Page 1

LEVEN, Dood en opstanding_1999

BIJBELSE AANTEKENINGEN over LEVEN DOOD en OPSTANDING

Vanop de grond bekeken lijkt een kalverblad zo onoverzichtelijk. Maar van bovenaf gezien wijst dat op een degelijke voorbereiding. Zo ook weet YaHWeH waar we ooit terecht komen en op welke wijze.

Alle rechten voorbehouden. Guido Biebaut, juni 1999, Illustraties en Engelse lexiconartikelen toegevoegd aan het einde van elk hoofdstuk.

1


LEVEN, Dood en opstanding_1999

2

Inleiding Een Franse uitdrukking zegt: “Waar komen wij vandaan? Wie zijn wij? Waar gaan wij naartoe?” Deze vragen verdienen allen een antwoord maar we kunnen ons nu slechts bezighouden met het laatste. Waar gaan wij naartoe? Is er nog iets na de dood? Geleerden hebben hiermee geworsteld (en blijven dit doen) zowel wetenschapsmensen als filosofen. Meestal spreken ze elkaar tegen omdat ieder van verschillende standpunten uitgaat. Voor een atheïst bijvoorbeeld is het gedaan met de dood. Hij is de mening toegedaan van eten, drinken en sterven want met de dood is alles afgelopen (1 Cor.15:32). In ons modern westers wereldbeeld is dit verwoord als: “het is na de dood gedaan, amen en uit.” Anderen, de Spiritisten, zeggen dat met de dood van een mens het werkelijke leven slechts een aanvang neemt. De dood is voor hen het begin van de gelukzaligheid. Volgens de Christian Science bestaat er géén ziekte en géén dood. Alles op aarde is alleen maar een illusie of wanbegrip. Theosophen, Boedhisten en Hindoes leren de reïncarnatie. De leer die zegt dat de mens verschillende malen wedergeboren wordt in een ander lichaam en zo langzaam tot de volmaaktheid komt. Een proces soms van honderdduizenden jaren. Er zijn de Universalisten (Alverzoeners) die zeggen dat iedereen, zowel dezen die goed als deze die slecht geleefd hebben, gered zullen worden. Allen zullen dezelfde volmaaktheid beërven. De ene mens bereikt dit stadium alleen wat vlugger dan de andere. Mormonen leren iets in die aard maar met uitsluiting van enkelen die verdoemd zijn, nl. de zonen des verderfs. Dezen gaan naar een plaats van pijniging die volgens één van de boeken der Mormonen “gnolom” genoemd wordt. Al de anderen worden gered en zullen verschillende graden van heerlijkheid ontvangen. Protestanten leren meestal dat wie in Christus geloofd naar de hemel gaat, de anderen gaan naar een plaats van eeuwige pijniging weg van het aanschijn van God. De Roomse Kerk leert dit ook met toevoeging van een tussenstaat, voor dezen die niet goed genoeg waren voor de hemel en niet slecht genoeg voor de vurige hel. Deze plaats noemt men het vagevuur. Wie daarin is kan met gebeden en opdragen van missen door een priester, vroeger het vagevuur verlaten en de hemelse zaligheid binnengaan. In ons Westelijk halfrond is er ook de algemeen populaire gedachte dat de goeden onmiddellijk na de dood ten hemel stijgen om er “rijstepap met gouden lepels” te eten. Op de vraag: Wat gebeurt er na de dood is keuze genoeg! Voor mijzelf, een christen, is het voortbestaan meer dan een vrome wens. Geen wishfull thinking, geen gevoel van er is nog iets na de dood, maar de zekerheid van een bestaan in het hiernamaals. Dat wat thans nog niet gezien kan worden. Want dat is toch de Bijbelse definitie van geloof (Heb.11:1)?


LEVEN, Dood en opstanding_1999

3

We nemen in deze studie dan ook Gods Woord als leidraad. Er zijn grenzen aan onze kennis. Ooit was Paulus in de derde hemel, maar wat hij allemaal gezien heeft is ons niet geopenbaard (2 Cor.12:1-4). We kunnen vragen stellen waar geen antwoorden op zijn. En er zijn dingen die we nu nog niet kunnen dragen (Joh.16:12 / 1 Cor.3:2). We zien thans nog steeds “door een spiegel in raadselen” (Grieks ainigmati=enigma’s) volgens de letterlijke vertaling van 1 Cor.13:12. We trachten dingen te zeggen die een schriftuurlijke basis hebben, géén traditie. Tenzij anders aangegeven gebruiken we de vertaling van het Nederlandse Bijbelgenootschap. De kracht van onze argumenten ligt in de Schriften en niet in woorden. Het gebruik van een Bijbel is dan ook quasi verplicht. Gewoon afgaan op de gedachte, dat vers ken ik wel, zal meestal onvoldoende zijn als bewijs. Niet dat men elke verwijzing moet nagaan want dat zou niet praktisch zijn. Ze staan er wel bij zodat men: “Gezonde woorden” kan aanleren (2 Tim.1:13). En zoals de lezer zal merken, we hebben veel kritiek op onbijbelse, filosofische of sektarische zienswijzen. Vooral over de aard van de “tussentoetand” en de invulling daaraan meestal gegeven. Ons onderzoek bestaat uit 3 hoofdstukken. In het eerste behandelen we definities in zowel het O. T. als het NT over: zielen, geesten, dood en het graf en ten slotte over de opstanding. De verschillen tussen de opvattingen uit het OT en NT bepreken we grotendeels in de tekst, een éénheid en een verscheidenheid. We willen hier al benadrukken dat onsterfelijkheid in tegenstelling tot wat men meestal denkt géén belangrijk begrip in de Schrift is. De toekomst van de mens is gelegen in de wederopstanding uit de doden. Het tweede hoofdstuk gaat in op de leer van de opstanding zoals die door Jehovah’s Getuigen geleerd wordt. Een perversie en erzatz van wat de opstanding uit de dood in werkelijkheid is. Hier stellen we de opstanding van Jezus centraal. En jammer genoeg leren vele moderne theologen één of andere variante op deze “geestelijke opstanding” van Jezus. Jehovah’s Getuigen - de grootste sekte in België en ook Nederland - hebben geen enkele notie van wat de opstanding van Christus of de gelovigen in werkelijkheid is. Hoofdstuk drie is drieledig. Het eerste deel handelt over een term uit het Nieuwe Testament: “eeuwig leven.” Deel twee bespreekt de parabel van “een rijke man” en “een bedelaar, Lazarus genaamd.” In het derde deel behandelen we enkele “moeilijke” schriftuurplaatsen. Ook hier is onze visie niet de populaire maar we staan niet alleen. Lijst van de belangrijkste afkortingen Biederwolf: W. Biederwolf, ‘The second coming bible’, Baker Book house, reprint 1972. De oorspronkelijke titel was ‘The Millenium Bible’, rond 1920. Bijbels Panorama:’Bijbels Panorama’,Het Morgenrood, 1974. Dit is een reeks tabellen waarin de tekst minder belangrijk is. De “zeven bedelingen” worden in 12 schetsen en twee aanhangsels als enige Bijbelse visie aan de man gebracht. Bultema: H. Bultema, ‘Maranatha, eene studie van de onvervulde profetie’, Eerdmans-Sevensma Co., 2de druk, zj maar rond 1920. Een Gereformeerd predikant die de duizendjarige regering aanhangt met eigen accenten en die van zijn collega’s Darbysten toch moet onderscheiden worden. De onzichtbare opname van de gemeente zeven jaar vóór de wederkomst is volgens hem fantasie en terecht. Het boek van Mormon,’Lesboek’, Copyright De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste dagen, 1986. We citeren dus niet het Boek van Mormon maar een belangrijk studieboek hierover met aanhalingen van vooral theologen van dit genootschap. NBG:’Bijbelvertaling’ van het Nederlandse Bijbelgenootschap.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

4

NWV: ‘Nieuwe Wereldvertaling van de Heilige Schrift’, met sudieverwijzingen, Watch Tower bible and tract Society, herziene uitgave 1988. Questions: ‘Seventh day Adventists answer Questions on Doctrine’, Review and Herald, 1957. We zien de Adventkerk zeker niet als een sekte maar gezien hun uitgesproken leer over de ziel moeten we er toch nader op in gaan. We citeren één van hun standaardwerken. Scofield: C.I. Scofield, ‘The Scofield Reference bible’, Oxford University Press, renewed version 1945, oorspronkelijk 1909. We citeren dus de versie van Scofield zelf en niet de latere bijgewerkte uitgave. Samen met Biederwolf is dit het basiswerk van veel hedendaagse schrijvers op dit onderwerp, ook al geven ze het niet toe, of zijn er zich niet bewust van wanneer ze anderen citeren. Het Morgenrood heeft een vertaalde Bijbelcursus van Scofield (950 bladzijden), maar is géén aanrader. Talmage: J. Talmage,’De artikelen des geloofs’, De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der laatste dagen, 1972. SV: ‘Statenvertaling’, Nieuwe uitgave door Ds. W.L. Tukker voorzitter, 1977. WT: ‘De Wachttoren’, altijd als verwijzing naar het genootschap. Een citaat uit het gelijknamige tijdschrift is voluit geschreven. We besteden veel aandacht aan de leer van deze mensen omdat ze de grootste sekte zijn in België of Nederland. zj: zonder jaar, boeken zonder jaar van uitgifte. We hebben onze eigen afkortingen van de Bijbelboeken die meestal deze van de vroegere NBG zijn. Uitzonderingen o.a.: Openbaring, onze afkorting is Opb. in plaats van Op., Marcus is Marc. en niet Mark., Lucas is Luc. en niet Luk.. Iets over de lay-out. We hebben getracht door middel van de letterweergave de afkomst van de citaten te identificeren voor de lezer. Vertalingen uit Franse, Duitse en Engelse literatuur zijn van onszelf. Uitzonderlijk geven we de originele tekst. We hebben ook de vroegere oude spelling in de citaten niet aangepast. Zwart en recht: Alle Bijbelcitaten, Nederlandse, Hebreeuwse en Griekse met uitzondering van de NWV. Ook enkele woorden om nadruk hierop te leggen. Zwart en schuin: Alle aanhalingen uit litteratuur van de WT, ook hun NWV. Schuin: De verwijzingen uit schrijvers en apocriefe teksten, alsook enkele woorden om nadruk te leggen. We hebben gekozen voor één doorlopende tekst. Wellicht zijn veel lezers hieraan vreemd. We doen het om twee redenen. Want uit zelfondervinding weten we dat men niet steeds achteraan in het boek gaat nakijken waar de referentie vandaan komt. En ten tweede een degelijke scriptie waar de voetnoten netjes onderaan verwerkt zijn vraagt enorm veel tijd. En zoals de meesten in de derde leeftijd kan men dat geduld niet meer opbrengen. Alsof het ons aan tijd ontbreekt! Voor de weergave van de Godsnaam kiezen we bewust voor YaHWeH dat de vier letters van het teragram heeft in hoofdletters. De vier letters van het Hebreeuws in hoofdletters en kleine letters geven aan dat de uitspraak niet echt gekend is, namelijk of het een korte of lange “a” of “e” is.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

5

Bibliografie: Titels in de tekst gebruikt zijn niet altijd opnieuw overgenomen in de boekenlijsten. Aan de lezer: We stellen zeker uw opmerkingen, ook de kritische, altijd op prijs. Een dankwoord: Aan mijn vrouw Georgette voor het werk op de P.C. en mijn dochter Ariane voor het opsporen van fouten. We hebben maart 2007 nog een reeks zaken aan de tekst toegevoegd vanuit het Internet. Die staan allen in een appendix. Het gaat om citaten uit de grote Griekse Lexicons en Bible hand- books waar geen rechten meer op bestaan en dus vrij geciteerd mogen worden. We vertalen het niet zodat de lezer die geen Engels begrijpt het kan overslaan zonder ook maar iets te missen.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

6

Hoofdstuk 1 Woorden en hun betekenis 1:1 Over zielen De mens is een levende ziel In de Statenbijbel (editie 1977, verder afgekort als SV) wordt volgens Gen.2:7 de schepping van de mens als volgt beschreven: “En de HEERE God had de mens geformeerd uit stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen de adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel.” In Hebreeuwse taal staat er: basàr + nesjhamàt chajja = nefesh chajja. Hieruit kunnen we opmerken dat de ganse mens: nl. zijn aardse lichaam + de adem des levens die hij van God kreeg = één levende ziel vormt. De mens heeft géén onsterfelijke ziel. Het woord onsterfelijk wordt hier niet gebruikt. De mens is een ziel (1 Cor.15:45). De mens is een lichamelijk-geestelijke éénheid. Een deel uit het commentaar van G.C. Aalders bij dit vers is het volgende: “Hoewel het stellig onjuist zou zijn hier een scherpbegrensde begripsbepaling in betrekking tot het wezen van de mens te zoeken, is het toch niet zonder grond dat de Christelijke Theologie in dit vers een aanduiding heeft gevonden voor het tweezijdig bestaan van de mens. We leren hier met genoegzame klaarheid, dat er iets is waardoor de mens geheel aan de stoffelijke wereld verwant is, hij is “stof van de bodem”; maar dat er tevens iets in hem is waardoor hij aan het onstoffellijke verwant is; iets waardoor hij zich geheel en al van de dieren onderscheidt; en dat laatste iets heeft rechtstreeks en onmiddellijk uit God zijn oorsprong, zodat daarin vooral uitkomt dat de mens beeld is en gelijkenis Gods. Wij kunnen hiervan spreken - ook al weten we zeer goed dat die uitdrukkingen ons hier niet worden geboden - als ‘s mensen stoffelijk en geestelijk bestaan, of eenvoudiger nog, als zijn lichaam en ziel.” (‘Korte verklaring der Heilige schrift, Genesis’, Kok derde druk 1960, p.116, 117). We hebben ondanks de voorzichtigheid waarmee deze dingen gezegd zijn, problemen met de inhoud. Dit voorbeeld staat voor de velen die zouden kunnen gegeven worden. We geloven dat de schrift het anders leert. ‘The Zondervan Pictorial Encyclopaedia of the Bible’ deel 5, edit. M.C. Kenney, Zondervan, 1975, p.496 zegt: “De King James vertaling van de tekst (Gen.2:7) is misleidend en de vertaling “levend wezen” schijnt meer in overeenstemming met de basisgedachte van het OT. Er moet echter op gewezen worden dat het Hebreeuwse begrip nefesh chajja zoals gebruikt in Gen.1:20,21,24,30 betrekking heeft op andere vormen van leven, maar de nadrukkelijke zinsbouw van Gen.2:7 plaatst de mens toch boven de rest van de schepping in een unieke positie, hoewel de terminologie in het OT dat nog niet correct weergeeft.” Adam is Gods zoon en heeft alles van zijn Hemelse Vader ontvangen. Zijn fysische, intellectuele en emotionele eigenschappen zijn het werk van zijn Schepper. En van deze God hebben ook wij ons leven ontvangen (Ps.104:29,30). En uit teksten als Job 10:8-12 en Ps.139:13-16 moeten we opmaken dat ieder persoon nog door God in de moederschoot “geweven” is. Er is slechts één mensengeslacht (Gen.2:7 / 6:3 / 10:32). Zonder “adem des levens” is de mens slechts een hoopje aarde (Gen.3:19 / Ps.146:4). De mens kan dan ook “gemeenschap” hebben met God en heeft tegenover Hem morele verplichtingen.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

7

Soms is wel eens opgeworpen dat de mens naar het beeld van God geschapen is en daarom ook een onsterfelijke natuur moet hebben. Maar denk na! Zijn wij ook “almachtig” omdat wij naar Gods beeld geschapen zijn? Of hebben we ook al Zijn kennis meegekregen toen Hij ons naar Zijn gelijkenis schiep? Of zijn we volmaakt in onze liefde? De eerste mens is op God “gelijkend” maar niet “gelijk” aan God, ook niet in al de eigenschappen van zijn Maker. God heeft hem “bijna goddelijk” gemaakt (Ps.8:6). De mens is door zijn Schepper psychisch en fysiek volmaakt en volkomen geschapen. Van een overdracht van onsterfelijkheid bij de schepping is echter geen sprake. Zoals later zal blijken is dit een gift van God aan de mens op basis van geloof en genade. Natuurlijk is de plastische voorstelling van Gen.2:7 om onzentwille geschreven, zodat we van het mysterie iets zouden begrijpen. De mens zit complexer in elkaar dan wat daar staat. Wanneer we de Bijbel onderzoeken komen we tot de bevinding dat mensen niet de enige “levende zielen” zijn. Het zal u misschien verwonderen te horen dat ook dieren “zielen” zijn maar dit is nochtans wat de Bijbel leert. Bijvoorbeeld in Gen.1:20 (volgens de SV) staat over de schepping van dieren geschreven: “En God zeide: Dat de wateren overvloedig voortbrengen een gewemel van levende zielen.” En in vers 24: “En God zeide: De aarde brenge levende zielen voort, naar haar aard, vee en kruipend en wild gedierte der aarde naar zijn aard! En het was alzo” (zie ook Gen.1:30 / 2:19 / 9:10,12 / Lev.11:46). In de geschriften van het oude verbond worden dieren tweeëntwintig maal zielen genoemd. Verder zijn er nog eens zeven teksten waar mensen en dieren in één adem zielen genoemd worden (vb. Gen.9:15,16). Zowel de mensen als de dieren zijn zielen. Niemand zal beweren dat dieren ook “onsterfelijk” zouden zijn. We kennen slechts één religieuze groep in de Westerse wereld die zulke dingen leren en dat zijn de Mormonen. Volgens hen zijn ook dieren onsterfelijk maar om hun bewijs te staven kunnen ze niet naar de Bijbel grijpen, ze kunnen dit alleen aantonen uit de geschriften van hun stichter Joseph Smith of hun andere moderne profeten. De Bijbel leert uitdrukkelijk dat dierlijke zielen kunnen sterven. In Opb.16:3 zegt de SV: “En de tweede engel goot zijn fiool uit in de zee (...) en alle levende ziel is gestorven in de zee.” Vergelijk ook nog Opb.8:9 / Lev.11:10,46 / Ezech.47:9 SV. Vanuit 1 Cor.15:39 waar staat: “Alle vlees is niet hetzelfde, maar het vlees van mensen is anders dan van beesten” moeten we toch ook besluiten dat het dier als “ziel” en de mens als “ziel” verschillend zijn. Een tekst die we serieus moeten nemen wanneer we dingen vergelijken. De mensen van de Concordant-Bijbel geloven niet in een onsterfelijke ziel, maar geloven wel in een totaal herstel van alles wat heeft geleefd. Vanuit Marc.16:15 interpreteren ze dat “alle schepsel” tot wie het evangelie moet gepredikt worden ook de dieren ingerekend zijn. We moeten niet redeneren zoals ze doen, dat dieren iets zouden begrijpen, want Eva zou toch met de slang gesproken hebben? De schepping moet toch hersteld worden is hun argument! Maar Rom.8:21 mag op die wijze niet uitgelegd worden. Ze maken trouwens de fout dat Marc.16:15 betrekking heeft op de duizendjarige regering wat niet waar is. Ze zouden om zich geloofwaardig te maken nu reeds tot de dieren moeten prediken. En Antonius van Padua zou dit, volgens de legende, al gedaan hebben zonder merkbaar resultaat. Zie A.E. Knoch e.a., ‘Eternal Torment’, Concordant Publishing Concern, zj, p.41. We kunnen ons afvragen: aangezien dieren zielen zijn en kunnen sterven, kan de mens dan ook sterven want hij is toch ook een ziel? Zeer zeker kan de menselijke ziel sterven. Alleen nog maar in het Oude Testament kunnen wel 100 passages aangehaald worden die aantonen dat de menselijke ziel kan sterven. In het NT kunnen VEERTIEN teksten aangehaald worden waar de menselijke ziel dood kan gaan. De Bijbel zegt alleen tussen Jozua 10:28-39 zeven maal dat menselijke zielen gedood worden. Ze sterven echter niet om dezelfde reden. Dieren sterven vanwege de zonde van,


LEVEN, Dood en opstanding_1999

8

de eerste mens. God heeft een vloek over de aarde uitgesproken die slechts met de wederkomst van Christus zal opgeheven worden. En in Ezech.18:4 zegt God over mensen: “de ziel die zondigt die zal sterven.” En wie heeft niet gezondigd? Aangezien geen enkele persoon dit bevestigend kan beantwoorden zullen allen sterven. In het Nieuwe Testament geeft ook Jezus te kennen dat de ziel die Hij is, kan sterven (Mat.26:38). In de hof van Olijven op de vooravond van zijn kruisiging zegt Hij: “Mijn ziel is diepbedroefd tot de dood toe.” Dit was de vervulling van de voorspelling van de profeet Jesaja. Deze had over de Messias voorzegd in Jes.53:12 (SV): “Omdat Hij zijn ziel uitgestort heeft in de dood.” Hierover zegt P.J. Van Leeuwen: “Er is in het OT geen sprake van dat de dood alleen maar een deel van de menselijke persoon zou treffen. Hij sterft geheel en volkomen, naar lichaam en ziel” (‘Het Christelijk onsterfelijkheidsgeloof’, Boekencentrum, zj, (1955?) p.31). De mens is dan ook niet zoals een huis met een benedenverdieping (het lichaam) en een bovenverdieping (de ziel of de geest). De mens is in zijn totaliteit een ziel. We kunnen dus opmerken dat de Bijbel uitdrukkelijk is en zegt dat de mens (of de ziel) kan sterven. Dode zielen leven niet verder op één of ander niveau van bewustzijn. Sterven is niet overgaan tot een nieuwe vorm van leven of bewustzijn. Maar er is nog meer. Van de 754 teksten in het OT en de 1O2 in het NT waarin ziel voorkomt vindt u nooit, zelfs niet eenmaal, het bijvoeglijk naamwoord “onsterfelijk.” Opgepast, want tellingen van het gebruik van woorden en begrippen kunnen verschillen naargelang men de Textus Receptus of de Kritische Tekst gebruikt. Het woord “nefesh” (ziel) uit het OT heeft toch méér dan één facet. Om dit uit te drukken gebruikte de King James Bible dan ook 44 Engelse woorden en begrippen. Sommige woorden daarvan worden slechts éénmaal gebruikt, vb. “breath” (adem) in Job 41:21 of “fish” (vis) in Jes.19:10. Anderen tientallen malen zoals “life” (leven) en “person” (persoon). Dat het Hebreeuwse woord voor ziel (nefesh) en het Griekse woord voor ziel (psuche = uitspreken psyche) hetzelfde willen aangeven zien we uit de verwijzingen van beide geschriften naar elkaar. Men vergelijke dan bv. Marc.12:29,30 met Deut.6:4,5 / Hand. 2:27 met Ps.16:10 / Rom.11:3 met 1 Kon.19:10 en 1 Cor. 15:45 met Gen.2:7. Griekse filosofie bij de Joden Dat de idee van de “onsterfelijke ziel” niet vreemd is in het gedachtengoed van het Joodse volk kan aangetoond worden uit enkele geschriften. In bijvoorbeeld de Roomse Bijbels en de Lutherbijbel kunnen we dit terugvinden in de Deutero-canonische boeken. Deze zijn echter vanuit Joods standpunt apocriefen. We vinden ze niet terug in de Masoretische tekst van de Tenach. Ze staan met een enkele uitzondering allemaal onder een duidelijke Griekse invloed van de onsterfelijke ziel zoals uit volgende aanhalingen mag blijken. We gebruiken de vernieuwde uitgave van de Willibrordstichting (1995). “Ook al worden zij naar de mening van de mensen gestraft, zij zijn vervuld van de hoop op onsterfelijkheid” Wijsheid 3:4. “Dan is kinderloosheid nog beter als zij gepaard gaat met deugd want die blijft in onsterfelijke herinnering omdat zij zowel bij God als bij de mensen in aanzien staat” Wijsheid 4:1. “Want u kennen is totale gerechtigheid en weten van uw macht is de wortel van de onsterfelijkheid” Wijsheid 15:3.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

9

Tijdens zijn marteldood roept Eleazar de schriftgeleerde: “De Heer weet in zijn heilige wijsheid dat ik aan de dood kan ontkomen, en al lijd ik in mijn lichaam gruwelijke pijnen door de marteling, in mijn ziel voel ik vreugde” 2 Makkabeeën 6:30. De vrome ontvangt na de dood - volgens het boek Wijsheid - onmiddellijk zijn beloning: men is in vrede, in Gods hand en ontvangt eeuwig leven (Wijsheid 3:1-5 / 4:13,14 / 5:15,16). De invloed van de gedachte over de onsterfelijke ziel, een Grieks idee uit de filosofie van Plato (Aristoteles en Democrites waren tegen deze stelling gekant) is hier overduidelijk. We vinden deze leer ook terug bij de Joodse schrijvers Philo en F. Josephus (1e eeuw V.C. / 1e eeuw N.C.). Volgens Philo is het lichaam toegevoegd aan de ziel en wij moeten daarvan bevrijd worden. Het lichaam heeft slechte invloed op de ziel (‘Leg.All.’1:105-107). Philo is soms zeer scherp in zijn uitlatingen; het lichaam is een lijk dat men door het leven meesleurt (‘Leg.All.’1:69) en is als een graf (‘Leg.All.’1:108). Volgens Philo bestaat er dan ook zo iets als “zielen zonder lichaam” vb. engelen (‘Sacr.5 / Som.1:135’). Een opstanding uit de dood heeft voor hem geen enkele zin. F. Josephus zegt klaar en onomwonden dat de ziel “onsterfelijk” is (‘Oorlogen’ 7:340). Deze taal gebruikt het OT of het NT nooit. Van een andere Griekse, minder populaire leer, is het Jodendom gespaard gebleven, namelijk de transmigratie van de ziel. De Zohar is hierop een uitzondering. De Griek had hier twee varianten; overgang van mens naar mens of van mens naar God. De eerste stelling was een stokpaardje van de Pythagoreeërs. De geschiedenis van Ganymedes door Zeus (een pedofiele verhouding) ontvoert naar het godenrijk is een voorbeeld van het tweede. Dus geen echte reïncarnatie zoals in de Indische filosofie, want het gaat dan om exceptionele gebeurtenissen. O. Cullmann zegt in dit verband (p.29): “De schrijvers van het Nieuwe Testament bedienen zich voor de begrippen “lichaam”, “ziel”, “vlees” en “geest”, om er slechts enkele te noemen, van dezelfde termen als de Griekse filosofen, maar deze begrippen hebben voor hen een totaal andere betekenis. Wij zouden het Nieuwe Testament volkomen verkeerd begrijpen als wij deze begrippen in hun Griekse betekenis vatten. Reeds vele misverstanden zijn uit deze interpretatie voorgekomen” ( bibliografie 1958). En de conclusie van R. Martin-Achard is deze: “In het OT is de dood niet (zoals in het Platonisme) de scheiding van ziel (immaterieel) en lichaam (materieel), maar het verlies van levenskracht, levensadem, die God de mens gedurende een periode heeft verleend (Gen 2:7; 1 Kon.17:17; Job 34:14; Ps 104:29vv).” Zie ‘Bijbels Historisch Woordenboek’, edit. B. Reicke en L. Rost, deel 1, Het Spectrum, 1969, p.410. R. Martin-Achard (zie bibliografie 1956) is één van de grote kenners over deze periode. De Rabbi van de Liberale Joodse Gemeente te Amsterdam J. Soetendorp schreef in dat verband ooit het volgende: “Het Bijbelse Jodendom heeft een zeer sterk ‘aan de aarde’ gebonden karakter d.w.z. in het Bijbels Jodendom heeft de gedachte aan een onsterfelijke ziel geen plaats” (p.76, wij onderstrepen). En verder: “Nu is het eigenaardig dat het geloof in de lichamelijke opstanding en dat in het voortbestaan van de ziel naast elkaar bleven bestaan en in het traditionele Jodendom nog staan. In de beschouwing van Schauss wordt dit als ‘elkaar uitsluitend’ gesteld. Dit is echter niet zo. Het traditionele Jodendom, hoewel gelovend in het voortbestaan van de ziel, spreekt zich niet nadrukkelijk uit voor een ‘individueel voortbestaan’. In de tweede tempelperiode waren het alleen de Farizeeën die beide opvattingen aanvaardden, de Esseërs geloofden alleen in het voortbestaan van de ziel, de Tsadduceeën behielden het ‘Bijbels’ geloof dat hierna niets is dan de Sjeol” (p.101). ‘symboliek der joodse religie’, W. de Haan, 2de druk 1966.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

10

Een belangrijk Rooms Katholiek commentaar zegt terecht:”Ondanks het gebruik van woorden als vlees, geest en ziel ziet het OT een menselijk wezen als een eenheid en niet als een samenstelling van verscheidene onderdelen. H. Wheeler Robinson merkte ooit op in een klassiek gebleven stelling dat Grieken over de mensen dachten als een geïncarneerde geest en de Israëlieten als een bezield lichaam. De Hebreeuwse taal geeft geen aanwijzing over de oorsprong van de geestelijke werkzaamheden; ze ontstaan in het hart. In het Hebreeuws is het hart de zetel van onze gedachten en niet van onze gevoelens. Het Hebreeuwse “nefesh” is meestal verkeerd vertaald als “ziel” en zo heeft men een vreemde gedachte in het OT binnengebracht. Het woord “nefesh” is zo ongrijpbaar (“fluid” in de Engelse tekst) dat het geen echte samenvatting toelaat. Wanneer Jahweh de geest inblaast wordt het menselijke wezen een levende “nefesh” (Gen.2:7). “Persoon” of “zelf” zou men kunnen zien als de primitieve of grondbetekenis van dat woord. Van het bloed wordt soms gezegd dat het de zetel is van de ziel; in dat geval is “nefesh” niet het “zelf” of de “persoon” maar veeleer het “leven” dat wegvloeit met het bloed. De “nefesh” is soms gekoppeld aan geestelijke processen zoals verlangens en in deze konteksten kan het woord als “wil” of “begeerte” vertaald worden. In geen enkel geval toont dit begrip, alléén of in zijn geheel, een gelijkenis met de “ziel” van de Grieken of onze moderne visie hierop. Dit verschil heeft ook vergaande verschillen in wat de schrift zegt over het overleven na de dood.” ‘The New Jerome Biblical Commentary’, edit. R. Brown, J. Fitzmeyer, R. Murphy, Prentice Hall, 1990, p.1295. In het ‘Theologisch Woordenboek’, edit. H. Brink, Romen & Zonen, 3 delen, vanaf 1952, wordt toegegeven dat het begrip onsterfelijkheid in het Joodse denken een bepaalde ontwikkeling heeft doorgemaakt en wel de volgende: “Israël heeft te allen tijde het leven als een religieuze waarde gezien. Het leven werd door God geschonken aan de collectiviteit - nationale welvaart en onafhankelijkheid - en aan de enkeling op grond van de Verbondswet. Dit leven werd tot ver in de geschiedenis van het Israëlitische volk gezien als beperkt tot dit leven op aarde en niet tot het hiernamaals uitgestrekt. Dit geschiedde pas in de laatste eeuwen vóór Christus en wel, naar het schijnt, voornamelijk in de sfeer van de innige vroomheid en Godsverbondenheid, die geleid hebben tot de aanname van een leven en zijn met God na de dood. Men kon aan deze gedachte echter geen uitdrukking geven zolang men geen voorstelling had van het blijvend bewust substraat dat aan gene zijde van het graf de identiteit van de aardse mens handhaafde. Wijs(heid) maakt hier gebruik van het griekse psuchè, ziel: de ziel is ook na de dood in Gods hand en ziet uit naar de opstanding (3,1-4). Dit late Bijbelboek is de kroongetuige van de doorbraak naar een latere eschatologie. Maar hier en in het NT zal niet het geluk van de ziel maar de opstanding toch steeds het toekomstperspectief beheersen” (kol.3.596). Vergeten we niet dat deze twee Katholieke getuigen toegeven dat onsterfelijkheid zou gebaseerd zijn op een Griekse gedachte die langs een apocrief boek (Wijsheid) ingang gevonden heeft in de leer van alle dag. Tevens, dat het gaat om een menselijk verlangen dat vorm kreeg door die Griekse gedachte als een theologisch begrip te hanteren. Dat is natuurlijk een zeer zwak verhaal. Wat heeft de gemeente Gods te maken met Grieken en hun filosofie? Waar is het begrip openbaring Gods in dit alles gebleven? Waren de profeten dan niet geïnspireerd. Of plukten ze hier en daar iets uit de hen omringende heidense gedachten? Het geestelijke aspect van de menselijke ziel Aan de mens als ziel worden zoveel geestelijke dingen toegeschreven zodat het onmogelijk is te stellen dat er geen enkel onderscheid is tussen de “menselijke” ziel en de “dierlijke” ziel. Dat is


LEVEN, Dood en opstanding_1999

11

trouwens de grote fout die o.a. Jehovah’s Getuigen en Adventisten maken. Deze scheppen een beeld van: alle zielen zijn gelijk, maar dat is niet zo en brengt alleen verwarring. De WT geeft in haar Bijbel van 1988 de volgende definitie van “ziel”: “Een levend wezen, hetzij mens of dier” p.1573. Maar “voor een beter begrip van het gebruik van het woord” heeft de WT toch een groepering van teksten onder acht verschillende kopjes op p.1573, 1574. Van “dierlijke” zielen worden o.a. de volgende dingen niet gezegd en kunnen ook niet gezegd worden. De appendix n°13 (onderdeel VI) in de Companion bible van Bullinger is in dit verband zeker aan te raden. Hij geeft 231 teksten in het OT die een mentale activiteit van de menselijke ziel benadrukken waarbij o.a.: Verlangen naar God en Zijn voorhoven: Ps.84:2,3. Dorsten naar God: Ps.107:9 / 42:2 / 63:1. Begeerte: Spr.13:2 / Ps.10:3. Goeddunken: Ps.105:22 / Ezech.16:27. Heeft wensen en een wil: Gen.23:8 / 1 Sam.20:4. Ze is droef of vreugdevol: 1 Sam.1:10 / Ps.86:4. Een ziel met liefde en haat: Gen.34:3,8 / Jes.1:14. Afkeer: Lev.26:15. Verdriet: Ps.119:28. Spreekt met God: Klaagl.3:24. God liefhebben: Deut.6:4 (vgl. Marc.12:30). Gehoorzamen aan God: Deut.10:12 (vgl. 1 Pet.1:22). Kan gekweld worden: Ezech.9:4 (vgl. 2 Pet.2:8). Bezorgd: Job 30:25 (vgl. Mat.6:25). Vrezen: Jer.32:39 / Hosea 3:5 (vgl. Hand.2:43). Zich geestelijk onderwerpen: Deut.10:12 (vgl. Rom.13:1). Hieruit volgt allereerst de nauwe relatie tussen God en de mens. De mens is naar Zijn beeld en gelijkenis geschapen (Gen.1:26,27 / Hand.17:28), dieren zijn dat niet. Maar gezien de zonde van de mens moet hij door Gods Geest toch nieuw gemaakt worden of opnieuw geboren worden (2 Cor.5:17 / Rom.8:19-23 / Joh.3:3-5). Toch zijn al deze gevoelens, menselijk en individueel, geen echt apart deel van de mens. Niet iets dat in dit of een ander lichaamsdeel zou huizen. Het is ook niet te scheiden van de mens. De schrijver G. Harder zegt: “Enerzijds vinden we nergens de gedachte van een gescheiden oordeel tussen het lichaam en de ziel. Want we vinden een beeld van de opstanding waar God zowel de ziel als het lichaam bij elkaar brengt om beiden te oordelen. Er is dus géén plaats voor het concept dat de ziel zetel is van onze denkbeelden, gedachten en morele overtuigingen, terwijl het lichaam zetel zou zijn van alle lusten” (‘The New International Dictionary of New Testament Theology’, volume 3, The Paternoster Press, 1978, p.682). Natuurlijk betwisten we de lijst niet van een dertigtal teksten die de WT publiceert in ‘Hulp tot begrip van de Bijbel’, deel 8, 1991, p.1710. Want ook de ziel heeft honger, dorst, kou, enz (...) dingen die met de gewaarwordingen van het lichaam te maken hebben. De mens is een tweeheid. In Bullinger Appendix 13/V zijn het er slechts 22 en hij noemt ze de “dierlijke activiteiten” van de mens. Een ander aspect is dat God en de mens samen een verbond hebben aangegaan. In dat verbond heeft de mens een plaats boven de andere aardse schepselen (Gen.1:28-31 / 2: 22-25 / 3:23). De mens is Gods beelddrager. Daarom staat er ook als aantekening in de Schrift dat toen God de mens


LEVEN, Dood en opstanding_1999

12

had geschapen “alles zeer goed” was (Gen.1:31). De andere scheppingsdagen staan aangegeven als “het was goed” (vb. Gen.1:25). De “ziel-mens” en de “ziel-dier” zijn dus niet zomaar met een gelijkteken te vergelijken. In een recent onderzoek naar de opvattingen van het Duitse volk over religie en levensvragen was één van de 97 vragen: “Alléén mensen hebben een ziel (dieren niet).” Slechts 24% onderschrijven dit, 76% zeggen neen of weten het niet. Dat geeft te kennen dat in de “wereld” van het religieuze dingen verschuiven naar andere, oosterse interpretaties dan christelijke. Zo zijn in de Hindufilosofie ook dieren heilig, en denk dan aan Gaïa en Whole earth bewegingen. Want ook de andere resultaten wijzen hierop. Op de vraag: “God is heilig” antwoorden 48% van de gewone mensen ja en 78% van de predikanten ja. Maar op de vraag : “De Bijbel is heilig” zijn de antwoorden resp. 25% en 36%. Zie K.P. Jörns, ‘Die Neue Gesichter Göttes’, Verlag C.H. Beck, 1997. Dit is verontrustend want het gaat slechts om de antwoorden van de 38% van wie in een persoonlijke God geloven. Het onderzoek wees uit dat 27% atheïst was, 20% weten het niet zeker of ze geloven of niet en 15% geloven in een vorm van transcendente esoterie. We willen alleen maar zeggen dat de mens in ons westers wereldbeeld het etiket “christelijk” grotendeels verloren heeft. Ook bij Jehovah’s Getuigen komen we een oppervlakkige visie tegen over mens en dier. Uit volgend citaat blijkt dat voor hen de mens slechts een dier is dat complexer in elkaar zit. “Hij werd geschapen met morele eigenschappen zoals ook God die bezit, terwijl hij de dieren in macht en wijsheid ver overtrof; daarom kon hij alle lagere vormen van dierlijk leven in onderworpenheid hebben (...) Het menselijk organisme was complexer en ook veelzijdiger gevormd dan dat van de dieren.” Uit ‘Hulp tot begrip van de Bijbel’, deel 8, 1991, p.1709. Ze moeten zich dringend bevragen over de relatie tussen een mensen-lichaam en zijn door God geschonken geest. Wanneer er geen verschil is tussen de geest die God in een dier gelegd heeft en wat Hij in de mens gelegd heeft dan is de mens slechts een speciaal dier. En dat zullen ze niet willen aanvaarden. En zodus is de opmerking die ze maken verkeerd. Zie hierover verder bij onze aantekeningen over de geest. En we maken het wellicht nog moeilijker wanneer we zeggen dat zelfs aan God een ziel toegeschreven wordt (21 maal volgens A.R. Johnson). vb.”Toen werd zijn ziel ongeduldig vanwege Israëls ellende” (Richt.10:16 / vgl. Heb.10:38). ”De Here der heerscharen heeft gezworen bij zijn eigen ziel” (Jer.51:14 / Amos 6:8). ”Mijn uitverkorene in wien mijn ziel een welbehagen heeft” (Jes.42:1 / vgl. aanhaling in het NT Mat.12:18). God heeft toch nergens in de Schrift “een lichaam”, hoewel Hij beschreven wordt met tientallen menselijke antropomorfismen. Een prachtig boek hierover is de doctorale scriptie van H. Kuitert, ‘De mensvormigheid Gods’, J.H. Kok, 1962. Toen was H. Kuitert nog geloofwaardig! Gebruik van het begrip “ziel” 1) Voor dieren. Tweeëntwintig maal in OT, o.a. Gen.1:21, 24 / 2:19 / 9:10,12. Slechts tweemaal in NT Opb.8:9 / 16:3. 2) Voor dieren en mensen samen. Slechts 7 teksten in het OT Gen.9:15,16 / Lev.17:11,14 / Drie maal in Num.31:28. 3) Voor mensen in relatie tot andere mensen.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

13

Soms ook vertaald als persoon, personen, man, mannen enz (...) Men moet er dan wel meer dan één vertaling op naslaan. O.a. Gen.14:21 / 36:6 / Ex.16:16 / Num.31:35 / Deut.10:22 / 24:7. 4) De lichamelijke begeerten of lusten van de mens. O.a. Num.11:6 / Deut.14:26 / 23:24 / Ps.27:12 / 41:3 / Opb.18:14. 5) Ziel als geestelijke aangelegenheden in de mens. O.a. Gen.34:3,8 / 49:6 / Ex.15:9 / Lev.16:29,31 / Luc.1:46 / 2:35 / Hand. 14:2,22 / 15:24. Soms synoniem met geest, zie onderverdeling 11 in de tabel over de geest. (Zie verder). 6) In vele teksten is de ziel = het organische geheel. O.a. Mat.10:39 / Marc.3:4 / Luc. 12:23 / Joh. 10:11. 7) Synechdochaal (voorstelling van een deel in plaats van het geheel) (zie meer dan één vertaling). Mijn ziel = Ik Ps.131:2 / Spr.14:10 / Mat.26:38 / Heb.10:38 Gods ziel = God Jer.51:14 / Amos 6:8. Uw zielen = uzelf 2 Cor.12:15. Mijn ziel = Mijn leven Job 33:18,22,28. Dus gewoon vervangbaar met een voornaamwoord. In wel 50% van alle teksten waar “ziel” gebruikt wordt is het gewoon vervangbaar door “leven” zonder enig verlies in de betekenis. De slotsom is dat de beide woorden voor “ziel”, in het Hebreeuws en het Grieks, niet altijd dezelfde betekenis hebben. De Bijbelvertaler(s) moeten dus voor zichzelf uitmaken of men voor één woord kiest of een reeks van vertaalwoorden. De lezer moet er dan echter voor oppassen geen appels met appels-ienen te vergelijken, fout van Jehovah’s Getuigen, van Adventisten, van de Concordant Version, van Ambassador College (Armstrong) en tientallen kleinere, vooral Amerikaanse, kerkjes en sekten. Want het is moeilijker dan men in die kringen laat doorschemeren. F. Hesse concludeert zijn artikel (ziel) in het ‘Bijbels Historisch Woordenboek’ als volgt: “Derhalve: ziel is de door God als schepper aan het levende wezen geschonken levenskracht, die alleen in verbinding met het lichaam kan bestaan en met de dood wordt teruggenomen. Hieruit blijkt hoe problematisch onze vertaling ‘ziel’ voor het Heb. woord is” (B. Reicke en L. Rost edit., deel 6, Het Spectrum, 1970, p.137). Een Adventist (D.F.N.) zegt: “Hoewel, gezien het gebruik van (psuche) in de Griekse filosofische gedachte, heeft het Grieks begrip psuche wellicht andere betekenissen (...) (dan de Bijbelse). De vraag is: hebben de Bijbelschrijvers deze andere betekenissen voor psuche gebruikt? Onze studie leidt er ons ertoe te zeggen dat dit niet het geval is. Maar er zijn wel enkele plaatsen waar de schrijvers toch een bredere betekenis van het woord geven” (Revieu and Herald, July 10, 1975 p.11 [759]). Dat is een oprechte opmerking. Maar we moeten daar tegenover zetten dat bijvoorbeeld het standpunt van de Concordant-Bijbel vooropgestelde conclusies persé in zijn vertaling wil laten doorschemeren. Ze zeggen: “De Concordant weergave geeft consequent altijd de vertaling ‘levende ziel’ omdat het onze gelijkenis aantoont met de lagere dieren en geen tegenstelling”, zie ‘In a beginning-Genesis’, Concordant Publishing Concern, zj, p.37. Maar de mens is meer dan de dieren en dat mag men niet wegmoffelen onder het mom van “dit komt het verstaan van de schriften ten goede.” Voordelen hebben letterlijke vertalingen soms wel, maar niet altijd. En wie letterlijke weergave wil zal dan geen genoegen mogen nemen met slechts de NWV of een Concordant version. Dan moet men er ook nog de andere letterlijke vertalingen op naslaan van Darby, Rotherham, Spurrell en Young en daarbij zetten we ze niet in voorkeursorde maar alfabetisch. Voor het Nederlands alleen de vertaling van Voorhoeve-Darby.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

14

In de praktijk klasseren Jehovah’s Getuigen het begrip “ziel” wel in onderdelen. Voor hun aangehaalde Bijbelvertaling zijn op p.1574 “nefesh” en “psuche” beschreven onder acht rubrieken. De ‘Kingdom Interlinear Translation’ (bevat alléén het NT) van 1969 uitgegeven door de WT, heeft vijf rubrieken maar in de versie van 1985 worden het er dan zeven. En van de Adventkerk mag gezegd worden dat ze niet de bekrompenheid aan de dag leggen van de anderen. Zo is volgens hun ‘Questions’ p.512-514 de vertaling van “nefesh” en “psuche” door meerdere woorden zelf wenselijk voor het verstaan ervan. Toch vallen ook zij te gemakkelijk voor vergelijking van wat onvergelijkbaar is: mens met dier. De Adventkerk doet dit in de aangehaalde bladzijden. De WT in ‘Inzicht in de Schrift’, deel 1, 1995, onder het artikel “dieren.” Hun definitie van dieren is daar als volgt (p.502): “Levende zielen die geen mensen zijn.” Er is in gans de Schrift slechts één tekst die een “ziel” toeschrijft aan een boom. Daar zou een verkeerde lezing van de oorspronkelijke tekst kunnen zijn ingeslopen of men moet de tekst symbolisch uitleggen. Het gaat dan om Jes.10:18. Dus: de ene ziel is de andere niet Appendix 1 = ZIEL International Standard Bible Encyclopedia Op bible-history.com - ISBE; 1915. SOUL sol (nephesh; psuche; Latin anima): 1. Shades of Meaning in the Old Testament: (1) Soul, like spirit, has various shades of meaning in the Old Testament, which may be summarized as follows: "Soul," "living being," "life," "self," "person," "desire," "appetite," "emotion" and "passion" (BDB under the word). In the first instance it meant that which breathes, and as such is distinguished from basar, "flesh" (Isa 10:18; Dt 12:23); from she'er, "the inner flesh," next the bones (Prov 11:17, "his own flesh"); from beTen, "belly" (Ps 31:10, "My soul and my belly are consumed with grief"), etc. (2) As the life-breath, it departs at death (Gen 35:18; Jer 15:2). Hence, the desire among Old Testament saints to be delivered from Sheol (Ps 16:10, "Thou wilt not leave my soul to Sheol") and from shachath, "the pit" (Job 33:18, "He keepeth back his soul from the pit"; Isa 38:17, "Thou hast .... delivered it (my soul) from the pit of corruption"). (3) By an easy transition the word comes to stand for the individual, personal life, the person, with two distinct shades of meaning which might best be indicated by the Latin anima and animus. As anima, "soul," the life inherent in the body, the animating principle in the blood is denoted (compare Dt 12:23,24, `Only be sure that thou eat not the blood: for the blood is the soul; and thou shalt not eat the soul with the flesh'). As animus, "mind," the center of our mental activities and passivities is indicated. Thus we read of `a hungry soul' (Ps 107:9), `a weary soul' (Jer 31:25), `a loathing soul' (Lev 26:11), `a thirsty soul' (Ps 42:2), `a grieved soul' (Job 30:25), `a loving soul' (Song 1:7), and many kindred expressions. Cremer has characterized this use of the word in a sentence: "Nephesh (soul) in man is the subject of personal life, whereof pneuma or ruach (spirit) is the principle" (Lexicon, under the word, 795). (4) This individuality of man, however, may be denoted by pneuma as well, but with a distinction. Nephesh or "soul" can only denote the individual life with a material organization or body. Pneuma or "spirit" is not so restricted. Scripture speaks of "spirits of just men made perfect" (Heb 12:23), where there can be no thought of a material or physical or corporeal organization. They are "spiritual beings freed from the assaults and defilements of the flesh" (Delitzsch, in the place


LEVEN, Dood en opstanding_1999

15

cited.). For an exceptional use of psuche in the same sense see Rev 6:9; 20:4, and (irrespective of the meaning of Ps 16:10) Acts 2:27. 2. New Testament Distinctions: (1) In the New Testament psuche appears under more or less similar conditions as in the Old Testament. The contrast here is as carefully maintained as there. It is used where pneuma would be out of place; and yet it seems at times to be employed where pneuma might have been substituted. Thus in Jn 19:30 we read: "Jesus gave up his pneuma" to the Father, and, in the same Gospel (Jn 10:15), Jesus gave up His "psuche for the sheep," and in Mt 20:28 He gave His psuche (not His pneuma) as a ransom--a difference which is characteristic. For the pneuma stands in quite a different relation to God from the psuche. The "spirit" (pneuma) is the outbreathing of God into the creature, the life-principle derived from God. The "sour" (psuche) is man's individual possession, that which distinguishes one man from another and from inanimate nature. The pneuma of Christ was surrendered to the Father in death; His psuche was surrendered, His individual life was given "a ransom for many." His life "was given for the sheep" (2) This explains those expressions in the New Testament which bear on the salvation of the soul and its preservation in the regions of the dead. "Thou wilt not leave my soul unto Hades" (the world of shades) (Acts 2:27); "Tribulation and anguish, upon every soul of man that worketh evil" (Rom 2:9); "We are .... of them that have faith unto the saving of the soul" (Heb 10:39); "Receive ..... the implanted word, which is able to save your souls" (Jas 1:21). The same or similar expressions may be met with in the Old Testament in reference to the soul. Thus in Ps 49:8, the King James Version "The redemption of their soul is precious" and again: "God will redeem my soul from the power of Sheol" (Ps 49:15). Perhaps this may explain--at least this is Wendt's explanation--why even a corpse is called nephesh or soul in the Old Testament, because, in the region of the dead, the individuality is retained and, in a measure, separated from God (compare Hag 2:13; Lev 21:11). 3. Oehler on Soul and Spirit: The distinction between psuche and pneuma, or nephesh and ruach, to which reference has been made, may best be described in the words of Oehler (Old Testament Theology, I, 217): "Man is not spirit, but has it: he is soul. .... In the soul, which sprang from the spirit, and exists continually through it, lies the individuality--in the case of man, his personality, his self, his ego." He draws attention to the words of Elihu in Job (33:4): `God's spirit made me,' the soul called into being; `and the breath of the Almighty animates me,' the soul kept in energy and strength, in continued existence, by the Almighty, into whose hands the inbreathed spirit is surrendered, when the soul departs or is taken from us (1 Ki 19:4). Hence, according to Oehler the phrases naphshi ("my soul"), naphshekha ("thy soul") may be rendered in Latin egomet, tu ipse; but not ruchi ("my spirit"), ruchakha ("thy spirit")--soul standing for the whole person, as in Gen 12:5; 17:14; Ezek 18:4, etc. See PSYCHOLOGY. J. I. Marais Orr, James, M.A., D.D. General Editor. "Definition for 'SOUL'". "International Standard Bible Encyclopedia". bible-history.com - ISBE; 1915. Copyright Information Š International Standard Bible Encyclopedia (ISBE //////////////////////////// Vine's Expository Dictionary of New Testament Words Op http://www.mf.no/bibel/vines.html Topic: Soul


LEVEN, Dood en opstanding_1999

16

<1,,5590,psuche> denotes "the breath, the breath of life," then "the soul," in its various meanings. The NT uses "may be analyzed approximately as follows: (a) the natural life of the body, Matt. 2:20; Luke 12:22; Acts 20:10; Rev. 8:9; 12:11; cp. Lev. 17:11; 2 Sam. 14:7; Esth. 8:11; (b) the immaterial, invisible part of man, Matt. 10:28; Acts 2:27; cp. 1 Kings 17:21; (c) the disembodied (or "unclothed" or "naked," 2 Cor. 5:3,4) man, Rev. 6:9; (d) the seat of personality, Luke 9:24, explained as == "own self," Luke 9:25; Heb. 6:19; 10:39; cp. Isa. 53:10 with 1 Tim. 2:6; (e) the seat of the sentient element in man, that by which he perceives, reflects, feels, desires, Matt. 11:29; Luke 1:46; 2:35; Acts 14:2,22; cp. Ps. 84:2; 139:14; Isa. 26:9; (f) the seat of will and purpose, Matt. 22:37; Acts 4:32; Eph. 6:6; Phil. 1:27; Heb. 12:3; cp. Num. 21:4; Deut. 11:13; (g) the seat of appetite, Rev. 18:14; cp. Ps. 107:9; Prov. 6:30; Isa. 5:14 ("desire"); 29:8; (h) persons, individuals, Acts 2:41,43; Rom. 2:9; Jas. 5:20; 1 Pet. 3:20; 2 Pet. 2:14; cp. Gen. 12:5; 14:21 ("persons"); Lev. 4:2 ('any one'); Ezek. 27:13; of dead bodies, Num. 6:6, lit., "dead soul;" and of animals, Lev. 24:18, lit., "soul for soul;" (i) the equivalent of the personal pronoun, used for emphasis and effect:, 1st person, John 10:24 ("us"); Heb. 10:38; cp. Gen. 12:13; Num. 23:10; Jud. 16:30; Ps. 120:2 ("me"); 2nd person, 2 Cor. 12:15; Heb. 13:17; Jas. 1:21; 1 Pet. 1:9; 2:25; cp. Lev. 17:11; 26:15; 1 Sam. 1:26; 3rd person, 1 Pet. 4:19; 2 Pet. 2:8; cp. Exod. 30:12; Job 32:2, Heb. "soul," Sept. "self;" (j) an animate creature, human or other, 1 Cor. 15:45; Rev. 16:3; cp. Gen. 1:24; 2:7,19; (k) "the inward man," the seat of the new life, Luke 21:19 (cp. Matt. 10:39); 1 Pet. 2:11; 3 John 1:2. "With (j) compare a-psuchos, "soulless, inanimate," 1 Cor. 14:7. "With (f) compare di-psuchos, "two-souled," Jas. 1:8; 4:8; oligo-psuchos, "feeble-souled," 1 Thess. 5:14; iso-psuchos, "like-souled," Phil. 2:20; sum-psuchos, "joint-souled" (with one accord"), Phil. 2:2. "The language of Heb. 4:12 suggests the extreme difficulty of distinguishing between the soul and the spirit, alike in their nature and in their activities. Generally speaking the spirit is the higher, the soul the lower element. The spirit may be recognized as the life principle bestowed on man by God, the soul as the resulting life constituted in the individual, the body being the material organism animated by soul and spirit. ... "Body and soul are the constituents of the man according to Matt. 6:25; 10:28; Luke 12:20; Acts 20:10; body and spirit according to Luke 8:55; 1 Cor. 5:3; 7:34; Jas. 2:26. In Matt. 26:38 the emotions are associated with the soul, in John 13:21 with the spirit; cp. also Ps. 42:11 with 1 Kings 21:5. In Ps. 35:9 the soul rejoices in God, in Luke 1:47 the spirit. "Apparently, then, the relationships may be thus summed up 'Soma, body, and pneuma, spirit, may be separated, pneuma and psuche, soul, can only be distinguished' (Cremer)."* [* From notes on Thessalonians, by Hogg and Vine, pp. 205-207.]


LEVEN, Dood en opstanding_1999

17

1:2 Over Geesten Enkele definities volgens het Wachttorengenootschap In ‘Inzicht in de Schrift’, deel 1, 1995, p.756-758 omschrijven Jehovah’s Getuigen enkele begrippen die iets met de geest en de levensadem van mens en dier te maken hebben. We citeren (ingekort): “Nesja-mah’ wordt in feite in de betekenis van ‘iets wat adem heeft’ (of ademend schepsel) en derhalve als vrijwel synoniem met ne’fesj, “ziel” gebruikt (...) Uit andere teksten blijkt echter dat er meer bij betrokken was dan louter het vullen van de longen en het daaropvolgende uitdrijven van de lucht (...) De Hebreeuwse geschriften,.. gebruiken het woord roe’ach klaarblijkelijk voor deze levenskracht, die het levensbeginsel op zich is, en het woord nesja-mah’ voor de ademhaling waardoor deze levenskracht in stand wordt gehouden (...) Hoewel (...) soms in een parallelle betekenis (...) zijn ze niet identiek (...) Deze levenskracht wordt door de ouders bij de verwekking van kinderen op hun nakomelingen overgedragen. Aangezien deze levenskracht oorspronkelijk van Jehovah afkomstig is (...) kan ieder mens terecht zijn leven aan Hem toeschrijven (...) Men zou deze “geest” of levenskracht kunnen vergelijken met een andere onzichtbare kracht, elektriciteit, die gebruikt kan worden om allerlei apparaten te laten functioneren: Ze bewerkt dat een kachel warmte en een ventilator wind produceert, dat een computer problemen oplost, dat een televisietoestel beelden, stemgeluiden en andere klanken voortbrengt. Toch neemt de electrische stroom nooit de karakteristieke eigenschappen aan van de apparaten waarin hij functioneert of werkzaam is (...) De geest of levenskracht die in de lichaamscellen van de mens werkzaam zijn, behoudt geen van de karakteristieke eigenschappen van deze cellen, zoals de hersencellen en de rol die ze bij het denkproces spelen (...) De persoonlijkheid van de afgestorven persoon blijft dus niet behouden in de levenskracht of geest wanneer deze ophoudt in de lichaamscellen van de gestorvene werkzaam te zijn (...) “Aan uw hand vertrouw ik mijn geest toe”, betekenen dat God werd aangeroepen om over de betrokken persoon te waken of er zorg voor te dragen (...) zonder dat er een letterlijke overbrenging van de hemel naar de aarde plaatsvond.” Het lange citaat willen we opnemen in onze gedachten zodat we enkele van de zwakke plekken in deze redeneringen kunnen aanwijzen. De Adventkerk is niet zo kwistig met definities maar in het grote beeld zal dit overeenkomen met wat de WT zegt. Zie ‘Questions’ p.515-519, 521, 522, en waar nodig de ‘Seventh Day Adventist Bible Commentary’ (1953-1957) die we om alles niet ingewikkelder te maken zelf niet citeren. Drie studies van de Adventtheoloog J. Zurcher in de Andrews University Seminary Studies laten u nog met wat vragen zitten. Zie A.U.S.S. jaargangen 1964 tot 1966 en de indexen aldaar. Is de levensgeest in de mens onsterfelijk? Er zijn Rooms Katholieke en Protestantse theologen die beweren dat de “nesjhamàt chajja” (“levensgeest”) die de mens bij zijn schepping kreeg “onsterfelijk” zou zijn (zie Gen 2:7). Maar dit is niet zo. In verband met dit begrip wordt de term “onsterfelijk” nooit gebruikt. Ook bij het Griekse equivalent, hetwelk 2 maal in het NT gebruikt wordt, vinden we het begrip onsterfelijk niet (Hand.2:2 / 17:25). Het Griekse “blazen” (pneo) is zevenmaal gebruikt in het NT, maar staat daar niet in betrekking tot de mens, het gaat altijd over letterlijke wind. Zie Mat.7:25,27 / Luc.12:55 / Joh.3:8 / 6:18 / Hand.27:40 / Opb.7:1.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

18

De mens is niet het enige schepsel met een levensgeest of levensadem. Ook de dieren bezitten dit. Bijvoorbeeld in Gen.7:15 wordt over dieren gezegd: “zij kwamen dan tot Noach in de ark twee aan twee, van al wat leeft, waarin een levensgeest is.” Verder wordt er in vers 22 gezegd: “Alles, in welks neus de adem van de levensgeest was, alles wat op het droge was, stierf.” En dit wijst zowel op de mensen als de dieren die in de vloed gestorven zijn. Daarom was Gods voorspelling aan de tijdgenoten van Noach: “Mijn Geest zal niet altoos in de mens blijven nu zij zich misgaan hebben” (Gen.6:3). In het scheppingsverslag vinden we echter geen melding dat God aan dieren “de levensadem” geeft. We moeten dat uit andere teksten opmaken. Dat de levensgeest van een mens en een dier identiek zouden zijn kunnen we ook niet beweren. We hebben geen teksten die dat onderbouwen. We mogen niet zeggen dat deze van mens en dier gelijk zijn. Men mag niet zomaar een vergelijk maken; de levensadem van een redeloos dier = de levensadem van een redelijk mens. Dat vereenzelvigen is een onwaardige theologie die de mens niet ziet zoals de Schrift hem ziet. Want alleen de mens is naar Gods beeld geschapen en dieren niet. En dat is de grote fout die de Wachttoren, Adventisten en anderen in dit verband maken. Andere onschriftuurlijke verklaringen over het ontstaan van de geest duiken op bij de Mormonen. Zo leren ze dat zowel mensen als dieren als planten, vóórdat ze op aarde geleefd hebben, al een vóórbestaan gehad hebben in de geestelijke hemelen. Mens en dier en plant, op aarde is dus de incarnatie van een vroegere geest. We citeren Talmage p.487, 488: “Geestelijke scheppingen Het voorbestaan is geen toestand die uitsluitend voor menselijke zielen kenmerkend is, doch al wat op aarde leeft heeft een geestelijk bestaan, waarvan de stoffelijke vorm slechts het evenbeeld is (...) ‘En alle struik des velds, eer hij op de aarde was, en al het kruid des velds, eer het uitsproot; want Ik de Heere God, heb alle dingen, waarvan Ik heb gesproken, geestelijk geschapen, eer zij in hun natuurlijken staat op den aardbodem waren’.” Het slot van dit citaat is een aanhaling uit één van de “heilige boeken” van de Mormonen; ‘De parel van grote waarde’. Het is duidelijk dat volgens de Bijbel zowel dier als mens van God een levensgeest heeft ontvangen. Wanneer we redeneren dat de levensgeest van de mens zijn onzichtbare “ziel” is, moeten we dan ook van de dieren niet zeggen dat dit hun “onzichtbare ziel” is? Het antwoord daarop is neen! Maar dat vraagt toch enige uitleg. Daarom denken wij is G. Van Niftrik zo kritisch in zijn ‘Kleine Dogmatiek’: “De leer van de onsterfelijke ziel miskent de creatuurlijkheid van de mens. Hier heerst de waan der mystiek, dat de mens in continuïteit staat, ja aan God verwant is. Hier krijgt de ziel een eigenschap, die alleen God toekomt nl. de onsterfelijkheid (1 Tim.6:16) (...) Deze leer ontkent ook de radicaliteit van de dood” (5de druk, Callenbach, 1961, p.403). Of P. Van Leeuwen: “Wij vinden in de Bijbel geen enkele speculatie over het verband tussen de levensadem en het wezen Gods, over een goddelijke inwoning (...) dat hij een stoffelijk maar dank zij de levensadem, een levend wezen is, een nefesj chaja” ‘Het christelijk onsterfelijkheidsgeloof’, p.158. Een moeilijke uitdrukking in de Schrift is “de God der geesten van alle levende schepselen” (Num.16:22 / 27:16). Zeer waarschijnlijk zijn dieren hier niet inbegrepen dan slechts engelen en mensen (vergelijk Ps.33:6 en Heb.12: 22,23). Daarom kan Job zeggen: “Leven en genade hebt gij mij geschonken, en uw zorg heeft mijn geest bewaakt” (Job 10:12). God is deze: “in wiens hand de ziel is van al wat leeft en de geest van ieder sterveling” (Job 12:10). Deze teksten spreken over alle mensen. Dat Jehovah’s Getuigen beweren dat deze levenskracht door de mensen zelf wordt doorgegeven “bij de verwekking van kinderen” stoelt op een vooropgezette theorie van de WT. Voor die leer zijn geen schriftuurplaatsen te vinden en in het aangehaalde artikel worden er ook geen opgegeven omdat ze onbestaande zijn.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

19

Vergeleken bij “geest” (zie verder) is “levensadem” géén belangrijk woord in het OT. Het laatste vinden we slechts 25 maal. Zo heeft God zelf géén levensgeest, die Hem levend houdt. Er is geen enkele tekst zowel in OT als NT die hierover spreekt. God is “het leven” zelf. God heeft wel geest (ruach) en is zelf Geest (Ps.143:10 / Joh.4:24). De “neshàmàh” die van God uitgaat is ook niet altijd scheppend, enkele malen zelfs vernietigend (Job 4:9 / 37:10 / Ps.18:16). Zo ook kreeg het Joodse volk opdracht bij de verovering van het beloofde land, alles te doden waarin een “levensadem” was, zowel mens als dier (Deut.20:16 / Jos.10:40 / 11:14). Een mensenleven is te vergelijken bij “een ademtocht” (Ps.39:6,14). Ademen is het teken dat er nog leven in iemand is, denk aan de eerste lessen in de EHBO- cursus. En sommigen zoeken in 2 Kon.4:32-35 de eerste mondop-mond beademing, maar dat is natuurlijk een vergezochte uitleg. Tot slot en als inleiding tot het volgende een citaat uit, ‘Encyclopedie van het Oude en Nieuwe testament’, deel 1, red. S. Dee en J. Schoneveld, Bosch & Keuning, zj, p.202: “Het Hebr. woord voor geest, roeach, is hetzelfde als dat voor adem en wind, het wisselt ook wel met een ander woord, nesjama, af, Job.33:4. Dit wijst er op dat geest met adem en wind overeenkomst vertoont. Zoals beide adem en wind, onzichtbaar, onstoffelijk en in beweging zijn, zo ook de geest. De adem is verder het teken en beginsel van leven, van de geest kan hetzelfde gezegd. En de wind doet zich kennen als een onberekenbare, Pred.1:6, onbedwingbaar, Pred.27:16;30:4, en onweerstaanbare kracht Job 21:18;27:21, nu eens verderf, Gen.18:45, ook dat geldt weer van de geest, althans van de Geest van God. Wat de wind is in de natuurlijke, dat is de geest in de stoffelijke wereld, beide zijn als de adem van God.” Alle teksten met “nesjàmàh” zie: Gen.2:7 / 7:22 / Deut. 20:16 / Jos.10:40 / 11:11,14 / 2 Sam.22:16 : 1 Kon.15:29 / 17:17 / Job 4:9 / 26:4 / 27:3 / 33:4 / 34:14 / 37:10 / Ps.18:16 (vers 15 in NWV) / 150:6 / Spr.20:27 / Jes.2:22 / 30:33 / 42:5 / 57:16 / Dan.5:23 / 10:17. De NBG gebruikt in vertaling drie begrippen voor dit ene woord: “levensadem”, “levensgeest” en iets “wat adem heeft.” De geest Gods in mensen en dieren De levensgeest van mensen en dieren wordt in de Schrift meestal “geest” genoemd. Het Hebreeuwse woord hiervoor is “ruach” en wordt 389 maal gebruikt. In feite 378 maal in het Hebreeuws en 11 maal in het Aramees. Een honderdtal van deze teksten worden als adem of wind of een synoniem ervan vertaald (zie o.a. Gen.3:8 / 8:1 / Ex.10:13,19 / 14:21 / Ps.1:4 / 11:6). Dat is de grondbetekenis van het woord maar in die zin niet zoveel meer gebruikt. De bewering van sommigen dat een woord altijd op dezelfde wijze zou moeten vertaald worden (Jehovah’s Getuigen en de Concordant Version) maken het probleem in dit geval groter dan iets op te lossen. Een woord hoeft toch niet altijd dezelfde betekenis te hebben in welke taal dan ook. Daarom heeft de King James Version “ruach” met 23 woorden vertaald in de Engelse overzetting. De NWV heeft in dit geval niet haar regel gevolgd van het woord-voor-woord vertalen. Ruach is in die Bijbelvertaling o.a. als; “werkzame kracht” (Gen.1:2), “winderige” (Gen.3:8), “wind” (Gen. 8:1) of “geest” (Ezech.37:14) weergegeven. Ook in het NT doen ze dat niet op een uniforme manier. En we geven daarbij enkele voorbeelden. Mat.5:3 NWV heeft als tekst “bewust van geestelijke nood” en in voetnota “die bedelaars om de geest zijn.” Joh.3:5 NWV heeft als tekst “en geest” maar in voetnota “en de werkzame kracht.” 1 Cor.14:37 NWV heeft als tekst “met de geest begiftigd” maar in voetnota “Lett.’een geestelijk mens.” En nog groter verschil in Col.1:8 NWV; in de tekst “in geestelijk opzicht” maar als voetnota “Lett. in geest.” Zo ook in 2 Tes.2:2 NWV, “door middel van een geïnspireerde uiting” in de tekst maar als voetnota “door middel van een geest.” Zomaar, zondermeer is het woord “ziel-psuche” door één woord vertaald maar “geest-pneuma” door een


LEVEN, Dood en opstanding_1999

20

tiental begrippen. Begrijpt u de logica? Wij niet? Zie ook de opmerkingen van Jehovah’ Getuigen dat “ziel en geest verschillend zijn” en dat ruach en pneuma behalve levenskracht “ook andere betekenissen hebben”, in ‘Hulp tot begrip van de Bijbel’, deel 8, 1991, p.1711. Wanneer we de literatuur van de WT verder onderzoeken komen we ook dat onderscheid in “geest” tegen. In ‘Vergewist u van alles’, uitgave 1958, p.132 e.v. worden 7 soorten “geest” beschreven. En de redeneringen van de WT zijn soms moeilijk te vatten? Zo geven ze toe dat het Griekse “mysterion” in hun Bijbel 25 keer vertaald is met “heilig geheim” en 3 keer met “mysterie” (‘DE WACHTTOREN’ van 1 juni 1997 p.12, 13). Hoe rijmt het met hun stelling om één woord door een ander woord te vertalen? Want ze schrijven in het voorwoord van hun Bijbel (uit 1988): “Er is uniformiteit in de weergave bereikt door aan ieder belangrijk woord één betekenis toe te kennen en voor zover de context het toelaat aan die betekenis vast te houden” (p.7). Wanneer we hun redenering volgen zijn bijvoorbeeld “psuche” en “parousia” als begrippen “belangrijk.” “Parousia” = “tegenwoordigheid” in de NWV, is veel beter vertaald als “komst.” Maar “psuche” altijd als “geest” is dat dan weer niet. Gaat het om uitlegkunde van de Schrift (want dat is vertalen altijd) of gaat het om inlegkunde van een vooropgestelde overtuiging? Zou dit ook niet in omgekeerde zin verwarrend kunnen zijn, dat door op die wijze te vertalen men van elke Bijbellezer vraagt ook nog specialist te zijn in de grondtalen. Zich binden aan één woord-voor-woordvertaling is onrecht doen aan de Schrift, gezien woorden soms meer dan één betekenis kunnen hebben. Een afgescheurde groepering van de WT, sinds 1919, Le Mouvement Intérieur Laïque (oorspronkelijk alleen in de U.S.A.) geeft negen betekenissen van “geest.” Zie hun brochure ‘La vie, La mort, L’au delà’, zj, p.186. En zoals de “moederkerk” hebben ze ook geen verwijzing naar de Heilige Geest als persoon. In Bullinger zijn er voor het NT 14 betekenissen van “geest.” In het NT vinden we pneuma-geest in al zijn aspecten 385 (of 379 volgens een andere telling) maal terug. En de betekenissen die er aan verbonden zijn vinden we ook terug in het OT. Alleen ligt in het NT vooral nadruk op de Heilige Geest, als persoon of als kracht. Zo staan er in het boek Handelingen 69 verwijzingen naar het begrip geest, daarvan slaan 60 op Gods Geest als persoon of als kracht. De grondbetekenis van pneuma als wind is in het NT bijna geheel verdwenen. Er is eenmaal een citaat dat mogelijks als wind te vertalen is: 2 Thes.2:8 vergeleken bij Job 4:9 of Jes.11:4, een vernietigende wind/adem. En de andere tekst is Joh.3:8 waar Gods Geest als met een wind vergeleken wordt, een scheppende Geest in het tegenbeeld. In negen à elf teksten is geest het levensbeginsel in de mens (vergelijk Gen.2:7): Mat.27:50 / Luc.8:55 / 23:46 / Joh.19:30 / Hand.7:59 / 2 Cor.3:6(?) / Jac.2:26 / 4:5(?) / Opb.11:11 / 13:15 / 19:10. (Bullinger heeft er nog vier méér). In ongeveer dertig teksten is de geest = de nieuwe geest in de gelovige, door God gegeven, eigenlijk een nieuw (vernieuwd) leven dat in de gelovige is ingelegd. Zo o.a. in 1 Cor.5:5 / 6:17,20 / Gal.3:3 / 6:18 / 2 Tim.4:22. In verband met dier of mens is de ruach of geest nooit onsterfelijk genoemd, wel de “sterfelijkheid” (tijdelijke inactiviteit zou beter zijn als beschrijving) is duidelijk van wie hem bezit (Gen.7:22 / Job 4:9 / Job 12:10 / Ps.33:6 / Ps.104:29). Zie verder ons commentaar op Pred. 12:7. En geest = levensadem in Job.27:3 / 33:4 / Jes. 42:5 / Jes.57:16. Maar dan ook weer niet gelijk in alle opzichten volgens Job.34:14, want God neemt zowel “de geest” als (en/of?) “de levensadem” van een mens terug tot zich. Dit is wel een unieke tekst op dit punt. Heb.9:14 spreekt over de “eeuwigen Geest” met betrekking tot Christus en dat is de enige uitspraak van “geest” en “eeuwig” samen in een tekst. In het OT heeft God een geest (Ps.33:6) en zo ook de Messias (Jes.11:4). Afgoden hebben géén geest (Jer.10:14). Wanneer de Hebreeuwse tekst driemaal “ruach” gebruikt in verband met afgoden (gegoten beelden) dan is de grondbetekenis van het woord gebruikt. Afgoden zijn “wind” en “nietigheid” (Jer.10:14 / 51:17 / Hab.2:19). Ongeveer 140 keer staat ruach in verband met God (136 maal volgens een telling van H.W. Wolff).


LEVEN, Dood en opstanding_1999

21

De Geest Gods verschillend in mens en dier Dezen die in onsterfelijkheid geloven - van de ziel of van de geest - trachten dit te ondersteunen door de schriftuurplaats aan te halen van Pred.12:7 (O.B.) “Het stof keert weder tot de aarde gelijk het voorheen was, en de geest tot God, die hem gaf.” Maar dit is géén bewijs voor de onsterfelijkheid van de mens. Er wordt ongeveer hetzelfde gezegd over de dieren in Ps.104:29 waar staat volgens de Septuaginta: “Maar wanneer ge uw aangezicht hebt afgekeerd, worden zij verstoord; gij neemt hun adem terug, ze schieten tekort, ze keren terug tot het stof, Gij zendt uw geest uit en zij worden geschapen en gij vernieuwt het aanschijn der aarde.” Het Hebreeuws geeft waar de Septuaginta “adem” zegt soms het begrip “ruach”, maar dat ziet men wel meer. Zo geeft de NBG in Pred. 3:21 “adem” waar eigenlijk “ruach” staat en ook hier. De NWV heeft: “neemt gij hun geest weg” en dat is letterlijk. Wanneer God de geest terugneemt sterft de mens of het dier (Ps.146:4 / Pred.8:8). Daarom is deze geest soms omschreven als de “levensgeest” (Gen 6:17). De levensgeest - de geest - van mensen en dieren zijn niet gelijk. Bij de mens is deze het beginsel van zijn menselijk handelen maar niet bij dieren (Gen.7:22 / Ps.104:29). Een dier heeft slechts instincten. De mens echter heeft een relatie met God die hem geschapen heeft en Hij staat in communicatie met zijn kinderen. Jehovah’s Getuigen verwijzen kwistig naar Pred.9:5,6 maar hier spreekt iemand vanuit menselijk standpunt en: “dan weten de doden niets; ze hebben geen loon meer te wachten.” Maar vanuit het standpunt van God zal zowel de gelovige als de goddeloze nog een “loon” of “straf” ontvangen. Laten we deze tekst dus niet misbruiken. Gelovigen zijn toch niet zonder hoop voor de toekomst, ook niet de toekomst die er na de dood komt? En ook de gelovige uit het OT heeft reeds hoop en een loon te verwachten! Diegenen die geloven in een onsterfelijke geest noemen ook als bewijs wel eens Luc.23:46 waar Christus zegt: “Vader in uw handen beveel ik mijn geest.” Maar er staat ook nog (en dat leest men meestal niet): “En toen Hij dat gezegd had gaf Hij den geest.” En letterlijk zou men dit moeten vertalen dat Christus “de laatste adem uitblies” want het Grieks spreekt van een “exepneusen” (Vergelijk Jer.15:9). Jehovah’s Getuigen zeggen in dit verband: “Jezus vertrouwt zijn levenskracht daarmee aan God toe, in het vertrouwen dat God deze weer aan hem zal teruggeven” (‘DE WACHTTOREN’ van 15 febr.1991, p.8). Dat is echter een verbastering van het Bijbelse getuigenis met de betrekking tot de dood van Christus, want dat is maar één aspect van de zaak. Zie verder hoofdstuk twee. In Gods hand ligt de macht over “de ziel” en “de geest” van de mens (Job 12:10). Wanneer God “de geest” en “de adem” van iemand vergadert dan sterft die persoon onmiddellijk (Job 34:14). God geeft aan zijn volk Israël “de adem” en “de geest” (Jes.42:5). Maar ook aan alle andere mensen geeft God “leven” en “adem” (Hand.17:25). Daarom mag men beamen: “De Geest Gods heeft mij gemaakt en de adem des Almachtigen doet mij leven” (Job 33:4). En wanneer Gods Geest uitgestort wordt op een wildernis zal ze tot leven komen en “bloeien” (Jes.32:15). Maar we gaan dan toch niet leren dat enkele wildernisplanten gelijk zijn aan mensen omdat ze allen het werk van God en het werk van Zijn adem zijn? Of mag men zeggen: planten “leven”, planten “sterven” dus is de mens gelijk aan een plant in Gods ogen? Er is één Bijbeltekst - dit naar gelang de vertaling die men er op naleest - waar een boom een ziel heeft. En dat is Jes.10:18. Een zeer kleurrijke tekst. Is het de bedoeling van Jesaja om te zeggen dat bomen een ziel hebben? Dan zou men dat toch hebben verwacht in het scheppingsverslag. Zeer waarschijnlijk gaat het dus om een andere lezing die we moeten toepassen. De opmerking die de WT maakt in dit opzicht in ‘Hulp tot begrip van de Bijbel’, deel 8, 1991, p.1710 is wel terecht. Maar je kunt er verder niets mee doen! Ze zeggen over planten: “Ne’fej


LEVEN, Dood en opstanding_1999

22

(ziel) wordt niet gebruikt in verband met de schepping van plantaardig leven op de derde scheppings-”dag” (Gen.1:11-13) of daarna, omdat planten geen bloed hebben.” Ze moeten toch beseffen dat er zonder één druppel bloed ook leven mogelijk is: God leeft, de goede engelen leven, demonen leven allemaal zonder bloed! Wanneer dan dingen gezegd worden van een dier en (bijna) hetzelfde van mensen, daarom zijn ze beiden toch nog niet gelijk in Gods ogen! We moeten trouwens goed beseffen dat zoals met meerdere leerstellingen, er een standpunt is van God en een standpunt van de mens. Want moeten we niet toegeven dat er veel dingen in onze kennis ontbreken om een totaalbeeld te krijgen van alles wat Gods wil is? De mens en niet de dieren zijn naar het beeld en gelijkenis van God geschapen. We vergelijken God toch ook niet zonder onderscheid met dieren! Waarom Gods unieke schepping, de mens, dan wel! In bepaalde teksten is het ook zo dat begrippen als: ziel, geest, adem en leven soms vloeiend door elkaar lopen en niet zomaar met een mes te scheiden zijn. Nog iets anders dat erop wijst dat ieder mens uniek is en niet zondermeer te vergelijken bij een dier is het feit dat de mens vóóraf door God is gekend. In Psalm 71:6 staat: “op U heb ik gesteund van den moederschoot aan; van het ingewand mijner moeder aan zijt Gij mijn helper; U geldt bestendig mijn lofzang.” De profeet Jeremia zegt dat Gods woord tot hem kwam als volgt: “Eer ik u vormde in den moederschoot, heb Ik u gekend, en eer gij voortkwaamt uit de baarmoeder, heb Ik u geheiligd; tot een profeet voor de volkeren heb Ik u gesteld” (Jer.1:5). Zie ook nog Rom.8:29 / Gal.1:15,16. Rare gedachten over “geesten” vinden we in vele religies en vormen van sektarisme. Een daarvan vermelden we van R. Hubbard, stichter van de Scientology. Hij zegt: “Maar uit latere studies is gebleken dat de belangrijkste activiteit van het leven dat van de thetan (de geest) is en dat er in afwezigheid van de geest geen verder leven mogelijk is. In de wereld van de insekten is nog niet vastgesteld dat al dan niet elk insekt door één geest geordend is of dat één geest een groot aantal insekten beheerst.” Citaat uit ‘Scientology: The fundamentals of thought’. Overgenomen uit O. Garrison, ‘The hidden story of Scientology’, The Citadel Press, 1974, p.37. Uit een “opzienbarend boek” (uitspraak van de uitgever) geschreven door een antievolutionist lezen we in dit verband wat wetenschappers als regel gebruiken bij de studie van mens-dier verhoudingen: “het verschil tussen apen en mensen zit niet op DNA-niveau Te zeggen dat een mens wezenlijk niet anders is dan een amoebe, plant, kikker of aap, is hetzelfde als wanneer een materialist twee audiosamples vergelijkt, één van een mens en één van een papegaai, die allebei ‘ik hou van je’ zeggen. De materialist zal bij hoog en bij laag beweren dat er weliswaar verschil is tussen de twee samples, maar dat dat alleen maar een gradueel verschil is. De frequenties verschillen een beetje ten opzichte van elkaar, maar wezenlijk gaat het om hetzelfde. Als we proberen op het niveau van de frequenties met elkaar te discussiëren over het verschil tussen het ‘Ik hou van je’ van een papegaai of van een mens, dan gaat de discussie per definitie mis! Op dat niveau is het verschil inderdaad alleen maar gradueel. Maar niemand zal ontkennen dat er bij een papegaai nooit die lading of betekenis in zal liggen als wanneer een mens het zegt. Juist daarom is het zo grappig als een papegaai praat. Als wij proberen op het niveau van het DNA het verschil tussen apen en mensen aan te tonen, dan gaat de discussie per definitie al mis. Dan is er inderdaad alleen maar een gradueel verschil. Maar dat komt niet omdat het verschil inderdaad alleen maar gradueel is. Dat komt omdat je niet verder kijkt dan je neus lang is! Het ligt aan de manier waarom je naar de dingen kijkt.” P.E. Scheele, ‘Degeneratie, het einde van de evolutietheorie’, Buyten en Schipperheijn, 1997, p.206. (Wat wij onderstrepen staat schuin in het origineel.) Gezien we dit werk nog tweemaal citeren toch een opmerking. Schrijver heeft een zeer vlotte taal en schuwt géén sarcasme of ironie. Eens men


LEVEN, Dood en opstanding_1999

23

zijn taalgebruik gewoon is blijft de oprechtheid achter van de argumentatie. We citeren uit het hoofdstuk 16, iets van die zeer krachtige taal. Wie vergelijkt met wat we later over de geest schrijven merkt dat we toch niet altijd op dezelfde lijn zitten. Ondanks dat, aanbevolen van de eerste tot de laatste bladzijde. De Geest keert terug tot God Wanneer we Prediker 12:7 schematisch voorstellen krijgen we het volgende: “En het stof wederkeert tot de aarde en de geest wederkeert tot God die hem geschonken heeft” In Pred.12:7 wordt niet gezegd dat de geest die tot God terugkeert van een goede of slechte persoon afkomstig is. De geest van dus zowel goede als slechte personen gaat naar God terug. Mag men nu beweren dat zowel goeden als slechten naar God zullen gaan om in de hemelse gewesten te wonen? Zeker niet! Dan is Pred.12:7 ook géén bewijs voor de onsterfelijke ziel (of geest). De dood is het rendezvous waar allen samenkomen (Job 30:23). Op een dag waar de mens geen macht over heeft, een dag waar we alles achterlaten en dit leven voorbij is (Pred.8:8 / Ps.49:11). Soms is er maar “één schrede tussen mij en de dood” (1 Sam.2O:3). En er zijn mensen die de dood zoeken en niet vinden (Job 3:21 / Opb.9:6), want leven en dood ligt in Gods hand (Job 12:10 / Deut.32:39 / 1 Sam.2:6). In twee Psalmgedeelten wordt het beeld van de nietigheid van de mens zeer poëtisch afgeschilderd. Zo zegt Ps.82:6,7: “ Wel heb Ik gezegd: Gij zijt goden, ja, allen zonen des Allerhoogsten; nochtans zult gij sterven als mensen.” En Ps.89:48,49: “Gedenk, wat mijn levensduur is, tot welke nietigheid Gij alle mensenkinderen hebt geschapen. Welk mens leeft er, die de dood niet zien zal, die zijn ziel zal redden uit de macht van het dodenrijk?” De uitdrukking “de geest geven” wil niets meer of minder zeggen: sterven, waardoor Gods geest in ons tot Hem terugkeert (Gen.25:8,9 / 49:33). Dat komt natuurlijk ook overeen met de uitdrukking “uitblazen (uitstorten) van de ziel” (of geest) in o.a. Job 11:2O / Jer.15:9 / Klaagl. 2:12. En dat is niet altijd gemakkelijk te vertalen. Zo heeft de NWV bij Ruth 4:15 in de tekst “hersteller van uw ziel” maar in de voetnota “terugbrenger van uw leven.” Sterven is als een “slaap” (Job 14:12 / Ps.13:3 / Dan.12:2) of een “rust” (Job 3:17,18 / 17:16 / Dan.12:13 / Opb.14:13). In zijn geheel gezien wordt er in de Schrift zesenzestig maal gezegd dat een dode slaapt of ontslaapt waarvan zeventien maal in het NT. Dat is wel het grote onderscheid tussen mens en dier. Een dier dat sterft “slaapt” niet. Daar is geen enkele tekst voor te vinden. De term zieleslaap kan vlug tot verkeerde conclusies leiden. Voor Luther was de term niet problematisch. Calvijn zegt dat deze leer strijdig is met de Schriften en een dwaling (zie o.a. Bavinck’s ‘Gereformeerde dogmatiek’, deel IV, p.587, 593). In ‘Questions’ p.569-573 geeft de Adventkerk de achtergrond van de 27st stelling van Luther, een aanklacht van de Roomse visie op onsterfelijkheid van de ziel. Welke formule we ook gebruiken het is de geest die het lichaam levend houdt. De geest heeft controle over het lichaam. Zonder geest mogen we gerust zeggen dat we te maken hebben met een dood lichaam. Maar gezien het OT geen woord heeft voor “lichaam” zo staat er gewoon “dode ziel” (Num.5:2 / 6:11 / 9:6,7,10). Ook even kritisch moeten we de visie bekijken van de Concordant Publishing Concern in dit verband. Ze schrijven het volgende: “Bij dit alles blijft de algemene regel dat ‘de geest levend maakt’(Joh.6:63). Dit ging ook op voor de Heer zelf. Het is zeker dat Hij stierf, in of door het


LEVEN, Dood en opstanding_1999

24

vlees, maar ook werd levendgemaakt in of door de geest (1 Pet.3:18). In zijn dood ging het zowel om Zijn geest als Zijn lichaam, want hij vertrouwde dit toe aan Zijn Vader. Door middel van vlees is Hij ter dood gebracht. Zo ook was de geest het middel waardoor Zijn lichaam opnieuw tot leven geroepen werd. De datief in het Bijbelgedeelte gebruikt, moet elke gedachte uitbannen dat alleen Zijn lichaam stierf en alleen Zijn geest tot leven kwam. Want hoe kan Zijn geest levend gemaakt worden indien deze (‘it’ in het originele Engels) niet tevoren gestorven was?” (‘What is Spirit?’ Concordant Publishing Concern, zj, p.22). De suggestie dat de geest van een mens - in dit geval deze van Christus - “sterft” bij of tijdens het sterven van het lichaam kan door geen enkele tekst uit de Schrift ondersteund worden. En dat zijn er toch méér dan duizend wanneer we de optelsom maken van geest, ziel, hart en lichaam enz. Dat volgens 1 Pet.3:18 Zijn geest levend gemaakt wordt staat niet in deze tekst. De beweringen van deze mensen zijn dan ook ergens anders ontstaan dan in een Bijbels perspectief. En hun uitleg is nauw verwant aan de uitleg van de WT. Ze leren namelijk beiden dat er géén persoon bestaat die de Heilige Geest genoemd kan worden. De Heilige Geest is voor hen immers slechts de onpersoonlijke kracht van God, te vergelijken bij elektriciteit. Zo lezen we in de aangehaalde brochure p.4: “It is always it, never he or she” (Het gaat altijd om “het”, nooit “hij” of “zij”). Hierover méér in hoofdstuk twee. Daarom een opmerking van P.J. Van Leeuwen: “De gedachte dat “geest” een immanente levenskracht zou zijn, waardoor het schepsel deel zou krijgen aan goddelijk leven is in het OT ten enenmale vreemd” ‘Het christelijk onsterfelijkheidsgeloof’, p.29. Maar zie hierover verder. We scharen ons ook achter de achtste stelling van C. Lindijer in zijn doctorale thesis: “Prediker 12:7 leert niet, dat de geest van de mens los van het lichaam, persoonlijk bij God voortleeft” (zie bibliografie). We nemen ook een kort citaat over in dit verband uit P. van Imschoot, ‘L’esprit de Jahvé’, source de vie, dans l’ancien testament’, Revue biblique, 44st jaargang, 1935, p.481-501: “De dood is de scheiding der twee elementen, waaruit de mens werd gevormd; het lichaam, genomen uit het stof, keert weer naar de aarde (Gen.2:7), de levensadem, die God inblies keert weer naar God, die hem geeft of terugneemt naar Zijn wil (vgl. Job 34:14 e.v. en Ps.104:29 e.v.) (...) Toch kan men minder goed onderscheiden, hoe de schrijver de terugkeer van de adem tot God opvat. Hij heeft stellig niet gedacht aan de gelukzalige onsterfelijkheid der ziel (...) die trouwens van het lichaam gescheiden nooit ruach genoemd wordt.” Enkele malen vinden we in het OT de uitdrukking “refaïm” om een soort schimachtig bestaan te beschrijven van de doden. De ware betekenis is “krachtelozen” en deze teksten geven geen bewust bestaan te kennen (Jes.14:5 / 26:14,19 / Ps.88:11). Het is niet uitgesloten dat deze uitdrukking verwant is aan wat de Grieken de schimmen van de Hades noemen. Identiek is het echter niet. Hierover zegt H. Mulder: “Men moet echter niet denken aan een rijk van doden, die met elkander een schimmig bestaan leiden, dat minder is dan, maar toch gelijkt op het leven op aarde. Want daarvoor is in het OT geen houdbare grond te vinden, terwijl dit ook niet overeenkomt met het gedachtenklimaat in het OT” (‘Christelijke encyclopedie’, deel 2, Red. F. Grosheide en G. Van Itterzon, Kok, 1957, p.437). De “nesjhamàt chajja”, de levensadem, is dat wat we zichtbaar zien in onze ademhaling. God gaf deze aan de eerste mens (Gen.2:7) en aan alle mensen (Job 15:3O / Klaagl.4:20 / Ezech.37:5,9 / Pred.3:19). Wanneer de Heer Zijn geest geeft aan de Vader dan gaf Hij zijn leven en niet een zelfstandig of bewustzijnde voortlevende “geest.” Vergelijk ook Mat.27:50 waar letterlijk staat dat de Heer Zijn geest heeft “losgelaten” (aphiémi). Of zoals er in Luc.23:46 staat: “Vader in uw handen beveel ik mijn geest.” Hier zegt het Grieks “paratithemi” t.t.z.: Jezus geeft zich totaal over aan de Vader. Dat de “geest” gewoon er niet meer is na de dood kan niet zomaar gezegd worden. De geest, van alle mensen, gaat terug naar God (Pred.12:7 / Luc.8:55 / Hand:7.59).


LEVEN, Dood en opstanding_1999

25

Geestelijke eigenschappen van de geest in de mens Zoals we reeds gewezen hebben op de geestelijke aspecten van de menselijke ziel, zo ook worden aan de geest in de mens (ruach of pneuma) een aantal geestelijke eigenschappen toegeschreven. Ook allemaal dingen die van de dierlijke geest niet gezegd kunnen worden. Verblijdt zich over God: Luc.1:47. Ontrouw aan God: Ps.78:8 of Trouw 1 Cor.14:14-16. Ontuchtig: Hos.4:12 (vergelijk Jer.2:27 / Hab. 2:19). Een lamp in ons binnenste: Spr.20:27 (vgl.Ps.119:105). Hoogmoedig: Spr.16:18 / Pred.7:8 / Marc.7:21,22 (hart). Overmoedig: Dan.5:20. Onrein: Zach.13:2 / 2 Cor.7:1. Jaloers: Num.5:14,30. Verslagen: Spr.15:13 / 18:14. Bezwijken: Ps.143:7 / Jes.57:16. Verbroken of verbrijzeld: Ps.51:19 /Jes.57:15. Verharden: Deut.2:30 / Rom.9:18. Met wil: Ex.35:21 / Hagg.1:14 / Col.3:2. Met verstand: Ps.77:7 / Rom.8:16 / 1 Cor.2:11. God dienen: Rom.1:9 / 12:11 / Phil.3:2 . Kan geprikkeld worden: Hand.17:16. Geest zetel van innerlijk leven: Gal.6:18 / Phil.4:23. De mens moet zijn geest vernieuwen: Ezech.18:31. God kan een nieuwe geest geven: Ezech.11:19 / Rom.8:9. Ook het contrast van “vlees” en “geest” in Gal.5:19-22. We leggen nadruk op dat geestelijke in de mens omdat Jehovah’s Getuigen en Adventisten en allen die iets gelijkaardigs leren over de schepping van de mens nogal wazig zijn. Een uitspraak van de WT dienaangaande is de volgende: “Daar Adam naar de gelijkenis van zijn Grootse Schepper was gemaakt, bezat hij de goddelijke eigenschappen liefde, wijsheid, gerechtigheid, en macht. Hij bezat dus een zedelijkheidsgevoel, verbonden met een geweten - iets geheel nieuws in de aardse levenssfeer. Als evenbeeld van God zou Adam de heheerder van de gehele aarde zijn en de zee - en landdieren, alsook het gevogelte des hemels in onderworpenheid hebben. Adam behoefde niet, geheel of gedeeltelijk, een geestelijk schepsel te zijn om goddelijke eigenschappen te bezitten. Jehovah formeerde de mens uit de stofdeeltjes van de aardbodem, legde de levenskracht in hem, zodat hij een levende ziel werd, en gaf hem het vermogen het beeld en de gelijkenis van zijn schepper te weerspiegelen” (‘Inzicht in de Schrift’, deel 1, 1995, p.55). De uitleg dat Adam het “evenbeeld van God” is, is godslasterlijk maar we gaan er toch niet op in want alles lijkt zeer onduidelijk. De lijst bovenaan zou door Jehovah’s Getuige vallen onder het trefwoord “geestesgesteldheid” en ze hebben dit in hun Bijbels woordenboek onder “Geest (II)” weergegeven. Hun definitie is dan: “Het vermogen van de hersenen om inlichtingen te vergaren, dingen te beredeneren en conclusies te trekken. Verscheidene verwante Griekse woorden brengen eigenschappen van de geest tot uitdrukking zoals denkvermogen, verstand, geestelijk waarnemingsvermogen, intelligentie, rede, gedachte, bedoeling, herinnering, geestestoestand, mening en gezindheid (zin), geestesgesteldheid of geestelijke vermogens” (‘Inzicht in de Schrift’, deel 1, 1995, p.759). Deze uitleg lijkt ons echter zoals atheïsten het fenomeen mens benaderen: hij is een toevallige combinatie van elektrische en chemische toestanden. Er komt niets aan te pas dat niet vanuit een aards beeld kan verklaard worden. Men heeft God in al deze diverse hypothesen niet van node.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

26

Maar dan komen toch een groot aantal Bijbeluitspraken niet tot hun recht. Job 32:8 zegt: “Voorwaar, het is de geest in de stervelingen en de adem des Almachtigen, die hun inzicht geeft.” Spreuken 20:27 zegt: “De geest van den mens is een lamp des Heren, doorzoekende al de schuilhoeken van het hart.” In Zacharia 12:1 lezen wij: “Aldus luidt het woord van den HERE, die de hemel uitspant en de aarde grondvest, en den geest des mensen in diens binnenste formeert.” Of 2 Cor. 4:16 waar we lezen: “Daarom verliezen wij den moed niet, maar al vervalt ook onze uiterlijke mens, nochtans wordt de innerlijke van dag tot dag vernieuwd.” De mens is in Bijbelse zin dus wel gedeeltelijk een geestelijk schepsel en wie dit niet aanneemt vaart een gevaarlijke koers. Als gelovigen heeft voor ons de wetenschappelijke conclusie in dit verband dan niet de doorslaggevende waarde. Hoe het brein van een mens werkt kan een boeiend onderzoek waard zijn maar de resultaten zullen toch slechts betrekkelijk zijn. Want hoe kan de wetenschap ooit ingaan op wat God ermee te maken heeft. Afhankelijk van de theorie en de studies met ratten, muizen, varkens en kippen zijn de laatste jaren drie nieuwe hypothesen ontwikkeld hoe het allemaal in zijn werk zou moeten gaan. En twee oudere stellingen de grond ingeboord. Veel van wat men in die kringen mag beweren zou door een Adventist of een Jehovah Getuige moeten beaamd worden: in de hersenen gaat het om een soort “elektriciteit” en “memory bestanden” of “database” zoals in een computer. Dan heeft men een belangrijk deel van wat de Schriften zeggen prijsgegeven en waar zal men dan stoppen in zijn vermetelheid. Voor één van de laatste visies uit de wetenschap zie o.a.: ‘Pour la science’, de Franse versie van de beroemde ‘Scientific American’, nov.1992 en ‘Time magazine’, may 5, 1997. Maar dit wordt regelmatig bijgewerkt en is niet het laatste woord. Een conclusie van Prof. Antonio Damasio, hersenspecialist aan wiens studies het grootste deel van het Time artikel gewijd is zegt daar zelf o.a. het volgende: “Het zelf wordt zo altijddurend herwerkt dat de bezitter ervan zich nooit bewust is van die verandering” p.45. Wetenschappers geven dan ook toe dat de geest (het ik, het zelf) van elk mens uniek is en dat is ook wat de Schrift leert zoals we later zullen zien. Zo is het ook nuttig om de titelpagina eens te vergelijken van de Amerikaanse uitgave van de ‘Scientific American’ van september 1992 (idem aan de Franse uitgave van nov.1992) en de reeds aangehaalde definitie “Geest (II)” van Jehovah’s Getuigen hierboven. Op deze titelpagina staat: “MIND AND BRAIN: SEX - VISION - MEMORY - LEARNING - LANGUAGE - DISORDERS DEVELOPMENT - CONSCIOUSNESS.” Ook hier gaat het niet om wat God met de mens te maken heeft maar wat de wetenschap erover weet, of denkt te weten. Zo moet het artikel van F. Crick en C. Koch vanaf p.110 nodig vergeleken worden met de bevindingen van een andere Nobelprijswinnaar J. Eccles. Want de mens is méér dan een hoofdstuk uit de lessen “biologie.” En de indruk die Jehovah’s Getuigen maken in “Geest (II)” is niet beter. Dezelfde opmerkingen zijn dan ook toepasselijk op een speciaal nummer - met de allernieuwste theorieën - in de ‘Scientific American’ (verscheen july 1997). Titel: “MYSTERIES OF THE MIND.” Het titelblad geeft aan waarover het gaat: “MIND-BODY CONNECTIONS, HAPPINESS, DEPRESSION, DREAMS, CONSCIOUSNESS, MEMORY, VIOLENCE.” Niets over God of over de schepping van de menselijke geest! Maar dat heeft toch ook te maken met twee sporen die neven elkaar lopen en elkaar ook nooit ontmoeten. Want het zou erop neerkomen dat we God zelf even inviteren voor onderzoek in onze grootste laboratoria. Uit één van de belangrijkste boeken (naar onze mening) van de laatste 20 jaar, moeten we toch een aantekening overnemen in dit verband. Een hoogleraar natuurkunde kijkt uit een diep gelovige hoek naar het fenomeen mens en de visie van de moderne psychologen en zegt: “Arthur Koestler heeft het ‘Ratomorfisme’ genoemd. Dat is het omgekeerde van wat in strips als de Olivier B. Bommel-verhalen van Maarten Toonder gebeurt: Daar worden menselijk gedrag, menselijke ge-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

27

dachten en gevoelens, geprojecteerd op poezen en beertjes. De psychologie van onze eeuw heeft een richting opgeleverd die het ‘Behaviourisme’ wordt genoemd. Daar wordt, bijvoorbeeld, het gedrag van ratten bestudeerd, hun respons op bepaalde prikkels en de resultaten van zulk onderzoek worden ‘vertaald’ naar het menselijk gedrag. Daar is op zichzelf niets tegen, als dat behoedzaam en relativerend gebeurt. Maar zo gaat het gewoonlijk niet. De mens is in deze filosofie niets anders dan een rat. Misschien hier en daar iets gecompliceerder, maar in wezen niet verschillend. Hij is ‘ratomorf’. Koestler: ‘Als je doorgaat met een mens te vertellen dat hij niets anders dan een grote rat is zal hij beginnen zijn snorharen te laten staan en je in je vinger bijten’“ (A. van den Heuvel, ‘Met andere ogen’, Ten Have, 1994, p.52,53). De geest van de mens is persoonlijk Elk mens heeft dus zijn eigen individuele geest van God, Vader, Zoon en Heilige Geest, ontvangen. Want God is de schepper van allen (Joh.1:3 / Ps.33:9 / Neh.9:6 / Heb.1:3). Waarbij moet opgemerkt worden dat het “geboetseerde” tot de boetseerder niet moet zeggen: “Waarom hebt gij mij zo gemaakt” (Rom.9:20). En: “Hij doet naar zijn wil met het heir des hemels en de bewoners der aarde” (Dan.4:35). Het volk Israël is in Gods handen als het werk van een pottenbakker (Jes.64:8 / Jer.18:6). In de christelijke gemeente wekt Gods Geest individueel mensen op tot nut van allen. Zo lezen we in 1 Cor.12:8-10: “Want aan de een wordt door de Geest gegeven met wijsheid te spreken, en aan de ander met kennis te spreken krachtens dezelfde Geest; aan de een geloof door dezelfde Geest en aan de ander gaven van genezingen door die ene Geest; aan de een werking van krachten, aan de ander profetie; aan de een het onderscheiden van geesten, en aan de ander allerlei tongen, en aan weer een ander vertolking van tongen. Doch dit alles werkt een en dezelfde Geest, die een ieder in het bijzonder toedeelt gelijk Hij wil.” Zie ook nog Hand.2:4 / 2 Cor.4:16 / Col.3:10 die eenzelfde gedachte weergeven. Het is dan een absoluut foutieve redenering van de WT, Adventisten e.a. om te stellen dat alle mensen eenzelfde soort geest bezitten; en dat er maar één soort “elektriciteit” is die alles aandrijft. Het getuigenis van de Schrift staat dan wel lijnrecht op deze uitspraak. Want de Schrift spreekt over een “geïndividualiseerde” geest, één die is aangepast aan elk mens afzonderlijk. Zoals God het wil. “Mijn geest” is zo apart dat ik niet mag zeggen dat hij dezelfde is als deze van de geestelijke broeder of zuster die met mij in de kerkbanken zit. En ook totaal verschillend van de ongelovigen uit de wereld. “Mijn geest” is een “zelfstandigheid” die ik niet deel met een ander, want daarin is “mijn ik” gelegen. En we moeten de “boetseerder” gewoon Zijn werk laten doen en Zijn werk is niet altijd hetzelfde (Jes.29:16 / 45:9 / 64:8 / Rom.9:21). Uit bovenstaande Bijbelteksten moeten we concluderen dat mensen vanuit Gods scheppingsdaad verschillend zijn en daarenboven ook nog eens door de macht die God uitoefent in het leven van ieder mens tijdens zijn levensloop. Dus is de vergelijking die Jehovah’s Getuigen maken over één soort elektriciteit die verscheidene apparaten laat werken, en één soort geest die alle mensen hebben een verkeerde vergelijking. Een mens ontvangt van God een individuele geest en daarbij is het lichaaam niet meer zo belangrijk. Hetgeen de mens uniek maakt is niet het lichaam, (het uiterlijke, het apparaat) maar de geest die God de mens gegeven heeft en die Hij ook nog tot het eind van een mensenleven zal beïnvloeden. Daarover is Paulus zeer duidelijk: “Want óns heeft God het geopenbaard door de Geest. Want de Geest doorzoekt alle dingen, zelfs de diepten Gods. Wie toch onder de mensen weet, wat in een mens is, dan des mensen eigen Geest, die in hem is? Zo weet ook niemand wat in God is dan de Geest Gods. Wij nu hebben niet de geest der wereld ontvangen, maar de Geest uit God opdat we zouden weten, wat ons door God in genade geschonken is” (1 Cor.2:10-12).


LEVEN, Dood en opstanding_1999

28

En zonder in grote details te willen treden op het wetenschappelijke in dit alles toch enkele opmerkingen. Toen Dolly, het eerste gekloonde schaap, aan de wereld werd voorgesteld zijn er onmiddellijk vragen gesteld aan moralisten en ethici over de vraag naar het klonen van de mens. R. Wright wetenschappelijk medewerker van ‘Time Magazine’ maakt daarbij de volgende opmerking: “Ouders die hun oudste gehoorzame kind klonen zouden wel eens versteld kunnen staan over de resulterende tweeling, die nu in een lagere familiehierarchie wel eens zou kunnen opgroeien als een Che Guevara” ‘Time Magazine’, March 10, 1997, p.47. Want het is ondertussen toch ook duidelijk dat de stelling van Richard Dawkins over de mens als een “moleculair geprogrammeerde machine” die vastgeroest zit onder “zelfzuchtige genen” niet volledig waar is. Want, en dat is ook Bijbels, de mens heeft een vrije wil. Over deze problematiek verscheen recent een indrukwekkend (maar bijna onbetaalbaar 60 U.S. dollar min 5 cent) boek in veel opzichten. Zie ook T. Peters, ‘Playing God? Genetic determinism and human freedom’, Routledge, 1997. Toen omzeggens nog niets gekend was over de moderne leer van dierenpsychologie schreef A. Janse hierover als volgt: “En zelfs in de psychologie is er parallellisme tusschen de bewustzijnsverschijnselen van menschen en dieren. De Heilige Schrift trekt ook zulke parallellen, zelfs in ‘t nadeel van menschen; denk maar aan den tekst, waarin de Heere zegt: Een os kent zijn bezitter en een ezel de kribbe zijns heeren, maar Israël heeft geen kennis. De kennis van den os en van den ezel worden hier als kennis van het dier genoemd. Daarmee is het echter nog geen menschelijke kennis. Maar evenmin is de honger van een mensch dierenhonger, al is er gelijkenis. En een menschenhand moge parallellen hebben met een klauw van een leeuw, toch is een dierenpoot iets anders dan een menschenhand. En al hadden een gorilla en een mens precies evenveel gram hersens, dan nog waren de eene apenhersens en de andere hersens van een mensch. Zoo is menschenbloed iets geheel anders dan dierenbloed. Dat kunnen moordenaars ons uit ervaring vertellen. En menschenspeeksel is niet hetzelfde als dierenspeeksel. Toen onze Heere door de Joden bespuwd werd, hing in die vloeistof al de haat en verachting hunner booze zielen aan Zijn lijdenden persoon. Menschenleed is ook wat anders dan dierenleed, ook al zijn de pijnreacties bij mensch en dier vaak gelijk (...) Maar dat is nièt het gansch andere, dat den mensch tot mensch maakt. Wanneer de Natuurlijk Historie het wezens-verschil tusschen menschenbloed, menschenadem, en dierenadem, menschenlichaam en dierenlichaam, niet ziet dan heeft zij geen enkele grond om een geestelijk wezensverschil aan te nemen.” ‘De mensch als “levende ziel”‘ Uitg. Holland, 2de druk 1937, p.31,32. P. Scheele zegt in zijn werk over ‘Degeneratie’, Buyten en Schipperheijn, 1997, p.207: “menselijk gedrag wordt bepaald door de geest Een mens heeft een lichaam dat toegerust is tot het verrichten van een aantal zeer verfijnde handelingen (zoals zeer beweeglijke los van elkaar te bedienen vingers) en zal dus geneigd zijn gedrag te ontwikkelen dat in staat is gebruik te maken van die mogelijkheid (piano spelen, tekst intypen op een tekstverwerker, zoals ik nu doe). Het gedrag is niet genetisch bepaald. De mogelijkheid tot bepaald soort gedrag wel. Het gedrag zelf wordt niet door mijn genen bepaald, maar door mijn ik, dat daarom ook niet genetisch is. Mijn ik, mijn geest maakt gebruik van mijn lichaam, maar is het niet. Mijn ik is veel meer dan mijn DNA. Mijn ik bestaat ook nog uit alles wat ik geleerd heb, al mijn ervaringen, mijn gedrag en mijn wil. Zijn die laatste dingen alleen maar biochemische reacties in mijn lichaam? Nee, die dingen zijn geen biochemische reacties. Als dat zo is, dan ‘kan ik er niets aan doen’ als er iets gebeurt, of als ik iets doe. Ik doe dat namelijk omdat die biochemische reactie in mij plaatsvindt. Dan bestaat er niet langer zoiets als verantwoordelijkheid.” (In het origineel is wat we onderstrepen schuin gedrukt.)


LEVEN, Dood en opstanding_1999

29

Deelhebben aan Gods Geest De geest die de mens van God heeft onvangen heeft dus toch iets te maken met zijn Schepper. Een Katholiek theoloog E. Driessen, carmeliet, schreef in 1912 enkele artikelen over de toen gangbare theologische opinies met betrekking tot de menselijke ziel en zijn geest. En dat was niet zo verschillend van wat bijvoorbeeld een Jehovah Getuige thans leert. Hij schrijft o.a.: “‘s Menschen geest is zonder twijfel een “participatie” (als ik dat woord mag gebruiken) van Gods geest ( (...)) Daarom beschouwen de gewijde Schrijvers den “geest” in den mensch als essentieeel de zaak of bezit des menschen en niet, zoals Lods wil, van God. Waaruit verder volgt, dat de “geest” in den mensch noodzakelijk het persoonlijk levensbeginsel en het meest persoonlijke bestanddeel in hem is en niet, volgens Lods’ meening, “le principe impersonel de vie commun à tous les êtres.” Dus als individueele “participatie” van Gods geest blijft de geest des menschen na diens dood een individueel bestaan behouden.” ‘De Katholiek’, 141st deel, 1912, Uitg. van Rossum p.440, 441. We hebben geen bezwaar met deze formulering omdat ze besluit met “behouden” en de overgang tussen dood en “geestelijke opstanding” (naar een bewust “tussenleven”) niet aangeeft. De “geest” van de mens vergelijken met de “geest” van een dier gaat dus niet op. Dat wil zeggen dat alhoewel mens en dier door Gods Geest in stand gehouden worden er voor dieren geen tussentoestand is. Want de mens moet later nog een opstanding krijgen. Van elk mens moet God daarom individueel “zijn geest” bewaren. Elk mens heeft een individueel “ik” en dat gaat zowel op voor de gelovige als de ongelovige. En het gaat ook om de verdere interactie van de mens met zijn Schepper. Dit individuele “ik” blijft ook bestaan na de dood. Dat individuele “ik” is de basis van elk mens, die in deze betekenis “uniek” is. Het is fout te zeggen dat allen door dezelfde soort elektriciteit aangedreven worden. En dat “ik” is méér dan het lichaam. Want ons lichaam is permanent in wijziging. Elke molecule die er in mijn lichaam zit (ook in bepaalde hersencellen) is er slechts tijdelijk en zal na het afsterven van de cel waarin ze zat afgevoerd worden. In de loop van mijn mensenleven zullen alle stoffen in mijn lichaam tientallen malen vernieuwd worden. Sommige elementen uit de bloedbaan zullen slechts één dag, één week of slechts één maand leven. Al deze wisselingen van moleculen wijzigen niets aan mijn “ik.” Die heeft dat allemaal overleefd. Maar wat is dan zijn verhouding tot het lichaam? Ook over hersencellen weten we toch al iets. Na een fenomenale groei in de kindertijd en jeugd valt de productie als het ware stil. Bij het ouder worden verliezen we er miljoenen, mannen zelfs driemaal meer dan vrouwen (gemiddeld), maar dat wil niet zeggen dat onze kennis, gevoelens en gedachten verloren zijn. Dementie is een zaak van aderverkalking in de hersenen en niet een tekort aan hersencellen. (Het is nog maar vrij recent dat we zekerheid hebben dat op zijn minst enkele soorten hersencellen, in de hippocampus, zich opnieuw regeneren in een volwassen mens na een hersenletsel. Zie o.a. ‘Newsweek’ Magazine, November 9, 1998, p.48 / ‘Nature Medicine’, November 1998 / ‘Scientific American’, May 1999). J.D.G. Dunn zegt het als volgt: “De schrijvers van het NT kunnen over de (menselijke) geest spreken als iets dat het individu bezit; maar dit wil niet zeggen dat ze de geest van een mens zien als een goddelijke vonk (het ware “Ik”) opgesloten - in een lichaam als “de geest in de machine” (deze mensleer is typisch voor de griekse filosofie). Dit taalgebruik is en blijft een eenvoudige en natuurlijke manier om over de mens te spreken in zijn verhouding tot het geestelijke, de kracht die hij ondergaat en hem met het hiernamaals bindt (...) Ook hier blijft de oude Hebreeuwse gedachte over pneuma (ruach) overeind staan als de adem van God (2 Thess.2:8 / Joh. 20:22) en levensgeest (Opb.11:11 / 13:15) ‘The New International Dictionary of New Testament Theology’, volume 3, The Paternoster Press, 1978, p.694. J. Nelis zegt in ‘Bijbels Woordenboek’, Romen & Zonen, edit. A. van den Born, 1966-1969 bij kol.306: “Aldus is duidelijk dat nefes en ruah dat deel van mens of dier kan aangeven dat na de dood blijft voortbestaan en afdaalt naar in de sjeol. De uitdrukking nefes met (Num6,6) betekent


LEVEN, Dood en opstanding_1999

30

dan ook niet ‘de ziel van een dode’ maar ‘dood individu, lijk’, in Lv19,28; 22,4; Nm5,2 enz. zonder nadere bepaling nefes genoemd. Dank zij Hellenistische invloed komt de schrijver van Wh (Wijsheid) tot een nieuw begrip van de menselijke natuur, als bestaande uit een stoffelijk (lichaam) en een onstoffelijk (ziel) beginsel. De dood betekent de scheiding van beide. Hoewel vele passages van dit werk in traditionele zin verstaan kunnen worden, is de nieuwe opvatting van enkele teksten onmiskenbaar. In tegenstelling met de gangbare hebreeuwse antropologie spreekt hij in 3,1vv van het voortbestaan van de ziel buiten het lichaam; in 9,15 durft hij, geheel in de lijn van Plato, het sterfelijk lichaam zelfs een last te noemen voor de veeldenkende geest; verder 8,19vv.” Wat het niet wil zeggen! Een verschrikkelijke Godonterende en onbijbelse leerstelling wordt soms uit het feit dat God de schepper is afgeleid, want Hij is de Vader van alle geesten. De redenering is dan, dat “gezien ik door God zo gemaakt ben” mijn gedrag als mens niet te beoordelen of te veroordelen valt. Want men heeft gewoon dat gedaan zoals men geschapen is. Een massamoordenaar op kleine schaal (vb. Landru) of een op grote schaal (vb. Stalin) doet wat “de boetseerder” van hem gemaakt heeft. Of je hetero bent of homofiel of pedofiel of necrofiel dat heb je in deze theorie meegekregen van God. Maar dan hebben we in de Schrift dingen laten zeggen die er niet staan. Het humanisme mag niet de grond zijn van onze Bijbeluitleg. Laten we de schriftuurlijke onhoudbaarheid van deze leer even onderzoeken. En we redeneren van achter naar voor, vanaf het oordeel over de mensen naar de schepping toe. 1°) Er is een toekomstig oordeel over alle mensen en dat oordeel zal rechtvaardig zijn: 1 Pet.1:17 / Mat.25: 31,32. 2°) Op basis van het gedrag dat de mensen aan de dag gelegd zullen hebben (al dan niet het resultaat van hun persoonlijk geloof) zal het oordeel voor één groep het eeuwige leven zijn en voor een andere groep eeuwig verlies: Joh.3:19 / 12:48 / Mat.25:41,46. 3°) Sommige mensen kiezen ervoor God tijdens hun leven niet te dienen en dan gaat het om hun eigen in zichzelf gekeerd egoïsme en een eigen fatale beslissing: Luc.17:26-30 / 2 Pet.2:5,6. 4°) Mensen zondigen bewust of onbewust: 1 Joh.3:4,8,9. De mens is op zedelijk gebied niet vooraf geprogrammeerd, hij kiest zelf voor goed of kwaad: Gen.4:6,7 / Joz.24:15 / Hand.13:48. 5°) Adam is voor ons de vader der zonde geworden, wij als zijn afstammelingen hebben in hem een “voorbeeld” en volgen hem jammer genoeg op dit punt: Rom.5:19 / 1 Kon. 8:46 / Ezech.18:4. 6°) God heeft geen mensen geschapen met een ingebouwd verlangen zijn wetten te overtreden: Pred.7:29 / Deut. 32:4,5. 7°) Adam en Eva zijn goed geschapen: Gen.1:26-31. 8°) In zijn oorspronkelijke staat was God’s schepping volkomen en goed: Job 37:16 / 1 Cor.14:33 / Hand.4:24. En daarom: We kunnen onze eigen lusten en zondigheid dan ook niet aan God toeschrijven: Ps.145:17 / Eph.6:12 / Rom.1:29-32 / Opb.12:9. En nog een opmerking uit dat prachtige boekje van A. Janse: “De bedoeling is dan wel goed. Maar ‘t haalt dan practisch en wetenschappelijk toch niet veel uit. Echte onderzoekers van het psychische, die echt iets van Gods werken zagen, konden terecht de schouders ophalen over het verwijt dat zij “Psychologie ohne Seele” beoefenden. Waar was dan de mystische “Seele” voor de wetenschap? Maar de Christenen zagen hier aan den kant der materialisten de loochening van leven na dit leven. En daarop gaven zij aan de mannen van de pracktijk geen gehoor uit angst voor de materia-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

31

listen. En ‘t was zeker nog beter te blijven bij Plato’s zielsbegrip, dan weg te zinken in ‘t grove materialisme van hun tijd. Maar nog beter dan zich te beroepen op Plato was: te vragen aan de H. Schrift zelve wat ze zegt. Dat zij een leven na dit leven leert staat toch vast. Die in mij gelooft zal leven al ware hij gestorven? Die in mij gelooft hééft (reeds hier) het eeuwige leven (in beginsel). Maar nu is het opmerkelijk, dat zij dit nimmer leert op grond van een “onsterfelijk ziel.” Zij spreekt van zulk een ziel nergens, zoals we zagen. En van onsterfelijkheid ook slechts tweemaal in geheel anderen zin dan de filosofie. Geen wonder dat het velen Bijbelkenners is opgevallen, dat de Scholastieke “Christelijke” psychologie heelemaal niet klopt op wat de Schrift zegt van den mensch” p.26, 27. Tot slot een citaat uit P. Scheele’s boek over ‘Degeneratie’, Buyten en Schipperheijn, 1997, p.209: “de hersenen zijn de geest niet Onze hersenen zijn een fantastisch instrument in ons lichaam waar we gebruik van kunnen maken. Onze geest is in voortdurende communicatie met onze hersenen. Als we onze hersenen geleerd hebben een bepaalde combinatie van signalen van onze zintuigen op een bepaalde manier te interpreteren en daarop te reageren, dan kunnen we vervolgens met andere instructies daarop voortbouwen. Het hele stelsel van interpretaties, automatismen reacties etc. die er in onze hersenen opgebouwd wordt, wordt echter bepaald door onze geest! Onze geest vertelt onze hersenen wat ze moeten doen. Onze geest kan niet terugvallen op een functie die niet ingebracht is in de hersenen. Als de handeling koppeling-op-laten-komen-en-gas-pedaal-indrukken niet aangeleerd, geprogrammeerd is, kan onze geest ook niet van die aangeleerde en opgeslagen handeling in onze hersenen gebruikmaken. Als er een stoornis is in de hersenen of de zintuigen, dan kan de geest ook geen gebruikmaken van die capaciteit van de hersenen. Maar de hersenen zijn niet gelijk aan de geest. De hersenen communiceren met de geest. De hersenen zijn het instrument waarmee de geest het lichaam kan laten doen wat het wil.” (Onderstreepte woorden staan schuin in het origineel.) Gebruik van het begrip “geest” Vooraf een korte opmerking. De WT tracht zijn lezers te misleiden door er op te wijzen dat er in de oudste manuscripten van het NT géén hoodfletters staan. Dus kan men - zeggen ze - niet zomaar bewijzen dat er een persoon is die Geest genoemd wordt, die gelijk zou zijn aan de Vader en Christus. Dit is misleidende taal want in die tijd was het onderscheid tussen hoofdletters en kleine letters nog niet aan dezelfde grammaticale regels gebonden als in onze moderne talen. In de vroegste handschriften was alles in hoofdletters geschreven, in andere, een latere periode, alles kleine letters. Men zou hetzelfde kunnen zeggen over het woord “God.” Afhankelijk van het soort manuscript staat er altijd “GOD” ofwel altijd “god.” Met de context valt echter het verdict welke “god” er in de tekst bedoeld wordt. En ook om welke “geest” het gaat, een persoon of een zaak. 1°) God als persoon. Joh.4:24 / Jes.31:3 / 40:13. God heeft (is!) ook geest, afgoden zijn het niet Jer.10:14 / 51:17. 2°) Christus als persoon. 1 Cor.15:45 / 1 Cor.6:17 / 2 Cor.3:17,18. De grootste fout die men kan maken, zoals onder Jehovah’s Getuigen, is zeggen: Christus is thans slechts geest. Het is uit de schriftgegevens duidelijk dat de opgestane Jezus vanaf de verrijzenis ook nog mens is gebleven. Paulus leert zonder omwegen dat de opstanding uit de doden door “een mens” is (1 Cor.15:21 / Hand.17:31). En wellicht moeten we ook meer nadruk leggen op “de Geest van Christus” die werkzaam is in de profeten van het OT (1 Pet.1:11).


LEVEN, Dood en opstanding_1999

32

Maar het is toch weer ook “de Geest” (zie n°3 hieronder). Christus en de Geest zijn voor ons soms niet te scheiden 2 Pet.1:21 / 1 Cor.12:7. 3°) De Heilige Geest als persoon. Hier gebruikt het NT twee belangrijke, te onderscheiden, uitdrukkingen. De eerste uitdrukking is “to pneuma hagion” waar alleen een lidwoord voor Geest staat. “To” = Griekse woord voor “de.” ”Pneuma” = Griekse woord voor ”Geest.” “Hagion” = Griekse woord voor “heilig.” De tweede gebruikt tweemaal een lidwoord: dus “to pneuma to hagion.” In letterlijke vertaling is dit dan: “de Geest, de Heilige.” Zo o.a. Mat.12:32 / Hand.1:16 / 5:3,32 / 7:51 / 13:2,4 / 15:8 / 28:25. De NBG heeft deze Griekse uitdrukkingen zeer goed weergegeven. Voor de eerste uitdrukking “de heilige Geest”, met één hoofdletter. Voor de dubbele Griekse lidwoorden tweemaal hoofdletter als “de Heilige Geest.” Dus ook “Heilige” met hoofdletter. In het NT vinden we ook nog tientallen malen gewoon “Geest” zonder adjectief, met of zonder lidwoord. Zo o.a. Rom.14:18 / 1 Cor.2:10 / 6:11 / 14:2 / 2 Cor.5:5 / 2 Thes.2:13. Het gaat dan om de “Geest” die in de “Ik”-vorm spreekt en dus een persoon is. Dat is duidelijk in Hand.10:20,21 / 13:2 en het slot van de brieven aan de zeven gemeenten uit het boek Openbaring. Wie gezondigd heeft tegen “de Geest, de Heilige” kan géén vergeving ontvangen want dat is een eeuwige zonde (Mat.12:31,32 en Marc.3:28-30). De zonde begaan tegen Jezus is minder erg dan deze tegen de Geest. In het OT vinden we slechts zevenmaal de uitdrukking “Heilige Geest” (o.a. Jes.63:10,11). En YaHWeH is te onderscheiden van de Heilige Geest in o.a. Jes.48:17. In de Griekse Septuaginta wordt (afgekort de LXX) “to pneuma to hagion” slechts tweemaal gebruikt. Maar daaruit kunnen geen gevolgtrekkingen geanalyseerd worden. In alle andere gevallen staat er meestal “de Geest van God.” De Vader, Zoon en Heilige Geest woont in de gelovige volgens Joh.14:17 en 23. 4°) De werkingen van de Heilige Geest. Er zijn 50 (of 51 naargelang de manuscripten) van dergelijke teksten in het NT. Zo in Mat.1:18,20 / 3:11 / Marc.1:8 / Luc.1:15,35,41,67 / 2:25 / 3:16 / 4:1 / 11:13 / Joh.1:33 / 20:22 / Hand.1:2,5 / 2:4 / 4:8,31 / 6:3,5 / 7:55 / 8:15,17,18 (hier is er verschil in de manuscripten), 19 / 9:17 / 10:38 / 11:16,24 / 13:9,52 / 19:2:2 / Rom.5:5 / 9:1 / 14:17 / 15:13,16 / 6:19 / 12:3 / 2 Cor.6:6 / 1 Thes.1:5,6 / 2 Tim.1:14 / Tit.3:5 / Heb.2:4 / 6:4 / 1 Pet.1:12 / 2 Pet.1:21 / Judas 20. Al deze teksten spreken over de kracht van de Heilige Geest, dus niet over de persoon, maar de werking ervan. Dit zijn de teksten waar het NT “pneuma hagion” gebruikt; dus zonder lidwoorden voor één van beide begrippen in de Griekse taal. De NBG heeft hier meestal als vertaling “de heilige Geest” (1 x hoofdletter) maar ook soms “de Heilige Geest” (2 maal hoofdletter) in bijvoorbeeld Luc.1:15,35,41,67. Echt uitsluitsel van wat we bedoelen kan dan slechts met de Griekse tekst in de hand. Voor het OT zie; Ex.31:3 / Num.27:18 / Richt.14:6 / 15:14 / 1 Sam.19:20 / Micha 3:8. De adem van de Almachtige zegt Job 33:4. 5°) De kracht die mens en dier levend maakt. Ps.31:6 / Job 14:10 / 34:15 / Marc.15:39. Wat de mens betreft is het de geest van God en zal tot God terugkeren. Pred.12:7. 6°) De nieuwe natuur van de gelovige mens.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

33

Rom.1:9 / 1 Cor.2:11 / 1 Sam.10:6 / Eph.3:16 / Ps.51:12. Maar de geest van de zondige mens moet gereinigd en geheiligd worden 1 Cor.7:34 / 2 Cor.7:1. De gelovige leeft dan “in de geest” Rom.8:9,10. Daarom heeft hij ook strijd met zijn vlees Gal.5:17 / Rom.8:2. En zal zijn begeerten niet meer gehoorzamen (Rom.6:12). Door deze wordt het denken vernieuwd (Rom.12:2). Door de Geest is de gelovige begonnen aan een verjongingskuur (Eph.4:23). We worden “vernieuwd” naar kennis en begrip Col.3:10. God is “de Vader der geesten” (Heb.12:9) ook van deze nieuwe schepping. Natuurlijke mensen, t.t.z. wie niet bekeerd zijn, hebben deze Geest niet (1 Cor.2:14 / Jac.3:15 / Judas 19). Wij, de gelovigen, dienen God in onze geest volgens Rom.1:9. 7°) Engelen. Hand.23:9 / Heb.1:7 / Ps.104:4. Verblijven met God in de hemel Opb.5:11 / Heb.12:22. In het OT vb.1 Kon.22:21. Ze hebben evenals demonen géén lichaam van vlees en beenderen (Luc.24:39). God heeft ze bij hun schepping een “geest” gegeven Ps.33:6. Ze hebben dus “geest” en zijn zelf lichamelijk “geesten” (onzichtbare personen). Ze zijn “dienende geesten” zegt Heb.1:14 en ze hadden een aandeel in het doorgeven van de wet van Mozes aan Israël volgens Hand.7:53 / Gal.3:19 / Heb.3:19. 8°) Demonen zijn onreine geesten. (Marc.1:23 / 5:2,8) of boze geesten (Hand.19:16). Deze beide uitdrukkingen vinden we vooral in de evangeliën. In het OT vb. Job 1:6 / 4:15. Enkelen zitten nu al in verzekerde bewaring tot de dag van het oordeel 2 Pet.2:4 / Jud.6. 9°) Geestesgesteldheid die goed of slecht kan zijn. geest van leugen 1 Kon.22:22. geest van bedwelming Jes.19:14. geest van hoererij Hos.4:12. geest van onreinheid Zach.13:2. geest van zachtmoedigheid 1 Cor.4:21. geest van zoonschap Rom.8:15 en 11:15. Er bestaat dus zoiets als de onheilige geest = geestesuitingen, dit zijn er de belangrijkste van; “De geest van lafhartigheid” (2 Tim.1:7)  “Een waarzeggende geest” (Hand.16:16)  “De geest van slavernij” (Rom.8:15)  “De geest van de Antichrist” (1 Joh.4:3)  “De geest van de wereld” (1 Cor.2:12)  “De geest van diepe slaap” (Rom.11:8)  “De geest der dwaling” (1 Joh.4:6) 10°) Geestesvervoeringen. Een profeet of gelovige die in visionaire toestand komt, daarover zegt de Schrift letterlijk dat hij “in de geest” is. Zie o.a.; Opb.1:10 / 4:2 / 17:3 voor de apostel Johannes en 1 Cor.14:14 / 2 Cor.12:2 voor Paulus. Maar dat kan men ook al vinden in het OT bij Zach.12:1. En de profeten voorzeggen daar een uitbarsting van Gods Heilige Geest wanneer de Messias komt (Jer.31:31-34 / Ezech.36:26-29 / Joël 2:28-34 / Hand.2:16-21). De verhalen met betrekking tot de geboorte van de Messias maken dit ook duidelijk. Sinds Ezra en Nehemia was Gods Geest niet meer werkzaam geweest in de profeten. Enkele apocriefe boeken wijzen hier op (1 Mac.4:46 / 14:41). Vanaf Pinksteren is de Heilige Geest in volle werking in de gemeente en in elke gelovige afzonderlijk. De Almachtige is soeverein over deze geest. Hij geeft hem en neemt hem geheel of gedeeltelijk terug. Zie als voorbeelden; Num.11:17,25 / 2 Kon.2:9 / Ezech.2:2 / 3:24.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

34

11°) Als synechdoche waar spreekwoordelijk een deel de voorstelling is van het geheel. Voor de gehele mens Luc.1:47 / 1 Joh.4:1-3 (Mijn geest = ik) Ps.77:3,6 / 106:33 / Dan.2:1,3. Zo worden vele dingen die aan de geest toegeschreven worden ook gezegd van de ziel t.t.z. de mens. Men is bedroefd van geest of ziel (Jes.54:6 / 1 Sam.1:10). De geest heeft kennis (de ziel heeft kennis (Ps.77:7 / Ps.139:14). De mens sterft = de geest gaat terug naar God = de ziel sterft (Ps.31:6 / Gen.35:18).

De lange uitweiding die we maken bij n°3 is te lezen in het licht van de oppervlakkige opmerkingen van de WT over de Heilige Geest in o.a. ‘Inzicht in de Schrift, deel 1, 1995, p.734-736. Ook de Adventkerk geeft toe dat er een groot aantal betekenissen in het woord “geest” aanwezig zijn zowel in het Hebreeuws als het Grieks (Zie ‘Questions’ p.515-517 en Review and Herald June 12, 1975). Eerste conclusie: Er zijn enkele parallellen waar de geest = de ziel o.a. Job 7:4 / 12:10 / Jes.26:9 / Luc.1:46,47. Een andere parallel mijn ziel = mijn vlees = ik, in Ps.63:2 / Spr.11:17. Of de parallel hart = geest Ps.34:19 / 51:12 / 77:7. Bij dit alles nog een klein citaat van de WT. We lezen in ‘Onwaakt!’ van 8 jan. 1999 p.26: “Het zou niet helemaal nauwkeurig zijn te zeggen dat de heilige geest Gods kracht is. Dit is zo omdat kracht latent in iemand of iets aanwezig kan zijn, of kan sluimeren, zoals energie die opgeslagen is in een opgeladen maar ongebruikte batterij. De Schrift heeft het echter over Gods Geest in de context van in beweging zijn, ongeveer zoals de elektrische stroom afkomstig van een batterij die in gebruik is (Genesis 1:2). Gods heilige geest is daarom zijn geprojecteerde energie, zijn werkzame kracht.” We gaan hier niet meer op in. In elk geval zijn ze ofwel hun leer aan het aanpassen want dat is niet meer hetzelfde als wat we op pagina 17 aanhalen. Ofwel gaat het om een formulering die uiteindelijk niet zal voldoen en niet meer herhaald zal worden. Tweede conclusie: Wanneer Jehovah’s Getuigen, Adventisten en anderen beweren dat op schriftuurlijke basis moet geleerd worden dat alle mensen gelijk zijn, gezien ze éénzelfde geest hebben die hun levend houdt, dan moeten ze toch broodnodig hun leer toetsen aan de hiernavolgende tabel. Want wanneer we de elfdelige onderverdeling die we hebben gemaakt vertalen naar de gelovigen en de ongelovigen toe krijgen we dit: Benaming

Gelovige

Ongelovige

1) God

ja, 1 Cor.3:16

neen,1 Joh.4:6

2) Christus

ja, Joh.14:23

neen, Joh.3:36

3) Heilige Geest

ja, 1 Joh.4:13

neen, Joh.14:17

4) Werking H. Geest

ja, Gal.4:6

neen, 1 Cor.2:14

5) Levenskracht

ja, Pred.12:7

ja, Pred.12:7

6) Nieuwe natuur

ja, 1 Pet.2:5

neen, Opb.22:11

7) Engelen

ja, Ps.34:7

neen, Mat.25:31

8) Demonen

neen, Jac.4:7

ja, 2 Cor.4:4


LEVEN, Dood en opstanding_1999

9) Geestesgesteld

goed, Rom.8:1

35

zondig, Gal.5:17

10) Geestesvervoering ja,voor profeten Ezech.2:2 / 10:1

nooit, Rom.8:9

11) Synechdoche

ja,

ja,

Laten we het Woord Gods toch niet krachteloos maken door onze overleveringen zoals de FarizeeÍn gedaan hebben (Marc.7:13). Dus: de ene geest is de andere niet! Appendix 2 = GEEST International Standard Bible Encyclopedia Op bible-history.com - ISBE; 1915. GHOST gost (nephesh; pneuma) : "Ghost," the middle-English word for "breath," "spirit," appears in the King James Version as the translation of nephesh ("breath," "the breath of life," animal soul or spirit, the vital principle, hence, "life"), in two places of the Old Testament, namely, Job 11:20, "the giving up of the ghost" (so the Revised Version (British and American)), and Jer 15:9, "She hath given up the ghost"; gawa`, "to gasp out, "expire" (die), is also several times so translated (Gen 25:8,17; 35:29; 49:33; Job 3:11; 10:18; 13:19; 14:10; Lam 1:19). In Apocrypha (Tobit 14:11) psuche is translated in the same way as nephesh in the Old Testament, and in 2 Macc 3:31, en eschate pnoe is rendered "give up the ghost," the Revised Version (British and American) "quite at the last gasp." In the New Testament "to give up the ghost" is the translation of ekpneo, "to breathe out" (Mk 15:37,39; Lk 23:46; so the Revised Version (British and American)); of ekpsucho, "to breathe out," "expire" (Acts 5:5,10; 12:23); in Mt 27:50, apheken to pneuma, and in Jn 19:30, paredoken to pneuma, are rendered respectively, "yielded" and "gave up the ghost," the Revised Version (British and American) "yielded up his spirit," "gave up his spirit." "The Holy Ghost" is also frequent in the King James Version; in the American Standard Revised Version it is invariably changed to "Holy Spirit," in the English Revised Version sometimes only, chiefly in the Gospels. See HOLY SPIRIT; SPIRIT. W. L. Walker Orr, James, M.A., D.D. General Editor. "Definition for 'GHOST'". "International Standard Bible Encyclopedia". bible-history.com - ISBE; 1915. Copyright Information Š International Standard Bible Encyclopedia (ISBE) //////////////////////////// Vine's Expository Dictionary of New Testament Words Op http://www.mf.no/bibel/vines.html Topic: Spirit


LEVEN, Dood en opstanding_1999

36

<1,,4151,pneuma> primarily denotes "the wind" (akin to pneo, "to breathe, blow"); also "breath;" then, especially "the spirit," which, like the wind, is invisible, immaterial and powerful. The NT uses of the word may be analyzed approximately as follows: "(a) the wind, John 3:8 (where marg. is, perhaps, to be preferred); Heb. 1:7; cp. Amos 4:13, Sept.; (b) the breath, 2 Thess. 2:8; Rev. 11:11; 13:15; cp. Job 12:10, Sept.; (c) the immaterial, invisible part of man, Luke 8:55; Acts 7:59; 1 Cor. 5:5; Jas. 2:26; cp. Eccl. 12:7, Sept.; (d) the disembodied (or 'unclothed,' or 'naked,' 2 Cor. 5:3,4) man, Luke 24:37,39; Heb. 12:23; 1 Pet. 4:6; (e) the resurrection body, 1 Cor. 15:45; 1 Tim. 3:16; 1 Pet. 3:18; (f) the sentient element in man, that by which he perceives, reflects, feels, desires, Matt. 5:3; 26:41; Mark 2:8; Luke 1:47,80; Acts 17:16; 20:22; 1 Cor. 2:11; 5:3,4; 14:4,15; 2 Cor. 7:1; cp. Gen. 26:35; Isa. 26:9; Ezek. 13:3; Dan. 7:15; (g) purpose, aim, 2 Cor. 12:18; Phil. 1:27; Eph. 4:23; Rev. 19:10; cp. Ezra 1:5; Ps. 78:8; Dan. 5:12; (h) the equivalent of the personal pronoun, used for emphasis and effect: 1st person, 1 Cor. 16:18; cp. Gen. 6:3; 2nd person, 2 Tim. 4:22; Philem. 1:25; cp. Ps. 139:7; 3rd person, 2 Cor. 7:13; cp. Isa. 40:13; (i) character, Luke 1:17; Rom. 1:4; cp. Num. 14:24; (j) moral qualities and activities: bad, as of bondage, as of a slave, Rom. 8:15; cp. Isa. 61:3; stupor, Rom. 11:8; cp. Isa. 29:10; timidity, 2 Tim. 1:7; cp. Josh. 5:1; good, as of adoption, i.e., liberty as of a son, Rom. 8:15; cp. Ps. 51:12; meekness, 1 Cor. 4:21; cp. Prov. 16:19; faith, 2 Cor. 4:13; quietness, 1 Pet. 3:4; cp. Prov. 14:29 (k) the Holy Spirit, e.g., Matt. 4:1 (see below); Luke 4:18; (l) 'the inward man' (an expression used only of the believer, Rom. 7:22; 2 Cor. 4:16; Eph. 3:16); the new life, Rom. 8:4-6,10,16; Heb. 12:9; cp. Ps. 51:10; (m) unclean spirits, demons, Matt. 8:16; Luke 4:33; 1 Pet. 3:19; cp. 1 Sam. 18:10; (n) angels, Heb. 1:14; cp. Acts 12:15; (o) divine gift for service, 1 Cor. 14:12,32; (p) by metonymy, those who claim to be depostories of these gifts, 2 Thess. 2:2; 1 John 4:1-3; (q) the significance, as contrasted with the form, of words, or of a rite, John 6:63; Rom. 2:29; 7:6; 2 Cor. 3:6; (r) a vision, Rev. 1:10; 4:2; 17:3; 21:10." * [* From Notes on Thessalonians, by Hogg and Vine, pp 204,205.] Notes: (1) For phantasma, rendered "spirit," Matt. 14:26; Mark 6:49, AV, see APPARITION. (2) For the distinction between "spirit" and "soul," see under SOUL, last three paragraphs. * The Holy Spirit The "Holy Spirit" is spoken of under various titles in the NT ("Spirit" and "Ghost" are renderings of the same word, pneuma; the advantage of the rendering "Spirit" is that it can always be used, whereas "Ghost" always requires the word "Holy" prefixed.) In the following list the omission of the definite article marks its omission in the original (concerning this see below): "Spirit, Matt. 22:43; Eternal Spirit, Heb. 9:14; the Spirit, Matt. 4:1; Holy Spirit, Matt. 1:18; the Holy Spirit, Matt. 28:19; the Spirit, the Holy, Matt. 12:32; the Spirit of promise, the Holy, Eph. 1:13; Spirit of God, Rom. 8:9; Spirit of (the) living God, 2 Cor. 3:3; the Spirit of God, 1 Cor. 2:11; the Spirit of our God, 1 Cor. 6:11; the Spirit of God, the Holy, Eph. 4:30; the Spirit of glory and of God, 1 Pet. 4:14; the Spirit of Him that raised up Jesus from the dead (i.e., God), Rom. 8:11; the Spirit of your Father, Matt. 10:20; the Spirit of His Son, Gal. 4:6; Spirit of (the) Lord, Acts 8:39; the Spirit of (the) Lord, Acts 5:9; (the) Lord, (the) Spirit, 2 Cor. 3:18; the Spirit of Jesus, Acts 16:7; Spirit of Christ, Rom. 8:9; the Spirit of Jesus Christ, Phil. 1:19; Spirit of adoption, Rom. 8:15; the Spirit of truth, John 14:17; the Spirit of life, Rom. 8:2; the Spirit of grace, Heb. 10:29." * [* From Notes on Galatians, by Hogg and Vine, p. 193.] The use or absence of the article in the original where the "Holy Spirit" is spoken of cannot always be decided by grammatical rules, nor can the presence or absence of the article alone determine


LEVEN, Dood en opstanding_1999

37

whether the reference is to the "Holy Spirit." Examples where the Person is meant when the article is absent are Matt. 22:43 (the article is used in Mark 12:36); Acts 4:25, RV (absent in some texts); 19:2,6; Rom. 14:17; 1 Cor. 2:4; Gal. 5:25 (twice); 1 Pet. 1:2. Sometimes the absence is to be accounted for by the fact that Pneuma (like Theos) is substantially a proper name, e.g., in John 7:39. As a general rule the article is present where the subject of the teaching is the Personality of the Holy Spirit, e.g., John 14:26, where He is spoken of in distinction from the Father and the Son. See also 15:26 and cp. Luke 3:22. In Gal. 3:3, in the phrase "having begun in the Spirit," it is difficult to say whether the reference is to the "Holy Spirit" or to the quickened spirit of the believer; that it possibly refers to the latter is not to be determined by the absence of the article, but by the contrast with "the flesh;" on the other hand, the contrast may be between the "Holy Spirit" who in the believer sets His seal on the perfect work of Christ, and the flesh which seeks to better itself by works of its own. There is no preposition before either noun, and if the reference is to the quickened spirit it cannot be dissociated from the operation of the "Holy Spirit." In Gal. 4:29 the phrase "after the Spirit" signifies "by supernatural power," in contrast to "after the flesh," i.e., "by natural power," and the reference must be to the "Holy Spirit;" so in Gal. 5:17. The full title with the article before both pneuma and hagios (the "resumptive" use of the article), lit., "the Spirit the Holy," stresses the character of the Person, e.g., Matt. 12:32; Mark 3:29; 12:36; 13:11; Luke 2:26; 10:21 (RV); John 14:26; Acts 1:16; 5:3; 7:51; 10:44,47; 13:2; 15:28; 19:6; 20:23,28; 21:11; 28:25; Eph. 4:30; Heb. 3:7; 9:8; 10:15. The Personality of the Spirit is emphasized at the expense of strict grammatical procedure in John 14:26; 15:26; 16:8,13,14, where the emphatic pronoun ekeinos, "He," is used of Him in the masculine, whereas the noun pneuma is neuter in Greek, while the corresponding word in Aramaic, the language in which our Lord probably spoke, is feminine (rucha, cp. Heb. ruach). The rendering "itself" in Rom. 8:16,26, due to the Greek gender, is corrected to "Himself" in the RV. The subject of the "Holy Spirit" in the NT may be considered as to His Divine attributes; His distinct Personality in the Godhead; His operation in connection with the Lord Jesus in His birth, His life, His baptism, His death; His operations in the world; in the church; His having been sent at Pentecost by the Father and by Christ; His operations in the individual believer; in local churches; His operations in the production of Holy Scripture; His work in the world, etc. //////////////////////////// Appendix 3 = HEILIGE GEEST Eastonâ&#x20AC;&#x2122;s Bible Dictionary Op http://www.christnotes.org/

Holy Ghost: the third Person of the adorable Trinity. His personality is proved 1. from the fact that the attributes of personality, as intelligence and volition, are ascribed to him (John 14:17,26; 15:26; 1 Corinthians 2:10,11; 12:11). He reproves, helps, glorifies, intercedes (John 16:7-13; Romans 8:26).


LEVEN, Dood en opstanding_1999

38

2. He executes the offices peculiar only to a person. The very nature of these offices involves personal distinction (Luke 12:12; Acts 5:32; 15:28; 16:6; 28:25; 1 Corinthians 2:13; Hebrews 2:4; 3:7; 2 Peter 1:21). His divinity is established 1. from the fact that the names of God are ascribed to him (Exodus 17:7; Psalm 95:7; comp. Hebrews 3:7-11); and 2. that divine attributes are also ascribed to him, omnipresence (Psalm 139:7; Ephesians 2:17,18; 1 Corinthians 12:13); omniscience (1 Corinthians 2:10,11); omnipotence (Luke 1:35; Romans 8:11); eternity (Hebrews 9:4). 3. Creation is ascribed to him (Genesis 1:2; Job 26:13; Psalm 104:30), and the working of miracles (Matthew 12:28; 1 Corinthians 12:9-11). 4. Worship is required and ascribed to him (Isaiah 6:3; Acts 28:25; Romans 9:1; Revelation 1:4; Matthew 28:19). ////////////////////////////

International Standard Bible Encyclopedia Op bible-history.com - ISBE; 1915. HOLY SPIRIT, 1 ho'-li spir'-it: I. OLD TESTAMENT TEACHINGS AS TO THE SPIRIT 1. Meaning of the Word 2. The Spirit in Relation to the Godhead 3. The Spirit in External Nature 4. The Spirit of God In Man 5. Imparting Powers for Service (1) Judges and Warriors (2) Wisdom for Various Purposes (3) In Prophecy 6. Imparting Moral Character 7. The Spirit in in the Messiah 8. Predictions of Future Outpouring of the Spirit II. THE SPIRIT IN THE NON-CANONICAL LITERATURE 1. The Spirit in Josephus 2. The Spirit in the Pseudepigrapha 3. The Spirit in the Wisdom of Solomon 4. The Spirit in Philo III. THE HOLY SPIRIT IN THE NEW TESTAMENT 1. In Relation to the Person and Work of Christ (1) Birth of Jesus (2) Baptism of Jesus (3) Temptation of Jesus (4) Public Ministry of Jesus (5) Death and Resurrection and Pentecostal Gift 2. The Holy Spirit in the Kingdom of God


LEVEN, Dood en opstanding_1999

39

(1) Synoptic Teachings (2) In the Writings of John (3) In Acts (4) In Paul's Writings (a) The Spirit and Jesus (b) In Bestowing Charismatic Gifts (c) In the Beginnings of the Christian Life (d) In the Religious and Moral Life (e) In the Church (f) In the Resurrection of Believers (5) The Holy Spirit in Other New Testament Writings LITERATURE The expression Spirit, or Spirit of God, or Holy Spirit, is found in the great majority of the books of the Bible. In the Old Testament the Hebrew word uniformly employed for the Spirit as referring to God's Spirit is ruach meaning "breath," "wind" or "breeze." The verb form of the word is ruach, or riach used only in the Hiphil and meaning "to breathe," "to blow." A kindred verb is rawach, meaning "to breathe" "having breathing room," "to be spacious," etc. The word always used in the New Testament for the Spirit is the Greek neuter noun pneuma, with or without the article, and for Holy Spirit, pneuma hagion, or to pneuma to hagion. In the New Testament we find also the expressions, "the Spirit of God," "the Spirit of the Lord," "the Spirit of the Father," "the Spirit of Jesus," "of Christ." The word for Spirit in the Greek is from the verb pneo, "to breathe," "to blow." The corresponding word in the Latin is spiritus, meaning "spirit." I. Old Testament Teachings as to the Spirit. 1. Meaning of the Word: At the outset we note the significance of the term itself. From the primary meaning of the word which is "wind," as referring to Nature, arises the idea of breath in man and thence the breath, wind or Spirit of God. We have no way of tracing exactly how the minds of the Biblical writers connected the earlier literal meaning of the word with the Divine Spirit. Nearly all shades of meaning from the lowest to the highest appear in the Old Testament, and it is not difficult to conceive how the original narrower meaning was gradually expanded into the larger and wider. The following are some of the shades of Old Testament usage. From the notion of wind or breath, ruach came to signify: (1) the principle of life itself; spirit in this sense indicated the degree of vitality: "My spirit is consumed, my days are extinct" (Job 17:1; also Jdg 15:19; 1 Sam 30:12); (2) human feelings of various kinds, as anger (Jdg 8:3; Prov 29:11), desire (Isa 26:9), courage (Josh 2:11); (3) intelligence (Ex 28:3; Isa 29:24); (4) general disposition (Ps 34:18; 5l 17; Prov 14:29; 16:18; 29:23). No doubt the Biblical writers thought of man as made in the image of God (Gen 1:27 f), and it was easy for them to think of God as being like man. It is remarkable that their anthropomorphism did not go farther. They preserve, however, a highly spiritual conception of God as compared with that of surrounding nations. But as the human breath was an invisible part of man, and as it represented his vitality, his life and energy, it was easy to transfer the conception to God in the effort to represent His energetic and transitive action upon man and Nature. The Spirit of God, therefore, as based upon the idea of the ruach or breath of man, originally stood for the energy or power of God (Isa 31:3; compare A. B. Davidson, Theology of the Old Testament, 117-18), as contrasted with the weakness of the flesh. 2. The Spirit in Relation to the Godhead: We consider next the Spirit of God in relation to God Himself in the Old Testament. Here there are several points to be noted. The first is that there is no indication of a belief that the Spirit of God was a material particle or emanation from God. The point of view of Biblical writers is nearly always practical rather than speculative. They did not philosophize about the Divine nature. Never-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

40

theless, they retained a very clear distinction between spirit and flesh or other material forms. Again we observe in the Old Testament both an identification of God and the Spirit of God, and also a clear distinction between them. The identification is seen in Ps 139:7 where the omnipresence of the Spirit is declared, and in Isa 63:10; Jer 31:33; Ezek 36:27. In a great number of passages, however, God and the Spirit of God are not thought of as identical, as in Gen 1:2; 6:3; Neh 9:20; Ps 51:11; 104:29 f. Of course this does not mean that God and the Spirit of God were two distinct beings in the thought of Old Testament writers, but only that the Spirit had functions of His own in distinction from God. The Spirit was God in action, particularly when the action was specific, with a view to accomplishing some particular end or purpose of God. The Spirit came upon individuals for special purposes. The Spirit was thus God immanent in man and in the world. As the angel of the Lord, or angel of the Covenant in certain passages, represents both Yahweh Himself and one sent by Yahweh, so in like manner the Spirit of Yahweh was both Yahweh within or upon man, and at the same time one sent by Yahweh to man. Do the Old Testament teachings indicate that in the view of the writers the Spirit of Yahweh was a distinct person in the Divine nature? The passage in Gen 1:26 is scarcely conclusive. The idea and importance of personality were but slowly developed in Israelite thought. Not until some of the later prophets did it receive great emphasis, and even then scarcely in the fully developed form. The statement in Gen 1:26 may be taken as the plural of majesty or as referring to the Divine council, and on this account is not conclusive for the Trinitarian view. Indeed, there are no Old Testament passages which compel us to understand the complete New Testament doctrine of the Trinity and the distinct personality of the Spirit in the New Testament sense. There are, however, numerous Old Testament passages which are in harmony with the Trinitarian conception and prepare the way for it, such as Ps 139:7; Isa 63:10; 48:16; Hag 2:5; Zec 4:6. The Spirit is grieved, vexed, etc., and in other ways is conceived of personally, but as He is God in action, God exerting power, this was the natural way for the Old Testament writers to think of the Spirit. The question has been raised as to how the Biblical writers were able to hold the conception of the Spirit of God without violence to their monotheism. A suggested reply is that the idea of the Spirit came gradually and indirectly from the conception of subordinate gods which prevailed among some of the surrounding nations (I.F. Wood, The Spirit of God in Biblical Literature, 30). But the best Israelite thought developed in opposition to, rather than in analogy with, polytheism. A more natural explanation seems to be that their simple anthropomorphism led them to conceive the Spirit of God as the breath of God parallel with the conception of man's breath as being part of man and yet going forth from him. 3. The Spirit in External Nature: We consider next the Spirit of God in external Nature. "And the Spirit of God moved (was brooding or hovering) upon the face of the waters" (Gen 1:2). The figure is that of a brooding or hovering bird (compare Dt 32:11). Here the Spirit brings order and beauty out of the primeval chaos and conducts the cosmic forces toward the goal of an ordered universe. Again in Ps 104:28-30, God sends forth His Spirit, and visible things are called into being: "Thou sendest forth thy Spirit, they are created; and thou renewest the face of the ground." In Job 26:13 the beauty of the heavens is ascribed to the Spirit: "By his Spirit the heavens are garnished." In Isa 32:15 the wilderness becomes a fruitful field as the result of the outpouring of the Spirit. The Biblical writers scarcely took into their thinking the idea of second causes, certainly not in the modern scientific sense. They regarded the phenomena of Nature as the result of God's direct action through His Spirit. At every point their conception of the Spirit saved them from pantheism on the one hand and polytheism on the other. 4. The Spirit of God in Man: The Spirit may next be considered in imparting natural powers both physical and intellectual. In Gen 2:7 God originates man's personal and intellectual life by breathing into his nostrils "the breath of life." In Nu 16:22 God is "the God of the spirits of all flesh." In Ex 28:3; 31:3; 35:31, wisdom for all kinds of workmanship is declared to be the gift of God. So also physical life is due


LEVEN, Dood en opstanding_1999

41

to the presence of the Spirit of God (Job 27:3);. and Elihu declares (Job 33:4) that the Spirit of God made him. See also Ezek 37:14 and 39:29. Thus man is regarded by the Old Testament writers, in all the parts of his being, body, mind and spirit, as the direct result of the action of the Spirit of God. In Gen 6:3 the Spirit of God "strives" with or "rules" in or is "humbled" in man in the antediluvian world. Here reference is not made to the Spirit's activity over and above, but within the moral nature of man. 5. Imparting Powers for Service: The greater part of the Old Testament passages which refer to the Spirit of God deal with the subject from the point of view of the covenant relations between Yahweh and Israel. And the greater portion of these, in turn, have to do with gifts and powers conferred by the Spirit for service in the ongoing of the kingdom of God. We fail to grasp the full meaning of very many statements of the Old Testament unless we keep constantly in mind the fundamental assumption of all the Old Testament, namely, the covenant relations between God and Israel. Extraordinary powers exhibited by Israelites of whatever kind were usually attributed to the Spirit. These are so numerous that our limits of space forbid an exhaustive presentation. The chief points we may notice. (1) Judges and Warriors. The children of Israel cried unto Yahweh and He raised up a savior for them, Othniel, the son of Kenaz: "And the Spirit of Yahweh came upon him, and he judged Israel" (Jdg 3:10). So also Gideon (Jdg 6:34): "The Spirit of Yahweh came upon (literally, clothed itself with) Gideon." In Jdg 11:29 "the spirit of Yahweh came upon Jephthah"; and in 13:25 "the Spirit of Yahweh began to move" Samson. In 14:6 "the Spirit of Yahweh came mightily upon him." In 1 Sam 16:14 we read "the Spirit of Yahweh departed from Saul, and an evil spirit from Yahweh troubled him." In all this class of passages, the Spirit imparts special endowments of power without necessary reference to the moral character of the recipient. The end in view is not personal, merely to the agent, but concerns theocratic kingdom and implies the covenant between God and Israel. In some cases the Spirit exerts physical energy in a more direct way (2 Ki 2:16; Ezek 2:1 f; 3:12). (2) Wisdom for Various Purposes. Bezalel is filled with the Spirit of God in wisdom and in understanding to work in gold, and silver and brass, etc., in the building of the tabernacle (Ex 31:2-4; 35:31); and the Spirit of wisdom is given to others in making Aaron's garments (Ex 28:3). So also of one of the builders of Solomon's temple (1 Ki 7:14; 2 Ch 2:14). In these cases there seems to be a combination of the thought of natural talents and skill to which is superadded a special endowment of the Spirit. Pharaoh refers to Joseph as one in whom the Spirit of God is, as fitting him for administration and government (Gen 41:38). Joshua is qualified for leadership by the Spirit (Nu 27:18). In this and in Dt 34:9, Joshua is represented as possessing the Spirit through the laying on of the hands of Moses. This is an interesting Old Testament parallel to the bestowment of the Spirit by laying on of hands in the New Testament (Acts 8:17; 19:6). Daniel is represented as having wisdom to interpret dreams through the Spirit, and afterward because of the Spirit he is exalted to a position of authority and power (Dan 4:8; 5:11-14; 6:3). The Spirit qualifies Zerubbabel to rebuild the temple (Zec 4:6). The Spirit was given to the people for instruction and strengthening during the wilderness wanderings (Neh 9:20), and to the elders along with Moses (Nu 11:17,25). It thus appears how very widespread were the activities of the redemptive Spirit, or the Spirit in the covenant. All these forms of the Spirit's action bore in some way upon the national life of the people, and were directed in one way or another toward theocratic ends. (3) In Prophecy. The most distinctive and important manifestation of the Spirit's activity in the Old Testament was in the sphere of prophecy. In the earlier period the prophet was called seer (ro'eh), and later he was called prophet (nabhi'). The word "prophet" (prophetes) means one who speaks for God. The prophets were very early differentiated from the masses of the people into a prophetic class or order, although Abraham himself was called a prophet, as were Moses and other leaders (Gen 20:7; Dt 18:15). The prophet was especially distinguished from others as the man who possessed the


LEVEN, Dood en opstanding_1999

42

Spirit of God (Hos 9:7). The prophets ordinarily began their messages with the phrase, "thus saith Yahweh," or its equivalent. But they ascribed their messages directly also to the Spirit of God (Ezek 2:2; 8:3; 11:1,24; 13:3). The case of Balaam presents some difficulties (Nu 24:2). He does not seem to have been a genuine prophet, but rather a diviner, although it is declared that the Spirit of God came upon him. Balaam serves, however, to illustrate the Old Testament point of view. The chief interest was the national or theocratic or covenant ideal, not that of the individual. The Spirit was bestowed at times upon unworthy men for the achievement of these ends. Saul presents a similar example. The prophet was God's messenger speaking God's message by the Spirit. His message was not his own. It came directly from God, and at times overpowered the prophet with its urgency, as in the case of Jeremiah (1:4 ff). There are quite perceptible stages in the development of the Old Testament prophecy. In the earlier period the prophet was sometimes moved, not so much to intelligible speech, as by a sort of enthusiasm or prophetic ecstasy. In 1 Sam 10 we have an example of this earlier form of prophecy, where a company with musical instruments prophesied together. To what extent this form of prophetic enthusiasm was attended by warnings and exhortations, if so attended at all, we do not know. There was more in it than in the excitement of the diviners and devotees of the surrounding nations. For the Spirit of Yahweh was its source. In the later period we have prophecy in its highest forms in the Old Testament. The differences between earlier and later prophecy are probably due in part to the conditions. The early period required action, the later required teaching. The judges on whom the Spirit came were deliverers in a turbulent age. There was not need for, nor could the people have borne, the higher ethical and spiritual truths which came in later revelations through the prophets Isaiah, Jeremiah and others. See 2 Sam 23:2; Ezek 2:2; 8:3; 11:24; 13:3;. Mic 3:8; Hos 9:7. A difficulty arises from statements such as the following: A lying spirit was sometimes present in the prophet (1 Ki 22:21 f); Yahweh puts a spirit in the king of Assyria and turns him back to his destruction (Isa 37:7); because of sin, a lying prophet should serve the people (Mic 2:11); in Micaiah's vision Yahweh sends a spirit to entice Ahab through lying prophets (1 Ki 22:19 ff); an evil spirit from Yahweh comes upon Saul (1 Sam 16:14; 18:10; 19:9). The following considerations may be of value in explaining these passages. Yahweh was the source of things generally in Old Testament thought. Its pronounced monotheism appears in this as in so many other ways. Besides this, Old Testament writers usually spoke phenomenally. Prophecy was a particular form of manifestation with certain outward marks and signs. Whatever presented these outward marks was called prophecy, whether the message conveyed was true or false. The standard of discrimination here was not the outward signs of the prophet, but the truth or right of the message as shown by the event. As to the evil spirit from Yahweh, it may be explained in either of two ways. First, it may have referred to the evil disposition of the man upon whom God's Spirit was acting, in which case he would resist the Spirit and his own spirit would be the evil spirit. Or the "evil spirit from Yahweh" may have referred, in the prophet's mind, to an actual spirit of evil which Yahweh sent or permitted to enter the man. The latter is the more probable explanation, in accordance with which the prophet would conceive that Yahweh's higher will was accomplished, even through the action of the evil spirit upon man's spirit. Yahweh's judicial anger against transgression would, to the prophet's mind, justify the sending of an evil spirit by Yahweh. 6. Imparting Moral Character: The activity of the Spirit in the Old Testament is not limited to gifts for service. Moral and spiritual character is traced to the Spirit's operations as well. "Thy holy Spirit" (Ps 51:11); "his holy spirit" (Isa 63:10); "thy good Spirit" (Neh 9:20); "Thy Spirit is good" (Ps 143:10) are expressions pointing to the ethical quality of the Spirit's action. "Holy" is from the verb form (qadhash), whose root meaning is doubtful, but which probably meant "to be separated" from which it comes to mean to be exalted, and this led to the conception to be Divine. And as Yahweh is morally good, the conception of "the holy (= Divine) one" came to signify the holy one in the moral sense. Thence the word was applied to the Spirit of Yahweh. Yahweh gives His good Spirit for instruc-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

43

tion (Neh 9:20); the Spirit is called good because it teaches to do God's will (Ps 143:10); the Spirit gives the fear of the Lord (Isa 11:2-5); judgment and righteousness (Isa 32:15 ff); devotion to the Lord (Isa 44:3-5); hearty obedience and a new heart (Ezek 36:26 f); penitence and prayer (Zec 12:10). In Ps 51:11 there is an intense sense of guilt and sin coupled with the prayer, "Take not thy holy Spirit from me." Thus, we see that the Old Testament in numerous ways recognizes the Holy Spirit as the source of inward moral purity, although the thought is not so developed as in the New Testament. 7. The Spirit in the Messiah: In both the first and the second sections of Isaiah, there are distinct references to the Spirit in connection with the Messiah, although the Messiah is conceived as the ideal King who springs from the root of David in some instances, and in others as the Suffering Servant of Yahweh. This is not the place to discuss the Messianic import of the latter group of passages which has given rise to much difference of opinion. As in the case of the ideal Davidic King which, in the prophet's mind, passes from the lower to the higher and Messianic conception, so, under the form of the Suffering Servant, the "remnant" of Israel becomes the basis for an ideal which transcends in the Messianic sense the original nucleus of the conception derived from the historic events in the history of Israel. The prophet rises in the employment of both conceptions to the thought of the Messiah who is the "anointed" of Yahweh as endued especially with the power and wisdom of the Spirit. In Isa 11:1-5 a glowing picture is given of the "shoot out of the stock of Jesse." The Spirit imparts "wisdom and understanding" and endows him with manifold gifts through the exercise of which he shall bring in the kingdom of righteousness and peace. In Isa 42:1 ff, the "servant" is in like manner endowed most richly with the gifts of the Spirit by virtue of which he shall bring forth "justice to the Gentiles." In Isa 61:1 ff occur the notable words cited by Jesus in Lk 4:18 f, beginning, "The Spirit of the Lord is upon me" etc. In these passages the prophet describes elaborately and minutely the Messiah's endowment with a wide range of powers, all of which are traced to the action of God's Spirit. 8. Predictions of Future Outpouring of the Spirit: In the later history of Israel, when the sufferings of the exile pressed heavily, there arose a tendency to idealize a past age as the era of the special blessing of the Spirit, coupled with a very marked optimism as to a future outpouring of the Spirit. In Hag 2:5 reference is made to the Mosaic period as the age of the Spirit, "when ye came out of Egypt, and my Spirit abode among you." In Isa 44:3 the Spirit is to be poured out on Jacob and his seed; and in Isa 59:20 a Redeemer is to come to Zion under the covenant of Yahweh, and the Spirit is to abide upon the people. The passage, however, which especially indicates the transition from Old Testament to New Testament times is that in Joel 2:28,32 which is cited by Peter in Acts 2:17-21. In this prophecy the bestowal of the Spirit is extended to all classes, is attended by marvelous signs and is accompanied by the gift of salvation. Looking back from the later to the earlier period of Old Testament history, we observe a twofold tendency of teaching in relation to the Spirit. The first is from the outward gift of the Spirit for various uses toward a deepening sense of inner need of the Spirit for moral purity, and consequent emphasis upon the ethical energy of the Spirit. The second tendency is toward a sense of the futility of the merely human or theocratic national organization in and of itself to achieve the ends of Yahweh, along with a sense of the need for the Spirit of God upon the people generally, and a prediction of the universal diffusion of the Spirit. II. The Spirit in Non-Canonical Jewish Literature. In the Palestinian and Alexandrian literature of the Jews there are comparatively few references to the Spirit of God. The two books in which the teachings as to the Spirit are most explicit and most fully developed are of Alexandrian origin, namely, The Wisdom of Solomon and the writings of Philo. In the Old Testament Apocrypha and in Josephus the references to the Spirit are nearly always merely echoes of a long-past age when the Spirit was active among men. In no particular is the contrast between the canonical and noncanonical literature more striking than in the teaching as to


LEVEN, Dood en opstanding_1999

44

the Spirit of God. 1. The Spirit of Josephus: Josephus has a number of references to the Holy Spirit, but nearly always they have to do with the long-past history of Israel. He refers to 22 books of the Old Testament which are of the utmost reliability. There are other books, but none "of like authority," because there has "not been an exact succession of prophets" (Josephus, Against Apion I, 8). Samuel is described as having a large place in the affairs of the kingdom because he is a prophet (Ant., VI, v, 6). God appears to Solomon in sleep and teaches him wisdom (ibid., VIII, ii); Balaam prophesies through the Spirit's power (ibid., IV, v, 6); and Moses was such a prophet that his words were God's words (ibid., IV, viii, 49). In Josephus we have then simply a testimony to the inspiration and power of the prophets and the books written by them, in so far as we have in him teachings regarding the Spirit of God. Even here the action of the Spirit is usually implied rather than expressed. 2. The Spirit in the Pseudepigrapha: In the pseudepigraphic writings the Spirit of God is usually referred to as acting in the long-past history of Israel or in the future Messianic age. In the apocalyptic books, the past age of power, when the Spirit wrought mightily, becomes the ground of the hopes of the future. The past is glorified, and out of it arises the hope of a future kingdom of glory and power. Enoch says to Methuselah: "The word calls me and the Spirit is poured out upon me" (En 91:1). In 49:1-4 the Messiah has the Spirit of wisdom, understanding and might. Enoch is represented as describing his own translation. "He was carried aloft in the chariots of the Spirit" (En 70:2). In Jubilees 31:16 Isaac is represented as prophesying, and in 25:13 it is said of Rebekah that the" Holy Spirit descended into her mouth." Sometimes the action of the Spirit is closely connected with the moral life, although this is rare. "The Spirit of God rests" on the man of pure and loving heart (XII the Priestly Code (P), Benj. 8). In Simeon 4 it is declared that Joseph was a good man and that the Spirit of God rested on him. There appears at times a lament for the departed age of prophecy (1 Macc 9:27; 14:41). The future is depicted in glowing colors. The Spirit is to come in a future judgment (XII the Priestly Code (P), Levi 18); and the spirit of holiness shall rest upon the redeemed in Paradise (Levi 18); and in Levi 2 the spirit of insight is given, and the vision of the sinful world and its salvation follows. Generally speaking, this literature is far below that of the Old Testament, both in moral tone and religious insight. Much of it seems childish, although at times we encounter noble passages. There is lacking in it the prevailing Old Testament mood which is best described as prophetic, in which the writer feels constrained by the power of God's Spirit to speak or write. The Old Testament literature thus possesses a vitality and power which accounts for the strength of its appeal to our religious consciousness. 3. The Spirit in the Wisdom of Solomon: We note in the next place a few teachings as to the Spirit of God in Wisd. Here the ethical element in character is a condition of the Spirit's indwelling. "Into a malicious soul wisdom shall not enter: nor dwell in the body that is subject unto sin. For the holy spirit of discipline will flee deceit, and will not abide when unrighteousness cometh in" (The Wisdom of Solomon 1:4 f). This "holy spirit of discipline" is evidently God's Holy Spirit, for in 1:7 the writer proceeds to assert, "For the Spirit of the Lord filleth the world," and in 1:8,9 there is a return to the conception of unrighteousness as a hindrance to right speaking. In The Wisdom of Solomon 7:7 the Spirit of Wisdom comes in response to prayer. In 7:22-30 is an elaborate and very beautiful description of wisdom: "In her is an understanding spirit, holy, one only, manifold, subtle, lively, clear, undefiled, plain, not subject to hurt, loving the thing that is good, quick, which cannot be letted, ready to do good, kind to man, steadfast, sure," etc. "She is the brightness of the everlasting light, the unspotted mirror of the power of God, and the image of his goodness," etc. No one can know God's counsel except by the Holy Spirit (9:17). The writer of The Wisdom of Solomon was deeply possessed of the sense of the omnipresence of the Spirit of God, as seen in 1:7 and in 12:1. In the latter passage we read: "For thine incorruptible spirit is in all things." 4. The Spirit in Philo:


LEVEN, Dood en opstanding_1999

45

In Philo we have what is almost wholly wanting in other Jewish literature, namely, analytic and reflective thought upon the work of the Spirit of God. The interest in Philo is primarily philosophic, and his teachings on the Spirit possess special interest on this account in contrast with Biblical and other extra-Biblical literature. In his Questions and Solutions, 27, 28, he explains the expression in Gen 8:1: "He brought a breath over the earth and the wind ceased." He argues that water is not diminished by wind, but only agitated and disturbed. Hence, there must be a reference to God's Spirit or breath by which the whole universe obtains security. He has a similar discussion of the point why the word "Spirit" is not used instead of "breath" in Gen in the account of man's creation, and concludes that "to breathe into" here means to "inspire," and that God by His Spirit imparted to man mental and moral life and capacity for Divine things (Allegories, xiii). In several passages Philo discusses prophecy and the prophetic office. One of the most interesting relates to the prophetic office of Moses (Life of Moses, xxiii ff). He also describes a false prophet who claims to be "inspired and possessed by the Holy Spirit" (On Those Who Offer Sacrifice, xi). In a very notable passage, Philo describes in detail his own subjective experiences under the influence of the Holy Spirit, and his language is that of the intellectual mystic. He says that at times he found himself devoid of impulse or capacity for mental activity, when suddenly by the coming of the Spirit of God, his intellect was rendered very fruitful: "and sometimes when I have come to my work empty I have suddenly become full, ideas being, in an invisible manner, showered upon me and implanted in me from on high; so that through the influence of Divine inspiration I have become greatly excited and have known neither the place in which I was, nor those who were present, nor myself, nor what I was saying, nor what I was writing," etc. (Migrations of Abraham, vii). In Philo, as in the non-canonical literature generally, we find little metaphysical teaching as to the Spirit and His relations to the Godhead. On this point there is no material advance over the Old Testament teaching. The agency of the Holy Spirit in shaping and maintaining the physical universe and as the source of man's capacities and powers is clearly recognized in Philo. In Philo, as in Josephus, the conception of inspiration as the complete occupation and domination of the prophet's mind by the Spirit of God, even to the extent of suspending the operation of the natural powers, comes clearly into view. This is rather in contrast with, than in conformity to, the Old Testament and New Testament conception of inspiration, in which the personality of the prophet remains intensely active while under the influence of the Spirit, except possibly in cases of vision and trance. Orr, James, M.A., D.D. General Editor. "Definition for 'HOLY SPIRIT, 1'". "International Standard Bible Encyclopedia". bible-history.com - ISBE; 1915. Copyright Information Š International Standard Bible Encyclopedia (ISBE) International Standard Bible Encyclopedia Op bible-history.com - ISBE; 1915. HOLY SPIRIT, 2 III. The Holy Spirit in the New Testament. In the New Testament there is unusual symmetry and completeness of teaching as to the work of the Spirit of God in relation to the Messiah Himself, and to the founding of the Messianic kingdom. The simplest mode of presentation will be to trace the course of the progressive activities of the Spirit, or teachings regarding these activities, as these are presented to us in the New Testament literature as we now have it, so far as the nature of the subject will permit. This will, of course, disturb to some extent the chronological order in which the New Testament books were


LEVEN, Dood en opstanding_1999

46

written, since in some cases, as in John's Gospel, a very late book contains early teachings as to the Spirit. 1. In Relation to the Person and Work of Christ: (1) Birth of Jesus. In Mt 1:18 Mary is found with child "of the Holy Spirit" (ek pneumatos hagiou); an angel tells Joseph that that "which is conceived in her is of the Holy Spirit" (1:20), all of which is declared to be in fulfillment of the prophecy that a virgin shall bring forth a son whose name shall be called Immanuel (Isa 7:14). In Lk 1:35 the angel says to Mary that the Holy Spirit (pneuma hagion) shall come upon her, and the power of the Most High (dunamis Hupsistou) shall overshadow her. Here "Holy Spirit" and "power of the Most High" are parallel expressions meaning the same thing; in the one case emphasizing the Divine source and in the other the holiness of "the holy thing which is begotten" (1:35). In connection with the presentation of the babe in the temple, Simeon is described as one upon whom the Holy Spirit rested, to whom revelation was made through the Spirit and who came into the temple in the Spirit (Lk 2:25-28). So also Anna the prophetess speaks concerning the babe, evidently in Luke's thought, under the influence of the Holy Spirit (Lk 2:36 ff). It is clear from the foregoing that the passages in Matthew and Luke mean to set forth, first, the supernatural origin, and secondly, the sinlessness of the babe born of Mary. The act of the Holy Spirit is regarded as creative, although the words employed signify "begotten" or "born" (gennethen, Mt 1:20; and gennomenon, Lk 1:35). There is no hint in the stories of the nativity concerning the pretemporal existence of Christ. This doctrine was developed later. Nor is there any suggestion of the immaculate conception or sinlessness of Mary, the mother of our Lord. Dr. C.A. Briggs has set forth a theory of the sinlessness of Mary somewhat different from the Roman Catholic view, to the effect that the Old Testament prophecies foretell the purification of the Davidic line, and that Mary was the culminating point in the purifying process, who thereby became sinless (Incarnation of the Lord, 230-34). This, however, is speculative and without substantial Biblical warrant. The sinlessness of Jesus was not due to the sinlessness of His mother, but to the Divine origin of His human nature, the Spirit of God. In Heb 10:5 ff the writer makes reference to the sinless body of Christ as affording a perfect offering for sins. No direct reference is made to the birth of Jesus, but the origin of His body is ascribed to God (Heb 10:5), though not specifically to the Holy Spirit. (2) Baptism of Jesus. The New Testament records give us very little information regarding the growth of Jesus to manhood. In Lk 2:40 ff a picture is given of the boyhood, exceedingly brief, but full of significance. The "child grew, and waxed strong, filled with wisdom (m "becoming full of wisdom"): and the grace of God was upon him." Then follows the account of the visit to the temple. Evidently in all these experiences, the boy is under the influence and guidance of the Spirit. This alone would supply an adequate explanation, although Luke does not expressly name the Spirit as the source of these particular experiences. The Spirit's action is rather assumed. Great emphasis, however, is given to the descent of the Spirit upon Jesus at His baptism. Mt 3:16 declares that after His baptism "the heavens were opened unto him, and he saw the Spirit of God descending as a dove, and coming upon him." Mk 1:10 repeats the statement in substantially equivalent terms. Lk 3:22 declares that the Spirit descended in "bodily form, as a dove" (somatiko eidei hos peristeran). In Jn 1:32,33 the Baptist testifies that he saw the Spirit descending upon Jesus as a dove out of heaven, and that it abode upon Him, and, further, that this descent of the Spirit was the mark by which he was to recognize Jesus as "he that baptizeth in the Holy Spirit." We gather from these passages that at the baptism there was a new communication of the Spirit to Jesus in great fullness, as a special anointing for His Messianic vocation. The account declares that the dovelike appearance was seen by Jesus as well as John, which is scarcely compatible with a subjective experience merely. Of course, the dove here is to be taken as a symbol, and not as an assertion that God's Spirit assumed the form of a dove actually. Various meanings have been assigned to the symbol. One connects it with the creative power, according to a Gentileusage; others


LEVEN, Dood en opstanding_1999

47

with the speculative philosophy of Alexandrian Judaism, according to which the dove symbolized the Divine wisdom or reason. But the most natural explanation connects the symbolism of the dove with the brooding or hovering of the Spirit in Gen 13. In this new spiritual creation of humanity, as in the first physical creation, the Spirit of God is the energy through which the work is carried on. Possibly the dove, as a living organism, complete in itself, may suggest the totality and fullness of the gift of the Spirit to Jesus. At Pentecost, on the contrary, the Spirit is bestowed distributively and partially at least to individuals as such, as suggested by the cloven tongues as of fire which "sat upon each one of them" (Acts 2:3). Jn 3:34 emphasizes the fullness of the bestowal upon Jesus: "For he whom God hath sent speaketh the words of God: for he giveth not the Spirit by measure." In the witness of the Baptist the permanence of the anointing of Jesus is declared: "Upon whomsoever thou shalt see the Spirit descending, and abiding" (1:33). It is probable that the connection of the bestowal of the Spirit with water baptism, as seen later in the Book of Acts, is traceable to the reception of the Spirit by Jesus at His own baptism. Baptism in the Spirit did not supersede water baptism. The gift of the Spirit in fullness to Jesus at His baptism was no doubt His formal and public anointing for His Messianic work (Acts 10:38). The baptism of Jesus could not have the same significance with that of sinful men. For the symbolic cleansing from sin had no meaning for the sinless one. Yet as an act of formal public consecration it was appropriate to the Messiah. It brought to a close His private life and introduced Him to His public Messianic career. The conception of an anointing for public service was a familiar one in the Old Testament writings and applied to the priest (Ex 28:41; 40:13; Lev 4:3,5,16; 6:20,22); to kings (1 Sam 9:16; 10:1; 15:1; 16:3,13); sometimes to prophets (1 Ki 19:16; compare Isa 61:1; Ps 2:2; 20:6). These anointings were with oil, and the oil came to be regarded as a symbol of the Spirit of God. The anointing of Jesus with the Holy Spirit qualified Him in two particulars for His Messianic office. (a) It was the source of His own endowments of power for the endurance of temptation, for teaching, for casting out demons, and healing the sick, for His sufferings and death, for His resurrection and ascension. The question is often raised, why Jesus, the Divine one, should have needed the Holy Spirit for His Messianic vocation. The reply is that His human nature, which was real, required the Spirit's presence. Man, made in God's image, is constituted in dependence upon the Spirit of God. Apart from God's Spirit man fails of his true destiny, simply because our nature is constituted as dependent upon the indwelling Spirit of God for the performance of our true functions. Jesus as human, therefore, required the presence of God's Spirit, notwithstanding His Divine-human consciousness. (b) The Holy Spirit's coming upon Jesus in fullness also qualified Him to bestow the Holy Spirit upon His disciples. John the Baptist especially predicts that it is He who shall baptize in the Holy Spirit (Mt 3:11; Mk 18; Lk 3:16; see also Jn 20:22; Acts 15). It was especially true of the king that He was anointed for His office, and the term Messiah (mashiach, equivalent to the Greek ho Christos), meaning the Anointed One, points to this fact. (3) Temptation of Jesus. The facts as to the temptation are as follows: In Mt 4:1 we are told that Jesus was led by the Spirit into the wilderness to be tempted of the devil. Mk 1:12 declares in his graphic way that after the baptism "straightway the Spirit driveth (ekballei) him forth into the wilderness." Lk 4:1 more fully declares that Jesus was "full of the Holy Spirit," and that He was "led in the Spirit in the wilderness during 40 days." The impression which the narratives of the temptation give is of energetic spiritual conflict. As the Messiah confronted His life task He was subject to the ordinary conditions of other men in an evil world. Not by sheer divinity and acting from without as God, but as human also and a part of the world, He must overcome, so that while He was sinless, it was nevertheless true that the righteousness of Jesus was also an achieved righteousness. The temptations were no doubt such as were peculiar to His Messianic vocation, the misuse of power, the presumption of faith and the appeal of temporal splendor. To these He opposes the restraint of power, the poise of faith and the conception of a kingdom wholly spiritual in its origin, means and ends. Jesus is hurled, as it were, by the Spirit into this terrific conflict with the powers of evil, and His con-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

48

quest, like the temptations themselves, was not final, but typical and representative. It is a mistake to suppose that the temptations of Jesus ended at the close of the forty days. Later in His ministry, He refers to the disciples as those who had been with Him in His temptations (Lk 22:28). The temptations continued throughout His life, though, of course, the wilderness temptations were the severest test of all, and the victory there contained in principle and by anticipation later victories. Comment has been made upon the absence of reference to the Holy Spirit's influence upon Jesus in certain remarkable experiences, which in the case of others would ordinarily have been traced directly to the Spirit, as in Lk 11:14 ff, etc. (compare the article by James Denney in DCG, I, 732, 734). Is it not true, however, that the point of view of the writers of the Gospels is that Jesus is always under the power of the Spirit? At His baptism, in the temptation, and at the beginning of His public ministry (Lk 4:14) very special stress is placed upon the fact. Thenceforward the Spirit's presence and action are assumed. From time to time, reference is made to the Spirit for special reasons, but the action of the Spirit in and through Jesus is always assumed. (4) Public Ministry of Jesus. Here we can select only a few points to illustrate a much larger truth. The writers of the Gospels, and especially Luke, conceived of the entire ministry of Jesus as under the power of the Holy Spirit. After declaring that Jesus was "full of the Holy Spirit" and that He was led about by the Spirit in the wilderness forty days in 4:1, he declares, in 4:14, that Jesus "returned in the power of the Spirit into Galilee." This is followed in the next verse by a general summary of His activities: "And he taught in their synagogues, being glorified of all." Then, as if to complete his teaching as to the relation of the Spirit to Jesus, he narrates the visit to Nazareth and the citation by Jesus in the synagogue there of Isaiah's words beginning, "The Spirit of the Lord is upon me," with the detailed description of His Messianic activity, namely, preaching to the poor, announcement of release to the captives, recovering of sight to the blind, and to proclaim the acceptable year of the Lord (Isa 61:1 f). Jesus proclaims the fulfillment of this prophecy in Himself (Lk 4:21). In Mt 12:18 ff a citation from Isa 42:1-3 is given in connection with the miraculous healing work of Jesus. It is a passage of exquisite beauty and describes the Messiah as a quiet and unobtrusive and tender minister to human needs, possessed of irresistible power and infinite patience. Thus the highest Old Testament ideals as to the operations of the Spirit of God come to realization, especially in the public ministry of Jesus. The comprehensive terms of the description make it incontestably clear that the New Testament writers thought of the entire public life of Jesus as directed by the Spirit of God. We need only to read the evangelic records in order to fill in the details. The miracles of Jesus were wrought through the power of the Holy Spirit. Occasionally He is seized as it were by a sense of the urgency of His work in some such way as to impress beholders with the presence of a strange power working in Him. In one case men think He is beside Himself (Mk 3:21); in another they are impressed with the authoritativeness of His teaching (Mk 1:22); in another His intense devotion to His task makes Him forget bodily needs (Jn 4:31); again men think He has a demon (Jn 8:48); at one time He is seized with a rapturous joy when the 70 return from their successful evangelistic tour, and Luke declares that at that hour Jesus rejoiced in the Holy Spirit (Lk 10:21; compare Mt 11:25). This whole passage is a remarkable one, containing elements which point to the Johannine conception of Jesus, on which account Harnack is disposed to discredit it at certain points (Sayings of Jesus, 302). One of the most impressive aspects of this activity of Jesus in the Spirit is its suppressed intensity. Nowhere is there lack of self-control. Nowhere is there evidence of a coldly didactic attitude, on the one hand, or of a loose rein upon the will, on the other. Jesus is always an intensely human Master wrapped in Divine power. The miracles contrast strikingly with the miracles of the apocryphal gospels. In the latter all sorts of capricious deeds of power are ascribed to Jesus as a boy. In our Gospels, on the contrary, no miracle is wrought until after His anointing with the Spirit at baptism. A topic of especial interest is that of blasphemy against the Holy Spirit. Jesus cast out demons by the power of God's Spirit. In Mt 12:31; Mk 3:28 f; Lk 12:10, we have the declaration that blasphemy against the Holy Spirit is an unpardonable sin. Mark particularizes the offense of the accus-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

49

ers of Jesus by saying that they said of Jesus, "He hath an unclean spirit." The blasphemy against the Spirit seems to have been not merely rejection of Jesus and His words, which might be due to various causes. It was rather the sin of ascribing works of Divine mercy and power-works which had all the marks of their origin in the goodness of God--to a diabolic source. The charge was that He cast out devils by Beelzebub the prince of devils. We are not to suppose that the unpardonable nature of the sin against the Holy Spirit was due to anything arbitrary in God's arrangements regarding sin. The moral and spiritual attitude involved in the charge against Jesus was simply a hopeless one. It presupposed a warping or wrenching of the moral nature from the truth in such degree, a deep-seated malignity and insusceptibility to Divine influences so complete, that no moral nucleus remained on which the forgiving love of God might work. See BLASPHEMY. (5) Death, Resurrection and Pentecostal Gift. It is not possible to give here a complete outline of the activities of Jesus in the Holy Spirit. We observe one or two additional points as to the relations of the Holy Spirit to Him. In Heb 9:14 it is declared that Christ "through the eternal Spirit offered himself without blemish unto God," and in Rom 1:4, Paul says He was "declared to be the Son of God with power, according to the spirit of holiness, by the resurrection from the dead" (compare also Rom 8:11). As already noted, John the Baptist gave as a particular designation of Jesus that it was He who should baptize with the Holy Spirit, in contrast with his own baptism in water. In Jn 20:22, after the resurrection and before the ascension, Jesus breathed on the disciples and said "Receive ye the Holy Spirit." There was probably a real communication of the Spirit in this act of Jesus in anticipation of the outpouring in fullness on the day of Pentecost. In Acts 1:2 it is declared that He gave commandment through the Holy Spirit, and in 1:5 it is predicted by Him that the disciples should "be baptized in the Holy Spirit not many days hence"; and in 1:8 it is declared, "Ye shall receive power, when the Holy Spirit is come upon you." It is clear from the preceding that in the thought of the New Testament writers Jesus is completely endued with the power of the. Holy Spirit. It is in large measure the Old Testament view of the Spirit; that is to say, the operation of the Spirit in and through Jesus is chiefly with a view to His official Messianic work, the charismatic Spirit imparting power rather than the Spirit for holy living merely. Yet there is a difference between the Old Testament and New Testament representations here. In the Old Testament the agency of the Spirit is made very prominent when mighty works are performed by His power. In the Gospels the view is concentrated less upon the Spirit than upon Jesus Himself, though it is always assumed that He is acting in the power of the Spirit. In the case of Jesus also, the moral quality of His words and deeds is always assumed. 2. The Holy Spirit in the Kingdom of God: Our next topic in setting forth the New Testament teaching is the Holy Spirit in relation to the kingdom of God. Quite in harmony with the plenary endowment of Jesus, the founder of the kingdom, with the power of the Spirit, is the communication of the Spirit to the agents employed by Providence in the conduct of the affairs of the kingdom. We need, at all points, in considering the subject in the New Testament to keep in view the Old Testament background. The covenant relations between God and Israel were the presupposition of all the blessings of the Old Testament. In the New Testament there is not an identical but an analogous point of view. God is continuing His work among men. Indeed in a real sense He has begun a new work, but this new work is the fulfillment of the old. The new differs from the old in some very important respects, chiefly indeed in this, that now the national and theocratic life is wholly out of sight. Prophecy no longer deals with political questions. The power of the Spirit no longer anoints kings and judges for their duties. The action of the Spirit upon the cosmos now ceases to receive attention. In short, the kingdom of God is intensely spiritualized, and the relation of the Spirit to the individual or the church is nearly always that which is dealt with. (1) Synoptic Teachings. We consider briefly the synoptic teachings as to the Holy Spirit in relation to the kingdom of God.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

50

The forerunner of Jesus goes before His face in the Spirit and power of Elijah (Lk 1:17). Of Him it had been predicted that He should be filled with the Holy Spirit from His mother's womb (Lk 1:15). The Master expressly predicts that the Holy Spirit will give the needed wisdom when the disciples are delivered up. "It is not ye that speak, but the Holy Spirit" (Mk 13:11). In Lk 12:12 it is also declared that "The Holy Spirit shall teach you in that very hour what ye ought to say." Likewise in Mt 10:20, "It is not ye that speak, but the Spirit of your Father that speaketh in you." In Lk 11:13 is a beautiful saying: If we who are evil give good gifts to our children, how much more shall the "heavenly Father give the Holy Spirit to them that ask him." This is a variation from the parallel passage in Mt (7:11), and illustrates Luke's marked emphasis upon the operations of the Spirit. In Mt 28:19, the disciples are commanded to baptize in the name of the Father, the Son and the Holy Spirit. This passage has been called in question, but there is not sufficient ground for its rejection. Hitherto there has been almost no hint directly of the personality of the Spirit or the Trinitarian implications in the teaching as to the Spirit. Here, however, we have a very suggestive hint toward a doctrine of the Spirit which attains more complete development later. (2) In the Writings of John In the Gospel of John there is a more elaborate presentation of the office and work of the Holy Spirit, particularly in Jn 14-17. Several earlier passages, however, must be noticed. The passage on the new birth in Jn 3:5 ff we notice first. The expression, "except one be born of water and the Spirit," seems to contain a reference to baptism along with the action of the Spirit of God directly on the soul. In the light of other New Testament teachings, however, we are not warranted in ascribing saving efficacy to baptism here. The "birth," in so far as it relates to baptism, is symbolic simply, not actual. The outward act is the fitting symbolic accompaniment of the spiritual regeneration by the Spirit. Symbolism and spiritual fact move on parallel lines. The entrance into the kingdom is symbolically effected by means of baptism, just as the "new birth" takes place symbolically by the same means. In Jn 6:51 ff we have the very difficult words attributed to Jesus concerning the eating of His flesh and the drinking of His blood. The disciples were greatly distressed by these words, and in 6:63 Jesus insists that "it is the spirit that giveth life; the flesh profiteth nothing." One's view of the meaning of this much-discussed passage will turn largely on his point of view in interpreting it. If he adopts the view that John is reading back into the record much that came later in the history, the inference will probably follow that Jesus is here referring to the Lord's Supper. If on the other hand it is held that John is seeking to reproduce substantially what was said, and to convey an impression of the actual situation, the reference to the Supper will not be inferred. Certainly the language fits the later teaching in the establishment of the Supper, although John omits a detailed account of the Supper. But Jesus was meeting a very real situation in the carnal spirit of the multitude which followed Him for the loaves and fishes. His deeply mystical words seem to have been intended to accomplish the result which followed, namely, the separation of the true from the false disciples. There is no necessary reference to the Lord's Supper specifically, therefore, in His words. Spiritual meat and drink, not carnal, are the true food of man. He Himself was that food, but only the spiritually susceptible would grasp His meaning. It is difficult to assign any sufficient reason why Jesus should have here referred to the Supper, or why John should have desired to introduce such reference into the story at this stage. In Jn 7:37 ff we have a saying of Jesus and its interpretation by John which accords with the synoptic reference to a future baptism in the Holy Spirit to be bestowed by Jesus: "He that believeth on me, as the scripture hath said, from within him shall flow rivers of living water." John adds: "But this spake he of the Spirit, which they that believed on him were to receive: for the Spirit was not yet given; because Jesus was not yet glorified." No doubt John's Gospel is largely a reproduction of the facts and teachings of Jesus in the evangelist's own words. This passage indicates, however, that John discriminated between his own constructions of Christ's teachings and the teachings themselves, and warns us against the custom of many exegetes who broadly assume that John employed his material with slight regard for careful and correct statement, passing it through his own


LEVEN, Dood en opstanding_1999

51

consciousness in such manner as to leave us his own subjective Gospel, rather than a truly historical record. The ethical implications of such a process on John's part would scarcely harmonize with his general tone and especially the teachings of his Epistles. No doubt John's Gospel contains much meaning which he could not have put into it prior to the coming of the Spirit. But what John seeks to give is the teaching of Jesus and not his own theory of Jesus. We give next an outline of the teachings in the great Jn 14 to 17, the farewell discourse of Jesus. In 14:16 Jesus says, "I will pray the Father, and he shall give you another Comforter" (parakletos; see PARACLETE). Next Jesus describes this Comforter as one whom the world cannot receive. Disciples know Him because He abides in them. The truth of Christianity is spiritually discerned, i.e. it is discerned by the power and indwelling of the Holy Spirit. In the name of "reality," science sometimes repudiates these inner experiences as "mystical." But Christians cling to them as most real, data of experience as true and reliable as any other forms of human experience. To repudiate them would be for them to repudiate reality itself. The Father and Son shall make their abode in Christians (14:23). This is probably another form of assertion of the Spirit's presence, and not a distinct line of mystical teaching. (Compare Woods, The Spirit of God in Biblical Literature, 243.) For in 14:26 the promise of the Spirit is repeated. The Father is to send the Spirit in the name of Christ, and He is to teach the disciples all things, quickening also their memories. In the New Testament generally, and especially in John's and Paul's writings, there is no sense of conflict between Father, Son and Spirit in their work in the Christian. All proceeds from the Father, through the Son, and is accomplished in the Christian by the Holy Spirit. As will appear, Christ in the believer is represented as being practically all that the Spirit does without identifying Christ with the Spirit. So far there are several notes suggesting the personality of the Holy Spirit. The designation "another Comforter," taken in connection with the description of his work, is one. The fact that He is sent or given is another. And another is seen in the specific work which the Spirit is to do. Another is the masculine pronoun employed here (ekeinos). In Jn 14:26 the function of the Spirit is indicated. He is to bring to "remembrance all that I said unto you." In 15:26 this is made even more comprehensive: "He shall bear witness of me," and yet more emphatically in 16:14, "He shall glorify me: for he shall take of mine, and shall declare it unto you." The sphere of the Spirit's activity is the heart of the individual believer and of the church. His chief function is to illumine the teaching and glorify the person of Jesus. Jn 15:26 is the passage which has been used in support of the doctrine of the procession of the Spirit. Jesus says, "I will send" (pempso), future tense, referring to the "Spirit of truth which proceedeth from the Father" (ekporeuetai); present tense. The present tense here suggests timeless action and has been taken to indicate an essential relation of the Spirit to God the Father (compare Godet, Commentary on John, in the place cited.). The hazard of such an interpretation lies chiefly in the absence of other corroborative Scriptures and in the possibility of another and simpler meaning of the word. However, the language is unusual, and the change of tense in the course of the sentence is suggestive. Perhaps it is one of the many instances where we must admit we do not know the precise import of the language of Scripture. In Jn 16:7-15 we have a very important passage. Jesus declares to the anxious disciples that it is expedient for Him to go away, because otherwise the Spirit will not come. "He, when he is come, will convict the world in respect of sin, and of righteousness, and of judgment" (16:8). The term translated "convict" (elegksei) involves a cognitive along with a moral process. The Spirit who deals in truth, and makes His appeal through the truth, shall convict, shall bring the mind on which He is working into a sense of self-condemnation on account of sin. The word means more than reprove, or refute, or convince. It signifies up to a certain point a moral conquest of the mind: "of sin, because they believe not on me" (16:9). Unbelief is the root sin. The revelation of God in Christ is, broadly speaking, His condemnation of all sin. The Spirit may convict of particular sins, but they will all be shown to consist essentially in the rejection of God's love and righteousness in Christ, i.e. in unbelief. "Of righteousness, because I go to the Father, and ye behold me no more" (16:10). What does this mean? Does Jesus mean that His going to the Father will be the proof of His righteousness to those who put Him to death, or that this going to the Father will be the con-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

52

summating or crowning act of His righteousness which the Spirit is to carry home to the hearts of men? Or does He mean that because He goes away the Spirit will take His place in convicting men of righteousness? The latter meaning seems implied in the words, "and ye behold me no more." Probably, however, the meanings are not mutually exclusive. "Of judgment because the prince of this world hath been judged" (16:11). In His incarnation and death the prince of this world, the usurper, is conquered and cast out. We may sum up the teachings as to the Spirit in these four chapters as follows: He is the Spirit of truth; He guides into all truth; He brings to memory Christ's teachings; He shows things to come; He glorifies Christ; He speaks not of Himself but of Christ; He, like believers, bears witness to Christ; He enables Christians to do greater works than those of Christ; He convicts the world of sin, of righteousness, and of judgment; He comes because Christ goes away; He is "another Comforter"; He is to abide with disciples forever. These teachings cover a very wide range of needs. The Holy Spirit is the subject of the entire discourse. In a sense it is the counterpart of the Sermon on the Mount. There the laws of the kingdom are expounded. Here the means of realization of all the ends of that kingdom are presented. The kingdom now becomes the kingdom of the Spirit. The historical revelation of truth in the life, death, resurrection and glorification of Jesus being completed, the Spirit of truth comes in fullness. The gospel as history is now to become the gospel as experience. The Messiah as a fact is now to become the Messiah as a life through the Spirit's action. All the elements of the Spirit's action are embraced: the charismatic for mighty works; the intellectual for guidance into truth; the moral and spiritual for producing holy lives. This discourse transfers the kingdom, so to speak, from the shoulders of the Master to those of the disciples, but the latter are empowered for their tasks by the might of the indwelling and abiding Spirit. The method of the kingdom's growth and advance is clearly indicated as spiritual, conviction of sin, righteousness and judgment, and obedient and holy lives of Christ's disciples. Before passing to the next topic, one remark should be made as to the Trinitarian suggestions of these chapters in John. The personality of the Spirit is clearly implied in much of the language here. It is true we have no formal teaching on the metaphysical side, no ontology in the strict sense of the word. This fact is made much of by writers who are slow to recognize the personality of the Holy Spirit in the light of the teachings of John and Paul. These writers have no difficulty, however, in asserting that the New Testament writers hold that God is a personal being (see I. F. Woods, The Spirit of God in Biblical Literature, 256, 268). It must be insisted, however, that in the New Testament, as in the Old Testament, there is little metaphysics, little ontological teaching as to God. His personality is deduced from the same kind of sayings as those relating to the Spirit. From the ontological point of view, therefore, we should also have to reject the personality of God on the basis of the Biblical teachings. The Trinitarian formulations may not be correct at all points, but the New Testament warrants the Trinitarian doctrine, just as it warrants belief in the personality of God. We are not insisting on finding metaphysics in Scripture where it is absent, but we do insist upon consistency in construing the popular and practical language of Scripture as to the second and third as well as the first Person of the Trinity. We add a few lines as to John's teachings in the Epistles and Revelation. In general they are in close harmony with the teachings in his Gospel and do not require extended treatment. The Spirit imparts assurance (1 Jn 3:24); incites to confession of Christ (1 Jn 4:2); bears witness to Christ (1 Jn 5:6 ff). In Rev 1:4 the "seven Spirits" is an expression for the completeness of the Spirit. The Spirit speaks to the churches (1 Jn 2:7,11; 3:6). The seer is "in the Spirit" (1 Jn 4:2). The Spirit joins the church in the invitation of the gospel (1 Jn 22:17). (3) In Acts. The Book of Acts contains the record of the beginning of the Dispensation of the Holy Spirit. There is at the outset the closest connection with the recorded predictions of the Holy Spirit in the Gospels. Particularly does Luke make clear the continuity of his own thought regarding the Spirit in his earlier and later writing. Jesus in the first chapter of Acts gives commandment through the


LEVEN, Dood en opstanding_1999

53

Holy Spirit and predicts the reception of power as the result of the baptism in the Holy Spirit which the disciples are soon to receive. The form of the Spirit's activities in Acts is chiefly charismatic, that is, the miraculous endowment of disciples with power or wisdom for their work in extending the Messianic kingdom. As yet the work of the Spirit within disciples as the chief sanctifying agency is not fully developed, and is later described with great fullness in Paul's writings. Some recent writers have overemphasized the contrast between the earlier and the more developed view of the Spirit with regard to the moral life. In Acts the ethical import of the Spirit's action appears at several points (see Acts 5:3,9; 7:51; 8:18 f; 13:9; 15:28). The chief interest in Acts is naturally the Spirit's agency in founding the Messianic kingdom, since here is recorded the early history of the expansion of that kingdom. The phenomenal rather than the inner moral aspects of that great movement naturally come chiefly into view. But everywhere the ethical implications are present. Gunkel is no doubt correct in the statement that Paul's conception of the Spirit as inward and moral and acting in the daily life of the Christian opens the way for the activity of the Spirit as a historical principle in subsequent ages. After all, this is the fundamental and universal import of the Spirit (see Gunkel, Die Wirkungen des heiligen Geistes, etc., 76; compare Pfleiderer, Paulinismus, 200). We now proceed to give a brief summary of the Holy Spirit's activities as recorded in Acts, and follow this with a discussion of one or two special points. The great event is of course the outpouring or baptism of the Holy Spirit at Pentecost followed by the completion of the baptism in the Holy Spirit by the baptism of the household of Cornelius (2:1 ff; 10:17-48). Speaking with tongues, and other striking manifestations attended this baptism, as also witnessing to the gospel with power by the apostles. See BAPTISM OF THE HOLY SPIRIT. This outpouring is declared to be in fulfillment of Old Testament prophecy, and the assertion is also made that it is the gift of the exalted Lord Jesus Christ (2:17,33). Following this baptism of the Holy Spirit the disciples are endued with miraculous power for their work. Miracles are wrought (Acts 2:43 ff), and all necessary gifts of wisdom and Divine guidance are bestowed. A frequent form of expression describing the actors in the history is, "filled with the Holy Spirit." It is applied to Peter (4:8); to disciples (4:31); to the seven deacons (6:3); to Stephen (6:5; 7:55); to Saul who becomes Paul (13:9). The presence of the Spirit and His immediate and direct superintendence of affairs are seen in the fact that Ananias and Sapphira are represented as lying to the Holy Spirit (Acts 5:3,9); the Jews are charged by Stephen with resisting the Holy Spirit (Acts 7:51); and Simon Magus is rebuked for attempting to purchase the Spirit with money (Acts 8:18 f). The Holy Spirit is connected with the act of baptism, but there does not seem to be any fixed order as between the two. In Acts 9:17 the Spirit comes before baptism; and after baptism in 8:17 and 19:6. In these cases the coming of the Spirit was in connection with the laying on of hands also. But in 10:44 the Holy Spirit falls upon the hearers while Peter is speaking prior to baptism and with no laying on of hands. These instances in which the order of baptism, the laying on of hands and the gift of the Spirit seem to be a matter of indifference, are a striking indication of the nonsacramentarian character of the teaching of the Book of Acts, and indeed in the New Testament generally. Certainly no particular efficacy seems to be attached to the laying on of hands or baptism except as symbolic representations of spiritual facts. Gunkel, in his excellent work on the Holy Spirit, claims Acts 2:38 as an instance when the Spirit is bestowed during baptism (Die Wirkungen des heiligen Geistes, etc., 7). The words of Peter, however, may refer to a reception of the Spirit subsequent to baptism, although evidently in immediate connection with it. The baptism of the Holy Spirit clearly then was not meant to supplant water baptism. Moreover, in the strict sense the baptism of the Holy Spirit was a historical event or events completed at the outset when the extension of the kingdom of God, beginning at Pentecost, began to reach out to the Gentile world. See BAPTISM OF THE HOLY SPIRIT. In Acts the entire historical movement is represented by Luke as being under the direction of the Spirit. He guides Philip to the Ethiopian and then "catches away" Philip (8:29,39). He guides Peter


LEVEN, Dood en opstanding_1999

54

at Joppa through the vision and then leads him to Cornelius at Caesarea (10:19 f; 11:12 f). The Spirit commands the church at Antioch to separate Saul and Barnabas for missionary work (13:2 ff). He guides the church at Jerusalem (15:28). He forbids the apostle to go to Asia (16:6 f). The Spirit enables Agabus to prophesy that Paul will be bound by the Jews at Jerusalem (21:11; compare also 20:23). The Spirit appointed the elders at Ephesus (20:28). One or two points require notice before passing from Acts. The impression we get of the Spirit's action here very strongly suggests a Divine purpose moving on the stage of history in a large and comprehensive way. In Jesus that purpose was individualized. Here the supplementary thought of a vast historic movement is powerfully suggested. Gunkel asserts that usually the Spirit's action is not conceived by the subjects of it in terms of means (Mittel) and end (Zweck), but rather as cause (Ursache) and activity (Wirkung) (see Die Wirkungen des heiligen Geistes, etc., 20). There is an element of truth in this, but the idea of purpose is by no means confined to the historian who later recorded the Spirit's action. The actors in the spiritual drama were everywhere conscious of the great movement of which they as individuals were a part. In some passages the existence of purpose in the Spirit's action is clearly recognized, as in His restraining of Paul at certain points and in the appointment of Saul and Barnabas as missionaries. Divine purpose is indeed implied at all points, and while the particular end in view was not always clear in a given instance, the subjects of the Spirit's working were scarcely so naive in their apprehension of the matter as to think of their experiences merely as so many extraordinary phenomena caused in a particular way. We note next the glossolalia, or speaking with tongues, recorded in Acts 2, as well as in later chapters and in Paul's Epistles. The prevailing view at present is that "speaking with tongues" does not mean speaking actual intelligible words in a foreign language, but rather the utterance of meaningless sounds, as was customary among the heathen and as is sometimes witnessed today where religious life becomes highly emotional in its manifestation. To support this view the account in Acts 2 is questioned, and Paul's instructions in 1 Cor 14 are cited. Of course a man's world-view will be likely to influence his interpretation in this as in other matters. Philosophically an antisupernatural world-view makes it easy to question the glossolalia of the New Testament. Candid exegesis, however, rather requires the recognition of the presence in the apostolic church of a speaking in foreign tongues, even if alongside of it there existed (which is open to serious doubt) the other phenomenon mentioned above. Acts 2:3 ff is absolutely conclusive taken by itself, and no valid critical grounds have been found for rejecting the passage. 1 Cor 14 confirms this view when its most natural meaning is sought. Paul is here insisting upon the orderly conduct of worship and upon edification as the important thing. To this end he insists that they who speak with tongues pray that they may also interpret (1 Cor 14:5; chapter 13). It is difficult to conceive what he means by "interpret" if the speaking with tongues was a meaningless jargon of sounds uttered under emotional excitement, and nothing more. Paul's whole exposition in this chapter implies that "tongues" may be used for edification. He ranks it below prophecy simply because without an interpreter "tongues" would not edify the hearer. Paul himself spoke with tongues more than they all (1 Cor 14:18). It seems scarcely in keeping with Paul's character to suppose that he refers here to a merely emotional volubility in meaningless and disconnected sounds. See TONGUES, GIFT OF. (4) In Paul's Writings. The teachings of Paul on the Holy Spirit are so rich and abundant that space forbids an exhaustive presentation. In his writings the Biblical representations reach their climax. Mr. Wood says correctly that Paul grasped the idea of the unity of the Christian life. All the parts exist in a living whole and the Holy Spirit constitutes and maintains it (Wood, The Spirit of God in Biblical Literature, 268). In fact a careful study of Paul's teachings discloses three parallel lines, one relating to faith, another to Christ, and the third to the Holy Spirit. That is to say, his teachings coalesce, as it were, point by point, in reference to these three subjects. Faith is the human side of the Divine activity carried on by the Holy Spirit. Faith is therefore implied in the Spirit's action and is the result of or response to it in its various forms. But faith is primarily and essentially faith in Jesus Christ.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

55

Hence, we find in Paul that Christ is represented as doing substantially everything that the Spirit does. Now we are not to see in this any conflicting conceptions as to Christ and the Spirit, but rather Paul's intense feeling of the unity of the work of Christ and the Spirit. The "law" of the Spirit's action is the revelation and glorification of Christ. In his Gospel, which came later, John, as we have seen, defined the Spirit's function in precisely these terms. Whether or not John was influenced by Paul in the matter we need not here consider. (a) The Spirit and Jesus We begin with a brief reference to the connection in Paul's thought between the Spirit and Jesus. The Holy Spirit is described as the Spirit of God's Son (Rom 8:14 ff; Gal 4:6), as the Spirit of Christ (Rom 8:9). He who confesses Jesus does so by the Holy Spirit, and no one can say that Jesus is anathema in the Holy Spirit (1 Cor 12:3). Christ is called a life-giving Spirit (1 Cor 15:45); and in 2 Cor 3:17 the statement appears, "Now the Lord is the Spirit." All of this shows how completely one Paul regarded the work of Christ and the Spirit, not because they were identical in the sense in which Beyschlag has contended, but because their task and aim being identical, there was no sense of discord in Paul's mind in explaining their activities in similar terms. (b) In Bestowing Charismatic Gifts The Spirit appears in Paul as in Acts imparting all kinds of charismatic gifts for the ends of the Messianic kingdom. He enumerates a long list of spiritual gifts which cannot receive separate treatment here, such as prophecy (1 Thess 5:19 f) ; tongues (1 Cor 12-14); wisdom (1 Cor 2:6 ff); knowledge (1 Cor 12:8); power to work miracles (1 Cor 12:9 f); discerning of spirits (1 Cor 12:10); interpretation of tongues (1 Cor 12:10); faith (1 Cor 12:9); boldness in Christian testimony (2 Cor 3:17 f); charismata generally (1 Thess 1:5; 4:8, etc.). See SPIRITUAL GIFTS. In addition to the above list, Paul especially emphasizes the Spirit's action in revealing to himself and to Christians the mind of God (1 Cor 2:10-12; Eph 3:5). He speaks in words taught by the Spirit (1 Cor 2:13). He preaches in demonstration of the Spirit and of power (1 Cor 2:4; 1 Thess 1:5). In the above manifestations of the Spirit, as enumerated in Paul's writings, we have presented in very large measure what we have already seen in Acts, but with some additions. In 1 Cor 14 and elsewhere Paul gives a new view as to the charismatic gifts which was greatly needed in view of the tendency to extravagant and intemperate indulgence in emotional excitement, due to the mighty action of God's Spirit in the Corinthian church. He insists that all things be done unto edification, that spiritual growth is the true aim of all spiritual endowments. This may be regarded as the connecting link between the earlier and later New Testament teaching as to the Holy Spirit, between the charismatic and moral-religious significance of the Spirit. To the latter we now direct attention. (c) In the Beginnings of the Christian Life We note the Spirit in the beginnings of the Christian life. From beginning to end the Christian life is regarded by Paul as under the power of the Holy Spirit, in its inner moral and religious aspects as well as in its charismatic forms. It is a singular fact that Paul does not anywhere expressly declare that the Holy Spirit originates the Christian life. Gunkel is correct in this so far as specific and direct teaching is concerned. But Wood who asserts the contrary is also right, if regard is had to clear implications and legitimate inferences from Paul's statements (op. cit., 202). Rom 8:2 does not perhaps refer to the act of regeneration, and yet it is hard to conceive of the Christian life as thus constituted by the "law of the Spirit of life" apart from its origin through the Spirit. There are other passages which seem to imply very clearly, if they do not directly assert, that the Christian life is originated by the Holy Spirit (1 Thess 1:6; Rom 5:5; 8:9; 1 Cor 2:4; 6:11; Tit 3:5). The Holy Spirit in the beginnings of the Christian life itself is set forth in many forms of statement. They who have the Spirit belong to Christ (Rom 8:9). We received not the Spirit of bondage but of adoption, "whereby we cry, Abba, Father" (Rom 8:15). "The Spirit himself beareth witness with our spirit, that we are children of God" (Rom 8:16). The Spirit is received by the hearing of faith (Gal 3:2). See also Rom 5:5; 8:2; 1 Cor 16:11; Gal 3:3,14; Eph 2:18. There are two or three expressions employed by Paul which express some particular aspect of the Spirit's work in believ-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

56

ers. One of these is "first-fruits" (Rom 8:23, aparche), which means that the present possession of the Spirit by the believer is the guarantee of the full redemption which is to come, as the first-fruits were the guarantee of the full harvest. Another of these words is "earnest" (2 Cor 1:22; 5:5, arrabon), which also means a pledge or guarantee. Paul also speaks of the "sealing" of the Christians with the Holy Spirit of promise, as in Eph 1:13 (esphragisthete, "ye were sealed"). This refers to the seal by which a king stamped his mark of authorization or ownership upon a document. (d) In the Religious and Moral Life Paul gives a great variety of expressions indicating the presence and activity of the Holy Spirit in the religious and moral life of the Christian. In fact at every point that life is under the guidance and sustaining energy of the Spirit. If we live after the flesh, we die; if after the Spirit, we live (Rom 8:6). The Spirit helps the Christian to pray (Rom 8:26 f). The kingdom of God is righteousness and peace and joy in the Holy Spirit (Rom 14:17). Christians are to abound in hope through the Holy Spirit (Rom 15:13). "The fruit of the Spirit is love, joy, peace, longsuffering, kindness, goodness, faithfulness, meekness, self-control" (Gal 5:22). Christians are warned to grieve not the Holy Spirit (Eph 4:30), and are urged to take the sword of the Spirit (Eph 6:17). The flesh is contrasted with the Spirit at a number of points in Paul's writings (e.g. Rom 8:5 f; Gal 5:17 ff). The Spirit in these passages probably means either the Spirit of God or man's spirit as under the influence of the Spirit of God. Flesh is a difficult word to define, as it seems to be used in several somewhat different senses. When the flesh is represented as lusting against the Spirit, however, it seems equivalent to the "carnal mind," i.e. the mind of the sinful natural man as distinct from the mind of the spiritual man. This carnal or fleshly mind is thus described because the flesh is thought of as the sphere in which the sinful impulses in large part, though not altogether (Gal 5:19 ff), take their rise. Paul contrasts the Spirit with the letter (2 Cor 3:6) and puts strong emphasis on the Spirit as the source of Christian liberty. As Gunkel points out, spirit and freedom with Paul are correlatives, like spirit and life. Freedom must needs come of the Spirit's presence because He is superior to all other authorities and powers (Die Wirkungen des heiligen Geistes, etc., 95). See also an excellent passage on the freedom of the Christian from statutory religious requirements in DCG, article "Holy Spirit" by Dr. James Denney, I, 739. (e) In the Church. Toward the end of his ministry and in his later group of epistles, Paul devoted much thought to the subject of the church, and one of his favorite figures was of the church as the body of Christ. The Holy Spirit is represented as animating this body, as communicating to it life, and directing all its affairs. As in the case of the individual believer, so also in the body of believers the Spirit is the sovereign energy which rules completely. By one Spirit all are baptized into one body and made to drink of one Spirit (1 Cor 12:13). All the gifts of the church, charismatic and otherwise, are from the Spirit (1 Cor 12:4,8-11). All spiritual gifts in the church are for edification (1 Cor 14:12). Prayer is to be in the Spirit (1 Cor 14:15). The church is to preserve the unity of the Spirit in the bond of peace (Eph 4:3). Love (Col 1:8); fellowship (Phil 2:1); worship (Phil 3:3) are in the Spirit. The church is the habitation of the Spirit (Eph 2:22). The church is an epistle of Christ written by the Spirit (2 Cor 3:3). Thus the whole life of the church falls under the operation of the Holy Spirit. (f) In the Resurrection of Believers The Spirit also carries on His work in believers in raising the body from the dead. In Rom 8:11 Paul asserts that the present indwelling in believers of the Spirit that raised up Jesus from the dead is the guarantee of the quickening of their mortal bodies by the power of the same Spirit. See also 1 Cor 15:44 f; Gal 5:5. We have thus exhibited Paul's teachings as to the Holy Spirit in some detail in order to make clear their scope and comprehensiveness. And we have not exhausted the material supplied by his writings. It will be observed that Paul nowhere elaborates a doctrine of the Spirit, as he does in a number of instances his doctrine of the person of Christ. The references to the Spirit are in connection


LEVEN, Dood en opstanding_1999

57

with other subjects usually. This, however, only serves to indicate how very fundamental the work of the Spirit was in Paul's assumptions as to the Christian life. The Spirit is the Christian life, just as Christ is that life. The personality of the Spirit appears in Paul as in John. The benediction in 2 Cor 13:14 distinguishes clearly Father, Son and Spirit (compare also Eph 4:4). In many connections the Spirit is distinguished from the Son and Father, and the work of the Spirit is set forth in personal terms. It is true, references are often made to the Holy Spirit by Paul as if the Spirit were an impersonal influence, or at least without clearly personal attributes. This distinguishes his usage as to the Spirit from that as to Christ and God, who are always personal. It is a natural explanation of this fact if we hold that in the case of the impersonal references we have a survival of the current Old Testament conception of the Spirit, while in those which are personal we have the developed conception as found in both Paul and John. Personal attributes are ascribed to the Spirit in so many instances, it would seem unwarranted in us to make the earlier and lower conception determinative of the later and higher. In Paul's writings we have the crowning factor in the Biblical doctrine of the Holy Spirit. He gathers up most of the preceding elements, and adds to them his own distinctive teaching or emphasis. Some of the earlier Old Testament elements are lacking, but all those which came earlier in the New Testament are found in Paul. The three points which Paul especially brought into full expression were first, the law of edification in the use of spiritual gifts, second, the Holy Spirit in the moral life of the believer, and third, the Holy Spirit in the church. Thus Paul enables us to make an important distinction as to the work of the Spirit in founding the kingdom of God, namely, the distinction between means and ends. Charismatic gifts of the Spirit were, after all, means to ethical ends. God's kingdom is moral in its purpose, "righteousness and peace and joy in the Holy Spirit." Christianity is, according to Paul, inherently and essentially supernatural. But its permanent and abiding significance is to be found, not in extraordinary phenomena in the form of "mighty works," "wonders," "tongues" and other miracles in the ordinary sense, but in the creation of a new moral order in time and eternity. The supernatural is to become normal and "natural" in human history, therefore, in the building up of this ethical kingdom on the basis of a redemption that is in and through Jesus Christ, and wrought out in all its details by the power of the Holy Spirit. (5) The Holy Spirit in Other New Testament Writings. There is little to add to the New Testament teaching as to the Holy Spirit. Paul and John practically cover all the aspects of His work which are presented. There are a few passages, however, we may note in concluding Our general survey. In He the Holy Spirit is referred to a number of times as inspiring the Old Testament Scriptures (Heb 3:7; 9:8; 10:15). We have already referred to the remarkable statement in Heb 9:14 to the effect that the blood of Christ was offered through the eternal Spirit. In 10:29 doing "despite unto the Spirit of grace" seems to be closely akin to the sin against the Holy Spirit in the Gospels. In Heb 4:12 there is a very remarkable description of the "word of God" in personal terms, as having all the energy and activity of an actual personal presence of the Spirit, and recalls Paul's language in Eph 6:17. In 1 Pet we need only refer to 1:11 in which Peter declares that the "Spirit of Christ" was in the Old Testament prophets, pointing forward to the sufferings and glories of Christ. LITERATURE. I. F. Wood, The Spirit of God in Biblical Literature; article "Spiritual Gifts" in EB; Gunkel, Die Wirkungen des heiligen Gelstea; Gloel, Der heilige Geist in der Heilsverkundigung des Paulus; Wendt, Die Begriffe Fleisch und Geist im biblischen Sprachgebrauch; Weinel, Die Wirkungen des Geistes und der Geister; Dickson, Paul's Use of the Terms Flesh and Spirit; Smeaton, Doctrine of the Holy Spirit; Walker, The Spirit and the Incarnation; Denio, The Supreme Leader; Moberly, Administration of the Holy Spirit in the Body of Christ; Hutchings, Person and Work of the Holy Spirit; Owen, Pneumatologia; Webb, Person and Office of the Holy Spirit; Hare, The Mission of the Comforter; Candlish, The Work of the Holy Spirit; Wirgman, The Sevenfold Gifts; Heber,


LEVEN, Dood en opstanding_1999

58

Personality and Offices of the Holy Spirit; Swete, The Holy Spirit in the New Testament; Moule, Veni Creator; Johnson, The Holy Spirit Then and Now; Kuyper, The Work of the Holy Spirit; Biblical Theologies of Schultz, Davidson, Weiss, Beyschlag, Stevens; list appended to the article on "Holy Spirit" in HDB and DCG; extensive bibliography in Denio's The Supreme Leader, 239 ff. E. Y. Mullins Orr, James, M.A., D.D. General Editor. "Definition for 'HOLY SPIRIT, 2'". "International Standard Bible Encyclopedia". bible-history.com - ISBE; 1915. Copyright Information Š International Standard Bible Encyclopedia (ISBE) //////////////////////////// Nave's Topical Bible Op http://www.verselink.org/ HOLY SPIRIT -General scriptures concerning Ge 1:2; 6:3; 41:38; Ex 31:3; 35:31; Nu 27:18; Ne 9:20; Job 16:19; 32:8; 33:4; Ps 51:11,12; 103:9; 139:7; Isa 4:4; 6:8; 11:2; 28:6; 30:1; 32:15; 40:13; 42:1; 44:3,4; 48:16; 51:12; 54:13; 59:19,21; 61:1; 63:10,11,14; Eze 36:27; 37:9,14; 39:29; Joe 2:28,29; Mic 2:7; 3:8; Hag 2:5; Zec 4:1-7; 12:10; Mt 1:18,20; 3:11,16,17; 4:1; 10:20; 12:28; 28:19; Mr 1:10; 12:36; 13:11; Lu 1:15,35,67; 2:25-27; 3:22; 4:18; 11:13; 12:12; 24:49; Joh 1:9,32,33; 3:5,6,34; 4:14; 6:45,63; 7:38,39; 14:16,17,26; 15:26; 16:7-14; 20:22; Ac 1:2,5,8,16; 2:2-4,33,38; 4:8,31; 5:3,4,9,32; 6:5; 7:51; 8:15-19; 9:31; 10:19,20,44-47; 11:15,16,24; 13:2,4,9,52; 15:8,28; 16:6,7; 19:2-6; 20:28; Ro 1:4; 5:3-5; 8:1-27; 9:1; 11:33,34; 14:17; 15:13,16,18,19,30; 1Co 2:4,10-14; 3:16; 6:11,19; 12:3-11; 2Co 1:22; 3:3,6,8,17,18; 5:5; 6:4,6; 13:14; Ga 3:2,3,14; 4:6; 5:5,17,18,22,23,25; 6:8; Eph 1:1214,17; 2:18,22; 3:5,16; 4:3,4,30; 5:9,18; 6:17,18; Php 1:19; 2:1; Col 1:8; 1Th 1:5,6; 4:8,9; 5:19; 2Th 2:13; 1Ti 4:1; 2Ti 1:7,14; Tit 3:5,6; Heb 2:4; 3:7; 6:4; 9:14; 10:15,29; 1Pe 1:2,11,12,22; 3:18; 4:14; 2Pe 1:21; 1Jo 2:20; 3:24; 4:2,13; 5:6-8; Jude 1:19,20; Re 1:4; 2:7,11,29; 4:5; 5:6; 11:11; 14:13; 19:10; 22:17 -See INSPIRATION -See WORD OF GOD, INSPIRATION OF -INSPIRATION OF INSTANCES OF Joseph Ge 41:38 Bezaleel Ex 31:3; 35:31 The seventy elders Nu 11:17 Balaam Nu 24:2 Joshua Nu 27:18 The Judges Othniel Jud 3:10 Gideon Jud 6:34 Jephthah Jud 11:29 Samson Jud 13:25; 14:6,19 King David


LEVEN, Dood en opstanding_1999

59

1Ch 28:11,12 The prophets Azariah 2Ch 15:1 Zechariah 2Ch 24:20; Zec 1:1 Ezekiel Eze 8:3; 11:1,5,24 Daniel Da 4:8 Zacharias Lu 1:67 Elizabeth Lu 1:41 Simeon Lu 2:25,26 The disciples Ac 6:3; 7:55; 8:29; 9:17; 10:45 See INSPIRATION -SIN AGAINST Isa 63:10; Mt 12:31,32; Mr 3:29; Lu 2:10; 12:10; Ac 5:3,9; 7:51; 8:18-22; Eph 4:30; Heb 10:29; 1Jo 5:16 -WITHDRAWN FROM INCORRIGIBLE SINNERS Ge 6:3; De 32:30; Ps 51:11; Pr 1:24-28; Jer 7:29; Ho 4:17,18; 5:6; 9:12; Mt 15:14; Lu 13:7; Ro 1:24,26,28 See REPROBACY -INSTANCES OF Antediluvians Ge 6:3-7 People of Sodom Ge 19:13,24,25 Israelites Nu 14:26-45; De 1:42; 28:15-68; 31:17,18 Samson Jud 16:20 Saul 1Sa 16:14; 18:10-12; 19:9-11; 20:30-33; 22:7-19; 28:15,16; 2Sa 7:15 //////////////////////////// Thompson's Chain Reference Op http://www.verselink.org/ Holy Spirit (Select Readings,) Joh 14:16-26; Ac 2:1-47; Ro 8:1-39 (For alphabetical arrangement See Index) (1) General Work Zec 4:6; Mt 12:28; Joh 15:26; 16:8; Ro 8:11,26; 2Co 3:6 1Pe 3:18; 2Pe 1:21; Re 22:17 (2) Dwelling in Believers


LEVEN, Dood en opstanding_1999

Eze 36:27; Joh 14:17; Ro 8:9; 1Co 3:16; 6:19; 2Ti 1:14 1Jo 2:27 --SEE Spirit Filled, FULNESS Spiritual Fulness, FULNESS Indwelling Christ, TEMPLES, SPIRITUAL (3) Outpouring of, Promised Isa 32:15; 59:21; Eze 39:29 Upon Young and Old Joe 2:28; Zec 12:10 Christ the Giver of Mt 3:11 Bestowed in Answer to Prayer Lu 11:13 Through Waiting upon God Lu 24:49; Joh 7:39; 14:16; 16:7 Empowers for Service Ac 1:8 Personal Cleansing Precedes Ac 2:38 --SEE Spiritual Fulness, FULNESS (4) Examples of Men Receiving the Gift of, under the Old Dispensation. The Seventy Elders Nu 11:25 Balaam Nu 24:2 Othniel Jud 3:10 Gideon Jud 6:34 Samson Jud 14:6; 14:19 Saul

60


LEVEN, Dood en opstanding_1999 1Sa 10:10; 11:6 David 1Sa 16:13 Saul's Messengers 1Sa 19:20; 2Ch 15:1; Lu 2:25 --SEE Spiritual Power, POWER (5) Believers in the Early Church Baptized with Simeon Lu 2:25 Believers at Pentecost Ac 2:3 The Samaritan Christians Ac 8:17 Cornelius and his Company Ac 10:44 The Ephesian Believers Ac 19:6,7; 1Co 12:13; 1Jo 2:20 --SEE Spiritual Power, POWER (7) Bearing Witness to the Spiritual Adoption of Believers Ro 8:16; Ga 4:6; 1Jo 3:24; 4:13; 5:6 --SEE Spiritual Adoption, CHURCH, THE Assurance, ASSURANCE (8) As Teacher Ne 9:20; Lu 12:12; Joh 14:26; 1Co 2:13; 1Jo 2:27 --SEE Guidance Promised, GUIDANCE (9) The Sin Against Isa 63:10; Mt 12:31; Mr 3:29; Ac 5:3; 7:51; Eph 4:30 1Th 5:19; Heb 10:29; 1Jo 5:16 --SEE Despisers, DESPISERS Stubbornness, SELF-WILL & SELF-WILL

61


LEVEN, Dood en opstanding_1999 (10) Withdrawal of Ge 6:3; 1Sa 16:14; Ps 51:11 --SEE God's Face Hidden, ESTRANGEMENT Reprobation, ISRAEL-THE JEWS Wicked Rejected, WICKED (11) Christ Baptized with Isa 11:2; 42:1; 61:1; Mt 3:16; Joh 1:32; Ac 10:38 (12) The Leadership of Guides into All Truth Joh 16:13; Ac 8:39 Controls the Movements of Believers Ac 10:19,20 Directs in the Selection of Christian Leaders Ac 13:2 Chooses the Fields of Operation Ac 16:6 Obedience to, a Mark of Sonship Ro 8:14; Ga 5:18 --SEE Guidance, GUIDANCE (13) Giveth Life Joh 6:63; Ro 8:11; 2Co 3:6; 1Pe 3:18 (14) Called "Spirit of Truth" Joh 14:17; 15:26; 16:13; 1Jo 4:6 (15) Called the Comforter, (Greek, Parakletos) Abides forever Joh 14:16 Brings to remembrance Christ's words Joh 14:26 Testifies concerning Christ Joh 15:26 Convicts the world of sin

62


LEVEN, Dood en opstanding_1999

63

Joh 16:7,8 Guides into all truth Joh 16:13 ////////////////////////////

R. A. Torrey's New Topical Textbook Op http://www.verselink.org/torrey/torrey279.html HOLY SPIRIT, THE COMFORTER, THE - Proceeds from the Father Joh 15:26 - GIVEN . By the Father Joh 14:16 . By Christ Isa 61:3 . Through Christ's intercession Joh 14:16 - Sent in the name of Christ Joh 14:26 - Sent by Christ from the Father Joh 15:26; 16:7 - AS SUCH HE . Communicates joy to saints Ro 14:17; Ga 5:22; 1Th 1:6 . Edifies the Church Ac 9:31 . Testifies of Christ Joh 15:26 . Imparts the love of God Ro 5:3-5 . Imparts hope Ro 15:13; Ga 5:5 . Teaches saints Joh 14:26 . Dwells with, and in saints


LEVEN, Dood en opstanding_1999

64

Joh 14:17 . Abides for ever with saints Joh 14:16 . Is known by saints Joh 14:17 - The world cannot receive Joh 14:17 ////////////////////////// R. A. Torrey's New Topical Textbook Op http://www.verselink.org/torrey/torrey279.html HOLY SPIRIT, THE TEACHER, THE - Promised Pr 1:23 - As the Spirit of wisdom Isa 11:2; 40:13,14 - GIVEN . In answer to prayer Eph 1:16,17 . To saints Ne 9:20; 1Co 2:12,13 - Necessity for 1Co 2:9,10 - AS SUCH HE . Reveals the things of God 1Co 2:10,13 . Reveals the things of Christ Joh 16:14 . Reveals the future Lu 2:26; Ac 21:11 . Brings the words of Christ to remembrance Joh 14:26 . Directs in the way of godliness Isa 30:21; Eze 36:27 . Teaches saints to answer persecutors Mr 13:11; Lu 12:12


LEVEN, Dood en opstanding_1999

65

. Enables ministers to teach 1Co 12:8 . Guides into all truth Joh 14:26; 16:13 . Directs the decisions of the Church Ac 15:28 - Attend to the instruction of Re 2:7,11,29 - The natural man will not receive the things of 1Co 2:14

1:3 Over sterven en het graf In de schaduw van de dood We kunnen ons afvragen: wanneer een mens sterft stopt dan gans zijn fysieke en intellectuele bewustzijn te functioneren? Zeer zeker is dit zo. Wanneer de mens sterft, sterft hij volledig. In Ps.6:6 wordt gezegd: “Want in den dood is Uwer een gedachtenis, wie zou U loven in het dodenrijk?” Pred.9:5,10 zegt: “De levenden weten tenminste dat zij sterven moeten maar de doden weten niets (...) Al wat uw hand vindt om naar uw vermogen te doen, doe dat, want er is géén werk of overleg of kennis of wijsheid in het dodenrijk waarheen gij gaat.” En om dit nog duidelijker te bevestigen worden in Pred. 3:19-21 de dood van mensen en dieren als hetzelfde gelijkgeschakeld: “Want het lot der mensenkinderen is gelijk het lot der dieren, ja, eenzelfde lot treft hen: gelijk dezen sterven, zo sterven genen en allen hebben enerlei adem: waarbij de mens niets heeft boven de dieren (...) Wie bemerkt dat de adem der mensenkinderen opstijgt naar boven en dat de adem der dieren neerdaalt naar beneden in de aarde” (wij onderstrepen, vergelijk ook Ps.49:13,21)? Alle voorstellingen, boekwerken, gezangen over afgestorvenen naar de hemel opgenomen om daar nu reeds Gods lof te bezingen zijn vrome maar onBijbelse voorstellingen vergeleken bij wat de Schrift zegt. In Psalm 115:17 staat: “Niet de doden zullen de HERE loven, niemand van wie in de stilte is neergedaald.” In Jes. 38:18,19: “Want het dodenrijk looft U niet, de dood prijst U niet; wie in de groeve zijn neergedaald, hopen niet op Uw trouw. De levende, de levende, hij looft U, zoals ik heden doe; de vader maakt zijn zonen uw trouw bekend.” In Psalm 6:5: “Keer weder, HERE, red mijn ziel, verlos mij om uwer goedertierenheid wil.” In Psalm 88:11-13: “Zult Gij aan de doden een wonder doen; zullen schimmen opstaan en U loven? Wordt in het graf uw goedertierenheid verkondigd, uw trouw in de plaats der vertering? Wordt uw wondermacht in de duisternis bekend, uw gerechtigheid in het land der vergetelheid?” Tot slot Jes.38:10,11: “Ik zeide: In de bloei mijner dagen moet ik heengaan door de poorten van het dodenrijk, ik zal derven de rest mijner jaren. Ik zeide: Ik zal de HERE niet zien, de HERE in het land der levenden; ik zal geen mens meer aanschouwen onder de bewoners der wereld.” De Schrift is formeel in wat er onmiddellijk is na de dood: nl. géén bewustzijn. Gods woord zegt ook duidelijk dat het lichaam tot stof terugkeert (Ps.104:29 / 146:4). Dit was en is de voltrekking


LEVEN, Dood en opstanding_1999

66

van Gods straf (Gen.3:19). Maar ook de vijfde stelling uit de doctorale scriptie van K. Hanhart is juist: “Hoewel het OT geen eeuwig leven veronderstelt wijzen enkele psalmverzen op een blijvende verbondenheid tussen de vrome en zijn God, welke de dood niet kan verbreken, nl.Ps 16:9, Ps 49:16, Ps 73:24-28” (‘The intermediate state in the New testament’, Druk. V.R.B. Groningen, 1966, bijlage van stellingen). P.J. Muller, om eens een theoloog uit het begin van deze eeuw te citeren zegt: “De dood nu is de scheuring van lichaam en geest en dus de verbreking van het menselijke leven (...) Voor den gelovige wordt echter de hoop der zaligheid niet vernietigd door den dood: hij heeft het eeuwige leven, dat door niets, ook door den dood niet kan verstoord worden. Hij is er van verzekerd dat juist de dood hem een ingang is tot dat leven, en hij beaamt het woord des Apostels: en het vergankelijke beërft de onvergankelijkheid niet” (‘Handboek der dogmatiek’, Wolters, tweede druk 1908, p.229). Er is geen mens die de dood niet zal zien (Ps.89:49). Sterven is heengaan en niet meer zijn (Ps.39:14). Sterven is aan zijn levenseinde komen. Met de dood stopt elk leerproces. Beter dan ook een levende hond, die hoop heeft, dan een dode leeuw (Pred.9:4). Met uitzondering van de gelovigen die achterblijven tot bij de wederkomst van de Heer zullen alle mensen: “naar het dodenrijk nederdalen” (Gen.37:35 / 41:38 / 1 Sam.2:6). Prediker 12: 5 beschrijft dit, maar dat is geen gemakkelijke tekst. Het commentaar erop van B. Telder is dit: “Zo constateert de Prediker, niet als een sombere klacht maar heel reëel: “ De mens gaat naar een eeuwig huis.” En met dat eeuwig huis bedoelt hij het graf, omdat de gestorvene daaruit niet wederkeert. Hij zal in dat graf blijven rusten tot de opstanding. Onze StatenBijbel toont bij de verklaring van de uitdrukking “eeuwig huis” een open oog te hebben voor de Bijbelse zin van het woord “eeuwig.” De kanttekenaar merkt daarbij op: “Naar zijn eeuwig huis, dat is, naar het graf; want daar zal de mens lang blijven.” Deze omschrijving komt ons beter voor, dan in de aantekeningen op de Nieuwe Vertaling (uitgave Kok Kampen) gegeven wordt: des mensen eeuwig huis is zijn eeuwige bestemming. De Engelse overzetting leest: de mens gaat heen naar zijn langdurig thuis” (‘Sterven (...) Waarom?’, p.56, 57). Beter konden we dit niet zeggen. Alhoewel dit er van menselijk standpunt op neerkomt dat de mens de totale vernietiging tegemoet gaat toch is dit niet zo. Er is méér tussen hemel en aarde dan wat het oog ziet. Ook het oog van de Prediker, die hier vanuit een wetenschappelijke en filosofische optiek schrijft. Bepaalde uitdrukkingen in Prediker maken dit duidelijk. Pred.2:1,15 zegt, “Ik zeide tot mijzelf.” En de tekst over het lot van mens en dier bevat de zinsnede, “Ik zeide bij mijzelf” (vers 17,18). We moeten Prediker lezen en begrijpen vanuit: “Zoals gij den weg van den wind evenmin kent als het gebeente in den schoot van een zwangere vrouw, zomin kent gij het werk van God die alles maakt” (Pred.11:5, wij onderstrepen). Hier zijn enkele vergelijkingen te maken met een ander geschrift uit de 1st eeuw voor Christus, “De wijsheid van Sirach.” Het leven is als een vluchtige schaduw, als een rozenknop die verwelkt enz (...) Zie Wijsheid 2:5-11. Laten we ook niet vergeten dat er zoiets bestaat als progressieve openbaring. Wij, christenen, weten nu veel meer dan welke profeet uit het Oude Testament ooit zou kunnen weten. Aan ons christenen zijn dingen geopenbaard die zij niet eens begrijpen konden. We moeten alle verklaringen van dezen dan ook vergelijken en afwegen met de openbaring van het NT (Heb.1O:1 / Joh.16:13). Zo worstelde Job met de vraag: “Als een mens sterft, zal hij herleven” (Job.14:14)? Daarop heeft Paulus het enige antwoord: “de genade die ons in Christus Jezus gegeven is voor eeuwige tijden, doch die nu geopenbaard is door de verschijning van onze Heiland Jezus Christus die de dood van zijn kracht heeft beroofd en onvergankelijk leven aan het licht gebracht heeft door het evangelie” (2 Tim. 1:1O).


LEVEN, Dood en opstanding_1999

67

De mens - ook de gelovige - leeft vanuit menselijk standpunt echter wel onophoudelijk in de “schaduw van de dood” (Mat.4:16 / Heb.2:15). Het pessimistische getuigenis van het Oude Testament Het algehele beeld van het Oud Testament is dat het er voor de mens na de dood niet goed uitziet. Hier volgen enkele van deze teksten: Job 14:1,2: “De mens, uit een vrouw geboren, is kort van dagen en zat van onrust. Als een bloem ontluikt hij en verwelkt, als een schaduw vliedt hij heen en houdt geen stand.” Psalm 39:6,7: “Zie, Gij hebt mijn dagen als enige handbreedten gesteld, mijn levensduur is als niets voor U; ja, ieder mens staat daar, enkel een ademtocht. Ja, de mens gaat daarheen als een schaduw, ja, als een ademtocht suizen zij weg, zij garen bijeen en weten niet, wie het tot zich nemen zal.” Psalm 90:9,10: “Want al onze dagen gaan voorbij door uw verbolgenheid, wij voleindigen onze jaren als een gedachte. De dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, en, indien wij sterk zijn, tachtig jaren; wat daarin onze trots was, is moeite en leed, want het gaat snel voorbij, en wij vliegen heen.” Psalm 102:12: “Mijn dagen zijn als een langgerekte schaduw, en ik verdor als gras.” (vgl. Ps.144:4) Spr.14:12: “Soms schijnt een weg iemand recht, maar het einde daarvan voert naar de dood.” (vgl. Rom.6:21) Spr.27:20: “Dodenrijk en verderf zijn onverzadelijk; even onverzadelijk zijn de ogen des mensen.” Pred.2:14: “de wijze heeft ogen in zijn hoofd, maar de dwaas wandelt in de duisternis; maar ik bemerkte ook, dat één lot hen allen treft.” Pred.9:12: “Want ook de mens kent zijn tijd niet, evenmin als de vissen, die in het verraderlijke net gevangen worden, evenmin als de vogels, die in het klapnet gevangen worden. Evenals zij worden de mensenkinderen verstrikt ten tijde des kwaads, als dit hen plotseling overvalt.” Pred.11:9: “Verheug u, o jongeling, in uw jeugd, en uw hart zij vrolijk in uw jongelingsjaren; ja, volg de lust van uw hart en wat uw ogen aanschouwen, maar weet, dat God u om al deze dingen in het gericht zal doen komen.” Pred.12:5: “op de dag, dat men ook vreest voor de hoogte, en er verschrikkingen op de weg zijn, de amandelboom bloeit, de sprinkhaan zich voortsleept en de kapperbes niet meer helpt - want de mens gaat naar zijn eeuwig huis en de rouwklagers gaan rond op de straat.” Jes.40:6: “Hoor, iemand zegt: Roep. En de vraag klinkt: Wat zal ik roepen? - Alle vlees is gras, en al zijn schoonheid als een bloem des velds.” Is er dan géén toekomst meer voor de doden? Om deze vraag te beantwoorden moeten we naar het bijbelboek Genesis. Wanneer God Adam en Eva schiep liet Hij hun een test doormaken. Ze werden beproefd op gehoorzaamheid aan hun schepper. De test was, dat ze van één bepaalde boom in de hof van Eden niet mochten eten. De Bijbel leert in Gen.2:16,17: “En de Here God legde den mens het gebod op: Van alle bomen in de hof moogt ge vrij eten, maar van den boom der kennis van goed en kwaad daarvan zult ge niet eten, want ten dage dat ge daarvan eet, zult ge voorzeker sterven.” De uitdrukking “voorzeker sterven” wordt nog ongeveer twintig maal gebruikt in de Schrift en heeft altijd te maken met letterlijk sterven. Zie o.a. Gen.2O:7 / 1 Sam.22:16 / Jer.26:8 / Ezech.3:18 / 33:8,14 .


LEVEN, Dood en opstanding_1999

68

Dit was geen zwaar gebod. Toch heeft de mens gefaald. Indien hij niet van de vrucht van de boom gegeten zou hebben dan had de Schepper de mens onsterfelijk gemaakt. Hij zou eeuwig op aarde blijven leven. Hoe kwam het dat de mens Gods enige proefgebod overtrad? Omdat iemand in de hemelse gewesten de heerschappij van God in twijfel begon te trekken. Dit hemelse schepsel “Heilel” of “Lucifer” genaamd wakkerde de begeerte om over de mens te heersen in zich aan. Daardoor kwam hij tot zonde en sleepte in zijn val de ganse toenmalige mensheid nl. Adam en Eva met zich mee (Jac.1:13-15). Onder de vermomming van een slang verscheen hij voor Eva en zei haar dat ze niet zou sterven wanneer ze van de boom der kennis van goed en kwaad zou eten (Gen.3:4). Door deze woorden uit te spreken kenmerkte deze “duivel” zich als de eerste leugenaar, “de vader der leugen” zoals Christus hem noemt (Joh.8:44). We zien dat zowel God als dit hemelse schepsel de mens onsterfelijkheid beloven. De leugen van Satan is echter een dubbele leugen; 1°) Gij zult als God zijn, 2°) Gij zult niet sterven. Wie zal de mens geloven? God beloofde onsterfelijkheid op basis van gehoorzaamheid en liefde tot de Schepper. Lucifer zei dat dit zou verkregen worden door opstand tegenover God en overtreding van Zijn gebod. Heeft God dan werkelijk geboden gemaakt om overtreden te worden? De geboden die God geeft zijn beschermingsmaatregelen. Hij geeft die niet als een dwangbuis die Hij de mens tracht aan te doen. God zou niet toelaten dat zijn geboden overtreden werden want zijn heiligheid laat dat niet toe. Volgens Hem zal die ziel die zondigt ook sterven (Ezech.18:4,20). Doordat Eva dit opstandige hemelse schepsel geloofde in plaats van haar Schepper en toch van de boom der kennis van goed en kwaad begon te eten verdiende zij de dood. Haar kans op onsterfelijkheid was verkeken. Later was dit ook het geval voor Adam. Ook hij at van de vrucht van de boom om zijn vrouw genoegen te doen. Hij verkeek hierdoor ook zijn persoonlijke kans op onsterfelijkheid. Adam en Eva zouden sterven. Letterlijk zegt de Schrift in vertaling: “stervende moet gij sterven.” Zoals een afgesneden bloem gedoemd is te sterven, ook wanneer ze het nog een week overleefd, zo is Adam gedoemd. Hij is afgesneden van het goddelijk leven. Adam stierf op 930-jarige leeftijd. Eva op een niet nader genoemde ouderdom. De dood die in de schepping geen natuurlijk verschijnsel was had zijn intrede gedaan in de wereld als straf op de zonde (Gen.3:19,22). Dood, zonde en de Satan zijn boezemvrienden geworden in de ondergang van de mensheid (Heb. 2:14,15). Het loon van hun zonde was de dood (Rom.6:23). God straft de enkeling zodat de gemeenschap heilig mag genoemd worden (Deut.13:5,11,18). God kan of mag Zijn basiswetten niet wijzigen (Mal.3:6 / Jac.1:17). Daarom zal de gelovige Gods wetten bezingen (Psalm 119) want daarin ligt wijsheid (Spr.8:35). Ongehoorzaamheid aan Gods wet is zichzelf in moeilijkheden brengen (Ezech. 18:23). Maar de wetsovertreder die zich bekeert: “hij zal voorzeker leven, hij zal niet sterven” (Ezech.18:17,21, 28). De dood is onverbiddellijk. Niemand kan zijn eigen leven of ziel redden (Ps.22:29). Mogen we u kort alles eens opsommen wat er in en door de zonde van Adam verloren ging of tot ontstaan kwam. Dood (Eph.2:1 / 4:18). Afstand tot God (Jes.59:1,2). Vijandschap (Rom.8:7,8 / 5:6-10). Vloek (Gen.3:17,18). Zonde (Rom.5:12). Slavernij aan de zonde (Rom.6:16). Zwoegen in deze wereld (Gen.3:17). Vruchteloosheid (Rom.8:20). Bevredigen van het vlees (Col.2:23). Lust (Gal.5:16,24). Dagelijks sterven (2 Cor.4:16). De mens zelf verloor het belangrijkste dat hem als Gods beeld kenmerkte: heiligheid, gerechtigheid en kennis over zijn Schepper. Slechts in Christus zal men dit alles opnieuw kunnen terugkrijgen; uit genade en niet uit eigen werken (Eph.4:24 / Col. 3:10). Laat ons dit eens wetenschappelijk bekijken. Adam had geen onsterfelijkheid en Eva evenmin. Konden zij die géén onsterfelijkheid in zich hadden, hun afstammelingen de gave van onsterfelijk-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

69

heid overdragen? Neen, want de wet van God zegt dat soort naar soort voortbrengt. Daarom staat er ook in Job 14:4: “Komt ooit een reine uit een onreine. Niet één.” Vergelijk dit met Gen.8:21 / Rom.6:23 / 1 Cor.15:22. Adam en Eva brachten in plaats van onsterfelijkheid, de dood op hun nakomelingen. Slechter begin voor de mensheid is er niet. Het is ieder beschikt éénmaal te sterven en daarna geoordeeld te worden (Heb. 9:27). En de levenstijd van een mens is kort op deze (de oude) aarde (1 Pet.1:24 / Jac.1:10). Den mensen beschikt éénmaal te sterven (Heb.9:27) De opmerking van K. Barth in zijn Dogmatiek dat de dood van Adam deel heeft aan de scheppingsorde (en dus niets rechtstreeks met de zonde van Adam te maken heeft) is geen schriftuurlijke zienswijze (zie K.D. III, 2, p.779). Volgens Barth heeft elk schepsel een begin en ook een einde. Adam was niet geboren met onsterfelijkheid maar zou daarmee gezegend worden na zijn test van trouw. Dat lag in de lijn van wat God met de mensheid voor had. We mogen niet redeneren dat gezien er sprake is over het “beschikt” zijn in Heb.9:27, dat dit alreeds in de scheppingsorde is ingebouwd. Het is slechts te begrijpen vanuit de zonde van Adam en Eva en Gods straf die daarover is uitgesproken, want dat is zeer duidelijk; wie zondigt zal sterven. En we geloven ook niet wat J. Semmelink schrijft dat: “de mensen zouden ze (de onsterfelijheid) behouden hebben, wanneer zij niet gezondigd hadden” (zie ‘Onsterfelijkheid en opstanding’, Uitg. Van Keulen, 1962, p.64). We voelen niets voor een dergelijke visie en kunnen er geen enkele schriftuurplaats voor vinden, want men kan “niet” behouden wat men nog niet heeft ontvangen. De mens zou hebben mogen verblijven in de Hof van Eden als teken dat God de mens voor eeuwig levend zou houden. En volgens enkele theologen (o.a. H. Obbink) hebben de eerste mensen werkelijk van de boom des levens gegeten toen ze in de hof vertoefden. Dit is bijna niet uit de tekst op te maken, toch was het verbod Adam niet opgelegd ervan te eten. Wel moeten we het woordje “ook” in Gen.3:22 dan toch wat afzwakken. Onze Geloofsbelijdenissen zijn dan ook zeer voorzichtig op dit punt. Volgens de Heidelberger zijn de eerste mensen door God: “goed en naar zijn beeld geschapen, dat wil zeggen: in ware gerechtigheid en heiligheid (...) en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou” vraag 6. Onsterfelijkheid op zichzelf is niet aan de orde, deze is afhankelijk van gehoorzaamheid en genade volgens vraag 7 en 8. De apostel Paulus beschrijft deze dingen in zeer krachtige bewoordingen: “Daarom, gelijk door één mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben” (Rom.5:12). “Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden” (1 Cor.15:22). Uit deze laatste tekst blijkt duidelijk dat de mens sterft omdat hij uit Adam geboren is. Het gebruik van de tegenwoordige tijd in de Griekse tekst wijst dit duidelijk aan. Tot zolang er mensen in Adam geboren worden is hun lot de dood, men kan er alleen door een goddelijk ingrijpen aan ontsnappen. Het hart van de mens is boos en bedorven volgens Gen.6:5 / 8:21 / Jer.17:9. Het menselijke verstand is verduisterd (Job 21:14 / Jes.1:3 / Jer.4:22). Zelf is hij hoogmoedig (Ps. 51:19 / Spr.16:18). Het menselijke denken en geweten is bevlekt zegt Paulus in Tit.1:15. Zijn begeerte gaat uit naar hetgeen verboden wordt door God (Jer.13:23 / Joh. 8:34,36). En lees wat Paulus over zowel Joden als heidenen schrijft in Rom.3:9-20, een hard maar waarachtig woord. Wat de Mormonen leren over de sterfelijkheid van de mens is totaal vreemd aan wat de Schrift hierover zegt. Ze leren namelijk dat deze sterfelijkheid een zegen is voor de mens. We citeren Talmage p.468: “De mens in zijn sterfelijke staat is de vereniging van een geest uit het voorbestaan met een lichaam, dat uit aardse bestanddelen bestaat. Deze vereniging van geest en lichaam wijst op bevordering uit de onbelichaamde naar de belichaamde staat, hetgeen een onschatbare


LEVEN, Dood en opstanding_1999

70

vooruitgang vormt in de geleidelijke ontwikkeling der menselijke ziel (...) De ge-boorte in deze sterfelijkheid is een zegen (...) De zegen van onze bevordering tot de sterfelijke staat is gelegen in de mogelijkheden die ons in die staat worden geboden.” Dat kan natuurlijk alleen in de leer van de Mormonen waar men al eens als geest “geleefd” heeft, voordat men mens is geworden. Ook in de deuterocanonische boeken en apocriefen vinden we enkele verwijzingen naar de schuld van Adam en Eva. Zie o.a. 2 Ezra 3:7 / Sirach 25:24. Soms ligt de nadruk uitzonderlijk op Adam die volgens de Syrische Baruch slechts persoonlijk zondigde en de mensheid daardoor niet heeft beïnvloed (Baruch 54:19). Alle mensen zijn wel zondaars volgens Wijsheid 9:6,13-18 / 12:10,11 of Sirach 8:6 / 25,26. Een vreemde en echt onBijbelse gedachte vinden we in ‘The Encyclopedia of the Jewish Religion’ edit. R. Werblowsky en G. Wigoder, Phoenix house, London, 1967, p.110: “In het Rabbijnse denken kwam de dood in de wereld door de zonde; deze van Adam of de persoonlijke zonde. Alhoewel de Rabbijnen een lijst geven van enkele individuen die gestorven zijn zonder zonde (Shab. 55b) is de meest voorkomende gedachte deze dat de dood een straf is over de zondigheid. En deze leer krijgt haar steun door: “Want niemand op aarde is zo rechtvaardig, dat hij goed doet zonder te zondigen” (Pred.7:20). Zo zijn dan ook Mozes en Aäron gestorven omwille van hun zonden” (wij onderstrepen). Wat is de hoop voor de mensheid? Is er dan géén hoop voor de mens? Zeker is er hoop ! Alhoewel de mens nu geen onsterfelijkheid bezit, heeft God er voor gezorgd dat onsterfelijkheid toch nog op een andere wijze zou verkregen worden. Hoe? Op basis van het offer van Jezus Christus. Er moest een nieuwe Adam komen. Een Adam die ons niet door lichamelijke afstamming onsterfelijkheid geeft maar door geestelijke afstamming (Hand.17:28 / Luc.1:34,35). God had de wereld (de mensheid) zo lief dat Hij Zijn Eniggeboren Zoon naar de aarde stuurde tot het loskopen van de mensen (Joh.3:16). Gods hand is niet te kort om te verlossen (Jes.59:12). Daartoe is door de dood van Jezus de macht van de duivel onttroont (Heb.2:14). Jezus Christus heeft aan de Vader zijn vergoten bloed aangeboden als een offer dat verzoening brengt tussen de zondige wereld en God. Hierdoor kon God de mensen loskopen. Het is slechts vanaf het ogenblik dat Jezus Zijn offer gaf dat mensen onsterfelijkheid zouden kunnen verkrijgen. Paulus zegt dit in 2 Tim.1:10: “doch die nu geopenbaard is door de verschijning van onze Heiland, Christus Jezus, die de dood van zijn kracht heeft beroofd en onvergankelijk leven aan het licht gebracht heeft door het evangelie.” Zonder Christus en Zijn opstanding uit de doden zouden we nog in zonde zijn (Rom.4:25). Jezus is gestorven voor mijn zonden en is begraven voor mij. Hij leeft en daarom leef ik op basis van Zijn offer (Rom.7:4 / 1 Thes.5:10 / Heb.2:9-11). Zijn overwinning over de dood is, voor u en mij. Daarom moeten we niet vrezen, alleen geloven (Marc.5:36). God is voor de gelovige een echte schuilplaats (Deut.33:27). Sterven is voor een gelovige immers winst (Phil.1:21). Met de komst van de Messias is het aangename jaar van de Heer begonnen (Mat. 11:5 / Luc.4:18-21). Een aanbod met universele kracht. Voor die gestorven zijn vóór zijn eerste komst, en ook dezen na zijn eerste komst. Wil dit zeggen dat alle mensen vanaf Jezus Christus onverderfelijkheid of onsterfelijkheid krijgen? Neen. Er wordt iets verlangd. Geloof in God de loskoper en Jezus Christus de middelaar. En het uit geloof navolgen van de geboden die Jezus Christus heeft gegeven. Werken uit dankbaarheid


LEVEN, Dood en opstanding_1999

71

zeggen Luther en Calvijn. Godsvrucht met een belofte voor heden en toekomst zegt 1 Tim.4:7-11. Door zo te handelen krijgen we vergiffenis niet alleen van onze persoonlijke schulden, waardoor we de dood verdienen maar ook van de sterfelijke natuur die we van Adam overgeërfd hebben. We houden ons hier aan beide uitleggingen van Rom.5:12. Maar nog duidelijker is 1 Cor.15:22, dat “in Adam allen sterven.” Daarom is Hij ook mens geworden en heeft voor ieder de dood gesmaakt (Heb.2:9). We worden gerechtvaardigd door het geloof in Christus, niet door werken (Luc.7:50 / 8:48 / Joh.3:16,36 / Rom.3:20 / Gal.2:16). De gelovige leeft wel “in” het vlees maar niet “naar” het vlees (2 Cor.10:3 / Gal.3:3 / Rom.8:13). Zo ook de genezing van de 10 melaatsen (Luc.17:17-19) waar slechts één melaatse zijn genezing werkelijk aanvaardt en dankbaar is. In persoonlijk geloof moet ieder kunnen beamen: “Met Christus ben ik gekruisigd en toch leef ik, dat is niet meer ik maar Christus leeft in mij” (Gal.2:20). Wanneer in het OT gezegd wordt dat er “hoop” en “loon” is voor de gelovigen en “straf” voor de ongelovigen dan ligt dit niet altijd in de toekomst maar soms hier op aarde tijdens dit leven. Wie in de gunst van de Heer vertoeft zal als “loon” een goed in rijkdom gevuld, aards leven hebben. En men sterft “oud en van het leven verzadigd” (Gen.25:8 / 35:29 / Job 42:17). Het gaat in het OT om het leven en het goede, ofwel de dood en het kwade (Lev.18:5 / Deut.30:15 / Spr.20:22 / Amos 5:4). Zie voor de gelovige of de goede mens o.a. Ps.19:12-15 / Spr.21:20,21 / Jes.40:10 / Jes.62:11,12. En hij zal ook niet uit Gods boek uitgewist worden maar door God voor eeuwig in herinnering gehouden worden (Ex.32:33 / Ps. 11:26). De afvallige of de boze zal op aarde gestraft worden volgens o.a. Deut.32:41 / 2 Sam.3:39 / Ps.91:8 / 109:18-20. Het zou echter toch verkeerd zijn om de gelovige uit het NT alleen maar af te beelden als iemand in “loondienst.” Toch moet de Schrift recht gedaan worden. Gods woord spreekt over een “loon” dat de Nieuw Testamentische gelovige zal ontvangen bij de wederkomst van Christus. Wij wijzen op: Mat.5:11,12 : voor vervolgden is het loon groot in de hemelen. Mat.10:41,42 : wie Gods gezondenen goed ontvangt zal het loon van een rechtvaardige erven. Mat.16:27 : bij de wederkomst zal ieder naar zijn daden vergolden worden. Joh.4:34,35 : wie in Gods dienst staat ontvangt loon. 1 Cor.3:14 : wie goed werkt in Gods dienst ontvangt loon. Col.3:22-24 : werk van harte gedaan geeft bij de Wederkomst de vergelding van een erfenis. En soms ontvangt men reeds zijn loon in deze wereld (Luc.18:30). Loon en genade zijn niet tegenstrijdig zoals genade en werken van dankbaarheid het niet zijn. Trouw aan God wil zeggen dat de gaven ons gegeven in dienst van Zijn Koninkrijk gebruikt worden. We moeten namelijk strijden om gekroond te worden (2 Tim.2:5). Of nemen we genoegen ons geloof een dood geloof te laten zijn? Zo zegt ook J. Sevenster in, ‘Leven en dood in de evangeliën’, Uitg. Holland, 1952, p.61, 62: “In de evangeliën is het kindzijn van God juist niet het vanzelfsprekende, niet het natuurlijke, maar het onverwachte, het wonder van Gods heil, waarop hij generlei recht zou kunnen laten gelden. De mensen zijn niet eenvoudig van nature Gods kinderen, maar zij mogen verwachten, dat God naar de orde van zijn heil hen als zijn kinderen zal aannemen, als zij zich in de ontmoeting met Jezus tot bekering hebben laten roepen en gehoorzaam Gods wil doen. Dat zij Gods kinderen zijn is niet een


LEVEN, Dood en opstanding_1999

72

feit, waarvan zij mogen uitgaan krachtens een innerlijke verwantschap met God, maar het is een geschenk Gods, waarnaar zij mogen uitzien, dat zij eens zullen ontvangen.” Onvergankelijkheid in Christus Volgens Paulus komt het hierop neer: “Want het loon, dat de zonde geeft, is de dood, maar de genade, die God schenkt, is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Here.” Wanneer eeuwig leven een gave of gift is bezit men dan onsterfelijkheid? En in Rom.2:7 zegt hij: “hun, die, in het goeddoen volharden, heerlijkheid, eer en onvergankelijkheid zoeken, het eeuwige leven.” Indien we onsterfelijkheid “zoeken” is dat dan niet het teken dat we ze nog niet bezitten? Hij zegt verder in Gal.6:8: “Want wie op (de akker van) zijn vlees zaait, zal uit zijn vlees verderf oogsten, maar wie op (de akker van) de Geest zaait, zal uit de Geest eeuwig leven oogsten.” Wanneer we “eeuwig leven” krijgen na de oogst, is dat dan geen reden om te zeggen dat we het nu niet bezitten? Aan Timotheus geeft Paulus de raad: “Strijd de goede strijd des geloofs, grijp het eeuwige leven” (1 Tim.6:12). Het leven dat de gelovige in Jezus ontvangen heeft kan met de dood dan ook niet verloren gaan. Wanneer de gelovige sterft staat hij nog in het leven van de Heer, in de Heer. Voor een gelovige is sterven een heengaan met winst (Joh.17:24 / 1 Pet.1:4), moeite en lijden zijn verleden tijd. De geestelijke dood en de letterlijke dood gaan samen want het is de zonde die hen verbindt. Een zondaar is al dood (Luc.15:24 / Mat.8:22). Wie een “los leven leidt is levend dood” (1 Tim.5:6). Alleen de mens die nu in gemeenschap met God leeft heeft werkelijk een leven en de belofte van eeuwig leven (Eph.2:5 / Col.2:12,13). Nu hopen op wat we nog niet zien (Rom.8:24,25). En er is slechts één weg om te ontsnappen aan de dood: genade die God schenkt (Rom.6:23). God blijft niet eeuwig in toorn na de val van Adam, blijft niet in toorn na de zonde van zijn volk en zal ook de heidenen genadig zijn (Ps.30:5 / 78:38 / Jes.54:7,8 / 57:16). Het begrip dood heeft in de Bijbel dan ook minimaal twee betekenissen: 1°) Een lichamelijke dood die het gevolg is van de geestelijke dood. Wie in zonden en misdaden leeft is reeds dood voor God (Eph.2:1 / 1 Joh.5:12). De Schrift spreekt over deze beide als één dood. 2°) Over de tweede dood zie verder. Laten we dit er al over zeggen: wie de eerste dood sterft - dus wie niet bekeert is in dit leven - zal ook de tweede dood sterven na zijn opstanding. Over wie deel heeft aan de eerste opstanding - dat is het geestelijk opstaan uit de dood voor God -: over dezen heeft de tweede dood géén macht (Joh.5:24,25 / Opb.20:14). Wie overwint, dus slechts de gelovigen: “zal van de tweede dood geen schade lijden” (Opb.2:11). “Niet beschadigd worden” zegt de SV. In het eerste geval is het te vergelijken bij de vader van de verloren zoon. Deze is volgens de vader “dood” maar hij blijft nog steeds naar zijn zoon uitkijken. In het tweede geval kijkt de vader (lees God) niet meer uit naar zijn verloren gelopen kinderen (Luc.15:24,20 te lezen in deze volgorde). En vraag 42 van de Heidelbergse Catechismus gaat hier op in als volgt. “Vraag 42: Nu Christus voor ons gestorven is, waarom moeten wij dan nog sterven? Antwoord: Onze dood is geen betaling voor onze zonden, maar alleen een afsterving van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven.” Mijn zonden zijn betaald “door de dood van Gods Zoon” zegt vraag en antwoord 40. In hetzelfde verband een citaat uit H. Bavinck: “Voor eene beschouwing, die alleen het lichaam sterven laat en zich troost met de onsterfelijkheid der ziel, is in het Oude Testament geen plaats. De gansche mens sterft, als bij den dood de geest, Ps. 146:4, Pred.12:7, of de ziel, Gen.35:18, 2 Sam.1:9, 1 Kon.17:21, Jona 4:3, uit den mensch uitgaat. Niet alleen zijn lichaam, maar ook zijne ziel verkeert in den staat des doods en behoort der onderwereld toe; daarom kan er ook van een sterven der ziel gesproken worden, Gen.37:21, Num.23:10, Deut.22:20, Richt.16:30, Job 36:14, Ps.78:50, en van verontreiniging door aanraking van de ziel van een doode d.i. van een lijk,


LEVEN, Dood en opstanding_1999

73

Lev.19:28, 21:11, 22:4, Num.5:2, 6:6, 9:6,7,10, Deut.14:1, Hagg.2:13. Gelijk de gansche mensch in den weg der gehoorzaamheid voor het leven bestemd was, zoo vervalt hij ook door zijne overtreding geheel, naar ziel en lichaam beide, aan den dood, Gen.2:17. Deze gedachte moest diep ingeprent worden in het bewustzijn der menschheid..”. ‘Gereformeerde dogmatiek’, deel 4, p. 576, 577 (wij hebben de wijze van Bijbelciteren lichtjes aangepast aan de onze). P.J. Van Leeuwen vat dit samen als: “De christelijke hoop daarentegen steunt niet op het geloof in de onsterfelijke ziel. Het NT kent deze theorie niet” ‘Het christelijke onsterfelijkheidsgeloof’, p.15. Door zijn offer heeft Jezus voor ons verworven. Redding (Phil.2:8 / Heb.9:27). Nabijheid met God (Eph.2:13 / 1 Pet.3:18). Rechtvaardiging (Rom.4:24,25). Leven (Joh.3:16 / 5:24 / 10:10). Verzoening (Col.1:20-22 / 2 Cor.5:18,19) Geestelijke zegen (Eph.1:3 / Gal.3:13). Vrijgekocht van de wet (Gal.4:5 / 5:1). Vrijgekocht van de zonde (Rom.6:18,22 / 8:2). Overwinning op boze machten (Col. 2:15). Gave van de Heilige Geest (Joh.14:17 / 1 Cor. 6:19). De meer dan 16O teksten met de uitdrukking “in Christus” zijn allen waard in dit verband gelezen te worden. En het gaat duidelijk om het werk van God die de gelovigen heeft geroepen, zij zijn door Hem gekend en ook bestemd om gerechtvaardigd en verheerlijkt te worden (Rom.8:28-30). Een lang leven, rijkdom en een talrijke kroost, het ideaal van de Oud Testamentische gelovige is in het NT dan ook niet meer terug te vinden (Gen.15:15 / Job 2:4 / Spr.3:16). Beloften gegeven aan de gelovigen van het OT kunnen dus niet zomaar overgeheveld worden op deze van het NT Een kolossale fout die Jehovah’s Getuigen maken wanneer ze beloften gegeven aan Israël overdragen op hun “grote schare.” Er zijn echter ook 7 teksten (heilig getal!) in het NT waar de gelovige vergeleken is bij een tempel waarin God, Christus en de Heilige Geest woont. Zie 1 Cor.3:10-17 / 6:19 / 2 Cor.6:16 / Eph.2: 20,21 / Heb.3:6 / 1 Pet.2:5 / 4:17 en vergelijk Opb.21:21. In het ‘Bijbels Woordenboek’, Romen & Zonen, edit. A. van den Born, 1966-1969 lezen we op kol.307 (artikel van Nelis): ‘Hoewel veroordeeld om te sterven beschouwde de Israëliet het leven als een weldaad van God, waarvan hij lang zou mogen genieten, als hij de wet van Jahwe nakwam (Dt 30,15-20; 32,47; Bar 3:14 enz.). Door te zondigen haalde hij zich een vroegtijdige dood op de hals (Job 15,32; 22,16; Ps 55,24; Spr 2:18; 7,27; 11,19; 21,16; 22,22v.; Wh 1,11v; Js 5:14; Jr 17,11). Door gerechtigheid, goede werken of aalmoezen kon men zijn zonden weer goed maken en aldus zijn leven redden van de dood (Tob 4,11; 12,9; Spr 10,2; 11,4; Dn 4,24).” We mogen echter ook nazeggen wat K. Miskotte schreef: “Wij weten dat de grens-van-ons-leven en de grens-van-de-geschiedenis tweeërlei is. Wij geloven, dat de mens in het generzijds van de dood God kennen zal; en wij geloven dat de wereld in het generzijds van de eindcrisis Gods heerlijkheid weerspiegelen zal. En daarom geloven we, dat de “aanschouwing Zijner Heerlijkheid” iets anders zal zijn dan wat we nu bij ogenblikken in de bevinding van Gods tegenwoordigheid beleven en bekennen. Het zal zeer anders zijn, maar toch niet gàns-anders; want de schepping zelf zal bewaard zijn en doorstraald in de herschepping. Het zal de verheffing van de mens zijn tot ziener en weter, tot minnaar en zanger. Het schijnt zo ver, zo ver, dit land! Toch zal dit op aarde, op de nieuwe aarde zijn. De “heilige stad” daalt neer uit de hemel “als een bruid die voor haar man versierd is (Openb.21:2)” (‘De kern van de zaak’, Callenbach, 1950, p.262, 263). Sjeool en Hades: het dodenrijk


LEVEN, Dood en opstanding_1999

74

We hebben reeds opgemerkt dat iemand bij het sterven als het ware slaapt. Over deze “slapenden” wordt gezegd dat ze in “sjeool” of “hades” zijn, het Hebreeuws en Grieks woord voor deze plaats en toestand. En lezen we goed: “het lichaam” (het stof) slaapt in sjeool, “de geest” is naar God teruggekeerd (Pred.12:7). Alle “geesten” zijn teruggekeerd, zowel van mensen die goed gedaan hebben als deze die slecht gedaan hebben. Deze “geesten” zitten dus ook niet in een vurige hel vóór het laatste oordeel is uitgesproken. Sjeool (Hebreeuws) is 65 maal gebruikt in de Schrift en hades (Grieks) 11 maal. Het is anders gezegd het dodenrijk, waarin alle gestorvenen afdalen, zowel goeden als slechten. Dat goede mensen daarin zijn zeggen o.a.: Deut.31:16 / 1 Kon.1:21 / 11:43 / 15:24 / 22:50 / Joh.11:11,13 / Hand.7:60 / 13:36 / 1 Cor.15:6,18,20,51. Dat ook slechte mensen daarin zijn bewijzen 1 Kon.14:20 / 16:6,28 / 22:40 / 2 Kon.8:24 / 10:35 / Dan.12:2 / Joh.5:27,29. Het is dan ook de plaats waar de “onbesnedenen” zijn nl. de niet Joden (Ezech.32: 25,26,29,30). Daarin blijven ze allen totdat de graven geopend worden en de doden opstaan om loon te ontvangen of straf. Het dodenrijk is onverzadigbaar (Spr.30:16). Er is één vers in de Schrift dat spreekt over een “ziel” in “sjeool” (Job 14:22). Maar dit is een zeer poëtische omschrijving en de treurnis heeft te maken met dit leven. Als het verkeerd gaat lijkt dit leven wel doods. Opmerkelijk is dat de sjeool, het graf een verzamelterm is. Het is het gemeenschappelijke graf. Wie in een graf gelegd wordt is weergegeven door andere Hebreeuwse woorden (vooral qeber). En in het Grieks is dat individuele graf een “taphos” of een “mnèma.” Dat wil zeggen een graf waar een naam opstaat. De optelsom van alle individuele graven is de sjeool, ook dezen die in zee verdronken zijn (Opb.20:13). Het graf van de stad Tyrus “is midden in zee” (Ezech.28:8). Het gemeenschappelijke graf is: “het land van donkerheid en diepe duisternis” een plaats van “de stilte” (Job 10:21,22 / Ps.115:17). Wie in dat land “neerdaalt” (Mat.11:23 / Luc. 10:15) zit in een plaats afgesloten met “poorten” (Mat.16:18). Maar neem dit niet allemaal te letterlijk want het gaat om symbolische beschrijvingen. Enkelen zullen nu zeggen dat sjeool en hades eigenlijk moeten vertaald worden met “hel.” Maar dit is niet zo. Dat Jezus in sjeool of hades was betekent dat het niet de vurige hel is waarover sommigen leren. In Ps.16:10 staat profetisch over Christus voorzegt: “want gij geeft mijn ziel niet prijs aan het dodenrijk.” Op de Pinksterdag zegt Petrus dat deze schriftuurplaats spreekt over de opstanding van Christus, dat Hij niet werd verlaten in hades en “noch zijn vlees ontbinding heeft gezien” (Hand.2:31). Iemand die zou beweren dat sjeool of hades een vurige hel is komt in conflict met zijn eigen theorie, die zegt dat alleen zondaars naar de hel gaan. Want Christus is géén zondaar (1 Pet.1:19). Wanneer we het woord sjeool bestuderen zien we dat bijvoorbeeld de patriarch Jakob aan God vroeg of hij erin zou mogen verborgen worden omdat hij verdriet had bij de dood van zijn zoon Jozef (Gen.37:35 / 42:38 / 44:29). We zien dat Job naar sjeool wil gaan omdat hij zulke pijnen had van zijn builenpest (Job 14:13). Nadat David door God gered werd van de vervolging door Saul zei hij dat hij was ontsnapt aan sjeool (Sp.30:4 / Ps.18:5). Wanneer we het zo beschouwen kan sjeool of hades geen plaats van pijniging zijn. In de zin dat alle doden zich in de aarde bevinden is hades dan ook een plaats. Gezien het echter om een onbewust zijn gaat zou men het ook een toestand kunnen noemen. Zeker géén plaats van pijniging. Moest dit zijn, dan zou Jakob beter levend blijven dan in een vuur geworpen te worden. En voor Job zou een beetje builenpest beter zijn dan pijniging in de hel met vuur. We zien dus dat sjeool of hades ook een plaats (toestand) is waar getrouwe mensen naartoe gaan. Maar ook personen die kwaad bedreven hebben gaan daar naartoe (Ps.9:18). En die tekst waar vuur iets te maken heeft met de sjeool (Deut.32:22) kan slechts poëtisch zijn. Dat vuur van de toorn van God “brandt” tot in het dodenrijk, “verteert” de aarde en haar opbrengst, “verzengt” de grondvesten der bergen. Het gaat niet om pijnigen van mensen. Daarom zegt 2 Pet.2:9 ook dat onrechtvaardigen in bewaring zitten om op de dag van het oordeel gestraft te worden. De gelovigen verlost uit de verdrukking, zullen later hun kronen ontvangen. In de tussentijd zijn beide groepen in het dodenrijk (1


LEVEN, Dood en opstanding_1999

75

Cor.9:25 / 1 Pet.5:4 / Opb.2:10). De tijd van de toorn Gods, tijd waarin de doden geoordeeld worden is nog niet aangebroken (Opb.11:18 / Rom.5:9 / 1 Thes. 1:10). Vertalers maken het de gewone Bijbellezer soms moeilijk alhoewel veel vertalingen toch een rijkdom zijn. Nemen we als voorbeeld Job 14:13, waar het Hebreeuws sjeool heeft in enkele Franse vertalingen. Volgens Segond, Lausanne en Crampon gaat het om “séjour des morts”, Synodale en Ostervald zeggen “sépulchre”, Saci, Glaire en Vigouroux geven “enfer” en Darby, Jerusalem (1956) samen met Zadoc-Kahn geven “shéol” of “cheol.” En de T.O.B. van 1975 geeft een beschrijving: “sous terre.” En dan zijn er die nogal moeilijk te begrijpen teksten uit Ps.139:8: “Steeg ik ten hemel - Gij zijt daar, of maakte ik het dodenrijk tot mijn sponde - Gij zijt er”, en Spr.15:11: “Dodenrijk en verderf liggen open voor de HERE, hoeveel te meer de harten der mensenkinderen.” (Vergelijk Amos 9:2). De 10 of 11 teksten in het NT waar hades genoemd wordt zijn: Mat.11:23 / 16:18 / Luc.10:15 / 16:23 / Hand. 2:27,31 / 1 Cor.15:55(?) / Opb.1:18 / 6:8 / 20:13,14. Het is goed dat hier en daar vertalers dit woord ook gewoon laten staan in transcriptie. Zo bijvoorbeeld de New American Standard Bible van 1960 en de Herziene Voorhoeve vertaling (alleen NT) van 1982. De Statenvertaling heeft hier hel, de NBG geeft dodenrijk en éénmaal hel (Mat.10:28). Meestal blijft men vertalen “hel” of “dodenrijk.” En men heeft eenzelfde probleem met sjeool. Bijvoorbeeld de King James vertaald: 31 maal hel, 31 maal graf en 3 maal put. Dat maakt de zichtbaarheid op het woord “sjeool” niet duidelijker. In de SV 32 maal graf en 33 maal hel en de NBG altijd “dodenrijk” De Griekse Septuaginta vertaald sjeool 60 maal met hades van de 65 verwijzingen. In de 2de eeuw vóór Christus had men dus al hetzelfde probleem van vertaling. (Zie ook p.63) En de opmerking van het WT-genootschap dat: “thans geen Nederlands woord (bestaat) dat de precieze betekenis van de Hebreeuwse uitdrukking sje’ol’ weergeeft” klopt natuurlijk (‘Hulp tot begrip van de Bijbel’, deel 7, 1990, p.1393). Maar dat is toegeven dat er meer dan één facet in dat woord verscholen zit. De NWV heeft 66 teksten met sjeool dezelfde als een gewone Bijbel. Uitzondering is Jes.7:11 dat men leest in een mogelijke andere versie van de klinkertekens. Zie hun Bijbel p.1574. Dodenrijk in in onze taal het beste woord om beide begrippen (sjeool en hades) weer te geven. Wat zijn dan de details met betrekking tot het dodenrijk: 1) Het is “beneden” en “nederdalen” Gen.37:35 / 42:38. 2) In de aarde Ezech.32:27 / Amos 9:2. 3) Een plaats waar slechts doden zijn Deut.30:15-20 / Ps. 88:4. In Num.16:30 wordt beschreven dat Korach, Datan en Abiram “levend in het dodenrijk zullen dalen”, maar zij zijn daar niet levend gebleven maar “omgekomen” (vers 33). En tweehonderdvijftig anderen werden door een “vuur van de HERE” verteerd. (vers 35). “Korach en zijn aanhang” zijn “vergaan” (vers 40). Ze zijn volgens de morrende vergadering “gedood” (vers 41). En ook deze morrenden worden door God “in één ogenblik” verteerd (vers 45). In het dodenrijk zijn er dus géén levenden dan slechts doden. 4) Een plaats waar men een “straf” moet uitzitten Num.16: 27,34 / Job 24:19 / Ps.9:18. Allen zijn zondaars, ook de gelovigen. Er zijn geen uitzonderingen op deze regel dan Christus. 5) Is het omgekeerde als de plaats voor de levenden Ps. 6:6 / Ps.31:18 / Pred.9:10. 6) God zal de doden uit dat dodenrijk doen opstaan Job 14:13,14 / Job 26:6 / Ps.16:10 / Hosea 13:14 / Jona 2:2. 7) Het brengt droefenis Gen.42:38/ Ps.18:6,7 / 116:3.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

76

8) Géén plaats is waar er demonen zijn want daar is geen enkele tekst voor te vinden zowel in het OT als het NT. Sjeool en Hades: de Griekse invloed Zoals het adjectief “onsterfelijk” door Griekse invloeden aan de term “ziel” werd gekoppeld, zo ook werd door de invloed van het hellenisme het adjectief “vurige” aan “sjeool” gekoppeld rond 200 V.C.. In de Schrift is het graf de plaats waar alle mensen, de goeden en de slechten bij hun dood worden bijeenvergaderd. In het hellenisme is hades een plaats waar de goddelozen bij bewustzijn in een vurig graf (lees hel) gepijnigd werden. Dit “vuur” is echter niet altijd letterlijk op te vatten. De straf van Sisyphus bestond erin een steen een berg op te rollen, bijna aan de top rolde de steen terug. Dit herhaalde zich steeds opnieuw zonder ophouden. Er was dus vooreerst een gedachtenverschuiving van onbewuste doden naar doden bij bewustzijn en een nieuwe definitie van sjeool (gemeenschappelijk graf). En terug zijn het de deuterocanonische boeken en apocriefen die getuigen van deze overgang. De Ethiopische Henoch 22 is hier een frappant voorbeeld van (een geschrift van rond 150 V.C.). En van hieruit zijn verbanden aan te wijzen naar de Talmoed en later Dante. In het kort komt het erop neer dat het loon voor de gelovigen en de straf voor de zondaars terstond na de dood (gezien de onsterfelijke ziel) in bewuste toestand beleefd wordt. Zo o.a. in de Ethiopische Henoch 51:1 / 102:5 / 103:7 / 2 Macc.6:24. Allen die de parabel van de rijke man en de arme Lazarus letterlijk uitleggen wijzen trouwens op deze verbanden en zeggen dat er in de sjeool (hades) twee plaatsen zijn met een scheiding of afgrond ertussen. Zie onze aantekeningen bij hoofdstuk drie, twee. Deze apocriefe geschriften passen echter niet in het Bijbels theologisch beeld en zijn vaak tegenstrijdig in hun verklaringen. Zo zegt Wijsheid 5:14 over de goddelozen: “De hoop van de goddelozen is als kaf dat door de wind wordt meegevoerd (...) als rook die door de wind wordt verspreid en als de vluchtige herinnering aan een gast die één dag is gebleven” (Willibrord). (Vergelijk Job 14: 10,11 / Ps.144:4). Dan denken we aan het totaal vernietigen van de goddeloze. Dat is de leer van o.a. Jehovah’s Getuigen en Adventisten maar niet wat de Schrift zegt. Wanneer we iets willen weten over het dodenrijk dan mag men niet de fout maken en trachten vast te stellen wat de karakteristieken ervan zijn door een vergelijk te maken met heidense voorstellingen van zielen na de dood. We moeten niet naar Assur of Babylon de oorspronkelijke achtergrond van de Griekse visie op de hades zoeken. Tenzij men ook de mening is toegedaan dat er géén openbaring van Godswege is in dit opzicht. Want dan kan men ongeveer alles (of niets) bewijzen met deze “vergelijkende godsdienstwetenschap.” De conclusie die we er moeten uithalen is in dit geval, dat de Schrift géén openbaring maar assimilatie is van vreemde gedachten waarin men God niet centraal heeft gesteld. Het ‘Bijbels Woordenboek’, edit. A. van den Born, Romen & Zonen, 1966-1969 zegt in kol.587 en verder kol.848, 849 over dit onderwerp: “Bezinning op het probleem van de vergelding is oorzaak, dat met verloop van tijd onderscheid gemaakt wordt tussen het lot van goeden en kwaden in de sjeol. Deze theologische ontwikkeling leidde tot het aannemen van verschillende afdelingen in de sjeol van goeden en kwaden (Hen{aeth} 22; 102,4v; 103; Ant. 18,1,3). Mogelijk sluit de parabel van Lc 16,19-31 zich bij deze voorstelling aan. Naast de sjeolvoorstelling kwam na de ballingschap (vgl.66,24) de idee op: van een eschatologische strafplaats, waar de afvallige joden en tenslotte alle zondaars voor eeuwig door vuur worden gefolterd (...) De aanvankelijke zelfstandige ontwikkeling van de begrippen gehenna en sjeol is uitgelopen op een gedeeltelijk vereenzelviging; eerst assimileerde de gehenna zich de duisternis van de sjeol, tenslotte (vooral in de teksten uit de


LEVEN, Dood en opstanding_1999

77

1e eeuw nC) neemt zij de plaats in van een onderste afdeling van de sjeol en is zij daarmee van eschatologisch tot tussentijds (in afwachting van de verrijzenis) strafoord geworden (...) In de 1e eeuw vC doet de idee der onsterfelijkheid in de zin van het voortduren van het menselijke leven na de dood haar intrede in de gewijde boeken. Hiervoor was een nieuw begrip nodig van de menselijke natuur, die dank zij hellenistische invloed te Alexandrië vaste vorm kreeg in het boek Wijsheid. In tegenspraak met de traditionele antropologie spreekt Wh 3,1-4 van het voortbestaan van de ziel buiten het lichaam, een voortbestaan dat onsterfelijkheid genoemd wordt. Daarom kan Wh 3,3 ook zeggen dat de rechtvaardigen ondanks hun marteldood in ‘vrede’ (gelukkig) zijn: hun vriendschap met God duurt ononderbroken voort. Hiernaar hadden de dichters van Ps 49 en 73 verlangd (vgl.49,16; 73,26), maar het vermoedelijk niet durven verhopen (vgl. Ps 49,8)” (wij onderstrepen). In het ‘Theologisch Woordenboek’, edit. H. Brink, Romen & Zonen, 3 delen, vanaf 1952, een Katholieke publicatie is over de hel o.a. het volgende gezegd: “De straf van de hel treedt bij hen die er toe worden veroordeeld onmiddellijk bij de dood in. Het tweede concilie van Lyon (1274) spreekt in dit verband van “spoedig”, d.w.z. zonder vertraging of uitstel (Denz 464) (...) Het is derhalve geloofswaarheid te noemen dat de hel volgens de gewone regel reeds heeft aangevangen vóór het laatste oordeel..”. (kol.2.182). We komen hier op terug want de Schriften leren toch wat anders! In ‘The Zondervan Pictorial Encyclopaedia of the Bible’ deel 5, edit. M.C. Kenney, Zondervan, 1975, p.496, 497 staat: “De grootste problemen van het OT in verband met de mensleer en de psychologie is de relatie van de ziel, en de dood en het leven na dit leven. Het probleem heeft te maken met de natuur van de ziel (...) Gen.35:18 en 1 Kon.17:21,22 spreken over de ziel als opgaan en/of terugkeren. Maar de belangrijkste serie teksten zijn deze waarin volgens de OT-ische schrijvers de vrees uitspreken voor de dood of de vrees van het verlies van het zichzelf zijn (bv. Job 33:18-30 / Ps.16:10 / 30:3 / 116:8 / Jes.38:15-17). Wat essentieel is in het begrijpen van de Hebreeuwse mentaliteit is te aanvaarden dat de mens een eenheid is: lichaam - ziel. De ziel wordt daarom niet onaangeroerd gelaten bij de doodservaring” (wij onderstrepen). Lijst van alle teksten over het dodenrijk Wanneer u een vergelijkend onderzoek doet naar de wijze waarop andere vertalingen de woorden “sjeool” en “hades” hebben weergegeven dient u erop te letten dat er wel enkele verschillen kunnen zijn in de nummering. Vooral in de Psalmen is dit mogelijk. Kunt u het niet vinden zoek een vers ervoor of erna. We citeren de vertaling van het Nederlands Bijbel Genootschap. We geven slechts weinig commentaar op de teksten. Maar het moet de lezer duidelijk zijn uit de context dat het niet allemaal om de letterlijke “sjeool” gaat. Een toestand waar géén uitkomst op beterschap of bevrijding in het verschiet is vergelijkt men soms met “sjeool” en heeft dan een symbolische betekenis. Er is de mogelijkheid dat er een 66ste tekst aan de lijst van het OT moet toegevoegd worden: nl. Jes.7:11. Dat doet de NBG en de NWV maar veel andere vertalingen weer niet. Het is afhankelijk van de lezing van de toegevoegde klinkertekens. Alle 65 teksten uit het Oude Testament met sjeool 1°) Gen.37:35: “rouw dragend zal ik tot mijn zoon in het dodenrijk neerdalen.” Rouwbeklag duurt in Israël zeven dagen (1 Sam.31:15 / 1 Kron.10:12 / Joh.11:31. 2°) Gen.42:38: “dan zult gij mijn grijze haar met verdriet in het dodenrijk doen nederdalen.”


LEVEN, Dood en opstanding_1999

78

3°) Gen.44:29: “dan zult gij mijn grijze haar met verdriet in het dodenrijk doen neerdalen.” 4°) Gen.44:31: “onze vader, met verdriet in het dodenrijk doen nederdalen.” 5°) Num.16:30: “zodat ze levend in het dodenrijk zullen dalen.” 6°) Num.16:33: “Zo daalden zij met al de hunnen, levend in het dodenrijk (...) zodat zij in het midden der gemeente omkwamen.” 7°) Deut.32:22: “Want een vuur is in mijn toorn ontstoken, het brandt tot in de diepten van het dodenrijk.” Figuurlijk. 8°) 1 Sam.2:6: “Hij doet naar het dodenrijk neerdalen en daaruit opkomen.” 9°) 2 Sam.22:6: “banden van het dodenrijk hebben mij omgeven.” Figuurlijk. 10°) 1 Kon.2:6: “laat zijn grijze haar haar niet in vrede in het dodenrijk nederdalen.” 11°) 1 Kon.2:9: “om zijn grijze haar met bloed in het dodenrijk te doen nederdalen.” 12°) Job 7:9: “zo stijgt wie in het dodenrijk nederdaalt, niet weer op.” Het land zonder terugkeer (Job 10:21 / 14:12). 13°) Job 11:8: “dieper dan het dodenrijk; want kunt gij weten.” 14°) Job 14:13: “Och, of Gij mij in het dodenrijk wildet versteken?” 15°) Job 17:13: “Wanneer ik het dodenrijk verwacht als mijn tehuis.” Als een stad met deuren waar men ingaat maar niet meer uitkomt (Job 38:17 / Ps.9:14 / 107:18 / Mat.16:18 / Opb.1:18). 16°) Job 17:16: “Zij zullen naar de diepten van het dodenrjk nederdalen.” 17°) Job 21:13: “en in vrede dalen zij in het dodenrijk neer.” 18°) Job 24:19: “Droogte en hitte roven het sneeuwwater weg, zo het dodenrijk hen die zondigen.” 19°) Job 26:6: “Het dodenrijk ligt voor Hem open.” Het is de plaats waar allen naartoe gaan (Job 3:13-19 / 30:23 / Ps.89:49 / Spr.6:6). 20°) Ps.6:6: “wie zou U loven in het dodenrijk?” 21°) Ps.9:18: “De goddelozen keren om naar het dodenrijk.” 22°) Ps.16:10: “Want Gij geeft mijn ziel niet prijs aan het dodenrijk.” Deze tekst spreekt profetisch over de opstanding van de Zoon van David: Jezus van Nazareth. Dit geeft Petrus als uitleg in een “geïnspireede” toespraak op Pinsterdag (Hand.2:25-27). 23°) Ps.18:6: “banden van het dodenrijk hadden mij omgeven.” Figuurlijk.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

79

24°) Ps.30:4: “Here, Gij deedt mij opkomen uit het dodenrijk.” Dit is een symbolisch gebruik want de toestand waarin hij verkeerde was als aan een dodenrijk gelijk. 25°) Ps.31:18: “laten de goddelozen beschaamd worden, tot zwijgen gebracht in het dodenrijk.” 26°) Ps.49:15a: “Als schapen zinken zij in het dodenrijk, de dood weidt hen.” 27°) Ps.49:15b: .”..hun gedaante moet in het dodenrijk vergaan.” 28°) Ps.49:16: “God zal mijn leven verlossen uit de macht van het dodenrijk.” 29°) Ps.55:16: “laten zij levend in het dodenrijk neerdalen.” 30°) Ps.86:13: “Gij toch hebt mijn ziel gered uit het diepe dodenrijk.” 31°) Ps.88:4: “mijn leven in het dodenrijk nabij.” 32°) Ps.89:49: “Welke mens leeft er, die de dood niet zal zien, die zijn ziel zal redden uit de macht van het dodenrijk?” 33°) Ps.116:3: “angsten van het dodenrijk hadden mij aangegrepen.” Figuurlijk. 34°) Ps.139:8: “maakte ik het dodenrijk tot mijn sponde - Gij zijt er.” 35°) Ps.141:7: “zo liggen onzer beenderen verstrooid aan de mond van het dodenrijk.” 36°)Spr.1:12: “laat ons hen levend verslinden evenals het dodenrijk, met huid en haar, gelijk degenen die in de groeve nederdalen.” 37°) Spr.5:5: “haar schreden raken het dodenrijk.” 38°) Spr.7:27: “Haar huis zijn wegen naar het dodenrijk.” 39°) Spr.9:18: “haar genodigden zijn in de diepten van het dodenrijk.” 40°) Spr.15:11: “Dodenrijk en verderf liggen open voor de Here.” 41°) Spr.15:24: “opdat hij ontwijke het dodenrijk beneden.” Want een dode maakt onrein (Lev.21:1 e.v. / Num. 5:2). 42°) Spr.23:14: “maar redt zijn leven van het dodenrijk.” 43°) Spr.27:20: “Dodenrijk en verderf zijn onverzadelijk.” 44°) Spr.3O:16: “het dodenrijk (...) dat nooit zegt: het is genoeg.” 45°) Pred.9:10: “er is geen werk of overleg of kennis of wijsheid in het dodenrijk.”


LEVEN, Dood en opstanding_1999

80

46°) Hooglied 8:6: “Want sterk als de dood is de liefde onverbiddelijk als het rijk van de doden de hartstocht.” De enige maal dat er “rijk van de doden” staat; maar het gaat om hetzelfde woord in het oospronkelijke. 47°) Jes.5:14: “Daarom doet het dodenrijk zijn keel wijd open.” 48°) Jes.14:9: “Het dodenrijk beneden is over u in beroering.” 49°) Jes.14:11: “uw trots is in het dodenrijk neergeworpen.” 50°) Jes.14:15: “Integendeel, in het dodenrijk wordt gij neergeworpen, in het diepste der groeve.” 51°) Jes.28:15: “Omdat gij zegt: Wij hebben een verbond met de dood gesloten en met het dodenrijk een verdrag gemaakt.” 52°) Jes.28:18: “Dan zal uw verbond met de dood uitgewist worden en uw verdrag met de dood zal geen stand houden.” 53°) Jes.38:10: “moet ik heengaan door de poorten van het dodenrijk.” 54°) Jes.38:18: “Want het dodenrijk looft U niet, de dood prijst U niet; wie in de groeve zijn neergedaald, hopen niet op uw trouw.” 55°) Jes.57:9: “gij vermeerdert u tot in het dodenrijk.” Figuurlijk. 56°) Ezech.31:15: “Ten dage dat gij nederdaalde in het dodenrijk.” 57°) Ezech.31:16: “toen ik hem deed nederdalen in het dodenrijk.” 58°) Ezech.31:17: “Ook zij waren met hem in het dodenrijk neergedaald.” 59°) Ezech.32:21: “Vanuit het dodenrijk zullen de machtige helden hem en zijn helpers toeroepen: Zij zijn neergedaald.” Figuurlijk de val van Babylon. 60°) Ezech.32:27: “die in hun wapenrusting in het dodenrijk zijn neergedaald.” Figuurlijk de val van Babylon. 61°) Hosea 13:14a: “Zou ik hen uit de macht van het dodenrijk bevrijden, van, de dood loskopen.” 62°) Hosea 13:14b: “Dood, waar zijn uw pestziekten, dodenrijk, waar is uw verderf?” 63°) Amos 9:2: “Al groeven zij door tot in het dodenrijk, mijn hand zou hen vandaar weghalen.” 64°) Jona 2:2: “uit de schoot van het dodenrijk schreeuwde ik, Gij hoordet mijn stem.” Symbolisch in het geval van Jona want hij was in werkelijkheid niet dood. Christus gebruikt dit beeld om Zijn opstanding uit de doden te beschrijven, een letterlijke dood (Mat.12:38-42).


LEVEN, Dood en opstanding_1999

81

65°) Hab.2:5: “de bedrieglijke trotsaard is een snoevend mens, doch zonder bestand, die zijn muil openspert als het dodenrijk en onverzadelijk is als de dood.” Symbolisch. Alle 10 (11) teksten uit het Nieuwe Testament met hades. 1°) Mat.11:23: “En gij, Kafarnaum (...) Tot het dodenrijk zult gij nederdalen.” 2°) Mat.16:18: “en op deze petra zal ik mijn gemeente bouwen en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen.” 3°) Luc.10:15: “En gij, Kafernaum, (...) Tot het dodenrijk zult gij nederdalen.” 4°) Luc.16:23: “Ook de rijke stierf (...) En toen hij in het dodenrijk zijn ogen opsloeg onder de pijnigingen.” 5°) Hand.2:27: “omdat Gij mijn ziel niet aan het dodenrijk zult overlaten.” Aanhaling uit Ps.16:10. 6°) Hand.2:31: “van de opstanding van de Christus, dat Hij niet aan het dodenrijk is overgelaten.” Uitleg van Petrus over Ps.16:10 toegepast op Jezus Christus. 7°) 1 Cor.15:55: “Dood, waar is uw overwinning? Dood waar is uw prikkel?.” We hebben hier de aanhaling uit Hosea 13:14b maar wel in de versie van de Griekse Septuaginta die niet letterlijk sjeool=hades vertaald maar sjeool =thanatos=dood. Dat doet de Septuaginta nog enkele malen. Strikt genomen staat hier dus niet hades=dodenrijk maar het moet wel zo geïnterpreteerd worden. 8°) Opb.1:18: “Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk.” 9°) Opb.6:8: “een vaal paard, en die erop zat, zijn naam was de dood en het dodenrijk volgde achter hem.” 10°) Opb.20:13: “en de dood en het dodenrijk gaven de doden, die in hen waren, en zij werden geoordeeld, een ieder naar zijn werken.” 11°) Opb.20:14: “En de dood en het dodenrijk werden in de poel des vuurs geworpen.” Voetnota: Er zijn niet zoveel Bijbels die consequent zijn in het weergeven van één woord door een ander. Er is natuurlijk de NWV en de Concordant. Wijzen we toch ook op de ‘New American Standard Bible’ en de ‘American Standard Version’ die “sheol” gebruiken voor alle teksten uit het OT. En ook met iedere keer als “hades” te vertalen in het NT wint men aan beter verstaan van de term. Met “gehenna” echter gaat men verkeerd, dat nu eens als “hel” (Mat.5:22,29-30 / 10:28) en een andere maal als “eeuwig vuur” (Mat.18:9) is vertaald. En nog een voorbeeld: ‘The Twentieth Century New Testament’ uit 1904 onderging bij de herdruk door Moody Press in 1961 enkele drastische wijzigingen op dit gebied. “Hades” werd in de uitgave van 1904 steeds vertaald als “place of Death” maar werd veranderd in “Hades” behalve tweemaal (Opb.6:8 / 20:13,14). In 1904 werd “gehenna” vertaald als “the Pit” maar door Moody Press gewijzigd naar “hell” behalve dan Mat.5:22 / 18:9. Wat goed en logisch was, werd door een herdruk van zijn originele betekenis beroofd. De ‘Good News Bible’ heeft voor zowel “gehenna” als “hades” als “tartarus” éénzelfde Engels woord “hell.” Dat is zéér verwarrend voor wie iets van onderscheid wil weten in al deze woorden. Voor de Engelse taal is hier het werk van S. Kubo & W. Specht, ‘So many versions’, Academic books, Revised edition 1983, onontbeerlijk.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

82

Tot slot In het ‘Bijbels Woordenboek’, edit. A. van den Born, Romen & Zonen, 1966-1969 lezen we bij kol.306 en 307: “Uit de hierboven beschreven antropologie volgt dat de OTische mens de dood niet uitsluitend lichamelijk kon zien; de dood betekent ook het einde van zijn religieuze activiteit; eenmaal dood denkt de mens niet meer aan Jahwe of diens wonderdaden (Ps 6,6; 88,13), looft hij niet meer Gods goedheid en trouw (Ps 30,10; 88,12; 115,17; Js 38,18). Maar ook God, alhoewel Meester van de onderwereld (Job 26,6; Ps 139,8; Js 7,11) scheen zich om de doden niet meer te bekommeren (Ps 88,6; vgl. 28,1; 143,7). Juist daarom was de dood voor een godsdienstige ziel zo’n verschrikking, waarvan slechts een hoge ouderdom, het tastbaar bewijs van Gods blijvende gunst, de somberheid kon verzachten. Deze opvatting houdt verband met Israëls collectivistische instelling, voor welke het interesse en de welwillendheid van Jahwe bij voorkeur op de gemeenschap was gericht; het individu was hiervan slechts het voorwerp als lid van de gemeenschap, waaraan de dood hem ontrukte. Met het groeiend bewustworden dat men ook als individu iets voor God te betekenen had, durfde men gaan hopen op een verbondenheid met Hem, waaraan de dood geen einde zou maken (Ps 73,26) (...) In het NT komt het woord dood vaak voor in deze zin van geestelijke dood, als gevolg van ongeloof en zonde (Jo 5,24; 8,51; Rom 7,10; 8,6; 2Cor 7,10; Jak 1,15; 5,20; 1Jo 3,14; 5,16). Aldus is het de benaming van het lot van de zondaar in het andere leven (Rom 1,32; 6,16.21.23): de eeuwige dood of de tweede dood (Apoc 2,11; 20,6.14; 21,8).” En nog een andere Katholieke publicatie geeft toe: “Toch is de sjeôl (hades) nooit geworden tot de definitieve strafplaats der verdoemden, maar blijft de betekenis van het neutrale “dodenrijk” bewaren. Ook Christus is er na zijn dood afgedaald (opstanding uit de doden=uit het dodenrijk, Hand.vgl.2,31). De combinatie van de gedachte dat alle doden in de sjeôl afdaalden met die van de sjeôl als strafplaats voerde tot het aannemen van verschillende afdelingen, zoals dit in de apocriefe literatuur en in Lc. 16,22v. geschiedt. Als dodenrijk of dodenstad werd de sjeôl soms ook gezien als een vijandige macht en staat op één lijn met de dood, eveneens als macht beschouwd (Spr.1-9). Deze macht belaagt het leven op aarde, zij staat vijandig tegenover de kerk (Mat.16, 18) tot zij door Christus in het einde definitief wordt overwonnen (1 Kor; 15,26; Openb.20,14). Als definitieve strafplaats der verdoemden kent de H. Schrift de gehenna, een begrip waarvan de oorsprong is te vinden in Jer.7,30-8,3;19,6v.” ‘Theologisch Woordenboek’, edit. H. Brink, Romen & Zonen, 3 delen, vanaf 1952, kol.4.631. Met de twee voorgaande verklaringen kan men gedeeltelijk instemmen. Moeilijker is de volgende. “Het dodenrijk waarin Christus na zijn sterven is nedergedaald, noemt de Schrift de hel, de Sjeool of de Hades, omdat zij die zich daar bevinden, verstoken zijn van het zien van God. Dat is immers het geval voor alle doden, goede of slechte, wanneer zij wachten op de Verlosser: dat wil niet zeggen dat hun lot gelijk is, zoals Jezus laat zien in de parabel van de arme Lazarus, die in “de schoot van Abraham” was opgenomen. “Het zijn juist de zielen van deze vromen die in de schoot van Abraham op hun bevrijder wachtten, die Jezus Christus bevrijdde, toen Hij nederdaalde ter helle.” Jezus is niet nedergedaald ter helle om de verdoemden te bevrijden, evenmin om de hel van de verdoemenis af te breken, maar om de rechtvaardigen die Hem voorgegaan waren, te bevrijden” (wij onderstrepen). Uit ‘Katechismus van de Katholieke Kerk’, Licap, 1995. Over het begrip dood zegt ‘The Encyclopedia of the Jewish Religion’ Edit. R. Werblowsky en G. Wigoder, Phoenix house London, 1967, p.109, 110: “Het is verwonderlijk dat de Bijbel slechts weinig aandacht besteed aan het lot van de ziel na de dood. Er is een niet uitgesproken gedachte dat de geest het lichaam overleeft maar deze vaststelling leidt tot geen andere godsdienstige of


LEVEN, Dood en opstanding_1999

83

morele conslusies. De geest van een dood persoon daalt eenvoudigweg neer in de Sheol, de donkere plaats waaruit men niet terugkeert (...) Nadat God de geest heeft teruggenomen is het lot van het lichaam over te gaan in stof (cf. Gen. 3:19; Ps.104: 29 ff). Een duidelijker beeld van de leer over de natuur van de ziel en zijn relatie tot de Goddelijke Sfeer, na de dood, kwam veel later. In Rabbijnse tijden zag men de dood als het einde van het streven van de mens hier op aarde waarna hij straf of loon ontving voor zijn levenswijze (...) De dood heeft een zuiverende werking in verband met zonde (Shab. 8b) en werkt als een vorm van verzoening (Siphrei, Shelah 112). Rabbijnen legden de nadruk op het natuurlijk gebeuren van de dood en trachtten het verband met wat er aan vooraf ging te minimalizeren. Gezien het tijdstip van de dood vaststond bij God, was er een verbod ze te verhaasten.” Appendix = HEL Easton’s Bible Dictionary Op http://www.ccel.org/ Hell Derived from the Saxon helan, to cover; hence the covered or the invisible place. In Scripture there are three words so rendered: (1.) Sheol, occurring in the Old Testament sixty-five times. This word sheol is derived from a rootword meaning “to ask,” “demand;” hence insatiableness (Prov. 30:15, 16). It is rendered “grave” thirty-one times (Gen. 37:35; 42:38; 44:29, 31; 1 Sam. 2:6, etc.). The Revisers have retained this rendering in the historical books with the original word in the margin, while in the poetical books they have reversed this rule. In thirty-one cases in the Authorized Version this word is rendered “hell,” the place of disembodied spirits. The inhabitants of sheol are “the congregation of the dead” (Prov. 21:16). It is (a) the abode of the wicked (Num. 16:33; Job 24:19; Ps. 9:17; 31:17, etc.); (b) of the good (Ps. 16:10; 30:3; 49:15; 86:13, etc.). Sheol is described as deep (Job 11:8), dark (10:21, 22), with bars (17:16). The dead “go down” to it (Num. 16:30, 33; Ezek. 31:15, 16, 17). (2.) The Greek word hades of the New Testament has the same scope of signification as sheol of the Old Testament. It is a prison (1 Pet. 3:19), with gates and bars and locks (Matt. 16:18; Rev. 1:18), and it is downward (Matt. 11:23; Luke 10:15). The righteous and the wicked are separated. The blessed dead are in that part of hades called paradise (Luke 23:43). They are also said to be in Abraham’s bosom (Luke 16:22). (3.) Gehenna, in most of its occurrences in the Greek New Testament, designates the place of the lost (Matt. 23:33). The fearful nature of their condition there is described in various figurative expressions (Matt. 8:12; 13:42; 22:13; 25:30; Luke 16:24, etc.). (See HINNOM.) //////////////////////////// Nave's Topical Bible Op http://www.verselink.org/ HELL -(In the A. V. this word occurs in O. T. Scriptures, cited below, and is the translation of the Hebrew word "sheol," which signifies the unseen state) -In the R. V. of O. T. it appears only in Isa 5:14; 14:9,15; 28:15,18; 57:9; Eze 31:16,17; 32:21,27; Am 9:2; Jon 2:2; Hab 2:5 -In the R. V., "sheol" is translated "lowest pit" De 32:22; Ps 86:13


LEVEN, Dood en opstanding_1999

84

-And it is translated "pit" in Ps 55:15 -In the R. V. the word "Sheol" itself occurs in the following scriptures 2Sa 22:6; Job 11:8; 26:6; Ps 9:17; 16:10; 18:5; 116:3; 139:8; Pr 5:5; 7:27; 9:18; 15:11,24; 23:14; 27:20 -"Sheol" is translated "grave" in A. V. in Ge 37:35; 42:38; 44:29,31; 1Sa 2:6; 1Ki 2:6; 9; Job 7:9; 14:13; 17:13; 21:13; 24:19; Ps 6:5; 30:3; 31:17; 49:14,15; 88:3; 89:48; 141:7; Pr 1:12; 30:16; Ec 9:10; So 8:6; Ho 13:14 -In the R. V. the Greek word "gehenna" is translated "hell" in the following scriptures Mt 5:22,29,30; 10:28; 18:9; 23:15,33; Mr 9:43,45,47; Lu 12:5; Jas 3:6 -The R. V. has introduced "Hades," the word found in the Greek text, which signifies the unseen world, in the following scriptures Mt 11:23; 16:18; Lu 10:15; 16:23; Ac 2:27,31; Re 1:18; 6:8; 20:13,14 -THE FUTURE HOME OF THE WICKED Ps 9:17; Pr 5:5; 9:13,15-18; 15:24; 23:13,14; Isa 30:33; 33:14; Mt 3:12; 5:29,30; 7:13,14; 8:11,12; 10:28; 13:30,38-42,49,50; 16:18; 18:8,9,34,35; 22:13; 25:28-30,41,46; Mr 9:43-48; Lu 3:17; 16:23-26,28; Ac 1:25; 2Th 1:9; 2Pe 2:4; Jude 1:6-23; Re 2:11; 9:1,2; 11:7; 14:10,11; 19:20; 20:10,15; 21:8 //////////////////////////// Smithâ&#x20AC;&#x2122;s Bible Dictionary Op http://www.christnotes.org/

Hell: In the Old Testament this is the word generally and unfortunately used by our translators to render the Hebrew Sheol . It really means the place of the dead, the unseen world, without deciding whether it be the place of misery or of happiness. It is clear that in many passages of the Old Testament Sheol can only mean "the grave," and is rendered in the Authorized Version; see, for example, (Genesis 37:35; 42:38; 1 Samuel 2:6; Job 14:13) In other passages, however, it seems to Involve a notion of punishment, and is therefore rendered in the Authorized Version by the word "hell." But in many cases this translation misleads the reader. In the New Testament "hell" is the translation of two words, Hades and Gehenna . The word Hades , like Sheol sometimes means merely "the grave," (Acts 2:31; 1 Corinthians 15:55; Revelation 20:13) or in general "the unseen world." It is in this sense that the creeds say of our Lord, "He went down into hell," meaning the state of the dead in general, without any restriction of happiness or misery. Elsewhere in the New Testament Hades is used of a place of torment, (Matthew 11:23; Luke 16:23; 2 Peter 2:4) etc.; consequently it has been the prevalent, almost the universal, notion that Hades is an intermediate state between death and resurrection, divided into two parts one the abode of the blest and the other of the lost. It is used eleven times in the New Testament, and only once translated "grave." (1 Corinthians 15:55) The word most frequently used (occurring twelve times) in the New Testa-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

85

ment for the place of future punishment is Gehenna or Gehenna of fire . This was originally the valley of Hinnom, south of Jerusalem, where the filth and dead animals of the city were cast out and burned; a fit symbol of the wicked and their destruction. [See HINNOM] //////////////////////////// R. A. Torrey's New Topical Textbook Op http://www.verselink.org/ HELL - The place of disembodied spirits Ac 2:31 . Which Christ visited Lu 23:43; Ac 2:31; 1Pe 3:19 . Contains, a place of rest, Abraham's bosom Lu 16:23 . Paradise Lu 23:43 . And a place of torment Lu 16:23 - The place of future punishment . Destruction from the presence of God 2Th 1:9 - DESCRIBED AS . Everlasting punishment Mt 25:46 . Everlasting fire Mt 25:41 . Everlasting burnings Isa 33:14 . A furnace of fire Mt 13:42,50 . A lake of fire Re 20:15 . Fire and brimstone Re 14:10 . Unquenchable fire


LEVEN, Dood en opstanding_1999

86

Mt 3:12 . Devouring fire Isa 33:14 - Prepared for the devil, &c Mt 25:41 - Devils are confined in, until the judgment day 2Pe 2:4; Jude 1:6 - Punishment of, is eternal Isa 33:14; Re 20:10 - The wicked shall be turned into Ps 9:17 - Human power cannot preserve from Eze 32:27 - The body suffers in Mt 5:29; 10:28 - The soul suffers in Mt 10:28 - The wise avoid Pr 15:24 - Endeavour to keep others from Pr 23:14; Jude 1:23 - The society of the wicked leads to Pr 5:5; 9:18 - The beast, false prophets, and the devil shall be cast into Re 19:20; 20:10 - The powers of, cannot prevail against the Church Mt 16:18 - Illustrated Isa 30:33 //////////////////////////// Vine's Expository Dictionary of New Testament Words Op http://www.mf.no/bibel/vines.html


LEVEN, Dood en opstanding_1999

87

Topic: Hell <1,,1067,geenna> represents the Hebrew Ge-Hinnom (the valley of Tophet) and a corresponding Aramaic word; it is found twelve times in the NT, eleven of which are in the Synoptists, in every instance as uttered by the Lord Himself. He who says to his brother, Thou fool (see under FOOL), will be in danger of "the hell of fire," Matt. 5:22; it is better to pluck out (a metaphorical description of irrevocable law) an eye that causes its possessor to stumble, than that his "whole body be cast into hell," Matt. 5:29; similarly with the hand, Matt. 5:30; in Matt. 18:8,9, the admonitions are repeated, with an additional mention of the foot; here, too, the warning concerns the person himself (for which obviously the "body" stands in chapt. 5); in ver. 8, "the eternal fire" is mentioned as the doom, the character of the region standing for the region itself, the two being combined in the phrase "the hell of fire," ver. 9. To the passage in Matt. 18, that in Mark 9:43-47, is parallel; here to the word "hell" are applied the extended descriptions "the unquenchable fire" and "where their worm dieth not and the fire is not quenched." That God, "after He hath killed, hath power to cast into hell," is assigned as a reason why He should be feared with the fear that keeps from evil doing, Luke 12:5; the parallel passage to this in Matt. 10:28 declares, not the casting in, but the doom which follows, namely, the destruction (not the loss of being, but of well-being) of "both soul and body." In Matt. 23 the Lord denounces the scribes and Pharisees, who in proselytizing a person "make him two-fold more a son of hell" than themselves (Matt 23:15), the phrase here being expressive of moral characteristics, and declares the impossibility of their escaping "the judgment of hell," Matt. 23:33. In Jas. 3:6 "hell" is described as the source of the evil done by misuse of the tongue; here the word stands for the powers of darkness, whose characteristics and destiny are those of "hell." For terms descriptive of "hell," see e.g., Matt. 13:42; 25:46; Phil. 3:19; 2 Thess. 1:9; Heb. 10:39; 2 Pet. 2:17; Jude 1:13; Rev. 2:11; 19:20; 20:6,10,14; 21:8. Notes: (1) For the rendering "hell" as a translation of hades, corresponding to Sheol, wrongly rendered "the grave" and "hell," see HADES. (2) The verb tartaroo, translated "cast down to hell" in 2 Pet. 2:4, signifies to consign to Tartarus, which is neither Sheol nor hades nor hell, but the place where those angels whose special sin is referred to in that passage are confined "to be reserved unto judgment;" the region is described as "pits of darkness," RV. ////////////////////////////


LEVEN, Dood en opstanding_1999

88

1:4 Over de opstanding

Hij zal opstaan bij de opstanding (Joh.11:24) Het mag u niet ontgaan dat ondanks al het pessimisme dat u tot nu toe gelezen heeft, het droevige verhaal van de toekomst van de mens niet is afgesloten. Integendeel. Door de Schrift heen, zowel in het OT als het NT, loopt de rode draad van de overwinning van God over zonde en dood. De stervende mens wordt eens vergeleken bij water dat op de aarde valt en niet meer terug bij elkaar gebracht kan worden (2 Sam.14:14). Of een ademtocht die niet wederkeert (Ps.78:39). Maar ook dan is God nog dáár waar de overledene is: God is ook in de sjeool (Ps.139:8). Men moet dan wel oppassen dat we niet vervallen bij onze redeneringen in een vulgair modernistische kijk op de dingen. Laat ons een voorbeeld geven. In het OT wordt nergens verwezen naar de hersenen van de mens. Volgens de Schrift “denkt” de mens met zijn “hart” (Jes.6:10 / Hos.7:2). Want wanneer Deut.6:4,5 de vrome Jood aanspreekt, God te dienen met het gehele “hart, ziel en kracht” dan wil dat niet meer of minder zeggen dan dat men Hem eert met alles wat men heeft. In de mens, in zijn ziel, in het hart ontstaat ook elke begeerte en lust (Marc.7:21 / Rom.1:24). Volgens een bioloog kan de mens alleen maar denken met de hersenen. Wanneer we in de Schrift lezen dat zowel menselijke zielen als dierlijke zielen eenzelfde lot treft en dat er ogenschijnlijk geen enkel verschil is in beider bestemming, dan is dit slechts een opper-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

89

vlakkige kijk. Een mens wordt bij het sterven begraven en “vergaderd tot zijn vaderen” of “tot zijn volk” (Gen.47:30 / 2 Sam.7:12 / Ps.49:40 / Gen.25:8 / 35:29 / Num.20:24). Alle doden in het dodenrijk, de sjeool, zullen ooit daaruit opstaan. Zo moeten we ook uit het gevoel van “de dood is niet het einde”, onder het Joodse volk, de zorg bezien voor de afgestorvenen, hun lichamen en beenderen (Gen.35:20 / 47:30 / 50:5 / Job 3:22). Het mooiste beeld in dit verband is voor onszelf Deut.34:6. Mozes blijft achter in de woestijn, hij mag het land van belofte niet binnentreden. En daar sterft hij, maar de Almachtige: “begroef hem in een dal in het land Moab, tegenover Bet-Peor, en niemand heeft zijn graf geweten tot op de huidige dag.” Eenzelfde zorg droegen ook de eerste christenen voor de lichamen van hun medegelovigen die onder heidense druk gemarteld en gedood werden. Daaruit zijn de catacomben ontstaan. Niet begraven worden is een straf Gods in het OT (Deut.28:26 / Jes.14:10 / Jer.7:33 / 19:7). Terecht merkt de nieuwe Katechismus hierover op: “Het christelijke Credo - de belijdenis van ons geloof in God de Vader, de Zoon en de heilige Geest en in zijn scheppend, verlossend en heiligmakend handelen - vindt zijn hoogtepunt in de verkondiging van de verrijzenis van de doden aan het eind der tijden, en in het eeuwig leven.” ‘Katechismus van de Katholieke Kerk’, Licap, 1995, p.222, 223. Toen Paulus de opstanding predikte tot de Griekse filosofen was hun spotternij groot. In hun ogen niets meer dan een “een betweter” (NBG), “een klapper” (SV, Luther) of “een praatjesmaker” (Leidse, Canisius) (Hand. 17:18). Een Griek die in de onsterfelijkheid van de ziel geloofd heeft geen nood aan zo een verklaring (Hand.17:32). Dat er zelfs al één, Jezus van Nazareth, is opgestaan uit de doden is voor hen een dwaasheid (1 Cor. 1:23,24). De ongelovige van heden verwoordt dit als: er is nog niemand uit de dood teruggekomen om ons te vertellen wat er ons hierna te wachten staat. Enkele commentatoren wijzen naar de geschiedenis op de Marsheuvel in Athene, als hadden de Grieken verstaan dat Paulus behalve over Jezus ook nog over de godin “Anastasis” (opstanding) sprak (Hand.17:18). Voor een belangrijke groep Joden ten tijde van Jezus was de opstanding uit de doden een ketterse bewering en een verkeerde uitleg van de Torah. Zo leerden de Sadduceeën (Marc.12:18 / Hand.23:8). In één van de apocriefe geschriften is deze zienswijze zéér duidelijk. Volgens Jesus ben Sirach is de enige onsterfelijkheid die de mens te wachten staat een goede naam ofwel afstammelingen (zie 11:28 / 39:9 / 46:12). Klinkt dit niet modern in uw oren? En weinig nieuws onder de zon! Jaren later had Rabbi Gamaliël II, zelf een Farizeeër, een debat met de Sadduceeën over dit punt en wees op teksten als Deut.31:16 en Jes.26:19. Maar slechts na de verwijzing naar Deut.11:9, Gods belofte van het land aan “hen, de Vaderen”, zwegen ze stil (volgens Sanhedrin 90 b tot 91 a). (Zie ook Flavius Josephus ‘Oorlogen’ boek II/ 8,14 en ‘Oudheden’ boek XVIII/1,4). De leer van Christus en deze van de Farizeeën over de opstanding is toch niet dezelfde. Uit vele teksten in de Talmoed blijkt dat er geen universele opstanding is in hun leer, alleen voor “allen die tot het heilige volk behoren.” Onrechtvaardigen blijven in de sjeool. Maar er zijn ook enkele teksten over een universele opstanding. We vinden trouwens ook hetzelfde beeld in de apocriefen en pseudigrafen. Een opstanding van de rechtvaardigen alléén in 1 Hen.22:11 / 91:10 / 92:3 / Psalmen Salomon 3:12-16 / 15:13. Maar ook een universele opstanding in 4 Ezra 7:32-38 / 2 Bar.42:7 / 50:2 / Testament Benjamin 10:6-8. Zie vooral Strack-Billerbeck, deel 1, p.523 e.v. / A. Cohen, ‘Le Talmud’, Payot, 1958, p.424 e.v. / W.D. Davies, ‘Paul and Rabbinic Judaism’, S.P.C.K., 1977 revised, p.285-320.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

90

Over de toestand tussen de dood en de opstanding zegt het ‘Theologisch Woordenboek’, edit. H. Brink, Romen & Zonen, 3 delen, vanaf 1952, kol.4.630 het volgende: “Wijsh. 3, 1-4 gaat over de toestand van de gestorven rechtvaardigen tussen dood en opstanding. Deze gedachte is jonger dan die van de verrijzenis, hetgeen begrijpelijk is daar het joodse denken het leven in Gods welbehagen niet anders kon zien dan in lichamelijke vormgeving en daarom wel de verrijzenis maar niet de tussentoestand onder woorden kon brengen. De tussentoestand behoudt echter zeer sterk het karakter van een doorgangsfase, omdat de opstanding het eschatologisch perspektief blijft beheersen. S. Paulus kan zich zelfs geen verlossing denken zonder opstanding naar het beeld van Christus (1 Kor. 15-19. 32), maar kent niettemin de tussenfase als een toestand van groter geluk dan het geloof op aarde schenkt (2 Kor. 5, 6-8; Phil. 1, 23, vgl. Lc. 23,43; Openb. 14, 13). In het geheel der H. Schrift wordt de tussentoestand slechts zelden en dan nog in vage termen aangeduid.” (wij onderstrepen) En we komen nog eens terug naar het sociologisch onderzoek van K.B. Jörns, hoogleraar aan de Berlijnse Humbolt Universiteit, want het is ook representatief voor een deel van de westerse cultuur. Zie ‘Die Neue Gesichter Göttes’, Verlag C.H. Beck, 1997. Van de 38% christen-gelovigen uit het onderzoek kreeg hij de volgende antwoorden op: “Na de dood komen we in de hemel”; 28% ja volgens de gewone gelovige en 17% volgens de predikanten. “Er is een opstanding”; 27% ja volgens de gewone gelovigen en 74% ja volgens de predikanten. “Er komt een laatste oordeel” 24% ja volgens de gewone gelovigen en 34% ja volgens de predikanten. Moet de universele kerk zich hierover niet ernstig gaan bezinnen? Ligt de bijl al niet aan de wortel (Mat.3:10)? Door een spiegel, in raadselen (1 Cor.13:12) Rabbijn S. Rosenberg heeft in ‘Van oorsprong één’, de volgende opmerking in dit verband: “Zelfs toen de rabbijnen hun goedkeuring hechtten aan leerstukken over verrijzenis en onsterfelijkheid, bleef de sterke nadruk die men op de Tora legde als de levende Tora, als een manier van leven, - en niet als een voorspel tot; een leven-na-de-dood - overheersen. Er werd dan ook nooit in bijzonderheden uitgemaakt hoe men zich Hemel of Hel officieël moest voorstellen en ieder Jood had volledige vrijheid om hier, al naar gelang het met zijn eigen ideeën strookte, ruimer of enger over te denken. De rabbijnen vreesden dat men, wanneer te veel aandacht aan het leven na de dood besteed werd, licht volkomen in beslag genomen zou kunnen worden door de geheimenissen van het hiernamaals (...) Letterlijke opvattingen over Hemel en Hel ging men tegen, met als gevolg, dat de meeste Joden hier meer in overdrachtelijke dan in concrete zin over gingen denken. Wel is men het er algemeen over eens dat de dood niet het einde van het leven betekent (...) algemeen is men bereid de uiteindelijke oplossing van dit vraagstuk aan God over te laten” (Uitg. De Koepel, zj (ongeveer 1975), p.150, 151). Kardinaal J. Ratzinger tracht het probleem uit te leggen als volgt: “Wanneer men daarom probeert het Bijbelse en het griekse idee van onsterfelijkheid op een juiste wijze met elkaar te binden, is het niet voldoende ze gewoon uiterlijk naast elkaar te zetten, waardoor ze geen van beide tot hun recht komen (...) a. Het gaat om een onsterfelijkheid van de ‘persoon’, terwijl bij de grieken het typische wezen iets is dat uiteenvalt, dat als zodanig niet verder leeft, naar zijn heterogene samenstelling uit ziel en lichaam niet verder leeft (...) b. Het gaat om een dialogale onsterfelijkheid (opwekking!) d.w. z. de onsterfelijkheid volgt niet zonder meer uit de vanzelfsprekenheid van het niet kunnen sterven van het ondeelbare, maar uit de reddende daad (...) Omdat onsterfelijkheid, in


LEVEN, Dood en opstanding_1999

91

de Bijbelse voorstelling niet volgt uit de eigen macht van wat in zich enkelvoudig is, maar uit het betrokken zijn in dialoog met de Schepper, daarom moet zij opwekking heten. En omdat de Schepper niet alleen de ziel doelt maar de zich in de lichamelijkheid van de geschiedenis realiserende mens, en hem onsterfelijkheid schenkt, moet de opwekking der doden de opwekking der mensen heten (...) c. Dat de volledige opwekking op de jongste dag, op het einde der geschiedenis en in gezamelijkheid verwacht wordt (...) Als men gelooft in de communio sanctorum (heilige gemeenschap) is het begrip van een anima separata (een van het lichaam gescheiden ziel) achterhaald” ‘Sacramentum mundi’, deel 12, P. Brand, 1971, p.223, 224). Hij zal de aardbodem rechtvaardig oordelen (Hand.17:31) Het is de opstanding uit de doden waar alles uiteindelijk zal om draaien. En zoals met alle openbaringen van God vinden we in dit verband al de eerste aanwijzingen in het OT. In het NT staat dit wonder centraal in de opstanding van Jezus. Deze staat garant voor mijn en uw opstanding (Joh.11:25 / Joh.5:28,29). Jezus Christus, die aller Heer is, is rechter over levenden èn doden (Hand. 10:37,42 / Rom.14:9 / 2 Tim.4:1 / 1 Pet.4:5). Dat er na het graf nog hoop is leert het OT o.a. in Ps.16:10 / 49:15 / 73:24. God kan doden èn doen herleven (Deut.32:39 / 1 Sam.2:6). God kan terug “doen herleven” (Hos. 6:1-3). En Hos.13:14 zegt spottend, “dodenrijk waar is uw verderf?” (vergelijk 1 Cor.15:55 waar Paulus dit aanhaalt). Gans Israël zal opstaan volgens Jes.26:19 en Ezech.37. En Dan.12:2 leert duidelijk de dubbele opstanding zowel van dezen die goed als dezen die kwaad gedaan hebben. We hebben ook Jes.42:7 weten uitleggen in dit verband. Maar hier gaat het om het geestelijk leven. Wie van God is vervreemd zit in een gevangenis. Men vergelijkt dit best met Jes.61:1,2 en Luc.4:18-22. De belijdenis dat God de doden levend zal maken is ook een deel van het gekende Joodse Achttiengebed (slot van de tweede bede) waarvan de eerste lezingen waarschijnlijk uit de eerste eeuw stammen. En de Talmoed beschrijft enkele malen de opstanding uit de doden, drie dagen na het einde van de wereld. Dat zou door Hos.6 bewezen worden. Deze tekst zal later door enkele kerkvaders gebruikt worden als met betrekking tot de opstanding van Christus die: “naar de schriften” is (1 Cor.15:3). De uitdrukking “de derde dag” heeft in het OT de betekenis van de dag waar iets bijzonder gaat gebeuren. Na de derde dag gaat de geschiedenis een keer nemen (vb. Gen.31:22 / 34:25 / 40: 20 / 42:18 / Richt.20:30 / 1 Sam.20:5,19). Het NT leert dat “allen” die in de graven zijn zullen opstaan (Joh.5:28,29 / Hand.24:15). Voor de gelovige in het NT is dit zijn “rechtvaardiging” (Rom.4:25). Voor de gelovige uit het OT - die er ook nog de titel heeft van “man van God” - is dat een deelhebben aan de “wederoprichting aller dingen” of het “zodat ze niet zonder ons tot volmaaktheid zouden komen” (Hand.3:21 / Heb. 11:39,40 / Deut.33:1 / Ezra 3:2 / Jer.35:4). Rechtvaardiging loopt voor alle gelovigen sinds de komst van de Heer op eenzelfde basis. “Besneden zijn betekent niets, en onbesneden zijn betekent niets maar wel het houden van Gods geboden” (1 Cor.7:19). En Gal.6:15 zegt: “Want besneden zijn of niet besneden zijn betekent niets, maar of men een nieuwe schepping is” (Vergelijk ook Col.2:11 / 3:11). Voor de ongelovige zal de opstanding het moment inluiden van zijn straf vanwege de goddeloosheid van zijn wandel (Mat.25:41). Het dodenrijk zal geledigd worden (Opb.20:13-15). Gods “oordelen gaan over de ganse aarde” (1 Kron.16:14). “Zie de Rechter staat voor de deur” (Jac. 5:12). Want God is een God van levenden niet van doden. Anders beweren is dwalen (Marc.12:27). In deze laatste tekst lezen dat de aartsvaderen nu in bewuste toestand, samen met God en alle engelen, “leven” is niet mogelijk. Het gaat in de context om de opstanding en de vaderen hebben de vervulling van de belofte nu nog niet verkregen (Heb.11:39,40). Het zal een onpar-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

92

tijdig (Rom.2:2) en rechtvaardig (Hand.17:31) en waarachtig (Opb.16:7 / 19:2) oordeel zijn. Over deze uitspraak zal God géén berouw hebben. Voor barmhartigheid zal het dan te laat zijn. (Zie o.a. H. Kuitert, ‘De mensvormigheid Gods’, Kok, 1962, p.236-245 / T. Fretheim, ‘The suffering of God’, Fortress Press, 1984, p.107-148). De opmerking van de WT dat sommigen uitgesloten worden van een opstanding is eenvoudigweg de Schrift tegenspreken, niets meer of minder (Zie o.a. ‘Insight on the scriptures’, volume 2, 1988, p.791, 792). Adventisten leren dat allen die gered worden opstaan bij de wederkomst van Christus, alle anderen op het einde van de 1000 jaar van Opb.20 (‘Questions’, p.14, 506-508). Adventisten scheiden de ene opstanding van de rechtvaardigen en deze van de goddelozen met een tussenperiode van de 1000 jarige regering waar alleen Satan op aarde is (‘Questions’ p.504, 505). Voor hen staat Joh.5:29 aan het einde van deze periode. Bij Jehovah’s Getuigen staat Joh.5:29 aan het begin van de 1000 jarige regering en krijgen deze die opstaan een tweede kans (‘Hulp tot begrip van de Bijbel’, deel 6, 1989, p.1164). De Concordantmensen leren het volgende over Joh.5:29 in ‘Eternal Torment, or universal Reconciliation’ door A.E. Knoch en enkele andere schrijvers op p.42: “Oordeel is onmogelijk in de dood, want de geest is met God en het lichaam is tot stof vergaan zodat er geen gevoelen meer is. Dus zal de ongelovige opstaan uit de doden in de opstanding ten oordeel (Joh.5:29 ‘11.’12) om geoordeeld te worden. Na dit oordeel sterft hij terug, om levend gemaakt te worden bij de voltooing.” Over de nummertjes elf en twaalf achter de schriftuurplaats moeten we iets zeggen. Dit wijst naar de elfde en twaalfde “administratie” die God heeft ingesteld, dus de tijd onmiddellijk na de 1000 jarige regering en het begin van het laatste oordeel van de witte troon in Opb.20:12 . Dat “allen” opstaan uit de dood wil twee dingen zeggen. Ten eerste dat Christus niet alleen de Heer is van de levenden, maar ook van de doden. Ten tweede, dat het offer van Christus alle kinderen van Adam (en Eva) loskoopt, wat natuurlijk niet wil zeggen dat ze allen eenzelfde lotsbestemming hebben (Rom.14:9). Er komt een tijd dat elkeen, goeden en slechten loon of straf ontvangen (Mat.16:27 / Luc.14:14 / Opb.11:15,18). En een andere leer over de opstanding is deze van de Mormonen, waar géén Bijbelse gronden voor te vinden zijn. Ze leren dat er drie koninkrijken in heerlijkheid (of drie graden van heerlijkheid) zijn weggelegd voor dezen die opstaan uit de dood en in min of meerdere mate goed gedaan hebben tijdens hun leven. Wie opstandig is geweest, slechts enkelen, gaan naar een koninkrijk zonder heerlijkheid. Men tracht dit te staven door enkele bijbelteksten (1 Cor.15:40-42 / 2 Cor.12:2 / Opb.20:11) maar deze spreken niet over drie koninkrijken. Vanuit hun geschriften van Joseph Smith is dit natuurlijk zonder problemen te “bewijzen.” Zie ‘Leer en Verbonden’ 76 en 88:17-35. Mormonen nemen de opstanding zéér letterlijk, al te letterlijk in de context van 1 Cor.15:50-54. We lezen in ‘Het boek van Mormon, Lesboek’: “Joseph Smith heeft eens het volgende gezegd over de opstanding: Wat de opstanding betreft zou ik slechts willen zeggen dat alle mensen uit het graf zullen opstaan zoals ze erin gelegd zijn, hetzij jong of oud. Er zal geen el aan hun gestalte worden toegevoegd of afgenomen; allen zullen opstaan door de macht Gods met geest in hun lichaam en geen bloed. Kinderen zullen op hun troon gezet worden in de tegenwoordigheid van God en het Lam met dezelfde gestalte als zij hier op aarde hadden, daar zij verlost zijn door het bloed van het Lam; zij zullen daar de volheid van het licht, de heerlijkheid en de intelligentie bezitten, die voorbereid is in het celestiale koninkrijk (...) zij rusten van hun moeiten, want hun werken volgen hen na (Openbaring 14:13)” (p.314). Maar wij hebben ook een ander geluid gevonden in strijd met deze voorgaande verklaring: “Er is geen reden voor wie dan ook om zich zorgen te maken over het uiterlijk van bepaalde mensen in de opstanding. De dood is een reinigend proces voor zover het lichaam


LEVEN, Dood en opstanding_1999

93

betreft. Wij hebben reden om aan te nemen dat het bejaarde uiterlijk verdwijnen zal en dat het lichaam hersteld zal worden in de volle kracht van de mannelijke en vrouwelijke staat. Kinderen zullen opstaan als kinderen want er is geen groei in het graf. Alles wat in tegenspraak hiermee is zou onlogisch zijn. Wanneer onze lichamen hersteld worden zullen ze in hun volle kracht verschijnen” (idem p.223). Nu zijn dergelijke voorstellingen of varianten hierop zeer waarschijnlijk niet nieuw. Het apostolisch woord hierover is meer dan negentienhonderd jaar geleden reeds geformuleerd. Het zijn “leringen van mensen” (Col.2:22), “leringen van boze geesten” (1 Tim.4:17) en (of) “vreemde leringen” (Heb.13:9). Opstanding mogelijk bij God Het is niet onze bedoeling hier in te gaan op de natuur van het opstandingslichaam. Dat is het onderwerp van hoofdstuk twee. Maar laat ons niet ongelovig zijn bij de wederopstanding uit de doden. Het is zowel in het OT als het NT reeds enkele malen beschreven. De tabel onderaan wil dit benadrukken, de opstanding van Jezus is hier niet inbegrepen. Mat.27:51-53 bespreken we apart in hoofdstuk drie, punt drie. Zo zijn eens opgestaan: 1. Zoon van de weduwe van Sarfath 2. Zoon van de Sunamitische vrouw 3. Een man die in aanraking komt met de beenderen van de overleden Elisa 4. Dochter van Jaïrus 5. Zoon van weduwe van Naïn 6. Lazarus van Bethanië 7. Dorcas 8. Eutychus

1 Kon.17:22 2 Kon.4:34,35 2 Kon.13:20,21 Luc.8:52-56 Luc.7:14,15 Joh.11 Hand.9:40 Hand.20:9-12

In al deze teksten komt de ziel, de geest, of het leven terug in het oude lichaam. Zie vooral 1 Kon.17:21-23. Zeer waarschijlijk waren al de opgesomde personen, met uitzondering van Lazarus, slechts enkele uren dood want een begrafenis volgt in de Joodse traditie zeer snel op de dood, meestal dezelfde dag nog. Opstanding uit de doden ligt exclusief in het recht en de macht van God (Mat.22:19 / Marc.12:24). Men moet echter oppassen niet teveel nadruk te leggen op deze teksten en een vertekend beeld schetsen van het geheel. Er staat bv. dat bij de geboorte van Benjamin zijn moeder Rachel sterft. Dat toen haar het “leven ontvlood” (zegt de NBG) maar letterlijk staat er dat haar “ziel” ontvlood (Gen.35:18). In voetnota geeft de NWV “leven” maar “ziel” in de tekst. Jona zegt tot de HERE “neem toch mijn leven van mij” (NBG) maar letterlijk “neem toch mijn ziel van mij” (Jonah 4:3). Dat is natuurlijk een wijze van beschrijven in beeldende taal, want de mens heeft geen apart af te scheiden deel dat ziel kan genoemd worden. De levende mens is de ziel zelf en daarom kan men zielen doden en zielen behouden (Ezech.13:19 / Num.31:19). Het verschil van bovenstaande opstandingen uit de dood en deze van Jezus ligt wel hierin dat Jezus is opgestaan in onsterfelijkheid. Hij is opgestaan in een “onvernietigbaar” leven (Heb.7:16). Zo is Hij de eerstgeborene onder dezen die op die wijze zullen opstaan (Col.1:18). De eerste in tijd maar ook in waardigheid, waarbij we mogen denken een het begrip “premier” van een land. Want indien Christus niet is opgestaan zijn we nog in zonde (Rom.4:25 / Hand.26:23). Om die reden zegt de Schrift duidelijk dat Christus is “opgewekt uit (de) doden” (Grieks egeiroo) in


LEVEN, Dood en opstanding_1999

94

o.a. Mat.17:9 / Joh.2:22 / Hand.3:15 / 4:10 / 13:30. Maar ook de uitdrukking “opgestaan uit (de) doden” door een ander Grieks woord aangegeven nl. “anistèmi.” Men zie hiervoor dan Marc.9:9,10 / Hand. 10:41 / 13:34 / 17:3,31. Voor het verschil tussen beide zie hoofdstuk twee. Dat wil zeggen dat op dit ogenblik alle doden, min één nog in het graf zijn. Want de personen in de bovenstaande lijst staan op uit de dood in de betekenis van een terug tot leven komen van hun oud lichaam. Het opstaan van een lijk tot nieuw leven. Een dode die opnieuw spreekt, denkt en handelt. Opstanding uit een graf. Maar nog niet die opstanding “uit de graven” van Joh.5:29. Het gaat niet om de uiteindelijke, definitieve opstanding die slechts bij de wederkomst plaats grijpt. Maar niet minder spectaculair, want Lazarus was al 4 dagen dood en er was al een reukje aan. Het toont hoe machtig God wel is over de dood heen. In tegenstelling met deze opstandingen zal het lichaam dat de gelovige krijgt bij de opstanding niet meer aantastbaar zijn door leed en lijden. Het is een lichaam dat geen voedsel meer nodig heeft, en waar de maag niet in functie staat van de stoffen die men nodig heeft om dat lichaam te laten functioneren (1 Cor.6:13). In dat lichaam zal de “geest van God” zo machtig inwerken dat termen als “onsterfelijk”, “onverderfelijk” en “onvergankelijk” gebruikt moeten worden (1 Cor.15:51-54). Op een niet volledig te begrijpen wijze is het “ik” van heden, het “ik” van de opstanding. Het “zaad” nu gezaaid is de basis van mijn geestelijk lichaam (1 Cor.15: 38,42,44). In de zin dat “ik” in het graf lig en God er “een lichaam” aan geeft is dit ook een herschepping, want op die wijze was “ik” er nog niet. Er zijn dan ook theologen die zeggen dat deze opstanding, de “opstanding van een persoon” is. Het is méér dan het oplappen van een oud lichaam en méér dan een transformatie, het gaat vooral om continuïteit. Ik zal dezelfde “persoon” zijn en niet een ander, ook wanneer vanuit menselijk oogpunt niets van mij is overgebleven. Dat lichaam zal een andere “glans” (Grieks “doxa”) hebben en een ander “beeld” (Grieks “eikon”) dragen (1 Cor.15:40,49). Wie geloofd kan dit verstaan (2 Cor.5:7). God geeft er een lichaam aan (Jer.18:1-12). We zeggen dit vooral met het oog op wat K. Barth zegt dat elk opstandingslichaam volledig nieuw is. G. van der Leeuw schrijft in zijn werkje over ‘Onsterfelijkheid en opstanding’ op p.37: “Maar brengt opstanding niet noodzakelijk een “voortbestaan” mede? Ik ben het toch, die weliswaar niet sterfelijk ben en dezelfde blijf die ik altijd ben geweest, maar die door God word opgewekt. Het “nieuwe schepsel is niet een ander schepsel dan ik ben. Het is een herschepping. Er moet dus, zoo schijnt het, “iets” zijn, dat overblijft, dat voortbestaat en waarop God het nieuwe schepsel bouwt. Dat “iets” zouden we inderdaad ziel kunnen noemen, - niet in tegenstelling tot het lichaam, maar als aanduiding van datgene in ons dat God vasthoudt, van het beeld Gods, dat ons bij de schepping is opgedrukt..”. (zie bibliografie). Men moet het dus ook niet zoeken in reïncarnatie. Enkele Engelse theologen uit de 19de eeuw zochten een verklaring voor de opstanding in die richting. Hun redenering was dat een lichaam niet belangrijk was (Zo o.a. aartsbisschop Whately, bisschop Westcott en bisschop Perowne). Maar nog een andere leer, deze van de “Alverzoening”, was voor enkele Engelse theologen een verleidelijke en aannemelijke leerstelling. Dit vooral in de periode van 1870-1920 en we geven de voornaamste verdedigers in de bibliografie over dit onderwerp. En dat is wel wonderlijk. De Anglicaanse Kerk had namelijk in haar geloofsbelijdenis ooit een anathema (vervloeking) uitgesproken over wie het zou leren en geloven. Dat was het geval in de 39 Articles of faith die origineel de 42 Articles waren. De laatste stelling met het anathema over Alverzoeners en de voorlaatste over de Millemnialisten werd in 1562 door Koningin Elisabeth I geschrapt. In het ‘Bijbels Woordenboek’, edit. A. van den Born, Romen & Zonen, 1966-1969, kol.1.477 geeft J. Nelis, Rooms Katholiek theoloog, dan volgende redenen bij het ontstaan van dat geloof in de opstanding. “De voedingsbodem waaruit de verrijzenisgedachte kon ontkiemen wordt vooreerst gevormd door het bewustzijn dat Jahwe onbeperkte macht bezit over de onderwereld (Am 9,2v; Js


LEVEN, Dood en opstanding_1999

95

7,11; Job 38,17; Ps 139,8). Daarom kan hij de mens er niet slechts in doen afdalen (hetzelfde als doen sterven) maar hem er ook weer uithalen (doen leven) (...) Een tweede factor vormt het geloof in Gods rechtvaardige - vergelding, dat het leven verbond met de onderhouding van Gods wet (vgl. o.a. Am 5,4.14). Daar men deze vergelding binnen het kader van het aardse leven verwachtte, moest dit geloof (tenminste waar het ging om de voldoende bestraffing of beloning van het gedrag van het individu) bij kritische waarnemers als Job, Pr en sommige psalmisten wel pijnlijk gelogenstraft worden; hetgeen tot het zoeken van nieuwe oplossingen noopte. Toen men het probleem beschouwde in het licht van Israëls heilsverwachting, die voor het uitverkoren volk een openbaring van Jahwe’s heerlijkheid verwachtte, waardoor alle kwaad en leed uit zijn midden verbannen en het met een volheid van geluk zou verzadigd worden, rijpte de overtuiging dat men van Gods rechtvaardigheid en liefde mocht verwachten dat hij zijn getrouwen die vóór die tijd gestorven waren weer ten leven zou wekken, opdat zij in de deelname aan het eschatologische heil het loon voor hun werken zouden ontvangen.” Het dodenrijk is géén voorbereiding tot de opstanding Laten we goed beseffen dat de sjeool niet is: een tussenverblijf tussen leven en dood waar men wacht op loutering (zoals het Roomse vagevuur), of de reinigende hel (van de Alverzoeners), of wachten op een nieuw bestaan (reïncarnatie), of een tweede kans (zoals Jehovah’s Getuigen leren). De leer van Jehovah’s Getuigen is een zeer subtiel ketterse verbastering van de Bijbelse opstanding. Zo leren zij o.a. dat er een geestelijke opstanding is voor Christus en de 144.000 uit Opb.7:18 en 14:1-4. En een aardse opstanding voor veel (niet alle) andere mensen, die stierven vóór de tweede komst van Christus, zowel uit het OT als het NT. Maar niet alle doden staan op volgens hen want we lezen in ‘Onwaakt!’ van 22 october 1995, p.11: “In plaats van ter dood veroordeeld te worden als kinderen van de zondaar Adam, kunnen gehoorzame mensen dus waardig worden gerekend eeuwig leven te ontvangen als kinderen van hun “Eeuwige Vader”, Jezus Christus” (wij onderstrepen). Dat wil zeggen dat anderen uitgesloten zijn van een opstanding volgens de WT. We komen hier daarom ook op terug. Trouwens niemand is op basis van eigen werk of wetsbetrachting “waardig” geacht. Dat is dan ook een zeer ONBIJBELSE formulering. ‘DE WACHTTOREN’ van 15 nov. 1995, p.16 zegt: “Als hemelse koning wordt hij (Jezus) de “Eeuwige Vader van diegenen die als zijn aardse onderdanen voordeel zullen trekken van zijn offer.” Verder dat: “Gedurende het Millemnium zullen zij geleidelijk vrijgemaakt worden van de slavernij des verderfs (totdat ze uiteindelijk) de glorierijke vrijheid van de kinderen Gods hebben” (‘DE WACHTTOREN’ van 15 febr. 1991, p.18). Of: “Tegen het einde van de duizendjarige Oordeelsdag zullen getrouwe mensen uit alle delen van de aarde uiteindelijk volmaakt zijn.” (‘DE WACHTTOREN’ van 1 aug. 1991, p.7). Of nog: “Zij zullen op weg zijn om eeuwig leven te verkrijgen” (‘DE WACHTTOREN’ van 1 aug. 1991, p.6). En tot slot: “In de dagen die vóór ons liggen, zal de losprijs de algehele genezing van de door de zonde veroorzaakte ziekelijke toestand van de mensheid mogelijk maken (...) De profetische visioenen van het boek Openbaring zullen weldra in vervulling gaan (Openbaring 22:6,7). Dan zullen alle rechtgeaarde mensen volmaakt worden en “vrijgemaakt..”. (‘DE WACHTTOREN’ van 15 juli 1997, p.7). Het gaat dus duidelijk om een tweede kans die aan sommige mensen geboden wordt volgens de WT. Een langzaam proces waar door opvoeding tot volmaaktheid een eeuwig leven op aarde volgt als beloning. Ook Mormonen leren dat het merendeel van dezen die opstaan uit de dood één of andere vorm van verlossing verkrijgen, ook door middel van een opvoedingsproces. We lezen in ‘Het boek van Mormon, Lesboek’: “In LV76:30-37 wordt heel duidelijk gemaakt dat de enige mensen die dit lot geheel zullen ondergaan de zonen des verderfs zijn, die met de duivel en zijn engelen naar de buitenste duisternis gaan. De rest van de mensen, zelfs de goddelozen, zullen een zekere mate van


LEVEN, Dood en opstanding_1999

96

verlossing ontvangen nadat zij de toorn Gods hebben ondergaan. Zij zullen noodzakelijkerwijs tot bekering en aanvaarding van het evangelie van Jezus Christus worden gebracht, voor zover dat van toepassing op hen zal zijn” (p.224). Talmage zegt: “Gedurende het gehele duizendjarige rijk zal het proces der wedergeboorte voortgang vinden” (p.371) en “ Toch zal de zonde niet helemaal verdwenen zijn, noch de dood uitgebannen; ofschoon kinderen volwassen zullen worden en daarna “in een oogwenk” een staat van onsterfelijkheid bereiken” (p.365, 366). De toestand tussen dood en opstanding beschrijft Talmage als volgt: “In afwachting van hun opstanding verkeren de ontlichaamde geesten in een tussenstaat van geluk en rust of van lijden en onzekerheid, overeenkomstig hun daden in de sterfelijkheid” (p.520). Gelovigen krijgen echter volgens de Schrift het eeuwige leven ineens en gratis (zie hoofdstuk drie). De dag van heil en de keuze die we maken is tijdens dit leven (1 Cor.6:2). Er is géén mogelijkheid voor herexamen of een tweede kans. Daarom zal de gelovige die nu sterft met Hem in de toekomst leven (2 Tim.2:11). En het ongeloof van nu later gestraft. Ook het ongeloof (afval) van zogenaamde christenen zal gestraft worden in de toekomst. Deze “straf” zal bewust ondergaan worden. Zie Heb.10:29 voor het naamwoord en Hand.22:5 / 26:11 voor het werkwoord “timoria” en “timoreoo” (straf en straffen). Mensen staan ofwel in het boek des levens of niet (Opb.20:15). Er zijn mensen wiens zondenschuld totaal vergeven wordt, ook al waren die als scharlaken. Men wordt wit als sneeuw, het symbool van de gerechtvaardigde (Jes.1:18). Maar andersom zijn er ook die niet vergeven worden (Joh.3:34-36). Het is de soevereine God die hierover zal beslissen. Hij is Rechter (2 Pet.3:9 / Mat.6:10). Wij moeten Gods oordeel dus vrezen en niet te lichtzinnig leven in deze wereld (Ps.119:120 / 105:5,7 / Opb.16:7). Over het begrip “vrezen van God” is zoiets als een legende ontstaan. We hebben horen prediken en gelezen dat er 365 maal in de Schrift zou staan dat we God niet dienen te vrezen. Een onderzoek in de concordantie leert onder andere dat er een 45tal teksten zijn in die zin maar ongeveer evenveel die ons aansporen God wel te vrezen. Laat u niet beetnemen want dit heeft waarschijnlijk te maken met de visie dat God alles zal vergeven. Een “sterfelijk mens” zullen we niet vrezen (Jes.51:12), maar slechts God. Er is dus zowel een opstanding van gelovigen als van ongelovigen. “Alle” graven worden geopend en “alle” mensen geoordeeld. Het dodenrijk is dus iets van tijdelijke orde en zal er niet meer zijn wanneer God de nieuwe hemelen en nieuwe aarde zal scheppen. Maar terecht merkt J. Ubbink op in zijn doctorale scriptie: “Het bezit van het pneuma is niet vereischt om te delen in de opstanding, doch voor het eeuwige leven daarna, voor de gemeenschap met de pneuma-Kyrios (de Heer)” (‘Het eeuwige leven bij Paulus’, Wolters, Groningen, 1917, p.11). Zo zullen wie bij de opstanding gestraft worden nooit meer mogen delen in deze gemeenschap met de Heer. Dezen die geloven in de onsterfelijkheid als een aangeboren beginsel stapelen problemen met Bijbelteksten op. Want met Pinksteren was David nog niet opgevaren naar de hemel zegt Petrus (Hand.2:34). Jezus zegt aan het begin van zijn prediking dat niemand naar de hemel is opgevaren, ook Mozes of Elia niet (Joh.3:13). Zeg ook niet dat Henoch nu reeds in Gods hemel is gezien God hem heeft “opgenomen”, want hetzefde werkwoord (zie ook p.227) in het Hebreeuws wordt ook gebruikt door de Psalmist in Ps.49:16. Daar staat: “Maar God zal mijn leven verlossen uit de macht van het dodenrijk want Hij zal mij opnemen.” En daar staat ook: “Maar ik zal in gerechtigheid uw aangezicht aanschouwen, en bij het ontwaken mij verzadigen met uw beeld” (Ps.17:15). Duidelijk bij het “verlossen” uit de macht van het dodenrijk en het “ontwaken” van de ziel of geest zal dit werkelijkheid worden, niet onmiddellijk na de dood. Er is nog niemand van de doden die God in de hemelen looft (Ps.115:17 / Pred.9:6). We moeten luisteren naar de ganse raad Gods (Hand.20:27). Veel van wat we in onze moderne samenleving kennen en bezitten maakt ook duidelijk dat na de dood alles niet vergeten is over een mens. Zijn beeld, stem en handelen kunnen voor een lange tijd


LEVEN, Dood en opstanding_1999

97

op video opgenomen worden. Hij is er nog op die wijze. We merken dat op bij iets wat we lezen in de ‘Christelijke Dogmatiek’ door J. van Oosterzee. Daar staat: “Heeten de dooden in het NT nu en dan slapenden, het is om de uitwendige gelijkheid van slaap en dood voor ôns oog; om niet te zeggen dat ook slaap en bewusteloosheid nog in geenen dele hetzelfde zijn. Wederaanknoping van bewustheid en herinnering, na een tusschenruimte van eeuwen, laat zich moeilijker dan beider dadelijke voortduring denken, en volstrekt onmogelijk schijnt het, zich al de gestorvenen sinds den aanvang der wereld als nog altijd slapenden voor te stellen” (deel 2, uitg. Kemink en zoon, 1876, p.531). De dood als slaap is voor J. van Oosterzee niet voorstelbaar, dús is de ziel onsterfelijk. Op die wijze mag men niet verder redeneren. Trouwens wannneer de opstanding beschreven wordt in de Schrift dan gaat het om het opstaan van doden, niet een transformatie van “onsterfelijken” in een nieuw lichaam. Openbaring 20:13 zegt: “En de zee gaf de doden, die in haar waren, en de dood en het dodenrijk gaven de doden, die in haar waren, en zij werden geoordeeld, een ieder naar zijn werken”(wij onderstrepen). Wáár is de gelovige met Hem? De “levende God” zal Zijn kinderen dus niet in het graf laten (Hos.1:10 / Hand.14:15 / 1 Thes.1:9). Hij is een “levende Vader” (Joh.6:57) die “leven in Zichzelf” heeft (Joh.5:26). In dat leven zal de gelovige mogen delen. Wie Christus heeft aangenomen zal mogen proeven van de “onvergankelijkheid” van God (1 Tim.1:17). En dat proces is nu al al begonnen (1 Pet.1:3-8). Ons wacht er iets dat nog niet gezien is (1 Cor.2:9). Gezien we zoals de Heer zullen zijn in de opstanding zal het “hoe en wat” van de opstanding vanuit Zijn opstanding moeten verklaard worden. Dat doen we in hoofdstuk twee, zie dus hierover verder. Vragen die gesteld worden over de natuur van het opstandingslichaam van de goddelozen moeten met voorzichtigheid behandeld worden. Want het is duidelijk dat het “geestelijk lichaam” waarover 1 Cor.15:44,46 spreekt, het opstandingslichaam van slechts de gelovigen beschrijft. Dat er anderzijds over ongelovigen moet gezegd worden dat ze een lichaam zullen bezitten dat niet doodgaat moet ook onderstreept worden. We kunnen toch al iets zeggen over dat opstandingslichaam van de gelovigen. In een dispuut dat de Heer had met de Sadduceeën over de opstanding maakt Hij duidelijk dat de opgestane in één aspect aan “de engelen gelijk” is (één woord in het Grieks “isangeloi”). En dat ene aspect is dat hij gewoon niet meer sterft (Luc.20:36). Dezen die in de onsterfelijkheid van de ziel geloven zeggen dan; ze gaan na hun dood onmiddellijk naar de hemel of naar het paradijs. Maar dit leren vanuit deze tekst is onmogelijk en in strijd met de context. Want het gaat om de opstanding. De Sadduceeën komen tot de Heer met een vraag over de opstanding (Mat.22:23 / Marc.12:18 / Luc.20:27). De vraag was; wie van de mannen met wie de vrouw getrouwd is geweest, zal in de opstanding de ware man zijn van de vrouw (Mat.22:28 / Marc.12:23 / Luc.20:33). Het antwoord van Christus heeft betrekking op de opstanding (Mat.22:31 / Marc.12:26 / Luc.20:38). Het is géén antwoord op de vraag: wat is er onmiddellijk na mijn dood? En enkele van de schriftgeleerden waren ervan overtuigd dat Jezus “goed gesproken had” (Luc.20:39). Zoals er in het NT meer dan één werkwoord is gebruikt om de opstanding te beschrijven (zie hierover verder hoofdstuk twee) zo is dit ook het geval in het OT. Het gaat om “ontwaken” (Jes.26:19 / Dan.12:2), “levend maken” (1 Kon.17:22 / Jes.26:19), “weer levend maken” (Hosea 6:2 / 2 Kon.5:7 / 8:1) en “opstaan” (Jes.26:19). Aan de grondslag van deze begrippen ligt natuurlijk de gedachte dat de dood vergeleken is bij een slaaptoestand. Ook vanuit dit beeld mogen we zeggen dat er geen bewuste tussentoestand is voor de doden. Wij citeren uit een schrijver die onze lezers zeer waarschijnlijk niet zien als iemand die onze gedachten zou ondersteunen, Dr. Abraham Kuyper, maar oordeel zelf. Hij zegt in zijn ‘Dictaten Dogmatiek V’, ‘Locus de Consummatione Saeculi’, p.23: “Toen Paulus stierf was hij terstond uit de tijd. Voor hem is sedert zijn sterven tot


LEVEN, Dood en opstanding_1999

98

nu toe geen tijd verlopen tot de wederkomst des Heren. Voor hem is dus de dood en de parousie volkomen gelijk. En wat voor hem goldt, geldt nog voor ons. Ook als de laatste klokslag in de oren dreunt, komen wij buiten de tijd. Ook tussen onze dood en Jezus’ wederkomst zal geen chronos meer verlopen. Voor een Christen valt eigenlijk zijn persoonlijke dood en de parousie des Heren samen.” Verder op p.241 staat nog:” dat wie sterft het tijdelijke met het eeuwige verwisselt, dat door de dood de chronologie dezer wereld ophoudt, en (...) dat de parousie onmiddellijk aansluit aan het sterven.” Duidelijker kon Kuyper het niet zeggen. Zelf niet in het bezit van dit werk citeren we uit Telder, ‘Sterven (...) Waarom?’ p.80. Een opmerking van J.J. Von Allmen is ook belangrijk in dit opzicht. Hij schrijft: “Daarom zullen dezen die voortaan sterven ‘in de Heer’ (1 Cor.15:18 / 1 Thess. 4:16) niet meer van Hem gescheiden kunnen worden (Rom. 8:38 e.v.), het is dus mogelijk (echter zonder egoïsme! Phil. 1:24 e.v.) ernaar te verlangen “heen te gaan en met Christus” te zijn (Phil.1:23 / 2 Cor.5:6-8). Maar wáár is men met Hem? In “het” dodenrijk (Rom.10:7)? In “het” Jeruzalem (Heb.12:22 e.v.) of “ónder” het altaar (Opb. 6:9) of “vóór” de hemelse troon (Opb.7:9)? Het essentiële is niet die plaats te bepalen, maar te weten dat tot het ogenblik dat Hades de overledenen heeft vrijgegeven (Opb.20:11 e.v.), dezen die in Christus gestorven zijn, niet door Hem verlaten zijn, of ver van Hem zijn, hoewel ze nog niet de volheid van de gelukzaligheid ontvangen hebben (Opb.6:9 e.v.), gezien ze hun lichaam in heerlijkheid - dat eigen is aan het eeuwige leven - nog niet hebben aangedaan” ‘Vocabulaire biblique’ dir. J.J. Von Allmen, 4de druk Rencontre, 1969, p.189). De laatste R.K. Katechismus zegt hierover het volgende. “Wat is “verrijzen?” Bij de dood, die de scheiding is van lichaam en ziel, gaat het lichaam van de mens tot ontbinding over, terwijl zijn ziel God tegemoet gaat in de verwachting van de hereniging met haar verheerlijkt lichaam. God zal in zijn almacht het onvergankelijk leven definitief aan ons lichaam teruggeven door het krachtens de verrijzenis van Jezus met onze ziel te verenigen.” ‘Katechismus van de Katholieke Kerk’ Licap, 1995, p.224. (wij onderstrepen wat bij hen is schuingedrukt) “Nergens wordt het raadsel van het menselijk bestaan zo groot als in het licht van de dood. Van de ene kant is de lichamelijke dood een natuurlijk gegeven, maar voor het geloof is hij in feite “het loon van de zonde” (Rom. 6,23). En voor hen die sterven in de genade van Christus, is de dood een deelnemen aan de dood van de Heer om zo deel te nemen aan zijn verrijzenis (...) De dood is het einde van ons aardse leven. Ons leven wordt gemeten naar de tijd, in de loop waarvan wij veranderen, verouderen en, zoals bij alle levende wezens op aarde, verschijnt de dood als het normale einde van het leven. Dit aspect van de dood geeft ons leven een dringend karakter: het besef van onze sterfelijkheid dient er ook toe ons eraan te herinneren dat wij slechts een beperkte tijd hebben om ons leven te verwezenlijken: “Houd je Schepper in ere, zolang je nog jong bent ( (...)), voordat het stof terugkeert naar de aarde waar het vandaan kwam, en de levensgeest naar God die hem schonk” (Pr.12:1.7). ‘Katechismus van de Katholieke Kerk’ Licap, 1995, p.226 (wij onderstrepen wat bij hen is schuingedrukt). Over de onmiddellijke plaats of toestand van de gelovigen sinds de dood van Christus is de R.K. theologie voorstander van volgende visie uit het ‘Theologisch Woordenboek van de Rooms Katholieke Kerk’, edit. H. Brink, Romen & Zonen, 3 delen, vanaf 1952. We lezen daar in kol.4.632, 4.633.: “De localisatie van de gestorven rechtvaardigen heeft eveneens haar geschiedenis. Omdat in de zich ontwikkelende eschatologie de rechtvaardige werd geacht in blijvende verbondenheid met God voort te bestaan en de hemel als de woning van God werd beschouwd, ligt het voor de hand dat hun verblijf zich van de sjeôl, die aanvankelijk als verblijfplaats van alle overledenen werd beschouwd, losmaakt om naar de hemel verplaatst te worden. Het eind van dit proces is duidelijk aanwezig in het NT: Jezus is uit de hemel neergedaald en keert er terug; de gelovigen op


LEVEN, Dood en opstanding_1999

99

aarde zijn door hun verbondenheid met de verheerlijkte Christus reeds “huisgenoten Gods” (Eph. 2, 19) en zullen ook eens lichamelijk tot Hem worden opgenomen (1 Thess. 4, 17). Het paradijs, dat in Openb. 22, 1-2 beeld van het eeuwige geluk is, wordt in de apocriefe en rabbijnse literatuur aangegeven als de plaats waar de rechtvaardigen in de tussentijd verblijven, waarbij men het paradijs ofwel op aarde of in de hemel dacht. Volgens Lc. 23, 43 komt de berouwvolle moordenaar onmiddellijk na de dood in het paradijs. Paulus ziet het paradijs in de hemel (2 Kor. 12, 2 vv.)” (wij onderstrepen). Hoe in de eerste eeuwen begrippen als “opstanding van het lichaam” werd opgenomen in geloofsbelijdenissen geeft het ‘Theologisch Woordenboek’, edit. H. Brink, Romen & Zonen, 3 delen, vanaf 1952, op kol.4.638 weer: “Reeds spoedig is de verrijzenis van het lichaam opgenomen in de geloofssymbola. Men verandert de Bijbelse uitdrukking ‘resurrectio mortuorum’ in ‘resurrectio carnis’, daarmee uitdrukkelijk positie kiezend tegen de griekse, gnostieke en spiritualistische dédain voor het lichaam. De symbola van Nicea en Constantinopel hernemen weer ‘resurrectio mortuarum’. Geleidelijk komen in de nu volgende symbola formuleringen die ook de identiteit van het lichaam belijden. Over de formele of materiële identiteit spreekt de kerk zich nergens uit, terwijl zij ook nimmer een uitspraak heeft gedaan over de hemelse toestand van het verrezen lichaam. Maar de inhoud van het dogma is duidelijk: de lichamelijke verrijzenis van alle mensen in soortgelijke (echt menselijke) en individuele lichamelijke identiteit.” Ondanks een ondertoon van Alverzoening die we proeven bij H. Berkhof citeren we een belangrijke conclusie die hij tekent in dit verband. “Het bestaan aan gene zijde wordt geheel als voortbestaan in de tijd opgevat. Wij die aan deze zijde leven, kunnen ook niet anders. Maar wij weten niet wat over de sprong heen “tijd” betekent. Het heeft dus evenmin zin om te zeggen, dat we over de beide grenzen in de (ene) ‘eeuwigheid’ komen. Want de eeuwigheid als element van God is niet voor ons bestemd (...) over een tussentijd en een tussentoestand kunnen we geen zinnige uitspraken doen. Behalve dan deze ene, die van beslissend gewicht is: dat we over de doodsgrens nooit en nergens uit de hand van onze trouwe Bondgenoot zullen vallen. Hij blijft dezelfde aan beide zijden van de grens (...) Te geloven dat de ontslapenen hoe-dan-ook in de hand van de Vader van Jezus zijn, schijnt een minimum, maar is het maximum. De verschillende nt-ische uitspraken en beeldspraken zijn niet meer dan benaderingen daarvan. Als zodanig bieden ze geen materiaal voor een theologische leer, maar behoren ze tot de legitieme taal van de geloofsverbeelding. Alleen waar dit verschil miskent wordt, ontstaat kortsluiting” (‘Christelijk geloof’, Callenbach, 4de druk 1979, p.548,549). Twee opvattingen van de Joden over de opstanding We citeren hiervoor van J. Soetendorp. Uit zijn ‘symboliek der joodse religie’, W. de Haan, 2de druk 1966, p.102,103,104: “A. In traditionele kringen Naast elkaar bestaan nog altijd het geloof in het voortbestaan der ziel en in de lichamelijke opstanding der doden. De uitspraak in de Misjnah (Sanhedrin 10-1) ‘Geheel Israël heeft deel aan de komende wereld, maar de volgende personen niet: Hij die niet gelooft, dat het geloof in de opwekking der doden reeds in de Torah is voorgeschreven; hij, die loochent, dat de gehele Torah door God geopenbaard is en de afvallige (letterlijk de epicurist)’ vormt nog immer uitgangspunt van deze beschouwing. Ook al hebben de 13 geloofspunten van Maimonides niet de kracht van dogma, zij vormen wel een samenvatting van de punten waarin de traditionele levende Jood absoluut gelooft. Daarbij is de onsterfelijkheid van de ziel ook in die kringen geredelijker aanvaard, dan de opstanding. Men


LEVEN, Dood en opstanding_1999

100

geeft er de voorkeur aan niet in bijzonderheden te treden over ‘de wereld die komt’ die dan wordt opgevat als het verblijf der onsterfelijke zielen die hun lichamen hebben verlaten (...) B. De mening van het progressieve Jodendom (...) Uit de wijze van redactie hunner gebedenboeken kan worden geconcludeerd dat de hervormers uitgingen van het geloof in de ‘onsterfelijkheid van de ziel’ maar daaraan geen voorstelling verbonden. De Amerikaanse Conferentie van Reform-Rabbijnen in Philadelphia in 1869 gaf in zeven punten de grondslag van het Reform-Jodendom. In punt 6 wordt daar gezegd: ‘Geloof in lichamelijke opstanding heeft geen geldigheid. Het joodse begrip van onsterfelijkheid heeft uitsluitend betrekking op het voortbestaan van de ziel.’ Bij de volgende conferentie (die verschillende punten aan een nieuw onderzoek onderwierp) in Pittsburgh in 1885 bevestigde punt 7: ‘Wij bevestigen de leer van het Jodendom, dat de ziel van de mens onsterfelijk is, dit geloof baserend op het goddelijk karakter van de menselijke geest, die voor eeuwig geluk vindt in rechtvaardigheid en ongeluk in slechtheid. Wij verwerpen als ideeën die niet in het Jodendom hun wortel vinden: het geloof in de lichamelijke opstanding, in een Gehinnom en Eden, als plaatsen voor eeuwige straf of beloning.’ (...) De conferentie van 1937, die de ‘Guiding Principles’ opstelde (een herziening van 1885 in verband met de veranderde tijdsomstandigheden en de ontwikkeling van het godsdienstig denken en leven) bevestigde dit punt zonder meer. Er werd niets anders vastgesteld dan: ‘De mens heeft een onsterfelijke ziel.” Het artikel “opstanding” in ‘The Encyclopedia of the Jewish Religion’, Edit. R. Werblowsky en G. Wigoder, Phoenix house London, 1967 zegt o.a. (p.331): “Maimonides geeft het aan als de dertiende stelling over het geloof. Dit dogma bleek echter ook een struikelblok te vormen voor deze denkers die de uiteindelijke eschatologische bestemming als geestelijk zagen en volgens wie het hemelse geluk van de ziel waardevoller was dan het voortbestaan van de mens in een meterieel lichaam. Maimonides zelf identificeerde de opstanding van de mens met de onsterfelijkheid van de ziel. Dit verplichte hem later daarover een geschrift te schrijven waarin hij argumenteerde dat er geen conflict was tussen de leer van de onsterfelijkheid en de leer dat de ziel terug in het lichaam zou overgaan. Het merendeel van de Orthodoxe gelovigen namen de opstanding op in letterlijke zin. Er waren wel verschillen over de vraag wie deel zou hebben aan de opstanding: alle mensen, het Joodse volk in zijn geheel, of slechts rechtvaardigen. Maimonides en Crexas zagen het slechts met het oog op de rechtvaardigen, Abranavel zei dat het slechts het ganse Israël aanging en Manasseh ben Israël betrok het op gans de mensheid.” Maar zie het hiernavolgende getuigenis van een Messiaanse Jood K.M.Pülz in ‘Israël en de Bijbel’ van januari 1991, p.13: “Mensen als Pinchas Lapide, Sjalom Ben-Chorin en David Flüsser, die binnen de gemeente van Christus als dragers van de waarheid worden beschouwd en aan wie men het leergezag toekent, brengen het nieuwtestamentische leerhuis tot instorten. Hun twijfelzucht en strijdlust hebben al menige niet stevig gefundeerde christen tot twijfel en aanvechtingen gebracht en tot afval van de heilzame messiaanse leer. Lapide had me gezegd, dat hij maar één jaar in Duitsland dacht te blijven, maar de bijval die hij bij de diverse kerken en Israëlvrienden vond, was voor hem een aansporing zijn verblijf langer te rekken. Zijn stellingen hebben in de gemeenten algemeen meer ingang gevonden. Wat zijn dat voor “herders der gemeente”, die het aan het oordeel van de gemeenteleden overlaten om uit te maken, wat tot hun heil dient? Als ik werkelijk mijn medemens liefheb, geef ik hem tot spijze voor zijn ziel toch geen vergif? Wie zich liever met de naam van zo’n verleider tooit dan met die van onze Heiland, is Zijns niet waardig. De Heer veroorlooft me dit in Zijn Naam te verkondigen! Ik neem de volle verantwoording voor deze woorden op me, want daarmee vermaan ik de overblijvende kleine schaar in de gemeenten om in de heilzame leer van Jezus te blijven (Titus 1:9 en 2:1) en zich niet door onwaarheden die geen grond vinden in de Schrift, te laten verblinden.”


LEVEN, Dood en opstanding_1999

101

Katholieke leer: twee oordelen “I. Het bijzondere oordeel De dood maakt een einde aan het leven van de mens als de tijd waarin hij de in Christus zichtbaar geworden genade kan aanvaarden of verwerpen. Over het oordeel spreekt het Nieuwe Testament vooral in de zin van de uiteindelijke ontmoeting met Christus bij zijn tweede komst, maar het bevestigt ook herhaaldelijk het loon dat ieder onmiddellijk na zijn dood zal ontvangen voor zijn werken en zijn geloof. De parabel van de arme Lazarus en het woord van Christus op het kruis tot de goede moordenaar spreken, evenals andere teksten in het Nieuwe Testament, van een uiteindelijke lotsbestemming van de ziel, die voor ieder verschillend kan zijn. Zodra hij gestorven is, ontvangt iedere mens in zijn onsterfelijke ziel de eeuwige vergelding in een bijzonder oordeel dat zijn leven in het licht van Christus plaatst, zodat hij ofwel een loutering ondergaat ofwel onmiddellijk in de gelukzaligheid van de hemel binnentreedt ofwel onmiddellijk voor eeuwig verdoemd wordt.” (wij onderstrepen)’Katechismus van de Katholieke Kerk’, Licap, 1995, p. 229. ( (...)) “IV. Het laatste oordeel De verrijzenis van alle doden, “van de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen” (Hand. 24,15) zal aan het laatste oordeel voorafgaan. Het zal “het uur” zijn, “waarop allen die in de graven zijn, de stem van de Mensenzoon zullen horen. Dan zullen zij die het goede deden, eruit te voorschijn komen tot de opstanding ten leven, maar die het kwade deden, tot de opstanding ten oordeel” (Joh. 5,28-29). Dan komt Christus “in zijn heerlijkheid en vergezeld van alle engelen ( (...)). Alle volken zullen voor Hem bijeengebracht worden en Hij zal ze in twee groepen scheiden, zoals de herder een scheiding maakt tussen schapen en bokken. De schapen zal Hij plaatsen aan zijn rechterhand, maar de bokken aan zijn linker ( (...)). En dezen zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwig leven” (Mt. 25,31.32-33,46). Het is ten overstaan van Christus die de Waarheid is, dat de waarheid over de verhouding van elke mens tot God blootgelegd zal worden. Het laatste oordeel zal tot in zijn uiterste consequenties openbaren wat iedereen tijdens zijn aardse leven aan goed gedaan heeft of nagelaten heeft te doen: Alle kwaad dat de booswichten doen, wordt opgetekend en zij weten het niet. Wanneer God komt en “niet meer zwijgt” (Ps. 50, 3) ( (...)) zal Hij zich richten tot degenen aan zijn linkerhand ( (...)). Hij zal zeggen: “Ik had de geringsten onder de mijnen, die behoeftig waren, op aarde een plaats gegeven, omwille van u. Ik, hun hoofd, zetelde in de hemel aan de rechterhand van mijn Vader, maar op aarde hadden mijn ledematen te lijden, zij hadden honger. Als gij aan mijn ledematen gegeven zoudt hebben, zou wat gij gegeven hadt, het hoofd bereikt hebben. Toen ik de geringsten onder de mijnen, die behoeftig waren, op aarde een plaats gegeven heb, omwille van u, heb ik hen uw zaakgelastigden gemaakt om uw goede werken in mijn schatkamer te vergaren: gij hebt hun niets in handen gegeven, daarom hebt gij ook niets bij Mij gevonden.” Het laatste oordeel zal plaatshebben bij de glorievolle wederkomst van Christus. De Vader alleen kent het uur en de dag, Hij alleen bepaalt, wanneer die zal gebeuren. Door zijn Zoon Jezus Christus zal Hij dan zijn definitief woord spreken over heel de geschiedenis. Wij zullen de uiteindelijke betekenis van heel het scheppingswerk en heel de heilseconomie kennen en wij zullen de wonderbare wegen begrijpen waarlangs zijn voorzienigheid alles naar het einddoel geleid.” ‘Kathechismus van de Katholieke Kerk’, Licap, 1995, p. 233.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

102

1:5 Over de eeuwigheid van gehenna Een plaats van eeuwige straf “Dodenrijk en verderf liggen open voor de Here” en “Dodenrijk en verderf zijn onverzadelijk” zijn twee teksten die te kennen geven dat reeds in het OT behalve de sjeool nog een plaats is gekend buiten de macht en het bereik van wat de mens kan doen (Spr.15:11 / 27:20). Het begrip “verderf” is het Hebreeuwse woord “abaddon” en wordt in de poëzie van het OT enkele malen gebruikt (zie nog Job 26:6 / 28:22 / 31:12 / Ps.88:12). Maar de echte betekenis en het verschil met het dodenrijk is er nog niet (of niet) duidelijk. En enkele commentatoren zeggen dan ook nadrukkelijk: “Het OT kent geen hel. De mens die sterft daalt neer in de sje’ol, het dodenrijk; van onderscheid tussen vromen en goddelozen is daar nog geen sprake” (‘Encyclopedie van het Oude en Nieuwe Testament’, deel 1, red. S. Dee en J. Schoneveld, Bosch & Keuning, zj, p.264). Ook het prachtige artikel van H. Mulder in de ‘Christelijke encyclopedie’, deel 2, red. F. Grosheide en G. Itterzon, Kok, 1957 mogen we lezen in dit verband. Hij zegt o.a.: “Sjeool komt voor in parallellie met de Hebr. woorden voor graf, groeve, kuil, verderf, (plaats van) vertering, dood (...) Het dodenrijk, de groeve, de kuil, het graf, en de dood zijn door de zonde in de wereld gekomen als straf Gods (...) Het dodenrijk kan ook voorkomen als aanduiding van plaats en toestand van de goddelozen. Maar het is toch ook in verschillende uitspraken de plaats, waar zowel de rechtvaardige als de onrechtvaardigen komen” p.437,438. D. Innes zegt het als volgt: “In dit verband is het noodzakelijk terug te keren tot de term abaddon (...) die volgens sommigen een plaats is van vernietiging in sje’ol (...) In alle teksten behalve één is dit woord parallel aan she’ol, maweth (dood) of geber (graf), en in geen enkele wordt over Abaddon iets voorzegd dat niet ook over sje’ol gezegd kan worden. Elk onderscheid tussen de twee qua betekenis berust op zeer magere gronden. De gedachte van de dood als resultaat van rechtspraak, het wegnemen van aardse eer en rijkdom is een algemene leer uit het OT. Het is niet duidelijk dat de betekenis van abaddon daar iets aan toevoegt” (‘The meaning of She’ol in the Old Testament’, ‘The Evangelical Quarterly’ October-December, 1960, p.201, 202) . Want slechts in het NT wordt duidelijk dat er een plaats is waar goddelozen - na hun opstanding voor de eeuwigheid gestraft worden. En deze plaats heeft in de geschriften van de leerlingen van Jezus ook méér dan één naam. Ondertussen worden de onrechtvaardigen bewaard tot op de dag des oordeels om gestraft te worden (2 Pet.2:9). Men zou met een modern beeld kunnen zeggen: ze zitten ingevroren in vloeibare stikstof om met de komst in heerlijkheid van de Heer opnieuw ontdooid en geoordeeld te worden. Hun huidige onbewuste toestand zal in een opstanding ter veroordeling uitmonden. Nu al zitten een deel “geesten” (afvallige engelen) in de “gevangenis.” De opgestane Heer heeft hen al Zijn triomf aangekondigd (1 Pet.3:18-20). Dezelfde plaats wordt ook “tartarus” genoemd in 2 Pet.2:4. Het Grieks van deze tekst heeft hier een werkwoord, “tartarooo”, dat slechts hier gebruikt wordt en we dus letterlijk moeten vertalen “in de tartarus werpen.” We mogen deze plaats niet identificeren als het dodenrijk want in de tartarus zijn géén mensen. Daarin zitten de


LEVEN, Dood en opstanding_1999

103

engelen die zondigden in de dagen van Noach, volgens Judas 6. Maar ook dit is nog niet de plaats van eeuwige straf. Tijdens de aardse prediking van Jezus hadden afvallige geesten kennis van een toekomstige pijniging of wellicht een onmiddellijke pijniging gezien ze bij bewustzijn deze straf ondergaan (zie Marc.5:1-20, vers 7 is het sleutelvers). Want ook boze geesten geloven en sidderen (Luc.4:41 / Jac.2:19). Jehovah’s Getuigen zeggen dat Tartarus: “een toestand en niet een bepaalde plaats moet zijn.” Zie de uitleg van de WT in ‘Hulp tot begrip van de Bijbel’, deel 8, 1991, p.1457. Dit is een nieuwere uitleg van de WT Maar dan laat men de Schrift niet tot zijn recht komen. De engelen in Tartarus zijn te onderscheiden van de andere engelen in de hemel of daarbuiten. Een verband leggen met Eph.6:10-12, zoals de WT doet in de verwijzingen van zijn Bijbel, is een verkeerde exegese want de “boze geesten” hier zijn niet dezelfde als deze uit de Tartarus. De geesten van de Tartarus worden bewaard in een afgezonderd leven. Ze zaten al onder eeuwige banden vastgehouden in de tijd van Judas (zie Judas 6). Ze lopen dus niet vrij rond zoals de WT suggereert. In de NWV van 1988 is Tartarus nog steeds “een plaats” (appendix 4D p. 1575). Maar in ‘Nieuwe hemelen en een nieuwe aarde’ een publicatie van 1957 ging het ook om een “toestand” buiten de hemel (p.97, 98). In ‘Vergewist u van alles’ uitgave 1970 lezen we: “Tartarus alleen gebruikt met betrekking tot vernedering van geestenengelen die zondigden” (p.203). In ‘Inzicht in de Schrift’, deel 1, 1995, p.632 zeggen ze dan dat de engelen die zondigden in de dagen van Noach: “werden zij uit Jehovah’s hemelse hoven verbannen.” Deze uitleg is ook niet te rijmen met wat Jehovah’s Getuigen leren over Opb.12. Afvallige engelen zijn volgens hen slechts in 1914 uit de hemel geworpen en deze teksten spreken van een tijdstip eeuwen daarvoor. We lezen in ‘DE WACHTTOREN’ van 1 mei 1997, p.29: “Houd in gedachte dat toen Gods koninkrijk in 1914 werd opgericht, Satan volgens Openbaring 12:9,10 naar de omgeving van de aarde werd geworpen.” En in ‘DE WACHTTOREN’ van 1 mei 1992, p.6: “Tot 1914 had Satan toegang tot de hemel. Die situatie veranderde toen Gods koninkrijk in 1914 werd opgericht (...) Satan en zijn demonen werden verslagen en naar de aarde geworpen, met rampzalige gevolgen voor de mensheid.” Interpretaties met een jo-jo effect: dan eens wit dan eens zwart. Omdat de WT ongevoelig is voor bijbelse verklaringen en te veel vóóronderstellingen heeft. De laatste publicatie zegt juist het omgekeerde dan wat de tekst over “tartarus” zegt: de demonen komen op aarde om de mensen te verzoeken, maar volgens de Schrift zitten ze in een “gevangenis” en ze lopen niet vrij rond. Ook de slotopmerking van de WT in hun Bijbel dat: “Tartarus zal ophouden te bestaan, wanneer de Opperrechter de opstandige engelen die zich thans in de toestand van vernedering bevinden vernietigt” (p.1575), is niet bijbels. Hun lot is dat ze de eeuwigheid door zullen brengen in pijnen (Mat.25:46). En over Tartarus lezen we alleen iets in de tekst 2 Pet.2:4, daarover staat niets in de Griekse Septuaginta. In de klassieke Griekse mythologie bestaat er een Tartarusplaats waar Zeus de Titanen naar verbannen heeft als straf op hun rebellie. Gehenna Zeker de belangrijkste naam voor de plaats van eeuwige straf is “gehenna” en het ware goed dat Bijbelvertalers dit zondermeer ook zo zouden overnemen. Want veel verwarring en onbegrip is ontstaan door zowel hades (het mensengraf) en gehenna als “hel” te vertalen. Gehenna is een plaats door God voorbereid voor afvallige engelen en goddeloze mensen. Die plaats krijgt zijn “onderdanen” slechts na de opstanding uit de doden, bij het laatste oordeel. Wellicht is gehenna als plaats door God nu reeds toegemeten en afgebakend. Mat.25:41 spreekt namelijk over een vuur dat “bereid is.” En gezien er slechts 12 teksten hierover zijn in het NT is het goed er inhoudelijk iets over te zeggen (wij onderstrepen).


LEVEN, Dood en opstanding_1999

104

1°) Mat.5:22: “Maar ik zeg u: Een ieder, die in toorn leeft tegen zijn broeder, zal vervallen aan het gerecht. Wie tot zijn broeder zegt: Leeghoofd, zal vervallen aan de Hoge Raad, en wie zegt: Dwaas, zal vervallen aan het hellevuur.” Wie zo loslippig is over zijn broeders is het Koninkrijk Gods niet waardig. God zal hen veroordelen (Deut.1:17). 2°) en 3°) Mat.5:29,30: “Indien dan uw rechteroog u tot zonde zou verleiden, ruk het uit en werp het van u, want het is beter voor u, dat één uwer leden verloren ga en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde. En indien uw rechterhand u tot zonde zou verleiden, houw haar af en werp haar van u; want het beter voor u, dat één uwer leden verloren ga en niet uw gehele lichaam ter helle vare.” Wie zijn seksuele lusten in dit leven aan banden legt zal de gehenna ontwijken. “Gij zult niet echtbreken” is in Gods ogen een even zware overtreding als “Gij zult niet doden” (zie Ex.20:1-17). 4°) Mat.10:28: “En weest niet bevreesd voor hen, die wel het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden; weest veeleer bevreesd voor Hem, die beide, ziel en lichaam, kan verderven in de hel.” God beslist over het uiteindelijke lot van alle mensen. Vrees dus de mens niet maar God. Nu, voordat de vuren in gehenna branden. 5°) Mat.18:9: “En indien uw oog u tot zonde verleidt, ruk het uit en werp het van u. Het is beter voor u met één oog ten leven in te gaan, dan met twee ogen in het hellevuur geworpen te worden.” We moeten onze zonden beteugelen voordat er geen andere weg open is dan gehenna. 6°) Mat.23:15: “Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij trekt zee en land rond, om één bekeerling te maken, en wanneer hij het wordt, maakt gij van hem een kind der hel, tweemaal zo erg als gij het zelf zijt.” De Joodse schriftgeleerden maken bekeerlingen maar deze worden daardoor kinderen van gehenna. Ze zijn huichelaars die anderen tot hetzelfde aanzetten. 7°) Mat.23:33: “Slangen, adderengebroed, hoe zult gij ontkomen aan het oordeel der hel?” Het vonnis over Joodse schriftgeleerden. Ze verwerpen Gods profeten (vb. Mat. 3:7) en zo ook God zelf. Dus de zwaarste der straffen voor hen. 8°) tot 10°) Marc.9:43,45,47: “En indien uw hand u tot zonde verleidt, houw haar af. Het is beter, dat gij verminkt ten leven ingaat, dan dat gij met uw twee handen ter helle vaart, in het onuitblusbare vuur (...) En indien uw voet u tot zonde zou verleiden, houw hem af. Het is beter, dat gij kreupel ten leven ingaat, dan dat gij met uw twee voeten in de hel geworpen wordt (...) En indien uw oog u tot zonde zou verleiden, ruk het uit. Het is beter, dat gij met één oog het Koninkrijk Gods binnengaat, dan dat gij met twee ogen in de hel geworpen wordt (...) “ Men kiest beter drastisch voor het Koninkrijk Gods in dit leven, dan met zijn lusten (zijn worm) in gehenna geworpen te worden, daar heerst een vuur dat niet uitgeblust wordt (vergelijk Jes.66:24). 11°) Luc.12:5: “Ik zal u tonen, wie gij vrezen moet. Vreest Hem, die, nadat Hij gedood heeft, macht heeft om in de hel te werpen. Voorwaar, Ik zeg u, vreest Hem!” We moeten God vrezen. Hij heeft de macht over gehenna, niet de satan of de demonen: dat is bijgeloof. 12°) Jac.3:6: “Ook de tong is een vuur, zij is de wereld der ongerechtigheid; de tong neemt haar plaats in onder onze leden, als iets, dat het gehele lichaam bezoedelt en het rad der geboorte in vlam zet, terwijl zij zelf in vlam gezet wordt door de hel.” Zelfde verklaring als Mat.5:22. Deze teksten tonen de ernst aan van zonde. Na de 1000 jarige regering (hoe we dit uitleggen doet er momenteel niet toe) na de opstanding en na het oordeel zijn er mensen die “binnen” en mensen die “buiten” Gods aanschijn leven (Opb.22:14,15). Buiten de nieuwe hemel en de nieuwe aarde daar is de gehenna. Het is de plaats van “buitenste duisternis” (Mat.8:12 / 25:30). Niemand gaat naar gehenna voordat de opstanding van allen die in de graven zijn achter de rug is. Elk graf wordt individueel geopend en iedereen apart geoordeeld (Joh.5:28,29). En bij Zijn wederkomst zal de Heer “straf” uitoefenen over allen die het evangelie ongehoorzaam zijn of niet


LEVEN, Dood en opstanding_1999

105

kennen (2 Thes.1:7,8). Het zal een “vreselijk uitzicht” zijn (Heb.10:26). En bij dat alles moeten we beamen dat “Gods beschikkingen ondoorgrondelijk zijn” (Rom.11:33). Er zijn ook bepaalde gradaties in de gehennastraf maar hoe we dat moeten vertalen in woorden of beelden weet niemand. Zie o.a. Mat.11:20-24 / Rom.2:12-16 / Heb.10:29. De beschrijvingen van Dante zijn in dit verband zeer fantasierijk en slechts varianten op Griekse legenden. De redenering van C.H. Welch in ‘An alphabetical analysis’, dat het onderwerp van de gehenna niet zo belangrijk is - gezien Paulus er slechts éénmaal naar verwijst - klopt natuurlijk niet (Part 6, A to K, The Berean Publishing trust, 1962, p.248). In feite gebruikt Paulus dat woord nooit. Het oordeel en veroordeling van goddelozen is een reëel onderdeel van de prediking van Jezus en Paulus. En dan worden meer dan één term of gedachte gebruikt. We moeten mensen geen halve waarheden verkondigen, goddelozen zullen gestraft worden of ze het aannemen of niet. Ook de Concordantmensen, die Alverzoeners zijn, hebben problemen met tartarus en gehenna. V. Gelesnoff schrijft erover als een: “barbaars en heidens dogma van eeuwige pijniging” in de brochure ‘All in All’, Concordant Publishing Concern, zj, p.75. Diezelfde taal gebruiken ook de WT en de Adventisten. Van de 12 teksten die het begrip “gehenna” bevatten is er slechts één die niet door Jezus is uitgesproken (Jac.3:6). Gehenna is bijna uitsluitend een synoptische term. Wanneer Paulus de nadruk legt op de wederkomst van Christus dan gebruikt hij in dat verband enkele andere gedachten: “de toorn van God” (Rom.2:5 / 5:9), “gramschap” (Rom.2:8,9), “ten verderve gaan” (Rom.9:22 / Phil. 3:19), “afgewezen worden” (1 Cor.9:27) of “verderf oogsten” (Gal.6:8). De beschrijvingen van de apostel Johannes zijn nog anders: “niet verloren gaan” (3:16), “de toorn Gods blijft op hem” (3:36), “opstanding ten oordeel krijgen” (5:24,29), “sterven” (6:50 / 8:21), “in duisternis zijn” (12:46), en “beschaamd zijn” (1 Joh.2:28). Gehenna: ontstaan van het begrip Wanneer de Heer het begrip gehenna gebruikt dan past Hij zich aan bij een spraakgebruik van die tijd. Accomodatio (“aanpassen”) zou Calvijn terecht zeggen. Want het heeft weinig zin te prediken in termen die niemand kent. Zo heeft gehenna zijn banden met een plaats dicht bij Jeruzalem, die vandaag Wadi Er Rababi genoemd wordt. Ten zuidwesten van de stad, door de Jaffa poort, komt men in een dal “gè Hinnom” en dit dal had in de tijd van Jezus waarschijnlijk de bijnaam van de “vuurplaats”, de openbare verbrandingsoven van de stad. Hierover zijn de meningen verdeeld. Het enige getuigenis van belang komt van David Qimchi ben Joseph uit de 13de eeuw. Daarom twijfelen Strack-Billerbeck aan de waarde van deze verklaring. In vroege Talmoedische geschriften vinden we niets dat hierop wijst. Als vuurplaats was ze ontstaan toen er in de dagen van Achaz en Manasse kinderen geofferd werden (2 Kon.16:3 / 21:6). Later heeft koning Josia de plaats verontreinigd, door ze vol te werpen met mensenbeenderen (2 Kon.23:14 / 2 Kron.34:4,5). Wie in aanraking komt met een dode is verontreinigd. Als “heiligdom” verloor dit dan alle aantrekkelijkheid. De profeten Jesaja en Jeremiah nemen het begrip “dal van gè Hinnom” op in de profetische taal. Het zal een Moorddal worden waar God zal oordelen over Zijn afvallig volk (Jer.7:31,32 / 19:2-6 / Jes.66:24). En vanuit deze teksten is dit één van de opvattingen dat in de tijd van Jezus deze plaats het symbool was van vurige pijniging voor afvalligen en zondaars, terstond na de dood. Gezien de Sadduceeën en hun aanhangers niet geloven in een leven na de dood zullen deze ook niet in een gehenna geloofd hebben. Maar natuurlijk wel voor dezen die de leer van de onsterfelijkheid van de ziel hadden aangenomen. Wie “a” zegt moet ook “b” zeggen.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

106

Ook in verband met gehenna is er Griekse invloed te bemerken in Joodse geschriften. Rabbi Jochanan Ben Zakkai (midden eerste eeuw) beschrijft gehenna als een tussentoestand waaruit opstanding mogelijk is. Zie o.a. Berakoth 28 b 23 en de Midrash op Ecclesiastes 3:21,22a. In een geschrift waarschijnlijk van Rabbi Akiba (Othoth) is beschreven hoe God aan de engelen Gabriël en Michaël de toelating geeft om de 40.000 poorten van Gehenna open te zetten en zijn inwoners te bevrijden. Dat zou in Jes.24:2 voorzegd zijn. Hieruit blijkt dat in de Rabbijnse leer hades en gehenna aan elkaar niet gelijk zijn maar elkaar toch grotendeels overlappen. Jezus gebruikt wel het woord gehenna maar niet in de betekenis van Joden uit die tijd. De Heer heeft het over een toekomstige plaats, nu nog niet bestaande, dan na de opstanding. Want daar wordt “het opnieuw bezielde lichaam” geoordeeld en niet slechts een geest of ziel zonder zijn lichaam. Dat bijvoorbeeld de ‘New testament in modern English’ van J.B. Philips in Mat.5:30 gehenna als “vuilnishoop” weergeeft is dan ook fout. Men mag wat als “beeld” zou kunnen dienen niet invullen als de “werkelijkheid.” Zie ook J. Jeremias in T.W.NT, I, p.655 e.v.. Poel van vuur en zwavel Gehenna is het belangrijkste woord om de plaats te beschrijven waar onbekeerde zondaars naar toe gaan. Maar we hebben in het NT nog andere begrippen om dit af te beelden. Zo hebben we vijfmaal de uitdrukking “poel van vuur en zwavel”, allen uit het boek Openbaring. Wie terecht komt in die plaats geven we tezamen aan bij de opsomming van de 5 teksten. Opb.19:20 het beest en de valse profeet. 20:10 de duivel. 20:14 dood en dodenrijk (hades of sjeool zijn dus niet de gehenna). 20:15 alle mensen die niet opgetekend staan in het boek des levens. 21:8 alle onbekeerde zondaars. Hier mogen we ons terecht afvragen: Wat bedoelt de bijbel? Is dit een letterlijk of figuurlijk vuur? Leert de Schrift een “eeuwige pijniging” of een “eeuwige vernietiging?” In ‘Inzicht in de Schrift’, deel 2, 1988, p.280 redeneren Jehovah’s Getuigen: “Dat het meer van vuur symbolisch is, blijkt verder uit de context van de verwijzingen in het boek Openbaring. Over de dood wordt gezegd dat hij in dat meer van vuur wordt geslingerd (Opb. 20:14,20). De dood kan uiteraard niet in letterlijke zin verbrand worden. En het spreekt voor zichzelf dat de dood niet letterlijk kan branden. Bovendien wordt de Duivel, een onzichtbaar geestelijk schepsel in het meer geworpen. Aangezien hij een geest is, kan hij geen schade oplopen door letterlijk vuur.-Opb.20:10;vgl. Ex 3:2 en Re 13:20.” Ook in ‘Inzicht in de Schrift’, deel 1, 1995, p.764 geeft de WT als hoofdbegrippen van gehenna dat het “geen symbool van eeuwige pijniging” is, maar “symbool van volledige vernietiging.” Het gaat natuurlijk niet om letterlijk vuur. En waarom niet geloven dat vier van deze teksten letterlijk zijn en slechts deze over de duivel symbolisch? Maar gezien het een vuur is dat niet “aards” is, dan zijn alle teksten zo op te vatten dat de duivel, afgevallen engelen en goddelozen eeuwig de wroeging als van vuur in zich zullen meedragen. Een van de verdedigers van de vernietigingsleer zegt dat er in de Schrift 28 woorden gebruikt worden om deze vernietiging te bewijzen, waarvan enkele slechts één of tweemaal gebruikt. Zie B. Atkinson, ‘Life and immortality’, The Phoenix Press U.K., zj, p.85 e.v.. Een andere lijst vinden we in C.H. Welch, ‘An alphabetical analysis’, Part 7 L to W, The Berean publishing trust, 1963,


LEVEN, Dood en opstanding_1999

107

p.367, 368. Maar dan gaat het om inlegkunde van iets dat de Schrift niet leert. De belangrijkste woorden bespreken we verder. De redenering van de vernietigingsleer is dat men naar het resultaat moet kijken van wat “letterlijk” vuur bewerkt en niet mag blijven stilstaan bij het proces dat de goddelozen ondergaan. Maar is dit niet nog maar eens een redenering vanuit menselijk standpunt? Want deze teksten spreken niet over een “letterlijk” vuur zoals we dit nu reeds kennen. Dit vuur moet door God nog ontstoken worden. Het is natuurlijk wel waar dat in twee parabels het beeld van een “vurige oven” geschetst wordt voor het lot dat de goddelozen ondergaan (Mat.13:42,50). Maar men mag uit een parabel niet “teveel” bewijzen! Zo wordt door het vuur de onechtheid, de zondigheid en valsheid aangetoond van beest, profeet, duivel en wie niet in het boek des levens staat. Opb.21:8 geeft een beschrijving van deze onbekeerde zondige mensen. Het “deel” dat de gelovigen ontvangen bij de opstanding is leven in de nieuwe hemel en nieuwe aarde, in het aanwezigheid van God. Het “deel” dat de ongelovigen ontvangen bij de opstanding is weg van Gods aanschijn te zijn in de brandende poel. Het is de tweede dood. Geen dood echter van het verzinken in het “niets” maar een bewust ondergaan van pijn. Het vuur zou eventueel een symbool kunnen zijn van de wroeging van de goddelozen. Want er bestaat op aarde geen enkel vuur waarmee we dit kunnen vergelijken. Een vuur dat niet doet opbranden. Onder de kerkvaders waren reeds twee uitleggingen over de aard van het vuur. De metaforische uitleg hebben Origenes, Ambrosius, Hieronymus en Gregorius van Nyssa. De letterlijke uitleg vinden we bij Chrysostomos, Gregorius van Nazianze en Basilius. Augustinus geeft beide. En volgens Hieronymus zullen alle christenen eruit gered worden, want voor hen is dit slechts een vagevuurtoestand. Om deze reden zegt Karl Rahner dan ook terecht: “Daarom zijn de bespiegelingen over de plaats van de hel overbodig; men kan de hel in ieder geval niet zoeken in een ons gegeven empirische plaats op de wereld” (‘Sacramentum mundi’, deel 5, Paul Brand, 1969, p.271). Dan nog een andere opmerking waarin Jehovah’s Getuigen een verkeerde koers varen. Ze zeggen in ‘Hulp tot begrip van de Bijbel’, deel 6, 1989, p.1014: “Daar het meer van vuur de “tweede dood” afbeeldt en Openbaring 2O:14 zegt dat “de dood en Hades” erin geslingerd zullen worden, ligt het voor de hand dat het meer geen afbeelding kan zijn van de dood die de mens van Adam heeft geërfd (Rom.5:12) en het evenmin betrekking heeft op Hades (of sjeool), daar Hades samen met de dood in het meer van vuur vernietigd zal worden. Het moet daarom een vernietiging afbeelden die eeuwig is en die altijd aangewend zal worden ten aanzien van eventuele personen die het te eniger tijd in de toekomst zouden verdienen door God vernietigd te worden. Het symboliseert dan ook een dood waaruit geen terugkeer is, want nergens wordt in het verslag vermeld dat het meer degenen opgeeft die zich erin bevinden, zoals dat bij de Adamitische dood en Hades (Sjeool) het geval is (Openb.20:13).” De WT speelt hier “dubbel spel” met de begrippen “symbolisch” en “vernietiging.” Er is eenvoudigweg géén vernietiging van de goddeloze mensen aantoonbaar in de Schrift. Voorafgaande aan de opstanding is hij niet vernietigd want hij moet nog een opstanding ontvangen. Zijn geest is niet vernietigd, niet uitgewist, niet zoek geraakt maar is naar zijn Schepper teruggekeert. Na de opstanding wordt hij niet vernietigd, niet in gehenna en niet in het meer van vuur. Want de woorden voor vernietiging betekenen niet “hij is er niet meer”, maar, “hij is er niet meer voor God.” Hij telt voor God niet meer mee. En wat bedoelen ze met symbolisch, wanneer het vuur géén symbool is voor het vernietigen van de goddelozen? Want dezen die verloren gaan, hebben een toekomst van “eeuwig geween en tandengeknars.” Zie o.a. Mat.24:51 / 25:30 / Luc.13:28. Waren ze vernietigd dan zou de Schrift deze taal niet meer kunnen gebruiken. Op deze wijze doen we de Schrift geen geweld aan. Enkele malen vinden we in het OT de uitdrukking “er niet meer zijn” (Ps.39:14 / Jer.31:15). Dat wil zeggen, “men is er niet meer in het land van de levenden” (vergelijk Ps.71:20). Zo zal de ongelovige er voor God en de gelovigen


LEVEN, Dood en opstanding_1999

108

niet meer zijn, niet meer meetellen en uitgewist zijn uit Gods gedenkboek, maar het is géén vernietiging. De menselijke geest is zeer vernuftig wanneer hij in het nauw is gedreven. Dat doet C.H. Welch zeggen over “geween en tandengeknars”: dat al de teksten in dat verband over de kinderen van het Koninkrijk spreken en deze worden toch niet voor eeuwig gestraft. God zal dat zijn dienaren toch niet aandoen is de redenering (‘An alphabetical analysis’, Part 6 A to K, The Berean publishing trust, 1962, p.259). Maar welke waarde heeft dat argument. God zal ze straffen want niet ieder die Here, Here zegt zal de heerlijkheid Gods ingaan (Mat.7:21-23 / 2 Tim.3:6-9). Mormonen leren in dit verband dat bijna allen die in de hel zijn “tussen de dood en de opstanding” daaruit gered worden. Na de opstanding zal de hel alleen nog enkele echt onbekeerbaren omvatten, de zonen van het verderf. Zie Eldin Ricks, ‘New bible Ready Reference’, Book Deseret Company, 1961, p.120-123 en Eldin Ricks ‘Combination Reference’, Deseret Book Company, 1961, p.34, 35. Het laatste geeft vooral de verwijzingen naar de klassieke geschriften van de Mormonen. Poel van vuur en zwavel volgens Alverzoeners Op zijn minst één groep van Alverzoeners, die zeggen dat iedereen gered wordt, hebben last met de teksten over de poel van vuur en zwavel uit het boek Openbaring. Ze geven toe dat: “Openbaring 20:10 is beperkt tot twee of drie individuen, de grootste zondaars aller tijden. God zal alle zondaars niet straffen vanwege wat deze gedaan hebben” (A.E. Knoch,’The Concordant Version in the ‘Critics’ Den’, Concordant Publishing Concern, Los Angeles, zj, p.74. Ook nog herhaald in ‘Eternal Torment’ van zelfde schrijver p.42). Blijkbaar heeft men in die kringen nog niet gelezen dat wie één wet heeft overtreden ze allen overtreden heeft (Jac.2:10) zodat niemand recht op leven heeft dan door de overvloed van Gods genade! En die geeft de Soevereine God aan wie Hij wil! En een opmerking over de Concordantmensen. Waarschijnlijk zullen ze u zeggen; maar we zijn géén Universalisten. We gaan niet in details treden. Vladimir Gelesnoff, één van hun grote theologen zegt in de brochure ‘The ages’ op p.4: “Ik was en ben nu nog geen Universalist.” Maar op p.16, 17 lezen we: “er komt ook een einde aan de werkingen van de tweede dood (...) Het einde (...) verzoening, volkomen, onbeperkt, universeel.” Dat men niet altijd dezelfde dingen zegt als de Universalisten en andere nadrukken legt neemt niet weg dat ze tot ongeveer dezelfde conclusies komen langs andere wegen. Ze zijn voor de buitenwereld bijna niet van elkaar te onderscheiden. En om dat te ondersteunen hier de titels uit een achtbladig vlugschrift van de Concordant. Hoofdtitel: ‘Will God save all?’ van Wm. Rebmann. Neventitels: ‘Universal Reconciliation, Universal Vivification, Universal Justification’. Deze drie zaken worden allen bevestigend beantwoord. Het is natuurlijk mogelijk dat in die kringen de één wat anders mag denken dan de ander! Hoe men het u ook zal uitleggen, gezien “De menselijke natuur niet zondig” is volgens de titel van een brochure van A.E. Knoch, men moet zich dan ook niet zo druk maken. Men zal toch gered worden samen met alle andere mensen. Wanneer men zo iets leert kan er ook nog ongestoord wat anders bij: “Wanneer God de schepper is van het kwade, dan moet dit met een goed doel zijn en dat geschied onder zijn beschermende hand, het zal het goede verhogen. De schriften bevestigen deze gevolgtrekking. We hebben gezien dat de Schriften bevestigen dat God alléén schepper is van alle dingen, dat het kwade Zijn dienaar is, zoals alle dingen, en dat zodoende Zijn wil volbracht wordt.” Uit ‘The problem of evil’ door V.G. (waarschijnlijk V. Gelesnoff), p.10. Maar laat u niet beetnemen, de verborgen dingen komen aan het licht en daarover komt een oordeel en straf waar nodig (Mat.10:26).


LEVEN, Dood en opstanding_1999

109

Maar de meeste Alverzoeners zien hier geen probleem en gaan meestal vluchtig om met deze teksten. Het is een zeer oude leer ook bestreden door Calvijn in zijn ‘Institutie’, boek III, hoofdstuk 5. De Zwitserse confessie van 1566 zegt dat de leer van een “reinigend vuur” (eventueel vagevuur) een onchristelijke leer is (cap.26). Dat deze leer niet onpopulair is bewijst wel de herdruk van het boekje van P. Menoud, ‘Le sort des trépassés’, Delachaux et Niestlé, 1966, p.78-83. Deze schrijver zal echter niet de geschiedenis ingaan om deze reden, maar wel gezien hij een formule heeft bedacht om de opstanding te beschrijven. Menoud zegt dat we moeten spreken van een “opstanding van de persoon.” Deze formule gebruikt bijvoorbeeld ook de Zevende dags Adventisten in Review and Herald, May 8, 1975, p.16(516). De leer van het Universalisme is bijna zo oud als het christendom. Een eerste stem in dit verband vinden we bij Clemens van Alexandrië, maar de grote impuls komt van Origenes (stierf 254 N.C.), die deze stelling verkondigde. Vanuit 1 Cor.15:25,26 is zijn redenering dat allen gered zullen worden. Er komt een “wederoprichting van alle dingen” (Hand.3:21). Zelfs demonen zullen ééns opnieuw terug Gods genade waardig zijn. Ook Theodosus van Mopsuesta en Gregorius van Nyssa deelden zijn mening. De universele kerk verwierp dit echter ook toen al en wees erop dat er een “eeuwige straf” was voor goddelozen. Zie o.a. de ‘Geloofsbelijdenis van Damascus’ in Denziger 16 of de ‘Geloofsbelijdenis van Athanasius’ in Denziger 40 (Denziger, ‘Enchiridion Symbolorum’, 1956). Nog jaren later werd Origenes veroordeeld door paus Anastasius in 400. In 543 op de Synode van Constantinopel en in 553 op het concilie van Constantinopel (Denziger 203-211, 233). En ook de leer van de vernietiging van de ziel is een zeer oude leer. Er waren al voorstanders hiervan in Arabia in 248 n. Chr. We kunnen dit opmaken uit Eusebius, ‘Kerkgeschiedenis’, Boek 6, hoofdstuk 37. En waarschijnlijk ligt de grens tussen “Alverzoening” en “Conditionele onsterfelijkheid” - dat is de wetenschappelijke term voor de leer van de Adventisten en Jehovah’s Getuigen - niet ver uit elkaar. Want één groep van afgescheurden van de WT heeft Alverzoening in haar vaandel. Zie A.O. Hudson, ‘Future probation in Christian belief’, Bible Fellowship union, 1975. En ook een groep van Verontrusten (ex Jehovah’s Getuigen) in Nederland leert dit. Er zijn ook enkele historische verbanden te leggen tussen Jehovah’s Getuigen, en een samensmelting van twee kleine Amerikaanse-Engelse kerken in de 19de eeuw, de Unitarian Universalist Church. We gaan hier niet op in gezien de naam alleen er al genoeg over zegt. Voor eeuwig gestraft of voor eeuwig afgesneden? Jehovah’s Getuigen zeggen dat de goddelozen naar de “eeuwige afsnijding” gaan. Dat zou door de Griekse uitdrukking “kolasin aioonion” in Mat.25:46 bewezen worden. De ongelovigen zullen met hun opstandingslichaam vernietigd worden. Hun toestand zal zijn waar Oosterse religies zo de nadruk op leggen: een nirwana, een totaal niets-meer-zijn. Zie bijvoorbeeld in de geschriften van Jehovah’s Getuigen het boek, ‘Inzicht in de Schrift’, deel 1, 1995, p.764, 765. Op p.73, 74 tracht de WT een verband te leggen tussen de “afsnijding” van iemand die tot het Joodse volk behoort en de tweede dood maar dit is niet mogelijk. De reeks teksten die men aanhaalt uit het OT geven niets te kennen over de uiteindelijke oordelen van deze mensen met de tweede komst van Christus. Ook de 7de dag Adventkerk leren hetzelfde in, ‘Ce que croient les Adventistes’, Edition Vie et Santé, 1990, p.371, 372. Maar de vertaling van Jehovah’s Getuigen van Mat.25:46 als een “eeuwige afsnijding” is niet steekhoudend. Het werkwoord “kolazoo” doelt degelijk op straffen of kastijden (Hand.4:21 / 2 Pet.2:4,9). En “kolasis” in 1 Joh.4:18 is “pijn” (Zie o.a. Richard Trench, ‘Synonyms of the New Testament’, par.7). De letterlijke betekenis heeft in het Grieks te maken met het afsnijden of beknotten van een boom, zodat zijn wilde groei aan banden gelegd wordt. Zo wordt in de tweede


LEVEN, Dood en opstanding_1999

110

betekenis iemand lijfelijk gestraft met gevangenisverblijf, t.t.z. zijn vrijheid aan banden gelegd. Noch het werkwoord, noch het zelfstandig naamwoord is toepasselijk op de totale vernietiging van de boom of de gevangene. Dat is iets dat de WT in de betekenissen aanvult. Zie o.a. de ‘Expository dictionary’ van W.E. Vine onder de woorden “punishment” en “torment.” In voetnota schrijven Jehovah’s Getuigen in hun Bijbel van 1988 bij Mat.25:46: “Lett. ‘afkapping, afsnoeing’.” En bij 1 Joh.4:18 lezen we “of beteugeling; correctie, straf. Lett.’afkapping Gr. kolasin.” Hier is de invloed van de ‘Diaglott’ (een Grieks-Engelse vertaling) duidelijk merkbaar. Benjamin Wilson zegt in voetnota dat er een derde metaforische betekenis is voor “kolasin.” Hij zegt: “De rechtvaardigen gaan naar het leven, de onrechtvaardigen gaan naar het afsnijden van het leven, de dood” (p.106). Maar dat gaat natuurlijk niet op, want indien “dood” metaforisch is in deze tekst dan is “leven” ook metaforisch en wordt uiteindelijk niemand gered! Het eeuwige leven van de gelovigen zou dan een nirwanatoestand zijn en in niets verschillen van vernietiging der goddelozen. Zie verder over het begrip “tweede dood.” Dat de WT de auteursrechten heeft gekocht van de ‘Diaglott’ en die ook nog in publicatie geeft is dus niet zo wonderlijk. Een blik op enkele voetnoten zal dit de lezer duidelijk maken, B. Wilson en de WT zijn twee handen op één buik. Vergelijk de Diaglott en de NWV bij Mat.10:28 / Mat.24:3 (presence = tegenwoordigheid) Joh.1:1 (een god met kleine letter) / Hand 20:28 enz (...) Laat ons even nagaan hoe andere vertalingen dit deel uit Mat.25:46 vertalen. Vooreerst enkele Franstalige, daarna Nederlandstalige en tot slot de Engelstalige: supplice éternel: Crampon, Saci, Glaire et Vigouroux. punition éternel: Lienart. tourmants éternels: Darby. peines éternelles: Osty. châtiment éternel: T.O.B.. châtiments éternel: Stapfer, Maredsous. eeuwige straf: Willibrord, NBG, Canisius, Brouwer. eeuwige pijniging: Leidse. eeuwige pijn: SV, Luther. 

“And these shall go away into everlasting punishment: but the righteous into life eternal.” King James Version 1611, 1769  “And these will go away into everlasting punishment, but the righteous into eternal life.”New King James Version, 1982, Thomas Nelson  “And they will go away into eternal punishment, but the righteous will go into eternal life.” New Living Translation 1966, Tyndale  “Then they will go away to eternal punishment, but the righteous to eternal life.” New International Version, 1973,1978,1984, International Bible Society  “These will go away into eternal punishment, but the righteous into eternal life.” New American Standard Version 1995, Lockman Foundation  “And these shall go away into eternal punishment: but the righteous into eternal life.” American Standard Version, 1901  “And these shall go away to punishment age-during, but the righteous to life ageduring.” Robert Young Literal Translation, 1862, 1887, 1898  “And these shall go away into eternal punishment, and the righteous into life eternal.” J.N. Darby Translation,1890  “And these shall go away into everlasting punishment: but the righteous into life eternal.” Noah Webster Version, 1833 Rare gedachten vinden we in enkele Engelse vertalingen en die lijken allen iets te maken te hebben met Alverzoening. ‘The Restoration of original Sacred Name Bible’ zegt: “And these shall go


LEVEN, Dood en opstanding_1999

111

away, into the age-abiding correction, but the righteous into age-abiding life.” J. Rotherham geeft hetzelfde met weglating van “away.” Ferrar Fenton (de favoriete vertaling van de BritsIsraël beweging), regelmatig aangehaald door de WT, zegt: “And these He will dismiss into a long correction, but the welldoers to an enduring life.” Uit “correction” veronderstellen wij een tijdelijke straf maar we kennen de theologie van deze mensen niet genoeg om ons positief uit te spreken. Hugh Schonfield (Joods criticus op het christendom) maakt van de individuele personen die geoordeeld worden zelfs “nations”, een verwarring die hij maakt met vers 32. Er is in deze gelijkenis een verschuiving van volkeren naar individuen. Want Mat.25:46 spreekt over elk mens afzonderlijk die geoordeeld wordt. Normaal vertalen Engelse vertalingen echter, zoals het hoort, “eternal punishment” en “eternal life”, R.SV, Philips, N.E.B., Moffatt enz. Dit argument van de WT heeft natuurlijk te maken met hun stelling dat een “ziel” “vernietigbaar” is. In de appendix van hun in 1988 verschenen Bijbel, op p.1574 is één van hun klasseringen van het begrip “ziel”: “De ziel, het schepsel zelf, is sterfelijk, vernietigbaar.” Dan volgen een honderdtal teksten waarvan we slechts de eerste twee en de laatste twee geven: Gen.12:13 / 17:14 (...) Opb.12:11 / 16:3. Dat een menselijke ziel kan sterven kunnen we beamen maar dat ze ook nog “vernietigd” is wanneer ze sterft is een onschriftuurlijke bewering. Het is in totale tegenstrijdigheid met wat de Schrift over de opstanding leert. En we nodigen iedere Jehovah Getuige uit de vernietiging van de goddelozen aan de hand van deze teksten te bewijzen. Met de honderd voorhanden zou dat niet te moeilijk moeten zijn. Maar er is nog steeds verschil tussen wensdroom en werkelijkheid! Nog een andere redenering vinden we bij C.H. Welch die zegt dat Mat.25:46 een parallel heeft met Ps.37:22. Het “uitgeroeid” worden in deze tekst zou overeenstemmen met de “eeuwige straf” uit de parabel van de schapen en de bokken (‘An alphabetical analysis’, Part 6 A to K, The Berean publishing trust, 1962, p.258). Maar dat is een oppervlakkige gelijkenis. Zelfs de WT trapt hier niet in en geeft geen verwijzing van de ene tekst naar de andere in zijn Bijbeluitgave van 1988. Want Ps.37:22 spreekt over het leven van het volk Israël in het land van belofte en niet over de dag van het oordeel. De goddeloze wordt in Israël uit de gemeenschap uitgesloten, zoniet ter dood gebracht. Maar dat is nog niet de uiteindelijke straf van God, die slechts uitgesproken wordt op de dag van het oordeel. Het vuur van de hel wordt in de R.K.K. op twee wijzen uitgelegd, zowel letterlijk als figuurlijk. De ontwikkeling van dit punt loopt voor hen in volgende lijnen:”De kerkelijke documenten vermelden ook een straf van vuur: aldus de athanasiaanse geloofsbelijdenis (Denz 40: gaan in het vuur), Pelagius I (557; Denz 228 a: om altijd te branden), Innocentius IV (1524; Denz 457: gefolterd door de gloed), de geloofsformule van de Jacobieten op het concilie van Florence (1439; Denz 714: gaan in het vuur). Deze verklaringen steunen op veelvuldige Bijbelteksten als Is.50, 11 en 66, 24, waar behalve het vuur ook nog de worm wordt genoemd, en als Mc. 9, 43: “De worm zal niet sterven en het vuur niet worden uitgedoofd.” Onder de kerkelijke schrijvers verstaan de meesten dit vuur in een letterlijke zin: Minutius Felix, Tertullianus, S. Gregorius van Nyssa, S. Hieronymus (al hebben deze laatste twee bij Is.66,24 een overdrachtelijke uitleg), S. Augustinus (deze heeft evenwel beide meningen), S. Gregorius de Grote. Daarentegen wordt het werkelijke vuur geloochend door Origenes en door Theophylactus, terwijl S. Joannes Damascenus verzekert dat het vuur niet fysiek is. Van hun kant hielden de theologen vóór Trente allen de letterlijke zin; na Trente vinden wij meerdere uitzonderingen zoals een Ambrosius Catharinus en later Schell, Móhler, Bougaud, Sanders, e.a. Evenals Calvijn steunen zij op het feit dat de “worm” toch ook overdrachtelijk moet worden uitgelegd.” (wij onderstrepen wat in het origineel is schuingedrukt). Uit ‘Theologisch Woordenboek’, edit. H. Brink, Romen & Zonen, 3 delen, vanaf 1952, kol.2.183.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

112

Eeuwig verderf in de poel van vuur en zwavel God heeft de macht, “te behouden en te verderven” (Jac. 4:12, zie ook Mat.10:28). Maar men zegt in bepaalde kringen: verderven = vernietigen. Want de goddelozen sterven, worden gedood, zijn als niets, worden uitgewist, verliezen hun leven, worden afgehouwen, worden vermaald, in stukken gereten enz (...) volgens de Schriften. De teksten die men dan gebruikt spreken meestal over de dood van dezen die naar de “hades - sjeool - dodenrijk” gaan. Dus niet over de periode van wat er met hen gebeurt na de opstanding, niet over gehenna, niet over de tweede dood. Welke zin heeft het dat onderscheid te negeren dan alleen verwarring te stichten? Hun conclusies worden dus vanuit verkeerde Bijbelinterpretaties gedaan. Geen mens kan een ander doden in de zin zoals God hem kan doden (Mat. 10:28). En ongelovigen zijn reeds geoordeeld, zelfs voordat het laatste oordeel is ingetreden (Joh.3:19-21 / 5:24,25). Dus zijn de gevolgtrekkingen van de WT en Adventisten verkeerd. Want wanneer mensen bij het sterven, hoe dat ook mag gebeuren volgens bovenstaande lijst, dàn vernietigd zijn, is er voor hen géén opstanding meer mogelijk. En dat is in strijd met de Schrift. Het begrip “verderven” (29 maal in de NBG) wil niet zeggen vernietigen. God zal de wijsheid der wijzen “verderven” maar dat wil zeggen: aan de kaak stellen en zonder waarde maken door de kracht van het evangelie (1 Cor.1:19). Er zijn mensen die de aarde “verderven”, dat is Gods schepping verkeerd gebruiken, maar dat is géén vernietiging (Opb.11:18). God heeft in de zondvloed oordeel uitgesproken om de aarde te “verderven” (Gen. 9:11,15). Indien het begrip “aarde” hier de planeet aanwijst dan is die toch niet vernietigd want we leven nog steeds op diezelfde planeet. En indien “aarde” hier om de menselijke samenleving gaat dan is die ook niet vernietigd, want al die mensen krijgen nog eens een opstanding. Allen die nu leven stammen trouwens af van de kinderen van Noach, en zijn kinderen hebben allen die “vernietiging” overleefd (2 Pet.2:5). Wie in de vernietiging geloven moeten dringend hun theorie bekijken in het licht van de vernietiging van de familie van Noach. Goddelozen kunnen gelovigen beloeren om hen te “verderven” maar dat wil niet zeggen vernietigen (Ps.119: 95). God zal in het oordeel over Israël de glorie van Jeruzalem “verderven.” Maar er komt nog een nieuw Jeruzalem (Jer.13:9,14). Over Zijn afvallig volk zegt de Here: “daarom hebt Gij hen bezocht en verdelgd en alle gedachtenis aan hen uitgeroeid.” Is dat geen straffe taal voor vernietiging. En toch slaat het niet op vernietiging in de zin van wat de WT er van maakt. Voor de mensen die rondom Israël leven is het alsof dat volk nooit bestaan heeft. Mensen praten niet meer over Israël maar zwijgen erover, het is een zwarte bladzijde in de geschiedenis. Een volk dat zijn God vergeten heeft, is een dood volk. Hoe men het ook bekijkt, die doden zullen herleven (Jes.26:14,19). En we moeten hierbij opmerken dat de Adventkerk niet altijd in dezelfde val loopt als een Jehovah Getuige. Want enkele van hun schrijvers laten dergelijke teksten in vervulling gaan na de 1000 jarige regering (vb. Carlyle Haynes, ‘The Other side of death’, Southern Publishing Association, 1964, p.115, 116). Toch is dit niet altijd het geval. Alhoewel in ‘Questions’ toegegeven wordt dat de straf toekomstig is (p.534) zijn de schriftuurlijke voorbeelden die ze aanhalen soms deze die op oordelen vóór de wederkomst betrekking hebben. En hun eindbesluit is uiteindelijk dezelfde als Jehovah’s Getuigen en dan ook verkeerd. We hebben ook Jer.51:37,57 verkeerd weten gebruiken. Wanneer Gods oordeel op Babel is voltrokken zullen zijn inwoners een: “eeuwige slaap slapen en niet ontwaken.” Maar toch krijgen ook dezen een opstanding. Ze ontwaken niet in het oordeel van die tijd, de 6de eeuw V.C.. Ze zijn de tweede dood nog niet gestorven, dat is nog toekomstig.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

113

We kunnen niet uitvoerig ingaan op al de 28 woorden die deze “vernietiging” zouden moeten bewijzen. Laat ons toch nog op enkele dingen wijzen. “De verloren zoon” of “verloren” mensen zijn niet vernietigd. Toch wordt hetzelfde woord gebruikt voor “de vernietiging” van de goddelozen zeggen mensen die de vernietigingsleer verkondigen. Zie “apollumi” in Mat.18:11 / Luc.15:32 / 2 Pet. 3:6. Jezus kwam naar deze aarde om te zoeken naar wie “verloren” was, toch niet reeds vernietigd? Hij komt toch niet zoeken wat reeds vernietigd was, waar is de logica van een dergelijke komst? Dan zou zijn komst zinloos zijn! Ook Mat.16:25 zou zinloos klinken wanneer we “apollumi” lezen als letterlijke “vernietiging”, want een verloren en vernietigd leven is niet meer terug te vinden. Letterlijk wil het Griekse werkwoord zeggen apo = neven en luo = loslaten. Het gaat dan om het welzijn van een zaak of een mens maar niet om de essentie of het “zijn” (in dit geval “niet-zijn”). Een “verloren” leven is dus een leven dat door God losgelaten is; niet vernietigd. Zo zal God de goddelozen eens voor eeuwig laten gaan (2 Thes.1:9) en, bij wijze van spreken, “links laten liggen.” In deze laatste tekst staat een ander Grieks woord “olethros.” Ook dat is geen woord voor vernietiging in de zin van; niets meer overblijven van. Zie dat woord o.a. in 1 Cor.5:5. Dat er een schaap “verloren” loopt wil niet zeggen; vernietigd. En een “verloren” penning is géén vernietigde penning (Luc.15:3-6 / 8,9). Of het Hebreeuwse “shachath”, gebruikt voor de vernietiging van bepaalde steden of volkeren. Toch is er een opstanding voor hen. Frappant is o.a. Dan.9:26 waar de vernietiging van Jeruzalem voorzegd is. Maar Jeruzalem zal hersteld worden. Of Hos.13:9, Israël vernietigd zichzelf in zonden maar de Heer zal ze herstellen (Zie o.a. Girdlestone’s ‘Synonyms of the Old Testament’, hoofdstuk 24). In het OT is er een samenhang tussen het begrip vuur en de komst van de Messias. Vuur als oordeel of loutering gaan daar meestal samen. Zie bijvoorbeeld Dan.7:19-22 / Amos 7:4 / Mal.3:1-3 / 4:1. Vuur werkt niet altijd vernietigend en is niet altijd letterlijk. Zie voor het OT: Deut.4:20 / 1 Kon.8:51 / Jes.48:10 / Ezech.22:18-22. Zie voor het NT: 1 Pet.4:17 / 1 Cor.11:32 / 1 Cor.3:10-15. Indien één van de schrijvers van het NT een woord had willen gebruiken om een volledige “vernietiging” te beschrijven dan waren waarschijnlijk twee Griekse woorden voorhanden (“kathairesis” en “katalusis”) die in het NT evenwel niet te vinden zijn met betrekking tot het lot van mensen. Een christen moet geestelijke bolwerken “vernietigen.” Zie “kathairesis” in 2 Cor.10:4 / 10:8 / 13:10. En “katalusis” is het woord bij uitstek om de afbraak van een gebouw te beschrijven maar dat is ook geen volledige vernietiging. Afbraakproducten worden altijd opnieuw gebruikt en soms aan dure prijzen. Vraag eens naar de waarde van een Jugendstilraam! Zie hier o.a. Mat.26:41 en 27:40. Dat woord wordt ook tweemaal gebruikt voor het “vernietigen” van de wet in Mat. 5:17. Eigenlijk kan geen mens de wet vernietigen dan slechts God, zodat ze niet meer geldig is. En dat is in Christus ook werkelijkheid geworden volgens 2 Cor.3:7,11,13,16 en Eph.2:14. Waarbij we ons ook nog de vraag mogen stellen of een Griek zich zo iets kan voorstellen. Want ze leren dat “alles” een mengeling is van; aarde, water, lucht en vuur, dingen die niet te vernietigen zijn, want het zijn de elementen (stoicheia) van de wereld. Anders gezegd; er zijn géén Griekse woorden die écht “vernietiging” betekenen in de zin van dezen die “de vernietiging van de mens (ziel)” leren. Soms wijst men ook op het begrip “afgrond.” Dit woord is slechts enkele malen te vinden in het NT. En het heeft daar twee betekenissen. Eenmaal (in Rom.10:7) is het een verwijzing naar Ps.106:26 en heeft de betekenis van hades, het dodenrijk. En dat omdat het hier om een citaat gaat uit de Septuaginta Deut.30:11-13. De Septuaginta heeft op die plaats het Hebreeuwe woord voor “zee” vertaald als “afgrond.” Het gaat daar dus niet om een vertaling sjeool = afgrond. Dat doet de Septuaginta trouwens nergens. De andere teksten beduiden met “de afgrond” de plaats die aan de demonen is afgemeten voor het laatste oordeel. Dáár zijn géén mensen, bewust of onbewust aanwezig. Zie hiervoor Luc.8:31 / Opb.9:1-11 / 20:1,3. Daar zitten alléén “boze geesten” (Mat.8:31 / Luc.10:17 / 13:32) en “onreine geesten” (Marc.1:27 / 3:11 / 5:13). Maar gezien de


LEVEN, Dood en opstanding_1999

114

uitdrukking over het vuur dat “bereid is” (in Mat.25:41) kan deze “afgrond” in de toekomst samenvallen met “gehenna.” Onuitblusbaar vuur Een andere reeks teksten, ook allemaal uit het NT, die de onherroepelijke finaliteit aangeven van de plaats waar de ongelovigen heengaan na de opstanding is het begrip “onuitblusbaar vuur.” Enkele teksten waar de gehenna genoemd wordt en de plaats van onuitblusbaar vuur zijn synoniem. Marc.9:43 spreekt van een “vuur van asbest” (letterlijk). U weet wel asbest is de stof die door vuur bijna niet te vernietigen is, maar ook kankerverwekkend en daarom niet veel meer gebruikt. Onze vertalingen zeggen meestal “onuitblusbaar vuur” maar de Griekse tekst spreekt over een “vuur van asbest.” Een variante is Marcus 9:48 waar onze Nederlandse vertalingen spreken van “onuitblusbaar vuur.” Hier zegt de Griekse tekst “sbennumi.” Beter ware het te vertalen “vuur dat niet kan geblust worden”, dan kan men nadruk leggen op “niet.” Zo spreken Mat.5:22 en 18:9 letterlijk over “het gehenna van vuur.” Dezen die ernaar verbannen worden hebben “geen rust, dag en nacht” (Opb.14:11). Ze worden “dag en nacht gepijnigd” (Opb.20:10). Het is hun definitieve, onomkeerbare en altijddurende straf verbannen te zijn uit de gemeenschap van God en de volgelingen van Christus (Mat.7:23 / Luc.13:26-28). Jehovah’s Getuigen, Adventisten en allen die geloven in de “vernietiging” van de goddelozen wijzen naar wat ooit in Sodom is geschied. Het vuur heeft daar alles verteerd en er is niets overgebleven. Nadat het vuur zijn werk gedaan heeft is alles voorbij. Alleen de as blijft over (Jud.6,7). Daarover slechts twee opmerkingen. De materiële stad Sodom is er nu niet meer en dat klopt, want ze is tot as vergaan. Maar de mensen die er woonden wachten nog op de uitspraak en uitvoering van hun oordeel. Het eerste deel van Jes.34:2-8 - zeer poëtische en symbolische taal - is nog niet vervuld. De finale toorn van God over de goddeloze inwoners van Sodom (en omstreken) komt nog. Aan Gods toorn ontsnappen zal niet mogelijk zijn (Eph.2:3 / Heb.12:29 / Opb.6:16 ). En hetzelfde mag gezegd worden van Jeruzalem. De stad wordt verwoest tot as maar de inwoners worden later definitief geoordeeld in hun opgestane lichamen (2 Kon.22:17 / Jes.1:21 / Jer.17:27 / Mat.12:41). De ongerechtigheid van Gods volk is “groter dan de zonde van Sodom” (Klaagl.4:6). En voor een Jood die de Messias verworpen heeft zal het op de dag des oordeels moeilijker worden dan voor de inwoners uit Sodom (Mat.10:15 / 11:23,24). Een plaats van vuur, maar dat niet alleen. Ook een plaats waar men “geween en tandengeknars” zal horen (Mat.8:12 / 13:42,50 / 22:13 / 25:30 / Luc.13:28). De Adventkerk vraagt ons ook om de eeuwige rook uit Opb.14:11 eens te vergelijken met Jes.34:8-10 (‘Questions’ p.542). Wat staat daar? “Want de HERE houdt een dag van wraak, een jaar van vergelding in Sions rechtsgeding; Zijn beken verkeren in pek dat dag noch nacht uitgaat; voor altijd stijgt zijn rook op, van geslacht tot geslacht ligt het woest, tot in alle eeuwigheden trekt niemand daardoor.” Het commentaar erop is: “wat een beeld van totale vernietiging (...) Neem er nota van dat het onuitblusbaar vuur stopt bij ledigheid en verlatenheid. Wie zegt dat het vuur nog steeds brandt? Wat we hier zien is een beeld van absolute en totale vernietiging” (p.542, 543). Hier is het oordeel van Edom beschreven. Ja waarom zou juist Gods toorn niet “voor altijd” blijven branden wanneer het er zo klaar en duidelijk staat. Dat wil zeggen dat deze mensen dan ook eeuwig in leven gehouden worden want de rook stijgt “voor altijd” op. Of zal (kan) God iets eeuwig laten branden dat reeds lang is opgebrand? Maar dan spreken we de tekst tegen! God zelf zorgt ervoor dat het een woestenij is “van geslacht tot geslacht.” Dus toch symbool van iets, want in de eeuwigheid volgen de geslachten zich niet biologisch op.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

115

En de WT zegt: “Jezus zinspeelde waarschijnlijk ook op Jesaja 66:24 toen hij Gehenna beschreef als een plaats “waar hun made niet sterft en het vuur niet wordt uitgedoofd” (Mr.9:47,48). Dat het hier niet om een symbool van pijniging gaat, maar veeleer van volledige vernietiging, blijkt uit het feit dat in de tekst van Jesaja niet gesproken wordt over levende personen, maar over ‘de lijken van de mannen die tegenover God overtredingen hadden begaan” (‘Inzicht in de Schrift’, deel 1 1995, p.765). Maar met het laatste oordeel worden mensen en demonen “levend” in de poel geworpen - zegt de Schrift - en niet slechts hun lijk (Opb.19:21). En daarom zal de taal van Jesaja toch anders moeten worden uitgelegd en niet op de wijze van de WT. En we mogen ons hierbij gerust de vraag stellen; heeft Jes.66 iets te maken met de situatie op het moment van de wederkomst van Christus of de tijd daarna? Want we lezen er over “de tempel”, over “weeën van Sion”, over God die zich “priesters en Levieten” zal nemen. Hoe moeten we dit zonder problemen zetten naast het ene en alles omvattende offer van Jezus aan het kruis. Hij is toch de vervulling van deze tempelwetten (Heb.10:1-4,11-18)! En Jesaja heeft het over “wormen die niet sterven” en “vuur dat niet geblust” wordt. Wijst zoiets niet op eeuwigheid? Dat is ook wat we moeten opmaken uit de uitdrukking “geween en tandengekars” dat gepaard gaat met de uitvoering van de straf die God als Rechtvaardige Rechter moet uitspreken en uitvoeren. Nog twee voorbeelden uit Girdlestone. Het Hebreeuws “Damah” spreekt in Ezech.27:32 over de letterlijke vernietiging van Tyrus. Hos.4:5,6 over de geestelijke vernietiging van Gods volk bij gebrek aan kennis. Eenzelfde woord met een andere inhoud. Het voortbestaan van Israël en “de nieuwe hemel en nieuwe aarde” zijn zelfs aan elkaar gekoppeld zowel in het OT als het NT (Jes.66:22 / 2 Cor.3:12-16). En zoals het spreekwoord zegt “waar rook is, is vuur” zo vinden we rook als begrip in enkele teksten waarin gehenna genoemd wordt (Opb.14:10 / 19:3). Ook dan gaat het om een symbool want het gaat ook niet om een letterlijk vuur. Wanneer dit vuur brand is er ook tevens duisternis. We kunnen ons dit niet voorstellen maar moeten wel geloven wat de Schrift zegt. In het licht van het voorgaande en wat nog komt is het toch raadzaam te blijven bedenken dat we spreken over wat “onuitspreekbaar” is. In zijn doctorale scriptie zegt K. Hanhart in dit opzicht: “Wijl de eschatologie zich bezighoudt met dat wat verder gaat dan ruimte en tijd, het wordt toch uitgedrukt in menselijke taal van ruimte en tijd. Het “niet waarneembare” wordt uitgedrukt in termen van het “waarneembare.” Vanaf het moment dat we de symbolische natuur niet willen kennen van termen als Hemel en de Laatste Dag vallen we in de strik van een Bijbelse letterlijkheid. Eschatologie wordt dan de leer over de andere plaats of de leer van de laatste dingen hierna. Maar eschatologie staat in direct verband met het leven hier en nu, zowel voor het individu als de natie. God is niet alleen ginder ver in de hemel maar ook zeer nabij, niet alleen wachtende op het einde van de geschiedenis maar ons nu reeds in confrontatie stelt” (‘The intermediate state in the New Testament’, Druk. V.R.B. Groningen, 1966, p.47). De R.K.K. onderstreept de eeuwigheid van de hel als volgt: “De leer van de kerk bevestigt het bestaan van de hel en haar eeuwige duur. De zielen van hen die sterven in staat van doodzonde, dalen onmiddellijk na de dood af in de hel, waar zij de straffen van de hel, “het eeuwige vuur”, ondergaan. De belangrijkste straf van de hel bestaat in het eeuwig van God gescheiden zijn; alleen in Hem kan de mens het leven en het geluk vinden. Hiertoe is hij immers geschapen en hiernaar streeft hij.” ‘Katechismus van de Katholieke Kerk’, Licap, 1995, p. 232. Over de al dan niet letterlijke betekenis van het hellevuur zegt het ‘Theologisch Woordenboek’, edit. H. Brink, Romen & Zonen, 3 delen, vanaf 1952. op kol. 4.641: “Maar de al te realistische voorstellingen over het hellevuur worden spoedig weer getemperd door allerlei pogingen om dit vuur spiritueel te verstaan en vooral de volkomen analoge verhouding te beklemtonen tussen hel-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

116

levuur en aards vuur. Het vuur is een beeld voor de kwelling van de ziel, nl. de wroeging en men gaat in deze milieus meer de pijn van de definitieve scheiding van God belichten. Deze opvattingen krijgen nogal bijval, vooral in de school van Alexandrië, waar ze ook waren ontstaan. Over de aard van het hellevuur is op het einde van de 4e eeuw nog geen eenstemmigheid, maar verder kan men voor deze jaren als omschrijvende bepaling van de hellestraf geven: definitieve scheiding van God en de straffende pijniging in vuur.” Gepijnigd in alle eeuwigheden Wanneer de duivel (de satan) in de poel geworpen wordt waar het beest en de valse profeet reeds zijn, zullen ze “dag en nacht gepijnigd worden in alle eeuwigheden” (Opb.20:10). De Schrift gebruikt hier de sterkste uitdrukking die kan aantonen dat er geen eind komt aan “de pijniging.” Het heeft weinig zin zich te verschuilen achter het begrip van een pijniging in de betekenis van “beproeven.” Men zegt dan (bij Jehovah’s Getuigen, Adventisten enz (...)) dat het werkwoord “basanidzoo” oorspronkelijk komt van het woord “bàsanos.” Dat was een steen uit Lydië gebruikt om de zuiverheid van goud te beproeven of te testen. Dit is de visie geweest van Jehovah’s Getuigen sinds hun ontstaan. In ‘DE WACHTTOREN’ van 15 febr. 1997, p.32 citeren ze hun stichter C.T. Russell: “Wij (vinden in de Bijbel) niet zo een plaats van eeuwigdurende pijniging als in de geloofsbelijdenissen en gezangboeken en vanaf veel kansels ten onrechte geleerd wordt.” Maar de Bijbel stelt toch de WT en haar stichter in het ongelijk. Het argument van Jehovah’s Getuigen over de Lydische steen mag u niet afschrikken. Kijk er volgende dingen eens op na in de Schrift, alles aanverwante woorden. Basanos = pijn(en) Mat.4:25 / Luc.16:23,28. Basanistees = pijniger Mat.18:34. Basanismos = pijniging Opb.9:5 / 14:11 / 18:7,10,15. Basanidzoo = pijnigen Mat.8:6,29 / Marc.5:7 / Luc.8:28 / Opb.9:5 / 11:10 / 12:2 / 14:10 / 20:10. Driemaal heeft “basanidzoo” een afgeleide betekenis van het origineel. Mat.14:24; een schip “geteisterd” door de wind. Marc.6: 48; zich “aftobben” in een vaartuig. 2 Pet.2:8; “kwelling” van een rechtvaardige ziel. Over vernietigen is hier géén sprake en het gaat om al de aanverwante woorden in dit verband die in het NT staan. Laat ons er eerst op wijzen dat gelovigen ook wel eens gepijnigd worden maar dit wil niet zeggen dat deze pijniging hun vernietiging tot het niets zal worden. (Mat.18:34 / Marc.6:48). Twee teksten maken onomwonden duidelijk dat dit geen vernietiging verondersteld. Een slaaf wordt voor een tijd overgegeven aan “de pijniger” (Mat.18:34). Een groep ongelovigen wordt “vijf maand gepijnigd” (Opb.9:5) bij volledig bewustzijn. De opmerking van R. Anderson, Adventist, en verdediger van de vernietigingsleer klopt dus niet met wat de Schrift over “basanidzoo” zegt: “Wij benadrukken dat het geen onophoudelijk proces is maar een onophoudelijk resultaat, voor eeuwig, en wij zeggen het nog eens wat betreft het resultaat (...) We leren de vernietiging van de goddelozen, dat is schriftuurlijk” (‘Doctrinal discussions’, Review and Herald Publications, zj(rond 1960), p.118, 119). Het slot van de hoofding “meer van vuur” op p.1015 in ‘Hulp tot begrip van de Bijbel’, deel 6, 1989, geeft dan ook te kennen dat Jehovah’s Getuigen de Theological dictionary van Kittel - ze citeren altijd de Engelse uitgave verkeerd interpreteren, en inlegkunde doen van dat woordenboek. Ze zeggen: “Degenen die in het “meer van vuur” worden geworpen, gaan de “tweede dood” in, waaruit geen opstanding is, en worden dus ‘gevangengezet’ of opgesloten in de dood en als het


LEVEN, Dood en opstanding_1999

117

ware tot in alle eeuwigheid aan de hoede van gevangenisbewaarders, “pijnigers” toevertrouwd. Dat een toestand van opsluiting als een pijniging aangeduid kan worden, blijkt uit de parallelle verslagen in Matthéüs 8:29 en Lukas 8:31.” Maar men ziet hier twee dingen over het hoofd. Ten eerste is de tweede dood géén fysieke dood maar een geestelijke dood (zie verder). Ten tweede heeft het niets te maken met vernietigen, zodat de pijniging bewust is tot in eeuwigheid. En in dit verband nog een ander, niet onaardig detail. We lezen in ‘Hulp tot begrip van de Bijbel’, deel 6, 1989, p.1143: “Hoewel engelen geestelijke schepselen zijn, blijken zij een vergankelijk lichaam te hebben, want er wordt uitdrukkelijk verklaard dat zij vernietigd kunnen worden.Matth.25:41; 2 Petr.2:4; vergelijk Lukas 4:33,34.” Laat ons dat ook eens vergelijken met een andere tekst in Lucas 20:36. En we citeren dan de NWV zodat ze goed begrijpen waar het schoentje hier wringt. Wanneer Jezus in conflict met de schriftgeleerden het onderwerp van de opstanding bespreekt, zegt Hij over de opstanding van de mens: “Zij kunnen trouwens ook niet meer sterven, want zij zijn gelijk aan de engelen.” Dat wil zeggen dat engelen nu al onsterfelijk zijn en dus zo geschapen zijn. Zodat de leer die de WT heeft over vernietiging van engelen op niets steunt dan op een dwaalster (Judas 13). Hoe lang duurt eeuwig? Het is ook een pijniging “dag en nacht (...) in alle eeuwigheden” (Opb.20:10). Dat is straffe taal. Het is de strafste taal die men in het Grieks kan gebruiken om uit te drukken dat er nooit of nimmer meer een eind aan komt. Er zijn in het Grieks minimuum acht woorden en omschrijvingen die als “eeuwig” vertaald kunnen worden. 1°) Akatalutos = in Heb.7:16 (onvernietigbaar). 2°) Ateleutos = niet gebruikt in de Bijbel. 3°) Ateleutetos = niet gebruikt in de Bijbel. 4°) Atelestos = niet gebruikt in de Bijbel. 5°) Aperantos = eenmaal in 1 Tim.1:4. eenmaal in LXX Job 36:26. 6°) Aidios = Rom.1:20 / Jud. 6. 7°) Ou me = in het geheel niet, in o.a. Joh.6:37 / 10:28 / Heb.13:5 / 2 Pet.1:10. 8°) Aioon en aioonas = eeuw en eeuwig, verder besproken. Wat betreft de gecombineerde uitdrukkingen met aioon - dat letterlijk “eeuw” is in de enkelvoudsvorm - zie hoofdstuk drie over “eeuwig” leven. In meervoudsvorm “aioonas” krijgt dit woord echter nog diepere betekenissen en deze volgen hieronder. 8.1) Eis tous aioonos toon aionoon = tot in de eeuwen van de eeuwen. Dit is een dubbele meervoudsvorm en is volgens Thayer’s Lexicon uniek, de klassieke Grieken gebruiken het niet. Maar het is wel OTisch want daar vinden we dat 11 maal. We hebben de uitdrukking “van ‘olam’ tot ‘olam’“ in 1 Kron.16:36 / 29:10 / Neh.9:5 / Ps.41:14 / 90:2 / 103:17 / 106:48 / Jer.7:7 / 25:4 / Dan.2:20 / 7:18. Van daaruit vinden we het ook natuurlijk ook in de Griekse Septuaginta. De NBG geeft hiervoor de vertaling “van eeuwigheid tot eeuwigheid” of “van eeuw tot eeuw.” a) Gebruikt voor de Vader, de Zoon en de Heilige Geest om de eeuwigheid van hun natuur en eigenschappen af te beelden.


LEVEN, Dood en opstanding_1999 vb. Gal.1:5 / Phil.4:20 / 1 Tim.1:17 / 2 Tim.4:18 / 1 Pet.4:11 / 5:11 / Opb.4:10 / 5:13. Christus gebruikt dit voor zichzelf in Opb.1:18. b) Gebruikt om het lot te beschrijven van de gelovigen na de opstanding uit de dood. vb. Opb.22:5. c) Gebruikt om het lot te beschrijven van Satan, duivelen en ongelovigen na de wederkomst van Christus (zie ook n°8.2). vb. Opb.19:3 / 20:10. 8.2) Eis aioonas aionoon = tot in eeuwen van eeuwen. Dat is de uitdrukking van Opb.14:11, er komt géén eind aan de rook van de pijniging van de volgelingen van de Antichrist. 8.3) Eis tous aioonas = totin (of door) de eeuwen. De eeuwigheid van het Koninkrijk van Christus is hier door afgebeeld (Luc.1:33), er komt namelijk geen einde aan (géén “telos”). Het einde - telos - in 1 Cor.15:24 spreekt van Zijn rijk als middelaar, wanneer de mensen nog in zonde zijn. Maar ook Rom.1:25 = de schepper zij voor eeuwig gezegend. Rom.11:36 = eeuwige heerlijkheid van God. Heb.13:8 = Christus eeuwig dezelfde. 8.4) Eis ton aioona = tot in (of door) de eeuw. Joh.6:51: Wanneer we Christus, het levende brood, eten zullen we eeuwig leven. Joh.10:28: De Goede herder geeft zijn schapen eeuwig leven. 1 Pet.1:23 : Gods woord blijft voor eeuwig. Ook tweemaal gebruikt voor de straf van zondaars in 2 Pet.2:17 / Jud.13. Zeg nu niet dat dit in tijd beperkt is, dat de straf ééns zal ophouden, bij gebrek aan wat nog niet is opgebrand (Jehovah Getuigen en Adventisten) of de zondenstraf ophoudt (de Alverzoeners). Want wanneer we dat beweren moeten we ook zeggen dat Christus stopt ons levend brood te zijn of onze Goede Herder of dat Gods woord niet meer voor ons zal zijn in de toekomst. Waar deze uitdrukking in het negatief staat krijgen we de betekenis van “nooit ofte nimmer.” Zoals de zonde tegen de Heilige Geest die nooit vergeven zal worden in Marc.3:29. Of de gelovige die geestelijk nooit meer dorst zal krijgen nadat hij het water drinkt dat de Heer hem geeft (Joh. 4:14). 8.5) Eis pasas tas geneas tous aioonos ton aioonoon = tot in (of door) alle geslachten van eeuwigheid tot eeuwigheid. In Eph.3:21. 8.6) Kai nun kai eis hemeran aioonos = en nu en tot in de dag van de eeuw. In 2 Pet.3:18 = de dag der eeuwigheid gezien als een lang moment zonder ophouden. 8.7) Kai nun kai eis pantas tous aioonos ton aioonoon = en nu en tot in de eeuwigheid der eeuwigheid in Judas 25. De verlosten zullen deze eeuwige lof mogen zingen en met de engelen prijzen. 8.8) Aioonios = eeuwig (als adjectief maar ook vele malen als in betekenis van een meervoud voor eeuw). Voor God, Vader, Zoon en Heilige Geest. Rom.16:26 = de eeuwige God.

118


LEVEN, Dood en opstanding_1999

119

1 Tim.6:16 = Gods eeuwige macht. 2 Tim.2:10 = eeuwige heerlijkheid van Christus. Heb.5:9 = eeuwige redding door Christus. Voor gelovigen Rom.6:23 = eeuwige gift. 2 Thes.2:16 = eeuwige troost. Heb.9:12 = eeuwige redding. 2 Pet.1:11 = eeuwig Koninkrijk. Opb.14:6 = eeuwig evangelie. Voor Satan en zijn volgelingen Mat.25:41 = eeuwig vuur. Mat.25:46 = eeuwige straf. We lezen de Bijbel niet verkeerd wanneer we zeggen dat eeuwig in deze teksten, dat voorstelt wat het doelt te zeggen; er komt geen eind aan. Er komt nooit een einde (to telos) aan de opeenvolging van de eeuwen: wat betreft God, de zegeningen voor de verlosten en de straf van goddelozen. Daar komt géén einde aan, en gaat eindeloos door, de ene eeuw na de andere. Er is een tijd dat bepaalde eeuwen tot een einde komen wanneer ze opgevolgd worden door andere, nieuwe of vernieuwde. Dan is het woord “sunteleia” gebruikt, het tezamen brengen (het voorzetsel “sun” zegt dat) van, of combineren van twee eeuwen, of beëindigen van een eeuw. Dit blijkt uit de context van Heb.9:24-26. En het “eeuwige” staat in tegenstelling met het “tijdelijke” volgens 1 Cor.4:18. Zo komen eeuwen die niet meer van tel zijn in Gods oneindige eeuwigheid tot een einde, ze zijn vervuld, ze hebben hun tijd gehad. Zo een tijdperk komt tot een einde, in het Grieks “ta tele.” En 1 Cor.10:11 is daar een voorbeeld van. Aan de eeuw van het middelaarschap van Christus komt ook een einde (to telos) volgens Mat.24:14 en 1 Cor.15:24. Maar er komt nooit en nimmer een einde (to telos) aan de “eeuwen” (meervoud). Die gaan door en volgen elkaar op. Ook aan de “eeuwen” (meervoud), waarin die goddelozen gestraft worden komt geen eind. Daar is Opb.14:11 duidelijk in, en ook het vuur is “eeuwig” (meervoud = dus eeuw na eeuw) en stopt niet (Mat.25:41). Het oordeel (de veroordeling = Grieks “krisis”) dat door de Opperrechter is uitgesproken wordt niet ingetrokken, niet ingekort en niet afgebroken na een bepaalde tijd (Mat.5:22 / 23:33 / Joh.5:28,29 / 2 Pet.3:7). Met opmerkingen van bepaalde schrijvers die in vraag stellen dat eeuwig (in meervoudsvorm) niet eeuwig zou zijn, kunnen we géén genoegen nemen. De Schrift is méér dan duidelijk, alleen hebben mensen problemen met het antwoord van God. We geven één citaat dat in die richting denkt: “Het adjectief ‘eeuwig’ dat enkele van deze termen vergezeld, wijst niet zoals in onze taal het geval is op een onbeperkte tijd, maar wijst naar deze dingen in verband met de laatste tussenkomst van God, wanneer Hij de nieuwe wereld zal installeren. Indien het leven in het koninkrijk deelnemen is aan de voortdurendheid (pérennité in de Franse tekst) van God, dan is het onzeker dat het leed van de verworpenen oneindig moet doorlopen. Trouwens elke poging om ons een juist begrip te vormen van wat de mensen te wachten staat na het oordeel is een contrast met de onzekerheid van een gedachte onze nieuwsgierigheid te bevredigen aan de ene zijde en anderzijds dat we God zouden vrezen die ons vergiffenis aanbied en eeuwig leven in gemeenschap met Zijn Zoon. Dat het NT deze dingen zegt over het oordeel is geen reden tot speculatie of dromerij over hemel en hel. We worden wel aangespoord om thans te leven in geloof en gehoorzaamheid in de God van Jezus Christus” (J. Burnier in ‘Vocabulaire biblique’ dir. J.J. Von Allmen, Rencontre, 4de druk 1969, p.149).


LEVEN, Dood en opstanding_1999

120

De oude publicatie van de ongekende schrijver, (onder de initialen R.H.) rond 190O, ‘Eternity, What does the bible say of it?’, Uitgeverij Samuel Bagster and Sons is in dit verband nog altijd onmisbaar. Het lijkt ons dat Jehovah’s Getuigen beinvloed zijn door deze publikatie. De grondstellling van deze samensteller is dat “olam” = “indefinite time” = “onbepaalde tijd” in de NWV. Of wie thuis is in een Online Bijbel met P.C. in Hebreeuwse en Griekse versie, maar het zal enige moeite kosten. De brochure ‘All in All’ van de Concordantmensen geeft op p.86-95, voor acht Engelse vertalingen alle teksten uit het NT waar “aioon = eeuw” (enkelvoud en meervoud) staat. Dat maakt zoekwerk soms gemakkelijk maar luister niet naar hun conclusies, ze maken Gods wetten en oordelen belachelijk. Het beste dat we kennen tegen de leer over de “eeuwen” van de Concordant is van T. McCrossan, ‘The bible: its hell and its ages’. Te bestellen bij Religion Analysis service, Minneapolis, USA. Over de eeuwigheid van de hel leert de R.K.K. op dogmatisch gebied het volgende. Uit het ‘Theologisch Woordenboek’, edit. H. Brink, Romen & Zonen, 3 delen, vanaf 1952 citeren we kol.2.186, 2.187: “Deze straf dan is eeuwig, als een tweede, d.i. definitieve dood zonder sterven (Openb. 9 en 20). De kerkelijke uitspraken geven hieromtrent dogmatische zekerheid: de athanasiaanse geloofsbelijdenis (Denz 40), Vigilius (543; Denz 211), Pelagius I (Denz 228 a), Innocentius III (Denz 410), vierde Lateraans Concilie (1215; Denz 429), Innocentius IV (1254; Denz 457), Concilie van Trente (Denz 835, 915). Deze uitspraken herhalen de desbetreffende Bijbelteksten. Het verschil met de herhaling van de Bijbelteksten over het vuur is dat nu soms met opzet tegen een overdrachtelijke uitleg wordt stelling genomen (b.v. Vigilius: geen einde, geen herstel), met het oog op Origenes. De Bijbel is overigens op dit stuk ook zelf zeer duidelijk, want hij plaatst de eeuwigheid van de hel naast de eeuwigheid van de hemel en ontkent verder alle einde en alle bevrijdingsmogelijkheid (Mt. 25,41; Lc. 16,26; 1 Kor. 6,9; Gal. 5,21). De Vaders spreken op dezelfde wijze. Wanneer Origines zijn apokatastase heeft geleerd, worden enkele Vaders wat meer weifelend, maar de grote meerderheid verzet zich tegen die ketterij” (wij onderstrepen). Géén Alverzoening Gezien de leer van de Alverzoening opnieuw de kop opsteekt, moeten wij hier op ingaan. Wij citeren de argumenten van een voorstaander hiervan: J. Bonda, ‘Het ene doel van God’, Ten Have, 1993, p.71,72 (ingekort). “Leerde Jezus een eindeloze straf?” “Meermalen spreekt Jezus zo over de komende straf, dat duidelijk wordt, dat deze een einde heeft. We noemen enkele voorbeelden. 1. Jezus spreekt over een verschil dat er in het gericht zal zijn. De knecht die de wil van zijn heer heeft gekend maar niet heeft gedaan, zal vele slagen ontvangen. ‘Wie echter die wil niet heeft gekend en dingen heeft gedaan die slagen verdienen, zal er weinige ontvangen’ (Luk.12: 47,48) (...) Dat wijst ook op een doel met de straf: als dat bereikt is, vroeg of laat, houdt het op. 2. We horen dat alle zonde en lastering de mensen eenmaal vergeven zal worden, uitgenomen de lastering van de Geest (Mat.12:31) (...) Als we nu vasthouden dat Jezus met dit ernstige woord niet bedoelt zijn vorige woorden ongeldig te verklaren, dan moet voor ons vaststaan, dat de hier genoemde zonden eenmaal vergeven zullen worden (...) 3. Jezus kondigt de ondergang van Jeruzalem aan: Jezus spreekt van dit gericht als ‘het oordeel der hel’ (Mat.23:33) (...) De straf duurt ‘totdat gij zegt: Gezegend Hij die komt in de naam des Heren’. Diezelfde Jezus die Jeruzalem het oordeel


LEVEN, Dood en opstanding_1999

121

aanzegt, zal, nadat dit oordeel voltrokken is, opnieuw tot zijn stad komen en verwelkomd worden als de Messias die Gods beloften voor Israël en de volken vervullen zal. 4. Tenslotte noemen we de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus - altijd opnieuw aangehaald als voorbeeld van de eindeloze straf (...) Dan horen we dat Abraham het lot van Lazarus tijdens zijn leven vergelijkt met dat van de rijke man na zijn dood. Ze worden met dezelfde maat gemeten! Als het nu bij de rijke man ging om een eindeloos voortgaande kwelling, terwijl het lijden van Lazarus beperkt was tot zijn levensjaren, zou er geen sprake zijn van dezelfde maat”! (einde citaat). Een gewezen en bekeerde aanhanger van de Alverzoeningsleer A. Symank geeft de zwakke plaatsen aan in deze leer. Wij citeren: “Al heel vroeg ontstond bij mij een zeker onbehagen ten aanzien van de oordeelsteksten. Maar al te klaarblijkelijk laten de verzen over het Laatste Oordeel het opvoedkundige aspect achterwege, dat ze zogenaamd zouden moeten hebben (...) Hier blijkt opnieuw de beproefdheid van de oude stelling om onduidelijke Bijbelplaatsen te verklaren in het licht van de duidelijke, in plaats van het duister van enkele verzen ook uit te breiden over ondubbelzinnige uitspraken. Gaat men eerst van de pijlers en de stutten uit, dan valt steeds meer licht ook over de tot dan toe nog in het duister liggende tussenruimten (...) Het is niet toevallig, dat juist de kringen van de alverzoening zo vatbaar zijn voor alle mogelijke en onmogelijke andere, speciale leerstellingen. Wie daardoor in het geloof vooruit wil komen, dat hij voortdurend nieuwe inzichten in leerstellingen verzamelt, die is bij een vat zonder bodem terecht gekomen. Op zekere dag is voor hem de Bijbelse leerstof op, en dan moet hij wel putten uit menselijk wijs ideeënbezit. De Bijbel is dan helemaal niet meer het vaste fundament en de voedingsbodem voor nieuwe kennis. Men verzamelt dan hebzuchtig de ene vondst na de andere, alleen om nog een stuk verder te groeien in de kennis, en wanneer men lang genoeg in de Bijbel zoekt, vindt men altijd wel een vers, dat het gewenste lijkt te onderstrepen. ‘ (...)bij de verkeerde houdt Gij U verdraaid’ (2 Sam.22:27) zou men hiertoe bijna willen zeggen” (‘Worden alle mensen gered?’, Boekencentrum, 1989, p.95, 100, 103, 104). En daarom ook 4 korte aantekeningen bij het verhaal van J. Bonda. 1°) Natuurlijk spreekt Jezus van gradaties in het straffen van het gericht in Luc.12:47,48. Maar het gaat om een parabel. J. Bonda zegt hier “straffen met een doel” maar dan zegt hij teveel, gezien in de paralleltekst, in Mat.24:45-51, de slechte slaaf naar een blijvende plaats gaat waar “geween en tandengeknars” is. 2°) Laten doorschemeren dat alle zonden tegen de Geest ooit vergeven worden is de Schrift verdraaien en dan is de gevolgtrekking ook ongeldig en foutief. Zie 1 Joh.5:16 en Gal.3:10. 3°) Mat.23:33 en 38,39 in de tijd na de opstanding plaatsen is verkeerd. De eerste tekst spreekt over de straf die de schriftgeleerden zullen ontvangen “indien” ze verder gaan met hun huidige handelswijze. Maar door bekering - het aanvaarden van Jezus als de ware Messias van Israël - zal de aangekondigde straf omgebogen worden. Dat moet echter vóór zijn wederkomst gebeuren. Het gaat dus over de situatie vóór de wederkomst van Christus. Men mag daaraan geen conclusies verbinden die betrekking hebben op zaken na de opstanding. 4°) De parabel van Lazarus en de rijke man zou leren dat ook de rijke nog gered zal worden. Zo iets is natuurlijk inlegkunde want dat zegt deze gelijkenis niet, die trouwens niet gaat over het leven na dit leven. Het gaat om het leven naar de geest vóór de dood. Zie verder hoofdstuk drie, twee. Ook de Mormonen leren een zekere gedachte van Alverzoening, slechts enkelen zijn uitgesloten van redding en één of andere vorm van heerlijkheid. Als inleiding hierop een citaat van Talmage op p.372: “Ieder schepsel dat aan het doel van zijn schepping beantwoordt, zal een verhoging ondergaan, of dat nu een atoom is, een gehele wereld, een microscopisch diertje, of de mens - de direkte en letterlijk nakomeling van de Godheid.” We lezen in ‘Het boek van Mormon, Lesboek’: “Eeuwige straf, of eindeloze straf betekent niet dat zij die deze straf ontvangen haar eeuwig moe-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

122

ten doorstaan (...) De wetten van God zijn onveranderlijk, en dank zij deze uitleg leren wij dat dezelfde straf altijd op dezelfde overtreding volgt, op grond van de wetten van God, die eeuwig en eindeloos is, weshalve zij eindeloze straf en eeuwige straf genoemd wordt, omdat het de straf is die God bepaald heeft op grond van onveranderlijke wetten. Een mens kan de eindeloze foltering deelachtig worden, en wanneer hij de prijs van zijn overtreding heeft betaald, wordt hij vrijgelaten, maar de straf blijft gereed liggen voor de volgende schuldige, en zo voort voor eeuwig” (p.153). Ook hier heeft het te maken met wat in de 1000 jarige regering zal geschieden, dus een verwantschap met wat Jehovah’s Getuigen leren (zie ook de aantekeningen van de Mormonen in idem p.314, 315). Iedereen zal uiteindelijk minimaal het terrestriale koninkrijk beërven, uitgezonderd de zonen des verderfs en dat komt omdat deze altijddurend zullen zondigen. En een Vlaamse Mormoon zegt het als volgt: ‘In het huis mijns Vaders zijn vele woningen (...)’ aldus stelt Christus eenvoudig de variatie in de verlossende toekomst voor (Johannes 14:2). Paulus spreekt van drie voorname graden, die hij onderling vergelijkt als de glans van de zon, maan en sterren (1 Korinthiërs 15:39-42). Elk staat voor een koninkrijk van glorie, waarnaar het oordeel ieder mens, volgens zijn verdiensten, zal verwijzen. De moderne openbaring zegent ons met meer begrip over de zaligheden die wij kunnen bereiken. In het laagste koninkrijk van glorie, het telestiale, verblijven zij die als goddeloze en bewuste overtreders het Evangelie van Christus verwierpen en zelf voor hun zonden moesten lijden in de geestenwereld. Alhoewel zij uiteindelijk van een zaligheid kunnen genieten, worden hen verdere groeimogelijkheden ontzegd (Leer en Verbonden 76:81-90, 98-118). Het terrestriale koninkrijk, glorierijker dan het telestiale, is voorbehouden aan hen, die slechts bereid waren de halve weg af te leggen : zij grepen de volheid van het Evangelie niet aan, of waren niet standvastig in hun getuigenis, hoewel zij voor het overige eerzaam trachtten te leven (Leer en Verbonden 76:71-80). De volle zaligheid wordt hen geschonken, die volgens de vereisten van het celestiale koninkrijk leefden. Zij grepen de hen geboden kansen ten volle aan.’ W. Decoo, ‘Het Mormonisme’, De Nederlandse Boekhandel, 1979, p.81. Ook een theoloog als Kark Barth heeft een zekere vorm van alverzoening in zijn theologie. Hij spreekt namelijk van een “vereeuwiging” in de geest van God. Wie opstaat uit de dood heeft leven “in God.” Zie zijn Dogmatiek III/2 p.698 e.v. en III/3 p.99 e.v., 257 e.v.. Wellicht vraagt u zich als lezer af, waarom we zoveel aandacht besteden aan Alverzoening terwijl we er zo weinig mee te maken hebben in ons leven als gelovige. Maar wat dezen leren is toch niet zo vreemd van wat men hoort in vele vormen van het huidige theologiebedrijven; denk aan processtheologie, broederschap van mensen (dat het grondbeginsel is van de Theosofen sinds hun stichting en een Oosters godsdienstige opvatting), universele verklaringen van rechten van mensen of het gezegde dat alle wegen naar God zullen leiden. De Universele verklaring van de de rechten van de mens zegt bij artikel 18:”Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen zowel in het openbaar als in zijn partikuliere leven zijn godsdienst of overtuiging te belijden door het onderwijzen ervan, door de praktische toepassing, door eredienst en de inachtneming van de geboden en voorschriften.” Wat niet te betwisten valt is dat we hier een garantie hebben als wereldburger zijn eigen godsdienst te beoefenen. Een goed politiek recht. Er worden echter soms dingen aan verbonden die er niet instaan; alle godsdiensten zijn gelijk is er één van. Wil men dat geloven en aannemen voor waar en waarachtig, dan is de uniciteit van zowel Jezus van Nazareth, als wat Hij gepredikt heeft in het gedrang gekomen. Dán zijn vele uitspraken uit de schriften niet meer waar: vb. Deut.6:5 en Mat.7:15-17. Loutering in het vagevuur?


LEVEN, Dood en opstanding_1999

123

Ook te rationeel, een té menselijke gedachte, is deze van het vagevuur en de invloed die de Kerk (de gelovigen) hierop zouden kunnen hebben. We citeren een Katholiek theoloog die ons wil duidelijk maken wat het voorstelt: “Stellig is Christus de enige Voorspreker, Offeraar en Boetende. Maar Hij wil dat heel zijn mystiek Lichaam (de Kerk) medewerkt, medebidt, medeoffert, medeboet voor ons en voor anderen. De zielen van het vagevuur worden aldus gelouterd door de verzoenende genaden van het kruis en door de blijvende voorspraak van de verheerlijkte Christus. Maar Christus wil niet alleen voor de Vader staan: Hij wil ons allen als één familie rond zich hebben, met Hem en naast Hem, biddend en offerend. Het gebed voor de afgestorvenen moet dan ook eerst een gebed in gemeenschap zijn. We moeten ons aansluiten bij Christus en bij de hele biddende en boetende Kerk op aarde en in de hemel, bij de heiligen, de martelaren, bij Maria de smekende Almacht (...) Dit veronderstelt natuurlijk bij ons de echt christelijke gezindheid van berouw, liefde, boetewil, vertrouwen. “Hoe” ons gebed en “hoe” de aflaten werken om de zielen te helpen louteren, dat is Gods koninklijk geheim: alles hangt af van zijn heilige en heiligende wil. Maar dat dit gebed helpt en tot de loutering helpt is zeker” (A. Roets, ‘Het Vagevuur’, Collationes Brugenses et Gandavenses, Zevende jaargang, nummer 1, 1961, p.8. Ook de nieuwe ‘Katechismus van de Katholieke kerk’, Licap, 1995, geeft nog dezelfde argumenten, par.1.030-1.032). In het ‘Theologisch Woordenboek’ staat over het vagevuur het volgende, kol.4.644: “In de H. Schrift vinden wij geen duidelijke gegevens over het vagevuur, maar in het licht van de traditie is het zeker mogelijk enkele schriftuurlijke lijnen aan te geven. Hierbij moet meer worden gelet op het Bijbelse idee van individuele vergelding en Gods rechtvaardigheid dan op direkte notities over het vagevuur (Mt. 5, 21-22. 26; 18, 34; Lc. 12, 59; 2 Makk. 12, 43-45; 1 Kor. 3, 10-15). Eerst in de traditie gaat deze vagevuuridee scherper vormen aannemen. Allereerst moet hierbij worden gewezen op de reeds zeer oude getuigenissen over het gebed voor de afgestorvenen (katakomben), hoewel hierbij vaak de oude sjeôl- en hades-gedachte nog doorspeelt. De christenen bidden voor hun doden, hoe vaag de voorstellingen over het lot van de overledenen tussen dood en verrijzenis ook blijven. Vooral Tertullianus is het geweest die de gedachte van een verzoenend lijden na de dood heeft uitgewerkt. Toch ligt het accent bij hem nog duidelijk op een verlangend uitzien naar de parousie, maar ons gebed kan in ieder geval een einde maken aan het lijden van de afgestorvenen”, in ‘Theologisch Woordenboek’, edit. H. Brink, Romen & Zonen, 3 delen, vanaf 1952. Deze leer, hoe mooi menselijk ook, kon (en kan) geen genade vinden bij de Reformatoren. Calvijn zegt: “Maar daar het vagevuur uit veel lasteringen is saamgesteld en dagelijks door nieuwe geschraagd wordt, daar het vele zware ergernissen verwekt, moet men het waarlijk niet door de vingers zien (...) Laat ons echter toegeven, dat dit alles een tijdlang had kunnen geduld worden, als een zaak van niet groot gewicht; maar wanneer de verzoening der zonden elders gezocht wordt dan in het bloed van Christus, wanneer de voldoening naar elders wordt overgebracht, dan is zwijgen zeer gevaarlijk (...) Men moet dus uitroepen niet alleen met inspanning van de stem, maar ook van de keel en de longen, dat het vagevuur een verderfelijk verzinsel van Satan is, dat het kruis van Christus ijdel maakt, dat aan Gods barmhartigheid een niet te dragen smaad aandoet, dat ons geloof aan het wankelen brengt en terneerwerpt (...) Daar nu de ganse wet en het evangelie met geen lettergreep de vrijheid bieden om voor de doden te bidden, is het een ontheiliging van de aanroeping Gods, wanneer men meer beproeft, dan Hij ons beveelt. Opdat echter onze tegenstanders niet zouden roemen, dat ze de oude kerk in hun dwaling tot bondgenote hebben, zeg ik, dat er een groot verschil is. Zij hielden de gedachtenis hunner doden, opdat ze niet alle zorg voor hen zouden schijnen afgelegd te hebben; maar tegelijkertijd erkenden zij, dat ze weifelden aangaande hun staat. Omtrent het vagevuur verzekerden zij zeker niets, zo zelfs, dat zij het voor een onzekere zaak hielden” Johannes Calvijn ‘Institutie’, Boek III, hfst.V par.6 en 10, vert. door A. Sizoo, zevende druk, Kok, zj, p.167, 168, 176 (tweede deel uit de serie).


LEVEN, Dood en opstanding_1999

124

De Roomse Kerk is op dit punt volledig met de rest van de Christenen uit elkaar gegroeid. Daar heeft het Concilie van Trente alles mee te maken, zie Conc. Trid. sess. 22 can. 3. Niet alleen de Reformatie maar ook de Griekse kerk en de Anglikaanse Kerk (Article of faith n°22) hebben zeer scherpe formuleringen hiertegen. Hoe de moeilijkheden ontstonden tussen de Oosterse en Westerse Kerk m.b.t. het vagevuur geeft het ‘Theologisch Woordenboek’ in kol.4.645: “De eerste tekenen van afwijkende opvattingen tussen griekse en latijnse theologen zijn waar te nemen in het tweede kwart van de 13e eeuw. S. Thomas verwerpt reeds uitdrukkelijk de dwalingen van de grieken op dit terrein. Dit verschil moet vooral verklaard worden door de sterke nadruk welke de scholastiek in haar theologie over het vagevuur heeft gelegd op de idee van satisfactio (teveel een extrinsieke straf). De grieken kunnen deze ontwikkeling niet meer volgen (verlossing) en blijken in hun uiteenzettingen met de latijnse theologen voortdurend bevreesd voor een herleving van de origenistische leer over de apokatastase. De grieken spreken liever niet over straf en vuur i.v.m. het vagevuur, voelen niets voor een theologie welke de volle nadruk legt op een voldoening schenken voor wat verkeerd werd gedaan, maar verklaren de postmortale loutering in de lijn van hun verlossingsleer: progressieve en bevrijdende vergoddelijking, die na de dood wordt voortgezet in de lijn van een reeds op aarde begonnen verlossing. Vagevuur is geen toestand die ligt tussen hemel en hel, geen soort hel (straf) met recht op de hemel, maar vagevuur wordt door hen veel meer gezien in de lijn van het dynamische genadeleven dat hier op aarde begint en zijn uiteindelijke voltooiing in de hemel vindt” (wij onderstrepen) ‘Theologisch Woordenboek’, edit. H. Brink, Romen & Zonen, 3 delen, vanaf 1952). En tot slot een citaat hoe een Gereformeerd theoloog zoiets beziet. We citeren: H. Bavink, ‘Gereformeerde Dogmatiek’, deel 4, 1967, p.584,585. “Dezelfde voorstelling van verschillende receptacula in den hades, waar de gestorvenen de eindbeslissing ten jongsten dage afwachten, treffen wij ook aan bij Hippolytus, Tertullianus, Novatianus, Commodianus, Victorinus, Lactantius, Hilarius, Ambrosius, Cyrillus, en ook nog bij Augustinus. Maar naarmate de parousie van Christus terugweek in een ver verschiet, viel het te moeilijker, om de oude voorstelling van den hades te handhaven en het verblijf aldaar voor een korten, voorloopigen, min of meer neutralen toestand te houden. Voor de martelaren maakte men reeds vroeg eene uitzondering; dezen waren volgens Irenaeus, Tertullianus e.a. terstond na hun dood den hemel ingegaan en tot de aanschouwing Gods toegelaten. De hadesvaart van Christus werd in verband daarmede zoo geduid, dat zij de geloovigen, die vóór Christus’ offerande gestorven waren, uit den limbus patrum had bevrijd en naar de hemel had overgebracht. En de leer van de noodzakelijkheid en de verdienstelijkheid der goede werken, die meer en meer in de kerk indrong, leidde vanzelf tot de gedachte, dat zij, die heel hun leven in bijzonderen zin Gode hadden gewijd, nu ook bij hun dood terstond de hemelse zaligheid waardig waren. Zoo werd de hades allengs van zijne bewoners beroofd. Wel bleven nog de ongeloovigen over, maar dit had juist ten gevolge, dat de hades hoe langer hoe meer als strafplaats beschouwd en met den tartarus of de gehenna vereenzelvigd werd. Van de Christenen konden alleen zij nog een tijd lang in den hades vertoeven, die het hier op aarde niet zoover in heiligmaking hadden gebracht, dat zij bij hun sterven onverwijld de hemelsche heerlijkheid konden ingaan. Daarmede werd allengs de gedachte van een louteringsvuur in verband gebracht, die het eerst door Origenes werd uitgesproken. Volgens hem waren alle straffen geneesmiddelen,..”. Een eeuwige tweede dood Men mag niet redeneren: het begrip “tweede dood” moet een letterlijke dood zijn want bijna alle verwijzingen naar dood in het NT spreken over een letterlijke dood, géén symbolische. We citeren ‘DE WACHTTOREN’ van 1 aug. 1991, p.6: “Als de dood en Hades in de poel des vuurs gewor-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

125

pen worden, “sterven” ze, houden op te bestaan. De opstandige mensen die uiteindelijk in de poel des vuurs belanden sterven eveneens: ook zij houden op te bestaan. Dit is echter de tweede dood, zonder de hoop op een opstanding.” Een andere definitie kan u vinden in ‘Hulp tot begrip van de Bijbel’, deel 2, 1983, p.184. Of uit ‘Inzicht in de Schrift’, deel 1, 1995, p.515 waar we lezen: “Het meer van vuur, waarin niet alleen de dood en Hades geworpen worden maar ook het symbolische “wilde beest” en de symbolische “valse profeet” alsmede Satan en zijn demonen samen met alle verstokte beoefenaars van goddeloosheid op aarde, betekent “de tweede dood” (Opb.20:10,14,15;21:8;Mt25:41). Oorspronkelijk was de dood het gevolg van Adams overtreding en ging op de gehele mensheid over; daarom moet de tweede dood verschillen van deze overgeërfde dood” (wij onderlijnen). Dit is nog maar eens een rare manier waarop de WT redeneert. Want alle mensen stammen af van Adam, er is geen ander mensenras. Daarom is alle straf - met uitzondering van deze over de demonen - die God uitspreekt en ook uitvoert, in betrekking tot de mensheid, rechtstreeks evenredig aan de zonde van Adam en de persoonlijke zonden. Maar onrechtstreeks evenredig aan het offer van Christus. De tweede dood daar uit vandaan halen, is ze in een tijd en ruimte zetten die niet aan de mens gebonden is. Dat is science fiction langs een achterpoort in de Schrift binnenloodsen. En voor wie alles wil weten over de leer van Jehovah’s Getuigen nog even een klein detail. De WT leert dat slechts de 144.000 ontsnappen aan de tweede dood, de grote schare krijgen slechts eeuwig leven op aarde. Zie hiervoor ‘Inzicht in de Schrift’, deel 1, 1995, p.515 en ‘Hulp tot begrip van de Bijbel’, deel 5, 1989, p.944, 945. En ook bij C.H. Welch vinden we de opmerking: “The second death is not the result of Adam’s sin” (De tweede dood is niet het resultaat van Adam’s zonde). Zie ‘An alphabetical analysis’, Part 7 L to W, 1963, p.201. De definitie van de Adventkerk is deze: “Deze tweede dood staat in betrekking tot de uiteidelijke straf over de goddelozen, en verwijst naar een dood waaruit geen opstanding meer mogelijk is. De eerste dood is duidelijk de dood als resultaat van de overtreding van Adam. Uit deze dood of slaap zal er een opstanding van de mensheid zijn” (‘Questions’ p.524). De Adventkerk maakt dus niet de fout van de WT of C.H. Welch die het soms zoeken in wilde theorieën. Ons commentaar hierop is toch dat de tweede dood geen letterlijke dood kan zijn, anders zijn veel Bijbelteksten inhoudsloos geworden. De leer van de Mormonen in dit verband is: “Zodoende zullen allen uiteindelijk verlost worden van de geestelijke dood, behalve zij die tot de dood gezondigd hebben (LV 64:7), dat wil zeggen zij die zonen des verderfs zullen worden. Johannes leerde dat nadat de dood en het dodenrijk de doden die in hen waren hebben gegeven, de dood en het dodenrijk in, ‘de poel des vuurs’ geworpen zullen worden. ‘Dat is de tweede dood’ (Openbaring 30:12-15). En zo heeft de Heer in onze tijd gezegd dat de zonen des verderfs, de enigen zijn over wie de tweede dood macht zal hebben’ (LV 76:37), dat wil zeggen enige macht na de opstanding.” (‘Het boek van Mormon, Lesboek’, p.315. Hun verwijzing naar Opb.30 moet natuurlijk 20 worden). In datzelfe ‘Lesboek’ lezen we nog op p.224: “De tweede dood is dus niet de ontbinding van geest en lichaam, maar verbanning uit de tegenwoordigheid Gods en uitsluiting van deelname aan de dingen der rechtvaardigheid.” Ondanks een verkeerd mensbeeld komen Mormonen toch tot een min of meer Bijbelse aanvaarding van wat de ongelovige mensheid nog te wachten staat. Een theoloog uit het Nederlandse Protestantse erf G. Heering heeft volgend probleem met dat lot van de goddeloze, en de tweede dood. Hij zegt: “Geen mens kan het Goddelijke en Heilige naar Zijn waarde beschrijven. Hij blijft altijd onder de maat en voegt er te veel van het menselijke in. Aan eeuwige wroeging zou men desnoods een plaats kunnen geven in zijn Christusgeloof, maar eerder (want een eeuwige wroeging over schrijdt de grenzen van elk menselijk draagvermogen) aanvaarden wij een apoleia, een verloren gaan in de dood, zodat geen toekomst daagt: afgesneden


LEVEN, Dood en opstanding_1999

126

van Hem, die het leven is en het leven geeft. Aan een eeuwigdurend leven buiten Gods gemeenschap kunnen wij niet denken, wijl juist God door Zijn instandhoudende tegenwoordigheid het eeuwige leven schenkt. En aan een hel - tenzij figuurlijk, in geestelijke en tijdelijke zin - geloven wij niet om bovengenoemde redenen, en omdat wij niet geloven aan een persoonlijke duivel” (‘De menselijke ziel’, uitg. van Loghum Slaterus, 1955, p.193, 194). Hier spreekt het hart van het evangelie niet meer, maar de wens van een mens. Dit is filosofie met een christelijk tintje. En hoewel de redeneringen van deze schrijver anders zijn dan de WT ze komen toch beide tot bijna gelijkaardige conclusies. Het is tevens verkeerd te denken - vanuit Opb.2:11 - dat gezien de gelovige “van de tweede dood geen schade lijden” zal, dat dit ook het geval is met de ongelovigen. De schade die dezen dan zouden lijden is hun vernietiging. Maar ook dat klopt niet. Het “schade lijden” of “beschadigd worden” (SV) heeft in de Griekse grondbetekenis van het woord te maken met “schade lijden” door onrecht dat men is aangedaan. Zo o.a. in Mat.20:13 / Hand.7:24 / 25:10,11 / 2 Cor.7:12 / Col.3:25. Ongelovigen worden in geen enkel opzicht onrecht aangedaan. Ze worden rechtvaardig gestraft en ontvangen hun straf zoals God het had aangekondigd. Het zal hun eigen schuld blijken te zijn! Alleen “zelfkwelling” voor deze straf is dus toch een te rationele uitleg, het is en blijft immers Gods straf. Mathias Rissi één van de grote kenners van het boek Openbaring in Reformatorische kringen geeft volgend commentaar op de uitdrukking “tweede dood.” “De opmerking dat de zee van vuur in verband gebracht wordt met de tweede dood alleen wanneer goddeloze mensen - geen demonische machten - beschreven worden heeft W. Michaelis de vraag doen stellen of, de zee van vuur alleen de tweede dood voorstelt voor de goddelozen en slechts voor hen! Hij wijst er ook op dat alle geestesmachten die ook in de zee van vuur geworpen worden géén eerste dood gestorven zijn, zodat de uitdrukking ‘de tweede dood’, in hun geval iets anders voorstelt dan wanneer het toegepast wordt op de goddelozen (20:15), die alreeds eenmaal gestorven zijn. Dit is mogelijk. Niettegenstaande, moeten we opmerken dat de vuurzee voor beiden hetzelfde oordeel aanwijst, en dat is van geen eerste dood afhankelijk. Het vergelijk dat het concept van twee oordelen het best benaderd is hun tegenbeeld dat twee oordelen uitsluit, want er is een eerste en een tweede opstanding. De ziener spreekt alleen over de eerste opstanding, maar het nummer verwijst naar een tweede. Men kan slechts deelhebben aan de tweede opstanding indien men deel gehad heeft aan de eerste opstanding” (‘The future of the World’, S.C.M., 1972, p.70). Met andere woorden: “de tweede dood” is van een andere orde dood dan de eerste. Maar de definitie van de WT, de tweede dood = vernietigen gaat dus niet op. Die vergelijking zou alleen juist zijn indien de eerste dood = vernietiging. Dat zou een contradictie in termen zijn. Dat is dan ook onmogelijk, ook volgens de leer van Jehovah’s Getuigen, want deze mensen moeten nog uit de dood opstaan om geoordeeld te worden. De tweede dood is een “vurige plaats” ze wordt ook nog een plaats van “buitenste duisternis” genoemd waar alle dwaalleraars naar verbannen worden voor de eeuwigheid (Jud.13 / 2 Pet. 2:17). Het tandengeknars en het geween is iets dat eeuwig zal te horen zijn. Ze zitten er in Hun veroordeling is “ver van het aangezicht des Heren” te zijn (2 Thes.1:9). Hun latere duisternis is het gevolg van hun huidige geestelijke duisternis (Joh.1:5 / Rom. 1:21 / Eph.4:18 / 2 Cor.4:4). Zo zal gezien: “de eeuwige pijniging” (Mat.25:46), “de rook van hun pijniging stijgt op in alle eeuwigheden” (Opb.14:10), “en het vuur niet wordt uitgeblust” (Marc.9:48), “waar hun worm niet sterft” (Marc.9:43),


LEVEN, Dood en opstanding_1999

127

“hebben geen rust dag en nacht” (Opb.14:10), “met een eeuwig verderf” (2 Thes.1:9), “met eeuwige banden onder donkerheid” Judas 6, “het eeuwige vuur” Mat.18:8 / 25:41, ook de tweede dood een steeds bij bewustzijnde “dood” zijn en blijven. Men is dat in relatie tot God, Zijn Heilige engelen en alle verlosten (Marc.9:48 / Opb.14:11 / 2O:10). De tweede dood is ook geen louteringstoestand zoals de Alverzoeners leren. Deze 2de dood is van een andere orde dan de 1ste dood maar ook niet zo verschillend ervan. Beide beschrijven de dood vanuit Gods standpunt: een ongelovige is voor Hem nu reeds dood, zowel reeds een eerste als een tweede maal. De ongelovigen zullen in hun zonden sterven (Joh.8:24). Wanneer iemand Hem thans verwerpt hebben ze geen voorwendsel voor hun zonde (Joh.15:22). Zonder bekering blijft men in zonde (Joh.9:41) en het resultaat van die zonde volgt de goddeloze na (1 Tim.5:24). Is God dan niet liefde? Maar zeggen dezen die in de vernietiging van de goddelozen geloven: dat is toch onmenselijk? Is dat geen vorm van agressiviteit of onmacht? Dat is God onwaardig? Is God dan zo hatelijk? Dat is liefdeloos? En nog een reeks andere vragen van eenzelfde aard. Een vraagstelling in die zin heeft echter geen goed uitgangspunt. Want indien de Schrift het lot van de ongelovigen zo beschrijft waar heb ik het recht Gods oordeel in vraag te stellen? Wie ben ik dat ik ooit de diepte en rijkdom van Zijn liefde, maar ook van Zijn gericht zou kunnen begrijpen? Moeten we niet dankbaar aanvaarden dat God barmhartig en rechtvaardig is in al Zijn daden? De verborgen dingen en het goddelijke besluit moeten, voor ons gelovigen, een ja en een amen blijven. De filosofie van mensen is ondergeschikt aan de geopenbaarde waarheid. Dat men zo gemakkelijk over de “liefde” van God spreekt en zo weinig over de “toorn” van God kan natuurlijk niet. Men hoort wel de vraag opperen: waarom toornt God over de zonde, en dan nog wel tot in eeuwigheid? Laat ons een antwoord geven waar we ook ten volle achter staan. J.N. Sevenster zegt: “Mensen zijn van nature onderworpen aan de zonde, vijanden van God. Dat geldt voor allen zonder uitzondering (...) Als wij mensen werkelijk behandeld werden naar wat wij zijn, naar onze zonde, naar onze vijandschap, dan zou het leven in vrede volstrekt onmogelijk zijn. En laat men dan niet zeggen, dat wij toch vanzelfsprekend een beroep mogen doen op Gods liefde. Want liefde en toorn zijn in God geen tegenstelling. Achter dat ganse heilswerk, dat God in Christus begonnen is en dat Hij ten einde toe zal voortzetten, tot de dag van Christus Jezus, ligt de liefde Gods (...) Maar evenals dit bij Johannes de toorn Gods niet uitsluit, zo ook heeft het herhaalde en nadrukkelijke verkondigen van de liefde als de diepste beweegreden van Gods heilswerk Paulus niet verhinderd om ook en tegelijkertijd en soms in dezelfde briefgedeelten, waarin hij over de liefde schrijft, met grote nadrukkelijkheid te spreken van Gods toorn, van de toorn niet alleen bij het gericht aan het einde der tijden, maar ook van de toorn, die zich nu reeds van de hemel openbaart over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen. Hij heeft dus kennelijk in die toorn Gods geen tegenspraak met zijn liefde gezien” (‘Leven en dood in de brieven van Paulus’, Uitg. Holland, 1952, p.45,46,47). Of een stukje uit het commentaar op het boek Openbaring van W. Duvekot, ‘Begrijpt u wat u leest?’, Boekencentrum, 1991: “De God der liefde is ook de God der wrake. De wraak van de Heer betekent, dat Hij alleen, de goeden en de slechten, tot hun recht laat komen. Alles is het gevolg van zijn absolute rechtvaardigheid. Juist omdat Hij de God der liefde is, kan Hij het kwaad, het onrecht niet dulden. We mogen Hem danken dat Hij ons verzekert, dat Jezus bij zijn wederkomst door het vernietigen van al zijn vijanden het Vrederijk zal kunnen vestigen, in Gods op-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

128

dracht. Zijn oordeel is het laatste bedoeld als weg tot redding en behoud. Alleen wanneer het kwaad geoordeeld wordt, kunnen de krachten van liefde en vrede tot gelding komen” (p.194). En daarom de vraag: moeten we dan blijven verkondigen dat er behalve eeuwig leven ook nog een eeuwige hel is die God aan de mensheid voorlegt als keuze voor de eeuwigheid? Laten we de vraag anders formuleren: is er één reden om aan Gods waarheid één “iota” te wijzigen? Recent stond hierover in het belangrijkste evangelische tijdschrift uit de Verenigde Staten, ‘Christianity Today’, een artikel van Jerry L. Walls. Hij is docent theologie aan de Asbury Theological Seminary (Wilmore, Ky) en schrijver van een boek op dit onderwerp: ‘Hell, the logic of damnation’, Notre Dame, 1996. Over de vraag: “Kunnen we goed zijn zonder hel?” geeft hij o.a. de volgende bedenkingen: “Ik geloof niet dat er een verantwoord gezag of een morele beweegreden is in verband met wereldse beginselen. Meer bepaald, ik geloof dat wij God nodig hebben en de hemel en zelfs de hel om aan zedelijk gedrag zin te geven. Want we moeten onszelf zien in het licht van deze eeuwige werkelijkheden. Als er géén God is, géén hemel en géén hel dan is er eenvoudigweg geen overtuigend argument om een moreel leven te leiden (...) De hemel en de hel veranderen het beeld. Ze brengen God aan de orde! En alles krijgt een ander aspect. Dan is er geen plaats meer voor een minnelijke schikking. Wanneer wij eeuwigheidsmensen zijn die leven in de context van de eeuwigheid, dan moeten we uit zelfbehoud ons schikken onder de hemelse wetten (...) In zijn berechting is de hel het oordeel van God, en is in zijn aard ook het uiterste gevolg van het achternalopen van de verkeerde weg tot geluk. Het is het natuurlijke resultaat van een onnauwkeurig onderkennen wie wij zijn en het niet navolgen van wat we echt nodig hebben om voldaan te zijn. Vanuit dat gezichtspunt kunnen we het begrip hel niet hanteren als een stok om de mensen in lijn te houden. Want ze hebben er geen moment voor over om zich echt bezig te houden met deze vragen van het leven. Anders gezegd, wanneer we de gedachten over hemel en hel verloren zijn dan is het omdat we onze greep verloren hebben op een groot deel overtuigingen die ze tot leven riepen: want een concept van hemel en aarde kan niet overleven in een levenssfeer buiten die samenhang. Buiten de context van God, eeuwigheid, goedheid, kwaad, redding en de uiteindelijke menselijke vervulling zullen deze waarden als relikwieën lijken en onverstaanbaar voor de mensen vandaag.” ‘Christianity Today’, june 16, 1997, p.23, 24. Het kan niet dat we bovenstaande paragrafen nog eens stofferen met wat Gods woord zegt. Ergens moet men een grens trekken. Daarom vijf teksten: vier over het lot van dezen op weg naar gehenna, één tekst over het nog steeds alles-overtref-fende-aanbod-van-God. Valse leraars: “wilde baren der zee, die hun eigen schande opschuimen; dwaalsterren. Voor hen is de donkerste duisternis voor eeuwig weggelegd” Judas 13. Zogenaamde christenen: “Niet eenieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is (...) gaat weg van mij gij werkers der wetteloosheid” Mat.7:21,23. De heidense wereld: “Immers, hoewel zij de rechtseis van God kenden, namelijk, dat zij, die zulke dingen bedrijven, de dood verdienen, doen zij ze niet alleen zelf, maar schenken ook nog hun bijval aan wie ze bedrijven” Rom.1:32. De wettelozen: “Want allen, die zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan; en allen, die onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden” Rom.2:12.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

129

Gods aanbod: “En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En wie het hoort, zegge: Kom! En wie dorst heeft, kome, en wie wil, neme het water des levens om niet” Opb.22:17. ****** Extra nota: Joden, alverzoening en de hel

Wij citeren uit ‘Israël en de Bijbel’, okt. 1991, p.5: “Hoe denken Joden over de hel? door Harold A. Sevener. De meeste rabbijnen van onze tijd geloven niet, dat er een letterlijke hel bestaat. Ze geloven niet in een of andere lichamelijke of geestelijke straf na de dood. De orthodoxe Joodse geleerde dr. M. Friedlander schrijft: “De gedetailleerde beschrijving van het paradijs en de hel, zoals we die vinden in zowel religieuze als andere lektuur, is niets anders dan een produkt van de menselijke fantasie” (The Jewish Religion, pp. 223/224). Morris Joseph formuleert misschien de moderne Joodse gedachte over de hel het best: “Evenmin geloven we in een hel of in eeeuwigdurende straf. De beschrijvingen van eeuwig vuur waarmee sommige Joodse schrijvers hun verhalen over een toekomstig leven hebben versierd, zijn pure fantasie (...) Als daar lijden zal zijn, is dat beperkt tot een bepaalde tijd. De gedachte van eeuwige straf is in strijd met de geest van het judaïsme. Misschien zal hier of daar een rabbijn te vinden zijn die dit denkbeeld verdedigt, maar deze leer wordt door geen enkele rationele godsdienst verkondigd. God is volmaakt rechtvaardig en Hij kan niet zo onredelijk zijn om feilbare mensen die tot dwaling geneigd zijn en aan hevige verleidingen blootstaan, eindeloze kwellingen te laten ondergaan voor de zonden in hun leven” (Judaism as Creed and Life, p. 144 vlg.). (Deze gedachten over de hel stammen uit de rabbinale traditie en zijn in strijd met wat de Bijbel op dit punt leert.).” APPENDIX 5 = Demonen International Standard Bible Encyclopedia Op bible-history.com - ISBE; 1915. DEMON; DEMONIAC; DEMONOLOGY dem'-mon, de-mo'-ni-ak, de-mon-ol'-o-ji (daimonion, earlier form daimon = pneuma akatharton, poneron, "demon," "unclean or evil spirit," incorrectly rendered "devil" in the King James Version): I. Definition. The word daimon or daimonion seems originally to have had two closely related meanings; a deity, and a spirit, superhuman but not supernatural. In the former sense the term occurs in the Septuagint translation of Dt 32:17; Ps 106:37; Acts 17:18. The second of these meanings, which involves a general reference to vaguely conceived personal beings akin to men and yet belonging to the unseen realm, leads to the application of the term to the peculiar and restricted class of beings designated "demons" in the New Testament. II. The Origin of Biblical Demonology. An interesting scheme of development has been suggested (by Baudissin and others) in which Biblical demonism is brought through polytheism into connection with primitive animism. 1. The Evolutionary Theory: A simple criticism of this theory, which is now the ascendant, will serve fittingly to introduce what should be said specifically concerning Biblical demonology. (1) Animism, which is one branch of that general primitive view of things which is designated as spiritism, is theory that all Nature is alive (see Ladd, Phil. Rel., I, 89 f) and that all natural processes are due to the operation of living


LEVEN, Dood en opstanding_1999

130

wills. (2) Polytheism is supposed to be the outcome of animism. The vaguely conceived spirits of the earlier conception are advanced to the position of deities with mes, fixed characters and specific functions, organized into a pantheon. (3) Biblical demonology is supposed to be due to the solvent of monotheism upon contemporary polytheism. The Hebrews were brought into contact with surrounding nations, especially during the Persian, Babylonian and Greek periods, and monotheism made room for heathenism by reducing its deities to the dimension of demons. They are not denied all objective reality, but are denied the dignity and prerogatives of deity. 2. Objections to the Theory: The objections to this ingenious theory are too many and too serious to be overcome. (1) The genetic connection between animism and polytheism is not clear. In fact, the specific religious character of animism is altogether problematical. It belongs to the category of primitive philosophy rather than of religion. It is difficult to trace the process by which spirits unnamed and with characteristics of the vaguest become deities--especially is it difficult to understand how certain spirits only are advanced to the standing of deities. More serious still, polytheism and animism have coexisted without close combination or real assimilation (see Sayce, Babylonia and Assyria, 232; Rogers, Religion of Babylonia and Assyria, 75 f) for a long course of history. It looks as if animism and polytheism had a different raison d'etre, origin and development. It is, at least, unsafe to construct a theory on the basis of so insecure a connection. (2) The interpretation of heathen deities as demons by no means indicates that polytheism is the source of Biblical demonology. On general principles, it seems far more likely that the category of demons was already familiar, and that connection with polytheism brought about an extension of its application. A glance at the Old Testament will show how comparatively slight and unimportant has been the bearing of heathen polytheism upon Biblical thought. The demonology of the Old Testament is confined to the following passages: Lev 16:21,22; 17:7; Isa 13:21; 34:13; Dt 32:17; Ps 106:37 (elsewhere commented upon; see COMMUNION WITH DEMONS). Gesenius well says of Lev 16:21 that it is "vexed with the numerous conjectures of interpreters." If the prevalent modern view is accepted we find in it an actual meeting-point of popular superstition and the religion of Yahweh (see AZAZEL). According to Driver (HDB, I, 207), this item in the Levitical ritual "was intended as a symbolical declaration that the land and the people are now purged from guilt, their sins being handed over to the evil spirit to whom they are held to belong, and whose home is in the desolate wilderness remote from human habitations (verse 22, into a land cut off)." A more striking instance could scarcely be sought of the way in which the religion of Yahweh kept the popular spiritism at a safe distance. Lev 17:7 (see COMMUNION WITH DEMONS) refers to participation in the rites of heathen worship. The two passages--Isa 13:20,21; 34:13,14--are poetical and really imply nothing as to the writer's own belief. Creatures both seen and unseen supposed to inhabit places deserted of man are used, as any poet might use them, to furnish the details for a vivid word-picture of uninhabited solitude. There is no direct evidence that the narrative of the Fall (Gen 3:1-19) has any connection with demonology (see HDB, I, 590 note), and the suggestion of Whitehouse that the mention of satyrs and night-monsters of current mythology with such creatures as jackals, etc., implies "that demons were held to reside more or less in all these animal denizens of the ruined solitude" is clearly fanciful. It is almost startling to find that all that can possibly be affirmed of demonology in the Old Testament is confined to a small group of passages which are either legal or poetical and which all furnish examples of the inhibiting power of high religious conceptions upon the minds of a naturally superstitious and imaginative people. Even if we add all the passages in which a real existence seems to be granted to heathen deities (e.g. Nu 21:29; Isa 19:1, etc.) and interpret them in the extreme sense, we are still compelled to affirm that evidence is lacking to prove the influence of polytheism in the formation of the Biblical doctrine of demons. (3) This theory breaks down in another still more vital particular. The demonology of the Bible is not of kin either with primitive animism or popular Sere demonism. In what follows we shall address ourselves to New Testament demonology--that of the Old Testament being a negligible quantity. III. New Testament Demonology.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

131

The most marked and significant fact of New Testament demonology is that it provides no materials for a discussion of the nature and characteristics of demons. Whitehouse says (HDB, I, 593) that New Testament demonology "is in all its broad characteristics the demonology of the contemporary Judaism stripped of its cruder and exaggerated features." How much short of the whole truth this statement comes will appear later, but as it stands it defines the specific direction of inquiry into the New Testament treatment of demons; namely, to explain its freedom from the crude and exaggerated features of popular demonism. The presence among New Testament writers of an influence curbing curiosity and restraining the imagination is of all things the most important for us to discover and emphasize. In four of its most vital features the New Testament attitude on this subject differs from all popular conceptions: (a) in the absence of all imaginative details concerning demons; (b) in the emphasis placed upon the moral character of demons and their connection with the ethical disorders of the human race; (c) in the absence of confidence in magical methods of any kind in dealing with demons; (d) in its intense restrictions of the sphere of demoniacal operations. A brief treatment under each of these heads will serve to present an ordered statement of the most important facts. (a) In the New Testament we are told practically nothing about the origin, nature, characteristics or habits of demons. In a highly figurative passage (Mt 12:43) our Lord speaks of demons as passing through "waterless places," and in the story of the Gadarene demoniac (Lk 8:31) the "abyss" is mentioned as the place of their ultimate detention. The method of their control over human beings is represented in two contrasted ways (compare Mk 1:23 ff; Lk 4:33 ff), indicating that there was no fixed mode of regarding it. With these three scant items our direct information ceases. We are compelled to infer from the effects given in the limited number of specific instances narrated. And it is worthy of more than passing mention that no theoretical discussion of demons occurs. The center of interest in the Gospels is the person of Jesus, the sufferers and the cures. Interest in the demons as such is absent. Certain passages seem to indicate that the demons were able to speak (see Mk 1:24,26,34; Lk 4:41, etc.), but comparing these statements with others (compare Mk 1:23; Lk 8:28) it is seen that no distinction is drawn between the cries of the tormented in the paroxysms of their complaint and the cries attributed to the demons themselves. In other particulars the representation is consistent. The demons belong to the unseen world, they are incapable of manifestation except in in the disorders which they cause--there are no materializations, no grotesque narratives of appearances and disappearances, no morbid dealing with repulsive details, no license of speculation in the narratives. In contrast with this reticence is not merely the demonology of primitive people, but also that of the non-canonical Jewish books. In the Book of Enoch demons are said to be fallen angels, while Josephus holds that they are the spirits of the wicked dead. In the rabbinical writings speculation has run riot in discussing the origin, nature and habits of demons. They are represented as the offspring of Adam and Eve in conjunction with male and female spirits, as being themselves sexed and capable of reproduction as well as performing all other physical functions. Details are given of their numbers, haunts and habits, of times and places where they are especially dangerous, and of ways and methods of breaking their power (see EXORCISM). Full sweep is also given to the imagination in descriptive narratives, oftentimes of the most morbid and unwholesome character, of their doings among men. After reading some of these narratives one can agree with Edersheim when he says, "Greater contrast could scarcely be conceived than between what we read in the New Testament and the views and practices mentioned in Rabbinic writings" (LTJM, II, 776). (b) It is also clearly to be noted that while in its original application the term daimonion is morally indifferent, in New Testament usage the demon is invariably an ethically evil being. This differentiates the New Testament treatment from extra-canonical Jewish writings. In the New Testament demons belong to the kingdom of Satan whose power it is the mission of Christ to destroy. It deepens and intensifies its representations of the earnestness of human life and its moral issues by extending the sphere of moral struggle to the invisible world. It clearly teaches that the power of


LEVEN, Dood en opstanding_1999

132

Christ extends to the world of evil spirits and that faith in Him is adequate protection against any evils to which men may be exposed. (For significance of this point see Plummer, Luke (ICC), 13233.) (c) The New Testament demonology differs from all others by its negation of the power of magic rites to deliver from the affliction. Magic which is clearly separable from religion at that specific point (see Gwatkin, Knowledge of God, I, 249) rests upon and is dependent upon spiritism. The ancient Babylonian incantation texts, forming a surprisingly large proportion of the extant documents, are addressed directly to the supposed activities and powers of demons. These beings, who are not trusted and prayed to in the sense in which deities are, command confidence and call forth prayer, are dealt with by magic rites and formulas (see Rogers, op. cit., 144). Even the Jewish noncanonical writings contain numerous forms of words and ceremonies for the expulsion of demons. In the New Testament there is no magic. The deliverance from a demon is a spiritual and ethical process (see EXORCISM). (d) In the New Testament the range of activities attributed to demons is greatly restricted. According to Babylonian ideas: "These demons were everywhere; they lurked in every corner, watching for their prey. The city streets knew their malevolent presence, the rivers, the seas, the tops of mountains; they appeared sometimes as serpents gliding noiselessly upon their victims, as birds horrid of mien flying resistlessly to destroy or afflict, as beings in human forms, grotesque, malformed, awe-inspiring through their hideousness. To these demons all sorts of misfortune were ascribed--a toothache; a headache, a broken bone, a raging fever, an outburst of anger, of jealousy, of incomprehensible disease" (Rogers, op. cit., 145). In the extra-canonical Jewish sources the same exuberance of fancy appears in attributing all kinds of ills of mind and body to innumerable, swarming hosts of demons lying in wait for men and besieging them with attacks and ills of all descriptions. Of this affluence of morbid fancy there is no hint in the New Testament. A careful analysis of the instances will show the importance of this fact. There are, taking repetitions and all, about 80 references to demons in the New Testament. In 11 instances the distinction between demon-possession and diseases ordinarily caused is clearly made (Mt 4:24; 8:16; 10:8; Mk 1:32,34; 6:13; 16:17,18; Lk 4:40,41; 9:1; 13:32; Acts 19:12). The results of demon-possession are not exclusively mental or nervous (Mt 9:32,33; 12:22). They are distinctly and peculiarly mental in two instances only (Gadarene maniac, Mt 8:28 and parallels, and Acts 19:13 f). Epilepsy is specified in one case only (Mt 17:15). There is distinction made between demonized and epileptic, and demonized and lunatic (Mt 4:24). There is distinction made between diseases caused by demons and the same disease not so caused (compare Mt 12:22; 15:30). In most of the instances no specific symptoms are mentioned. In an equally large proportion, however, there are occasional fits of mental excitement often due to the presence and teaching of Christ. Conclusions: A summary of the entire material leads to the conclusion that, in the New Testament cases of demon-possession, we have a specific type of disturbance, physical or mental, distinguishable not so much by its symptoms which were often of the most general character, as by its accompaniments. The aura, so to say, which surrounded the patient, served to distinguish his symptoms and to point out the special cause to which his suffering was attributed. Another unique feature of New Testament demonology should be emphasized. While this group of disorders is attributed to demons, the victims are treated as sick folk and are healed. The whole atmosphere surrounding the narrative of these incidents is calm, lofty and pervaded with the spirit of Christ. When one remembers the manifold cruelties inspired by the unreasoning fear of demons, which make the annals of savage medicine a nightmare of unimaginable horrors, we cannot but feel the worldwide difference between the Biblical narratives and all others, both of ancient and modern times, with which we are acquainted. Every feature of the New Testament narratives points to the conclusion that in them we have trustworthy reports of actual cures. This is more important for New Testament faith than any other conclusion could possibly be. It is also evident that Jesus treated these cases of invaded personality, of bondage of depression, of


LEVEN, Dood en opstanding_1999

133

helpless fear, as due to a real superhuman cause, to meet and overcome which He addressed Himself. The most distinctive and important words we have upon this obscure and difficult subject, upon which we know far too little to speak with any assurance or authority, are these: "This kind can come out by nothing, save by prayer" (Mk 9:29). LITERATURE. (1) The most accessible statement of Baudissin's theory is in Whitehouse's article "Demons," etc., in Hastings, Dictionary of the Bible (five volumes). (2) For extra-canonical Jewish ideas use Lange, Apocrypha, 118, 134; Edersheim, LTJM, Appendices XIII, XVI. (3) For spirit-lore in general see Ladd, Phil. Rel., index under the word, and standard books on Anthropology and Philosophy of Religion under Spiritism. (4) For Babylonian demonology see summary in Rogers, Religion of Babylonia and Assyria, 144 ff. Louis Matthews Sweet Bibliography Information Orr, James, M.A., D.D. General Editor. "Definition for 'DEMON; DEMONIAC; DEMONOLOGY'". "International Standard Bible Encyclopedia". bible-history.com - ISBE; 1915. Copyright Information © International Standard Bible Encyclopedia (ISBE) ////////////////////////////

Easton’s Bible Dictionary Op http://www.ccel.org/ccel/ Daemon The Greek form, rendered “devil” in the Authorized Version of the New Testament. Daemons are spoken of as spiritual beings (Matt. 8:16; 10:1; 12:43-45) at enmity with God, and as having a certain power over man (James 2:19; Rev. 16:14). They recognize our Lord as the Son of God (Matt. 8:20; Luke 4:41). They belong to the number of those angels that “kept not their first estate,” “unclean spirits,” “fallen angels,” the angels of the devil (Matt. 25:41; Rev. 12:7-9). They are the “principalities and powers” against which we must “wrestle” (Eph. 6:12). Daemoniac One “possessed with a devil.” In the days of our Lord and his apostles, evil spirits, “daemons,” were mysteriously permitted by God to exercise an influence both over the souls and bodies of men, inflicting dumbness (Matt. 9:32), blindness (12:22), epilepsy (Mark 9:17-27), insanity (Matt. 8:28; Mark 5:1-5). Daemoniacs are frequently distinguished from those who are afflicted with ordinary bodily maladies (Mark 1:32; 16:17, 18; Luke 6:17, 18). The daemons speak in their own persons (Matt. 8:29; Mark 1:23, 24; 5:7). This influence is clearly distinguished from the ordinary power of corruption and of temptation over men. In the daemoniac his personality seems to be destroyed, and his actions, words, and even thoughts to be overborne by the evil spirit (Mark, l.c.; Acts 19:15). //////////////////////////// Selekte biblografie Barbotin E., Humanité de Dieu, Aubier, 197O. Bardy G. / Carrouges M. e.a., L’enfer, Les éditions de la revue des jeunes, 1950. Bardy over de visie van de


LEVEN, Dood en opstanding_1999

134

kerkvaders is zéér goed. Barr J., Biblical words for time, SCM, 1962. Bavinck H., Gereformeerde dogmatiek, Kok Kampen, 1967. Beet J.A., The last things, Hodder and Stoughton, 1905. Berkhof H., Gegronde verwachting, Callenbach, 1968. Berkhouwer G., De mens het beeld Gods, Kok, 1957. Berkhouwer G., De wederkomst van Christus, deel 1, Kok, 1961. Bijbels Woordenboek, edit. A. van den Born, Romen & Zonen, 1966-1969. Boutier M., En Christ, étude d’exégèse et de théologie Pauliniennes, P.U.F., 1962. Bullinger E., The Companion bible, S.Bagster & Son Ltd., Reprint, 1969. Bullinger E., A critical lexicon and concordance, S. Bagster & Son Ltd., Reprint, 1969. Charles R.H., Eschatology, the doctrine of a future life, Schocken Books edition, 1963. Clines D., The image of God in Man, Tyndale Bulletin n°19, 1968, p.53-103. Clines D., A biblical doctrine of man, C.B.R.T. Journal n°28, 1976, p.9-38. Een publicatie van de “Broeders” te bestellen bij The Paternoster Press. Concilium, De christelijke begrafenis, vierde jaargang, februari 1968. Concilium, Onsterfelijkheid en Verrijzenis, zesde jaargang, december 1970. Concilium, Sterven, tiende jaargang april 1974, P. Brand? 1974. Concilium, De Heilige Geest, vijftiende jaargang, n°8. Cullmann O., Onsterfelijkheid der ziel of wederopstanding der doden?, Callenbach, zj(1958?). De Brandt J., Christelijke eschatologie, Standaard, 1935. Delleman T., Alles nieuw, T.Wever, 1968. Dupont J., Sun Christo, L’union avec le Christ suivant Saint Paul, Desclée Bruges, 1952. Durwell F-X., Regards chrétiens sur l’au delà, Médias-Paul,1994. Elke morgen nieuw, varia schrijvers, B. Folkertsma Stichting, 1978. Aantekeningen bij het Joodse “achttiengebed.” Froom Le Roy Edwin, The conditionalist faith of our fathers, 2 delen, Review and Herald (Adventist), 1966. González-Ruiz J., Naar een ontmythologisering van de ‘gescheiden ziel’, Concilium, vijfde jaargang, jan. 1969. Grant M. / Long H., Discussion on conditional immortality, Advent Christian Publication society, 1890. Hermann I., Kyrios und pneuma, Kösel verlag, 1961. Jewett P., Paul’s anthropological terms, Brill, 1968. Küng H., Eeuwigleven?, Gooi en Sticht, 1983. Lindijer C.H., Het begrip sarx bij Paulus, Van Gorcum, 1953. Luyten J., Het lijden van God in het OT, Collationes, jaargang 21, n°1 maart, 1991, p.21-36. Lys D., Néphèsh. Histoire de l’âme dans la révélation d’Israël au sein des religions proche-orientales, P.U.F., 1959. Lys D., Rûach, Le souffle dans l’ancien testament, P.U.F., 1962. Martin-Achard R., De la mort à la résurrection, Delachaux & Niestlé, 1956. Zeer belangrijk voor het OT, ook wat betreft de opstanding. Neirynck F., Paulus’ leer over ‘Christus in ons’-’Wij in Christus’, Concilium, vijfde jaargang, december 1969. Petavel E., The problem of immortality, Elliot Stock, 1892. Robinson J., The human face of God, SCM Press, 3de druk 1974. Schabert J., Fleisch, Geist und seele im Pentateuch, Ver-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

135

lag katholisches bibelwerk Stuttgart, 1966. Scharen H., Gehenna in the Synoptics, Bibliotheca Sacra, July-September 1992, p.324-37. Part 1 (of 2 parts). Scharen H., Gehenna in the Synoptics, Bibliotheca Sacra, 155 Bibliotheca Sacra 149 (Oct. 1992) p.454-70. Part 2. Semmelink J., Onsterfelijkheid en opstanding, Uitg. Van Keulen, 1962 (Exegetica reeks). Seventh day adventists answer questions on doctrine, Review and Herald Pub. Ass., 1957. Spicq C., Dieu et l’homme selon de Nouveau testament, Du Cerf, 1961. Staudinger J., Das Jenseits, Benziger, 1963. Steen H., Philosophia deformata, Kok, 1937. (Hoofdstukken 12 en 13 behandelen “de mens”). Steen M., Een God die met ons lijdt?, Collationes, jaargang 21, n°1 maart, 1991, p.37-56. Strawson W., Jesus and the future life, Epworth Press, 1970. Sutcliffe E. S.J., The Old Testament and the future life, Burns Gates and Washbourne Ltd, 1946. Telder B., Sterven en Dan?, Kok, 1960. Telder B., Sterven (...) Waarom?, Kok, 1963. The Encyclopedia of the Jewish Religion, edit. R. Werblowsky en G. Wigoder, Phoenix house, London, 1967, De Joodse uitgave van Massada Press verscheen 1966. Theologisch Woordenboek, edit. H. Brink, Romen & Zonen, 3 delen, vanaf 1952. Troisfontaines R., Ik sterf niet, Lannoo, 1963. Troisfontaines R., Ik treed het leven binnen, Lannoo 1966. (Met het andere boek van deze schrijver uit 1963 de klassieke R.K.K. leer). Tromp N., Primitive conceptions of death and the nether world in the Old testament, Pontifical Biblical Institute,1969. Ook vergelijk met Assur en Babel. Thomas P.(pseudoniem), Renaissance, Réincarnation et résurrection, Droguet et Ardant, 1991. Van Coppenolle E., Leer der uitersten, St. Alfonsusdrukkerij, 1935. Van der Leeuw G., Onsterfelijkheid of opstanding, Van Gorcum, 2de druk, 1936. Van Niftrik G., Kleine dogmatiek, Callenbach, 1961. Van Niftrik G.C., Waar zijn onze doden?, Voorhoeve, 197O Van ‘T Veld B., ‘Gelijk het gras’, Kok, 1989. Vonk C., De doden weten niets, Wever Franeker, 1967(?). Wentsel B., God en mens verzoend, Dogmatiek deel 3a, Kok, 1987. Wolff H.W., Anthropologie des Altes Testaments, Chr.Kaiser Verlag 1973 (Franse versie bij Labor et Fides, 1974).

Alle sleutelwoorden in de vier woordenboeken van Hastings editor, bij Clark & Clark, 1890 tot 1915. Enkelen nog in herdruk. Sasse H., artikel “aioon” in T.W.NT deel 1, p.197-208, enz. alle andere begrippen in “Kittel” die iets met ons onderwerp te maken hebben. Zo schreven vijf eminente theologen het artikel over


LEVEN, Dood en opstanding_1999

136

“ruach” en “pneuma” en dat is al een boek op zichzelf. Kaf en koren moet men echter zelf scheiden, want men komt er véél kritiek tegen op de Schriften als Gods openbaring.

Filosofie Aristoteles, Verhandeling over de ziel, Vert. I.J. Van den Berg, Dekker & Van de Vegt, 1953. Niet zo populair als Plato en ook wat moeilijker. Bakels H., Het instinct der onsterfelijkheid, Nederlandsche bibliotheek, 1920. Bateson G. en M., Waar engelen zich niet wagen, Contact, 1990. Buis H., The Doctrine of Eternal Punishment, Presbyterian and Reformed, 1957. Becker E., De ontkenning van de dood, Ambo, 1985. Davis S. T., Death and afterlife, St Martins Press, 1989. De Bruin T.edit., Adam waar ben je?, B. Folkertsma Stichting voor Talmudica, 1983. Edwards D. L. and Stott J. R., Evangelical Essentials: A Liberal-Evangelical Dialogue, Inter Varsity, 1988. De Pater W.A., Immortality its history in the west, Acco, 1984, zeer degelijke inleiding. Fudge E.W., The Fire That Consumes, Verdict Publications, 1982. Fudge E. W., The Final End of the Wicked, Journal of the Evangelical Theological Society 27, September 1984. Gomes A. W., Evangelicals and the Annihilation of Hell, Part One, Christian Research Journal, Spring 1991. Gomes A. W., Evangelicals and the Annihilation of Hell, Part Two, Christian Research Journal, Summer 1991. Hinton J., Dying, Penguin Books, Reprint, 1984. Lahaye R., Qu’est-ce que l’âme, Edit.Tequi, 1971 (contra Tresmontant) Lamont C., Man answers death, an anthology of Poetry, Watts & Co.,1952. Een atheïst onderzoekt een reeks Engelstalige gedichten over dood, opstanding enz. Lamont C.(atheïst), The illusion of immortality, Philosophical library, 3de druk, 1959. Le Sidaner J.M., La mort, Larousse, 1978. Verzameling teksten allerhande. Leuba J., The belief in God and immortality, The open court Pub.Co.,1921. Margenau H. / Varghese A., Cosmos Bios Theos, Open Court, La Salle, 1992. Varia wetenschappers over deze onderwerpen in zeer boeiende beschrijvingen. Marin M., L’Ame humaine et sa vie future, Desclée & De Brouwer, 1925. Zeer controversieel boek, met kerkelijke toelating, maar het lijkt ons spiritisme. Moody R. A., Gedachten over het leven na dit leven, Strengholt, 1978. Morey Robert A., Death and the Afterlife, Bethany House


LEVEN, Dood en opstanding_1999

137

Publishers, 1984. Oepke A., “apoleia,” in Theological Dictionary of the New Testament 1, 1964. Plato, Phaidros en Phaidoon, vert. P Boutens, Uitg. De Haan, 1964. Een leesbare Plato in goede vertaling. Rachels J., Leven en sterven, Aula, 1987. Schutte L. J., De zin der onsterfelijkheid, Scheltema, 1918. Toynbee A. / Koestler A., Leven na de dood, Loeb en van der Velden Amsterdam, 1979. Tresmontant C., Le problème de l’âme, Du Seuil, 1971. Tresmontant C., Problèmes du christianisme, Du Seuil, 1980 (vooral hoofdstuk 5). Van de Braak H., Red. De dood incognito, Kooyker, 1979. Van Peursen C., Lichaam-ziel-geest, Erven J.Bijleveld, 1961. Westerman Holstijn A.J., Leven en dood, Bijleveld, 2de druk, 1953. Universalisme Campbell A. en Skinner D., A discussion of the doctrine of endless misery and universal salvation, Utica 1840 (in herdruk bij College Press sinds 1970). Cochrane W., Future punishment, or does death end probation?, Bradley Garretson and Co., 1886. Future probation, A symposium: Is salvation possible after death?, J. Nisbet & Co. Zonder jaar, rond 1900. Gelesnoff V., The ages, Concordant Publishing Concern, zj, origineel uit 1911 en 1912, permanent in herdruk. Grant F., Facts and theories as to the Future state, Loizeaux Brothers, 2de druk 1989. Er is een herdruk hiervan in de serie The Serious Christian en te bestellen bij “De broeders.” Ouweneel W., Alverzoening, Medema, 1995 (zeer goed maar te duur in aankoop per pagina, tracht het te lenen). Pingree E. en Rice N., A debate on the doctrine of universal salvation, J. James Cincinatti, 1845. Pusey W., What is the faith as to everlasting life, Parker and Rivingtons, 1881 (het beste voor citaten uit de kerkvaders). Randles M., For ever,an essay on eternal punishment, Wesleyan conference office, 1873. (Een stelling van schrijver is dat een schepping Gods niet meer te vernietigen is, ze gaat verder in een andere vorm). Shedd W. G. T., The Doctrine of Endless Punishment, Charles Scribner’s Sons, 1886, reprint, Minneapolis: Klock and Klock, 1980. Tasker R.V.G., The biblical doctrine of the Wrath of God, The Tyndale Press, Reprint 1970. Universalisme in England tussen 1870-1920 Davidson Samuel, The Doctrine of Last Things Contained in the New Testament, Kegan Paul, Trench, and Co.,1882. Charles R., Critical history of the doctrine of a future life, A. & C. Black, 1913. Charles R., Religious development between the Old and New


LEVEN, Dood en opstanding_1999

138

testaments, Williams & Norgate, 1919. Cox S., Salvator mundi, Kegan Paul, 1885. Farrar F., Eternal Hope, MacMillan , 1878. Farrar F., Mercy and Judgment, MacMillan, 1904. Plumtre E., Ellicott’s commentary, volume 1, NT,Cas sell, 1896. (Zie het commentaar op Mat.12:32). Row C., Future retribution, Isbister, 1889. Rowe H., The Andover case, Stanley & Usher, Boston, 1887. Smyth P., The gospel of the hereafter, Hodder and Stoughton, 1911. Het boek van W. Cochrane, in de voorgaande lijst, is nog steeds onovertroffen in argumenten tegen het Universalisme. Pastoraat Hoek J., Leven en dood in Hoger hand, Uitg. De Groot Goudriaan, 1988. Jungel E., Wat zegt de dood over het leven?, Semper agendo, 1973. Valkenburg R., Zelfs bij het naderen van de dood en daarna, La Riviére & Voorhoeve, 1990. van de Beek A., Waarom? over lijden,schuld en God,Nijkerk, 1984. van Knippenburg M., Dood en religie, Kok, 1987. van Knippenberg M., De dood als levenspartner, Kok,1988. Westland J., God onze troost in noden, Kok, 1986. Algemeen Aries P., Het uur van onze dood. Duizend jaar sterven, begraven, rouwen en gedenken, Amsterdam, 1987. Aries P., Het beeld van de dood, Nijmegen, 1987. Dialogen met 13 vertegenwoordigers van een sekte of wereldgodsdienst. Gijsen W., Over dood en hienamaals, Ankh-Hermes, 1974. Religies antwoorden op eeendertig vragen van Gerhard Szczesny, Moussault’s uitgeverij Adam., 1966. Ringoet K., In de buik van het onbewuste, Stichting Mens en Cultuur, 1997. Moderne inzichten vanuit psychologisch, filosofisch en anthropologisch standpunt. Spruit R., De dood onder ogen.Een cultuurgeschiedenis van sterven, begraven, cremeren en rouw., Houten, 1986. Vanhuysse T, Het vagevuur, De Kruisbanier Berchem-Antw., 1988. Een zeer leesbaar boekje door een gewezen Rooms Katholiek geestelijke. Voor het onderwerp vanuit de anthropologie o.a. J.H. Kohlbrugge, Voorstellingen der volkeren betreffende de ziel, J.B. Wolters, 1933.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

139

Hoofdstuk 2 Hoe is Christus opgewekt? En: met wat voor lichaam? Woord vooraf Een belangrijk dogma van Jehovah’s Getuigen is de leer dat Christus opgewekt is als “geest” en dat zijn aardse lichaam géén deelgenoot geworden is aan Zijn opstanding. ‘DE WACHTTOREN’ van 15 aug. 1976, p.511 zegt: “Volgens de geïnspireerde Schrift werd Jezus niet in het vlees opgewekt (...) dat Jezus eenvoudig niet als een mens van vlees en bloed opgewekt kan zijn.” C.T. Russell, de stichter van de WT, zei dat het lichaam van Christus was “opgelost in gassen” ofwel dat God het ergens bewaarde als aandenken (‘Studies in The Scriptures’, deel 2, p.129). ‘DE WACHTTOREN’ van 15 mei 1991, p.31 geeft een tweede versie: God zou het lichaam van Christus weggenomen hebben opdat het niet aanbeden zou worden. En nog een derde visie vinden we in ‘DE WACHTTOREN’ van 15 nov. 1991, p.31. Daar staat: “Insgelijks verwijderde God Jezus’ lichaam; hij liet niet toe dat Jezus’s lichaam verderf zag en voorkwam aldus dat het een struikelblok voor het geloof werd.” Wij citeren uit een boek van de WT: “Jezus Christus werd dienovereenkomstig als een geestelijk persoon uit de doden opgewekt, en niet in het vleselijke lichaam waarmee hij als een menselijk offer stierf” (‘Dingen waarin God onmogelijk kan liegen’, p.356). Dat “dienovereenkomstig” waarover ze schrijven is een vergelijk dat men vanaf p.354 maakt tussen Christus als offer (rantsoen) en de offers uit de Joodse bedeling. Lichamen van dierlijke offers werden toen “uit de weg geruimd” nadat het bloed verzoening had gegeven (p.354, par.21). Zo ook zegt de WT: “Het vleselijke lichaam van Jezus Christus werd door de Almachtige God dus op aarde uit de weg geruimd en niet door Jezus meegenomen naar de hemel” (p.355 laatste zin uit par.24, wij onderstrepen). Als argument wijzen zij naar 1 Pet.3:18 waar staat over de Christus: “Hij die ter dood gebracht werd in het vlees, maar levend gemaakt in de geest” NWV (vergelijk ‘DE WACHTTOREN’ van 15 febr.1991, p.15). God heeft, volgens de theorie van de Wachttoren, het lichaam van Christus dus; “opgelost in gassen” (C.T. Russell, ‘Studies in the scriptures’, volume 2, p.129) of het is door God “uit de weg geruimd” (‘Dingen waarin God onmogelijk kan liegen’, p.355) of het is “uiteengevallen zonder eerst tot ontbinding te zijn overgegaan” (‘Hulp tot begrip van de Bijbel’, deel 6, 1989, p.955).

Voor leden van de WT is dit zo klaar als een klontje, hoewel er niet staat, Jezus werd levend gemaakt als een geest. En hun uitleg heeft bij nader onderzoek van de Schrift niet de minste waarde. Opzettelijk spreekt de WT niet over nog andere uitleggingen van 1 Pet.3:18, vanuit het standpunt van de grammatica. Hun uitleg van deze tekst is wereldvreemd in het theologisch denken. Dat de-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

140

zelfde Petrus op Pinksterdag een profetie aanhaalt uit Ps.16 waar staat dat de Gezalfde, “géén verderf” zou zien gaat bij hen in de doofpot. Aan Cornelius getuigt dezelfde Petrus dat hij na de opstanding van Jezus: “met Hem gegeten en gedronken” heeft (Hand.10:41). En het getuigenis van de apostel Johannes over de opgestane Heer is als volgt: “hetgeen wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens” (1 Joh.1:1). De apostelen behoren tot dezen aan wie Christus: “Zich ook na zijn lijden met vele kentekenen levend heeft vertoond” (Hand.1:3). De leer van de Wachttoren is een oude leer in een nieuw jasje. Want ook ten tijde van de apostelen waren reeds stemmen opgegaan over een geestelijke opstanding van Christus of de gelovigen. Maar die zijn uit het spoor der waarheid geraakt zegt Paulus (2 Tim.2:16-18). En de bekendste discipel van de apostel Johannes, Polycarpus, merkt in zijn brief aan de Phillippenzen op dat valse leraars zeggen dat er géén opstanding is en ook géén oordeel (Phil.7). Enkele jaren later zegt Justinus (hij stierf rond 165), dat er: “zogenaamde christenen (...) zeggen dat er géén opstanding van de doden is, maar dat bij de dood de zielen van de mensen opgenomen worden in de hemel” (‘Dialoog met Trypho’ 80:5). Nog later zegt Chrysostomos dat de gelovigen in Corinthe de mening waren toegedaan dat de opstanding op het geestelijk vlak verklaard moest worden (‘Hom. in Cor’. N°38). Laat ons echter niet vooruit lopen en eenzelfde methode van Bijbelstudie toepassen als de WT die van de hak op de tak springt. Hun beroemde paardensprong waar veel teksten aange-haald worden zonder een echt verband. We willen daarom vooraf twee punten onderzoeken: wat is de waarde van het “bloed” bij een offer? En wat is de functie van het lichaam van dit offer? Daarna zullen we ertoe overgaan bewijs uit de Schrift te geven dat Christus wel degelijk zijn aardse lichaam (in verheerlijk-te toestand) ten hemel genomen heeft. Bloed als verzoening In Lev.17:11 lezen wij: “Want de ziel van het vlees is in het bloed, en ikzelf heb het ten behoeve van U op het altaar gegeven, om verzoening te doen voor uw ziel want het is het bloed dat verzoening doet door de ziel (die erin is)” (NWV). We gebruiken hier met nadruk de bijbelvertaling van de WT. In de eerste plaats leren we er dat de ziel van het vlees in het bloed is. Als tweede punt dat bloed verzoening doet en daar heeft het vlees of het lichaam van het offer meestal niets meer mee te maken. Eenzelfde gedachte als Lev.17:11 vinden we in Deut.12:23,24 / Lev.3:17 / 7:26,27 / 17:14. Wanneer we de optelling maken in het OT van het gebruik van het woord vlees, komen we op een totaal van 273 teksten, 104 ervan spreken over het vlees van dieren. De teksten die op de mens betrekking hebben kunnen in drie groepen onderverdeeld worden. 1°) Het uiterlijk van de mens Num.8:7 / Lev.13:26. 2°) Menselijke relatie en familieband Gen.37:27 / Richt.9:2. 3°) Geestelijke zwakheid van het vlees = de mens Jer.17:5,7 / Ps.78:38,39. Belangrijk in dit verband zijn de schriftuurplaatsen die spreken over “het bloed van Christus.” Wij hebben vrede “door het bloed zijns kruises” (Col.1:20). “Het bloed van Jezus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonden” (1 Joh.1:7). Het is Hij die ons van zonden door Zijn bloed verlost heeft (Opb.1:5). Hij heeft met zijn bloed mensen uit alle volkeren gekocht (Opb.5:9). Ook nog Mat. 26:28 / Rom.3:25 / 5:9 / Eph.1:7 / Col.1:14 / 1 Joh. 5:6,8. De brief aan de Hebreeën zegt: “en zonder bloedstorting geschiedt er geen vergeving” (Heb.9:22). Christus sterft voor anderen (Joh.8:46) en niet voor zichzelf of omdat Hij zondaar is (Joh.7:18). De knecht des Heren zal zijn bloed (leven) uitgieten in de dood (Jes.53:12).


LEVEN, Dood en opstanding_1999

141

En deze onschuld van Christus is in de Schrift meerdere malen beschreven: 1) Door God de Vader, Mat.3:17 / 17:5, 2) Engelen, Luc.2:11, 3) Johannes de Doper, Joh.1:29, 4) Demonen, Marc.1:24 / 5:7, 5) Een Romeinse honderdman, Mat.8:8, 6) De tempelwacht, Joh.7:46, 7) Petrus de apostel, Mat.16:16 / Hand.4:12, 8) Vrouw van Pilatus, Mat.27:19, 9) Pilatus de landvoogd, Mat.27:24 / Luc.23:4, 10) Een Romeinse honderdman, Mat.27:54, 11) Johannes de apostel, Joh.1:9 / 1:18, 12) Paulus de apostel, 1 Tim.3:16. Dat wil zeggen; Jezus verliest zijn leven niet omdat Hij persoonlijke zondaar is. Waarom zou Hij zijn lichaam moeten afstaan? Een andere tweede denkrichting, ook gebaseerd op het OT, is het beeld van de grote verzoendag. Daar is de zon-devergeving van het volk niet een bloedig offer maar de overdracht van de zonden van het volk op een bok. Op een symbolische wijze zal de bok de zonden van Israël “wegdragen.” In het NT draagt Christus de zonden weg van de gehele wereld. Zie o.a. Lev.16:1-22 / Joh.1:29 / Heb.13:12,13 / 1 Pet.2:24. En de derde richting is dat de dood van Christus een daad van opperste goddelijke liefde is (Joh.3:16 / Rom.5:8). Om die drie redenen kan de dood Hem of zijn lichaam niet voor eeuwig vasthouden. Het gaat duidelijk om “onschuldig” bloed dat vergoten wordt. “Jezus heeft geen zonde gedaan” (1 Pet.2:22), “had geen zonde” (1 Joh.3:5) en “heeft geen zonde gekend” (2 Cor.5:21). Wij hebben echter wel een hogepriester die met ons kan meevoelen “zonder te zondigen” (Heb.4:15). Hij is als het “kostbare bloed van een vlekkeloos lam” (1 Pet. 1:19,20). Het bloed van Jezus zo maar zonder onderscheid met bloed van dierlijke of andere offers vergelijken is uitgesloten. We zijn slechts aan het begin van onze argumenten tegenover de leer van Jehovah’s Getuigen. Maar dit moet u toch steeds bijblijven tot het slot: het bloed, door de dood van het offer, brengt verzoening. Het leven van mens of dier wordt in stand gehouden door de circulatie van het bloed. Het bloed laten vloeien is de dood toebrengen. Wat er daarna met het lichaam ook moge gebeuren is van ondergeschikt belang. De verzoening is reeds door het bloed (het leven) volbracht. We mogen niet al te lang blijven stilstaan bij één offer, want dan gaat men foutieve conclusies maken. Niet de materialistische kijk is belangrijk maar de waarde die erdoor aangeveven wordt, een offerdaad aan God geschonken die verzoening kan brengen. Jehovah’s Getuigen geloven wel in de waarde van geofferd bloed zoals blijkt uit de volgende aanhaling: “Op passende wijze was de aard van zijn (Christus’s) dood zodanig dat zijn bloed uitgestort werd” (‘DE WACHTTOREN’ van 15 februari 1991, p.16). Hun conclusies die ze daaraan verbinden lopen echter wel mank. En Jehovah’s Getuigen citeren ook met goedkeuring een Amerikaanse theoloog over altaren en verzoening. We lezen dat in ‘Inzicht in de Schrift’, deel 1, 1995, p.99: “In een commen-taar op Hebreeën wordt in M.R. Vincent’s Word Studies in the New Testament, (1957, Deel 4, P.467) gezegd: ‘Het is onjuist om te proberen in het christelijke stelsel een nauwkeurige tegenhanger te willen vinden van het altaar - zij het de eucharistie, het kruis of Christus zelf. Veeleer worden de begrippen om tot God te naderen - offer, verzoening, vergeving, aanvaarding, redding - samen-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

142

gebracht en in het algemeen onder het symbool van een altaar afgebeeld, zoals het joodse altaar het punt was waar al deze begrippen samenkwamen.” Had De Wachttoren meer aandacht geschonken aan deze woorden dan zou ze niet de domme dingen zeggen die ze aan het offer van de Heer verbonden hebben. Dat is trouwens niet de enige redeneerfout die de WT maakt? In hun leer is de toepassing van het offer van Christus gelimiteerd in deze zin, dat vele mensen géén opstanding zullen ontvangen. Zo zullen enkelen uit de steden van Judah die de prediking van de Heer niet hebben aangenomen en een groot deel schriftgeleerden geen opstanding krijgen. We citeren, ‘Inzicht in de Schrift’, deel 1, 1995, p.290: “Dit impliceert dat op zijn minst enkele mensen uit de steden een opstanding zouden ontvangen en dat, hoewel het gezien hun vroegere berouwvolle houding heel moeilijk voor hen zou zijn berouw te hebben, hun de gelegenheid zou worden geboden nederig berouw aan de dag te leggen en zich ‘om te keren’ teneinde zich door bemiddeling van Christus tot God te bekeren. Zij die dat niet doen, zullen voor eeuwig vernietigd worden (...) Degenen echter die handelen zoals de schriftgeleerden en Farizeeën deden, die willens en wetens streden tegen de door bemiddeling van Christus tot uiting komende manifestaties van Gods geest, zullen geen opstanding ontvangen” (wij onderstrepen). Maar dat is een niet te vergeven fout. Men maakt de opstanding van mensen afhankelijk van het geloof dat ze zouden hebben in Christus. De Schrift zelf legt dat verband niet. Allen die afstammen van Adam (en Eva), t.t.z. allen die in de graven zijn, allen in de sjeool (hades = dodenrijk) krijgen een opstanding. Want hoe kan de WT dit rijmen met de opmerking in het boek Openbaring dat het dodenrijk nog in het meer van vuur geworpen wordt. Indien er nog mensen in de hades zitten is dit (ook in hun eigen leer) niet mogelijk (Opb.20: 13,14). De waarde van het vlees In de Torah staan ongeveer 50 soorten offers beschreven. Het is niet onze bedoeling daarop in te gaan. Wel belangrijk is te weten dat de lichamen van de offerdieren zeer verschillend behandeld werden. Bij een vredesoffer dienden bepaalde delen van het offer als een beweegoffer, andere delen werden gegeten door de priesters en (of) dezen die het offer gebracht hadden (Lev.7:29-34 / Deut. 12:6,7). Bij sommige zondeoffers werden delen van het offer verbrand op het brandofferaltaar, of buiten de legerplaats (Lev.4:712). Bij andere zondeoffers werden bepaalde delen van het dier gegeten (Lev.6:25,29). Bij brandoffers, zoals de naam reeds zegt, moest het offer verbrand worden, geheel of gedeeltelijk. Wanneer Jehovah’s Getuigen in ‘Hulp tot begrip van de Bijbel’ zeggen: “Als brandoffer gaf Jezus zichzelf geheel en al, volle-dig” dan hebben ze een totale vernietiging van het offer op het oog. Maar zelfs dat is in strijd met hun verdere uitleg: zo werd de huid nooit verbrand, de veren van een vogel en zijn krop of drek van het dier, ook ingewanden werden eerst gewassen (deel 6, 1989, p.1124). Trouwens Christus is nooit direct vergeleken met een brandoffer in de Schrift niet in het OT en niet in het NT. Wel met een paasoffer en dat was een offer dat niet verbrand maar gegeten werd. We mogen ook niet al te snel blijven hangen in het materialistische vlak van een offer of onze problemen bij het vergelijken stapelen zich op. Deze offers der Joodse bedeling waren voorafbeeldingen. Ook het paasoffer was dit (1 Cor.5:7) want dat offer vergaf geen zonden. Dit volgens het basisbeginsel dat “de wet slechts een schaduw heeft der toekomstige goederen” (Heb.10:1-10). Het paasoffer in Israël is het bevrijdingsoffer dat de uittocht uit Egypte bezegelt. Zo is het offer van Christus dat wat bevrijding uit zonde en dood zal bezegelen (Jes.53:7 / Joh.1:29,36). De gelijkenis die er is tussen het brandoffer uit het OT


LEVEN, Dood en opstanding_1999

143

en het offer van Christus vanuit typologisch inzicht geeft J. Barton Payne als volgt weer: “1°) De plaatsvervangende dood van Christus voor de verlossing van zondaars (2 Cor.5:21). 2°) Zijn totale zelfopoffering (Ps.40: 8, vergelijk Luc. 2:49 en Mat.26:39). Zijn op een rechtvaardige wijze vervullen van de wet (Mat.3:15)” (‘The theology of the Older Testament’, Zondervan, 8st druk 1975, p.526). Jehovah’s Getuigen merken hierbij op: “Jezus’ volmaakte menselijke leven, met alle eraan verbonden rechten en vooruitzichten, werd in de dood afgelegd en niet meer teruggenomen, want hij werd niet als een mens van vlees en bloed, maar als een onsterfelijk geestelijk schepsel opgewekt (1 Cor.15:50 / 1 Pet.3:18). Het geofferde menselijke leven van Jezus Christus bleef derhalve verlossende, of loskopende, kracht bezitten” (‘De Wachttoren’ van 15 maart 1990, p.4, wij onderstrepen). Dit is echter een oppervlakkige en ONBIJBELSE redenering. Wanneer Christus het laatste avondmaal viert zegt Hij: “Want dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden” (Mat.26:28). Het bloed is de zegel van het verbond. Christus heeft door Zijn dood deze offers op tegenbeeldige wijze vervuld. Maar daaruit besluiten, zoals de WT doet, dat Zijn lichaam daarom “uit de weg geruimd” (‘Dingen waarin God onmogelijk kan liegen’, p.355) moest worden, gaat wel ver. De WT zegt: als tegenbeeld van de offers voorgeschreven in het oude verbond. Maar waarom dan? Veel offers werden verbrand. Is het lichaam van Christus door God verbrand? Andere lichamen van offers werden gegeten. Heeft God het lichaam van de Heer gegeten? Of hebben anderen het gegeten? Is zulk een kanibalisme toegestaan door Gods wet? Dit en nog andere vragen blijven vraagtekens voor een Jehovah Getui- ge. De redenering van de WT over het lichaam van dieren = het lichaam van Jezus is bedroevend. Jezus is een denkend, medelevend, Zichzelf offerend persoon wanneer Hij zich geeft voor de mensheid. Dieren ondergaan het offeren. Veel van de offers beschreven in het boek Leviticus berusten niet op echte geboden in de zin zoals de tien geboden het zijn. Offeren is een vorm van danken. God heeft de voorzieningen getroffen die daarvoor nodig zijn, de tent der samenkomst (later de tempel), de priesters, de levieten, enz (...) maar het offer zelf moet op vrijwillige basis gebeuren. Dit is aangegeven in de tekst van de Schrift zelf waar staat “indien” of “wanneer” gij de Here een offer brengt doe het dan, zo en zo (Lev.1:2, 3,10,14 / 2:4,5,7, / 3:1,6,7,12 enz). Dat doet ook een christen die zich offert aan God in gebed en dankzegging (Rom.12:1 / 1 Cor. 13:3), zonder echt te sterven. Jehovah’s Getuigen geven hun lezers eens de raad: “lees niet meer in Bijbelteksten dan er staat” maar deze regel passen ze zelf meestal niet toe (‘DE WACHTTOREN’ van 15 jan. 1992, p.21). En ooit schreef de WT over het begrip rantsoen: “Soms kan echter aan de gerechtigheid voldaan worden als er een equivalent wordt aangeboden in plaats van strikte straf” (‘DE WACHTTOREN’ van 15 febr.1991, p.12). Kan dan niet het bloed - en alléén het bloed van Jezus geofferd volgens Gods plan, géén genoegdoening zijn in het kader van Gods gerechtigheid (1 Pet.1:18,19)? De WT zal zeggen: dat bedoelen we niet! We lossen dit dilemma voor het overgrote deel op wanneer we weten dat gans de leer van Jehovah’s Getuigen over de “on-zichtbare tegenwoordigheid” dan in het gedrang komt. En hun commentaren op de boeken van Jesaja, Ezechiël, Daniël en Openbaring verkeerd blijken te zijn. Hun theologie valt dan in elkaar als een kaartenhuisje! Men wil dat dus niet aannemen!


LEVEN, Dood en opstanding_1999

144

Jezus sterft voor ons Zonder in grote details te treden willen we toch iets zeggen over de leer van het rantsoen zoals Jehovah’s Getuigen dit leren. Dat bepaald namelijk hun visie op de opstanding van Christus. Vooraf dit, Jezus sterft niet zomaar, het is door God vastgesteld op welk tijdstip het offer gebracht wordt volgens o.a. Mat.26:2 / Joh.7:6 / 12:23. In hun publicatie ‘Vergewist u van alles’ uitgave 1958 vinden we onder de hoofding “Rantsoen” als definitie: “nauwkeurig overeenkomende prijs noodzakelijk voor de verloren gegane menselijke levensrechten” (p.298). In de vernieuwde uitgave van 1970 is de hoofding “Rantsoen” vervallen en vervangen door “Losprijs.” Daar is de definitie: “Prijs die betaald is voor bevrijding van slavernij aan zonde en dood” (p.290), en de “losprijs komt overeen met volmaakte menselijke leven dat Adam verloor” (p.291). Vooral op dat laatste ligt bij een Jehovah Getuige het accent: “de vervanging moest exact kloppen (...) Deze voorschaduwde losprijs moest het exacte equivalent zijn van Adam (...) de exact gelijke aan Adam (...) overeenkomstige losprijs” (‘DE WACHTTOREN’ van 15 febr. 1991, p. 12, 13, wij onderstrepen). Deze voorstelling van het offer van Christus is niet Bijbels. Jehovah’s Getuigen geven éénmaal toe dat Christus stierf voor alle mensen en hen heeft losgekocht (behalve Adam? en Eva?), maar dat is een witte raaf in hun litteratuur. Dit citaat is het volgende en we hebben geen ander gevonden in die aard: “Jezus was dus inderdaad een “overeenkomstige losprijs” waarmee echter, niet de ene zondaar Adam werd losgekocht maar wel de gehele mensheid die van Adam afstamt? Hij kocht hen terug, zodat ze zijn gezin konden worden, en hij deed dit door de volle waarde van zijn loskoopoffer aan de God van absolute gerechtigheid in de hemel aan te bieden” (‘Hulp tot begrip van de Bijbel’, deel 6, 1989, p.971, wij onderstrepen). Maar dat zal van een overijverige schrijver komen, het is niet wat ze van dag tot dag prediken. Losgekocht worden volgens hen slechts de 144.000, de grote schare en wie goedgekeurd is na de 1000 jarige regering zoals uit dit artikel blijkt. Dus niet alle goddelozen! Dat zijn blijkbaar geen kinderen van Adam! In elk geval worden ook enkele miljarden mensen die sterven in de komende oorlog van God, Armageddon, niet opnieuw opgewekt uit de dood en blijven eeuwig dood. Over dezen zegt de WT: “Als ze intussen niet door andere oorzaken sterven, zal de vrees inboezemende dag van Jehovah hen beslist overvallen, net als een catastrofale vernietiging in de Vloed een eind maakte aan een goddeloos geslacht in Noachs tijd” (‘DE WACHTTOREN’ van 1 maart 1997, p.19). Aan de basis van hun rantsoenleer staat een definitie van het begrip “antilutron” uit een Grieks lexicon begin jaren 1800. (De Griekse U is uit te spreken als Y). We citeren uit ‘DE WACHTTOREN’ van 15 juni 1992, p.5: “In de Greek and English Lexicon to the New Testament door Parkhurst wordt hierover gezegd: “Er wordt terecht een prijs door aangeduid waarmee gevangenen uit de hand van de vijand worden losgekocht, en dat soort ruil waarbij het leven van de een wordt losgekocht met het leven van de ander.” Sinds C.T. Russell, stichter en geestelijke vader van de moderne Jehovah Getuige, is dit citaat grond voor hun bewering dat Christus de plaats inneemt van de Oude Adam. Christus koopt terug wat Adam heeft verloren en moet dus zijn plaats innemen. Maar dat “lezen” we zelf niet in ons eigen exemplaar van Parkhurst (een latere herdruk). Indien deze schrijver dat zou beweren dan is dit reeds strijdig met de drie teksten waar “anti” en “lutron” samen gebruikt worden - en dat is het totaal van deze teksten (er zijn geen andere) - uit het NT. Niet Adam, de Oude, wordt vrijgekocht maar volgens deze teksten zijn het:


LEVEN, Dood en opstanding_1999

145

Mat.20:28 : “een losprijs voor velen”, of Marc.10:45 : “als losprijs voor velen”, of 1 Tim.2:6 : “een losprijs voor allen.” Dus géén vervanging van een Nieuwe Adam in plaats van een Oude Adam. Géén ruil van de één voor de ander, maar Jezus’ dood staat in vervanging voor allen/velen. En dat Parkhurst twee citaten geeft van klassieke Griekse schrijvers die “lutron” als een equivalente losprijs beschrijven (Hyperius en Aristoteles) bewijst niets (‘Insight on the scriptures’, volume 2, 1988, p.736). Er zijn tientallen voorbeelden aan te halen dat het Grieks van het Nieuwe Testament niet altijd eenzelfde betekenis heeft als dezelfde woorden in de klassieke Grieken. Er zijn zelfs een zestigtal woorden die schrijvers van het Nieuwe Testament hebben uitgevonden en die niet in het klassiek Grieks gekend zijn. Men zou moeten bewijzen dat het woord in het NT dezelfde betekenis heeft als bij de Grieken. Dat kan Parkhurst niet waar maken voor “anti” en ook Jehovah’s Getuigen niet. De nadruk van het NT ligt zelfs bij andere woorden. De WT zal trouwens ook niet toegeven dat “psuche” en “hades” (slechts twee voorbeelden) in het Klassiek Grieks dezelfde betekenis hebben als het Grieks dat de Schrift gebruikt. Waarom “lutron” wel? Trouwens waarom dan slechts één van deze definities uitverkiezen boven alle andere! Wij vinden meestal dat Christus “voor” (Grieks “huper”): “ons, velen, allen, de wereld” is gestorven maar nooit of nimmer in de plaats van of “voor” Adam alléén. Zie Marc.12:24 / Joh.6:51 / 10:11 / 11:51 / Rom.5:6,8 / 8:32 / 14:15 / 1 Cor.5:7 / 11:24 enz (...) Er staat zelfs in Gal.2:20 de uitdrukking, “die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven.” Indien voor Paulus dan niet voor Adam of anderen? Maar in datzelfde schrijven aan de Galaten zegt hij dat Christus toch ook ook “voor (huper) ons” gestorven is (Gal.1:4). Jezus is “voor (huper) ons een vloek” geworden (Gal. 3:13). Een tweede belangrijk woord is “peri” dat ook als “voor” te vertalen is. De Heer stief “voor (peri) de zonde” (Rom.8:3), “voor (peri) de zonden” (1 Pet.3:18), “voor (peri) onze zonden (...) maar ook voor die der gehele wereld” (1 Joh.2:2 / 4:10). In Mat.26:28 vinden we “peri” en in Luc.22:19,20 “huper” voor dezelfde situatie, het zijn dus synoniemen. En nog een derde woord in verband met het offer van Christus is “dia” (slechts éénmaal in dit verband) uit Rom.4:25: “overgeleverd om (dia) onze overtredingen.” Ook deze woorden gebruiken Jehovah’s Getuigen als een speelbal van hun theorie want ze nemen “de dood van de dood” niet au serieux. Het komt erop neer dat men zijn eeuwig leven zelf door eigen werken zal verdienen, en zo heeft men de genade van God over de zondaar uitgeschakeld. Hun argument is dan als volgt: “De angel die de dood veroorzaakt, is de zonde (1 Kor.15:56), en derhalve is bij allen aan wie de zonde en de daarmee gepaard gaande onvolmaaktheid kleeft, de dood in het lichaam aan het werk (Rom.7:13,23,24). Om de dood teniet te doen, zou het daarom nodig zijn datgene teniet te doen wat de dood veroorzaakt: de zonde. Doordat de gehoorzame mensheid van het laatste spoortje van de zonde bevrijdt wordt, zal de dood zelf zijn macht verliezen en vernietigd worden. Dit zal tijdens de regering van Christus volbracht worden (1 Kor.15:24-26). Daardoor zal de dood die door Adams overtreding over de mensheid gebracht is “niet meer zijn” (Rom.5:12; Opb.21: 3,4)” (‘Inzicht in de Schrift’, deel 1, 1995, p.515). De Schrift zegt echhter klaar en duidelijk dat Christus door zijn verlossend bloed de dood en Satan heeft overwonnen. Indien één persoon niet opstaat in de opstanding dan is de dood nog niet overwonnen. Maar dat is te moeilijk of onmogelijk voor een Jehovah Getuige. Dat is trouwens ook duidelijk in 1 Cor.15:24-26 alhoewel de WT deze tekst ter ondersteuning van hun leer aanhalen. Zie ook 1 Cor.15:57 / Eph.1:18-23 / Heb.2:14 / Opb. 21:5-8.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

146

Het zou goed zijn dat u in uw gespekken met Jehovah’s Getuigen tracht uit te maken wat ze bedoelen met: “het rantsoen zal aangewend worden voor al dezen voor wie het gegeven was (...) Jezus gaf aan dat zijn werkelijke toepassing gelimiteerd zou zijn” (‘Insight on the sriptures’, deel 2, p.791). Want volgens hun leer kwam Jezus in de plaats van Adam en al zijn afstammelingen. Hun uitleg is een twistpartij met de Schrift. In de Schrift is niemand uitgesloten van de komende opstanding. Hun leer komt zeer waarschijnlijk van de Christadelphians die ook leren dat enkele mensen uitgesloten zijn van de opstanding. Historisch zijn de banden van Russell en de Christadelphians groot, denk maar aan de Diaglott, een Grieks-Engelse vertaling die Jehovah’s Getuigen uitgeven. Dat is een werk van de Christadelphian, Benjamin Wilson. De schrijver Henry Sulley, een Christadelphian, zegt: “Resurrection from the dead is not universal” (De opstanding uit de doden is niet universeel). (‘The temple of Ezechiel’s prophecy’, The Christadelphian Publishing Office, 1956, p.312). Hij geeft Jer.51:56,57 / Dan.12:2 / Joh.3:36 / 6:40 ter ondersteuning, maar zelfs de WT verwijst niet naar deze. Deze teksten bewijzen dat niet, Dan.12:2 geeft trouwens duidelijk een universele opstanding aan, op zijn minst voor het gehele Joodse volk. Dat wil zeggen dat Jehovah’s Getuigen VANUIT een totaal verkeerde voorstelling van het offer van Christus hun theologie bedrijven. Temeer omdat in zowel het OT als het NT duidelijk is dat “anti” niet altijd, ja zelfs bijna nooit, een equivalent van dezelfde waarde wil aangeven. Dat kan zowel meer als minder zijn. Hier volgen enkele voorbeelden. Betekenis van “anti” Zeker moment komt een belastingontvanger in de nabijheid van Christus om te weten of hij wel zijn hoofdgeld heeft betaald. Op wonderbare wijze laat Hij Petrus een vis vangen. Uit zijn muil haalt Petrus een zilverstuk. Dan zegt Jezus: “Neem dat en geef het hun voor (anti) Mij en voor u” (Mat.17:27). Moeten we dan vanuit de leer van een Jehovah Getuige zeggen dat een zilverstuk het “exact equivalent” is van Jezus + Petrus. Zoiets is toch absurd! Zijn ze samen nu niet méér waard dan dat ene zilverstuk? We zien in een voor de leden van de WT bestemde brochure uit de zestiger jaren, ‘Bijbelse onderwerpen voor gesprekken’ onder n°37 (p.22) de verwijzing naar Deut.19:21 als bewijs dat er voor Adam een “equivalent” nodig is om als rantsoen te dienen. We lezen daar: “Gij zult hem niet ontzien: leven om leven, tand om tand, hand om hand, voet om voet.” Beweren Jehovah’s Getuigen dan dat de uitdrukking “oog om (anti) oog” in Deut.19:21 en Mat.5:38 wil zeggen, dat wie het oog uitsteekt van iemand eenzelfde equivalent, dus zijn eigen oog in de plaats geeft? Dergelijke operaties waren nog niet uit te voeren toen deze woorden zijn opgetekend. En Jezus zegt dat het onder zijn discipelen zo niet zal zijn (vers 39). We mogen “géén kwaad met (anti) kwaad vergelden.” Dit beginsel staat ook nog eens in 1 Thes.5:15 en ook 1 Pet.3:9. Dat wil zeggen dat wat wet was voor Israël, niet meer geldend is voor de volgelingen van Jezus. Jezus vraagt zijn discipelen niet meer af te rekenen met equivalenten, maar met liefde en barmhartigheid. Een hogere en absoluut totaal andere wet dan de wet van Mozes (Mat.5:43,44 / Marc.11:25). Deut.19:21 is dus geen ondersteuning voor de rantsoenleer van de WT. R.S. Mc.Conell schrijft in zijn doctotale scriptie (Basel 1964) over Mat.5:38: “Er zijn in het OT verzen die de geest van vergelding verbieden‘Zeg niet: Zoals hij mij deed, zo zal ik hem doen; ik vergeld de man naar zijn doen’ (Spr.24:29) (...) En ook Lev.19:18 / Spr.20:22 / 25:31 weerleggen zo een zienswijze (...) Jezus heeft dit princiepe volledig afgeschaft, en heeft in plaats daarvan een ethiek gezet zonder wraak of zonder vergelding. Hij heeft in werkelijkheid een nieuwe gedragsregel in de plaats gesteld van de wet van de vergelding en de wetten aan die norm gekoppeld (...) Zoals Paulus het later verklaarde, geen kwaad met kwaad te vergelden (Rom.12:17), maar het


LEVEN, Dood en opstanding_1999

147

kwade overwinnnen door het goede (Rom.12:21)” (‘Law and prophecy in Matthew’s gospel’, Friedrich Reinhardt Kommisionsverlag, Basel, 1969, p.65). Waarom zou Christus moeten sterven volgens een Oudtestamentisch principe (leven om leven), wanneer de belangrijkste wet in het NT deze van de liefde is? En volgens de woorden van de Heer is liefde zelfs de belangrijkste wet uit het OT. (Mat.22:34-40). Ook in het OT is er geen sprake van equivalenten in de meeste gevallen. Volgens Ex.13:12,13 moeten de eerstelingen van mens of dier gelost of afgekocht worden van YaHWeH. Er moet een “losprijs” voor betaald worden. Eerstelingen van het mannelijke geslacht worden gelost met het offer van een lam. Dus géén overeenkomstige prijs. Want overeenkomstig zou zijn dat het ene leven van zijn zoon door een ander levend mens, ook een zoon, gelost zou worden (zie Ex.13:1416). Van onrein vee zal bijvoorbeeld de waarde geschat worden door de dienstdoende priester en daaraan toegevoegd één/vijfde (Lev.27:27). Dus geen exacte lossing. Een ezel moet gelost worden met het offer van een stuk pluimvee (Ex.13:13). En in de praktijk van het dagelijkse leven (niet volgens de wet) zal een dief die betrapt wordt, wat hij ontvreemd heeft niet gewoon alles teruggeven maar zevenmaal vergoeden (Spr.6:30). De alledaagse Jood heeft dus geen gelijke muntsysteem, géén oog om oog en tand om tand. Volgens de wet zal een dief “dubbel” vergoeden van wat hij heeft weggenomen (Ex.22:7,9). En daarom geven Jehovah’s Getuigen ook schoorvoetend toe dat het Hebreeuwse woord voor losprijs ook: “niet altijd een tastbare prijs” is (‘Hulp tot begrip van de Bijbel’, deel 6, 1989, p.968, 969). De voorbeelden die ze hierbij aanhalen zijn trouwens een goed argument tegen hun eigen leer. Want daaruit blijkt dat God verlost op een unieke wijze en die is afhankelijk van de omstandigheid, dus niet volgens één beginsel, maar variërend. De eerstgeborenen van onreine dieren worden losgekocht aan “vijf sikkels van de heilige sikkel” maar van reine dieren moeten de eerstgeborenen niet losgekocht worden (Num.18:15-17). Het is géén gelijke losprijs. En nog een voorbeeld. Toen de Levieten losgekocht werden uit de zonen van Israël voor hun dienst aan YaHWeH was hun prijs per hoofd slechts vijf sikkels (Num.3:46-48). Dat is tienmaal goedkoper dan een andere Jood tussen 20 en 60 jaar en zesmaal goedkoper dan een eerstgeboren vrouw (Lev.27:3-6). God zelf bepaalt de waarde. En die is niet gebaseerd op wat uit de leer van Jehovah’s Getuigen zou moeten blijken. Illustraties uit hun publicaties van een ouderwetse balans met Adam aan de ene kant in evenwicht gehouden door Christus aan de andere kant is een onbijbelse theologie (o.a. in ‘DE WACHTTOREN’ van 15 febr. 1991, p.10). Dat is niet consequent en klopt ook niet met wat ze verder leren. Indien we op dezelfde wijze redeneren, vanuit hun standpunt, kunnen de 144.000 niet losgekocht worden van de aarde om hemels leven te ontvangen. Adam had volgens hun leer immers aardse voorrechten verloren, maar geen hemelse. Christus kan dus geen hemelse voorrechten loskopen of de prijs ervoor betalen. Dan zou Hij méér vrijkopen of iets anders verlossen dan datgene wat Adam heeft verloren. En nog een punt. Christus heeft het offer dat hij gebracht heeft ook gebruikt in de verwerving van de nieuwe hemel. Want de opstand die was ontstaan in de hemel is door de dood en opstanding van Christus teniet gedaan. Alle demonische krachten zijn hem nu reeds onderworpen (Eph. 1:20,21 / Phil.2:9,10 / Col.2:15 / Heb.1:4). Ook hier koopt Christus iets terug dat niet kan volgens de leer van de WT. De Ver-losser is niet gekomen om demonen te verlossen en in hun plaats (voor hen) verzoening te doen. Laat ons ook nog een kleine opmerking maken waar we niet verder op ingaan maar belangrijk is in het geheel. Eigenlijk lopen er twee beelden door elkaar wanneer de redding van de mensheid beschreven wordt. Eén beeld is dit van de prijs, waar de nadruk ligt op een bepaalde prijs die gegeven is voor de mensheid. Zoiets als de bepaling van de marktwaarde. Daardoor zijn wij vrijge-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

148

kocht en in dit beeld “slaven” geworden van de Heer die ons gekocht heeft (1 Cor.6:20 / 7:22,23). We zijn eigendom geworden van onze Vrijkoper en dus mag Hij met ons doen wat Hij wil. Wij zijn hem tot eigendom geworden. Het tweede beeld is dat van verzoening dat te maken heeft met vergeving en vrijstelling op basis van barmhartigheid. Wij zijn “thans door zijn bloed gerechtvaardigd, door Hem behouden” (Rom.5:9). Door deze vrijspraak worden we niet meer slaven maar vrije mensen. Het was een offer uit liefde voor de mensheid (Gal.1:4 / 2:20 / Eph.5:2,25 / 1 Tim.2:6 / Tit.2:14). De WT zit verstrikt in zijn zelfgemaakte netten en geraakt er voorzeker nooit meer uit. Zie enkele goede aantekeningen in Girdlestone, ‘Synonyms of the Old Testament’ hoofdstukken 11 en 12 en Trench, ‘Synonyms of the New Testament’, par.82. Hierbij de lijst zoals “anti” gebruikt wordt in het NT volgens de NBG vertaling. In de vijf teksten waar een teken # is geplaatst staat het begrip “anti” gekoppeld aan de uitdrukking “deze dingen. “Mat.2:22 ( in plaats van) / 5:38 (om, 2x) / 17:27 (voor) / 20:28 (voor) / Marc.10:45 (voor) Luc.1:20 (omdat #) / 11:11 (voor) / 12:3 (daarom #) / 19:44 (omdat #) / Joh.1:16 (op) / Hand.12:23 (omdat #) / Rom.12:17 (met) / 1 Cor.11:15 (tot) / Eph.5:31 (daarom) / 1 Thes. 5:15 (met) / 2 Thes.2:10 (omdat #) / 1 Tim.2:6 (voor) / Heb.12:2 (om) / 12:16 (voor) / 1 Pet.3:9 (met, 2x). Er zijn 4 zaken die door het offer van Christus “te niet gedaan zijn” (SV) 1) De wet: Eph.2:15 “vernietigd” Leidse Vertaling “vernietigen” Willibrord “weggebroken” Brouwer “afgeschaft” Canisius “buiten werking gesteld” NBG 2) De dood: 2 Tim.1:10 “de macht benomen” Luther “krachteloos gemaakt” Leidse Vert. “ten onder gebracht” Canisius “van zijn kracht beroofd” NBG / Willibrord 3) De satan: Heb.2:14 “de macht ontnemen” Luther “vernietigen” Leidse Vert./Brouwer “machteloos maken” Canisius “onttronen” NBG / Willibrord 4) De zonde: Heb.9:26 “te delgen” Leidse Vert. / Canisius “weg te doen” Brouwer / NBG “weg te nemen” Willibrord

Kennen wij de Schrift nog niet? Toen de discipelen voor de eerste maal het graf waar Jezus begraven werd leeg vonden stortte hun wereldbeeld in elkaar. Johannes merkt dit tussen de regels door op: “want zij kenden de Schrift nog niet dat Hij uit de doden moest opstaan” (Joh.20:9,10). Deze discipelen deelden toen nog de gedachte dat de Messias eeuwig bij hen zou blijven (Joh.12:34). En nu was Jezus er niet meer. Hij was dus niet de ware Gezalfde. Het Koninkrijk zou niet hersteld worden (Dan.7:14 / Jes.9:5,6). Een stervende Messias leek hen waarschijnlijk te


LEVEN, Dood en opstanding_1999

149

vreemd en de Messias van de traditie zou zichzelf wel verdedigen tegen de vijand van Israël (Jes.53:12). Want de gedachte van de “verlosser” was in die dagen zeer levendig. Bij de besnijdenis van Jezus was Simeon iemand die “de vertroosting van Israël” verwachtte (Luc.2:25). En Anna wachtte op “de verlossing van Israël” (Luc.2:38). Jozef van Arimathéa, een lid van het Sanhedrin, verwachtte “het Koninkrijk Gods” (Marc.15:43). Twee discipelen op weg naar Emmaüs leefden in de hoop “dat Hij het was die Israël verlossen zou” (Luc.24:21). Waarom was hun geloof zo klein? Had de Heer niet enkele malen gezegd dat Hij voor een tijd zou heengaan. Ook Zijn eigen dood en marteling kondigt Hij meermalen aan (Mat.16:21-28 / 17:22-23 / 20:17-19). Joh.2:19-22 Breek deze tempel af en Ik zal hem terug opbouwen. Joh.6:62 / 13:32 / 17:5 Jezus gaat opvaren naar de Vader. Joh.7:33,34 Jezus gaat heen naar zijn Vader maar komt terug volgens een latere belofte Joh.14:2,3. Joh.7:34,36 Men kan hem niet volgen waar hij heengaat, Joden zeker niet. Joh.8:21 Ook discipelen kunnen Hem niet onmiddellijk navolgen. Joh.10:17,18 Hij legt Zijn leven af om het wederom op te nemen. Joh.14:3,13,14,18-21 Bespreken allemaal werken die de Heer nog moet volbrengen over de dood heen. Joh.14:13,14 Hij zal onze gebeden verhoren. Joh.14:16 Zal bij de Vader voor ons optreden. Joh.14:23 Hij zal woning maken in de gelovige. Joh.16:7 Hij geeft de belofte van de Heilige Geest. Alleen wanneer Jezus opstaat uit de doden kunnen deze dingen vervuld worden. En als het geschied, zal ook blijken dat Hij de ware profeet is (Deut.18:18-20). Het is voor ons dat Hij gestorven is en opgewekt (2 Cor.5:15). Hoe belangrijk dit is voor de gelovige wil Paulus in Rom.6 benadrukken. We zijn “met Hem begraven” (vers 4 NBG), “met Hem één plant” (vers 5 SV) “samengegroeid” (vers 5 NBG), “met Hem gekruisigd” (vers 6 SV), “medegekruisigd” (vers 6 NBG), “met Christus gestorven” (vers 8 SV), “we zullen leven met Hem” (vers 8 SV). Daarom mag Paulus schrijven: “want als wij leven het is voor de Here, en als wij sterven het is voor de Here. Hetzij we dan leven, hetzij wij sterven, wij zijn des Heren” (Rom.14:7,8). Dat wil zeggen dat ook vijf andere uitleggingen die aan het lege graf gegeven worden moeten uitgesloten worden. 1°) Schijndood, 2°) Bedrog van de apostelen, 3°) Visioen of hallucinatie, 4°) Wegnemen van het lichaam, 5°) De opstanding is een variatie op een of andere mythe van Dionysos, Osiris, Adonis of Attis. Laat ons kort iets zeggen over deze stellingen. Bij punt 1°). Een voorbeeld van een fantasierijke uitleg in dit verband is deze van Baignent, Leigh en Lincoln in ‘The holy blood and the holy grail.’ Jezus overleeft de kruisiging, huwt met Maria Magdalene en vestigt zich in het Zuiden van Frankrijk. Bij punt 2°). Zo o.a. volgens Hugh J. Schonfield in ‘The passover plot’, bevat de spons die men Jezus geeft wanneer Hij aan het kruis hangt een verdovend middel (Joh.19:29,30). Men denkt dat hij dood is maar is dat in werkelijkheid niet, dan slechts verdoofd. In het graf komt hij opnieuw bij bewustzijn en kan de mythe van punt 5°) in het leven geroepen worden. Dat men Hem ook nog steekt met een lans om Zijn dood te bevestigen is voor Schonfield


LEVEN, Dood en opstanding_1999

150

minder belangrijk in deze uitleg (Joh. 19:34). En van uit de binnenkant van een dergelijk graf is het tevens onmogelijk de zware steen weg te rollen. Hoe fundamenteel de leer van de opstanding, in het bij-zonder deze van Christus is, maakt Paulus duidelijk aan de Corinthiërs waar sommigen twijfelden aan de waarachtigheid van Zijn opstanding (1 Cor.15:12). Indien het niet waar is: (teksten uit 1 Cor.15) vers 14a is onze prediking zonder inhoud, 14b is ons geloof zonder inhoud, 15 zijn de eerste christenen valse getuigen, 16 is Christus niet opgewekt, 17 zijn we nog in zonden, 18 dan zijn wij verloren, 19 zijn we de beklagenswaardigste onder de mensen, 29 kan onze doop niet baten, 30-32a heeft ontbering en vervolging om Christus’ wil geen enkele zin, 32b heeft moraliteit geen zin. Maar gezien de werkelijkheid van Zijn opstanding als een historisch feit moeten we: vers 33 slechte omgang vermijden, 34a niet langer zondigen, 34b besef voor God aankweken, 34c en ons laten overtuigen van verkeerd inzicht. God’ s heilige zal géén verderf zien We willen er nu toe overgaan het schriftbewijs te onderzoeken dat te kennen geeft waarom het lichaam van Christus géén verderf heeft gekend. God heeft het dus niet “uit de weg geruimd “ . Het moet de lezer duidelijk zijn dat het lichaam van Jezus in het graf is gelegd (Mat.27:58 / Marc.15:43/ Luc.23:52,55 / Joh.19:31). Op zichzelf is dit al wonderlijk. Een gekruisigde heeft namelijk niet het recht in een graf begraven te worden. Een gehangene gaat in een “eerloos graf” zonder steen of gedenkplaat (F. Josephus ‘Oudheden’ V/I/14,44). Op Pinksteren zegt Petrus over Christus: “David zegt namelijk met betrekking tot hem (...) Bovendien zal zelfs mijn vlees in hoop verblijven want gij zult mijn ziel in Hades niet verlaten noch zult gij toelaten dat hij die jegens u loyaal is, het verderf ziet” Hand.2:25-27 NWV. Dit gedeelte is een aanhaling van Ps.16:9-11 toegepast door Petrus op de opgestane Christus. Jaren later zegt de apostel Paulus dezelfde Psalm weergevend met betrekking tot Christus: “Daartegenover staat dat hij die door God is opgewekt, het verderf niet heeft gezien” (Hand.13:37 NWV). In een commentaar op deze teksten zegt de WT: “Het fysieke lichaam van Jezus Christus mocht niet tot stof terugkeren, zoals de lichamen van Mozes en David, mannen die gebruikt werden om Christus af te schaduwen (Deut: 34:5,6; Hand.13:35,36; 2:27,31). Toen zijn discipelen vroeg op de eerste dag van de week bij het graf kwamen, was Jezus’ lichaam verdwenen en lagen de windselen nog in het graf; ongetwijfeld was zijn lichaam opgelost of uiteengevallen zonder eerst tot ontbinding te zijn overgegaan” (‘Hulp tot begrip van de Bijbel’, deel 6, 1989, p.955, wij on-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

151

derstrepen). Maar dat laat zich niet rijmen met de gegevens van de Schrift zelf. Nog moeilijker te begrijpen wordt het wanneer ze zeggen dat Christus “uit de doden opgewekt (is) vóór het verderf” (p.1033). Hij zou dus géén drie dagen in het graf gelegen hebben wanneer we beide uitspraken aannemen. Hoe is dat dan te rijmen met de Schrift? Op p.1143 van deze publicatie lezen we nog over hetzelfde: “Naar alle waarschijnlijkheid heeft God dat lichaam dus door een wonder verwijderd, om het niet het bederf te laten zien.” Laat ons dit even onderzoeken. Er staat duidelijk dat de Christus géén “verderf” ziet. Hieronder enkele vertalingen door anderen: “verderving”, SV. “bederf”, Lutherse Vertaling / Petrus Canisius. “verderf”, Leidse Vertaling. “verderfenis”, Prof. Brouwer. “ontbinding”, NBG/Voorhoeve. Het Griekse “diaphtoran”, te vertalen als “verderf” is gebruikt in deze twee citaten van Ps.16 en het commentaar erop, nl. Hand.2:27,31 en 13:35-37, en nergens anders in het NT. Een synoniem “diaphthiro” bij Luc.12:35 / 2 Cor.4:16 / 1 Tim.6:5 / Opb.8:9 / 11:18. Jehovah’s Getuigen hebben moeite met het lege graf van Christus. Ze kunnen de realiteit daarvan niet ontlopen. We hebben daarvoor het getuigenis van de vier evangelieën. Het is een bewijs voor de continuïteit van de persoonlijkheid en het opstandingslichaam van de Heer. Die continuïteit is er volgens een Jehovah Getuige niet. Hij leert dat de Logos geest was voordat Hij mens is geworden en dat de menswording het aannemen was van een zuivere mensheid en vernietigen van het geest-zijn. Tenslotte is de opstanding een herstel van de geestelijke natuur van de Logos. De argumenten die Jehovah’s Getuigen gebruiken zijn deze. Men zegt over de wijze waarop Jezus is geboren: “Hij (God) bracht het volmaakte leven van zijn eniggeboren Zoon uit de hemel over naar de schoot van een maagd en liet hem als een volmaakt mens geboren worden” (‘DE WACHTTOREN’ van 15 juni 1992, p.6). En nog: “In plaats daarvan (van engelen) bracht hij door een wonder dat alleen in de gedachten van God, de schepper, had kunnen opkomen, de levenskracht en het persoonlijkheidspatroon van een hemelse zoon over naar de schoot van een vrouw (...) en het werd als een volmaakt mens geboren (...) Deze Zoon beschikte over de prijs die nodig was om een losprijs te verschaffen die volledig aan de vereisten van de goddelijke gerechtigheid zou voldoen” (‘DE WACHTTOREN’ van 1 feb.1997, p.11, wij onderstrepen). De vraag die de WT voor zichzelf zou moeten beantwoorden is deze: is “het persoonlijkheidspatroon” van de Logos, enig en uniek, gestorven in de dood, en in welke verhouding staat het tot zijn opstanding? Indien ze zich hierover ernstig zouden bezinnen zou de onhoudbaarheid van hun theorie aan het licht komen. In ‘DE WACHTTOREN’ van 15 jan.1992, p.23 formuleren ze dit beknopt als volgt: “Volgens de Bijbel had Jezus dus een voormenselijk bestaan als het Woord. Tijdens zijn verblijf op aarde was hij geen Godmens. Hij was volledig mens, zij het volmaakt, net als Adam dit oorspronkelijk was. Sinds zijn opstanding is Jezus een verheven onsterfelijke geest.” Op p.22 lezen we dat de Logos oorspronkelijk: “een door Jehovah geschapen god” is. Let op de kleine “g” in god. De waarachtige Jehovah (de betere uitspraak is YaHWeH) zegt echter: “voor Mij is er geen God geformeerd en na Mij zal er geen zijn” (Jes.-40:10). Indien Christus “een god” is met kleine “g” dan is hij niet GOD, maar een afgod, want de uitlating van Thomas aan Hem gericht “Mijn Heer en Mijn God” is Hem welgevallig (Joh. 20:28,29).


LEVEN, Dood en opstanding_1999

152

En volgens ‘Inzicht in de Schrift’, deel 2, 1997, p.516 is Christus: “tot een hogere levensvorm opgewekt en tot een hogere positie.” Maar de Heer vroeg zijn Hemelse Vader in gebed bij het Laatste Avondmaal om de positie terug te ontvangen die Hij had vóór zijn menswording, géén hogere (Joh.17:1-5). Wat ze bedoelen met “hogere levensvorm” zegt men hier niet, maar dat zou een “geestelijke vorm” zijn in hun theorie. We weten met zekerheid dat de opgestane Heer volgens het schriftbewijs dezelfde is als Hij die ook is “nedergedaald naar de aardse gewesten.” Dat zegt Paulus in Eph.4:9,10. Petrus zegt dat “dezen Jezus” die gestorven is, dezelfde is als dezen die door God is opgewekt (Hand. 2:32 / 10:40). Een engel vertelt enkele vrouwen die het graf van Jezus leeg vinden: “Hij is niet hier, Hij is opgestaan” (Mat.28:68 / Luc.24:6). En Paulus tracht het unieke als volgt te beschrijven in Rom.6:9: “daar wij weten, dat Christus, nu Hij uit de doden is opgewekt, niet meer sterft: de dood voert geen heerschappij meer over Hem.” Of op een andere manier in Rom.14:9: “Want hiertoe is Christus gestorven en levend geworden, opdat Hij en over doden en over levenden heerschappij voeren zou.” Uit deze laatste tekst blijkt wel duidelijk dat wij zonder de opstanding van Christus géén toekomst meer hebben. Dan zou werkelijk alles voor ons verloren zijn. Het is de historische lichamelijke Jezus van Nazareth die aan het kruis is genageld, die gestorven is en begraven. Het is dezelfde historische lichamelijke Jezus van Nazareth die opstaat uit de dood en niet een ander. Het gaat om continuïteit en niet herschepping. In de beschrijvingen van de verschijningen van de Heer lezen we tientallen keren: Jezus kwam, Jezus verscheen, Jezus openbaarde zich enz ... De uitleg van de WT is in lijnrechte tegenspraak met Gods Woord. Evenals water kan bestaan in vaste, vloeibare of gastoestand zonder énige chemische wijziging, zo is de Logos, vóór, tijdens en na Zijn geboorte als mens, na Zijn dood en na Zijn opstanding nog steeds dezelfde persoon. Alleen in een andere toestand (Heb.13:8). De Schrift gebruikt 4 aparte werkwoorden om de opstanding te beschrijven : 1°) levendmaken (zoopoeioo) in 1 Pet.3:18, 2°) opnieuw leven geven (zaoo) in Rom.14:9 / Opb.2:8, 3°) opwekken (egeiroo) 48 maal in verband met Christus vb.in Joh.2:22 / 21:14 / Hand.3:15, 4°) doen opstaan (anistèmi) 15 maal i.v.m. Christus vb. in Luc.18:33 / 24:7,46. Paulus noemt dat in Eph.1:19: “de werking van de sterkte zijner macht.” Eigenlijk drie woorden die te maken hebben met “kracht”: “dunamis, energeia, ischus.” De opstanding van Christus en van allen die nog uit de graven zullen opstaan is het werk van de Almachtige God. Welk verschil er juist is tussen opwekken en opstaan is wellicht nog het best te begrijpen vanuit een tekst als Hand.12:7. Petrus zit in de gevangenis wanneer een engel hem “wekt” uit de slaap waarna hij zegt “sta op.” Of ook nog in Mat.8:25,26; de discipelen “wekken” Jezus en vragen Hem “sta op.” Wekken gaat vooraf aan opstaan. Zo ook in geestelijke zin volgens Eph.5:14. Vijanden van Jezus zien in Hem ook de uit de doden opgewekte Johannes de Doper (Marc.6:14,16 en Luc.9:7). Een onBijbelse en onjoodse zienswijze maar gezien de invloeden van de Griekse en Romeinse kultuur is zo een opmerking toch nog begrijpelijk. Redeneerkunst van de Jehovah Getuigen We moeten hier nadruk op leggen. Indien het opstandingslichaam van Christus geheel nieuw is dan is het een her-schepping en geen opstanding.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

153

En laat u niet beetnemen door sommige uitspraken van Jehovah’s Getuigen. Ze zeggen: “Jezus wilde géén twijfel laten bestaan in de geest van zijn discipelen dat hij werkelijk leefde. Lukas verhaalt dan ook: “Jezus toonde (...) door vele on-weerlegbare bewijzen dat hij levend was.” (‘DE WACHTTOREN’ van 15 dec. 1998, p.10). Wat ze echter bedoelen is dat: “Nadat hij zich heeft gede-materialiseerd keert hij als een geestelijk schepsel naar de hemel terug” (‘DE WACHTTOREN’ van 1 mei 1991, p.9, wij onderstrepen). We citeren uit één van hun studieboeken ‘U kunt voor eeuwig in een paradijs op aarde leven’ (1982): “Maar blijkt uit het feit dat de apostel Thomas zijn hand in het gat in Jezus’ zijde kon steken, niet dat Jezus in hetzelfde lichaam uit de doden was opgewekt als waarin hij aan de paal was genageld? Neen, want Jezus materialiseerde zich eenvoudig of nam een vleselijk lichaam aan, zoals engelen dit in het verleden hadden gedaan. Ten einde Thomas ervan te overtuigen wie Hij was, verscheen Jezus aan hem in een lichaam waarin de gaten van wonden zaten. Hij zag er, of zo scheen het althans, volkomen als een mens uit en kon eten en drinken, net als de engelen die eens door Abraham waren onthaald. Genesis 18:8; Hebreeën 13:2” (p.144, 145, wij onderstrepen). Vergelijk ook ‘Nieuwe hemelen en nieuwe aarde’ (een andere publicatie van de WT) p.175,176,310. Daar staat dat God het “verminkte lichaam” aan Christus niet kan teruggeven bij Zijn opstanding. Hij “materialiseerde” zich in “vleselijke lichamen.” En nog eens terug naar Thomas. ‘DE WACHTTOREN’ van 15 maart 1997, p.6 zegt:” De apostel had er moeite mee geloof te oefenen in Jezus’ opstanding uit de doden (...) Toen Jezus zich later materialiseerde in een lichaam dat de wonden vertoonde van zijn terechtstelling aan de paal, reageerde Thomas gunstig op dit wonder.” Het klopt natuurlijk wanneer men zegt dat niemand echt gezien heeft wat juist op die Paasmorgen is gebeurd. Ook de soldaten die bij het graf waakten waren als doden alleen al bij wat aan de opstanding voorafging (Mat.28:2-4). Maar dat maakt iets toch niet onhistorisch? Hoeveel historici moeten niet werken dan alleen met samenbrengen van alle data die men tot zijn beschikking heeft. Dat doen de vier evangelisten ook (Luc.1:1-4 / Hand.1:1-4 / Joh.20:30,31). Onder de onfeilbare leiding van de Heilige Geest (2 Tim.3:16 / 2 Pet.2:20,21)! In het geval van Christus hebben we in de Schrift een “opstanding van het lichaam” of “van het vlees.” Deze laatste uitdrukking die in enkele oude geloofsbelijdenissen staat en door vele kerkvaders gebruikt werd is geen Bijbelse uitdrukking. Maar dat wil niet zeggen dat ze verkeerd is. De acht gevallen die we in tabel hebben gebracht op pagina 72 vallen hieronder en ook de Christus, en dezen wiens lichamen nog niet tot ontbinding zullen gekomen zijn bij de wederkomst van de Heer. Over een opstanding van het lichaam spreekt Mat.27:52 / Rom.8:11 / 1 Cor.15:35,42-44 / Phil.3:21. De term opstanding “van het vlees” vinden we bij Clemens en Justinus reeds (2 Clem.9:1 en Just. Dial.80:5). Zie in dit verband o.a. L.E. Boliek, ‘The Resurrection of the flesh’, Uitg. Jacob van Campen, Amsterdam, 1962 en R.B. Gaffin, ‘The Centrality of the resurrection’, Baker Book House, 1978. Een modernere uitdrukking is “opstanding van de persoon” door P. Menoud beschreven in ‘Le sort des trépassés’, Delachaux et Niestlé, 1966, p.60 e.v.. Totaal vreemd aan wat de bijbel leert is wat H.B. Swete schrijft. Christus zou een verheerlijkt lichaam verkregen hebben “tijdens” de periode van de opstanding en de hemelvaart, 40 dagen lang. Dus een toegroeien naar Zijn echt opstandingslichaam. (‘The life of the world to come’, S.P.C.K., 1918, p.50, 51).


LEVEN, Dood en opstanding_1999

154

Ook onze Nederlandse Geloofsbelijdenissen spreken hier en daar over de opstanding. Bij Guido de Brès lezen we dat bij de opstanding: “de zielen tezamen gevoegd en verenigd worden met haar eigen lichaam in hetwelk zij geleefd hebben” (Art.37). En zondag 22 (vraag 57) van de Heidelberger heeft het over de: “troost van de opstanding des vleses.” G. C. van Niftrik zegt: “Wij moeten ons ook voor dit deel der Apostolische geloofsbelijdenis niet schamen” (‘Kleine dogmatiek’, Callenbach, 1961, p.398). In ‘Onwaakt!’ van 22 nov.1975, p.4 voegen Jehovah’s Getuigen Hand.13:34 met 1 Tim.6:16 samen en besluiten dat het onmogelijk is Christus letterlijk te zien. Op een andere plaats zeggen ze: “Sedert zijn opstanding en hemelvaart woont Christus Jezus (...) in een ontoeganklijk licht. Dit licht is zo glorierijk dat het voor zwakke menselijke ogen onmogelijk is hem te zien” (‘Hulp tot begrip van de Bijbel’, deel 6, 1989, p.957. Nu zegt 1 Tim.6:16 volgens de NWV wel dat Christus: “in een ontoegankelijk licht woont, die geen der mensen gezien heeft of zien kan” (vergelijk Ps.104:2). Het overgrote deel van de commentaren verklaart deze tekst vanuit God, de Vader. Maar laten we even mee redeneren met de optie van Jehovah’s Getuigen. Wat in 1 Tim.6:16 staat is dan slechts toepasselijk op de hemelse positie van Christus. In de onvolmaakte toestand waarin we ons bevinden kunnen we Hem niet letterlijk zien. Het heeft iets te maken met de zwakte van onze ogen. We kunnen Hem zien in visionaire toestand zoals in het boek Openbaring, of Stephanus bij zijn veroordeling als volgeling van Jezus. Men kan uit deze tekst niet méér bewijzen dan er staat. Zonder meer zeggen dat men Christus nooit kan zien is niet lezen wat er staat. Deze verklaring is nauw verbonden met hun leer der onzichtbare (tehenwoordigheid) wederkomst van Christus die in 1914 zou begonnen zijn. Maar de onhoudbaarheid daarvan beschrijven valt buiten het bestek van dit boek. (We wijzen naar twee zeer belangrijke studies die daar wat over zeggen 1°) P.L. Schoonheim, ‘Een semasiologisch onderzoek van parousia’, Firma Gebr.De Boer Aalten, 1953, 2°) H. Matter, ‘Wederkomst en wereldeinde’, Kok, 1980). Het vlees (of lichaam) van de Christus zou géén verderf zien waardoor een mogelijkheid dat God het uit de weg geruimd heeft, uitgesloten wordt. Anders beweren komt erop neer te zeggen dat Ps.16 door Paulus en Petrus verkeerd geïnterpreteerd is. Want de geïnspireerde interpretatie op Pinksterdag van Petrus is dat David: “in de toekomst (heeft) gezien en gesproken van de opstanding van den Christus, dat Hij niet aan het dodenrijk is overgelaten noch zijn vlees ontbinding heeft gezien” (Hand.2:31). Wanneer Paulus Ps.16:10 aanhaalt met geïnspireerd gezag zegt hij: “David (...) heeft wel ontbinding gezien. Maar Hij (Jezus) dien God heeft opgewekt, heeft géén ontbinding gezien” (Hand.13:36,37). We hebben dus tweemaal een aanhaling van Ps.16:10 in het NT en ook slechts vijfmaal het begrip “verderf” in het NT(tweemaal in Hand.2:27 en 31, driemaal in Hand.13:35, 36,37). Christus heeft géén verderf gezien zegt Petrus. Paulus zegt dat David verderf gezien heeft, maar dat Christus daarentegen géén verderf gezien heeft. “Neen” zeggen Jehovah’s Getuigen, “Christus heeft wel verderf” gezien. Mensen van de WT gebruiken die woorden niet. Want God heeft volgens hun theorie zijn lichaam; “uit de weg geruimd” (‘Dingen waarin God onmogelijk kan liegen’, p.355) of heeft het “opgelost in gassen” (C.T. Russell, ‘Studies in the scriptures’, volume 2, p.129) of het is “uiteengevallen zonder eerst tot ontbinding te zijn overgegaan” (‘Hulp tot begrip van de Bijbel’, deel 6, 1989, p.955). Hun theorie verkracht deze beide teksten uit het boek Handelingen. De WT doet soms verwoede pogingen om het zicht hierop te verdoezelen. Een voorbeeld is volgend citaat: “Op de derde dag na Christus’dood wekte Jehovah hem uit de dood op (...) Door deze grandioze daad (...) gaf hij


LEVEN, Dood en opstanding_1999

155

hem ook de gelegenheid zijn verlossingswerk te voltooien” (‘DE WACHTTOREN’ van 15 februari 1991, p.15, wij ondertrepen). Maar ze geloven niet echt dat Jezus is opgestaan. Dat wil zeggen dat de redeneerkunst van Jehovah’s Getuigen niet al te hoog geschat moet worden. Waarschijnlijk zijn de WT-mensen zéér trots op hen boekje “Redeneren”, wat een prachtige verdedeging is van “de waarheid”, zeggen ze dan. Maar redeneren is ook een fout die het Joodse volk gemaakt heeft. De schriftgeleerden die uiteindelijk Jezus aan de Romeinen hebben overgeleverd gingen trots om met hun redeneerstalenten. Zie aandachtig Mat.21:23-27 / Luc.3:15-17 / 5:21-26. Zelfs redeneringen met goede bedoelingen kunnen toch ook foutief zijn. Ook de apostelen (discipelen) ontsnappen er niet aan zoals blijkt uit Luc.24:38. De WT heeft in zijn eigen redeneringen het Grieks “dialogismoi” in deze tekst vertaald als “twijfels”, maar “redeneringen” is het goede woord ervoor en ze vertalen dat ook meestal zelf alzo. Dus opnieuw géén-woord-voorwoord vertaling, maar dat hoeft niet voor ons. En de redeneringen van de heidenen hadden hun ontstaan in een “onverstandig hart” en daar komt niets goeds uit (Rom.1:21,22). En daarom zal God de wijselijke redeneringen van mensen door het evangelie aan de kaak stellen (1 Cor.3:1820). Het getuigenis van de Schrift We kunnen natuurlijk niet alle teksten die betrekking hebben op de opstanding van Christus aanhalen, of aan een analyse onderwerpen. Hieronder toch een, niet volledige, lijst van wat de opstanding van Christus is: de opwekking door God van deze die gestorven was. “Christus is gestorven en levend geworden” om over levenden en doden heerschappij te voeren (Rom.14:9). Om de leesbaarheid te verhogen onderstrepen we “wie” wordt opgewekt. Al deze teksten leggen ook de nadruk op de Vader: “die de doden levend maakt en het niet zijnde tot aanzijn roept” (Rom.4:17) en “God die de doden opwekt” (2 Cor.1:9b). Hij die door God is opgewekt, de Christus, is niet meer onder de heerschappij van de dood. (Zie ook appendix p.186). Hand. 2:24 : “God evenwel heeft Hem opgewekt.” 2:32 : “Dezen Jezus heeft God opgewekt.” 3:15 : “Maar God heeft Hem opgewekt uit de doden.” 3:26 : “God heeft in de eerste plaats voor u Zijn Knecht doen opstaan.” 4:10 : “Jezus Christus, dien God opgewekt heeft uit de doden.” 5:30 : “De God onzer vaderen heeft Jezus opgewekt.” 10:40 : “Dezen heeft God ten derde dage opgewekt.” 13:30 : “Maar God heeft Hem uit de doden opgewekt.” 13:34 : “En dat Hij Hem uit de doden opgewekt heeft enz (...) .” 13:37 : “Maar Hij, Dien God opgewekt heeft.” 17:31 : “Door Hem uit de doden op te wekken.” Rom. 4:24 : “Die Jezus onze Here, uit de doden heeft opgewekt.” 6: 9 : “Dat Christus, nu Hij uit de doden opgewekt is.” 7: 4 : “Van Hem, die uit de doden is opgewekt.” 8:11 : “Die Christus Jezus uit de doden opgewekt heeft.” 10: 9 : “Dat God Hem uit de doden opgewekt heeft.”


LEVEN, Dood en opstanding_1999

156

1 Cor.6:14 : “God heeft niet alleen de Here opgewekt..”. 15: 4 : “Christus, gestorven voor onze zonden, ten derden dage opgewekt.” 15:12 : “Indien nu van Christus gepredikt wordt, dat Hij uit de doden is opgewekt.” 15:20 : “Maar nu, Christus is opgewekt” 2 Cor.4:14 : “Wij weten, dat Hij, die de Here Jezus opgewekt heeft.” Efez. 5:15 : “Die voor ons gestorven en opgewekt is.” 1 Thes.1:10 : “Die Hij uit de doden opgewekt heeft.” 2 Tim.2: 8 : “Gedenk, dat Jezus Christus uit de doden opgewekt is.” 1 Pet.1:21 : “Die Hem opgewekt heeft uit de doden.” Het is duidelijk dat de 12 apostelen van deze opstanding de “getuigen” zijn (Hand.2:32 / 3:15 / 4:33 / 10:41 / 13:31). En het contrast tussen wat Jezus door mensen is aangedaan en het wonder Gods is het thema van hun prediking, “door wettelozen gedood (...) door God opgewekt” (Hand.2:23 / 3:15 / 4:10 / 5:30). Daarom is dit ook een triomf van genade en vergeving van zonden die in Jezus’ opstanding mag gepredikt worden (Hand.5:31 / 10:43 / 13:38 / 26:18). De opstanding van Christus behoort tot het gedachtengoed dat de apostelen “overleveren” (1 Cor. 15:3,4). Het is hun “prediking” (Gal.1:11), hun “woord van God” (1 Thes.2:13) en hun “kracht Gods” (Rom. 1:16). De opmerking van J. Schmitt in dit verband is dan ook terecht: “in de ogen van de gemeente is de verrijzenis vooral en op eminente wijze het antwoord van de Vader op de onderworpenheid van Christus aan het kruis (...) dat het lijden en de verrijzenis in de Schrift twee onafscheidelijk met elkaar verbonden aspecten van één ‘mysterie’ vormen” (‘Sacamentum Mundi’, deel 12, P. Brand, 1971, p.195). En om u enig beeld te schetsen hoeveel rijkdom er zit in de prediking van de apostelen, geven we hieronder enkele titels die de jonge kerk in zijn verkondiging gebruikt voor de Opgestane Heer. Hand. 2:36 : tot Christus gemaakt. 3:14 : den Heilige en Rechtvaardige. 3:15 : den Leidsman ten leven. 3:20 : Christus die (...) bestemd was. 3:22,23 : een profeet als Mozes. 3:26 : Zijn knecht. 4:25 : den Heilige Gods. 4:27 : heiligen knecht Jezus. 5:31 : Leidsman en Heiland. 7:56 : Zoon des mensen. 7:59 : Here Jezus. 8:37 : Zoon van God. 1 Cor.16:22 : den Here. Heb.2:10 : Leidsman hunner behoudenis. 12:2 : voleinder des geloofs. Moeten we letterlijk Zijn vlees eten?


LEVEN, Dood en opstanding_1999

157

In het tijdschrift ‘DE WACHTTOREN’ van 1 april 1966, lezen we op p.214 wat betreft de onmogelijkheid (volgens een Jehovah Getuige) van een letterlijke en lichamelijke wederkomst van Christus: “Opnieuw zijn het Jezus’ woorden die zo’n gedachte uitschakelen. In Johannes 6:51 zegt hij: “Ik ben het levende brood (...) het brood dat ik zal geven is mijn vlees ten behoeve van het leven der wereld.” Aldus offerde Jezus zijn vleselijke lichaam voor de mensheid op” (wij onderstrepen). Vergelijk ‘Onwaakt!’ van 22 nov.1973, p.4 of ‘DE WACHTTOREN’ van 15 april 1982, p.4-9. We citeren nog uit een andere publicatie, ‘Hulp tot begrip van de Bijbel’, deel 6, 1989, p.1162 (eerste par.): “Jezus zelf zei: Inderdaad, het brood dat ik zal geven, is mijn vlees ten behoeve van het leven der wereld” (Joh.6:51). Dientengevolge kon hij bij Zijn opstanding zijn lichaam niet terugnemen, an-ders zou hij het slachtoffer dat hij God ten behoeve van de mensheid had aangeboden hebben teruggenomen.” Deze éne tekst die de WT als verwijzing geeft is deel van een gesprek vanaf vers 28 tot 70. Veronderstellen we dat Christus zijn letterlijk vlees geeft voor de wereld. Natuur-lijk vragen we ons (zoals de Joden) af: “Hoe kan deze man ons zijn vlees te eten geven?” (Joh.6:52). Waarop Jezus tot hen (en tot ons) zegt: “Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: Indien gij het vlees van de zoon des mensen niet eet en zijn bloed niet drinkt hebt gij geen leven in uzelf. Wie zich met mijn vlees voedt en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven, en ik zal hem op de laatste dag opwekken” (Joh.6:52,54). Indien men dit letterlijk ziet dan komt het hier op neer, dat we als christenen, (meer zelfs dat “de wereld” van goddelozen Joh. 6:51) het vlees van de Zoon des mensen en Zijn bloed letterlijk moeten eten en drinken. Zou het mogelijk zijn? En wáár is dat vlees en bloed van de Heer zodanig dat we het kunnen eten en drinken? Een letterlijke uitleg is absurd, onlogisch en onbijbels. Het is ook in tegenspraak met de leer van de WT want God heeft het lichaam (dus ook vlees) van Christus “uit de weg geruimd.” Zijn vlees kán dus geen letterlijk voedsel meer zijn. Wat is dan de betekenis van deze woorden? We hebben hier te maken met een symbolische voorstelling van zaken. Dit spraakgebruik van Jezus kennen we onder de naam van “synechdoche” of de Latijnse uitdrukking “pars-pro-toto.” Dat is een uitdrukking waar een deel van iets de voorstelling is van het geheel. Er zijn hiervan tientallen voorbeelden in de Bijbel. Zo is bijvoorbeeld het woord “ziel” in vele gevallen een synechdoche (mijn ziel = Ik o.a. in Gen.12:5 / 14:21 / 17:14 / Rom.13:1 / 1 Pet.3:20 ). Het woord “lichaam” is in sommige teksten ook de voorstelling van de persoon zelf (o.a. in Ex.21:3 / Rom.12:1 / Jac.3:6). In dit spraakgebruik heeft ook “vlees” de betekenis van de “gehele persoon” (o.a. in Gen.6:12 / Ps.56:4 / 65:2 / Jes.40:5,6 / Mat.19:5 / Rom.3:20 / 1 Cor.1:29 / 1 Pet.1:24). Datzelfde hebben we ook in Joh.6:51-56. Evenzo Joh.1:14  “Het woord is vlees geworden” en Heb.5:7  “de dagen van Zijn vlees.” We hebben hier een symbolische uitspraak. Jezus is als het hemelse manna en dezen die ervan gebruik willen maken moeten tot Hem komen (Joh.6:35,37). Men moet in Hem geloven (Joh.6:47). In Hem is eeuwig leven (Joh.6:49,50). Door tot Hem te komen ontstaat er levensgemeenschap tussen Christus en de gelovige, waardoor de Heer voor hem als voedsel wordt. Een letterlijke uitleg van Joh.6:51 is onBijbels en onmogelijk. God vraagt geen kanibalisme van ons. We moeten Zijn Zoon niet letterlijk eten. Gedeeltelijk geeft de WT dit ook toe in ‘Hulp tot begrip van de Bijbel’, deel 8, 1991, p.1566. Concreet is het dit: Jezus moet Zijn leven geven voor de wereld zodat Zijn leven kan overgedragen worden aan de gelovige. Het manna uit de woestijn gaf aan wie het gegeten hebben geen eeu-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

158

wig leven. Christus het Hemelse Manna geeft wel eeuwig leven (zie Ex.16:13-15 / Joh.6:32-35 / Opb.2:17). Daarom moet de gelovige deel hebben aan de Christus. Hem aannemen is deelhebben aan wat Hij voor ons gedaan heeft. Deelhebben aan de weldaden en vruchten van Zijn offer. Dat is ook wat Joh.6:63 zegt: “De Geest is het, die levend maakt, het vlees doet geen nut; de woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en leven.” Indien men toch persé dit gedeelte als een offer wil voorstellen dan moet het met het spijsoffer gebeuren uit Lev.2. En dat is géén bloedig offer maar bestond uit de vrucht van de aarde, fijne bloem (Ex.29:2). Vlees en beenderen Bij een bepaalde verschijning van Jezus aan zijn discipelen schrijft Lucas: “Terwijl zij over deze dingen spraken, stond hijzelf in hun midden en zei tot hen: “Vrede zij u.” Omdat zij echter schrokken en vrees hun had aangegrepen, meenden zij een geest te aanschouwen. Daarom zei Hij tot hen: “Waarom zijt gij verontrust en waarom komt er twijfel op in uw hart? Ziet mijn handen en mijn voeten dat ik het zelf ben, betast mij en ziet, want een geest heeft geen vlees en beenderen zoals gij aanschouwt dat ik heb” Luc.24:36-39. Wat de WT over deze tekst zegt is nogal grappig. Zij schrijven in het tijdschrift ‘Onwaakt!’ van 22 aug.1962, p.5,6: “Jezus is in feite niet eens in zijn menselijke gedaante naar de hemel opgevaren want vlees en bloed kunnen het koninkrijk Gods niet beërven. Het heeft geen zin te betogen dat Jezus bij zijn opstanding vlees en beenderen en geen vlees en bloed was, want het vergankelijke beërft de onvergankelijkheid niet en een lichaam van vlees en beenderen is net zo vergankelijk als een lichaam van vlees en bloed (...) Hij zei niet “vlees en bloed” omdat zij zijn bloed niet konden betasten, maar zij konden wel zijn beenderen, evenals zijn vlees voelen” (wij onderstrepen). Dezelfde redenering komt ook nog eens terug in ‘Hulp tot begrip van de Bijbel’, deel 1, 1982, p.153 of ‘Inzicht in de Schrift’, deel 1, 1995, p.255. Eén tekst in de Schrift zou dit al kunnen tegenspreken. Er staat in Heb.9:24 namelijk dat Christus de ware hemel is binnengegaan met zijn vergoten bloed en heeft dat bloed op symbolische wijze als verzoening aangeboden aan de Vader. Ook nog Heb.1O:11-14. Geen enkele tekst zegt dat hij zijn lichaam van vlees en beenderen naar de hemel meegenomen heeft om God als verzoening aan te bieden; letterlijk niet en symbolisch niet. De belangrijkste teksten over het bloed van Jezus zijn: Eph.1:7 / 2:13 / Col.1:20 / Heb.9:14. Laat ons die tekst van Lucas even nagaan. Twee Griekse woorden in vers 37 “ptoëthentes” en “emphoboi” wijzen erop dat de discipelen ten zeerste geschrokken waren. Vers 37 is o.a. als volgt vertaald: “verschrikt en zeer bevreesd” SV. “verschrikten en vreesden” Luther. “verschrikten (...) vol vrees” Leidse vertaling. “ontzet en verschrikt” Brouwer, NBG “van schrik en vrees bevangen” Canisius. “hun opwinding en hun schrik” Willibrord 1995. Vers 38 bevat de vraag van de Heer aan zijn discipelen: “Waarom zijt gij ontsteld?” NBG / Canisius. “Wat zijt gij in verwarring?” Brouwer.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

159

“Wat zijt gij ontroerd?” Leidse Vertaling / SV. “Wat zijt gij zo verschrikt?” Luther. Vers 39: Sommigen onder hen hadden de opgestane Heer reeds gezien maar nu Hij er was bij gesloten deuren, kwam de schrik hen op het lijf. Zij veronderstelden een geest te zien zegt Lucas. Jezus vraagt naar de redenen van hun twijfels en zegt nadrukkelijk, als het ware een definitie gevend van zichzelf na zijn opstanding: “een geest heeft geen vlees en beenderen zoals gij aanschouwt dat ik heb.” Vers 41a: “Toen zij van blijdschap nog niet geloofden” SV. “En toen zij nog niet geloofden van blijdschap” Luther. “En toen zij van vreugde het nog niet geloofden” Leidse vertaling. “En daar zij van blijdschap nog ongelovig bleven” Brouwer. Vers 41b: “vol verbazing waren” Canisius. “zij verwonderden zich” Luther. “zij verbaasden zich” Leidse vertaling. “zij de Heer verwonderd aan” Brouwer. Daarom heeft Hij nog een maaltijd met hen (verzen 41c-47). Om ze te overtuigen dat Hij het is. Na het tonen van Zijn handen en voeten is dit het tweede bewijs dat hun ongeloof moet overbruggen. Hij eet nog steeds als vroeger. Op dat moment zouden ze niets méér hebben kunnen begrijpen van dit wonder. De Heilige Geest moet hen dat nog duidelijk maken op Pinksteren. De nadrukkelijke woorden van Christus, “zie MIJN HANDEN en MIJN VOETEN” mogen hierbij niet vergeten worden of geminimaliseerd. Dit was een uitnodiging tot Zijn discipelen van wetenschappelijk onderzoek. Want die handen en voeten moesten de tekenen tonen van de nagels der kruisiging. Ook bij de tweede verschijning van Jezus aan Zijn discipelen “toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde” (Joh.20:20). En in tegenstrijd met Jehovah’s Getuigen die de kruisiging afbeelden waar slechts één nagel beide handen doorboort, weet Thomas beter. Hij moet “het teken” of “de plaats” der nagels (meervoud) zien in de handen van Jezus (Joh.20:25). De Heer zou hen lelijk bij de neus nemen indien dit slechts gematerialiseerde lidtekens waren in gematerialiseerde ledematen. Het bewijs der opstanding zou vals (vervalst) geweest zijn. Toch is het dat wat Jehovah’s Getuigen beweren. Men kan tot op zekere hoogte redeneren vanuit Opb.5:6 dat de tekenen van Zijn dood ook nu nog aan Hem te zien zijn. Christus is beschreven: “een lam, als gelacht.” Zo zullen tekenen van de slachting merkbaar zijn, om aan te geven dat het Lam geen schuld heeft. Zie ook in 1 Pet.4:1 de uitdrukking “naar het vlees geleden.” De opstanding van Christus is dan ook uitzonderlijk. Het enige opstandingslichaam met tekenen van wonden is het lichaam van Christus. De Heer is niet opgestaan zoals het nog met toekomstige opstandingen zal zijn. Jehovah’s Getuigen zeggen over de aardse opstanding: “Evenzo is het logisch dat de mensen in de opstanding met een gaaf lichaam terug komen. Dit was ook zo met al degenen die volgens het Bijbelse verslag uit de doden werden opgewekt (Lukas 8:54,55). Lazarus bijvoorbeeld was reeds gedeeltelijk tot ontbinding overgegaan, maar hij kwam gaaf en gezond uit het graf te voorschijn (Johannes 11:39-44)” (‘Het leven heeft wel degelijk een doel’, 1977, p.172). Tegenstrijdig aan deze uitspraak zeggen ze enkele jaren later (nieuw licht?) over de opstanding van mensen op de nieuwe aarde: “Maar hij zal niet volmaakt zijn wanneer hij wordt teruggebracht, want hij moet nog geloof oefenen in Christus’losprijs” (‘Hulp tot begrip van de


LEVEN, Dood en opstanding_1999

160

Bijbel’, deel 6, 1989, p.1165, wij onderstrepen). Of zijn ze volmaakt in lichaam en onvolmaakt in geest en aldus predikt de WT een tweede kans voor dezen? En nog een korte opmerking in dit verband over de Kerk vaders. Dit Bijbelgedeelte (Luc.24:3639) is voor hen één der belangrijkste in hun strijd tegen de docetisten, zij die leren dat Jezus geboren, gestorven en opgestaan is in een schijnlichaam. Zie o.a. Ignatius aan de Smyrniers 2 tot 3:3. Maar kerkvaders hebben soms rare leerstellingen. Zo leren Gregorius van Nyssa en Basilius, dat God uit een klein beentje de mensen zal laten opstaan uit de doden. Ze baseren zich waarschijnlijk op een Joodse leer dat God van elk mens een beentje bewaard - het ‘luz’ been - en dat Hij zoals met Eva het geval was, de mens opnieuw gevormd word uitgaande van een stuk been (vergelijk Ezech.37:1-10). Hoe het Koninkrijk beërven? De WT geeft in ‘Onwaakt!’ van 22 aug.1962, p.5,6 enkele redenen waarom Christus geen vlees en beenderen zou kunnen hebben, redenen die tot drie te herleiden zijn. En dan voor de tweede maal deze aanhaling: “Jezus is in feite niet eens in zijn menselijke gedaante naar de hemel opgevaren want vlees en bloed kunnen het koninkrijk Gods niet beërven. Het heeft geen zin te betogen dat Jezus bij zijn opstanding vlees en beenderen en geen vlees en bloed was, want het vergankelijke beërft de onvergankelijkheid niet en een lichaam van vlees en beenderen is net zo vergankelijk als een lichaam van vlees en bloed (...) Hij zei niet “vlees en bloed” omdat zij zijn bloed niet konden betasten, maar zij konden wel zijn beenderen, evenals zijn vlees voelen” (wij onderstrepen). Kort samengevat dus deze drie punten: a) Vlees en bloed kan Gods Koninkrijk niet erven. 1 Cor.15:50. b) “Vlees en bloed” en “vlees en beenderen” zijn dezelfde uitdrukkingen. c) Vlees en beenderen zijn vergankelijk. Laat ons even kijken naar punt a. Deze bewijsvoering is misleidend, want wat zegt 1 Cor. 15:50? Er staat dat “vlees en bloed Gods Koninkrijk niet kunnen beërven.” Die uitdrukking “vlees en bloed” vinden we ook nog in Mat.16:17 / Gal.1:16 / Eph.6:12 / Heb.2:14. Deze dubbele uitdrukking heeft niet alleen te maken met de substantie van ons menselijk lichaam maar met “onze natuur” in zijn geheel, ons denken, gevoelen en alles incluis. In al de teksten van het NT heeft het een symbolische betekenis, nooit letterlijk. (Voor het verband tussen zonde/vlees zie o.a. Rom.7:12,18 / 8:4,5,7,12 / 1 Joh.2:16). De ongelovigen zijn als vlees of gras dat verdort. De Psalmist schreef al: “want niemand die leeft is voor u rechtvaardig” (Ps.143:2). T.t.z. men zal eerst rechtvaardig verklaard moeten worden. De gelovige wordt nu al wedergeboren voor de nieuwe hemel en nieuwe aarde (1 Pet.1:24 / Joh.3:6 / 6:63). Jezus openbaart zich reeds tijdens dit leven in ons “sterfelijk vlees” (2 Cor.4: 10,11). Ons “sterfelijk lichaam” moet door God levend gemaakt worden (Rom.6:12 / 8:11). Maar Jezus is geen zondaar, moest niet wederom geboren worden en 1 Cor.15:50 is dan ook op Hem niet van toepassing, ook niet op Zijn opstanding. De opstanding van Jezus is een bijzondere omstandigheid. 1 Cor.15:50 leert dat een mens van “vlees en bloed” zonder bekering en geloof Gods Koninkrijk niet binnengaat. Er moet aan die mens door goddelijk ingrijpen nog iets veranderen. Daarover spreekt Paulus in de context. Hij zegt in 1 Cor. 15:53: “Want dit vergankelijke moet onvergan-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

161

kelijkheid aandoen en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen.” Deze verklaringen worden in de Griekse tekst voorafgegaan door een klein Grieks woordje “dei” wat wijst op een zeer duidelijke noodzakelijkheid, een moeten. De Interlineaire Grieks-Engelse vertaling van de WT vertaald dit als: “it is necessary” (“het is noodzakelijk”). Zie het gebruik van “dei” (moet) o.a. in Mat.16:21 / 17:10 / 24:6 / 26:54. Maar blijkbaar heeft de WT een bekrompen visie op wat God kan als schepper, of een gebrek aan verbeelding. Ook de wedergeboorte van de gelovige is niet aan zijn uiterlijk merkbaar. Niet in wat hij in het lichaam is (men kan blind, doof of wat anders zijn), maar in wat hij zal doen als gelovige. God kan in de opstanding van “dit”, ook nog “dat” maken. En Hij zal dit “noodzakelijk” ook doen. Er is verder dat andere op het eerste zicht niets-zeggende woordje “touto” hier tweemaal vertaald als “dit.” Een verwijzing naar het “dit” van 1 Cor.15:46-50 nl. de natuurlijke, vleselijke, aardse, vlees en bloed natuur van de mens die noodzakelijk moet veranderen om Gods eeuwig rijk binnen te gaan. Die mens moet eerst geestelijk, onsterfelijk en onverderfelijk worden. Maar de WT begrijpt het woordje “dit” in het geheel niet. Paulus zegt wezenlijk: “dit” moet “dat” worden, een overgang van “dit” naar “dat.” Zoals een zaad dat ontstaan geeft aan een roos of een rups die een mooie vlinder wordt. Zo zal alles wat in ons sterfelijk is, overgaan naar onsterfelijkheid en heerlijkheid. We hebben als afstammelingen van Adam; “in ons lichaam” zijn beeld gedragen; zondig en opstandig. Maar we zullen ook het beeld van de hemelse nog dragen, “in ons lichaam”, een beeld van leven naar de wil van God (1 Cor.15:49), door de kracht van de Heilige Geest. De oude, niet wedergeboren, mens heeft; “een lichaam der zonde” of “des doods” (Rom.6:6 / 7:24). Dat soort lichaam moet teniet gedaan worden en zelf dood gaan (Rom.6:6 / 8:10). Deze tabernakel moet niet ontkleed maar “overkleed” worden (2 Cor.5:4). Een natuurlijk lichaam, een geestelijk lichaam Gaan we dan over tot punt c uit de redenering van de WT. De uitdrukking “geestelijk lichaam” vinden we één maal in de Bijbel: in 1 Cor.15:44. De Wachttoren maakt hier een één-tekst-filosofie van. Jehovah’s Getuigen beweren dat het opstandingslichaam van Christus en de 144.000 slechts gééste-lijk zou zijn. Het bijvoeglijk naamwoord “geestelijk” (pneuma-tikon) mag hier evenwel niet begrepen worden in de zin van onstoffelijk. In dat geval zou de tegenstelling niet opgaan: natuurlijk lichaam - geestelijk lichaam. Deze adjectieven spreken slechts over de hoedanigheid van het ene lichaam, eerst gezaaid in natuurlijke (fysieke) toestand, bij de opstanding verandert tot een lichaam vervuld van de geest. Het is één lichaam in twee toestanden. Het verband tussen de twee ligt in dat ene “zaadbeginsel” waarover Paulus in vers 43 spreekt. Deze betekenis van het begrip geestelijk kan ook de toets doorstaan van een nader onderzoek van dit woord zoals in Rom.1:11 / 7:14 / 15:27 / 1 Cor.2:15 / 3:1 / 9:11 / 10:3,4 / 14:37 / Gal.6:1 / Eph.1:3 / 5:19 / Col.1:9 / 1 Pet.2:8. In dit verband kunnen vragen als: Hoe kan dit? of Waarom dat en niet anders?, beter zonder antwoord gelaten worden (1 Cor.13:12). Eén tekst uit deze lijst hierboven heeft een grote gelijkenis met 1 Cor.15:44. Het gaat om 1 Cor.2:14,15. We citeren de Statenvertaling omdat de NBG hier niet duidelijk genoeg is: “Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die van de Geest van God zijn; want zij zijn hem dwaasheid (...) Doch de geestelijke mens onderscheidt wel alle dingen (...) SV. De mens kent, bij de wedergeboorte, bij het tot geloof komen, een merkwaardige verandering. Geboren als “ziellijk mens” (het Grieks gebruikt hier “psuchikos”) zal hij door Gods herscheppende macht een “geestelijk mens” worden (in het Grieks hier “pneumatikon”). Zo zal dezelfde gelovige mens


LEVEN, Dood en opstanding_1999

162

ook de verandering doormaken van het “ziellijk lichaam” naar het “geestelijk lichaam.” Het proces van wedergeboorte dat vóór de wederkomst aan de mens in geestelijke zin is begonnen, wordt nog eens opnieuw aan Zijn letterlijk lichaam volbracht bij de wederkomst van de Heer. Wij zijn bestemd “gelijkvormig te worden aan het beeld zijns Zoon” (Rom.8:29). Wij moeten “de heerlijkheid des Heren weerspiegelen” (2 Cor.3:18). Niet de heerlijkheid van “Jehovah” zoals Jehovah’s Getuigen vertalen, maar wel van Christus (vergelijk met 2 Cor.4:4). Het mag ons niet ontgaan dat er in dit gedeelte een merkwaardige verschuiving plaatsvindt van het begrip “lichaam” (1 Cor.15:38) naar “vlees” (vers 39). De twee zijn synoniem: vergelijk ook 1 Cor.5:3 met Col.2:5. Het zou dan ook maar een kleine sprong zijn in vers 44 te lezen: er wordt een natuurlijk vlees gezaaid en een geestelijk vlees opgewekt i.p.v. natuurlijk lichaam en geestelijk lichaam. Wel moet men vlees dan niet slechts zien als de materiële substantie op zichzelf maar als een synechdochaal beeld van de mens in zijn geheel. En als gelovigen wandelen we nu reeds “naar de geest” en niet “naar het lichaam” (Rom.8:4,5 / 2 Cor.10:2-6). Die verandering in ons is nodig. Het “aards ongeestelijk” (Jac.3:15) en “natuurlijk” ongeestelijke (Judas 19) blijft niet. Doordat wij geloven zal ons sterfelijk lichaam levend gemaakt worden (Rom.8:11). En leest u a.u.b. wat er staat: het sterfelijk lichaam wordt levend gemaakt. Als er werkelijk sprake zou zijn van een lichaam bestaande uit “geest” dan zou men een adjectief hebben eindigende op “-inos” en dat is “pneumatikon” niet (Zie Moulton and Howard, ‘A grammar of New Testament Greek’, volume 2, 2de uitgave T.& T. Clark, p.378,379). P. Van den Berghe zegt over de betekenis van deze tekst dan ook terecht: “Daaruit blijkt voldoende dat ‘soma pneumatikon’ (geestelijk lichaam) hier niet kan beduiden: ‘een gestalte, gevuld met een pneumatische materie’, ‘een lichaam gemaakt van pneuma’ (zo H. Lietzmann (...)), maar wel: een lichaam dat be-antwoord aan ons bestaan in de Geest’ (W. Kümmel (...)), of zoals we in de tekst parafraseerden, een lichaam, bezield, van leven voorzien door de Heilige Geest of door onze geest van Zijn Geest” (‘Collationes Brugenses et Gandavenses’, elfde jaargang, n°2, 1965, p.212, voetnota). Hoewel in het OT enkele malen over “vlees en bloed” gesproken wordt om een familierelatie te beschrijven, in het NT vinden we de uitdrukking slechts hier (Gen.29:14 / Richt.9:2). Christus gebruikt deze uitdrukking in Lucas 24:39 niet. Hij zegt niet “vlees en bloed” aangezien dit zijn verheerlijkte toestand niet zou omschrijven, maar de Opgestane heeft “vlees en beenderen.” Hiermede zijn de punten a en c uit de voorgaande argumenten van de WT besproken. “Vlees en beenderen” anders dan “vlees en bloed” De WT zegt dat de uitdrukkingen “vlees en bloed” en “vlees en beenderen” hetzelfde zijn (punt b). Maar dat is fout. De Bijbel zegt over de Heer dat deze met de menswording “vlees en bloed” t.t.z. “mens” is geworden. (1 Tim.3:16 / 1 Joh.4:2 / Rom.8:3). De Heer is op gelijke wijze als andere mensen “vlees en bloed” geworden voor een korte tijd. In die tijd zou Hij ook de duivel onttronen (Heb.2:14). Dit waren de dagen van Zijn vlees (Heb.5:7). Maar de Christus zegt na zijn opstanding “vlees en beenderen” te hebben en niet slechts een geest (“pneuma” of “phantasma”) te zijn (Luc.24:39). Anders beweren is de Messias tot leugenaar maken. Een duidelijke vooruitgang in de leer van de WT is dat men in ‘Onwaakt!’ van 22 jan.1977, p.27 toegeeft: “dat God het vermogen heeft iemand met hetzelfde lichaam op te wekken als hij bij zijn dood had.” Jammer dat de rest van het artikel nog steeds de oude vertrouwde visie geeft vanuit


LEVEN, Dood en opstanding_1999

163

Russell’s tijd. Want indien Christus Lazarus die vier dagen in het graf ligt in zijn eigen lichaam kan opwekken, waarom kan Christus, die slechts drie dagen in het graf was, niet in zijn eigen lichaam opstaan? Lazarus was reeds in ontbinding (Joh.11:39). Het lichaam van Christus heeft géén ontbinding of verderf gezien (Hand. 2:27). Is dat dan moeilijker voor God? Het is in elk geval dwaas te beweren dat God zoiets niet zou kunnen bewerkstelligen. Deze dwaasheid (of veeleer dit onge-loof) klaagt Paulus dan ook aan in zijn illustraties van 1 Cor.15:3538. Uit een zaad komt altijd dat voort wat van dezelfde natuur is als het zaad. Uit het “zaad” van een mens ontstaat géén geest. Nog complexer is het bij Jehovah’s Getuigen waar 144.001 (de 144.000 plus Christus inbegrepen) een ‘geest’ worden en de rest een ‘aards lichaam’ ontvangen, alles uit hetzelfde soort zaad! En we doen hier niet aan inlegkunde van de leer van de WT. Over dezen die een aardse opstanding krijgen zeggen ze: “Hij zal daarentegen een lichaam krijgen zoals het God behaagt” ‘Hulp tot begrip van de Bijbel’, deel 6, 1989, p.1165. Nu is dit een aanhaling van 1 Cor.15:38 en dat hebben ze op p.1161,1162 uitgelegd met betrekking tot de 144.000. We citeren hieruit een klein stukje: “Aan hen die “geroepen en uitverkorenen en getrouwen zijn.”.. zijn broeders (...) moeten afstand doen van vlees en bloed en zullen door middel van een opstanding een onsterfelijk, onverderfelijk lichaam ontvangen (...) “zoals het hem heeft behaagd” (1 Cor.15:35-40). En daarom ook onze opmerking; uit hetzelfde soort zaad komen geen twee soorten opstanding, een hemels geestelijke voor 144.001 en een aards lichamelijke voor alle anderen. Hoe staat dat in verhouding tot Christus? In 1 Cor. 15:45 is Christus beschreven als de laatste Adam: een levendmakende geest. Het commentaar van Jehovah’s Getuigen is dan gewoonweg: “Christus is thans een geest.” Maar dan lezen we toch ook nog in Phil.3:21: “over het lichaam van zijn heerlijkheid.” “Geest” in 1 Cor.15:45 zegt Grosheide, zie zijn commentaar, moet verklaard worden uit vanuit het begrip ziel. Omdat Christus niet ziel “is” zondermeer, gebruikt Paulus de veel algemener uitdrukking “levendmakende geest.” Niet dat Christus een levendmakende geest geworden is bij zijn opstanding want dat staat er eenvoudigweg niet. Het begrip “geest” wijst naar de persoon van de Heilige Geest (Joh.6:63). In die zin moeten we ook Clemens Romanus begrijpen wanneer hij zegt: “Christus de Heer die ons gered heeft, eerst Geest was en toen vlees werd” (2de brief 9/5). Clemens stierf 101 of 102 N.C. en wist dus iets af van apostolische traditie. Wat J.S. Vos zegt over 1 Cor.15:50, is dus zeker niet juist volgens de Schrift. Hij schijft: “Als “vlees en bloed”, als vergankelijk schepsel, kan de mens geen deel krijgen aan het Rijk Gods, want het Rijk Gods is het rijk van de onvergankelijkheid. Alleen door een lichamelijke metamorfose, waarbij de mens het vergankelijke lichaam verwisselt voor een onvergankelijk lichaam, kan hij burger worden van het Rijk Gods. De opstanding kan voor Paulus daarom nooit “opstanding des vleses” zijn, want het vlees behoort tot het gebied van de vergankelijkheid, het gebied waarin de Dood zijn heerschappij uitoefent. Het nieuwe lichaam is geestelijk, van hemelse; onvergankelijke substantie” (‘Houdt het op met de dood?’, Musschenga en Vroom redactie, Kok, 1989, p.34, 35). Dit klopt niet in het geval van Christus. Ook niet voor dezen die tot de gemeente behoren en levend zijn achtergebleven bij de wederkomst van de Heer. Dezen worden “veranderd” van een sterfelijk lichaam naar een onsterfelijk, alles in één ogenblijk van de tijd (1 Cor.15:51-53 / 1 Thes.4:13-17). We komen hierop terug in hoofdstuk drie. Hetzelfde boek heeft wel enkele goede opmerkingen over de identiteit van een mens, soms wel op de filosofische toer en zo ook te behandelen (Zie de artikelen van L.J. van den Brom en H.L. Vroom.) Een andere opmerking in dit verband. Ook engelen hebben een lichaam (Ezech.1:11,23 / Dan.10:6). En gezien engelen ook “geesten” zijn moeten we concluderen dat ze een geestelijk lichaam bezitten. Maar dit is niet hetzelfde soort geestelijk lichaam als het lichaam dat Christus sinds zijn opstanding heeft, of het toekomstige lichaam van wie “in Christus” zijn. De redenering


LEVEN, Dood en opstanding_1999

164

van de WT is dat aangezien Gods: “heerlijke, hemelse, geestelijke lichaam” de opgestane Christus dus ook “geestelijk” moet worden opgewekt. Maar ook de 144.000 van wie ze zeggen: “Daar Jezus’ medeerfgenamen met hem verenigd zullen zijn in de gelijkheid van zijn opstanding worden ook zij niet slechts opgewekt tot eeuwig leven als geestelijke schepselen, maar tot onsterfelijkheid en onverderfelijkheid” (‘Hulp tot begrip van de Bijbel’, deel 6, 1989, p.1023 (God), p.1161 (Christus), p.1144,1162 (de 144.000)). (Zie ook ‘Insight on the scriptures’, volume 2, 1988, p.785,786.) Is de opgestane Heer “de onbekende?” De WT schrijft: “Bij sommige gelegenheden kenden of her-kenden de discipelen de opgestane Jezus niet (Mat.28: 16,17 / Luk.24:15,16 / Joh.20:14-16 / 21:4-12)” (‘DE WACHTTOREN’ van 15 april 1963, p.236 of ‘Inzicht in de Schrift’, deel 2, 1997, p.516, onderdeel over ‘De Hemelse opstanding’). In het artikel komt men tot de conclusie dat Christus zich in verscheidene lichamen materialiseerde zoals de engelen vroeger gedaan hadden. In ‘Hulp tot begrip van de Bijbel’, deel 6, 1989, p.955 staat: “Na zijn opstanding verscheen Jezus in verschillende lichamen.” Echter, de vier voorbeelden die men geeft zijn geen bewijs, ja het tegendeel wordt erdoor bewezen. In de eerste tekst staat: “De elf discipelen gingen echter naar Galiléa, naar de berg waar Jezus met hen had afgesproken, en toen zij hem zagen, brachten zij hem hulde, maar sommigen twijfelden” (Mat.28:16,17 NWV, wij onderstrepen). Dit is geen probleem op zich. Er staat dat enkele discipelen Hem huldigen en dáárna dat sommigen twijfelden. De elf apostelen die Hem ondertussen al enkele malen “levend” (Hand.1:3) gezien hebben “aanbidden” (Grieks “proskuneo”) Hem. Maar in Galilea zijn er andere leerlingen die Hem nog niet hebben gezien na Zijn opstanding en deze twijfelen: aan de opstanding of het verhaal dat de apostelen hen verteld hebben? Waarom zij twijfelden wordt niet genoemd. In elk geval was hun twijfel niet aan de identiteit van de Heer, veeleer aan Zijn autoriteit want om hun twijfels de kop in te drukken zegt Christus dan: “Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde” (Mat.28:18-20). Een macht die zich uitstrekt over vijf terreinen: 1°) Als leraar (Mat.7:28,29 / Joh.22: 17), 2°) Als Hogepriester (die zonden vergeeft Luc.24: 46,47), 3°) Als koning (Eph.1:20-23), 4°) Als overwinnaar op de dood (Joh.10:17,18 / Opb.1:18), 5°) Als rechter over de wereld (Joh.5:27 / Hand.10:42). Later heeft het Wachttorengenootschap zijn vroeger argument afgezwakt in een klein artikel waaruit het volgend citaat. “Dat degenen die twijfelden niet apostelen waren, maar discipelen in Galiléa aan wie Jezus nog niet was verschenen” (‘DE WACHTTOREN van 1 dec.1992, p.30). Het gaat dan om enkelen van de vijfhonderd in Galiléa aan wie de Heer nog niet was verschenen (1 Cor.15:6). Ze twijfelden dus niet meer toen Hij hun verschenen was, of wel soms? Als tweede bewijs geeft de WT een verwijzing naar de geschiedenis van de discipelen van Emmaüs. Maar bij het lezen van dit verslag zien we in Luc.24:16 NWV: “maar hun ogen werden even weerhouden hem te herkennen.” De Griekse tekst gebruikt hier de passieve vorm van “krateoo” (vasthouden). Ze werden door iets buiten henzelf weerhouden om Christus te herkennen en we kunnen hen daarom niet beschuldigen. Datgene wat hen weerhoudt Christus te herkennen is voorzeker Gods wil of de macht van Christus. In elk geval staat in vers 31 dat wanneer hun ogen niet meer weerhouden werden zij Hem herkenden en er staat niet dat de Heer ondertussen van gedaante veranderd was.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

165

Het derde bewijs van de materialisatie-theorie van Christus volgens de WT is de geschiedenis van Maria van Magdala in Joh.20:14-16. Dit verhaal is eigenlijk de beschrijving van het tweede bezoek van Maria aan het graf. Het eerste bezoek was: “terwijl het nog donker was” (Joh.20:1 NWV), “tegen het aanbreken” (Mat.28:1 NBG), “Toen het licht begon te worden” (Mat.28.1 NWV). In hoeverre het nog donker was bij het tweede bezoek weten we niet. De zichtbaarheid zou ook hier een argument kunnen zijn in de herkenning. Maar wie dit leest (van 11-16) komt tot de slotsom dat Christus daar niet in een ander lichaam was dan datgene wat Hij had voor zijn dood. Maria zocht niet persé naar een opgestane Heer. Ze dacht dat men Christus in een ander graf had gelegd. Er staat in de tekst dat Maria weent. Het Griekse woord hier is “klaio” en geeft een luid en onophoudend wenen te kennen. In haar tranen ziet ze achterom en denkt de tuinman te zien die in werkelijkheid Jezus was. Maar het achter zich kijken is in tranen en slechts vluchtig. We zien dit als we vers 14 en vers 16 vergelijken. In de vertaling van de WT staat: “wendde zich achterwaarts” (vers 14 - ook in de vertaling van Brouwer) en “zij keerde zich om” (vers 16). Vers 16 wordt in Nederlandse vertalingen weergegeven als “keerde zich om (toe)” in SV, Canisius en NBG of “wende zich om” in Leidse Vertaling en Brouwer. Als vertaling is de NWV voor dit versgedeelte te verkiezen boven de NBG die er tweemaal hetzelfde vertaald. Maar andere vertalingen maken wel het onderscheid zoals de KJV, NEB, Philips en Segond. De eerste maal keek Maria slechts vluchtig achter zich, de tweede maal keert zij zich om. Dan weet zij dat deze die ze eerst aanzag als de tuinman, de opgestane Heer is. Wanneer Jezus haar bij name roept weet ze dat Hij het is en ze geeft dit te kennen door Hem Meester te noemen. Jezus had ooit de zeven demonen waardoor ze geplaagd werd uitgeworpen (Luc.8:2). Zij hoort bij de kudde. Zij kent haar Herder en de Goede Herder kent zijn schapen (Joh.10:14). Christus is hier de “gekende” en niet een Jezus gematerialiseerd in een ander lichaam. Dat Maria Jezus aan zichzelf wil binden door Hem vast te houden (vers 17) is natuurlijk fout. Door de opstanding begint een nieuwe relatie met de discipelen, de oude dingen zijn voorbijgegaan (2 Cor.5:16,17). Het vierde bewijs van de WT is er evenmin één. Het is Joh.21:1-14. Men kan terecht zeggen dat dit de nieuwe roeping is van de discipelen. De parallel met Luc.5:1-11 is zeer frappant. We hebben hier een nieuwe oproep tot navolging (Mat.4:19,20). Er staat in vers 4 NWV: “Toen het echter net morgen begon te worden, stond Jezus aan het strand, maar de discipelen onderscheidden natuurlijk niet dat het Jezus was.” Het antwoord op onze vraag is hier klaar en duidelijk afgelijnd. Er staat: “toen het net morgen begon te worden” t.t.z. het is nog gedeeltelijk duister, de zonsopgang. Dat men dan iemand niet goed zal herkennen, is alleen menselijk. Maar er is nog meer. Er staat in vers 8 dat de boot waarop de discipelen zaten “tweehonderd el” (“ongeveer negentig meter” NWV) van het strand was waarop Jezus stond. Nu, bij een afstand van negentig meter, in het halfdonker iemand herkennen dat zou het Bijbelverslag verdacht maken. Integendeel, toen Jezus zijn discipelen aansprak wisten ze onmiddellijk dat Hij het was: “want zij wisten dat het de Here was” (Joh.21:12 NWV). Is Christus een materialisatie na zijn opstanding? Is Hij de “onbekende?” Wel als je zoals Jehovah’s Getuigen door middel van een tour de force alle logische en bijbelse bewijzen van tafel veegt. Maar niet als je een oprecht “Bijbelstudent” bent. Want uit het Bijbelverslag is duidelijk dat Christus geen “schijnlichaam” heeft sinds Zijn opstanding. De eerste verschijning aan de 10 apostelen maakt dit reeds duidelijk. Jezus maakt ze attent op “Mijn handen en Mijn voeten” voordat ze Hem ernaar vragen (Luc.24:39). “Ik ben het zelf” is daarbij Zijn opmerking. De discipelen mogen het onderzoeken: dat Hij het zelf is en géén ander (Joh.20:20). En zo ook Thomas een week nadien op zijn aanvraag (Joh.20:25,27). De Heer heeft “naar het vlees geleden” en dat is na Zijn opstanding nog merkbaar aan de tekenen van de wonden (1 Pet.4:1). De Opgestane Heer heeft met zijn discipelen een voelbaar, een hoorbaar en een zichtbaar contact tijdens deze verschijningen.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

166

Men mag zoals Jehovah Getuigen niet blijven stilstaan bij een opmerking als: “En zij zeiden niemand iets, want zij waren bevreesd” (Marc.16:8). Want dergelijke uitspraken zijn momentopnamen. Toen Pinksteren kwam en zij niet meer bevreesd waren was juist de dood en de opstanding van Jezus het hoofdthema van hun prediking. En deze bekeerde “bevreesden” bleven dit ook doen ondanks de druk van de vervolging. De Heilige Geest zal u alles leren (Joh.14:26) Voordat ze Jezus na zijn dood in levende lijve teruggezien hadden waren zijn discipelen slechts van twee zaken overtuigd. Ten eerste: nu is Hij dood en begraven. Ten tweede: het graf is na onderzoek leeg en wellicht krijgen zij nog de schuld. We willen enkele Schriftuurplaatsen na elkaar plaatsen om dit duidelijk te maken. Joh.19:30: Jezus gaf de geest. 31: Joden vragen Zijn beenderen te breken want de sabbat is nabij en een gekruisigde mag niet op sabbat aan het kruis hangen. 33: Maar Jezus is dood en Zijn beenderen worden niet gebroken, want Zijn offer is als een paaslam geslacht (Ex.12:46 / Num.9:12). 34: Als proef steekt men in Zijn zijde, naar het hart toe. 35: Johannes die het gezien heeft spreekt dan ook de waarheid. 38: Pilatus laat een discipel toe het lichaam van Jezus weg te nemen om te begraven. 39: Een andere discipel laat het lichaam van Jezus zalven met specerijen. Ware Jezus niet dood dan zou dat nu het geval zijn door de bedwel mende en etherische geuren van de balsems. Bij deze eerste balseming zijn er 30 kilogram van deze stoffen gebruikt! 40-42: Het lichaam legt men in een nieuw graf. Mat.27:60: Met een grote steen sluit men de ingang af. 62-64: De vijanden van Christus herinneren zich dat Jezus over een opstanding heeft gepraat of dat de discipelen het lichaam zouden stelen. Daarom laten ze een militaire wacht achter bij het graf. 66: De steen van het graf zelf wordt verzegeld. Men wil zekerheid dat er geen grafschenners hun werk doen. Voor de wereld, vijand of discipel, is het verhaal van Jezus uit. Hij is dood en begraven. Een tweede zekerheid van de discipelen is dat het graf, de derde dag van hun bezoek, leeg is. Ook hierover enkele Schriftuurplaatsen op een rij. Joh.20:1: De steen is weggerold. Maria van Magdala weet niet wat er aan de hand is, want zij had de


LEVEN, Dood en opstanding_1999

167

begrafenis met eigen ogen gezien (Mat.27:61). 2: Ze komt ijlings bij twee discipelen om te melden dat ze niet weet waarom men de Heer weggenomen heeft en in welk nieuw graf Hij nu ligt. Luc.24:11: De discipelen vinden dit zotteklap en geloven het niet. Joh.20:5: Johannes komt aan het graf en stelt vast (zonder binnen te gaan) dat er binnen windsels liggen maar geen lijk. 6,7: Petrus komt aan, gaat het graf binnen vind de windsels en een opgerolde hoofddoek. Luc.24:12: Petrus is verbaasd en gelooft zijn eigen ogen niet, het lijk is weg. Joh.20:9: Ze verstonden dat allemaal niet, ze kenden de Schriften nog niet. 11: Maria van Magdala weent ontroostbaar. 12,13: Twee engelen verschijnen, aan wie Maria ook te kennen geeft dat ze niet weet waar het lijk nu is.

De discipelen zijn dus geestelijk in de war, verschrikt door dat wat ze zien (of niet zien) en twijfelen aan hun eigen geestelijke vermogens. Ze zijn werkelijk onverstandigen en tragen van hart om dat te geloven (Luc. 24:25). Zelfs nadat zijn medegelovigen Jezus reeds gezien hadden twijfelde Thomas. Waren ze soms niet totaal hysterisch. Hij moest dat zelf eerst kunnen zien (Joh.20:24-29). Veel van het onderwijs van Jezus begrepen ze slechts later (Luc.18:33,34 / Joh.2:18-22 / 13:36-38 / 14:4,5 / 16:17,18). Ze staan opnieuw voor een ongeloof-lijke maar ware gebeurtenis. Dat hadden ze met Jezus meer dan eens meegemaakt. In het interpreteren van deze gebeurtenis zijn dus slechts twee wegen te bewandelen. Martin Hengel zegt: “Dit geloof ontstond zeker niet door de ‘psychologische eigenproduction’ van de leerlingen.” Of de weg van Ernest Renan wiens leer nog levend is alhoewel hij reeds honderd jaar en meer dood is. Hij schreef het ontstaan van het christendom toe aan enkele hallucinerende vrouwen en de zotteklap die ze verkondigden. Nadat het debat over de opstanding reeds over zijn hoogtepunt was schreef M. Perry erover als volgt: “Ik kan niet geloven dat (...) de discipelen zo filosofisch verstandelijk waren om een opstandingstheologie te bedenken zonder de opstandingsverschijningen, maar ik begrijp ook (...) hoe een verschijning (gekoppeld en volgend op een uitzichtloze nabeschouwing als de Emmaügangers uit Luc. 24:19-21) (...) er toe kon leiden dat een radicale herwaardering van iemands totaaltheologie het opstandingsgeloof tot grondslag heeft” ‘The Expository Times’, March n°6, 1974, p.166. Breekt deze tempel af (Joh. 2:19) Als antwoord aan de Joden zegt Christus bij een bepaalde gelegenheid: “Breekt deze tempel af en in drie dagen zal ik hem oprichten.” Zo staat het in het evangelie naar Johannes hoofdstuk 2:19 NWV. Als uitleg schrijft de geliefde discipel dat “Hij sprak echter over de tempel van zijn lichaam” (vers 21 NWV). De Wachttorenuitleg hierover is de volgende: Jezus sprak niet over zijn letterlijk lichaam maar over de geestelijke tempel (Gods gemeente) waarvan Hij de voornaamste hoeksteen was. En als voornaamste steen van deze geestelijke tempel werd Jezus afgebroken (gedood) door de Romeinen en Joden (zie o.a. ‘Onwaakt!’ van 8 jan.1964, p.28 / ‘DE


LEVEN, Dood en opstanding_1999

168

WACHTTOREN’, 1953, p.287,288 / ‘DE WACHTTOREN’, 1960, p.63,64). In ‘DE WACHTTOREN’ van 15 juli 1978, p.23, 24 krijgt men de indruk dat de tekst wel over de opstanding van Christus spreekt maar het geheel is niet zeer duidelijk. In hun tijdschrift ‘Onwaakt!’ van 8 aug.1993, p.12 lezen we dan: “Jezus vergeleek zijn te verwachten dood en opstanding op die manier met het afbreken en herbouwen van een gebouw” (in voetnota). Mogelijks heeft de WT dus twee tegenstrijdige (aanvullende?) verklaringen van dit versgedeelte. Een uitleg over de geestelijke tempel (de gemeente) en een andere over Jezus als tempel. Of hebben ze ondertussen nieuw licht ontvangen? In hun Bijbel van 1988 met verwijzingen hebben ze Mat.26:2 / Joh.7:6 / 12:23 aangegeven bij deze tekst, maar daar kan men niet wijzer door worden. Hoe jammerlijk het ook is, enkele Protestantse exegeten geven ook de uitleg tempel = gemeente. (Bijvoorbeeld O. Cullmann, ‘Early Christian Worship’, S.C.M., 7de druk, 1969, p.72). Dit is fout om volgende belangrijke redenen. Indien Christus spreekt over zijn gemeentetempel dan is Hij een leugenaar daar Hij de stelligste en onvoorwaardelijke belofte gaf dat de poorten van Hades (de dood) haar niet zou overweldigen (Mat.16:18). Verder is het zo dat de christelijke gemeente slechts gesticht is met Pinksteren (zie Handelingen hoofdstuk 2). Voordien was er géén geestelijke christelijke tempel en de schriftuurplaats kan dus niet 53 dagen ervoor over Christus als geestelijke tempel spreken. Uit verscheidene schriftuurplaatsen volgt dat de verhoging van Christus onderscheiden is van zijn opstanding en dat die verhoging moest voorafgaan aan de stichting der christelijke kerk (tempel). Zie Eph.1:20 / 4:10 / Heb.4:14 / 7:26 / Joh. 7:37-39. De juiste verklaring van deze tekst is deze die letterlijk voor de hand ligt. Het lichaam is het vleselijke lichaam van Christus vergeleken bij een tempel (zie Opb. 21:22). Dat lichaam is door Christus zelf opgewekt zegt deze tekst, evenals Joh.10:17,18. Wat natuurlijk de werking van Vader en Geest niet uitsluit. En bedenken wij dat Johannes de Doper al zei dat God, zelfs uit stenen kinderen van Abraham kan verwekken (Mat.3:9 / Luc.3:8). Uit, naar onze mening, het beste commentaar op het evangelie van Johannes in de Nederlandse taal citeren we enkele gedachten. “Zowel uit het een als het ander blijkt, dat de evangelist met het “afbreken” en “oprichten” op Jezus’ dood en opstanding doelt. Jezus zou daarmee zijn tegenstanders te kennen geven, dat zijn bevoegdheid ten aanzien van de tempel zou blijken, wanneer zij hun thans reeds tegen Hem uitgaande vijandschap tot het uiterste zouden opvoeren, door Hem nl. ter dood te brengen? Dan zou Hij wat zij hadden afgebroken - zijn “lichaam” - in drie dagen weer opbouwen nl. door uit de dood op te staan (...) Het zegt niet dat in de opstandingservaring de oorsprong van het christelijk geloof is gelegen en van de wijze, waarop over de “historische Jezus” is geschreven. Juist het vierde evangelie legt de nadruk op de heerlijkheidsopenbaring van Jezus als de Christus, de Zoon van God, tijdens zijn aardse leven. Het is niet slechts de heerlijkheid van de opstanding die zijn aardse leven - achteraf - overstraalt. Het is de heerlijkheid, waarmee Hij “onder ons heeft gewoond”, van ‘het Woord dat vlees is geworden’, waarvan de evangelist aan een stuk getuigt” (H. Ridderbos, ‘Het evangelie naar Johannes’, deel 1, Kok, 1987, p.140, 141,144,145). Bij andere gelegenheden voorzei de Here Jezus Zijn opstanding uit de doden zonder te verwijzen naar de werking van de Vader in dat verband. Zo o.a. in Marc.8:31 / 9:9,31 / 10:34 / Luc.18:33 / 24:7,46. Deze teksten van Marcus tonen ook aan dat Jezus een tijd voorzegd van drie dagen tussen Zijn dood en opstanding. En er wordt ook gezegd dat Hij is opgestaan (Hand.10:41 / 17:3 / 1 Thes. 4:14) met nadruk op Zijn handelen daarbij. Het beeld in Joh.2 van de tempel maakt duidelijk dat er een lichamelijke opstanding is van Jezus uit het graf. De afgebroken tempel (het lijk in het graf) wordt opnieuw opgebouwd. Met een verdraaide versie van deze uitspraak zou Jezus later aangeklaagd worden als oproerkraaier


LEVEN, Dood en opstanding_1999

169

(Marc.14:58 en context). Bij de kruisiging spreekt één van de voorbijgangers dezelfde taal: “Ha, Gij die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, red uzelf, kom af van het kruis” (Marc.15:29,30). En ook het andere beeld dat Jezus eens van zichzelf gebruikt wijst op een opstaan van het lichaam dat in het graf lag. Zie het verhaal van Jona in de vis (Mat.16:1-4). Zijn antwoord op de vraag naar het teken dat men van Hem vraagt of Hij wel de ware Messias is, zal Zijn opstanding uit het graf zijn. Zoals Jona uit de vis kwam in levenden lijve zo zal de Heer uit de buik van de aarde komen levend en wel. De Heer die van Zichzelf zegt de “Ik ben” te zijn (Joh.8:58) kan dan ook niet dood blijven. Hij heeft leven in Zichzelf en geeft het wie Hij wil (Joh.5:21,26). Daarom spreekt Hij ook uit: “Ik ben de opstanding” hoewel met Zijn dood in het verschiet (Joh.11:25). Hij voorspelt zijn dood de avond voor de kruisiging maar ook zijn overwinning over de dood heen. Want Hij leeft. Hij is de Levende (Joh.13:31,32 / 14:19). Door Zijn opstanding zal de wereld nooit meer zijn zoals vroeger, de geschiedenis heeft een keer genomen en de cosmos zal in zijn overwinning mogen delen. Wederopnemen van het leven (Joh.10:17,18) Laat ons nog even ingaan op de woorden van de Heer in Joh.10:17,18. Want we hebben een groot bezwaar tegen de vertaling van de WT die vers 17 als volgt heeft vertaald: “Daarom: heeft de Vader mij lief, omdat ik afstand doe van mijn ziel, opdat ik ze wederom moge ontvangen” (NWV). Andere vertalingen spreken meestal over het afleggen van Zijn leven i.p.v. ziel. Dat maakt weinig uit bij de uitleg van deze tekst. Wel echter wanneer er volgens hen staat: “opdat ik ze (de ziel of leven) wederom moge ontvangen.” Men moet dit lezen als : “om het weder te nemen” NBG, “opdat Ik hetzelve wederom neme” SV, “opdat ik het wederneme” Luther, “om het terug te nemen” Leidse Vert., Brouwer en Willibrord, “om het weer terug te nemen” Canisius. Het gaat hier dan nog maar eens om een eigenzinnige en alleenstaande vertaling van de WT. Het is waar dat het Griekse werkwoord “lambanoo” dat hier gebruikt wordt, zowel ontvangen (resultaat) als nemen (oorzaak) kan betekenen. Maar met het Grieks “hina” dat de reden aangeeft, zoals hier, is het onmogelijk te vertalen zoals de WT doet. Het doel van het afleggen van Zijn Ziel is het terug opnemen van Zijn Ziel. De WT zit in de knoop met deze tekst: de ziel die de Heer geeft voor zijn schapen (zie verzen 11,15) is dezelfde ziel die bij de opstanding teruggenomen wordt. In het heilsplan van de Vader heeft de Zoon het recht of de macht zijn leven te geven en het daarna terug op te nemen (vers 18). De Heer heeft aan het kruis Zijn bloed laten vloeien voor het heil van de wereld en heeft op die wijze aan Gods recht en verzoening voldaan. Vergelijk hierbij de parabel van het tarwegraan in Joh.12:24. De Heer sterft om vrucht te dragen. Het is de gekruisigde en begraven Jezus die opstaat uit de aarde en niet een ander (Mat.28:5 / 1 Cor.1:23 / Gal.3:1). Het is dan ook terecht dat A.T. Robinson in zijn ‘Word Pictures in the New Testament’ bij deze tekst opmerkt, in feite vers 18,: “Hij spreekt van zijn dood en opstanding als reeds volbracht (...) De vader gaf de Zoon, deze stemde ermee in gegeven te worden, maar ook zichzelf te geven.” En H. Ridderbos zegt: “De gedachte die hier alles beheerst, is dat de drijvende kracht en de diepste verklaring van Jezus’ prijsgeven en wederom terugnemen gelegen is in het bestel en het beleid van de liefde van de Vader t.o.v. zijn Zoon en daarom ook in de volmacht, die de Vader Hem ten aan-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

170

zien van dat prijsgeven en weer terugnemen heeft gegeven” (‘Het evangelie naar Johannes’, Kok, deel 1, 1987, p.423, 424). De uitleg die we hier geven is niet alleen de enig exegetisch verantwoorde, ook kerkhistorisch is dit zo. Melito van Sardis in zijn prachtige paaspreek, de oudste paaspreek die we kennen, ‘Peri Pascha = Over Pasen’, zegt in vers 4: “geslacht als een lam, opgestaan als God.” In vers 8: “en als mens begraven stond hij op uit de doden als God, van nature God zijnde en mens.” In vers 9: “in zoverre als hij begraven wordt als mens, in zoverre als hij opstaat God” enz (...) Het is dan ook niet vreemd dat een kerkvader als Ignatius schrijft: “Hij heeft zich waarlijk opgewekt” en “Hij veranderde zich in een onvergankelijke en wekte zich op” (Smyrniërs 2:1 / Brief aan Rheginos 45:17,18). Om deze redenen schreef Korff in zijn ‘Christologie’, Callenbach, deel 2, 1941, p.267 het volgende: “Opstanding is in het Nieuwe Testament een Opstanding uit de doden, d.w.z. uit de toestand waarin zich de gestorvenen bevinden, uit het dodenrijk zelf. In deze wereld betekent dit allereerst een Opstanding uit het graf. Het Nieuwe Testament kent nergens een Opstanding die het graf intact zou laten en niet zou meebrengen dat dit graf open is en ledig (...) In de Opstanding breekt Hij ook met dat ganse mens-zijn door tot in het nieuw leven.” Zo blijft ons ook nog een opmerking bij een andere leer van de WT. We lezen namelijk in ‘Inzicht in de Schrift’, deel 1, 1995, p.361: “Jezus Christus ging als de werkelijke Hogepriester de hemel zelf binnen, niet met zijn bloed, dat op de grond was uitgestort (Joh.19:34), maar met de waarde van zijn volmaakte menselijke leven, vertegenwoordigd door zijn bloed. Dit recht op leven heeft hij nooit verspeeld door zonde, maar hij behield het zodat het aangewend kon worden voor de verzoening van zonden” (Heb.7:26;8:3;9:11,12)” (wij onderstrepen). Jezus heeft volgens hen het “recht op leven” nooit verspeeld. Dan vragen we ons af: Waarom Hem dan uitsluiten uit dit “recht?” Is Hij geen zoon van Adam en sterft Christus niet voor alle Adamietenkinderen? Was zijn moeder niet van de stam van David? Heeft de Messias in haar niet de mensheid aangenomen! Waarom Hem als de enige zondeloze afstammeling Zijn verworven recht ontnemen? Lees in dat verband dan Luc.3:23,38 / Gal.4:4 / Heb.2:14-18. Heeft de zondeloze geen recht op Zijn lichaam in het graf gezien Zijn “bloed dat op de grond was uitgestort” verzoening gebracht heeft? Het is vooral de verdienste van de Gereformeerde theologie om nadruk te leggen op wat Christus voor zichzelf heeft verworven in Zijn dood aan het kruis. In bespreking van de mogelijkheid van deze verdienste zegt H. Bavinck o.a. dit: “Maar zeer vele Gereformeerde godgeleerden waren toch van een ander gevoelen en gaven op de bovengestelde vraag een bevestigend antwoord. Volgens hunne mening was de gebedsverhooring, Joh.11:42, Hebr. 5:7, en vooral de gansche staat der verhooging, van de opstanding af tot de wederkomst ten oordele toe, een loon voor den arbeid, dien Christus in de dagen zijner vernedering als knecht des Heeren verricht had. Met de schrift in de hand is er ook geen ander antwoord mogelijk. Want telkens stelt zij den staat der vernedering voor als den weg en het middel, waardoor Christus alleen de verhoging deelachtig kon worden (...) De reden, waarom velen bezwaar hadden, om bij Christus van eene verdienste voor zichzelven te spreken, lag in de oppositie tegen de Socinianen, die Christus eerst in den staat der verhoging tot de koninklijke waardigheid en den rang der Godheid lieten komen. Deze voorstelling is ook beslist te verwerpen” ‘Gereformeerde dogmatiek’, deel 3, p.425, 426 en zie ook nog p.320, 321). Een theoloog uit de vorige eeuw zegt hierover het volgende: “Wanneer we zeggen dat het werk van Christus aan het kruis werd volbracht en zegt dat Zijn verheerlijking slechts een beloning was en voor onszelf Zijn aanvaarding door God, dan hebben we een valse gedachte overgebracht. Natuurlijk heeft Hij aan het kruis geroepen: “Het is vol-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

171

bracht.” Maar wat was volbracht? Zijn zuchten en tranen, Zijn zielestrijd en roepen; Zijn ondergaan van pijnen en lijden en voorbestemde dood; Zijn strijd met de wereld en de prins der wereld; dat was volbracht maar nog niet het aanbieden van Zijn offer. Dat was slechts vervuld nadat Hij die gestorven was en ook opgestaan, door de dood heen ingegaan is in het Heilige en aldaar Zichzelf en Zijn volk opgedragen heeft aan de Eeuwige Vader. Zo is de opstanding van onze Heer niet slechts het gevolg van Zijn werk maar is er zelf een deel van. Zonder opstanding zou Zijn werk onvoltooid zijn.” W. Milligan, ‘The Ressurection of our Lord’, Macmillan and Co., Reprint 1901, p.141, 142. En 1 Petrus 3:18 dan? We komen dan tot de éne tekst uit de Bijbel die een bewijs zou (?) kunnen zijn dat de opgestane Christus slechts (?) geest zou zijn. Want in 1 Pet.3:18 NWV staat over de Heer: “(hij) ter dood gebracht werd in het vlees, maar levend gemaakt in de geest.” Over deze tekst zegt de WT: “Het vlees en de geest worden tegenover elkaar gesteld. In de Griekse tekst staan het woord “vlees” en het woord “geest” beide in de derde naamval, zodat indien een vertaler “vlees” op een bepaalde manier weergeeft, hij “geest” consequent op dezelfde manier dient weer te geven” (‘Onwaakt!’ van 8 feb.1963, p.28). Laat ons even kijken naar de Griekse tekst. Er staat : “thanatotheis men sarki zoopoietheis de pneumati.” Dat is moeilijk om zoiets te vertalen zeggen de specialisten van de Griekse taal. In elk geval heeft de Griekse tekst géén lidwoord voor zowel “vlees” (sarki) als “geest” (pneumati). In enkele oude Bijbelmanuscripten, zonder een grote waarde, staat er wel een lidwoord bij “geest.” Dat Petrus iets belangrijks wil zeggen ziet men bij de eerste oogopslag van de oorspronkelijke tekst. Daarvoor is er hier de combinatie van de Griekse voegwoorden “men (...) de” er juist, om de twee zinsdelen te verbinden. Beter gezegd om de twee tegenover elkaar te stellen. Deze combinatie heeft een veelvuldig gebruik. In deze brief van Petrus o.a. in 1:20 / 2:4 / 2:14 / 4:14. De gedachte van 1 Pet.3:18 is dat Christus inderdaad (Grieks = men) ter dood gebracht is wat zijn vlees betreft, maar (Grieks = de) (...) dat Hij (...) En hier zit nu juist het vertaalprobleem. Wat is de betekenis van “de pneumati?” Men zou zich kunnen afvragen waarom Petrus hier spreekt van “de pneumati” en niet van “pneumatikos”, want in dit geval zou men van een “geestelijk” opgewekt of levendgemaakt kunnen spreken. Petrus zelf gebruikt dat woord wanneer hij spreekt over een “geestelijk huis” en “geestelijke offers” in 1 Pet.2:5. Verder spreekt Paulus over een “geestelijk lichaam” in 1 Cor.15:44,45. Maar wellicht komen we verder door het bestuderen van de teksten waar “vlees” en “geest” tegenover elkaar staan, zoals de tekst in Petrus. Voorbeelden van dit in Mat.26:41 / Marc.14:38 / Joh.3:6 / 6:63 / Rom.1:4 / 8: 4,5,6-9,13 / 1 Cor.5:5 / 2 Cor.7:1 / Gal.3:3 / 4:29 / 5:16,17,19 / 6:8 / Col. 2:5 / 1 Tim.3:15 / Heb.12:9 / 1 Pet.3:18 / 4:6. Uit dit alles hebben alleen Rom.1:4 / 1 Tim.3:16 en 1 Pet. 3:18 een toepassing op Christus en die gaan we apart bekijken. Vooraf een kort citaat uit het commentaar van H. Ridderbos op Joh.3:6-8, (als inleiding op wat volgt) om aan te geven in welke richting we moeten denken bij de behandeling van dit onderwerp. Hij schrijft (p.155, 156): “De tegenstelling tussen vlees en Geest heeft daarom primair betrekking op de kreatuurlijkheid en afhankelijkheid van de mens tegenover God als Geest, Bron en beschikker van alle leven. Daarbij staat “vlees” ook niet voor het lagere in de mens, maar voor de gehele


LEVEN, Dood en opstanding_1999

172

mens zowel fysich als geestelijk (...) Veeleer duidt ze (de tegenstelling) de mens in zijn (vleselijke) onmacht aan tegenover de vrijmacht en almacht van God (de Geest), die hem alleen tot een ander mens kan maken, d.w.z. de hem noodzakelijke geboorte van boven kan schenken.” Romeinen 1:3,4 Het contrast in Rom.1:3,4 is: “gesproten uit David naar het vlees ( (...)) naar de geest van heiligheid opgewekt.” Dit is geen zuivere gelijkenis echter met 1 Pet.3:18. Paulus spreekt van “vlees” en “geest van heiligheid” en Petrus van “vlees” en “geest.” Zo ook spreekt Paulus van de menselijke geboorte van de Heer en Petrus van zijn sterven als mens. Het is zeer waarschijnlijk een tekst uit al bestaand liturgisch gebruik tijdens christelijke samenkomsten. En ook Rom.1:3,4 is geen gemakkelijke tekst. In de NWV van 1988 heeft de WT hier géén verwijzing naar 1 Pet.3:18 maar wel naar 1 Tim.3:16. Ook in 1 Pet.3:18 verwijst men naar 1 Tim.3:16 en niet Rom.1:3,4, en dat is alles uiterst merkwaardig. Een eerste vraag is deze: heeft dit gedeelte te maken met een tegenstelling mensheid/godheid van Christus? Hierop ant-woorden J.Calvijn, C. Hodge, B.B. Warfield e.a. in positieve zin. Anderen echter volgen de nieuwe uitleg van G. Vos (o.a. S. Greydanus, H. Ridderbos en I. Murray). Zij zeggen dat de tekst niet in de eerste plaats over het wezen of natuur van Christus spreekt. Veeleer een contrast tussen twee opeenvolgende bestaanswijzen van de Heer in het heilshistorische werk. Bij deze laatste uitleg zijn er dan eveneens nog andere mogelijkheden. De kritische school van o.a. R. Bultmann en ook Jehovah’s Getuigen zeggen dat we hier een vergoddelijking hebben van Christus. Volgens de WT is (vanuit deze tekst) Christus na zijn mensheid afgelegd te hebben, opnieuw een god geworden. In ‘DE WACHTTOREN’ van 1 juni 1994, p.28 lezen we: “Omdat Jezus getrouw was gebleven tot in de dood, een schandelijke dood aan de martelpaal, werd hij uit de dood opgewekt en ontving hij de grootste beloning. Hij ging toen in de hemel zijn positie als Heer bekleden.” Maar deze vorm van adoptianisme is uitgesloten (Zie o.a. de ‘Christologie’ van Sevenster, Holland Uitgeversmaatschappij, 1946, p.201-203,309-312,341,343). De Katholieke theoloog F.J. Schierse heeft volgende bezwaren bij deze leer: “Een dergelijke evolutionistische beoordeling van de nieuwtestamentische christologie berust op een verkeerde wijze van zien of liever op een verkeerde grammatica. Alle titels en ambtsnamen worden nl. vanuit Jesus genormeerd en niet andersom. Het predicaat in alle christologische uitspraken is Jesus en daarom is het juister dat men zegt: de Messias, de Heer, de Zoon van God is Jesus” (‘Mysterium Salutis’, deel 5, P. Brand, 1968, p.146). Want Christus was reeds Gods zoon volgens Romeinen 1 vers 3a (ook Rom.8:3 / Gal.4:4). Deze Zoon heeft door incarnatie het “mens-zijn” opgenomen uit het geslacht van David (Joh.1:14 / 2 Tim.2:8). Méér nadruk legt Paulus evenwel op de afstamming van Abraham, de vader van alle gelovigen, voor Jezus en voor hemzelf (Gal.3:16 / 2 Cor.11:22 / Rom.9:7 / 11:1). Maar door de opstanding is Hij aangesteld (aangewezen, verordineerd) als Zoon-van-God-in-kracht. En beter zijn ook de positievere vertalingen zoals “krachtelijk bewezen is” (SV), “krachtig bewezen is” (Luther), “kenbaar is gemaakt” (Brouwer), “gesteld is” (Canisius), “verklaard te zijn” (NBG). Want door de opstanding is namelijk onomstotelijk bewezen dat de Heer, “de Heer der heerlijkheid” is (1 Cor.2:8) een titel die in het OT op YaHWeH is toegepast maar hier gebruikt voor de opgewekte Jezus. Aangezien YaHWeH zijn eer niet kan delen met een schepsel is ook dit een punt ter ondersteuning van Zijn eeuwige goddelijkeheid.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

173

De uitleg van de “geest der heiligheid” gezien in de context van een apocriefe tekst uit het Testament van Levi,18 door H. Baarlink lijkt ons niet correct (‘Tekst en toelichting op Romeinen’, deel 1, Kok, 1987, p.24). Het commentaar van S. Greydanus daarentegen is goud waard. De nadruk ligt op de kracht van de Geest die sinds de opstanding van Christus ten volle “doorblinkt” en de “grootheid Zijner macht en de schittering Zijner majesteit” aangeeft. Zie zijn commentaar bij H. van Bottenburg, 1933, p.58-66. Sinds Pinksteren heeft Hij ons de belofte geschonken en de Heilige Geest gezonden. Deze gedachte vinden we terug in vele Bijbelgedeelten. Of de uitdrukking “geest der heiligheid” wijst naar: 1°) Heilige Geest, of, 2°) de menselijke geest van Christus of, 3°) de geest van de geïncarneerde Christus is een eeuwenoude vraag. Mogen we nog eens zeggen; “Ik weet het niet.” Meestal kiest men voor het laatste. Zie hierover de commentaren van Meyer en Liddon voor de periode vóór 1900. De periode van na 1900 in de uitgebreide commentaren van U. Wilckens of C. Cranfield (I.C.C. 2de serie). Laat ons even nagaan wat de tweede tekst met de uitdrukking vlees-geest te zeggen heeft. 1 Timotheus 3:16 1 Tim.3:16 leest volgens de Griekse tekst : “ephanerothe en sarki edikaiothe en pneumati” Vergelijk dit “ephanerothe” met de beschrijvingen der opstanding waar soms hetzelfde werkwoord gebruikt is in Joh.21:1,14. Maar in Joh.1:2 / 5:5-8 als verwijzing naar de incarnatie. In beide gevallen een openbaar en zichtbaar “verschijnen.” De NWV van 1988 heeft bij dit vers een verwijzing naar 1 Pet.3:18 maar niet naar Rom.1:3,4, raar maar waar. De vertaling van dit vers in de NWV is: “openbaar gemaakt in het vlees, werd rechtvaardig verklaard in geest” (wij onderstrepen). Wij wijzen hierop omdat de WT haar eigen regels schendt. Ze vertalen twee Griekse termen zonder lidwoord, eenmaal met lidwoord en eenmaal zonder. In alle teksten met vlees-geest die we bovenaan aangehaald hebben heeft men een tegenstelling van vleselijke, zondige, onvolmaakte mensen met het geestelijke leven dat zij moeten leiden, behalve deze drie die over Christus handelen. Hij heeft geen “zondig” vlees. Zijn vlees is niet aan verderf onderhevig. Hij sterft een dood voor anderen en niet voor zichzelf. Want hierin zit juist de fout van de WT. Volgens hen zou 1 Tim.3:16 en ook 1 Pet.3:18 over “het vlees” spreken precies alsof de opgestane Christus alléén maar geest was en geen “vlees en beenderen” had. Een laatste opmerking. Deze drie teksten (1 Pet.3:18 / 1 Tim.3:16 / Rom.1:3,4) zeggen ons niet wat er met het “vlees” van de Heer gebeurd is bij Zijn opstanding. Zij zeggen alléén: geboren en gestorven in vlees. vlees. Die teksten ondersteunen bij een eerste oogopslag als je niet aandachtig bent, wat de WT zegt, maar zijn niet het bewijs zelf. De Heer zelf zegt dat Hij als opgestane wel degelijk “vlees en beenderen” heeft volgens Luc.24:36-39. Men mag nooit vergeten dat de Heer na zijn opstanding nog verscheidene malen “mens” genoemd wordt zoals in Hand.17:31 / 1 Tim.2:5 / 1 Cor.15:21 / 15:45. Er zijn tevens een tiental teksten die de wederkomst van Christus beschrijven met de titel “Zoon des mensen” (Mat.24:27 / Luc.17:30 / 21:36). Dus niet de wederkomst van een “geestelijke Zoon”, maar van een “mens.” Maar Hij is wel anders “mens” dan wij het zijn. Het is onmogelijk om zonder meer te zeggen dat de Heer als “geest” opgewekt is. Hoe 1 Pet.3:18 dan vertalen?


LEVEN, Dood en opstanding_1999

174

Daarom komen de meeste Bijbelcommentators tot de conclusie dat deze derde naamval van de tekst 1 Pet.3:18 “een datief is van aanwijzing.” Men kan dus spreken van Christus als gedood in de sfeer van het vlees, maar levendgemaakt in de sfeer van de geest. Zo geeft Dalton in zijn “Christ’s proclamation to the Spirits” (Analecta Biblica nr.23) een lijst van een tiental commentators die in die richting denken (p.134). In het Regensburger Neues Testament (Nederlandse uitgave bij Patmos, 1969) vinden we bij deze tekst de volgende opmerking: “de betekenis zou dan zijn; De Heer werd gedood naar zijn aardse bestaan in het vlees, maar daarna door God weer levend gemaakt, namelijk opgewekt in de geestelijke en bovenaardse wijze van bestaan, die hem thans eigen is.” De tegenstelling vlees-geest heeft in deze tekst geen antropologische betekenis maar wel een historische. Geen beschrijving van wie Hij is, maar wat Hij heeft gedaan. In een vorig bestaan heeft de Christus zijn aardse dingen afgelegd, om door de dood heen in te gaan in de eeuw van de Geest. We gaan niet mogelijk verder uitweiden over dit datief van aanwijzing. We willen wel enkele voorbeelden geven. Het wil dan altijd betekenen: in verband met, wat betreft, enz (...) Zie bv. Mat.5:3 (arm wat geest betreft), 5:8 (rein wat betreft het hart), 23:31 (getuigen tot uzelf), Hand.7:51 (onbesneden wat betreft het hart), 14:8 / 20:22 / Rom.4:20 / 6:20 / 12:10 / 1 Cor.7:34 / 14:20 / Eph.2:3 / 4:18 enz (...) Een andere uitleg van 1 Pet.3:18 is deze die het “de pneumati” ziet als synoniem van “en pneumati.” Men kan dit door een vergelijk van 1 Pet.3:18 met 1 Tim.3:16. “In de geest” moet volgens die uitleg verstaan worden dat Christus door de Geest is opgewekt (Grieks “en” instrumentaal). Het is echter onduidelijk gezien de tegenstelling vlees-geest. Totaal uit te sluiten is deze uitleg echter niet en C. Vonk geeft daar volgende reden toe: “De plaatsen waar ‘pneumati’ in het NT zonder enige twijfel ‘dóór de (Heilige) Geest’ moet betekenen, zijn niet weinige, n.m.l. Luc.1:80, 10:21, Hand.10:38, Rom. 8:13,14, 2 Cor.3:3, Gal.3:3, 5:5,16,18, Ef.1:23, Filipp.3:3, terwijl het misschien zo is in Luc.2:40, Hand.20:22, Rom. 12:11, 1 Cor.14:2, 2 Cor.12:18, 2 Thess.2:8. Waarom zou ‘pneumati’ dus ook hier niet de Heilige Geest kunnen bedoelen, die toch volgens Rom.8:1 onze Heiland heeft opgewekt?” ‘De voorzeide leer’, deel I b, Barendrecht, 1963, p.752.) Deze uitdrukking “en pneumati” is wel dertig maal gebruikt in het NT. Voorbeelden hiervan zijn Rom.2:29 / 8:9 / 14:17 / 15:16 / 1 Cor.6:11 / 12:3,9,13 / 2 Cor.6:6 enz (...) In de Nieuwe Wereld vertaling die van zichzelf zegt consequent een begrip te vertalen heeft “en pneumati” een vertaling gekregen als “door geest” (Rom.2:29), “met de geest” (Rom.8:9), “in heilige geest” (Rom.9:1). Het adjectief “pneumatikos” (geestelijk) is ook dikwijls gebruikt in het NT. Door Paulus 15 maal in het eerste boek aan de Corinthiërs. En het heeft er altijd de betekenis van iets dat betrekking heeft op de Geest of afhankelijk is van de Geest. Soms de geest van de mens, soms de Heilige Geest. De uitleg als een datief van relatie is ongeveer wat Jehovah’s Getuigen leren. Terecht heeft P. van Houwelingen (zie bibliografie) hierop commentaar. Hij zegt p.130: “Maar wanneer de dood alleen het lichaam heeft geveld, is onmogelijk te begrijpen dat de apostel spreekt over ‘levend gemaakt worden’ met betrekking tot de geest. Dan zou de Goddelijke natuur immers óók gedood moeten zijn. Deze opvatting blijkt innerlijk tegenstrijdig en is bovendien dogmatich aanvechtbaar. De beide naturen van Christus zijn niet te scheiden, noch in zijn dood, noch in zijn opstanding.” Wat is dan de conclusie van dit alles. Vooral dit: dat de vertaalregels die de WT van anderen verlangen dus zelf niet toe passen. En waarom? Omdat het niet mogelijk is een woord altijd op een-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

175

zelfde wijze te vertalen en zeker geen voorzetsel zoals het Griekse “en.” Dat ene woordje kan naargelang de betekenis op wel 10 wijzen vertaald worden. Het is dus ook mogelijk om 1 Pet.3:18 te vertalen als “gestorven in zijn vlees, opnieuw levendgemaakt door de geest” (Bible de la Pleiade), of “ter dood gebracht in het vlees, hij is tot leven teruggebracht door de Geest” (Tricot), of “ter dood gebracht naar het vlees, tot leven teruggebracht naar de geest” (Lienaert), of “gestorven volgens het vlees, maar levendgemaakt door de Geest” (Ostervald), “gedood in het vlees, maar levend gemaakt door den Geest” (Statenvertaling), “hij is gedood naar het vlees, maar levend gemaakt naar den Geest” (Luther), “Hij is wel gedood naar het vlees, maar levend gemaakt naar den geest” (Leidse Vertaling), “hij die gedood werd naar het vlees maar levend gemaakt naar den geest” (Prof. Brouwer), “Maar ter dood gebracht naar het vlees, is Hij ten leven gewekt naar den Geest” (Petrus Canisius), “Hij is gedood naar het lichaam, maar ten leven gewekt door de Geest” (Willibrord 1995). In 4 Engelse vertalingen (ingekort en vertaald) lezen wij: “in het vlees (...) door de Geest” (King James Version). “in het vlees (...) in de geest” (Revised Standard Version 1946). “van zijn lichaam (...) in de geest” (Philips 1958). “in het lichaam (...) in de geest” (New English Bible 1961). En nog een korte opmerking van P. van Houwelingen op dezelfde pagina 130: “Petrus geeft een antithetisch parallellisme, waarin de tegenstelling sarki-pneumati de kern vormt (...) Voor de tweede dativus (pneumati) ligt de instrumentele betekenis het meest voor de hand: levend gemaakt door de Geest (verg. Joh.6,63;Rom.8,11). Naar analogie daarvan moet ook de eerste dativus (sarki) instrumenteel worden opgevat (Janse, Reichert). Twee tegengestelde machten deden zich tegenover Christus gelden. Hoewel Hij door het vlees (door mensen) ter dood was gebracht, is Hij door de geest (door Gods ingrijpen) weer tot leven gewekt.” Wat we met dit alles willen zeggen is : 1° dat er géén vertaalregel bestaat, zoals de WT zou beweren, die vraagt van een vertaler om 1 Pet.3:18 weer te geven zoals ze het willen. Ze passen deze regel zelf niet toe op 1 Tim.3:16. 2° dat zelfs indien we niet juist weten hoe 1 Pet.3:18 vertaald moet worden er genoeg ander positief bewijs in de Schrift is om ons te zeggen dat de opgestane Heer véél meer is dan alleen maar een “geest.” 3° dat andere teksten de opgestane Heer als een verheerlijkt mens beschrijven met vlees en beenderen (Hand.2:24-32 / Luc.24:36-39), met een geestelijk lichaam en niet slechts “een” geest. (Wie enkele minder belangrijke verklaringen wil nalezen over 1 Pet.3:18 kan dat in W. Janse, ‘De verhouding van ‘vlees’ en ‘geest’ in 1 Petrus’, ‘Theologia Reformata’ 25ste jaargang 1982, p.244-260 en 26ste jaargang 1983, p.13-24). “Ik heb de Heer gezien” Toen Petrus zijn eerste prediking hield voor een publiek van niet-joden merkt hij op dat Jezus ten derde dage na Zijn kruisdood is opgewekt. Hij zei: “dat Hij verscheen, niet aan het gehele volk, doch aan de getuigen die God van tevoren gekozen had, aan ons” (Hand.10:41, vergelijk Joh.14:22).


LEVEN, Dood en opstanding_1999

176

De lijst van deze getuigen is de volgende en we geven die in de waarschijnlijke volgorde van de verschijningen van de Heer. In R. Thomas en S. Gundry, ‘A harmony of the gospels’, Moody Press, 1978 is 3 en 4 omgedraaid. In J. van Bruggen, ‘Christus op aarde’, Kok, 1987, voegt schrijver er tussen 1 en 2 nog een verschijning aan toe, van de twee die naar het veld gaan uit Marc.16:12,13. Volgens hem zijn dit niet dezelfde als de Emmaüsgangers. 1°) Op paasdag, in Jeruzalem, aan Maria Magdalena, Marc.16:9. 2°) Op paasdag, in Jeruzalem, aan andere vrouwen, Mat.28:9. 3°) Op paasdag, in Jeruzalem, aan Petrus, 1 Cor.15:5. 4°) Op paasdag, de weg naar Emmaüs, aan 2 discipelen, Luc.24:15-31. 5°) Op paasdag, in Jeruzalem, aan 10 apostelen, Joh.20:19,24. 6°) Een week na Pasen, in Jeruzalem, aan 11 apostelen waaronder Thomas die eerst wou zien, Joh.20:26-28. 7°) Vele dagen later in Galilea, aan zeven discipelen die aan het vissen zijn, Joh.21:1-14 (de derde maal aan deze discipelen). 8°) Vele dagen later, in Galilea, aan 11 apostelen, Mat.28:16,17. 9°) Vele dagen later, in Galilea, aan 500 broeders, 1 Cor.15:6. 10°) Nog dagen later, in Galilea, aan Jacobus, 1Cor.15:7. 11°) Veertig dagen na Pasen, in Jeruzalem, bij de Hemelvaart, Luc.24:50-53 / Hand.1:4-11. 12°) Twee à drie jaar na Hemelvaart, op weg naar Damascus, aan Saulus van Tarsus, Hand.9:1-6 / 1 Cor.15:8. Alleen dit laatste is mogelijk een visioen en dus geen letterlijk “zien” zoals de andere 11 gevallen. Zie Hand. 9:17 / 22:6-11 / 26:12-19 vergeleken bij Hand.18:9 / 23: 11 / 2 Cor. 12:1. Maar het is ook mogelijk dat Paulus in 1 Cor.15:8 en 1 Cor 9:1 niet over het visioen van Damascus spreken. Want Paulus heeft zijn evangelie niet van een mens ontvangen maar: “door openbaring van Jezus Christus” (Gal.1:12, zie ook Eph.3:2-4). In werkelijkheid worden in het NT minimaal acht visioenen genoemd van Paulus meestal zonder details. Zie Hand.9:3-11 / 9:12 / 16:9,10 / 18:9,10 / 22:17-21 / 23:11 / 27:23,24 / 2 Cor.12:1. In de ‘Collationes Brugenses et Gandavenses’, elfde jaargang, n°2, 1965 zegt P. Van den Berghe in dit verband het volgende op pagina 195 (voetnoot): “ De verschijning op de weg naar Damascus was blijkbaar van een eerder ‘apocalyptisch’ type (Gal. 1:12,16 / Hand. 9:3,4), daar waar de verschijningen van Jezus aan de leerlingen of de vrouwen en verwanten een meer ‘familiair’ en ‘aards’ karakter hadden. Men mag de echtheid van deze “paasverschijningen” niet van de hand wijzen, omdat ze niet overeenkomen met Paulus’ ervaring en zijn visie.” En vanuit J. Lightfoot, ‘A commentary on the New Testament from the Talmud and Hebraica’, Baker, Reprint 1979, deel 4, p.269 een opmerking in dit verband. Aan de hand van enkele teksten uit de Talmoed die zeggen dat “als een ontijdig geboren” wijst op een te vroeg geboren worden en niet een laattijdig, zou dit te begrijpen zijn als dat Paulus de Heer in een onvolwassen toestand gezien heeft. Want in tegenstelling met de andere discipelen is hij de enige die de Heer als mens niet gekend heeft, althans niet voor Zijn dood. Zijn “zien” van de Heer was een buitengewone omstandigheid. Normaal zou Paulus als elk ander gelovige uit de tijd na de Hemelvaart Hem slechts zien bij de wederkomst. Dat neemt dus zeker niet weg, dat het “zien” van Maria van Magdala of de 500 broeders, enzovoort, niet met de letterlijke ogen zou zijn. De opgestane Heer ziet eruit als een menselijk lichaam, datzelfde lichaam dat in hun herinnering behoorde aan Jezus voordat Hij stierf.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

177

De Schrift maakt dat zeer duidelijk. Joh.20:20 Het ziet eruit als een menselijk lichaam. Luc.24:39,40 Het zijn de handen, voeten, vlees en beenderen van de Heer. (“Mijn handen, Mijn voeten”). Joh.20:16 Het spreekt en hoort. Joh.20:14 Het ziet. Joh.20:22 Het blaast. (Denken we hier aan de schepping van de mens in Gen.2:7 en zijn levensadem). Joh.20:20 Het heeft herkenbare gelaatsuitdrukkingen. Joh.20:16 Maria Magdalena herkent de stem van Jezus. Joh.20:22, Het lichaam heeft de tekenen van de 25 kruisiging, de Heer zelf wijst hierop. Joh.20:27 Men mag die wonden zelfs onderzoeken op authenticiteit. Luc.24:16 Dat lichaam verplaatst zich. Luc.24:30 Het handelt als een mens, als Jezus vroeger 35 deed. Luc.24:43 Eet vis en honing. Vergelijk Hand:10:41. Joh.21:15-22 Deze persoon is nog steeds leraar en herder. vb. “Vrede zij u” Joh.14:27 / 20:19-21 en “Vreest niet” Marc.16:6. Voor de discipelen is dit de ondubbelzinnige identificatie: “Het is de Heer.” Maar de tijd van dat soort “zien” is nu voorbij. Na de Hemelvaart zal als regel gelden wat Jezus tot Thomas sprak: “Zalig zij die niet gezien hebben en toch geloven” (Joh.20:29). Wij kennen Jezus nu nog slechts naar de Geest zegt Paulus later (2 Cor.5:16). Wij geloven in Hem zonder Hem thans te zien. Dat het lichaam dat in het graf werd gelegd hetzelfde is als het lichaam van de Opgestane is dus duidelijk. Toch is er ook verschil aan te wijzen. Want het gaat hier om méér dan het “levendmaken” van een lijk. De Opgestane gaat door gesloten deuren (Joh.20:19,26), verschijnt en verdwijnt voor de ogen van Zijn discipelen (Luc.24: 15,31). Wetten van zwaartekracht lijken niet van tel (Luc.24:51 / Hand.1:9). Hier gelden andere natuurwetten die niet van deze wereld zijn. De Opgestane is als mens dus méér dan het vervolg, natuurlijk en biologisch, van Hem die stierf aan het kruis. Het is vanuit dit standpunt dat we de opmerking van Marcus moeten begrijpen dat de Heer verscheen in een “andere gedaante” (Marc.16:12). Dat lichaam is “heteros” = “anderssoortig” dan het vroegere lichaam, het is thans “onsterfelijk” en “onverderfelijk.” Het opstandingslichaam is daarom ook samengesteld uit materiële stof. Maar een lichaam waaraan aardse krachten vreemd blijken te zijn. Thomas en de anderen hebben dit allemaal letterlijk gezien. Thomas heeft zelfs zijn natuurlijk pessimistische aard overwonnen (Joh.11:16 / 14: 4,5). Hun verhaal is echt en waarachtig en voor ons opgetekend zodat het ook ons verhaal mag zijn. Zodat wij ook zien mogen en ontwaken uit geestelijke slaap. Maar ook gewoon zouden afwachten en geloven dat iedereen Hem terug met letterlijke ogen zal zien bij Zijn tweede komst (Joh.2:22 / 19:37 / Rom.6:9 / Opb.1:17 ). We moeten er attent op zijn dat het ongeloof van de Joden niet ons eigen ongeloof wordt (Luc.16:31 / Joh.12:37-41). Zoals het Joodse volk dagelijks moest belijden: “De Here is onze God, de HERE is één” (Deut. 6:4), zo moet een christen dagelijks belijden, en van daaruit leven, dat “Hij is opgewekt” (Luc.24:6). De God die Jezus uit de doden deed opstaan zal ook ons levend maken tot Zijn eer (2 Cor.1:9).


LEVEN, Dood en opstanding_1999

178

(Dit gedeelte in sterk afhankelijk en polemisch van wat W. Michaelis schreef over het verschil “visioen” en “zien” in: ‘Die erscheinungen des Auferstandenen’, Basel, 1944 en Kittell’s T.W.NT deel V, p.315-381, vooral p.340-346). Levend tot in alle eeuwigheden (Opb.1:18) In meerdere publikaties zegt de WT dat Christus zijn lichaam waarin Hij gestorven is niet terug opgenomen heeft, in de opstanding want dat zou betekenen dat Hij zijn offer voor de mensheid gegeven terug zou nemen. Volgens hen moet de Heer dus voor eeuwig afstand doen van dat lichaam. Dat zou geleerd worden in Gal.1:4 / 2:20 / Eph.5:2 / Col.1:21,22 / Heb.10:10 / 10:19,20. (o.a. ‘DE WACHTTOREN’ van 15 aug. 1976, p.511 / ‘DE WACHTTOREN’ van 15 febr.1991, p.12-16 / ‘Hulp tot begrip van de Bijbel’, deel 6, 1989, p.1162). Maar dat leren deze teksten niet. De teksten in de brief aan de Galaten zeggen dat de Heer zichzelf gegeven heeft voor onze zonden. Volgens Eph.5:2 gaf Hij zichzelf als offer. Col.1:21,22 zegt dat wij verzoend zijn door zijn vleselijke lichaam in de dood. Heb.10:10 geeft te kennen dat wij geheiligd zijn door het offer van Zijn lichaam. En volgens Heb.10:19,20 is Zijn vlees als een voorhangsel dat ons de weg tot de hemel verschaft. Al deze teksten spreken over Zijn dood, en niet over Zijn opstanding. Deze teksten leren dat Christus een werkelijke offerdood stierf. Deze teksten beantwoorden niet de vraag wat er met het lichaam was geschied drie dagen nadien. Jehovah’s Getuigen geven blijk van een vulgaire oppervlakkigheid wanneer ze beweren dat om deze reden het lichaam van de Heer geen deel had aan de opstanding. De fout ligt bij de rationalistische en materialistische visie welke ze geven over het offer van Christus. Wat juist onmogelijk is. Want wanneer Paulus in Eph.5:2 schrijft dat Hij zichzelf: “voor ons heeft overgegeven als offergave en slachtoffer, Gode tot een welriekende reuk” dan denken wij onwillekeurig aan de brandoffers in de Joodse bedeling. En ook het vet van zondoffers werd verbrand en was in YaHWeH’s oog als een “liefelijken reuk” (Lev.4:31). Duidelijk is het in Hebreeën hoofdstukken 9 en 10 dat Christus tegenbeeld vormt van deze offers. Maar niet in een letterlijke zin. Zijn lichaam was géén letterlijk brandoffer. Er staan op dit gebied géén leugens in de Schrift maar wanneer we de redeneringen van de WT volgens dan staan ze er vol van. De WT legt verkeerde accenten. Het lichaam van de dode Jezus is niet in het dal van Gé-Hinnom geworpen om er met de vuilnis van de stad en de resten van dieren verbrand te worden. De Heer is klaar en duidelijk begraven en niet verbrand, zodat men geen tegenbeeld moet zoeken waar er geen is. Ook géén letterlijk paasoffer alhoewel als vervulling van de Schrift geen enkel been van Hem verbrijzeld werd zoals het met letterlijke paasoffers was (Ex.12:46). Sommige zondoffers werden verbrand andere offers gegeten. Het offer van Christus is er de vervulling van maar niet in letterlijke zin. De Heer is niet met zijn letterlijk bloed de hemelse plaatsen doorgegaan (vgl.1 Pet.1:18,19). (Over brandoffers zie het nog steeds goede commentaar van A. Noordtzij, ‘Levitikus, korte verklaring van de Heilige Schrift’, Kok, herdruk 1955, origineel 1940, p.21-43). Een belanrijke opmerking bij het lezen van het boek aan de Hebreeën geeft H. Bavinck in zijn ‘Gereformeerde dogmatiek’. Hij zegt: “Maar men lette er wel op, dat de auteur van dezen brief nergens zegt, dat Christus met zijn bloed is ingegaan in den hemel; zooals de hogepriester in het Oude Testament daarmede op den grooten verzoendag inging in het heilige der heiligen en het sprengde op het verzoendeksel; maar hij zegt alleen, dat Christus door zijn bloed eenmaal in het heiligdom ingegaan is, 9:12; Hij nam het aan het kruis vergoten bloed niet mede, om het te sprengen in het hemelsche heiligdom en er de verzoening door teweeg te brengen. Maar door middel van zijn bloed, op grond van de offerande aan het kruis, verwierf Hij zich het recht, om in den hemel in te gaan en te onzen behoeve voor Gods aangezicht te verschijnen (...)


LEVEN, Dood en opstanding_1999

179

Hij bracht eene eenige en volmaakte offerande aan het kruis; Hij nam zijn bloed niet mede naar den hemel, om het te offeren; maar Hij ging, door den tabernakel van zijn lichaam en door het voorhangsel van zijn vleesch heen, 9:11 / 10:20, in eens binnen in het waarachtige heiligdom; en daartoe ontving Hij het recht en de macht door zijn eigen bloed, dat Hij aan het kruis had gestort, 9:12. Zijn bloed had die kracht omdat het zijn eigen bloed was, omdat Hij door den eeuwigen Geest zichzelven Gode onstraffelijk opgeofferd heeft, 9:14” (deel 3, p.475, de twee onderstreepte woorden staan schuin in het oorspronkelijke, we hebben het aanhalen van schriftuurplaatsen aan onze wijze aangepast). Welk ander offer er ook in de Joodse wet was voorgeschreven, ze werden vervuld in het ene offer van Christus. Letterlijk kan dat niet want het ene zou het andere uitsluiten (Zie o.a. H. Schroten, ‘Mozes en Jezus’, Kok, 1968). Wanneer de Heer dan zegt : “IK ben dood geweest en zie IK ben levend tot in alle eeuwigheden” (Opb.1:18). hebben we een krachtig getuigenis over werk en verheerlijking van Christus. Hij heeft de macht Zijn leven te geven, echter ook de macht het wederom op te nemen. Hij sterft om ons met God te verzoenen (Rom.4:25). Hij heeft het verderf niet gezien. Hij sterft als mens om als verheerlijkt mens verder te leven. Christus had een natuurlijk lichaam, thans na de opwekking een geestelijk lichaam. En de nadruk blijft hier liggen op “lichaam.” Niet slechts “geest” maar een “geestelijk lichaam” zegt Paulus in 1 Cor.15:44. Zijn offer wil niet zeggen dat Hij eeuwig afstand doet van Zijn mensheid. Integendeel, de vernedering die de Heer onderging tot in de dood was tegelijk de weg tot Zijn verhoging. Zijn dood is de weg, middel en doel van de verheerlijking van Zijn menszijn. Zijn mens-zijn heeft een eeuwig bestaan door de dood. De Opstanding van Christus en Zijn Godheid 1) Hij is de Vader gelijk want Hij heeft het leven gehad in Zichzelf, Joh.5:26,21. 2) Hij is Eeuwig, de dood heeft Zijn leven niet kunnen eindigen, Heb.13:8 / Opb.1:8,17. 3) Hij heeft dezelfde Heerlijkheid als de Vader, Joh.17:5 4) Hij is Alwetend, Hij voorzegt niet alleen Zijn dood maar ook Zijn opstanding, Joh.2:19-22 / 10:17,18. 5) Hij is Almachtig, Hij heeft de dood en de Satan overwonnen, Heb.2:14 / 1 Cor.15:20. 6) Zijn goddelijke Liefde is als van een vader gelijk, Jes.9:5,6 / Tit.3:4-7. 7) Hij is Heilig, of niet en dan is Hij zondaar en blijft in de dood, 1 Pet.2:22-24 / Hand.2:24,27. 8) Hij is Alomtegenwoordig in Zijn gemeente en in de gelovigen, Heb.7:25 / Gal.2:20 / Joh.16:7. 9) In de opgestane herkent Thomas Jezus als “Mijn Heer en Mijn God”, Joh.20:28. 10)Hij is al onze Aanbidding waard, Luc.24:52 / Joh.5:23 / Col.2:3,9 / 1 Joh.2:23. 11)Hij is Rechter over levenden en doden, Hand.10:42 / 2 Tim.4:1 / 1 Pet.4:5. Zijn opstanding is de garan-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

180

tie voor onze opstanding, Joh.11:25 / 1 Cor.15:20. Enkele kritische aantekeningen van de moderne theologie Niet tevreden met wat de Schrift zegt over de opstanding heeft de moderne theoloog bij wijze van spreken honderd en één argumenten om niet te hoeven geloven in wat ons daarover geopenbaard is. We nemen er enkele ter hand. 1°) In ‘Tot het aanbreken van de dageraad’, van A. Van de Walle o.p., Altiora, 1981, p.42 lezen wij: “In vroegere eeuwen, wanneer mensen nog geen besef hadden van de onmetelijke uitgebreidheid van het menselijk ras in ruimte en tijd, en nog zeer kleinschalig konden denken, waren dergelijke voorstellingen klaarblijkelijk nog acceptabel. Tegenwoordig ligt het anders. Wanneer men zich realiseert dat er tot nog toe, naar schatting 77 miljarden mensen hebben geleefd en dat er nog ettelijke miljarden te verwachten zijn, wanneer het leven op aarde, rekening houdend met de voedselreserves, het nog een 400 miljoen jaren kan volhouden, dan wordt elke voorstelling van een verrijzenis der lichamen op het einde der tijden, gepaard gaande met een hoe dan ook gedachte materiële identiteit, gewoon nonsens. Dit geloven kan geen zinnig mens opbrengen.” Antwoord: Op de nieuwe hemel en nieuwe aarde die God zal scheppen, waar géén zee meer is, waar de gelovigen niet meer hoeven te eten zal plaats zijn voor nog méér miljarden dan geciteerd worden (2 Pet.3:13 / Opb.21:1 / 1 Joh.3:2). Er is wel één en ander in de nieuwe hemel en aarde dat verschilt met wat we nu kennen. Hieronder enkele details waarbij we de eerste en de tweede schepping vergelijken: Zee / Géén zee Gen.1:10 / Opb.21:1. Nacht / Géén Nacht: Gen.1:1 / Opb.22:5. Zon en maan / Géén zon en maan: Gen.1: 16,17 / Opb.21:23 / 22:5. Vloek / Géén vloek: Gen.3:15-17 / Opb.20:10 /21:1-8. Dood / Géén dood: Gen.3:16,17 / Opb.21:4. Oud / Nieuw: Gen.1:1 / 2 Pet.3:6,7 / Opb.21:1. De toestand in de nieuwe wereld, en de bewoners ervan, zijn dus niet te vergelijken bij wat we nu kennen. Dat het niet slechts het herstel is van het oude maken teksten als Ps.102:16,27 / Jes.51:6 / Mat.24:35 overduidelijk. Een andere mogelijkheid, en dat lijkt en leek ons in den beginne ook moeilijk te vatten, is dat deze nieuwe hemel en aarde zich zal bevinden in een nieuwe galaxie. Zo schrijft o.a. P. Badham, ‘Christian beliefs about life after death’, S.P.C.K., 1978, p.78. Trouwens allen die gestorven zijn beërven de nieuwe hemel en de nieuwe aarde niet. Hoevelen er nu in procenten uitgedrukt daar géén deel aan hebben weet niemand. Maar die zitten toch in een andere “wereld” en wie weet wellicht een andere galaxie! 2°) Wij mensen van het einde der eeuw moeten deze dingen niet meer leren, liefde is het thema van de toekomst. Antwoord: We antwoorden met de woorden van een gekende theoloog-psycholoog uit Leuven: “Het is algemeen bekend dat de predikatie zich veel meer toelegt op het steeds herhalen van uiteenzettingen over de naastenliefde dan over de geloofsmyteries. De christelijke moraal voorhouden is ook gemakkelijker en behaaglijker. Wanneer men op het feest van O.L.H.-Hemelvaart de


LEVEN, Dood en opstanding_1999

181

zusters en broeders in het geloof zegt, dat men, volgens de woorden van de engel aan de apostelen,’niet naar de hemel moeten blijven staren’, maar nu als opdracht heeft ieder voor de andere een stukje hemel op aarde te zijn, dan draagt men toch maar een halve waarheid over. Het is het deel waarheid waarmee de mens geredelijk kan instemmen. Het eigen christelijk geloof zet men tussen haakjes. Zo omgeduid, wordt het christelijke geloofsmysterie eigenlijk tot een symbool voor een louter menselijke, aardse vervulling van de verlangens. Het is precies die secularisatie van de geloofsinhoud die Feuerbach, Marx, en de ‘humanisten’ voorstaan” (A. Vergote, ‘Collationes, Vlaams tijdschrift voor Theologie en Pastoraal’, jaargang 18, 1988, n°3, p.282). 3°) We moeten geen nieuwe theorie zoeken om de opstanding te begrijpen, we moeten terug naar de klassieke leer hierover, want het is toch niet te begrijpen. Antwoord: De Rooms Katholieke theoloog E. Henau zegt hierover: “En wanneer alle voorstellingen te kort schieten, wanneer geen vergelijking ons nog aanspreekt, dan mogen wij het Schriftwoord niet vergeten dat luidt:’Thans zien we in een spiegel, onduidelijk, maar dan van aangezicht tot aangezicht (1 Kor:13,12). Wanneer Paulus het raadselachtige wil omschrijven, dan heeft hij daarvoor een zeer bondige formulering: ‘wij zullen bij de Heer zijn’(2 Kor.5,8;Filip.1,23;1 Thess.4,17). Dat te weten is hem voldoende. Het kan ook ons genoeg zijn. Wij zullen er immers vanaf moeten zien meer te zeggen dan wat hier wordt aangegeven. In het verleden heeft men weliswaar gemeend meer details te weten, zodat de christelijke overlevering over het leven na de dood uitgroeide tot een boom vol bloesems en lover waardoor men de stam niet meer zag? Maar bloesems verwelken en bladeren vallen af bij de wisseling der seizoenen. Had men de H. Schrift beter gelezen, dan was men overigens gewaarschuwd geweest tegen een al te grote verbeeldingsdrift (...) Maar we weten dat God ‘de God der levenden is’ (Mat.12,27), en dit betekent: dat de dood aan de macht van God geen beperkingen oplegt en daarom niet het laatste woord over het menselijk leven is” (J. Baers en E. Henau, ‘God is groter’, Lannoo, 1980, p.464). 4°) De opstandingsverhalen zijn niets meer dan legenden, want ze staan vol tegenstrijdigheden, zo gaat één vrouw naar het graf in het ene evangelie maar in een ander meerdere vrouwen. Of, er verschijnt één engel in het ene en twee in een ander evangelie. Het verhaal in niet consequent, zegt men dan, en is dus niet waar. Antwoord: We citeren uit een nog altijd zeer degelijk boek waarin allerhande kritishe benaderingen van theologen over de opstanding aan de orde zijn. Een voorbeeld van de drie aangehaalde in het boek in dit verband. We lezen in James Orr, ‘The resurrection of Jesus’, Charles Scribner’s Sons, 1908: “Studenten in de klas geschiedenis hadden de Franse Revolutie in behandeling. De studenten kregen opdracht om tegen de volgende dag na te gaan bij welk stemmenaantal koning Lodewijk de zestiende veroordeeld werd tot de doodstraf. De helft van de klas had gevonden dat de veroordeling unaniem was. Anderen hadden het aantal gevonden van de meerderheid plus één stem. Slechts enkelen vonden dat er maar 145 stemmen waren op een totaal van 721. Hoe totaal verschillend dit ook scheen, voor elk van de rapportages was de onomstreden authoriteit van een gekend historicus aan te halen. Elk van de drie antwoorden was waar en de combinatie van de drie de volheid van de waarheid. Bij de eerste stemronde was de vraag aan bod of de koning “schuldig” was waarop er geen enkele tegenstem was bekomen. Sommige historici beschreven alleen dit, zonder verdere details. De stemming over de “strafmaat” was echter wel anders. Een meerderheid van 145 verklaarde zich akkoord met de doodstraf die zou volgen op de ondertekening van de vrede met Oostenrijk en na de goedkeuring door het volk. En er waren 361 stemmen (de helft plus één) vóór en 360 tegen het onmiddellijk uitvoeren van de doodstraf. De geschiedenisboeken staan bol van gelijkaardige verhalen” (p.90, 91). (In 1980 verscheen een herdruk van dit werk bij Klock and Klock, Minneapolis). Voor bijna alle prangende vragen in dat verband geeft Orr een zeer plausibele uitleg. Ook


LEVEN, Dood en opstanding_1999

182

G.E. Ladd is te lezen in dit verband, vooral zijn “harmonish verhaal” van Paasdag is zeer goed, p.91-95, titel in bibliografie. Ook nog J. Wenham, ‘Easter enigma, are the resurrection accounts in conflict’, Paternoster Press Reprint, 1996. Dit laatste is een goudmijn voor weinig geld. Zie ook de Appendix 1 op p.186-188 die we hebben samengesteld om de betrekkelijkhied aan te tonen van deze stelling over de tegenstrijdige verhalen der opstanding. 5°) “Jezus’ verrijzenis geen historisch feit, maar een hoopvol vermoeden” is de titel in mijn dagblad naar aanleiding van lezingen gehouden door twee Rooms Katholieke theologen tijdens de Kerkdagen van april 1997 (‘De Standaard’ van 21 april, 1997). Over één van hen schrijft de redacteur als volgt: “Peter De Mey, een systematisch theoloog, kwam zwaarder uit de hoek. Hij becommentarieerde enkele vakgenoten waardoor het gehoor in de benauwde ruimte naar adem begon te snakken. De verrijzenis heeft niets vandoen met het leeg graf. Jezus is vergaan zoals iedere mens vergaat. Zijn dood is zo menselijk als de onze. Vanuit Jezus’ leven en dood groeide bij zijn leerlingen het besef dat God in Jezus handelend optreedt. Vandaaruit groeide de overtuiging dat we de dood van Jezus niet moeten accepteren als het einde. We mogen hoopvol vermoeden dat God Jezus niet in de dood liet.” Antwoord: Dat mensen na het aanhoren van zo een verhaal er niets meer van begrijpen is duidelijk. Dat ze de kerk in het algemeen de rug toekeren is niet zo wonderlijk. Want zo staat het toch niet in de boeken die ons door de leerlingen van de Heer zijn achtergelaten. Men moet méér dan fantasie hebben om te leren wat mensen als P. De Mey beweren. Want het gaat om ongeloof: de Schrift liegt ons dingen voor en is slechts te begrijpen met degelijk voorafgaande studies van het onderwerp. Zonder diploma is de Schrift niet te begrijpen, een stelling waartegen de Reformatie zwaar uithaalde en met recht. In de Schrift spreekt God tot de man van de straat. Bij P. De Mey en vele anderen staat de Schrift niet centraal, wel de stelling van een theolooog of combinatie van stellingen. Aan de Corinthiërs een Griekse stad met allures van luxe en wijsheid in pacht zoals in onze westerse wereld, schrijft Paulus: “Ook ben ik toen ik tot u kwam, broeders, niet in schittering van woorden of wijsheid u het getuigenis van God komen brengen. Want ik had niet besloten iets te weten onder u, dan Jezus Christus en die gekruisigd (...) niet met meeslepende woorden van wijsheid, maar met betoon van geest en kracht (...) Want vóór alle dingen heb ik u overgegeven, hetgeen ik zelf ontvangen heb: Christus is gestorven voor onze zonden, naar de schriften en Hij is begraven en ten derde dage opgewekt, naar de schriften en Hij is verschenen” (1 Cor.2:1,2,4 / 15:3,4). Onderscheiding van de geesten komt bij de studie van moderne theologen zeker van pas (1 Joh.4:1-3). 6°) “Dat Christus is opgewekt, zegt meer dan dat een dode - God weet hoe - weer leeft. Het perfectum “hij is opgestaan” (v.4) wijst op zijn actuele en dynamische betekenis. De verrezene is een daadwerkelijke macht; hij staat centraal in het oordeel over de wereld en in haar vernieuwing. Degenen aan wie hij zich laat zien, krijgen een opdracht of een zending (v.11; zie Rom.1,1), vergelijkbaar met de zending die Mozes kreeg bij de godsverschijning in het brandende braambos. De verwijzing naar de Christusverschijningen is niet bedoeld ter historische verificatie, maar herinnert aan de kracht waarmee het paasevangelie zich in het begin heeft ontvouwd” (wij onderstrepen). W. Logister, ‘ (...) na de Dood, De harde noten van het verrijzenisgeloof’, Averbode, 1997, p.175. Antwoord: We hebben dit boek gelezen met zeer gemengde gevoelens. Onze indruk is dat de schrijver wat hij “bewijst” op de ene bladzijde terugneemt op een andere. Met wat we onderstreept hebben kunnen we zeker niet instemmen. Wat we hierna citeren staat als een paal boven water en moet dus grondslag zijn van elk onderzoek naar de werkelijkheid van de verschijningen.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

183

“Feit blijft dat de NT-ische norm die als bewijsplaats voor de opstanding van Christus gebruikt wordt een aorist werkwoord is, ofwel het passieve (...) “hij werd opgewekt” of de actieve vorm (...) “God heeft hem opgewekt.” Beide meestal vergezeld door (...) “uit de doden” soms een gelijkaardige uitdrukking, of een verwijzing naar de derde dag. De voltooid tegenwoordige tijd vinden we in slechts twee teksten. De ene is 2 Tim.2:8 (...) De andere is 1 Cor.15:4 (Of drie wanneer we Marc.16:14 aannemen). Het kenmerkende verschil tussen de aorist en de voltooid tegenwoordige tijd in het oude Grieks is dat de eerste een handeling weergeeft die is voltooid terwijl de laatsgenoemde de toestand aangeeft, meestal het resultaat van een handeling (...) Dat de NT-ische schrijvers de bedoeling hadden de opstanding te beschrijven als een onomkeerbare gebeurtenis is duidelijk, dat geeft het gebruik van de aorist aan en enkele specifieke zegswijzen. Elke aanval van zijn geschiedkundige werkelijkheid moet als foutief bestempeld worden, gezien de overtuigende feiten.” K. Mc Kay, ‘Some linguistic points in Marxsen’s Resurrection theory’, ‘The Expository Times’, 84th year, august 1973 (n°11), p.330. (Zie ook appendix 2, p.188) De opstanding van de gelovige Gezien de opgestane Heer de sleutels van de dood en het dodenrijk heeft, en we Hem gelijk worden in de opstanding ten leven, moet toch ook hierover wat gezegd worden. De apostel Paulus schrijft aan de Romeinen: “En indien de Geest van Hem die Jezus uit de dood heeft opgewekt, in u woont, dan zal Hij die Jezus uit de doden heeft opgewekt, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door zijn Geest die in u woont” (Rom.8:11, wij onderstrepen). Onze toekomst is gebonden aan de opstanding van Jezus en wat aan Hem is volbracht door de Vader en de Geest. Dit is te vergelijken met 1 Cor.6:14 / 2 Cor.4:14 / 1 Thes.4:14. In datzelfde hoofdstuk acht aan de Romeinen, vers 23 staat dan (wij onderstrepen): “En niet alleen zij, maar ook wij zelf, (wij), die de Geest als eerste gave ontvangen hebben, zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam.” Deze tekst is te vergelijken met Eph.1:7, 13,14 / 2 Cor.1:21,22 / Phil.1:6 / 1 Pet.1:3-5 / Col.1:5,27. Aan de gemeente van Philippi beschrijft hij het wonder van de opstanding als volgt: “Dit alles om Hem te kennen en de kracht Zijner opstanding en de gemeenschap aan zijn lijden, of ik, aan zijn dood gelijkvormig wordende, zou mogen komen tot de opstanding uit de doden” (Phip.3: 10,11). En verder: “Want wij zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus als verlosser verwachten, die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan Zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt, naar de kracht, waarmede Hij ook alle dingen Zich kan onderwerpen” (Phil.3:20,21, wij onderstrepen). Wanneer Jehovah’s Getuigen deze laatste tekst aanhalen dan is de uitleg met betrekking tot de 144.000 als volgt: “Christus’ getrouwe broeders, die in de hemel met hem verenigd worden, geven hun menselijke leven op.” (‘Hulp tot begrip van de Bijbel’, deel 6, 1989, p.1162). Dat staat er niet in Phil.3:20,21. En enkele paragrafen ervoor op dezelfde pagina lezen we: “Zij moeten een verandering van natuur ondergaan door de menselijke natuur op te geven teneinde de goddelijke natuur deelachtig te worden en een geestelijk lichaam te ontvangen zoals hemelse schepselen bezitten.” En natuurlijk staat ook dat niet in de Schrift. Wat staat er dan wel! Er gaat iets gebeuren met ons door zonden vernederde lichaam, een lichaam dat in principe gedoemd is (Rom.7:14-16). Toch is een mensenlichaam op zichzelf niet “zonde” of “zondig” (1 Cor.6:13). Want het lichaam van de gelovige, zal aan het lichaam van de Heer gelijk worden (1


LEVEN, Dood en opstanding_1999

184

Cor.15:49). Het is nu - tijdens dit leven - dat we in “vernedering” zijn, maar deze toestand is niet blijvend. Vergelijk het Griekse “tapeinosis” in Phil.2:8 en Luc. 1:48. Het is de bestemming van alle gelovigen om “gelijkvormig” te worden aan de Heer. Verwonder er u daarover niet, dat de WT weinig ingaat op deze teksten. Want zeggen ze, Christus is nu een geest en ook de 144.000 moeten geesten worden. Maar het wonder is toch dat een vernederd lichaam totaal vanuit een goddelijke ingreep “anders” wordt. Niet een geest, want dan houdt het parallellisme op van de vergelijkingen die Paulus maakt in 1 Cor.15:35-44. Er is continuïteit in dat lichaam, “dit” moet “dat” worden. In het NT is dan ook géén plaats voor de leer van sommige rabbijnen. Ze leren dat God de mensen in de opstanding laat opstaan in hun oud lichaam, wie doof was doof, of een blinde zal blind opstaan, daarna zou God hen genezen. De redenering is dat de identiteit van de opgestane nog moet nagegaan worden (in o.a. de Syrische Apocalypse van Baruch 50:1 e.v.). Het NT zegt gewoon dat het oude lichaam in één tijdseenheid veranderd. In één ondeelbaar ogenblik zal het oude nieuw geworden zijn (1 Cor.15:52). Deze tekst spreekt met nadruk over de gelovigen die bij de wederkomst van Christus veranderd worden. Maar gezien voor elke gelovige, denk aan het citaat van A. Kuyper, het tijdstip van iemands dood en de wederkomst van de Heer “samenvallen” in één moment, zo gaat dit op voor alle gelovigen van alle tijden. En ook voor de ongelovigen maar dat is hier niet aan de orde. En hier nogmaals dat citaat van A. Kuyper. Hij zegt in zijn ‘Dictaten Dogmatiek V’, ‘Locus de Consummatione Saeculi’, p.23: “Toen Paulus stierf was hij terstond uit de tijd. Voor hem is sedert zijn sterven tot nu toe geen tijd verlopen tot de wederkomst des Heren. Voor hem is dus de dood en de parousie volkomen gelijk. En wat voor hem goldt, geldt nog voor ons. Ook als de laatste klokslag in de oren dreunt, komen wij buiten de tijd. Ook tussen onze dood en Jezus’ wederkomst zal geen chronos meer verlopen. Voor een Christen valt eigenlijk zijn persoonlijke dood en de parousie des Heren samen.” Verder op p.241 staat nog:” dat wie sterft het tijdelijke met het eeuwige verwisselt, dat door de dood de chronologie dezer wereld ophoudt, en (...) dat de parousie onmiddellijk aansluit aan het sterven.” Maar anderzijds is de lichamelijkheid van dit lichaam niet hetzelfde als dat wat men bij de geboorte heeft meegekregen. Lichamelijk zijn ook bepaalde beelden die gebruikt worden met betrekking tot het leven na de opstanding. Zo moeten het eten, drinken en maaltijden houden hieronder vallen (Luc.13:29 / 14:15 / 22:16 / Marc.14:25). Dat is allemaal beeldspraak want dat lichaam heeft geen voedsel meer nodig. Het opstandingslichaam is méér dan de herstelling, restoratie of reparatie van het lichaam dat in het graf is gelegd. Maar “wat” er allemaal nieuw aan is weten we niet. God heeft ons dit zeer waarschijnlijk niet willen openbaren om onze fantasie te betomen. De enige, Jezus van Nazareth, die dat lichaam reeds bezit in niet beschikbaar voor de nieuwsgierige ongelovigheid van de moderne wetenschappers. Ons “vergankelijk” lichaam moet “onvergankelijk” worden. We zullen op een unieke wijze door goddelijk ingrijpen “overkleed” worden (2 Cor.5:4). “Ik” zal het nog zijn en niet een ander. “Ik” ben, als mens door mijn Hemelse Vader geschapen, niet als geest. Mensen zijn geen toekomstige engelen en zullen de eeuwigheid niet als engelen moeten ingaan. Het sterfelijke in ons zal door het leven “verslonden” worden. Wanneer Jezus over de opstanding zegt dat we aan de engelen gelijk zullen zijn, spreekt dat niet over de lichamelijkheid van de engelen maar over het “levend” voor God zijn zoals engelen dat nu zijn (Luc.20:36). Wij zullen “als” (Grieks “hos”) engelen zijn in slechts één opzicht, niet identiek aan engelen. Elk lid van de gemeente Gods zal na de opstanding uit de doden boven de engelen staan in rang, niet omdat we zoveel beter zijn dan hen, maar omdat de Heer het zo wil (zie 1 Cor.6:3 en 1 Cor.15:39,40). ***********************


LEVEN, Dood en opstanding_1999

185

APPENDIX 6 = OPSTANDING, VERGELIJKING Een vergelijk tussen de gebeurtenisen van de opstandingsmorgen volgens de 4 evangelisten. Zie Mat.28:1-20 / Marc.16:1-8 / Luc.24:1-53 / Joh.20:1-21:25. Daaruit blijkt dat er minder tegenstrijdige zaken zijn dan zoals men het voorstelt. Veel van de verschillen zijn dat in werkelijkheid niet, dan slechts aanvullingen. 1) Mat. Tegen het aanbreken van de eerste dag. Marc. Op de eerste dag der week. Luc. Op de eerste dag der week. Joh. Op de eerste dag der week. 2) Mat. Laat na de sabbat. Marc. Toen de sabbat voorbij was. Luc. Vroeg in de morgenstond. Joh. Terwijl het nog donker was. 3) Mat. Maria van Magdala en de andere Maria. Marc. Maria van Magdala, Maria de moeder van Jakobus en Salome. Luc. Maria van Magdala, Johannes en Maria moeder van Jakobus. Joh. Maria van Magdala. 4) Mat. Om het graf te bezien. Marc. Om Hem te zalven. Luc. Gingen met de specerijen. Joh. Nicodemus had een voorlopige zalving gedaan (19:39). 5) Mat. Een grote aardbeving. Marc. Wie zal de steen afwentelen? Luc. ------Joh. ------6) Mat. Een engel (buiten het graf). Marc. Een jongeling (in het graf, een tijdje later). Luc. ------Joh. ------7) Mat. Wentelde de steen (oorzaak). Marc. De steen was afgewenteld (resultaat). Luc. De steen van het graf afgewenteld (resultaat). Joh. De steen was weggenomen (resultaat). 8) Mat. De engel zit op de steen, de bewakers zijn bevreesd. Marc. Een jongeling (in het graf, een tijdje later). Luc. Twee mannen (in het graf). Ze verschijnen terwijl de vrouwen in het graf zijn, voor hun ogen. Joh. Twee engelen in het graf (20:12). Maria zag twee engelen zitten bij haar 2de bezoek niet het 1st. 9) Mat. Zien de plaats waar Hij gelegen heeft. Marc. De vrouwen gaan in het graf dat leeg is, er is slechts een jongeling. Luc. Vonden het lichaam niet van Jezus. Joh. Bij haar 1ste bezoek gaat Maria niet in het


LEVEN, Dood en opstanding_1999 graf(20:1,2). Bij het 2de bezoek staat ze aan de ingang van het graf (20:11,12). Het is leeg, behalve twee engelen. 10) Mat. Hij is opgewekt (v.6 en 7). Marc. Hij is opgewekt, Hij is niet hier. Luc. Hij is hier niet, Hij is opgewekt. Joh. ------11) Mat. Weest gij niet bevreesd (5). Maar ze waren het wel, echter ook verblijd (vers 8). Marc. Weest niet ontsteld (6). Toch had de siddering en ontzetting haar bevangen (v. 7). Luc. Petrus was verbaasd (vers 12). Joh. ------12) Mat. Zegt het Zijn discipelen. Marc. Zij zeiden niemand iets, ze waren bevreesd (v.8). Luc. Zij boodschapten dit alles aan de elven en de anderen. Joh. ------13) Mat. Hij gaat naar Galilea. Marc. Hij gaat naar Galilea. Luc. ------Joh. ------14) Mat. Jezus kwam de vrouwen tegemoet en zegt dat ze niet hoeven te vrezen (v.9,10). Marc. ------Luc. ------Joh. (zie n掳 16) 15) Mat. De discipelen gaan op weg (vers11). Marc. ------Luc. Petrus en de anderen geloofden niet v贸贸rdat ze het gezien hadden (v.11). Joh. Petrus en Johannes gaan in het graf. Petrus geloofd 20:3-10. 16) Mat. ------Marc. ------Luc. ------Joh. Jezus verschijnt aan Maria 20:11-17. 17) Mat. ------Marc. ------Luc. ------Joh. Maria gaat de discipelen verwittigen. Niet Petrus en Johannes want dat was daarvoor, vergelijk verzen 2 en 18. 18) Mat. ------Marc. ------Luc. Jezus verschijnt aan de Emma眉s-gangers. Joh. ------19) Mat. ------Marc. ------Luc. Jezus verschijnt aan de elven in Jeruzalem 24:36-49.

186


LEVEN, Dood en opstanding_1999

187

Joh. Jezus verschijnt aan de discipelen 20:19-23. 20) Mat. ------Marc. ------Luc. ------Joh. Een tweede verschijning aan de discipelen. 21) Mat. ------Marc. ------Luc. ------Joh. Jezus verschijnt in Tiberias 21:1-23. 22) Mat. De grote opdracht. Marc. ------Luc. ------Joh. ------23) Mat. ------Marc. ------Luc. De Hemelvaart in Bethanië (Vergelijk Hand.1:6-9). Joh. ------APPENDIX 7 = GEBRUIK VAN “Anistemi” Dit is een vertaling van twee voetnoten uit I.Howard Marshall,’The Resurrection in the Acts of the Apostles’, in ‘Apostolic history and the Gospel’ edit.W Gasque en R. Martin, Wm. Eerdmans, 1970, p.101 (voetnoten 6 en 8) die voor de lezer ook nog iets kunnen betekenen. “Anistemi” is gebruikt: 1) transitief van Jezus: Hand.2:24,32 / 13:33,34 / 17:36 (niet in Hand.3:26 / 9:41) 2) intransitief van mensen die opstaan uit de dood: Luc. 8:55 / 9:8,19 / Hand.9:40 3) intransitief van de laatste opstanding: Luc.11:32 4) intransitief van Jezus: Luc.16:31 (?) / 18:33 / 24:7, 46 / Hand.10:41 / 17:3.” “Egeiroo” met betrekking tot Jezus: Actief: Rom.4:24 / 8:11 (bis) / 10:9 / 1 Cor.6:14 / 15:15 (bis) / 2 Cor.1:9 / 4:14 / Gal.1:1 / Eph.1:20 / Col.2:12 / 1 Thes.1:10 / 1 Pet.1:21 Passief: Mat.16:21 (= Luc.9:22) / 17:9,23 / 20:19 / 26:32 / (= Marc.14:28) 27:63,64 / 28:6,7 (= Marc.16:6 = Luc. 24:6) / 8:34 / 1 Cor.15:4,12,13,14,16,17,20 / 2 Cor.5:15 / 2 Tim.2:8.”

Selekte bibliogrografie (Maar dat hoeft u als christen allemaal niet te weten. Sommige titels die we opgeven zijn geen katjes om zonder handschoenen aan te pakken. Er worden nog méér ketterijen verkondigd dan deze. De Prediker zegt, voordat het eerste boek over moderne psychologie of vergelijkende godsdienstwetenschap ooit geschreven werd: “Want in veel wijsheid ligt veel verdriet, en als iemand kennis vermeerdert, vermeerdert hij smart” Pred.1:18.) Hemelvaart Gourges M., A la droite de Dieu, Lecoffre J. Gabalda, 1978. Larranaga V. S.J., L’Ascension de Notre Seigneur dans le Nouveau Testament, Institut Biblique Pontifical, 1938. Milligan W., The ascension of Christ, Mc Millan and Co, 1891.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

188

Stam C., De hemelvaart des Heren, Kok, 1950. Eerste Petrusbrief Boismard M.E., Quatre hymnes baptismales, Ed. Du Cerf, 1961. Du Toit D.A., Neergedaal ter helle, Kok, Kampen, 1971. (Zuid-Afrikaanse tekst over de dogmaontwikkeling van 1 Pet.3:18-21) Houwelingen P., 1 Petrus - Rondzendbrief uit Babylon, Kok, 1991. En goed voor de recente bibliografie. McCulloch J., The harrowing of Hell, T.& T. Clark, 1930. Reicke B., The disobedient Spririts and Christian Baptism, Copenhagen, 1946. Selwyn E.G., The first epistle of St Peter, The Macmillan press, 12de druk, 1977. Modern kritische visie (pro en contra) Alsup J.E., The Post resurrection appearence stories of the Gospel tradition, Calwer verlag, 1975, ook Duits. Audet L. / Dumois M., Résurrection, Desclee et Cie, 1971. Berkhof H., Gegronde verwachting, Callenbach, 1968. K. Blei, Christelijk toekomstverwachting, Boekencentrum, 1986. (Laatste twee hoofdstukken). J. Bonsen, Verhalen van opstanding, Kok, 1991. Danneels G., Over de dood heen, Persdienst Aartsbisdom, 1991. Kardinaal Danneels legt vooral de nadruk op de onhoudbaarheid van de leer van de reïncarnatie in het christendom. Zeer goed. Evans C.F., Resurrection and the New Testament, S.C.M., 1970. Fuchs C. / Künneth W., Die Auferstehung Jesu Christi von der toten, Neukircher verlag, 1973. Fuller R., The formation of the Resurrection Narratives, S.P.C.K., 1972. Kremer J., De Paasevangeliën, Katholieke Bijbelstichting, 1979. Lapide P., Opstanding, een joodse geloofservaring, Kok, 1983. Léon-Dufour X., Résurrection de Jésus et message Pascal, Seuil, 1971. Michiels R., De eeuwigheid in ons hart, Patmos, 1985. Moule C.F.D. edit., The significance of the message of the resurrection for faith in Jesus Christ, S.C.M., 1968. Mousson J. / Van den Berghe P. / Bulckens J., De verrezen Heer, Patmos, 1969. O’Collins G., The easter Jesus, Darton Longmans and Todd, 1973. Passantino B. & G., Christians Chriticizing Christians Can It


LEVEN, Dood en opstanding_1999 Be Biblical?, Christian Research Journal, Fall 1992. Pittinger N., Na de dood het leven, Ten Have, 1982. Rigaux B., Dieu l’a ressuscité, Duculot, 1973 (om van te genieten). Robinson J.A.T., The body a study in Pauline theology, S.C.M., 1952. Sanders J.T., The New Testament christological hymns, C.U.P., 1971. Streeder G.J., Een beoordeling van Barth’s exegese van 1 Corinthen 15, H.J. Paris, 1938. van de Walle A., Tot het aanbreken van de dageraad, Altiora, 1981. van Niftrik G.C., De hemel, Callenbach, 1972. van Ruler A.A., De dood wordt overwonnen, Callenbach,1972. Zodhiates S., Conquering the fear of death, Eerdmans 1970. 8OO paginas overweldigend commentaar (preek!) op 1 Cor.15. Prachtige preken. Zodhiates S., Resurrection, AMG Publishers, 1977. Evangelisatieliteratuur op zijn best, kort en bondig. Opstandingslichaam en commentaren op 1 Corinthe Altermath F., Du Corps psychique au corps spirituel, J.C.Mohr Paul Siebeck, 1977. Feuillet A., Le sacerdoce du Christ et de ses ministres, Editions de Paris, 1972 (met de reserves voor enkele té Roomse uitleggingen over het priesterschap). Grosheide F.W., De eerste Brief van den apostel Paulus aan de Kerk te Corinthe, H.A. van Bottenburg, 1932. Harris M. J., Raised Immortal: Resurrection and Immortality in the New Testament, Eerdmans, 1985. Héring J., La première épître de Saint Paul aux Corinthiens, Delachaux & Nieslé, 1949. Koch G., Die Auferstehung Jesu Christi, J.C.B. Mohr, 1959. Lewis J., The anastasis of the dead, Published by A. Tompkins Boston, 1860. Lindyer C.H., Het begrip sarx bij Paulus, Van Gorcum, 1952. Morison F., Het lege graf, Drukkerij de Spaarnestad, 1953 (Prima en nog steeds in Engelse pocket bij Faber). Orr J., The resurrection of Christ, Charles Scribner’s Sons, 1908 / Reprint bij Klock & Klock, 1980. Schep J.A., The nature of the Resurrection Body, Eerdmans Publishing Company, 1964. Schlatter A., Die Korintherbriefe, Calwer verlag, 1950. Sparrow-Simpson W.J., Our Lord’s Resurrection, Reprint, Zondervan Publishing House, 1964. Stanley D.M., Christ’s Resurrection in Pauline soteriology, Pontificio Instituto Biblico, 1961. Stephen T., I Believe in the Second Coming of Jesus, William

189


LEVEN, Dood en opstanding_1999

190

B. Eerdmans, 1982. Streeder G.J., De prediking van de opstanding der doden in het Nieuwe testament, Bosch en Keuning,(1953?). Tenney M.C., The Reality of the Resurrection, Moody Press, 1972. Urs von Balthasar H. / A. Grillmeier, Le mystère Pascal Mysterium Salutis, volume 12, Du Cerf, 1972., Van Niftrik G.C., Waar zijn onze doden, J.N. Voorhoeve, 1970. Vos G., The Pauline eschatology, Wm. Eerdmans, 1953. Vos Jac.Zn A., Het is de Heer, Kok, 1990. Waaning N.A., Onderzoek naar het gebruik van Pneuma bij Paulus, S. Bakker, Amsterdam, 1939. Algemeen Bavinck H., Gereformeerde dogmatiek, Kok Kampen, 4 delen Vijfde druk 1967. Benoit P., The Passion and Resurrection of Jesus Christ, Darton Longman and Todd, London, 1969 (Franse uitgave Ed. Du Cerf). Berkhouwer G., De wederkomst van Christus, Kok, 1961 (deel 1, hoofdstuk 6 / deel 2, hoofdstuk 6). Van zelfde schrijver en uitgever 1953, Het Werk van Christus (vooral hoofdstukken 7,8,9 en 11). Berkhof H., Christelijk geloof, Callenbach, 1990, 4de druk, zie register. Brown R.E., Jezus, de Christus, geboren uit een vrouw, opgestaan uit de dood, Katholieke Bijbelstichting, Boxtel, 1975. (U.K. uitgave bij Geoffrey Chapman, 1973). Dijk’s K. trilogie, Over de laatste dingen, deel 3 (hfst.4), Kok, 1953. Fairbairn P., The typology of scripture, 2 delen in één, Reprint Guardian Press, Grand Rapids, 1975, nog altijd uniek. Maar voorzichtig typologie is explosief materiaal. Feitsma M., Het theopaschitisme, Kok, 1956. Feuillet A., L’Agonie de Gethsemani, Gabalda, 1977. Enig in zijn soort. Lee J.Y., God suffers for us, Martinus Nijhoff, 1974. Médebielle P.A., L’expiation dans l’ancien et le nouveau testament, Institut biblique Pontifical, Vol. 1, 1924. Schmitllein R., Circonstances et cause de la mort du Christ, Editions Art et Science, Bade, 1950. Tracht de wetenschappelijke kant van de dood van Christus te benaderen, veroorzaakt door een “choc traumatique.” Semmelink J.H., Onsterfelijkheid en opstanding, Uitg. Van Keulen, 1962. (uit de serie Exegetica). Thierry J.J., Opstandingsgeloof in de vroegchristelijke kerk, Buyten en Schipperheyn, 1978. Over de Paaspreek van Melito van Sardes. Een preek of een gedicht! Versteeg J., Is Adam in het Nieuwe testament een ‘leermoddel’?, Artikel uit Woord en Kerk, Uitg. Ton Bolland 1971, p. 29-70.(Zie ook zijn doctorale scriptie). Twee tijdschriftentartikels die we speciaal willen vermelden zijn, Ph.E. Hughes, The blood of ’Jesus and His Heavenly Priesthood in Hebrews’, in Bibliotheca Sacra, April-June en July-September


LEVEN, Dood en opstanding_1999

191

1973, n°518,519 en A. Feuillet, La découverte du tombeau vide en Jean 20:3-10, in Hokhma 1978, n°7, p.1-45. Een Katholiek theoloog in een Frans Evangelisch tijdschrift, het geeft dus wel de waarde aan van dit prachtig geschrift! In D.NTT. volume 3, p.281-309 geeft C. Brown een zeer degelijke kritiek op de moderne opstandingstheorieën. In dit verband zie ook G.E. Ladd’s, I believe in the Resurrection of Jesus, Hodder and Stoughton, 1975. Als evangelisatiehulpmiddel is V. Grieve, Het lege graf in het geding, Gideon, zj nog steeds zeer goed. Varia Mormonen: Allred G.T., If a man die, Bookcraft Salt Lake City, 1964. Talmage J., De artikelen des geloofs, De kerk van Jezus Christus der laatste dagen, 1972. Moslim: Lâri Seyyed Moussaoui, La résurrection, Uitg. Daftar-é-Farlang-é-Islam, 1985. Parapsychologie:. J. Iverson, Grensgebied, Strengholt, 1992. Zogenaamd wetenschappelijk? Pearce-Higgens J.D. / Whitby S., Life, death and psychical reserach, Rider and Company, 1973. Zorab G., Het opstandingsverhaal in het licht der parapsychologie, H.P. Leopolds uitgeverij, 1949. Ooit op de Katholieke index Reïncarnatie: Head J. and Cranston S., Reincarnation in world thought, Julian Press, 1967. Jacobson Nils-Olof, Leven de doden?, Aura, 1990. Logister W., Reïncarnatie, Lannoo, 1990. Mackenzie V., Reincarnation, The Spanish boy whose destiny was to be a Tibetan lama, Bloomsbury, 1989 Passian R., Wedergeboorte, Elmar, 1987. Scientology: Hubbard R., Heeft u al eens eerder geleefd?, Scientology publications, 1979.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

192

Hoofdstuk 3.1. Eeuwig leven: Wat? Voor wie?

De vraag 42 uit de Heidelbergse Catechismus is deze en het is een terechte vraag. Er staat: “Nu Christus voor ons gestorven is waarom moeten wij dan nog sterven? Antwoord: Onze dood is geen betaling voor onze zonden, maar alléén een afsterving van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven.” We gaan dit onder de loepe nemen want “eeuwig leven” hebben moet toch geen loze belofte zijn.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

193

Inleiding De uitdrukking “eeuwig leven” vinden we 45 maal in de Bijbel, waarvan 2 maal in het OT (Dan.12:2 en Zach.1:5) en 43 maal in het NT. We willen de aspecten van dat “eeuwig leven” bespreken. Reeds van den beginne willen we erop wijzen dat eeuwig leven: 1° Niet iets is wat een mens bezit bij de geboorte. 2° Men krijgt op basis van geloof in God, Christus en de Heilige Geest. 3° Dat goddelozen géén eeuwig leven hebben, (maar ze sterven ook niet)! 4° Dat de gelovige het eeuwig leven nu verkrijgt en niet moet wachten tot de verheerlijking bij de opstanding. N.B.: Daar waar de Schrift is aangehaald en onderstreept is dit door onszelf gedaan. Wie en wat is eeuwig Laat ons het begrip “eeuwig” eens bekijken. Het belangrijkste Hebreeuws woord hiervoor is “olam”, het Grieks is “aioon.” Het woord “eeuw(en)” (enkelvoud en meervoud) komt in de geschriften van het Oude Testament 464 maal (of 448 volgens de Kritische uitgave) voor. In deze van de christelijke profeten Gods, 128 maal in 105 teksten, dus soms tweemaal in één tekst. En “aioonios” (Grieks adjectief) nog 71 maal, totaal dan 199 maal voor het NT. In Heb.1:8 wordt over “aioon” gesproken bij een citaat uit Ps.45:6 waar “olam” gebruikt is en dat bewijst de gelijkheid van beide woorden maar dan in een andere taal. Bij studie van deze uitdrukkingen merkt men dat ze niet altijd de betekenis hebben van een “eindeloosheid.” Het is zo dat er in de Klassieke Griekse taal woorden bestaan om “eindeloosheid” weer te geven maar dat deze woorden niet gebruikt worden in het NT. Zo o.a. in Thayer, ‘GreekEnglish lexicon’, p.20, 21. Ook het Latijnse “perpetuus” kan zo iets weergeven. We moeten daarbij twee begrippen uitsluiten. Vooreerst “eis to dienekes” dat wel eeuwig is in Heb.10:12,14 maar niet in Heb.10:1. En ook “pantote” is in veel gevallen een eindige zaak maar kan ook als “altijd” vertaald worden. Een enkele betekenis geven aan beide woorden “olam” en “aioon” in vertaling is ondoenbaar. De King James Bible heeft voor “olam”, 26 begrippen en woorden, het Griekse “aioon” is door 14 begrippen vertaald. Veel van deze woorden worden slechts eenmaal gebruikt. In het overgrote deel van deze teksten zou men gewoon kunnen vertalen als “tijd”, “tijdsduur”, “tijdperk”, “tijdsverloop” of “tijdspanne.” Want in essentie gaat het om een tijdsbegrip. En we geven enkele teksten als voorbeeld waar we de NBG aanpassen: “wijsheid van dit tijdperk” 1 Cor.2:6, “wandelen overeenkomstig de loop der wereld” Eph.2:2, “de god van deze tijd” 2 Cor.4:4, “wordt niet gelijkvormig aan deze tijd” Rom.12:2. Grondregel tot het verstaan van deze beide termen is, dat ze slechts naar de “eindeloosheid” van iets verwijzen wanneer het onderwerp waarover sprake “eindeloos” is. En dat is in absolute zin dus slechts het geval voor God: Vader, Zoon en Heilige Geest. Maar evenzeer is het waar dat “olam” en “aioon” meestal beperkt zijn in verband met zaken en mensen. Dan gaat het om een tijdsperiode waarvan de duur aan mensen niet is geopenbaard en dan is “eindeloosheid” naar de toekomst


LEVEN, Dood en opstanding_1999

194

toe niet uitgesloten. Op die wijze komt het stamwoord waarvan “olam” afkomstig is (alam = verbergen) tot zijn recht. Om enkele voorbeelden te noemen. Over het priesterschap van Aäron was er voorzegd dat het “eeuwig” zou zijn, maar toch is het opgehouden in de vervulling door Christus (Ex.40:15 / Num.25:13 / Heb.7:12). De steden Sodom en Gomorra zouden “eeuwig” branden maar deze brand is reeds lang gedoofd (Judas 7). Over de slaaf Onesimus zegt Paulus dat deze “eeuwig” slaaf zal zijn van zijn meester (Fil.15). Maar zowel meester als slaaf zijn reeds lang gestorven. En in het OT vinden we iets in deze aard. Een slaaf zal zijn meester “eeuwig” (olam) dienen maar zal toch met het volgende Jubeljaar vrijgesteld worden (Ex.21:5,6 / Lev.25:40). Daniël zei tot een Babylonische koning: “leef voor eeuwig” (Dan.6:21). Ook hij is lang overleden. Wanneer Hanna haar zoon Samuël aan de dienst van God wijdt is dat in de ene tekst voor “eeuwig” en in de andere “voor zijn gehele leven” (1 Sam.1:11,21). Men zou in deze teksten “olam” of “aioon” gewoon kunnen vertalen als “een lange tijd” of “een leven lang.” Eeuwen in het OT Gezien God er is “van eeuwigheid tot eeuwigheid” zijn ook al Zijn eigenschappen eeuwig. Er is in God geen wijziging te bespeuren, Hij is volmaakt in Zichzelf. Het vers achteraan tussen haakjes wijst op de voortzetting of vervulling ervan in het NT. Gods gerechtigheid: Ps.119:142 (Titus 1:2). Gods goedertierenheid: Ps.100:5 / Jes.54:8 (2 Tim.2:16). Gods jaren: Ps.102:27,28 (Rom.16:25). Gods koningschap: Ps.10:16 / Jer.10:10 (2 Pet.1:11). Gods leven: Dan.12:7, maar men zou ook kunnen zeggen dat God buiten de tijd staat Ps.90:4 (Marc.10:30). Gods lof: Ps.41:14 (Luc.16:9). Gods naam: Ps.135:13 (Eph.3:11). God overwinnaar over dood: Jes.25:8 (Heb.5:9). Gods verlossing: Jes.45:17 (Heb.9:12). Gods verbond: Gen.9:16 / 17:7 (Heb.13:20). Gods woord: Ps.119:89 (Opb.14:6). De uitdrukking “de eeuwige God” ligt in de mond en op het hart van de gelovigen uit het OT Gen.21:33 / Deut.32:27 / Jes.40:28. In ons westers denkbeeld zullen we nooit iets bedenken zoals de Bijbelse terminologie: “voor altijd en eeuwig.” Een taal die zo een term gebruikt heeft dat meestal overgenomen uit de Bijbel. Een uitdrukking gebruikt voor God (Ex.15:15), het lot van de goddelozen (Ps.9:6) of Gods nieuwe hemel en aarde (Micha 4:5). Want hoe kan je aan de eeuwigheid nog iets toevoegen? In onze Nederlandse taal hebben we wel een uitdrukking “voor eeuwig en drie dagen”, die gebruikt wordt om iets aan te geven waar het einde nog niet van in zicht is. De Schrift spreekt echter over dingen waar er voor de eeuwigheid geen eind in zicht is. Het gaat om eeuwigheid die verder loopt dan wat de tijd ooit zou kunnen meten. En een andere niet westerse gedachte is wanneer “olam” in het meervoud gezet wordt als “olamim.” Ook dat kunnen wij in ons denken niet verwoorden. We hebben in het Nederlands, Frans, Engels of Duits geen echt evenwaardig begrip voor, de vertaling is meestal gewoon “eeuwig.” Zie o.a. naar 1 Kon.8:13 / 2 Kron.6:2 / Ps. 61:4 / 77:7 / Dan.9:24, in totaal 11 maal. De opmerking van Rotherham in zijn appendix aan zijn Bijbelvertaling is terecht: “Het is slechts wanneer we ver ge-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

195

vorderd zijn in de geschiedenis van het OT dat er vooreerst sprake is van olâmim in het meervoud.” Want slechts wanneer er meerdere “eeuwen” elkander hebben opgevolgd dat er slechts sprake kan zijn van “eeuw na eeuw.” Dat God “eeuwig” is vinden we in o.a. Ps.9:7 / 92:8. Ook hier is “olam” gebruikt. Het grote verschil tussen Gods “eeuwigheid” en andere zaken ligt in de natuur van God zelf. Wanneer we een punt aangeven in de tijd is Gods eeuwigheid onbegrensd en eindeloos naar zowel het verleden als naar de toekomst toe. De eeuwigheid van de mens kan slechts toekomstig zijn. De eeuwigheid van een mens is afhankelijk van zijn ontvangen van eeuwig leven. Er is van alle teksten die over “eeuwig” zijn spreken, geen enkele die zegt dat een mens ze heeft bij zijn geboorte. En evenzo is er geen enkele die zegt dat de goddeloze “eeuwig leven” heeft. Maar hij zal ook niet sterven na de opstanding en na het oordeel zoals we reeds hebben opgemerkt in hoofdstuk een. Hij wordt voor eeuwig gestraft en zal dit dus vanuit Gods macht moeten ondergaan; t.t.z. een niet-sterfelijklichaam bezitten. Eeuwen in het NT Bekijken we enkele details over de term eeuw(en) in het NT: Christus is de schepper van alle eeuwen, de voorbije, de tegenwoordige en de toekomstige: Heb.1:2 / 11:3. Eeuwen hebben een begin: 1 Cor.2:7. Eeuwen hebben een einde: Mat.24:3. Er zijn eeuwen die reeds voorbij zijn gegaan: Eph.3:9. Er zijn nog toekomstige eeuwen: Eph.2:7. De huidige eeuw is slecht: Gal.1:4. In elke eeuw geeft God nieuwe openbaringen waarvan de uitwerking niet altijd voor een andere eeuw geldig dient te zijn: Eph.3:5. In elke eeuw heeft God een doel met de schepping: Eph. 3:11 / Col.1:26. De mens werd gered vóór de eeuwen: 2 Tim.1:9 / Tit.1:2. God is eeuwig: Rom.16:26. Christus of God is de koning der eeuwen (letterlijke vertaling): 1 Tim.1:17. Daarom kan Christus ook tot in eeuwigheid voor zijn schapen zorg dragen: Joh.10:28. Christus redt met een eeuwige redding: Heb.5:9. Christus is gisteren, heden en morgen dezelfde God en Heer over de “werelden”, letterlijk “tot in de eeuwen”: Heb.13:8. Omdat de Bijbelschrijvers soms dingen willen zeggen die voor de eerste maal in de geschiedenis van een taal beschreven worden vinden we soms op het eerste zicht rare uitdrukkingen, zoals in dit verband een woordspel tussen “eeuw” in het enkelvoud en “eeuwen” in het meervoud (onze vertaling): “tot in (Grieks ‘eis’) de eeuw van de eeuw” Heb.1:8, “tot in (Grieks ‘eis’) alle generaties van de eeuw der eeuwen” Eph.3:21, “tot in (Grieks ‘eis’) de eeuwen van de eeuwen” 2 Tim.4: 18. Bij die dubbele meervoudsvorm zou men kunnen denken aan een eindeloos opeenvolgende reeks van “tijdsperioden.” Enkele moeilijke teksten in het NT zijn deze waar zowel in één adem over een woord voor “tijden” (Grieks “chronoi” in meervoud) als “eeuwen” gesproken wordt. Zo o.a. in Rom.16:25 / 2 Tim.1:9 / Tit.1:2. Van de zes vertalingen die we geven van het vers uit Romeinen is alleen de Statenvertaling letterlijk juist en dat is ze in vele opzichten méér dan de anderen.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

196

“van de tijden der eeuwen verzwegen” SV, “van ouds af verzwegen” Luther, “dat van eeuwigheid verzwegen” Leidse Vert., “dat eeuwenlang verzwegen was” Brouwer, “dat van eeuwigheid was verzwegen” Canisius, “eeuwenlang verzwegen” NBG. Ook 1 Pet.1:20 heeft te maken met “tijd”, meer bepaald met “het einde van de tijden” (Grieks “chronoon”, denk aan ons woord chronometer). Allen die zich vergrijpen aan wilde beschouwingen over deze tijd moeten bedenken dat Petrus hier en in zijn prediking met Pinksteren klaar en duidelijk zegt dat de tijd van het einde begonnen is in zijn dagen. Niet in 1914 zoals Jehovah’s Getuigen leren of in 1948 met de stichting van de staat Israël zoals sommigen denken in Evangelische kringen. Deze twee teksten van Petrus maken brandhout van dergelijke gissingen en vergissingen (Hand.2:15-21). Wanneer bepaalde dingen in verband gebracht worden met de Vader, Christus of de Heilige Geest dan natuurlijk gaat het om eeuwig = zonder einde. Hieronder enkele voorbeelden, dezelfde dingen zijn al in het OT gezegd of voorspeld, verwijzing die tussen haakjes staat: Luc.1:33: Heerschappij van Christus (Dan.7:13,14). 1:55: Beloften Gods (Gen.17:19 / Ps.132:11). Joh.8:35: Verlossing van de gelovigen (Ps.73:25 / 146:6) 12:34: Bescherming door de Heer (Ps.89:36,37). Rom.1:25: God is eeuwig (Ps.96:5). 9:5: De lof van Jezus Christus (Ps.45:1,6,7,). 11:36: De lof van God (2 Kron.29:11-13). 16:27: Gods heerlijkheid (Ex.33:20). Heb.1:8: De troon van Jezus (Ps.72:17 / Ezech.37:25). 6:20: Jezus eeuwig hogepriester (Ps.110:4). 7:21: Jezus eeuwig priester (Ps.72:7 / Jes.53:5). Opb.11:15: Heerschappij van God (Mal.1:6). 15:7: Gods leven (Ex.33:20 / Ps.33:6 / Jer.10:10). Vergeten we niet: men heeft bij dit alles met een complex woord te maken hebben. Nog een voorbeeld is de uitdrukking “ek tou aioonos” dat we letterlijk moeten vertalen als “uit de eeuw” maar niemand alzo doet, omdat dat onbegrijpelijke taal is voor ons westerlingen. De Heer heeft een persoon het zicht van de ogen gegeven hoewel hij blind was sinds de geboorte. Dat heeft nog nooit iemand gezien, “sinds de eeuw” is onstaan (Joh.9:32). Hoe is dit dan te vertalen: “Van alle eeuw is het niet gehoord” SV, “Van eeuwigheid is het niet gehoord” Luther, Brouwer, NBG, “Van oudsher is het niet gehoord” Leidse Vert., “Nooit in der eeuwigheid is het gehoord” Canisius, “out of the age” Griekse interlineaire tekst van de Kingdom Interlinear Translation uitgegeven door de WT, “Van oudsher heeft men nog nooit gehoord” NWV. Conclusie: De WT geeft geen letterlijke vertaling van “aioon”, géén-woord-voor-woord leer in dit verband. De Statenvertaling is terug de beste weergave ook indien het je aan het denken zet van: over welke eeuw gaat het hier? In de ‘Keyword Concordance’ uitgegeven in 1970 door de Concordant Publishing Concern lezen we op p.91: “Eeuw is géén gepast equivalent omdat die term door verkeerd gebruik besmet is.”


LEVEN, Dood en opstanding_1999

197

Reden(?) waarom ze het Griekse “aioon” vertalen als “eon” in hun Bijbel. Maar dat is veel schaap voor weinig wol, want eigenlijk willen ze hun lezers alleen bijbrengen dat “eeuwig” beperkt is en dat de zondaars niet voor eeuwig gestraft zullen worden. Maar het is duidelijk in o.a. Mat.25:46 dat de “eeuwige” straf niet tijdelijk is maar voor altijd en immer, juist zoals het “eeuwige leven” in de context het is. Anderen hebben de voorkeur gegeven aan “aioon = age” (eeuw) zoals C.H. Welch of Bullinger ‘Appendix’ 129.2. De Engelse Bijbels geven meestal als vertaling “everlasting” of “eternal.” In onze Nederlandstalige Bijbels: “eeuwig, van ouds, eeuwigdurend, eeuwigheid, wereld, voor altoos” enz. En de betekenis van J. Rotherham achteraan in zijn Bijbel is “indifinite continuance” = onbepaalde voortgang. Hoe vertalen Jehovah’s Getuigen deze begrippen Enkele voorbeelden van de NWV voor de vertaling van “olam”: onbepaalde tijd: Gen.3:22. onbepaalde tijden: Ps.61:4 / 77:7. Is een meervoud in het Hebreeuws. Eenzelfde meervoud vertalen ze in de tekst “onbepaalde tijd” als enkelvoud en geven de meervoudsvorm toe in de voetnota. Dat is niet consequent. Deze opmerking is geldig voor o.a. 2 Kron.6:2. onbepaalde verleden: Ps.77:5. Het Hebreeuws heeft een meervoud zoals in het voorgaande van Ps.61:4 / 77:7. tot onbepaalde tijd, ja voor eeuwig: Ps.9:5 / 10:16 / 21:4. Hier gaat het om “olam” in combinatie met “ad.” In de NBG meestal vertaald als “voor altoos en immer” (Ps.9:6) of “eeuwig en altoos” Ps.10:16. Met enkele uitzonderingen (Ex.15:18 / Dan.12:3 / Micha 4:5) is dit gebruikt in de Psalmen als een lofprijzing voor God (Ps.9:6 / 10:16 / 21:4 / 45:2,6 / 48:14 enz., 19 maal in totaal). In voetnota schrijft de NWV voor de eerste tekst in de Psalmen (9:5): “tot in alle eeuwigheid” maar dan niet meer bij de andere teksten. Waarom is ons niet duidelijk geworden. van onbepaalde tijd tot onbepaalde tijd: Ps.41:13 / Ps.90:2. Het Hebreeuws heeft de dubbele term. sinds het verre verleden tot ver in de toekomst: Jer.25:5. Hier opnieuw de dubbele term van “olam”, vertaald op de wijze van een paraphrase (vergelijk vb. Jer.7:7). Laten we ook eens kijken hoe “aioon” is vertaald in de NWV: samenstel van dingen: Mat.12:32. In voetnota “deze ordening van dingen” Mat.13:22. samenstelsels van dingen: Eph.2:7 / Col.1:26. Hier de meervoudsvorm in het Grieks. In voetnota “ordeningen van dingen” Eph.2:7. eeuwige: Eph.3:11. oudsher: Luc.1:70 (van ouds her in NBG) Maar dezelfde uitdrukking “ap’ aioonos” is in Hand.15:18 volgens de NBG “van eeuwigheid.” voor eeuwig: Luc.1:55 Grieks “eis ton aioona.” in eeuwigheid: Joh.6:51 Grieks “eis ton aioona.” voor altijd: Joh.14:16 Grieks “eis ton aioona.” Conclusie: De vertaling van de WT geeft dus géén woord-voor-woord vertaling en gebruikt soms terminologie die zeer misleidend is. Nog zo een voorbeeld. Bij de voetwassing op het Laatste Avondmaal is de opmerking van Petrus: “Gij zult mijn voeten niet wassen in eeuwigheid.” Dit lijkt de WT moeilijk te begrijpen en ze wijzigen dus gewoon in iets waar men gemakkelijker mee omkan: “Gij zult mijn voeten stellig nooit wassen.” Ook hier staat in het Grieks “eis ton aioona” en vergelijk dat maar eens met hierboven. En het begrip “eeuwig” zoals door Petrus hier gebruikt is slechts spreekwoordelijk. Het heeft geen zin zoiets te parafraseren. Door zo te vertalen verdoezelen de mensen van de WT de soms wisselende rijkdom van dat woord zoals het toen gebruikt werd. Over “eeuwig leven” leren Jehovah’s Getuigen dat het een “eeuwig leven” is in de hemel


LEVEN, Dood en opstanding_1999

198

voor de 144.000 (en Christus) en een aards “eeuwig leven” voor de andere gelovigen. ‘Vergewist u van alles’, uitgave 1970, p.180, 181. We hebben niet kunnen achterhalen wat de reden is waarom de WT als grondgedachte van “olam” kiest voor “onbepaalde tijd” maar voor “aioon” dan “samenstel van dingen.” Wil men iets verdoezelen aan de lezer die hier niet op de hoogte van is. Want beide woorden betekenen hetzelfde in een andere taal! Eeuwig leven: niet aangeboren, maar een gift Het is duidelijk in verscheidene van de 45 teksten die over “eeuwig leven” spreken dat het een gift is, een hoop, een genade enz (...) Zo schrijft Paulus aan Titus dat Gods uitverkorenen leven in de “hoop des eeuwigen levens” en verder dat ze “erfgenamen zouden worden overeenkomstig de hope des eeuwigen levens” (Titus 1:2 / 3:7). In Rom.6:23 zegt Paulus “de genade, die God schenkt, is het eeuwige leven in Christus Jezus, onzen Heer.” In 1 Tim.6:12 / 6:19 zegt hij over eeuwig leven dat we het moeten “grijpen.” En in Rom.2:7 dat we eeuwig leven moeten “zoeken.” Men moet het “verwerven” (Mat.19:16), “erven” (Mat.19:29) en is “geopenbaard in Christus” (1 Joh.1:2). Men moet het “leven” van deze wereld haten om “eeuwig leven” waardig te zijn (1 Joh.2:15). Deze teksten maken het duidelijk dat niemand, gelovige of ongelovige, eeuwig leven heeft bij de geboorte. Dat leven is conditioneel en slechts voor door God uitverkoren personen. Zo ziet men dat Paulus bij een bepaalde gelegenheid predikte tot een groep Joden maar dat zijn getuigenis verworpen werd. De Schrift zegt over wat daarna gebeurde: “Maar Paulus en Barnabas zeiden vrijmoedig: Het was nodig, dat eerst tot u het woord Gods werd gesproken, doch nu gij het verstoot en u het eeuwige leven niet waardig keurt, zie nu wenden wij ons tot de heidenen” (Hand.13:46). Lees dit vers nog eens, want het leert dat de Joden, Gods verbondsvolk, tot wie gesproken werd géén “eeuwig leven” hadden. Hier staat dat men op basis van het aannemen van het woord Gods eeuwig leven kan verkrijgen maar dat indien we het verstoten géén eeuwig leven krijgen. De handelswijze van deze Joden was tegengesteld aan enkelen onder de heidenen tot wie Paulus sprak. Over hen zegt de Schrift: “Toen nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich en verheerlijkten het woord des Heren: en allen die bestemd waren ten eeuwigen leven, kwamen tot geloof” (Hand.13:48). Er is hier niet gezegd dat alle heidenen zomaar eeuwig leven ontvingen. Neen, het waren slechts dezen die gelovig werden, wie het woord van God aannamen en Hem verheerlijkten, alleen zij die bestemd waren tot eeuwig leven. De leer die verkondigt dat iedereen reeds eeuwig leven heeft of zal krijgen is onBijbels. Daarom schrijft de apostel Johannes ook dat het “eeuwige leven” hoort tot datgene wat door God is geopenbaard en moet gepredikt worden (1 Joh.1:2). Ook in andere schriftuurplaatsen is het duidelijk dat slechts de gelovigen eeuwig leven krijgen. In het gebed dat Christus Zijn Vader opdroeg bij het laatste avondmaal zegt Hij: “Vader de ure is gekomen, verheerlijk uw Zoon opdat uw Zoon U verheerlijke, gelijk Gij Hem macht hebt gegeven over alle vlees, om aan al wat Gij Hem gegeven hebt eeuwig leven te schenken. Dit is nu het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtige God en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt” Joh.17:1-3. Deze schrifttekst leert dat om eeuwig leven te ontvangen kennis van God en de Heer een noodzaak is, maar vanaf Pinksteren ook kennis over de Heilige Geest. Niet alleen een passief kennen van God maar een echt beleven van dat geloof. Dus niet zoals Jehovah’ Getuigen dit vers uitleggen: men moet een aantal theoretische dingen weten over God en Christus. De nadruk ligt veeleer op het beleven van wat men weet over God, over gemeenschap met God. Zo zegt de Heer “Dat zijn gebod eeuwig leven is” (Joh.12:50). Wat Christus “zijn ge-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

199

bod” noemt is, zoals uit voorgaande verzen (Joh.12:44-49) blijkt, het volgen van de wil van God zoals Christus die gepredikt heeft. De prediking van Christus is juist gericht op het overbrengen van de kennis tot eeuwig leven. Want de Zoon van God kwam niet om de wereld te veroordelen maar om de mensenwereld te behouden. Zo is het toch duidelijk dat niet alle mensen geloven in de boodschap en offer van Christus. Hetzelfde besprak Christus ook met Nicodemus. Alhoewel deze verzen ons welbekend zijn, ontsnapt aan vele christenen de werkelijke diepe waarde ervan: “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe” (Joh.3:16). Overdenk dan toch! Waar staat hier dat God aan allen het eeuwige leven geeft? Weliswaar is Christus voor allen gestorven, maar zegt de Heer niet dat alléén de gelovigen dat eeuwig leven krijgen? Dit is nóg duidelijker wanneer we naar vers 18 kijken van Johannes 3. Daar staat: “Wie in Hem gelooft wordt niet veroordeeld; wie niet gelooft is reeds veroordeeld, omdat hij niet geloofd in de naam van den Eniggeboren Zoon van God.” En Petrus moet bekennen over Jezus van Nazareth: “Gij hebt woorden van eeuwig leven” (Joh.6:68). De voorwaarde tot het ontvangen van eeuwig leven ligt dus bij onszelf. Wie niet in Hem gelooft gaat wel degelijk verloren. Wanneer wij geloven is God bereid ons dit te geven. Het is dan Zijn gift aan ons volgens Rom.6:23 en 1 Joh.5:11. Nog onBijbelser wordt het waar sommigen beweren dat we altijd eeuwig leven of onsterfelijkheid gehad hebben. Want dan was het niet nodig dat God Zijn Zoon in de wereld bracht. Daarom zal van een mensenmoorder gezegd kunnen worden dat hij: “geen eeuwig leven blijvend in zich heeft” (1 Joh.3:15). Een gelovige heeft nu reeds eeuwig leven We hebben er op gewezen, in punt 4 van de inleiding, dat de gelovige thans reeds “eeuwig leven” krijgt. Laat ons enkele schriftuurplaatsen bekijken die dit aantonen: “Wie in den Zoon gelooft heeft eeuwig leven” Joh.3:36. “Ik zeg u wie mijn woord hoort en Hem gelooft die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven” Joh.5:24. “Wie gelooft, heeft eeuwig leven” Joh.6:47. “God heeft ons eeuwig leven gegeven” 1 Joh.5:11. “Wie den Zoon heeft, heeft het leven” 1 Joh.5:12. “Opdat gij weet dat gij eeuwig leven hebt” 1 Joh.5:13. (zie ook Joh.6:54 / 10:28) Men ziet dat deze schriftuurplaatsen het “eeuwige leven” beschrijven als een bezit van de gelovige nu en niet slechts als een toekomstige zaak. En hoe tegenstrijdig het ook mag klinken er zijn ook teksten die het als toekomstig beschrijven. Men zie hiervoor Marc.10:30 / Luc.18:30 / Joh.6:40 / Rom.6:22. Maar deze tegenstrijdigheid is slechts oppervlakkig. De ene reeks teksten zegt dat we nu “eeuwig leven” bezitten, de andere reeks dat we het ook later nog bezitten. Anders gezegd, de gelovige heeft in deze christelijke bedeling eeuwig leven en ook in de toekomende eeuw(en). Over deze toekomende eeuw(en) spreken dan teksten als Mat.12:32 / Eph.1:21 / 2:7 / Heb.2:5. Eeuwig leven is dus zowel terzelfertijd thans reeds een bezit als een belofte voor later. Dit schijnt verwarrend. Maar laat ons dit illustreren. Ik heb bijvoorbeeld een bepaalde som geld die ofwel op een bank- of postrekening staat of bij mij thuis in een koffertje zit. Elke dag bij het slapen gaan heb ik nog steeds diezelfde som. En bij het ontwaken kan ik steeds de som afhalen bij bank of post of uit mijn geldkoffer halen. Ik heb de som geld dus altijd gehad. Zo ook ons “eeuwig leven.” We hebben dit gekregen bij de nieuwe geboorte of het herboren worden uit water en geest (Joh.3:3-8 / Gal.6:15). Zo wordt dit leven voor ons bewaard bij God (1 Pet.1:5). En zelfs in het OT is deze manier van uitdrukken niet vreemd. Een profetie wordt soms zo uitgesproken dat het is


LEVEN, Dood en opstanding_1999

200

alsof de zaak al werkelijkheid is geworden. God zegt tot Jozua: “Ik geef Jericho (...) in uw hand” (Jozua 6:2) maar alles moet nog plaatsvinden. Door de herscheppende kracht van Gods Geest heeft men dit leven ontvangen zonder iets aan ons uiterlijke lichaam te veranderen (Joh.1:12,13 / 2 Cor.5:17). En zelfs bij de dood van de gelovige, dat in werkelijkheid slechts een lange slaap is, heeft deze zijn eeuwig leven niet verloren. Het is nog altijd geboekt in het bloed van Christus. Bij het ontwaken uit de doodslaap kan men het claimen (1 Joh.5:18 / 1 Pet.1:5 / 2 Tim.1:12). Over dit ontslapen zie o.a. in het OT 1 Kon.2:10 / Job 3:11-13 / 7:21 / 14:10-15 / Ps.13:4 / Dan.12:2. Voor het NT o.a. Hand.8:59,60 / 1 Cor.11:30 / 15:6 / 15:17,18 / 15:20 / 15:51 / 1 Thes.4:13-16. Daarom zei de Heer ook: “Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft zal leven ook al is hij gestorven, en een ieder die leeft en in Mij gelooft zal in eeuwigheid niet sterven; gelooft gij dat?” (Joh.11:25,26). Leven en dood ligt in Zijn handen (1 Sam.2:6). Als God schept Hij leven, en is Leven in Zichzelf (Ps.36:10). Voor Zijn volgelingen is Hij “levend water” (Joh.4:13,14) en “levend brood” (Joh.6:51). Hij komt met een overvloed aan leven (Joh.10:10 / 14:19). De term “doodslaap” is daarom ook niet zo goed gekozen, maar we kunnen toch spreken van “slapen in de Heer” of “ontslapen in de Heer.” Want God de Heer, is nog steeds “de levende”, ook over de doden (Dan.4:34 / 12:7 / Opb. 1:18). Ja, geloven wij dat. Dat zelfs indien wij sterven wij zullen herleven. Want er is géén vèroordeling voor dezen die in Christus zijn (Rom.8:1). Christus “heeft de dood teniet gedaan” (2 Tim.1:10). In beginsel is elke gelovige nu al zo met Christus verbonden dat hij aan de dood onttrokken is. En de spanning tussen het reeds bezitten en nog te ontvangen is aan de orde in 1 Pet.1:3-5: “Geloofd zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons naar zijn grotere barmhartigheid door de opstanding van Jezus Christus uit de doden heeft doen wedergeboren worden tot een levende hoop, tot een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen weggelegd is voor u, die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, welke gereed ligt om geopenbaard te worden in de laatste tijd.” De gelovige is reeds ingeschreven in “het boek des levens”, “heeft recht op het geboomte des levens” en “het water des levens” (Opb.20:15 / 21:27 / 22:1,2,14,17). Ook hier loopt wat reeds is en nog niet is door elkaar als één geheel. Daarom is de vraag 42 uit de Heidelbergse Catechismus een terechte vraag. Daar staat: “Nu Christus voor ons gestorven is waarom moeten wij dan nog sterven? Antwoord: Onze dood is geen betaling voor onze zonden, maar alléén een afsterving van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven.” H. A. van Andel zegt in dit verband het volgende: “Het ware niet gepast, en de geloovigen zouden het ook niet kunnen begeeren dat zij op aarde reeds verheerlijkt werden, boven lijden en dood verheven, terwijl Christus hier nog niet verheerlijkt was. De dienstknecht is niet meerder dan zijn Heer, en begeert ook niet meer te zijn dan zijn Heer (...) Het is genade, dat wij sterven mogen. De dood neemt ons uit dit leven van smart en zonde weg. Anders zouden wij tot de wederkomt van Christus hier moeten blijven; en elke dag zou niet alleen een dag van zonde en lijden zijn. Het sterven moge soms smartelijk zijn, het brengt onze zaligmaking tot voleinding (...) Het sterven van Christus in geloof aanvaard, maakt het leven en het sterven der geloovigen wezenlijk anders dan dat der ongeloovigen. De ongeloovigen leven en sterven. Zie, dat sterven is wezenlijk sterven. Het is verlies zonder enige winst (...) maar ach, ook hun leven is sterven. Maar het leven en sterven der geloovigen is altezamen leven. Hun leven is de gemeenschap met den Eeuwiglevende, door Christus. Hun sterven is het verlies van de doodschijn, die over hun leven lag uitgespreid (...) Door onzen wil maken wij dien dood tot een daad, een daad van geloof” ‘De Enige Troost’, deel 1, T. Wever, 1934, p.334, 335.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

201

Ook Paulus geeft antwoord waarom de gelovigen nog moeten sterven in Phil.3:8-10: “Voorzeker ik acht zelfs alles schade, omdat de kennis van Jezus Christus mijn Here, dat alles te boven gaat. Om zijnentwil heb ik dit alles prijs gegeven en houd het voor vuilnis, opdat ik de Christus moge winnen, en in Hem moge blijken niet een gerechtigheid uit de wet, te bezitten, maar de gerechtigheid door het geloof in Christus welke uit God is op de grond van het geloof. (Dit alles) om Hem te kennen en de kracht zijner opstanding en de gemeenschap aan zijn lijden, of ik aan zijn dood gelijkvormig wordende.” En de daaropvolgende verzen in de Statenvertaling: “Of ik enigszins moge komen tot de wederopstanding der doden. Niet dat ik het reeds gekregen heb, of reeds volmaakt ben; maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik door Christus Jezus ook gegrepen ben” (vers 11,12). Onsterfelijkheid, onverderfelijkheid, onvergankelijkheid Het zal bepaalde lezers wel opgevallen zijn dat wij in het voorgaande de woorden “onsterfelijkheid” en “onverderfelijkheid” of “onvergankelijklheid” niet hebben vernoemd in verband met ons “eeuwig leven.” En terecht ook. Want hoewel sommigen denken dat dit alles één en hetzelfde is, toch is dit niet zo. Gezien alle mensen, ook de gelovigen, sterven is eeuwig leven niet identiek aan deze drie termen. Ze zijn een latere toevoeging aan de vorm van leven dat de gelovige nu reeds heeft in Christus. Laat ons het woord “onsterfelijkheid” (het Griekse “athanasia”) nemen. Deze uitdrukking is nooit gebruikt in het OT en slechts drie (3) maal in het NT Die schriftuurplaatsen zijn: 1 Cor.15:53: “Dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen”, spreekt over de mens en is toekomstig. 1 Cor.15:54: “Wanneer (...) dit sterfelijke, onsterfelijkheid aangedaan heeft”, spreekt over de mens en is toekomstig. 1 Tim.6:15,16: “De koning der koningen (...) die alleen onsterfelijkheid heeft”, spreekt over de Vader volgens bijna alle commentaren, of de Zoon volgens Jehovah’s Getuigen en een miniem aan commentaren. We leren hieruit dat gewone mensen die de gelovige uit een bepaald standpunt wel is, slechts met de opstanding onsterfelijkheid zal ontvangen. Verder dat God of Christus thans onsterfelijk genoemd worden. Onsterfelijkheid of “niet sterven” zoals het Griekse “athanasia” letterlijk wil zeggen, is dus een toekomstige gift voor de gelovige. Het andere woord dan, voor “onverderfelijkheid” is “aphtharsia” (alléén in het NT) wat 7 of 8 maal gebruikt is en ook nooit als een tegenwoordig bezit van zowel goddelozen als gelovigen. Rom.2:7: “heerlijkheid, eer en onvergankelijkheid (onverderfelijkheid in SV en NWV) zoeken”, we hebben nog geen onsterfelijkheid maar zoeken ze. 1 Cor.15:42: “en opgewekt in onvergankelijkheid” (onverderfelijkheid in SV en NWV, onbederfelijk in Canisius), alleen voor de gelovige in de toekomst. 1 Cor.15:50: “het vergankelijke beërft de onvergankelijkheid niet” (andere vertalingen zoals in vers 42), alleen voor de gelovige in de toekomst. 1 Cor.15:53: “moet onvergankelijkheid aandoen” (andere vertalingen zoals in vers 42), alleen voor de gelovige in de toekomst. 1 Cor.15:54: “En zodra dit vergankelijke onvergankelijkheid aangedaan heeft (andere vertalingen zoals in vers 42)”, alleen voor de gelovige in de toekomst.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

202

Eph.6:24: “die onze Here Jezus Christus onvergankelijk liefhebben.” Het gaat hier niet om de natuur van de mens maar over een eigenschap. Hier slaat het op de genade van Christus volgens vers 24a. 2 Tim.1:10: “en onvergankelijk leven aan het licht gebracht heeft”, is door Christus aan het licht gebracht en was dus geen bezit van de mens voor die tijd. Tit.2:7: “van goede werken, betoon in de leer onvervalstheid (Grieks “adiaphthoria” of “aphtoria” of “aphtarsia” naargelang het manuscript), deftigheid, op rechtheid” (SV). Dit woord ontbreekt in de meeste manuscripten en gaat over de onvergankelijke levenswijze die de gelovige moet aan de dag leggen, maar niet over een eigenschap van de persoon (of ziel). Want ook als gelovige zal men niet altijd onberispelijk en onvergankelijk handelen. We moeten nog gezuiverd worden door vuur (1 Cor.3:10-17). De King James Bible heeft voor deze acht verzen 3 woorden in vertaling: “incorruption, immortality” en “sincerity.” Opnieuw is de NWV niet consequent met hun vertaalregel van woordvoor-woord. Een voorbeeld uit de Kingdom Interlinear Translation: in Rom.2:7 staat “incorruptableness” maar in 1 Cor 15:42 “incorruption” en toch gaat het om hetzelfde Griekse woord. Nog een uitdrukking is “onvergankelijk” (Grieks “aphthartos”, ook alleen in het NT) die 7 maal is gebruikt. Rom.1:23: “de majesteit van de onvergankelijke God”, spreekt over God en niet over de mens. 1 Cor.9:25: “wij om een onvergankelijke” (erekrans), we bezitten deze eigenschap nog niet gezien we er nog naar moeten streven. 1 Cor.15:52: “de doden zullen onvergankelijk (onverderfelijk in NWV) opgewekt worden”, toekomstig voor de mens bij de opstanding. 1 Tim.1:17: “De Koning der eeuwen, de onvergankelijke, de onzienlijke”, spreekt over God of Christus naargelang de uitleg van de tekst. 1 Pet.1:4: “onvergankelijke (onverderfelijke in NWV), onbevlekte en onverwelkelijke erfenis”, dit is voor de gelovigen weggelegd in de hemel en krijgen het bij de opstanding. 1 Pet.1:23: “wedergeboren (...) uit onvergankelijk zaad”, gaat over het onvergankelijke Woord van God en niet de menselijke natuur. 1 Pet.3:4: “maar de verborgen mens uws harten, met de onvergankelijke (onverderfelijke in NWV) tooi”, spreekt over gelovige vrouwen alleen, niet over wat ze reeds bezitten maar de geestesgesteldheid die ze in dit leven aan de dag moeten leggen. Men zou dus lang zijn best moeten doen om de leer van de aangeboren onsterfelijkheid der ziel te bewijzen aan de hand van Bijbelse gegevens. Het is slechts toekomstig, zoals ook onverderfelijkheid en onvergankelijkheid dat zijn. Laat ons genoegen nemen met wat de Schrift ons leert. Gelovigen hebben nu “eeuwig leven” omdat wij in Christus geborgen zijn maar dat is nog géén onsterfelijkheid. Het is een “leven” (Grieks “zoë”) dat we hebben en niet kunnen verliezen, zelfs niet tijdens de dood of ontslapen in Christus. Alleen de gelovigen die levend achterblijven tot de komst van de Heer zullen onmiddellijk van “eeuwig leven” tot onverderfelijkheid overgaan (1 Cor.15:50-54 / 1 Thes.4:13-17). Ze zullen niet eerst ontslapen in Christus maar in een oogwenk veranderen. Waarom vinden we in de uitdrukking “eeuwig leven” steeds het woord “zoë” voor leven en niet “bios?” Want op het eerste zicht zou men dat woord toch verwachten. “Bios” waarvan ons woord biologie en alle aanverwante begrippen afgeleid zijn. Maar anderzijds is “bios” slechts het leven dat we met de zintuigen kunnen waarnemen. Lucas 8:14 waar we het bijvoorbeeld terugvinden is vertaald met; “lusten des levens” (NBG en Leidse Vert.) of “vermogen” (Canisius) of “leeftocht” (SV en Brouwer). Gezien het ware leven méér is dan het biologische en vooral het geestelijke benadrukt van de verhouding tussen Christus en de gelovige is “zoë” een beter woord. Het is


LEVEN, Dood en opstanding_1999

203

het woord dat ook gebruikt is wanneer de opstanding uit de doden aan de orde is. Zie o.a. Mat.9:18 / Luc.24:5,23 / Joh.11:25,26 / Hand.1:3 / 9:41. Maar de opmerking van Thayer in zijn ‘GreekEnglish Lexicon’ p.273, 274 dat sommigen zeggen dat het begrip “eeuwig leven” verwijst naar het leven na de opstanding klopt niet met wat de Schrift leert. De gelovige heeft dat leven reeds bij de wedergeboorte hier op aarde. Gezien Jehovah’s Getuigen zeggen dat er twee groepen zijn die “eeuwig leven” ontvangen zullen ze ook wat anders leren over de woorden “onsterfelijk” en “onverderfelijk.” En dat doen ze als volgt: “De Bijbel zegt dat Jehovah onsterfelijkheid en onvergankelijkheid bezit (1 Tim.1:17). Deze hoedanigheden heeft hij eerst aan zijn Zoon geschonken. Toen de apostel Paulus aan Timotheus schreef, was Christus de enige die onsterfelijkheid had ontvangen (1 Tim.6:16). Maar deze hoedanigheid wordt ook aan anderen beloofd, aan degenen die Christus’ geestelijke broeders worden (...) Bovendien krijgen deze deel aan de “goddelijke” natuur, zij worden geesten zoals God (...) Engelen zijn geestelijke schepselen, maar ze zijn niet onsterfelijk want diegenen van hen die goddeloze demonen worden zullen worden vernietigd” ‘Hulp tot begrip van de Bijbel’, deel 5, 1989, p.944, 945. We gaan hier niet diep op in. Maar duidelijk is dat de Schrift niet spreekt over drie klassen van mensen bij het oordeel: 144.000 plus een grote schare, plus verdoemden. Men wringt zich in WT-kringen in alle bochten om dan ook een onderscheid te maken tussen de eerste twee en dit citaat is er een voorbeeld van. Geen enkele parabel bespreekt drie groepen, altijd twee en ook de uitspraken van de Heer en zijn discipelen maken hier geen gewag van. Dat ze in het OT symbolische aanwijzingen vinden voor deze derde groep stoelt nergens op dan een grote fantasie. Dat afvallige engelen niet vernietigd worden hebben we al eens uitgelegd in hoofdstuk één zie daarom aldaar. Wat de Schrift duidelijk leert 1°) Wat is de oorsprong van het eeuwig leven? 1 Joh.1:2: “het eeuwige leven, dat bij de Vader was en aan ons geopenbaard is” 1 Joh.5:11: “God heeft ons eeuwig leven gegeven en dit leven is in zijn Zoon” Joh.14:6: “Jezus zeide (...) Ik ben (...) het leven” 2°) Hoe kan men het eeuwige leven verkrijgen? Joh.1:12: “allen die hem aangenomen hebben” Joh.3:3: “tenzij iemand wederom geboren wordt” 3°) Wie kan eeuwig leven krijgen? Joh.3:14: “die gelooft in Hem” Joh.3:16: “een ieder die in Hem gelooft” 1 Joh.5:12: “wie de Zoon heeft, heeft het leven” 4°) Wanneer krijgt men dat eeuwig leven? Joh.6:47: “Wie gelooft, heeft eeuwig leven” Joh.3:36: “Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven” Joh.5:24: “wie mijn woord hoort en Hem gelooft (...) heeft


LEVEN, Dood en opstanding_1999

204

eeuwig leven” 5°) Weten we of we eeuwig leven bezitten? 1 Joh.5:13: “opdat gij weet dat gij eeuwig leven hebt” 1 Joh.3:14: “Wij weten dat wij overgegaan zijn uit de dood in het leven” 6°) Kan men zijn eeuwig leven verliezen? Joh.10:28: “zij zullen voorzeker niet verloren gaan in eeuwigheid” Joh.14:19: “want ik leef en gij zult leven” Phil.1:6: “die in u een goed werk is begonnen, dit ten einde toe zal voortzetten” 2 Tim.1:12: “dat Hij bij machte is, hetgeen Hij mij toe vertrouwd heeft, te bewaren tot die dag” 1 Pet.1:4,5: “die in de kracht Gods bewaard wordt” 7°) Verlies ik mijn eeuwig leven door zonde? 2 Cor.5:21: “Hem, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden, gerechtigheid Gods in Hem” Heb.7:25: “Daarom kan Hij ook volkomen behouden, wie door Hem tot God gaan, daar Hij altijd leeft om voor hen te pleiten” 1 Joh.2:1: “als iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij de Vader” 1 Joh.1:9: “Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen” Lijst met alle teksten over “eeuwig leven” in het NT Mat.19:16,29 / 25:46 / Marc.10:17,30 / Luc.10:25 / 18:18, 30 / Joh.3:15,16,36 / 4:14,36 / 5:24,39 / 6:27,40,47,54, 68 / 10:28 / 12:25,50 / 17:2,3 / Hand.13:46,48 / Rom.2:7 / 5:21 / 6:22,23 / Gal.6:8 / 1 Tim.1:16 / 6:12 / Tit.1:2 / 3:7 / 1 Joh.1:2 / 2:25 / 3:15 / 5:11,13,20 / Judas 21. Lijst met belangrijke teksten over “leven” (zoë) in het NT Mat.7:14 / 18:8 / 19:17 / Marc.9:43,45 / Luc.12:15 / 16:25 / Joh.1:4 / 3:36 / 5:24,26,29,40 / 6:33,35,48,51, 53,63 / 8:12 / 10:10 / 11:25 / 14:6 / 20:31 / Hand.2:28 / 3:15 / 5:20 / 8:33 / 11:18 / 17:25 / Rom.5:10,17,18 / 6:4 / 7:10 / 8:2,6,10,38 / 11:15 / 1 Cor.3:22 / 15:19 / 2 Cor.2:16 / 4:10-12 / 5:4 / Eph.4:18 / Fil.1:20 / 1 Joh.1:1,2 / 3:14 / 5:11,12 / Opb.2:7,10 / 3:5 / 17:8 / 21:6,27 / 22:1,2,14,17,19. Wat anderen denken We willen enkele citaten geven van theologen uit verscheidene strekkingen en wat zij denken over onsterfelijkheid van de mens.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

205

“De mens is niet onsterfelijk in natuur of uit recht; maar hij is in de mogelijkheid onsterfelijk te worden want dat is hem wel aangeboden; de opstanding uit de doden en eeuwig leven indien hij het wil aannemen van God en op Gods termen” volgens W. Temple, (in leven, aartsbisschop van Canterburry), ‘Nature, man and God’, St. Martin’s Press, 1949, p.472. “De gedachte dat wij mensen onsterfelijk zijn omdat onze ziel van een onvernietigbare, goddelijke essentie is, eens en voor altijd; is niet verenigbaar met de Bijbelse gedachte van God en de mens” volgens E. Brunner, ‘Eternal Hope’, Westminster Press, p.105, 106. “Vervreemd van de uiteindelijke kracht van zijn wezen is de mens voorbestemd door zijn eindigheid. Hij is overgegeven aan zijn natuurlijk lot. Hij kwam uit het niets en keert terug naar het niets. Hij is onder het bewind van de dood en is voortgedreven door de schrik te moeten sterven. Dit is in feite het eerste antwoord op de vraag betreffende de relatie tussen zonde en dood. In overeenstemming met de Bijbelse religie zegt dit dat de mens sterfelijk is uit natuur. Onsterfelijkheid als een natuurlijke eigenschap van de mens is géén christelijke leer” volgens P. Tillich, ‘Systematic Theology’, volume 2, U.K. uitgave, p.66, 67. “Het spreekt voor zichzelf dat alleen God over dit leven beschikt juist zoals over het natuurlijke leven (Hand. 13:48) en dat mensen het alléén kunnen erven (Marc.10:17 / Luc.10:25 / Tit.3:7 / 1 Pet.3:7) of krijgen (Marc.10:30 / Luc.18:30) (...) Men zet zich onder de voordelen van dit werk van redding door geloof: door te geloven in de reddende handeling van God in Jezus Christus” volgens J. Burnier, ‘Vocabulaire biblique’, Red. J.J. Von Allmen, Edit. Rencontre, 4de druk 1969, bij het begrip “Vie” op p.307. Om zijn zieke moeder enige troost te geven schreef Martin Luther haar o.a. de volgende dingen waaruit de overwinning blijkt die de gelovige in Christus thans bezit (deel uit brief van 20 mei 1531): “Derhalve mogen we met alle zekerheid en vreugde ons verblijden, als een gedachte aan de zonde of de dood ons beangst dreigt te maken, mogen we ons hart daartegen verheffen en zeggen: Maar, beste ziel, wat doe je nu? Beste dood, beste zonde, wat verbeeld je je wel, dat je mij aan het schrikken kunt maken? Weet je dan niet dat je overwonnen bent? Ken je dan die Man niet die van je zegt: Ik heb de wereld overwonnen? Het past mij niet je dreigementen aan te horen of ernstig te nemen, ik luister alleen naar de troostwoorden van mijn Heiland: Wees getroost, wees getroost, Ik heb de wereld overwonnen. Hij is de overwinnaar, de ware held, die in deze woorden zijn overwinning tot de mijne maakt en ze aan mij schenkt: Wees getroost! Bij Hem blijf ik, aan zijn woord en troost houd ik mij vast, daarom bouw ik, blijf ik hier of reis af, Hij bedriegt mij niet. Je wilde mij met je valse bangmakerij graag er in laten lopen en met je leugenachtige gedachten mij van mijn Overwinnaar en Heiland losrukken; maar het is allemaal gelogen, zowaar als het is, dat Hij je overwonnen heeft en ons geboden om getroost te zijn. Zo roemt ook St Paulus en braveert de schrik van de dood: De dood is verslonden in de overwinning. Dood waar is je prikkel? Hel waar is je overwinning? Bang en zenuwachtig maken dat kun je, als een houten pop van de dood, maar je hebt geen macht om mij te worgen. Want je overwinning, je prikkel en je kracht zijn in de overwinning van Christus verdwenen; je kunt je tanden laten zien, maar je kunt mij niet opeten.”


LEVEN, Dood en opstanding_1999

206

Hoofdstuk 3.2. Een rijk man en een bedelaar, Lazarus genaamd Inleiding Een van de “probleemteksten” voor iemand zoals wij die geloven in de onbewuste toestand tussen dood en opstanding, is de opgetekende gelijkenis van een rijk man en een bedelaar in Lucas 16:19-31. Het zou goed zijn dit na te lezen in de Schrift zodanig dat men alle details goed in het hoofd zou hebben bij de navolgende bespreking. We citeren één schrijver, onder tientallen, die dit als een waar verhaal ziet en niet als parabel: “Een treffende illustratie vinden wij hiervan in de reeds eerder genoemde geschiedenis van de rijke man en Lazarus (Luc.16). Bedenk wel, dat dit verhaal, dat Jezus vertelde, geen gelijkenis is. De Schrift zegt niet dat het een gelijkenis is. Het is een ware geschiedenis, waarin één der personen zelfs met name genoemd wordt. De Heiland tilt hier een tip van de sluier op, dat de tijd van de eeuwigheid scheidt” Jb. Klein Haneveld, Het leven na de dood, ‘Het Morgenrood’ brochure n°12, zj, p.8, de onderlijning is van de schrijver zelf. We willen ons niet speciaal bezighouden met de uitleg van dit Bijbelgedeelte, hoewel we er vier beschrijven, maar wel met een verscheidenheid aan redenen waarom deze woorden als een gelijkenis bezien moeten worden. En indien dit schriftgedeelte een parabel blijkt te zijn, dan mag men zich hierop niet verlaten als een belangrijk getuigenis in verband met de vraag: Wat is er na de dood? Doel van parabels Dat de Heer dikwijls in gelijkenissen sprak tot Zijn toehoorders daarvoor hebben we het getuigenis van de evangelieën. Zo zegt Mat.13:34: “Dit alles zeide Jezus in gelijkenissen tot de scharen en zonder gelijkenis zeide Hij niets tot hen.” Men zie ook o.a. Mat.13:18,24 / Luc.5:36 / 6:39 / 8:4 / 13:6 / 14:7 / 15:3 / 16:1,14 / 18:1,9 / 19:11 / 20:9,19. Maar waarom sprak Hij in parabels? Het antwoord van Hemzelf is: “Daarom spreek ik tot hen in gelijkenissen omdat zij ziende niet zien en horende niet horen of begrijpen” Mat.13:13 en vergelijk Joh.6:36. Die klacht dat Gods volk niet wil horen, luisteren en begrijpen is reeds de klacht uit Jes.6:9,10 en dan hoegenaamd niet nieuw. Van de andere kant is het toch zo dat Christus enkele gelijkenissen verklaard heeft aan zijn discipelen. Ook zij begrepen niet altijd de ware betekenis, daarom hun vraag: “verklaar ons de gelijkenis” Mat.13:51,52. Het gaat in het gebruik van gelijkenissen duidelijk om een vorm van onderwijs (Marc.4:2 / 12:35). Ze worden uitgesproken met het oog op de schriftgeleerden en de Farizeeën. Ze beseffen dat goed want men wil er Jezus zelfs voor grijpen en doen ophouden (Luc.15:3 / Luc.20:19 / Mat.21:45,46). Een gelijkenis is tot één persoon gericht in Lucas 14:15, echt privéonderwijs. Sommige gelijkenisen waren alleen voor de discipelen bestemd (Mat.13:36-50 / Luc.21:41). Maar de meeste gelijkenissen zijn met het oog op de schare verteld (Marc.4:1,2).


LEVEN, Dood en opstanding_1999

207

Een ander punt is dat men niet mag vergeten dat alle gelijkenissen en zelfs deze die Christus uitgesproken heeft bepaalde onwaarheden bevatten indien zij in de meest letterlijke zin opgevat worden. Want gelijkenissen gaan mank op één of méér punten. J. Hermann zegt hierover: “Dat een gelijkenis ook wel eens de poging om de vergelijking tot in de bijzonderheden uit te breiden helemaal niet verdraagt, omdat dit een verwrongen beeld zou geven, daarvan is de onrechtvaardige rentmeester, Luc. 16:1 vv., het duidelijke voorbeeld” ‘Encyclopedie van het Oude en Nieuwe Testament’, deel 1, Red. S. Dee en J. Schoneveld, Bosch & Keuning, zj, p.209. Nemen we een ander voorbeeld. Zo zijn er die beweren dat bij de voleinding der wereld eerst de goddelozen gestraft worden en dat daarna Gods volk gezegend wordt. Men baseert zich dan op Mat.13:36-43. Volgens die woorden zullen goddelozen eerst in de vurige oven gaan en daarna zullen Gods kinderen stralen in heerlijkheid. Maar volgens een andere parabel, deze van het sleepnet, in Mat.13:47-50 kan men juist het omgekeerde bewijzen. Want de goede vissen worden éérst uitgezocht, dáárna de slechte weggeworpen. Waar we de lezer van willen overtuigen, is dat een gelijkenis géén basis mag zijn tot het dogmatisch onderbouwen van een leerstelling. Zo is het in de voorgaande parabels niet de bedoeling van Christus om een chronologische volgorde te geven van wat eerst zal geschieden bij Zijn komst en wàt daarna. Het gaat hier alleen maar over de “sunteleia”, het “tezamen tot een einde brengen” van de wereld, letterlijk “het tijdperk” want er staat in het Grieks “aioon” (Mat.13:40,49). Zo wil Christus duidelijk maken dat er bij Zijn komst zowel getrouwe volgelingen van Hem zullen zijn als vijanden. De gelijkenis van het verloren schaap is een prachtige gelijkenis die in betekenis geen moeilijkheden oplevert. Maar laat een echte herder zijn 99 schapen zo maar zonder verweer achter “in de wildernis” (Luc.15:5)? Want in wat Christus zegt over de Goede Herder in het evangelie naar Johannes hoofdstuk tien, beschermt hij zijn schapen voor rovers en wolven (verzen 4,5,9-12)! Of heeft de Heer juist de zaak zo beschreven om het verhaal nog scherper te stellen. Want dat mag men toch doen in een gelijkenis! Op eenzelfde wijze moeten we het gezegde bezien dat een kameel niet door het oog van een naald gaat. In de parabel van de Barmhartige Samaritaan gaat het niet om het tegenover elkaar stellen, op racistische wijze, van twee volkeren, maar om de vraag naar wie de ware naaste is van de ander. Deze gelijkenis is racistisch te interpreteren. Maar dat mag men niet of we zeggen zaken die niet met Christus’ onderwijs stroken. Men mag niet beweren dat elk woord dat in de Schrift tot ons komt slechts één letterlijke uitleg heeft. Want er is nog zoiets als een allegorische uitleg, metaforische uitleg, een typologie, een verborgenheid of nog iets anders. Een zeer diepgaand artikel vinden we hierover in het Gereformeerde tijdschrift ‘Beweging’, 61st jaargang, n°3 september 1997, p.94. We citeren de schrijver F. Pathuis: “De belijdenis dat wij de Bijbel aanvaarden als Gods woord betekent, dat wij geloven dat God door middel van de Bijbel tot ons wil spreken. Dit impliceert logisch gezien een dubbele interpretatietaak. Allereerst dat wij de betekenis dienen vast te stellen van de Bijbeltekst, zoals die door de menselijke auteur geformuleerd is, de ‘sensus literalis’ (de letterlijke betekenis). Vervolgens dat wij de vraag stellen, wat God ons door middel van deze tekst wil openbaren. Mijns inziens zullen we deze twee vragen moeten blijven onderscheiden en de wijze waarop wij de antwoorden daarop vinden, niet met elkaar moeten identificeren, omdat anders het dynamisch karakter van Gods openbaring in het heden te weinig recht wordt gedaan. De ‘sensus literalis’ van de Bijbeltekst is niet automatisch ook datgene, wat God ons nu door middel van de Bijbel wil openbaren. Zelfs is het mogelijk, dat God ons nu iets wil openbaren, dat juist tegen de letterlijke betekenis van de Bijbeltekst ingaat.” Wanneer we dit beginsel aanvaarden dan zal dit zeker het geval zijn bij de studie van gelijkenissen. Zo is er ook niemand die het boek Openbaring volledig letterlijk gaat uitleggen, want dan heeft het geen enkele betekenis meer.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

208

Waarom is dit gedeelte dan een parabel? Dat het opgetekende in Luc.16:19-31 een parabel is volgt uit de manier van spreken van Christus. Veronderstel dat de drie hoofdpersonen in dit Bijbelgedeelte drie echte personen zijn; dus de aartsvader Abraham, een rijke man en een bedelaar genaamd Lazarus. Zoiets aannemen brengt ons in tal van moeilijkheden. Want Abraham die honderden jaren vóór Mozes gestorven was geeft de raad om de geschriften van Mozes te leren en te geloven om zalig te worden. Maar hoe kon Abraham iets afweten van Mozes? Ten andere is het niet het geloof in Christus wat redding geeft? En is de wet van Mozes dan niet opgehouden (Gal.2:15-17)? Of moeten we de genade van God haar kracht ontnemen en opnieuw Mozes prediken (Gal.2:21)? En die wet is toch slechts aan de Joden gegeven, heidenen kunnen zeker niet verplicht worden deze te onderhouden (Col.2:14-17 / Gal.3:10-13 / 5:14). Ja, wáár heeft een letterlijke Abraham kennis van Mozes. Er staat toch duidelijk in de Schrift dat men in de “hades”, het dodenrijk, géén kennis heeft (Ps.6:5 / 88:10-12 / 115:17 / 146:4 / Pred. 9:6 / Job 14:21)! In het dodenrijk kon Abraham zijn kennis niet vermeerderen en iets afweten van wat er vierhonderd jaar na zijn overlijden door God aan Israël geopenbaard zou worden. Nog langer was de periode van wat de profeten voorzegd hadden. Indien dat alles de werkelijke basis zou zijn van redding dan kon Abraham daarvan niets afweten. En sinds de komst van de Heer en Zijn prediking is dit niet meer zo. Nu staat terug echt geloof op de voorgrond, een geloof zoals Abraham er zelf had gedemonstreerd (Rom.1:17 / 3:27-30 / Gal.3:14,29). Wij christenen leven niet meer onder de “wet en profeten”, dat moet voorop staan. Laat ons kijken naar die rijke man. Is het u niet opgevallen bij het lezen van dit Bijbelgedeelte, dat over hem niet gezegd is dat hij een goddeloze was vóór zijn “dood?” Is het dan alleen omwille van zijn “rijk” zijn dat deze welgestelde burger naar een minder toebedeelde plaats zou gaan (naar een “pijnigende” hel) dan Lazarus? Het motief waarom de rijke naar een “vurige” hel zou gaan wordt door Christus niet eens genoemd. Of gaan alle “rijken” zo maar zonder meer naar een plaats van pijniging? We weten uit het NT dat er leerlingen waren van Jezus die zeer rijk waren. Maar die zijn toch niet automatisch verloren? In het OT is rijkdom in veel gevallen een zegen van God en tevens teken van zijn goedkeuring. Misbruik van zijn machtige positie wordt natuurlijk steeds afgekeurd. Het onderdrukken van de armen wordt door profeten aangeklaagd (Jes.10:1,2 / Jer. 2:34). Een gelovige Jood mag zijn naaste niet zonder zijn dagelijkse behoeften stellen (Spr.14:21 / Jes.58:7,8). En een gelovige in Christus heeft dezelfde opdracht (Rom. 15:26 / Gal.2:10 / 1 Tim.6:17-19). Vergeten we niet dat sommige aartsvaders in termen van hun tijd “zéér rijk” waren; vb. Abraham (Gen.12:16 / 13:2) of Jakob (Gen. 30:43) en Job (Job 42:10-12). Wanneer Israël trouw zou zijn aan zijn verbond met God zou het grote zegeningen in aardse “rijkdom” ontvangen (Lev.26:3-10). Rijk zijn op zichzelf is dus géén zonde en géén schande en je wordt er niet om gestraft. En de arme bedelaar dan. We weten alléén dat hij arm is. Of hij een goed mens was of een goddeloze wordt niet gezegd. Maar alleen arm zijn is toch geen reden om naar de hemel te gaan of naar het paradijs? Want arm zijn is geen deugd. Deze arme bedelaar heeft geen schatten verzameld hier op aarde, wel bij God (Luc.12:21 / 12:33). Dat is duidelijk uit wat er met de arme geschied, hoe we de parabel ook mogen uitleggen. Hij heeft Gods gunst verworven. Maar dat blijft toch nog altijd genade zowel in het OT als het NT. Dit alles zeide Jezus in gelijkenissen (Mat.13:34) Er zijn nog andere aanwijzingen dat we hier niet te maken hebben met reële feiten. Neem bijvoorbeeld de uitdrukking “een rijk man.” In het Bijbelgedeelte van Luc.16:1-9 waar óók sprake is van “een rijk man” gaat iedereen ermee akkoord dat het om een gelijkenis gaat. Nochtans begint de parabel van “een rijk man en een arme bedelaar” juist op diezelfde wijze en met diezelf-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

209

de woorden. Waarom is dit verhaal dan geen gelijkenis? Het verhaal van de verloren zoon in Luc.15:11 zegt ook niet dat het om een gelijkenis gaat, maar iedereen neemt het aan als een parabel. Er bestaat zelfs een geijkte uitleg voor deze gelijkenis wanneer men er de commentaren op naleest. We hebben de lijst van de voornaamste gelijkenissen eens nagegaan om te zien of er wel steeds gezegd wordt dat het om een parabel gaat. Dat blijkt bij méér dan een derde van de gevallen niet te zijn aangegeven. Het is trouwens reeds een moeilijkheid om te bepalen wat parabel is of spreekwoord. Zijn het er 30 of 60-plus? (In ‘The study of parables’ geeft A. Habershon, een lijst van 61 gelijkenissen op p.357-361, 5th edition, Kregel, 1975). Hieronder een lijst (die ook niet volledig is) waar de uitdrukking “gelijkenis” niet is gebruikt bij de inleiding van dat Bijbelgedeelte: De schat in de akker: Mat.13:44. De parel: Mat.13:45,46. Het visnet: Mat.13:47-50. Het verloren schaap: géén parabel vlg. Mat.18:12-14, wel vlg. Luc.15:1-7, maar het gaat om twee gelijkaardige gelijkenissen die op een ander tijdstip zijn uitgesproken. De arbeiders in de wijngaard: Mat.20:1-16. De twee zonen: Mat.21:28-32. De onbeschaamde vriend: Luc.11:5-8. De verontschuldigingen: Luc.14:16-24. De twee slaven: Mat.24:45-51. Dit is een verkeerde benaming voor deze gelijkenis, het gaat om één slaaf die zowel zijn plicht kan doen als ze verzuimen. Het sleutelwoord is “die” = Grieks “ekeinos” in vers 48. De barmhartige Samaritaan: Luc.10:25-37. De verloren penning Luc.15:8-10. De verloren zoon: Luc.15:11-32. De onrechtvaardige rentmeester: Luc:16:1-9. De rijke en de arme Lazarus: Luc.16:19-31. De onnutte diensknechten: Luc.17:7-10. Het Koninkrijk der hemelen is “gelijk aan”: tien maagden, een verdeling van talenten of de scheiding tussen schapen en bokken in Mat.25. En de gewone lezer zonder enige Griekse kennis zou kunnen een verband leggen tussen de begrippen “gelijk aan” = “gelijkenis” maar dat kan alleen in onze Nederlandse taal. In de Griekse tekst is dit niet het geval: daar vinden we hier verwanten aan het begrip “omoioos” (gelijkend) en niet “parabole” (gelijkenis). Er is niemand die het gelijkeniskarakter van deze drie verhalen betwist. Het argument dat er in het verhaal van de rijke en de arme Lazarus geen woord staat als “gelijkenis” bewijst dus niets ten gunste van een waarachtige geschiedenis. De meer dan tien voorbeelden die we noemen geven dit te kennen. Er zijn in het Koninkrijk Gods ook mannen alhoewel de parabel van de 10 maagden slechts vrouwen noemt. De schapen en de bokken zijn dat niet echt, ze stellen de mensen voor die geoordeeld zullen worden. De talenten zijn geen echte talenten, maar genadegaven van God. Het gaat ook niet om een gave die iemand zou kunnen hebben buiten het gemeentewerk. Dat Hitler zijn mensen goed kon bepraten was géén gave Gods, géén talent ten dienste van de uitbreiding van het Koninkrijk. Laat ons de parabels toch niet misbruiken. Ze staan als gelijkenis neven een moreel of leerstellig punt bij de prediking van de Heer en steeds in verband met het Koninkrijk Gods. Meerdere malen zelfs met een lering over het einde (voleinding) van deze wereld. De onmogelijkheid van de letterlijke uitleg


LEVEN, Dood en opstanding_1999

210

Het allerbelangrijkste in deze geschiedenis zouden de absurditeiten zijn indien we alles letterlijk verklaren. Zo staat er dat Lazarus naar de schoot van Abraham gebracht wordt. Is dit letterlijk of maar een spreekwijze? Indien het letterlijk is heeft men dan te maken met het feit of dan alle bedelaars naar de schoot van Abraham gaan? Het zal dan een drukbezette plaats zijn en ook begerenswaardig want het zal er goed zijn te vertoeven. Verder dan. De rijke man die in pijnen is, vraagt vader Abraham of hij de arme Lazarus zou willen zenden om hem de tong te verkoelen door water aan de top van zijn vinger. Maar is er letterlijk water in de hemel? Of in de hel? Of in het dodenrijk? En waarom vraagt de rijke man deze lafenis? Is Abraham iemand zoals een Rooms katholieke heilige tot wie men kan bidden om op geestelijk vlak geholpen te worden? Ja, waarom spreekt Abraham de rijke man zelfs aan als “kind?” De vader Abraham uit deze geschiedenis spreekt ook over “een onoverkomelijke kloof” (NBG) of een “geweldige afgrond” (Canisius) of “brede kloof” (Leidse vertaling en Brouwer). Die is er tussen hemzelf (en Lazarus met hem) en de rijke man. Wat is die kloof? Is het letterlijk? Is er een echte kloof tussen de hemel en hel? Of in de hades zoals men ons wil doen geloven? Maar dan natuurlijk ook niet zo groot dat men elkander niet meer zou kunnen zien en spreken! Is het niet veel logischer aan een symbool te denken, zodanig dat de kloof een andere realiteit zou afbeelden? Maar dan zijn alle dingen uit deze gelijkenis symbolen van iets anders en niet als een werkelijkheid op te vatten! Voorstanders van een leer van de vurige hel hebben problemen met wat de Schrift duidelijk leert over het dodenrijk. Want er staat dat zowel goeden als slechten in die plaats vertoeven. Beide groepen (indien we ze zo zouden noemen) slapen als het ware “zij aan zij” in die ene hades. Men zie bijvoorbeeld Deut.31:16 / 1 Kon.1:21 / 2:10 / 11:43 / Job 3:13,14 / 7:21 / 14:11,12 / 1 Cor.15:6,18,20 wat betreft de “goeden” of “gelovigen.” En wat betreft de “slechten” of “ongelovigen” zie 1 Kon. 14:20,31 / 16:6,28 / 22:40 / 1 Cor.11:30. Wat is nu juist “doodgaan” volgens de Schrift? Niets meer of minder dan het ophouden van alle levensfuncties, zowel lichamelijke als geestelijke. Leven en dood zijn twee antipoden van elkaar (Job 3:11,13,16 / Ps.6:5 / Jes.38:18,19 / Hand. 3:24). Sterven is niet verder leven op een ander niveau. Sterven is een (...) niet leven en onbewust zijn. Dat er parallellen zijn tussen Lucas 16:19-31 en bepaalde opmerkingen van de Rabbijnen in de Talmoed kan men niet betwisten. Maar men zou dit met andere schriftuurplaatsen moeten kunnen vergelijken en dat is niet het geval. Trouwens één belangrijk element, de afgrond of grote kloof, vinden we niet terug in de hades van de Rabbijnen. En vergeten we niet dat de Heer de Farizeeën meerdere malen berispt omdat ze zich aan tradities houden méér dan aan het woord van God? En de relatie tussen de schrijvers van de Talmoed, althans het grootste deel ervan, en de Farizeeën is dat deze laatste de geestelijke vaders zijn van dit geschrift. Voor hun visie op hades zie o.a. F. Josephus ‘Oudheden’ XVIII/14. Is er dan géén verschil tussen het sterven van een mens en dat van een dier? Zeer zeker. De Bijbel maakt het duidelijk door te spreken over de opstanding van de mens, zowel bij de oude profeten als de christelijke schrijvers. Zie o.a. Ps.17:15 / Job 19:25-27 / Joh.6:39 / 11: 24-26 / Rom.4:17. En die opstanding “uit de doden” is juist een ware hoop en troost voor Gods volk (Hand.23:6 / 24:15 / 1 Cor.1:7,8 / 2 Cor.1:9,10 / 4:10,14 / Heb.11:35 / 1 Joh.3:2,3 / Opb.1:18). Maar in het dodenrijk zelf wordt geen onderscheid gemaakt tussen gelovigen en ongelovigen, tussen de goeden en de slechten. Indien Lucas 16:19-31 een letterlijke beschrijving is hoe hades er binnenin uitziet, zoals een landkaart, dan is deze tekst een uitzondering op alle andere teksten over hades (65/66 in het OT en 10/11 in het NT). Een plaats verdeeld in compartimenten! Men zou kunnen opmerken dat Ezech.32:21 ook zoiets bewijst, maar ook hier gaat het om een figuurlijke beschrijving van het dodenrijk. In de letterlijke hades voert men géén oorlogje. De Assyriërs (vers 22) en de Egyptenaren (vers 18) doen alles om zich groot te maken tegenover elkaar en tegenover God en zijn volk. Maar hun toestand is slechts te vergelijken met een dodenrijk. God zal de Heer van de geschiedenis blijken te zijn. Dergelijke machten, ook al zijn ze wereldmachten, kunnen niets tegen YaHWeH en Hij zal zijn volk beschermen.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

211

De waarschijnlijkheid van een letterlijke uitleg van Luc.16:19-31 is strijdig met de Bijbelse leer over de hades, maar ook met andere leerstellingen in de heilige Schrift. Het zou ook een valse leer prediken van redding. Want Lazarus zou gezegend worden alléén maar omdat hij arm is, honger heeft en honden zijn zweren laat likken! En de rijke zou vervloekt worden om zijn rijkdom! Hebben we het offer van de Christus niet meer nodig voor redding? Als tweede punt is de strikte uitleg in strijd met wat Abraham zegt tot de rijke man. Want onze Abraham in de gelijkenis zegt dat het uit de doden opstaan van iemand, geen reden zou zijn tot bekering. Het getuigenis van een opgestane dode zou geen waarde hebben en de vijf broeders ertoe aanzetten hun levenswijze te veranderen! Letterlijk gezien is dat een leugen want toen Jezus, de andere historische, Lazarus uit de doden opwekte kwamen sommigen tot geloof (Joh.11:45). Nadat het verhaal van zijn opstanding verspreid is geworden trekt een grote menigte naar de streek waar Lazarus woont om hem en Jezus te zien (Joh.12:9-11). En omdat er zoveel in de macht van Jezus geloofden na deze gebeurtenis hebben de schriftgeleerden alle kwaad bedacht om Hem te laten verdwijnen (Joh.11:53-57). En toen Dorcas door Petrus werd opgewekt uit de doden kwamen enkelen tot geloof (Hand.9:42). In feite berust gans ons christelijk geloof op de opstanding uit de doden van Jezus (1 Cor.15:12-15). En dat is wel de voornaamste reden waarom men in Christus mag geloven. Want God heeft Jezus opgewekt en dus op die wijze Zijn goedkeuring gegeven aan het leven, werk en lijden van de Man van Nazareth. Indien letterlijk opgevat dan vertelde Abraham een leugen. Wanneer men moeilijkheden heeft met wat de Heer predikt mag men ook afgaan op de werken die Hij doet, en die geloven als een teken van de Almachtige door Jezus bewerkt (Joh.14:11). Dat is echter geen garantie tot geloven, gezien velen die de werken van de Heer hebben gezien toch ongelovig gebleven zijn volgens Mat.11:21 of Joh.20:29. Nog een derde reden staat in verband met Abraham. Over hem is gezegd dat hij stierf en begraven werd. Bijbels staat er: “hij werd tot zijn volk vergaderd” (Gen.25:8-10). Tweeduizend jaar later zegt Christus over hem: “Abraham is dood” (Joh. 8:52). Nog jaren later zegt de schrijver aan de Hebreeën dat Abraham de beloften die God hem gaf nog niet ontvangen had (Heb.11:813). Hij moet samen met alle getrouwen uit de oudheid nog tot volmaaktheid komen (Heb.11:35,39,40). “Niet zonder ons” in deze tekst wil zeggen, niet zonder dat de gelovigen in Christus terzelfertijd gezegend worden, want dat zal allemaal op hetzelfde moment van de wederkomst van de Heer geschieden. In dit evangelie van Lucas lezen we aan het slot van een andere gelijkenis: “En gij zult zalig zijn, omdat zij niets hebben om u terug te betalen. Want het zal u terugbetaald worden bij de opstanding der rechtvaardigen” Luc.14:14. Ook voor Abraham is dit geschreven, hij is geen uitzondering op de regel, ook hij is een rechtvaardige en zelfs het prototype ervan. Daarom kon Jezus ook tot de Farizeeërs zeggen dat Abraham voor God leeft en niet dood is en vergeten (Mat.22:31,32). Ongelovige Joden zullen wanneer het Koninkrijk komt, waarin Ahraham en andere aartsvaders zitten, buitengeworpen worden. Deze vaderen van Israël zitten niet in een vurige hel ook niet in een beschermd compartiment ervan (Luc.13:28). De “Abraham” uit de gelijkenis is dus niet deze uit de oudheid. Het getuigenis van Christus en Paulus sluit dit uit. Dat de ware aartsvader Abraham in het werk van Lucas - zijn evangelie en het boek Handelingen - een belangrijke plaats inneemt is frappant. Zie Luc.1:72,73 / 3:7-11,34 / 13:16,28,29 / 19:9 / 20:37 / Hand.3:13,25 / 7:17,32 / 13:26 / 26:8 / 28:20. Hier zit waarschijnlijk de gedachte achter dat Abraham het prototype is van alle gelovigen zowel voor Joden als mensen uit de volkeren. Een tegenargument


LEVEN, Dood en opstanding_1999

212

Voordat we dan onze eigen uitleg beschrijven, die niet speciaal de enige juiste moet zijn, willen we nog een argument bespreken dat ons door iemand is opgeworpen. Volgens deze persoon moet Luc.16:19-31 “letterlijk zijn” in die betekenis dat benevens de symbolische kant van een parabel, een gelijkenis op zichzelf toch altijd mogelijk is in werkelijke zin. Zo bijvoorbeeld de parabel van de verloren zoon kan letterlijk geschieden maar toch een voorstelling is van een andere diepere waarheid. Het verloren schaap kan een letterlijk verhaal zijn met een diepere betekenis enz (...) Zo zouden Lazarus, de rijke man en Abraham met elkander letterlijk kunnen praten, zou er water in hades zijn en een grote kloof. Bewijzen hiervoor kan men niet geven dan dit ene. Men moet dan argumenten aannemen waarover de Bijbel niet spreekt maar wel o.a. de Talmoed. Dan heeft men aan de hand van een parabel een leerstelling gecreëerd over het leven dat volgt op de dood. Moet men niet het beginsel aannemen dat het getuigenis over iets slechts geldig is na het verhoor van twee of drie getuigen? Want buiten dit “verhaal” zijn er geen getuigen! Indien de parabels die Christus heeft uitgesproken letterlijk kunnen gebeuren, wat eigenlijk nog niet bewezen is, dan moet reeds uit de natuur van de geschiedenis van Lucas 16:19-31 van meet af gezegd worden dat dit dan een uitzondering moet zijn. Want in realiteit kan dit niet en zou het strijdig zijn met al het andere wat we weten over de toestand na de dood. Over die letterlijkheid van gelijkenissen zou één en ander te zeggen zijn. Neem eens de parabel van het korenveld in Mat.13. Is het nu de normale gang van zaken dat er ‘s nachts een vijand komt en tussen het goede zaad slecht zaad gaat zaaien (Mat.13:24,25)? We denken dat Prof. Tasker medewerker van ‘The New bible dictionary’ uitgegeven door de (evangelische) I.V.F. in 1962, het probleem van Luc.16 goed schetst. Hij zegt: “Wanneer de waarheid die moet geleerd worden iets is buiten de ondervinding van Zijn toehoorders (deze van Christus) dan wordt de gelijkenis niet alleen meer ingebeeld maar tevens zeer leerzaam in karakter zoals in het geval van de parabel van de rijke man en Lazarus” (p.933). Op p.935 noemt Prof. Fensham dit ook nog eens een parabel. Door J. Hermann wordt de gelijkenis gezet bij deze die betrekking hebben op “de natuur en de plicht van de mens.” De rijke man is de voorstelling van: “Verspilde mogelijkheden en hun verschrikkelijk einde.” De arme Lazarus stelt diegene voor: “Door mensen vergeten, genade bij God.” ‘Encyclopedie van het Oude en Nieuwe Testament’, Red. S. Dee en J. Schoneveld, deel 1, Bosch & Keuning, zj, p. 210. Er is natuurlijk méér dan één achtergrond van de reden waarom deze gelijkenis, uit de honderden die de Heer zal uitgesproken hebben, tot ons is gekomen. Naar het slot toe komt aan de orde dat de rijken (beeld van de schriftgeleerden) het niet zo nauw nemen met “de wet en de profeten.” Want traditie komt bij hen meestal op de eerste plaats (Mat.15:1-9). En dat ongeloof klaagt de Heer meerdere malen aan als de grote fout in hun systeem. Zo zou men ook Lucas 16:16-18, de verzen die aan de parabel vooraf gaan, als inleiding kunnen zien van het verhaal van Lazarus en de rijke. “De wet en de profeten gaan tot Johannes” (vers 16). Echtscheiding op allerlei frivole gronden is als voorbeeld aangehaald van de wijze waarop men niet met de Thora van God mag omgaan (vers 18). De wet is hard bij overspel volgens Deut.22:22. Maar de Farizeeën hadden vele uitzonderingen bedacht, vooral voordelig voor de mannen. En dat was door de Heer al eens aangeklaagd in de rede op de berg (Mat.5:31,32). In die zin lezen we iets bij H. Wolff en G. Bornkamm: “de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus wijst op een fundamentele raadgeving. De rijke zou willen dat Lazarus uit het dodenrijk naar zijn broers gezonden werd. Hij zou ze bij het leven nog kunnen waarschuwen. Maar Abraham - hier opnieuw de beslissende instantie! - wijst deze mening af als fout. Want een boodschapper uit de onderwereld zou dan, meer aantrekkingskracht hebben dan het Schriftwoord: ‘Indien zij naar Mozes en de profeten niet luisteren, zullen zij zich ook, indien iemand uit de doden opstaat, zich niet laten gezeggen’ (Luc.16:31). De lezer van Lucas dient bij het belijden en navolgen van Jezus in zijn leven het Oude Testament als hoogste en af-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

213

doende autoriteit aan te nemen” ‘Sleutel tot de Bijbel’, Boekencentrum, 1984, p.14. Natuurlijk moet men toch het laatste relativeren. Wet en profeten wijzen naar de Christus. In deze zin belangrijk. Maar de wet en de profeten zijn niet meer geldig en zeker niet voor dezen die niet tot het Israel in het vlees behoren. Anders gezegd, Lucas 16:19-31, is wellicht een zeer speciale parabel. Misschien een uitzondering op gewone gelijkenissen, want het is de enige waar een personage een naam heeft, maar in elk geval een parabel die we letterlijk niet aankunnen. Men mag toch niet beweren dat bomen echt kunnen spreken omdat ze het wel kunnen in de gelijkenis uit Richt.9:7-15? Want ook in hades is er geen conversatie, dat zeggen andere teksten toch duidelijk. Het is een plaats zonder bewustzijn voor de doden. Een theoloog merkt op dat: “er slechts één schriftuurplaats overblijft, en dat is de belangrijkste over de betekenis van Hades nl. Lucas 16:19-31. Deze dertien verzen geven ons in de woorden van de Heer zelf het volledig verslag over de betekenis van dat woord (...) we mogen eerst en vooral leren dat het een plaats is van bewustzijn en communicatie (...) we worden ertoe aangezet (het vuur) figuurlijk te interpreteren, zodat het een beeld is van geestelijke en mentale pijnen (...) deze lichamelijke verwijzingen (ogen, stem en tong) zijn zeker te verstaan als een figuurlijke manier van uitdrukken om ons daarbij verstandelijk te helpen” O. Buswell, ‘A systematic Theology of the Christian Religion’, volume 2, Zondervan, 12de druk 1978, p.305, 3O6, 3O8. Met ander woorden volgens Buswell gaat het in de gelijkenis om figuurlijke zaken die gebruikt worden, maar we moeten wel het spreken letterlijk nemen. En juist dat kan niet worden onderbouwd door andere schriftuurplaatsen, indien het om het letterlijke dodenrijk gaat. Daarom ook een uitspraak uit de ‘Encyclopedie van het Protestantisme’: “Dubieus is echter de uitspraak in Luc. 16:23. Ook hier zou “dodenrijk” in de bovengenoemde zin kunnen worden opgevat; in dat geval wordt hier dan echter in de trant van Henoch 22 (een apocrief boek) binnen het dodenrijk scheiding gemaakt tussen de plaats van de rechtvaardigen en die der gestraften. Anderen menen echter dat het woord dodenrijk hier vrijwel equivalent is aan gehenna en dan niet de verblijfplaats der rechtvaardigen (Abraham’s schoot) omvat. Ook in de rabbijnse wereld valt vanaf de 2de eeuw de betekenis van sjeool samen met die van gehenna: beide duiden de strafplaats der zondaren aan” Red. C. Mönnich, Elsevier, 1959, p.305, 306. Ook in het ‘Encyclopedie van het Christendom, Katholiek deel’, Red. J. Groot, Elsevier, 1956, p.323 staat volgende opmerking in dit verband: “In Luc.16:23 is de schoot van Abraham door een onoverbrugbare afgrond gescheiden van het verblijf der verdoemden (Luc.23:43).” En wellicht tot vervelens toe: dat leert de Schrift niet. Wel dat verlosten en verdoemden samen zijn in het dodenrijk en gewoon naast elkaar liggen voordat de opstanding uit de doden plaats heeft. En daar heerst een ijzige stilte: er wordt niet gepraat, niet gezucht en nog minder gepreekt. Een uitleg Wat kan dan de betekenis ervan zijn, waarbij we trachten de geestelijke dingen in de gelijkenis met geestelijke dingen van het Koninkrijk Gods te vergelijken (1 Cor.2:13)? Persoonlijk zien we dit als volgt. De rijke man en zijn vijf broeders zijn een voorstelling van Israël. Zij zijn een koninklijk geslacht van priesters (Ex.19:5,6) gekleed in de weelde van Gods beloften (Rom.3:1,2 / 9:4,5). Het purper en fijn gewaad van zijn kleding wijzen naar de kledij van priesters en vorsten (Gen.41:42 / Ex.28:4,5 / Ezra 8:15). De arme Lazarus is de godvrezende man uit de heidenen. Hij krijgt niets van de tafel van de rijke dan alleen de kruimels (Jozua 2:14 / 1 Kon.10:3,13 / Dan.2:47 / Marc.7:25-30). De honden die zijn zweren likken zijn de heidense filosofieën, die de pijn toch iets verzachten maar de zweer niet genezen. In het verhaal van Jezus en de Kananese vrouw zijn honden het symbool voor de heidenen


LEVEN, Dood en opstanding_1999

214

= niet Joden (Marc.7:24-30). Honden hebben in de Schrift géén goede naam zoals blijkt uit Ps.22: 17,21 / Spr.26:11 / Mat.7:6. Een hond kwam in die dagen het huis niet binnen en werd alleen gehouden voor de jacht of als afschrikmiddel voor dieven. Ook de arme komt het huis niet binnen, men mag zich als rijke niet verontreinigen. Ze sterven beiden een symbolische dood. Een rijke man of een deel van Israël sterft symbolisch bij de verwerping van de Messias. De arme man, de godvrezende heiden, sterft ook wat betreft zijn arme toestand wanneer hij de Messias aanneemt. Dat men naar de hades gaat wil zeggen: dat men sterft in een vroegere situatie en dat men geestelijk tot omkeer komt. Hij gaat niet naar de hemel, dat zegt de tekst niet en zou trouwens verkeerd zijn, zelfs volgens deze die geloven in de onsterfelijke ziel. Ook aan Abraham is niet de belofte gegeven van de hemel maar wel van de vernieuwde aarde (Gen.12:5-7 / 13: 15 / Gal.3:19). Een symbolische dood van de rijke wil zeggen dat hoewel hij een verbond heeft met God geestelijk dood is voor God: dus een zondaar (Luc.9:60 / Col.2:13). Maar de arme wordt in plaats van een vreemde (Eph.2:11-13) tot een zoon Gods (Rom.8:12-17). Hij wordt een geestelijk kind van Abraham (Rom.4:11-17). Niet naar het vlees maar naar de geest. Abraham is de vader van vele natieën, zowel letterlijke als geestelijke volgens Gen.17:5 / 26:3-5. Abraham kan hier ook symbool staan voor God (Jes. 40:11) of Christus die de Eeuwige Vader is (Jes.9:5,6 / Joh.1:18) of simpelweg de belofte aan Abraham wat betreft het zaad (Gal.3:8,9,26-29). En de engelen Gods zullen zich daarover verheugen zoals ze altijd doen wanneer iemand zich tot God keert (Luc. 12:8,9). Ze dragen symbolisch de gelovige tot in Gods nabijheid. Vanaf de dood van de rijke man - vanaf zijn verwerping van Christus - is hij omgeven in een vlam van Antisemitisme. Hij vraagt God (en de Joodse gebedenboeken getuigen hiervan) om deze vlam te laten ophouden en lafenis zoals hij ziet bij de Christenen (Lazarus). De boodschap van de profeten uit Israël klinken als vuur in de oren van de toehoorders omdat ze hun zondige wandel niet willen opgeven (Jer.5:14 / 23:29). Zijn vragen is echter verkeerd. Hij vraagt verlichting van zijn pijnen in plaats van te zeggen: “Ik heb gezondigd” zoals de verloren zoon. Daarom blijft hij ook in zijn pijnen. De kloof die Lazarus en de rijke man scheidt is het geloof in de Messias (1 Cor.1:23,24 / Joh.5:46,47). In verband met het Joodse volk moet waarheid blijven wat de Heer enkele dagen voor zijn dood uitsprak. Zo lezen we in Mat.23:37-39: “Jerusalem, Jerusalem, dat de profeten doodt, en stenigt, wie tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb Ik Uw kinderen willen vergaderen, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert, en gij hebt niet gewild. Want Ik zeg u, gij zult Mij van nu aan niet meer zien, totdat gij zegt: Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren”! Wanneer Christus verworpen wordt is de straf van gehenna onomkeerbaar, ook voor de Jood (vers 33). Uitverkiezing als volk wil niet zeggen dat iedereen automatisch zal gered worden! Men ziet verder in de gelijkenis dat de rijke man vijf broeders heeft. Zijn dit de tien verloren stammen van Israël? Deze voorgesteld als de rijke man zou dan het tweestammenrijk afbeelden! Het gesprek tussen Abraham en Lazarus komt hierop neer dat alle Joden slechts door de Schrift (de wet en profeten) tot geloof kunnen komen. Wíj, de heidenen, kunnen wel “betuigen” van wat Christus heeft gedaan (SV en Luther) of Israël “waarschuwen” (NBG en Canisius), maar dat kunnen “de schriften” nog beter (Luc.16:28 / Rom.11:11,12). Want ook Christus heeft de Emmausgangers zijn lijden en opstanding verklaard aan de hand van “de Wet en de profeten” (Luc.24:27). Er moet ook gewezen worden op het feit dat beiden de rijke man en Lazarus na hun sterven in “hades” zijn. Dit is een passend woord. Want de Schrift geeft te kennen dat er in het dodenrijk de mogelijkheid tot opstanding is. Zo is het dodenrijk niet de eindtoestand van de rijke man want de Schrift spreekt nog over het mogelijke terugnemen van het Joodse volk als Gods volk (Rom.11:7,15,25-31). En dat was al voorspeld in de prachtige woorden van Ezechiël 37 waar deze geestelijke “opstanding” beschreven is. De dorre dode beenderen, het Israël dat God vergeten is, zullen opnieuw bekleed worden met vlees en zenuwen en door Gods Geest opnieuw leven inge-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

215

blazen worden. Of het beeld van Hosea 2 dat beschrijft hoe God Israël opnieuw als bruid aanneemt. Hun bekering zal als een “leven uit de doden” zijn volgens Rom.11:15. Ook een christen uit de heidenen is nog in “Hades”-toestand want zijn opstanding uit de doden tot heerlijkheid is nog toekomstig (Phil.3:21 / 1 Pet.1:4 / 2 Pet.1:4). Twee varianten Een variante hierop kan de volgende zijn: het gaat om armoede en rijkdom in letterlijke zin van het woord. De rijke broeders zijn de voorstelling van de Farizeeën die volgens de context van de gelijkenis “geldzuchtig” zijn (Luc.16:14). En toch zal hij ook niets kunnen meenemen van dat alles met zijn dood (1 Tim.6:17-19). De rijke man leefde “elke dag” in de luxe en vertier, terwijl de arme “elke dag” in armoede moest doorbrengen (vers 19). De arme man is de letterlijke arme uit de straat die niet kan genieten van het systeem van rijkdom vergaren zoals bedacht door de schriftgeleerden. Armen krijgen wat de honden krijgen, het afval van de tafel van de heer des huizes. De rijke misbruikt zijn machtspositie. Hierbij enkele uitspraken van de Heer over rijkdom. Tot de rijke dwaas zegt Hij: “Ziet toe, dat gij u wacht voor alle hebzucht, want ook als iemand overvloed heeft, behoort zijn leven niet tot zijn bezit” (Luc.12:15). In de gelijkenis van het zaad staat het volgende: “En die in de doornen bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort, en de verleiding van de rijkdom verstikt het Woord, en het wordt onvruchtbaar” (Mat.13:22 SV). De raad aan een rijke jongeling was: “Een ding ontbreekt u, ga heen, verkoop al wat gij hebt en geef het de armen, en gij zult een schat in den hemel hebben, en kom hier, volg mij (...) En zijn discipelen waren zeer verbaasd over zijn woorden” Marc.10:21,24. Zoiets is wel mogelijk bij Gods hulp! Zo kan de afgrond in de gelijkenis de onmogelijkheid voorstellen van bekering vanuit het standpunt van de mens. Voor de mens onmogelijk maar niet bij God. De rijke weze echter wel gewaarschuwd! Laten we echter niet krampachtig met rijkdom omgaan. Want er staat ook in Gods Woord: “Halleluja. Welzalig de man, die de HERE vreest, die van harte lust heeft in zijn geboden. Zijn nakroost zal machtig zijn op aarde, het geslacht der oprechten zal gezegend worden; overvloed en rijkdom zijn in zijn huis, zijn gerechtigheid houdt voor immer stand” (Ps.112:1-3). Over deze verklaring zegt ‘The New Jerome Biblical Commentary’, het belangrijkste ééndelig Bijbelcommentaar van Rooms Katholieke zijde: “Zullen de vijf broeders en lezers het voorbeeld volgen van de rijke man of acht slaan op de lering van Jezus en wat reeds in het OT stond en aandacht schenken aan armen zoals Lazarus, en op die wijze tonen dat ze kinderen van Abraham zijn?” Edit. R. Brown, J. Fitzmyer en R. Murphy, Prentice Hall, 1990, p.708. In gewijzigde vorm hierop een geestelijke uitleg. De geestelijke lafenis die de arme van de rijke tafel krijgt is klein. De Farizeeën houden de gewone man weg van de rijkdom van Gods woord. En zo loopt het volk er zonder herder bij (Mat.9:36). In het oordeel Gods zal die situatie omgekeerd worden en niet meer kunnen gewijzigd worden. De Farizeeën die de sleutels hebben gekregen van de kennis moeten ze thans gebruiken (Luc.11:52). Ze moeten hun rijkdom, die Gods rijkdom is en die ze slechts (en slecht) beheren in deze tussentijd, openen en aan de mensen uitdelen. Ze verhinderen de mensen toe te treden tot het Koninkrijk Gods (Mat.23:13). Uiteindelijk zal hun het Koninkrijk afgenomen worden en gegeven aan een volk dat er de vruchten van zal voortbrengen (Mat.21:43-45). Wat Israël najaagde, in de eerste plaats zijn geestelijke leiders, hebben ze niet verkregen (Rom.11:4-9). Want David zegt dat: “Hun tafel worde tot een strik en een net, en tot aanstoot en vergelding voor hen.” Paulus zet dat juist in de context van verkiezing en wie werkelijk een zoon van Abraham is. En ook wat voorafgaat in Luc.16:16-18, over echtscheiding, zou hier kunnen achter liggen. Ontrouwe priesters en valse profeten zijn schering en inslag in de ge-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

216

schiedenis van het volk Israël. Ze hebben hun verbond, dat een soort huwelijk voorstelt, tussen henzelf en hun God meerdere malen verbroken. Lees in die context de harde woorden van Christus in Mat.23 of de woorden van de profeet Ezechiel. En die veroordeling is de pijniging die ze ondergaan van de scheiding (de kloof) met God en de voorrechten eraan verbonden. Een van die teksten is Mat.21:32,33. Het zijn “de overpriesters en oudsten des volks” die aangesproken worden (vers 23). We lezen daar: “Jezus zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, de tollenaars en de hoeren gaan u voor in het Koninkrijk Gods. Want Johannes heeft u de weg der gerechtigheid gewezen en gij hebt hem niet geloofd. De tollenaars en de hoeren echter hebben hem geloofd, doch hoewel gij dat zaagt, hebt gij later geen berouw gekregen en in hem geloofd.” In deze uitleg zijn de rijke en de arme zonen uit hetzelfde gezin. Zoals in de gelijkenis van de verloren zoon (de zondige zoon) is de arme Lazarus = de jongste zoon en de rijke = de oudste zoon. De oudste kan en wil zijn rijkdom niet meer delen met de jongste en dat is een mentaal probleem. Zie naar Luc.15:11-32 in het licht van de parabel van de rijke en Lazarus. Of een sociaal conflict? B. Wielinga een hoogleraar aan de Tamilnadu Theological Seminary in India schreef recent een indringend artikel over de rijke man en de arme Lazarus. Zijn stelling is dat de parabel toen en thans een realistisch beeld oproept van een economische toestand. Over rijkdom, en uitbuiting in het evangelie van Lucas zegt hij het volgende: “Alleen Lucas zegt dat de hongerigen met goede dingen vervuld weggezonden worden maar dat de rijken ledig worden weggezonden (Luc.1:53). Ook hij heeft alleen een contrast tussen de zaligprediking “gezegend zijn de armen” en het “wee u gij rijken” (Luc.6:20,24). Dit onderstreept de waarschuwing van Jezus die we ook in andere evangelieën vinden dat het gemakkelijker is “dat een kameel door het oog ener naald (gaat), dan dat een rijke het Koninkrijk Gods binnengaat” (Luc.18:25). In zijn parabel geeft Lucas een uitgebreid beeld van de “rijke man” als een sociaal type. De rijke en zijn op de Mammon ingesteld wereldbeeld is beschreven als iemand met zinsbedrog in een zichtbare wereld van zinsbegoocheling. Men leeft met de illusie dat alles maar onophoudend blijft groeien zoals de rijke dwaas het zich voorstelt (Luc.12:16-20). Er is het zinsbedrog dat eeuwig leven kan overgeërfd worden, zoals rijkdom het is, en dat is de gedachte van de rijke heerser (Luc.18:18-30). Hier in deze parabel, de illusie dat men overal en ten allen tijd, het werk van een arbeidskracht zoals de arme Lazarus kan inzetten voor het comfort van de rijke, tot in Hades toe (Luc.16:24) (...) Lucas geeft aan dat de rijke als sociaal type, als een volk zonder naam, geen heil te verwachten heeft. Lucas gaat verder dan dit beeld en geeft te kennen dat ze als menselijke wezens slechts één weg op kunnen gaan; breken met hun klasse waartoe ze behoren en breken met de logica van de Mammon. In de gelijkenis van de verloren zoon is dit reeds aangegeven. Nadat hij zijn rijkdom verkwanseld had en berooid achterbleef, en nadacht over wat de wereld hem nog te bieden had zonder cash-geld, gaat hij op zoek naar een gemeenschap die met hem nog iets wil delen (Luc.15:11-32). Ook in de parabel van de rentmeester komen we in contact met zo een breuklijn. De rentmeester heeft met het beginsel van de rijke, waar geld moet vermeerderen, gebroken. Een rijke heeft in zijn logica de arme tegen zich in het harnas gejaagd, maar de rentmeester maakt zich vrienden door de kant van de armen te kiezen (Luc.16:1-9). Het verhaal van Zachéüs, is een hoogtepunt in dit verband (Luc.19:1-9). Hij stopt ermee een belastingontvanger met hebberigheid te zijn, geeft iedereen schadeloosstelling en deelt de rest met de armen. Op die wijze is redding aan zijn huis gekomen “want hij is een zoon van Abraham.”


LEVEN, Dood en opstanding_1999

217

Naklanken van dat alles vinden we ook hier. Want voor de rijke die gestorven is zonder bekering is het te laat. Zulke practische veranderingen moeten vóór de dood plaatsvinden. Voor de broeders van de rijke man, die nog allen in leven zijn is er die mogelijkheid nog. Alles heeft te maken met hun bereidheid te luisteren naar “Mozes en de profeten.” En Lucas herhaald deze toespeling tweemaal (verzen 29,31) zodat men van iets dat zo een grote strategische waarheid heeft niets zou missen.” ‘Reformed World’, volume 46, n°3 Sept. 1996, p.110, 111. Over de naam Lazarus Als laatste punt willen we nog iets zeggen over de naam “Lazarus.” Tertullianus, de kerkvader, schrijft dat gezien de arme bedelaar een naam draagt dit pleit voor de letterlijkheid van de geschiedenis (The Ante Nicene Fathers, volume 3, p.187 / De Animâ hoofdstuk 7). Maar dit hoeft absoluut niet. Zoals de meeste lezers wel weten hebben Joodse namen meer te betekenen dan enkele letters die zijn samengevoegd. Namen in de oudheid waren een omschrijving van een persoon; een bijnaam. Zo stamt de naam Lazarus van het Hebreeuwse “Elezer” wat wil zeggen “Godhelpt.” Door vervorming kreeg men dan Eleazar en verder Leazar waardoor Lazarus in onze taal. Zie o.a. ‘Commentary on St.Luke’ door F. Godet, volume 2, p.176 van de U.K. uitgave. Alle pogingen die ondernomen zijn om de Lazarus uit Johannes 11 te identificeren met deze uit de gelijkenis lopen spaak. De vriend van Jezus was namelijk zéér rijk en kan geen beeld zijn voor de figuur in de gelijkenis. Lazarus was namelijk begraven in een uitgehouwen graf zoals het een rijke past en heeft Jezus enkele malen als gast gehad (Joh.11:38 / Luc.10:38-42). Dat wijst erop dat hij een welgestelde figuur was. Laat ons nu even nadenken. Christus geeft aan de arme bedelaar de naam “God, helpt.” Waarom? Wel, omdat dit een passende beschrijving is van de hulpeloosheid van onze bedelaar. Hij is voor redding afhankelijk van God. Deze hulpeloosheid heeft de rijke man tijdens zijn leven niet. Na zijn sterven voelt hij zich zo miserabel dat hij zelfs de arme, maar nu geholpen Lazarus vraagt, zijn pijnen te verzachten (vers 24). De naam “Lazarus” zou dus wel zeer passend zijn voor de heidense natieën. Dat enkele kerkvaders ook nog een naam gevonden hebben voor de rijke man (Nevès of Divès) is een zaak waar we niet op ingaan. Zullen we iets aan het Woord van God toevoegen! Wil u weten wat Jehovah’s Getuigen denken over gelijkenissen, zoek dan niet naar dat woord in hun (reeds) twee Bijbelwoordenboeken. Zoek ook niet naar de term parabel, want ze noemen deze dingen “illustraties.” Ze hebben het Grieks “parabole” op die manier vertaald in hun Bijbels. Letterlijke vertaling zou moeten zijn “een naast elkaar.” Het gaat om een verhaal dat naast een gepredikt woord van de Heer staat om het de luisteraars iets duidelijker te maken. De NWV heeft “in alle gevallen een consequente weergave van parabole” (‘Inzicht in de Schrift’, deel 1, 1995, p.1128). Maar of u dat weet of niet zal u niet dichter tot God brengen en heeft trouwens geen enkel verband met ons heil. Gaat het om ziften van muggen?


LEVEN, Dood en opstanding_1999

218

Hoofdstuk 3.2. Een rijk man en een bedelaar, Lazarus genaamd Inleiding Een van de “probleemteksten” voor iemand zoals wij die geloven in de onbewuste toestand tussen dood en opstanding, is de opgetekende gelijkenis van een rijk man en een bedelaar in Lucas 16:19-31. Het zou goed zijn dit na te lezen in de Schrift zodanig dat men alle details goed in het hoofd zou hebben bij de navolgende bespreking. We citeren één schrijver, onder tientallen, die dit als een waar verhaal ziet en niet als parabel: “Een treffende illustratie vinden wij hiervan in de reeds eerder genoemde geschiedenis van de rijke man en Lazarus (Luc.16). Bedenk wel, dat dit verhaal, dat Jezus vertelde, geen gelijkenis is. De Schrift zegt niet dat het een gelijkenis is. Het is een ware geschiedenis, waarin één der personen zelfs met name genoemd wordt. De Heiland tilt hier een tip van de sluier op, dat de tijd van de eeuwigheid scheidt” Jb. Klein Haneveld, Het leven na de dood, 'Het Morgenrood' brochure n°12, z.j., blz.8, de onderlijning is van de schrijver zelf. We willen ons niet speciaal bezighouden met de uitleg van dit Bijbelgedeelte, alhoewel we er vier beschrijven, maar wel met een verscheidenheid aan redenen waarom deze woorden als een gelijkenis bezien moeten worden. En indien dit schriftgedeelte een parabel blijkt te zijn, dan mag men zich hierop niet verlaten als een belangrijk getuigenis in verband met de vraag: Wat is er na de dood? Doel van parabels Dat de Heer dikwijls in gelijkenissen sprak tot Zijn toehoorders daarvoor hebben we het getuigenis van de evangelieën. Zo zegt Mat.13:34: “Dit alles zeide Jezus in gelijkenissen tot de scharen en zonder gelijkenis zeide Hij niets tot hen”. Men zie ook o.a. Mat.13:18,24 / Luc.5:36 / 6:39 / 8:4 / 13:6 / 14:7 / 15:3 / 16:1,14 / 18:1,9 / 19:11 / 20:9,19. Maar waarom sprak Hij in parabels? Het antwoord van Hemzelf is: “Daarom spreek ik tot hen in gelijkenissen omdat zij ziende niet zien en horende niet horen of begrijpen” Mat.13:13 en vergelijk Joh.6:36. Die klacht dat Gods volk niet wil horen, luisteren en begrijpen is reeds de klacht uit Jes.6:9,10 en dan hoegenaamd niet nieuw. Van de andere kant is het toch zo dat Christus enkele gelijkenissen verklaard heeft aan zijn discipelen. Ook zij begrepen niet altijd de ware betekenis, daarom hun vraag: “verklaar ons de gelijkenis” Mat.13:51,52. Het gaat in het gebruik van gelijkenissen duidelijk om een vorm van onderwijs (Marc.4:2 / 12:35). Ze worden uitgesproken met het oog op de schriftgeleerden en de Farizeeën. Ze beseffen dat goed want men wil er Jezus zelfs voor grijpen en doen ophouden (Luc.15:3 / Luc.20:19 / Mat.21:45,46). Een gelijkenis is tot één persoon gericht in Lucas 14:15, echt privé-onderwijs. Sommige gelijkenisen waren alleen voor de discipelen bestemd (Mat.13:36-50 / Luc.21:41). Maar de meeste gelijkenissen zijn met het oog op de schare verteld (Marc.4:1,2). Een ander punt is dat men niet mag vergeten dat alle gelijkenissen en zelfs deze die Christus uitgesproken heeft bepaalde onwaarheden bevatten indien zij in de meest letterlijke zin opgevat wor-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

219

den. Want gelijkenissen gaan mank op één of méér punten. J. Hermann zegt hierover: “Dat een gelijkenis ook wel eens de poging om de vergelijking tot in de bijzonderheden uit te breiden helemaal niet verdraagt, omdat dit een verwrongen beeld zou geven, daarvan is de onrechtvaardige rentmeester, Luc. 16:1 vv., het duidelijke voorbeeld” 'Encyclopedie van het Oude en Nieuwe Testament', deel 1, Red. S. Dee en J. Schoneveld, Bosch & Keuning, z.j., p.209. Nemen we een ander voorbeeld. Zo zijn er die beweren dat bij de voleinding der wereld eerst de goddelozen gestraft worden en dat daarna Gods volk gezegend wordt. Men baseert zich dan op Mat.13:36-43. Volgens die woorden zullen goddelozen eerst in de vurige oven gaan en daarna zullen Gods kinderen stralen in heerlijkheid. Maar volgens een andere parabel, deze van het sleepnet, in Mat.13:47-50 kan men juist het omgekeerde bewijzen. Want de goede vissen worden éérst uitgezocht, dáárna de slechte weggeworpen. Waar we de lezer van willen overtuigen, is dat een gelijkenis géén basis mag zijn tot het dogmatisch onderbouwen van een leerstelling. Zo is het in de voorgaande parabels niet de bedoeling van Christus om een chronologische volgorde te geven van wat eerst zal geschieden bij Zijn komst en wàt daarna. Het gaat hier alleen maar over de “sunteleia”, het “tezamen tot een einde brengen” van de wereld, letterlijk “het tijdperk” want er staat in het Grieks “aioon” (Mat.13:40,49). Zo wil Christus duidelijk maken dat er bij Zijn komst zowel getrouwe volgelingen van Hem zullen zijn als vijanden. De gelijkenis van het verloren schaap is een prachtige gelijkenis die in betekenis geen moeilijkheden oplevert. Maar laat een echte herder zijn 99 schapen zo maar zonder verweer achter “in de wildernis” (Luc.15:5)? Want in wat Christus zegt over de Goede Herder in het evangelie naar Johannes hoofdstuk tien, beschermt hij zijn schapen voor rovers en wolven (verzen 4,5,9-12)! Of heeft de Heer juist de zaak zo beschreven om het verhaal nog scherper te stellen. Want dat mag men toch doen in een gelijkenis! Op eenzelfde wijze moeten we het gezegde bezien dat een kameel niet door het oog van een naald gaat. In de parabel van de Barmhartige Samaritaan gaat het niet om het tegenover elkaar stellen, op racistische wijze, van twee volkeren, maar om de vraag naar wie de ware naaste is van de ander. En toch is deze gelijkenis racistisch te interpreteren, maar dat mag men niet of we zeggen zaken die in Christus' onderwijs niet mogelijk zijn. Men mag niet beweren dat elk woord dat in de Schrift tot ons komt slechts één letterlijke uitleg heeft. Want er is nog zoiets als een allegorische uitleg, metaforische uitleg, een typologie, een verborgenheid of nog iets anders. Een zeer diepgaand artikel vinden we hierover in het Gereformeerde tijdschrift 'Beweging', 61st jaargang, n°3 september 1997, p.94. We citeren de schrijver F. Pathuis: “De belijdenis dat wij de Bijbel aanvaarden als Gods woord betekent, dat wij geloven dat God door middel van de Bijbel tot ons wil spreken. Dit impliceert logisch gezien een dubbele interpretatietaak. Allereerst dat wij de betekenis dienen vast te stellen van de Bijbeltekst, zoals die door de menselijke auteur geformuleerd is, de 'sensus literalis' (de letterlijke betekenis). Vervolgens dat wij de vraag stellen, wat God ons door middel van deze tekst wil openbaren. Mijns inziens zullen we deze twee vragen moeten blijven onderscheiden en de wijze waarop wij de antwoorden daarop vinden, niet met elkaar moeten identificeren, omdat anders het dynamisch karakter van Gods openbaring in het heden te weinig recht wordt gedaan. De 'sensus literalis' van de Bijbeltekst is niet automatisch ook datgene, wat God ons nu door middel van de Bijbel wil openbaren. Zelfs is het mogelijk, dat God ons nu iets wil openbaren, dat juist tegen de letterlijke betekenis van de Bijbeltekst ingaat”. Wanneer we dit beginsel aanvaarden dan zal dit zeker het geval zijn bij de studie van gelijkenissen. Zo is er ook niemand die het boek Openbaring volledig letterlijk gaat uitleggen, want dan heeft het geen enkele betekenis meer. Waarom is dit gedeelte dan een parabel?


LEVEN, Dood en opstanding_1999

220

Dat het opgetekende in Luc.16:19-31 een parabel is volgt uit de manier van spreken van Christus. Veronderstel dat de drie hoofdpersonen in dit Bijbelgedeelte drie echte personen zijn; dus de aartsvader Abraham, een rijke man en een bedelaar genaamd Lazarus. Zoiets aannemen brengt ons in tal van moeilijkheden. Want Abraham die honderden jaren vóór Mozes gestorven was geeft de raad om de geschriften van Mozes te leren en te geloven om zalig te worden. Maar hoe kon Abraham iets afweten van Mozes? Ten andere is het niet het geloof in Christus wat redding geeft? En is de wet van Mozes dan niet opgehouden (Gal.2:15-17)? Of moeten we de genade van God haar kracht ontnemen en opnieuw Mozes prediken (Gal.2:21)? En die wet is toch slechts aan de Joden gegeven, heidenen kunnen zeker niet verplicht worden deze te onderhouden (Col.2:14-17 / Gal.3:10-13 / 5:14). Ja, wáár heeft een letterlijke Abraham kennis van Mozes wanneer er toch duidelijk in de Schrift staat dat men in de “hades”, (het dodenrijk) géén kennis heeft (Ps.6:5 / 88:1012 / 115:17 / 146:4 / Pred. 9:6 / Job 14:21)? In het dodenrijk kon Abraham zijn kennis niet vermeerderen en iets afweten van wat er vierhonderd jaar na zijn overlijden door God aan Israël geopenbaard zou worden. Nog langer was de periode van wat de profeten voorzegd hadden. Indien dat alles de werkelijke basis zou zijn van redding dan kon Abraham daarvan niets afweten. En sinds de komst van de Heer en Zijn prediking is dit niet meer zo. Nu staat terug echt geloof op de voorgrond, een geloof zoals Abraham er zelf had gedemonstreerd (Rom.1:17 / 3:27-30 / Gal.3:14,29). Wij christenen leven niet meer onder de “wet en profeten”, dat moet voorop staan. Laat ons kijken naar die rijke man. Is het u niet op-gevallen bij het lezen van dit Bijbelgedeelte, dat over hem niet gezegd is dat hij een goddeloze was vóór zijn “dood?” Is het dan alleen omwille van zijn “rijk” zijn dat deze welgestelde burger naar een minder toebedeelde plaats zou gaan (naar een “pijnigende” hel) dan Lazarus? Het motief waarom de rijke naar een “vurige” hel zou gaan wordt door Christus niet eens genoemd. Of gaan alle “rijken” zo maar zonder meer naar een plaats van pijniging? We weten uit het N.T. dat er leerlingen waren van Jezus die zeer rijk waren. Maar die zijn toch niet automatisch verloren? In het O.T. is rijkdom in veel gevallen een zegen van God en tevens teken van zijn goedkeuring. Misbruik van zijn machtige positie wordt natuurlijk steeds afgekeurd. Het onderdrukken van de armen wordt door profeten aangeklaagd (Jes.10:1,2 / Jer. 2:34). Een gelovige Jood mag zijn naaste niet zonder zijn dagelijkse behoeften stellen (Spr.14:21 / Jes.58:7,8). En een gelovige in Christus heeft dezelfde opdracht (Rom.15:26 / Gal.2:10 / 1 Tim.6:17-19). Vergeten we niet dat sommige aartsvaders in termen van hun tijd “zéér rijk” waren; vb. Abraham (Gen.12:16 / 13:2) of Jakob (Gen. 30:43) en Job (Job 42:10-12). Wanneer Israël trouw zou zijn aan zijn verbond met God zou het grote zegeningen in aardse “rijkdom” ontvangen (Lev.26:3-10). Rijk zijn op zichzelf is dus géén zonde en géén schande en je wordt er niet om gestraft. En de arme bedelaar dan. We weten alléén dat hij arm is. Of hij een goed mens was of een goddeloze wordt niet gezegd. Maar alleen arm zijn is toch geen reden om naar de hemel te gaan of naar het paradijs? Want arm zijn is geen deugd. Deze arme bedelaar heeft geen schatten verzamelt hier op aarde, wel bij God (Luc.12:21 / 12:33). Dat is duidelijk uit wat er met de arme geschied, hoe we de parabel ook mogen uitleggen. Hij heeft Gods gunst verworven. Maar dat blijft toch nog altijd genade zowel in het O.T. als het N.T.. Dit alles zeide Jezus in gelijkenissen (Mat.13:34) Er zijn nog andere aanwijzingen dat we hier niet te maken hebben met reële feiten. Neem bijvoorbeeld de uitdrukking “een rijk man.” In het Bijbelgedeelte van Luc.16:1-9 waar óók sprake is van “een rijk man” gaat iedereen ermee akkoord dat het om een gelijkenis gaat. Nochtans begint de parabel van “een rijk man en een arme bedelaar” juist op diezelfde wijze en met diezelfde woorden. Waarom is dit verhaal dan geen gelijkenis? Het verhaal van de verloren zoon in Luc.15:11 zegt ook niet dat het om een gelijkenis gaat, maar iedereen neemt het aan als een para-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

221

bel. Er bestaat zelfs een geijkte uitleg voor deze gelijkenis wanneer men er de commentaren op naleest. We hebben de lijst van de voornaamste gelijkenissen eens nagegaan om te zien of er wel steeds gezegd wordt dat het om een parabel gaat. Dat blijkt bij méér dan een derde van de gevallen niet te zijn aangegeven. Het is trouwens reeds een moeilijkheid om te bepalen wat parabel is of spreekwoord. Zijn het er 30 of 60-plus? (In 'The study of parables' geeft A. Habershon, een lijst van 61 gelijkenissen op p.357-361, 5th edition Kregel, 1975). Hieronder een lijst (die ook niet volledig is) waar de uitdrukking “gelijkenis” niet is gebruikt bij de inleiding van dat Bijbelgedeelte: De schat in de akker: Mat.13:44. De parel: Mat.13:45,46. Het visnet: Mat.13:47-50. Het verloren schaap: géén parabel vlg. Mat.18:12-14, wel vlg. Luc.15:1-7, maar het gaat om twee gelijkaardige gelijkenissen die op een ander tijdstip zijn uitgesproken. De arbeiders in de wijngaard: Mat.20:1-16. De twee zonen: Mat.21:28-32. De onbeschaamde vriend: Luc.11:5-8. De verontschuldigingen: Luc.14:16-24. De twee slaven: Mat.24:45-51. Dit is een verkeerde benaming voor deze gelijkenis, het gaat om één slaaf die zowel zijn plicht kan doen als ze verzuimen. Het sleutelwoord is “die” = Grieks “ekeinos” in vers 48. De barmhartige Samaritaan: Luc.10:25-37. De verloren penning Luc.15:8-10. De verloren zoon: Luc.15:11-32. De onrechtvaardige rentmeester: Luc:16:1-9. De rijke en de arme Lazarus: Luc.16:19-31. De onnutte diensknechten: Luc.17:7-10. Het Koninkrijk der hemelen is “gelijk aan”: tien maagden, een verdeling van talenten of de scheiding tussen schapen en bokken in Mat.25. En de gewone lezer zonder enige Griekse kennis zou kunnen een verband leggen tussen de begrippen “gelijk aan” = “gelijkenis” maar dat kan alleen in onze Nederlandse taal. In de Griekse tekst is dit niet het geval: daar vinden we hier verwanten aan het begrip “omoioos” (gelijkend) en niet “parabole” (gelijkenis). Er is niemand die het gelijkeniskarakter van deze drie verhalen betwist. Het argument dat er in het verhaal van de rijke en de arme Lazarus geen woord staat als “gelijkenis” bewijst dus niets ten gunste van een waarachtige geschiedenis. De meer dan tien voorbeelden die we noemen geven dit te kennen. Er zijn in het Koninkrijk Gods ook mannen alhoewel de parabel van de 10 maagden slechts vrouwen noemt. De schapen en de bokken zijn dat niet echt, ze stellen de mensen voor die geoordeeld zullen worden. De talenten zijn geen echte talenten, maar genadegaven van God. Het gaat ook niet om een gave die iemand zou kunnen hebben buiten het gemeentewerk. Dat Hitler zijn mensen goed kon bepraten was géén gave Gods, géén talent ten dienste van de uitbreiding van het Koninkrijk. Laat ons de parabels toch niet misbruiken. Ze staan als gelijkenis neven een moreel of leerstellig punt bij de prediking van de Heer en steeds in verband met het Koninkrijk Gods. Meerdere malen zelfs met een lering over het einde (voleinding) van deze wereld. De onmogelijkheid van de letterlijke uitleg Het allerbelangrijkste in deze geschiedenis zouden de absurditeiten zijn indien we alles letterlijk verklaren. Zo staat er dat Lazarus naar de schoot van Abraham gebracht wordt. Is dit letterlijk of maar een spreekwijze? Indien het letterlijk is heeft men dan te maken met het feit of dan alle bede-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

222

laars naar de schoot van Abraham gaan? Het zal dan een drukbezette plaats zijn en ook begerenswaardig want het zal er goed zijn te vertoeven. Verder dan. De rijke man die in pijnen is, vraagt vader Abraham of hij de arme Lazarus zou willen zenden om hem de tong te verkoelen door water aan de top van zijn vinger. Maar is er letterlijk water in de hemel? Of in de hel? Of in het dodenrijk? En waarom vraagt de rijke man deze lafenis? Is Abraham iemand zoals een Rooms katholieke heilige tot wie men kan bidden om op geestelijk vlak geholpen te worden? Ja, waarom spreekt Abraham de rijke man zelfs aan als “kind?” De vader Abraham uit deze geschiedenis spreekt ook over “een onoverkomelijke kloof” (NBG), “geweldige afgrond” (Canisius) of “brede kloof” (Leidse vert. en Brouwer). Die is er tussen hemzelf (en Lazarus met hem) en de rijke man. Wat is die kloof? Is het letterlijk? Is er een echte kloof tussen de hemel en hel? Of in de hades zoals men ons wil doen geloven? Maar dan natuurlijk ook niet zo groot dat men elkander niet meer zou kunnen zien en spreken! Is het niet veel logischer aan een symbool te denken, zodanig dat de kloof een andere realiteit zou afbeelden? Maar dan zijn alle dingen uit deze gelijkenis symbolen van iets anders en niet als een werkelijkheid op te vatten! Voorstanders van een leer van de vurige hel hebben problemen met wat de schrift duidelijk leert over het dodenrijk. Want er staat dat zowel goeden als slechten in die plaats vertoeven. Beide groepen (indien we ze zo zouden noemen) slapen als het ware “zij aan zij” in die ene hades. Men zie bijvoorbeeld Deut.31:16 / 1 Kon.1:21 / 2:10 / 11:43 / Job 3:13,14 / 7:21 / 14:11,12 / 1 Cor.15:6,18,20 wat betreft de “goeden” of “gelovigen.” En wat betreft de “slechten” of “ongelovigen” zie 1 Kon. 14:20,31 / 16:6,28 / 22:40 / 1 Cor.11:30. Wat is nu juist “doodgaan” volgens de schrift? Niets meer of minder dan het ophouden van alle levensfuncties, zowel lichamelijke als geestelijke. Leven en dood zijn twee antipoden van elkaar (Job 3:11,13,16 / Ps.6:5 / Jes.38:18,19 / Hand. 3:24). Sterven is niet verder leven op een ander niveau. Sterven is een... niet leven en onbewust zijn. Dat er parallellen zijn tussen Lucas 16:19-31 en bepaalde opmerkingen van de Rabbijnen in de Talmoed kan men niet betwisten. Maar men zou dit met andere schriftuurplaatsen moeten kunnen vergelijken en dat is niet het geval. Trouwens één belangrijk element, de afgrond of grote kloof, vinden we niet terug in de hades van de Rabbijnen. En vergeten we niet dat de Heer de Farizeeën meerdere malen berispt omdat ze zich aan tradities houden méér dan aan het woord van God? En de relatie tussen de schrijvers van de Talmoed, althans het grootste deel ervan, en de Farizeeën is dat deze laatste de geestelijke vaders zijn van dit geschrift. Voor hun visie op hades zie o.a. F. Josephus 'Oudheden' XVIII/14. Is er dan géén verschil tussen het sterven van een mens en dat van een dier? Zeer zeker. De Bijbel maakt het duidelijk door te spreken over de opstanding van de mens, zowel bij de oude profeten als de christelijke schrijvers. Zie o.a. Ps.17:15 / Job 19:25-27 / Joh.6:39 / 11: 24-26 / Rom.4:17. En die opstanding “uit de doden” is juist de ware hoop en troost voor Gods volk (Hand.23:6 / 24:15 / 1 Cor.1:7,8 / 2 Cor.1:9,10 / 4:10,14 / Heb.11:35 / 1 Joh.3:2,3 / Opb.1:18). Maar in het dodenrijk zelf wordt geen onderscheid gemaakt tussen gelovigen en ongelovigen, tussen de goeden en de slechten. Indien Lucas 16:19-31 een letterlijke beschrijving is hoe hades er binnenin uitziet, zoals een landkaart, dan is deze tekst een uitzondering op alle andere teksten over hades (65/66 in het O.T. en 10/11 in het N.T.). Een plaats in compartimenten verdeeld! Men zou kunnen opmerken dat Ezech.32:21 ook zoiets bewijst, maar ook hier gaat het om een figuurlijke beschrijving van het dodenrijk. In de letterlijke hades voert men géén oorlogje. De Assyriërs (vers 22) en de Egyptenaren (vers 18) doen alles om zich groot te maken tegenover elkaar en tegenover God en zijn volk. Maar hun toestand is slechts te vergelijken met een dodenrijk. God zal de Heer van de geschiedenis blijken te zijn. Dergelijke machten, ook al zijn ze wereldmachten, kunnen niets tegen YaHWeH en Hij zal zijn volk beschermen. De waarschijnlijkheid van een letterlijke uitleg van Luc.16:19-31 is strijdig met de Bijbelse leer over de hades, maar ook met andere leerstellingen in de heilige schrift. Het zou ook een valse leer


LEVEN, Dood en opstanding_1999

223

prediken van redding. Want Lazarus zou gezegend worden alléén maar omdat hij arm is, honger heeft en honden zijn zweren laat likken! En de rijke zou vervloekt worden om zijn rijkdom! Hebben we het offer van de Christus niet meer nodig voor redding? Als tweede punt is de strikte uitleg in strijd met wat Abraham zegt tot de rijke man. Want onze Abraham in de gelijkenis zegt dat het uit de doden opstaan van iemand, geen reden zou zijn tot bekering. Het getuigenis van een opgestane dode zou geen waarde hebben en de vijf broeders ertoe aanzetten hun levenswijze te veranderen! Letterlijk gezien is dat een leugen want toen Jezus, de andere historische, Lazarus uit de doden opwekte kwamen sommigen tot geloof (Joh.11:45). Nadat het verhaal van zijn opstanding verspreid is geworden trekt een grote menigte naar de streek waar Lazarus woont om hem en Jezus te zien (Joh.12:9-11). En omdat er zoveel in de macht van Jezus geloofden na deze gebeurtenis hebben de schriftgeleerden alle kwaad bedacht om Hem te laten verdwijnen (Joh.11:53-57). En toen Dorcas door Petrus werd opgewekt uit de doden kwamen enkelen tot geloof (Hand.9:42). In feite berust gans ons christelijk geloof op de opstanding uit de doden van Jezus (1 Cor.15:12-15). En dat is wel de voornaamste reden waarom men in Christus mag geloven. Want God heeft Jezus opgewekt en dus op die wijze Zijn goedkeuring gegeven aan het leven, werk en lijden van de Man van Nazareth. Indien letterlijk opgevat dan vertelde Abraham een leugen. Wanneer men moeilijkheden heeft met wat de Heer predikt mag men ook afgaan op de werken die Hij doet, en die geloven als een teken van de Almachtige door Jezus bewerkt (Joh.14:11). Dat is echter geen garantie tot geloven, gezien velen die de werken van de Heer hebben gezien toch ongelovig gebleven zijn volgens Mat.11:21 of Joh.20:29. Nog een derde reden staat in verband met Abraham. Over hem is gezegd dat hij stierf en begraven werd. Bijbels staat er: “hij werd tot zijn volk vergaderd” (Gen.25:8-10). Tweeduizend jaar later zegt Christus over hem: “Abraham is dood” (Joh. 8:52). Nog jaren later zegt de schrijver aan de Hebreeën dat Abraham de beloften die God hem gaf nog niet ontvangen had (Heb.11:813). Hij moet tezamen met alle getrouwen uit de oudheid nog tot volmaaktheid komen (Heb.11:35,39,40). “Niet zonder ons” in deze tekst wil zeggen, niet zonder dat de gelovigen in Christus terzelfertijd gezegend worden, want dat zal allemaal op hetzelfde moment van de wederkomst van de Heer geschieden. In dit evangelie van Lucas lezen we aan het slot van een andere gelijkenis: “En gij zult zalig zijn, omdat zij niets hebben om u terug te betalen. Want het zal u terugbetaald worden bij de opstanding der rechtvaardigen” Luc.14:14. Ook voor Abraham is dit geschreven, hij is geen uitzondering op de regel, ook hij is een rechtvaardige en zelfs het prototype ervan. Daarom kon Jezus ook tot de Farizeeërs zeggen dat Abraham voor God leeft en niet dood is en vergeten (Mat.22:31,32). Ongelovige Joden zullen wanneer het Koninkrijk komt, waarin Ahraham en andere aartsvaders zitten, buitengeworpen worden. Deze vaderen van Israël zitten niet in een vurige hel ook niet in een beschermd compartiment ervan (Luc.13:28). De “Abraham” uit de gelijkenis is dus niet deze uit de oudheid. Het getuigenis van Christus en Paulus sluit dit uit. Dat de ware aartsvader Abraham in het werk van Lucas - zijn evangelie en het boek Handelingen - een belangrijke plaats inneemt is frappant. Zie Luc.1:72,73 / 3:7-11,34 / 13:16,28,29 / 19:9 / 20:37 / Hand.3:13,25 / 7:17,32 / 13:26 / 26:8 / 28:20. Hier zit waarschijnlijk de gedachte achter dat Abraham het prototype is van alle gelovigen zowel voor Joden als mensen uit de volkeren. Een tegenargument Voordat we dan onze eigen uitleg beschrijven, die niet speciaal de enige juiste moet zijn, willen we nog een argument bespreken dat ons door iemand is opgeworpen. Volgens deze persoon moet Luc.16:19-31 “letterlijk zijn” in die betekenis dat benevens de symbolische kant van een parabel, een gelijkenis op zichzelf toch altijd mogelijk is in werkelijke zin. Zo bijvoorbeeld de parabel van de verloren zoon kan letterlijk geschieden maar toch een voorstelling is van een andere diepere


LEVEN, Dood en opstanding_1999

224

waarheid. Het verloren schaap kan een letterlijk verhaal zijn met een diepere betekenis enz... Zo zouden Lazarus, de rijke man en Abraham met elkander letterlijk kunnen praten, zou er water in hades zijn en een grote kloof. Bewijzen hiervoor kan men niet geven dan dit ene. Men moet dan argumenten aannemen waarover de Bijbel niet spreekt maar wel o.a. de Talmoed. Dan heeft men aan de hand van een parabel een leerstelling gecreëerd over het leven dat volgt op de dood. Moet men niet het beginsel aannemen dat het getuigenis over iets slechts geldig is na het verhoor van twee of drie getuigen? Want buiten dit “verhaal” zijn er geen getuigen! Indien de parabels die Christus heeft uitgesproken letterlijk kunnen gebeuren, wat eigenlijk nog niet bewezen is, dan moet reeds uit de natuur van de geschiedenis van Lucas 16:19-31 van meet af gezegd worden dat dit dan een uitzondering moet zijn. Want in realiteit kan dit niet en zou het strijdig zijn met al het andere wat we weten over de toestand na de dood. Over die letterlijkheid van gelijkenissen zou één en ander te zeggen zijn. Neem eens de parabel van het korenveld in Mat.13. Is het nu de normale gang van zaken dat er 's nachts een vijand komt en tussen het goede zaad slecht zaad gaat zaaien (Mat.13:24,25)? We denken dat Prof. Tasker medewerker van 'The New bible dictionary' uitgegeven door de (evangelische) I.V.F. in 1962, het probleem van Luc.16 goed schetst. Hij zegt: “Wanneer de waarheid die moet geleerd worden iets is buiten de ondervinding van Zijn toehoorders (deze van Christus) dan wordt de gelijkenis niet alleen meer ingebeeld maar tevens zeer leerzaam in karakter zoals in het geval van de parabel van de rijke man en Lazarus” (p.933). Op p.935 noemt Prof. Fensham dit ook nog eens een parabel. Door J. Hermann wordt de gelijkenis gezet bij deze die betrekking hebben op “de natuur en de plicht van de mens”. De rijke man is de voorstelling van: “Verspilde mogelijkheden en hun verschrikkelijk einde”. De arme Lazarus stelt diegene voor: “Door mensen vergeten, genade bij God”. 'Encyclopedie van het Oude en Nieuwe Testament', Red. S. Dee en J. Schoneveld, deel 1, Bosch & Keuning, z.j., p. 210. Er is natuurlijk méér dan één achtergrond van de reden waarom deze gelijkenis, uit de honderden die de Heer zal uitgesproken hebben, tot ons is gekomen. Naar het slot toe komt aan de orde dat de rijken (beeld van de schriftgeleerden) het niet zo nauw nemen met “de wet en de profeten”. Want traditie komt bij hen meestal op de eerste plaats (Mat.15:1-9). En dat ongeloof klaagt de Heer meerdere malen aan als de grote fout in hun systeem. Zo zou men ook Lucas 16:16-18, de verzen die aan de parabel vooraf gaan, als inleiding kunnen zien van het verhaal van Lazarus en de rijke. “De wet en de profeten gaan tot Johannes” (vers 16). Echtscheiding op allerlei frivole gronden is als voorbeeld aangehaald van de wijze waarop men niet met de Thora van God mag omgaan (vers 18). De wet is hard bij overspel volgens Deut.22:22. Maar de Farizeeën hadden vele uitzonderingen bedacht, vooral voordelig voor de mannen. En dat was door de Heer al eens aangeklaagd in de rede op de berg (Mat.5:31,32). In die zin lezen we iets bij H. Wolff en G. Bornkamm: “de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus wijst op een fundamentele raadgeving. De rijke zou willen dat Lazarus uit het dodenrijk naar zijn broers gezonden werd. Hij zou ze bij het leven nog kunnen waarschuwen. Maar Abraham - hier opnieuw de beslissende instantie! - wijst deze mening af als fout. Want een boodschapper uit de onderwereld zou dan, meer aantrekkingskracht hebben dan het Schriftwoord: 'Indien zij naar Mozes en de profeten niet luisteren, zullen zij zich ook, indien iemand uit de doden opstaat, zich niet laten gezeggen' (Luc.16:31). De lezer van Lucas dient bij het belijden en navolgen van Jezus in zijn leven het Oude Testament als hoogste en afdoende autoriteit aan te nemen” 'Sleutel tot de Bijbel', Boekencentrum, 1984, p.14. Natuurlijk moet men toch het laatste relativeren. Wet en profeten wijzen naar de Christus. In deze zin belangrijk. Maar de wet en de profeten zijn niet meer geldig en zeker niet voor dezen die niet tot het Israël in het vlees behoren.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

225

Anders gezegd, Lucas 16:19-31, is wellicht een zeer speciale parabel. Misschien een uitzondering op gewone gelijkenissen, want het is de enige waar een personage een naam heeft, maar in elk geval een parabel die we letterlijk niet aankunnen. Men mag toch niet beweren dat bomen echt kunnen spreken omdat ze het wel kunnen in de gelijkenis uit Richt.9:7-15? Want ook in hades is er geen conversatie, dat zeggen andere teksten toch duidelijk. Het is een plaats zonder bewustzijn voor de doden. Een theoloog merkt op dat: “er slechts één schriftuurplaats overblijft, en dat is de belangrijkste over de betekenis van Hades nl. Lucas 16:19-31. Deze dertien verzen geven ons in de woorden van de Heer zelf het volledig verslag over de betekenis van dat woord... we mogen eerst en vooral leren dat het een plaats is van bewustzijn en communicatie... we worden ertoe aangezet (het vuur) figuurlijk te interpreteren, zodat het een beeld is van geestelijke en mentale pijnen... deze lichamelijke verwijzingen (ogen, stem en tong) zijn zeker te verstaan als een figuurlijke manier van uitdrukken om ons daarbij verstandelijk te helpen” O. Buswell, ’A systematic Theology of the Christian Religion’, volume 2, Zondervan, 12de druk 1978, p.305, 3O6, 3O8. Met ander woorden volgens Buswell gaat het in de gelijkenis om figuurlijke zaken die gebruikt worden, maar we moeten wel het spreken letterlijk nemen. En juist dat kan niet worden onderbouwd door andere schriftuurplaatsen, indien het om het letterlijke dodenrijk gaat. Daarom ook een uitspraak uit de 'Encyclopedie van het Protestantisme': “Dubieus is echter de uitspraak in Luc. 16:23. Ook hier zou “dodenrijk” in de bovengenoemde zin kunnen worden opgevat; in dat geval wordt hier dan echter in de trant van Henoch 22 (een apocrief boek) binnen het dodenrijk scheiding gemaakt tussen de plaats van de rechtvaardigen en die der gestraften. Anderen menen echter dat het woord dodenrijk hier vrijwel equivalent is aan gehenna en dan niet de verblijfplaats der rechtvaardigen (Abraham's schoot) omvat. Ook in de rabbijnse wereld valt vanaf de 2de eeuw de betekenis van sjeool samen met die van gehenna: beide duiden de strafplaats der zondaren aan” Red. C. Mönnich, Elsevier, 1959, p.305, 306. Ook in het 'Encyclopedie van het Christendom, Katholiek deel', Red. J. Groot, Elsevier, 1956, p.323 staat volgende opmerking in dit verband: “In Luc.16:23 is de schoot van Abraham door een onoverbrugbare afgrond gescheiden van het verblijf der verdoemden (Luc.23:43)”. En wellicht tot vervelens toe: dat leert de schrift niet. Wel dat verlosten en verdoemden samen zijn in het dodenrijk en gewoon naast elkaar liggen voordat de opstanding uit de doden plaats heeft. En daar heerst een ijzige stilte: er wordt niet gepraat, niet gezucht en nog minder gepreekt. Een uitleg Wat kan dan de betekenis ervan zijn, waarbij we trachten de geestelijke dingen in de gelijkenis met geestelijke dingen van het Koninkrijk Gods te vergelijken (1 Cor.2:13)? Persoonlijk zien we dit als volgt. De rijke man en zijn vijf broeders zijn een voorstelling van Israël. Zij zijn een koninklijk geslacht van priesters (Ex.19:5,6) gekleed in de weelde van Gods beloften (Rom.3:1,2 / 9:4,5). Het purper en fijn gewaad van zijn kleding wijzen naar de kledij van priesters en vorsten (Gen.41:42 / Ex.28:4,5 / Ezra 8:15). De arme Lazarus is de godvrezende man uit de heidenen. Hij krijgt niets van de tafel van de rijke dan alleen de kruimels (Jozua 2:14 / 1 Kon.10:3,13 / Dan.2:47 / Marc.7:25-30). De honden die zijn zweren likken zijn de heidense filosofieën, die de pijn toch iets verzachten maar de zweer niet genezen. In het verhaal van Jezus en de Kananese vrouw zijn honden het symbool voor de heidenen = niet Joden (Marc.7:24-30). Honden hebben in de Schrift géén goede naam zoals blijkt uit Ps.22: 17,21 / Spr.26:11 / Mat.7:6. Een hond kwam in die dagen het huis niet binnen en werd alleen gehouden voor de jacht of als afschrikmiddel voor dieven. Ook de arme komt het huis niet binnen, men mag zich als rijke niet verontreinigen.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

226

Ze sterven beiden een symbolische dood. Een rijke man of een deel van Israël sterft symbolisch bij de verwerping van de Messias. De arme man, de godvrezende heiden, sterft ook wat betreft zijn arme toestand wanneer hij de Messias aanneemt. Dat men naar de hades gaat wil zeggen: dat men sterft in een vroegere situatie en dat men geestelijk tot omkeer komt. Hij gaat niet naar de hemel, dat zegt de tekst niet en zou trouwens verkeerd zijn, zelfs volgens deze die geloven in de onsterfelijke ziel. Ook aan Abraham is niet de belofte gegeven van de hemel maar wel van de vernieuwde aarde (Gen.12:5-7 / 13: 15 / Gal.3:19). Een symbolische dood van de rijke wil zeggen dat alhoewel hij een verbond heeft met God geestelijk dood is voor God: dus een zondaar (Luc.9:60 / Col.2:13). Maar de arme wordt in plaats van een vreemde (Eph.2:11-13) tot een zoon Gods (Rom.8:12-17). Hij wordt een geestelijk kind van Abraham (Rom.4:11-17). Niet naar het vlees maar naar de geest. Abraham is de vader van vele natieën, zowel letterlijke als geestelijke volgens Gen.17:5 / 26:3-5. Abraham kan hier ook symbool staan voor God (Jes. 40:11) of Christus die de Eeuwige Vader is (Jes.9:5,6 / Joh.1:18) of simpelweg de belofte aan Abraham wat betreft het zaad (Gal.3:8,9,26-29). En de engelen Gods zullen zich daarover verheugen zoals ze altijd doen wanneer iemand zich tot God keert (Luc. 12:8,9). Ze dragen symbolisch de gelovige tot in Gods nabijheid. Vanaf de dood van de rijke man - vanaf zijn verwerping van Christus - is hij omgeven in een vlam van Antisemitisme. Hij vraagt God (en de Joodse gebedenboeken getuigen hiervan) om deze vlam te laten ophouden en lafenis zoals hij ziet bij de Christenen (Lazarus). De boodschap van de profeten uit Israël klinken als vuur in de oren van de toehoorders omdat ze hun zondige wandel niet willen opgeven (Jer.5:14 / 23:29). Zijn vragen is echter verkeerd. Hij vraagt verlichting van zijn pijnen in plaats van te zeggen: “Ik heb gezondigd” zoals de verloren zoon. Daarom blijft hij ook in zijn pijnen. De kloof die Lazarus en de rijke man scheidt is het geloof in de Messias (1 Cor.1:23,24 / Joh.5:46,47). In verband met het Joodse volk moet waarheid blijven wat de Heer enkele dagen voor zijn dood uitsprak. Zo lezen we in Mat.23:37-39: “Jerusalem, Jerusalem, dat de profeten doodt, en stenigt, wie tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb Ik Uw kinderen willen vergaderen, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert, en gij hebt niet gewild. Want Ik zeg u, gij zult Mij van nu aan niet meer zien, totdat gij zegt: Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren”! Wanneer Christus verworpen wordt is de straf van gehenna onomkeerbaar, ook voor de Jood (vers 33). Uitverkiezing als volk wil niet zeggen dat iedereen automatisch zal gered worden! Men ziet verder in de gelijkenis dat de rijke man vijf broeders heeft. Zijn dit de tien verloren stammen van Israël? Deze voorgesteld als de rijke man zou dan het tweestammenrijk afbeelden! Het gesprek tussen Abraham en Lazarus komt hierop neer dat alle Joden slechts door de schrift (de wet en profeten) tot geloof kunnen komen. Wíj heidenen kunnen wel “betuigen” van wat Christus heeft gedaan (SV en Luther) of Israël “waarschuwen” (NBG en Canisius), maar dat kunnen “de schriften” nog beter (Luc.16:28 / Rom.11:11,12). Want ook Christus heeft de Emmaüsgangers zijn lijden en opstanding verklaard aan de hand van “de Wet en de profeten” (Luc.24:27). Er moet ook gewezen worden op het feit dat beiden de rijke man en Lazarus na hun sterven in “hades” zijn. Dit is een passend woord. Want de schrift geeft te kennen dat er in het dodenrijk de mogelijkheid tot opstanding is. Zo is het dodenrijk niet de eindtoestand van de rijke man want de schrift spreekt nog over het mogelijke terugnemen van het Joodse volk als Gods volk (Rom.11:7,15,25-31). En dat was al voorspeld in de prachtige woorden van Ezechiël 37 waar deze geestelijke “opstanding” beschreven is. De dorre dode beenderen, het Israël dat God vergeten is, zullen opnieuw bekleed worden met vlees en zenuwen en door Gods Geest opnieuw leven ingeblazen worden. Of het beeld van Hosea 2 dat beschrijft hoe God Israël opnieuw als bruid aanneemt. Hun bekering zal als een “leven uit de doden” zijn volgens Rom.11:15. Ook een christen uit de heidenen is nog in “Hades”-toestand want zijn opstanding uit de doden tot heerlijkheid is nog toekomstig (Phil.3:21 / 1 Pet.1:4 / 2 Pet.1:4).


LEVEN, Dood en opstanding_1999

227

Twee varianten Een variante hierop kan de volgende zijn: het gaat om armoede en rijkdom in letterlijke zin van het woord. De rijke broeders zijn de voorstelling van de Farizeeën die volgens de context van de gelijkenis “geldzuchtig” zijn (Luc.16:14). En toch zal hij ook niets kunnen meenemen van dat alles met zijn dood (1 Tim.6:17-19). De rijke man leefde “elke dag” in de luxe en vertier, terwijl de arme “elke dag” in armoede moest doorbrengen (vers 19). De arme man is de letterlijk arme uit de straat die niet kan genieten van het systeem van rijkdom vergaren zoals bedacht door de schriftgeleerden. Armen krijgen wat de honden krijgen, het afval van de tafel van de heer des huizes. De rijke misbruikt zijn machtspositie. Hierbij enkele uitspraken van de Heer over rijkdom. Tot de rijke dwaas zegt Hij: “Ziet toe, dat gij u wacht voor alle hebzucht, want ook als iemand overvloed heeft, behoort zijn leven niet tot zijn bezit” (Luc.12:15). In de gelijkenis van het zaad staat het volgende: “En die in de doornen bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort, en de verleiding van de rijkdom verstikt het Woord, en het wordt onvruchtbaar” (Mat.13:22 SV). De raad aan een rijke jongeling was: “Een ding ontbreekt u, ga heen, verkoop al wat gij hebt en geef het de armen, en gij zult een schat in den hemel hebben, en kom hier, volg mij... En zijn discipelen waren zeer verbaasd over zijn woorden” Marc.10:21,24. Zoiets is wel mogelijk bij Gods hulp! Zo kan de afgrond in de gelijkenis de onmogelijkheid voorstellen van bekering vanuit het standpunt van de mens. Voor de mens onmogelijk maar niet bij God. De rijke weze echter wel gewaarschuwd! Laten we echter niet krampachtig met rijkdom omgaan. Want er staat ook in Gods Woord: “Halleluja. Welzalig de man, die de HERE vreest, die van harte lust heeft in zijn geboden. Zijn nakroost zal machtig zijn op aarde, het geslacht der oprechten zal gezegend worden; overvloed en rijkdom zijn in zijn huis, zijn gerechtigheid houdt voor immer stand” (Ps.112:1-3). Over deze verklaring zegt ’The New Jerome Biblical Commen-tary’, het belangrijkste ééndelig Bijbelcommentaar van Rooms Katholieke zijde: “Zullen de vijf broeders en lezers het voorbeeld volgen van de rijke man of acht slaan op de lering van Jezus en wat reeds in het O.T. stond en aandacht schenken aan armen zoals Lazarus, en op die wijze tonen dat ze kinderen van Abraham zijn?” Edit. R. Brown, J. Fitzmyer en R. Murphy, Prentice Hall, 1990, p.708. In gewijzigde vorm hierop een geestelijke uitleg. De geestelijke lafenis die de arme van de rijke tafel krijgt is klein. De Farizeeën houden de gewone man weg van de rijkdom van Gods woord. En zo loopt het volk er zonder herder bij (Mat.9:36). In het oordeel Gods zal die situatie omgekeerd worden en niet meer kunnen gewijzigd worden. De Farizeeën die de sleutels hebben gekregen van de kennis moeten ze thans gebruiken (Luc.11:52). Ze moeten hun rijkdom, die Gods rijkdom is en die ze slechts (en slecht) beheren in deze tussentijd, openen en aan de mensen uitdelen. Ze verhinderen de mensen toe te treden tot het Koninkrijk Gods (Mat.23:13). Uiteindelijk zal hun het Koninkrijk afgenomen worden en gegeven aan een volk dat er de vruchten van zal voortbrengen (Mat.21:43-45). Hetgeen Israël najaagde, in de eerste plaats zijn geestelijke leiders, hebben ze niet verkregen (Rom.11:4-9). Want David zegt dat: “Hun tafel worde tot een strik en een net, en tot aanstoot en vergelding voor hen”. Paulus zet dat juist in de context van verkiezing en wie werkelijk een zoon van Abraham is. En ook wat voorafgaat in Luc.16:16-18, over echtscheiding, zou hier kunnen achter liggen. Ontrouwe priesters en valse profeten zijn schering en inslag in de geschiedenis van het volk Israël. Ze hebben hun verbond, dat een soort huwelijk voorstelt, tussen henzelf en hun God meerdere malen verbroken. Lees in die context de harde woorden van Christus in Mat.23 of de woorden van de profeet Ezechiel. En die veroordeling is de pijniging die ze ondergaan van de scheiding (de kloof) met God en de voorrechten eraan verbonden. Een van die teksten is Mat.21:32,33. Het zijn “de overpriesters en oudsten des volks” die aangesproken worden (vers 23). We lezen daar: “Jezus zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, de tollenaars en de hoeren


LEVEN, Dood en opstanding_1999

228

gaan u voor in het Koninkrijk Gods. Want Johannes heeft u de weg der gerechtigheid gewezen en gij hebt hem niet geloofd. De tollenaars en de hoeren echter hebben hem geloofd, doch hoewel gij dat zaagt, hebt gij later geen berouw gekregen en in hem geloofd”. In deze uitleg zijn de rijke en de arme zonen uit hetzelfde gezin. Zoals in de gelijkenis van de verloren zoon (de zondige zoon) is de arme Lazarus = de jongste zoon en de rijke = de oudste zoon. De oudste kan en wil zijn rijkdom niet meer delen met de jongste en dat is een mentaal probleem. Zie naar Luc.15:11-32 in het licht van de parabel van de rijke en Lazarus. Of een sociaal conflict? B. Wielinga een hoogleraar aan de Tamilnadu Theological Seminary in India schreef recent een indringend artikel over de rijke man en de arme Lazarus. Zijn stelling is dat de parabel toen en thans een realistisch beeld oproept van een economische toestand. Over rijkdom, en uitbuiting in het evangelie van Lucas zegt hij het volgende: “Alleen Lucas zegt dat de hongerigen met goede dingen vervuld weggezonden worden maar dat de rijken ledig worden weggezonden (Luc.1:53). Ook hij heeft alleen een contrast tussen de zaligprediking “gezegend zijn de armen” en het “wee u gij rijken” (Luc.6:20,24). Dit onderstreept de waarschuwing van Jezus die we ook in andere evangelieën vinden dat het gemakkelijker is “dat een kameel door het oog ener naald (gaat), dan dat een rijke het Koninkrijk Gods binnengaat” (Luc.18:25). In zijn parabel geeft Lucas een uitgebreid beeld van de “rijke man” als een sociaal type. De rijke en zijn op de Mammon ingesteld wereldbeeld is beschreven als iemand met zinsbedrog in een zichtbare wereld van zinsbegoocheling. Men leeft met de illusie dat alles maar onophoudend blijft groeien zoals de rijke dwaas het zich voorstelt (Luc.12:16-20). Er is het zinsbedrog dat eeuwig leven kan overgeërfd worden, zoals rijkdom het is, en dat is de gedachte van de rijke heerser (Luc.18:18-30). Hier in deze parabel, de illusie dat men overal en ten allen tijd, het werk van een arbeidskracht zoals de arme Lazarus kan inzetten voor het comfort van de rijke, tot in Hades toe (Luc.16:24)... Lucas geeft aan dat de rijke als sociaal type, als een volk zonder naam, geen heil te verwachten heeft. Lucas gaat verder dan dit beeld en geeft te kennen dat ze als menselijke wezens slechts één weg op kunnen gaan; breken met hun klasse waartoe ze behoren en breken met de logica van de Mammon. In de gelijkenis van de verloren zoon is dit reeds aangegeven. Nadat hij zijn rijkdom verkwanseld had en berooid achterbleef, en nadacht over wat de wereld hem nog te bieden had zonder cash-geld, gaat hij op zoek naar een gemeenschap die met hem nog iets wil delen (Luc.15:11-32). Ook in de parabel van de rentmeester komen we in contact met zo een breuklijn. De rentmeester heeft met het beginsel van de rijke, waar geld moet vermeerderen, gebroken. Een rijke heeft in zijn logica de arme tegen zich in het harnas gejaagd, maar de rentmeester maakt zich vrienden door de kant van de armen te kiezen (Luc.16:1-9). Het verhaal van Zachéüs, is een hoogtepunt in dit verband (Luc.19:1-9). Hij stopt ermee een belastingontvanger met hebberigheid te zijn, geeft iedereen schadeloosstelling en deelt de rest met de armen. Op die wijze is redding aan zijn huis gekomen “want hij is een zoon van Abraham”. Naklanken van dat alles vinden we ook hier. Want voor de rijke die gestorven is zonder bekering is het te laat. Zulke practische veranderingen moeten vóór de dood plaatsvinden. Voor de broeders van de rijke man, die nog allen in leven zijn is er die mogelijkheid nog. Alles heeft te maken met hun bereidheid te luisteren naar “Mozes en de profeten”. En Lucas herhaald deze toespeling tweemaal (verzen 29,31) zodat men van iets dat zo een grote strategische waarheid heeft niets zou missen”. 'Reformed World', volume 46, n°3 Sept. 1996, p.110, 111.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

229

Over de naam Lazarus Als laatste punt willen we nog iets zeggen over de naam “Lazarus.” Tertullianus, de kerkvader, schrijft dat gezien de arme bedelaar een naam draagt dit pleit voor de letterlijkheid van de geschiedenis (The Ante Nicene Fathers, volume 3, p.187 / De Animâ hoofdstuk 7). Maar dit hoeft absoluut niet. Zoals de meeste lezers wel weten hebben Joodse namen meer te betekenen dan enkele letters die zijn samengevoegd. Namen in de oudheid waren een omschrijving van een persoon; een bijnaam. Zo stamt de naam Lazarus van het Hebreeuwse “Elezer” wat wil zeggen “Godhelpt.” Door vervorming kreeg men dan Eleazar en verder Leazar waardoor Lazarus in onze taal. Zie o.a. 'Commentary on St.Luke' door F. Godet, volume 2, p.176 van de U.K. uitgave. Alle pogingen die ondernomen zijn om de Lazarus uit Johannes 11 te identificeren met deze uit de gelijkenis lopen spaak. De vriend van Jezus was namelijk zéér rijk en kan geen beeld zijn voor de figuur in de gelijkenis. Lazarus was namelijk begraven in een uitgehouwen graf zoals het een rijke past en heeft Jezus enkele malen als gast gehad (Joh.11:38 / Luc.10:38-42). Dat wijst erop dat hij een welgestelde figuur was. Laat ons nu even nadenken. Christus geeft aan de arme bedelaar de naam “God, helpt.” Waarom? Wel, omdat dit een passende beschrijving is van de hulpeloosheid van onze bedelaar. Hij is voor redding afhankelijk van God. Deze hulpeloosheid heeft de rijke man tijdens zijn leven niet. Na zijn sterven voelt hij zich zo miserabel dat hij zelfs de arme, maar nu geholpen Lazarus vraagt, zijn pijnen te verzachten (vers 24). De naam “Lazarus” zou dus wel zeer passend zijn voor de heidense natieën. Dat enkele kerkvaders ook nog een naam gevonden hebben voor de rijke man (Nevès of Divès) is een zaak waar we niet op ingaan. Zullen we iets aan het Woord van God toevoegen! Wil u weten wat Jehovah's Getuigen denken over gelijkenissen, zoek dan niet naar dat woord in hun (reeds) twee Bijbelwoordenboeken. Zoek ook niet naar de term parabel, want ze noemen deze dingen “illustraties”. Ze hebben het Grieks “parabole” op die manier vertaald in hun Bijbels. Letterlijke vertaling zou moeten zijn “een naast elkaar”. Het gaat om een verhaal dat naast een gepredikt woord van de Heer staat om het de luisteraars iets duidelijker te maken. De NWV heeft “in alle gevallen een consequente weergave van parabole” ('Inzicht in de Schrift', deel 1, 1995, p.1128). Maar of u dat weet of niet zal u niet dichter tot God brengen en heeft trouwens geen enkel verband met ons heil. Gaat het om ziften van muggen?


LEVEN, Dood en opstanding_1999

230

Hoofdstuk 3:3. De moeilijke teksten

Vanaf het moment dat een volk, hier Israël bij de berg Sinaï, met God een verbond aangaat zijn er verantwoordelijkheden die om de hoek kijken. Ook de gemeente van Christus, het nieuwe volk van God, leeft naar wat Jezus als wetgever zijn kerk heeft opgedragen. Het oordeel over dezen is anders dan het oordeel van wie niet in een godsverbond is opgenomen. Na bespreking van enkele moeilijke teksten zal al veel duidelijk zijn. Inleiding In dit laatste deel van het laatste hoofdstuk komen een reeks teksten aan bod die te maken hebben met zaken als dood, leven, opstanding enz (...), doch buiten het globale beeld vallen van wat we reeds geschreven hebben. Bijvoorbeeld: bewijst het verhaal van de heks van Endor niet een bewust overleven van koning Saul na zijn dood? Of: is reïncarnatie een Bijbelse en christelijke leer of juist niet? En die teksten bespreken we in de volgorde zoals ze voorkomen in de Bijbel. Gen.5:24. Henoch (...) hij was niet meer, God had hem opgenomen.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

231

Toen Henoch 365 jaar was werd hij door God “opgenomen.” Gezien er slechts 3 teksten over Henoch zijn IN DE SCHRIFT zetten we die neven elkaar. Gen.5:22-24: “En Henoch wandelde met God, nadat hij Metuselach verwekt had, driehonderd jaar, en hij verwekte zonen en dochteren. Zo waren al de dagen van Henoch driehonderd vijfenzestig jaar. En Henoch wandelde met God, en hij was niet meer, want God had hem opgenomen.” Heb.11:5: “Door het geloof is Henoch weggenomen zodat hij de dood niet zag, en hij werd niet meer gevonden, want God had hem weggenomen.” Judas 14,15: “Ook voor hen heeft Henoch, de zevende van Adam af, geprofeteerd, zeggende: Zie, de Here is gekomen met zijn heilige tienduizenden, om over allen de vierschaar te spannen en alle goddelozen te straffen voor al hun goddeloze werken, die zij goddeloos bedreven hebben, en voor al de harde taal, die de goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben.” Henoch samen met Abel en Noach zijn de enigen uit de tijd vóór de vloed van wie de schrijver aan de Hebreeën zegt dat ze tot de wolk van geloofsgetuigen behoren. Henoch is profeet in het zevende geslacht na Adam. Zijn voorspelling is dat de Heer komt met al Zijn engelen om het oordeel te vellen over alle afvalligen. Over de afvalligen wordt driemaal gezegd in dat korte epistel van Judas dat afvalligen “asebeis” zijn (verzen 4,15,18). Iets over dat woord. Zij die zich hieraan schuldig maken “vertreden met de voeten wat heilig is.” Synoniemen in de Griekse Septuaginta staan bij Spr.4:17 / Pred.8:8 / Ezech.16:57 / 21:24. Het typeert de tijd waarin Henoch zijn prediking moest brengen. Er was totale afval waarbij er onder de mensen geen vrees voor God meer was. Want zo moeten we Gen.4:26 toch interpreteren. Niet in positieve zin het aanroepen van God, maar negatief. De Joodse Targoem, hoewel een parafrase van het OT, zegt “ze maakten zich afgoden en noemden deze naar de Naam van het Woord des Heren.” Want indien deze aanbidding over ware aanbidding zou gaan dan zou er geen nakend oordeel gepredikt moeten worden! Henoch predikt het godsoordeel. Hij wandelt met God en wordt “opgenomen” (Canisius) of “weggenomen” (SV / Luther / Leidse Vert. / Brouwer / NBG). Teksten voor de eerste vertaling dat hij is “opgenomen” zijn in de minderheid. De vraag is: waar naartoe? Waarop meestal volgt: naar de hemel! Maar wanneer dit zo is waarom zegt Jezus: “En niemand is opgevaren naar de hemel, dan die uit de hemel nedergedaald is, de Zoon des mensen.” Waarom besluit Heb.11:39 de rij van geloofsgetuigen waaronder Henoch met te zeggen: “Ook deze allen, hoewel door het geloof een getuigenis aan hen gegeven is, hebben het beloofde niet verkregen.” Vergeet deze schrijver wat hij van Henoch gezegd heeft in vers 5? Of zijn wíj het soms die dat “opgenomen” zijn op een wijze uitleggen die geen recht doet aan de andere schriftuurplaatsen! We kiezen voor het laatste. Henoch is niet opgenomen naar de hemel waar God woont maar wacht zoals alle andere gelovigen op de dag van de opstanding om de volheid van het heil te ontvangen (Joh.5:28,29). De gedachte uit de apocriefen dat Henoch nog terugkeert vóórdat de Messias zich zal openbaren is niet Bijbels te ondersteunen (Hen.90:31 / IV Esdr. 6:26). De identificatie van deze profeet met één van de getuigen uit Opb.11:3 is eveneens te ver gezocht. De appendix 21 uit de Bijbel van Bullinger geeft enkele goede aantekeningen bij deze tekst. Wanneer we zeggen dat Henoch nu reeds in Gods hemel is gezien God hem heeft “opgenomen” moeten we ook nog een andere leer aannemen, namelijk dat alle gelovigen reeds bij God zijn. Waarom? Hetzefde werkwoord in het Hebreeuws wordt ook gebruikt door de Psalmist in Ps.49:16. Daar staat: “Maar God zal mijn leven verlossen uit de macht van het dodenrijk want Hij zal mij opnemen.” En daar staat ook: “Maar ik zal in gerechtigheid uw aangezicht aanschouwen,


LEVEN, Dood en opstanding_1999

232

en bij het ontwaken mij verzadigen met uw beeld” (Ps.17:15). Maar een aanschouwen van God onmiddellijk na de dood leert de Schrift niet volgens andere teksten. En nog enkele aantekeningen bij Ps.49:16 (opgepast in sommige Bijbels vers 15), zoals hierboven aangehaald. In de KJV staat voor vers 15, “receive me.” Maar voor vers 17 dat hetzelfde Hebreeuwse woord is hebben we “carry away.” Ter illustratie van datzelfde Hebreeuws woord enkele voorbeelden uit de NBG. Ps 49:16 en Ps.50:9 is vertaald met “neem”, in Ps.73:24 is het vertaald als “opnemen”, in Ps.78:70 als “nam hem weg.” En dat laatste is frappant, God neemt de toekomstige koning David “weg van de schaapskooien.” Dat is hetzelfde woord als in verband met Henoch gebruikt wordt. Maar David is niet ten hemel gestegen. Waarom Henoch dan? Daarom is de vertaling van Ps.49:16 in de Willibrordvertaling als “hij haalt mij terug” even correct als de NBG. 1 Samuël 28:15. Daarna sprak Samuël tot Saul. Laten we beginnen met een aanhaling uit de ‘Willibrordvertaling’ van 1995, voetnota n°7 bij deze Bijbeltekst: “Deze episode is het enige geval van dodenoproeping dat in het OT verhaald wordt. Latere teksten gaan ervan uit dat de dodenoproepingen zwendel waren; daarom vertalen ze op alle plaatsen waar van de schim van een dode gesproken wordt, het betreffende woord met buikspreken” (wij onderstrepen). Dat wil zeggen dat deze tekst uit eigen zeggingskracht moet aangeven of men met de mensen na hun overlijden al dan niet kan praten. Er zijn géén andere teksten in dit verband, ook niet in het NT. Men zal die tekst dan niet gebruiken of misbruiken om iets te bewijzen dat duidelijke schriftuurplaatsen totaal anders leren. Vanuit dit Bijbelgedeelte redeneren “spiritisten” (of spiritualisten) dat er leven is na de dood en dat het mogelijk is contact op te nemen met de overledenen. Wanneer dit contact lukt kan men ze ook alles vragen over verleden, heden en toekomst. Natuurlijk is er leven na de dood. Maar deze vorm van omgaan met de doden krijgt nergens een goedkeurend woord in de Schrift. Dan zijn we nog veel te mals in onze beschouwing er over: het is categoriek verboden met de doden om te gaan, het is een gruwel in Gods ogen. Uit een boek dat voor ons zeker enkele Bijbelse problemen kan oplossen citeren we het volgende: “De verschijning aan haar (het medium) van Samuël verraste haar en verschrikt schreeuwt ze het uit. God had Samuël onverwachts opgewekt om haar en Saul terecht te wijzen. Ik denk niet dat zij bij machte was om Saul op te wekken (...) want ik denk dat niemand een dode kan opwekken.” Uit D. Lipscomb en E. Sewell ‘Questions answered’, Gospel Advocate Co., Reprint 1969, p.215. We geloven niet dat deze uitleg de juiste is. Samuël kan niet zomaar met Gods goedkeuring “onverwachts opgewekt” worden. Aan het eind van zijn leven grijpt koning Saul naar een macht die hij zelf eerder heeft verbannen; waarzeggerij. Het merendeel van hen waren verbannen, maar in zijn hart was waarzeggerij nog niet uitgebannen. In wezen is dit een samenvatting van de manier waarop hij zijn koninklijk ambt heeft uitgeoefend, steeds handelen naar eigen behoefte en belang. Met deze tegenstelling worstelt Saul wanneer hij in Endor zogenaamd wordt geconfronteerd met een overleden profeet. Zelfs met een beroep op YaHWeH kun je de doden niet raadplegen. Dat zou Saul moeten geweten hebben, maar hij heeft geen hout meer om pijlen van te maken. De wet in Deuteronomium is duidelijk: het raadplegen van doden levert niets op dan ontrouw aan Gods verbond. Deuteronomium 18:10,11 leert dit: “geen bezweerder, niemand, die de geest van een dode of een waarzeggende geest ondervraagt of die de doden raadpleegt. Want ieder die deze dingen doet, is de HERE een gruwel, en ter wille van deze gruwelen drijft de HERE, uw God, hen voor u weg.” Een Jood gaat niet naar “de waarzegger”; niet naar Madame Soleil of een orakel om een vat op de toekomst


LEVEN, Dood en opstanding_1999

233

te krijgen. Lees ook: Lev.19:26b / Lev.20:6. Samuël kan niet zomaar met Gods goedkeuring “onverwachts opgewekt” worden. Dodenoproeping, de wetenschappelijke naam is necromantie, was door de Wet van Mozes verboden. Lev.19:31 SV77: “Gij zult u niet keren tot de waarzeggers, en tot de duivelskunstenaars; zoekt hen niet, u met hen verontreinigende; Ik ben de HEERE, uw God!” Wie het beoefende moest uitgedelgd worden. Lev.20:6 SV77: “Wanneer er een ziel is, die zich tot de waarzeggers en tot de duivelskunstenaars zal gekeerd hebben, om die na te hoereren, zo zal Ik Mijn aangezicht tegen die ziel zetten, en zal ze uit het midden van haar volk uitroeien.” Hij of zij die de doden oproept - dus het medium - moet gestenigd worden. Lev.20:27 SV77: “Als nu een man of vrouw in zich een waarzeggende geest zal hebben, of een duivelskunstenaar zal zijn, zij zullen voorzeker gedood worden; men zal hen met stenen stenigen; hun bloed is op hen.” Zowel “actief” als “passief” deelnemen in deze zaak staat onder Gods verbod en vloek. Het is een “gruwel” in de ogen van God, hetzelfde woord dat gebruikt is voor afgoderij (Lev.20:6). Het is geestelijke ontucht (1 Kron.10:13,14). Het gaat er om de krachten van de “duisternis.” We kunnen God en de demonen niet tegelijkertijd dienen (Col.3:5 / Eph.5:5 / Opb.9:20). Het geestelijke van God en het geestelijke van de Satan hebben met elkaar geen uitstaans. We zullen niet tot de demonen gaan wanneer God ons het antwoord kan geven. En als God zwijgt dan moeten we er ons bij neerleggen. Het was een praktijk onder;  Kanaänieten, Deut.18:11  Egyptenaren, Jes.19:3  Grieken en Romeinen, Hand.16:16. Prof.dr. Klaas Spronk, hoogleraar Oude Testament aan de Kamper Theologische Universiteit, heeft in zijn proefschrift uit 1986 de tabletten van Ugarit als uitgangspunt gebruikt voor zijn beschrijving van de dodencultus van Kanaän. Spronk heeft aangetoond dat in Ugarit de verering van doden een grote rol speelde. Koningen en helden werden na hun dood vergoddelijkt. Het raadplegen van geesten gebeurde 's nachts. Ze kwamen op “uit de aarde” en spraken via een medium. De vergoddelijking en het raadplegen van helden en koningen hing nauw samen met de verering van Baäl. Een vruchtbaarheidsgod die elk jaar doodging en opstond. Kanaän had een gecompliceerd meergodendom, je moet dus maatjes blijven met hen allemaal. De wetten gegeven aan Israël zijn glashelder; occulte praktijken, die doe je niet. Ze ondergraven de godsdienst en leveren je over aan een onbekende wereld van kwade machten en duisternis. Het lijkt de hoop van kennis van het onzichtbare maar is in feite het zich richten op de dood. En de God van leven, de God van de Schrift wordt onrecht aangedaan. Alleen bij de levende God is er redding en toekomst! De moderne vorm (met wetenschappelijke allures zegt men dan) is ontstaan in Hydesville, N.Y. bij de familie Fox in 1848. En het is zeker een verdienste, dat de Adventkerk voor dit gevaar steeds heeft gewaarschuwd en er enkele verdienstelijke brochures over geschreven heeft. Onder het gewone volk in Israël was “dodenoproeping” een kwaad dat nooit volledig werd uitgeroeid. (2 Kon.21:6 / 23:24 / 1 Kron.10:13 / 2 Kron.33:6 / Jes.19:3 / 29:4 / 65:4). Wanneer Saul contact zoekt met God door middel van de oproeping van de profeet Samuël zijn het zijn “slaven” (het gewone volk) die hem daarbij moeten helpen. Zij weten waar naartoe voor deze zaken. Ongeveer 2 of 3 jaren voorafgaande aan dit verhaal van de heks van Endor was de profeet Samuël overleden (1 Sam.25:1 / 28:3). De Filistijnen waren op dit moment in oorlog met Israël en Saul wou te weten komen, op gelijk welke wijze, wat de afloop van de veldslag zou zijn.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

234

Saul zit in moeilijkheden. Hij ligt met zijn leger op het gebergte Gilboa en is vreselijk bang voor de Filistijnen want die zijn nog groter in aantal. En hij weet niet wat hij moet doen, want God zwijgt. Er zijn slechts 3 mogelijkheden om iets te weten te komen over de toekomst en die staan opgesomd in 1 Sam.28:6. Het zijn: 1°) dromen door God ingegeven, 2°) de Urim beheerd door de hogepriester en 3°) de profeten. Maar deze legale wegen zijn voor Saul afgesloten en dat noopt hem tot een illegale zijweg om Gods toekomst met hem te kennen. Lees het maar in 1 Samuël 28:6. De carrière van Saul is iets als een neerwaartse spiraal. Het is een man van angstige aard, hij is argwanend en haatdragend. Het eerste boek van Samuël geeft er ons een indruk van: hij is roekeloos in zijn handelen (14:24), ongehoorzaam aan God (15:23), heeft vlagen van bezetenheid (16:14), is jaloers en toornig (18:8) en heeft moordzuchtige plannen wat David betreft (20:31). Het is ten slotte op zelfmoord uitgedraaid (31:4). Saul werpt zich in zijn eigen zwaard, want zijn knecht wil hem niet doden. Het is donker als Saul naar de heks van Endor gaat. Saul wil van de profeet Samuël, zijn vroegere adviseur, weten of hij de slag tegen de Filistijnen morgen kan winnen. Saul zelf heeft ervoor geijverd alle: “dodenbezweerders en zeggers uit het land te verwijderen” (1 Sam.28:3). Het blijkt dat er toch nog enkelen zijn overgebleven. Dat Saul op die wijze met de profeet Samuël in contact wil komen, wijst op het geestelijke verval van de eerste koning van Israël. Samuël heeft hem op een bepaald moment, na twee opstandige voorvallen, erop gewezen dat God hem verworpen had. In zijn plaats zou God een nieuwe koning over Israël aanstellen (1 Sam.15:10-23). Samuël zalfde dan ook nog tijdens Saul’s leven de nieuwe koning David (1 Sam.16:11-13). Nadien hebben Saul en Samuël elkaar nooit meer ontmoet (1 Sam.15:35). En al wat er dan volgt heeft met deze twee zaken te maken; Saul’s verwerping en Samuël die nooit meer met hem wil praten. Er is ook nog een ander tragisch aspect: Saul had ooit heilige Geest ontvangen om hem zijn taak als koning in Israël te vergemakkelijken (1 Sam.11:6). Maar nu staat in 1 Sam.16:14 de tekst die volgt op de zalving van David het volgende: “Maar van Saul was de Geest des HEREN geweken en een boze geest die van de HERE kwam joeg hem angst aan.” (Vergelijk dit nog met 1 Sam.18:12 en 1 Sam.28:15, die leren dat God van Saul is geweken. Er is in de periode van Samuël een periode opgetreden van “goddelijk zwijgen.”) Daaruit mogen we concluderen dat gezien Gods Geest van Saul is geweken en dat Samuël niet meer met hem wil spreken, wat er geschied bij de heks van Endor niet van God komt. Het is duidelijk dat Samuël niet in werkelijkheid is verschenen en dat de heks iets heeft voorgewend. Wat is er dan wel aan de hand? Jes.8:19,20 werpt daarop enig licht. Daar staat: “En wanneer men tot u zegt: Vraagt de geesten van doden en de waarzeggende geesten, die daar piepen en mompelen - zal een volk niet zijn God vragen? Zal men voor de levende de doden (vragen)? Tot de wet en tot de getuigenis! Voor wie niet spreekt naar dit woord, is er geen dageraad.” Het is dus ongehoord te redeneren dat God deze Samuël ook maar echt laat verschijnen bij de heks, God zal wat Hijzelf als wet heeft gegeven aan zijn volk niet overtreden. Dat zou de slechtste vorm van opvoeding zijn op dit punt die er kan zijn. De bezweerster van geesten zegt NIET dat zij Samuël ziet opkomen, we denken dat er allemaal bij. Ze zegt: “Ik zie een bovennatuurlijk wezen uit de aarde opkomen” (1 Sam.28:13). De vrouw ziet een oude man gehuld in een mantel en dat moet Samuël zijn, is de conclusie van Saul. Alles wat de bezweerster van geesten zal zeggen is voor Saul vanaf nu ontvankelijk. Hij mag haar onvoorwaardelijk vertrouwen. Elke suggestie van de vrouw, ware het bedrog of gewoon buikspreken, dat interesseert Saul niet. Hij zou zelf de waarheid niet kunnen schatten. Zijn laatste strohalm die hem overblijft, is de vrouw! Zijn geloof in de levende God en het woord van Gods profeten wil Saul ontfutselen aan een vrouw die er eigenlijk volgens de wet van Mozes niet kan zijn. Contradictie en hopeloosheid troef. “Saul vond de dood omdat hij de Heer ontrouw was geworden en de woorden van de Heer in de wind had geslagen. Het ergste was dat hij de geest van een dode


LEVEN, Dood en opstanding_1999

235

om raad was gaan vragen in plaats van de Heer te raadplegen. Daarom had de Heer hem gedood en het koningshuis overgedragen aan David, de zoon van Isaï” (1 Kron.10:13,14). [Volgens Ralph W. Klein heeft de vrouw twee en twee opgeteld en komt in een schok tot de conclusie dat ze met koning Saul te maken heeft. De relatie Saul en Samuël is welbekend in die dagen. Zie ‘1 Samuel, Word Biblical Commentary’, ed. David A. Hubbard and Glenn W. Barker, vol.10, Waco: Word, 1983, blz.269.] EEN DODE OF EEN DEMON Gaat het hier om het raadplegen van de geest van een dode? Of is er een boze geest aan het werk die zich voordoet als Samuël? Voor deze twee uitleggingen zijn er zowel voor- als tegenstanders. Christelijke exegeten hebben altijd geaarzeld bij de figuur van Samuël in Endor. Tertullianus ziet hier de 'goddelijke gestalte' als een demon. Zo in een geschift van 200-220 na Christus (Zie ‘A Treatise on the Soul’ chapter 57 Ante-Nicene Fathers 3, blz.234.) En zo ook Hippolytus (225235/6 na Christus) in Ante-Nicene Fathers vol.5 ‘Commentary on Kings’ blz.169. Origenes en Augustinus zagen hierin het bewijs van de komende opstanding. En van dr. M.F.G. Parmentier ‘Goddelijke wezens uit de aarde. Griekse kerkvaders over de 'heks' van Endor’, Kok, 1989, blz.104-109, voor de verklaring van Cyrillus bij 1 Sam.28. Er is ook een derde uitleg: een spreken van de waarzegster zelf, met een veranderde stem. Dat doet ze trouwens volgens de Septuagintavertaling. Neen, de waarzegster heeft niet slechts verbeeld een verschijning te zien. Het spreken van ‘Samuël’ is niet zomaar uit haar zelf. Ze hoefde Saul niet bewust te bedriegen. We denken, omdat het de enige niet tegenstrijdige uitleg is, dat het een demon was. Mogen we zeggen dat Samuël verscheen omdat God het op dat moment toeliet. Nee ook dat niet. God zou dan een verkeerd signaal geven aan Zijn volk. Je kunt toch niet iets met zoveel woorden verbieden en het dan oogluikend toestaan. Het is waar dat de Bijbelschrijver niet van de verschijning van een geest verhaald (wel van een “god”), maar van Samuël zelf (28:12,14,15,16,20). Er is de indruk gewekt dat hier Samuël aan het woord is, maar die stem komt doorheen de vrouw tot koning Saul. In de verzen 1620 noemt Samuël (?) zeven keer de verbondsnaam YaHWeH. Maar ook boze geesten kunnen de naam van God gebruiken en ook misbruiken. Een boze geest kan de tovenares langs telepathische weg alles inplanten wat nodig is om het gesprek Samuël/Saul vlot te laten verlopen. Necromantie of dodenorakel is een vorm van spiritisme. Ja, er bestaat in het licht van de vele Bijbelse waarschuwingen tegen dodenbezwering een steeds geldend verbod. Ook voor christenen zodat we daarbij uiterst voorzichtig moeten zijn en niet naïef. Wat daar gezegd is door de heks, komt niet van God. Vergeet niet dat het de demon is die praat in de heks. Dit verhaal doet de Bijbel geen recht aan wanneer we hier een ware profeet, namelijk Samuël laten spreken. Dat er een werkelijke, gevaarlijke geestenwereld bestaat waar een gelovige zich niet mee inlaat is ons meerdere malen duidelijk gesteld in de Schrift. Waarom slaakte de vrouw een ijselijke kreet (28:12) dan dat ze in de ban komt van een demon. Haar geest is overgenomen door de geest van een kwade geest. Er zijn zo genoeg voorbeelden, ook nog in het Nieuw Testament. Zo is er in Marcus 9:25 een geest die niet spreekt, maar het merendeel van de door demonen bezeten mensen hebben een grote mond. Marcus1:23 Naardense Bijbel: “Meteen is er in hun synagoge een mens, behept met een onreine geest, die krijst.” Lucas 8:28 Naardense Bijbel: “Als hij Jezus ziet valt hij met een schreeuw voor hem neer en met luider stem zegt hij: wat is er tussen mij en jou, Jezus, Zoon van God de Allerhoogste?- ik smeek je: pijnig me niet!” In de laatste tekst staat zelfs dat de demon Jezus aanspreekt met: “wat is er tussen mij en jou, Jezus, Zoon van God de Allerhoogste?- ik smeek je: pijnig me niet!” En dat demonen zich kunnen voordoen als geleerde Bijbelexegeten, kijk eens naar de verzoeking van Jezus in de woestijn. De Satan citeert er tot driemaal toe de Bijbel, alleen misbruikt hij hem in een verkeerde context.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

236

Waarom mag necromantie niet? Een eerste antwoord vinden we bij J. Nelis. Hij zegt in het ‘Bijbels Woordenboek’, Romen & Zonen, edit. A. van den Born, 1966-1969, kol.297: “In al de geciteerde teksten (uitgezonderd Js 65,4) komt het hebreeuwse woord ‘ob’ voor, dat in Job 32,19 wijnzak betekent, doch hier een aanduiding moet zijn van de schimmen van de doden (vgl. de arabische stam ‘awaba’ terugkeren, en de franse benaming revenant). Men consulteert immers de ‘ob’ zoals men ook Jahwe raadpleegt (Lv 19,31; Dt 18,11; Js 8,19; 19,3; Sir 46,20). Volgens Lev 20,27 manifesteert de schim zich in de oproeper of oproepster, en uit haar orakel is een gelispel en gemurmel (Js 8,19), dat uit de aarde schijnt te komen (Js 29,4; Sir 46,20). Vanwege zijn oproepingsmacht noemt men de oproeper ‘heer van de schim(men)’ (vgl. 1 Sm 28,7). In 1 Sm 28,13v geeft de heks van Endor voor, de schim van Samuël te zien; Saul ziet echter niets, wel hoort hij een stem en meent hij met Samuël te spreken. Uit dit alles hebben de griekse vertalers geconcludeerd dat de dood bedrog was; dit mag men tenminste afleiden uit het feit dat zij ‘ob’ in alle teksten, behalve 2 Kg 21,6; 23,24; Js 29,4, als ‘buikspreker’ vertaald hebben. - Parallel met ‘òb’ komt tienmaal de term jidd’òni voor, door de LXX weergegeven als bezweerder (lett. bezinger), door de Vg als waarzegger” (wij onderstrepen). De dodenoproeping is ten tweede géén onderhoud met een overleden persoon maar het zich onderhouden met buitenaardse krachten die niet van Goddelijke orde zijn. J. Nelis zegt hierover in ‘Bijbels Woordenboek’, Romen & Zonen, edit. A. van den Born, 3de druk 1966-1969, kol.301: “Het gebruik van de term ‘élóhim (goddelijk wezen) waarmee de heks van Endor de schim van Samuël aanduidt (1 Sm 28,13). Volgens Schwally zou ook in Js 8,19 ‘élóhim (paralel met ‘doden’) aldus gebruikt zijn. Dit is echter geenzins zeker. In Sm kan deze term enkel en alleen gebruikt zijn om het geheimzinnige van de verschijning te kenmerken, die onmiddellijk daarna als een ‘oud man’ wordt beschreven.” En op kol.302: “Dat het volk aan de doden een soort van hogere wijze van zijn heeft toegekend, zou men mogen afleiden uit 1 Sm 28,13 (‘élóhim) en in het algemeen uit de praktijk van de dodenoproeping, welke veronderstelt dat de doden een hogere kennis bezaten. De officiële theologie is echter steeds tegen deze opvatting in gegaan. Dat men in de doden goden zag, is onhoudbaar” (wij onderstrepen). En H. Bavinck zegt in zijn Dogmatiek: “Maar al is de rationalistische verklaring te verwerpen, welke in deze geschiedenis niets anders ziet dan eenen opzettelijke bedriegerij van de vrouw; eene objectieve reële verschijning van Samuël is evenmin aan te nemen. Want Saul ziet Samuël niet, vers 14,; de vrouw ziet hem wel maar verkeert in hypnotische toestand, vers 12, en zij ziet hem gelijk hij er in zijn leven uitzag, als een oud man in een profetenmantel gehuld, vers 14. De schrik der vrouw, vers 12, had dan ook zijne oorzaak niet daarin, dat zij tegen hare verwachting in Samuël werkelijk zag, maar hierin, dat zij Samuël ziende, in haar hypnotische toestand ook terstond Saul den koning herkende en voor hem vreesde (...) Er is niets in 1 Sam.28, wat boven de bekende verschijnselen van hypnotisme en somnambulisme, uitgaat en niet op dezelfde wijze te verklaren is” (deel 4, p.601). Maar dat is voor ons nog niet overtuigend genoeg. Wel de volgende aanhaling. Volgens F.J. Dake in zijn ‘Dake’s Annotated Reference Bible’ zijn er 9 bewijzen dat het niet om Saül gaat die verschijnt (Dake Bible Sales Inc., 7e druk: 1973, blz.330). Maar we maken geen reclame voor zijn Bijbel gezien de man (Pinksterkerk) een verkeerde visie geeft van Christus. In het ‘Commentary on the Old Testament’, van C. Keil en F. Delitzsch, deel II, 1 Samuël, Zondervan herdruk, 1973, p.265, 266), is verwezen naar de Griekse Septuaginta. In 1 Kronieken 10:13 zijn de woorden “en Samuël, de profeet, antwoordde hem” er toegevoegd. Deze commentatoren ondersteunen die woorden van de Septuaginta niet en zeggen dan het volgende: “Niettemin stelden de kerkvaders, hervormers en vroege christelijke theologen, hier en daar een uitzondering nagelaten, zich op het standpunt dat het hier geen waarachtige, doch slechts een vermeende verschijning van Samuël betrof. Volgens de uitleg door Efraïm de Syriër gegeven, kreeg Saul door middel van demonische kunsten een verschijning van Samuël voorgewend. Luther en Calvijn waren dezelfde zienswijze toegedaan. De vroege protestantse theologen volgden hen hierin en zagen de verschij-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

237

ning als niets dan een duivelse spookgestalte, een fantasma, of een duivelse spookgestalte in de gedaante van Samuël, en Samuëls mededeling als niets dan een onthulling die onder goddelijke toelating werd gedaan en waarin waarheid met leugen vermengd is (...) om deze reden zegt Luther (...) ‘Dat Samuël door een waarzegster of tovenares werd opgeroepen, zoals in 1 Sam. xxviii 11, 12 staat, was beslist slechts een spookgestalte van de duivel; niet alleen omdat de Schrift zegt dat het bewerkstelligd werd door een vrouw die vol duivels zat (want wie kan aannemen dat de zielen van de gelovigen, die zich in Gods hand bevinden, (...) onder de macht van de duivel of louter mensen stonden?), maar ook omdat het kennelijk tegen het gebod van God indruiste dat Saul en de vrouw de doden raadpleegden. De Heilige Geest zelf kan hier niets tegen doen en evenmin kan Hij degenen helpen die er in strijd mee handelen.’ Ook voor Calvijn is de verschijning slechts een spookgestalte (...): ‘Het is zeker dat de verschijning niet werkelijk Samuël was, want God zou nooit hebben toegelaten dat Zijn profeten aan zulke duivelse bezweringen prijsgegeven zouden worden. Want hier roept een tovenares de doden uit het graf. Kan iemand zich indenken dat God zou willen dat Zijn profeet aan zo een schande blootgesteld zou worden; heeft de duivel macht over het lichaam en de ziel van de heiligen die zich onder Zijn hoede bevinden? Men zegt dat de zielen van de heiligen (...) in God rusten, terwijl ze op hun gelukkige opstanding wachten. Moeten wij daarenboven geloven dat Samuël zijn mantel met zich meenam in het graf? Omwille van al deze redenen schijnt het duidelijk dat de verschijning niets dan een spookgestalte was, en dat de vrouw tevens aan zo een zinsbegoocheling leed dat zij dacht Samuël te zien, terwijl hij dat in werkelijkheid niet was.’ Om dezelfde redenen trokken de vroege orthodoxe theologen de werkelijkheid van de verschijning van de gestorven Samuël in twijfel” (wij onderstrepen). ACHTERAF BEKEKEN Hoe moeten we de boodschap van de vrouw (= de demon) aan Saul interpreteren? Iemand die op dat moment de situatie goed ingeschat heeft, van de twee legers die tegenover elkaar staan, weet dat Saul geen kansen heeft. Als God niet aan zijn zijde staat is het morgen met hem gedaan! Je hoeft echt geen profeet te zijn om te voorzien dat Saul de Filistijnse overmacht niet aankan. Wanneer in de voorspelling dus de dood van Saul en zijn zonen aangekondigd wordt is dat nog geen echte voorspelling. Dat een voorspelling uitkomt die een waarzegger gegeven heeft is geen garantie van goddelijke inmenging (Deut.13:1-5). Beproef de geesten zegt 1 Joh.4:1 ons en dat moeten we dus doen. Waarzeggerij door het oproepen van een dode en hem bevragen naar de toekomst was een praktijk onder; Kanaänieten, Egyptenaren, Grieken en Romeinen (Deut.18:11 / Jes.19:3 / Hand.16:16). In Handelingen 7:41,42 is ons geleerd dat wie afgoden dient in werkelijkheid de demonen dient. Het leger des hemels is het gevallen hemelse leger (Grieks “stratos”). De goden van de volkeren (heidenen) zijn wel degelijk in de Septuagintavertaling “daimonia” (demonen) volgens Psalm 96:5. Conclusie: 1°) er verschijnt niet echt een dode tijdens een dodenoproeping, maar het gaat om het “buikspreken” van het medium. 2°) Er is géén goddelijk ingrijpen bij een seance, ook hier niet. 3°) Samuël verscheen niet aan Saul en het verhaal is géén ondersteuning van een overleven van het bewustzijn na de dood van het lichaam. 4°) Bij het overlijden van iemand gebeuren twee zaken, het lichaam gaat de aarde in om tot stof terug te keren. “In het zweet van uw aanschijn zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde weerkeert, aangezien gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof, en gij zult tot stof weerkeren” leert Genesis 3:19 SV77. De “geest” van de persoon gaat naar God “En dat het stof weer tot de aarde keert, zoals het geweest is; en de geest weer tot God keert, Die hem gegeven heeft” zegt Prediker 12:7 in SV77. Dat een deuterocanonisch boek aanneemt dat Samuël werkelijk sprak met Saul (Sirach 46:20) wijst op niets anders dan dat dit boek, dat ook pleit voor de onsterfelijkheid van de ziel, in zijn inhoud consequent is. Maar volgens de Schrift is en blijft het propageren van de stelling dat de ziel onsterfelijk is berusten op de eerste leugen die in de bijbel verhaald wordt. Want het was Satan die


LEVEN, Dood en opstanding_1999

238

sprak tot Eva: “Gij zult geenzins sterven” wanneer ge eet van de boom van de kennis van goed en kwaad (Gen.3:4,4). 2 Koningen 2:10-12. Elia voer ten hemel. In ‘The Zondervan Pictorial Encyclopaedia of the Bible’ deel 5, edit. M.C. Kenney, Zondervan, 1975, p.71 is verwezen naar Enoch en Elia en hun “overbrenging” naar de hemel. Daar staat in dat verband: “Bij de “overbrengingen” van Enoch (Gen.5:2224; Hebr.11:5) en Elia (2 Kon.2:11,12) hebben ze eeuwig leven in het vlees ontvangen. Deze gebeurtenissen zullen de hoop gesterkt hebben in het geloof in een toekomstig eeuwig leven in totale volheid, naar lichaam en ziel” (wij onderstrepen). De opvatting van het volk Israël was dat er drie soorten hemelen waren (2 Cor.12:2). Dat zijn: 1° de hemel van de vogels, de regen en de hagel: Gen.1:8,20 / Joz.10:11 / 1 Kon.18:45 / Jes.55:10. 2° de hemel van de sterren, waarvan God al de namen kent (Gen.1:17 / 22:17 / Ps.147:4 / Jes.40:26). 3° de hemel van God Mat.6:9 / 2 Cor.12:2. In het Hebreeuws is het begrip “hemelen” steeds een meervoud (shamajim). Dit heeft te maken met de denkwijze van de Jood die ook “bloed” en “zee” altijd als een meervoud ziet. In het Grieks heeft men echter zowel een enkelvoud als een meervoud voor hemel. In het NT vinden we zesmaal de gedachte dat de hemel(en) en aarde zullen voorbijgaan en een zevende tekst dat er een nieuwe hemel(en) en aarde geschapen worden. Zie Mat.5:18 / 24:35 / Marc. 13:31 / Luc.16:17 / 21:33 / 2 Pet.3:10 / Opb.21:1. Dat er drie hemelen zijn wordt door de uitdrukking “hemel der hemelen” weergegeven (Deut.10:14 / 1 Kon.8:27 / 2 Kron.2:5). YaHWeH wordt de “God des hemels” genoemd (2 Kron.36:23 / Neh.1:4 / Dan.2:18,28,32). In de 3de hemel wonen; a) God, Ex.19:11,18,20 / Deut.4:36 b) Engelen, Mat.24:36 / 28:2 / Luc.2:15, ze zijn vele tienduizenden vlgs. Dan.7:10. Symbolisch wordt de hemel beschreven als:  een paleis gebouwd op water (Ps.104:3,13)  waarvan de vloer een saffier is (Ex.24:10-12). Er staat één grote troon (Ps.11:4 / 103:19) waarrond engelen God aanbidden. Tussen hemel en aarde heeft de mens contact met God in de hemelen langsheen een trap (Gen.28:10-16). In zegen en straf verlaat God soms Zijn hemel om de mensen op aarde te bezoeken (Gen.11:5,7 / 19:24 / Ex. 19:18 / Jes.63:19). Met het aantal 7 en 10 hemelen houdt de Schrift geen rekening. Men kan die aantallen slechts vinden in apocriefe boeken. Zeven volgens Test. Levi 2 en / Ass. Mos. 35. Tien volgens Henoch Slav. 22. De christengelovigen staan symbolisch vóór de troon van God in de hemelen (Opb.7:9-16) en zullen naast Christus zetelen om te heersen (Opb.3:21 / Mat.19:28). Men zal de plaats “delen” die Jezus nu heeft. Hij zit reeds naast de Vader sinds de hemelvaart (Hand.2:32-36 / 5:31 / 7:55 / Rom.8:34). Hij heerst er thans over alle machten (1 Cor.14:24 / Eph.1:21,22 / Phil.2:9-11 / Heb.7:26).


LEVEN, Dood en opstanding_1999

239

En dan het verhaal van de hemelvaart van Elia, als we het zo mogen beschrijven. Enkele jaren voordat dit zou geschieden heeft Elia zijn medeprofeet Elisa aangeduid als zijn wettelijke opvolger. Hij had hem geroepen terwijl hij te werk was op het veld. Door een symbolische handeling; het hem toewerpen van zijn profetenmantel en Elisa die hem opraapt, is hij opgenomen in de profetenschool (1 Kon.19:19-22). Het verhaal van de opname van Elia is in het kort als volgt. Beide profeten zijn op weg naar de plaats Jericho. Een vijftigtal andere profeten maken er Elisa op attent dat God zijn leermeester zal wegnemen. Daarop antwoord Elisa tot hen: “ook ik weet het, zwijgt stil” (2 Kon.2:5). Aan de Jordaan gekomen blijven de 50 profeten even achterop en vaart Elia ten hemel. De mantel van Elia is van hem afgevallen en wordt door Elisa opgeraapt. Wat wil dat zeggen? Is hier beschreven hoe Elia levend wordt opgenomen naar de hemel waar God vertoefd? Zo is dit gedeelte meestal uitgelegd, maar klopt niet met één en ander! De vraag is: naar welke van de drie soorten hemelen is Elia opgevaren? In het ‘Bijbels Woordenboek’, Romen & Zonen, edit. A. van den Born, 1966-1969, kol.358 staat de volgende opmerking: “In 2 Kr.21:12-15 wordt nog een brief genoemd, door de reeds overleden Elia naar koning Joram van Juda gezonden” (wij onderstrepen). Dit is een typisch beeld van hoe deze Bijbeltekst wordt geïnterpreteerd. Men zegt er het hoogst minimale over en gaat ervan uit dat Elia reeds overleden is. Maar dat zegt de tekst zelf niet. Lezen we eerst die tekst: “Toen kwam er een schrijven tot hem van de profeet Elia, dat luidde: Zo zegt de HERE, de God van uw vader David; omdat gij niet gewandeld hebt in de wegen van uw vader Josafat en van Asa, de koning van Juda, maar gewandeld hebt in de wegen van de koningen van Israël, en Juda en de bewoners van Jerusalem tot afgoderij hebt gebracht naar het voorbeeld van het huis Achabs, ja, omdat gij ook uw broeders, het gezin van uw vader, hebt gedood, terwijl zij beter waren dan gij - zie, de HERE zal uw volk, uw zonen, uw vrouwen, en al uw have zeer zwaar treffen; en gij zelf zult aan een ernstige ziekte lijden, een ingewandsziekte, totdat na verloop van tijd uw ingewanden ten gevolge van de ziekte naar buiten komen” (wij onderstepen). Straffe taal zoals we het gewoon zijn van Elia. Hij is dus niet dood. Niet opgenomen in de hemel waar God woont om er met Hem te zijn in (verheerlijkt) vlees en bloed. Maar hij is bij het afscheid met Elisa en de andere profeten opgenomen in de lucht, de eerste hemel uit ons lijstje. God heeft de oude Elia gewoon uit het circuit genomen van de toenmalige profeten. Zijn opvolger Elisa heeft de leiding overgenomen. Iets dat enig licht werpt op wat er geschied is met Elia vinden we in het verhaal van de wijze waarop Philippus, de vader van de vier evangelistendochters, van de kamerling afscheid neemt in Hand.8. We citeren de laatste verzen: “En toen zij uit het water gekomen waren, nam de Geest des Heren Philippus weg en de kamerling zag hem niet meer, want hij ging zijn weg met blijdschap. Maar Philippus bleek te Asdod te zijn; en hij trok rond om het evangelie te prediken aan alle steden totdat hij te Cesaréa kwam.” Philippus was daarna niet dood maar gewoon ergens anders. En een laatste opmerking. Men zegt dat Elia volgens de profetie terugkeert voordat de Messias verschijnt. Dit is voorzegd in Mal.4:5. Maar men mag dit niet letterlijk lezen. In het NT wordt duidelijk dat Johannes de Doper de vervuller is in geestelijke zin van de komst van Elia. Vergelijk van enkele teksten maakt dat duidelijk: zie Luc.1:17 / Joh.1:21,25 / Mat.11:14 / 17:10-13 en het apocriefe Sirach 48:10-12. Ook Opb.11:6 mag niet als een letterlijke komst van Elia uitgelegd worden. Zodat de woorden van de Heer in Joh.3:13 nog steeds getrouw en waarachtig zijn. Daar lezen we: “En niemand is opgevaren naar de hemel, dan die uit de hemel nedergedaald is, de Zoon des mensen.” Dus is ook Elia niet levend opgevaren!


LEVEN, Dood en opstanding_1999

240

Matthéüs 10:28. Beide, ziel en lichaam doden. Uit de 12 teksten over gehenna is er één die speciaal tot de favoriet hoort van mensen van de Wachttoren; nl. Mat.10:28. En de gewone volgeling weet zelfs meestal niet dat er ook een paralleltekst hiervan is in Luc.12:5. Niet identiek want in Matthéüs is het een tekst uit de rede op de berg en in Lucas een rede tot de discipelen voorafgaande aan een openbare rede. Jehovah’s Getuigen leren vanuit die tekst dat God de mens (de ziel) kan doden. Dus zegt men als conclusie, God kan de mens “vernietigen”: dat is wat Hij ook zal doen en reeds in enkele gevallen gedaan heeft. We lezen in Luc.12:4,5 dan: “Ik zeg u, mijn vrienden, vreest hen niet, die het lichaam doden en daarna niets meer kunnen doen. Ik zal u tonen, wie gij vrezen moet. Vreest Hem, die, nadat Hij gedood heeft, macht heeft om in de hel (gehenna in het Grieks) te werpen. Voorwaar ik zeg u vreest Hem!.” Kan u hieruit een “vernietiging” afleiden? Wij hebben dit getracht maar zijn er niet toe gekomen, ook niet in Mat.10:28. (Zie ook onze aantekeningen over “vernietigen” in hoofdstuk 1.5). Wat wel duidelijk is uit deze teksten: aan God komt en het doden en het uitspreken van de uiteindelijke straf over alle mensen toe. Want de “rechter der ganse aarde” zal toch recht doen (Gen.18:25 / Heb.12:23)! Hij die de Rechtvaardige genoemd is, heeft dus de macht de goddelozen over te laten aan “de gehenna van vuur.” Zo staat het letterlijk in twee teksten over deze troosteloze en trieste plaats (Mat.5:22 en Mat.18:9). In het ‘Theologisch Woordenboek’, edit. H. Brink, Romen & Zonen, 3 delen, vanaf 1952, van de R.K.K. wordt dan ook toegegeven op Kol.3.597: “De Bijbel heeft geen wijsgerige interesse in de onstoffelijkheid en daarom onsterfelijkheid van de ziel als zodanig. Hieruit is het te begrijpen dat wij in de Bijbel niet moeten zoeken naar het rechtstreekse bewijs van de wijsgerige stelling dat de ziel van nature onsterfelijk is. Men kan Mt. 10, 28 evenwel zien als een indirekt bewijs; er wordt verondersteld dat de menselijke ziel in tegenstelling tot het lichaam niet door geweld is te vernielen. Ook vinden we in de Bijbel geen dualisme in platoonse trant, waardoor de materie als minderwaardig wordt beschouwd” (wij onderstrepen). Een uitspraak als hierboven en alle andere van dien aard is geven met de ene hand en terugnemen met de andere. Wanneer de Schrift in zijn “direkte bewijzen” wat anders zegt dan de “indirekte bewijzen” dan moet men uit het laatste geen verkeerde conclusies trekken. Wie sterft wacht het lot van alle stervelingen zonder onderscheid, en Christus is daarop de enige uitzondering gezien Zijn opstanding tot onsterfelijkheid. En dat lot is voor de gelovigen (en de ongelovigen) de volgende; het lichaam sterft en wordt in het graf, de sjeool gelegd, de geest (adem Gods) keert terug naar God (Pred.12:7). De gelovige heeft wel dit voordeel: zijn leven is geborgen in Christus (Col.3:3). Hij is “gered in Christus” (Rom.5:10). Hij heeft “leven”, het “leven” dat Christus hem heeft geschonken (Col.3:4). Wij delen in de “kracht van een (ZIJN!) eindeloos leven” (Heb.7:16). Deze tekst wordt door C. Vonk als volgt benaderd: “In de uitdrukking “èn ziel èn lichaam” van Matth. 10:28b (want dat staat er; niet “beide ziel en lichaam”, maar “en ziel en lichaam”) moet men bij het woord “ziel” eens aan een compleet mens denken en bij het woord “lichaam” opnieuw eens aan een compleet mens denken. Dan wordt Christus’ bedoeling goed duidelijk. In vs. 28a had Hij reeds gezegd: Vreest straks maar niet voor degenen, die uw lichaam zullen doden, maar die over de mensen geen twééde dood, geen hellestraf, zullen kunnen brengen. Want dat kan God alleen. Houdt daarom met Hem de meeste rekening. Vandaar in 28b: Weest liever bang, dat ge God zoudt vertoornen door afval. Want God kan èn het één èn het ander doen. Hij kan niet alleen de mens (Psyche, ziel, persoon, mens, complete mens, de wederom opgewekte goddeloze mens) naar de hel verwijzen, maar Hij kan die mens daar


LEVEN, Dood en opstanding_1999

241

dan bovendien nog laten lijden zoals men u heeft laten lijden, toen gij martelaren waart en gij ruw bejegend, gepijnigd, ja gefolterd werd. (...) Men lette in Matth. 10:28b toch goed op dat dubbele. Er staat eigenlijk niet “beide, ziel en lichaam” zoals St. V. en N. V. door hun weergave zouden kunnen doen denken en daardoor onze Bijbellezers, ook al zijn zij van de dichotomistische anthropologie genezen, er tòch weer toe zouden kùnnen verleiden hier aan een optelsom te denken. Want bij het woordje “beide” gaat men onwillekeurig tellen. Want beide = twee. En dan wordt het misschien toch weer gauw op z’n dichotomisch: één ziel + één lichaam = één gehele mens. Maar dat komt nu van de vertalingen. Daarom goed opgepast! Er staat helemaal geen woord “beide.” Er staat: “en ziel en lichaam.” Wat betekent dat? Het woord “ziel” ware ook al genoeg geweest om de ganse mens aan te duiden zoals hij na de wederopstanding der doden zijn zal. Ziel = mens. Maar daar komt ditmaal het woord “lichaam” nog bij. Hoewel dit wederòm de ganse mens aanduidt. Vandaar, dat Lucas met dit woord dan ook volstond. Doch Mattheus heeft bij het woord “ziel” nog het woord “lichaam” gevoegd.” C. Vonk. ‘De Voorzeide Leer’ deel Ib, Drukkerij Barendrecht, 1963, p.113, 114. Matthéüs 27:52,53. En de graven gingen open. Van alle teksten van het NT is dit wel één van de meest complexe en moeilijke qua verklaring. Dat geven we grif toe. We trachten daarom een uitleg te geven die geen onrecht doet aan wat de Schrift in duidelijke bewoordingen zegt op andere plaatsen. Maar vooraf vier citaten waarop onze aantekeningen volgen. 1) In de ‘The Scofield Reference Bible’ staat het volgende commentaar bij deze tekst. “Dat deze lichamen terugkeerden tot hun graven is in deze verzen niet gezegd en mag niet worden verondersteld. De eerstelingsgarve (Lev.23:10-12) is de voorstelling van de opstanding van Christus maar een schoof verondersteld ook een pluraliteit. Het was één graankorrel die in de grond viel bij de kruisiging en graflegging van Christus (Joh.12:24), het was één schoof die eruit voortkwam bij de opstanding. De gevolgtrekking is dat de heiligen, met de geesten der rechtvaardigen, “die de voleinding bereikt hebben” (Heb. 12:23), uit het Paradijs met Jezus (Eph.4:8-10) ten hemel gevaren zijn” (p.1042). 2) En de ‘New Scofield Reference Bible’ zegt op p.1044 “Alhoewel de graven werden geopend op het ogenblik van de dood van Christus (v.50,51), de lichamen stonden slechts op na de opstanding (v.53). Christus is de “eerstgeboren uit de dood” (Col.1:18 / Opb.1:5) en “de eersteling van hen, die ontslapen zijn” (1 Cor.15:20). Er wordt niet gezegd dat deze lichamen terug in de graven gingen. De garve die voor het aangezicht van de HERE bewogen werd (Lev.23:10-12) is een afbeelding van de opstanding van Christus, maar uit het symbool dat gebruikt wordt blijkt er een pluraliteit voorgesteld. Het was één graankorrel die in de grond viel bij de kruisiging en graflegging van Christus (Joh.12:24), het was één schoof die eruit voortkwam bij de opstanding. De gevolgtrekking is dus dat de heiligen met Christus ten hemel gevaren zijn.” 3) J. Buswell, een Gereformeerd theoloog zegt in zijn ‘A Systematic theology of the Christian Religion, Zondervan, 12de druk 1978, deel 1, p.108 “In betrekking tot de vorm nekron (doden) “dode personen” ben ik niet zeker of Paulus ons hier tracht te zeggen of in betrekking tot de opstanding van Christus, anderen nog op hetzelfde ogenblik zijn opgestaan zoals in de onduidelijke uitspraak van Mat.27:51-54, of dat de meervoudsvorm gewoon maar een niet letterlijke soortnaam aangeeft.”


LEVEN, Dood en opstanding_1999

242

En in deel 2 p.320 en 336: “We kunnen alleen maar zeggen dat wat is neergeschreven zo ook heeft plaatsgehad. We kunnen daaruit afleiden dat de opstanding van de lichamen van de heiligen die gestorven waren tezamen met al het gewoel en onzekerheid in die dagen, de discipelen een bevestiging gaf in het geloof. Wanneer we Romeinen 1:4 lezen met de nadruk op het genitief in de meervoudsvorm ”opstanding van dode personen”, het niet onmogelijk is dat Paulus hier verwijst naar de getuigende waarde van de opstanding van dezen uit Mat.27:53.” En: “Laten we dit erover zeggen, Christus is de eerste in de orde van de opstandingen in 1 Cor.15. Mogelijks moeten met Hem de opgestane heiligen uit Mat.27:52,53 meegerekend worden. “Dezen die Christus toebehoren bij Zijn parousia” zijn natuurlijk de tweede die Paulus opsomt in dit verband.” 4) We citeren van F.W. Grosheide: “Het gaat hier niet om een eigenlijke opstanding, maar om het feit, dat God ten einde de grote betekenis van het sterven (niet van de opstanding) van Christus te openbaren, voor een tijd de lichamen van vromen uit de aarde, die door de aardbeving gespleten werd, nam en aan velen vertoonde.” (‘Het evangelie naar Mattheüs’, Kok, 1954, p.439). Daarom ook enkele kritische aantekeningen. 1) Het eerste argument dat Scofield gebruikt is: “Dat deze lichamen terugkeerden tot hun graven is in deze verzen niet gezegd en mag niet worden verondersteld” is geen steekhoudend argument. Indien het waar is dan zijn ook dezen met de Heer opgevaren ten hemel. Met Hemelvaart? Waarom is de Schrift hier zonder enige opmerking over. Was het bij een andere gelegenheid? Maar ook daar zegt de Schrift niets over! Scofield gaat dan ook wat bewijzen aan de hand van iets waar de Schrift over zwijgt. Hij heeft hierover slechts een vóóronderstelling! Scofield wijst naar Lev.23:10-12 en de eerstelingsgarve van de oogst die voor het aangezicht van de HERE bewogen wordt. Een typologische vervulling is volgens Scofield dat de Messias opstaat uit het graf en met Hém ook nog enkele heiligen. Dat heeft echter weinig te maken met wat het NT in werkelijkheid ziet als type van dit soort offers. Veel fantasie gaat er wel mee gepaard want in Lev.23:10-12 is het bewegen van de garve voor het aangezicht van God gekaderd in drie andere offers; namelijk “het brandoffer van een éénjarig schaap” en het “bijbehorend spijsoffer” en het “bijbehorend plengoffer” en de vastenperiode. Het ene offer kan niet zonder de andere, alle onderdelen zijn deel van hetzelfde offer. Hiervoor hebben Scofield en zijn vrienden géén tegenbeeld gevonden. Wanneer er van deze dingen enige betekenis zou zijn, voor de schrijvers van het NT dan zou dat op zijn minst éénmaal moeten kunnen aangetoond worden en zelfs dat kan men niet want men moet Bijbls gezien twee getuigen hebben voor iets. Daarom zeggen we nogmaals; laat de fantasie niet onze theologie bepalen of een tekst uitleggen. (Voor wie van een detail houdt, nog dit. In het commentaar van de Joodse Rabbi Rashi lezen we dat er bij ieder spijsoffer zondermeer ook een drinkoffer hoort en dat dit ook bij Lev.23 moet verstaan worden). Indien er van enige gelijkenis sprake kan zijn tussen Lev.23 en het NT dan moet het zijn in de zin van wat A. Noordtzij schrijft in zijn ‘Korte verklaring van de Heilige Schrift, Leviticus’, 2de druk 1955, p.231. Daar lezen we: “Het gaat in deze verzen over de eerstelingen van de veldvruchten, waarvan in April/Mei de gerst wordt geoogst, waarna de tarwe twee en drie weken later volgt. Hiervan moet een ´omer als beweegoffer worden gebracht. Men is gewoon dit ´omer te vertalen als “garve.” Maar zowel de rabbijnse exegese als de Joodse traditie weerspreekt dit (Menachot 66a, 68b). Vast staat in ieder geval dat naar Num.15:20 de ´omer der eerstelingen de vorm had van een koek van met water vermengd gerstemeel. De Misjna, die aan die koeken een afzonderlijk traktaat heeft gewijd, spreekt evenals G (Griekse Septuaginta) van deeg; aan welke opvatting Paulus het door hem in Rom.11: 16 gebruikte beeld ontleent. Eigenlijk is het een soort grut, dat eens per jaar in grote hoeveelheden gemaald werd.” Volgens Noordtzij is er een gelijkenis tussen een opmerking van Paulus in verband met de kerk en dit eerstelingsoffer. Het gaat erom dat de eerste


LEVEN, Dood en opstanding_1999

243

gelovigen in Christus allen Joden waren maar de ganse deeg strekt zich uit tot alle gelovigen, dus ook de Heidenen. Van gelijkenis tussen dit en de (vermeende) opstanding van enkele heiligen in Mat.27 is erook hier dus géén sprake. Scofield heeft het verder over “geesten der rechtvaardigen die de voleinding bereikt hebben” uit Heb.12:23 en zoekt dan een verband met onze tekst. Ook dat is een foutieve invulling. Brouwer spreekt in zijn vertaling over: “tot de geesten der tot volmaking gekomen rechtvaardigen.” Luther vertaalt: “en tot de geesten der volkomen rechtvaardigen” wat toch beter de Griekse tekst weergeeft. Want die geesten kunnen nog niet volledig volmaakt zijn. Dat zijn ze volgens andere schriftuurplaatsen slechts, nadat ze hun hemelse geestelijke onsterfelijke en onverderfelijke lichamen hebben aangedaan. Deze gelovigen die hun aardse leven hebben voleindigd en wiens geest naar de Vader is teruggekeerd, die getrouw waren tot het einde toe, en ingeschreven zijn in het niet meer te wijzigen boek des levens, zijn dus tot volmaaktheid gekomen. Ze zijn door hun Heer volkomen gerechtvaardigd en zullen, zoals blijkt uit zovele andere teksten bekleed worden met een lichaam dat hen waardig is. We mogen dus in de hemel geen andere personen plaatsen die dat soort volmaaktheid reeds bezitten. Alleen de Heer. Anders zeggen we dan immers véél te véél dat niet strookt met andere teksten. En vergeten we ook niet dat de geesten van alle mensen - gelovigen en ongelovigen - bij God in de hemel zijn, op een wijze die we niet kunnen beschrijven (Pred.12:7). Daar is onze kennis van wat er thans in de hemel gaande is véél te gering voor. K. Dijk zegt in zijn ‘De toekomst van Christus’, Kok, 1953, p.100 over deze tekst het volgende: “en bijzonder in de opstanding der ontslapen heiligen, die in het ogenblik van Christus’ sterven worden opgewekt en na Zijn opstanding uit de graven treden en in de heilige stad aan velen verschijnen (Mat.27:52,53); het waren dus mensen, die nog niet lang geleden gestorven zijn, anders zouden zij niet kunnen verschijnen, d.w.z. herkend worden, maar ze hebben toch reeds lang genoeg in het graf gelegen om de ontbinding te ondergaan.” En bij het lezen van de context veronderstellen we dat K. Dijk bedoelt dat het om discipelen van de Heer gaat. Dat is zeker niet onmogelijk maar niet zondermeer te bewijzen of te weerleggen. De aantekeningen van C. Vonk over deze tekst zijn waard om gedeeltelijk te citeren. Hij zegt o.a.: “Het ene Gr. woord, dat gebezigd wordt voor “die de voleinding bereikt hebben” geeft de St.V. weer met “volmaakt.” Dit werkwoord (teleioos) komt in Hebreeën 9 x voor. Daarbij is 3 x sprake van onze Zaligmaker zelf, Hebr.2:10, 5:9,7:28. Op drie van de overige plaatsen wordt gesproken over de Wet, die de mensen niet kan volmaken, 7:19,9:9 ,10:1. En in de overige drie verzen heeft de apostel noch Zaligmaker, noch de Wet op het oog, maar de gelovigen. Dezen (kunnen door de Wet niet volmaakt worden, maar) worden wel volmaakt door Christus. “Want door één offerande heeft Hij voor altijd hen volmaakt die geheiligd worden”, 10:14. Dat ene offer van Christus is genoeg tot onze volmaking. En tegelijk met ons worden ook de gelovigen uit de voortijd en uit de periode der Wet volmaakt, 11:40. Op deze volmaaktheid der gelovigen ziet ook onze tekst, 12;23. Hij noemt de gelovigen “rechtvaardigen”, wat op hetzelfde neerkomt. En om te duidelijker te doen uitkomen, dat hij het oog heeft op de heerlijkheid, welke deze rechtvaardigen zullen ontvangen, wanneer hun de wederopstanding ten eeuwigen leven ten deel zal vallen, spreekt hij van “de geesten van de volmaakt gemaakte rechtvaardigen.” We herinneren ons dat Petrus van ditzelfde woord “geest” (pneuma) gebruikt maakte om het nieuwe bestaan van onze Zaligmaker na Diens wederopstanding te typeren (...) heeft de auteur van Hebreën, toen hij dit woord “geesten” neerschreef, tevens de tegenstelling “vlees-geest” door het hoofd gespeeld zoals hij dit niet alleen op het optreden van Christus heeft toegepast heeft, 2:14,5:7.” (‘De voorzeide Leer’, deel I B, Uitg. Barendrecht, 1963, p.137. En voor Eph.4:8-10 zie ons commentaar op die plaats. Die tekst spreekt niet zozeer over de opstanding, maar over de nederdaling van de Heilige Geest.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

244

2) De New Scofield zegt dat Christus de “eersteling van hen die ontslapen zijn” en de “eerstgeboren uit de dood” is. Dat is natuurlijk Bijbelse taal. Maar dat zegt verder niets over hoe de opstanding verder zal verlopen. Het beeld van de graankorrel die sterft hierbij betrekken is terug misbruik maken van het beeld. Want niet één schoof staat op met Hem, maar bij zijn wederkomst staan alle gelovigen op. Dat zijn zowel dezen uit de tijd vóór Hem als na Zijn dood. Hij zal wederkomen om de gelovigen tot zich te nemen, ze gaan niet reeds mee met hem bij Zijn hemelvaart (Joh.14:2 / 1 Thes.4:13-17). In deze zin zegt O. Culmann het volgende: “Het is de opinie, noch van de Synoptische schrijvers noch van Johannes dat dezen die door Jezus tot de opstanding zijn gekomen niet zouden sterven. De opstanding van “vele lichamen” op het ogenblik van de dood van Jezus (Mat.27:53) is door de evangelist waarschijnlijk alleen begrepen in de zin van een vooruitblik van hun uiteindelijke opstanding. Slechts van Jezus zelf zegt Paulus (Rom.6:9) dat “Hij uit de doden is opgewekt” en “niet meer sterft.” De gevolgtrekking voor ons is dan natuurlijk dat “Hem die Jezus uit de doden opgewekt heeft” (ons) (nog steeds) “sterfelijke lichamen levend maken” zal “door Zijn Geest die in (ons) woont” (Rom.8:11; zie Phil.3:21).” O. Cullmann, ‘Salvation in History’, S.C.M., 1967, p.178. Het is in elk geval geen deel van de theologie van de apostel Johannes om te zeggen dat er behalve Jezus nog andere mensen in de hemel zouden zijn, na te zijn opgestaan uit de dood. Dat is duidelijk uit Joh.3:13. Daar lezen we: “En niemand is opgevaren naar de hemel, dan die uit de hemel nedergedaald is, de Zoon des mensen.” En ook Paulus weet er niets over te zeggen in een hoofdstuk van méér dan 50 verzen dat uisluitend aan de opstanding is gewijd. Want in 1 Cor.15 staat er niet éénmaal of wordt er gesuggereed dat er, behalve Christus een ander mens is die de onverderfelijkheid in de opstanding reeds heeft ontvangen. Een andere gelegenheid om dit te vernoemen had Paulus wanneer hij over de opstanding spreekt in 1 Thes.4:13-17. Maar ook daar vinden we geen verwijzing naar deze gebeurtenis van Mat.27:52,53. 3) J. Buswell zegt dat de dingen hebben plaatsgehad zoals Matthëús ze heeft neergeschreven. Maar onze uitleg mag toch niet strijdig zijn met duidelijke teksten in verband met de opstanding! In dit citaat staan enkele moeilijke uitspraken die niet onmiddellijk steun hebben van andere schriftuurplaatsen. De verwijzing of het verwantschap van deze tekst met Rom.1:4 is niet zo evident als de schrijver aangeeft. Nog niet één op twintig commentators legt dat verband. (Wij hebben er 24 nagegaan zonder dat er iemand dat verband legt.) In de tekst van Paulus aan de Romeinen staat de uniciteit van de opstanding van Christus aan de orde, niet de opstanding van anderen. Dat God alles kan, zelfs deze opstanding, is natuurlijk niet aan de orde (Marc.12:24). 4) Wat Dr. Grosheide zegt is zéér waarschijnlijk wat in werkelijkheid geschied is. Er worden geen sprongen gemaakt met teksten en er worden geen vóóronderstellingen in de tekst gelegd. Want gezien er geen verdere verwijzingen zijn in het NT naar dit gebeuren moeten we het hier mee stellen. En dan blijven er genoeg vragen over die gesteld kunnen worden. Uit een mooi artikel dat we gelezen hebben citeren we er enkele: “Zijn de lichamen van de ontslapenen die uit het graf komen naakte levenloze skeletten of levenloze skeletten met vlees overtrokken? Zijn ze levend uit de graven gekomen met een natuurlijk maar nog steeds sterfelijk lichaam zoals het lichaam waarmee onder andere Lazarus is opgewekt? Of zijn deze ontslapenen gelijk aan dat lichaam dat de Here Jezus had bij zijn opstanding? Wie zijn die “heiligen?” Waar verbleven ze in de tussentijd van de opstanding en hun verschijning na Zijn opstanding? Waarom wordt Jerusalem hier de “heilige stad” genoemd? Wat is de betekenis van “verschenen” in de tekst?.” S.P. Botha, ‘‘n Opstanding met verheerlikte liggame in Mattheus 27:51b-53? ‘n Noukeurige lees van die teks’, Hervormde Teologische Studies 52:2 & 3, (1996), p.276.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

245

In de vertaling van het Wachttorengenootschap lezen we deze tekst als volgt: “En zie! het gordijn van het heiligdom scheurde van boven tot onder in tweeën en de aarde beefde, en de rotsen spleten vaneen. En de herinneringsgraven werden geopend en vele lichamen werden opgericht (en personen die nadat hij was opgewekt, uit het midden der herinneringsgraven vandaan kwamen, gingen de heilige stad binnen), en ze werden voor vele mensen zichtbaar.” In voetnota staat nog bij “personen”: “Of: “zij”, niet doelend op de lichamen.” Hier wordt een andere punctuatie gebruikt dan deze die normaal gevolgd wordt. (Zo heeft ook Brouwer het vers 53 tussen haakjes staan.) Nog andere worden besproken in het artikel van Dr. Botha. De wijziging in de betekenis is dan ook gans anders. Jehovah’s Getuigen leggen de tekst als volgt uit: “In Mattheüs 27:52,53 wordt gezegd dat ten tijde van Jezus’ dood “de herinneringsgraven” door een aarbeving “werden geopend.” Deze schriftuurplaats heeft tot heel wat discussies aanleiding gegeven, en sommigen zijn van mening dat hier sprake was van een opstanding. Uit een vergelijking met schriftuurplaatsen over de opstanding blijkt echter duidelijk dat deze verzen geen opstanding beschrijven, maar slechts vermelden dat lijken uit hun graven werden geworpen. Dergelijke voorvallen hebben ook in recentere tjd plaatsgevonden, bijvoorbeld in 1949 in Ecuador en in 1962 in Sonsón (Colombia), waar op een begraafplaats 200 lijken door een hevige aardschok uit hun graven werden geworpen. - El Tiempo, Bogotá, Colombia, 31 juli 1962.” ‘Inzicht in de Schrift’, deel 1, 1995, p.1032. Dit is niet onmogelijk als verklaring van deze tekst. Maar we geven toch de voorkeur aan de uitleg van F.W. Grosheide. Daar proeven we reeds in een notedop wat er zal geschieden bij dat moment waar alle doden uit de graven opstaan. Rest nog erop te wijzen dat het woord dat gebruikt wordt in vers 53 (Grieks “egersis”) en vertaald is als “opwekking” uniek is in het NT. Daar waar sprake is over de opstanding van Jezus of de algemene opstanding van alle doden gaat het om het Grieks “anastasis” (opstanding). Hier dan staat er “egersis” dat goed vertaald is als “opgewekt” in de SV / Leidse vert. / Brouwer / NBG enz (...) Maar we hebben in vers 52 het werkwoord waarvan “egersis” is afgeleid en dat is niet alijd consequent vertaald. We hebben onder twaalf Nederlandse vertalingen er slechts één gevonden die logisch is in de weergave van deze twee verzen. In de Willibrordvertaling, want daarover gaat het hier, staat in vers 52: “werden tot leven gewekt” en over de Heer “toen Jezus zelf tot leven was gewekt” in vers 53. De NWV die vertaald als “opgericht” (vers 52) en “opgewekt” (vers 53) is een schending van hun eigen vertaalregels die zegt een woord altijd op een zelfde wijze te vertalen. Lucas 23:43. Het paradijs. We beginnen met u vier aanhalingen te geven. 1°) ‘The Encyclopedia of the Jewish Religion’ edit. R. Werblowsky en G. Wigoder, Phoenix house, London, 1967, zegt op p.294 over het paradijs het volgende: “(van het Grieks paradeisos = tuin). De algemene benaming voor de verblijfplaats van de gelukzaligen na de dood gebaseerd op de Septuaginta vertaling van het Bijbelse “Tuin van Eden.” De gedachte dat de zielen van de rechtvaardigen konden genieten van hemelse gelukzaligheid in een Hof van Eden was een gekend onderwerp in de Rabbijnse literatuur. Het Hebreeuws equivalent is “pardes” dat in de betekenis van een tuin in de Bijbel 3 maal is terug te vinden (Hooglied 4:3 / Pred. 2:15 / Neh. 2:8). In de Talmud (Hag. 14b) is het woord ook gebruikt bij mystieke ervaringen; voor het opstijgen van de ziel in een hemels visioen. De Apocriefen en de Middrash literatuur hebben veel omschrijvingen van zowel een aards paradijs als een paradijs voor de zielen. Het laatste is de gewone beschrijving van de plaats van geestelijke voldoeningen.” (wij onderstrepen) 2°) J. van Andel schrijft bij dit vers in zijn commentaar ‘Het evangelie van Lukas’, Kok, 1932, p.486: “Wilt gij zijne macht zien, let er dan op, dat enkel op zijn bevel het Paradijs zich opent voor


LEVEN, Dood en opstanding_1999

246

een ten vloek gestelden moordenaar. Wilt gij zijne ontferming zien, merk er dan op, dat Hij, midden onder de helste smarten, de reddende hand naar een van allen verstootene uitstrekt. Wat moet het voor den moordenaar niet geweest zijn, om uit zijnen mond zulk eene vertroosting te ontvangen! Hij wist dat er een Paradijs was; een Paradijs, op aarde vergeefs gezocht, werd gevonden waar niemand het zoeken zou, ginds, achter het graf, in de wereld der dooden. Daar ontving Abraham, Israëls vader, zijne kinderen tot zich om ze in zijnen schoot te laten rusten. Maar wat baatte de wetenschap er van onzen moordenaar, zoolang hij niet wist dat er in het Paradijs ook voor hem plaats was, en te vrezen had, dat de duisternis rondom het Paradijs zijne plaats zou zijn? Daar zegt Jezus hem eene plaats in het Paradijs toe; met Jezus gaat hij er heen, met Jezus zal hij er rusten! O, welk eene wending: van kruis naar Paradijs! Altijd zal hij daar bij zijn Verlosser zijn. Altijd? Zoo vraagt gij misschien, en wijst er op, dat de Christus toch weer uit het paradijs terugkeerde naar hier, en van hier opwaarts, tot den hoogsten hemel. Maar weet gij niet, dat Hij het Paradijs mede opvaren deed naar den hemel, opdat de zijnen altijd bij Hem zouden zijn; de zijnen allen, ook deze moordenaar? Hier weidt ons oog in eene wereld van wonderen.” 3°) J. Eddison zegt in ‘Bijbelse kernwoorden’, Oosterbaan & Le Cointre, 1980 (p.62): “Paradijs. Dit woord betekent ‘tuin’. Het wordt in het Oude Testament alleen maar in de letterlijke betekenis gebruikt, maar in het Nieuwe Testament komt het driemaal voor in een symbolische betekenis. Het is waarschijnlijk niet meer dan een omschrijving van de plaats waar Gods kinderen heengaan direkt na het sterven. Het beroemdste voorbeeld is in Luc. 23 : 43, waar Jezus de moordenaar aan het kruis belooft dat hij diezelfde dag met Hem ‘in het paradijs’ zou zijn.” Later op p.99: “Paradijs. Het woord, van Perzische oorsprong, betekent ‘een ommuurde tuin’. Op de drie plaatsen waar het in het Nieuwe Testament voorkomt, doelt het op de plaats waar de mens heengaat direkt na het sterven (Luc. 23 : 43). Het is moeilijk om het scherper te bepalen en om uit te maken of Jezus, Paulus (2 Kor. 12 : 4) en Johannes (Openb. 2 : 7) dezelfde plaats in gedachten hadden. Is het een synoniem van ‘hemel’? De mensen hebben het vaak over ‘Holland’ als ze ‘Nederland’ bedoelen en voor mensen die ver weg wonen is het duidelijk wat bedoeld wordt. Misschien is het ook zo met ‘hemel’ en ‘paradijs’” (wij onderstrrepen). 4°) J. Nelis schijft een lang artikel over het “paradijs” in ‘Bijbels Woordenboek’, edit. A. van den Born, J.J. Romen & Zonen, derde druk 1966-1696, kol.1.111 waaruit we voor ons het belangrijkste citeren. “(III) Het paradijs in de tussentijd. (A) Apocriefe en rabbijnse literatuur. De identificatie van het paradijs van de eindtijd met dat van de oertijd veronderstelde vanzelfsprekend dat het laatste was blijven bestaan; hetgeen ook gesuggereerd kon worden door de formulering van Gn 3,23v. Hierbij kwam dat de ontwikkeling van de vergeldingsleer, die het lot van de doden wilde differentiëren, het probleem opwierp van de verblijfplaats van de rechtvaardigen na de dood. Zo is het begrijpelijk dat Hen(aeth) 60,8; 61,4.12; 70,4; Jub 4,23 de aartsvaders en de uitverkorenen na hun dood, doch reeds vóór de verrijzenis, in het paradijs plaatst. Een aantal teksten localiseren dit paradijs op aarde, hetzij in het uiterste oosten (Hen(aeth) 32,2v; Jub 8,16), hetzij in het noorden (Hen(aeth) 61,1-4; 77,3), hetzij in het westen (vgl. B.J. 2,155v); volgens andere heeft God het paradijs na Adams val tot zich genomen en bevindt het zich in de hemel (4Esd 4,7v; VitAd 25,3), volgens Hen(slav) 8,1 in de derde hemel. (B) In het NT In Lc 23,43 is het paradijs de tussentijdse verblijfplaats van de rechtvaardigen. Rustten zij daar volgens joodse opvatting in de schoot van Abraham (Lc 16,23; TestAbr 20), van nu af vormt Jezus het middelpunt van de gemeenschap der overleden gelovigen, zodat het tussentijdse bestaan van de doden in het paradijs een ‘met Christus zijn’ is (Fil 1,23; vgl. Act 7,59). Dat het NT dit paradijs in de hemel gelegen dacht mag men misschien afleiden uit Mc 13,27 (‘uiterste van de hemel’); het vindt echter een hechtere steun in 2Kor 12,2vv, waar het paradijs (ongetwijfeld de verblijfplaats der gestorvenen) parallel is met de derde hemel (vgl. Hen(slav) 8,1). Ook de grote


LEVEN, Dood en opstanding_1999

247

kloof die volgens Lc 16,26 de rijke vrek in de Hades scheidt van Lazarus in de schoot van Abraham gaat vermoedelijk terug op dezelfde voorstelling.” Waarom beginnen we dit gedeelte met deze vier aanhalingen? Omdat we daaruit enkele besluiten moeten trekken van wat men leert in verband met het “paradijs.” 1°) In de Rabbijnse literatuur is dat het beeld van de hemelse zaligheid in de eindtijd of beeld van een mystieke ervaring. 2°) Volgens enkele apocriefe geschriften, dus niet in de Bijbel, gaat de gelovige en wetsgetrouwe Jood na zijn overlijden zondermeer naar het Paradijs. In deze leer is een deel van de hades (sjeool) gezien als het Paradijs. 3°) Het merendeel van zowel Protestantse als Katholieke schrijvers (zoals de aangehaalde voorbeelden, J. van Andel en J. Nelis) redeneren dat Jezus de Joods apocriefe gedachte had over het Paradijs. Maar als dezelfde Jezus op regelmatige basis de overleveringen, gedachten en interpretaties van de Joodse clerus van zijn tijd aan de kaak stelt waarom zou hij hun leer van het Paradijs overnemen? Zie Mat.15:1-10 en de formule “Ik zeg u” in Mattheus hoofdstuk 5 en Mat.23:15,16, 23,24. Jezus noemt die vorm van aanbidding der schriftgeleerden een “tevergeefs eren” van God! En dat hadden profeten van het OT ook al gesuggereerd en gezegd (vb. Jes.29:13 / 58:1-3). In dezelfde zin moeten we ook Paulus lezen die er ons op attent maakt de “Joodse fabels” niet achterna te lopen (Tit.1:14). Men heeft zich dan van de Christus afgekeerd en is de filosofie van mensen achternagegaan (Col.2:8). Dat zijn uiterlijk godsdienstige mensen die de kracht van geloof niet kunnen opbrengen (2 Tim.3:5 / Tit.1:16). Wanneer we dan beweren dat deze boosdoener onmiddellijk na zijn dood, tesamen met Christus, is opgenomen in het Paradijs, dan hebben we als uitleg iets gecreeërd dat een hoop onopgeloste problemen en tegenstrijdigheden opwerpt. We noemen er enkele van. Vanuit de context van de leer van het OT over de toestand na de dood weten we: 1°) dat de doden in stilte naast elkaar liggen in het graf (Ps.88:6 / 115:17 / Pred.9:5,10). 2°) dat men bij de dood naar de sjeool (dodenrijk gaat en niet naar een Paradijs (Job 3:13-19). Men is dan verlost van het menselijke lijden (Job 14:13). 3°) dat de hoop van de gelovige gelegen is in de opstanding uit het vlees (Ps.17:15 / Dan.12:2). 4°) dat God de sjeool zal openen en de mensen er doen uit opkomen (1 Sam.2:6 / Ps.73:26 / 103:4-6). 5°) dat het Paradijs, de hof van God, zoals door Hem geschapen er sinds de vloed niet meer is. Zie Gen.2:8 / Ezech.28:13 / 31:8,9. Maar een mooie hof is toch als een paradijs volgens Neh.2:8 / Pred.2:5 / Hooglied 4:13. 6°) dat het Messiaanse rijk of het Paradijs een toekomstige werkelijkheid is die profeten voor zeggen Ps.67: 4,6 / 72:6,7 / Jes.4:2 / 30:23,24 / 35:1-6 / Ezech.34:25-27 / 36:29,30 / Amos 9:13-15 / Zach.8:12. En het NT leert over de staat van de doden: 1°) dat zonde en dood op Adams kinderen is overgegaan (Rom.5:12). 2°) dat er hoop voor de doden is in de opstanding (1 Cor.15:32). 3°) dat de doden slapen in het graf tot aan de tijd van de opstanding (Joh.5:28 / 11:11-14,2326 / Hand.7:60). 4°) dat gelovigen bij het laatste oordeel opstaan nadat ze door God éérst levend zijn gemaakt


LEVEN, Dood en opstanding_1999

248

(1 Thes.4:14). 5°) dat VOORDAT DE HADES VERNIETIGD ZAL WORDEN, ALLEN IN DE GRAVEN ZIJN MET UITZONDERING VAN CHRISTUS (Opb.1:17,18 / 20:13,14). 6°) dat er in totaal slechts driemaal over het Paradijs gesproken wordt in het NT. Dat is de tekst die we bespreken. Een tweede maal in 2 Cor.12:4 waar Paulus het Paradijs ziet in een visioen. En een derde male in Opb. 2:7 waar het om een toekomstig Paradijs gaat. Ook 2 Cor.12:4 mag niet uitgelegd worden alsof dat Paradijs dan reeds bestaat. Het Grieks spreekt van “weggevoerd” zijn naar die plaats en dat wijst op een visioen. Het begrip “weggevoerd” heeft ook soms de betekenis van “weggerukt” of “weggeroofd” (Mat.13:19 / Hand.23:10 / Opb. 12:5). 7°) dat het Paradijs op aarde opgericht wordt na de komst van de Heer en na het oordeel over alle mensen (Opb. 22:1,2). En dat is gebaseerd op de beloften van God aan de vaderen en profeten (Jes.51:16 / 65:17 / 66:22 en vergelijk 2 Pet.3:13). Grieks is géén Nederlands Laten we dan nog eens een blik werpen op wat er in de Griekse tekst staat. En wat we in kader zetten hieronder zal u daarbij moeten helpen. U hoeft niet alleen naar de andere vertalingen te grijpen (want de belangrijkste geven we hierna zelf) maar ons argument navolgen. Het NT is geschreven in het Grieks. Dat op zichzelf zegt natuurlijk niet hoe we de tekst van Lucas hier moeten interpreteren. Maar dat is niet alles.

1°) AMENSOILEGOSEMERONMETEMOUESEENTOPARADEISO 2°) amensoilegosemeronmetemoueseentoparadeiso 3°) Amen soi lego semeron met emou ese en to paradeiso 4°) ‘Amen soi légoo sémeron met’ émoû ése en too paradeísoo

Wat staat er bovenaan in wat ingekaderd is? 1°) Is een voorbeeld van een “unciaal” manuscript waar alles in hoofdletters staat zonder enige spatiering, dus alles aan elkaar geschreven. Men schreef op die wijze tot de 7de eeuw. Zeer uitzonderlijk vinden we eens een punt, die dan bovenaan de lijn staat, om een nieuwe zin aan te geven. Zo o.a. in het Vaticanus Ms en de Sinaïticus. 2°) Is een voorbeeld van een “cursive” manuscript waar alles in kleine letters staat zonder enige spatiering, dus ook alles aan elkaar geschreven. Vanaf de 6de eeuw één van de schrijfwijzen. Ook uitzonderlijk wel eens een punt (bovenaan de lijn of het midden) om een nieuwe zin aan te geven. Men begon met deze vorm van schrijven omdat er méér letters op één vel konden geschreven worden en dat alzo de kosten gedrukt werden. 3°) Dit is zoals het zou moeten zijn zonder leestekens, de letters afgescheiden van elkaar om woorden en begrippen te vormen. 4°) Voorbeeld hoe men het Grieks uit het NT hedendaags uitspreekt met de verontschuldiging van enkele verkeerd geplaatste leestekens gezien onze PC geen evenwaardige letters kan weergeven. U kan dat gemakkelijk nagaan in een Grieks NT of een Interlineaire vertaling.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

249

Het echt weergeven van punctuaties ontstaat in de 9de eeuw met de Codex Augiensis uit Cambridge die na elk Grieks woord een punt plaats. Maar dat was niet erg praktisch en heeft men vlug nagelaten. Later een punt na elke zin, en nog veel later zaken als comma, dubbelpunt enz... Alle punctuaties zijn dus een zaak van menselijke overeenkomst en dat kan wijzigen afhankelijk van de theologie en het begrip van de samensteller van de Griekse tekst of de vertaling. Neem enkele Bijbels bij elkaar en zoek één tekst op om daarvan overtuigd te worden. Ook alle verdelingen in hoofdstukken en verzen zijn van menselijke oorpsrong. Begin van verdeling in hoofdstukken vinden we zeer uitzonderlijk vóór de 5e eeuw reeds in bijvoorbeeld het Vaticanus MS. Na de 5de eeuw in B, C, R. enz (...) Ware verdeling in hoofdstukken met een zekere autoriteit ontstaat doordat de bisschop van Canterburry Stephen Langton hier werk van maakt in 1227. Onderverdeling in verzen komt de eerste maal voor in een gedrukt boek van de kleine uitgave van het NT in 1551 door R. Stephen. Wat er aan leestekens staat berust dus op de interpretatie van de tekst door de vertaler of commentator. We geven daarom in de onderstaande tabel enkele vertalingen van dit vers. Gelieve er op te letten dat waar de één dubbelpunt schrijft een ander een commateken heeft. Waar de een soms hoofdletter heeft gebruikt een ander een kleine letter. “Voorwaar, zeg ik u: Heden (...)” SV. “Voorwaar, ik zeg u: Heden (...)” Luther / Canisius. “Voorwaar, ik zeg u, heden (...)” Leidse vert. / Brouwer. “Voorwaar, Ik zeg u, heden (...)” NBG. “Voorwaar, Ik zeg u: heden; (…)” Canisius. “Ik beloof je vandaag nog (...)” Willibrord 1995. “Verily I say to you, To day (...)” KJV. “Truly, I day to you, today (...)” RSV 1946. “I tell you truly, this day (...)” Philips 1958. “I tell you this: today (...)” NEB 1961. “Verily, to you am I saying today, with Me (...)” Concordant Literal 1966. “I tell you truly,” said Jesus, “you will be in paradise with me this very day.”Moffatt 1954. “I tell you truly, To-day you (...)” Ferrar Fenton 1910. “I tell you verily, today you (...)” S. Byington 1972. “Very certainly you will be with me in Paradise today” W. Barclay 1968. “I say to you, That this day you will be with me in Paradise” Chester Estes 1975. “En vérité, je te le dis, aujourd’hui, tu seras (...)” TOB 1972. “Je te le dis en vérité, aujourd’hui tu seras (...)”Crampon 1905. “Je te le déclare en vérité, aujourd’hui tu (...)” Maredsous 1970. In een andere context wijst de schrijver J. Mc Dowell in ‘Evidence that demands a verdict’, deel 2, T. Nelson, 1993, (bij de inleiding), op het belang van punten en comma’s op de juiste plaats die niet in strijd zijn met andere zaken uit de Schrift. Hij wijst op het volgende probleem in zo een oud Bijbelmanuscript. Wanneer u daar zou tegenkomen, als illustratie, want het NT is in het Grieks geschreven en niet in het Engels: GODISNOWHERE, hoe zal u dat vertalen? Als, GOD IS NOW HERE (vert: “God is hier ter plaatse”) ofwel GOD IS NO WHERE (vert: “God is nergens te vinden”). Of het volgende als illustratie: “Woman, without her man, is a savage beast” “Een vrouw, is zonder haar man een wild dier” of anders gelezen met andere puctuaties:


LEVEN, Dood en opstanding_1999

250

“Woman. Without her, man is a savage beast” “De vrouw! Zonder haar is de mens een wild dier” In dit geval krijgt men totaal andere betekenissen. En hoe belangrijk punten en comma’s zijn op de juiste plaats, blijkt uit twee sleutelteksten die de Godheid van Jezus bewijzen. We bedoelen Rom.9:5 en Tit.2:13. Voor sommigen die deze Godheid niet aanvaarden (vb. Jehovah’s Getuigen) is de lezing van deze teksten anders. Voor de betekenis ziet u er zelf enkele commentaren op na. Wanneer men zegt dat Jezus dezelfde dag van Zijn kruisdood (het heden) naar het Paradijs gaat dan moeten we ook rekening houden met nog enkele andere zaken. Want het is duidelijk dat Hij die dag, en de daaropvolgende, en een deel van de derde dag in de sjeool (hades) was. Zodat we zouden moeten zeggen dat het Paradijs in de hades was (Mat.12:38-41)! Maar dan moeten we ook consequent aannemen dat al dezen die er in vertoeven, allen zonder uitzondering, “dood” zijn in dat Paradijs! En dat ze er niet van kunnen genieten! Dat is de enige mogelijke gevolgtrekking die er kan volgen op het lezen van twee Bijbelteksten die over de dood van de Heer spreken en over Zijn herleven in de opstanding. Er staat namelijk in Rom.14:9 het volgende: “Want hiertoe is Christus gestorven en levend geworden, opdat Hij en over doden en levenden heerschappij voeren zou.” En in Opb.1:18 lezen we: “en Ik ben dood geweest, en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheden, en Ik heb de sleutels van den dood en het dodenrijk.” Wanneer woorden betekenen waar ze voor staan, en in dit geval “dood”, dan is de Heer werkelijk dood geweest voor drie dagen. Dan kon de boosdoener die bij Hem aan het kruis hing niet in het “heden” van die dag genieten van wat de Heer hem belooft! Dat wil zeggen dat van alle vertalingen hierboven gegeven er geen enkele is die dat Bijbels beginsel eer aandoet terwijl het op een simpele wijze kan weergegeven worden. Gewoon de comma of dubbelpunt naargelang de vertaling met één woord verzetten en we doen recht aan de Schrift. Twee voorbeelden volstaan: “Voorwaar, Ik zeg u, heden (...)” NBG. “Voorwaar, Ik zeg u heden, gij zult (...)” NBG. / aangepast “Voorwaar, Ik zeg u: heden (...)” Canisius. “Voorwaar, Ik zeg u heden: gij zult (...)” Canisius / aangepast Wanneer de Heer zegt “heden” dan geeft hij daardoor te kennen dat Zijn belofte stellig zal vervuld worden. In het OT is de uitdrukking “ik zeg u heden”, of “dat ik u heden opleg” een uitspraak die we regelmatig terugvinden om iets aan te kondigen dat van groot belang is. We vinden het bijvoorbeeld alleen in het boek Deuteronomium al 42 maal. Zie o.a. Deut.4:26,39,40 / 5:1 / 6:6 / 7:11. En let er op; het gaat niet steeds om een voorspelling van de toekomst maar zoals het boek Deuteronomium noemt, de herhaling van de wet. In het “heden” van die tijd wordt in gedachten geroepen wat soms bijna 40 JAAR DAARVOOR AL GEZEGD WAS. In het NT komen we de uitdrukking dan ook verscheidene malen tegen als een Hebraïsme, een manier van Joodse zegswijze. En daar is zelfs onderscheid te maken met daar waar er nog van “dan” (Grieks=“hoti”) sprake is en waar niet. Want er is een verschil in die wijze van uitdrukken. We geven hier enkele voorbeelden: 1°) met “hoti” = “dan”: Marc.14:30 “En Jezus zeide tot hem: Voorwaar Ik zeg, heden, in deze nacht, voordat (hoti) de haan tweemaal kraait, zult gij mij driemaal verloochenen.”


LEVEN, Dood en opstanding_1999

251

Luc.4:21 “En Hij begon tot hen te zeggen: Heden is dit schriftwoord voor uw oren vervuld.” Het Grieks zou men hier moeten om juister te zijn vertalen als: “dat deze dag (hoti semeron) het schriftwoord in uw oren vervuld is.” Luc.5:26 “en zij verheerlijkten God, en werden met vrees vervuld, zeggende: Wij hebben ongelooflijke dingen gezien.” Er staat: “dat (hoti) we vandaag vreemde dingen hebben gezien.” Luc.19:9 “En Jezus zeide tot hem: Heden is aan dit huis redding geschonken, omdat ook deze een zoon van Abraham is.” Er staat letterlijk: “Iesous hoti semeron”, dus “Jezus zei dat heden.” 2°) zonder “hoti” = “dan”: Mat.21:28: “Wat dunkt u? Iemand had twee kinderen, Hij ging naar de eerste en zeide: Kind, ga en werk vandaag (heden) in de wijngaard.” Luc.22:34 “Maar Hij zeide: Ik zeg u Petrus, de haan zal heden niet kraaien, eer gij driemaal zult geloochend hebben dat gij Mij kent.” Luc.23:43 “En Hij zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u heden, gij zult met Mij in het paradijs zijn” (onze vertaling). In de Griekse Septuaginta is het deze vorm die we tegenkomen, dus zonder het “hoti”(dan). Zie bijvoorbeeld Deut.8:1 / 10:13 / 27:4 / 31:2. Het is niet altijd de vervulling van iets dat dezelfde dag moet geschieden want dan zou er “hoti” aan toegevoegd zijn. En deze vorm vinden we in Luc.23:43. De context moet dus bepalen of het een uitspraak is met betrekking op die dag of niet. In dit geval slaat deze van Luc.23:43 op de toekomst want het Paradijs is er op dat moment nog niet, dan na de wederkomst van de Heer. De visie van o.a. G. Pauptit dat dit Paradijs het nationale park van Israël zal zijn in de duizendjarige regering is puur fantasie. Conclusie: Gezien alle mensen zonder enig onderscheid geoordeeld worden bij het laatste oordeel, die bij de wederkomst plaats vindt, kan de boosdoener niet onmiddellijk bij zijn dood genieten van de belofte van Christus. Daar waar duidelijk geleerd wordt dat iets zal geschieden moeten we een tekst als deze niet forceren. Het Paradijs komt na die komst en bestaat nu nog niet (2 Tim.4:1 / Opb.22:1,2). De man aan het kruis wacht dus zoals alle mensen op de opstanding van het vlees om dan met heerlijkheid bekleed te worden (2 Cor.5). De Schrift is op andere plaatsen duidelijk genoeg over de toestand van de doden. We mogen deze tekst dus niet uitleggen in een andere, aan die Schrift vreemde zin en betekenis. Johannes 9:2. Wie heeft gezondigd, deze of zijn ouders? Er zijn sinds eeuwen pogingen gedaan om op één of andere wijze ook de reïncarnatie te leren als een onderdeel van de leer van de Schriften. Deze tekst is er één van. Toen de mensen hoorden van Jezus en Zijn werken zagen vroegen ze zich af: “Johannes de Doper is opgewekt uit de doden en daarom werken die krachten in Hem” (Marc. 6:14, wij onderstrepen, vergelijk Luc.9:7). Dit is een tweede tekst.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

252

Wat is reïncarnatie? Laten we volgende definitie nemen: het is de leer dat een identiteit (geest, entiteit) in achtereenvolgende fasen sterft en opnieuw wedergeboren wordt; wedergeboorte in het plantaardige, dierlijke of menselijke rijk. Deze leer is zeer oud en wij Westerlingen, kennen haar als een onderdeel van vooral de Indische godsdiensten, het Hindoeïsme, het latere Boedhisme, Sikhleer en Jaïnisme. Dit proces van geboren worden, sterven en herboren worden wordt soms vergeleken met een rad (het rad van Samsara) waaraan niemand ontsnapt. Recente statistieken tonen aan dat in Canada en de Verenigde Staten 1 op 4 mensen hieraan geloof hechten. Een Gallup onderzoek in 1994 gaf aan dat op 1.016 personen wel 270 geloofden in wedergeboorte. In Frankrijk ook 1 op 4 personen (zie o.a. tijdschrift Express, n° 2.378, febr. 1997). Toch is dit slechts iets van de laatste 30 à 40 jaren. Deze invloed kwam er door de Hippie beweging (Flowerpower) en enkele groten der aarde die zich openbaar identificeerden met het erfgoed van India of Boedha. Een groot promotor van dit alles is de schrijver Raymond Moody die zelf reeds negen levens heeft doorlopen waarvan hij zich door middel van psychiatrische hulp (regessie) is “bewust” geworden. Een van zijn vorige levens was als een “mensaap in de bomen.” Aan de grondslag van de leer staat een totaal onbijbelse gedachte van de “karmawet.” Dat is de Indische gedachte dat een mens tegen het eind van zijn leven een al of niet positieve balans overheeft van zijn daden (de goede en de slechte) en dat indien dit positief is men “vooruitgaat” op de ladder van de volmaaktheid. Is dat karma negatief, dan gaat men terug in de stap naar volmaaktheid en zal men wedergeboren worden in een mindere levensvorm dan de voorafgaande. Wie goed heeft gedaan krijgt de kans het nog beter te doen. Het princiepe dat er door geleerd wordt is dat men door zelfrealisatie tot zelfverlossing komt. Aangezien het niet lukt dat allemaal te bewerken in één leven kan dit uitgesmeerd worden over enkele levens na elkaar. Dit is een onBijbelse gedachte. Op zijn minst drie punten zijn strijdig met wat de Openbaring van de Schrift ons leert. Voor ons christenen is het daar dat we het heil moeten zoeken niet in een aan Christusvijandige religie. Men zal natuurlijk zeggen dat het Hindoeïsme niet vijandig is, want dat juist die religie syncretistisch is, t.t.z. alle goede beginselen uit alle godsdiensten overneemt! Het is juist daar dat het schoentje wringt, omdat zoiets antichristelijk is. Het ware christendom verdraagt die inmenging van andere gedachten in zijn leer niet (1 Thes.2:13 / 2 Tim.3:16,17). Wat zijn deze drie strijdige punten: 1) Niemand, zowel de gelovigen uit het OT als deze uit het NT, zal gered worden op basis van wat hij/zij in zijn/haar leven zal verwezenlijkt hebben. De Bijbel spreekt over wat uniek is in alle godsdiensten: men wordt gered door genade. Men wordt vrijgesproken van schuld op basis van geloof. Op eigen kracht kan de mens niet tot volmaaktheid komen, daar komt God hem ter hulp (2 Cor.5:17 / Gal.6:15 / Eph.2:15 / 4:24 / Col.3:10 / Opb.21:5). 2) Nergens in de Schrift is er één suggestie dat een mens het nog eens mag overdoen. Alle pogingen in die zin falen als Bijbels onderricht. Wie sterft is volgens Bijbelse termen “gaan rusten” t.t.z. slapen (Dan.12:13 / Joh. 11:11). Men wacht niet om opnieuw geboren te worden in een ander lichaam. Zodat deze leer gerekend moet worden tot de aardse, vleselijke en duivelse leerstellingen (Jac.3:15). Het zijn van de soort “fabels die wijs gemaakt zijn” door mensen zoals 2 Pet.1:16 letterlijk kan vertaald worden. Zie ook 1 Cor.1:20-22 / 2:6 / 3: 19,20. 3) Dat de Schrift slechts één hoop aangeeft voor zowel wie goed als kwaad heeft gedaan in zijn leven. Dat allen opstaan uit de doden door middel van een opstanding, ofwel ten leven of ter ver-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

253

oordeling. Wie gestorven is maar geloof zal gedemonstreerd hebben zal niet sterven maar eeuwig leven, Joh.11:25,26. Na die opstanding is er geen verdere moeite meer voor de “zielen” die tot onsterfelijkheid en onverderfelijkheid gekomen zijn. De “zielen” die niet tot deze gelukzaligen behoren gaan voor eeuwig in een oord waar alle gestraften samen leven. Uit die plaats, gehenna, is géén verdere vrijstelling. Tot slot: Uit een speciaal nummer over reïncarnatie uit ‘Collationes, Vlaams tijdschrift voor Theologie en Pastoraal’ van december 1990 citeren we een gedeelte van p.402, 403. Schrijver E. Vandenberghe geeft daar antwoord op de twee problemen waarmee we dit deel zijn aangevangen: “Zowel voor- als tegenstanders van de reïncarnatie bestuderen Schrift en traditie om hun visie te legitimeren. Aanhangers van de reïncarnatie zien hun opvattingen gestaafd door de teksten waarin Johannes de Doper met de profeet Elia in verband gebracht wordt. Is de Doper niet de gereïncarneerde Elia? Wanneer men deze teksten echter binnen hun context leest, blijkt dat het in Mt. 17,1013 gaat om de identiteit van Jezus: Elia en Joh. de Doper dienen om Jezus te openbaren als lijdende en verworpen Messias. Er is geen enkele toespeling op een reïncarnatie van Elia. Mc. 6,1415 geeft over Jezus’ identiteit veronderstellingen weer, die gesteld zijn in termen van verrijzenis, niet van reïncarnatie. Mt. 11,14 moet in functionele en niet in ontologische termen begrepen worden: de Doper bekleedt nu de profetische functie die eertijds op Elia rustte. Bovendien gaat het niet over de identiteit van de profeet, maar over Diegene die door de profeet aangeduid wordt, nl. Jezus de Messias. In Jo 1,21 ontkent de Doper expliciet dat hij Elia is. Lc. 1,17 gaat niet over de persoon (het ‘ego’) van Elia, maar over ‘de geest en de kracht van Elia’, d.i. de profetische volmacht in de historische tussenkomst van God. Overigens liet reeds Tertullianus droogjes opmerken dat Elia volgens de Schrift helemaal niet gestorven is, maar met lichaam en ziel ten hemel opgenomen. Hij kon gewoonweg niet reïncarneren en had er ook geen behoefte aan voor een eventuele terugkeer naar de aarde. Heeft de blindgeborene (Jo 9,1-3) gezondigd in een ‘vorig leven’? Volgens sommige rabbijnse speculaties kon het ongeboren kind reeds in de moederschoot zondigen, in dit leven dus. Er bestaat veel kans dat deze tekst op die gedachte alludeert. Toch is het niet uitgesloten dat er volkse reïncarnatievoorspellingen leefden bij de leerlingen. Maar wat daar ook van zij, Jezus gaat op dit soort speculaties helemaal niet in. Niets wijst erop dat het ‘opnieuw geboren worden’ (Jo 3,3.8; zie ook Mt. 19,28; Tit. 3,5; 1 Petr. 1,3.23) met zielsverhuizing te maken heeft. Veeleer gaat het om de bekering die in dit leven moet gebeuren. De context van Tit. 3,5 verwijst trouwens naar de doop. Mt. 19,28 gaat over het láátste oordeel” (de gedeelten die wij onderstrepen, zijn door de schrijver in schuinschrift weergegeven). Kardinaal G. Danneels, schreef een zeer goede brochure over de onhoudbaarheid van de leer van de reïncarnatie in het christendom (‘Over de dood heen’, Persdienst Aartsbisdom, 1991). Hij legt vooral de nadruk op het “new age” aspect in dit alles. Onder de oudere publicaties vooral het R.K. tijdschift ‘Lumière et Vie’, décembre 1989, n°195. En voor de New age gedachte van Protestanstse zijde het prachtig (goedkoop) boekje van Utz Podzeit, ‘Duisternis uit het Oosten’, Medema, TELOSboek n°136. zj. 1 Corinthiërs 15:20-28. Hoeveel opstandingen zijn er? We zetten vooreerst vier aanhalingen achter elkaar. Daarop volgt onze kritiek en/of aantekeningen. 1°) In ‘The Encyclopedia of the Jewish Religion’, edit. R. Werblowsky en G. Wigoder, Phoenix house, London, 1967, lezen we op p.331: “De leer van de opstanding leert dat de lichamen van de doden zullen opstaan uit de graven in een toekomende tijd. Geloof in de opstanding begon zich te


LEVEN, Dood en opstanding_1999

254

ontwikkelen tegen het einde van de Bijbelse Periode, waarschijnlijk onder Perzische invloed, en vinden we in het boek Daniël (12:2). Tegen het einde van de Tweede Tempelperiode was het uitgegroeid tot een fundamentele leerstelling van de Pharizeeën (...) De opstanding is een van de enige dogma’s die uitdrukkelijk terug te vinden is in de liturgie, waar het als onderwerp staat van de tweede paragraaf van de Amidah.” Voor een Jood is er dus slechts één opstanding. 2°) We lezen bij Scofield in de voetnota van Opb.20:5: “We here learn for the first time what interval of time seperates these resurrections” (p.1350). In ‘The New Scofield Reference Bible’ staat bij dat vers: “here for the first time the precise interval between the two resurrections is revealed as a period of 1.000 years” (p.1374). We vertalen u dat; “We leren hier voor de eerste maal wat de tussenperiode is tussen deze opstandingen” en “voor de eerste maal is de nauwkeurige tussentijd van de twee opstandingen geopenbaard als een periode van 1000 jaren.” 3°) Ook de Mormonen leren dat er méér dan één soort opstanding is: “Christus was dan ook de eerste die de macht van de dood brak en uit de doden opstond. Hoewel vele ‘heiligen’ het voorrecht kregen reeds op datzelfde tijdstip uit het graf voort te komen, is de eigenlijke, massale opstanding een toekomstige gebeurtenis, gespreid over enkele fasen. De eerste opstanding, beginnend op het moment van Christus’ wederkomst, behelst vooreerst hen, die beantwoord hebben aan al de normen van het Evangelie; vervolgens hen, die als rechtvaardigen geleefd hebben naar de wet die zij kenden. Op de tweede opstanding, bij het einde van het duizendjarig rijk, dienen zij in louterend lijden te wachten, die bewust voor het kwade hadden gekozen (Openbaring 20:4-5; Leer en Verbonden 45:54; 76:85; 88:100-101)” (wij onderstrepen). Uit W. Decoo, ‘Het Mormonisme’, De Nederlandsche Boekhandel, 1979, p. 80. 4°) Aan het begin van de duizendjarige regering zullen er meerdere opstandingen plaatsvinden volgens ‘Bijbels Panorama’, 12de schets. We lezen er het volgende: “Opstanding ten leven Joh.5:20a.”(moet 29a zijn) “Opstanding der rechtvaardigen Luc.14:14.” “Opstanding der OT-ische gelovigen Dan.12:2a / 12:13.” “Opstanding der martelaren” Opb.20:4.” Laat ons dat eens bekijken in de optiek van de gebeurtenissen die verband houden met de tweede komst van de Heer. Waarom komt de Heer terug? 1) Om alle doden op te wekken Joh.5:28,29. Géén sprake van 1000 jaren tussen gelovig/ongelovig. 2) Om Zijn volk af te scheiden van goddelozen Mat.13:4749 / 25:31,32. Straf en loon volgt zonder dralen. 3) Om iedereen te oordelen 1 Cor.4:5. Het is de oogsttijd “der aarde” Opb.14:14-20. 4) Om Zijn volgelingen onsterfelijkheid te verschaffen Phil.3:20,21 / 1 Cor.15:51-54. 5) Om wraak uit te spreken over goddeloosheid en ongelovigen te straffen 2 Thes.1:6-9. 6) Om de schepping te bevrijden Rom.8:23 / Opb.22:20. 7) Om een eeuwig Koninkrijk in gerechtigheid op te richten Mat.16:28 / Rom.14:17 / Opb.1:9. Onmiddellijk voorafgaande aan Zijn komst zijn er: 1) Tijden van onzekerheid Luc.17:26-30.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

255

2) Een tijd van spotters 2 Pet.3:3,4 / 1 Thes.5:3. 3) “De generatie” die dat meemaakt is met Pinksteren begonnen; “generatie” die reeds bijna 2.000 jaren voortduurt Hand.2:40 / Heb.3:10 / 1 Pet.2:9. 4) Aan het einde van dat tijdperk (eeuw = aioon) zijn er gelovigen en ongelovigen. Na dit tijdperk is er geen mengvorm meer van goed en kwaad zoals nu (Mat.13:39). 5) Op een ongekend tijdstip (Mat.24:36 / 25:13 / Luc.12: 40 / 1 Thes.5:1,2), komt de Heer met zijn engelen. Een eerste opmerking: er is géén mogelijkheid om na de wederkomst van de Heer nog een tussenperiode in de wereldgeschiedenis in te lassen. Er is géén mogelijkheid om “rechtvaardigen” aan het begin en “goddelozen” na een duizendjarige regering te laten “opstaan uit de doden.” De Schrift leert duidelijk een éénmalige opstanding “uit de doden” met uitzondering van Christus die als eerste reeds is opgestaan (Opb.1:18). Men tracht in 1 Cor.15:24 de gedachte van “daarna het einde” nog een periode in te lassen van 1000 jaren. Dat staat er toch niet. Maar wel dat Christus regeert “tot” zijn wederkomst. En daar is de opstanding van allen in de graven inbegrepen. Dan is Zijn middelaarschap opgehouden en geeft om die reden dat Koninkrijk aan de Vader over. Daarom is er: “daarna het einde” en niet het begin van een duizendjarige regering. We gaan hier nog uitvoerig op in. Als tweede punt is het duidelijk dat de Schrift spreekt van twee soorten opstandingen: één voor rechtvaardigen, één voor onrechtvaardigen. De teksten die dat ondersteunen zijn (wij onderstrepen):  “Velen van hen die slapen in het stof der aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen” Dan.12:2.  “Verwondert u hierover niet, want de ure komt, dat allen, die in de graven zijn, naar zijn stem zullen horen, en zij zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven, wie het kwade bedreven hebben, tot de opstanding ten oordeel” Joh.5:28,29.  “Terwijl ik van God hoop, gelijk ook dezen zelf het verwachten, dat er een opstanding van rechtvaardigen en onrechtvaardigen zal zijn” Hand.24:15. Er staat echter niet in deze teksten; een opstanding of ontwaken van de rechtvaardigen en daarna (of later) een opstanding of ontwaken van onrechtvaardigen. Er staat in deze teksten niet dat er enige tijdsruimte is tussen de opstanding van de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen. Er staat altijd dat er één opstanding is. En in die ene opstanding zullen er zowel rechtvaardigen zijn als onrechtvaardigen. De tekst van Johannes 5:28 zegt dat het in “één uur” zal geschieden. Dus niet over een periode van 1007 jaar volgens de leer van Scofield e.a.. Dan zou er in de tekst moeten staan dat er “een uur” (tijdstip, periode) is waarop de rechtvaardigen opstaan. En daarna “een uur” (tijdstip, periode) voor de opstanding der onrechtvaardigen. Dat zou de enige manier zijn om een tijdsperiode aan te geven die zinvol is. Maar dat staat er niet. Ja maar zeggen Scofield en zijn vrienden (Biederwolf p. 390,391 / Bultema p.121)., de uitdrukking “het uur” in Joh.5:24,25 wil toch zeggen; een lange periode van thans reeds bijna 2000 jaren en beschrijft de geestelijk opstanding. En zo moeten we ook “het uur” in Joh.5:28 interpreteren: het gaat om een lange periode gedurende dewelke de vleselijke opstanding zal geschieden, eerst de gelovigen en daarna de ongelovigen duizend jaren later. Maar dat is echter een redenering die niet opgaat. Want in de verzen 24,25 gaat het om een ononderbroken tijdsperiode van nu reeds ongeveer 2.000 jaar. Maar zo word vers 28 door hen niet uitgelegd; daar is “het uur” (tijdstip, peri-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

256

ode) dat aan de gang is door een periode van 1007 (of 1003 en 1/2 jaar volgens anderen) onderbroken. Ze interpreteren dat begrip “uur” dus niet volgens dezelfde normen maar geven er twee betekenissen aan. Slechts wanneer ze zullen leren dat het uur van de opstanding 1007 jaren lang duurt, en er gedurende die tijd mensen opstaan uit de dood, dan is hun uitleg van deze twee “uren” op hetzelfde principe gebaseerd. Maar dat doen ze niet en is hun vergelijk verkeerd. Wanneer Scofield een beschrijving geeft van de wedergeboorte dan vermijdt hij angstvallig te verwijzen naar Joh.5:25. Dat kunnen we niet zomaar bewijzen maar de aanwijzingen gaan in die richting: hij geeft namelijk wel 25 teksten in dat verband en Joh.5:25 is daar een belangrijk onderdeel van de bewijsvoering. Die tekst geeft namelijk duidelijk de grens aan van de tijd die er is om wedergeboren te worden. (Zie Scofield p.1117, 1118). De tijd die de mensen is toegemeten om zich te bekeren en wedergeboren te worden is beperkt tot een welomschreven tijdsduur. Er bestaan geen teksten die spreken over wedergeboren worden in een duizendjarig rijk. Het is dus onmogelijk om dan het Koninkrijk te beërven want men kan niet meer wederom geboren worden. Het uiteindelijke lot van de mens is: opstaan uit de dood. Maar niet om iedereen op een zelfde basis vrij te spreken. Er is géén algemene amnestie. Wie vóór zijn dood als rechtvaardige was in Gods ogen is dat ook nog in de opstanding. En hetzelfde voor de onrechtvaardigen. Dat was ook de manier waarop leerlingen van Jezus de opstanding zagen. Bij de opwekking van Lazarus zegt één van zijn zusters tot de Heer; “Marta zeide tot Hem: Ik weet dat hij zal opstaan bij de opstanding ten jongste dag” (Joh.11:24). Christus maakt geen correctie bij haar opmerking, ze heeft dus juist geantwoord. Maar dan is de conclusie dat er slechts één jongste dag is en één opstanding voor allen (Joh.6:40). Toch kan men van twee soorten mensen in de opstanding spreken. Er is vanuit het NT slechts plaats voor één oordeel, wanneer de Heer met zijn engelen terugkeert om ieder te vergelden naar zijn daden. We lezen in Mat.16:27: “Want de Zoon des mensen zal komen in de heerlijkheid zijns Vaders, met zijn engelen, en dan zal Hij een ieder vergelden naar zijn daden.” Drie vragen die men kan stellen aan de hand van deze tekst over de dag van het oordeel zijn hier op een rij gezet: 1°) Wie: “een ieder” = levenden en doden 2°) Wanneer: “en dan” = bij die ene komst 3°) Waarover: “naar zijn daden” = de goede en slechte. Er is dan ook geen plaats om daar ergens een tussentijd van 1000 jaar nog tussen te voegen. Die twee soorten opgestane mensen zijn niet gescheiden door dagen, maanden of jaren zoals men ons wil leren in bepaalde kringen (contra bijvoorbeeld Bultema p.122, 123). De teksten noemen een onderscheid omdat ze vooruitzien op wat er bij de komst van de Heer zal gebeuren: een scheiding tussen gelovigen en ongelovigen, rechtvaardigen en onrechtvaardigen. En zoals we het al enkele malen gezegd hebben dat ligt bij ieders dood al vast. Zie o.a. Joh.3:16-18 en 34-36. Wie niet zal geloven vóór zijn dood is in princiepe reeds geoordeeld en vèroordeeld. Dat zal onmiddellijk bij de opstanding al blijken. Want de gelovigen worden dán reeds in “onsterfelijkheid”, “onverderfelijkheid” en “onvergankelijkheid” opgewekt. Dat is niet het geval voor de ongelovigen. Daarom de uitdrukkingen: “opstanding ten leven” en “opstanding ten oordeel.” Deze eenvoudige woorden zijn door voorstanders van de duizendjarige letterlijke regering zodanig uitgelegd dat er tussen de eerste en de tweede opstanding 1000 jaren verlopen. Dat is een schriftinleg en niet een schriftuitleg. Maar terug naar het voorgaande; de éne opstanding. Om aan te geven wat we bedoelen met onze aanklacht eerst een citaat uit: H. Moll, ‘Wat zegt Gods Woord over (...)?’, 4de deel, Uitgeverij Pieters Groede, 3de druk, zj, p.101. Daar staan we zelf niet achter maar is slechts ter illustratie van, een denkwijze.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

257

DE OPSTANDING Eerste opstanding vóór het 1000-jarig vrederijk Mark. 9: 9; ] Luk. 20:35; ] hier genoemd de opstanding uit de doden; 1 Kor.15:20,23 ] alleen de in Jezus ontslapenen hebben en Fil. 3:11 ] hieraan deel Luk. 14: 14 en Hand. 24: 15 het is de opstanding der rechtvaardigen Joh. 5: 29 de opstanding des levens 1 Thess.4: 16 de gelovigen zullen eerst opstaan Openb. 20: 4 eerste opstanding Tweede opstanding na het 1000-jarig vrederijk Joh. 5 : 29 de opstanding des oordeels, d.i. om geoordeeld te worden Hand. 24 : 15 de opstanding der onrechtvaardigen Opb.20: 11-15 de opstanding der doden; allen zullen geoordeeld worden, de in Jezus ontslapenen zijn reeds 1000 jaren eerder opgestaan. Men zegt dat dit alles in overeenstemming is met 1 Cor.15:20-28! We lezen daarover in Jb. Klein Haneveld ‘Ik geloof de wederopstanding des vlezes’, brochure ‘Het Morgenrood’ n°3, zj, op p.14, 15. “Al wat we tot dusver hebben gezegd over de opstanding, betrof hoofdzakelijk de opstanding van de rechtvaardigen. Maar ook de onrechtvaardigen zullen opstaan. Echter niet op hetzelfde ogenblik. Een algemene “opstanding ten laatste dage”, naar de gangbare voorstelling in de christenheid, kent de schrift niet! Zij leert zeer duidelijk dat er twee opstandingen zijn, van rechtvaardigen en onrechtvaardigen, niet alleen onderscheiden in karakter en doel maar ook in tijd (...) In 1 Korinthe 15, het hoofdstuk dat wij al zo dikwijls aanhaalden, spreekt Paulus over de volgorde in de opstanding. “Want gelijk ze allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook allen in Christus levend gemaakt worden. Maar een iegelijk in zijn orde (niet allemaal tegelijk); de Eersteling Christus, daarna die van Christus zijn in Zijn toekomst, en daarna zal het einde (van de opstanding) zijn” (vs.23,24). Het einde is de opstanding der “overige doden”, de “tweede opstanding”, de “opstanding der onrechtvaardigen.” Heel merkwaardig is verder nog de NieuwTestamentische uitdrukking “uit de doden opstaan.” Niet “uit de dood”, maar “uit de doden”! Velen lezen daarover heen, alsof dat hetzelfde is; “Uit de doden opstaan” wil zeggen “van tussen de doden opstaan, dus met achterlating van de anderen. De opstanding van Jezus was een “opstanding uit de doden (...).” Hier volgt dan een uitleg dat in het OT de oogst in drie fazen geschiedde, drie fasen die de afbeelding zijn van drie soorten opstanding. Een lange uiteenzetting gebaseerd op het Joodse oogstfeest van de garf (Lev.23:10-14) dat overeenkomst zou vertonen met “de opstanding uit de doden.” De schrijver zegt verder: “Een gelijktijdige opstanding van rechtvaardigen en onrechtvaardigen, maakt onze harten niet gelukkig. Zij betekent geen werkelijke overwinning over de zonde. Zij laat de zondekwestie onbe-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

258

slist, als een zaak, die nog afgehandeld moet worden voor Gods oordeelstroon.” Op deze laatste ontboezemingen gaan we niet in, gezien de Schrift niets van die zaken suggereert en er geen enkele iota over zegt. Wanneer H. Moll en Jb. Klein Haneveld het aan het rechte eind hebben is het schema van de opstandingen op zijn minst driedelig: 1) Christus met Pasen. 2) Gelovigen bij de wederkomst van Christus. a) enkelen bij een onzichtbare wederkomst, zeven jaar vroeger dan b) hieronder. b) nog andere gelovigen aan het begin van de duizendjarige regering en een zichtbare komst van de Heer, ineens of in meerdere malen afhankelijk van de schrijvers die men nagaat. Zie o.a. het begin van deze bespreking. 3) Ongelovigen na een duizendjarige regering. Maar dan is één en ander verwrongen aan wat we weten uit andere teksten. Zie ons commentaar bij Mat.12:41,42 in onze publicatie ‘De wederkomst van Christus’ en Opb.20:5 verder in dit boek. Jehovah’s Getuigen gaan nog verder in het uitleg van wie een opstanding krijgt in de duizendjarige regering. Ze beweren dat Handelingen 24:15 slechts spreekt over deze die in het millemnium zullen opstaan. De “rechtvaardigen” zijn alle getrouwen uit de oudheid (vb. Abel, Henoch, Noach, Abraham enz.) en “ook de duizenden godvrezende personen die in recentere tijden zijn gestorven en die geen hemelse hoop hadden.” Wie zijn de “onrechtvaardigen?” Volgens de Wachttoren: “Tot hen behoren miljoenen, misschien wel miljarden mensen die gestorven zijn zonder de gelegenheid te hebben gehad de Bijbelse waarheid te leren en toe te passen (...) ligt voor de hand dat de aardse opstanding geen chaotische bevolkingsexplosie teweeg zal brengen (...) Als allen tegelijkertijd weer tot leven zouden komen, zou het onmogelijk zijn voor hen te zorgen (...) Het is redelijk aan te nemen dat de opstanding geleidelijk zal verlopen.” (‘De Wachttoren’ van 1 juli 1998, p.22). En in een artikel over de opstanding berekenen Jehovah’s Getuigen dat er waarschijnlijk wel 3 miljoen mensen de grote verdrukking overleven. Dat deze aan de personen die zullen opstaan uit de doden onderricht zullen moeten geven en dat de opstanding dus geleidelijk moet geschieden. Wanneer het aan 3% per jaar zal zijn dat de doden opstaan, dan zullen de laatsten opstaan tegen het jaar 400 van de duizendjarige regering. Zie ‘Inzicht in de Schrift’, deel 2, 1997, p.524. Daar heeft de Bijbel één antwoord op: wanneer het gaat over de opstanding is het duidelijk dat die in éénmaal plaats vindt, niet over een periode van jaren. Alle andere theologische constructies zijn niet te bewijzen aan de hand van de Schrift. Uit de doden = Grieks “ek” In de uitdrukking “opstanding uit de doden” zien de verdedigers van twee opstandingen (minimaal), gescheiden door 1000 jaren, het belangrijkste bewijs van hun leer. We citeren daarover een lang gedeelte uit Bultema (p.153, 154): “De uitdrukking ek nekroon (van uit, van tusschen de dooden) wordt nimmer van de opstanding der goddelozen en immer van de opstanding van Christus en van de Christenen gebezigd. Deze uitdrukking wordt ongeveer vijftigmaal gebruikt in het NT, maar nimmer in betrekking tot de idee van opstanding in het algemeen of ten aanzien van de opstanding der goddelozen. Dan blijft het verbizonderende ek stelselmatig weg (...)


LEVEN, Dood en opstanding_1999

259

Van de opstanding van Christus zal niemand ontkennen dat deze eene uitopstanding was, waarbij vele doden in hunne graven bleven (...) Wordt er van de opstanding van den Doper en van Lazarus gesproken, dan wordt telkens ek gebruikt, om aan te duiden, dat er vele dooden achterbleven. Slechts in twee gevallen wordt ek weggelaten, als b.v. in Matt.22:23,28;Joh.11:24;Hand.23:8. In zulk een geval wijst de schrift alleen maar op het toekomstig feit der opstanding, zonder meer. Dan is het volstrekt de bedoeling niet, om op het bizondere in verband met de opstanding te wijzen, en dient men de eerste opstanding eenvoudig als het species onder het genusbegrip te denken. Olshausen merkt hierbij terecht op, dat de profeten op dezelfde wijze de eerste komst van de Messias onder Diens tweede komst begrepen hebben. Het meerdere omvat het mindere. Twee sluit een niet uit, maar in.” En hieronder de lijst waarin “ek” gebruikt wordt met betrekking tot de opstanding, die we terugvinden in SVM. (S. van Mierlo, leerling van Bullinger) ‘Wat de concordantie leert’, Adm. Uit de Schriften, 1933, p.61: Opwekken (egeiroo) Opstaan (anistèmi) Opstanding (anastasis) _________________________________________________________ “uit dooden” “uit dooden” Mat.17:9; Mark.6:14,16; Mark.9:9,10; 12:25; Luk. Luk.9:7; Joh.2:22; 12:1, 16:31; 24:46; Joh.20:9; 9,17; 21:14; Hand.3:15; Hand.10:41; 13:34; 17:3,31; 4:10; 13:30; Rom.4:24; 1 Petr.1:3. 6:4,9; 7:4; 8:11; 10:9; 1 Kor.15:12(a),20; Gal. 1:1; Ef.1:20; 2 Tim.2:8; Heb.11:18; 1 Pet.1:21. “uit van de dooden” “uit van de dooden” Kol.2:12; 1 Thess.1:10 Luk.20:35; Hand.4:2; Ef.5:14

Het argument van “ek” wordt echter in dit geval misbruikt. Eerst en vooral wil “ek” in deze teksten niet zeggen dat er een definitieve onomkoombare bestemming door wordt aangegeven. Er is daar een duidelijk voorbeeld van. Over Lazarus zegt de Schrift dat Jezus hem “uit de doden” heeft opgewekt. Zie Joh.12:1,9,17. Het gaat om dezelfde formule die er gebruikt wordt voor de opstanding “uit de doden” van de Heer zelf. Zie Joh.21:14. Men mag gezien Lazarus nog na die tijd is gestorven, en we zelfs niet weten of hij getrouw is gebleven tot aan zijn dood - en dus waardig “een opstanding ten leven” te ontvangen - aan “ek” geen enkele morele waarde toeschrijven. Die inlegkunde doen al de leraars van de duizendjarige regering die we reeds hebben aangehaald. Het is trouwens in contradictie met de termen die gebruikt worden. Ook de ongelovigen moeten opstaan “uit de doden”! Want op welke wijze kunnen ze anders een opstanding krijgen? Zij zijn de laatsen die opstaan “uit de doden” want daarna wordt de dood zelf vernietigd. Zie ook Bultema p.156 waar hij het opstaan “uit de doden” van Christus en de gelovigen gelijkvormig noemt want ze staan op in een “heerlijk lichaam.” Ook deze combinatie is fout gezien Lazarus niet met een “heerlijk lichaam” t.t.z. een onsterfelijk lichaam is opgestaan. Toen de mensen hoorden van Jezus van Nazareth en van Zijn werken zeiden sommigen: “Johannes de Doper is opgewekt uit de doden en daarom werken die krachten in Hem” (Marc.6:14, wij onderstrepen, vergelijk Luc.9:7). Het blijkt hieruit dat de gewone Jood toen al een gedachte had van opstanding en wat kon gebeuren. God kan een enkelvoudig mens uit de doden


LEVEN, Dood en opstanding_1999

260

doen opstaan terwijl alle anderen dood bleven. Een gunst Gods! Dat leek de man van de straat niet onmogelijk want ook zij hadden dat in de Schrift gelezen. En dat profeten doden hadden opgewekt terwijl alle andere doden niet werden opgewekt. Dat had Abraham reeds gevat toen hij op het punt stond zijn erfgenaam en wettelijke zoon te offeren (Heb.11:18). De gedachte van de algemene opstanding “uit de doden” van zowel gelovigen als zondaars was niet onbekend in het Israël van die dagen. Daar is Daniël 12:2 een prachtig voorbeeld van. Bultema (p.132) doet verwoede pogingen om in deze tekst twee afzonderlijke opstandingen te zien in tijd gescheiden. Hij zoekt dat bijvoorbeeld in Daniël 9:26 waar volgens hem de afsnijding van de Messias en de verwoesting van de tempel door 40 jaren gescheiden zijn. Zo zou er ook in Dan.12:2 een tussentijd zijn tussen het ontwaken van de goeden en de bozen. Maar wanneer we iets dat duidelijk blijkt uit de geschiedenislessen (maar slechts betrekking heeft op één gebeurtenis) nemen als grond en basis om andere voorspellingen te verklaren dan kunnen we alle kanten op. En het gaat in Dan.9:26 niet om het opschorten van de profetie voor een bepaalde tijd, want dan klopt de profetie niet meer. Het gaat dus niet om vergelijkbare eenheden. De opstanding heeft hoegenaamd niets met Dan.9 te maken, het is een vergelijk tussen afzonderlijke grootheden. Dan hebben we dus niets uit de Bijbel bewezen, alleen misbruikt. Daar dient het Woord van God trouwens niet voor. De oogst van de garf De verwijzing naar de oogst van de garf, door Jb. Klein Haneveld, heeft niets met de opstanding te maken. Meer zelfs, de oogst die er geschied (ook van de garf) zal in de werkelijkheid moeten inhouden dat het slechte van het goede koren afgescheiden en vernietigd zal worden. Uiteindelijk gaat het om één oogst van zowel het goede als het slechte, zoals ook blijkt uit de gelijkenissen die de Heer daarvoor gebruikt (Mat.13:24-30,36-43). Maar dat kunnen ze niet geloven. De verwijzing naar de garf met betrekking tot de opstanding, berust dan ook op een inlegkundige spitsvondigheid. Meer ook niet. Bewust vergeet men te vertellen dat dit beweegoffer een offer is van de gerst en dat de oogst van de tarwe slechts weken later volgt met de Pinkstertijd. Het beeld dat men schets is dus niet juist; Jezus zou een offer van gerst voorstellen en de gemeente een offer van tarwe. Maar ze hebben éénzelfde soort lichaam in de opstanding, beeld en tegenbeeld overdekken elkaar dus niet op het belangrijkste aspect van vergelijking. C. Vonk heeft in zijn ‘De voorzeide leer’ IB Leviticus, Barendrecht, 1963, goede opmerkingen over dat offer (vanaf p.634). Men vergeet ook te vernoemen dat alle soorten oogst aan God werden opgedragen, het is tenslotte “zijn oogst” Deut.26:1-4. En wanneer we naar lijsten van de verwijzingen van het OT in het NT gaan kijken is het ook wonderlijk dat er geen enkele verwijzing van Lev.23:1-14 of Deut.26:1-4 in het NT te vinden is. Ook daarom zeggen we; Jb. Klein Haneveld en zijn vrienden hebben veel fantasie en moeten beter hun Schriften lezen vóórdat ze deze dingen beweren. En ook Jehovah’s Getuigen hebben hier een geestelijke uitlegging. We citeren uit ‘Hulp tot begrip van de Bijbel’, 1989, deel 6, p.1127: “De aanbieding van een schoof (of homermaat) van de eerstelingen van de gerstoogst op 16 Nisan was een door de hogepriester gebracht beweegoffer. Op deze datum in het jaar 33G.T. werd Jezus Christus uit de doden opgewekt, de “eersteling van hen die ontslapen zijn” (1 Kor.15:20;Lev.23:11b;Joh.20:1). Op de dag van het Pinksterfeest werden er twee gezuurde broden van de eerstelingen van de tarwe als beweegoffer gebracht (Lev.23:15-17). Dit is de dag waarop Jezus als hemelse Hogepriester de eersten van zijn geestelijke broeders (leden van de christelijke gemeente), die uit de zondige mensheid genomen en door de uitstorting van de heilige geest gezalfd waren, aan Jehovah kon aanbieden; Hand.2:1-4, 32,33; vergelijk Jakobus 1:18.” De Wachttoren maakt dus een andere zaak van de beweegoffers in Lev.23; het gaat om de uitstorting van de heilige geest (kleine letters voor hen). Ook dat is inlegkunde. Zie de aantekeningen over de Heilige Geest in hoofdstuk 1.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

261

En nog een kort citaat uit ‘DE WACHTTOREN’ van 1 juli 1998, p.17: “Paulus vervolgt: “Christus is uit de de doden opgewekt. “Wat meer is, hij is “de eersteling van hen die ontslapen zijn” (1 Korinthiërs 15:20). Wanneer de Israëlieten Jehovah gehoorzaam de eerstelingen van hun opbrengst gaven, zegende Jehovah hen met een grote oogst (Exodus 22:29,30.23:19;Spreuken 3:9,10). Door Christus de eersteling te noemen, impliceert Paulus dat er nog een verdere oogst aan personen uit de dood tot hemels leven zou worden opgewekt.” Ook hier slaat de fantasie van Jehovah’s Getuigen op hol. Niet het volk of de priesters in Israël hebben Jezus als eersteling aan God gegeven of geofferd. Integendeel! In het beeld is Christus de hogepriester en ook terzelfertijd het offer. In het boek aan de Hebreeën staat dat in de duidelijkste bewoordingen die in een taal gebruikt kunnen worden. Het beeld dat Paulus gebruikt heeft dan gewoon de betekenis dat sommige vruchten eerder rijp zijn dan anderen. Alle gelijkenissen met een offer moeten hier gemeden worden. Want het ene soort offer sluit het andere uit indien we zoiets op letterlijke basis vergelijken bij het offer van de Heer. En laten we ook niet doen zoals de Wachttoren doet, het offer van de Messias vergelijken bij wat de gemeente (volgens hen de 144.000 uit Opb.7:1-8) als offer aan God brengt, hun leven of wat dan ook. Dat vergelijk staat zover als het oosten van het westen staat en ze zullen elkaar nooit ontmoeten. 1 Cor.15:24, daarna “het einde” Tot slot een argument dat steeds misbruikt is geworden in kringen van de voorstanders van een duizendjarig rijk. En u had het wellicht aan het begin van deze bespreking verwacht. Het betreft de uitleg van 1 Cor.15:23. We laten daarbij Bultema aan het woord (p.143-145): “Een iegelijk in zijn orde. Letterlijk zegt hij: een iegenlijk in zijn eigen legerafdeling, bende, cohort. De term is ontleend aan de verschillende regimenten van soldaten. Hierin ligt op zichzelf de idee van opvolging, tijdsopvolging, want de verschillende legerafdelingen marcheeren immers niet naast maar achter elkander. Zo zegt de Apostel hier, dat de opstanding geschiedt in drie verschillende troepen. 1. De eersteling Christus. Hier hebben we de eerste troepenafdeeling van de opgewekten. het beeld van eersteling is ontleend aan het leven onder de schaduwen. Bij het rijpen van den oogst moest Israël de eerstelinggarven naar den tempel brengen (...) 2. Daarna die van Christus zijn in Zijne toekomst. a) Nadrukkelijk wordt hier de verbizondering gemaakt: die van Christus zijn. Het eerste, dat Hij doen zal in Zijne toekomst, is het bijeenvergaderen van Zijne juweelen, die alom verstrooid zijn, diep in de zeeën en diep in de aarde. b) Zijn volk vertegenwoordigt den vollen oogst, waarvan Hijzelf de eersteling genaamd is. De ongelovige dooden zijn niet door den eersteling geheiligd. Dat er geene anderen dan de Zijnen zullen verrijzen in Zijne toekomst, lag reeds opgesloten in het pas gebruikte beeld, doch het wordt ons ten overvloede en tot volle verduidelijking nog nadrukkelijk gezegd. 3. Daarna zal het einde zijn. - Hier wordt gedoeld op de derde legerafdeeling. Dat hier niet breder of duidelijker van gesproken wordt, vindt misschien daarin zijn oorzaak, dat in deze troep niets dan de goddelozen gevonden worden en de Schrift, hoewel ze de opstanding der goddelozen leert, spreekt hiervan nimmer in eenige lengte. Ze wordt steeds veelmeer verondersteld dan nadrukkelijk geleerd. Zij die dit vers verklaren van de algemene opstanding vertalen hier alsof er stond: “Dan (d.i. bij Christus’ wederkomst) zal het einde zijn.” Doch een ieder die een weinig grieks kent, weet zeer wel, dat eita zo niet vertaald mag worden. Het ontga de aandacht niet dat het eerste daarna reeds een tijdperk van bijna tweeduizend jaren insluit. En wie geeft ons dan het recht, om dit daarna, uitgesproken in hetzelfde verband, te vertalen door dan? Het woordje wijst op een korter of langer tijdsverloop (...) Het mag dus ook niet vertaald worden: onmiddellijk daarop, terstond of oogenblikkelijk daarna. Ter aanduiding van deze gedachte worden de woorden exautees en euthepos


LEVEN, Dood en opstanding_1999

262

gebuikt.” (Wat de schrijver in schuine letters schrijft hebben we onderstreept. Tweemaal hebben we “daarna” zwart weergegeven.) De visie van Bultema is dus als volgt samen te vatten: 1°) Opstanding van Christus 2°) daarna opstanding van de gelovigen 3°) daarna opstanding van de ongelovigen 4°) en Christus die zijn koningschap afgeeft aan God. Wie goed zijn Grieks kent moet, volgens Bultema, tot deze conclusie komen. Dat klopt niet, want de visie die Bultema voorstaat is vrij recent als uitleg (rond 1830) en door weinig christenen aangenomen. Ook niet door de Griekse specialisten en exegeten. Bultema (wellicht kent hij wel wat Grieks) gaat toch slordig om met zijn uitleg. Want er staat vooreerst “epeita” (vers 23) en dan “eita” (vers 24). Maar hij doet alsof er tweemaal hetzelfde staat en vertaald beide keren als “daarna.” Zo kun je gemakkelijk wat wegmoffelen voor wie niet aandachtig is! En het klopt dat de twee woorden die Bultema aanhaalt méér dan “eita” of “epeita” het “onmiddellijk” weergeven van een of andere gebeurtenis. (In feite zijn er in het Grieks zes woorden die als “onmiddellijk” vertaald kunnen worden.) Maar ook “eita” en “epeita” kunnen dat weergeven. Zie de lijst die we achteraan plaatsen in de samenhang van deze twee woorden. Laten we niet redeneren vanuit iets dat niet in de Schrift staat, maar vanuit wat er wel staat. Met bouwt zijn huis toch niet op een hypothese? We geven hieronder slechts één recent commentaar op dat deel van 1 Cor.15:23. Dr. J. Reiling, Baptist, hoogleraar en docent Grieks over een periode van meer dan 30 jaar zegt in zijn ‘De eerste brief van Paulus aan de Korintiërs’, Callenbach, 1997, p.276: “Nu de band tussen Christus’ opstanding en de opstanding van doden is vastgelegd, moet een nadere ordening worden aangebracht. Deze ordening wordt bepaald door het perfectum van Christus’ opstanding en het futurum van hen ‘die van Christus zijn’, hoi tou Christou. Zij zijn of zullen worden opgewekt ‘ieder in zijn eigen rangorde’, hekastos en tooi idioi tagmati, d.w.z. op eigen plaats in de rangorde. Hoewel er twee keer sprake is van ‘vervolgens’, gaat het om meer dan rangorde. Christus is ‘eersteling’, eerste in de tijd maar vooral eerste in rang: Hij is de eerstegeborene uit de doden, vlg. Kol.1:18; Hand.3:25; 26:23, en heeft dus de eerste rang, want Hij is reeds opgewekt uit de doden en heeft de naam boven alle namen ontvangen, vgl. Fip. 2:11. ‘Vervolgens’, epeita, zullen, ‘zij die van, Christus zijn’, hoi tou Christou, levend worden gemaakt; het werkwoord staat er niet maar kan uit vs.22 worden afgeleid. ‘Van Christus’ is bij Paulus synoniem met ‘gelovig’, vgl.1/11; 3/23; Gal.3:29; 5:24; Rom.8:9; hier is het kortheidshalve gebruikt voor de gestorven gelovigen. Hun opstanding zal plaatsvinden ‘bij zijn komst’, en tèi parousiai autou. De beste toelichting op deze tekst (...) is te vinden in 1 Tess.4:14-16. Parousia is de technische term voor de komst van, de Zoon des Mensen op de wolken van de hemel, vgl.Mat.24:27,37,39, de vervulling van Dan.7:13, vgl.26:64. Paulus spreekt steeds van de komst van ‘de Heer’, vgl. 1 Tess.2:19; 3:13; 4:15; 5:23; 2 Tess.2:1. Daarmee is de toelichting op vs. 20-22 voltooid, maar de zin gaat verder: ‘vervolgens het einde’, eita to telos. Dit woord wordt ook wel vertaald met ‘de rest’, d.w.z. de niet gelovige rest van de mensheid, die na de gelovigen zal worden opgewekt. Maar de volgende bijzin wijst uit dat het niet daarom gaat, maar om de voleinding van Christus’ koningschap, waarmee het eschaton zal worden voltooid: het einde is er, ‘wanneer Hij, d.w.z. Christus, het koningschap overgeeft aan zijn God en Vader’.” De conclusie van J. Reiling is samengevat deze: 1°) Christus is de eersteling die is opgestaan 2°) “vervolgens” staan deze op die van Christus zijn 3°) “dan” geeft de Heer zijn koningschap over aan de


LEVEN, Dood en opstanding_1999

263

Vader omdat Hij alle vijanden heeft overwonnen. Wanneer Paulus het begrip “eita” (dan) gebruikt heeft het geen betrekking op de opstanding van de ongelovigen want: “de volgende bijzin wijst uit dat het niet daarom gaat, maar om de voleinding van Christus’ koningschap” zegt J. Reiling. En hij is specialist op gebied van de Griekse taal. Hij weet waarover hij praat. Want het is duidelijk dat er hier op de afscheiding van vers 23 en 24 niet over een opstanding van de goddelozen gerept wordt. Het “eita” (dan) dat gebruikt wordt slaat niet op de opstanding van wie dan ook. Het wijst op wat Christus doet tegenover de Vader; de macht die Hem gegeven was om in de tussentijd van Zijn eerste en tweede komst de redding en uitverkiezing van de gemeente te bewerkstelligen. Tijdens de periode van Zijn regeren zou dat ook moeten gebeuren, want de tijd om tot God te komen is in dat tijdperk tot zijn voltooing gekomen. Nu wil Bultema (en zijn vrienden) daar nog eens een duizendjarig rijk aan verbinden dat onmiddellijk na het eerste “vervolgens” komt en vóór “dan het einde.” Bultema tracht ons verder nog iets te bewijzen aan de hand van de combinatie “epeita-eita” (vervolgens-dan). Maar wat hij tracht te bewijzen staat er niet. Hij zegt: “het mag dus ook niet vertaald worden: onmiddellijk daarop, terstond of oogenblikkelijk daarna.” We geven daarom in de tabel van het gebruik van deze woorden aan, dat de context moet aangeven waarover het gaat. Men mag niet een vooropgezet idee nemen als basis van de te geven uitleg. Beide woorden kunnen een tijdstip aangeven dat zowel enkele seconden kan zijn, of maanden of jaren. eita epeita Joh.19:27, seconden Joh.20:27, seconden Marc.8:25, minuten 1 Cor.15:5, enkele uren 1 Tim.2:13, korte tijd 1 Tim.3:10, maanden Jac.1:15, kort of langer Marc.4:17, maanden of jaren Heb.12:9, spreekwijze

1 Thes.4:17, seconden Luc.16:7, minuten Heb.7:27, minuten 1 Cor.15:6,7, enkele dagen Jac.4:14, korte tijd Gal.1:18, drie jaar 1 Cor.15:23, honderden jaren 1 Cor.15:28, deel van geheel Heb.7:2, deel van geheel

Met ander woorden: Bultema tracht te bewijzen dat wanneer “eita” in 1 Cor.15:24 gebruikt wordt dit wijst op een: “3. Daarna zal het einde zijn. - Hier wordt gedoeld op de derde legerafdeeling. Dat hier niet breder of duidelijker van gesproken wordt, vindt misschien daarin zijn oorzaak, dat in deze troep niets dan de goddelozen gevonden worden.” Zo wordt “eita” een synoniem van wat in vers 23 staat, waar we “epeita” vinden. Maar zo slordig gaan schrijvers van de Bijbel niet te werk. Want in 1 Cor.15 wordt er niet gesproken van de opstanding van goddelozen en de enige uitzondering zou vers 22 kunnen (?) zijn. De volgorde, in de gedachte van Paulus, moet dan deze van Reiling en zo vele anderen: 1°) Christus is de eersteling die is opgestaan 2°) “vervolgens” staan deze op die van Christus zijn 3°) “dan” geeft de Heer zijn koningschap over aan de Vader omdat Hij alle vijanden heeft overwonnen. Over de opstanding van de goddelozen moeten we andere teksten raadplegen en dat feit niet persé hier ergens tussen willen voegen. Ook een duizendjarige rijk, herstel van Israël, Jezus als zichtbare koning in Jerusalem op de troon van David, al dat staat hier niet maar wordt er regelmatig “ingelezen.” Dat is verkeerd omgaan met de Bijbel. 1 Cor.15:22. In Adam (...) , in Christus


LEVEN, Dood en opstanding_1999

264

Van twee belangrijke teksten waar een vergelijk gemaakt wordt tussen Adam en Christus zegt men dat alle mensen een opstanding krijgen. Maar dit is een verkeerdelijke visie op deze schriftuurplaatsen. Niet dat we het opstaan uit de doden van de onrechtvaardigen niet zouden aannemen. We geloven dat zeker, maar dan wel op basis van o.a. twee andere belangrijke teksten en dat zijn; Joh.5:28,29 en Hand.24:15. En we citeren ze daarom ook nogmaals: “Verwondert u hierover niet, want de ure komt, dat allen, die in de graven zijn, naar zijn stem zullen horen, en zij zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven, wie het kwade bedreven hebben, tot de opstanding ten oordeel” Joh.5:28,29. En: “Terwijl ik van God hoop, gelijk ook dezen zelf het verwachten, dat er een opstanding van rechtvaardigen en onrechtvaardigen zal zijn” Hand.24:15. We geven dan ook hierbij onze argumenten waarom de twee betrokken teksten die men aanhaalt om een algehele opstanding te bewijzen niet mogen gebruikt worden in dat verband. De tweede tekst is 1 Cor.15:22 en mensen die in een toekomstig duizendjarig rijk geloven, gebruiken dit gedeelte te pas en te onpas omdat ze dan ook de indruk geven dat er in dat gedeelte sprake is van drie opeenvolgende opstandingen; Christus, de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen. Maar zoals boven aangetoond: dat is niet het geval en de Schrift wordt alzo geweld aangedaan. De eerste van deze teksten is Rom.5:18: “Derhalve, gelijk het door één daad van overtreding voor alle mensen tot veroordeling gekomen is, zo komt het ook door één daad van gerechtigheid voor alle mensen tot rechtvaardiging ten leven” (wij onderstrepen). We kunnen u meerdere citaten aanhalen waarbij “allen” uitgelegd wordt als “alle mensen” gezien het gaat om alle afstammelingen van Adam, zegt men dan. Maar voor elk citaat in die aard is er een ander aan te halen waar “alle” slechts spreekt over de gelovigen in Christus. Hierbij twéé, als voorbeeld en ter illustratie. Citeren we vooreerst H.C.G. Moule, ‘The epistle to the Romans’, Pickering & Inglis, 7th edition, zj, p.151: “We denken ook niet, wanneer we nadenken over vers 18, dat omwille van de “veroordeling” over “alle mensen” in de betekenis van niet slechts de mogelijkheid veroordeeld te worden maar het ook in werkelijkheid nog te zijn, daarom “alle mensen” een rechtvaardiging ten leven ontvangen. Ook hier is de boodschap van Paulus zoals altijd, zowel in deze brief als de andere van Paulus, deze van het persoonlijk aanvaarden van de boodschap. De voorziening is er voor de mensheid als geheel, maar het bezitten ervan is slechts voor de gelovigen weggelegd. Neen, deze grote onderscheidingen in de parallel moeten onze hoogste zorg zijn.” En de Gereformeerde theoloog D.G. Barnhouse schrijft in een nog steeds onovertroffen homilitisch commentaar op het boek aan de Romeinen: “Laten we er in het voorbijgaan van deze tekst nog op wijzen dat de uitdrukking “alle mensen” niet mag geïnterpreteerd worden als elk mens in het menselijk ras. Hier is een goed voorbeeld van het Bijbelse beginsel dat een vers geen private uitleg toelaat (2 Pet.1:20). Want immers wanneer we deze tekst nemen zoals het er staat, en gewoon maar afgaan op wat er in een woordenboek staat over het begrip “alle”, dat we dan moeten leren dat er een universele verzoening en redding is van alle mensen. Maar we weten uit zoveel andere passages uit de Schrift dat dit niet het geval is. Jammer dan ook dat er nog steeds mensen zullen zijn die de Zoon onder de voeten vertrampelen. Maar ze zullen van God verwijderd worden. In meerdere Bijbelpassages komen we de begrippen “alle mensen”, “ieder mens”, of “onder de mensen” tegen. Maar ze betekenen daar zonder enige twijfel “alle gelovige mensen” of “ieder gelovig mens” of “onder de gelovige mensen.” De gelovige is deze die Gods uitspraak over zijn eigen zonde heeft aanvaard en daarenboven aanneemt dat zijn persoonlijke zonden op het kruis zijn geplaatst en dat de rechtvaardiging van de Redder op het krediet van de zondaar is overge-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

265

dragen. In 1 Cor.3:11-15 is er geen twijfel mogelijk dat “ieder” en “alle” slechts over de gelovigen spreekt. Want allen die in de tekst genoemd worden zijn gered, sommigen ontvangen zo waar ook een aanvullende beloning, ze worden allen gered als door het vuur heen. Zo moeten we ook de uitdrukking “alle mensen” in deze tekst verstaan. Het is de rest van de schrift waaruit we begrijpen dat de vrije gift van Gods genade en rechtvaardigheid voor alle wedergeborenen de rechtvaardiging meebrengt door het werk van de Verlosser.” We citeren de herdruk van 1977 bij Wm. Eerdmans, deel 3, p.89, 90. De theologie is dus verdeeld in twee kampen; dezen waar “allen” in Rom.5:18 niemand uitsluit, maar de anderen waar “allen” slechts de gelovigen insluit. En 1 Cor.15:22 is de tweede tekst. De NBG zegt: “Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden” (wij onderstrepen). Ook hier kunnen we twee kanten op met “allen.” “Allen” als alle afstammelingen van Adam of “allen” slechts en alléén de gelovigen in Christus. En bij dit laatste zijn er nog twee visies, een groep die géén onderscheid maakt tussen gelovigen vóór of na Christus en dezen die dat onderscheid wel maken. Maar op dit laatste gaan we niet in. Dat de opstanding van de “allen” slechts over gelovigen spreekt hiervoor de volgende citaten. Vooreerst uit F.W. Grosheide, ‘Korte Verklaring der Heilige Schrift, 1 Korinthe’, Kok, 3de druk 1966, p.188, 189. “In de mens Adam sterven allen, in de mens Christus worden allen levend gemaakt. Dat dit allen niet absoluut moet genomen worden, ligt in de aard der zaak. Paulus spreekt alleen van de gelovigen. Dat blijkt, wat de levendmaking betreft, duidelijk uit vs. 23: die in Christus zijn. Men kan het ook zó zeggen. De daad van Adam en die van Christus heeft betekenis voor hen, die in hen zijn, gelijk er uitdrukkelijk staat. Dit vers mag in geen geval gebruikt worden als bewijsplaats voor de leer, dat alle mensen in Christus behouden worden. Sterven staat in de tegenwoordige tijd. De apostel stelt het dus niet zó voor, dat, toen Adam stierf, allen stierven, maar hij denkt aan het voortdurend sterven van Adams nakomelingen. Daarentegen staat levend gemaakt worden in de toekomende tijd, Paulus denkt daarbij dus aan de opstanding, die voor allen tegelijk vallen zal bij de wederkomst van Christus, zie vs. 23. Die opstanding is, juist omdat de gestorvenen ook leven, wat wij noemen de opstanding des vleses, zie vs. 44. Maar daarbij moet vooral op opstanding de nadruk vallen, want de mens staat op, vs.23” (wij onderstrepen wat de schrijver in schuinschrift heeft gezet). En J. Reiling, ‘De eerste brief van Paulus aan de Korinthiërs’, Callenbach, 1997, p.275, 276 zegt: “(15:22) Het ‘door een mens’ van vs.21 wordt in vs.22 vervangen door ‘in Adam’ en ‘in Christus’. De woorden ‘dood’ en ‘opstanding van doden’ worden nader ontvouwd in werkwoorden: ‘allen sterven’, ‘allen zullen levend gemaakt worden’. Het eerste is tegenwoordige tijd, het tweede is futurum. Adam is de eersteling van alle mensen: hij is gestorven door zijn zonde en dat werkt door in alle mensen, zodat zij ook sterven. Christus is de eersteling van de gestorven mensen, omdat Hij de eerste is die uit de dood is opgewekt. Ook dat werkt door in allen, zodat zij levend gemaakt zullen worden. De vraag rijst of beide keren met ‘allen’ dezelfde mensen worden bedoeld, met andere woorden of met deze zin de algehele opstanding van de doden wordt verkondigd. De herhaling van ‘allen’ is echter eerder het gevolg van de parallelle opbouw van vs. 21-22 dan bedoeld als een theologische identificatie. In vs. 23 preciseert Paulus dit tweede ‘allen’ als ‘zij die van Christus zijn’.” Dat wil zeggen dat in de theologie van Paulus het begrip “allen” dus soms een beperktheid kan inhouden! Daarom moeten we de opstanding van de goddelozen niet trachten te bewijzen vanuit 1 Cor.15:20-28. 2 Corinthiërs 5:1-10. Wij zullen overkleed worden.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

266

We kunnen lang en ingewikkeld schrijven over dit bijbelgedeelte maar gaan het niet doen. We staan ver van wat M. Harris zegt in ‘Tyndale Bulletin’ 22/1971 (p.32-57). Waar we achterstaan is wat P.J. Pop schreef in dit verband in zijn commentaar op 2 Corinthiërs. Hij zegt: “Indien de aardse tent, waarin wij wonen, wordt afgebroken. Letterlijk luidt de griekse tekst: ons aardse tenthuis. Dit beeld beschrijft wat in 4:11 “ons sterfelijk vlees” en in 4:16 “onze uiterlijke mens” genoemd werd. Met dit beeld karakteriseert Paulus zijn bestaan op deze aarde als onsolide. Zoals een tent tegen storm niet bestand is en in een ommezien afgebroken kan worden, zo is zijn aardse existentie wankel en elk ogenblik bedreigd. Het lijkt niet aanbevelenswaardig bij het woord tent uitsluitend aan het lichaam te denken, omdat wij dan onwillekeurig de griekse tegenstelling van lichaam en ziel in de tekst leggen, die wij bijvoorbeeld in het citaat uit de Wijsheid van Salomo tegenkomen. Paulus jammert in deze perikoop niet over zijn onsterfelijke ziel, die zo droevig behuisd is, maar over zich zelf, naar lichaam en ziel, omdat hij de nieuwe bestaanswijze van het rijk der heerlijkheid nog niet ontvangen heeft en het nog altijd doen moet met de aardse bestaanswijze (...) Zijn nieuwe bestaanswijze ligt in deposito op hem te wachten. Hij heeft haar vaster in eigendom dan de rijke zijn geld op de bank. In Col.3:3 vlg. zegt hij daarom: uw leven is verborgen met Christus in God en het zal u toebedeeld of uitgereikt worden wanneer Christus verschijnt, die ons leven is. De nieuwe bestaansvorm van het rijk der heerlijkheid vergelijkt de apostel met een gebouw: wij hebben een gebouw van (letterl.: uit) God. Dit beeld staat tegenover dat van de tentwoning (...) Belangrijk is de vraag wat Paulus bedoelt als hij spreekt over de afbraak van het aardse tenthuis. De meeste commentaren denken aan zijn sterven. Het is echter niet noodzakelijk het tijdstip van deze afbraak te identificeren met dat van het overlijden. Men kan het beter laten samenvallen met dat van de komst van Christus. Deze brengt immers het einde van de oude bestaanswijze. De aardse tentwoning wordt dan radicaal afgebroken. Want vlees en bloed kunnen het koninkrijk Gods niet beërven en het vergankelijke beërft de onvergankelijkheid niet. Bij Christus’ komst zal de bazuin klinken en dan zullen de doden onvergankelijk opgewekt worden en wij, die dan nog in leven zullen zijn, zullen veranderd worden (I Cor.15:50,52). Het leven in de aardse tent houdt dan op; het nieuwe leven in het gebouw uit God begint (...) Wie deze perikoop niet eschatologisch verklaart, maar meent, dat hier beschouwingen over “na het sterven” te vinden zijn, staat voor de onmogelijke taak deze in overeenstemming te brengen met hetgeen de apostel elders leert. Bovendien wordt hij verleid een begrip in te voeren, dat in deze verzen in het geheel niet voorkomt: het begrip ziel. Wie zich eenmaal op deze glibberige weg waagt en de perikoop verklaart als sprekende over de toestand der ziel na de dood, komt onvermijdelijk in platonischphilonisch vaarwater terecht en breekt de spits van het nieuwtestamentisch getuigenis af. In de uitlegging, die hier volgen zal, is uitgegaan van de opvatting, dat deze perikoop uitsluitend handelt over hetgeen bij de komst van Christus zal plaatshebben” (wij onderstrepen). F.J. Pop, ‘De tweede brief van Paulus aan de Corinthiërs’, G. F. Callenbach N.N., 1962, p.138, 139, 140, 141. Epheziërs 4:8-10. Gaven gaf Hij aan de mensen. We vragen eerst uw aandacht voor de aantekeningen bij vers Eph.4:10 in de Willibrord-vertaling 1995: “Door zijn hemelvaart, verheerlijkt opstijgend van het laagste naar het hoogste, heeft Christus getriomfeerd over de machten en bezit genomen van het heelal als zijn Heer (Fil 2,9-11); deze ‘vervulling van alles’ (vgl. 1,23) wordt nu gerealiseerd door de kerk, die Hij opbouwt met zijn gaven, vgl. de aant. bij 1,22b-23 en 3,10; zie ook 4,15-16.” Wij citeren W. Hendriksen, ‘New Testament Commentary Ephesians’, The Banner of Truth Trust, 1972, p.190,191,195. “Volgens de aanhaling van het OT is het alsof God uit de hemel neerdaalt om strijd te voeren tegen zijn vijanden. Hij stijgt terug omhoog als Overwinnaar, volgeladen met buit. Wat gaf Paulus het recht om dit “ontvangen” van giften toe te passen op Christus die giften “geeft” aan de gemeente? Er zijn vele uitleggingen daarvoor gegeven maar ik zal de lezers


LEVEN, Dood en opstanding_1999

267

er niet mee vermoeien. De oplossing die ik zelf aanneem is deze: onder leiding van de Heilige Geest heeft de apostel elk recht om deze toepassing te doen, de Overwinnaar ontvangt de giften met het oog daarop dat ze later uitgedeeld worden. Wanneer Christus ten hemel vaart is dat niet met lege handen. Integendeel als onderdeel van zijn volbrachte middelaarswerk ging Hij ten hemel in triomf, in totaal bezit van de redding van Zijn volk. Bij wijze van spreken volgen ze Hem in deze zegevierende stoet. Ze volgen Hem, bij wijze van spreken, als gevangenen gebonden aan Zijn strijdwagen. En ze zijn met velen. En daaronder ook Paulus, voorbestemd met anderen om het licht van het evangelie te verspreiden. Gode zij dank (...) Christus heeft ontvangen om te geven (...) en de logica is niet onmiddellijk voor de hand liggend. Een opgaan houdt niet noodzakelijk een nederdaling in (...) De oplossing ligt daarin dat Paulus geen algemeen principe aangeeft maar spreekt over Christus en in dat verband zegt dat Hij is opgegaan nadat Hij was nedergedaald (...) als resultaat van Zijn nederdalen in de hel van Calvarie waar Hij verzoening bracht voor zonde en de daaropvolgende opstanding en hemelvaart, dat de tekenen zijn dat Zijn verzoening volmaakt werd aanvaard, heeft Christus als de verhoogde Middelaar het ganse Universum “gevuld” met Zijn “giften.” Of als we het anders zeggen de “giften” gegeven die Hij had verdiend: redding in zijn genadevolle betekenis en daarenboven de diensten van diegenen die het zouden verkondigen zoals apostelen, profeten, evangelisten enz..”. (wij onderstrepen). En S. Greijdanus zegt over deze teksten in de ‘Korte Verklaring’, Efese en Filippenzen, Kok, vierde druk 1973, p.88,89: “Ten aanzien van de Here Christus wordt met dit vers uitgedrukt, dat Hij de overwinning op hel en wereld behaald, alle vloek en schuld Zijns volk gedragen, een volle verzoening voor hen aangebracht heeft, en daarna ten hemel gevaren, en ter rechterhand Gods gezeten is, om vervolgens de H. Geest met alle Zijn heilswerkingen en genadegaven in Zijn gemeente uit te storten, en aan Zijn gelovigen te geven. In dit vers wordt dus - in samenhang met Ps. 68 - gesproken van overwinning door de Here, en van door Hem bewerkte verlossing van Zijn volk, en van Zijn souvereine, gans vrijmachtige, uitdeling van genadegaven als overwinningsblijken en feestgeschenken aan Zijn gemeente en gelovigen. Hij stelt Zijn ongehouden vrijmacht in het licht, om te handelen naar eigen verkiezen. Niemand heeft het recht, Zijn doen te bedillen. Het is voor allen genade, verlossing, onverdiende, rijkmakende, verheffende zegening (...) En nu is de Zone Gods nedergedaald uit de hemel op deze aarde, in onze menselijke natuur, tot verbrijzeling van onze zonden. Daarom doelt Ps. 68 : 19, naar zijn diepe en volle zin, op Hem en Zijn verlossingswerk en heilsverwerving en zegenschenking, door en op grond van Zijn Zelfvernedering tot de dood des kruises (...) Vooreerst zou men dan de overtreffende trap: benedenste, verwachten. In de tweede plaats gaat de apostel nu niet in op het gevangen nemen van de gevangenis, dat anders op het diepste nederdalen zoude hebben kunnen zinspelen, wanneer hij gedoeld had op ‘s Heren nederdaling ter hel in plaatselijke zin. Ten derde ligt in het begrip: opvaren, wel de gedachte van omlaag geweest te zijn, en dus bij God de voorstelling van naar beneden gekomen te zijn. Maar er ligt niet in, dat die nederdaling tot binnen in de aarde, tot in de hel, plaats had. Over het hoe diep van de nederdaling, anders dan tot de aarde, vanwaar de opvaart geschiedde, beslist het niet. En daarom zullen we de tweede naamval: der aarde, moeten opvatten als een nadere verklaring: naar, of in de lagere delen, d. i. naar, of op de aarde. Met die uitdrukking wordt dan alles samengevat en aangeduid: ‘s Heren komen op de aarde, Zijn vleeswording, Zijn lijden en dood. Zijn ganse Zelfvernedering in volle omvang en tot het schrikkelijkste (...) De Nedergedaalde Zelf, of ook kunnen we vertalen: de Nedergedaalde, Hij is ook de Opgevarene. Daarmede spreekt de apostel de identiteit uit, d. w. z. dat Hij, Die nedergedaald is, en Hij, Die opgevaren is, dezelfde Persoon is. Er ligt in, dat hij Ps. 68 : 19 terecht heeft aangehaald als ziende op de Here Christus en Zijn hemelvaart. Voorts, dat ‘s Heren verhoging haar grond heeft in Zijn voorgaande Zelfvernedering. Alverder, dat Hij dus de gaven uitdeelt, die Hij Zelf eerst voor de Zijnen verworven heeft; dat dit enkel gaven van loutere genade zijn; en dat Hij er de volle, vrije


LEVEN, Dood en opstanding_1999

268

beschikking over heeft, om ze te geven geheel naar eigen verkiezen” (wij ondersprepen). (Zie ook TDNT, deel 2, p.209,210.) ‘The New Jerome Biblical Commentary’ Prentice Hall, Edit. R. Brown, J. Fitzmyer en R. Murphy, 1990, p.889 zegt het volgende: “lagere regionen: ofwel de nederdaling ter helle (hades) het verblijf van de doden (cf. Rom.10:7 / Phil.2:10 / 1 Petr.3:19 / 4:6) of de incarnatie op de aarde is de betekenis van deze lagere regionen. Volgens de cosmologie van de schrijver waar alle nietmenselijke wezens, goedaardig en welwillend, beschreven zijn als in de hoogten (1:20-22 / 3:9,10 / 6:10-20) ondersteund de verklaring tès gès, “de aarde” als een tegenstelling (de lagere regionen t.t.z. de aarde (...)) en de nederdaling als de incarnatie.” Conclusie: 1) Dat we in Eph.4:8-10 een verwijzing hebben naar de Hades (= dodenrijk) is onwaarschijnlijk, dan zou er moeten staan onder de aarde. 2) De tekst is een verwijzing naar een tekst uit het OT waar YaHWeH onderwerp is van de vervulling. YaHWeH heeft op aarde alle vijanden van Israël overwonnen. Hier is dat door Paulus toegepast op de Hemelvaart van Christus. (Een ander voorbeeld Jes.28:16 / YaHWeH = Rom.10:11 / Christus). 3) Als resultaat van zijn werk op Kalvarie (zie Hendriksen) zien wij dat Jezus, door middel van de Heilige Geest, de aarde (de Kerk) vult met giften; apostelen, profeten, evangelisten enz (...) 4) Een binnendringen tot in de aarde zit er niet in, niet in de hades (sjeool = dodenrijk) om daaruit een buit mee te nemen (Greydanus) maar wel een incarnatie van de Heer. 5) Wie dan toch de koppeling maakt van een nederdaling die ook de hades zou inhouden, doet dat zonder dat Paulus daar iets over opmerkt. De koppeling maken Eph.4:8 = Mat. 27:52,53 is, een hieraan gekoppelde verkeerde exegese. Philippenzen 3:11. Met de Heer, door “uitopstanding.” Een zekere leer vooral gekend onder de vrienden van Bullinger maar die ondertussen al is doorgedrongen tot het tijdschrift ‘Amen’ is deze die zegt dat Paulus op het laatst van zijn leven nog een nieuw evangelie heeft verkondigd: “het geheimenis van het evangelie” of “het evangelie des vredes” Eph.6:15,19). Dat evangelie wordt “verkondigd aan: heidenen (waar de Joden deel van uitmaken in deze tijd)” volgens ‘Amen’ n°5, november 1995, p.31. Zij hebben: “de hoop die ver boven alle hemelen” is zegt ‘Amen’ n°7, april 1996, p.30. En de tekst van Philippenzen 3:11 zou slechts op deze groep toepasselijk zijn. Zij krijgen een aparte opstanding. Dat zou door het begrip “exanastasis” duidelijk zijn. Dat alles heeft ook te maken met een visie op Israël en de tijd van het einde waar we hier niet kunnen op in gaan. Zie hiervoor onze publicatie ‘De Wederkomst van Jezus, de Joden en de duizendjarige regering’, waar deze dingen aan de orde zijn. Maar over dat woord is toch wat te zeggen. S. Greijdanus zegt in ‘Efeze - Filippenzen, Korte verklaring van de Heilige Schrift’, Kok, Kampen, 1973, p. 212, 213: “Met deze woorden staan we voor een moeilijkheid. Vooreerst hebben enkele handschriften de lezing: opstanding van doden. Dat bedoelt te zeggen, dat de doden opstaan. Doch de meeste handschriften luiden: opstanding uit doden, waarmede uitgedrukt wordt, dat er een opstanding is uit het midden van doden; vgl. Ef.5:14 / Hand.4:2. Omdat de eerste schrijfwijze in de H. Schrift de gewone is, vgl. Mat.22:31 / Hand.17:32 / Rom.1:4 / 1 Cor.15:13 / Heb.6:2 e.a., daarentegen die met het voorzetsel “uit” ongewoon, is het weinig aan twijfel onderhevig, of deze laatste is in sommige handschriften vervangen door de eerste, en moet voor de oorspronkelijke gehouden worden. Maar dan rijst de vraag, waarop de apostel het oog heeft. Hierbij komt nog, dat hij nu niet het gewone woord voor opstanding gebruikt, maar een samenstelling, die hij nergens elders bezigt, nl.: uitopstanding. Het is moeilijk aan te nemen, dat hij hier niets bijzonders mee


LEVEN, Dood en opstanding_1999

269

bedoelt. Maar wat is dat? Wij kunnen er door gesproken zien van de opstanding ten leven, in heerlijkheid en kracht, in onderscheiding van die ter rampzaligheid, Joh.5:29. Waarschijnlijk echter moeten we ook nog aan iets anders denken (...) En dan is het één opstanding, die begint met de geestelijke levendmaking en bekering, en voleindigd wordt in de opstanding ten eeuwigen leven. De geestelijke reiniging bereikt in dit leven haar volkomenheid niet, Jac.3:2, hoewel we er naar te jagen hebben, 2 Cor.7:1. Dat alles wist ook de apostel, en daarop wijst hij ook juist in dit verband, vs 12 v.v. Daarom zal hij nu willen zeggen, dat hij met alle krachten zich inspant, om alles weg te doen, wat er van de dood der zonde nog aan hem is, en om de opstanding uit die dood der zonde volledig haar doorwerking bij hem te laten hebben in algehele uitzuivering der zonde en in toewijding aan de Here. Daaraan zit de heerlijke opstanding ten laatsten dage onlosmakelijk vast. Aldus is de opstanding, door de apostel hier bedoeld, wel ook die in heerlijkheid aan het eind der dagen, maar tevens die der dagelijkse tenietdoening der zonde (...) Ook wordt dan duidelijk, waarom hier het voorzetsel “uit” gebruikt moest worden: omdat hier nl. geen sprake is van een opstanding van, of door, doden, maar uit doden, in overeenstemming met Ef.5:14 / 1 Cor.15:12” (wij onderstrepen). A. F. J. Klijn zegt in ‘De brief van Paulus aan de Filippenzen’, Callenbach, Nijkerk, 1969, p.80: “Op tamelijk behoedzame manier spreekt Paulus over zijn verwachting dat hij van tussen de doden zal opstaan. Het valt echter op dat er met veel nadruk gezegd wordt dat het een opstanding “van tussen de doden zal zijn.” Hiermee wijst Paulus kennelijk elke andere voorstelling af die iemand over de opstanding zou kunnen hebben. Het lijden met Christus heeft niet automatisch tot gevolg dat men ook met hem zal opstaan. Die opstanding blijft een gave van God. De enige manier waarop een mens deze gave kan ontvangen is dat hij met Christus sterft. Wat Paulus hierna gaat zeggen is feitelijk niets nieuws. In alle scherpte heeft hij het verschil tussen zijn eigen opvattingen en de prediking van de joodse zendelingen duidelijk gemaakt. Ze kenden verschillende belangrijke zaken, zoals kennis, wet, gerechtigheid en onberispelijkheid. Paulus stelt daartegenover een andere kennis, het geloof in Christus, gerechtigheid van God, met Christus sterven en de verrijzenis. Dat laatste onderdeel uit Paulus’ prediking kwam niet voor in de prediking van de zendelingen. Daarmee was hun prediking veroordeeld” (wij onderstrepen). Zelf denken we dat er geen speciale aandacht moet besteed worden aan het voorzetsel “ex” in dat woord. We hebben daarvoor een voorbeeld uit de evangeliën. Mat.22:24: “en zij zeiden: Meester, Mozes heeft gezegd, indien iemand sterft zonder kinderen, zal zijn broeder diens vrouw trouwen en voor zijn broeder nakomelingschap verwekken.” Marc.12:19: “Meester, Mozes heeft ons voorgeschreven, indien iemands broeder sterft en een vrouw nalaat, doch geen kind achterlaat, dat dan zijn broeder de vrouw moet nemen en voor zijn broeder nakomelingschap verwekken.” Luc.20:28: “en zeiden: Meester, Mozes heeft ons voorgeschreven, indien iemands broeder getrouwd is en kinderloos sterft, dat dan zijn broeder de vrouw nemen moet en voor zijn broeder nakomelingschap verwekken.” Deze drie teksten spreken over hetzelfde verhaal maar de tekst van het Grieks heeft wel een verschil. In Mattheüs vinden we de gewone werkwoordvorm “anastasis” maar in de twee andere evangeliën staat “exanastasis.” De Schrift zelf maakt dus geen verschil tussen beide woorden, we hoeven dat dan ook niet te doen. De Bijbel met zes (Nederlandse) vertalingen geeft voor alle vertalingen immers “verwekken” en maken géén onderscheid tussen de twee begrippen. Met ander woorden: voor een Bijbelvertaler is er geen verschil tussen waar “anastasis” of waar “exanasta-


LEVEN, Dood en opstanding_1999

270

sis” staat. Bullinger en zijn vrienden hebben op deze tekst dan ook een ééntekstfilosofie gebouwd. 1 Thessalonicenzen 4:13-17. Samen met de Heer. In ‘The Zondervan Pictorial Encyclopaedia of the Bible’ deel 5, edit. M.C. Kenney, Zondervan, 1975, p.73 lezen we: “Wanneer zullen de doden opgewekt worden? Volgens de algehele beginselen van het NT en vooral deze van Paulus (1 Cor.15:51,52 en 1 Thess.4:16) zal de opstanding van de overleden gelovigen plaats hebben bij de Tweede komst van de Heer wanneer ook dezen die in Christus zijn en levend overblijven bij die komst veranderd worden. Alle gelovigen uit alle eeuwen vormen samen één groep van verheerlijkte heiligen en hebben het voorrecht hun Verlosser te ontmoeten in de lucht (...) ze zullen deelnemen aan de gerechtelijke uitspraken over ongelovigen en afgevallen engelen (Matt.25:41 f.f.; 1 Cor.6:23)” (wij onderstrepen). Van de gelovigen wordt gezegd dat ze “slapen”, in het Grieks “koimaomai.” Dat kan zowel betrekking hebben op de letterlijke nachtelijke slaap (Luc.22:45 / Hand.12:6 / vgl. Dan.12:2) als op de slaap in de dood (Joh.11:11-14 / 1 Cor.7:39). En hoewel van de meeste gelovigen of ongelovigen in het graf niet veel overblijft na enkele jaren kan God dat wat niet is tot aanschouwen roepen (Rom.4:17). Ook Christus heeft voor ons de dood gesmaakt (Heb.2:9) zodat Hij een medelevend getuige is onder Zijn broeders (Heb.2:14,15). En we zijn in zekere zin met Christus al opgewekt zegt Col.3:1. Hij stierf voor ons (Rom.4:25), Hij is opgestaan voor ons (1 Cor.6:14). Het is een belofte dat onze sterfelijke lichamen levend gemaakt zullen worden (Rom.8:11) en gelijkvormig worden aan het lichaam dat de Heer thans reeds bezit (Phil.3:21 / 2 Cor.4:14). Wat wel duidelijk is in deze tekst maar waartegen alle aanhangers van een toekomend duizendjarig rijk zondigen is dat alle gelovigen van alle tijden en alle plaatsen in één groep opstaan. Bij dat gebeuren gaan ze in één groep de Heer tegemoet in de lucht. Dat is duidelijk uit vers 17 waar het Grieks de dubbele uitdrukking gebruikt “hama sun.” Dat kan niet anders vertaald worden als “tezamen” (sun) en “terzelfertijd” (hama). Bij de komst (aanwezigheid = parousia) zal datgene geschieden waar de kerk al eeuwen naar uitziet: in alle opzichten bij de Heer zijn! Nadat allen de roep horen en zullen uitgaan (Joh.5:28,29) uit de graven zal de gemeente eeuwig bij de Heer zijn en alle ongelovigen en opstandigen verbannen naar gehenna. Hier nog ergens duizend jaren willen tussenbrengen is ingaan tegen wat in deze tekst staat. M. Bolkenstein zegt in zijn ‘De brieven aan de Tessalonicenzen’, Callenbach, 1970, p.127 in dit verband: “De opgewekten en de levenden worden samen de Heer tegemoet gevoerd in de lucht. Dat heeft echter niet de bedoeling, in de lucht te blijven. De Heer is onderweg, in het luchtruim. Hij begeeft zich naar de aarde? De gemeente ontmoet Hem in de lucht. Ze zal straks met Hem zijn - op de aarde. Niet: in de hemel. Maar: op de aarde. Het “met de Heer” zijn houdt het delen in zijn verheerlijking in, het deelhebben aan zijn rijk (1 Kor.15:23-26;Rom.5:17; 8:17) Daarin komt de geschiedenis tot haar verlossing, tot haar zin.” De berekeningen van de WT in dit verband (het ging in vervulling in 1918/1919) zijn totaal onbijbels want Zijn komst is als een dief, dus onverwacht. Maar ook letterlijk zichtbaar en dat was niet het geval in 1918/1919! Zie 1 Thes.5:2,3 / 2 Pet.3:10 / Opb.3:3 / 16: 15). Van zo een belangrijk onderwerp moeten alle gelovigen op de hoogte gesteld worden is de redenering van Paulus (1 Cor.10:1,12 / 2 Cor.1:8 / Rom.1:13 / 1 Thes. 4:13). 1 Thessalonicenzen 5:23. Geest, ziel en lichaam.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

271

Drie aanhalingen zonder commentaar van onzentwege. In ‘The Zondervan Pictorial Encyclopaedia of the Bible’ deel 5, edit. M.C. Kenney, Zondervan, 1975, p.504 lezen we: “Er zijn andere plaatsen waar de mens als het ware beschreven is als drievoudig, alhoewel een tekst als 1 Thessalonicenzen 5:23 niet hoeft te betekenen dat Paulus dacht aan de mens als bestaande in drie delen. Hebreeën 4:12 schijnt erop te wijzen dat ziel en geest gescheiden moeten worden maar dat is toch geen gemakkelijke taak. Het verschil wordt soms hierin gezien als het hogere en lagere aspect van de menselijke geest: “de ziel” zou de manifestatie zijn met betrekking tot de wereld en “de geest” de manifestatie naar God toe.” De ‘The Zondervan Pictorial Encyclopaedia of the Bible’ deel 5, edit. M.C. Kenney, Zondervan, 1975, p.597 zegt over deze teksten: “1 Thess.5:23 en Hebr.4:12 zijn uitzonderingen en zijn het best als volgt te begrijpen. Ze verwijzen niet naar een drievoudige mensleer. Het zijn stijlfiguren die de allesomvattende natuur van de verlossing weergeven of de alles doordringende kracht van God. Een psychologische beschrijving hierin zoeken is van de niet-technische-taal van de Schrift teveel vragen. Het is waarschijnlijk meer accuraat om de termen psuche en pneuma te zien als synoniemen.” M. Bolkenstein zegt in zijn ‘De brieven aan de Tessalonicenzen’, Callenbach, 1970, p.161, 162 o.a. dit: “Hier echter staan drie begrippen naast elkaar: geest, ziel en lichaam. Deze combinatie, komt nergens elders voor en stelt ons voor een probleem. Denkt Paulus hier plotseling trichotomisch? Er zijn enkele uitleggers die dit menen. Niet geheel duidelijk wordt dan, hoe speciaal geest en ziel tegenover elkaar afgegrensd dienen te worden. A Oepke stelt voor: geest is het hoogste, God toegewend levensprincipe, ziel is het natuurlijke leven? Is Paulus misschien onder griekse invloed tot deze driedeling gekomen? A.J. Festugière, die hier wel een trichotomie aanneemt ontkent dit. Toch maakt deze gedachtengang een griekse indruk. Er zijn daarnaast pogingen gedaan het woord “geest” niet antropologisch maar theologisch op te vatten. Het zou niet de aanduiding van het menselijk leven zijn, maar van Gods Geest. Geest kan bij Paulus inderdaad goddelijke Geest betekenen en staat dan tegenover het vlees (...) Toch lijkt deze theologische interpretatie niet juist te zijn, omdat ze alle drie op één rij worden gezet door Paulus (...) Paulus maakt zijn onderscheid in ieder geval niet systematisch en wetenschappelijk.” Hebreeën 4:12. Ziel en geest. We citeren twee schrijvers in dit verband die alle verband met de onsterfelijke ziel of iets dergelijks relativeren, een Katholiek en een theoloog uit de Broeders. “Gewezen wordt op het actieve karakter van Gods woord; het is niet dood, niet een voor de mens uiteindelijk onverschillige grootheid, maar het legt in volle ernst beslag op de menselijke persoon: de houding jegens Gods woord bepaalt eens en voor goed het lot van de mens. De mens is eraan uitgeleverd zoals aan een scherp wapen, een ‘tweesnijdend’ en dus bijzonder effectief zwaard, en niets kan deze alles doordringende macht weerstaan (...) De Brief aan de Hebr. denkt niet wijsgerig maar heilshistorisch, religieus, en brengt zo de verontrustende eis aan het licht die in Gods woord is uitgesproken, en waaraan ook het diepst verborgene in de mens zich niet kan onttrekken. Totaal niets blijft verborgen voor de God die met zijn woord een onontkoombare verplichting oplegt; geen sluier kan iets voor Hem bedekken, en zoals de hals van het offerdier achterover wordt gebogen en voor de stoot van het mes wordt vrijgemaakt, zo is alles aan Hem prijsgegeven.” O Kuss, ‘Het Nieuwe Testament met commentaar’, deel 9, ‘De brief aan de Hebreeën’, Uitg. Patmos, Antwerpen, 1967, p.80,81.


LEVEN, Dood en opstanding_1999

272

“De bedoeling lijkt veeleer dat het woord van God scherp doordringt in het innerlijk ziele- en geestesleven van de mens en (zoals het ook aan het slot van dit vers staat aangeduid) gedachten en overleggingen blootlegt, zoals het mes van de chirurg. In Hb staat ziel en geest beide nauw met het geloofsleven in verband; zie 6:19 (de hoop als een ‘anker van de ziel’), 10:39 (‘tot behoud van (de) ziel’) en 13:17 (‘waken over uw zielen’). In Hb 12 staat in één zelfde gedeelte geschreven over het ‘in uw zielen bezwijken’ (vs.3) en over God die ons tuchtigt in ons geestelijk leven als ‘de Vader van de geesten’ (vs.9). Als we al mogen onderscheiden, zouden we kunnen zeggen dat het woord van God zowel de verborgen gevoelens en lusten van de ziel blootlegt alsook de verborgen overleggingen en het ongeloof van de geest. Maar veiliger is misschien te zeggen dat het woord van God héél het ziele- en geestesleven van de gelovige blootlegt.” W.J. Ouweneel, ‘Wij zien Jezus, Bijbelstudies over de Brief aan de Hebreeën’, deel 1, Uitg. H. Medema, Vaassen, 1982, p.58. Zie ook 1 Thessalonicenzen 5:23. Geest, ziel en lichaam. 1 Petrus 3:19. Gepredikt aan de geesten in de gevangenis. Zonder een juist begrip van wie de “geesten” zijn in deze tekst is de tekst ofwel “uitgelegd” of er is iets “ingelegd.” Daarom enkele feiten op een rij: 1) God is een Geest Joh.4:24. Engelen zijn geesten Heb.1:7,14. Duivelen, die afgevallen engelen zijn, worden daarna nog ste