 (1980), pt. 1, p. 84 [40] Schmitt, C.B., The Journal of Modern History, vol. 50 (1980), pt. 1, p. 111 [38] Thompson, S.O., American Book Collector, new ser., vol. 1 (1980), pt. 5, p. 49 [45] Walsh, M.J., The Heythrop Journal, vol. 21 (1980), pt. 4, p. 461 Westman, R.S., Isis, vol. 71 (1980), pt. 3=258, p. 474 [48] Winger, H.W., College & Research Libraries, vol 41 (1980), pt. 4, p. 356 [49] Woodward, D., Imago mundi, vol. 32 (1980), p. 95 [50]

1981 37. 38. 39. 40. 41. 42. 43. 44.

Blouin, F.X., The American Archivist, vol. 44 (1981), pt. 2, p. 157 [3] Chartier, R., Annales: économies, sociétés, civilisations, (1981) pt. 2, p. 191 Deursen, A.Th. van., Tijdschrift voor geschiedenis, vol. 94 (1981), p. 105 Fahy, C., Italian Studies, vol. 36 (1981), p. 94 Freeman, E.J., Medical History, vol. 25 (1981), p. 423 Gingerich, O., The Papers of the Bibliographical Society of America, vol. 75 (1981), p. 228 [13] Jowett, G.S., Journalism Quarterly, vol. 58 (1981), pt. 1, p. 117 [18] Kelley, D.R., Clio, vol. 10 (1981), pt. 2, p. 214 [19]


HET VERMOEDEN VAN EISENSTEIN

45. 46. 47. 48. 49. 50. 51. 52. 53.

/ 51

Keunecke, H.-O., Buchhandelsgeschichte, vol. 2 (1981), pt. 9, p. B532 Laslett, P., Renaissance Quarterly, vol. 34 (1981), pt. 1, p. 82 [23] McLuhan, M., Renaissance & Reformation, vol. 5 (1981), pt. 2, p. 98 [28] Maffei, D., The Journal of Ecclesiastical History, vol. 32 (1981), p. 357 Murphy, J.J., Quarterly Journal of Speech, vol. 67 (1981), pt. 2, p. 239 [30] Robinson, F.C., The Sewanee Review, vol. 89 (1981), pt. 3, p. 423 [36] Rosaldo, R., Comparative Studies in Society and History, vol. 23 (1981), pt. 3, p. 508 [37] Shaw, D., The Library, 6th ser., vol. 3 (1981), p. 261 [41] Smith, C.N., Journal of European Studies, vol. 11 (1981), pt. 3=43, p. 211 [42]

1982 54. Leed, E.J., American Journal of Sociology, vol. 88 (1982), pt. 2, p. 413 [24] 55. Neill, S.D., Wilson Library Bulletin, vol. 56 (1982), pt. 9, p. 669 [33] 56. Overmier, J., Journal of the History of Medicine and Allied Sciences, vol. 37 (1982), pt. 4, p. 462 [34] 57. Schoeck, R.J., English Language Notes, vol. 20 (1982), pt. 1, p. 109 [39] 58. Traister, D., Printing History, vol. 4 (1982), pt. 7/8, p. 71 [46] 1983 59. Barker, N., Times Literary Supplement (1983.06.24), vol. 4186, p. 679 [2] 1984 60. McConica, J., English Historical Review, vol. 100 (1984), p. 342 [27] 61. Reeds, K., Scholarly Publishing, vol. 15 (1984), pt. 4, p. 327 [35] 1985 62. Burke, P., History Today, vol. 35 (1985), p. 50 [8] 1986 63. Koszyk, K., Publizistik, vol. 31 (1986), p. 221 1990 64. Morrison, I., Bibliographical Society of Australia and New Zealand, vol. 14 (1990), p. 21


SUMMARY The starting point of this paper is an experience of wonder. We wonder why philosophers, who spend so much time with books, seem to have a blind spot for the influence of media. Since there is such a blind spot, we try and see if maybe a theoretical approach in book history might provide a starting point for a philosophy of the book. One of the most theoretical approaches in book history is represented by the work of Elizabeth Eisenstein. In ‘The printing press as an agent of change’ (1979), she tries to assess the impact of the invention of printing on the ways in which knowledge was organised in early-modern Europe. We ask ourselves if and to what extent Eisenstein’s work can be used as a source for philosophical research. The first step in this research consists of a close reading of ‘The printing press as an agent of change’ (chapter 1). This reading reveals that there is a certain discrepancy between the book’s form and its content, which makes it hard for readers to see what Eisenstein’s theory is really about. Resolving this difficulty, we show that her theory basically consists of four main stages. First, Eisenstein states that the invention of printing with moveable type was a historical development unlike any other, and led to a communications-revolution that should be taken into account by historians. In the next stage, Eisenstein describes the major changes that together formed the ‘printing revolution’, which lead to the establishment of what she calls a ‘print culture’. She goes on to describe the main qualities of this culture, which is the third stage; she then finishes by illustrating their value to historians by providing examples of their use. Having provided this detailed outline of Eisenstein’s theory, we try to put it in perspective by analysing its reception in the scientific community (chapter 2). This analysis focuses on two phases. First, we look at the way ‘The printing press as an agent of change’ was reviewed when it was first published. We show that the book provoked a widespread debate and was subjected to severe criticism. We also show, however, that Eisenstein’s critics had problems to attack her theory at its core. Only with the advantage of hindsight can we see that the objections they voiced come down to one thing: they accuse her of committing what we have called ‘the Gutenberg-fallacy’. Eisenstein sees the invention of printing as a development that is unlike any other and to which conventional models of historical explanation do not apply. By doing so, she invests this invention with it’s own explanatory power and loses sight both of the continuity between print culture and the culture that preceded it and of contemporary social developments. This last objection has been developed by Adrian Johns, whose response to ‘The printing press as an agent of change’ constitutes a second phase in the reception of Eisenstein’s theory. He is able to challenge the very existence of Eisenstein’s print culture by showing how she has left out of account the role played by human ‘agents of change’: printers, censors and readers.

— 53 —


54 / HEINE SCHOLTENS

After analysing both Eisenstein’s work and its reception, we return to our initial question. Can Eisenstein’s work be used as a source for philosophical research, and to what extent? From the preceding outline of Eisenstein’s theory, it should be obvious that it can provide a major new vantage point for several branches of philosophy, such as epistemology and the philosophy of science. This optimism is tempered, however, by certain limitations imposed by her approach. By committing the Gutenberg-fallacy and taking the sole invention of a new technology as her starting point, Eisenstein fails to provide answers to the most interesting questions that spring from her description of print culture. We illustrate this shortcoming by retracing one of Eisenstein’s hypotheses, namely that typographical formatting had a rationalising influence on the human mind. Asking ourselves whether this shortcoming can be counteracted in any way, we surprisingly return to the work of Adrian Johns. This foremost critic of Eisenstein’s work is able to propose a research program that might rescue the aforementioned hypothesis, and other parts of the theory of print culture as well. The need in this program to question elements that seem to be most self-evident seems to make it especially suitable for pursuit by philosophers.


BIBLIOGRAFIE (ABHB) = Vervliet, H.D.L. (ed.): Annual bibliography for the history of the printed book and libraries. The Hague, Martinus Nijhoff, 1973-... (BBB) = Meyer, H. (ed.): Bibliographie der Buch- und Bibliotheksgeschichte. Bad Iburg, Bibliographischer Verlag Dr. Horst Meyer, 1982-... Bouwsma, W.J. (1979): The printing press as an agent of change. Communications and cultural transformations in early-modern Europe (review), The American Historical Review, 84, nr. 5, pp. 1356-1357. Darnton, R. (1979): The business of Enlightenment. A publishing history of the ‘Encyclopédie’, 17751800. Cambridge MA, Harvard University Press. Derrida, J. (1972): Signature événement contexte. In: Marges de la philosophie. Paris, Les Editions de Minuit, pp. 365-393. Duffy, S.E. (2000): The printing press as an agent of change. Communications and cultural transformations in early-modern Europe (review), H-Ideas, N-Net Reviews, June 2000. URL: http://www.h-net.msu.edu/reviews/showrev.cgi?path=24899962821867 Eisenstein, E.L. (1966): Clio and Chronos, History and Theory, Beiheft VI, pp. 36-64. —— (1968): Some conjectures about the impact of printing on western society and thought. A preliminary report, The Journal of Modern History, 40, nr. 1, pp. 1-56 [vroege versie van hfst. 2 van Eisenstein (1979)]. —— (1969): The advent of printing and the problem of the Renaissance, Past and Present: A Journal of Historical Studies, 45, pp. 19-89 [vroege versie van hfst. 3 van Eisenstein (1979)]. —— (1970): The position of the printing press in current historical literature. Notes and comments on an elusive transformation, The American Historical Review, 75, nr. 3, pp. 727-743 [vroege versie van hfst. 1 van Eisenstein (1979)]. —— (1971): L’avènement de l’impremerie et la Réforme, Annales: Économies, Sociétés, Civilisations, 26, nr. 6, pp. 1355-1382 [vroege versie van hfst. 4 van Eisenstein (1979)]. —— (1979): The printing press as an agent of change. Communications and cultural transformations in early-modern Europe. 2 vols. Cambridge, Cambridge University Press. —— (1983): The printing revolution in early modern Europe. Cambridge, Cambridge University Press [geïllustreerde samenvatting van Eisenstein (1979)]. —— (2000): The nature of the book. Print and knowledge in the making (review), Isis: International Review Devoted to the History of Science and its Civilisation, 91, nr. 2, pp. 316-317. —— (2002a): AHR Forum: An unacknowledged revolution revisited, The American Historical Review, 107, nr. 1. —— (2002b): AHR Forum: Reply, The American Historical Review, 107, nr. 1. Febvre, L. & H.-J. Martin (1958): L’apparition du livre.. Paris, Albin Michel. Vert. The coming of the book. The impact of printing 1450-1800. London, NLB, 1976

— 55 —


56 / HEINE SCHOLTENS

Finkelstein, D. & A. McCleery (2002) (eds.): The book history reader. London & New York, Routledge. Grafton, A. (1980): The importance of being printed, Journal of Interdisciplinary History, 11, pp. 265-286. —— (2002): AHR Forum: How revolutionary was the print revolution?, The American Historical Review, 107, nr. 1. Heim, M. (1987): Electric language. A philosophical study of word processing. New Haven & London, Yale University Press. Hoftijzer, P.G. (2003): De lof der boekdrukkunst. Zutphen, De Walburgpers. Hudson, N. (2002): Challenging Eisenstein. Recent studies in print culture, Eighteenth-century Life, 26, nr. 2, pp. 83-95. Jensen, C. (2001): The printing revolution in early modern Europe (review). URL: http://www-rohan.sdsu.edu/dept/drwswebb/lore/1_3/jensen_eisen.htm Johns, A. (1998): The nature of the book. Print and knowledge in the making. Chicago & London, The University of Chicago Press. —— (2002): AHR Forum: How to acknowledge a revolution, The American Historical Review, 107, nr. 1. Kelley, D.R. (1981): The printing press as an agent of change. Communications and cultural transformations in early-modern Europe (review), Clio: An Interdisciplinary Journal of Literature, History, and the Philosophy of History, 10, nr. 2, pp. 213-216. Kuhn, T.S. (1962): The structure of scientific revolutions. Chicago, The University of Chicago Press (3rd ed. 1996). Larkin, P. (1988): Collected Poems. Ed. w. an intr. by A. Thwaite. London & Boston, The Marvell Press & Faber and Faber. Laslett, P. (1981): The printing press as an agent of change. Communications and cultural transformations in early-modern Europe (review), Renaissance Quarterly, 34, nr. 1, pp. 8285. McLuhan, M. (1962): The Gutenberg galaxy. The making of typographic man. Toronto, University of Toronto Press. —— (1981): The printing press as an agent of change. Communications and cultural transformations in early-modern Europe (review), Renaissance & Reformation, 5, nr. 2, pp. 98104. McNally, P.F. (1987a) (ed.): The advent of printing. Historians of science respond to Elizabeth Eisenstein’s ‘The printing press as an agent of change’. Montreal, Graduate School of Library and Information Studies, McGill University (Occasional Papers, vol. 10). —— (1987b): ‘...The eye of the beholder’. Opinions concerning Elizabeth Eisenstein and The printing press as an agent of change. In: McNally (1987a), pp. 1-7. Ong, W.J. (1958/1983): Ramus, method, and the decay of dialogue. From the art of discourse to the art of reason. Cambridge MA & London, Harvard University Press. Ong, W.J. (1982): Orality and literacy. The technologizing of the word. London & New York, Routledge.


HET VERMOEDEN VAN EISENSTEIN

/ 57

Otterspeer, W. (2000): Groepsportret met dame I. Het bolwerk van de vrijheid. De Leidse universiteit 1575-1672. Amsterdam, Uitgeverij Bert Bakker. Raven, D. (1999): Elizabeth Eisenstein and the impact of printing, European Review of History, 6, nr. 2, pp. 223-234. Saenger, P. (1997): Space between words. The origins of silent reading. Stanford CA, Stanford University Press. Sleutels, J. (2004): Prolegomena voor een mediafilosofie. Abstract voordracht Faculteit der Wijsbegeerte, Universiteit Leiden, 12 mei 2004. Swierk, A. (1972): Johannes Gutenberg als Erfinder in Zeugnissen seiner Zeit. In: Wismann (1972), pp. 79-90. Teigen, P.M. (1987): A prolegomenon to the interpretation of ‘The printing press as an agent of change’. In: McNally (1987a), pp. 8-14. Weel, A. van der (2003): Het vluchtige woord: teugels en vleugels. Rede uitgesproken ter gelegenheid van het afscheid van Bart Westerweel als directeur van Pallas, 19 december 2003. Westman, R.S. (1980): On communication and cultural change, Isis: International Review Devoted to the History of Science and its Civilisation, 71, nr. 3 (=258), pp. 474-477. Wismann, H. (1972) (ed.): Der gegenwärtige Stand der Gutenberg-Forschung. Stuttgart, Anton Hiersemann.



Het Vermoeden van Eisenstein