Issuu on Google+

OPNAME VAN DE GEMEENTE__ 1

OPNAME VAN DE GEMEENTE

Robert Fitzpatrick enkele dagen voor 21 mei 2011

De opname van de gemeente van Christus is al meerdere malen voorspeld en nog niet gekomen. Dit is/was ook zo een valse voorspelling. Een dagblad vroeg zijn lezers op 20mei van vorig jaar of ze ook aan hun kat gedacht hadden als ze er niet meer waren. Merk op: at supper time, dus wel een specifieke [valse] profetie.

http://www.guardian.co.uk/science/punctuated-equilibrium/2011/may/20/2 How to prepare for The Rapture Tomorrow is The Rapture (tm): have you found someone to take care of your pets yet?


OPNAME VAN DE GEMEENTE__ 2 Zie verder: LA Times: The last-minute “rapture” reading list MLive.com: Detroit rapture parties celebrate those left behind The Guardian UK: How to prepare for the rapture Guido Biebaut Alle rechten voorbehouden januari 2012 Dat er een opname komt van de gemeente is niet uit de Bijbel weg te denken. Ik geloof niet in de uitleg die men er aan geeft in de leer van de bedelingen of de uitleg van de Wachttoren. In het kort zeg ik dat de opname enkele seconden (of een fractie van een seconde) plaats heeft voor de Wederkomst van Jezus. We bekijken de belangrijskte tekst in dat verband. 1 Thessalonicenzen 4:14-17. De Heer tegemoet.

Wat zij op dat gebied leren

In J. Talmage ’De artikelen des geloofs’, De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der laatste dagen, 1972, blz.359 lezen we: “De exacte tijd van de komst van Christus is niet aan de mensen bekend gemaakt. Door echter de tekenen des tijds te leren verstaan, de ontwikkeling van Gods werk onder de naties gade te slaan, en door op te merken hoe snel de profetieën in vervulling gaan, kunnen wij het naderen van deze gebeurtenis waarnemen.”

We lezen in ’Middernachtsroep’ van augustus 1999 op blz.24 naar aanleiding van een vraag van een lezer over deze tekst het volgende: “Ik geef u volkomen gelijk, dat de Opname van de Gemeente van Christus elk moment plaats kan vinden en niet van een of ander teken afhankelijk is. De Grote Verdrukking daarentegen, met de aansluitende zichtbare Wederkomst in heerlijkheid, is met tekenen verbonden. De Bijbelteksten, voornamelijk die in de Evangeliën, die over tekenen van de Wederkomst spreken, hebben altijd betrekking op Zijn Wederkomst na de Grote Verdrukking. Dat de Here Jezus bijvoorbeeld in Mattheüs niet over de Gemeente van Christus spreekt, blijkt uit meerdere aanduidingen. Eenmaal zegt de Here Zijn discipelen in vers 20: “Bid, dat uw vlucht niet in de winter valle en niet op de sabbat.” De sabbat is een duidelijk teken voor Israël en betreft niet de Gemeente van Christus. Eveneens betreft de oprichting van de “gruwel der verwoesting” in Mattheüs 25:15, waarvan Daniël reeds gesproken had, het Joodse volk. In Mattheüs 24:31 staat: “En Hij zal Zijn engelen uitzenden mat luid bazuingeschal en zij zullen zijn uitverkorenen verzamelen uit de vier windstreken, van het ene uiterste der hemelen tot het andere.” Ook hier is naar mijn mening geen sprake van de Opname, maar van het feit, dat de Joden bij de verschijning van Jezus tot de oprichting van Zijn koninkrijk door de engelen Gods van de einden der aarde naar Israël gehaald zouden worden. En wanneer er in vers 30 staat: “En dan zal het teken van de Zoon


OPNAME VAN DE GEMEENTE__ 3 des mensen verschijnen aan de hemel en dan zullen alle stammen der aarde zich op de borst slaan en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken des hemels, met grote macht en heerlijkheid”, dan wordt daar naar mijn mening het volk Israël en de stammen daarvan bedoeld. Voor zover ik het verstaan en beoordelen kan, denk ik, dat de Here Jezus in Mattheüs 24 van een gelovig Joods overblijfsel spreekt, die door de Grote Verdrukking moet gaan. Wat echter de opname van de Gemeente aangaat, vinden wij geen teken. Zij kan elk moment, te allen tijde, plaatsvinden” (wij onderstrepen).

We lezen in ’Middernachtsroep’ van februari 1999 op blz.26 het volgende: “De verkondiging, dat de Gemeente nog door de Grote Verdrukking moet gaan, ontrooft ons van de gedachte, dat de Opname ieder moment mogelijk is (1 Cor.1:7-8; 1 Thess.1:10; Jac.5:7-8; 1 Petr.4:7; 5:1). Deze leer is de vijand van de spoedige verwachting van Jezus en verkondigt daarom, dat de Here nog niet komt, resp. niet komen kan, omdat de Gemeente eerst nog in resp. door de Grote Verdrukking moet. Abusievelijk wachten zulke mensen dan altijd nog op de vervulling van bepaalde tekenen van de eindtijd, voordat de Opname plaats kan vinden. Dat is echter niet zo. De Opname kan elk moment plaatsvinden, want de tekenen van de eindtijd (Mt.24; Marc.13; Luc.21:7-vv enz.) hebben betrekking op de Wederkomst van Jezus Christus in heerlijkheid op de “Dag des Heren” en meestal op Israël” (wij onderstrepen).

Th. Niemeijer zegt in het ’Het Zoeklicht’, van 15 nov. 1997,: “Gods prioriteiten We leven inderdaad in spannende tijden. Wat vraagt de HEER van ons in deze tijd? Wat is Gods prioriteit voor de Gemeente van de Here Jezus? Laten we drie van de belangrijkste punten nog maar eens op een rij zetten: 1. ’En ieder die deze hoop (op Zijn openbaring bij Zijn komst) op Hem heeft reinigt zich, gelijk Hij rein is’ (1 Joh.3:3). 2. ’En aan alle volken moet eerst het Evangelie verkondigd worden’ (Marc.13:10 / Mat.24:14). 3. Gods profetische herstel van Israël en de komst van de Messias, die daarmee samenhangt. Als we hierbij iets mogen zien van de prachtige patronen en machtige vergezichten, die de Schepper ook in Zijn Woord heeft gelegd, dan is dat een bemoediging en een zegen. Maar in deze spannende tijd liggen naar mijn inzicht de prioriteiten van de HERE voor Zijn kerk bij de drie genoemde geestelijke slagvelden. In die strijd zijn wij allen gemobiliseerd!”

Een eerste gevolgtrekking hierover: afhankelijk wie men er op naleest van dezen die de leer van de bedelingen aannemen zullen er voorafgaande aan de Wederkomst wél of géén tekenen te bespeuren zijn door de gelovigen. In ’Werkend verwachten’ van H. Medema, privé uitgave te Apeldoorn, zonder jaar geschat rond 1965, lezen we op blz.147, 148: “In dit verband is het wellicht nuttig iets te zeggen over de diverse fasen waarin de opstanding zal plaats vinden. We doen dat schematisch als volgt: 1. De opstanding van Christus als eersteling van hen die ontslapen zijn (1 Kor.15:20,21). 2. De opstanding van hen die Christus toebehoren bij zijn komst (1 Kor.15:23), ook aangeduid als: a. de opstanding ten leven (Joh.5:29); b. de opstanding van rechtvaardigen (Luk.14:14; Hand.24:15); c. de opstanding uit de doden (Fil.3:11);


OPNAME VAN DE GEMEENTE__ 4 d. de eerste opstanding (Openb.20:5,6). De opstanding van de gelovigen heeft tot doel om opgenomen te worden de Heer tegemoet in de lucht en altijd bij Hem te zijn (1 Thess.4:17) en om duizend jaren met Christus te leven en te heersen (Openb.20:4). Deze opstanding vindt op hetzelfde moment plaats, maar in twee fasen: a. bij de komst van Christus voor zijn gemeente (1 Thess.4:16) staan op de gelovigen die deel uitmaken van zijn gemeente en waarschijnlijk de oud-testamentische heiligen; b. bij de verschijning van Christus, aan het begin van het duizendjarig rijk (Openb.19:11 enz.) zullen opstaan allen die na de opname van de gemeente het evangelie van het koninkrijk (Matth.24:14) of het eeuwig evangelie (Openb.14:6) hebben aangenomen. 3. De opstanding van de ongelovigen, die ook wordt genoemd: a. de opstanding ten oordeel (Joh.5:29); b. de opstanding van de onrechtvaardigen (Hand.24:15); c. de opstanding van de overige doden (Openb.20:5,13,14). Het doel van deze opstanding is om de ongelovigen te oordelen en te werpen in de poel van vuur (Openb.20:13-15). Zij vindt plaats in één moment, duizend jaren na de opstanding van hen die bij de verschijning van Christus zijn opgestaan (Openb.20:5).”

James Horvath, een gekende figuur uit de Pinsterkringen in de U.S.A. zegt in zijn ‘He’s coming soon’, Creation House, 1995, blz.73, 74 dat er niet minder dan 7 opnemingen ten hemel zijn; Enoch, Elia, Jezus, de gemeente, de heiligen in het midden van de grote verdrukking, de 144.000 Joden en de twee getuigen. Wat wij op dat gebied leren

De woorden van Paulus in 1 Thes.4:13-18 behoren tot de belangrijkste die de Schrift bevat. De gedachten van Paulus draaien rondom twee centrale dingen: 1°) wat is het lot van dezen die gestorven zijn in de Heer en wat gebeurt er met dezen bij de komst van Christus? 2°) wat zal er geschieden met de levenden die tot Christus behoren bij Zijn komst? Omwille van de diepe gedachten verscholen in deze enkele verzen is deze studie zo volledig mogelijk uitgewerkt. Praktisch elk Grieks woord en elke gedachte worden daarom ook tot in details uitgediept. Dit is dan ook géén gemakkelijk gedeelte geworden, maar dezen die stap na stap onze uitleg volgen zullen een rijk begrip krijgen van wat de bedoeling is van wat God ons hier leert. We moeten ook opmerken dat we onze eigen vertaling gebruiken. J. Van Leeuwen zegt als slot van zijn bespreking van dit gedeelte - dat we gebruiken ter inleiding - het volgende: “Het is haast overbodig te zeggen, daar het vanzelf spreekt dat indien Gods woord van deze dingen wil spreken, die geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in eens mensen hart niet is opgekomen, het niet anders kan geschieden dan in woorden van menselijke taal en in voorstellingen, ontleend aan het bekende leven. Opmerkelijk is de soberheid van formuleringen en de beperking, die hier valt waar te nemen. Wanneer men de uitvoerige, fantasierijke beschrijvingen en grove voorstellingen vergelijkt, waarin de Joodse en ook latere christelijke apocalyptiek zich vermeit, dan is het verschil zeer sprekend” (’Korte verklaring,

Colossensen, Thessalonicensen’, Kok, 3de druk 1966, blz.143). Paulus geeft enkele malen de dringende raad om zich niet maar te laten bedriegen in zaken die


OPNAME VAN DE GEMEENTE__ 5 met God te maken hebben. En dat is zeker waar met betrekking tot deze tekst. Hij zegt te blijven bij (ww = werkwoord / adj = adjectief of bijvoeglijk naamwoord): 1 Tim.1:10 (ww) de gezonde leer Tit.1:9 (ww) de gezonde leer 1 Tim.6:3 (ww) de gezonde woorden Tit.1:13 (ww) gezond in het 2 Tim.1:13 (ww) de gezonde woorden Tit.2:1 (ww) de gezonde leer 2 Tim.4:3 (ww) de gezonde leer Tit.2:2 (ww) gezond in het geloof Tit.2:8 (adj) een gezonde prediking Vers 13 “Broeders, we willen niet dat gij onbekend blijft met betrekking tot dezen die slapen, zodat gij niet zou treuren als de rest, dezen die géén hoop hebben.” Paulus spreekt hier tot zijn medegelovigen, zijn broeders in het geloof. In de strikte betekenis is een broeder iemand die volgens de woorden van de engel uit Opb.22:9 diegene “die de woorden van deze boekrol onderhouden.” Dat is het zuivere standpunt van God. In praktijk is het voor ons mensen echter ietwat moeilijker. Want ofschoon God de zijnen werkelijk kent, is het niet gemakkelijk om van ons standpunt uit een broeder te identificeren. Zo zijn bijvoorbeeld allen op een vergadering “broeders” volgens Hand.1:16 / Rom.1:13. Of nu al dezen in Handelingen of Romeinen aan de goddelijke standaard voldaan hebben is een andere vraag. Daarin zijn er: “ouderlingen”, dat zijn personen die in de wijsheid Gods ver gevorderd zijn. Deze worden ook opzieners of “episkopoi” genoemd volgens Hand.20:17,28 / Titus 1:5,7. Ook dienaren = “diakonoi”, een term die op allen uit die broederschap in de kerk toepasselijk is volgens Joh.12:26 / Eph.6:21 / Col.1:7 / 4:7. Maar ook op personen die in Scriftuurlijke term de zwakken helpen (Rom.15:1,2 / Gal.6:2). En ook broeders (en zusters) zonder een specifieke opdracht in de gemeente. En aan àl dezen schrijft Paulus. De apostel begint zijn uiteenzetting met de woorden: “Wij willen niet dat gij onwetend blijft” een uitdrukking die hij in verscheidene brieven gebruikt en speciaal dàn wanneer hij grote nadruk op iets wil leggen. Zie voor deze manier van spreken o.a. in Rom.1:13 / 11:25 / 1 Cor.10:1 / 2 Cor.1:8. Paulus wil dat zijn geloofsgenoten kennis hebben betreffende dezen die “slapen.” Bijna alle vertalingen spreken over het “ontslapen” maar dit voorvoegsel “ont” is er in het geheel niet nodig en kan zelfs verwarring stichten. De enige juiste weergave van het Griekse “koimaomai” is “slapen” of “inslapen.” Het is een Bijbelse gedachte om het sterven aan te geven van dezen die in de graven gaan t.t.z. naar Hades of Sjeool. Dat ziet er op het eerste zicht voor sommigen misschien uit als dokterstaal. We willen het daarom verduidelijken. Er bestaat eerst en vooral een bepaalde theorie die gangbaar is en zegt dat de mens een onsterfelijke ziel bezit en dat deze na zijn sterven overleeft in ofwel hemel, vagevuur of hel. Maar niets is minder waar. Deze gedachte is namelijk gebaseerd op de eerste leugen die er ooit is uitgesproken en dit door Satans medium, de slang uit de hof van Eden. Indien men zich de moeite getroost om Gen.3:1-5 nauwkeurig te lezen dan ziet men dat Eva degelijk wist dat Gods verbod op de boom niet iets oppervlakkigs had. Want YaHWeH had gezegd dat, wie van de boom zou eten de dood zou sterven. De slang echter, gemanipuleerd door Satan, verdraait Gods woorden door te zeggen dat het eten van de boom zou betekenen dat ze als God zelf zouden worden en


OPNAME VAN DE GEMEENTE__ 6 voegt eraan toe: “Gij zult volstrekt niet sterven” (vers 4). Dàt is de eerste leugen. Door allerhande argumenten wil de mens zich toch een onsterfelijke ziel toebedelen. Maar wat is een ziel volgens Bijbelse terminologie? Dat antwoord staat in Gen.2:7 waar een beschrijving gegeven is van de schepping van de mens. Toen God de mens schiep nam Hij een stuk aarde blies daarin leven (of geest) en zo werden die twee dingen tot “een levende ziel” zegt de Schrift. Maar de Bijbel zegt zelfs nog verder dat ook dieren “levende zielen” zijn (Gen.1:20,21,24). Mensen èn dieren zijn levende zielen, maar hebben geen onsterfelijkheid. Iets dat in hen woont en bewust overleeft na de dood. Daarom zegt de Schrift dat wanneer de mens sterft hij teruggaat tot de aarde en dat zijn gedachten ophouden te bestaan. (Ps.6:5 / 115:17 / 146:4). Maar er is hoop voor de mens, want God beloofde na de zonde der eerste mensen Zijn Zoon te sturen als “losser” = Hebreeuws “goel” (Gen.3:15). Christus bracht dat offer om de mensheid te verlossen Joh.10:18 / Rom.5:12-18 / 1 Cor.6:20 / 2 Cor.5:18-21 / Eph.2:13 en is onze voorbidder (Rom.8:34). Zonder nader in te gaan op details hierover in het kort dit. (Wie er meer wil over weten zie onze ’Bijbelse aantekeningen over, leven, dood en opstanding’.) Er is niemand die bij zijn dood onmiddellijk zal genieten van de waarde die dat offer van Jezus kan brengen: onsterfelijkheid. Ook zijn discipelen zijn gestorven en doen dat ook nu nog. Maar dat offer is niet zonder kracht, het effect ervan wacht nog om gedemonstreerd te worden bij de opstanding uit de doden. Daarover zullen we ook enkele dingen zeggen bij dit gedeelte uit 1 Thes.4:13-18. Het beeld dat de Bijbel gebruikt om de toestand aan te geven van de overleden persoon tot aan zijn opstanding is de “slaap.” Vergeten we niet dat in de Griekse tekst van het NT twee woorden gebruikt worden voor het Nederlandse “slaap.” Eén woord is “katheudoo” dat altijd op de natuurlijke slaap toegepast is en nooit op het inslapen in de dood van een persoon. Voorbeeld hiervan is 1 Thes.5:7. Symbolisch is dit woord ook gebruikt om de vleselijke behoeften van de mens aan te duiden zoals in Eph.5:14 / 1 Thes.5:6,10 / Marc.13:36. Dát Griekse woord is in 1 Thes.4:13-18 niet gebruikt. Hier heeft men te maken met “koimaomai”, een uitdrukking die steeds op een ongewilde slaap betrekking heeft t.t.z. het inslapen in de dood. Het verschil tussen deze twee woorden is zeer duidelijk in Joh.11:11-13. Daar staat “na deze dingen zei hij (Christus) tot hen “Lazarus onze vriend is gaan rusten maar ik ga er heen om hem uit de slaap te wekken (Grieks exupnizo = doen opstaan). Daarom zeiden de discipelen tot hem: “Heer indien hij is gaan rusten zal hij beter worden. Jezus had echter van zijn dood (Grieks = thanatos) gesproken.” Door dit getuigenis zien we duidelijk dat de Christus over de dood spreekt als een “slaap.” Er is echter een belangrijk verschil tussen dezen die sterven vóór de komst van Christus, dezen die Christus’ broeders genoemd worden in de Schrift en de rest van de wereld. Want alléén over de broeders van Christus (de gemeente) wordt er gezegd dat zij “in Christus” of “in de Heer” slapen. Door die uitdrukking geeft de Schrift te kennen dat deze groep speciaal door God is afgezonderd van de rest van de mensheid. Het zijn alléén ook dezen die zullen deel hebben aan de eerste opstanding in onsterfelijkheid, samen met de getrouwen uit de oudheid. Zie hiervoor o.a. Opb.20:4-6 / Heb.11:39,40. En dat wil zeggen dat ook dezen die in geloof zijn ingeslapen vóór de komst van de Heer óók “in Christus” zijn. Alleen kon de formule toen nog niet gebruikt worden. Maar de gelovige kerk van het OT heeft tegenover God (en de Messias) dezelfde roeping. Hier volgen dan ook nog enkele teksten die spreken over de aartsvaders en koningen van Israël als in


OPNAME VAN DE GEMEENTE__ 7 “slaap” rustend tot hun opstanding: Deut.31:16 / 1 Kon.2:10 / 11:43 / 14:20,31 enz... Om het onderscheid tussen het sterven van een gemeentelid nog scherper te doen uitkomen, zegt Paulus dat er om dezen niet moet getreurd worden want zij hebben een hoop terwijl de rest géén hoop heeft. Wat is nu die “hoop” en wie is die “rest?” Want het één kan niet zonder het ander begrepen worden. De “rest” waarover de apostel spreekt zijn de mensen uit de wereld die niet tot Gods gemeente behoren. Hij gebruikt die uitdrukking samen met twee andere (“de anderen” en “de andere mensen”) regelmatig om mensen uit de wereld aan te duiden. Men zie hiervoor naar 1 Thes.5:6 / Rom.11:7 / 1 Cor.7:12 / 15:37 / 2 Cor.13:2 / Phil.1:13 / Eph.2:3. Het zijn volgens hem mensen die géén hoop hebben. Klaarblijkelijk heeft hij dan speciaal de Grieks-denkenden op het oog die zoals sommigen van hun filosofen dachten dat ná de dood alles ophield. Zo zegt de Griek Aeschylus in de “Eumenides” par.648: “voor iemand die dood is, is er geen opstanding.” En Theocritos schreef: “zonder hoop zijn de gestorvenen.” Ofschoon er wel bepaalde groepen bij de Grieken en andere volken waren die wél een hoop hadden (dan van onsterfelijkheid of zielsverhuizing of een soort nirwanatoestand) toch is dit geen hoop. Het is op een valse basis berustende. Want hoop die niet op Christus gefundeerd is kan geen hoop zijn (Eph.2:12). Wanneer er dan getreurd zou worden bij het sterven van iemand die ons geliefd is zouden we hier dan het bewijs hebben dat dit onschriftuurlijk is? In het geheel niet. Of zou men soms het voorbeeld van Christus vergeten die weende om de dood van Lazarus? Of is Joh.11:33-35 dan geen deel van Gods geïnspireerde woord? Wat Paulus wil zeggen is dat men niet hoeft te treuren voor de doden, alsof alles voor hen verloren is. Alsof we ze nooit terugzien, want dan zou men treuren als wereldse mensen. Het is dus niet het betreuren van de doden dat hier afgekeurd is maar het “waarom” van deze handeling. Vers 14 “Want indien we geloven dat Jezus stierf en is opgestaan, zo ook zal de God dezen die ingeslapen zijn, door die Jezus met hem samenbrengen.” Samengevat in schema leert deze tekst het volgende: 1° Jezus is gestorven, geloven we dat? 2° Jezus is opgestaan, geloven we dat? 3° Indien ja, dan zullen we tot de Heer gebracht worden. De Heer zei dat Hij zou sterven en opstaan uit de doden. Het was een onderdeel van Zijn prediking ofschoon zijn discipelen niet altijd begrepen waarover Hij sprak (Joh.2:19-22 / Mat.26:61 / Joh.10:11,15,17,18-21). Indien Christus hierover niets had voorzegd zelfs dan zouden we nog het overweldigende bewijs ervan bezitten door zijn discipelen. Want de prediking over dood en opstanding van Jezus staat centraal in het NT. Daarover leze men Rom.6:5 / 8:11 / 14:8 / 1 Cor.6:14 / 15:15 / 2 Cor.4:14 / 1 Pet.1:3-5, en nog tientallen andere teksten. Wanneer Paulus zegt “indien” we dat geloven, dan hoeft men dit niet speciaal in negatieve zin te gaan beschouwen. Het moet eerder als een neutrale opmerking gezien worden vooral door het feit dat deze leerstellingen overbekend waren bij de christelijke gemeente. En dat die opstanding zelfs nog meer betekenis heeft dan het sterven van Christus leert Paulus in Rom.8:34 door te zeggen: “Christus is het die gestorven is, ja nog meer, die ook opgewekt is.” Het is daarom ook


OPNAME VAN DE GEMEENTE__ 8 niet te verwonderen dat op Pinksteren door Petrus speciaal de nadruk op die opstanding wordt gelegd (Hand.2:24,31,32). Laten we ook wat opmerken over het gebruik van het woord “opstaan” in deze tekst, want veeleer spreekt Paulus liever over de “opwekking” van Christus. Het Griekse werkwoord voor “opstaan”, is “anistèmi” en het zelfstandige naamwoord “anastasis.” Voorbeelden hiervan zijn Mat.17:9 / 20:19 / Joh.6:39,40,44,54 voor het werkwoord en Hand.1:22 / 2:31 / 4:33 / Rom.1:4 voor het naamwoord. Het andere Griekse woord dat hieraan synoniem is en als “opwekken” (opwekking) is vertaald is “egeiroo” (werk-woord) en “egersis” (zelfstandig naamwoord). Voorbeelden van het werkwoordgebruik vinden we in Mat.10:8 / 27:63,64 / Luc.20:37 / 24:6,34 / Eph.1:20 / 5:14 enz. Slechts éénmaal (in Mat.27:53) is “egersis” gebruikt. Of men nu echter spreekt over het “opwekken” of “opstaan” uit de dood het is eigenlijk hetzelfde. De Heer was dood maar Hij leeft opnieuw! Nu wat betreft de vertaling zelf van dit vers. We vinden hier een zeer moeilijke Griekse woordconstructie. We moeten dan eerst opmerken dat het Grieks spreekt over “ho theos” en het best letterlijk vertaald is als “de God”, met het lidwoord iets dat ontbreekt in alle vertalingen. Ook staat er “tou Iesou” wat de nadruk legt op de persoon Jezus en dus als “die Jezus” moet weergegeven worden. Het moeilijke van de vertaling is dat er staat dat de God door die Jezus de ingeslapen met hem samenbrengt. Het probleem is nu wie door “hem” bedoeld wordt? Is het God? Of is het Christus? Het doet er eigenlijk niet veel toe want beide gedachten zijn Schriftuurlijk. Zo wordt er verder in vers 17 geleerd dat de ontslapenen tot Christus komen en altijd met hem zullen zijn. Maar verder leert ook 2 Cor.4:14 dat ze tot God gebracht worden. Het is dus misschien best niet de nadruk te leggen op zowel het een als het ander. Vers 15 “Want dit zeggen we u door het woord van de Heer, dat wij de levenden die achterblijven tot de tegenwoordigheid van de Heer, de ingeslapen in het geheel niet zullen vóórgaan.” De Nieuwe Wereld Vertaling zegt “door Jehovah’s woord” in plaats van “door het woord van de Heer.” De nota van de grote uitgave van hun Bijbel zegt dat vier vertalingen van het NT naar het Hebreeuws toe, die godsnaam gebruiken. Dat zijn ’Greek scriptures in Hebrew’ door Elias Hutter, ’Greek scriptures in Hebrew’ door William Robertson, ’Greek scriptures in Hebrew’ door Frans Delitzsh en ’Greek scriptures in Hebrew’ door Salkinson-Ginsberg. Daarentegen zijn er vijf zulke vertalingen die dit niet doen. Dus ook voor vertalers is er geen zekerheid op dit gebied. We geven, ofschoon we niet dogmatisch willen zijn, de voorkeur aan “Heer” in plaats van “Jehovah.” Want over een persoonlijk direct contact van God (de Vader) met Paulus is er nergens sprake in de Schrift, terwijl Paulus verscheidene malen met de Christus heeft gesproken (Hand.9:4,5 / 2 Cor.12:7-9). Bij andere gelegenheden spreekt Paulus erover een woord van de Heer ontvangen te hebben. Zie dan 1 Cor.7:10 / 9:14 / 11: 24,25. De argumenten die de WT gebruikt om in het NT de godsnaam YHWH, of een transscriptie ervan, in te voeren zijn allen misleidend. En dat woord van de Heer zegt dat de gemeenteleden die levend overblijven tot aan de tegenwoordigheid van Christus géén voordeel heeft tegenover wie is ingeslapen. Twee Griekse


OPNAME VAN DE GEMEENTE__ 9 woorden in dit vers verdienen onze speciale aandacht: “eis” en “parousia.” En moesten er geen absurde verdraaide uitleggingen bestaan over dit vers dan zou het niet nodig geweest zijn hierover te spreken. Want de Wachttoren en verscheidene groepen die daaruit ontstaan zijn leren dat de “parousia” of “tegenwoordigheid” begon in 1874 of 1914 en dat de gemeente overblijft tot na die tijd. Maar niets is minder waar. Want wat betekent “parousia” eigenlijk? Het is het samengestelde begrip van de woorden “para” wat “nabij” wil zeggen en “eimi” het werkwoord “zijn.” Letterlijk gezien wil dit zeggen “nabij-zijn.” En een goed voorbeeld hiervan is Joh.11:2028. Daar ziet men dat Martha, de zuster van Lazarus, gehoord heeft dat Christus op komst is (Grieks “erchomai”) en zij gaat hem tegemoet om hem te spreken. Dan gaat zij terug tot haar zuster Maria en zegt “de Meester is nabij” (Grieks “pareimi” waarvan “parousia” is afgeleid). Dat in vers 28 dit woord niet als “tegenwoordigheid” (aanwezigheid) mag vertaald worden zegt het vers 30 duidelijk. Daar staat “Jezus was in feite nog niet in het dorp gekomen, maar bevond zich nog op de plaats waar Martha hem had ontmoet.” Parousia, is dus in zijn eerste betekenis te vertalen in een tijdsverband en daarom als “nabij-zijn.” Maar veronderstel dat de tijd van het “nabij-zijn” en het werkelijke aanschouwen van de persoon op slechts seconden gerekend moet worden, wat dan? In dit geval is de “parousia” tot een “tegenwoordigheid” aan het worden en het is die betekenis die we hier in 1 Thes.4:15 voor het woord hebben. Dit begrip, van kapitaal belang, begrijpen mensen van de WT niet. Het is dus zo dat “parousia” altijd als “nabij zijn” mag vertaald worden maar niet altijd als “tegenwoordigheid.” Het is zoals in de parabel die Christus vertelt; een boom waaraan bloesems komen kondigt de zomer aan. Zo ook tonen tekenen de werkelijke komst aan (zie Mat.24:32-35). De Bijbel leert dan ook geen onzichtbare tegenwoordigheid vanaf 1874 of 1914 zoals er zo velen leren, maar een “nabij-zijn” van de werkelijke komst in macht en heerlijkheid. Nu wat betreft het voorwoord “eis” in dit vers! De WT en anderen geven hieraan de gedachte van “tot in” de parousia maar dat is verkeerd. Geen enkele Griekse geleerde zal dit zo vertalen want die weten dat “eis” gebruikt in tijdsverband (zoals hier) altijd moet vertaald worden als “tot aan.” Het Griekse woord geeft de tijdslimiet aan van de gebeurtenis die dan zal plaatsvinden. Wanneer Paulus werkelijk had willen leren dat de leden der gemeente “tot in” de parousia zouden blijven dan had hij het woord “en” gebruikt of “ek.” Het verschil tussen die drie woordjes volgt hier daarom in een tabel: Eis = tot aan / En = gedurende / Ek = uit. Diegenen die The Kingdom Interlinear Translation bezitten kunnen dit nagaan op de tweede bladzijde van het kaft waar zulk een diagram is afgebeeld met alle Griekse voorzetsels. Alleen op het gebied van “eis” gaan we niet akkoord met hen want zij zeggen “tot-in.” Hun onbegrip komt alleen maar doordat zij de werkelijke betekenis van parousia niet kennen en niet beseffen. Wat wij echter zeggen over “eis” - en het feit dat dit als “tot aan” moet vertaald worden - kunnen we aan de hand van de grootste Griekse deskundigen bewijzen, zoals Liddell-Scott, Thayer en andere. Zo schrijft Thayer in zijn Lexicon vier lange bladzijden over dat woordje “eis.” Hij zegt o.a. over het gebruik ervan in tijdsverband (blz.184 der Zondervan uitgave uit 1965): “van de tijdslimiet tot wanneer; tot aan t.t.z. zelfs tot, tot: Hand.25:21 / 1 Thes.4:15.” Men ziet dat Thayer als voorbeeld 1 Thes. 4:15 geeft in dit verband. Ten andere dat dit woord in 1 Thes.4:15 niet anders kan vertaald worden zal nog duidelijker worden in vers 17.


OPNAME VAN DE GEMEENTE__ 10

Paulus leert dus duidelijk dat de slapenden “tot-aan” (en niet “tot-in”) de tegenwoordigheid slapen en dat de levenden tot aan de tegenwoordigheid achterblijven. Dit alleen weerlegt al de theorie dat er leden van de Christusklasse levend achterblijven ná Armageddon om de opgestane mensheid te onderrichten. En toch leert de WT dit. Zowel de doden in Christus als de levenden in Christus hebben geen enkel voordeel of nadeel met betrekking tot de komst van de Heer. Wanneer zal men dat in die kringen eens als Gods woord gaan geloven? We hebben dit ook trachten duidelijk te maken in onze vertaling door dat Griekse “ou me” als “in het geheel niet” te vertalen. Deze Griekse uitdrukking “ou me” is de sterkste Griekse uitdrukking die er bestaat om te zeggen dat iets nooit of nimmer zal gebeuren. Vers 16: “Want de Heer zelf zal met een oorlogsroep, met een aartsengelstem en met een trompet van God nederdalen uit de hemel, en de doden in Christus zullen eerst opstaan.” Doordat Paulus deze zin begint met “want” wil hij het verband leggen met de voorafgaande gedachte. Het is het Griekse woordje “hoti” dat ook in vers 14 gebruikt is. Dit woord geeft de reden aan van iets of een verklaring van voorgaande gedachte. Er is geen voordeel voor de levenden “want” eerst zullen de doden opstaan. In het Grieks is het woord eerst = proton. Het is een tijdsgedachte die hierin verscholen zit. Zo gezien is er tot aan de parousia géén opstaan, maar bij de werkelijke tegenwoordigheid is de eerste gebeurtenis het tot leven komen van de doden in eendracht met Christus. Waar Paulus speciaal de nadruk op legt is de persoon die dit bewerkt namelijk de Here Jezus. Het is Hijzelf die komt en niet een ander, of alleen maar een demonstratie van gebeurtenissen. Want “Hijzelf” legt de nadruk op de persoon en niet op de omstandigheden. Dit is dan in volledige overeenstemming met het getuigenis van de Schrift, dat een persoonlijke, zichtbare komst van Christus leert (Hand.1:11 / Mat.24:30 / 2 Thes.2:8). Voor het gebruik van de uitdrukkingen “hemzelf, zelf en zichzelf” zie men naar Mat.27:42 / Joh.16:27 / 5:26 / Hand. 8:34 / Gal.6:4 enz...). Wanneer Christus dan komt is dit 1°)met een oorlogsroep 2°) een stem van een aartsengel en 3°) met een trompet van God. In al die uitdrukkingen ontbreekt in het Grieks het lidwoord en hebben we ook alzo vertaald. Het Griekse “keleugsma” hebben we vertaald als “oorlogsroep.” Hiervoor zijn ook goede redenen ofschoon we niet willen beweren dat de vertalingen als “roep” of “bevelende roep” verkeerd zijn. In de 19é eeuw heeft ook Coneybeare als “oorlogsroep” vertaald. Dit woord heeft volgens Liddell-Scott de betekenis van “een woord van bevel tot oorlog.” En Henry-Scott schrijft dat dit woord gebruikt wordt om aan te geven dat een koning met een leger een ander koninkrijk in bezit neemt. Dus de roep van een koning (Num.23:21) zoals Christus werkelijk is. Deze roep is de stem van de Heer zelf want alléén Hij heeft macht over de dood en Hades (Opb.1:17,18) en alléén Zijn stem heeft de ingeslapene te horen om op te staan (Joh.5:28 / 11:43). Bij zijn komst heeft de Heer ook een stem als van een aartsengel. De enige persoon die een aartsengel in de Schrift genoemd wordt is Michaël (Opb.12:7 / Judas 9 / Dan.12:1). Maar Christus zelf is niet de aartsengel Michaël. Hoe die stem is en wat die stem zegt, laat ons daarover liever


OPNAME VAN DE GEMEENTE__ 11 niet speculeren. De Heer heeft bij zijn komst ook “de bazuin van God” dus niet zijn eigen bazuin maar deze van God, de Vader. Hij is hier nog steeds Middelaar. Ten tijde van Israëls feesten, overwinningen bij oorlog, en Godsopenbaringen werd altijd op de bazuin geblazen (Ex.19:16 / 20:18 / Ps.47:6 / Num.10:1-10 enz...). In het NT staat een bazuin steeds in verband met de komst van de Heer. Zo zegt Mat.24:31: “En hij zal zijn engelen uitzenden met een luid trompetgeschal en zij zullen zijn uitverkorenen vergaderen van het ene uiterste der hemelen tot het andere uiterste daarvan.” En 1 Cor.15:51,52 zegt: “Zie, ik deel u een geheimenis mede. Allen zullen wij niet ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, bij de laatste bazuin, want de bazuin zal klinken en de doden zullen onvergankelijk opgewekt worden en wij zullen veranderd worden.” Dat deze twee Scriftuurplaatsen samen met 1 Thes.4:16 over hetzelfde spreken zien we duidelijk door vergelijking. In 1 Cor.15 zien we dat bij de laatste klank van de trompet zowel doden als levenden in Christus “in een oogwenk” veranderd worden. “En atomos” zegt het Grieks, dus letterlijk “in een ondeelbare tijdsperiode.” Volgens deze tekst zijn het géén jaren welke deze verandering in beslag neemt maar extra kort. In Mat.24:31 dat over hetzelfde moment spreekt is nu alleen sprake over het vergaderen der levenden, terwijl 1 Thes.4:16 het verband houdt met de doden in Christus. Ook de zevende bazuin uit Opb.11:15-18 spreekt hiervan wanneer gezegd is dat het dan de tijd is om de doden te oordelen en de slaven van God, terug dus de ingeslapen evenals de levende dienaren van God. Schematisch gezien leren die Scriftuurplaatsen dus het volgende: 1 Thes.4:16 - trompet van God brengt doden tot leven Mat.24:31 - trompet der engelen vergaderd levenden 1 Cor.15:51,52 - de laatste trompet blaast voor levenden en doden die in een ondeelbaar moment veranderd worden. Opb.11:15-18 - de zevende trompet blaast, de levenden en doden zijn geoordeeld. Dit is ook het signaal voor de vernietiging van dezen die de aarde verdelgen. (Volgens de leer van de bedelingen valt Opb.11:15-18 jaren na 1 Thes.4. En Mat.24:13 is zeven jaar na 1 Thes.4:16. Slechts 1 Cor.15 en 1 Thes.4 zijn parallel aan elkaar.) Vers 17: “daarna, zullen wij de levenden die achterblijven, terzelfder tijd en tezamen met hen weggerukt worden in wolken de Heer tegemoet in de lucht, en alzo zullen we voor altijd tezamen met de Heer zijn.” Het eerste wat onze aandacht verdiend is “epeita” wat we als “daarna” vertaald hebben maar ook als “dan” of “daarop” kan weergegeven worden. Dit woord geeft een tijdsbegrip aan, hoewel het niet mogelijk is om deze tijd hier te bepalen. Een studie van “epeita” leert dat de zestien maal dat dit woord gebruikt is, tijdsintervallen kan aangeven die gaan van enkele seconden tot jaren. Zo zien we wanneer Christus zegt: “Huichelaar doe eerst dien balk uit uw oog weg, dan (epeita)


OPNAME VAN DE GEMEENTE__ 12 zult gij scherp kunnen zien” (Mat.7:5) dan ziet men hier een voorbeeld waar “epeita” een onbepaalde en ongekende tijdsduur heeft. Maar in Joh.11:7 zien we “epeita” als een zeer korte tijd namelijk twee dagen (zie vers 6). Nog korter is de “epeita” periode in Heb.7:27 waar sprake is over de offers van de hogepriester die hij eerst voor zichzelf bracht en daarna (epeita) voor het volk. Hier is het slechts enkele minuten. Langere “epeita”-periodes zijn dan Gal.1:18 (drie jaren) en Gal.2:1 (14 jaren). Daarom moet men eerst en vooral besluiten dat het woord op zichzelf niet aantoont hoeveel tijd er verloopt tussen de opstanding der doden in Christus en het wegrukken de Heer tegemoet. Maar men mag niet vergeten dat er weinige getrouwen zijn die het waardig zullen zijn dit evenement mee te maken (Mat.7:13,14 / Luc.13:23,24 / 1 Pet.4:18). Dat betekent dat de miljoenen engelen die met Christus komen om de levenden van de Gemeente Gods te vergaderen niet lang zullen moeten zoeken voordat dit gedaan is (Mat.24:31). En de opstanding van dezen die in de Heer zijn duurt: “en atomos” een klein onderdeel van de tijdsindeling. Dat alles wijst een zeer korte tijd aan en niet jaren zoals de WT en anderen leren. Volgens hen is deze periode begonnen in 1918 en duurt tot Armageddon. In elk geval, dàt zegt Paulus niet. Ze schrijven in ’U kunt Armageddon overleven’, 1959, blz.105: “Het is daarom redelijk te geloven dat deze symbolische tempelstenen die in de dood waren ontslapen, kort na de komst van Adonai en zijn boodschapper des verbonds tot de geestelijke tempel in de lente van 1918, werden opgewekt.” Dus, de WT leert dat er nu reeds getrouwen bij Christus in de hemel zijn, terwijl anderen nog op aarde zijn. Zulk een scheiding is volledig in strijd met het woord van God, en wat Paulus in dit gedeelte schrijft. De Almachtige God wist dat er valse leraren zouden komen om die waarheid te verduisteren en tegen te spreken. Dat is duidelijk uit de rest van de geïnspireerde woorden van Paulus. Want hij zegt nadrukkelijk dat “de levenden die achterblijven tezelfdertijd en tezamen met hen”, met dezen die zijn opgestaan uit de doden, weggerukt worden. De woorden “tezelfdertijd en tezamen met” zijn de Griekse vertaling van “ama” en “sun.” Laat ons die betekenisvolle woorden nader bekijken. Eerst dan dat laatste woordje “sun.” Het is volgens Smith’s concordantie (dat is deze die alle Griekse woorden met hun vertaling in de King James in tabelvorm weergeeft) 125 maal gebruikt in de Schrift. De King James vertaling geeft dit 123 maal weer als “met”, dan nog éénmaal als “nabij” (Luc.24:21) en nog éénmaal als “in gezelschap met” (Hand.11:12). Het is dus overduidelijk dat “sun” als “met” moet vertaald worden. Waardoor we tot de conclusie komen dat wanneer Paulus schrijft dat “levenden met doden” weggerukt worden dan wil zeggen dat niemand uit de gelovigen een voordeel of nadeel zal hebben wanneer zij tot de Heer gaan. Dat wil zeggen, dat op het ogenblik dat dit zal geschieden er niemand achterblijft op aarde in ofwel een vleselijk of geestelijk lichaam. Wanneer de levenden die geloven in de Heer Hem tegemoet gaan, dan ook de doden die geloofd hebben in hun Verlosser. Ten tweede, om dit nog verder te bevestigen gebruikt Paulus hier ook het woord “ama” (uitspraak hama) in verband met “sun.” Het is een woord dat tien maal gebruikt is in de Schrift en heeft altijd de betekenis van “tezelfdertijd.” Door het gebruik ervan zien we dat dit woord speciaal dient om een gebeurtenis aan te geven die aan twee dingen of twee personen op een zelfde ogenblik geschieden. Dat begrip is zó belangrijk dat we alle tien gevallen waar het gebruikt is


OPNAME VAN DE GEMEENTE__ 13 zullen citeren en onderzoeken. 1°) Mat.13:29: “opdat Gij niet soms bij het verzamelen van het onkruid tegelijk (hama) daarmee de tarwe uittrekt” (NWV). Dit is een deel van een parabel van het goede zaad en het onkruid. Het ene mag niet verwijderd worden want het andere zou gevaar lopen tegelijk uitgetrokken te worden. Enkele andere vertalingen: “tegelijk” in Leidse vert. en Brouwer, “tevens” in N.B.G.. 2°) Mat.20:1: “Want het koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mens, een heer des huizes, die er vroeg in de morgen op uitging om werkers voor zijn wijngaard te huren” (NWV). Er staat letterlijk: “die tegelijk (hama) met de vroege morgen” enz... De meeste vertalingen hebben “hama” onvertaald gelaten in dit vers wat zeer jammer is. Het is duidelijk in het relaas van deze parabel dat de heer des huizes zeer vroeg naar werkers gaat zoeken. Ja, vóór het eerste uur van de dag gaat hij reeds op zoek (vers 2,3). Daarom ook staat er dat “tezelfdertijd” met de opgang der zon dat uitzoeken begint. De Kingdom Interlinear translation en andere woord voor woord vertalingen vertalen dit echter in de tekst. Bij studie van deze tekst kan men ook Marc.1:35 en Marc.13:35 nagaan die erop wijzen dat dit tijdstip van de vroege morgen ook de laatste wacht genoemd wordt. Enkele andere vertalingen: “met” in SV, maar is veelal onvertaald gebleven. 3°) Hand.24:26: “Tegelijkertijd (hama) hoopte hij echter dat Paulus hem geld zou geven” (NWV). Het gaat hier over het feit dat Paulus voor Felix gebracht wordt. Felix laat hem in vrijheid maar tegelijkertijd denkende dat Paulus hem hiervoor geldelijk zal belonen. In de Diaglott, Rotherham, Young, Green en NWV is dit woord juist vertaald als “tegelijkertijd.” Enkele andere vertalingen: “tegelijk” in SV, “tevens” in Leidse Vert. en Brouwer. 4°) Hand.27:40: “Ze kapten daarom de ankers en lieten ze in zee vallen, terwijl zij tegelijk (hama) de banden van de stuurriemen losmaakten” (NWV). De Diaglott, Rotherham, Green, Young, de Revised version en NWV schrijven hier juist “tegelijk” of “tezelfdertijd.” Hier zijn twee handelingen beschreven die op een zelfde moment plaatsvinden. Enkele andere vertalingen: “tegelijk” in Brouwer en Canisius, “meteen” in N.B.G.. 5°) Rom.3:12: “Allen zijn afgeweken, allen te zamen (hama) zijn zij waardeloos geworden” (NWV). Waar Paulus over spreekt is de zondige toestand waarin de ganse mensheid verkeerd (vers 9). De mensheid is als één klasse van zondaars, en allen zijn: 1° afgeweken van God en 2° waardeloos voor God. Hier zijn dus twee toestanden beschreven die tegelijk gebeuren, het een gaat niet zonder het ander. Sommige commentators redeneren dat “hama” hier geen eigenlijk tijdsgebruik heeft maar dat is verkeerd. Want iemand kan tot God komen en dus afwijken van zijn zonde en dan is hij hoegenaamd niet waardeloos meer. Wat Paulus beschrijft is dat op elk moment - en op alle momenten van iemands leven een afgeweken persoon - tegelijkertijd waardeloos is. Wanneer de ene toestand ophoudt, bestaat ook de andere toestand niet meer; t.t.z. houden ook tegelijkertijd op te bestaan. Enkele andere vertalingen:”te zamen” in SV, Luther en N.B.G., “tegader” in Leidse Vert, “gezamelijk” in Brouwer. 6°) Col.4:3: “en bidt tegelijkertijd (hama) ook voor ons” (volgens Rotherham, Diaglott, Young en Green, maar niet volgens NWV die het synoniem “tevens” gebruiken. Dus géén woord-voor-


OPNAME VAN DE GEMEENTE__ 14 woord vertaling!). Paulus vraagt de leden der gemeente te Colosse voor zichzelf in gebed te gaan en bij dezelfde gelegenheid voor hem en zijn medewerkers te bidden. Twee dingen die op hetzelfde ogenblik moeten geschieden, in hetzelfde gebed. Enkele andere vertalingen: “tegelijkertijd” in Brouwer, “tevens” in N.B.G., “meteen” in SV. 7°) 1 Thes.4:17: dit is de tekst die we bespreken en die in overeenstemming met het gebruik van “hama” dus vertaald moet worden als “tezelfdertijd.” Enkele andere vertalingen: “tegelijk” in Leidse Vert. en Brouwer, “te zamen” in SV en Luther, “tezamen” in Canisius. 8°) 1 Thes.5:10: “Hij is voor ons gestorven, opdat wij, hetzij wij wakker blijven, hetzij wij slapen, te zamen (tezelfdertijd = hama) met hem zouden leven”(NWV). Iets wat ons niet mag ontgaan is dat dit vers een voortzetting is van wat Paulus als uiteenzetting is begonnen in 1 Thes. 4:13-18. Want hetgeen na vers 18 staat heeft óók betrekking op de komst van de dag des Heren en het is een ongelukkige zaak dat dezen die de Bijbel onderverdeeld hebben in hoofdstukken ná 1 Thes.4:18 met hoofdstuk vijf beginnen. Wie het één na het ander leest ziet duidelijk dat over één zaak gesproken wordt. Het enige verschil in 1 Thes.4:16,17 en 1 Thes.5:10 is dat het ene spreekt over personen in de doodsslaap (kaomaiomai) terwijl hier over slapenden in gewone toestand sprake is. Want hier is “katheudo” gebruikt, het woord dat op de natuurlijke slaap betrekking heeft. Het is dus zo dat de klasse der levenden die achterblijven tot de komst van de Heer Jezus als twee groepen verdeeld is, fysiek slapenden en fysiek bewusten. Paulus spreekt dus niet in deze tekst over ons “leven in Christus” wat we thans bezitten maar dat glorierijke leven dat hij zijn gemeente geeft bij zijn komst. Enkele andere vertalingen: “te zamen” in SV, Brouwer, N.B.G. en Luther, “samen met” in Canisius en Leidse Vertaling. 9°) 1 Tim.5:13: “Terzelfder tijd (hama) leren zij (...) door doelloos bij de huizen rond te lopen, ja, niet alléén zonder bezigheid, maar (zij worden) ook roddelaarsters.” (Volgens NWV en zo ook, Diaglott, Rotherham, Young, Green enz...). Hier is sprake van weduwen die soms aan twee geestelijke ziekten (ondeugden) tezelfdertijd lijden namelijk doelloosheid en roddelen. Enkele andere vertalingen: “tegelijkertijd” in Canisius, “tegelijk” in N.B.G., “tevens” in Luther en Brouwer. 10°) Philemon 22: “Maak terzelfertijd (hama) echter ook logies voor mij gereed.” Hier heeft Paulus verscheidene verzoeken gericht aan Philemon, terzelfder tijd moet hij ook huisvesting zoeken en gereedmaken voor de apostel. Enkele andere vertalingen: “tegelijk” in SV, “tevens” in Luther, Brouwer, N.B.G. en Brouwer. Na deze studie van de tien teksten waarin “hama” is gebruikt hopen we dat het duidelijk is dat de vertaling wel degelijk moet gelezen worden als “tegelijk” of “tezelfdertijd.” Het is dan ook niet te verwonderen dat de Vulgaat vertaling dit Grieks woord weergeeft met het Latijnse “simul” waarvan onze Nederlandse “simultaan” komt. Maar dit is slechts een grammaticale gevolgtrekking. Theologisch en dogmatisch heeft dit woord in zichzelf een overweldigend getuigenis voor het feit dat de ganse gemeente op een zelfde ogenblik de Heer tegemoet gaat. Moge de Heer aan allen licht hierover geven zodanig dat ze beseffen dat er niet zoiets bestaat als partieële opstandingen van de gemeente des Heren. Nog twee gedachten resteren er om besproken te worden. Vooreerst dan de betekenis van het


OPNAME VAN DE GEMEENTE__ 15 begrip “de Heer tegemoet.” Dat Grieks woord “tegemoet” is “apantesis” (sommige manuscripten zeggen “hupantaoo”). Dat woord is een technische term uit het klassieke Grieks. Het woord geeft weer wat iemand of een groep een ander tegemoet gaat die op weg is. Behalve hier in deze tekst is het slechts gebruikt in enkele teksten namelijk Mat.25:1,6 / Hand.28:15. De werkwoordsvorm vinden we ook in Mat.28:9 / Marc.5:2 / 14:13 enz... De beste manier om dit te begrijpen is de volgende die doet denken aan wat de 10 maagden doen: de gemeente gaat in de lucht de Heer tegemoet om Hem er te ontmoeten en ze komen samen op aarde. In het beeld van de 10 maagden gaan ze terug naar de plaats vanwaar ze gekomen zijn. Volgens de Apocalyps van Johannes komt het Nieuwe Jeruzalem = de gemeente op de aarde. Als tweede punt is er het woord “weggerukt” wat een zeer mooi beeld geeft van de handeling van de Heer bij deze gelegenheid. Het woord is “harpazoo” en is ook nog gebruikt in Hand.8:39 / 2 Cor.12:2,4. In teksten als Joh.6:15 / 10:12 / Hand.23:10 / Judas 23 heeft het woord betrekking op het met grote kracht ontrukken. En die betekenis kan ook hier aangenomen worden want de Heer ontneemt de gemeente als het ware van Satan en de wereld. Dat wegrukken der gemeente en ontmoeting met de Heer in de wolken betekent voor de gemeente dat zij altijd (Grieks “pantote”) met de Heer zullen zijn. Daarom kan Paulus ook besluiten: Vers 18: “Blijft elkaar derhalve met deze woorden vertroosten.” Deze woorden zijn de afronding van wat Paulus zijn lezers wil bijbrengen, ofschoon hij nog verder over deze dingen spreekt in 1 Thes. hoofdstuk 5, maar dan speciaal over het niet kennen van het tijdstip van deze gebeurtenis. N. Lieth beschrijft in ’Middernachtsroep’, april 1999, blz.29,30 de afval van deze tijd in woorden waarop we ook “amen” kunnen zeggen. En dat is niet altijd het geval met schrijvers uit deze kringen. Slechts het slot zouden we anders formuleren. Hij schrijft: “Maar op kerkelijk terrein is sinds jaren een ongekende theologische en ethische teruggang waar te nemen. Er worden inzichten vertegenwoordigd en er wordt op de kansels en leerstoelen ruimte geboden, ook wanneer zij de Bijbel en de reformatorische belijdenissen ten zeerste weerspreken. Waarvoor de reformatoren gevochten en voor een deel met hun bloed betaald hebben, dat wordt vandaag lichtvaardig overboord gegooid. Er worden “nieuwe afgodsbeelden” verkondigd, de schepping en inspiratie van de Heilige Schrift door God echter geloochend. De geboden worden geminacht en de religies vermengd. De Godheid en persoon van Jezus Christus als alleen zaligmakend wordt duidelijk ter discussie gesteld (1 Joh. 4:1-4). Hoezeer moeten hier waarachtig gelovende dominees en kerkgangers, die er zonder twijfel zijn, onder lijden. De pijngrens is voor hen meer dan bereikt. Wanneer dezen opgenomen zijn, zal het in de instituten tot de volledige afval komen. Maar hier zijn ook wij van Middernachtsroep en alle andere vrije kerken en gemeenten aangesproken. Dr. Uwe Siemon Netto, Luthers theoloog en journalist, schreef in “Idea Spektrum” (nr. 44/1998): “Mijn Lutherse kerk heeft zich tot hansworst gereduceerd - tot salami, waarvan de substantie zich plakjesgewijs vermindert (...). Het weekblad “Focus” berichtte daarover, dat een meerderheid van de kerkleden en dominees in Duitsland niet meer in de wezenlijke, heilsbeslissende uitspraken van het Evangelie geloven. Volgens een enquete (Idea Spektrum, nr.24/1997) zou driekwart van de kerkgangers niet meer in de opstanding van Jezus (het fundament van het ware Christendom) geloven en ook een kwart van de evangelische voorgangers daar niet


OPNAME VAN DE GEMEENTE__ 16 meer aan vasthouden. Slechts 21 procent van de dominees betitelen de Here Jezus als hun voorbeeld, en voor bijna 40 procent is Jezus niet de Zoon van God. Hier bevindt zich het antichristendom midden in de kerk (1 Joh. 4:2-3). Maar ook in Zwitserland zouden nog slechts 43 procent van de mensen tussen 16 en 35 jaar geloven, dat er een God is, Die Zich in Jezus Christus heeft doen kennen. Commentaar: “De kennis van de Goddelijke waarheid vermindert” (“Ethos”, nr.6/1997). Enerzijds verliest de Evangelische kerk in Duitsland elk jaar een kwart miljoen leden, de Rooms-Katholieke 120.000. Aan de andere kant echter worden steeds meer toetredingen tot de Islam genoteerd. Er zijn vandaag reeds meer dan 100.000 boeddhisten en 500.000 sympatisanten. Het boeddhisme wordt als huidige trendreligie gekenmerkt. Waar de Dalai-Lama ook maar uitgenodigd wordt, zitten vele duizenden aan zijn voeten. Hij wordt als “Godkoning” betiteld. Op het woord Gods uit de 1e Johannesbrief wordt nauwelijks nog acht geslagen: “Wij weten, dat (...) de gehele wereld in het boze ligt (...) Kinderkens, wacht u voor de afgoden” (1 Joh.5:19,21). Maarten Luther zou eens gezegd hebben, dat de kerk ook tot een instituut van satan verworden kan, wanneer zij niet meer volgens de maatstaven van de Bijbel leeft (Op.17). Dat is precies, wat ook de apostel Paulus zegt, wanneer hij leert over de afval, die door de mens der wetteloosheid (Antichrist) wordt voortgebracht, wiens komst is naar de werking des satans (2 Thess.2:3,9). Wanneer de afval vandaag al zo ver gevorderd is, veronderstellen wij zeer zeker juist, dat de “Dag des Heren” voor de deur staat en daarmee de Opname niet lang meer op zich laat wachten. Bovendien wordt de roep van de wereldwijde Gemeente van Christus tot haar Here en Heiland steeds luider: “En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En wie het hoort, zegge: Kom! En wie dorst heeft, kome, en wie wil, neme het water des levens om niet” (Op.22:17).

Extra nota I Over de opname (wegrukking) der gemeente. Bepaalde Bijbelcommentators durven in ernst schrijven dat de opname van de gemeente in het geheim zal geschieden, dat niemand het zal merken en onzichtbaar voor mensen zal zijn. Dat is in elk geval een halve waarheid en een halve waarheid is een leugen. Want zichtbaar voor de mensen op aarde zal die opname zeker zijn. Maar sommigen zullen zeggen dat dit géén betrekking heeft op de wegneming der gemeente. Laat ons veronderstellen dat dit zo is. Wat leert dit dan wel en wat is de relatie tot Opb.11:12? En hierop hebben we nooit een goed antwoord uit de kringen van Millennialisten wat de moeite waard is om weerlegd te worden. De gelijkenis tussen Opb.11:12 en 1 Thes.4:16,17 spreekt voor zichzelf, wanneer men maar de juiste identificatie heeft gedaan der twee getuigen. Deze getuigen zijn volgens sommigen een symbool voor de Bijbel zelf; t.t.z. Oud en Nieuw Testament. Maar wanneer men zich de moeite getroost om dat ganse hoofdstuk te lezen dan ziet men toch dat dit onmogelijk is. En waarom zou een stem uit de hemel zeggen tot deze twee delen van de Bijbel “stijg hierheen op?” Anderen hebben dan gedacht aan Mozes en Elia als de twee profeten en getuigen. Maar hoe klopt dat? Spreekt de Schrift niet over die twee getuigen als predikende op aarde? O, ja er is de leer dat die twee profeten niet gestorven zijn en opgenomen zijn tot God zonder sterven. Wat dan onmiddellijk strijdig is met Heb.9:27 waar is gezegd dat alle mensen ééns moeten sterven. Indien het juist is dat Mozes en Elia (en ook Enoch) zijn opgenomen dan is Paulus ook leugenaar wanneer hij in Heb.11:39 schrijft dat “al dezen (die getrouwen uit de oudheid) de belofte niet hebben ontvangen.”


OPNAME VAN DE GEMEENTE__ 17 Dan is ook Christus een leugenaar wanneer Hij tot Nicodemus zegt: “geen mens is opgevaren naar de hemel” (Joh.3:13). En zegt de Bijbel soms niet dat Mozes gestorven is en begraven (Deut. 34:5,6)? En de opname van Elia in 2 Kon.2 hoe is dit te verklaren als een opneming ten hemel, tot Gods tegenwoordigheid, wanneer diezelfde profeet tien jaren nadien nog een brief schrijft aan koning Jehoram (2 Kon.21:12-15). Sommigen redeneren over die brief als wel degelijk van Elia maar geschreven vóór zijn opneming, maar dat is een verkeerde uitleg aangezien de brief een verwerping is van daden die Jehoram (Joram) beging ná die tijd. En aangezien mannen als Mozes en Elia ná de opstanding der gemeente tot leven komen (Heb.11:39,40) daarom kunnen deze twee niet de profeten uit Opb.11 zijn. Maar wie zijn deze dan? De enige juiste verklaring kan zijn dat deze twee symbolisch de gemeente van de eindtijd voorstellen. Zij zijn “twee” omdat dit getal het symbool is van eenheid in streven (Pred.4:9-12). Zij zijn als kandelaars omdat zij het licht van de wereld zijn (Joh.5:35 / Mat.5:14-16). En zij staan voor God omdat zij Zijn dienaren zijn (Zach.4:14). We kunnen er dan ook aan toevoegen dat hun dood door het wilde beest slechts symbolisch kan zijn want dit zou anders strijdig zijn met het getuigenis dat er levenden overblijven tot bij de komst van Christus. Het feit dan dat levensgeest in hen komt volgens vers 11 kan daarom alleen maar betekenen dat zij nog tot activiteit aangespoord zijn door Gods Geest om een laatste maal tot prediking over te gaan. Dan echter een prediking van vernietiging over de goddelozen. Ofschoon dat levensgeest krijgen ook kan betekenen dat de gemeente dan verheerlijkt wordt en het kan hierom juist zijn dat de wereld verbaasd is. In elk geval Opb.11:12, kan alléén op de wegrukking of opneming der gemeente toegepast worden. Extra nota II Sterven en veranderd worden Zoals we opgemerkt hebben leren de Scriftuurplaatsen 1 Cor.15:51,52 en 1 Thes. 4:16,17 dat er bij de komst van de Heer met twee klassen personen een gebeurtenis plaatsvindt. De éne groep van “de doden in de Heer” zal eerst tot leven gewekt worden (1 Thes.4:16). Dan zal die groep met het levende overblijfsel der gemeente tezelfdertijd en tezamen de Heer tegemoet gaan. In 1 Thes. spreekt Paulus dus niet over enige verandering die de levenden moeten ondergaan om tot de Heer te gaan. Maar dat deze wel degelijk een verandering moeten ondergaan leert hij op een andere plaats. We hebben hier 1 Cor.15 in gedachten. De lering van Paulus op dit gebied is soms verkeerd begrepen en willen dit daarom nader onderzoeken. De vraag waar het hier om gaat is: wat zal er gebeuren met de doden en hoe worden die opgewekt? De apostel toont eerst en vooral dat het sterfelijke lichaam dat wij bezitten zal afsterven als een zaad. De dood van een zaad geeft echter leven aan iets geheel nieuws ofwel plant of boom. En zo ook dat sterfelijke lichaam dat gedood wordt. Hetgeen er bij de opstanding uit voortkomt is iets nieuw. Het is niet een vernieuwing van het oude maar een herschepping. Maar het is ook het verlengde van het vorige; uit het zaad van een roos komt geen ajuin voort! En zoals planten en hemellichamen verschillen in structuur zo ook voor dezen die uit de doden opstaan. Dat is de inleiding van verzen 35-41. Over de natuur zelf van het lichaam der opstanding, redeneert de apostel dat het een onverderfelijk lichaam is (vers 42), een lichaam opgewekt in kracht (vers 43) en een geestelijk lichaam (vers 44). Want zegt hij, de eerste zondige Adam gaf ons een ziellichaam


OPNAME VAN DE GEMEENTE__ 18 maar de tweede Adam, Jezus Christus, geeft ons het geestelijke lichaam. En zoals Adam zijn we geweest, maar als Christus zullen we worden (verzen 45-49). Over de noodzaak tot het verkrijgen van een geestelijk lichaam zegt hij dat “vlees en bloed” onmogelijk het Koninkrijk kan binnengaan (vers 50). En “ziet” zegt Paulus “ik vertel u een geheimenis.” Een geheimenis (Grieks mysterion) is niet iets dat niet begrepen kan worden. Het is een waarheid die slechts begrepen kan worden door dezen die ingewijd zijn in de christelijke leer en aan wie Gods Geest het openbaar zal maken Joh.14:16,17. Dat geheimenis is het volgende (althans volgens sommige Bijbelmanuscripten): “Wij zullen niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden.” Andere manuscripten van de Bijbel zeggen het juist omgekeerd: “wij zullen allen slapen, maar niet allen veranderd worden.” Zo staat het in de Codex Alexandrinus / Codex Ephraemi rescriptus / Codex gamma 33 / Sinaïticus MS. Men ziet dus dat drie van de oudste manuscripten hierbij te vinden zijn. Nu, wanneer de laatste manuscripten juist zijn dan is het geheimenis van Paulus het volgende: dat allen uit de gemeente werkelijk zullen slapen, ofschoon de levenden bij de komst van de Heer slechts slapen voor een onderdeel van een “atomos” t.t.z. een ondeelbaar ogenblik zoals vers 52 leert. De tijd om het sterfelijke lichaam af te leggen en het geestelijke lichaam aan te doen. Zulk een slaap zou in het geheel niet strijdig zijn met vers 52. Het zou ook ondersteuning vinden in Heb.9:27 waar staat dat het voor ALLE MENSEN weggelegd is ééns te sterven. Ook door de gelijkenis van het zaad zoals Paulus in 1 Cor.15:35-41 leert. Het zaad sterft om een nieuw leven te geven. Maar even betrouwbare manuscripten (ja zelfs het merendeel) zegt in 1 Cor.15:51 “pantes ou koimethesomata” wat bijna altijd vertaald wordt als “we zullen niet allen slapen.” Maar principieel is die vertaling verkeerd. Robertson één der grootste deskundigen op het gebied van Bijbels en klassieke Grieks geeft namelijk in zijn standaardwerk “A Grammar of the Greek New Testament” blz.753 te kennen dat dit vertaald moet worden “niemand zal slapen.” Hetgeen wil zeggen dat Paulus hier iets zou leren dat strijdig is met het feit dat er wél leden van de gemeente overblijven tot de komst van de Heer. Want dat leren verscheidene parabels en Scriftuurplaatsen zoals Joh.14:3 / 1 Thes.4:15. Het komt dus hierop neer, dat we moeten kiezen tussen de Scriftuurlijke voorstelling in 1 Cor.15:51 van enkele oude manuscripten en het grote gedeelte manuscripten die om één of andere reden een volledig on-Bijbels beeld geeft van de zaak. We kiezen dan ook het eerste en leren dan ook zo; dat alle leden der gemeente werkelijk sterven al is dit voor de overblijvenden tot de parousia van de Heer slechts voor een ondeelbaar ogenblik. De Schrift geeft dan ook duidelijk te kennen dat ons sterfelijk lichaam moet veranderd worden; verheerlijkt, onsterfelijk en geestelijk worden. Zelfs Phil.3:20,21 moet ook zo gelezen worden. Want hoewel sommigen beweren dat het lichaam waarover hier sprake is “het lichaam van Christus” is t.t.z. de gemeente, dat is echter verkeerd. Wie goed leest ziet dat Phil.3:20,21 spreekt over “ons vernederde lichaam”, terwijl de gemeente “zijn lichaam” genoemd wordt 1 Cor.12:27. Het spreken van Paulus in de enkelvoudige zin als “ons” lichaam geeft nog niet het


OPNAME VAN DE GEMEENTE__ 19 recht om een valse leerstelling op te bouwen. Temeer nog dat “onze geest” (Rom.8:16), “ons lichaam en uitwendige mens” (2 Cor.4:10,16) en “ons hart” (1 Joh.3:19-21) enz. ofschoon in het enkelvoud toch duidelijk volgens deze teksten op ieder van de gelovigen afzonderlijk toepasselijk is. De Bijbelse leer der opstanding van het lichaam (gemeente) van de Heer leert daarom: 1°) levendmaking der doden = slapenden, 2°) sterven en onmiddellijk veranderd worden der levenden (Marc.12:27 / Rom.4:17). Extra nota III Oosprong van de “rapture” leer (opname van de Gemeente) Men heeft in de kringen van de bedelingen ook geen besef van de recente ouderdom van de leer van de onzichtbare komst van Christus om zijn kerk (gemeente) tot zich te nemen. Men denkt of geeft de indruk dat de Kerk zoiets sinds onheuglijke tijden leert! We mogen dankbaar zijn dat een Amerikaanse reporter (theoloog) het ware verhaal voor ons op papier heeft gezet. We bedoelen het boek van Dave MacPherson ’The unbelievable PreTrib Origin’, Heart of America Bible Society, Kansas City, 1973, 123 paginas. Dit is een meesterwerk en we geven u daarom ook de korte inhoud. De uitleg dat de kerk zou worden opgenomen vóórdat “de grote verdrukking” zou beginnen is terug te voeren tot het jaar 1830. In Port Glasgow, Scotland, had een zekere vrouw Margaret Mac-Donald behorende tot wat later “The Catholic Apostolic Church” is genoemd een openbaring: de kerk zou opgenomen worden van op deze aarde om gespaard te worden van de grote verdrukking die over de wereld in de eindtijd zou komen. Dit verhaal dat zich afspeelde in het begin van dat jaar werd opgetekend door een niet nader bekende arts dr. Robert Norton. In zijn verhaal over die bepaalde kerk beschreef hij de openbaring van deze vrouw. De gemeente zou worden opgenomen op een onzichtbare wijze. Enkele mensen zouden er op een bepaald ogenblik niet meer zijn, die worden opgenomen om bij de Heer te zijn. Zo begon de onzichtbare parousia die zou eindigen in een zichtbare, zeven jaar later. Maar het is niet vanuit deze Margaret MacDonald dat de leer vermaard is geworden. In dat zelfde jaar was John Nelson Darby, stichter van wat later de Broeders is genoemd op bezoek bij Margaret MacDonald, en het is na dit bezoek dat hij vooreerst over de opname der gemeente gaat schrijven in de zin van een onzichtbaar komen. De eerste sporen ervan vinden wij in zijn tijdschrift “Morning Watch’ van september 1830. En de leer van de “pretrib rapture” was geboren om duisternis te brengen onder velen. Een korte verklaring van de term hierboven: pre = voorafgaande / trib(ulation) = verdrukking / rapture = opname, wegrukking. Toen S. Gundry, zijn ’The church and the triblutaion’, Zondervan, schreef in 1973 (on-misbaar in deze optiek) had hij dit boek nog niet. Walvoord (blz.344) doet nogal minnetjes over deze aanpak. Maar Gundry (blz.185-188) komt langs andere wegen tot dezelfde gevolgtrekkingen zoals Dave MacPherson. U MOET DIT EERST LEZEN VOORDAT U MET KENNIS VAN ZAKEN OVER HET ONDERWERP KAN PRATEN In ’Lees en Luister’, Christelijke catalogus, 9de editie 1999, blz.8, lezen we wat over de boeken


OPNAME VAN DE GEMEENTE__ 20 van T. LaHaye en J.B. Jenkins. Over hun boek ’Oogst’ staat het volgende: “De laatste bazuin - 4. Miljoenen mensen zijn opeens van de aarde verdwenen. De wereld is veranderd in chaos. Nicolae Carpathia krijgt de macht in handen; hij belooft vrede en veiligheid. De mensen zien hem als hun redder en held. Maar Rayford en zijn familie weten wel beter (...) De laatste bazuin: een meeslepende serie over de zeven laatste jaren van de wereld, vooral gebaseerd op Openbaringen, waarbij je voortdurend denkt: ’Zo zou het inderdaad kunnen gebeuren (...)’.” We hopen dat u als lezer méér dan de gewone aandacht zou

schenken aan deze vorm van nieuw christelijk proza, het is een niet op vaste leer geschoeide Bijbelleer. Lees het niet want het zal inderdaad alzo niet gebeuren. En een andere leer die langs een omweg in de leer van Jehovah Getuigen belandde is deze van de Duitse exegeet Olshausen. Deze 19de eeuwse theoloog (ook vertaald in het Engels bij T & T Clark) heeft een rare visie op 1 Thes. en de opname. De gemeente zal de Heer tegemoet gaan om dan terug te reizen naar de hemel met Jezus. Het Millennium wordt opgericht op aarde en als bewijs dat de hemelse gemeente regeert over (op) de aarde zullen velen zich zichtbaar vertonen aan de mensen op aarde. Ze doen dat juist op de manier zoals Jezus verscheen aan zijn discipelen tussen de Opstanding en de Hemelvaart. Zo kan Opb.5:10 in zijn meest letterlijke vorm in vervulling gaan volgens de schrijver. Ook dat hoort zeker tot de fantasieverhalen van theologen.


OPNAME VAN DE GEMEENTE