Page 1

slow management kapitalisme zomer 2008

Het kapitalisme is een tijdmachine. Tijd is geld, en het kapitaal wordt steeds ongeduldiger. De tijd tussen investering en opbrengst wordt korter, producten volgen elkaar in razend tempo op, bedrijven worden in stukken gehakt en gaan van hand tot hand, managers hebben haast om eerder ‘binnen te zijn’, gestresste werknemers hoppen van baan naar baan of moeten vrezen voor plotseling ontslag. De rusteloosheid die Marx aanwees als karaktertrek van het negentiendeeeuwse kapitalisme (‘alles wat vast is vervluchtigt’) is aan het begin van de éénentwintigste eeuw verergerd tot een adhd-complex: een razernij van tijdschaarste, instantverrijking, multitasking, het dumpen van flexmensen en de erosie van werk, die ook wel ‘precarisering’ genoemd wordt

106

‘Industrialisering van de hoofdarbeid schept eerder de illusie van productiviteit dan werkelijke productiviteit’ Richard Sennett: vakmanschap versus flexkapitalisme

107

door dick pels illustraties dolinda toepoel

De

acceleraties van het flitskapitalisme zijn vanzelfsprekend niet onomstreden. Michel Alberts bekende onderscheid tussen het Angelsaksische en Rijnlandse (beter: Europese) kapitalisme is in wezen een onderscheid tussen verschillende tijdsculturen. In het eerste model heerst de dwang van de kwartaalcijfers, de druk van de maximale beurswaarde, de gejaagdheid die komt met permanente reorganisaties, fusies en overnames en de ver-onzekering van de arbeid. Het tweede model richt zich op productie en winst op langere termijn, continuïteit, duurzaamheid, loyaliteit, vakmanschap en investering in mensen. De globalisering jaagt de snelle Angelsaksische bedrijfscultuur aan, met zijn harde concurrentie, harde flexibilisering en harde geldcultuur. Is ‘Rhineland Exit’, zoals de economen van het Centraal Planbureau in een recent discussiestuk stellen? Wat

kunnen ‘Europeanen’ daar tegenover stellen? Is er een socialer kapitalisme mogelijk dat een betere balans treft tussen enerzijds geld, succes en ambitie en anderzijds zorg, kwaliteit, beroepseer en sociale stabiliteit?

langzame vakmanstijd De Amerikaanse socioloog Richard Sennett (1943) heeft zijn sporen verdiend als criticus van het moderne razende superkapitalisme. Hij groeide op als zoon van een Russische immigrant in een links-socialistisch milieu in een achterstandswijk van Chicago. Zijn muzikale carrière als veelbelovend cellist moest hij opgeven na

M


slow management kapitalisme zomer 2008

108

een mislukte operatie aan zijn linkerhand. Hij is oprichter en directeur van het New York Institute for the Humanities en sinds 1999 tevens hoogleraar sociologie aan de London School of Economics. Sennett geldt als een van de bekendste, meest veelzijdige en productieve publieke intellectuelen in de Angelsaksische wereld. Zijn kritiek op de morele gevolgen van het flexkapitalisme legde hij neer in succesvolle boeken als ‘The Corrosion of Character’ (De flexibele mens, 1998), ‘Respect in a World of Inequality’ (2003) en ‘De cultuur van het nieuwe kapitalisme’ (2006). Onlangs verscheen van zijn hand ‘The Craftsman’, een lof op het vakmanschap, de ambachtelijke gedrevenheid en de beroepstrots waarin Sennett de ‘langzame vakmanstijd’ plaatst tegenover het kortetermijndenken, de demoralisering van het werk en het gebrek aan loyaliteit in moderne kapitalistische arbeidsorganisaties. Vakmanschap is iets goed doen om zichzelfs wille, vanuit het intrinsieke motief van het streven

naar kwaliteit: een activiteit die zich richt op het maakproces, de materialen en de dingen zelf, waarin de vakman (of -vrouw) zichzelf, zijn kennis en zijn zorg investeert. Die betrokkenheid bij goede producten en goede sociale relaties is een kardinale deugd die steeds meer ontbreekt in de moderne werkcultuur. Goede vakmensen worden door moderne kapitalistische instituties gedegradeerd, genegeerd of verkeerd begrepen. Door het hogere tempo van ondernemen, de aangescherpte prestatienormen en controlemechanismen, de toenemende baanmobiliteit en de ‘precarisering’ van het werk (opknippen van activiteiten, arbeidscontracten van korte duur en in deeltijd, vereisen van maximaal flexibele inzet, geen gewaarborgd inkomen) wordt de druk op individuen steeds sterker opgevoerd. Mensen worden beroofd van hun beroepseer, hun bedrijfstrots, hun loyaliteit jegens collega’s en van de continuïteit van hun loopbaan: dus in feite van hun levensverhaal.

dolgedraaid perfectionisme Volgens Sennett kunnen de deugden van het vakmanschap een cultureel anker vormen voor dit moderne losgeslagen kapitalisme. In de nieuwe snelheidscultuur wordt talent bij voorkeur gedefinieerd als het vermogen om mobiel en flexibel te zijn, om je soepel te kunnen aanpassen aan snel veranderende situaties. Talent wordt niet langer gezien als het bezit van reële vaardigheden die kunnen worden ontwikkeld in een lange leertijd, door te experimenteren en zo ervaring op te doen, en die een gestage concentratie

vergen op één taak of één ding. Sennett neigt ertoe om het moderne flextalent te beschouwen als onecht en oppervlakkig, en het werk van bijvoorbeeld interim-managers of consultants af te doen als een vorm van gebakken lucht die weinig te maken heeft met aantoonbare prestaties of meetbare kwaliteit of met het ‘leren van een echt vak’. Sennett realiseert zich daarentegen ook dat het najagen van kwaliteit uit de hand kan lopen, omdat de vakman vaak wordt gedreven door een ‘obsessieve energie’ om de dingen zo goed mogelijk te doen. Die jacht op kwaliteit kan sociale maar ook antisociale gevolgen hebben, zoals dolgedraaid perfectionisme, narcisme, jezelf willen bewijzen, de eerste en de beste willen zijn. Ter illustratie: het extreme blauwdrukdenken van de Oostenrijkse filosoof Ludwig Wittgenstein, die het perfecte huis wilde neerzetten en op een gegeven moment zelfs het plafond in de woonkamer met drie centimeter liet verlagen om de absoluut juiste proporties te bereiken, wordt door Sennett vergeleken met de meer ambachtelijke motieven van de Tsjechisch-Oostenrijkse architect Adolf Loos, die in zijn Villa Moller allerlei belemmeringen en fouten positief wist in te bouwen. De houding om het object in zekere zin onaf of onopgelost te laten getuigt volgens Sennett van het beste wat vakmensen en professionals te bieden hebben. Toeval en materiële beperkingen moeten positief worden gewaardeerd en als uitdagingen worden gezien.

hatelijke vergelijkingen Het risico van dolgedraaid perfectionisme koppelt Sennett ook aan de kapitalistische snelheidscultuur, en dan met name aan de opgeschroefde concurrentiedruk en het bijbehorende streven naar excellentie, naar topprestaties. Concurrentiedrang geeft volgens hem gemakkelijk aanleiding tot ‘hatelijke vergelijkingen’ (insidious comparisons) waardoor mensen (ook vakmensen) zichzelf superieur gaan achten en anderen gemakkelijk vernederen. Het ethos van het vakmanschap staat in zijn ogen haaks op het hiërarchische concurrentiemodel. Deze herwaardering van vakmanschap als ‘breedtesport’ en van kwaliteit als ‘goed genoeg’ is een welkome correctie op het maniakale excellentiestreven dat alles aan het hoogst bereikbare afmeet. Maar, zo kunnen we tegenwerpen, concurrentie is niet per se vies, en (top)kwaliteit is daar wel degelijk voor een deel van afhankelijk. In sommige sectoren van de maatschappij, zoals de topsport, de topwetenschap en de topeconomie, is het onvermijdelijk dat mensen elkaar individueel en collectief opjagen om grenzen te overschrijden, creativiteit af te dwingen en zodoende tot de hoogst bereikbare prestaties te komen.

Ongelijkheid is volgens Sennett bovendien niet het belangrijkste feit over menselijke relaties. Ambachtelijke vaardigheden en de bijbehorende praktische intelligentie zijn niet het privilege van een elite, maar zijn ongeveer gelijk over de bevolking gespreid. Sennett onderschrijft daarmee de verlichtingsgedachte dat goed vakmanschap de grondslag vormt voor democratische gelijkheid en goed burgerschap.

idealisering en nostalgie Al met al is het idee van vakmanschap zoals Sennett dit presenteert een nogal zwaarbeladen kritisch vehikel. Het richt zich niet alleen tegen de asociale gevolgen van de snelheidscultuur en de ontwaarding van talenten en vaardigheden door de nieuwe economie, maar ook tegen de nieuwe ongelijkheden die ontstaan door de ‘hatelijke vergelijkingen’ van de individuele concurrentie. Daarnaast – en niet in de laatste plaats – richt het zich tegen de overwaardering van vormen van intelligentie (bijvoorbeeld zoals gemeten door iq-tests) die onderschatten hoezeer mensen met hun handen en ‘met de dingen’ kunnen denken, wanneer zij gereedschappen hanteren, weerstanden in het materiaal moeten overwinnen en met vallen en opstaan vormgeven aan een object. Wordt het begrip vakmanschap zodoende niet opgezadeld met een al te zware conceptuele en normatieve last, die gemakkelijk leidt tot idealisering en nostalgie? Kritische vragen als deze vormen de leidraad van het hier volgende gesprek, waarin de grenzen van het begrip vakmanschap worden verkend. Sennett associeert het vakmanschap met een essentiële gelijkheid van talenten en vaardigheden. De vraag is of dat niet een onderschatting inhoudt van de noodzaak van elites in de democratie, dat toch ook een systeem is om ongelijkheid van talent en productieve verschillen te organiseren op basis van gelijke kansen voor iedereen? Is de negatieve lading die Sennett meegeeft aan centrale begrippen als flexibiliteit, concurrentie, excellentie en creativiteit wel gerechtvaardigd? Zijn deze begrippen niet stuk

M

109


slow management kapitalisme zomer 2008 voor stuk complexer, omdat zij goede en kwade kanten in zich verenigen? Hoe zou een pleidooi voor onthaasting van het kapitalisme en voor eerherstel van het vakmanschap recht kunnen doen aan deze morele complexiteit?

110

DP: De politiek van de tijd is sinds jaar en dag een centraal thema in uw analyse van het nieuwe kapitalisme. In ‘The Culture of the New Capitalism’ schrijft u dat het nieuwe kapitalistische ethos conservatief is in de manier waarop het vormgeeft aan de tijd. Die tijdspolitiek is ook de kern van uw analyse in ‘The Craftsman’: het tragere ritme van de ‘vakmanstijd’ staat tegenover de acceleraties van het flex-kapitalisme. Lijdt het kapitalisme aan een tirannie van de snelheid? Sennett: Het gaat inderdaad om een versnelling van de tijd, maar tegelijkertijd om een andere maatstaf van kwaliteit. Men stort zich op de oplossing van problemen zonder prioriteiten aan te geven tussen betere en slechtere oplossingen. Het flexibele kapitalisme wordt niet gedreven door kwaliteit, zeker niet op de manier waarop een ambachtsman dit begrip hanteert. Men zoekt naar de snelst mogelijke oplossing. Toen ik hier met zakenmensen en vooral met managers over sprak, werd ik getroffen door hun opvatting dat snelle oplossingen op de lange duur vaak het minst winstgevend zijn. DP: In het verleden heeft het kapitalisme altijd ingezet op snelheid als oplossing van allerlei technische en sociale problemen. Is uw pleidooi voor onthaasting niet een nostalgische omhelzing van slowness? Sennett: Dat denk ik niet. Snelheid was altijd het criterium voor de massaproductie. Zelfs in de hoogtijdagen van de industriële revolutie waren de meer gecompliceerde vormen van arbeid niet aan dit criterium onderworpen. De gedachte dat de fabricage van zeer ingewikkelde machines snel moest worden gedaan zou in de

negentiende eeuw bij niemand zijn opgekomen. Snelheid werd vooral in verband gebracht met geroutiniseerde handelingen: ‘hoe sneller hoe beter’ was dé manier om geld te verdienen. We vergeten gemakkelijk dat kapitalistische economieën niet alleen gaan over routinisering. Iemand zei laatst terecht dat mijn argument over het moderne kapitalisme eigenlijk gaat over de toepassing van industriële methoden op witteboorden-, dienstverlenende en hightech-arbeid. Dat is inderdaad wat er de laatste vijfentwintig jaar heeft plaatsgevonden. Maar die industrialisering van de hoofdarbeid schept eerder de illusie van productiviteit dan werkelijke productiviteit. In ‘The Craftsman’ ben ik niet alleen geïnteresseerd in de kwestie van snel versus langzaam, maar eerder in wat zich afspeelt binnen die tijdsdynamiek. Wanneer mensen echt ‘in hun werk zitten’ (dwell in work), wat komt daar dan uit? Zijn zij in staat om aangeleerde routines en beproefde kennis te veranderen? Versnelling of vertraging is daarom niet de kern van de zaak, het gaat om wat zich afspeelt ‘aan de binnenkant van slow’. DP: Als we naar die binnenkant kijken, hoe moeten we omgaan met de positieve kanten van flexibiliteit en flexibilisering? U benadrukt vooral de nadelen van de institutionalisering van de onzekerheid. Maar zijn vermogens als geestelijke wendbaarheid, onaf hankelijkheid, persoonlijk initiatief en tolerantie voor ambiguïteit niet ook elementen van positieve individualisering? Zijn de idealen van liberale tolerantie en democratisch debat niet gekoppeld aan het vermogen om onzekerheid en verandering te verdragen, ja zelfs te verwelkomen? In ‘The Craftsman’ roemt u zelf Aldo van Eycks Amsterdamse speelplaatsen, die kinderen door hun inrichting leren hoe zij kunnen omgaan met dubbelzinnige overgangen in de stedelijke ruimte. Ook prijst u het improvisatievermogen van arme huurders van de Lower East Side, dat u zelfs vergelijkt met dat van jazzmusici. Sennett: Nu speelt u op een verkeerde manier met het woord flexibel. Je kunt het gebruiken in de zin van aanpassingsvermogen, of in een economische betekenis waarin je een specifiek publiek van aandeelhouders of stakeholders voor ogen hebt dat je tekenen wil geven dat je bezig bent met verandering. En dat in de specifieke context van mondiale investeerders die zitten te wachten op dergelijke tekenen van verandering, bijvoorbeeld in de vorm van een reductie van het aantal arbeidskrachten, ongeacht of dat de langetermijnbelangen van het bedrijf dient of niet. Dat is een weinig flexibele maatstaf van flexibilisering. Ik denk niet dat het woord een soort kapstok kan zijn waaraan je alles kunt ophangen. Natuurlijk zijn we ook flexibel in ons ambachtelijk werk: we zijn

niet alleen gewoontedieren maar proberen onszelf te corrigeren, nieuwe technieken te leren enzovoort. Maar dat bevindt zich niet in dezelfde betekeniswereld. DP: U wilt het begrip dus niet toepassen op het verlangen van mensen om meer flexibele levens te leiden, bijvoorbeeld meer keuzes te hebben tussen werk en gezin, vrije tijd of zorg? Sennett: Als je elf tot twaalf uur per dag werkt, zoals in de nieuwe economie gebeurt, bezit je niet veel flexibiliteit. Het is een label dat wordt geplakt op een reeks nogal draconische en in feite juist zeer rigide praktijken. Maar dat is niet wat me in dit boek

bezighoudt. ‘The Craftsman’ gaat niet over wat er verkeerd is in het huidige wereldkapitalisme. Het gaat over wat werk eigenlijk is, hoe het zich ontwikkelt, en hoe mensen beter kunnen worden in hun werk. DP: Toch lijkt de ethiek van het vakmanschap voor u te fungeren als een alternatief voor de nieuwe geest van het kapitalisme. Is vakmanschap als sociale vorm een soort derde weg tussen collectivisme en individuele concurrentie? U schrijft dat de twee traditionele arbeidsprikkels

M 111


slow management kapitalisme zomer 2008 van de dienst aan de gemeenschap en de individuele (vooral geldelijke) beloning problematisch zijn geworden: geen van beide passen goed bij het streven naar kwaliteit en de beroepseer van de vakman.

112

Sennett: Er is geen sprake van een keuze. Werk van goede kwaliteit kan niet worden gescheiden van dienstbaarheid aan de gemeenschap of van de wil om persoonlijk vooruit te komen. We moeten geen karikatuur schetsen van het moderne kapitalisme, alsof het ofwel om winst zou draaien ofwel om kwaliteit. Dat is een te weinig genuanceerd beeld. Die karikatuur wordt in een economische context al gauw gemaakt. Dat was het grote drama van de Japanse industrie gedurende de jaren zestig en ook van wat er op dit moment in China gebeurt. Geavanceerde economieën proberen een soort verzoening tussen beide prikkels te vinden. De reden dat ik dit boek heb geschreven is juist dat mensen het moeilijk vinden om te definiëren wat goed werk is: of dat winstgevend moet zijn of maatschappelijk waardevol. Maar geen van beide geven een afdoende antwoord op de vraag wat we onder kwalitatief goed vakmanschap moeten verstaan. DP: Is deze professionele toewijding aan kwaliteitswerk wel goed te scheiden van concurrentiemotieven? U neigt ertoe de beroepseer te beschrijven als een intern motief, maar wordt deze niet altijd geprikkeld door de sociale omgeving? Sennett: Ook hier is het niet het één of het ander. Vakmensen kunnen onderling heel competitief zijn, maar zij kunnen ook van elkaar leren en met elkaar samenwerken. Het is geen zero sum game. De werkelijke impact van het neoliberalisme is dat men de cultuur is gaan voorstellen als een omgeving waarin je óf samenwerkt óf concurreert. Maar die voorstelling is niet erg realistisch.

M

113


slow management kapitalisme zomer 2008 DP: U legt in uw boek wel degelijk de nadruk op de demoraliserende effecten van concurrentie, en suggereert dat coöperatie superieur is. Of moeten we het zo interpreteren dat u streeft naar herstel van het evenwicht, dus coöperatie wil herwaarderen tegenover de krachten van de concurrentie die te ver zijn doorgedrongen in het maatschappelijke weefsel?

114

Sennett: Dat is juist. En vooral van die vormen van samenwerking die gaan over mentorschap: begeleiding, dingen voordoen, laten zien hoe het moet. Dat is een zeer belangrijke manier waarop mensen vaardigheden aanleren en verder ontwikkelen. Als we Freudianen waren zouden we natuurlijk kunnen zeggen dat het mentorschap een hoop verborgen en verdrongen concurrentie bevat, maar die conclusie laat ik graag over aan de psychiaters. DP: Een van de meest intrigerende thema’s in ‘The Craftsman’ is dat van de vakmatige obsessie en het Janusgezicht ervan. U beschrijft het perfectionisme van de professional als een manier om ‘te concurreren tegen jezelf’. Dan volgen een aantal negatieve vergelijkingen met anorexia en narcisme. Maar concurreren tegen jezelf is toch niet noodzakelijk iets slechts? En kan het streven naar excellentie, in de zin van streven naar je eigen beste maatstaven, worden gescheiden van de onderscheidingsdrang, de hang naar distinctie? Sennett: Dat hangt af van de mate waarin dat gebeurt, en de maatstaf is voor mij of die obsessie zelfdestructief is of niet. Waar het in wezen om gaat is de bereidheid om het werk te ‘laten gaan’. Daarom heb ik in het boek die kleine casestudy opgenomen van Ludwig Wittgenstein en Adolf Loos. Wanneer je zodanig bent geobsedeerd om iets absoluut goed te krijgen dat je er niet meer mee kunt stoppen, als je niet in staat bent om het best mogelijke te doen om vervolgens door te gaan met iets anders, ga je jezelf schade berokkenen. Een andere manier om dit te

formuleren is om onderscheid te maken tussen perfectionisme en zorgvuldigheid. Het punt is de herhaling: dit ding is niet het enige dat je zult gaan maken of doen. Mensen worden pas heel erg goed in iets aan het einde van een lang leerproces. Je moet het werk weten los te laten zodra je ziet dat het minder goed wordt als je ermee zou doorgaan. Dat is onderdeel van het proces van het ‘op je nemen’ van een bepaalde vaardigheid. DP: Is hier sprake van een element van bescheidenheid of zelfs van relativisme in het vakmanschap, tegenover de absolute geest van het perfectionisme? Omdat het hier gaat om een filosoof: is de ethiek van het vakmanschap strijdig met het streven naar de ‘waarheid’ of de ‘essentie’ van iets, bijvoorbeeld van een huis? Sennett: Ik zou hier niet spreken van relativisme. Dit is iets wat mensen leren door ervaring: het idee dat zij hun opperste best hebben gedaan en een nieuw project moeten beginnen om nog beter te worden in diezelfde vaardigheid. Beginnende schrijvers blijven bijvoorbeeld veel te lang zitten op hun manuscript. Als professional moet je het oordeelsvermogen ontwikkelen om te kunnen zeggen: dit wordt waarschijnlijk niet beter als ik er nog verder aan schaaf. Het begrip relativisme is hier niet van toepassing: het gaat eerder om een door ervaring geïnformeerd oordeel hoever je met elk onderdeel van een bepaalde praktijk kan gaan. DP: U beschrijft de overgang van het vakmanschap naar de nieuwe meritocratie als een degradatie van het idee van talent: talent wordt tegenwoordig vooral gezien als potentie, als het vermogen om snel te kunnen schakelen en flexibel te kunnen omgaan met nieuwe situaties in plaats van goed te zijn in één ding en je daarop te concentreren. U bent sceptisch over het begrip creativiteit dat u associeert met individualisme, distinctiezucht en zelfs ongelijkheid. Maar creatief talent schuilt toch ook in het vermogen om je kennisbasis naar omstandigheden te veranderen? Sennett: De reden dat ik wantrouwig sta tegenover het jargon van de creativiteit is dat het blijft steken in de negentiendeeeuwse notie van innerlijke inspiratie. Het aanleren van bepaalde vaardigheden en de betrokkenheid die dat vergt zouden overbodig worden door een inwendig vermogen, een creatieve vonk. Dat is een Romantische gedachte die de inspanning waarmee mensen doorgaans vaardigheden aanleren sociaal devalueert. Het is een van die woorden die suggereren dat je het ofwel hebt of mist. Daarmee wordt een hele socio-logica in werking gesteld volgens welke je op zoek gaat naar degenen die ‘het’ hebben en degenen

negeert die ‘het’ niet hebben, die hun vermogens niet kunnen ontwikkelen. DP: Hoe gaat u dan om met de aanwezigheid van ‘uitstekende’, excellente individuen of genieën? Sennett: Die zijn er natuurlijk, maar zij komen vanzelf wel op. We kunnen als maatschappij veel beter investeren in het verhogen van de competentie van de grote massa dan focussen op het opsporen van genieën. DP: Naar mijn smaak is er een connectie tussen excellentie en de obsessie van de vakman. Als de laatste wordt opgezweept kom je in de buurt van de emotionele energie die uitzonderlijke mensen investeren in hun ambities, zoals in de topsport of in de hogere regionen van de wetenschap. U zegt dat ‘laboratoria geen renpaarden zijn’, omdat de wetenschappelijke concurrentiedrang kan leiden tot heilloze gevechten zoals die tussen de Fransman Montagnier en de Amerikaan Gallo over wie het eerst het hiv-virus had ontdekt. Maar u schrijft ook dat ‘de passie om te racen een drijfveer is van de wetenschap’. In sommige sectoren van het sociale leven is scherpe concurrentie nodig en productief. Uw betoog richt zich sterk op de democratische inslag van vakmanschap. Hoe gaat u om met deze productieve kant van ongelijkheid? Sennett: Bijna alle financiële middelen in de wetenschap worden tegenwoordig ingezet voor het opsporen van toptalent. Als gevolg daarvan drogen de hulpbronnen op voor mensen die het onmisbare grondwerk doen. Maar het probleem is niet dat de elites iets wordt afgenomen door de massa’s, het is eerder omgekeerd: de massa van de mensen wordt gedepriveerd door de elites. Het thema van de onvermijdelijke ongelijkheid wordt vaak gehanteerd om te verhinderen dat mensen hun vermogens en vaardigheden ontwikkelen. Het is opnieuw een van die onderdrukkende of/of situaties. De vraag is niet hoe we elitisme kunnen bevorderen omdat de massa’s de getalenteerden naar beneden zouden trekken. Dat is een zeer zelfzuchtig idee. Anders dan in Nederland hebben we hier in Engeland een zeer ongelijk stelsel van hoger onderwijs, met gedetailleerde kwaliteitsmaatstaven die zelden suggereren dat een faculteit of vakgroep die goed presteert er geld bij moet krijgen zodat zij het nog beter kunnen doen. Zij moeten juist verder worden gedepriveerd. Als mensen zich druk maken over de vraag hoe uitzonderlijk talent kan worden geselecteerd en gesteund is dat eigenlijk een manier om te zeggen: laten we de anderen maar vergeten. Alsof zij op een of

andere manier zouden ophouden te bestaan. DP: Tenslotte: waarom wordt ‘The Craftsman’ ontsierd door zoveel zet- en spelfouten? Is de nobele en trage kunst van het corrigeren van drukproeven aan het verdwijnen, geheel in lijn met uw kritische analyse? Sennett: Ik was geschokt toen ik de tekst voor het eerst zag. Ik had geen tijd gehad om naar de proeven te kijken. Het is een ramp en een blamage, en het zal me geen tweede keer overkomen. Gelukkig worden die fouten in de tweede druk hersteld. r

115

De illusie van de industrialisatie van de hoofdarbeid  

Het kapitalisme is een tijdmachine. Tijd is geld, en het kapitaal wordt steeds ongeduldiger. De tijd tussen investering en opbrengst wordt k...