Krimpcongres 'LEEFBAARHEID, PARTICITPATIE, VEERKRACHT'

Page 1

Verslag

KRIMPCONGRES ‘LEEFBAARHEID, PARTICIPATIE, VEERKRACHT’

26 november 2015 De Oosterpoort, Groningen


Ontvangst met muziek door studenten van het Prins Claus Conservatorium en een fototentoonstelling van het project ‘Westerwolde, de kunst van fijnschaligheid’ van Academie Minerva. Een petit fourtje bij de koffie ter ere van het 5-jarig bestaan van het KKNN....



Opening Krimpcongres ‘Leefbaarheid, Participatie en Veerkracht’ Projectleider Angelique van Wingerden heet iedereen welkom. Zij staat stil bij het 5-jarig bestaan van het Kennisnetwerk Krimp Noord-Nederland en legt uit hoe een dorp van binnen naar buiten krimpt. Vervolgens deelt zij het oude communicatieprincipe 7-3-1 met alle aanwezigen: als je zeven keer dezelfde boodschap via drie verschillende kanalen vertelt, komt hij één keer aan. Dit principe zal door de dag heen nog meerdere keren gememoreerd worden... Leren van elkaar Terwijl Angelique haar welkomstpraatje houdt, rollen twee aanwezige mannen alle gekleurde draden op die op het podium liggen. Zij worden later voorgesteld als gedeputeerden Eelco Eikenaar van Groningen en Henk Jumelet van Drenthe. Zij openen het krimpcongres. Jumelet roemt het netwerk, benadrukt hoe belangrijk het is om opgedane kennis met elkaar te delen en geeft aan dat de provincies ook de komende jaren het KKNN blijven ondersteunen. Hij benadrukt het belang van leren van elkaars projecten, zoals Holwerd aan Zee, waarvoor gedeputeerde Johannes Kramer van Fryslân deze dag naar Den Haag moet en


dus niet bij het congres kan zijn. Jumelet is trots op “de mooie projecten die uitgevoerd worden om krimpgebieden leefbaar te houden, veerkrachtiger te maken en dit zoveel mogelijk met inwoners zelf te doen”. Collega Eikenaar gaat in op een aantal concrete vraagstukken waar we voor staan als gevolg van de krimp. Hij noemt o.a. de goedkope koop, waarvan de provincie heeft besloten iets te doen aan de gevolgen daarvan. “Een begin van een oplossing hebben we ontwikkeld met het Gronings gereedschap; de ervaring die we hebben opgedaan met experimenten, om te voorkomen dat door leegstand en gebrek aan onderhoud buurten en wijken verslechteren. Zoals bijvoorbeeld de ruil van huur- en koopwoningen.” Concreet vraagstuk oppakken Eikenaar doet een oproep “Het is belangrijk dat we hier bij elkaar zijn vandaag. Laten we het gesprek aangaan over de vraag hoe dit vraagstuk verder op te pakken. Laten we de kennis en mooie initiatieven, ook die van onze actieve inwoners, aan elkaar koppelen, laten we samenwerken aan een duurzame oplossing voor de goedkope koop. Samen werken aan leefbaarheid, participatie en veerkracht.” Ludieke openingsact Middenin zijn betoog stormt Saskia Wierstra, zogenaamd bestuurssecretaris en invaller van gedeputeerde Kramer van Fryslân, het toneel op en is het hilariteit alom... Zij neemt de hele regie over en nodigt de mannen uit tot een ludieke openingsact, waar vooral zij zélf het middelpunt van is. Een vrolijke en originele opening van het Krimpcongres!




Terugtrekken: makkelijker gezegd dan gedaan Vijf jaar KKNN; reden voor een feestje. In zo’n ambiance is Paul Frissen een welkome gastspreker. De hoogleraar Bestuurskunde (Tilburg) en bestuursvoorzitter NSOB (Nederlandse School voor Openbaar Bestuur) nam met zijn droge humor de participatiemaatschappij op de korrel. Vooral de terugtredende overheid moest het ontgelden. Volgens Frissen zijn we nog op zoek naar ‘helden van de terugtrekking’. Door Eduard van den Hoff

Het liefst wil de overheid dat burgers voorzieningen overnemen en overheidsbeleid uitvoeren, terwijl zijzelf faciliteert en regisseert. ‘Maar het kan ook zomaar gebeuren dat de samenleving het hele publieke domein opnieuw gaat uitvinden’, waarschuwt Frissen. ‘Dat idee maakt de overheid zenuwachtig, want het leidt mogelijk tot uitsluiting en ongelijkheid en dat noopt tot overheidsinterventie.’ Andere mogelijkheden zijn dat burgers niks doen of het totaal verkeerd doen. Frissen denkt dat alle scenario’s aan bod zullen komen.

‘Wijkteams doen me denken aan Noord Korea’


Obesitas Welke scenario’s ziet Frissen voor de gemeenten? 1) Ze modderen maar wat aan en leggen hun oor vooral te luister bij maatschappelijke organisaties, 2) ze geven zich over aan de adviesindustrie of 3) ze nemen het maatschappelijke middenveld in de tang middels wijkteams. Van dat laatste gruwelt Frissen. ‘Het doet me denken aan Noord Korea, omdat het uitgaat van één gezin, één plan en één regisseur. Burgers krijgen dan heel normatieve opvattingen opgelegd. Neem bijvoorbeeld de aanpak van obesitas: goed bedoeld, maar vooral gericht op de onderkant van de maatschappij.’ Junk-dealer relatie Frissen ziet het overigens niet gebeuren dat de overheid zich echt terugtrekt. Dat komt door de dealer-junk relatie die de overheid middels subsidies onderhoudt met maatschappelijke organisaties. Daarnaast voelt de landelijke overheid zich de stimuleringscockpit van de samenleving. Ze draagt taken over aan gemeenten, maar ondertussen ‘monitort’ ze alles. ‘Dit is weer de eerste stap op weg naar bemoeien’, vindt Frissen. Hij vreest dat de communicatie tussen gemeente en overheid behept zal zijn met het ‘Dochter op Kamers-syndroom‘, dat zich kenmerkt door troebele informatieoverdracht. Verder geeft Frissen aan dat de overheid vooral beducht blijft voor te veel maatschappelijke ongelijkheid.

‘De informatieoverdracht raakt troebel door het ‘Dochter op Kamers-syndroom’

Verdekte gemeentelijke herindeling ‘De burgers zijn verdeeld over vele instituties. Dat kan leiden tot veerkracht en vitaliteit van de samenleving, maar ook tot uitsluiting’, meent Frissen. Daarom heeft de politiek nog heel wat te verhapstukken. Met alle transities en terugtrekkende intenties vreest Frissen voor een verdekte gemeentelijke herindeling. ‘Hou het klein’, adviseert hij de overheid, ‘en houd contact met de burgers. We hebben helden voor de terugtrekking nodig!’ Na deze verfrissende kijk op ‘Burgerschap in de participatiesamenleving’ drinken de deelnemers eerst een kop koffie, waarna Sabine Meier en Tialda Haartsen het stokje overnemen.


Hardnekkige krimpmythes: bekijk het ook eens van een andere kant Tijdens de plenaire presentatie van Sabine Meier, Professor Räumliche Entwicklung und Inklusion aan de universiteit van Siegen, en Tialda Haartsen, universitair hoofddocent aan de Rijksuniversiteit Groningen, werden twee mythes rondom krimp besproken. Door Mathijs Stuive

Sabine Meier besprak de mythe ‘door sloop worden plaatsen per se lelijker’ en illustreerde de andere kant van deze uitspraak aan de hand van de casus Staßfurt, gelegen in SachsenAnhalt, Oost-Duitsland. Zij betoogde dat sloop ook mooie gevolgen kan hebben. In Staßfurt, een stad met 27.000 inwoners zijn de gevolgen van bodemdaling ten gevolge van grootschalige zoutwinning duidelijk zichtbaar. Door deze grote bodemdaling, de bijbehorende schade en de demografische krimp zijn in de jaren 60 van de vorige eeuw in Staßfurt en omgeving meer dan 600 gebouwen gesloopt, waaronder de kerk, het gemeentehuis en het station. Daardoor ontstond er veel lege ruimte in het stadshart die opgevuld moest worden. Hoe kan je ondanks (of juist vanwege de sloop) een plaats als Staßfurt op een positieve wijze veranderen? In dit geval werd gekozen voor een grootschalige aanpak, waarbij een meer


werd aangelegd in het grotendeels gesloopte stadshart. Dit meer heeft twee verschillende rollen: een technische, waarbij het fungeert als beheersysteem voor grondwater en een sociaal-ruimtelijke rol, waarbij recreatie en het creëren van plekken voor collectieve herinneringen voorop stonden. In dit geval is er door sloop ruimte gecreëerd voor een uniek en functioneel element recht in het stadshart van Staßfurt. In het tweede deel van de lezing besprak Tialda Haartsen de onrust die ontstaat in een gemeenschap als de dorpsschool dichtgaat. Dit werd geïllustreerd aan de hand van boze krantenkoppen, spandoeken en protestfolders die al gauw in een dorp verspreid worden als de dorpsschool dicht moet. Maar is het gevolg van het sluiten van een school daadwerkelijk zo groot? Een dorpsschool heeft drie functies: primair natuurlijk het onderwijs zelf. Een passend schooltype op loop- of fietsafstand van de bewoners in een dorp. Secundair fungeert het ook als een ontmoetingsplaats en vervult het een sociale rol als fysieke plek voor samenkomsten van bijvoorbeeld verenigingen. Daarnaast heeft het nog een symbolische functie: een dorp met een dorpsschool wordt gezien als een toekomstbestendige plaats om in te wonen. Van deze functies blijken er echter genoeg alternatieven voorhanden. Een andere school is bijvoorbeeld vaak binnen een straal van drie kilometer aanwezig en de functie van ontmoetingsplaats kan ook worden vervuld door bijvoorbeeld een dorpshuis. De teloorgang van de symbolische functie van een school heeft op korte termijn wel gevolgen. Niet voor de in-migratie, deze blijft op eenzelfde niveau. Wel voor de uit-migratie, want daar blijkt een tijdelijke trend waarneembaar waarbij meer gezinnen

vertrekken uit een dorp waar recentelijk een school is gesloten. Toch stabiliseert ook die uit-migratie en zijn er op een iets langere termijn geen grote demografische gevolgen voor een dorp waar de school sluit. De reuring die ontstaat rondom het sluiten van een dorpsschool lijkt daarmee de stadia van rouwverwerking te volgen. Na de initiële ontkenning van het probleem volgt de boosheid van de protesten en de onderhandeling om de school te behouden. Na de kortstondige ‘depressie’ die volgt ontstaat er aanvaarding van het feit en uiteindelijk gaat het leven weer gelukkig verder. Haartsen haalde vanwege de symboolfunctie Herwil van Gelder (wethouder gemeente de Marne) aan, die onlangs stelde: “We moeten zorgen dat we meer betekenis geven aan het proces van verlies. Wij wethouders gaan altijd op de foto bij nieuwe voorzieningen. We zouden eigenlijk op de foto moeten als er een voorziening verdwijnt.” Of Paul Frissen parafraserend, “we moeten de helden van de terugtocht creëren.”


Tijdens de uitgebreide lunch kan iedereen inspiratie opdoen op de projectenmarkt. Deze markt bestaat uit 24 kleurrijke bewonersinitiatieven uit de drie noordelijke provincies. Alle stands worden uitgebreid bezocht. Na de lunch starten de workshoprondes.



Zijn gemeenten klaar voor de participatiemaatschappij? Hebben burgers en gemeenten dezelfde verwachting van de participatiemaatschappij? Die vraag onderzocht CMO STAMM onder burgers en gemeenten in de provincie Groningen. Het leverde verrassende inzichten op. Net als de resultaten van de versnellingskamer die CMO STAMM ter plekke organiseerde. Door Eduard van den Hoff

Zijn gemeenten klaar om meer aan de burgers over te laten? 41% van de gemeenten antwoordde nee en 73% van de burgers wist het niet. Burgers zijn weliswaar ondernemend en betrokken, maar willen wel graag dat de gemeente meedenkt en toezicht houdt. Burgers tonen hun zorgen over het participatieproces. Gemeenten daarentegen zijn optimistisch, willen graag burgerinitiatieven stimuleren en met burgers samenwerken. Hoe nu verder? Moet men ondanks de verschillende verwachtingen en snelheden maar gewoon aan de slag gaan en hopen dat er mooie praktijkvoorbeelden ontstaan?


Versnellingskamermethode

Gemeentelijke potjes

Natuurlijk bevinden we ons nog slechts aan het begin van het participatieproces. Maar als we onze blik richten op 2025, hoe kunnen gemeenten, instellingen en organisaties dan optimaal inspelen op burgerinitiatieven? Het was aan de toehoorders die vraag te beantwoorden middels de versnellingskamermethode: alle aanwezigen kregen een laptop en mochten daarop hun bevindingen opslaan, op basis van hun beroepsachtergrond.

In de discussie die volgde ging het ondermeer over geld. Moet de gemeente geld geven voor burgerinitiatieven of moet zij bewoners gidsen door subsidieland? ‘De burger snapt niks van de gemeentelijke potjes’, merkte iemand op. ‘En dan zijn er ook nog de talloze fondsen. Het hele financieringssysteem moet eenvoudiger worden.’

Gemeentehuizen niet meer nodig

‘Misschien is het wel verstandig dat gemeenten thema’s benoemen die door de burgers in vrijheid kunnen worden ingevuld’, opperde iemand. Maar wel zonder de noodzaak om alles tot achter de komma te moeten verantwoorden. Een lid van Dorpsbelangen was van mening dat de wijze waarop dorpsvisies worden gebudgetteerd, de meest ware vorm van participatie is.

Diverse workshoppers beschreven een organisatievorm met een loket. Ook de vorming van een burgerpanel werd toegejuicht om snel te kunnen nagaan hoe burgers over plannen denken. Gemeentehuizen zijn niet meer nodig, hooguit kleine kantoren.

“Dorpsvisies zijn de meest ware vorm van participatie!” Van elkaar leren Kennisdelen werd ook veel genoemd. Gelijkwaardigheid is daarin essentieel. Gemeenten kunnen ook van elkaar leren. Open data zijn vereist. Niet alleen moet er een online platform zijn, men moet elkaar ook veel in de ogen kijken. Het laagst scoorde beleidsbepaling. Slechts een enkeling durfde te betwijfelen dat het onderwerp participatie in 2025 nog op de agenda staat.

Thema’s


Samenwerkingsscholen in Oost-Groningen Door het gestaag teruglopende aantal leerlingen in Oost-Groningen dreigen veel basisscholen om te vallen. Daarnaast laat ook de kwaliteit van het onderwijs op veel plaatsen te wensen over. Daarom hebben vijf basisschoolbesturen in Oost-Groningen in 2013 onder begeleiding van het Groningse advies- en architectenbureau KAW de handen ineen geslagen, met als doel optimale voorwaarden te creëren voor goed, pluriform en bereikbaar basisonderwijs in Oost-Groningen. Marcel Tankink en Irma van Beek van KAW vertellen over de vorderingen. Door Anna van der Bijl

Nieuwe identiteit Hoe krijg je van vijf uiteenlopende schoolbesturen, zowel openbaar als christelijk, alle neuzen in dezelfde richting? De sleutel ligt volgens Tankink en Van Beek in het vinden van een bindmiddel, zoals de wens naar kwalitatief goed onderwijs. Daarnaast is het van belang om als samenwerkingsschool een gemeenschappelijke, nieuwe identiteit te vormen. Deze nieuwe identiteit werd gevonden in de ‘Oost Groninger Standaard’, een door de regio zelf ontwikkelde kwaliteitsstandaard voor onderwijs die inmiddels zelfs landelijk is doorgevoerd. Maar ook in bestuurlijk opzicht moest er een samenwerkingsmodel gevonden worden. Na een langdurige verkenningsfase kwam men uit op een ‘holdingconstructie’,


waarbij de deelnemende schoolbesturen autonoom en als gelijkwaardige partners onder een nieuw te vormen bestuur zullen vallen. Verbinding ‘Ik mis het kindperspectief vaak in discussies over onderwijs’, klinkt er uit de zaal. ‘Schoolbesturen en gemeentes willen kosten besparen en ouders willen dat de school dichtbij huis blijft. Maar gezien de sociaal-economische status van Oost-Groningen zou juist in dit gebied kwalitatief goed onderwijs het belangrijkst moeten zijn.’ Ook rijst de vraag of de discussie zich niet teveel toespitst op de juridische organisatie van het schoolsysteem. Dreigt het pedagogische aspect niet onderbelicht te raken? Van Beek zegt dat juist de gemeenschappelijke kwaliteitswens binnen het onderwijs steeds tot verbinding

bij de deelnemende partijen heeft geleid: ‘Als de discussie weer eens hoog opliep en de schoolbesturen van elkaar verwijderd dreigden te raken, bracht het gedeelde besef van de noodzaak om optimaal onderwijs te kunnen bieden de partijen juist weer tot elkaar. ’ Bewust worden Tot slot wordt gevraagd welk advies Tankink en Van Beek hebben aan scholen in regio’s waar in de nabije toekomst veel krimp wordt verwacht. Naast samenwerking tussen scholen onderling, is het volgens Tankink vooral belangrijk dat ook gemeenten in het proces worden betrokken en zich bewust worden van het uiteindelijke financiële gewin van een aanstaande samenwerkingsschool.


Cultuurparticipatie leeft Voorafgaand aan de discussie tijdens de workshop PArticipate! lichten Hanka Otte en Linda Hendriks hun visie op respectievelijk kunstparticipatie en cohesief gedrag en blaasorkesten en krimp toe. Adviseur Ugo Leever vertelt over orkesten en vernieuwing in de praktijk. Door Nynke Koornstra

Kunstparticipatie en sociale cohesie Als Otte de deelnemers vraagt of zij van plan zijn initiatieven te ontplooien waarin muziek of een kunstgroep betrokken is, houdt het merendeel van de aanwezigen een groen kaartje omhoog. Cultuurparticipatie leeft nog in krimpgebieden. In Otte’s promotieonderzoek naar kunst, cultuurbeleid en sociale cohesie spelen de relationele en ideÍle dimensie een rol in bindend en overbruggend gedrag. Bij interne sociale cohesie past bindend gedrag: we leven in families en zoeken gelijkenis in elkaar op. Bij externe sociale cohesie past een meer overbruggende houding: we vragen ons af wat we nog niet weten en gaan op zoek naar nieuwe kennis.


Orkesten en de omgeving Linda Hendriks vervolgt de workshop met een presentatie over de relatie tussen orkestgezelschappen en de buitenwereld. Is deze relatie aan het verbleken? Er zijn orkesten die leden verliezen, maar er zijn er ook die het juist goed doen en bijvoorbeeld een actief jeugdbeleid hebben. De sector is in het noorden populair en onderdeel van het cultureel erfgoed, maar heeft ook een imagoprobleem. Volgens Hendriks is er veel muzikaal talent aanwezig in de krimpgebieden en probeert de blaasmuzieksector de aansluiting met de samenleving te hervinden. Overbrugging Volgens Ugo Leever wordt amateurkunst vaak gewaardeerd door bekende, homogene groepen als familieleden en sponsoren. Veel harmonieorkesten verleggen de focus dan ook graag van bindende naar overbruggende activiteiten om een nieuw soort gemeenschapszin te creëren. De veranderende samenleving wordt door muziekgezelschappen beschouwd als aanleiding om ook zelf te gaan veranderen en nieuwe initiatieven te ontplooien. Eenmaal opgerichte ensembles maken PR-beleid om het imagoprobleem van zich af te schudden. “Door bewustwording van de eigen kwetsbaarheid kunnen orkesten hun slagkracht behouden“, aldus Leever. Samenwerkingspartners Tijdens de discussie bedenken de deelnemers in zes tafelgroepen ideeën over cultuurparticipatie en krimp. De deelnemers vinden dat de interne binding binnen een gemeenschap onderling bevestigd en

geborgd moet worden, maar dat er ook bruggetjes nodig blijven om de bestaande ideeën van nieuwe perspectieven te voorzien. Dat orkesten een belangrijke rol spelen tijdens feestdagen en daarmee een identiteitsgevoel creëren. En dat het zoeken van samenwerkingspartners een goede methode is om een verbindende rol te kunnen blijven spelen in de gemeenschap. “Door het zoeken van verbindingen met andere verenigingen en basisscholen kun je komen tot accommodaties als een coöperatie of omnivereniging.”


Dorpsbelangen 3.0: een slagvaardige dorpsvertegenwoordiger Olga Hartman en Nienke Vellema deden een beroep op de creatieve inbreng van de deelnemers om een antwoord te vinden op de vraag ‘waar de Vereniging Dorpsbelangen van Loppersum in de toekomst wil staan en hoe dit te realiseren’ Door Peggy de Vries

Mogelijkheden benutten Deze vraag om ‘gouden tips’ werd gesteld door Olga Hartman -oud wethouder van Loppersum- en tegenwoordig werkzaam voor de Vereniging Groninger Dorpen. Vereniging Groninger Dorpen is in 2006 ontstaan uit een fusie tussen de Vereniging Kleine Dorpen Groningen en de Vereniging Groninger Dorpshuizen en zet zich sindsdien in voor de leefbaarheid van het Groninger platteland. Dit doet de vereniging o.a. door dorpsorganisaties en relevante partijen op weg te helpen bij het ontdekken en benutten van mogelijkheden in dorpen en op het platteland, en het vinden van oplossingen voor knelpunten.


Professioneel Na flink wat discussie kwamen de groepjes met de volgende ‘gouden tips’: allereerst was er de suggestie om te onderzoeken of er (nog) voldoende draagkracht is voor een vereniging Dorpsbelangen in Loppersum. Ook vond men het belangrijk dat helder was wat de dorpelingen en dorpsbelangen van elkaar kunnen verwachten. Ondersteuning hierbij zou het opstellen van een dorpsvisie met alle partijen kunnen zijn. Verder werd als voorwaarde gesteld dat er professioneel gewerkt en gefaciliteerd moet worden om een serieuze kandidaat te zijn voor de verschillende spelers in het veld. Denk hierbij aan aansluiting bij de gemeente en andere instanties.

Levendig platform

En last but not least: goede communicatie! Een vereniging Dorpsbelangen zou een ‘spin in het web’ moeten zijn, een vraagbaak met een verbindende rol. Daarom is het van groot belang dat de vereniging Dorpsbelangen goed vindbaar en toegankelijk is. Een actuele website is hierbij onontbeerlijk. Een website waarop niet alleen alle informatie van bv. instanties, verenigingen, scholen, sportclubs en bedrijven te vinden is, maar ook een agenda, wijknieuws en actuele gebeurtenissen. Kortom, een levendig platform voor alle belanghebbenden binnen Loppersum en omgeving.


“Wooninitiatieven van burgers, waar houdt het op?” Door de vergrijzing op het Friese platteland en nieuwe wet- en regelgeving heeft woningcorporatie Elkien besloten haar investeringen stop te zetten in een deel van de dorpen waar ze woningen heeft staan. “Dat betekent niet dat we deze dorpen hebben laten stikken, integendeel,” zegt Ytsen Strikwerda (Elkien). Hij presenteert samen met Nynke Talstra (Doarpswurk) drie concrete voorbeelden met als centrale vraag: is dit het einde van de bewonersinitiatieven, of slechts het begin? Door Manouk Minneboo

De sociocratie van Wûns In Wûns kreeg men een zware teleurstelling te verwerken toen bleek dat de bouw van twee nieuwe huurwoningen door Elkien niet door ging. Maar mede na hulp van Doarpswurk en andere partijen is er een plan gekomen om de grond van Elkien te kopen en zelf nieuwe woningen te bouwen. Die woningen komen er echter niet zomaar. “Er is ontzettend veel overleg nodig om de plannen gerealiseerd te krijgen. Je moet als koploper echt in alles zelf het wiel uitvinden,”


zegt Talstra. Het grootste struikelblok tot nu toe is de financiering. De horizon van 50 jaar past niet in het plaatje van de meeste financiers. Gelukkig is er een particuliere investeerder bereid gevonden om het initiatief te ondersteunen. Ook Elkien kan niet zo goed meewerken als alle partijen wel zouden willen. Talstra legt uit: “Elkien is Sinterklaas niet. En al zouden ze dat willen, ze mógen wettelijk de grond niet voor een appel en een ei verkopen.” Maar Strikwerda heeft alle vertrouwen in de goede afloop: “We komen er wel uit. Wij bij Elkien nemen in elk geval de sloop voor onze rekening.” “Hebben jullie wel aan crowdfunding gedacht?” was een logische vraag vanuit het publiek. Die optie is inderdaad al onderzocht. Via de officiële kanalen en websites is het niet gelukt om het initiatief aan te bieden als crowdfunding project. En het dorp zelf betaalt al een flinke portie (2025%) van de investering, dus daar zijn alle mogelijkheden goed benut. Ook een erfpachtconstructie is geen optie, omdat het leenbedrag dan omlaag gaat. “Maakt het dan uit of een dorp rijk is of niet?” vraagt een dame in het publiek zich af. Misschien wel, is het antwoord. Strikwerda legt uit: “Een eigen bijdrage is vereist bij dit soort projecten. Je moet dus goed kijken welke bronnen je kunt aanboren in een dorp. En je moet er écht in geloven.” Het mooie van Wûns vindt Talstra is dat er een sociocratisch systeem wordt gehandhaafd. In een democratie gaat iets door als er een meerderheid van stemmen is, in Wûns gaat iets alleen door als er niemand is die een zwaarwegend bezwaar heeft. Nijland en Jirnsum Nijland en Jirnsum blijken weer totaal andere casussen te zijn. In Nijland zijn tien oude seniorenwoningen gesloopt en met behulp van een particuliere investeerder zijn

zes starterswoningen (twee-onder-één kapwoningen) gerealiseerd. In Jirnsum staat een vereniging op het punt een complex met 25 seniorenwoningen te kopen. De vereniging gaat de woningen renoveren en verhuurt ze voor de komende tien jaar. Vraag voor Strikwerda is of door bovenstaande initiatieven te faciliteren je niet een toekomstig probleem in het dorp creëert. Is er straks niet meer aanbod dan vraag? Strikwerda maakt zich daar zeker zorgen over ook gezien de woningen van de babyboom generatie die de komende jaren beschikbaar zullen komen. Hij geeft echter ook aan dat zoals bijv. in de casus van Nijland, er sprake is van verdunning. Hulde voor de bewoners Dus waar houdt het nu eigenlijk op met die bewonersinitiatieven? Wûns, Nijland en Jirnsum laten zien dat je met een lange adem en een goed plan heel ver kunt komen. De projecten krijgen al navolging in andere delen van het land en investeerders krijgen langzaamaan meer vertrouwen in de goede afloop. Wat deze dorpen laten zien is dat succes grotendeels afhangt van de inzet en lange adem van de inwoners van het dorp. Talstra zegt: “Ik heb zo veel respect voor de mensen die dit allemaal naast hun werk willen doen. Hulde!”


Bewonersinitiatieven in focus Erzsi de Haan gaf een korte inleiding bij deze focusgroep-discussie. Zij voert op dit moment promotieonderzoek uit waarbij zij zich richt op de vraag: ‘Hoe definieer je succes bij bewonersinitiatieven?’ Om hierop antwoord te krijgen organiseert zij zogenaamde focusgroep-discussies. Een focusgroep-discussie is een verkennende of verklarende discussie met een kleine groep geselecteerde deelnemers, die onder leiding van een moderator (discussieleider) een actieve discussie voeren met een sterke focus op het onderwerp. Door Mathijs Stuive

Definitie succes Om de vraag ‘Hoe definieer je succes bij bewonersinitiatief?’ te beantwoorden gingen de deelnemers gedurende drie rondes met elkaar in gesprek. Allereerst moesten zij in één of twee woorden hun eigen definitie van succes geven of juist wat geen succes is. In ronde twee kon dit in een discussie verder uitgediept worden en in ronde drie werd besproken welke definities er nog ontbraken aan deze lijst. Enkele definities die in de eerste ronde naar voren kwamen, waren ‘het behalen van het gestelde doel’, ‘het creëren van sociale binding’, ‘het garanderen van continuïteit’ of ‘een


uitvoering die het plan overtreft’. Maar succes valt ook te definiëren als ‘burgers die zich ‘empowered’ voelen en zich realiseren dat zij voor veel problemen zelf het heft in handen kunnen nemen’. Verder kan het creëren van een collectief bewustzijn of een gemeenschappelijk herinnering, zonder dat het beoogde doel is bereikt, alsnog tot succes leiden. Gefaalde ondernemingen Succes kan dus heel breed worden gedefinieerd. Het blijkt volgens de deelnemers echter een stuk lastiger om te bepalen wanneer een bewonersinitiatief juist geen succes is. Een bewonersinitiatief geredeneerd vanuit één belang of één persoon is in ieder geval niet succesvol.

Ook projecten waarbij de overheid het overneemt, er veel afhakers zijn of er überhaupt niets van de grond komt, worden gezien als gefaalde ondernemingen. Succes ervaren Aan het einde van de workshop presenteerde Erzsi de Haan ook kort enkele definities die zij op heeft kunnen stellen aan de hand van eerdere focusgroep-discussies. Hieruit bleek dat de meningen van deze discussie-deelnemers in grote lijnen overeenkwamen met hoe de professionals uit het vakgebied succes bij bewonersinitiatieven ervaren. Je hoeft dus geen expert bewonersinitiatieven te zijn om te weten wanneer een initiatief succesvol is.


Burgerinitiatieven zijn niet gratis en simpel Tijdens het congres vond het eerste optreden van Bettina Bock voor een KKNN-publiek plaats. De onlangs benoemde bijzonder hoogleraar Bevolkingsdaling en Leefbaarheid voor Noord-Nederland had een workshop georganiseerd. Het thema luidde ‘Lokale veerkracht onder druk. Wat dan?’ Door Eduard van den Hoff

Het platteland kent al veel vormen van burgerparticipatie en zelfredzaamheid, getuige de vele energie- en zorgcorporaties, dorpswinkels met ontmoetingsfaciliteiten, enzovoort. ‘Er is veerkracht, maar we moeten wel beseffen dat de burgerinitiatieven niet gratis zijn en niet simpel’, benadrukte Bock. ‘Immers de overheid trekt zich terug, maar de kosten blijven. En het is niet altijd simpel om tijd en inzet te mobiliseren onder burgers.’ Voorbeelden aandragen ‘Burgerinitiatieven komen daarom niet overal van de grond. Is dat erg?’, vroeg Bock zich af. ‘Moeten we daar adviezen geven of voorbeelden aandragen?’ Zo’n voorbeeld is DORV: Duitse dorpswinkels met een scala aan diensten. Te denken valt aan de huisarts, fysiotherapeut, computerhulp, een geldautomaat, een reisbureau, enzovoort.


‘Loop burgerinitiatieven niet in de weg!’ Lokale condities Vervolgens mocht het publiek aan de slag. Bock had een aantal vragen opgesteld waarop men in groepen mocht reageren. Op de vraag of er plaatsen/gebieden zijn waar burgerinitiatieven niet ontstaan of succesvol zijn, antwoordden de meesten bevestigend. Dat zou komen door de cultuur (verhouding overheid-burgers) en lokale condities (ontbreken van trekkers, netwerken, verenigingen). Hoe kun je het ontstaan en slagen van burgerinitiatieven makkelijker maken? ‘Zorg voor animo, communicatie, toerusting, inbedding en empathie. Loop niet in de weg. Zorg voor geld en kennis.’

Elke initiatief mag uniek zijn Versnellen voorbeelden/bouwpakketten zoals DORV de burgerinitiatieven? ‘Ja’, antwoordden velen, ‘maar alleen als het maatwerk betreft, niet als blauwdruk geldt, een raamwerk is en mensen nog een kans krijgen zelf dingen te ontdekken.’ Zijn verschillen in lokale initiatieven erg? ‘Nee’, klonk het eensluidend. ‘Ieder mens is uniek, dus mag ook elk initiatief uniek zijn. En het zou juist erg zijn als lokale initiatieven niet van elkaar verschillen.’


Bewonersinitiatieven, wie is aan zet? Wilma de Vries presenteerde de resultaten van een aantal recente onderzoeken onder het 2300 leden tellende burgerpanel van het Fries Sociaal Planbureau : • Volgens het panel zijn de voorzieningen huisarts en supermarkt het belangrijkst om in de buurt te hebben • Het belang van een ‘eigen’ basisschool wordt in dorpen veel groter geacht dan in stedelijk gebied • Ongeveer de helft van het panel geeft aan boos of teleurgesteld te zijn wanneer er voorzieningen verdwijnen, maar slechts een heel klein deel geeft aan in actie te komen in zulke situaties. Door Manouk Minneboo

Meeste Friezen zijn niet meteen bereid tot actie “Wacht even, nu lijkt het net alsof in Friesland alleen maar hele passieve dorpen liggen?” Vroeg een deelnemer aan de workshop zich hardop af. En terecht natuurlijk, want als er echt zo weinig mensen bereid waren tot actie dan zouden er lang niet zo veel bewonersinitiatieven zijn. Maar de cijfers geven wel een goede indicatie van de eerste reactie op het


verdwijnen van voorzieningen, vindt De Vries. Ze zegt: “Als bewoners een mooie actie bedenken, lukt het vaak wel om meer mensen mee te krijgen.” Wie is aan zet? Die kwestie brengt meteen de belangrijkste vraag uit de workshop aan de orde: wie is aan zet bij bewonersinitiatieven? Na een korte uitleg door Sjoerd IJdema (Partoer) gaan de deelnemers in groepjes aan de slag met verschillende casussen. De vraag die moet worden beantwoord is: wie neemt het voortouw en hoe ziet het proces eruit? De antwoorden zijn erg verschillend. Sommige groepjes gaan omzichtig te werk, anderen zijn heel doelgericht. Zoals het groepje, dat zich buigt over een dorpshuis dat niet loopt.

Deze groep stelt voor dat de gebruikers en het bestuur het initiatief nemen. Zij moeten een brief sturen aan de gemeente en vragen om een horecavergunning en een lening. Opvallend is verder dat elk groepje een andere initiatiefnemer aanwijst, zelfs de groepjes die dezelfde casus behandelen. Wat kunnen we hieruit leren? Misschien wel dat elk bewonersinitiatief uniek is. En ook dat de gekozen paden van de experts in de workshop vaak afwijken van de uitkomsten van bewoners zelf. De vraag: ‘wie is aan zet?’ kent dus vele antwoorden.


Een betere wereld begint bij ‘age-friendly environments’ Krimpende steden en regio’s hebben vaak te maken met vergrijzing. In seniorvriendelijke omgevingen wordt rekening gehouden met een fysieke en sociale nabijheid waarin mensen gezond, zelfstandig en autonoom oud kunnen worden. Roos Galjaard en Ilja van der Veen (Bureau PAU) pleiten dan ook voor strategieën voor ‘age-friendly environments’. Door Nynke Koornstra

Hulpmiddel voor verbeteringsstrategieën Galjaard legt uit dat ruimtelijke ontwikkelingen in seniorvriendelijke omgevingen vaak gebaseerd zijn op samenwerking tussen bedrijven, overheid en bewoners. Eén van de aanwezigen merkt op dat het in veranderende contexten rekening houden met de kwetsbaardere mensen in de samenleving nog niet vanzelfsprekend is. Met behulp van de checklist voor age-friendly cities and communities van de WHO kunnen bewoners een meer volwaardige rol gaan spelen in de verbetering van de omgeving. De tool bevat meetbare, kwalitatieve domeinen op het vlak van onder meer woningbouw en vervoer die oudere


bewoners kunnen beoordelen en op kunnen nemen in voorstellen voor verandering. De kracht van Kloosterburen De deelnemers gaan aan de slag met praktijksituaties in Friesland, Groningen en Drenthe. Verschillende vragen staan er ter discussie. Hoe zien de maatregelen rondom het project en de kostenindicatie eruit? Hoe is de relatie met andere projecten en wat zijn de verwachte effecten? In de groep die zich bezig houdt met het ontwikkelen van een permacultuur in het kleine dorp Kloosterburen licht de initiatiefneemster enthousiast de plannen toe voor een veilige samenleving waarin ouderen en verstandelijk gehandicapten een belangrijk onderdeel van de gemeenschap zijn. Het benutten van religieus erfgoed gaat er samen met nieuwbouw en de aanleg van een moestuin met fruitbomen en eetbare planten. In het nieuwe ontwerp wordt de historische waarde van het dorp benut voor de verschillende activiteiten van de coöperatie, die integraal met elkaar verbonden zijn. “Die onderlinge samenhang is de kracht van Kloosterburen”. Prachtig wonen in Friesland en Drenthe Volgens de twee overige groepen is het ook in de ruime plattelandsgemeenten de Fryske Marren en Aa en Hunze in de toekomst prachtig wonen. De focus ligt er op de bereikbaarheid en het vervoer. Er is nagedacht over benodigdheden om langer thuis te kunnen blijven wonen. Voor de beschikbaarheid van informatie wordt er op het ‘leefbare platteland’ glasvezelkabel aangelegd, wat de regio’s aantrekkelijker maakt voor jongeren en start-ups. Ook door

ouderen wordt er meer gebruik gemaakt van het internet en daarmee minder van het openbaar vervoer. “Als oudere kun je de winkel naar je toe te halen.” Frisse ideeën over aspecten die essentieel zijn voor seniorvriendelijke omgevingen nemen de deelnemers en Galjaard respectievelijk mee naar huis en naar het Europese consortium in Brussel. Een betere wereld begint bij age-friendly environments.


Het belang van de culturele factor voor krimp In deze workshop ging Nol Reverda van het Neimed (Nederlands expertise en innovatiecentrum maatschappelijke effecten en demografische krimp) op zoek naar de kracht van krimp; wat is er wèl in plaats van niet, in samenhang met de culturele factor. Door Peggy de Vries

Zoektocht Volgens Nol Reverda zou men krimp moeten gebruiken als een zoektocht. Een zoektocht naar welke rol cultuur in de omgang met krimp zou kunnen hebben. In hoeverre geeft cultuur een gezicht aan het krimpproces? En andersom, in hoeverre ligt het krimpproces aan de basis van culturele producties? Kortom, krimp geeft ook (culturele) kansen. Ook in Limburg heeft men te maken met krimp. Wat te denken van Heerlen, tegenwoordig Parkstad Limburg, eens een bloeiende stad dankzij de mijnen. Maar na de sluiting van de mijnen is ook de welvaart verdwenen en is de stad economisch in verval geraakt en tot krimpgebied verworden.


Creatief met krimp

Meer marketing

De vraag is nu hoe culturele interventies kunnen bijdragen aan het doel betekenis te geven aan de woonbeleving van de mensen die daar wonen? De discussie ging vooral over in hoeverre cultuur een gezicht geeft aan het krimpproces. Wat zijn de kansen? Als voorbeeld werd het muziektheaterspektakel Circus in Veen in stadion De Langeleegte in Veendam door de PeerGrouP genoemd. Zij verzorgden een voorstelling waarbij creatief met krimp werd omgegaan en deze thematiek als een vrolijke voorstelling voor het voetlicht werd gebracht. En denk bijvoorbeeld aan Festival De Hongerige Wolf, in het gelijknamige kleine Oost Groningse dorp. Nu al voor het zesde jaar een succesvol festival waarbij de bewoners actief meedoen.

De vraag werd gesteld wat er van deze activiteiten beklijft? Er gebeurt veel in de regio, maar dit is niet goed zichtbaar voor de bewoners. Er zou meer aan marketing en netwerken gedaan kunnen worden om culturele interventies onder de aandacht te brengen. Verder zou de fysieke omgeving meer culturele aandacht moeten krijgen en minder maatschappelijke/commerciÍle aandacht, aldus de deelnemers. Dit alles met als doel: wat brengt mensen samen? Kansen zichtbaar maken Belangrijkste uitkomst van deze workshop was dat krimp kansen biedt op allerlei gebied en dat het culturele aspect een grote rol speelt bij het zichtbaar maken van die kansen. Dit helpt mee om met andere ogen naar krimp te kijken: wat is er wèl!


Burgerinitiatieven op eigen kracht of toch ook door kracht van buiten? ‘Eigen kracht’ is een bekend maar niet onomstreden concept voor beleidsmakers en andere professionals in krimpregio’s. Waar de een het ziet als stuwende kracht achter verbeteringen in probleemregio’s, ziet de ander het als holle frase in beleidstaal waar je mee wordt doodgegooid om bezuinigingen in te kleden. Socioloog Radboud Engbersen (Platform 31) en historicus Marijn Molema (Fryske Akademy) willen door middel van een rollenspel de verschillende benaderingen testen. Want kunnen burgerinitiatieven op eigen kracht wel optimaal tot uiting komen zonder kracht van buiten en andersom? Door Anna van der Bijl

Wie moet aanjager zijn? Engbersen vertegenwoordigt in de workshop de fictieve ‘Eigen Kracht Partij’. Hij werkte veel in gebieden die ‘onderaan lijstjes staan’, wat hem leerde dat initiatieven het meeste floreren als ze op eigen kracht zijn ontstaan, ‘zonder paternalistische begeleiding van een hulpverlener die een compleet andere taal spreekt.’


Molema vertegenwoordigt de ‘Aanhaak Kracht Partij’. Hij betoogt dat juist krachten van buiten essentiële aanjagers moeten zijn van verbeterinitiatieven, waar burgers mogen aanhaken.’ Al gauw klinkt er protest uit het publiek over de term ‘eigen kracht’: ‘Het is een clichéterm geworden, ik word er kotsmisselijk van’, aldus een deelnemer. Maar ook de Aanhaak Kracht Partij wordt niet gespaard. Iemand noemt als voorbeeld de overheidsbemoeienis in Delfzijl, die ‘faliekant is mislukt en krimp vooral in de hand heeft geholpen’. Molema’s repliek is dat sommige plannen pas later succes opleveren, zoals de Eemshaven en straks ook de Google-centrale. Maar zijn deze niet op particuliere kracht ontstaan? ‘Misschien’, aldus Molema, maar de gemeente heeft de voorwaarden geschapen. En bovendien staat Delfzijl er beter voor dan een aantal jaar geleden.’

Subsidiebegeleiding Dan confronteert een deelnemer Engbersen met het feit dat krimp in Denemarken doeltreffend wordt aangepakt, doordat bewonersinitatieven daar wel degelijk worden gesubsidieerd. Engbersen moet hierop bekennen dat het hem lastig wordt gemaakt om zijn Eigen Kracht-ideologie nog te verdedigen, want ‘Vrijwel overal waar het goed gaat, loopt ook ergens een professional rond’. En met die gedachte hopen de partijleiders dat de deelnemers de zaal verlaten: de waarheid ligt in het midden. Maar het is afhankelijk van de context in hoeverre overheidssteun nodig is. ‘Als er vanuit eigen kracht van burgers iets opborrelt moet dit door professionals worden opgepikt. In sociaal-economisch minder ontwikkelde wijken zal hierbij meer begeleiding nodig zijn dan in de middenklasse. ‘Maar slechts in een dienende rol’, besluit Engbersen.


De charme van het Groninger platteland, volgens de jongeren die het kunnen weten In de zomer van 2015 heeft Wimer van der Veen (Veenbrand Producties) samen met Jongerenwerk Eemsmond en ExpressTV Eemsmond een korte film gemaakt over jongeren in Uithuizen. In de film vertellen ze hun verhaal over het dorp en de omgeving waarin zij opgroeien. De film is te bekijken via www.thenextcall.nl Door Mathijs Stuive

Verwachting Voorafgaand aan de film werd de aanwezigen door Tialda Haartsen (Rijksuniversiteit Groningen) gevraagd om kort hun verwachtingen te noteren. Na afloop was er ruimte om te bespreken wat hen opviel aan de uitspraken die ze hoorden en of hun eerder opgeschreven verwachtingen ook uitkwamen. De film zelf bestaat uit interviews met jongeren uit Uithuizen waarin zij vertellen over hun


leven, hobby’s en meningen over de omgeving waarin zij opgroeien. Vooraf was de verwachting dat deze jongeren de rust en de ruimte vooral als saai en beklemmend zouden ervaren. Het tegendeel bleek echter waar: de jongeren beschrijven een dorp waarin zij veel vrijheid krijgen om te doen en laten wat ze willen, iets wat zij niet altijd verwachten aan te treffen in een grote stad. Rurale idylle Ook kernwaardes als vertrouwd, rustig en ruimte benoemen zij als zeer positief, waardoor er een beeld naar voren komt van een haast rurale idylle waarin ze opgroeien. Tegelijkertijd komt er in de uitspraken van sommige jongeren een duale angst voor én drang naar het onbekende naar voren. Met de omgeving waarin zij nu opgroeien zijn ze tevreden, toch kunnen ze niet wachten om hun vleugels uit te slaan en verder te kijken dan Uithuizen.

Niet wáár, maar met wíe is van belang Na afloop viel het de aanwezigen op dat er maar weinig negativiteit naar voren kwam in de film. Er wordt weinig geklaagd over de leegte en saaiheid van Uithuizen, iets wat vooraf wel de verwachting was. Ook de waardering voor de mooie omgeving en juist de rust en ruimte was opvallend. Al met al zetten de jongeren vooral een zeer positief beeld neer van het kleine dorp waarin ze opgroeien. Misschien wel de mooiste uitspraak is dat het uiteindelijk niet uitmaakt waar je opgroeit; het is veel belangrijker met wie je opgroeit. En dat zit wel goed in Uithuizen, zo blijkt uit de film.


Uitreiking Publicatie ‘Bewoners aan zet’ Tijdens de lunch hebben de meeste deelnemers van het Krimpcongres al op interactieve wijze kennis mogen maken met 24 Noord-Nederlandse bewonersinitiatieven, die stuk voor stuk presenteerden hoe ze op constructieve wijze gestalte hebben gegeven aan de leefbaarheid in hun dorp/ regio. Ter gelegenheid van het vijfjarig bestaan van Kennisnetwerk Krimp Noord-Nederland zijn deze bewonersinitiatieven gebundeld in de publicatie ‘Bewoners aan zet’. Aan Rob Verhofstad, lid van het College van Bestuur van de Hanzehogeschool Groningen, is de eer om de eerste exemplaren uit te reiken. Door Anna van der Bijl

Optimisme en innovatiekracht Verhofstad roemt allereerst de positieve insteek onder deelnemers van het Kennisnetwerk: ‘Bij een congres over Krimp zou je een mineurstemming verwachten, maar als een vreemde hier zou binnenlopen zou hij niet kunnen raden dat krimp het onderwerp is. Wat hier vooral leeft is optimisme en innovatiekracht.’


Het KKNN is volgens hem een fantastisch voorbeeld van hoe verschillende actoren op positieve wijze samenwerken op het gebied van krimp en in relatief korte tijd een enorm netwerk hebben opgezet: zowel professionals als burgers. De bewonersinitiatieven uit ‘Bewoners aan zet’ zijn een uitgelezen voorbeeld van deze constructieve samenwerking. Voor ontvangst van de eerste exemplaren wordt er daarom uit elke noordelijke provincie een initiatief op het podium geroepen en bedankt. KKNN inspiratiebron Leo van Wissen, hoogleraar economische demografie aan de Rijksuniversiteit Groningen en sinds het prille begin betrokken bij het KKNN, sluit tot slot het congres af met de woorden dat het Kennisnetwerk pionier is op het gebied van krimpbeleid en een inspiratiebron is voor de rest van Nederland. ‘We hebben als Noord-Nederland laten zien dat je weliswaar kunt krimpen, maar tegelijkertijd ook een prima regio kunt zijn.’


Sfeerimpressies van het Krimpcongres ‘LEEFBAARHEID, PARTICIPATIE, VEERKRACHT’



Aan dit journalistiek- en beeldverslag werkten mee: Tekstschrijvers: ▪ Anna van der Bijl ▪ Rixt Froentjes ▪ Eduard van den Hoff ▪ Nynke Kroonstra ▪ Manouk Minneboo ▪ Mathijs Stuive ▪ Peggy de Vries Fotografen: ▪ Harma Kaput ▪ Marian Klein Ikkink Informatie: www.kennisnetwerkkrimp.nl

Opmaak:


Hieronder vindt u de linken naar de presentaties en de publicatie: Plenaire presentatie Paul Frissen over de participatiesamenleving Plenaire presentatie Tialda Haartsen en Sabine Meier Ronde 1: Presentatie CMO STAMM: Overheidsparticipatie de reality check! Presentatie KAW: Wijs met krimp in primair onderwijs. Hoe wijs? Presentatie Hendriks, Otte en Leever: PArticipate! Cultuurparticipatie en sociale cohesie Presentatie Vereniging Groninger Dorpen: Dorpsbelangen 3.0: een slagvaardige dorpsvertegenwoordiger! Presentatie Talstra en Strikwerda: Wooninitiatieven van burgers: waar houdt het op? Presentatie Erzsi de Haan: Bewonersinitiatieven in focus Ronde 2: Presentatie Bettina Bock: De lokale veerkracht inder druk: wat dan? Presentatie Partoer en Fries Sociaal Planbureau: Voorzieningen, wie is aan zet? Presentatie Bureau Pau: Werken aan strategieën voor Age-friendly environments in krimpende steden en regio’s Presentatie Nol Reverda: Het belang van de culturele factor voor krimp Presentatie Platform31 en Fryske Akademy: Weg van de Retoriek van de eigen kracht Documentaire: De charme van het Groninger platteland, volgens jongeren die het kunnen weten Publicatie: ‘Bewoners aan zet, 24 kleurrijke initiatieven in NoordNederland’


Millions discover their favorite reads on issuu every month.

Give your content the digital home it deserves. Get it to any device in seconds.