Page 1

slow management presteren zomer 2010

De dwang van de prestatiemaatschappij 24


H

et hoge werktempo en het doorgeslagen individualisme naar Angelsaksisch model maken van de Nederlandse samenleving een snelkookpan, waarin solidariteit, moraal en mededogen onder druk zijn komen te staan. Tijd voor een terugkeer naar de zorgzame regio, de respectmaatschappij of het Bruto Nationaal Geluk.

25 door marike van zanten illustraties joyce schellekens

‘Onrendabelen’ bestonden niet in de prestatiemaatschappij avant la lettre van autofabrikant Henry Ford. Zo liet hij inventariseren hoeveel handelingen nodig waren voor de productie van een T-Ford: 7882. Voor 949 van die handelingen waren ‘sterke mannen, gezond van lijf en leden’ nodig, de rest van het werk bestond uit gemiddelde of lichte taken. Van die lichte taken konden er 670 worden uitgevoerd door mannen zonder benen, 2637 door mannen met één been, twee door mannen zonder armen, 715 door mannen met slechts één arm en tien door blinden. In zijn hang naar efficiency ontleedde Ford niet alleen het productieproces in seriematige taken met een hoog repeterend karakter, maar zag hij ook de mensen die het lopendebandwerk moesten uitvoeren als machines. Zelfs als er onderdelen ontbraken, wist hij ze nog rendabel in te zetten. Ford ontkoppelde met zijn moderne productiemethoden ook lichaam en geest. Voor zichzelf vond hij de gedachte aan herhalingsarbeid ‘terrifying’, maar de gemiddelde werknemer wilde volgens hem vooral een baan waarin hij niet hoeft na te denken. Dat deed de paternalistische Ford wel voor hen, zelfs door hun leven buiten de fabriek te beheersen. Winstdeling bijvoorbeeld was aanvankelijk alleen voor diegenen die zich hielden aan de morele standaarden van de grote baas, zoals niet vreemdgaan of scheiden, niet drinken en niet gokken. Huisbezoek van een van de tientallen controleurs van de ‘Sociologische Afdeling’ moest vaststellen of werknemers wel in aanmerking kwamen voor hun bonus.

M


slow management presteren zomer 2010

Fords welzijnskapitalisme heeft zich ontwikkeld tot een contradictio in terminis.

prikklok in de jungle

26

De legendarische autofabrikant was ook een van de pioniers op het gebied van welzijnskapitalisme. Naast huisvesting, scholing en ziekenzorg voor zijn Amerikaanse werknemers, uitte zich dat in cultuurimperialisme. In 1927 sticht hij Fordlandia, een rubberplantage in het Braziliaanse Amazonegebied in de vorm van een Amerikaanse suburb midden in de jungle, met vrijstaande prefab huizen, golf banen en muziektenten. Het experiment mislukt echter jammerlijk. De Braziliaanse werknemers blijken zich niet te laten regeren door de prikklok en de verplichte kantinemaaltijden met zilvervliesrijst en perziken uit blik. De culture clash maakt een onvermijdelijk einde aan Fords koloniaal Utopia. Vandaag de dag is Fordlandia nog slechts een ruïne, heroverd door het oerwoud dat Ford zijn wetten van de massaproductie wilde opleggen. Het onvermogen om de American Dream te exporteren naar het Braziliaanse rimboe wordt prachtig beschreven door Greg Grandin in zijn boek Fordlandia, The Rise and Fall of Henry Ford’s Forgotten Jungle City. Volgens Grandin was Ford een groot deel van zijn leven bezig om de geest van de industrialisatie – die hij zelf had helpen ontsnappen – terug te krijgen in de fles. De drijvende kracht achter het Fordism en het Amerikanisme was het geloof dat de hang naar meer efficiency de wereld in evenwicht kon brengen en dat technologie de sociale problemen als gevolg van de vooruitgang kon oplossen. ‘Fords arrogantie was niet dat hij dacht dat hij de Amazone kon temmen’, schrijft Grandin in zijn boek, ‘maar dat hij geloofde dat hij de krachten van het kapitalisme, eenmaal vrijgekomen, nog steeds zou kunnen beheersen.’

karoshi Ford mag het Amerikanisme dan niet succesvol hebben weten te implanteren in Brazilië, maar in het Westen – en in toenemende mate ook in het Oosten van de wereld – dreigt het Angelsaksische zaad de lokale biodiversiteit inmiddels wel degelijk te overwoekeren. Misschien zou de in 1947 overleden megafabrikant zelfs wel schrikken van het resultaat. Zijn welzijnskapitalisme heeft zich sindsdien ontwikkeld tot een contradictio in terminis. De hang naar efficiency heeft de sociale problemen niet opgelost, maar verergerd. De prestatiemaatschappij beheerst inmiddels het bestaan door de hoge werkdruk, de 24/7-mentaliteit en de torenhoge eisen die aan individuele werknemers gesteld worden. De welvaart is weliswaar toegenomen, maar de sociale kosten worden steeds hoger. Zo zijn oplopende aantallen burn-outs inmiddels gevolgd door zelfmoorden. Bij France Telecom hebben zich binnen achttien maanden 23 werknemers van het leven beroofd, bij Disneyland Parijs hebben sinds begin dit jaar twee werknemers een zelfmoord begaan en deed één een poging daartoe. Vakbondsleiders wijzen op over elkaar heen rollende


27

reorganisaties en een te hoge werkdruk door minder personeel en hogere eisen aan de productiviteit. In Japan worden dood en (over)werk al langer met elkaar in verband gebracht. Er is zelfs een woord voor: karoshi. Zo overleed de Japanse Motoyasu Fukiage in 2007 op 24-jarige leeftijd aan een hartstilstand, nadat hij bij restaurantketen Nihonkai Shoya vier maanden lang per maand gemiddeld 112 uur meer werkte dan in zijn contract stond. De rechter oordeelde onlangs dat de restaurantketen een vergoeding van 725.000 euro moet betalen aan de ouders van Motoyasu. Ook in Nederland worden vakantie en vrije tijd steeds meer een middel om even te kunnen ontsnappen aan de druk van de prestatiemaatschappij, bleek een aantal jaar geleden uit een onderzoek van tns nipo (2006).

M


slow management presteren zomer 2010

Wie het niet op eigen kracht redt, slikt een antidepressivum als ‘prestatiepil’.

prozac-maatschappij

28

Die druk doet zich ook in het persoonlijk leven voelen. Depressies lijken zich in snel tempo te ontwikkelen tot een ware volksziekte, nu zes procent van de Nederlanders antidepressiva slikt. In haar boek De depressie-epidemie legt Trudy Dehue een rechtstreeks verband tussen deze Prozac-maatschappij en de prestatiemaatschappij. Door de individualisering en de dwingende collectieve normen is (on)geluk niet langer iets wat mensen overkomt, maar een eigen verantwoordelijkheid. ‘Mensen die vroeger werden gezien als slachtoffer van hun af komst en hun omgeving, worden nu als dader gezien van hun eigen mislukking […]’, schrijft socioloog en politicus Marcel van Dam in zijn boek Niemandsland. Wie het niet op eigen kracht redt, slikt een antidepressivum als ‘prestatiepil’. Eerder bracht Hjalmar van Marle, hoogleraar forensische psychiatrie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, het groeiende aantal gezinsdrama’s in verband met ‘de hoge eisen die de moderne tijd aan mensen stelt’. Het maakbaarheidsideaal geldt niet alleen voor volwassenen, maar ook voor kinderen. Volgens Dehue krijgen veel kinderen de diagnose adhd en een recept voor Ritalin, omdat ze niet voldoen aan de heersende prestatienorm. Zelfs kleuters voelen de prestatiedruk al, zo blijkt uit een recent onderzoek van de Algemene Onderwijsbond onder juffen. Protocollen en Citotoetsen zijn inmiddels ook doorgedrongen tot de groepen 1 en 2. Studenten krijgen tegenwoordig een ‘prestatiebeurs’ en lopen tijdens hun studietijd aan tegen keuzestress en druk van de maatschappij, zo blijkt uit een enquête van Studenten.net en de koepel van christelijke studentenverenigingen ifes. Een student legt de oorzaak bij ‘het zelfontplooiingsideaal vanwege het doorgeslagen individualisme’.

liever zorgzame regio De welvaart die diezelfde prestatiemaatschappij onmiskenbaar heeft gebracht, kan de keerzijde ervan vaak niet meer compenseren. In Amerika leidt Reverend Billy de Church of Stop Shopping. Billy is een pseudoniem voor de Amerikaan Bill Talen, voortgekomen uit het straattheater. Als ‘pastor’ voert hij, samen met zijn 34-koppige gospelkoor, al jaren actie tegen het doorgeslagen consumentisme bij ketenwinkels als de Disneystore op Times Square en Starbucks. Dat uitgerekend Henk van der Meijden zich door Billy liet inspireren om binnenkort in Carré de musical Crazy Shopping te lanceren, zegt iets over de tijdgeest, hoe oppervlakkig ook. Een aantal jaar geleden bleek uit een onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (rivm) naar de toekomst van duurzaamheid, dat nog geen tien procent van de


Gelukkig met 1 euro per dag In het bergstaatje Bhutan (oostelijk van Nepal, ingeklemd tussen China en India) worden overheidsprogramma’s niet beoordeeld op hun bijdrage aan het Bruto Nationaal Product, maar op hun bijdrage aan het Bruto Nationaal Geluk. Een gelukkige maatschappij rust op vier pilaren, zo legde ministerpresident Thinley uit in

de Volkskrant: economie, cultuur, milieu en goed bestuur. Deze vier gebieden worden weer onderverdeeld in negen domeinen: psychologisch welzijn, ecologie, gezondheid, onderwijs, cultuur, levensstandaarden, omgang met het begrip tijd, gemeenschapsvitaliteit en goed bestuur. Het geluk in deze domeinen

wordt gekwantificeerd met behulp van 72 indicatoren. Psychologisch welzijn wordt bijvoorbeeld gemeten aan de hand van het aantal dagelijkse gebeden en meditaties, tijdbesteding, gevoelens van egoïsme, jaloezie, kalmte, compassie, generositeit, frustratie en zelfmoordgedachten. Het grootste deel van de

Bhutaanse bevolking leeft van 1 euro per dag. Maar in termen van geluk scoort het staatje van 700.000 inwoners een achtste plaats op de World Map of Happiness van de University of Leicester. Nog altijd zeven plaatsen hoger dan Nederland.

29

Nederlanders zich kan vinden in de prestatiemaatschappij. Het rivm legde de Nederlanders vier toekomstbeelden voor (mondiale markt, mondiale solidariteit, zorgzame regio en veilige regio) op basis van twee polaire begrippen: efficiency (markt) versus solidariteit, en regionalisering versus globalisering. Het minst populaire wereldbeeld (zes procent) bleek de ‘mondiale markt’, een maatschappij die zich kenmerkt door verdergaande individualisering, weinig overheidsbemoeienis en een beperkte verzorgingsstaat. Bijna de helft (45 procent) van de Nederlanders sprak een voorkeur uit voor het wereldbeeld van de ‘zorgzame regio’, een maatschappij die is gebaseerd op solidariteit en aandacht voor de directe omgeving. Liever de terugkeer van de menselijke maat dus, en niet te veel invloed vanuit de eu. In 2006 werd het onderzoek herhaald. Met acht procent is de steun voor de mondiale markt weliswaar een paar puntjes toegenomen, maar de zorgzame regio is en blijft met 44 procent verreweg het populairste wereldbeeld.

zij die (be)zitten Een paar eeuwen terug, toen de Industriële Revolutie nog pril was, had de prestatiemaatschappij juist nog een positieve connotatie. Claude Henri de Saint-Simon, zelf telg van een vooraanstaande adellijke familie, kantelde de traditionele standenmaatschappij (adel, geestelijkheid en burgers) voor het eerst naar een moderne tweedeling: de productieven (zij die werken) en de niet-productieven (zij die bezitten). Tot dan werd de elite eeuwenlang gevormd door de niet-productieven. De wetenschappelijke en industriële vooruitgang baande een weg voor een nieuw maatschappijmodel, waarin positie niet langer werd bepaald door geboorte en bezit, maar door individuele prestaties: de meritocratie. De sociale ongelijkheid waartegen SaintSimon als kind van de Franse revolutie in opstand kwam, werd ingewisseld voor een ‘natuur-

M


slow management presteren zomer 2010

‘Is prestatie een ziekmakend virus of liggen daarin de constructieve elementen voor een nieuwe maatschappij?’

30

lijke ongelijkheid’. Niet iedereen beschikt immers over dezelfde capaciteiten en vaardigheden. Zo’n honderdvijftig jaar later probeerde de Amerikaanse psycholoog David McClelland greep te krijgen op deze individuele prestatieverschillen met zijn aan Maslow verwante behoeftentheorie. Prestaties waren volgens hem niet alleen het gevolg van capaciteiten, maar ook van de wìl om iets te bereiken: de motivatie. Deze motivatie wordt volgens McClelland gevoed door drie verschillende bronnen: de need for achievement (de prestatiemotivatie), de need for power (de machtsmotivatie) en de need for affiliation (de relationele motivatie). Net als Saint-Simon hanteert McClelland vervolgens een maatschappelijke tweedeling: high-achievers en low-achievers. Hij koppelt deze scores in zijn boek The Achieving Society rechtstreeks aan de ‘opkomst en neergang van beschavingen’. Hoewel later onderzoek het verband tussen het aantal high-achievers en economisch succes niet heeft bewezen, zou McClelland wel de opkomst van landen als Japan en India hebben voorspeld.

late bekeerling McClellands theorie bood organisaties de mogelijkheid om gericht op motivatie te sturen, maar leidde in de roerige jaren zestig tegelijkertijd tot een tegenreactie, bijvoorbeeld bij Hubert Hermans, emeritus hoogleraar Persoonlijkheidspsychologie aan de Universiteit van Nijmegen. In de eerste helft van de jaren zestig deed Hermans tijdens zijn stage bij dsm onderzoek naar de vraag hoe mijnwerkers het meest effectief konden worden omgeschoold tot chemisch vakman.


(Prestatie)motivatie bleek daarbij belangrijker te zijn voor succes dan intelligentie. Vervolgens promoveerde hij in 1967 op het ontwikkelen van een test om de prestatiemotivatie vast te stellen. Nadat hij zijn proefschrift met succes had verdedigd, begon hij zich echter af te vragen wat eigenlijk de functie van presteren is in de maatschappij, zo vertelt hij in het boek De organisatie als verhaal van Rens van Loon, Joep Wijsbek en Kate Clarke. ‘Is prestatie een ziekmakend virus of liggen daarin de constructieve elementen voor een nieuwe maatschappij?’ Het antwoord kwam een jaar later, tijdens een studiereis naar de vs, waar Hermans een visie ontwikkelt op de positieve en de negatieve kanten van de toenmalige maatschappij. ‘David McClelland […] poneerde zijn stelling “We leven in een achieving society”. Dat was precies waartegen ik mij ging verzetten, tegen de prestatiemaatschappij. Ik kwam in verzet, zelfs fysiek voelend verzet, tegen het begrip prestatiemotivatie, het concept waarop ik net was gepromoveerd, en tegen mijn leermeesters.’

31

homo ludens Hermans was niet de enige bekeerling aan het eind van die roerige jaren zestig. Ook de Provobeweging kwam in opstand tegen de prestatiegerichtheid, het Calvinistische arbeidsethos, de gestegen welvaart en het consumentisme waartoe de wederopbouw in het naoorlogse Nederland had geleid. ‘Als er al een doel was bij Provo’, schrijft Tjebbe van Tijen op zijn blog De Hinkende Bode, ‘dan was het “de spelende mens”, Homo Ludens en dan in de zin van Huizinga’s oorspronkelijke studie uit 1938, spel als doel in zichzelf, een handeling waarbij doel en middel niet gescheiden kunnen worden: “Het kind en het dier spelen, omdat zij er lust in hebben, en daarin ligt hun vrijheid.”’ De gevestigde orde zag dat anders en sprak over ‘langharig werkschuw tuig’, een kreet die prompt een geuzennaam werd. De militante studentenbeweging greep enkele jaren later niet terug op de romantische Huizinga, maar omarmde het neomarxisme van de Frankfurter Schule, een Duitse groep filosofen, psychologen en sociologen, waartoe onder andere Herbert Marcuse en Jürgen Habermas behoren. Volgens Marcuse hebben de ‘technologisch hoog ontwikkelde prestatiemaatschappijen’ in Oost en West een nieuw type vervreemde mens gebaard: de eendimensionale mens, die vanuit zijn gouden gevangenis niet meer buiten de bestaande orde kan denken. Hij heeft zich overgeleverd aan de toegenomen welvaart, die weliswaar zijn materiële behoeften bevredigt maar niet tegemoet komt aan zijn behoefte aan zelfontplooiing, eigen verantwoordelijkheid en vrijheid. De piramide van Maslow is verworden tot een afgevlakte terp. Dat is de prijs die de eendimensionale mens volgens Marcuse betaalt: hij is een slaaf geworden van het industriële systeem en de gevestigde partijen daarbinnen, die hem via massamediale reclame manipuleren en monddood maken.

M


slow management presteren zomer 2010

‘De onzichtbare hand van Adam Smith, de vrije markt, is een graaiende hand geworden.’

stoommachine

32

Vervreemding speelt ook een grote rol in het (latere) gedachtegoed van Jürgen Habermas. Hij bekijkt de kapitalistische maatschappij niet als één geheel, maar maakt onderscheid tussen het politiek-economische systeem aan de ene kant en de leefwereld aan de andere kant. Het systeem moet zijn ingebed in de leefwereld, maar heeft zich daar volgens Habermas uit losgemaakt, waardoor ‘maatschappelijke pathologie’ ontstaat en het middel steeds vaker een doel wordt. Die theorie vinden we ook terug in het gedachtegoed van Klaas van Egmond, hoogleraar Milieukunde aan de Universiteit Utrecht en voormalig directeur Milieu van het rivm en directeur van het Milieu- en Natuurplanbureau. In die hoedanigheid was hij onder meer verantwoordelijk voor de hierboven aangehaalde duurzaamheidsverkenningen aan de hand van de vier wereldbeelden. In zijn boek Een vorm van beschaving werkt Van Egmond deze verder uit. Zijn centrale stelling: de sociale, de bestuurlijke, de financiële en de ecologische crisis die onze samenleving bedreigen, zijn het gevolg van eenzijdige, doorgeschoten waardeoriëntaties die de maatschappij vervormen tot een karikatuur van zichzelf. De balans tussen materialisme en immateriële waarden enerzijds en tussen het individualisme en de gemeenschap anderzijds, blijkt in de loop van de geschiedenis telkens door te slaan naar één kant. Momenteel hebben we te maken met godsdienstfundamentalisme èn een kapitalistisch systeem dat fundamentalistische trekjes vertoont. De botsing tussen die twee extremen kwam op 9/11, toen twee vliegtuigen zich in de Twin Towers boorden, de iconen van de globalisering. De start van die ontwikkeling dateert Van Egmond in de achttiende eeuw, bij de uitvinding van de stoommachine. ‘Dat is het begin geweest. Een op zich goede ontwikkeling loopt bij overdrijving uit op een ramp. De eenzijdige fixatie op technologische innovaties om problemen op te lossen, heeft die problemen uiteindelijk alleen maar verergerd. Denk maar aan de uitvinding van de kunstmest in 1913. Die hielp de voedselproductie vergroten, maar leidde ook tot uitputting van landbouwgrond en overbevolking.’

breuklijn Natuurlijk heeft de grote betekenis van technologie in de prestatiemaatschappij ook vooruitgang gecreëerd, erkent Van Egmond, bijvoorbeeld op het gebied van gezondheid, vrij besteedbaar inkomen en onderwijs. ‘Rond de eeuwwisseling stierven de mensen nog aan miltvuur, cholera en tyfus. Dat is allemaal opgelost. Maar door de eenzijdige fixatie op technologie en materie lopen we nu vast. Onze behoeften worden alleen in materieel opzicht bevredigd. Als je al drie mobiele telefoons hebt, wie wil er dan nog een vierde?’ Onder onze prestatiemaatschappij bevindt zich volgens Van Egmond een breuklijn tussen


twee waardecontinenten: van het modernisme (met zijn grote invloed van staat, wetenschap en technologie) zijn we opgeschoven naar het postmodernisme, dat wordt gedomineerd door nog slechts één maatschappelijke kracht: kapitaal. ‘Onder druk van de ecologische crisis en de dreigende bevolkingsexplosie is het nu ieder voor zich en God voor ons allen’, aldus Van Egmond. ‘De onzichtbare hand van Adam Smith, de vrije markt, is een graaiende hand geworden. Geld verdienen is een doel op zichzelf geworden, in plaats van een middel om het leven van mensen te verbeteren. Het financiële systeem is losgeraakt van de fysieke wereld. Elites verrijken zichzelf ten koste van de gemeenschap, zelfs natuurgebieden worden privaat gebied.’ Van Egmond refereert aan the tragedy of the commons: het veel geciteerde voorbeeld waarin herders hun koeien laten grazen op een gezamenlijk stuk land. Elke extra koe die een herder laat grazen, vergroot diens individuele opbrengst, terwijl de nadelen van overbegrazing door alle herders gezamenlijk gedragen moeten worden. Wanneer elke herder zoveel mogelijk koeien laat grazen, is het veld op een gegeven moment vertrapt en kaalgevreten en wordt ieders belang geschaad.

33

gedeeld wereldbeeld Is er een uitweg uit dit dilemma? Volgens Van Egmond moet het evenwicht binnen de prestatiemaatschappij weer hersteld worden: de eenzijdige gerichtheid op materie moet ingeruild worden voor een ‘breed gedeeld, integraal wereldbeeld’, een synthese van datgene wat mensen als hun belangrijkste waarden en ‘kwaliteit van leven’ zien. ‘Willen we in Nederland het bnp laten groeien, of willen we bijvoorbeeld volledige werkgelegenheid creëren? Wij hebben geen gezamenlijk maatschappelijk doel meer. Dat moeten we opnieuw creëren.’ Dat vraagt bijvoorbeeld om het hervatten van de dialoog tussen wetenschap en religie en een nieuwe balans tussen globalisering en regionalisering, tussen markt en overheid en tussen materiële consumptie en immateriële kwaliteiten als kunst en cultuur.

M


slow management presteren zomer 2010

‘Naarmate de rol van de markt groter is, verliest de samenleving aan humaniteit en worden meer mensen buitengesloten.’

34

‘Waarom gaan wij hier in Nederland wel door met het speculatiecircus, maar bezuinigen we op cultuur’, vraagt Van Egmond zich af. ‘In Zwitserland heb je in elke plaats een muziekschool, hier zit iedereen te gamen.’ Zo zijn we ook toe aan een herwaardering van de verhouding tussen arbeid en kapitaal, zonder van het ene extreem in het andere te vervallen. ‘We moeten onze economie herdefiniëren, waarbij we het midden moeten houden tussen twee afgronden: het kapitalisme en het communisme.’ De democratie speelt een belangrijke rol bij het realiseren van zo’n gedeeld wereldbeeld, aldus Van Egmond. Het zou in de politiek niet moeten gaan om de verschillen, maar om de samenhang. Hij zet daarom vraagtekens bij meerderheidscoalities. ‘Die dwingen met brute macht hun visie af, terwijl het juist zou moeten gaan om de erkenning van de valide waarden van andere partijen. Je kunt je afvragen wat Paars heeft bereikt, maar deze partijen kwamen samen wel met gezamenlijke oplossingen in een politiek spanningsveld. Het kabinet zou een afspiegeling moeten zijn van de Tweede Kamer, in plaats van het telkens weer tegen elkaar afzetten van links en rechts.’

john lennon Ook Marcel van Dam schetst in de gevolgen van drie decennia neoliberalisme in zijn boek Niemandsland en in zijn documentaire De Onrendabelen: het primaat van de markt en de zelfredzame burger boven een zorgende overheid die het sociaal kapitaal beschermt. De moord op John Lennon (8 december 1980) bleek het begin van de moord op de sixties, zoals Volkskrantredacteur Henri Faas the day after correct voorspelde. In de vroege jaren tachtig kwam het tot een breuk in de beschaving. De verzorgingsstaat werd afgebroken, de individualisering kon hoogtij vieren. Moraal en mededogen zijn ver te zoeken in de neoliberale prestatiemaatschappij, die met de val van de Muur in 1989 helemaal de vlag kon uitsteken. ‘Naarmate de rol van de markt groter is, verliest de samenleving aan humaniteit en worden meer mensen buitengesloten’, schrijft Van Dam. ‘Niet iedereen is economisch rendabel, maar iedereen verdient wel een goed leven.’ Steeds minder mensen kunnen aan de hoge eisen van de prestatiemaatschappij voldoen, betoogt Van Dam, omdat ze de juiste vaardigheden of motivatie missen door aanleg, omgeving of een combinatie daarvan. Zoals Chris die in de wao zit na talloze keren ontslagen te zijn, of de zwakbegaafde Lenie. De meritocratie van Saint-Simon is ontaard in een sociaal-darwinisme, waarin alleen de sterksten overleven. En zelfs voor hen blijft het stevig aanpoten, want als gevolg van de competitie worden de eisen steeds naar boven bijgesteld. ‘Zo veranderde de


prestatiemaatschappij in een stressmaatschappij en de loopbaan in een ratrace’, schrijft Van Dam. Hij gaat ervan uit dat vijftien tot twintig procent van de bevolking geheel of gedeeltelijk ‘onrendabel’ is, hoewel die term hem een gruwel is. ‘Voor hun directe omgeving, hun ouders, hun partner, hun kinderen, hun vrienden en buren zijn ze even onvervangbaar als een miljonair of een minister.’

respectmaatschappij Desondanks wordt gepoogd om de onrendabelen met dwang geschikt te maken voor de prestatiemaatschappij, met alle vernedering van dien. Van Dam haalt Tsjalling Swierstra en Evelien Tonkens aan die daar de ‘respectmaatschappij’ tegenover stellen in hun boek De beste de baas. Iedereen heeft volgens hen recht op gelijke toegang tot ‘bronnen van zelfrespect’. Iedereen heeft volgens Van Dam ook het volste recht ‘om in vrijheid zo gelukkig mogelijk te worden. Het zekerstellen van dat recht is de verantwoordelijkheid van de hele samenleving, niet van de mensen die om wat voor reden dan ook de verantwoordelijkheid niet aankunnen.’ Geluk als maatschappelijk richtsnoer. In het Boeddhistische Bhutan laten ze zich al jaren leiden door het Bruto Nationaal Geluk als alternatief voor het bnp. Vanuit dat perspectief bezien is niet Bhutan, maar Nederland een ontwikkelingsland. In Bhutan kennen ze geen hebzucht, geen crisis, geen prestatiemaatschappij. En ook geen onrendabelen. Maar die kenden ze in Fords autofabrieken in Detroit ook niet. Nou ja, één dan. Een bekende anekdote wil dat er wekenlang een onderzoeker door het bedrijf liep om het productieproces door te lichten. Uiteindelijk rapporteerde de onderzoeker dat iedereen in het bedrijf optimaal presteerde, ‘behalve in één kamer in de hoek, daar zit een man de hele dag sigaren te roken en niets te doen.’ ‘Dat klopt,’ zei Ford, ‘die man ben ik.’ r

35

De dwang van de prestatiemaatschappij  

Het hoge werktempo en het doorgeslagen individua- lisme naar Angelsaksisch model maken van de Nederlandse samenleving een snelkookpan, waari...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you