Issuu on Google+

DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

252

Hoofdstuk 2 Over profetie Wat zij op dat gebied zeggen Alle verdedigers van een toekomstig duizendjarig rijk leggen grote nadruk op de letterlijke vervulling van profetie waar dit mogelijk is. Natuurlijk moeten we daar “amen” op zeggen. We citeren uit een gekend boek van deze theologische richting: Hal Lindsey, ’De planeet die aarde heette’, Uitg. Luitingh, 1972, blz.173, 174: “Ons standpunt is premillemnionistisch. Het wezenlijke tussen de amillenionisten en de premillenionisten is de vraag of de profetieën letterlijk of figuurlijk moeten worden opgevat. Zoals in het boek vele malen is aangetoond, zijn bijna alle profetieën omtrent gebeurtenissen uit het verleden letterlijk uitgekomen, vooral de voorspellingen betreffende de eerste komst van Christus. Het bewijs is geleverd dat de woorden letterlijk moeten worden opgevat, dat wil zeggen dat ze hun normale betekenis hadden voor de mensen die leefden in de tijd dat ze werden neergeschreven. De woorden waren niet bedoeld om weggeredeneerd te worden door mensen die niet kunnen geloven wat duidelijk is voorspeld.” Daarop zeggen we echter: dat er hier geen “amen” mag op volgen. Want de

schrijver geeft blijk van weinig respect voor wat het NT leert over vervullingen van voorspellingen uit het OT. En we kunnen onze stelling ook waar maken, gezien er tientallen voorbeelden zijn van voorzeggingen die we verder aanhalen maar niet voldoen aan de definitie van Hal Lindsay. Een andere verdediger van profetie in het licht van de duizendjarige regering zegt: “Enkele weken geleden was schrijver dezes onderweg naar huis op zondagavond, na elders een spreekbeurt te hebben vervuld, terwijl de radio in de auto aanstond. De hoofdredacteur van een overigens door mij gewaardeerd christelijk dagblad werd de vraag gesteld hoe hij de profetieën zag die over Israël spreken. Op deze vraag antwoordde deze hoofdredacteur dat de Bijbel voor hem geen puzzelboek en geen spoorboekje was. Afgezien van het feit dat dit een afgesleten antwoord is, met uitdrukkingen die jaren geleden al door theologen als Aalders, Schilder en K. Dijk werden gebruikt, is het ook een gewone dooddoener. Waarom niet eens eerlijk en ruiterlijk gezegd dat de kerk zich tientallen jaren, ja, honderden jaren, heeft vergist en Israël heeft beroofd van de machtige beloften welke God aan dit volk heeft gegeven. Want de Bijbel is geen puzzelboek en nog minder een spoorboekje, maar het Woord zegt wel dat we acht moeten geven op het profetische Woord als een lamp, die schijnt op een duistere plaats (2 Petr.1 vs.19). Want als er ooit een tijd duister is geweest, dan is het deze tijd. Maar God laat de schijnwerper van het profetische Woord op een heldere wijze op Israël schijnen en de boodschappers van het profetische Woord, daar hoort ook de kerk bij, zullen die schijnwerper in de hand moeten nemen om het aan deze wereld duidelijk te maken dat Israël ons laat zien dat de laatste dagen zijn aangebroken” (J. Schouten, ’Het Zoeklicht’, 30 mei 1998, blz.11). Maar alles zo maar naar Israël toeschuiven zonder rekening te houden met de prediking, dood en Opstanding van de Heer is totaal onmogelijk. Aan de grondslag van profetie ligt Gen.3:15 en de boodschap is daar universeel en niet slechts Joods. En hoewel de beloften aan de Vaderen (vooral Abraham) grotendeels voor Israël zijn bestemd, zijn ook hier de beloften aan de Heidenen een belangrijk tegengewicht. We komen hierop terug in hoofdstuk drie.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

253

J. van Barneveld schrijft in ’Het Zoeklicht’ van 4 mei 1996, blz.6, 7: “Vaak horen we in de prediking en op bijbelstudies zeggen (en wellicht heeft u het zelf ook wel eens gezegd): ’De Here Jezus komt spoedig!’. Deze verwachting van Zijn komst is een geweldige blijde verwachting. We mogen daar biddend en vol hoop naar uitzien. Inderdaad, de laatste ’jaarweek’ kan elk moment aanbreken. De beruchte antichrist, het beest dat in het boek Openbaring en ook door de profeet Daniël uitvoerig wordt beschreven, kan elk moment de kop opsteken. De gebeurtenissen komen nu in een stroomversnelling terecht. Alles gaat al razend snel (...) Een advies van Luther. We moeten nu even ’gas terugnemen’. Immers ’overspannen verwachting’ en ’overtrokken aandacht’ kunnen tot vreemde, extreme situaties leiden. Het is niet voor niets dat Luther heel nuchter heeft opgemerkt dat, als hij wist dat de Here Jezus morgen terug zou komen, hij vandaag nog een boompje zou planten. Petrus was ervan overtuigd dat de eindtijd toen al was aangebroken. Zijn eerste advies voor de gelovigen was: “komt tot bezinning en wordt nuchter” en dan geeft hij allerlei regels voor een hecht gemeenteleven en besluit dat hoofdstuk (1 Petrus 4) met ons dringend aan te raden ’steeds het goede te doen’. Wij moeten ’gewoon’ doorgaan met het goede werk wat God van ons vraagt.” Wat we hierboven opmerken bij J. Schouten is gewoon hier ook te herhalen. We vragen ons af of deze mensen wel een tekst als 2 Pet.3:1-7 naar hun waarde kunnen beoordelen. R.H. Matzken zegt in zijn ’Het Koninkrijk Gods, Hier en nu’, privé uitgave rond 1976: “Allereerst gaat het om een vraagstuk van hermeneutiek, dat is de wijze van exegetiseren. Calvinisten en Lutheranen zullen daarbij impliciet blijven binnen de kaders van hun theologische leiders, te beginnen bij Calvijn en Luther. Evangelikalen beroepen zich principieel niet op; evangelische theologen (die veelal theoloog waren buiten hun evangelist zijn), maar op de Schrift en gaan daarbij van een aantal uitgangspunten uit, waarvan we er enkele hier expliciet noemen: 1. De Schrift is de enige gezaghebbende vertolking van Gods spreken tot de mens, dus niet náást de Kerkvaders, de oude geloofsbelijdenissen, de concilies of de tradities, zoals de Rooms Katholieke Kerk leert. 2. De Schrift dient letterlijk verstaan te worden, d.w.z. lees de Schrift “gewoon.” Vergeestelijk of allegoriseer alléén, indien dit uit het tekstverband duidelijk blijkt. 3. De Schrift spreekt zichzelf niet tegen, met andere woorden: De Schrift verklaart zich zelf en kan niet gebroken worden. 4. De Geest van God is de sleutel om de Schrift te verstaan; lees daarom de Bijbel in overgave aan Hem die de schrijvers inspireerde (1 Cor.2:10-12;2 Pet.1:21,22). (...) Deze vier uitgangspunten waren ook die welke Luther en Calvijn leerden; het gezagsprincipe, de letterlijk uitleg, Schrift verklaart Schrift en de persoon van de vertolker. Indien een Schriftgedeelte onduidelijk is, gaan we niet te rade bij de Kerkvaders of de Kerktraditie - Rooms katholiek of Protestant - maar bij de Schrift zelf, die gezaghebbend en zelfverklarend is” (blz.54,55). We komen op dit citaat niet meer terug, en om geen misverstand te scheppen toch deze opmerking bij de eerste paragraaf van de schrijver. (Dit is trouwens een zeer verhelderend boekje over de verhouding Reformata-Evangelikalen). De auteur geeft aan dat de schrijvers van de Reformata steeds blijven in hun eigen traditie. Dat beeld klopt niet met de werkelijkheid. We illustreren. Er verschenen bij de uitgeverij Kok ooit twee soorten bijbelcommentaren. (We hebben


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

254

het niet over de derde serie die is gestart.) Het niet wetenschappelijke ’Korte verklaringen’ met het oog op de gewone man, had weinig verwijzing naar andere geschriften. Zijn die er wel dan zijn die wel degelijk meestal uit Reformatorische kringen. Reden daartoe is de pastorale overweging! Doen Evangelikalen ook niet hetzelfde? Waarom dan die opmerking? De tweede wetenschappelijke serie van commentaren heeft zoals alle degelijke commentaren in dien aard verwijzingen naar de geschriften van zowel vriend als vijand. Daarom opnieuw de vraag: waarom die opmerking? En om die reden, van de wetenschappelijke duidelijkheid, zullen we ook wellicht tot verveling van sommigen, zeer kwistig zijn in het aanhalen van wie het niet met ons eens is. Want ook dat is ons duidelijk geworden: velen geloven maar wat omdat iemand hen ooit wat geleerd heeft. Maar echt nagegaan en vergeleken bij de Schriften hebben weinige. En sommigen willen daar zelfs niet op ingaan uit schrik iets aan geloof te verliezen. Alsof de waarheid en het geloof elkaar niet verdragen en elkaar uitsluiten! Wat wij op dat gebied zeggen We lezen in ’The Zondervan Pictorial Encyclopedia of the Bible’, 5 delen, edit. M.C. Tenney, Zondervan, 1975, vol.4, blz.895, het volgende als algemene inleiding hierbij: “Het is soms moeilijk om nauwkeurig de betekenis van een bijbelgedeelte te vatten. In enkele gevallen lijkt het onmogelijk om met zekerheid een passage te interpreteren of te begrijpen. Maar indien we langzaam en nauwkeurig voorwaarts gaan zal de onduidelijke tekst en de moeilijkheid die er in zit, vanuit het licht van andere teksten klaar en duidelijk worden. En aldus zal men het grootste aantal van deze moeilijke profetische geschriften aankunnen.”

Vijf stellingen over de aard van de Bijbelse profetie 1ste Stelling: Er is profetie die niet letterlijk vervuld wordt De manier waarop het NT omgaat met een voorspelling van het OT, geeft aan dat niet alles letterlijk te vervullen is. Om een voorbeeld te noemen dat zeker frappant is: profetisch zou de komende verlosser “Immánuël” genoemd worden. Matthéüs, die schrijft onder Gods inspiratie, citeert in Mat.1:23 een gedeelte uit een ander geinspireerde schrijver, uit Jes.7:14. Nu is het duidelijk dat men Jezus bij Zijn geboorte niet Immánuël noemt. Dat niet één van Zijn discipelen Hem aanspreekt met die naam. En dat daarna het NT deze naam voor Christus niet overneemt. Is hier iets aan de hand? Is Matthéüs zo dom dat hij dat niet kan inzien? Jezus, kan dan slechts een “Immánuël” genoemd worden in geestelijke zin. Hij was zoals het woord in werkelijkheid moet vertaald worden: “God is met ons.” Ten onrechte zet Bultema het (blz.34) bij de lijst van letterlijk te vervullen profetie. Wij citeren uit, naar onze mening, een zeer belangrijke studie over de vervulling van het OT, iets over deze Immánuël-tekst. “Bij de voorbereiding van de exodus uit Egypte verzekert de Here zijn Immanuëlbelofte aan Mozes: “Ik ben immers met u” (Ex.3:12). En aan het eind van de exodus heeft Mozes dan ook aan het volk gezegd: “De Here uw God was veertig jaar met u, gij hebt aan niets gebrek gehad” (Deut.2:7). “En als gij te strijde trekt tegen uw vijanden, dan zult gij niet vrezen, want uw God is met u”


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

255

(Deut.20:1) (...) Ook mocht het volk van de Here met deze Immanuëlbelofte het beloofde land binnengaan.” (Ter ondersteuning volgt dan Joz.1:5,9 / 3:7 / Richt.2:18 / 6:12,16). Zie J.W. Smitt, ’Opdat vervuld

zou worden’, De Vuurbaak, deel 1, 1975, blz.49. Maar nu is God onder het volk Israël in een lichamelijke vorm aanwezig, Immánuël heeft onder ons gewoond (Joh.1:14). Hij is geestelijk met ons, de gemeente, tot zij door Hem zal bevrijd worden bij Zijn Wederkomst. Op blz.53-57 somt de schrijver enkele bezwaren op tegen bepaalde verklaringen en daaruit willen we er toch twee citeren: “Immanuël is geen type van Christus en het vervullingsverband van Mattheüs kan niet typologisch worden verklaard, omdat daarin de typologische overeenkomst tussen de in 1:23 geciteerde profetie van Jesaja 7:14 en de verhaalde heilsfeiten in Mattheüs 1:20b en 21 (samengevat in vers 22a) ontbreekt. De messiaanse opvatting kan ook niet dienen voor een meervoudige vervulling in die zin, dat na de eerste vervulling van de Immanuëlprofetie in de dagen van Achaz, de tweede vervulling zou gekomen zijn in de ontvangenis en de geboorte van Jezus Christus en de laatste in het Immanuëlland van het nieuwe paradijs, want die zogenaamde tweede vervulling ligt niet op de vervullinghistorische lijn van de eerste en de laatste en is daarmee niet in overeenstemming.” (Deze twee delen van schrijver zijn met niets anders in het

Nederlandse taalgebied te vergelijken. Deel twee verscheen in 1977. Een goede tegenhanger in de Engelse taal is R. McConell, ’Law and Prophecy in Matthew’s gospel’, Friedrich Reinhardt Kommisionsverlag, Basel, 1969. Het is de doctorale scriptie van deze schrijver. En zie ook R.H. Gundry, ’The use of the Old testament in St Matthew’s gospel’, Brill, 1967.) Dezelfde redenering is toepasselijk voor de naam David die de Messias heeft volgens Ezech.34:23,24. Die naam heeft Jezus nooit gehad en niemand noemde Hem ooit zo. De vervulling van de tekst is toch duidelijk in Hem geschied volgens Joh.10:1-16. En vergelijk Jer.30:9 / Ezech.37:24,25 met Hand.2:30-36 / Opb.3:7. Het gaat niet om letterlijke vervulling. In Ezech.37:22 staat dat er één koning zal zijn over alle Israëlieten, en zijn naam is “David.” Maar in Jer.23:5 staat dat een rechtvaardige spruit zal regeren. Beide teksten worden door dezen die in de duizendjarige regering geloven toegepast op dat tijdperk. Zullen er dan twee koning zijn in dat rijk? Zou niet één van die teksten figuurlijk moeten zijn? Of beiden? Een andere tegenstrijdigheid, indien we alle profetie letterlijk nemen, is de volgende. Volgens Ezech.36:35 wonen ze in versterkte steden in het nieuwe Israël. Maar volgens Ezech.38:11,12 leven ze “allen zonder muren grendels of poorten.” Eén van beide moet figuurlijk zijn en toch spreken ze over dezelfde tijd volgens verdedigers van de duizendjarige tijd. De buitenmuur van de tempel loopt volledig rond de plaats die ervoor beschreven wordt (Ezech.40:5 / 42:20). Is dat letterlijk of figuurlijk? Een soort “Chinesche muur” in Israël? Maar waarom gezien Israël in het duizendjarige rijk geen vijanden zal hebben! Wanneer de Heer in Zijn eigen streek de profeet Jesaja aanhaalt, in de synagoge, en de tekst op hem zelf van toepassing brengt dan is er op zijn minst één deel uit de voorzegging die niet letterlijk in Hem in vervulling ging. Volgens Lucas 4:19 leest Hij: “om aan gevangenen loslating te verkondigen.” Maar naar teksten die over een letterlijke gevangenis spreken waarover loslating gepredikt wordt door de Heer zoeken we tevergeefs. Wel over geestelijke gevangenschap want zo moeten we toch de Bergrede verstaan. In deze éne profetie van Jesaja gaat het dus op zijn minst over een mengeling van letterlijke en figuurlijke zaken. En wie zich de moeite wil nemen om


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

256

enkele commentaren er op na te kijken zal merken dat de grote nadruk ligt op het geestelijke aspect. Armen worden geestelijk rijk want Jezus deelde toch geen centen uit! Geestelijke blinden worden hun ogen van verstand geopend zodat ze de werkelijkheid in de Heer mogen zien. Verbrokenen van hart die Hem aannemen worden in hun geest gereinigd. Nog enkele voorbeelden. Volgens Ps.118:22,23 zal het Joodse volk, zijn enige God, YaHWeH, verwerpen. Matthéüs past dit toe op Jezus Christus, verworpen door Zijn volk, die in zijn ogen dus God moet zijn. Israël verwerpt God = Christus (Mat.21:42). Dit is echter nog niet het punt waarop we willen wijzen: zowel het OT als het NT bedoelen met het begrip “hoeksteen” geen letterlijke steen. De profetie spreekt niet over een letterlijk toekomstig bouwwerk uit stenen opgetrokken. Integendeel, op een symbolische wijze is God of Christus, de Rots en Hoeksteen van Israël. Het gaat in de aanhaling van Matthéüs niet echt om een vervulling. In de aanhaling van Matthéüs wordt één van Gods eigenschappen toegepast op Jezus van Nazareth, op een mens. Dat is nieuw. Eén van de aspecten van de Messiaanse regering is dat het er nooit aan water ontbreekt. Zonder water is de mens gedoemd te sterven, maar de voorspellingen van letterlijk water worden door Christus vergeestelijkt. Vergelijk Ezech.47:1 / Jes.33:21 / Zach.14:8 met Joh.7:38. Er zijn nog andere dingen te vergelijken; het paaslam (Ex.12:3-13 / Joh.1:29), het manna (Ex.16:4,15 / Joh.6:33), de tempel (2 Kron.7:12 / 1 Cor.3:16), het tabernakel (Num.7:1-89 / Opb.21:3) enz... We beweren niet dat men zondermeer van een voorzegging uit het OT mag zeggen: dit moet in het NT geestelijk verklaard worden. Laat ons verder naar profetieën i.v.m. de Messias kijken. 1°) Geboren uit een vrouw Gen.3:15 / Gal.4:4. 2°) Uit geslacht van Abraham Gen.12:3,7 / Rom.9:5. 3°) Uit geslacht van Judah Gen.49:10 / Heb.7:14. 4°) Uit geslacht van David 2 Sam.7:12,13 / Rom.1:3. 5°) Geboren uit een maagd Jes.7:14 / Mat.1:22,23. 6°) Geboren in Bethlehem Micha 5:2 / Mat.2:5,6. 7°) Is vervuld van de Heilige Geest Ps.45:7 / Jes.11:2/ Luc.4:18,19. enz... alles letterlijk vervuld. Zie o.a. zo een lijst bij Bultema vanaf blz.33 e.v.. Maar niet alles moet letterlijk in vervulling gaan. Er zijn voorbeelden van “aanpassing” en geestelijke vervulling. Daarom uw volle aandacht voor het volgende. Deze Lijst streeft hoegenaamd niet naar een volledigheid. 1°) De eerste Messiaanse profetie uit de Schrift staat in Gen.3:15 en deze zal niet letterlijk vervuld worden. Het zaad van de vrouw, de Verlosser, zal de slang niet letterlijk het hoofd indrukken, maar wel figuurlijk. 2°) Adam en Eva zijn een beeld van Christus en zijn gemeente, maar de gelijkenis is er slechts tot op zekere hoogte en overstijgt het letterlijke beeld (Gen.2:23,24 / Eph.5:31,32). 3°) Wat met Jona is geschied zal ook aan Jezus geschieden; drie dagen dood zijn. De betekenis is echter niet dezelfde (Mat.12:40 / Jona 1:17). Jezus was werkelijk dood, Jona was niet dood maar zat levend in de vis. Jona was slechts in geestelijke zin dood voor Gods werk. 4°) In een opstandige bui krijgt Israël als straf van God een plaag van slangen te verduren. De slang die op een paal wordt gehangen zal in het tegenbeeld de Heer voorstellen die sterft aan het kruis (Num.21:8,9 / Joh.3:14,15).


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

257

5°) Als de Heer sterft aan het kruis worden zijn beenderen niet gebroken “opdat het Schriftwoord vervuld zou worden.” Maar dat Schriftwoord spreekt over dieren, het is géén gelijkaardige vervulling (vergelijk Joh.19:36 met Ex.12:46). 6°) Over Juda, waarschijnlijk over de afstammeling van Juda die de Messias zal worden, staan dingen voorzegd die niet letterlijk zijn (Gen.49:11). Letterlijk is deze tekst niet te begrijpen en heeft geen echte inhoud. 7°) Voorafgaande aan de komst van de Messias zal iemand optreden als volgt; hij zal paden rechtmaken, kloven opvullen en heuvels slechten. Alle krommingen en oneffenheden zullen vlak gemaakt worden. Zo was het voorzegd en zo is het in vervulling gegaan bij het optreden van Johannes de Doper. Maar Johannes was géén letterlijke bouwondernemer en ook géén straatwerker. Zijn werk was geestelijk en de profetie is op een geestelijke wijze door hem vervuld (Jes.40:3-5 / Luc.3:3-6). 8°) Over dezelfde Johannes valt nog op te merken dat de Joden hem ooit vroegen of hij Elia was die moest terugkomen vóór de grote dag van YaHWeH aanbrak. Daarop zegt hij categoriek “neen” (Joh.1:21). Maar Jezus zegt dat hij wel degelijk Elia is (Mat.17:9-13). En hij is ook zo aangekondigd vanaf zijn geboorte (Luc.1:13-17). Dat is geen tegenstrijdigheid. Hij is géén letterlijke Wederkomst of reïncarnatie van de oude profeet. Maar in geestelijke zin heeft hij alles gedaan om de profetie te vervullen. 9°) Van de Messias is voorzegd dat Hij in het jaar van de verlossing, het jaar van het oordeel, alléén te werk gaat. Maar in het oordeel zullen miljarden engelen hem helpen en zelfs de gemeente zal meehelpen in het oordeel (Jes.63:2-6 / Mat.13:36-43 / 1 Cor.6:3). 10°) De gemeente zijn de schapen van de Heer, zowel in de voorspelling als in de uitspraken van Christus, maar toch zijn het geen echte schapen! (Zie Jes.40:11 / Joh.10:11-16). 11°) Jezus voorzegt dat wie zijn discipel wil worden het lichte juk van de Heer moet opnemen. Dat is toch geen letterlijk juk? (Zie Mat.11:28,29). 12°) Om deel te hebben aan het Koninkrijk van God telt niet de afstamming, of het aardse, maar het geestelijke. Wie niet is wedergeboren door de Heilige Geest komt er niet binnen (Joh.3:3-8). Ook het water dat de Heer beloofd te geven aan zijn discipelen is geen scheikundig zuiver water H2O - maar de belofte van de Heilige Geest (Joh.4: 14,24). 13°) De belangrijkste opstanding waarover Christus het heeft is niet een letterlijke, maar de geestelijke opstanding uit de dood der zondigheid (Joh.5:25). Zo ook nog Joh. 6:51 / 7:37 / 15:15 / 21:16,17. Wie dan persé de stelling wil aanhouden dat alles wat in het OT op Israël betrekking heeft letterlijk vervuld wordt en alles wat in het NT over de kerk gezegd wordt geestelijk, komt dus bedrogen uit. Zo zullen “armen van geest het koninkrijk der hemelen beërven” (Mat.5:3) en “zachtmoedigen de aarde beërven” (Mat.5:5). Dat is géén tegenstrijdigheid. Elke gelovige wordt nu opgenomen in het Koninkrijk der hemelen. Dat wil zeggen: een Koninkrijk geregeld vanuit de hemel t.t.z. door God. Maar uiteindelijk komt dat Rijk op aarde (Opb.21:1-8). Vergelijk ook Jes.49:10 met Opb.7:16. En een voorbeeld dat niet rechtstreeks op de Heer betrekking heeft. Van Abraham staan enkele dingen in het boek aan de Hebreeën die op het eerste zicht tegenstrijdig zijn. Zo staat er in Heb.6:13-15: “Want toen God aan Abraham zijn belofte deed, zwoer Hij, omdat Hij bij niemand hoger kon zweren, bij Zichzelf zeggende: Voorzeker zal ik u zegenen en zekerlijk vermeerderen. En zó door geduld te oefenen, heeft deze het beloofde verkregen.” Maar in


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

258

Heb.11:13,39,40 staat er: “In (dat) geloof zijn allen gestorven, zonder de beloften verkregen te hebben; slechts uit de verte hebben zij die gezien en begroet en zij hebben beleden, dat zij vreemdelingen en bijwoners waren op aarde (...) Ook deze allen, hoewel door het geloof een getuigenis aan hen gegeven is, hebben het beloofde niet verkregen, daar God iets beters met ons voor had, zodat zij niet zonder ons tot de volmaaktheid konden komen.” De belofte ontvangen of niet verkregen? Oplossing: alle beloften slaan niet op hetzelfde letterlijk aspect! Een opmerking hierover maar vooraf nog een deel uit Rom.4:13-17: “Want niet door de wet had Abraham of zijn nageslacht de belofte, dat hij een erfgenaam der wereld zou zijn, maar door gerechtigheid des geloofs (...) opdat het zou zijn naar genade, en dus de belofte zou gelden voor al het nageslacht, niet alleen voor wie uit de wet, maar ook voor wie uit het geloof van Abraham zijn, die de vader van ons allen is, gelijk geschreven staat: Tot een vader van vele volken heb Ik u gesteld die (...) het niet zijnde tot aanzijn roept.” Met ander woorden: in Abraham én zijn afstammelingen is vervuld wat hém en hún is aangezegd. Niet slechts aan de letterlijke vleselijke afstammelingen, maar ook aan allen die hetzelfde geloof hebben aan de dag gelegd als Abraham. Er is niets meer dat op een vervulling wacht. Abraham moet niet, zoals in kringen van de leer der duizend jaar wordt geleerd, nog eens regeren over een stukje land in Israël. Abraham zal toch niet de “erfgenaam der wereld” zijn? Zijn Zaad bij uitstek, de mens-geworden Zoon van God heeft voor Zijn voorvader alle gelovigen uit de volkeren één gemaakt. Niet Abraham maar zijn nazaat Jezus van Nazaret zal over Israël regeren. En trouwens niet over dat land dat er nu is maar over een nieuwe Israël dat op een nieuwe aarde zal gelegen zijn. Het gaat ook niet om de letterlijke vervulling, maar om méér dan de voorspelling zegt. Alle gelovigen ontvangen zelfs “iets beters”, volgens de tekst uit de brief aan de Hebreeën. Allen zullen in een onsterfelijk, onverderfelijk en vernieuwd lichaam van deze dingen mogen genieten. God doet aan elk van de vaderen méér dan er ooit in een profetie uit het OT aan hen voorzegd was. De profetie gaat meestal dus niet zondermeer letterlijk in vervulling. En zo verder... Wanneer we aannemen dat God de echte auteur is van de Schriften en dat de profeten er aan meewerkten onder zijn leiding (en als instrumenten van Zijn wil), dan is er een goede grond gelegd van het aanvaarden van de gevolgtrekking die later volgt. Zie o.a. 2 Pet.1:21 / Mat.15:4 / Marc.12:36 / Heb.3:7 / 9:8 / 10:15. Ook profetie moet gezien worden vanuit een oud Joods beginsel van Bijbelinterpretatie dat verkort als “pardes” wordt weergegeven en hetzelfde woord is als paradijs. Een verband dat waarschijnlijk om deze reden werd gemaakt. We lezen daarover in ’The Encyclopedia of the Jewish Religion’, edit. R. Werblowsky en G. Wigoder, Phoenix house, London, 1967, blz.294 die de term “pardes” als volgt beschrijft: “In de Middeleeuwen was “pardes” gebruikt als afkorting van de vier typen van bijbelse exegese waarvan de eerste letter werd gelezen peshat - letterlijke bedoeling remez - versluierde zinspeling (symbolische) derash - homilitische betekenis (lering ) sod - esoterische betekenis.”


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

259

En daarom zal je onder de Joden, ook verscheidene uitleggingen vinden in verband met de Messias en het herstel van het volk; dat is voor velen slechts een symbool. Maar de Orthodoxe Jood zal driemaal per dag blijven bidden: “Erbarm u Here, onze God in al uw talrijke erbarmingen aan Israël uw volk, aan Israël uw stad, aan Zion, de woonplaats van uw glorie en aan uw tempel, aan uw woonplaats en aan het koningschap van het huis van David, de Messias van uw gerechtigheid. gezegend zijt gij Here, God van David, die in Jeruzalem woont” (veertiende zegenspreuk uit het achtiengebed).

Conclusie God heeft vele malen en op vele wijzen gesproken in de profeten (Heb.1:1). Waarom kan een profetie dan niet op een andere wijze vervuld worden dan een letterlijke? Wat wil zeggen dat men de Schrift geweld aandoet door zaken die in figuurlijke zin staan opgetekend in letterlijke zin wil verklaren. Temeer omdat er tientallen voorbeelden in het NT staan die een geestelijke vervulling aangeven voor een voorzegging uit het OT. Gezien volgens een algemene regel het NT de vervulling van het OT is, moet daar rekening mee gehouden worden. We moeten een letterlijke vervulling niet forceren.

2de Stelling: Het NT geeft de grenzen aan hoe een profetie moet verklaard worden Met een grote slordigheid vinden we in geschriften die de duizendjarige regering promoten zaken verklaard die geen Bijbelse grondslag hebben. Laat ons in de volgende tabel even nagaan wat er in de eerste gemeenten allemaal werd gepredikt als “euangelion”, evangelie of goed nieuws: 1°) Over Jezus Christus: Marc.1:1 / Luc.2:10 / Hand.5:42 / 8:12,35 / Rom.1:8 / 1 Cor.9:12 / Gal.1:7,16 2°) Over het Koninkrijk: Mat.4:23 / 9:35 / 24:14 / Marc.1:14,15 / Hand.8:12 / 20:24 3°) Over God: Rom.1:1 / 15:16 / 2 Cor.11:7 4°) Over het geloof: Eph.1:23 5°) Over redding: Eph.1:13 6°) Over vrede: Hand.10:36 / Eph.2:17 / 6:15 7°) Over het woord: Hand.8:4 8°) Over Gods genade: Hand.20:24 9°) Over Gods heerlijkheid: 2 Cor.4:4 / 1 Tim.1:11 Het is een “heilig geheim” (Eph.6:19), een “mijn evangelie” (Rom.16:25 / 2 Tim.2:8), “ons evangelie” zegt Paulus (2 Thes.2:14). Maar is er één tekst die zegt dat het “goede nieuws” dat werd gepredikt over een duizendjarige rijk gaat? Niet één! De prediking van een eventueel herstel van het volk Israël (en zulke teksten zijn er) staan niet op zichzelf. Herstel van Israël is er niet zonder herstel van alle volkeren en dat is slechts na de (geestelijke) duizendjarige regering. Ze worden allen hersteld zonder uitzondering! Zie o.a.: Opb.20:11-13 / 21:3 / 22:2.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

260

Er zijn verscheidene voorbeelden aan te halen waar de betekenis van de verwijzing van een OTische tekst in het NT niet meer dezelfde is. De context kan in het OT totaal verschillend zijn van wat het NT er van maakt. Het gaat om een andere vervulling dan een letterlijke. In die zin gebruikt de schrijver dezelfde formule als wanneer hij een Messiaanse of andere voorspelling aanhaalt. We vinden dan zowel; “opdat vervuld zou worden” als “er staat geschreven.” De volgende lijst bestaat uit dergelijke voorbeelden: 1°) Ex.32:6-25 (voor vers 32:23 zie Hand.7:40). Dit is het verhaal van het aanmaken van het gouden kalf en de grote schuld die het volk op zich heeft geladen. Israël is zo gemakkelijk te verleiden. 1 Cor.10:7. Paulus verwijst naar het OT om erop te wijzen dat daar voorbeelden staan van de wijze waarop God op een goede en niet de verkeerde wijze aanbeden moet worden. Het principe daarvan is voor het OT en het NT steeds hetzelfde gebleven en zelfs in de hof van Eden was het al vastgelegd. Wie in verbond is getreden met God moet Hem op die wijze aanbidden zoals Hij het heeft geopenbaard. Andere vormen zijn uitgesloten en verkeerd. Sommigen gaan in deze typologische verklaringen zeer ver zoals o.a. Jehovah’s Getuigen. In dit verband kunnen we slechts enkele opmerkingen maken. Bepaalde teksten hebben onder hen, over de jaren heen drie of vier uitleggingen gekregen. Deze van Russell tot begin jaren 1920, het nieuwe licht van Rutherford vanaf ongeveer 1925 af, het vernieuwde licht van Knorr uit de jaren 1940 (tot 60), en nu het recente licht, met de vierde en vijfde president, nóg beter. En zo zonder eind, tot de Heer er een einde aan zal maken. De “waarheid” van Jehovah’s Getuigen is waarheid “van de dag”, zoals een soep van de dag. Alles onderhevig aan de nieuwe voorzitter die zal aantreden. 2°) Deut.30:12-14. God heeft aan Israël alles geopenbaard wat ze nodig hadden in hun relatie tot Hem (Deut.29:29 / Ps.12:6 / 19:8). Zelfs indien er nog iets zou zijn “in de hemel” of “aan den overkant der zee” dat doet er niet toe. Alles wat hun tot “het leven en het goede” moest leiden is hun geopenbaard. Het verbond staande in de wet heeft ook in zich de belofte van zegening in het land van melk en honing. Rom.10:6-8. Aan de aanhaling uit Deut.30 voegt Paulus toe; “wie zal ten hemel opklimmen.” Niemand natuurlijk, want de Heer heeft zijn gemeente niet als wezen achtergelaten. Wie zonder Hem te hebben gezien maar in Hem geloofd, zal dan ook behouden worden (vers 12,13). De aanhaling van Paulus is trouwens niet ter ondersteuning van een vervulling. Hij wil aantonen in dit gedeelte (waar hij zo diep ingaat op de relatie Israël/God) dat in de belofte aan de gelovigen uit het OT ook reeds de belofte van de Messias aan de Heidenen zat ingesloten. Ofschoon dood en begraven zijn ze voor God niet verloren. 3°) Ps.78:2. Asaf de profeet, beschrijft hetgeen God bewerkt heeft aan Israël, vooral sinds Egypte. God is de verlosser en hier past dan het beeld van het spreken in een “spreuk.” Want ons spreken over God is slechts gedeetelijk, “stamelen” zie de kerkvader Augustinus hierover. Hoe Hijzelf de heilsgeschiedenis ziet weten we niet (Deut.29:29 / Dan.2:28). De diepe zin van Zijn handelswijze in de wereld begrijpen we niet, maar het toont dat de HERE steeds meester is over de geschiedenis van mensen. Mat.13:35. In een reeks gelijkenissen die de Heer uitspreekt merkt de schrijver op dat Jezus in “spreuken” tot de mensen predikt. Dit kan de alledaagse mens slechts gedeeltelijk begrijpen.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

261

Soms gaat zo wat al te diep voor hun begrip. Ook gelijkenissen van Hem begrijpt men allicht verkeerd (Mat.13:13-17). Niet dat er iets fout is aan het spreken in een spreuk of parabel. Het probleem is de mens die zijn oren niet te luisteren legt naar wat God te zeggen heeft. 4°) Jes.1:9. In de tijd van Jesaja zijn slechts weinigen ontkomen aan de toorn van God, want omwille van hun zondigheid heeft God zijn volk gestraft. Er bleven slechts enkelen over; in vergelijking niet méér als toen Sodom werd verwoest. Rom.9:29 en Opb.11:8. Zoals alle teksten die Paulus in dit gedeelte citeert gaat het om een nieuw Israël. Daarin heeft men een “rest” (de ontkomenen) uit Israël mét gelovigen uit de Heidenen. Ze dienen God in “geest en waarheid”, en dus niet in Jeruzalem (Joh.4:19-26). Onderscheid des persoons is er sinds Christus niet meer bij. 5°) Jes.10:22,23. Over Israël’s redding als volk mag niet lichtzinnig gesproken worden. Slechts een deel ervan, een “rest” zal behouden worden omdat ze trouw bewaard hebben aan het verbond en zó de beloften van God aan de vaderen waardig zijn. Vergelijk Ex.17:1-7 / 32:25-35 / Jes.1:9 / Klaagl.3:22 / Mal.3:6. Rom.9:27,28. Paulus geeft aan de profetie een totaal andere uitleg als wat te verwachten was. Jesaja sprak uitsluitend over de natuurlijke Joden in dat gedeelte. Paulus echter heeft het over een nieuwe Israël, een geestelijk volk, waarin zowel een gelovige rest van het vleselijke Israël is opgenomen als mensen uit de heidenen, die zich bekeerd hebben tot de enige God. Voor Paulus heeft het “wederkeren” uit Jes.10:22 ook een nieuwe betekenis gekregen. “Wederkeren” is voor hem = “behouden worden.” Hij vergeestelijkt een “herstel” van Israël naar een geestelijke vervulling aan alle christenen. 6°) Jes.29:13. In de verzen 9-16 klaagt Jesaja aan wat er schort aan het volk. Ziende zijn ze blind voor hun Maker. Horende zijn ze doof voor wat Zijn woorden brengen. In de plaats hebben “wijzen en verstandigen” een eigen leer opgesteld die niet naar de wil van God is. Het volk heeft deze menselijke kennis boven de wet van God gesteld. Mat.15:8,9 en Col.2:22. Jezus wijst op het grote verschil dat er is tussen wat God van de mens vraagt en wat de traditie van mensen (hier vertegenwoordigd door de Farizeeën) ervan gemaakt heeft. Maar God dienen op die wijze is de mens op het verkeerde spoor zetten. Van deze lippendienst wil de Christus niets weten. De aanhaling van Jes.29 gaat dan ook om het algemene principe en niet een specifieke vervulling. Deze mensenwetten zijn geen echte dienst aan God. Maar dat is niet nieuw in Israël. Het is hetzelfde oud zeer sinds ze uit Egypte verlost zijn. Ook Jes.35 moeten we op dezelfde basis uitleggen. Het gaat er vooral niet om mensen het letterlijk zicht weer te geven (enzoverder), maar om het geestelijk “zien.” Vergelijk; Mat.9:3-6 / Marc.7:3537 en voor het gedeelte Jes.35:3 = Heb.12:12. 7°) Jes.29:14 en 33:18. De context van dit gedeelte uit Jesaja heeft nog een aanhaling in het NT. Zie voor vers 13 naar Mat.15:1-9. De “wijsheid van de wijzen” is echter een “verkeerdheid”, een excuus om God niet te dienen op de wijze die Hijzelf heeft bepaald. Het is een foutief inzicht te denken dat we er iets kunnen aan toevoegen of afdoen (Deut. 12:32 / Spr.19:5,9 / 30:6). Dat heeft dramatische proporties aangenomen in de tijd van Jezus.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

262

1 Cor.1:19,20. Paulus past op de heidense Corinthiërs toe wat eigenlijk van toepassing was op de vleselijke afstammelingen van het volk dat uit Egypte werd gered. Men kan God niet dienen op de wijze van de filosofen. Die dingen weerhouden de gelovigen ervan om God op een correcte wijze God te aanbidden. 8°) Jes.41:4. Zoals YaHWeH, de God van de aartsvaderen, is er maar één, “de eerste en laatste.” Hij roept alle mensen al bij name voordat ze geboren zijn. Geen enkele god kan Hem dit nadoen. Hij is uniek en één. Opb.1:17. De eerste Joodse gelovigen in Jezus als Messias hebben het niet gemakkelijk gehad. Deze profeet voldoet niet alleen aan het beeld dat ze zich gemaakt hebben van de Messias, Hij wou ook de Romeinen niet buiten zetten uit hun land. Daarbij komt nog eens dat Hij zich op gelijke hoogte zet als de God waar hun profeten van ouds altijd over gepraat hebben. Deze Jezus moet zoals C. S. Lewis ooit over hem zei; “gek of God” zijn. Dat Hij God is zien we hier bewezen; een tekst die in het OT slechts over YaHWeH spreekt wordt op de verhoogde Christus toegepast. En het volgende vers zegt ook nog dat Hij evenals zijn Vader “de Levende” is, een andere titel van de God van de vaderen. Zie o.a. Joh.1:4 / 5:24 / 11:25,26 / 14:6. 9°) Jes.53:4. Dit is een deel uit de vierde profetie van de knecht des Heren. Hij neemt het lijden op zich, met ander woorden, Hij neemt ze voor zijn eigen rekening. Hier gaat het om Zijn volk Israël, maar in de vervulling omsluit dat ook de gehele wereld. Dat gaat verder dan de profetie zegt, maar is Gods soevereine genade. Er wordt méér dan de voorspelling zegt vervuld. Want welk lijden neemt de Heer op zich: het letterlijke of het figuurlijke? Mat.8:17 en 1 Pet.2:24. In de context van Mat.8 neemt Jezus de krankheid van de melaatse op zich, van de knecht van de honderdman en van de schoonmoeder van Petrus. Zonde en ziekte neemt Hij op zich en daarvoor “moet” Hij naar Jeruzalem gaan en “moet” op die plaats lijden. Zie Mat.16:21 en vergelijk Hand.8:35. 10°) Jer.31:15. Onder Gods volk vieren afgoderij en beeldendienst hoogtij (Jer.9:3). Gods straf is onvermijdelijk, de 70 jaren ballingschap zijn begonnen want enkele jongelingen en edelen zijn reeds weggevoerd naar Babylon (2 Kon.24:11-16). De rest van het volk volgt zonder dralen. Voor God is deze maat vol (2 Kron.36:15,16 / Jer.7:14,15 / 26:2,3). Nu kan het volk weeklagen als in de dagen van Rachel en Lea (Gen.35:18). Van menselijk standpunt uit een “ontroostbaar” leed. Mat.2:17,18. Het gaat niet om Rachel zelf want ze is al jaren geleden gestorven. Ze is wel het beeld van elke moeder wiens kinderen op onmenselijke of onrechtvaardige wijze overlijden. De tekst spreekt niet van een specifiek Messiaanse vervulling. Dat spreekwoord kan gebruikt worden daar waar dit soort leed aan de orde is. In die zin is het tijdloos. 11°) Hosea 11:1. Het volk Israël (de 10 stammen) is ontrouw aan het verbond en is afvallig geworden. Ze zullen naar Assyrië in ballingschap gevoerd worden. Dan zal God hen nogmaals redden uit een verdrukking die gelijkenis vertoond met deze in Egypte. Mat.2:15. Gods zoon was niet in verdrukking in Egypte. Dat land was voor hem tijdelijk zelfs de plaats van bescherming.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

263

12°) Hosea 13:14. In ’The Zondervan Pictorial Encyclopaedia of the Bible, deel 5, edit. M.C. Kenney, Zondervan, 1975, blz.72 lezen we over de aanhaling van Hosea 13:14 door Paulus in 1 Cor.15:55: “Dat wil niet zeggen dat in Hosea 13:14 de voorspelling is opgetekend over de opstanding. De ganse context bespreekt het oordeel van God over Zijn ontrouw volk en de natuurlijke interpretatie van v. 14 is dat niemand in de mogelijkheid is om Efraïm te redden van de vernietiging zodat Dood en Sheool zouden vergodelijkt worden.” 1 Cor.15:55. “In Hosea 13 heeft het geciteerde woord een tegengestelde betekenis. Het is daar geen belofte van toekomstig heil, maar een onderdeel van een gerichtsaankondiging (over Efraïm): De HERE roept de dood op, zijn verderf brengende macht over het zondige volk uit te gaan oefenen. De hebreeuwse tekst luidt in vertaling; Dood, waar zijn uw pestziekten, dodenrijk waar is uw verderf? Paulus citeert niet de hebreeuwse tekst, verandert de tekst van de LXX en geeft het citaat een andere inhoud. Het is mogelijk, dat hij mede op grond van Hos. 13:14a een andere exegese van dit vers aanhing dan de tegenwoordig algeheel geldende” (F. Pop, ’De eerste brief van Paulus aan de Corinthiërs’, Callenbach, 1965, blz.402, voetnoot 105, wij onderstrepen). 13°) Hab.1:5. Het begrip “geweld” is een sleutelwoord in dit geschrift van Habakuk (1:3,9 / 2:8,17). Assyrië is nog altijd aan de macht maar zal in korte tijd zijn heerschappij moeten overlaten aan de Chaldeeën (Babylon). Onder deze heidenen is iets aan de orde dat in menselijke begrippen onmogelijk lijkt. Voor Israël zal het echter geen enkele hulp brengen of hun lot tot een keer brengen. De profeet wil Gods rechtvaardigheid tot zijn recht laten komen (vers 4) maar het zal de menselijke rechtvaardigheid van Babylon zijn die in de plaats komt (vers 9). Israël is geen stap dichter tot God gekomen. Hand.13:40,41. Er is géén rechtstreeks verband tussen de profetie van Habakuk en wat Paulus aangeeft als de vervulling. Slechts één zaak is in beide op te merken: menselijk is wat aan de orde is onmogelijk. Niemand in Joodse kringen vóór Jezus van Nazareth zou ooit kunnen bedenken wat nu allemaal en overal geschied: heidenen bekeren zich in massa tot God! Wie is bij machte om God daarin tegen te houden (Hand.11:17)? 14°) Zach.4:3,11,14. Twee olijfbomen zijn hier het beeld van Zerubbabel en Jozua. Het zijn ambtsdragers in de Joodse gemeente. Dan volgt een beschrijving van de macht en majesteit van God. Opb.11:4. Dit is géén herhaling, géén tweede vervulling van Zach.4. De gelijkenis is echter overduidelijk. De dienaren van de Heer verkondigen wat hun Heer als opdracht heeft gegeven. Ondanks tegenstand én vervolging zijn ze overwinnaars in Christus. Het kwaad zal deze gemeente niet overwinnen want ze is beschermd door haar Heer (Mat.28:20 / Hand.18:9,10 / Phil.4:13). 15°) Zach.12:10. ’De Korte verklaring der Heilige Schrift, Openbaring’ blz.30 zegt over deze tekst. “Dat ziet wel allereerst op het doorsteken van s’Heeren zijde, Joh. 19:34,37, maar verder evenzeer op s’ Heeren kruisiging, het doornagelen van Zijn handen en voeten, om ze te hechten aan het schandhout; en dan voorts op zijn gehele veroordeling en verwerping.”

Opb.1:7. Is de geestelijke vervulling zoals ook uit Mat.24:30 blijkt. Maar er was ooit een letterlijke vervulling volgens Joh.19:37 toen de Heer stierf aan het kruis.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

264

Herhalen we nog eens waarom we deze 15 teksten achter elkaar besproken hebben. Ze tonen aan dat een aanhaling van het OT in het NT niet altijd inhoudt dat het om een letterlijke vervulling gaat. In deze 15 gaat het om een vergeestelijking of principe waarnaar verwezen is. En toch is de inleiding ook dán, zoals bij een in letterlijke zin vervulde profetie: “er staat geschreven (...) “ of “opdat vervuld zou worden.” Gezien het hier gaat om de uitleg van geïnspireerde schrijvers uit het NT die geïnspireerde schrijvers van het OT citeren moet dit ons niet verwonderen dat ze er niet altijd van uitgaan dat alles letterlijk moet vervuld worden. Zij weten het beter dan wij en moeten daar ook acht op slaan. In enkele gevallen gaat het ook om een volledig nieuwe betekenis die het NT geeft aan een tekst uit het OT. Voorbeelden daarvan zijn o.a.: Joh.3:14,15 en Num.21:8,9, Mat.12:40 en Jona 1:7, Joh.19:36 en Ex.12:46, Eph.5:31,32 en Gen.2:23,24. Uit ’Het geestelijke Israël’ van J.E. van den Brink, uitg. Kracht van omhoog, Gorkum, z.j. blz.78,79 citeren we wat, waar we het ook mee eens zijn, in dit verband. “Letterlijk of geestelijk? “De vraag die ons menigmaal gesteld wordt, is de volgende: ’Is het niet inkonsekwent dat men het ene gedeelte van een tekst of van een Schriftgedeelte letterlijk neemt en het andere vergeestelijkt?’ Waarom is bijvoorbeeld de geboorte uit de maagd Maria een letterlike vervulling van de profetie en waarom zou de troon van David, waarvan Lucas 1:31-33spreekt, geestelijk opgevat moeten worden? Is zulk een willekeurige vergeestelijking nietonschriftuurlijk en verwerpelijk? Bij de beantwoording van deze vraag moet allereerst de tegenvraag gesteld worden:’Wat verstaat men onder letterlijk en wat verstaat men onder geestelijk?’ Is er wel een tegenstelling tussen deze begrippen? Met ’letterlijk’ bedoelen wij de rechtstreekse en feitelijke betekenis van een woord en niet de figuurlijke of de beeldsprakige zin. Zo wordt het woord’hoofd’ letterlijk gebruikt, wanneer gezegd wordt: ’Ook vlochten zij van doornen een kroon en zetten die op zijn hoofd’, maar dit woord wordt figuurlijk gebruikt in de teekst: ’Hethoofd van iedere man is Christus, het hoofd der vrouw is de man, en het hoofd van Christus is God’ (1 Cor.11:3). Het begrip ’geestelijk’ heeft te maken met de geestelijke of onzienlijke wereld. Het wil zeggen: niet zintuiglijk waarneembaar, maar wel reëel. De tegenstelling van ’geestelijk’ is ’natuurlijk’, dat is wél zintuiglijk waarneembaar. Tegenover ’letterlijk’ staat dus ’figuurlijk’ en tegenover ’natuurlijk’ staat ’geestelijk’. Een profetie kan letterlijk vervuld worden, zowel in de natuurlijke wereld als in de geestelijke wereld. Er zijn geen ’letterlijke’ en’geestelijke’ mensen, maar wel ’natuurlijke’ en ’geestelijke’ mensen. Zo is er ook letterlijk een ’natuurlijk’ volk Israël, maar er is ook letterlijk een ’geestelijk’ volk Israël. ’Letterlijk’ kan dus zowel betrekking hebben op de natuurlijke als op de geestelijke wereld. Zo is het Woord van God letterlijk een zwaard: al kan er geen hand mee afgehakt worden, men kan er wel reëel en concreet een scheiding mee maken tussen het goede en het kwade in de onzienlijke wereld.”

Conclusie De lijst (van 15 betekeniswijzigingen of vergeestelijkingen tussen profetie en vervulling) zou wellicht nog langer kunnen gemaakt worden, maar één ding is zeker; gewaag u zelf niet aan een samenstelling die niet door de Schriften zelf is gemaakt. U zou er wel eens mijlen kunnen naast zijn en Gods woord misbruiken voor uw eigen vooropgestelde zaak (Deut.4:2 / 13:32 / Spr.30:6). Elke vorm van privaatinterpretatie is zondermeer uitgesloten, verkeerd en zondermeer verboden.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

265

3de Stelling: Er mag geen wildgroei zijn in de uitleg van een profetie Een derde opmerking. In het NT vinden we enkele verwijzingen naar vervullingen van een profetie waarvoor een combinatie van twee teksten (of meer) gebruikt wordt. Die zijn vanuit menselijk standpunt niet altijd te combineren omdat ze in de context van het OT soms op twee verscheidene zaken betrekking hebben. Maar onder inspiratie doen schrijvers van het NT dat toch, en waar zouden wij dan bezwaren maken? Hier volgt zo een lijst: Mat.21:5 = Jes.62:11 en Zach.9:9 Mat.21:13 = Jes.56:7 en Jer.7:11 Marc.1:2,3 = Mal.3:1 en Jes.40:3 Luc.1:16,17 = Mal.4:5,6 en Mal.3:1 Luc.3:4,5 = Mal.3:1 en Jes.40:3 Hand.1:20 = Ps.69:25 en Ps.109:8 Rom.3:10-12 = Pred.7:20 en Ps.14:2,3 en Ps.53:2,3 Rom.3:13-18 = Ps.5:9 en Jes.59:7,8 en Ps.36:1 Rom.9:33 = Jes.28:16 en Jes.8:14 Rom.11:26,27 = Jes.59:20,21 en Jes.27:9 1 Cor.15:54-56 = Jes.25:8 en Hosea 13:14 2 Cor.6:16 = Lev.26:11,12 en Ezech.37:27 Gal.3:8,9 = Gen.12:3 en Gen.18:18 1 Pet.2:7,8 = Ps.118:22 en Jes.8:14 Sommige zaken uit het bovenstaande zijn zeer belangrijk voor ons begrip van bijvoorbeeld: wie is de Messias. De teksten van Lucas hierboven leren duidelijk dat Johannes de Doper werk doet als voorbereiding voor YaHWeH. Maar in werkelijkheid is het voor Jezus dat het werk gedaan wordt. Besluit: Jezus is YaHWeH. Zie ook nog Rom.9:33. Er komt ook aan het licht uit deze teksten dat op de heidenen zaken worden toegepast die in de oorspronkelijke context van het OT slechts op natuurlijke Israëlieten slaan (Rom.3:13-18). Heidenen worden zelfs geestelijke Israëlieten genoemd. Dat is omdat ze evenals de natuurlijke afstammelingen van Abraham in dezelfde God zijn gaan geloven (Rom.11:26,27). En dat alles ligt in de lijn van de prediking van Jezus en de apostelen. De Heer zei ooit om een groep Joden te typeren, dat ze op geestelijke wijze kinderen van de duivel waren. Dat mag niet uitsluiten dat ze natuurlijke “zonen van Abraham” waren (Joh.8:37,44). Wat we moeten leren uit deze derde opmerking is dit: maak niet zelf een combinatie van deze teksten. Zeker niet wanneer er uitspraken ontstaan die indruisen tegen wat de Schrift in duidelijke bewoordingen leert. Men kan bijvoorbeeld niet zondermeer enkele teksten bij elkaar zetten om nog een komend herstel van Israël te leren of nog een heropbouw van een tempel in Jeruzalem. Het NT geeft daartoe géén enkele aanleiding. Wie denkt het recht te hebben profeet te spelen omdat er nog enkele voorspellingen niet vervuld zijn - of “onaangeroerd” zijn - heeft geen respect voor het Woord van God. Het Woord leent zich niet tot dergelijke misbruiken. Hierover meer in de stellingen over Israël die we hierna formuleren.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

266

Een frappant voorbeeld van wat er kan verkeerd lopen is de leer van het komende duizendjarig rijk. En dat om de volgende reden. Alle teksten uit het Oude Testament die spreken over het Messiaanse rijk spreken erover in termen van “eeuwigheid.” Zie o.a. Ps.145:13 / Dan.2:44 / 4:3 / Jes.9:7 enz... Nu combineren de verdedigers van het duizendjarige rijk deze teksten die over een eeuwig rijk spreken met Opb.20:1-6, een gedeelte dat over 1000 jaren spreekt. Dat is dus niet mogelijk want 1000 jaar is niet gelijk aan de eeuwigheid. De combinatie is op verkeerde basis gemaakt. Nog een voorbeeld in deze zin. Je leest wel eens meer in de boeken die de bedelingen promoten dat wanneer “gans Israël” zal gered worden, volgens Rom.11:26, er een herstelling komt van de staat Israël, het Milennium wordt opgericht en de volkeren zullen naar Jeruzalem trekken om er te aanbidden. Pas op: dat staat allemaal niet in de tekst of de context van dat gedeelte in Romeinen hoofdstukken 9 tot 11. Men gaat aan de welvoeglijke interpretatie van de Bijbelprofetie voorbij zoals deze in het NT wordt toegepast. Wie op de betekenis van de letterlijke en figuurlijke zin van deze drie hoofdstukken wil ingaan verwijzen we naar o.a.; D.N. Steel en C.C. Thomas, Romans, an interpretive outline, Presbytarian and Reformed Publ. Company 1967, blz.96-102. We komen in het volgende hoofdstuk uitvoerig op deze teksten uit Romeinen terug. In een in vele opzichten oprecht en indringend artikel over de “eschatologie” (de leer over de dingen van het einde) zegt P. Jewett o.a.: “De verklaring van Israëls hoop, het herstel in zijn eigen land, is aan de hand van het christelijk toekomstbeeld moeilijk te bewijzen. Het is nochtans een belangrijk onderdeel van de profetie uit het OT (...) zo was de redding van het volk nooit gescheiden van de historische gebeurtenis van het herstel in het land (...) Het huidige herstel van Israël in het land Palestina moet ons tot nadenken stemmen; het is echter moeilijk in deze belangrijke ontwikkeling een duidelijke vervulling te zien van voorspelling, zolang de Israëliërs een natie blijven in ongeloof en hun voorspoed te wijten is aan hun eigen technologisch vernuft en niet het resultaat van een goddelijke, bovennatuurlijke en eschatologische verlossing.” ’The Zondervan Pictorial Encyclopedia of the Bible’, edit. Merrill C.

Tenney, deel 2, Zondervan, 1975, blz.344,345.

Conclusie Welke regels er aan de basis liggen om enkele teksten te combineren die een bepaalde leer moeten ondersteunen geeft het NT niet aan. We mogen ons niet op een terrein begeven waar het NT over zwijgt. Onze bezinning op de Schrift is niet het laatste woord, dat is aan de Schriften zelf gegeven, slechts daar is de laatste openbaring van God te vinden. De algemene regel is in elk geval: men moet niet iets willen aantonen waar het NT zelf over zwijgt. En een tweede regel: tracht niet door middel van kunsten vliegwerk een belofte uit het OT over te dragen naar het NT. 4de Stelling: Profetie is meestal voorwaardelijk Toen Abraham op het punt stond zijn zoon te offeren aan God verscheen hem de engel des HEREN. Deze zegt het volgende: “Ik zweer bij mijzelf; luidt het woord des HEREN: omdat gij dit gedaan hebt, en uw zoon, uw enigen, Mij niet onthouden hebt, zal ik u zeer rijkelijk


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

267

zegenen, en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren des hemels en als het zand aan de oever der zee, en uw nageslacht zal de poorten zijner vijanden in bezit nemen” (Gen.22:16-18, wij onderstrepen). Dit is een herhaling van vroegere voorspellingen van dezelfden aard, maar hier is iets duidelijk gemaakt. Er staat aan het begin van de voorzegging “omdat” en dat geeft aan dat het een bepaalde voorwaarde is in de vervulling die moet voldaan worden. Gehoorzaamheid en geloof is gezet als conditie van wat er zal gebeuren of geschied is. Men mag niet blijven staan bij sommige teksten (en die zijn er) van wat lijkt als een onvoorwaardelijke belofte van God. Onvoorwaardelijk zijn alle eigenschappen van God (voorbeelden hieronder): God is koning voor eeuwig en altoos Ps.10:6. De hemelen vertellen Gods eer Ps.19:2. Gods wegen zijn volmaakt 2 Sam.22:31. Gods getrouwheid is van geslacht tot geslacht (maar in de nieuwe wereld komen er géén nieuwe geslachten bij!) Ps.119:90. God slaapt niet Ps.121:3,4. God is goed (maar zal alle onrechtvaardigen straffen!) Ps.135:3. God verandert niet (maar past zich soms aan bij de omstandigheden van de mens!) Mal.3:6. God mag toch ook nog barmhartig zijn! Een mooi voorbeeld hiervan is Nineveh. Ze zijn ééns gespaard van vernietiging na de predkiking van de profeet Jona. Maar na een latere afval zijn ze toch in de handen van Babylon gevallen. Maar hoewel van het Mozaïsche verbond werd gezegd dat het “eeuwig” zou zijn is het opgehouden in zijn bestaan met Christus (Ex.31:16,17 / Rom.10:4 / Gal.5:18 / Heb.7: 11-24). En ook het priesterschap dat was afgesloten met Aäron en zijn zonen is met Christus opgehouden. Het was niet “eeuwig” ofschoon het zo was omschreven (Ex.40:15 / Heb.7:11-24 / 10:1). God heeft een “eeuwig verbond” gesloten met Israël (Deut.7:12-16 / Ps.105:8-10 / Jer.31:3 / Luc.1:55,72,73). God sloot met dit volk een “altoosdurende inzetting” zegt Lev.23 enkele malen. Maar hoe kan dat als haar wet is afgeschaft en haar priesterschap vervangen? En sinds Christus moeten we spreken over het “geestelijke Israël” waarin zowel natuurlijke Joden als heidenen uit de volkeren zijn opgenomen. Zie hiervoor zonder tegenspraak Mat.21:43 / Hand.15:14 / 1 Pet.2:10 / Opb.14:1,4. In dit Israël is slechts een kleine rest opgenomen van vleselijke verwanten van de aartsvaders Jes.10:21,22 / Rom.11:17-24. Hoe kan men een herstel leren van Israël wanneer Paulus zegt dat alle muren tussen Joden en Heidenen door de Heer zijn afgebroken. Dat er vrede is gekomen onder de volkeren is een grondstelling van het NT (Eph.2:14-18 / Col.3:11). De vijf belangrijkste teksten van het NT waar over deze vrede van God = Christus gesproken wordt zijn de volgende: Rom.15:33: “De God nu des vredes zij met u allen! Amen.” Rom.16:20: “De God nu des vredes zal weldra de satan onder uw voeten vertreden. De genade van de Here Jezus zij met u!” 2 Cor.13:11: “Overigens, broeders, weest blijde, laat u terecht brengen, laat u ver manen, weest eensgezind, houdt vrede, en de God der liefde en des


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

268

vredes zal met u zijn.” Phil.4:9: “wat u geleerd en overgeleverd is, wat gij van mij gehoord en gezien hebt, brengt dat in toepassing en de God des vredes zal met u zijn.” 1 Thes.5:23: “En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst van onze Here Jezus Christus blijken in allen dele onberispelijk bewaard te zijn.” Een andere tekst die het waard is genoemd te worden is Col.3:15 en te vergelijken bij wat de profeten over vrede zeggen. We lezen daar in enkele vertalingen: “En de vrede Gods heersche in uwe harten” SV. “En de vrede Gods regeere in uwe harten” Luther. “En de vrede van Christus heersche in uw harten” Leidse. “En laat de vrede van Christus de leiding hebben in uw hart” Brouwer. “In uw harten heerse ook de vrede van Christus” Canisius. “En de vrede van Christus, (...) regere in uw harten” NBG. Het werkwoord dat als “heersen” of “regeren” is gebruikt in deze tekst vinden we slechts eenmaal in het NT. Hoe men dat dan moet vertalen is niet duidelijk? In elk geval moet het gezien worden als een eigenschap waardoor men als gelovige moet doordrongen zijn. Ze komt van boven, van God of van Christus, en is een vrucht van de Heilige Geest. Het Koninkrijk is begonnen en de vrede is daar een essentieël onderdeel van. Veel van wat men soms ziet als een onvoorwaardelijke belofte van God is dit in werkelijkheid niet. Men gaat al te vlug het Bijbelse element van geloof vergeten. De HERE zal alles wat Hij verkondigt heeft uitvoeren (Jer.32: 42). Zijn woord keert niet ledig tot Hem terug (Jes.56:11). Maar Hij die de dwaasheid van de mens kent, zal hem ook verwittigen van het komende onheil (Ps.69:6). God zal zijn verbond niet breken of ontwijden (Ps.89:35). Dat kan van de mens echter niet altijd gezegd worden (Ps.92:10 / Jes.46:10,11). Dat is niet alles. Daarom zijn er ook enkele teksten die te kennen geven dat God een vóóraf aangekondigde vernietiging of straf na berouw van de betrokkenen niet laat doorgaan. In barmhartigheid en rechtvaardigheid heeft God een profetie niet laten vervullen. Zie o.a.: Ex.33:3-5 / Num.14:30 / 1 Sam.2:30,31 / 13:13,14 / 15:10,11 / 2 Kon. 20:1-6 / Jer.15:5,6 / Jona 3:10. En we geven er vier andere volledig weer die dit samengaan van barmhartigheid en gerechtigheid illustreren. Lezen we tevens goed wat er staat: de HERE heeft over een volk - en dat kan evengoed Israël zijn - een voorspelling gedaan die in goede of slechte zin is voor de betrokkenen. Maar dat de vervulling zal geschieden zoals ze is uitgesproken, is afhankelijk van hoe dat volk zal handelen naar de oproep van God tot bekering. Dat is: een profetie

wordt niet altijd vervuld zoals ze is uitgesproken. Deut.29:28 “de HERE heeft hen in toorn en grimmigheid en grote verbolgenheid uit hun land gerukt en hen weggeslingerd naar een ander land, zoals dit thans het geval is.” 2 Kron.7:19,20 “Maar indien gij u afkeert en mijn inzettingen en verordeningen die Ik u voorgehouden heb, verlaat, andere goden gaat dienen en u voor hen nederbuigt, dan zal Ik


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

269

hen uitrukken uit mijn land dat Ik hun gegeven heb; dit huis dat Ik aan mijn naam geheiligd heb, zal Ik dan van mijn aangezicht wegwerpen, en Ik zal het tot een spreekwoord en een spotrede onder alle volken maken.” Jer.18:8-11 “Het ene ogenblik doe Ik over een volk en een koninkrijk de uitspraak, dat Ik het zal uitrukken, afbreken en verdelgen; maar bekeert zich dit volk waarover Ik een uitspraak deed, van zijn boosheid, dan zal ik berouw hebben over het kwaad dat Ik hun dacht te doen. Het andere ogenblik doe Ik over een volk en een koninkrijk de uitspraak, dat Ik het zal bouwen en planten; maar, doet het wat kwaad is in mijn ogen door niet naar mijn stem te horen, dan zal Ik berouw hebben over het goede waarmede Ik had gezegd hun te zullen weldoen. Nu dan zeg toch tot de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem. Zo zegt de HERE: zie, Ik bereid een rampspoed over u en beraam tegen u een plan; bekeert u toch een ieder van zijn boze weg en betert uw handel en wandel.” Dan.9:11,13,14 “Ja, geheel Israël heeft uw wet overtreden en is afgeweken door niet te luisteren naar uw stem. Daarom is over ons uitgestort de met een eed bekrachtigde vloek, welke geschreven staat in de wet van Mozes, de knecht Gods, want wij hebben tegen Hem gezondigd (...) Zoals geschreven staat in de wet van Mozes, is al dit onheil over ons gekomen, en wij hebben de HERE, onze God, niet vermurwd door ons te bekeren van onze ongerechtigheden en acht te slaan op uw waarheid. Daarom was de HERE wakker om het onheil over ons te brengen; want de HERE, onze God, is rechtvaardig in al de werken die Hij doet, maar wij hebben niet geluisterd naar zijn stem.” Als voorbeeld van dit beginsel verwijzen we naar het verhaal van de zondvloed. God heeft alles goed gemaakt maar het mensenhart is zondig geworden (Gen.1:31 / 6:6). God zal alles wat slecht is op aarde vernietigen maar zegt de aarde niet meer op deze wijze te zullen straffen (Gen.6:7 / 8:21). Toch zal daarna de mens nog afvallig worden en zal er kwaad zijn als in DE DAGEN VAN NOACH. Bij de straf die hierop kortelings volgt zal de aarde “opgerold” worden (Heb.1:10-13) en vergaan door “vuur” (2 Pet.3:11-13). Dan zal de nieuwe aarde ontstaan waarop Gods kinderen eeuwig zullen wonen. Daarom dan de stelling dat veel voorzeggingen, ook waar dit niet is geformuleerd, in zich een conditionele aard hebben. God zegt tot Mozes: “Zie, gij gaat bij uw vaderen te ruste en dit volk zal overspelig de vreemde goden gaan nalopen van het land, waarin het komt; zij zullen Mij verlaten en mijn verbond verbreken, dat Ik met hen gesloten heb. Te dien dage zal mijn toorn tegen hen ontbranden, Ik zal hen verlaten en mijn aangezicht voor hen verbergen, zodat zij verteerd worden en vele rampen en benauwdheden hen treffen” Deut.31:16,17. En zijn opvolger Jozua zegt tot het volk: “Wanneer gij het verbond schendt, dat de HERE, uw God, u heeft opgelegd, en gij andere goden gaat dienen en u voor hen nederbuigt, dan zal de toorn des HEREN tegen u ontbranden en gij zult welhaast vergaan uit het goede land dat Hij u gegeven heeft” Jozua 23:16. Zie het antwoord van het volk op deze woorden in Jozua 24:16-22 en het antwoord van Jezus in Mat.23:29-36. Het verbond gesloten met Israël is een “met een vervloeking bekrachtigd verdrag” Deut.19:12,14. Sleutelbegrippen in het bestuderen van de profetie zijn dan; verbond, geloof, berouw en barmhartigheid van God, zowel voor Israël als de wereld daarbuiten. Een ongelovige Jood sluit zich dus zelf uit van Gods verbond. HET “ANATHEMA” DAT DAARUIT VOLGT HEEFT HIJ OVER ZICHZELF UITGELOKT


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

270

(Joh.5:40 / 8:22,24 / Rom.2:28,29 / Opb.13:8). Ook de ongelovige Jood moet zich bekeren (Mat.18:3 / 25:10). R. Soulen geeft in zijn ’Handbook of biblical criticism’ de volgende opmerking in verband met het vervullen van een profetie: “In elk geval is het duidelijk dat de OT-ische profetie de toekomst niet zag als vooraf bepaald bij Gods voorbeschikking maar het rechtmatige gevolg van vorige en huidige handelswijzen van de persoon of het volk Israël in zijn geheel” (John Knox Press, 1976, blz.129, 130).

Met de aantekening dat dit bijvoorbeeld niet het geval is met de voorspellingen met betrekking tot de Messias zit hier een grote waarheid achter. J. Schouten merkt onterecht op in, ’Het Zoeklicht’, 16 juni 1996, blz.15, dat alle profetie over de Wederkomst letterlijk vervuld moet worden. Maar dat klopt niet. Zie in onze eerste stelling een reeks zaken die niet letterlijk te vervullen zijn. Hierbij dan dat ongelukkig citaat: “Er zijn vele beloften gegeven aangaande de eerste komst van de Here Jezus Christus, Zijn komst in vernedering. Deze beloften, teveel om hier op te noemen, zijn alle letterlijk vervuld. Niet maar een beetje, niet, dat het er op leek, of zo dat we met enig zoeken en een ingewikkelde uitleg daar achter kunnen komen. Neen, de profetieën zijn in die eerste komst letterlijk vervuld. Zo lezen we dat in Micha 5 vs. 1 staat dat de Here Jezus in Bethlehem geboren zou worden. In Zach. 9 vs. 9 dat Hij op een ezel Jeruzalem zou binnenkomen. De Here Jezus werd verkocht voor dertig zilverlingen. Dat lezen we in Zach. 11:12. En aan het kruis werden Zijn handen en voeten doorboord (Ps. 22 vs. 17). Zo is er veel meer te noemen, maar het is wel allemaal letterlijk vervuld. De evangelist Mattheüs schrijft het er ook meerdere keren bij: Opdat de Schriften vervuld zouden worden. Er is dan ook geen enkele aanleiding om te denken dat de profetieën aangaande de wederkomst van de Here Jezus niet letterlijk vervuld zullen worden” (wij onderstrepen).

J. Schouten vergeet dat vooral de profetie in verband met Israël als volk samengaat met een clausule van “indien.” We geven enkele voorbeelden; “indien gij aandachtig naar mij luistert” (Ex.19;5), “indien gij luistert naar de stem van de HERE uw God” (Deut.28:2), “indien gij de geboden van de HERE, uw God, onderhoudt en in zijn wegen wandelt” (Deut.28:9), “indien gij niet onderhoudt al de woorden der wet” (Deut.28:58), “indien uw zonen op hun weg acht geven en in trouw (...) voor mijn aangezicht wandelen” (1 Kon.2:4), “indien gij niet naar mij hoort om den sabbatdag te heiligen” (Jer.17:27), “dit zal geschieden indien gij aandachtig naar mij luistert” (Zach.6:15).

Conclusie Vanuit een reeks profetieën uit het OT kan men niet met een “absolute stelligheid” beweren dat ze vervuld zullen worden, of de wijze waarop. Daar zal geloof van de mens en Gods barmhartigheid zijn rol spelen. Er zijn trouwens teveel voorbeelden van “onfeilbare uitleggingen” die verkeerd bleken te zijn. Van nog niet vervulde voorspellingen, daarvan is de wijze van vervulling slechts door God gekend. Dat kan dus letterlijk of figuurlijk zijn of gewoon niet. 5de Stelling: Er bestáát géén meervoudige vervulling van profetie


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

271

Om de lezers een idee te geven van wat men ziet als meervoudige profetie, citeren we een vrij lang gedeelte uit ’Hulp tot begrip van de Bijbel’, deel 7, 1990, blz.1254, 1255. Wat Jehovah’s Getuigen hier schrijven is representatief voor alle vertegenwoordigers van de duizendjarige regering: “Een groot aantal profetieën ging voor de eerste maal in vervulling ten aanzien van de mensen die destijds leefden, aangezien veel profetieën Gods oordeel tot uitdrukking brachten jegens het vleselijke Israël en de omringende natiën en Israëls en Judah’s omverwerping en hun daaropvolgende herstel voorzeiden. Toch verloren deze profetieën niet hun waarde voor latere generaties, zoals voor de christelijke gemeente in de 1st eeuw G.T. of in onze tijd (...) Daarom konden Jezus en zijn discipelen profetische uitspraken die eeuwen voordien in vervulling waren gegaan, terecht ook op hun tijd van toepassing brengen (Matth.15:7,8; Hand.28:25-27).. . Het feit dat Jezus en zijn discipelen naar profetieën verwezen, laat zien dat een profetie waarin de toekomst wordt voorzegd, meer dan één vervulling kan hebben, zoals Habakuk’s profetie, die voor de eerste maal in vervulling ging toen de Babyloniërs Juda verwoestten. Paulus verwees naar deze profetie en paste ze op zijn tijd toe (Hab.1:5,6;Hand.13:40,41). Jezus liet zien dat Daniëls profetie betreffende “het walgelijke ding dat verwoesting veroorzaakt” haar vervulling zou hebben in het geslacht dat toen leefde; toch brengt Daniëls profetie betreffende “het walgelijk ding” dat verwoesting veroorzaakt ook in verband met “de tijd van het einde” (Dan.9:17;11:31-35;12:1; Matth.24:15,16). Zoals de bijbel laat zien, betekent het ’opstaan’ van Michaël dat Jezus Christus als Koning handelend optreedt ten behoeve van Jehovah’s dienstknechten (...) Jezus’ eigen profetie met betrekking tot het besluit van het samenstel van dingen maakt ook melding van zijn komst in Koninkrijksmacht, hetgeen niet in de 1ste eeuw G.T. plaatsvond (Matth. 24:29,30; Luk. 21:25-32). Dit duidt op een tweeledige vervulling. In een verhandeling over de tweevoudige vervulling van profetieën geeft McClintock en Strongs Cyclopoedia (Deel VIII, blz. 635) derhalve het volgende commentaar: “Deze zienswijze omtrent de vervulling schijnt noodzakelijk te zijn voor de uitleg van de door onze Heer gedane voorzegging op de Berg, die niet alleen de val van Jeruzalem maar ook op het einde van het christelijke stelsel betrekking heeft” (wij

onderlijnen). Ongeveer hetzelfde vinden we terug in ’Inzicht in de Schrift’, deel 2, 1997, blz.657. Over Matthéüs hoofdstuk 24 zegt ’De Wachttoren’ van 15 dec.1997 op blz.16: “Aldus had Jezus’ uitvoerige profetie omtrent “het besluit van het samenstel van dingen” haar eerste vervulling, die culmineerde in Jehovah’s dag waarop in 66-70 G.T. ten aanzien van de opstandige joodse natie aan de gerechtigheid werd voldaan (Mattheüs 24:3-22). Maar dat was slechts een afschaduwing van de “komst van de grote en vrees inboezemende dag van Jehovah”; de laatste verdrukking die op het punt staat de hele wereld te overspoelen (Joël 2:31)” (wij onderlijnen).

En een derde citaat van ’De Wachtoren’: “Jakobs sterfbedprofetie. Toen Jakob tot zijn zonen zei: “Vergadert u, opdat ik u moge vertellen wat u in het laatst der dagen (in toekomende dagen, NBG) zal geschieden”, doelde hij daarmee op de toekomstige tijd wanneer zijn woorden in vervulling zouden beginnen te gaan (Ge 49:1). Meer dan twee eeuwen voordien had Jehovah tot Abram (Abraham), de grootvader van Jakob, gezegd dat zijn nakomelingen 400 jaar gekweld zouden worden (Ge 15:13). In dit geval kon de toekomstige tijd die Jakob als het “laatst der dagen” aanduidde, dus niet beginnen voordat de 400 jaar van kwelling geëindigd zouden zijn (...) Een latere toepassing van de profetie, die verband zou houden met het geestelijke “Israëls Gods”, kon eveneens worden verwacht. - Ga 6:16; Ro 9:6.” ’Inzicht in de Schrift’ deel 2, 1997, blz.140 (wij onderstrepen). Tot slot. Het volledige verhaal van de nieuwe tempel zoals beschreven in het slot van Ezechiël heeft een eerste geestelijke vervulling na de terugkeer uit de ballingschap, een tweede geestelijke


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

272

vervulling vanaf 1919 in de geschiedenis van de moderne Jehovah Getuigen - lees dus de Wachttorenmensen zelf - en een derde geestelijke vervulling tijdens het millennium. Er komt dus geen echte stenen tempel aan te pas. Zie ’De Wachttoren’ van 1 maart 1999, blz.11,12,21. Meervoudige vervullingen kunnen extreme vormen aannemen zoals we er vinden in een herdruk van een ouder boek van de Zevendedags Adventisten. In 1945 verscheen ’The certainty of the Third Angel’s Message’ van L. Were. Schrijver geeft tientallen voorbeelden van bepaalde voorzeggingen die niet minder dan drie vervullingen zullen hebben: een eerste met de terugkeer uit de ballingschap, een tweede geestelijke vervulling met de eerste komst van de Heer en een derde met de Wederkomst van Christus. Anderen hebben een geestelijke vervulling vóórdat het Millennium aanvangt en een tweede een letterlijke vervulling wanneer de nieuwe hemel en aarde zal geschapen zijn. Voor de geestelijke uitleggingen zijn het natuurlijk de Adventisten wie het onderwerp zijn van de vervulling. Maar dat komt ook terug bij tientallen kerkjes en sekten. De redenering is dan steeds dat er slechts een kleine kudde van gelovigen in de wereld is. Het boek van L. Were verscheen opnieuw in 1979 bij First Impressions, Berrien Springs. Zie vooral paginas 122,123,311-342. Biederwolf geeft het volgende commentaar op Hand.15:14-17: “Welke vervullingen er ook geweest mogen zijn, ze zijn stellig slechts een gedeeltelijke vervulling en zijn volle werkelijkheid zal maar ontvangen worden in de Messias” (blz.411). Bij de bespreking van het Pinkstergebeuren zegt Biederwolf terwijl hij anderen citeert: “We moeten de grotere horizon zien van de voorspelling en déze vervulling is slechts het type van een andere en grotere vervulling in de komende dagen. En Howson zegt terecht: noch Pinksteren, noch de wonderen die de vroege kerk te beurt viel, noch de tekenen in Jeruzalem anderzijds hebben deze grote belofte van Joël volledig vervuld. Petrus heeft ze opgenomen en herhaald, maar het zijn slechts gedeeltelijke vervullingen, de volledige vervulling zal niet toeven en zal zeker de doorluchtige dag des Heren voorafgaan, waarvan het tijdstip slechts aan de Vader gekend is” blz.404,405(wij onderstrepen). Het is een leer waar Adventisten van alle slag mee werken, van W. Miller naar E. White over Darby naar E. Bullinger en Scofield naar J. de Heer. Dit is een verhaal dat op zand is gebouwd. Een theorie die slechts aan elkaar gelijmd is met papier-maché. We moeten dat aanklagen als één grote zeepbel, dus als iets dat slechts bestaat uit lucht en een omhulsel van niemendal. Ware een theorie als deze gegrond op enige vaste basis dan zou elke leer over voorspellingen gewoon ophouden te bestaan. De Logos is toch niet tweemaal in Maria ontvangen? Toch niet tweemaal gestorven? En zo verder alle voorzeggingen over volkeren. Babylon is toch niet tweemaal door de Meden en Perzen veroverd? Israël heeft toch geen tweemaal een Babylonische gevangenschap ondergaan? Wie meervoudige vervullingen leert, heeft dit lerende, geen respect voor de Schrift en wat God over de toekomst te zeggen heeft. Profetie laat ons ook geen eigenmachtige uitleg toe (2 Pet.1:20). De uitleggingen daarvan behoren God toe (Gen.40:8). Daarom zijn ook de belangrijkste vervullingen in de Bijbel voor ons opgetekend. De vervulling van profetie geeft vertrouwen op God (vb. Dan.5). Laten we het aan God dan ook over om de verborgenheden te openbaren (Dan. 2:29). En er zeker niet van uitgaan dat wij het zoveel beter zouden weten dan de apostelen en discipelen van Christus die voor ons onderricht de vervulling van een profetie (waar nodig) ook genoteerd hebben.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

273

In de beoordeling van meervoudige profetie komt A.A. MacRae tot twee conclusies: “Tenzij meervoudstermen gebruikt zijn (of wanneer uit de context blijkt dat het over een opeenvolging van gebeurtenissen gaat) moet elke voorspelling verstaan worden als met betrekking tot één welbepaalde gebeurtenis” (blz.899). In de bespreking van Jesaja 7 (de Immanuël-profetie) die door enkele exegeten is verklaard als een meervoudige profetie is zijn besluit het volgende: “Zo beschrijft vers 14 een gebeurtenis die 700 jaren later zou geschieden, terwijl vers 15 in de nabije toekomst vervuld zou worden. Elk onderdeel van de voorspelling heeft één vervulling, en elke poging om er een “meervoudige profetie” van te maken leidt tot verduistering van het geheel” (blz.902). ’The Zondervan Pictorial

Encyclopedia of the Bible’, deel 4, edit. M.C. Tenney, Zondervan, 1975 (wij onderstrepen). M.S. Terry zegt in, ’Biblical Apocalyptics’, Eaton & Mains, 1898, blz.218. “Het is nauwelijks nodig de voorstelling van een tweede of derde vervulling (van een profetie) te weerleggen (...) De daarop gebaseerde uitleg zinkt onder zijn eigen gewicht in elkaar. Er zijn weinig lezers van de evangeliën die nu zullen willen aanvaarden dat we als theorie moeten aannemen dat Jezus met een dubbele betekenis speelt tegenover zijn discipelen. En de pogingen om een scheidingslijn te trekken tussen wat betrekking heeft op de val van Jeruzalem en wat wijst op de wederkomst van Jezus. De merkwaardige verschillen in opvattingen die er zijn in verband met dat scheidingspunt, van het ene naar het andere evenement zijn van dien aard dat men die hypothese met argwaan moet bekijken” . Sommigen in de leer van de bedelingen weten hoe zwak het verhaal is van de meervoudige profetie. Daarom geven enkelen dan ook toe dat er reeds een geestelijke vervulling is van veel beloften uit het Oude Testament in de gemeente van Christus. Er is een geestelijke vervulling in het kerkelijke gebeuren en later nog een letterlijke voor de Joden zegt men dan. En daar komt dan het millennium achter de hoek kijken. We lezen bij E. Sauer, ’ From Eternity to Eternity’, Eerdmans, 1954, blz.171: ”Het zou eenzijdig zijn wanneeer we zeggen dat de voorspellingen van het Koninkrijk in hetb OT nooit spreken over de zegeningen van de tegenwoordige tijd in de evangelieprediking. Dit zou in het geheel geen recht doen aan de wijze waarop het NT de profetiën van het OT aanhaalt. Anderzijds zou het toch eenzijdig zijn te beweren, dat gezien er reeds over de huidige zegeningen gesproken wordt er geen latere - en wellicht nog grotere - vervulling dan de huidige kan komen (...) Het ene zou in tegenstelling staan tot de wijze waarop uit het OT iets toegepast wordt; het andere een tegenstelling tot de tekst zelf uit het OT.” Dit is een zeer zwak verhaal. Want wanneer God verplicht is

een profetie éénmaal geestelijk te vervullen en daarna nog eens letterlijk dan moeten we nog een tweede boek schrijven om de absurditeit daarvan aan te tonen.

Conclusie Met de leer van de meervoudige profetie is niets aan te vangen. Daardoor is slechts de indruk gewekt dat profetie niet vast ligt en dus niet geloofwaardig.

De regels toepassen: enkele voorbeelden We willen in het slotgedeelte van dit hoofdstuk de regels toepassen die we hebben aangegeven. We hebben daarvoor een citaat overgenomen uit het tijdschrift ’Amen’, n°16, december 1997. Het is een op zichzelf staand artikel hoewel het tevens het zesde deel is van een reeks over


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

274

vervullingen van Bijbelprofetie. We zullen daarna ingaan op de interpretatie van de schrijver die veel te wensen overlaat en tekenen vertoond van oppervlakkig lezen van het NT. “Naast reeds vervulde profetieën zijn er ook, die slechts gedeeltelijk vervuld zijn. De volledige vervulling ligt nog in de toekomst. Hier volgen een aantal voorbeelden.

1. Deuteronomium 18:15 Vervuld: “Een profeet uit uw midden, uit uw broederen, zoals ik ben zal de HERE, uw God, u verwekken.” Toekomst: “Naar Hem zult gij luisteren (...) .” 2. Psalm 2:7-9 Vervuld: “Hij sprak tot mij: Mijn zoon zijt gij, Ik heb u heden verwekt.” Hand.13:33. Toekomst: “Vraag Mij en Ik zal volken geven tot uw erfdeel, de einden der aarde tot uw bezit. Gij zult hen verpletteren met een ijzeren knots, hen stukslaan als potten bakkerswerk.” 3. Psalm 22 Vervuld: “Zij verdeelden mijn klederen onder elkander en wierpen het lot over mijn gewaad” (vs.19) - Joh.19:23,2 4 Toekomst: “Alle einden der aarde zullen het gedenken en zich tot de HERE bekeren, alle geslachten der volken zullen zich nederbuigen voor Uw aangezicht. Hij is een heerser over de volken (...)” (vs.28-32) 4. Psalm 110:1 Vervuld: “Zet u aan mijn rechterhand.” Marc.16:19 Toekomst: “Totdat ik uw vijanden gelegd zal hebben als een voetbank voor uw voeten.” 5. Jesaja 9:5,6 Vervuld: “Want een kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven.” Luc.1:31,32 Toekomst: “en de heerschappij rust op zijn schouder en men noemt hem Wonder bare Raadsman, Sterke God, eeuwige Vader, Vredevorst. Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over zijn koninkrijk, door dat hij het sticht en grondvest met gerechtig heid.” 6. Jesaja 11:1-10 Vervuld: “Er is een rijsje voortgekomen uit de tronk van Isaï en een scheut uit zijn wortel zal vrucht dragen (...) “ (vs.1) - Luc.2:4 / Rom.15:12 Toekomst: “Maar Hij zal de aarde slaan met de roede Zijns mond en met de adem Zijner lippen de goddeloze doden. Gerechtigheid zal de gordel Zijner lendenen zijn en trouw de gordel zijner heupen. Dan zal de wolf bij het schaap verkeren en de panter zal zich nederleggen bij het geite bokje (...) .” 7. Jesaja 53:12 Vervuld: “Omdat hij zijn leven heeft uitgegoten in de dood” - Joh.19:30 Toekomst: “Daarom zal ik hem een deel geven onder velen, en met machtigen zal


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

hij de buit verdelen.” 8. Jesaja 61:1-4 Vervuld: “De Geest des Heren HEREN is op mij, omdat de HERE mij gezalfd heeft; Hij heeft mij gezonden om een blijde boodschap te brengen aan ootmoedigen, om te verbinden gebrokenen van hart, om voor gevangenen vrijlating uit te roepen en voor gebondenen opening der gevangenis, om uit te roepen een jaar van het welbehagen des HEREN (...) ” Mat.11:5 / Luc.4:18-19 Toekomst: “en een dag der wrake van onze God, om alle treurenden te troosten, om over de treurenden van Sion te beschikken, dat men hun geve hoofdsieraad in plaats van as (...).” 9. Joël 2:23,24 Vervuld: “En gij, kinderen van Sion, juicht en verheugt u in de HERE, uw God, want Hij geeft de leraar ter gerechtigheid” - Joh.3:2 Toekomst: “Ja, de regenstromen laat Hij voor u nederdalen, vroege regen en late regen, zoals voorheen. De dorsvloeren zullen vol koren zijn en de perskuipen van most en olie overstromen. Ik zal hen vergoeden de jaren (...) .” 10. Micha 5:1-4 Vervuld: “En gij, Bethlehem Efratha, al zijt gij klein onder de geslachten van Juda, uit u zal Mij voortkomen (...) .” - Mat.2:1 / Luc.2:4 Toekomst: “Die een heerser zal zijn over Israël. Dan zal het overblijfsel zijner broederen terugkeren met de Israëlieten (...) .” 11. Zacharia 9:9,10 Vervuld: “Juich, gij dochter van Jeruzalem! Zie, uw Koning komt tot u, zegevierend, nederig, rijdende op een ezel, op een ezelshengst, een ezelinnejong” - Mat.21 Toekomst: “Dan zal Ik de wagens uit Efraïm en de paarden uit Jeruzalem teniet doen, ook de strijdboog wordt tenietgedaan; en Hij zal de volken vrede verkondigen en zijn heerschappij zal zich uitstrekken van zee tot zee en van de Rivier tot de einden der aarde.” 12. Zacharia 13:7-9 Vervuld: “Zwaard, waak op tegen mijn Herder, tegen de man, die mijn metgezel is, luidt het woord van de HERE der heerscharen; sla die herder, zodat de schapen verstrooid worden” - Mat.26:31 Toekomst: “In het gehele land, luist het woord des HEREN, zullen twee derden uitgeroeid worden en de geest geven, maar een derde zal daarin overblijven. Dat derde deel zal Ik in het vuur brengen en Ik zal hen smelten, zoals men zilver smelt, ja hen louteren, zoals men goud loutert. Zij zullen Mijn Naam aanroepen en Ik zal hen verhoren. Ik zeg: Dat is Mijn volk; en zij zullen zeggen: De HERE is mijn God.” (einde citaat.)

275


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

276

Wat moeten we hier allemaal op zeggen? Ogenschijnlijk hebben verdedigers van een toekomstig duizendjarige regering problemen met teksten opsplitsen. Men zet tussen de vervulling van een eerste deel en het daaropvolgende deel, perioden van nu bijna tweeduizend jaar. Kan dat zonder de Schrift geweld aan te doen? We gaan in op de vorige teksten en wat ze suggeren en één voor één bedenkingen maken. 1°) Deut.18:15. Het gedeelte “naar Hem zult gij luisteren” zou voor de toekomst zijn. Heeft deze schrijver zo weinig kennis over het NT en de vervulling ervan? Is het zijn bedoeling te beweren dat alle Joden in de toekomst onvoorwaardelijk naar Hem zullen luisteren? Die gedachte is in strijd met de daaropvolgende verzen Deut.18:18-20. Al tijdens de prediking van Jezus is het duidelijk dat Hij “de profeet” is (Joh.1:45 / 4:19,25 / 6:14 / Mat.11:15). En wie het verhaal van de apostelen leest in Handelingen kan de verwijzing naar Jezus = de profeet uit Deut.18:15 toch niet gemist hebben (Hand.3:22 / 7:37 / Heb.2:14-17). Het is duidelijk dat de Joden toen (en thans) Jezus van Nazareth dienen aan te nemen als de gezonden profeet. 2°) Ps.2:7-9. Het eerste gedeelte dat de schrijver van ’Amen’ toekomstig zet: “vraag mij” enz... gaat niet in vervulling in het duizendjarige rijk maar sinds Pinksteren. Jezus is duidelijk “de Heer, de Messias” (Hand.2:34-36). Wie zegt dat Hij nog niet alle macht heeft zowel juridisch als wettelijk, neemt een loopje met de Bijbelse waarheid (Mat.28:18 / Eph.1:21 / Phil.2:9-11 / Heb.2:8 / Opb.11:17). Petrus zegt tot Cornelius dat Hij “de Heer is van allen” zowel over Joden als Heidenen (Hand.10:36). Het tweede deel, het stukslaan van de goddelozen zal zijn vervulling hebben bij de tweede komst. Niet in de zin van wie geloofd in een nog toekomstig rijk want dan is het tweemaal dat de profetie vervuld wordt: een eerste maal bij de onzichtbare komst en 1007 jaar later nog eens aan het eind van de duizendjarige regering (Opb.20:7-10). Dat is er één teveel. Hoe dat oplossen! Gewoon géén duizendjarig rijk invoegen ná de Wederkomst van de Heer. 3°) Psalm 22. Waarom dat gedeelte nog verplaatsen naar de toekomst wanneer het evident is dat sinds Pinksteren en vooral vanaf de bekering van Cornelius er bij God geen onderscheid in rassen meer is! Redding voor ieder die zal geloven (Rom.1:16). De Heidenen die zich bekeren ontvangen dezelfde Heilige Geest die drie jaar voordien met Pinksteren op die eerste discipelen is gekomen (Hand.2:17 / 10:45). We moeten prediken dat mensen zich nu dringend dienen te bekeren. Een tweede kans komt er niet (Mat.28:19 / Luc.24:47), en uitzonderingen zijn er niet. 4°) Psalm 110:1. Zelfde opmerking als punt twee. En alles is Hem nu al onderworpen, slechts de uitvoering ervan is voor een deel toekomstig (1 Pet.3:22). Een koning of rechter die een uitspraak doet of veroordeling laat die niet steeds onmiddellijk uitvoeren. 5°) Jesaja 9:5,6. Waarom dat gedeelte in de toekomst gezocht? Indien het gaat om begrippen die te maken hebben met de middelaarsfunctie van Jezus dan is het toch nu dat we dit dienen te plaatsen! Zie de volgende Schriftuurplaatsen i.v.m. de “heerschappij” van Christus (Mat.28:18 / Eph.4:15,16 / Heb.2:8). Als “wonderbare Raadsman” zie 1 Cor.1:30 / Col.2:3. En dat is ten dienste van de gemeente in deze tijd. De Heilige Geest zal daaruit nemen (Joh.16:14). “Sterke God” is een titel die Hij samen deelt met de Vader, sinds altijd en dewelke spreekt over Zijn godheid. Hij was (en is) er vóór de aartsvader Abraham (Joh.8:58). Hij is (en was) één met de Vader (Joh.10:30). En in Hem woont de godheid lichamelijk (Col.2:9). Christus is onze “eeuwige


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

277

Vader” als schepper volgens Joh.1:3 en herschepper van de gevallen mens volgens Joh.1:4,5,1418. En dat is begonnen met zijn prediking. En gelukkig niet voor de toekomst! Anders ware er nog geen sprake van de Kerk! Hij is thans al onze Vredevorst. Hij heeft de vijandschap tussen Jood en Griek omvergeworpen (Eph.2:14-18). Wanneer we”onvrede” hebben onder elkaar, zelfs als gelovigen, dan is dat door ons handelen en niet het Zijne (Col.1:20,21). Daarom moeten we ook elkaar deze vrede toewensen (2 Thes.3:16). Zijn vrede is over ons toegewenst sinds Zijn geboorte (Luc.2:14). Daarom is er ook dat verschil tussen de gelovige Jood en ons christenen. Voor ons christenen is de Messias er reeds, de gelovige Jood kan Jezus niet aannemen want hij voldoet niet aan wat hij er zich heeft van voorgesteld. Daarom bidden ze nog steeds in de vijftiende zegenspreuk uit het achttiengebed: “De spruit van David, uw dienaar, doe die snel ontspruiten en zijn hoorn verheffe zich door uw bevrijding; want op uw bevrijding hopen wij heel de dag. Gezegend gij, Heer, die de hoorn der bevrijding doet ontspruiten.”

6°) Jesaja 11:1-10. Natuurlijk zal Hij de aarde nog slaan met de roede van Zijn mond bij zijn tweede komst. Maar zeg toch niet dat de Heer thans geen gerechtigheid heeft waarmee Hij omgordt is! Zie Rom.14:17 / Rom.5:18. Indien Jezus die eigenschap nog niet zou bezitten dan kan Hij momenteel ook nog niemand rechtvaardig verklaren! Op het verhaal van wolf en schaap komen we later uitvoerig terug. Zoek de bladzijde voor uzelf op in de index indien u zich ondertussen niet zou kunnen bedwingen. 7°) Jesaja 53:12. Dit is symbolische taal om ons erop te wijzen dat dezen die de leiding hebben in de Gemeente ook al recht spreken (Eph.4:8-10 / Col.2:15). Heidenen die Gods woord horen bekeren zich van hun goddeloze wandel (Hand.10:44,45 / 15:7). Wiens zonden zij zullen vergeven (volgens Gods inzichten) zijn ook vergeven (Mat.16:19 / Joh.20:22,23). 8°) Jesaja 61:1-4. Dit zou één der teksten zijn die aan Bijbelverklaarders het recht geeft om ergens in een tekst op te houden en het tweede deel van de tekst in de toekomst te zetten. Maar dat recht hebben we niet bij nader onderzoek van dit gedeelte. Vooreerst: men zal toch niet beweren dat het eerste gedeelte vervuld is en niet meer geldig zou zijn. Dat er nu niet meer gepredikt dient te worden over “het jaar van welbehagen.” Het is toch onze bedoeling om tot aan de Wederkomst te prediken dat er redding is in het bloed van Christus! Ten tweede: als u als gewone “leek” of als voorganger in een gemeente niet tezelfdertijd de onbekeerden erop wijst dat ongeloof uiteindelijk zal leiden tot Gods afkeuren voor de eeuwigheid dan heeft u een half verhaal aan de man gebracht! God heeft de wereld lief, maar wie niet hoort wat de Geest zegt komt in Gehenna en is al veroordeeld. Eigenlijk voordat het laatste oordeel komt. Lees toch Joh.3:16-18 in één stuk door. Ten derde: Jezus heeft een belangrijke reden om toen zo vroeg in zijn prediking niet te verwijzen naar dat slot van Jes.61:1-4. Maar Hij komt later uitdrukkelijk daarop terug. Hij kan en mag zich als profeet aan Zijn toehoorders aanpassen. Nu met alle goed dat God voor hen in petto heeft, indien ze geloof oefenen. Maar luister op andere momenten naar diezelfde Jezus die de wraak van God en veroordeling predikt; de gelijkenissen van Mat.13, het oordeel over de Schriftgeleerden in Mat.23 en het oordeel over Jeruzalem en haar ongelovige inwoners in Mat.24. Laten we ons dus niet blind staren op Jes.61:1-4. Lezen we het in het NT zoals het er staat, maar zonder te vergeten dat er ook nog wat anders aanvullend staat.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

278

9°) Joël 2:23,24. Lezen we wat in de context staat: indien Israël zich bekeert tot zijn God. Voor wie bede en boete doet zal waar worden wat er staat. Maar dit komt tot géén vervulling zondermeer. Het zou voor die tijd zijn. De tijd dat ze God nog gelovig konden volgen. Dat slaat op de periode van Nehemiah / Ezra en kort daarop. De verzen daaropvolgend slaan duidelijk op een vervulling met Pinksteren. Toen heeft God Zijn Heilige Geest uitgestort. “Dit” van Joël is, “toen” vervuld. Zie Hand.1:5,8 / 2:17-21. Het gelovige Israël heeft de vervulling dus ontvangen. Maar de ongelovige Joden zullen het nooit ontvangen. 10°) Micha 5:1-4. Het gedeelte dat spreekt over het “overblijfsel” zou nog toekomst zijn. Maar wie Romeinen 9-11 leest kan het toch niet ontgaan dat daar al over een bekeerd overblijfsel gesproken wordt. En dat overblijfsel is, toen Paulus die brief schreef, al teruggekeerd. Niet naar het land in Palestina, maar naar het geestelijke Israël. Daarin kan geen sprake zijn van “onrechtvaardigheid” van Godswege (Rom.9:14). Heidenen die geloven in de verzoening - in de persoon van Jezus - ontvangen dezelfde zegeningen als het overblijfsel (Rom.9:24-29). De formule heeft dan ook betrekking op “het overblijfsel van gelovigen” en deze kan tot men mij het omgekeerde bewijst niet op ongelovigen toegepast worden. Dat wil dit zeggen: we leven thans in de tijd van het herstel van Israël. En Israël moet zich thans laten gezeggen wat de Messias Jezus van hen wil. 11°) Zacharia 9:9,10. Het eerste gedeelte van deze twee verzen is duidelijk aangehaald bij de intocht van Jezus op een ezel in Jeruzalem. De koning van Israël komt. Maar het volk en vooral de Schriftgeleerden hebben Hem verkeerd begrepen. Want die Jezus voldoet niet aan wat ze over de Messias denken: Hij grijpt niet naar het zwaard en predikt geen opstand tegen Rome. Hij is de beloofde Messias niet, daarom weg met Hem. Ook dat vers dat erop volgt past niet in het kader van de Schriftgeleerden van toen en de leraren van een toekomstig herstel van Israël. Toch moet men geen toekomstige vervulling verwachten omdat ook dit thans geschiedt. Merk op dat er over de ezelrijdende Messias staat dat Hij zegevierend op de ezel zit. Want Hij overwint, zonde, dood en wereld. Hij heeft zodoende, volgens vers 10, de echte oorlog weggedaan en vrede gebracht. Een heerschappij van zee tot zee en tot de uiteinden der aarde, dus wereldwijd. Lees dus maar wat Jezus - door de Kerk van Joden en Heidenen - doet in Eph.2:14,17. Dat was al de bedoeling sinds Zijn geboorte op aarde (Luc.2:14). We hebben dus de vrede waarover Zach.9:10 spreekt tijdens dit leven te ontvangen. Romeinen 5:1 is daar duidelijk in. 12°) Zacharia 13:7-9. Waarom dat tweede deel naar de toekomst versluisen? De schapen werden verstrooid toen Jezus werd gevangen genomen. Maar is in de geschiedenis die erop volgt niet duidelijk geworden dat dit is vervuld in de tijd daaropvolgend. Dat het overgrote deel van Israël zich afkeert van de Messias (zie het boek Handelingen). Dat een klein overblijfsel zich laat reinigen, 3.000 op die Pinksterdag, enkele weken later nog 2.000 enz... En dat Gods wet in hun binnenste is geschreven zodat ze werkelijk kunnen zeggen: “De Here is mijn God” (Hand.2: 38,39). Maar ook dat de ongelovigen in de daaropvolgende oorlog met Rome (van 66-70 NC) gruwelijk uitgemoord worden. Voorzien door God en voorspeld door de profeet die Mozes heeft beloofd (Mat.24:3-29). De profetie is dus wel degelijk vervuld! We lezen in ’Nieuws uit Israël’, n°8, augustus 1994, blz.7 tot onze verbazing: “De zeven gelijkenissen in Mattheüs 13 worden ingeleid met de zin: “Op die dag ging Jezus het huis uit en Hij zat bij de zee” (v.1). In profetisch licht gezien, wil dat zeggen - zoals we in het eerste deel gezien hebben -, dat Jezus het huis Israëls verliet en naar de zee der naties ging, om daar een


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

279

andere akker voor het zaad van het Evangelie te zoeken. Uit liefde voor ons liet Hij het huis Israëls voor een tijd woest achter.” Is men de simpele regel vergeten alles in de Bijbel letterlijk te lezen tenzij er een andere reden toe is? Maar welke reden is er op begrippen als “het huis uitgaan” en aan “zee zitten” een gnostische symbolische uitleg toewijzen? Deed Origenes niet hetzelfde? Maar de schrijver van het artikel, Norberth Lieth zal hem waarschijnlijk niet willen aannemen als een “goed” Bijbelcommentator. Er zijn zo honderden voorbeelden aan te halen. We vinden er nog zo een rare in ’Questions’ blz.500, 501. De Satan die duizend jaar alleen overblijft op de aarde in het duizendjarige rijk komt overeen met de bok van Azazel die op de verzoendag de woestijn wordt ingestuurd. Dat zou te bewijzen zijn door Lev.16:20-22. Maar de echte specialisten (?) in dit verband zijn de mensen van de WT. Meer dan 40 profetische voorbeelden, uit het OT voorspellen volgens hen dat er een grote schare van mensen zal zijn die de 144.000 uit de Openbaring zullen bijstaan in de prediking. Dat is een verwrongen exegese.

Hoofdstuk 3 Over Israël Wat zij op dat gebied zeggen J. van Barneveld schrijft in ’Zoeklicht’ van 7 september 1996, blz.6.: “Duidelijke en onmiskenbare profetische signalen, die de laatste tijd op ons afkomen, laten zien dat we leven in de ’tijd van het herstel van Israël’. Bijna alle profeten en ook de Here Jezus Zelf, spreken over onze tijd (...) Herstel en oordeel. Het land Israël, het volk Israël en de God van Israël horen onlosmakelijk bij elkaar. * De hele aarde is van God, maar er is slechts één land dat de HERE van hemel en aarde ’Mijn land’ noemt: Het land Israël. Dát land heeft Hij aan het volk Israël beloofd. * Alle volken van de aarde behoren HEM toe. Maar er is maar één volk, dat zo vaak en zo intens ’Mijn volk’ wordt genoemd door de God van Israël. * De volken van de aarde hebben hun eigen goden. Maar de Schepper van hemel en aarde heeft Zich geopenbaard als de God van Israël . Nu, in onze dagen brengt Hij Zijn volk terug in Zijn land om Hem daar te ontmoeten. In het Beloofde Land zullen zij de Beloofde Messias als de Grote Zoon van David toejuichen: ’Gezegend Hij, die komt, de Koning, in de Naam van de HERE!’ Dan zal de gekomen Verlosser, Jesjoea, Zijn triomfantelijke intocht in Jeruzalem afmaken . Het land is en wordt hersteld. Het volk is teruggekeerd en de alija is nog steeds aan de gang. Ook geestelijk is er heel wat in beweging . Nu weten we uit het profetische Woord dat dit herstel van Israël gepaard gaat met oordelen over de volken. De Here Jezus spreekt in Zijn profetische eindtijdtoespraak over burgeroorlogen, stammentwisten, oorlogen, aardbevingen, pestziekten en aardbevingen. (Lukas 21:10,11) Onder de gelovigen signaleert Hij: ’omdat de wetsverachting toeneemt zal de liefde van de meesten verkillen (Matt.-24: 12). Dit is precies wat we in onze egosamenleving zien. Maar helaas ook in onze kerken en gemeenten!


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

280

De profeet Ezechiël voorzegt in hoofdstuk 37 het herstel van Israël. Direct daarop volgen de hoofdstukken 38 en 39 over de grote (wereld)oorlog onder leiding van Gog, waarin veel bijbeluitleggers Rusland zien. Uit de grote hoeveelheid profetieën die het herstel van Israël koppelen aan een oordeel over de volken noemen we alleen nog maar Jeremia 30:11: ’Want Ik ben met u, luidt het woord van de HERE, om u te verlossen; want Ik zal met alle volken, waaronder Ik u verstrooid heb, voorgoed afrekenen, maar met u zal ik niet voorgoed afrekenen, maar naar recht u tuchtigen, al zal Ik u zeker niet vrij laten uitgaan’. Deze oordelen zijn al aan de gang en zullen uitlopen op een vreselijke climax in de laatste 42 maanden van de tijd van de antichrist” (wij onderstrepen).

P. Slagter zegt in het Bijbelstudiekatern van het tijdschrift ’Amen’, n° 10, december 1996, blz.18: “Is dat zo? Is God inderdaad thans bezig Zijn beloften te vervullen? We moeten bedenken dat de profetieën verband houden met Gods regeringswegen met Israël en de wereld. Het volk Israël staat centraal in de profetieën. En de verheerlijking van Jezus Christus is het doel. Bij al het wereldgebeuren van nu staat God achter de schermen. Hij regeert de wereld ondanks het feit dat Satan nog altijd de overste van deze wereld is en de god dezer eeuw. Maar God regeert thans niet op een directe en zichtbare wijze. Het lijkt erop dat de aardse machthebbers kunnen doen wat zij willen, terwijl het in wezen de wil van satan is, want diens slaven zijn zij; toch kunnen zij niet verder gaan dan de grenzen die God hun stelt. Ja, God gebruikt hen zelfs om Zijn plannen te laten uitvoeren en tot Zijn doel te komen. Maar dat neemt niet weg, dat de aardse machthebbers en de volken verantwoordelijk zijn voor hun daden, ook al gebruikt God die om Zijn doeleinden te verwezenlijken. Er zijn genoeg voorbeelden uit het OT om dat te illustreren. Daarom is het onjuist te beweren dat alles wat in de wereldgeschiedenis heeft plaats gevonden in overeenstemming is met Gods wil. Eens zal er weer een tijd komen dat Gods regering niet meer indirect en verborgen zal zijn. Nu echter is er geloof nodig om uit te spreken dat God niet buiten al het wereldgebeuren staat. IN DIE ZIN KUNNEN WE ZEGGEN DAT GOD NIET STAAT BUITEN ALLES WAT ER NU IS GEBEURD EN NOG GEBEURT MET DE JODEN EN DE STAAT ISRAËL” (wij onderstrepen).

Wij citeren P.A. Slagter uit ’Israël en de Bijbel’, oktober 1994, blz.3: “Voorzichtig. Dat betekent dus, dat wij heel voorzichtig moeten zijn met het toepassen van profetieën in deze tijd. Veel zaken worden vandaag als vervulling van profetie verkondigd, terwijl die vervulling volgens Gods Woord nog in de (nabije) toekomst ligt. Feitelijk kán de vervulling van vele beloften van God niet eens plaatshebben, omdat nog niet is voldaan aan de voorwaarde daarvan. Natuurlijk zien wij vandaag allerlei ontwikkelingen in en rond Israël die profetisch te duiden zijn, maar te beweren, dat vandaag het profetisch Woord in vervulling gaat, is ver bezijden de Bijbelse waarheid. Ik zeg dit met alle voorzichtigheid, omdat ik niemand pijn wil doen en geenszins twijfel aan de integriteit van goedwillende sprekers en schrijvers. Ik zeg het echter ook in alle duidelijkheid, in de hoop, dat men echt de Schrift wil onderzoeken op dit punt: Is de wens misschien de vader van de gedachte? Gods Woord is de waarheid en spreekt duidelijke taal. De liefde voor land en volk van Israël mag ons echter niet verleiden om verder te gaan dan wat Gods Woord ons leert. Iedere prediker zal verantwoording af moeten leggen van zijn verkondiging in woord en geschrift. Daarom is het zo’n grote verantwoordelijkheid. De centrale vraag is altijd weer: is datgene wat ik zeg of schrijf in overeenstemming met wat God in Zijn Woord openbaart?” (wij onderstrepen).

Wim Malgo schrijft in ’Middernachtsroep’, febr. 1999, blz.12,13: “Wij staan verder vast achter Israël, omdat wij geloven, wat Jezus gezegd heeft, dat de Schrift niet gebroken kan worden, dat wil zeggen: men kan het Oude niet van het Nieuwe en het Nieuwe niet van het Oude Testament scheiden. Niemand kan


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

281

de Bijbel begrijpen, die het niet helemaal leest. Niemand zal Israëls wonderbare roeping kunnen bevatten, die niet Oude en Nieuwe Testament onderzoekt; slechts zo herkennen wij Israëls nationale en geestelijke toekomst. Het woord Israël komt in het Nieuwe Testament 70 keer voor, en wel in letterlijke en niet in vergeestelijkte betekenis. In onze dagen maken zich echter veel christelijke tegenstanders op, die met grote heftigheid Israëls nationale toekomst ontkennen. Wanneer u slechts de brieven zou kunnen lezen, die wij desbetreffend ontvangen! Ook in christelijke bladen verschijnen antisemitisch gekleurde artikelen, waarbij de Christelijke antisemieten voor hun bewijsvoering bijvoorbeeld steunen op Galaten 3:28: “Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus.” Daarmee wordt beweerd, dat er geen onderscheid bestaat tussen Jood en heiden! Dit woord in Galaten 3:28 bergt een heerlijke waarheid in zich, doordat hier de onscheidbare organische eenheid van de Gemeente van Christus verkondigd wordt; deze tekst is echter niet iets anti-Israëlisch, zoals velen aannemen, maar veel meer anti-oecumenisch, want in de Gemeente van Christus hoeft geen splitsing uit de weg te worden geruimd. De denominaties zijn gesplitst; de gemeente van Christus echter niet. De organisaties als kerken, verenigingen en vrije kringen zijn er vele, maar er is maar één lichaam van Christus als organisme. Galaten 3:28 zegt niet, dat een Jood, die zich tot Jezus bekeerd heeft, ophoudt, Jood te zijn. Wanneer dat zo zijn, dan zou volgens dit Bijbelvers een man ophouden, een man te zijn en een vrouw zou dan geen vrouw meer zijn, een knecht geen knecht en een vrije geen vrije meer zijn. Nee, de hier genoemde verschillen, Joden, Grieken enz. blijven bestaan; maar dat heeft niets met de geestelijke eenheid en geestelijke voorrechten van de een ten opzichte van de ander te maken. Er wordt beweerd, dat het woord “Jood” of “Joden” ongeveer 200 keer in de Schrift voorkomt. Ik heb het persoonlijk 230 keer geteld en het woord “Jood” of “Joden” wordt altijd in tegenstelling tot “heiden” genoemd. Ook het probleem van de Arabieren kan slechts vanuit de Schrift herkend worden. Zijn Isaäk en Ismaël beide zonen van Abraham? Jawel. Hebben zij echter dezelfde erfenis en dezelfde beloften? Nee, Ismaël, en Arabieren dus, hebben hun beloften van zegen door God in Genesis 17:20 ontvangen (...) Dit onderscheid moet men vasthouden (...) Wanneer ook de Gemeente van Christus Jood en Heiden, een en dezelfde positie hebben volgens Colossenzen 3:11 als leden van Christus geestelijke samengesmolten worden, dan heft dit heerlijke feit Gods bijzondere plannen en bedoelingen met Israël niet op.”

We lezen in de 13 artikelen van de Mormoonse kerk geschreven door hun stichter Joseph Smith: art.9: “Wij geloven alles wat God heeft geopenbaard, alles wat Hij in onze tijd openbaart, en wij geloven dat Hij nog vele heerlijke en belangrijke dingen van het Koninkrijk Gods zal openbaren” art.10: “Wij geloven in de letterlijke vergadering van Israël en in de herstelling van de tien stammen; dat Zion zal worden gebouwd op dit (het Amerikaanse) vasteland; dat Christus in eigen persoon op aarde zal regeren; en dat de aarde zal worden vernieuwd en haar paradijsheerlijkheid zal ontvangen.”

Wat wij op dat gebied zeggen Laat ons beginnen met een opmerking te maken bij wat Wim Malgo zegt. Dat heeft niet zoveel om het lijf. Ter illustratie het volgende. We lezen in A. Vaucher (een theoloog van de Zevendedag-adventisten), ’Le Jour de Repos’, Advent uitgeverij Fides, 1963, blz.23,24 dat gezien er 58 maal over de Sabbat gesproken wordt in het NT er alle belang moet aan gehecht worden. Het is trouwens niet afgeschaft en vervangen door de viering van de Zondag. Zo redeneren dezen die nog steeds de Sabbat zien als de rustdag van God. Maar dat zal Wim Malgo niet aannemen als argument en doen we ook niet. Het belang en waarde van een tekst of begrip moet gezien worden in zijn samenhang van het geheel en de vooruitgang die er ondertussen is gedaan door Gods


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

282

profeten in de Openbaring van de wil van God. We moeten daarom nagaan wat Israël thans in Gods ogen te betekenen heeft en of wat vroeger daarover is geopenbaard nog steeds geldend is.

Vier stellingen over Israël 1ste Stelling: Vanaf Pinksteren wordt de kerk van Jezus Christus bestaande uit Joden en niet-Joden terecht het “geestelijke Israël” genoemd Sinds YaHWeH aan Abraham de belofte gaf dat een nageslacht van hem in Kanaän zijn verblijfplaats zou hebben en wat er in werkelijkheid van is terecht gekomen lopen theologische inzichten ver uit elkaar (Gen.15:17-21). We gaan niet elke theorie tot in details weerleggen of een analyse erover maken, maar op enkele knelpunten wijzen. Maar u ziet het wellicht in de aanhalingen; ’Het Zoeklicht’ en ’Amen’ zijn het niet altijd eens over hoe de toekomst van Israël er nu juist zal uitzien. We kunnen niet zeggen dat Abraham zelf het land in bezit heeft genomen ofschoon hij er gewoond heeft (Gen.26:3 / Heb.11:8-10). Maar jaren later hebben zijn afstammelingen alles wat God had beloofd ook verkregen. Na de verovering van Kanaän geeft het boek Jozua hierop commentaar. We mogen niet twijfelen aan deze verklaring of ze in vraag stellen. We lezen in Jozua 21:43-45 (wij onderstrepen): “Zo heeft de HERE aan Israël het gehele land gegeven, dat Hij gezworen had hun vaderen te zullen geven; zij namen het in bezit en gingen er wonen. En de HERE gaf hun aan alle zijden rust, geheel zoals Hij hun vaderen gezworen had; niet één van al hun vijanden heeft voor hen kunnen standhouden; al hun vijanden gaf de HERE in hun macht. Niet één van alle goede beloften, die de HERE aan het huis van Israël had toegezegd, is onvervuld gebleven; alles is uitgekomen.” Zowel datgene wat aan de aartsvaderen is beloofd als datgene wat aan de 12 stammen werd beloofd met betrekking tot het land HEEFT GOD IN VERVULLING LATEN GAAN. En daarop volgde een tijd van vrede en rust onder het volk. Bij deze teksten hebben Scofield noch Biederwolf enige aantekening van belang. Dat zal wel zijn redenen hebben. Zie voor de vervulling van de belofte nog Deut.1:6-9 / 7:24 / Jozua 11:23 / 1 Kon.4:21 / 8:56 / Jer. 32:20-23,42 / Neh.9:6-8. Het is merkwaardig dat al de mensen die luidkeels roepen dat we de profetie letterlijk dienen te lezen dit niet doen voor deze tekst van Jozua 21. Omdat het niet past in de door hun vooropgestelde zienswijze van wat er met Israël nog zou te wachten staan? Toen Jozua op het punt stond om de Jordaan over te steken en het beloofde land te veroveren zegt God nog uitdrukkelijk: “Elke plaats die uw voetzool betreden zal, geef ik ulieden, zoals Ik tot Mozes gesproken heb. Van de woestijn en de Libanon ginds tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat, het gehele land der Hethieten en tot de Grote Zee in het westen zal uw gebied zijn (...) Wees sterk en moedig, want gij zult dit volk het land doen beërven, dat ik hun vaderen gezworen heb hun te zullen geven” (wij onderstrepen) (Jozua 1:3-6). God liegt hier toch niet wat voor aan Jozua? God kent toch zelf de inhoud van zijn profetieën aan de vaderen? Wanneer Hij zegt dat het vervuld


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

283

wordt in de tijd van Jozua, waar halen we het lef om daar wat aan te wijzigen? Of in twijfel te trekken? En te beweren dat het allemaal in orde komt in een toekomstig duizendjarig vrederijk! Wij krijgen ook in het NT nog het getuigenis van Stephanus dat Abraham’s zaad de beloften heeft ontvangen: “Doch naarmate de tijd der belofte waarmede God zich aan Abraham verbonden had, naderde, vermeerderde het volk en vermenigvuldigde zich in Egypte” (Hand.7:17, wij onderstrepen). Daarom moeten we ook met klem bepaalde stellingen van Scofield verwerpen. Hij zegt (zie het commentaar bij Deut.30 op blz.249,250): “Het Palestijnse verbond geeft de voorwaarden aan die Israël moet vervullen om het beloofde land binnen te gaan. Het is belangrijk te zien dat de natie in die zin het land nog nooit in bezit heeft genomen, het onvoorwaardelijke Verbond met Abraham in acht genomen, noch heeft men het land in zijn geheel in bezit gehad (cf. Gen:15:18 vergeleken bij Num.34:1-12).” En dan ontvouwt hij in zeven punten dat er uiteindelijk nog een herstel moet komen van Israël om dat alles zodoende waar te maken. Maar hier klopt iets niet. Het enige wat we moeten aanvaarden zijn de verklaringen uit het boek Jozua. Jozua is toch geen leugenaar! Jozua kende toch die voorzeggingen die in het boek Deuteronomium staan! Als hij niet weet, als profeet, wat de echte vervulling is van de beloften wie moet het dan weten? Dat wil zeggen dat Israël ooit (voor hoelang weten we niet) in het bezit was van het land gelegen tussen de rivier in Egypte en de Euphraat. Bultema maakt dezelfde redenering als Scofield en dus ook dezelfde fout op blz.220,221.

Herstel van Israël Over het Abrahamitisch verbond zegt Scofield (blz.25): “De gift van het land is gewijzigd bij voorspellingen van drie ontervingen en herstellingen (Gen.15:13,14,16 / Jer.25:11,12 / Deut.28:62-65 / 30:1-3). Twee ont-ervingen en herstellingen zijn nu voorbij. Israël zit nu in zijn derde verstrooiing, waaruit ze zal hersteld worden bij de wederkomst van de Heer als koning in het verbond met David (Deut.30:3 / Jer.23:5-8 / Ezech.37:21-25 / Luc.1:30-33 / Hand.15:14-17).” Het heeft weinig zin om enkele

Schriftuurplaatsen bij elkaar te zetten die wanneer ze op één hoop liggen de indruk moeten maken van een Bijbelse grondslag. Dat doet Scofield hier. Hij spreekt o.a. over Hand.15:14-17 dat zou verwijzen naar een toekomstig herstel van Israël. Wie leest wat er staat - in de context - komt echter tot de bevinding dat het “nieuwe Israël” al is begonnen en dat zelfs “heidenen” er deel van uitmaken. Scofield begaat niet alleen de fout de vervulling in een verkeerde tijd te plaatsen maar ook zelfs een verkeerde identificering te maken. Het is ook totaal verkeerd om Gen.15:18-21 uit te leggen als een profetie die nog moet vervuld worden. Er zal een nieuwe hemel en een nieuwe aarde gemaakt worden. Aan de aartsvader zal er natuurlijk een plaats gegeven worden maar dat is niet in vervulling van Gen.15. De profetie zal niet letterlijk vervuld worden. Zie ons commentaar verder bij Mat.7:22 in hoofdstuk 5. Wanneer Scofield drie teksten aanhaalt uit het OT en gewoon maar beweert dat er dan ook drie voorspellingen van “ontervingen en herstellingen” zijn dan heeft dat bij nader onderzoek geen enkele waarde. Ook Walvoord heeft drie verstrooiingen volgens blz.88-94. De derde is beschreven in Deut.28:64 zegt hij. Maar kijk je verder in die teksten tot verzen 68 dan blijkt er dat Israël bij zijn wederkomst uit “alle natiën” langs Egypte terug keert. En dat lijkt niet letterlijk te zijn maar


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

284

symbool van verdrukking zodat “alle natiën” ook beperkt is tot de landen waarheen ze verdreven zijn en niet werkelijk “alle natiën” omvat. Wanneer Walvoord (blz.94) daaraan nog Luc.21:24 koppelt maakt dat trouwens niet veel uit gezien deze tekst niet spreekt van een herstel maar wel van de “vertrapping” van Jeruzalem. Totdat de tijden der heidenen vervuld zijn zal dat geschieden. Er staat niet totdat Israël hersteld wordt! Er staat niet totdat Israël uit alle landen teruggebracht wordt! Volgens de context is Jeruzalem vertrapt tot en met de Wederkomst van de Heer. Lees er niet meer in dan er in werkelijkheid staat! En laat ons trouwens kijken naar de context van wat er allemaal staat in Deut.28:64. Het vers 53 wijst naar wat duidelijk vervuld is tijdens de verovering van Jeruzalem door de legers van Babylon. Toen hebben moeders uit noodzaak hun eigen kinderen opgegeten want door de belegering was al het eten opgeraakt. Daarover lezen we in Ezech.5:10 en Klaagliederen 2:20 / 4:10. Gruwelijk maar waar en in vervulling van wat God voorzegd had. En ook vers 68 gaat in vervulling in die tijd. Zie het verhaal van de Judeërs die in Egypte waren na hun vlucht uit Juda. Het staat beschreven in Jer. hoofdstuk 44. Zie vooral de verzen 11-19. En wat de betrokkenheid betreft in hun navolgen van de vreemde afgoden, zoals voorzegd in Deut.28:64, ook dat is een zaak van die tijd. Dat wat de 2 stammen - plus de Levieten - betreft. Van de 10 stammen staat beschreven: “zij zullen terugkeren naar Egypte” en “zij zullen in het land des HEREN niet blijven, maar Efraïm zal naar Egypte terugkeren en in Assur zullen ze het onreine eten” (Hos.8:13 / 9:3). Israël is volgens 2 Kon.17:6 naar minimaal drie landen (versta natiën) van dat wereldrijk verbannen. En de afgoderij van Israël (de 10 stammen) is uitvoerig beschreven in Hosea hoofdstuk 10. Israël “volhardt in het afdwalen” van God (Hosea 11:7). Walvoord heeft dus géén degelijke uitleg voor de tekst van Deut.28:64. En ook diegenen waar hij het gehaald heeft (Scofield en Biederwolf) geven blijk van verwrongen uitleggingen. Men moet deze teksten, over drie verstrooiingen, niet gewoon één, twee en drie optellen. Deze drie - en nog enkele anderen - wijzen op het beginsel dat God zijn volk wil, kan en mag vergeven zondermeer. Maar het zegt ook dat God soeverein is in deze zaak; VERGEEFT DE HEER OP EEN BEPAALD MOMENT NIET MÉÉR DAN IS OOK DIE HANDELSWIJZE PROFETISCH VASTGELEGD. Nog een andere profetie (volgens Scofield) zijn de woorden van de engel Gabriël aan Maria wanneer ze hoort dat uit haar de Messias zal geboren worden. “En Hij zal als koning over het huis van Jakob heersen tot in eeuwigheid, en zijn koningschap zal geen einde nemen” (Luc.1:33). Dan gaan de gedachten van Scofield in galop. Zijn conclusie is; dat zal in een toekomstig duizendjarig rijk vervuld worden. Maar lezen we dan toch wat er staat; “tot in eeuwigheid” en “zijn koningschap zal geen einde nemen.” Dus géén duizendjarig koningschap. Scofield en zijn vrienden hebben géén respect voor de profetie uit het OT waar steeds, zonder uitzondering, staat dat de Heer een eeuwige koning is (Ps.145:13 / Dan.2:44 / 4:3 / 7:14,27 / Jes.9:7). Zijn regeerambt heeft met Pinksteren een aanvang genomen en er komt geen eind meer aan. Alleen zullen er op een bepaald moment specifieke aspecten van dat koninkrijk meer zichtbaar zijn dan op een ander tijdstip. Zie ons verder commentaar bij Mat.7:22. Nog een slotopmerking. Volgens Scofield (of Walvoord) heeft Gen.15:13,14,16 betrekking op de verdrukking in Egypte. Maar dat is vóórdat de wet van Mozes is gegeven, vóórdat Deut.30 op papier staat en moet dus niet op dezelfde basis gezien worden als wat in Deut.30 staat. Dat Israël


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

285

verdrukt wordt in Egypte is toch niet omwille van de geestelijke afval van het volk. Waar vinden we dat terug in het boek Genesis? We moeten toch wat aan Israël geschiedt niet steeds als een straf van God zien! Er is toch onderscheid te maken in Gods “bedelingen”? Niet dat we er zelf in geloven! Want over “koningen” (voor Israël) was er nog geen woord geopenbaard aan de aartsvaders. God heeft op elk tijdstip met zijn volk welbepaalde afspraken en verbintenissen. Laten we dat goed onderscheiden. En dat onderscheid is nog duidelijker tussen het OT en het NT. In het OT is de regel “God heeft u uit Egypte geleid.” In het NT is de regel “De Heer is waarlijk opgestaan.” En dan klinkt het dat ook de Joden al uitzagen naar een “hemels vaderland” (Heb.11:16). Elke Jood moet sinds Christus wedergeboren worden tot een “hemelse erfenis” (1 Pet.1:3,4). We mogen dan ook beide zaken niet mengen zoals men doet in de bedelingen; niet een stukje Mozes + een stukje Christus. Want onze Mozes is de nieuwe Mozes met nieuwe wetten (Joh.12:48 /Gal.6:2). En daarom moet elke Jood - in de bedeling van het NT - wedergeboren worden (Joh.3:5,6 / 1:12,13 / Tit.3:5).

Het verbond met Abraham God heeft een Eeuwig verbond met Abraham en dus ook met het volk Israël: Gen.12:7: “Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven.” Gen.26:3: “Ik zal den eed gestand doen, dien ik uw vader Abraham gezworen heb.” 2 Sam.7:24: “Gij hebt U uw volk Israël voor altijd bevestigd tot uw volk.” 1 Kron.17:22: “Gij hebt uw volk Israël voor altijd U tot een volk gemaakt.” Jes.44:7: “daar Ik toch het overoude volk in het aanzijn riep.” Maar wat indien het volk op zo een wijze ontrouw is aan de princiepen van vader Abraham en aan Abraham’s God, hoe staat de zaak er dan voor? Dat gaan we even na. Indien we toch van een Abrahamitisch verbond willen spreken (zoals Scofield) dan kan dat slechts in termen gelijk er in Gen.18:17-19 gebruikt zijn. Daar staat: “En de HERE dacht: Zou ik voor Abraham verbergen wat ik ga doen? Abraham immers zal voorzeker tot een groot en machtig volk worden en met hem zullen alle volken der aarde gezegend worden; want Ik heb hem gekend, opdat hij gebieden zou, dat zijn zonen en zijn huis na hem de weg des HEREN zouden bewaren door gerechtigheid en recht te doen, opdat de HERE aan Abraham vervulle wat Hij over hem gesproken heeft” (wij onderstrepen). Twee opmerkingen hierover. 1°) De zonen van Abraham moeten de weg des HEREN bewandelen willen ze gezegend worden, het is een voorwaardelijke belofte aan zijn nakroost en geen automatisme dat ze allen gered en gezegend worden. Want er staat: “opdat hij gebieden zou, (...) opdat de HERE aan Abraham vervulle wat Hij over hem gesproken heeft.” Tweemaal “opdat”: éénmaal

vanuit Abraham en zijn nakomelingen en éénmaal vanuit God . Dezelfde duidelijke bewoordingen komen we tegen in de gelijkenis van de enge poort. De Heer maakt


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

286

hierbij de volgende opmerking: “Daar zal geween zijn en tandengeknars, wanneer gij Abraham en Izaäk en Jakob zult zien en al de profeten in het Koninkrijk Gods, maar uzelf buitengeworpen. En ze zullen komen van oost en west en van noord en zuid en zullen aanliggen in het Koninkrijk Gods. En zie, er zijn laatsten, die de eersten zullen zijn en er zijn eersten, die de laatsten zullen zijn” (Luc.13:28-30). Ook voor de toekomst kan God hierop gezien uitzonderingen maken, omdat dat een universele regeling is die dan zou ongedaan worden. Ook God houdt zich aan Zijn vooropgestelde princiepen. 2°) Alle volkeren der aarde worden in Abraham gezegend. Dat wil zeggen dat een zegen op hen zal overgebracht worden. Ook hier, maar dat staat niet in deze tekst maar wel in andere, moet geloof als voorwaarde ingerekend worden. Want niet elk individu in elk van die volkeren zal gezegend worden. Géén universalisme in de zin dat iedereen uiteindelijk dezelfde zegen zal ontvangen. En wat betreft de belofte van God aan Abraham dat hij de Vader van een “grote natie” zal zijn! Ook dat is al vervuld! Zie die uitdrukking in Gen.12:2 / 46:3 / Deut.2:25 / 4:6,7 / Jozua 2:9-11 / 1 Kron.17:21. In dezelfde zin ook de betekenis dat zijn zaad als “het zand der zee” zal zijn. Het is vervuld en hoeft niet nog eens een vervulling te krijgen in een duizendjarige regering. Dat is duidelijk in Gal.3:8,14 waar we lezen (wij onderstrepen): “En de Schrift die tevoren zag, dat God de heidenen uit geloof rechtvaardigt, heeft tevoren aan Abraham het evangelie verkondigd: In u zullen alle volkeren gezegend worden (...) Zo is de zegen van Abraham tot de heidenen gekomen in Jezus Christus, opdat wij de belofte des Geestes ontvangen zouden door geloof.” Met ander woorden; sinds Pinksteren en de bekering van Cornelius bestaat Gods gemeente uit Joden en Heidenen. Abraham is vader van een grote geestelijke natie geworden, een volk bestaande uit personen uit meerdere volkeren. Hij hoeft echt niet te wachten op een duizendjarige regering wil dat in vervulling gaan. Zie ook nog Gen.13:16 / 2 Kron.1:9 / 1 Kon.4:20 / Heb.11:12. Hetzelfde nog eens anders geformuleerd. Omdat het belang van het verbond met Abraham niet te onderschatten is. Want geroepen zijn wil eigenlijk nog niets betekenen. Zo zijn koning Cyrus en Nebukadnessar ook ooit geroepen door God om een speciaal werk voor Hem te verrichten (Jes.41:2 / Jer.27:6). Als teken van het verbond God/Abraham en zijn nageslacht zal de besnijdenis ingevoerd worden (Gen.17:7-11). Maar wie besneden is kan toch niet steeds een echte zoon van Abraham genoemd worden (Joh.8:39). Duidelijk is volgens het NT dat slechts zij die Christus hebben aangenomen de echte kinderen van Abraham zijn ( Rom.9:7,8 / Gal.3;29). Maar iemand die geroepen wordt en daarbij een onconditionele zegen ontvangt dat is wat anders. Dat moet vervuld worden want het is als een speciale genade die iemand ontvangt van God. Wat God gewild heeft, dat zal Hij volbrengen (Jes.46:10,11). Dat is het geval met Abraham’s belofte. God heeft bij die gelegenheid een eed gezworen (Gen.22:15-18 / Heb.6:13-20 / Luc.1:73). Die belofte bestaat uit twee afzonderlijke delen. Als eerste was voorzegd dat Abraham tot een groot volk zou worden. Wat ook vervuld is, want Israël werd een groot volk (Ex.32:10 / Deut.9:14). (Dan zeggen we nog niets van die andere grote volkeren die uit Abraham ontstaan


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

287

zijn; de zonen van Ismaël en de zonen van Kethura de tweede - of derde vrouw? - van Abraham. Zie Gen.21:17,18 / 25:1-11.) Als tweede belofte aan Abraham zei God dat zijn naam groot zou worden. Ook dit is vervuld want zowel voor het Joodse volk als de Christelijke gemeente is Abraham een zegen. En door middel van zijn nageslacht, welke in de eerste plaats Christus is, zal zijn naam bekend worden over de ganse mensheid. De gemeente zorgt voor die bekendheid. We mogen ons baseren op Gal.3:8,14 en Hand.3:25 en redeneren dat dit geheel vervuld is. Dat het middelaarschap van Abraham en zijn zegen door middel van zijn voornaamste zaad dit bewerkt is dus duidelijk. En dat God dat middelaarschap van Abraham zelf aanneemt bewijst toch het geval van Sodom en Gomorra en de twee andere steden. In Genesis hoofdstuk 18 zien we namelijk duidelijk dat de aartsvader optrad als de voorspreker voor die steden. En indien er slechts tien aanvaardbare personen geweest waren zou God de steden niet verwoest hebben ter wille van Abraham (vers 32). Er zijn dus drie dingen die niet uit het oog mogen verloren worden: 1°) het heil der volkeren komt door Israël (Joh.4:22 / Hand.2:39 / Rom.3:1 / 9:3,4). 2°) het uitvoeren van Gods plan is door Abraham’s zaad; Christus en de gemeente (Hand.4:12 / Opb.20:4). 3°) Abraham is ook “de vader” van de tot de Messias Jezus bekeerde Heidenen (Gal.3:23-29)! In zijn Zaad, Christus, ligt de vervulling van alles waar de mensheid naar verlangd heeft. Nationaal herstel van alle volkeren (Ps.72:8-11). Een tijd van gerechtigheid (Ps.72:2,4,7) van vrede (Jes.2:4 / 9:5,6 / Ps.72:3) materiële voorspoed (Ps.72:16 / Jes.30:23-25). Zelfs de schepping zal nieuw zijn (Rom.8:21,22 / Jes.11:6-8 / 65:25). Er kòmt een nieuwe hof van Eden, letterlijk en symbolisch. Het is belangrijk dat we ook nog verder uitweiden wat de beloften betreft aan de aartsvaders. Dat heeft dan vooral betrekking op de roeping en uitverkiezing van de vaderen zelf en het volk Israël als een geheel. Zo spreekt Jesaja over Abraham als: “Ik heb u van de grenzen der aarde gehaald en van haar eindpaal geroepen (...) Gij zijt mijn dienstknecht.” En verder: “Ziet op naar Abraham uw vader (...) hoe Ik hem heb geroepen” Jesaja 41:9 / 51:2. En we geven de lezer ook de andere belangrijkste teksten die verwijzen naar Abraham en zijn door God ontvangen belofte: Gen.12:2,3 / 18:18-20 / 22:15-18 / 26:2-4 / Jer.4:2 / Hand.13:46. De profetie van Gen.12 is door N. Lieth in ’Middernachtsroep’, mei en juni 1999 terecht opgesplitst in zeven delen: 1°) “Ik zal u tot een groot volk maken” 2°) “en u zegenen” 3°) “en uw naam groot maken” 4°) “en gij zult een zegen zijn” 5°) “Ik zal zegenen wie u zegenen”


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

288

6°) “en wie u vervloekt zal ik vervloeken” 7°) “en met u zullen alle geslachten der aarde gezegend worden.” Dan volgt tot onze verbazing de volgende tekst en opmerking (juni blz.13): “Pas nadat deze laatste tijd doorstaan, de Here in heerlijkheid weergekomen is, om de “mens der wetteloosheid” met de adem Zijns mond te doden en de volken te slaan, die zich tegen Zijn volk keerden (Zach.14:12) en die te vloeken, die Israël vervloekten - pas dan zal met Zijn wederkomst het Koninkrijk komen, waarin de wereldgeschiedenis tot een einde en hoogtepunt geleid wordt: Het duizendjarige Rijk van Jezus Christus. Hier zal Israël onder de Here Jezus tenslotte tot zegen voor alle geslachten der aarde worden : .”.. en vele natiën zullen optrekken en zeggen: Komt, laten wij opgaan naar de berg des Heren, naar het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons lere aangaande zijn wegen en opdat wij zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en des Heren woord uit Jeruzalem” (Micha 4:2). In dit verband zegt Psalm 97:1: “De Here is Koning. Dat de aarde juiche, dat vele kustlanden zich verheugen” (wij onderstrepen).

Drie vragen aan N. Lieth: 1°) Waarom Israël voorstellen als de zegen van de volkeren terwijl in het NT dit klaar en onomwonden door Jezus vervuld wordt? 2°) Waarom aan Israël in de toekomst toeschrijven wat Jezus thans volbrengt? Jezus is nu de Vredevorst en tot zegen van alle volkeren (Eph.2:14-22). Ook dat was voorzegd in het OT: de Messias van Israël is de Koning van allen die Hem aannemen zonder onderscheid van afstamming. 3°) Waarom het opnieuw in bezit nemen van het land Israël door de kinderen van Abraham voorstellen als de vervulling van de “beloften”? Want de vervulling van de “beloften” - ook deze van het land - worden door Paulus vergeestelijkt in zijn brief aan de Galaten. Want het zaad is er een “geestelijk zaad” en de kinderen van Abraham zijn er “geestelijke kinderen” en niet deze van het vlees ( Gal.3:16,19).

De vervallen hut van David opgebouwd Biederwolf, de geestesgenoot van Scofield, gaat nog een stap verder in zijn commentaar op Hand.15:14-17. Hij zegt: “Welke vervullingen er ook geweest mogen zijn, ze zijn stellig slechts een gedeeltelijke vervulling en zijn volle werkelijkheid zal maar ontvangen worden in de Messias” (blz.411). “Een gedeeltelijke en tijdelijke vervulling onder Zerubbabel” geeft hij als uitleg bij Amos 9:11-15, op blz.259. En J. de Heer zegt over dat gedeelte: “Op Zijn wederkomst volgt de wederopbouwing van den Tabernakel Davids, omdat de Koning heerschen zal en daaruit vloeien vanzelf de rijkste zegeningen voort” (blz.39). Bultema zegt op blz.244: “Hand. 15: 14-17. Dit is een zeer belangrijke plaats, dewijl ze ons wijst op de orde der heilsfeiten. 1. Eerst moet de gemeente als het volk uit de volken worden samengeroepen. 2. Als dit geschied is, zal de Heere Zelf wederkeren. 3. Waartoe komt Hij terug? - Om weder op te richten den tabernakel Davids, die vervallen is. Vgl. Amos 9:8-15. 4. Gevolg van ’s Heeren komst zal zijn, dat de overgeblevene menschen den Heere zullen zoeken. Dan komt de bekeering aller volken, in het vrederijk.”

Scofield zegt bij Hand.15 in voetnoot: “Met betrekking tot de bedelingen is dit de belangrijkste tekst van het NT. Deze geeft het goddelijk voornemen weer voor deze eeuw en het begin van de volgende. 1) Uit de heidenen een volk vergaderen voor zijn naam is het belangrijkste in deze bedeling. De kerk is de ecclesia, de uitgeroepen gemeenschap. Precies dat is in onze tijd sinds Pinksteren aan de orde” (blz.1169,


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

289

wij onderstrepen). Dan komt hij echter tot de opmerking dat er nog een herstel zal zijn van Israël op basis van de geciteerde tekst uit Amos 9:11,12 en ook nog het herstel van het verbond met David. Men krijgt de indruk dat geen enkele van deze schrijvers ooit de moeite gedaan heeft Amos 9 en Hand 15 naast elkaar te leggen. Laat ons goed beseffen dat de apostelen ofwel gelijk hebben of niet. Indien niet, dan mag men de Schrift naar de prullenmand verwijzen. Dan komt het er in de praktijk op neer te zeggen dat het niet Gods woord is. Anderzijds, indien we zeggen dat de apostelen Gods gezanten zijn voor hun tijd en voor alle tijden dan moeten we ook luisteren naar wat ze te zeggen hebben en het ook beamen. In een boek dat we voor de volle 100% kunnen aanbevelen en het onderwerp betreft dat hier aan de orde is staat de korte formulering: “In den beginne koos God uit alle natiën in de wereld één volk. Sinds Kalvarie kiest hij één volk uit van mensen uit alle natiën in de wereld.” R.B. Yerby, ’The once and Future Israël’, Reiner Publications, Swengel,

1978, blz.75. Ze zijn tevens uitgever van bijna alle belangrijke (een tiental) latere geschriften van Philip Mauro. Niet recent meer als publicaties, maar nog steeds van het beste contra Scofield e.a.. Hij was ooit geëerd als één van de beste in kringen van het duizendjarige rijk en weet waarover hij schrijft. Hierbij een aanhaling uit Bultema blz.72: “Dr. C.I. Scofield, Dr.I.M. Haldeman, Philip Mauro, A.C. Gaebelein en vele anderen in Amerika. Al deze mannen, zoo nuchter als geleerd als godvruchtig.” Begrijpt u de Engelse taal, lees a.u.b. Philip Mauro ná zijn bekering van de leer van

het duizendjarige rijk. Na zijn bekering van de leer van het duizendjarige rijk was Mauro nog steeds: “nuchter als geleerd als godvruchtig.” Of wellicht nog meer dan voordien! Een opmerking van H.M. Matter over Hand.15:14-17 is dan ook zeer terecht. Hij zegt: “(Deze Jacobus) spreekt van “herbouw” van Davids “vervallen hut”, maar (...) “opdat het overige deel der mensen de Here zoeke en alle heidenen, over welke mijn naam is uitgeroepen” (vs 17). Ook deze belofte is dus niet langer onvervuld. In Christus’ verschijning is de “vervallen hut van David” weer opgericht, en van dat ogenblik af deelt zich het heil mee ook aan “het overige deel der mensen.” De van de zijde van het chiliasme c.a. voorgedragen opvatting, dat we in het “daarna” van vs 16 te doen zouden hebben met de tijdsbepaling van Israëls komende bekering is dan ook reine fantasie. Er zou hier dan te lezen staan, dat God Israël een tijdlang laat wandelen in zijn eigen wegen, om zich te wenden tot de heidenen, en dat Hij “daarna” tot Israël terugkeert om ook Israël te brengen binnen de poorten van het koninkrijk. Het doet hier niet terzake, dat er ook in Amos 9 van een “eerst toebrengen” van de heidenen en een “daarna” volgende bekering van Israël geen sprake is. Het moge voldoende zijn, dat Jacobus in Hand.15 van deze dingen in het geheel niets weet. Het is hem genoeg, dat het uur voor de heidenen thàns aangebroken is, nadat het uur voor de Joden reeds eerder aanbrak, nl. in Abraham en zijn verkiezing uit de volkeren. Het moge voor de chiliasten ook genoeg zijn” (wij onderstrepen). ’De toekomst van Israël’,

Bosch & Keuning, 1953, blz.121. (Er verscheen ooit een kritiek op dit werk van H.M. Matter geschreven door H. Verwey, ’Kerk en Israël’, Utrecht, 1973. Dat het enige succes had komt doordat H. Matter vooral nadruk legt op de Kerk bestaande uit Joden en Heidenen) die de voortzetting is van het vleselijke Israël. Zijn kritiek op de duizendjarige regering was voor hem in dat geschrift dus een bijzaak. Daar pikt H. Verwey natuurlijk gretig op in.) J. de Heer tracht ons te overtuigen dat: “Christus zal Priester-Koning zijn” in een duizendjarige regering (blz.77-103). Eén van de ondertitels uit dit boek is: “Het koninkrijk is nog niet begonnen” (blz.71). En op blz.174 lezen we: “Het karakter van het duizendjarige Rijk of beter gezegd van de


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

290

Christusheerschappij is: de wereld in gerechtigheid te richten en de aarde te vervullen met de kennis des Heeren, opdat de overblijvende volkeren den Heere zouden zoeken. Hiertoe is zowel de Troon als de Tempel noodig.” Op de volgende bladzijde volgt dan dat Ps.110 nog te vervullen is. Bedroevende

theologie, want het komt erop neer te zeggen dat Christus thans nog géén koning is, dat Ps.110 nog niet vervuld is en dat cru gezegd het NT ons iets wijs maakt op dit punt. De Schrift zegt over het Christus-rijk niet dat het “zal zijn”, maar het “is” er nu reeds. “De Christusheerschappij” is wel degelijk begonnen! Mijn Koning zit sinds Hemelvaart/Pinksteren op de troon en heerst thans over zowel vriend als vijand. Zie ons commentaar bij Lucas 17:21 in hoofdstuk vier. En voor de vervulling van Psalm 2 (de koningspsalm bij uitstek), zie bij Mat.25:31-46 in hoofdstuk vijf. Er zijn in dit verband nog enkele opmerkingen te maken. 1°) God heeft al zijn beloften met betrekking tot het land aan Israël op zijn minst éénmaal vervuld. 2°) Deze voorrechten gaan niet gepaard met een automatische clausule van vernieuwing. We bedoelen dit: wanneer Israël zich schuldig maakt aan contractbreuk tegenover zijn God, is Hij niet verplicht Zijn deel van de afspraak nog na te leven en te onderhouden. Want ook in de Torah is het al duidelijk dat indien Israël niet blijft in het verbond ze zullen vergaan zoals de volkeren in Palestina die ze nog zullen veroveren. Dat staat in een niet verkeerd te begrijpen uitspraak van Mozes in Deut.8:19,20 en vergelijk Mat.12:43-45. 3°) Vóórdat het herstel mogelijk is moeten de Israëlieten: “hun ongerechtigheid en die hunner vaderen belijden” volgens Lev.26:39,40. Sinds de dood van de Heer houdt dit dus in dat ze op zijn minst de gedeeltelijke schuld belijden aan de dood van de Christus. Dit beginsel vinden we altijd terug voor het individu en voor het volk in zijn geheel. Zie Ps.79:8,9 / Klaagliederen 5:7 / Dan.9:16,16,21. Wie dit niet inziet zal de grove fout begaan, zoals uit de praktijk blijkt, om zaken in de Schriften te lezen die voorwaardelijk zijn als waren ze vervuld. Hoewel er dus in de Schrift 47 teksten zijn over een land-belofte waarvan het merendeel met een door God uitgesproken eed gepaard gaan, moeten we daar het geloof niet bij afkoppelen. Het geloof van de eerste maal dat deze belofte aan Abraham werd gedaan is daarvan het teken en onderpand (Gen.12:7). 4°) Wanneer de HEER na de breuk nog verder wil doorgaan met Israël als geheel, of met enkele mensen onder hen specifiek, dan heeft God daartoe het volste recht maar geschied dit op basis van genade. Zeker niet op basis van “onvervulde profetie” zoals men in bepaalde kringen laat doorschemeren. Zo spreekt Biederwolf op blz.22 (i.v.m. Deut.30) van “steeds en opnieuw een

gedeeltelijke vervulling gehad”, een rare maar niet bewezen stelling, die aan dezen die dit aanvaarden een nogal “elastische” uitleg toelaat. Tot slot een tweede rare analyse van Biederwolf:

“Maar of ze nadat de Joden zich tot Christus bekeerd hebben; letterlijk hersteld worden in het aardse Kanaän moet vanuit andere Schriftuurplaatsen die erop betrekking hebben, beslist worden” (blz.22). Maar van het ogenblik dat men naar de “andere Schriftuurplaatsen” gaat kijken, die dat dan wel zouden ondersteunen dan is de sleuteltekst altijd Deuteronomium 30. Zoiets is dus geen bewijs, maar een cirkelredenering waar men niet meer uitkomt en dat is rondje draaien! Zo leert men de mensen te redeneren vanuit halve waarheden. Nu zal men zeggen: “ze zijn er ooit uit verdreven en recent zijn ze er terug naar toe gegaan om de profetie aan Abraham nog eens opnieuw te vervullen.” (Voorbeeld: H.L. Willmington, ’Book


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

291

of Bible lists’, Tyndale House, 1987, blz.274. Of Biederwolf blz.9,10 die Scofield aanhaalt). Ook dat klopt niet met de feiten, want deze terugkeer is niet naar Gods beloften. Daar gaat veel “menselijk” zwoegen aan vooraf. (We komen hier nog op terug.) En eigenlijk is het belangrijkste element achterwege gebleven: het geloof in God en de trouw aan het verbond. Want dàt “was” en “is” voorwaarde tot het in bezit nemen van het land. Zo was het de eerste maal en ook nog eens nadat ze in Babylonische gevangenschap hadden vertoefd en gestraft waren voor 70 jaren. Vergelijk hiervoor Lev.26:40-45 met 2 Kron.36:21 / Jer.25:9-12 / 26:4-6 / 29:12-14 / Neh.1:8-10. Het bezit van het land is voorwaardelijk gemaakt aan geloof (Deut.8:19,20 / 30:11-20 / Ezra 1:14 / 7:12,13,25-29). Maar het is toch fout om zich steeds maar te blijven beroepen op Deut.30 en te beweren dat God “verplicht” is, dit altijd opnieuw aan hen in vervulling te laten gaan. Dat doen de profeten die de ballingschap hebben geprofeteerd - en er de verlossing uit prediken - nooit of nimmer. Ze wijzen steeds op de straf die God uitsprak van 70 jaren ballingschap maar nergens een herstel op basis van Deut.30 (Jer.29:10,14 / Ezech.36:17-19 / 36:26-28 / Zach.8:4,5). Er is slechts herstel op basis van vergeving en genade. In de 10de schets van ’Bijbels Panorama’ staat Deut.30:4,5 als verwijzing naar: “Herverzameling en staatkundig herstel van Israël (maar nog in ongeloof).” We vinden daar Ezechiël 37 als Schriftuurlijke verwijzing. Dit is echter een verkeerde kijk op deze tekst. Ezechiël 37 verwijst zonder problemen naar de terugkeer uit de Babylonische gevangenschap. Maar ook naar de gemeente van Christus verwijst het. Een door de Geest levend geworden en gedreven gemeenschap van mensen bestaande uit zowel Joden als Heidenen; waar geen onderscheid is tussen Jood en Griek (Col.3:11). Wanneer we de verwijzingen van het OT in het NT nagaan is dat duidelijk. Zie de onderstaande lijst overgenomen uit: ’The Greek Testament’, ed. K. Aland / M. Black / B. Metzger / A. Wikgren, United Bible Societies, 1966, blz.915: Vers. Ezechiël 37:4 37:9 37:10 37:12 37:14 37:23 37:24 37:26 37:27

Citaat. Opb.11:11 Opb.7:1 Opb.11:11 Mat.27:52,53 1 Thes.4:8 Titus 2:14 Joh.10:16 Heb.13:20 2 Cor.6:16 Opb.21:3 God heeft door middel van de profeten zijn volk steeds op “de goede weg” gewezen (Jer.6:16). En de noodzaak, zelfs voor een vleselijke afstammeling van Jacob, is en blijft steeds geloof. Toen Jezus kwam als hun bevrijder, hun verlosser, hun koning hebben de meesten gezegd: “wij willen hem niet” (Marc.15:14 / Joh.1:46,47 / 7:40-44). Er kan uit Nazareth toch niets goeds komen! Uiteindelijk is slechts een “kleine kudde” Hem gevolgd (Luc.12:32). Een “overblijfsel” van echte gelovigen zoals het voordien al eens was voorgevallen (1 Kon.19:9-18 / Rom.11:3-5). Daarom heeft God de “definitie” van het ware, gelovige, met God verbondene Israël verder uitgebreid tot gelovigen uit alle natiën en stammen en talen (Mat.15:13). God mag met het Zijne


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

292

doen wat Hij wil (Mat.20:15 / 21:43). Maar dat is slechts na een moeilijke tijd van oproep tot bekering: “gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert, en gij hebt het niet gewild” (Mat.23:38). Gezien ze geen vrucht dragen tot eer van hun God zijn de ongelovigen vervloekt en zullen verdorren (Marc.11:21). Ze zijn als een vijgenboom in Gods wijngaard maar hebben na 3 jaren (een tijd van volheid) nog steeds geen vrucht voortgebracht. Wanneer ze volgend jaar géén vruchten dragen zal de boom omgehouwen worden (Luc.13:6-9). Dan kan God een nieuwe boom planten en met een nieuwe start beginnen. In dit vernieuwde Israël, dat dus niet meer slechts op lichamelijke basis bestaat, maar geestelijk is, worden gelovigen uit alle mensenrassen opgenomen (Rom.4:13-25). De realiteit van toen, in de dagen van Paulus, en thans is nog steeds dezelfde. Het evangelie veranderde niet om de haverklap. Indien Israël zich in massa zou bekeren (allen), dan zou het niet zijn om een nieuwe staat Israël op te richten maar om deel uit te maken van de ene universele kerk! We kunnen dan ook niet beamen wat B. Plaisier schrijft over de verkiezing van Israël met betrekking tot Israël. Hij geeft trouwens een verwrongen beeld van de Calvinistische leer daarover en maakt van daaruit een argument. Hij schrijft in ’Christenen voor Israël’ april 2001, blz.24: “Als in calvinistische kringen het woord ’verwerping’ valt, vallen ook alle deuren dicht. Eenmaal verworpen, altijd verworpen. Als je dan toch gelooft in de bijzondere plaats van Israël, dan kan het niet zo zijn, dat Israël verworpen is. Ik heb zelf ook een moment gedacht dat het woord ’verwerping’ in vers 15 misschien wel wees op de activiteit van Israël, namelijk in de zin dat de Joden Jezus verworpen hebben. Dat lijkt zeer onwaarschijnlijk. Er is volgens de apostel wel degelijk sprake van Gods verwerping van Israël. We moeten dit woord echter wel in de context zien, waarin een Jood als Paulus spreekt. Er blijkt geen sprake te zijn van eeuwige verwerping, maar van een tijdelijke terzijde geschoven zijn door God; omdat zij de Messias Jezus niet aanvaard hebben. In die tijd ging Gods voorkeur uit naar de heidenen (...) De apostel waagt het om over Israël zelfs in zijn staat van verval te blijven spreken als een volk waardoor het heil in de wereld komt.” We hebben problemen met een uitdrukking als: “een tijdelijke terzijde geschoven zijn door

God.” Dat lijkt ons niet op te maken uit de tekst van Romeinen hoofdstukken 9 tot 11. En toch zou het daar te vinden moeten zijn ware het zo. Daarom zeggen we zonder schroom; De realiteit van de tijd van Paulus en deze van onze tijd is nog steeds dezelfde. En die is: “Wat dan? Hetgeen Israël najaagt, heeft het niet verkregen, maar het uitverkoren deel heeft het verkregen, en de overigen zijn verhard” (Rom.11:7, wij onderstrepen). DE MESSIASBELIJDENDE JODEN HEBBEN HET VERKREGEN, SINDS PINKSTEREN. DAAROM ANDERS GEZEGD; GODS BELOFTEN GAAN IN VERVULLING AAN DE INDIVIDUELE ISRAELIET EN NIET AAN HET VOLK IN ZIJN GEHEEL.

Galaten 6:15,16: het Israël Gods We willen iets opmerken over de uitdrukking “het Israël Gods” uit Gal.6:15,16. Men zegt in bepaalde kringen dat hiermee slechts het gelovige maar wel vleselijke Israël omschreven wordt. Bultema (blz.246) doet het aan de hand van enkele vragen die wij hierbij beantwoorden. (Ook Walvoord doet dat blz.75.) In Gal.6:16 zou “hen” niet slaan op de bekeerde heidenen. Men tracht dat te omzeilen. God heeft echter alle gelovigen aangenomen en zowel de besnedene als onbesneden tot een “nieuwe schepping” gemaakt (zie hiervoor wat vers 15 zegt). Het voegwoord


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

293

“en” slaat dan ook niet op een andere groep maar heeft de betekenis van “en” als verklaring voor wat vooraf is gezegd. Wetenschappelijk is dít “en” een epexegetische “en” (Grieks “kai”). Zoals bij; “God en Vader” (Gal.1:14), “Heer en Messias” (Hand.3:36), “de alpha en omega” (Opb.1:8) enz... daar slaat “en” niet op twee personen, maar wel op één en dezelfde. Veel verwarring ontstaat in dit verband vanuit bepaalde vertalingen zelf. Het Grieks kunnen we letterlijk vertalen als: “vrede op hen en genade, en op het Israël van God.” Wanneer de NBG zegt: “en ook over het Israël Gods” dan hebben ze “ook” toegevoegd. Daaruit ontstaat verwarring in de uitleg. Dezelfde toevoeging heeft ook de Leidse vertaling. Maar we vinden ze niet in de SV, Luther, Brouwer en Canisius. Zo tracht Brouwer het verklarende “en” weer te geven door te vertalen als: “zij toch zijn het Israël Gods.” Deze “zij” slaat zodoende op de gelovige Joden en de gelovige Heidenen uit vers 15. Daarom geven we in de navolgende lijst met titels ook nog aan op welke wijze die éne groep uit alle stammen en rassen en talen omschreven wordt (Opb.7:9). Daar komt geen enkele raciale onderscheiding meer aan de orde ofschoon een groot deel van die titels oorspronkelijk slechts over een vleselijke Israël spraken. Om die reden staat er ook een tekst uit het OT bij elk onderdeel in de lijst: “kinderen der belofte” (Rom.9:8 (Joden) / Gal.4:28 (Heidenen) / Jer.31:31-33) “Gods tempel” (1 Cor.3:16 / Ex.29:45) “zaad van Abraham” (Gal.3:29 / Gen.17:7,8) “erfgenamen naar de belofte” (Gal.3:29 / Deut.29:12,13) “erfgenamen van het koninkrijk” (Jac.2:5 / Jes.62:12) “wij zijn de besnijdenis” (Phil.3:3 / Gen.17:12) “Gods uitverkorenen” (Col.3:12 / Lev.20:24,26) “een eigen volk” (Tit.2:14 / Deut.4:20) “het volk van God” (Heb.4:9 / Ex.19:5) “een uitverkoren geslacht” (1 Pet.2:9 / Ex.19:5) “een koninklijk priesterschap” (1 Pet.2:9 / Ex.19:6) “een heilige natie” (1 Pet.2:9 / Ex.19:6) “een volk Gode ten eigendom” (1 Pet.2:9 / Ezech.37:23) “de berg Sion” (Heb.12:22 / Ps.2:6) “de Stad van de levende God” (Heb.12:22 / Ps.48:2) “het hemelse Jeruzalem” (Heb.12:22 / Joël 2:32) “de heilige Stad” (Opb.21:2 / Ps.125:1) “en Hij heeft ons tot een koninkrijk, tot priesters voor Zijn God en Vader gemaakt” (Opb.1:6 / Ex.19:5,6)

Zo is voor het gedeelte van Heidenen die de Messias Jezus van Nazaret hebben aangenomen vervuld wat 1 Pet.2:10 ons zegt: “gij die eertijds geen volk waart, maar nu Gods volk zijt, en eertijds niet in genade waart, maar nu in genade zijt” (Luther vertaling). Terecht wijst de Statenvertaling bij deze tekst naar Hosea 1:20 / 2:22 / Rom.9:26. Nog enkele soms minder frappante gelijkenissen tussen Israël en de Kerk in C.D. Provan, ’The church is Israël’, Ross House Books, Vallecito Ca, 1987.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

294

J. de Heer zet zijn lezers dan ook op het verkeerde pad wanneer hij over de Gemeente het volgende zegt: “De gemeente in dezen tijd wordt in allerlei beelden geschetst als schapen met een herder , als stenen op het fundament , als ranken aan een wijnstok, als leden van een lichaam, als priesters van het Heiligdom, als kandelaren in de duisternis, als bruid van den Bruidegom. Al deze beelden worden verwerkelijkt op deze aarde en tenslotte zal zich alles oplossen in Christus”

(blz.187). Deze schrijver heeft geen enkel verband gevonden tussen het vleselijke Israël en het geestelijke Israël en toch is het dit beeld dat in het oog springt wanneer we het NT lezen. Mogen we o.a. wijzen op Hand.15:14 / Rom.2:28,29 / 9:6,17-24 / Gal.3:28,29. Het is hem ook niet opgevallen, bewust of onbewust, dat in het NT de titel “uitverkoren” gedragen is door de discipelen van Jezus. Of ze dan van Joodse origine zijn of Heidense doet er niet toe. Toch heeft hij het doorheen zijn boek steeds over Israël als de “uitverkorenen” van het NT. Maar zoals gezegd, dat doet het NT zelf nooit. Sinds de Heer is gestorven kan men die titel niet zondermeer terug op hen toepassen, slechts een discipel van Christus is “uitverkoren.” J. de Heer doet dus alsof de dood van Jezus niets zou gewijzigd hebben in Gods bestel! Raar maar waar! Zie Gal.3:18,29 / Col.1:24 / Tit.2:14 / 1 Pet.2:9. Dit is wat M. Vincent over de tekst schrijft in zijn ’Word Studies in the New Testament’ vol.4, blz.180: ”De ’zovelen als’ zal dan verwijzen naar alle individuele christenen, Joden en heidenen en het Israël van God voor dezelfde christenen vanuit een collectief oogpunt, ze vormen dezelfde echte Messiaanse gemeenschap.” Charles Ryrie scheef in zijn boek ’Dispensationalism Today’ (1965, blz.44,45): ”het basisbeginsel van het dispensationalisme is twee doelen van God zich manifesterend in de vorming van twee volkeren die in eeuwigheid te onderscheiden zijn.” Dat is niet wat Jezus zegt, Hij maakt van twee één, Joden en heidenen zullen één kudde zijn. ”Jezus zeide dan nogmaals: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur der schapen. Allen, die vóór Mij gekomen zijn, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben naar hen niet gehoord. Ik ben de deur; als iemand door Mij binnenkomt, zal hij behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden. De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verdelgen; Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed. Ik ben de goede herder. De goede herder zet zijn leven in voor zijn schapen; maar wie huurling is en geen herder, wie de schapen niet toebehoren, ziet de wolf aankomen, laat de schapen in de steek en vlucht – en de wolf rooft ze en jaagt ze uiteen – want hij is een huurling en de schapen gaan hem niet ter harte. Ik ben de goede herder en Ik ken de mijne en de mijne kennen Mij, gelijk Mij de Vader kent en Ik de Vader ken, en Ik zet mijn leven in voor de schapen. Nog andere schapen heb Ik, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem horen en het zal worden één kudde, één herder. Hierom heeft Mij de Vader lief, omdat Ik mijn leven afleg om het weder te nemen. Niemand ontneemt het Mij, maar Ik leg het uit Mijzelf af. Ik heb macht het af te leggen en macht het weder te nemen; dit gebod heb Ik van mijn Vader ontvangen” (Johannes 10:7-16, wij onderstrepen). Even herhalen: ÉÉN KUDDE, ÉÉN HERDER ZEGT JEZUS, EN HIJ WEET WAAROVER HIJ HET HEEFT!


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

295

Dat is ook niet wat Paulus leert, die opmerkt dat de scheidingmuur tussen Joden en heidenen door Christus is afgebroken (Epheze 2:11-22 wij onderstrepen): ”Bedenkt daarom dat gij, die vroeger heidenen waart naar het vlees, en onbesneden genoemd werdt door de zogenaamde besnijdenis, die werk van mensenhanden aan het vlees is, dat gij te dien tijde zonder Christus waart, uitgesloten van het burgerrecht Israëls en vreemd aan de verbonden der belofte, zonder hoop en zonder God in de wereld. Maar thans in Christus Jezus zijt gij, die eertijds veraf waart, dichtbij gekomen door het bloed van Christus. Want Hij is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft, doordat Hij in zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf, vrede makende, de twee tot één nieuwe mens te scheppen, en de twee, tot één lichaam verbonden, weder met God te verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft. En bij zijn komst heeft Hij vrede verkondigd aan u, die veraf waart, en vrede aan hen, die dichtbij waren; want door Hem hebben wij beiden in één Geest de toegang tot de Vader. Zo zijt gij dan geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus zelf de hoeksteen is. In Hem wast elk bouwwerk, goed ineensluitend, op tot een tempel, heilig in de Here, in wie ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest.” Wat C. Ryrie beweerde heeft hij van zijn geestelijke vader C.I. Scofield. Die schreef ook nog dit in zijn ’Rightly dividing the Word of Truth’, Loizeaux Brothers, 1888’: ”Wanneer we de zaken vergelijken wat er gezegd is in de Schrift met betrekking tot Israël en de Kerk zal men (een nauwkeurig bijbelstudent) dan dit vinden; dat in roeping, uitverkiezing, belofte, aanbidding, gedragsregels en uiteindelijke toekomst alles anders is.” Raar maar waar dat men dan in de Scofieldbijbel die enkele jaren later verscheen, in zijn uitgave van 1917, er een verwijzing staat bij Galaten 6:16 naar Romeinen 4:12. Een prachtige tekst, hier uit de NBG: ”en een vader van de besnedenen, voor hen namelijk, die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook treden in het voetspoor van het geloof, dat onze vader Abraham in zijn onbesneden staat bezat.” En in de SV 77: ”En een vader der besnijdenis, hun namelijk, die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook wandelen in de voetstappen van het geloof van onze vader Abraham, dat in de voorhuid was.” Deze tekst is de gangbare om te zeggen dat het Israël van God = alle gelovige Joden en alle gelovige heidenen. In de nieuwe Scofield-Bible die in de jaren ’60 een revisie kreeg is er géén verwijzing meer van Galaten 6:16 naar Romeinen 4:12. Men heeft ingezien dat dit fout is in hun leer en de mensen op een verkeerd spoor zet. Maar dat is niet oprecht, het gaat wel degelijk om allen die Jezus aannemen. Zowel Joden als heidenen die Jezus aannemen als hun verlosser zijn kinderen van Abraham er is geen sprake van een tweesporenbeleid. Ze leven vanuit dezelfde genade, vanuit dezelfde belofte want Paulus zou anders dit niet kunnen schrijven aan de Galaten 3:26-29: ”Want gij zijt allen zonen van God, door het geloof, in Christus Jezus. Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed. Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus. Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.” Er is geen plaats meer voor twee volkeren apart levend en apart zijn weg zoekend naar God. Of men is gescheiden van Gods genade of men is het niet, tussenwegen zijn er niet.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

296

De dispensationalisten van de oude stempel (Darby, Scofield en Chafer) zou er een herstel komen van de regelingen van de wet van Mozes wat betreft het offeren. Aan het einde der dagen zou Mozes opnieuw aan de orde zijn en een gelovige Jood moet er zich opnieuw aan houden. Maar andere dispensationalisten hebben de onhoudbaarheid van zo een leer toegegeven en leggen er geen nadruk meer op. Met betrekking tot Gal.6:16 zegt Charles Ryrie zelfs dat het ”Israël van God” wijst op een speciale groep in de kerk die een speciale zegen ontvangen (’Basis Theology’, Scripture Press, 1986, blz.399). Maar welke kant men ook opgaat in het dispensationalisme, het gaat om een scheiding die men aanbrengt in wat door Jezus is verenigd. Een keuze als deze is een stap achteruit in het verlossingsplan van God. Het is tegen de opvattingen van Paulus te zeggen dat er een kerk (gemeente) is en daaraan toegevoegd een ”Israël van God.” Nog erger is het wanneer er gesuggereerd word in dit laatste dat die Joden zelfs niet onmiddellijk bekeerlingen zijn tot Christus. Dat ”Israël van God” zien als de nog toekomstige bekeerlingen in een toekomstig duizendjarig rijk kan eenvoudigweg niet waar zijn. Wanneer we dat zeggen brengen we in de leer van Paulus een storend en totaal vreemd element. We staan dan ook niet achter wat Ds. J. Schouten schrijft in ’Het Zoeklicht’, 22 aug. 1998, blz.10: “Omdat de gemeente onder het Oude Verbond een verborgenheid was, een geheimenis (Efeze 3), wordt er in het Oude Testament niet over geschreven.” In het licht van wat we opgemerkt hebben is dat totale onkunde. Wat doet u met de

belofte aan Abraham? Terecht zegt de Engelse vertaling van Gerrit Verkuyl bij Gal.6:16: “vrede en barmhartigheid kome over hen, zelf (Engels = “even”) het Israël van God.” Wanneer Paulus zijn eerste brief aan de Corinthiërs schrijft heeft hij het over het avondmaal. Niet over een avondmaal voor de Joden en een ander voor de gemeente van heidenen (eventueel met nog een groepje Joden erbij). Wat hij doet is verwijzen naar het Israël van het vlees en erover opmerken dat de gemeente van Christus wat kan leren over hun gedragingen. We lezen bijvoorbeeld in 1 Cor.10:18: ”Ziet, hoe het gaat bij het Israël naar het vlees: hebben niet zij, die de offers eten, gemeenschap met het altaar?” Maar de gemeente is niet het vleselijke Israël maar het geestelijke bestaande uit Joden en heidenen. Wat zegt immers Rom.3:27-30: ”mens door geloof gerechtvaardigd wordt, zonder werken der wet. Of is God alleen de God der Joden? Niet ook der heidenen? Zeker, ook der heidenen. Indien er namelijk één God is, die de besnedenen rechtvaardigen zal uit het geloof en de onbesnedenen door het geloof.” In de brief aan de Galaten is het duidelijk en dat is de brief waarin onze probleemtekst staat (Gal:6:16): ”Ik bedoel dit: zolang de erfgenaam onmondig is, verschilt hij in niets van een slaaf, al is hij ook eigenaar van alles; maar hij staat onder voogdij en toezicht tot op het tijdstip, dat door zijn vader tevoren bepaald was. Zo bleven ook wij, zolang wij onmondig waren, onderworpen aan de wereldgeesten. Maar toen de volheid des tijds gekomen was, heeft God zijn Zoon uitgezonden, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, om hen, die onder de wet waren, vrij te kopen, opdat wij het recht van zonen zouden verkrijgen. En, dat gij zonen zijt – God heeft de Geest zijns Zoons uitgezonden in onze harten, die roept: Abba, Vader. Gij zijt dus niet meer slaaf, doch zoon; indien gij zoon zijt, dan zijt gij ook erfgenaam door God” (Galaten 4:1-7, wij onderstrepen). De verwanten van Paulus naar het vlees zullen uiteindelijk Jezus moeten aannemen of verworpen worden. Rom.9:3 leert: ”Want zelf zou ik wel wensen van Christus verbannen te


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

297

zijn ten behoeve van mijn broeders, mijn verwanten naar het vlees.” Christus is zondermeer het einde der wet en dan is een Jood naar zijn gevoelen verloren, hij kan géén andere zaak bekenken om God welgevallig te zijn. God heeft echter een ander antwoord en een definitieve oplossing die Paulus beschrijft in Rom.10:4-13 (wij onderstrepen): ”Want Christus is het einde der wet, tot gerechtigheid voor een ieder, die gelooft. Want Mozes schrijft: De mens, die de gerechtigheid naar de wet doet, zal daardoor leven. Maar de gerechtigheid uit het geloof spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal ten hemel opklimmen? namelijk om Christus te doen afdalen; of: Wie zal in de afgrond nederdalen? namelijk om Christus uit de doden te doen opkomen. Maar wat zegt zij? Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart, namelijk het woord des geloofs, dat wij prediken. Want indien gij met uw mond belijdt, dat Jezus Heer is, en met uw hart gelooft, dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult gij behouden worden; want met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met de mond belijdt men tot behoudenis. Immers het Schriftwoord zegt: Al wie op Hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen. Want er is geen onderscheid tussen Jood en Griek. Immers, één en dezelfde is Heer over allen, rijk voor allen, die Hem aanroepen; want: al wie de naam des Heren aanroept, zal behouden worden.” De wet van Mozes opnieuw invoeren in zijn geheel of gedeeltelijk zou van Paulus zondermeer een valse profeet maken, zijn woorden zijn niet terug te schroeven of om te keren. Jezus heeft de wet van Mozes ééns en voor ALTIJD VERVULD EN AFGESCHREVEN ALS HET MIDDEL OM TOT GOD TE KOMEN. De leer van de dispensationalisten uit vorige tijden is niet naar het evangelie van de Bijbel. Een klein beetje invoeren met een nieuwe tempel in een duizendjarig rijk is om dezelfde reden onmogelijk te realiseren. De genade en de waarheid van Gods evangelie is in werking gesteld op basis van het offer van Jezus. Daarom is er ook een afknippen van de takken van de olijfboom wanneer er geen productie meer aan vast zit. Wie niet hoort tot het ware Israël omwille van zijn ongeloof zal afgesneden worden van de gemeenschap met God. Heidenen die tot geloof komen worden op de boom ingeënt zodat we van één boom kunnen spreken, van één soort geloof in de én Jezus. ÉÉN WORTEL GEEFT BEIDEN LEVEN IN EEN ENIGE GEMEENSCHAP. Van een tweesporenbeleid heeft Paulus geen weet. Er is géén tweesporen-baan naar God, géén twéé doelen van God in zijn schepping, géén nieuwe scheidingsmuur. De Kerk is één zoals de God van Abraham, Izaak en Jacob één is. Daarom moet men definitief zeggen aan Darby, Scofield en Chafer: neen er komt géén herstel van Israël, dat is begonnen met Pinksteren. En in Zijn grote goedheid en Zijn besluit heeft God ook heidenen verkozen om deel te hebben aan dat herstel, ze worden geestelijke Joden. Een Amerikaanse theoloog beschreef dit allemaal als volgt: ”Het herkennen van een apart volk dat Gods reddende zegeningen ontvangt maar toch een apart bestaan heeft buiten de kerk van Jezus Christus schept onoverkomelijke problemen. Jezus heeft slechts één lichaam, en slechts één bruid, één volk dat zijn volk is en dat is het ware Israël van God. Dit éne volk is gemaakt uit heidenen en Joden die geloven dat Jezus de beloofde Messias is.” Dat zegt O. Palmer Robertson terecht in zijn ’The Israël of God: Yesterday, Today and Tomorrow, Presbytarian and Reformed Publishing Co, 2000, blz.49. Daarom zeggen we onomwonden dat “het Israël Gods” in Gal.6:16 spreekt over zowel heidenen als Joden die geestelijk een “nieuwe” schepping = een “nieuw” Israël vormen. J. S. Vos


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

298

zegt in dit verband eens het volgende: “Als Israël heeft het deel aan de heilsgaven Gods - Paulus aarzelt niet die heilsgaven te noemen die hij op andere plaatsen als erfdeel van de gelovigen beschouwt - , als ongelovig deel van Israël staat het echter onder de banvloek.” De schrijver geeft in voetnota de

bijzondere gaven aan die gelovige Joden én tot de Messias bekeerde Heidenen gemeenschappelijk hebben. Het zijn: “Het zoonschap: Rom.8:14-17; de heerlijkheid: Rom.5:2; 8:18vv; 2 Cor.3:7vv.; de verbonden: Gal.3:15vv.; 4:21vv.; 2 Cor.3:4vv.; de eredienst Filp.3:3; Rom.12:1; de beloften en de vaderen: Gal.3:6vv.; Rom.4:13-25.” ’Paulus en de andere Joden’, edit. T. Baarda, H. Jansen, S.J.

Noorda, J.S. Vos, Meimema Delft, 1984; het artikel van J. S. Vos staat op blz.114-145 (wij citeren blz.117, 141). W. Hendriksen zegt over de betekenis van het voegwoord “en” (Grieks “kai”) in Gal.6:16 het volgende. “Afhankelijk van de specifieke context waar het voegwoord kai gebruikt is kan het betekenen; en, en zo, alzo, op dezelfde wijze, evenals, niettegenstaande, en dan, maar, enz... Soms laten we dit best onvertaald. Wanneer dan hier in Gal.6:16 dit voegwoord vertaald wordt als “en” (King James, American Revised Version and New English Bible) dan is daaruit de gevolgtrekking; dat nadat Gods zegen is uitgesproken over alle mensen die hun hoop gesteld hebben op de gekruisigde Christus, de apostel nog een aanvullende zegen uitspreekt over het Israël Gods. Dat moet dan zo uitgelegd worden dat het wijst op “de Joden” of “alle Joden die in een toekomstige tijd nog tot Christus zullen bekeerd worden” enz... Ik kan deze vertaling niet accepteren. Het geeft de indruk dat Paulus de wijze van redenering in dit epistel dan tegenspreekt. Ik toon u dat in detail in mijn Nieuw Testament, Commentaar op de brief aan de Galaten (in het Engels) (...) Deze vertaling volgens dewelke kai is weergegeven als “zelfs” (“even” in origineel) of niet is vertaald vinden we bij de volgenden: The Amplified New Testament, Berkeley Version, Calvijn, Erdman, Lenski, Lightfoot, Philips, Rendall, Revised Standard Version en Williams. John Murray zegt terecht in zijn (New International) Commentary on Romans (deel II, blz.9 en 10) dat in Gal.6:16 de uitdrukking “het Israël van God” wijst op “het volk Gods” uit alle natieën.” (’Israël in prophecy’, Baker Book House,

1968, blz.33,34). Om deze redenen heeft H. M. Matter een opmerking over het begrip “Jodenchristen” dat sinds enkele tijd niet meer weg te denken is uit de theologie van de volgelingen van Darby, Scofield e.a. Hij zegt: “Nu is het begrip “Jood” in Paulus’ spraakgebruik niet zo een onschuldig begrip. In 2 Cor.11:22 legitimeert Paulus zich, allereerst als een “Hebreeër”, voorts als een “Israëliet” en tenslotte als een nakomeling van Abraham. Het eerste herinnert aan zijn taal: hij is nog niet vergriekst, maar kent nog Hebreeuws. Het tweede is vooral religieus: de beloften aan Israël zijn ook voor hem verzegeld. Het laatste is uiteraard “biologisch”; hij is geen proseliet, maar Israëliet van den bloede. Het woord Jood komen we hier niet tegen. Dat bewaart Paulus voor vs 24: “Van de Joden heb ik vijf maal de veertig-min-één-slagen ontvangen.” Nergens durft Paulus het aan zichzelf “Jood” te noemen. (Voetnoot: Ook niet in Gal.2:15. Men lette daar op het “van nature.”) En de term “Joden-christen” is dan ook niet door Paulus uitgevonden. En hier bedoelt hij zonder twijfel, dat de Jood, wanneer hij zich met Christus “bekleed” heeft (vs 27), ophoudt “Jood” te zijn! Hij kan “Hebreeër” blijven en Hebreeuws blijven spreken, “Israëliet” doordat hij zijn geloof in het Oude Testament heeft verbonden, “Zaad van Abraham” op biologische gronden. Maar hij blijft geen “Jood.” En de gemeente heeft toch inderdaad wèl definitief de plaats van Israël ingenomen” (’De toekomst van Israël’, Bosch & Keuning, 1953, blz.162).

In dezelfde zin moet men ook het volgende verhaal lezen: “Enkele jaren geleden verliet ik de Verenigde Staten voor een studieverlof in Israël. Tijdens de vlucht zat ik naast een Orthodoxe Jood, professor aan de Yeschiva Universiteit in New York. Toen hij hoorde dat ik een Hebreeuws Christen was


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

299

zei hij zondermeer dat ik géén Jood meer was. Wanneer ik hem naar de definitie vroeg van wat een Jood in werkelijkheid is, was zijn antwoord dat Jood (Joods) zijn een zuiver godsdienstige aangelegenheid was. Waarop ik hem vroeg of een Reform Jood (een modern religieuze Jood) dan eigenlijk nog een Jood was. Zijn antwoord daarop was ja, want een Reform Jood had toch nog steeds enkele regels van het Jodendom die hij onderhield. Toen vroeg ik hem of een atheïstische Jood en een communistische Jood volgens zijn opvatting nog Joods was. Ook daarop was zijn antwoord nog positief. Daarop vroeg ik hem tot slot; hoe hij een atheïstische Jood of een communistische Jood die geen enkele binding had met het Jodendom steeds Jood bleef beschouwen en mijzelf die veel meer gemeen had met de Orthodoxe of Reform Joden de titel van Jood weigerde. Hij had daarop geen antwoord maar bleef beweren dat een atheïstische Jood nog Joods was en ik geen Jood meer was.” Dat is het verhaal van een Hebreeuws-Christen (hij noemt zich niet

Christen-Jood!) A.G. Fruchtenbaum in ’Hebrew Christianity. Its theology, history and Philosophy’, Canon Press, 1974, blz.2. Onvertaald geven we ook wat William Hendriksen over Galaten 6:16 schrijft, een betere uitleg kennen we niet: ”Paul continues: 16. And as many as shall walk by this rule, peace (be) upon them and mercy, even upon the Israel of God. According to the preceding context, this rule is the one by which before God only this is of consequence, that a person places his complete trust in Christ crucified, and that, therefore, he regulates his life by this principle. This will mean that his life will be one of gratitude and Christian service out of love for his wonderful Savior. Upon those — all those and only those — who are governed by this rule peace and mercy are pronounced. Peace is the serenity of heart that is the portion of all those who have been justified by faith (Rom. 5:1). In the midst of the storms of life they are safe because they have found shelter in the cleft of the rock. In the day of wrath, wasteness, and desolation God "hides" all those who take refuge in him (Zeph. 1:2 ff.; 2:3; 3:12). See on 1:3. Hence, peace is spiritual wholeness and prosperity. Peace and mercy are inseparable. Had not the mercy of God been shown to his people they would not have enjoyed peace. God's mercy is his love directed toward sinners viewed in their wretchedness and need. See N.T.C. on Philippians, p. 142, for a list of over one hundred Old and New Testament passages in which this divine attribute is described. So far the interpretation runs smoothly. A difficulty arises because of the last phrase of this verse. That last phrase is: "kai upon the Israel of God." Now, varying with the specific context in which this conjunction kai occurs, it can be rendered: and, and so, also, likewise, even, nevertheless, and yet, but, etc. Sometimes it is best left untranslated. Now when this conjunction is rendered and (as in A.V., A.R.V., N.E.B.), it yields this result, that after having pronounced God's blessing upon all those who place their trust exclusively in Christ Crucified, the apostle pronounces an additional blessing upon "the Israel of God," which is then interpreted to mean "the Jews," or "all such Jews as would in the future be converted to Christ," etc. Now this interpretation tends to make Paul contradict his whole line of reasoning in this epistle. Over against the Judaizers' perversion of the gospel he has emphasized the fact that "the blessing of Abraham" now rests upon all those, and only those, "who are of faith" (3:9); that all those, and only those, "who belong to Christ" are "heirs according to the promise" (3:29). These are the very people who "walk by the Spirit" (5:16), and "are led by the Spirit" (5:18). Moreover, to make his meaning very clear, the apostle has even called special attention to the fact that God bestows his blessings on all true believers, regardless of nationality, race, social position, or sex: "There can be neither Jew nor Greek; there can be neither slave nor freeman; there can be no male and


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

300

female; for you are all one in Christ Jesus" (3:28). By means of an allegory (4:21-31) he has reemphasized this truth. And would he now, at the very close of the letter, undo all this by first of all pronouncing a blessing on "as many as" (or: "all") who walk by the rule of glorying in the cross, be they Jew or Gentile by birth, and then pronouncing a blessing upon those who do not (or: do not yet) walk by that rule? I refuse to accept that explanation. Appeals to the well-known "Eighteen petition prayer of the Jews," to the meaning of the word Israel in other New Testament passages, etc., cannot rescue this interpretation. As to the former, Gal. 6:16 must be interpreted in accordance with its own specific context and in the light of the entire argument of this particular epistle. And as to the latter, it is very clear that in his epistles the apostle employs the term Israel in more than one sense. In fact, in the small compass of a single verse (Rom. 9:6) he uses it in two different senses. Each passage in which that term occurs must therefore be explained in the light of its context. Besides, Paul uses the term "the Israel of God" only in the present passage, nowhere else. What, then, is the solution? In harmony with all of Paul's teaching in this epistle (and see aslo Eph. 2:14-22), and also in harmony with the broad, all-inclusive statement at the beginning of the present passage, where the apostle pronounces God's blessing of peace and mercy upon "as many as" shall walk by this rule, an object from which nothing can be subtracted and to which nothing can be added, it is my firm belief that those many translators and interpreters are right who have decided that kai, as here used, must be rendered even, or (with equal effect) must be left untranslated. Hence, what the apostle says is this: "And as many as shall walk by this rule, peace (be) upon them and mercy, even upon the Israel of God." Cf. Psalm 125:5. Upon all of God's true Israel, Jew or Gentile, all who truly glory in the cross, the blessing is pronounced.” William Hendriksen, Exposition of Galatians, Ephesians, Philippians, Colossians, and Philemon (Grand Rapids: Baker Book House, reprint ed. 1995), blz.246,247.

Het goede nieuws en de belofte Aan de hand van vier uitgeschreven teksten van Paulus, de apostel der heidenen, willen we dan ook op vier punten wijzen.

1) Alle christenen, uit Israël of uit de volkeren, zijn kinderen van het nieuwe verbond. “Want wij zijn de besnijdenis, die door de Geest Gods Hem dienen, die in Christus Jezus roemen en niet op vlees vertrouwen” (Phil.3:3). De letterlijke besnijdenis heeft geen belang meer. Voorafgaande aan het geestelijke kindschap van zowel de Jood als de Heiden moet een geestelijke verwekking plaats vinden door de Heilige Geest (Joh.3:3-7). Anders gezegd; het OT(oude verbond) is een zaak van afstamming van de persoon van Abraham. Het NT (nieuwe verbond) is een zaak van discipel worden van Jezus waarbij ras geen enkel belang meer heeft.

2) Alle christenen, uit Israël of uit de volkeren, hebben in Jezus alle beloften ontvangen. “Want hoevele beloften Gods er ook zijn, in Hem is het: Ja; daarom is ook door Hem het: Amen, tot eer van God door ons” (2 Cor.1:20). In Christus zijn alle beloften vervuld, voor alle rassen, voor alle tijden en daarover spreekt Paulus zonder iets achter te houden. Hij heeft geen verborgen agenda. Gods genade is heilbrengend “voor alle mensen” (Tit.2:11).


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

301

3) Alle christenen, uit Israël of uit de volkeren, hebben éénzelfde geestelijke voorvader van wien ze volgens de belofte erfgenaam zijn: “Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham en naar de belofte erfgenamen” (Gal.3:29). Met nadruk op één gezamenlijke vader, één gezamenlijke belofte en één gezamenlijke erfgenaam. De Heer stierf voor “de verstrooide kinderen” en daar heeft ras niets mee te maken.

4) Alle christenen, uit Israël of uit de volkeren, hebben éénzelfde verzoening ontvangen door het éne offer van Christus: “Bedenkt daarom dat gij, die vroeger heidenen waart naar het vlees, en onbesneden genoemd werdt door de zogenaamde besnijdenis, die werk van mensenhanden aan het vlees is, dat gij ten dien tijde zonder Christus waart, uitgesloten van het burgerrecht Israëls en vreemd aan de verbonden der belofte, zonder hoop en zonder God in de wereld. Maar thans in Christus Jezus zijt gij, die eertijds veraf waart, dichtbij gekomen door het bloed van Christus” (Eph.2:11-13, wij onderstrepen). Besneden zijn of onbesneden zijn heeft alle belang verloren voor God. Maar wie zich verzoend heeft met Christus heeft deel aan de “verbonden der belofte” en die zijn voor alle gelovigen dezelfde. Laat ons enkele opmerkingen maken over het begrip “belofte” uit deze laatste tekst. We citeren met genoegen wat W.C. Kaiser jr. hierover zegt in zijn, ’Toward an Old Testament theology’, Zondervan, 1978, blz.264, 265: “De NT schrijvers noemen dat éne plan, die éne ontwikkeling: de belofte (epangelia). Er kunnen ongeveer een veertigtal teksten hierbij aangehaald worden vanuit elk deel van het NT en op die wijze de “belofte” als het wezenlijkste onderdeel van de OT leer weergevend. Er is bovendien slechts één belofte, het gaat om één plan. Wanneer Paulus moet getuigen zegt hij: “En nu sta ik voor het gerecht om mijn hoop op de belofte, die door God aan onze vaderen gedaan is; welke onze twaalf stammen, door voortdurend nacht en dag God te vereren, hopen te bereiken. Om deze hoop, o koning, word ik door Joden aangeklaagd” (Hand.26:6,7). De éne belofte bestond natuurlijk uit meerdere onderdelen; daarom spreken de NT schrijvers ook over “beloften” en gebruiken dan het meervoud (...) (Rom.15:8,9, vgl. 9:4) (...) (Heb.6:12) (...) (Heb.7:6, vgl. 11:13,17) (...) Voor de NT schrijvers was deze belofte de korte inhoud van alles wat God gezegd en gedaan had in het OT en hoe Hij thans handelde in het Nieuwe tijdperk. Belangrijke onderdelen van deze éne belofte waren het Woord van zegening van het evangelie aan de Heidenen (Gal.3:8,14,29 / Eph.1:13 / 2:12 / 3:6-7) de leer van de opstanding van de doden (Hand.26:6-8 / 2 Tim.1:1 / Heb.9:15 / 10:36 / 2 Pet.3:4,9 / 1 Joh.2:24,25) de belofte van de Heilige Geest in Zijn volheid (Luc.24:49 / Hand.2:33-39 / Gal. 3:14) de leer van verlossing van de zonde en haar gevolgen (Rom.4:2-5,9,10 / Jac.2:21-23) en de grootste van allen, de belofte van Jezus als de Messias (Luc. 1:69,70, 72-73 / Hand.2:38,39 / 3:25,26 / 7:2,17-18 / 13:23,32-33 / Gal.3:12). De belofte werd voortdurend vervuld (herhaald!) in het OT maar wachtte nog op het tot climax brengen van onderdelen ervan, die wijzen op de twee komsten van de Dienaar-Messias. De belofte ging zelfs verder dan de grenzen van deze twee komsten en bleef voor eeuwig en ongewijzigd van kracht (Gal.3:15-18 / Heb.6:13,17,18). De generatie van de gelovigen uit de eerste eeuw, volgens wat in Heb.6:18 staat (en let op het “wij” en “ons”), kregen dezelfde twee onwankelbare en onveranderlijke tekenen dat voor hen de belofte even onwankelbaar en onveranderlijk was als voor “hen” (en zo ook voor de nog komende geslachten). Zoals het was voor Abraham: door een goddelijk woord van belofte (Gen.12,15) en door een goddelijke eed (Gen.22). God heeft zich hieraan voor eeuwig verbonden” (wij onderstrepen).


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

302

In ’The Zondervan Pictorial Dictionary of the Bible’, deel 4, blz.874 zegt G.B. Funderburk over de beloften van Abraham: “Paulus verklaarde dat niettemin afstammelingen van Abraham erfgenamen zouden genoemd worden in Izaäk: “Dat wil zeggen: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen Gods, maar de kinderen der belofte gelden voor het nageslacht” (Rom.9:8) Bovendien, de ware erfgenamen zijn niet dezen die de wet van Mozes onderhouden maar het geloof hebben van Abraham. De belofte aan Abraham en zijn afstammelingen dat zij de wereld zouden bezitten kwam er niet door de wet maar door de rechtvaardiging in het geloof. Indien de onderhouders van de wet erfgenamen zullen zijn, dan is het geloof zonder waarde en de belofte zonder inhoud (...) het is dus afhankelijk van geloof, zodanig dat de belofte steeds op geloof zou gebaseerd zijn en aldus een zekerheid voor allen (...) allen die het geloof van Abraham bezitten (Rom. 4:13-16). En in overeenstemming met deze interpretatie sluit Paulus de christenheidenen in bij de erfgenamen van de belofte” (wij onderstrepen).

Vergeten we niet dat er drie dingen zijn die onafscheidelijk met elkaar te maken hebben. Wie er één van vergeet zal allicht verkeerde besluiten trekken. Deze drie zijn: verbond, geloof en herstel. Toen Israël in de woestijn opstandig werd in ongeloof kregen ze een straf van veertig jaren. In ongeloof vervallen werden ze later zeventig jaar overgegeven aan Babylonië. Terug in Gods gunst kwamen ze slechts nadat ze berouw hadden; en slechts dán zijn ze hersteld. Zie voor het eerste: Lev.26:39-42 / Deut.4:27-30 en Deut.30:1-10 als algemene regel. Voor het tweede zie: Jer.3:14-18 / 29:11-14 / Ezech. 6:9 / Hosea 5:14,15. Ook nu kan het niet anders zijn!

“Zij grepen en doodden hem” (Marc.12:8) Tot slot enkele teksten die te kennen geven dat het Israël uit het OT met de eerste komst van de Heer in een nieuwe relatie tot God is getreden. God heeft ze aangeklaagd als wetsovertreders en de afvalligen verworpen. Laat de lezer niet denken dat we enige sympathie hebben voor haters van Israël. Want niemand, zeker een christen niet, zal iemand haten omwille van zijn afstamming. Zie bijvoorbeeld de leer in het NT hierover: Mat.5:7,43-48 / 6:14 / 7:12 / Luc.6:31-36 / 23:34 / Hand.7:60 / Rom.12: 20 / 1 Pet.2:23. We citeren echter wel de Schrift zoals apostelen en profeten van het Nieuwe Verbond de feiten optekenen. Ook de harde aanklacht van God over ongeloof en ontrouw zijn deel van de Schriften en tot ons onderricht geschreven. Mat.7:21-23 “Niet een ieder, die tot mij zegt: Here, Here, zal het koninkrijk der hemelen binnen gaan, maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is. Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Here, Here, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd en in uw naam boze geesten uitgedreven en in uw naam vele krachten gedaan? En dan zal ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij werkers der wetteloosheid.” Een Israëliet die Hem niet zal belijden, volgens de regeling dat men Gods wil moet doen, wordt verworpen. Het behoren tot Israël of dat zoonschap bezitten is niet voldoende om gered te worden (Ex.4:22 / Hosea 11:1-4 / Rom.9:4). Daar gaat geen onvoorwaardelijkheid mee gepaard maar juist omgekeerd. En in realiteit waren er vele afvalligen en opstandigen ten tijde van de prediking van Jezus (Luc.15:11-24). Daarom kan men ook spreken van “de verloren schapen van Israël” (Mat.10:5,6 / 15:24).


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

303

Mat.12:43-45 “Zodra de onreine geest van de mens is uitgevaren, gaat hij door dorre plaatsen om rust te zoeken, maar hij vindt die niet. Dan zegt hij: Ik zal terugkeren naar mijn huis, waar ik ben uitgevaren; en als hij komt, vindt hij het leegstaan (en) geveegd en op orde. Dan trekt hij heen en neemt zeven andere geesten mede, bozer dan hijzelf; en zij komen binnen en wonen daar. En het wordt met die mens in het einde nog erger dan in het begin. Alzo zal het ook gaan met dit boze geslacht.” Wanneer we moeten concluderen dat het begrip generatie hetzelfde is als ras, en dat is het meerdere malen in de Schrift, dan ziet het er niet rooskleurig uit voor Israël als volk. We komen hier nog op terug. Mat.21:19 “En daar Hij een vijgeboom aan de weg zag staan, ging Hij erheen, doch Hij vond niets daaraan, dan alleen bladeren. En Hij zeide tot hem: Nooit groeie aan u enige vrucht meer, in eeuwigheid! En terstond verdorde de vijgeboom.” Is de vijgenboom hier beeld van Israël (zie verzen 12,13,15) of geloof en ongeloof (vers 21)? In Jes.5:1-7 is Israël al een wijngaard die géén vruchten draagt. In Jer.8:13,24 is Israël al een vijgenboom die geen vruchten voortbrengt. Er is dus op dit punt niet veel nieuws onder de zon. Mat.21:43 “Daarom, Ik zeg u, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden en het zal gegeven worden aan een volk, dat de vruchten daarvan opbrengt.” (Vgl. Mat.8:12). Mat.22:3,8,9 “En hij zond zijn slaven uit om de ter bruiloft genodigden te roepen, doch zij wilden niet komen (...) Toen zeide hij tot zijn slaven: De bruiloft is wel gereed, maar de genodigden waren het niet waard? Gaat daarom naar de kruispunten der wegen en nodigt die gij aantreft tot de bruiloft.” Kort na Pinksteren gaat dit in vervulling. Het overgrote deel van de Joden moeten déze Messias niet hebben. Heidenen nemen hem later, in massa, met beide handen aan. Mat.23:31,32 “Gij getuigt dus van uzelf, dat gij de zonen zijt van de moordenaars der profeten. Maakt ook gij de maat uwer vaderen vol!” (Vgl. Hand.7:51,52). Dit zijn woorden gericht aan de geestelijkheid van Israël. En in die richting ligt ook de grootste schuld van dat volk. Het zijn zij die na de opstanding van Lazarus zowel Lazarus als Jezus willen ombrengen (Joh.11:53). Het zijn zij die het volk “overtuigen” om Barabbas vrij te laten en niet Jezus (Mat.27:20-23). Jezus geeft aan Pilatus te kennen dat deze die Hem heeft overgeleverd een “grotere schuld” heeft dan Pilatus zelf (Joh.19:11). Wie is het: Judas of de hogepriester? Waarschijnlijk de laatste (Joh.11:45-53 / 12:9,10). Maar ook Pilatus is schuldig (Hand.3:13-15 / 4:27). Tot zevenmaal toe spreekt Jezus een “wee” uit over Schriftgeleerden en Farizeeën (Mat.23:13,14,15,16,23,25,27-29 - vers 14 staat niet in enkele belangrijke handschriften). Daarom leggen de evangeliën er de nadruk op dat Pilatus in Jezus geen echte schuld heeft gevonden (Mat.27:23 / Marc.15:14 / Luc.23:4 / Joh.18:38). Marc.12:7-9 “Maar die pachters zeiden tot elkander: Dit is de erfgenaam; komt, laten wij hem doden en de erfenis zal aan ons komen. En zij grepen en doodden hem en wierpen hem buiten de wijngaard. Wat zal de heer van de wijngaard doen? Hij zal komen en de pachters ombrengen en de wijngaard aan anderen geven.” (Vgl. Hand.2:23) Luc.13:24-28 “Hij zeide tot hen: Strijdt om in te gaan door de enge poort, want velen, zeg Ik u, zullen trachten in te gaan, doch het niet kunnen. Van het ogenblik af, dat de heer des huizes is opgestaan en de deur gesloten heeft zult gij beginnen buiten te staan en aan de deur te kloppen, zeggende Here doe ons open, en Hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik weet niet vanwaar gij zijt. Dan zult gij beginnen te zeggen: Wij hebben voor uw ogen gegeten en gedronken en in onze straten hebt gij geleerd. En Hij zal tot u spreken zeggende: Ik weet niet


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

304

vanwaar gij zijt: gaat weg van mij al gij werkers der wetteloosheid. Daar zal het geween zijn en het tandengeknars, wanneer gij Abraham en Izaäk en Jakob zult zien en al de profeten in het Koninkrijk Gods, maar uzelf buitengeworpen.” Wie spreekt de Heer hier aan, de toen levende Joden of hun nakomelingen? Dat gaat wanneer in vervulling: met Pinksteren, met de val van Jeruzalem in 70 NC, met de Wederkomst, tijdens een duizendjarig rijk? Luc.14:16-18a,23,24 “En Hij zeide tot hen: Iemand richte een grote maaltijd aan en nodigde velen. En hij zond zijn slaaf uit om tot de genodgden te zeggen: Komt want het is gereed. En zij begonnen zich allen opeens te verontschuldigen. De eerste zeide tot hem: Ik heb een akker gekocht en moet die noodzakelijk gaan bezien; ik verzoek u houd mij voor verontschuldigd (...) En de heer zeide tot de slaaf: Ga de wegen en de paden op en dwing hen binnen te komen want het huis moet vol worden. Want ik zeg u: Niemand van die mannen welke genodigd waren, zal van mijn maaltijd proeven.” Israël is de oorspronkelijke genodigde maar wil niet aanliggen bij de maaltijd. Het is een voorspelling dat ze Hem zullen verwerpen. Laat de Heidenen dan maar komen, in groten getale. Luc.19:26,27 “Ik zeg u, aan een ieder, die heeft, zal ontnomen worden ook wat hij heeft. Doch die vijanden van mij, die niet wilden, dat ik over hen koning werd, brengt hen hier en slacht ze voor mijn ogen.” (Vgl. Mat.25:41) Luc.19:43,44 “Want er zullen dagen over u komen, waarin uw vijanden een bolwerk tegen u zullen opwerpen en u omsingelen en u van alle zijden in het nauw brengen, en zij zullen u en uw kinderen in u vertreden en zij zullen u geen steen op de andere laten, omdat gij de tijd niet hebt opgemerkt, dat God naar u omzag.” Voor “ver-treden” in deze vertaling heeft de Leidse vert. “tegronderichten” en Brouwer “tegen den grond verpletteren” en dat lijkt ons nog beter als weergave. Vervuld in 66-70 N.CHR.met de val van Jeruzalem. Luc.20:15,16 “En zij wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem. Wat zal dan de heer van de wijngaard met hen doen? Hij zal komen en die pachters ombrengen en de wijngaard aan anderen geven. Maar toen zij dat hoorden, zeiden zij: Dat nooit!” (Vgl. Hand.28:28) Joh.1:11 “Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen.” Het gaat hier niet slechts om de verwerping door Schriftgeleerden of het Sanhedrin. Het gaat om een gezamenlijke schuld hebben aan deze zaak. Daar is Hand.2:36 / 3:15 / 7:52 / 13:27,28 duidelijk in. Daarom zegt de Heer ook dat om echt gezegend te worden elke Jood nodig een “wedergeboorte” dient te ondergaan (Joh.3:3-8 / Ezech.36:22-36). De afstamming van Abraham is in deze niet genoeg. Rom.2:8 “maar hun, die zichzelf zoeken, der waarheid ongehoorzaam en der ongerechtigheid gehoorzaam zijn, wacht toorn en gramschap.” (Vgl. Rom.1:18). In het OT is de zonde van Israël zwaarder aangeschreven dan de zonde van Sodom en Gomorra, en dan moeten we niet aan de seksuele zonden denken van deze steden maar aan alle andere die genoemd zijn (Ezech.16:46-56). Rom.2:28,29 “Want niet híj is een Jood, die het uiterlijk is, en niet dat is besnijdenis, wat uiterlijk, aan het vlees, geschiedt, maar híj is een Jood, die het in het verborgen is, en de (ware) besnijdenis is die van het hart, naar de Geest, niet naar de letter. Dan komt zijn lof niet van mensen, maar van God.” (Vgl. Jer.9:25,26 / Mat.3:9 / Joh.8:39 / Gal.6:15 / Phil.3:3 / Col.2:11)


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

305

Rom.8:4-6 “opdat de eis der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, doch naar de Geest. Want zij, die naar het vlees zijn, hebben de gezindheid van het vlees, en zij, die naar de Geest zijn, hebben de gezindheid van de Geest. Want de gezindheid van het vlees is de dood, maar de gezindheid van de Geest is leven en vrede.” (Vgl. Joh.3:6 / Rom.7:5 / Phil.3:3-7) Rom.10:12,13 “Want er is geen onderscheid tussen Jood en Griek. Immers, één en dezelfde is Heer over allen, rijk voor allen, die Hem aanroepen; want: al wie de naam des Heren aanroept, zal behouden worden.” (Vgl. Gal.3:28) 1 Cor.15:50 “Dit spreek ik evenwel uit, broeders: vlees en bloed kunnen het Koninkrijk Gods niet beërven en het vergankelijke beërft de onvergankelijkheid niet.” “Vlees en bloed” wijst op zondigheid van de mens, ofwel afstamming van één of ander belangrijk persoon, vb. Abraham. Philip.3:2,3 “Let op de honden, let op de slechte arbeiders, let op de versnijdenis! Want wij zijn de besnijdenis, die door de Geest Gods Hem dienen, die in Christus Jezus roemen en niet op vlees vertrouwen.” (Vgl. Rom.2:29 / Gal.5:2 / 6:13) Col.2:11 “In Hem zijt gij ook met een besnijdenis die geen werk van mensenhanden is, besneden door het afleggen van het lichaam des vlezes, in de besnijdenis van Christus.” (Vgl. Jer.4:4 / Gal.2:20 / Col.3:8,9) 1 Thes.2:14-16 “de Joden die zelfs de Here Jezus en de profeten gedood en ons tot het uiterste vervolgd hebben, die Gode niet behagen (...) daar zij ons verhinderen tot de heidenen te spreken tot hun behoud, waardoor zij te allen tijde (de maat) hunner zonden vol maken. De toorn is over hen gekomen tot het einde.” Vergelijk de uitdrukking “einde” in 1 Cor.1:8 en Opb.2:26. Verder Joh.15:5 / Hand.7:52 / 13:50 / 14:19 / 17:13 / 18:12 / teksten die erop wijzen dat Israël Gods christelijke profeten blijft vervolgen en aldus zijn Messias blijft verwerpen. Waarom zulke zware aanklachten aan het adres van “het volk van God?” Laten twee teksten uit tientallen dat onderstrepen. “En toch wilt gij niet tot Mij komen om leven te hebben” (Joh.5:40). “Ik heb u dan gezegd, dat gij in uw zonden zult sterven; want indien gij niet gelooft dat Ik het ben, zult gij in uw zonden sterven” (Joh.8:24). En bemerk dat vanaf de teksten uit Romeinen die we aanhalen er een gelijkschakeling is van alle rassen. Vanaf de bekering van de Heidenen die in de Christus zijn gaan geloven zijn we in een totaal nieuwe situatie beland. Er worden nog steeds pogingen gedaan om deze Schriftuurplaatsen toch te laten passen in een toekomstig herstel van Israël. Een voorbeeld hiervan vanuit Protestantse huize is L. Blokhuis en W. van Veelen, ’Israël nóg Gods volk?’, Druk. Van der Stoep Heinenoord, zonder jaar, rond 1987 volgens het voorwoord. We zijn door dergelijke publicaties niet overtuigd. Wat is en blijft en zal zijn moet steeds de toets van Jer.18 doorstaan. We lezen in Jer.18:8-11: “Het ene ogenblik doe Ik over een volk en een koninkrijk de uitspraak, dat Ik het zal uitrukken, afbreken en verdelgen; maar bekeert zich dit volk waarover Ik een uitspraak deed, van zijn boosheid, dan zal ik berouw hebben over het kwaad dat Ik hun dacht te doen. Het andere ogenblik doe Ik over een volk en een koninkrijk de uitspraak, dat Ik het zal bouwen en planten; maar, doet het wat kwaad is in mijn ogen door niet naar mijn stem te horen, dan zal Ik berouw hebben over het goede waarmede Ik had gezegd hun te zullen weldoen. Nu dan zeg toch tot de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem. Zo zegt de HERE: zie, Ik bereid een


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

306

rampspoed over u en beraam tegen u een plan; bekeert u toch een ieder van zijn boze weg en betert uw handel en wandel.” Citeren we ook twee Joodse theologen in dit verband. Shalom ben-Chorin zegt: “Maar in Lukas 23:34 lezen wij het gebed van Jezus om vergiffenis na de veroordeling: Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat ze doen’. Pas de theologen van onze tijd plegen er onvermoeibaar op te wijzen dat dit gebed van Christus de vloek van het joodse volk wegneemt” (’Je broeder Israël, Ten Have, 1968, blz.89). En

niemand minder dan J. Neusner, schrijver van tientallen werken van hoog technische kwaliteiten, zegt: “Evenals na 586 v. Chr. was ook na 70 NC het alternatief dit: ’Of onze vaderen hebben zwaar gezondigd, óf God is onrechtvaardig’. Dit alternatief liet dus eigenlijk helemaal geen keuze. God is rechtvaardig, maar wij hebben gezondigd - wij, maar vooral onzer vaderen voor ons. Daarom is alles dat ons overkomen is - de hongersnood, de ballingschap, de slavernij onder heidenen - slechts vergelding van onze daden” (’De Joodse wieg van het Christendom’, Kok, 1987, blz.20).

Wat kunnen we daar op zeggen? S. ben-Chorin kan zeker niet beweren dat na het vergeven van de Vader alles ook werkelijk weer koek en ei is tussen God en Israël. De geschiedenis van de laatste negentienhonderd jaren is het bewijs dat dit niet het geval is. Hij kan niet wegcijferen dat de Heer de harde voorspellingen over Israël deed en dat zijn leerlingen dezelfde dingen zeggen als hun Heer. Men moet zowel de positieve als de negatieve teksten in de Schrift laten zeggen wat er staat. Israël is dus nog niet vergeven! Wat niet wil zeggen dat het niet zó zou kunnen zijn in de toekomst! De opmerking van Dr. Neusner is een zeer diepzinnige gedachte en geeft blijk van een inzicht in Gods rechtvaardigheid die we bij S. ben-Chorin niet vinden. Zie bijvoorbeeld Lev.26:39,40. De hemelse Vader staat klaar om al deze afstammelingen van dat gezegende volk te vergeven, hun zonden te vergeten (en wellicht) hen te herstellen in het hun beloofde land. Daarom blijft het de taak van de Kerk om aan haar ’broeder Israël’ te verkondigen dat de Messias in de persoon van Jezus is gekomen en dat Hij de énige is met wie ze zich moeten verzoenen. Dat is de boodschap die al door de eerste apostelen werd uitgedragen en die nog onveranderd blijft staan (Hand.4:12). Dat evangelie is eeuwig en hoeft kan zich niet wijzigen of aan te passen aan veranderende omstandigheden. Het is de mens die er mee geconfronteerd wordt die er zich moet naar schikken zowel de Jood als de Heiden. Wie denkt dat er toch een waarheid zit in de woorden van S. ben-Chorin vragen we ook aandacht voor het volgende. In ’De Waarheidsvriend’ van 14 maart 1991 lezen we van de hand van W. van Vlastuin naar aanleiding van het kruiswoord van de Heer: “Vader vergeef het hun” Luc.23:34a: “Het zijn de Joden niet die de Zaligmaker kruisigden. Het zijn de Romeinse soldaten niet. Neen, het zijn onze zonden (vgl. H.C. zondag 15). Iedere zondige gedachte is Godsmoord! (...) Hier opent de Zaligmaker Zijn mond. Wat is nu te verwachten? Is er iets anders te verwachten dan dat Hij zal bidden om vuur van de hemel zoals Elia? Is er iets anders te verwachten dan dat Hij Zijn Vader zal bidden om de fiolen van Zijn gramschap uit te storten op deze grenzeloos goddeloze menigte? De wet zegt dat dit gebeuren moet. De duivel maakt het iedere zondaar met schuldbesef duidelijk dat dit de enige uitkomst kan zijn. Ook mijn geweten ziet geen andere weg. Het evangelie getuigt echter anders. Het evangelie komt hier zo helder naar buiten. Christus bidt niet om de verdelging van Zijn vijanden, maar Hij bidt voor hun behoud. Hij heeft Zijn vijanden lief. Hij zegent degenen die Hem vervloeken. Hij doet wel degenen die Hem haten en Hij bidt voor degenen die Hem geweld doen en Hem vervolgen (Matth. 5:44). Zijn er ooit woorden te vinden om deze zondaarsliefde te verwoorden? Een eeuwigheid is nodig om Hem te prijzen! Als zelfgenoegzaam christen ligt hierin weinig troost. Ik erger mij aan Gods ontferming over goddelozen. Dat


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

307

wordt echter anders als ik er enigermate achter kom dat heel mijn nette en aktieve christelijke leven voor de Heere afschuwelijk is. Dan denk ik aan dat meisje van 17 jaar dat zichzelf niet beter acht dan al die Joden. Zij weent over haar harde hart. Ze voelt zichzelf zo’n huichelaar. ’s Morgens staat ze op en denkt: ’Het lijkt wel alsof ik geboren ben om te zondigen’. Ik denk aan die grijsaard van 78 die heel zijn leven lang precies wist hoe het allemaal moest, maar nu de werkelijkheid onder ogen krijgt. Hij beseft dat heel zijn leven niet in Gods dienst stond, maar in dienst van het eigen ’ik’. Hij buigt zijn stramme knieën om met schorre stem de Heere aan te lopen. Ik weet wel dat dit evangelie van troost niet aansluit bij uw geweten, maar toch wil ik het u voorhouden. Jezus bidt voor zulke mensen als u bent!.” Het is een goede zaak dat

de “vloek” (perfidia) die de Roomse Kerk steeds uitsprak op Goede Vrijdag over het Joodse volk, wegens hun aandeel aan de dood van Jezus, door de Paus Johannes XXIII is afgeschaft. Maar zowel in parabels als uitspraken wordt het duidelijk dat het Joodse volk in zijn geheel of gedeeltelijk (zijn leiders), door de Heer en zijn discipelen aan de kaak gesteld worden als zondaars, weerspannigen, en vijanden van het evangelie. God zit ondertussen niet stil tot ze zich bekeren! Heidenen waren ééns van God vervreemd en zonder hoop in deze wereld of de toekomst, maar God heeft daar een keer in gebracht (Hand.14:16 / 17:26-28 / Rom.8:15,23). Want ook de gemeente heeft wel iets waarop ze haar recht kan doen gelden. Mogen we hier in gedachten houden dat bij God “de eersten de laatsten zijn” (Mat.19:30 / Luc. 13:30). De kredentiebrieven van de gemeente staan duidelijk in o.a. de brief aan de Ephesiërs waaruit we enkele teksten citeren. Eph.1:3 “die ons met allerlei geestelijk zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft” 4 “Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld” 5 “heeft hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden” 6 “waarmede Hij ons begenadigd heeft” 7,8 “de vergeving (...) welke Hij ons overvloedig heeft bewezen” 9 “door ons het geheimenis van Zijn wil te doen kennen.” Telkenmale er staat “ons”, dan gaat het om de heiligen verkozen sinds Christus, Joden en Grieken (t.t.z. heidenen). God heeft géén twee volkeren uitverkoren. Wat er staat heeft ook betrekking op wie in vorige tijden overleden was. Dat God één volk uit alle natiën zou verkiezen is ook duidelijk in Rom.8:28-30 / 2 Thes.2:13 / 2 Tim.1:9). Zie bijvoorbeeld het slot van hoofdstuk 11 aan de Hebreeën. “Ook deze allen, hoewel door het geloof een getuigenis aan hen gegeven is, hebben het beloofde niet verkregen, daar God iets beters met ons voor had, zodat zij niet zonder ons tot de volmaaktheid zouden komen” (verzen 39,40). “Ons” moet dan slaan op alle christelijke gelovigen uit de volkeren. In de vijfde druk van A. Visser, ’De Openbaring van Johannes’, Callenbach, 5de druk z.j. (1996 ?), lezen we in dit verband het volgende: “Ten aanzien van het door mij gewraakte ongenuanceerde “antisemitisme” moet ik helaas constateren, dat dit niet, zoals ik hoopte, is afgeflauwd, maar op het ogenblik nog sterker is dan voor acht jaar, met name in het theologisch vlak. Het is onmogelijk daar hier op in te gaan; hoogstens kan ik een paar dingen noemen: het heilloze vereenzelvigen van Israëlals-theologisch-begrip en Israël-als-staat, het bagatelliseren van het verschil tussen Oud en Nieuw Verbond, het op groen en dor hout inhakken met een enorm grote botte bijl, die “joods of “hebreeuws denken wordt genoemd, de blindheid voor het feit dat er tussen religie van het Oud Testament en de religie


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

308

van de Talmoed een zeer diepe kloof gaapt enz ... enz ....” (nieuwe aantekeningen op blz.290). Waarop

ik in elk geval “amen” dien op te zeggen! Een Rooms Katholiek theoloog in die optiek kunnen we warm aanbevelen: André Paul. Zie zijn ’Le Judaïsme ancien et la bible’, Desclée, 1987 en ’Leçons paradoxales sur les Juifs et les Chrétiens’, Desclée de Brouwer, 1992. Een stelling van deze is dat men niet te vlug naar de Talmoed moet grijpen om op die wijze het NT te verklaren, want het NT heeft een eigen zeggingskracht. Jodendom en Christendom zijn volgens hem “des faux jumeaux”, een onechte tweeling. Vincent Mora geeft in zijn boek ’Le Refus d’Israël’, Mattieu 27,25, Editions du Cerf, 1986, blz.46, volgende korte inhoud van het evangelie van Mattheüs. Hierdoor wordt duidelijk dat Israël in conflict staat tot zijn God. En dat is het minst wat er over gezegd kan worden. “ A) Voorspel: de weigering van Israël; het verhaal van de wijzen uit het Oosten (Mat.2:1-23 Jezus in Galilea; het ongeloof van Israël en het geloof van de volkeren (8:5-13). B) Het Koninkrijk gaat over naar anderen ; Tempel, Jeruzalem en het Jodendom Jeruzalem is een onvruchtbare vijgeboom (21:18-22) Gelijkenis van de twee zonen (21:28-32) De parabel der verontschuldigingen (22:1-10) De moordende wijnboeren (21:33-46) C) Val van de tempel en Jeruzalem (hoofdstukken 24,25 ) D) Conclusie: Tot wanneer? (23:37-39)” .

Wie dit goed leest merkt dat er in dat evangelie een voortdurende klacht loopt over het ongeloof van Israël. Zo is dan de positie van Israël dan ook een zaak van het hart, en dat hart is: van steen, Ezech.11:19 /36:26 hard als diamant, Zach.7:12 onbesneden, Deut.10:16 / Jer.9:25,26 afgeweken, Deut.17:17 ver van God, Jes.29:13 vet geworden, Jes.6:10 / Ps.119:70 verduisterd, Rom:1:21 ontrouw, Ps.78:36,37 zonder hart (t.t.z. zonder verstand), Spr.10:13 gaat uit naar woekerwinst, Ezech.33:31 en ook de koning zal afwijken, 1 Kon.11:1-4 Er zijn meerdere mensen die ofschoon ze geloven in een toekomstig herstel van Israël toch niet geloven dat wat er zich nu afspeelt in dat land Gods wil is en de vervulling van de beloften aan de Vaderen. En dat zou de al te lichtzinnige besluiten van sommigen wellicht kunnen intomen. We


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

309

citeren er twee. Vooreerst: P. Slagter zegt in het Bijbelstudie-Katern van het Tijdschrift ’Amen’, n° 10, december 1996, blz.17: “Israëls huidige terugkeer. Israël keert vandaag naar het land terug, maar niet doordat de HERE het volk roept. Het volk keert terug in ongeloof en in eigen kracht. In de geschiedkundige geschriften hebben we ontdekt, dat de HERE Israël door andere volken heeft laten verstrooien. In de profetische geschriften zagen we, dat de beloofde vergadering van het Joodse volk nog moet plaatsvinden. Het volk dat tot nu toe in ongeloof naar het beloofde land is teruggekeerd, heeft door eigen inspanning het land weer bevolkt en herbouwd en zelf zijn plaats onder de volken ingenomen. Het kan dus niet de vervulling zijn van: “Ik zeg tot het noorden: Geef, en tot het zuiden: Houd niet terug” (Jes.43:6) . Voor veel christenen is het een tegenstrijdigheid, dat, hoewel de Jood weer in Zijn land woont, de Bijbelse beloften nog niet vervuld zijn . Er wordt beweerd, dat sommige beloften een gedeeltelijke vervulling hebben gekregen, zoals “de steppe zal juichen en bloeien als een narcis” (Jes.35:1b), en: “Want de Here troost Sion, Hij troost al haar puinhopen; Hij maakt haar woestijn als Eden en haar wildernis als de hof des HEREN; blijdschap en vreugde zullen er gevonden worden, loflied en geklank van gezang” (Jes.51:3). Maar is dit werkelijkheid geworden in onze dagen? De Israëli’s werken hard om deze dingen tot stand te brengen, maar dit is zeer zeker niet wat door het Woord van God is beloofd. De Schriften zullen precies vervuld worden op de manier die ze zelf aanduiden. De HERE, en niet de mens, staat garant voor de vervulling van Zijn Woord.”

En een tweede citaat is dit. P.A. Slagter schrijft in ’Israël en de Bijbel’, januari 1995, blz.4: “Het gaat te ver om de huidige cultivering van het land te bestempelen als Gods beloofde werk. De woestijn bloeit, inderdaad, op vele plaatsen. Machtige irrigatiewerken zorgen voor de nodige bewatering. Alleen, en daar gaat het nu om, heeft God gezegd dat het land niet kunstmatig gedrenkt zal worden, maar dat het “water drinkt van de regen des hemels.” En dat lezen wij o.a. in Deut. 11:10-12, Jes. 41:18, Ezech. 34:26. Nergens wordt zo duidelijk de oorzaak, de aanleiding en het tijdstip van het herstel gegeven als in Ezech. 36:33 e.v.. Immers de HERE begint met te zeggen: “Wanneer Ik u reinig van al uw ongerechtigheden, zal Ik.”, en dan worden de heerlijke zegeningen opgenoemd, die daarbij horen. Het wijst weer op dezelfde tijd: het einde van de 70e jaarweek en daarna. Dán is aan Gods voorwaarde voldaan en kunnen al Zijn beloften zonder belemmering letterlijk in vervulling gaan, voor het oog van de mensen die dan leven! Het zal een geweldig teken van de HERE zijn. Hij zal in en door alles heen de eer ontvangen, die Hem toekomt.” Er zijn meerdere pogingen om aan het unieke van Jezus van Nazareth en het christendom van Zijn/haar waarde af te nemen. We wijzen op één zo een poging in de weerlegging ervan door een theoloog die nog steeds wat te zeggen heeft. Toen men in 1978 aan de Gereformeerden in Nederland vanuit het Deputaatschap voor Kerk en Israël voorstelde een Israëlzondag in te voeren reageerde H.M. Matter daarop met wat volgt in het citaat. Om alles goed te begrijpen moeten we u vertellen dat het gaat om een reactie op de stelling van Drs. Zuidema dat het “Onze Vader” niet echt van Jezus is maar een compositie van “beden” die door andere rabbi’s waren uitgesproken. We citeren het ’Gereformeerd Weekblad’ van 29 september 1978, blz.126: “In de laatste alinea van zijn bijdrage verklaart Drs. Zuidema: “Wat mij persoonlijk boeit in de joodse wijze van bidden, is, dat het zo ontspannen is.” Dat is dus de “achtergrond”, Jezus moet nl. vooral uit zijn Joodse achtergronden verklaard worden. Waarom eigenlijk? Als iemand Luther wil begrijpen zeggen we: Dan moet je Luther lezen. We zeggen niet: Je moet eerst eens allerlei andere auteurs uit Luther’s tijd lezen, want: je kunt Luther alleen begrijpen


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

310

tegen zijn “achtergrond.” Dat zou weinig helpen want die auteurs hebben ook weer een achtergrond, en zo blijf je aan de gang . Je zou bij zo’n eventueel onderzoek kunnen ontdekken dat Luther helemaal niet oorspronkelijk was, en dat hij zijn gedachten bij anderen heeft weggehaald. Maar daar verklaar je die gedachten niet mee. Je kunt ze dan alleen maar uit Luther’s oeuvre wegschrappen en ze in hun oorspronkelijke context bestuderen. We weten dat Luther duizenden anonieme medestanders en voorlopers heeft gehad, maar we begrijpen Luther pas als we zijn tegenstanders begrijpen. We willen iets van Luthers achtergrond weten, niet omdat Luther vanuit maar omdat hij tegen die achtergrond in heeft gepraat. M.a.w. om Luther te begrijpen, moeten wij het katholicisme van zijn dagen begrijpen. Ik dacht dat we het daar wel over eens waren. Maar met Jezus schijnt dat allemaal anders te liggen (...) Het Onze Vader is dus eigenlijk niet van Jezus. Nu, goed dan. We kunnen het dus uit de evangeliën schrappen. Maar: We zouden het verklaren? Zie boven. Wat wordt hier nu eigenlijk verklaard? De oude Kerk heeft met dat “Abba” in haar liturgische gebeden gemeend de ipsissima vox, de allereigenste stem van Jezus te horen en zelfs te reproduceren. Dit gebed kon volgens haar alleen maar van Jezus zijn. We kunnen nu zeggen: Het is niet van Jezus maar een compositie van enz. We kunnen het (dit tussen haakjes) misschien beter nalaten, want voor zover ik iets weet van het ontstaan van het N. Testament begrijp ik niet waar Drs. Zuidema dat vandaan haalt. Maar als ons dan wordt gesuggereerd (en dat gebeurt hier, en dan door een van onze eigen synodale organen!) dat het er ook niet zoveel toe doet wie de auteur is, want “het waren toch allemaal Joden met joodse gedachten”, dan stel ik de vraag wat we dan moeten met al de andere woorden van Jezus, b.v. de gelijkenissen. Dat zijn voor een goed deel maar vrij slappe verhalen waarover eeuwenlang slap, d.i. moraliserend en dogmatiserend, is gepreekt omdat men vergat dat ze gesproken zijn door Jezus en door niemand anders, en tot achtergrond hebben het beslissende feit dat in Hem het “einde der eeuwen over ons gekomen is” (1 Cor.10:11) . Ik zal niet aan een Israëlzondag meewerken. Ik zal steeds “gewoon” preken. Misschien zeg ik in de preek wel eens waar we als kerken met Israëlzondagen e.d. terechtkomen.”

Nog een tweede maal wat P. Slagter zegt in het Bijbelstudie-katern van het tijdschrift ’Amen’, n° 10, december 1996, blz.18: “Is dat zo? Is God inderdaad thans bezig Zijn beloften te vervullen? We moeten bedenken dat de profetieën verband houden met Gods regeringswegen met Israël en de wereld. Het volk Israël staat centraal in de profetieën. En de verheerlijking van Jezus Christus is het doel. Bij al het wereldgebeuren van nu staat God achter de schermen. Hij regeert de wereld ondanks het feit dat Satan nog altijd de overste van deze wereld is en de god dezer eeuw. Maar God regeert thans niet op een directe en zichtbare wijze. Het lijkt erop dat de aardse machthebbers kunnen doen wat zij willen, terwijl het in wezen de wil van satan is, want diens slaven zijn zij; toch kunnen zij niet verder gaan dan de grenzen die God hun stelt. Ja, God gebruikt hen zelfs om Zijn plannen te laten uitvoeren en tot Zijn doel te komen. Maar dat neemt niet weg, dat de aardse machthebbers en de volken verantwoordelijk zijn voor hun daden, ook al gebruikt God die om Zijn doeleinden te verwezenlijken. Er zijn genoeg voorbeelden uit het OT om dat te illustreren. Daarom is het onjuist te beweren dat alles wat in de wereldgeschiedenis heeft plaats gevonden in overeenstemming is met Gods wil. Eens zal er weer een tijd komen dat Gods regering niet meer indirect en verborgen zal zijn. Nu echter is er geloof nodig om uit te spreken dat God niet buiten al het wereldgebeuren staat. IN DIE ZIN KUNNEN WE ZEGGEN DAT GOD NIET STAAT BUITEN ALLES WAT ER NU IS GEBEURD EN NOG GEBEURT MET DE JODEN EN DE STAAT ISRAËL” (wij onderstrepen).


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

311

In dit citaat zegt P. Slagter dat Israël centraal staat in de profetie uit de Bijbel. Maar dat klopt niet. Noch Christus, noch de discipelen van Hem staan achter deze stelling. Wat is het belangrijkste en wie is de belangrijkste in de Schrift, zowel OT als NT, is nochtans gemakkelijk op te lossen. Niet de Wet van Mozes! Niet de beloften aan de Aartsvaders! Maar het individuele geloof van de Jood of de Griek is alles waar het om draait. Dat is duidelijk in Hab.2:4 / Rom.1:7 / Gal.3:18 / Heb.10:38. Met ander woorden datgene wat de Reformatoren hun leven lang van de daken geschreeuwd hebben. We mogen van één zaak zeker zijn; het is duidelijk dat vanuit het NT duidelijk wordt gemaakt dat het begrip Israël uitgebreid is naar een geestelijke betekenis. De gelovige heiden draagt óók de titel van geestelijk Israëliet. Zo kunnen één of meerdere van de profetieën over herstel van Israël geestelijk opgevat worden en hoeven niet letterlijk te zijn. We nodigen u uit dit zelf te onderzoeken na een beschouwing over dat Nieuw Testamentisch principe. HAND.2:17-21 = JOËL 2:28-32.

Gal.3:16 = Gen.12:7 / 13:15 / 24:7.

DE KOMST VAN DE HEILIGE GEEST OVER DE GEMEENTE. De beloften aan Abraham zijn vervuld in Christus.

2 Cor.6:16 = Lev.26:12 / Jer.32:38 / Eze.37:27.

De Kerk (gemeente) is de tempel van God.

Rom.9:25 = Hosea 2:23.

God noemt de Kerk (gemeente) MIJN VOLK. Christus is een licht voor de Heidenen.

Hand.13:47 = Jesaja 49:6.

Hand.13:34 = Jes.55:3.

Mat.2:15 = Hos.11:1. Hand.15:16,17 = Amos 9:11,12. Rom.11:26,27 = Jer 31:31,34.

God heeft Jezus uit de dood opgewekt. Christus zit op de troon van David. God heeft zijn zoon uit Egypte geroepen. De vervallen tent van David is wederom opgericht. Het ganse Israël wordt gered.

DE GEMEENTE VAN HET NT = (NIEUWE / VER-NIEUWDE) ISRAËL. In Hem (door Hem) zijn ook de Heidenen gered. De gemeente van het NT = Israël. De gemeente van het NT = Israël. De gemeente van het NT = Israël. De gemeente van het NT = Israël plus Christus = Israël. De gemeente van het NT = Israël.

Christus van het NT = Israël. De gemeente van het NT = Israël. De gemeente van het NT = Israël.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

Eph.2:16,17 = Jes.57:19.

Eph.2:11-13.

Christus heeft aan het kruis vrede gebracht aan gelovige Joden en gelovige Heidenen. Het nieuwe verbond is er ook voor Heidenen.

312

De gemeente van het NT = Israël = Gelovige Joden en Heidenen. De gemeente van het NT = Israël.

Conclusie Sinds Pinksteren heeft God een nieuwe Israël opgericht bestaande uit; een rest van natuurlijke gelovige Joden en aangevuld door Heidenen, maar slechts bestaande uit hen die zich tot Jezus bekeerd hebben. 2de Stelling: De cultus van offers en het Levitische priesterschap over Israël is niet meer belangrijk en is sinds het offer van Christus afgeschaft Wat zij op dat gebied zeggen Een artikel uit ’Israël en de Bijbel’, 23e jaargang-nr.3, maart 1992 blz.8, geschreven door Orman L. Norwood ’Tempeldienst in het duizendjarig rijk’, zegt: “Toch geloof ik, dat we wel kunnen begrijpen, waarom er gedurende het duizendjarig rijk offers zullen worden gebracht. Als een Jood in het Oude Testament een offerdier naar de tempel bracht, wees dat offer heen naar de dag, dat Degene Die komen zou, zichzelf zou offeren op Golgotha. Het liet zien, wat in de toekomst zou gebeuren. En in het Nieuwe Testament en daarna hebben de gelovigen het Heilig Avondmaal gevierd en de doop bediend, die beide naar Golgotha wijzen en naar het offer dat daar gebracht is voor onze zonden. Ik geloof stellig, dat de offers die in het duizendjarig rijk worden gebracht, zullen dienen als herinnering aan het offer van Golgotha om ons telkens opnieuw te laten beseffen, dat we zondaars zijn die door genade zijn gered. We zullen er altijd aan herinnerd worden, dat we daar zijn vanwege het vergoten bloed van de Messias, het ware Lam van God.”

Deze opmerking van O. Norwood klopt niet met de feiten. Een gelovige in het OT kon nog geen verband leggen met het offer van Christus omdat dat verband een openbaring is uit het NT. Ook Jesaja 53 kan zo niet uitgelegd worden, dan achteraf. Want ook dat moet gezien worden vanuit het leven en werk van onze Heer. T. Niemeijer schrijft in zijn Vragenrubriek van ’Het Zoeklicht’ van 26 juni 1999, blz.18 over Ezechiël 40 tot 48 het volgende: “De profeet Zacharia laat ons zien, dat de Here Jezus dan tegelijkertijd Koning en Priester zal zijn: “Ja Hij zal de tempel des Heren bouwen en Hij zal met majesteit bekleed zijn en als heerser zitten op zijn troon” (6:13). Dit zal allemaal tijdens het Duizendjarig Vrederijk plaatsvinden: de Here Jezus zal hier op aarde als Koning maar ook als Priester regeren. Tijdens dit vrederijk zullen de aardse beloften aangaande het volk Israël vervuld worden en zal dit volk hier op aarde tot een wereldwijde zegen worden. Jeruzalem zal hier op aarde het centrum zijn, waar vanuit de zegen


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

313

verspreid wordt. Zowel het Evangelie, als ook de materiële zegen zal dan vanuit de stad van de Grote Koning verspreid worden. In deze derde tempel zullen nog wel offers gebracht worden, maar dan wel offers, die niet meer vooruitzien, maar terugzien op het volmaakte offer: Christus als het Lam van God aan het kruis van Golgotha.”

Volgens Walvoord (blz.471) is het niet slechts Ezechiël die spreekt over een toekomstig herstel van de tempel en de daarbij horende offers in het Millennium. Ook Jes.56:7 / 66:20- 23 / Jer.33:18 / Zach.14:16-21 / Mal.3:3,4 spreken over offeren van dieren in een toekomende herstelde tempel. Vraag is natuurlijk of het gaat om een tempel in een duizendjarige rijk. Laat ons dat eens nader onderzoeken.

Wat wij op dat gebied zeggen Zonder ons over te geven aan dubbelzinnige uitspraken laten we vooraf drie Schriftuurplaatsen na elkaar lezen: 1°) “Als Hij spreekt van een nieuw verbond, heeft Hij daarmede het eerste voor verouderd verklaard. En wat veroudert en verjaart, is niet ver van verdwijning” Heb. 8:13. (Zie ook Gal.3:24 / Phil.3:3.) 2°) “Want Christus is het einde der wet, tot gerechtigheid voor een ieder, die gelooft” Rom.10:4. (Zie ook Mat.5:17 / Hand.13:39 / Heb.10:1.) 3°) “Ook u heeft Hij, hoewel gij dood waart door uw overtredingen en onbesnedenheid naar het vlees, levend gemaakt met Hem, toen Hij ons al onze overtredingen kwijtschold, door het bewijsstuk uit te wissen, dat door zijn inzettingen tegen ons getuigde en ons bedreigde. En dat heeft Hij weggedaan door het aan het kruis te nagelen” Col.2:13,14. (Zie ook nog Col.2:16,17.) Deze teksten laten dus geen onduidelijkheden overeind staan. Wat God aan het Israël in het vlees had opgedragen heeft Hij ook doen ophouden. De wet van Mozes met zijn verplichtingen is voor God thans niet meer geldig. Ook geen verplichting meer voor de Joden. Want bedenk wat de schrijver aan de Hebreeën schrijft aan de letterlijke Israëlieten; uw priesterschap en offerdienst is afgeschaft (Heb.7:12 / 10:9). Ook niet-Joden waren en zijn niet verplicht zich te stellen onder een wet die “verouderd” is en aan vervanging toe was. Daar heeft de Heilige Geest voor gezorgd dat ze dit niet zouden doen (Hand.15:12-21, 28,29). Paulus maakt ook later in een niet verkeerd te begrijpen geestelijke interpretatie van de geschiedenis van Abraham duidelijk dat zijn vrouw Sara de afbeelding is van “het hemelse Jeruzalem.” Dàt Jeruzalem is aangebroken met de dood van de Messias (Hij is het Lam Gods) en is bezegeld met Pinksteren toen de Heilige Geest zich openbaarde. Zijn bijvrouw Hagar was de afbeelding van het aardse Jeruzalem waar vleselijke offers van dieren gebracht werden (Gal.4:2131). En alle gelovigen, of ze nu letterlijke of geestelijke zonen zijn van Abraham, moeten aan dezelfde voorwaarden voldoen om dat hemelse Jeruzalem binnen te treden (Heb.12:22,23). Voor beiden één en dezelfde voorwaarde; geloof in Gods aanbod van liefde en genade (Joh.3:16 / Heb.13:20), dat in de persoon van Jezus werkelijkheid is geworden. De theologen die het herstel van Israël leren, zitten verveeld met deze teksten uit Galaten hoofdstuk vier. Biederwolf heeft op


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

314

geen enkele tekst uit deze brief enig commentaar. Scofield zegt bij Gal.4:21 e.v. dat wij hier de verhouding wet en genade in het oog moeten houden. Maar niets over het “aardse en hemelse Jeruzalem” wat toch zeer merkwaardig is. Waar het schoentje wringt hebben ze dus blijkbaar wel door. Vergeten we hierbij niet dat Galaten 4 voor een groot deel de interpretatie is van Paulus op een gedeelte uit Jes.54 (vooral verzen 7-15). De onvruchtbare (Israël) is vruchtbaar geworden in de Kerk; bestaande uit Joden en Heidenen. Zie ook Opb.21 dat de vervulling is aan de Gemeente van Jes.54:11,12. (Zeer goed in dit verband is het commentaar op Gal.4 van H. Jansen, ’Allegorie van slavernij en vrijheid’, in de bundel ’Paulus en de andere Joden’, edit. T. Baarda, H. Jansen, S.J. Naarda, J.S. Vos, Meimema Delft, 1984, blz.75-113. We accepteren niet elke visie van H. Jansen. Zie ook: A.T. Hanson, ’Studies in Paul’s technique and theology’, SPCK, 1974.) Uit een boekje van nog geen honderd bladzijden, zonder enige reserve aanbevolen als een geestelijke goudmijn, citeren we in dit opzicht het volgende. “Die misvatting is zonder meer aanwijsbaar in de uitspraak dat de gojim alleen in Israël gezegend zullen worden; opdat de Schrift zegt: ’En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde’ (Gen.22:18). Het lijkt wel alsof de apostel Paulus voorvoeld heeft dat deze belofte verkeerd opgevat zou worden in de zin dat men bij ’uw zaad’ zou denken aan het natuurlijke nageslacht van Abraham, dus het volk Israël, in plaats van Christus. Dat we hier inderdaad niet moeten denken aan Israël, maakt hij op een merkwaardige manier duidelijk door te stellen dat er niet staat: de zaden, maar uw zaad, zodat slechts één persoon is bedoeld (Gal.3:16). De zegening van Abraham zou dan niet tot de heidenen komen in Israël, maar in Christus Jezus (vs.14)! Men lijkt tegenwordig blind te zijn voor deze aanwijzingen van de apostel.” Uit A. Maljaars, ’Niet allen

Israël’, Uitg. J.P. van de Tol, Dordrecht, 1976, blz.84. Alle pogingen van een toekomstig herstel van de tempel in Jeruzalem tijdens die duizendjarige regering moeten we met een kritische kijk benaderen. Wanneer we de juiste analyse maken van zo een toestand komt het er op neer dat God opnieuw “apartheid” invoert. Nadat Jezus door zijn dood alle vormen van racisme en voorkeur van ras heeft weggedaan zou het opnieuw ingevoerd worden in de duizendjarige regering. Jeruzalem en het Joodse volk zijn er het centrum van de wereld en alle volkeren moeten daar komen aanbidden. Zoiets kan toch niet! Want wat zou er ontbreken aan het offer van de Heer dat er nog een nieuwe tempel nodig zou zijn? De wet van Mozes en de daarbij behorende offers zijn slechts de schaduw van de toekomende dingen (Col.2:17 / Heb.10:1). Offers van stieren en lammeren in het Oude Verbond gebracht zijn toch vervuld in dat wat Christus bewerkt heeft aan het kruis (Heb.9:1-10 / 10:1-10)! Heeft de Heer aan de Samaritaanse vrouw niet gezegd dat er ééns en voor altijd een aanbidding zou komen: niet in een tempel, maar in “geest en waarheid” (Joh.4:23)? En het uur van die aanbiddingsvorm van YaHWeH was niet ver af, het was zelfs aangebroken! Wat Israël op Gods bevel heeft nagevolgd voor een periode is thans door de komst van het “tegenbeeld” vervuld (Col.2:14 / Heb.8:8-12). Of is het “oude” niet verouderd (Heb. 8:13)? Is Christus niet de grotere Salomo, groter dan de bouwer van de eerste tempel (Luc.11:31)? Christus heeft Zijn tempel gebouwd: de gemeente = een rots (Mat.16:18). De Opgestane Heer is toch de nieuwe Hogepriester! En zijn wij niet door Hem uitverkoren; als het nieuwe priesterlijke geslacht tot eer van God (Heb.7:7 / 1 Pet.2:6)! Wat afgeschaft is en vervuld ga


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

315

je toch niet weer opnieuw invoeren als folklore! We gaan dat Oude Verbond toch niet opnieuw bewierroken (Rom.3:25 / 1 Cor.5:7,8 / Col.2:11)? De 613 geboden en verboden uit de wet van Mozes zijn niet meer geldig, afgeschaft en/of vervuld. Het staat in duidelijke taal te lezen in het NT (Eph.2:11-23 / Col.2:14). Buiten de wet om is gerechtigheid geschied! We kunnen die wet dan niet meer in voege laten (Rom.3:21,22)! Met het oog daarop kan Scofield (blz.962, 963) geen gelijk hebben wanneer hij over Haggaï 2:1-9 het volgende schrijft: “De profeet roept de oude mannen op die zich de tempel van Salomo nog kunnen herinneren om aan de nieuwe generatie te getuigen hoe groots dit bouwwerk was vergeleken bij het huidige. En hij spreekt dan een profetie uit (verzen 7-9) die slechts naar het komende koninkrijk kan verwijzen en de tempel die in Ezechiël is beschreven.” Voor Scofield spreekt deze tekst over de

duizendjarige regering. Hoewel hij zelf opmerkt dat Hag.2:6 wordt aangehaald in Heb.12:26 (met betrekking tot de tijd van de schrijver van het boek aan de Hebreeën) maakt hij toch een verkeerde conclusie over vers 7. Dat zou spreken over de grote verdrukking van Mat.24:29,30 en zo kan hij verzen 8 en 9 dáárna plaatsen (blz.963). Zelfs indien we die koppeling maken, laat de tekst van Haggaï ons niet toe nog een letterlijke tempel te verwachten in een komende duizendjarige regering. Want vóórdat de grote verdrukking begint is elke vorm van dienst in een tempel afgeschaft. Toen de Heer ééns en voor altijd stierf aan het kruis is letterlijk offeren in een letterlijke tempeldienst ongedaan gemaakt. De auteur van het boek aan de Hebreeën schrijft daarover als volgt: “(wat) veroudert en verjaart is niet ver van verdwijning” (Heb.10:9, zie ook 2 Cor.3:11,13). En mét Pinksteren ging in vervulling dat we God niet aanbidden in tempels, maar “in geest en in waarheid” (Joh.4:23,24). Vanaf de “aardbeving” die er in de Joodse cultus is bewerkt, door het optreden van de Messias (en Zijn volgelingen), is “het uur” gekomen om dat oude te verlaten en niet weer opnieuw leven in te blazen. Voor de wijze van aanbidding door een christen zie o.a. Eph.6:18 / Phil.3:3 / 1 Pet. 2:5 / Judas 20 / Rom.8:26. Het “wankelbare” Oude Verbond is vervangen door wat “niet wankel is” = “het eeuwige nieuwe verbond” (Heb.12:27,28).

Ezechiël 40-48: Een nieuwe aardse tempel? Wanneer we zeggen dat er nog een derde tempel zal opgericht worden uit letterlijke stenen in het letterlijke Jeruzalem dan heeft men de schrijver van de Hebreeënbrief niet begrepen. Dan heeft men ook een verkeerd zicht op het offeren van zowel wat in de letterlijke tempel geschiedde als wat Jezus aan het kruis bewerkt heeft. Prediken over een nog toekomstige tempel, ware het zelfs maar als “aandenken” of “monument” van het offer van Jezus, het maakt niet uit. Dat hoeft niet, want Christus doet nu dienst in de hemelse tempel ten bate van allen die Hem aanroepen (Heb.7:25 / 10:21). Zo mag men Ezechiël 40-48 niet als een nog toekomstig bouwwerk in steen beschouwen. Het is de symbolische beschrijving van wat de echte cultus aan de Almachtige is: ordelijk, adembenemend, niet bezoedeld en ook alleen voor het verbondsvolk bestemd. Elke stam heeft er zijn plaats en functie, Israël is er één volk, opnieuw verenigd zoals door God oorspronkelijk gepland. Het plan van de ideale verhouding van de Heer met Zijn volk, maar géén plan voor een nieuwe tempel die het offer van Christus moet afbeelden, aanvullen of wat dan ook. Scofield is trouwens niet consequent in zijn uitleg. Op blz.93 bij de bespreking van het Mozaïsche verbond zegt hij dat Israël: “de genade opgeeft voor de wet” en over deze wet: “Ze was slechts van tijdelijke


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

316

opvoedkundige aard totdat het Zaad zou komen” (slot voetnota twee). Maar het Zaad “is” gekomen

onder de wet om hem te vervullen. Laten we er dan ook niet meer naar teruggrijpen (Gal.4:4 / Heb.5:8). Tempel en offers verwezen slechts naar wat in het offer van de Christus werkelijkheid zou worden: een effectieve verzoening, verlossing en vergeving van schuld. Wanneer we zeggen dat dit de derde tempel is dan zou men ook kunnen spreken van de vierde. Technisch gesproken dan toch. Want wanneer Herodus in 20/19 vóór Christus aan de herbouw van de tempel begint is dit zeer drastisch. Wanneer we Josephus mogen geloven zijn is de vorige tempel met op de grond gelijk gemaakt. Zie Josephus, ’De Joodse oorlog’, I,XXI,1 en ’De Joodse oudheden’, XV,XI,3. In de dagen van Jezus was men 46 jaren bezig aan deze herbouw (Joh.2:20). De latere Joodse traditie heeft deze tempel van Herodes nooit aanvaardt als een herbouw. Voor hen is dit niet de derde tempel maar de verfraaiing van de tweede. Herodes was voor hen een heiden en geen Jood; men kan toch niet een heiden de tempel laten (her)bouwen! Op welke wijze gebruikt het NT dit gedeelte uit Ezechiël 40-48. De onderstaande tabel uit ’The Greek Testament’, ed. K. Aland / M. Black / B. Metzger / A. Wikgren, United Bible Societies, 1966 maakt dat duidelijk: Vers. Ezech.40:2 40:3 40:3,5 43:2

Citaat . Opb.21:10 Opb.11:1 Opb.21:15 Opb.1:15 14:2 19:6 44:4 Opb.1:15 44:7 Hand.15:8 44:30 Rom.11:16 47:12 Opb.22:1 22:14 22:19 48:16,17 Opb.21:16,17 48:30-35 Opb.21:12,13 48:35 Opb.3:12 In Nestle / Aland nog Ezech.47:1,7 = Opb.22:1,2 en Ezech. 48:31-35 in plaats vanaf vers 30. De belangrijkste verwijzingen zijn deze uit 47:12 en 48:16,17,30-35 die de tempel van Ezechiël en de nieuwe hemel en aarde met een zelfde gelijkaardig woordgebruik omschrijven. Maar ook dan moeten we zeggen dat deze beelden door Gods profeten gebruikt worden, omdat slechts in een voor de mens aanvaardbare en begrijpelijke taal iets van de sluier van de werkelijkheid kan opgelicht worden. De nieuwe hemel en aarde zijn voor ons thans niet in andere termen te omvatten, maar hun werkelijkheid is grootser. “Accomodatio” zegt Calvijn over deze vorm van openbaring. God past zich aan in het spreken over deze dingen aan ons bevattingsvermogen. Er is echter altijd het element dat dit overstijgt want de mens kan de realiteit niet aan. Paulus was in het


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

317

paradijs maar kan de woorden niet vinden om te beschrijven wat hij zag (2 Cor.12:1-4). Het is hem zelfs niet geoorloofd daarover iets kenbaars te maken. De toekomende heerlijkheid van deze zaken hoort tot het geheim van God. Het gaat om zaken die “geen oog heeft gezien en geen oor gehoord” (Jes.64:4 en 1 Cor. 2:8,9) maar God heeft er toch een gedeelte van geopenbaard door Zijn Geest. (Wie zinvol wil ingaan op dat spreken van God raden we aan: J.J. van Es, ’Spreken over God. Letterlijk of figuurlijk?’, Rodopi, 1979). Blijkbaar hebben de meesten die Scofield navolgen en de redenering van een herstel van de tempel volgens Ezech. 40-48 géén weet van wat in de ’New Scofield Reference Bible’, O.U.P., 1970 staat. We citeren daaruit op blz.888 (wij onderstrepen): “De verwijzing naar de offers moet niet letterlijk genomen worden, gezien deze offers zijn weggenomen. Ze moeten dan de voorstelling zijn van de aanbidding van Israël in gereinigde toestand, in haar eigen land, in een duizendjarige tempel, in woorden die de Joden in de dagen van Ezechiël kunnen begrijpen.” Dit is natuurlijk een terechte maar onvoldoende toegeving. Het

gaat niet ver genoeg. Want in dezelfde context moeten dan ook de tempel, de priesters en alles wat in die hoofdstukken genoemd wordt, “niet letterlijk genomen worden” maar een voorstelling van iets anders zijn. Een belangrijke schrijver ter verdediging van de duizendjarige regering van enkele decennia terug zegt dat het niet om een reële tempel gaat en offerdienst. Men mag zoiets in deze teksten niet inlezen zegt ook A. Berkhoff, ’De Christusregering’, Kok, 1929, blz.163,164. Daarom blijft onverwoestbaar staan wat aan de Hebreeën werd geschreven, ook voor ons onderricht overeind op dit punt. Want Heb.8:1,2 zegt: “De hoofdzaak van ons onderwerp is, dat wij zulk een hogepriester hebben, die gezeten is ter rechterzijde van de troon der majesteit in de hemelen, de dienst verrichtende in het heiligdom, de ware tabernakel, die de Here opgericht heeft, en niet een mens.” De Heer is thans reeds, zowel koning als priester en een duizendjarige regering in de toekomst zal daar niets kunnen aan toevoegen. God heeft ooit op een provincialistische wijze Israël uitverkoren uit alle volkeren. In Zijn Zoon worden nu alle natiën gezegend, in vervulling van wat aan Abraham was voorzegd (Gal.3:8). Maar de leer van de duizendjarige regering gaat dit laatste terug ondergraven. De Heer kon daarom zeggen: “dat het vlees van geen nut is” (Joh.6:63). Wanneer de gemeente “de volheid is van Christus”, waarom wil men dit dan niet gewoon aanvaarden (Eph.1:23). Met de vernieuwing van het priesterschap is ook een vernieuwing van de tempel gekomen. En die tempel is sinds Pinksteren: de gemeente (1 Pet.2:5). In vervulling van Jes.56:7 / Marc.11:17 is elke gelovige discipel een steen in die tempel. De gemeente is “de woonstede Gods in de Geest” (Eph.2:22) en is Gods “bouwwerk” (Eph.2:21). Daarom staat in 1 Cor.3:16,17 / 6:19 dat gelovigen “de tempel van God” zijn. Petrus zegt in dat verband dat de gemeente “het huis van God is” (1 Pet.4:17). De gelovigen uit het NT zijn priesters ván God (“vóór God” in Opb.1:6) en offeren áán God (Rom.12:1). Offers, van geloof (Phil.2:17) van lof (Heb.13:15) en van barmhartigheid (Mat.9:13). Het gaat hier, wanneer we de parafrase gebruiken, om “het verhaal van twee steden.” Het letterlijke aspect van de tempel is opgehouden en heeft plaats gemaakt voor de geestelijke tegenhanger.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

318

Er zijn in dit slot van Ezechiël zaken te vinden die niet te verenigen zijn met de leer van de duizendjarige regering en een letterlijk herstelde Israël. Zo spreekt Ezech.43:7 van “koningen” die niet begraven kunnen worden in Jeruzalem want dan zou de tempel ontheiligd worden. Maar er zijn in die tijd géén koningen dan slechts Jezus en David volgens deze leer. En van de grotere David (Jezus) zal men toch niet beweren dat Hij nog eens sterft. En David die volgens de leer een viceregent zal zijn van de Heer zal toch ook niet sterven! De teksten die men daarvoor gebruikt zijn: 2 Sam.7:16 / Jer.30:9 / Ezech.34:23,24 / 37:24,25 / Hosea 3:5. (Zie vb. H. Wilmington, ’Book of bible lists’, Tyndale House, 1987, blz.283.) Details kloppen niet, dus ook het geheel niet. Dat er nog een vorst zal zijn die offers zal brengen om verzoening te brengen is nog zo iets (Ezech.45:17 / 46: 4,12). En die vorst zal zelfs nog zonen hebben (Ezech.46:16). David of de grotere David? Is er dan geen vrede onder mens en dier in dat rijk, want men offert dieren? Hoe past Jes.11:6-9 in dit beeld? Is er dan nog procreatie in dat rijk? Volgens Walvoord (blz.478, 488) zal er met de komst van de Heer een zó grote en drastische verandering in Israël plaatsvinden op topografisch gebied dat men voorzeggingen als Ezech.47:8 en Zach.14:10,11 gerust letterlijk mag nemen. Dat lijkt ons echter niet meer het echte Israël te zijn zoals we het nu kennen, maar een totaal vernieuwd “land.” Komt de Nieuwe Aarde er dan toch met de wederkomst? En nog een andere opmerking uit Jes.66:19-21 wat we u aanhalen uit de NBG: “Ik zal onder hen een teken doen en Ik zal uit hen de ontkomenen zenden naar de volken - naar Tarsis, Pul en Lud, die den boog spannen, naar Tubal en Javan, de verre kustlanden, die de tijding aangaande Mij niet hebben gehoord noch mijn heerlijkheid hebben gezien - opdat zij mijn heerlijkheden onder de volkeren verkondigen. En zij zullen al uw broeders brengen uit alle volken als een offer voor den HERE; vop paarden en op wagens, op draagstoelen; op muildieren en op snelle kamelen, naar Jeruzalem, zegt de HERE, zoals de Israëlieten het offer in een vaatwerk naar het huis des HEREN brengen. En ook uit hen zal IK er nemen tot priesters, tot Levieten, zegt de HERE” (wij onderstrepen). Het gaat erom dat God zich uit de heidenen een priestergeslacht zal verzamelen evenals dat er is onder het volk Israël. Dat slaat niet op de duizendjarige regering. Het is thans in deze tijd sinds Pinksteren - en vooral sinds Cornelius - dat God zich een priestergeslacht zoekt uit gelovige Joden en gelovige Heidenen. Duidelijker kan het niet staan in 1 Pet.2:5,9. Ook Jes.56:7,8 zegt dat de HERE Joden en Heidenen samen vergaderd. Sinds wanneer? Allemaal sinds Pinksteren volgens Rom.11:15 en Opb.1:6. We hebben daarvoor geen duizendjarig rijk, of een herstel van een nieuwe tempel nodig, integendeel het zou het voorafgaande werk van God onderschatten en minimaliseren. In het OT werd dus degelijk de gemeente al voorzegd en dat in tegenstelling tot de beweringen van wie in de bedelingen geloven. In Zion is een hoeksteen gelegd en die is zonder enige tegenspraak Jezus de Christus (Jes.28:16 / Mat.21:42-44 / I Cor.3:11). Voor Israël is deze steen “een steen des aanstoots.” Een

steen die hen doet struikelen (Rom.9:32,33 / 1 Cor.1:23 / 1 Pet.2:7,8). God heeft zijn aanwezigheid daarom kenbaar gemaakt in het Israël Gods en heeft zich daar gevestigd. De profetie van Jes.12:6 gaat aan hen in vervulling en niet aan het vleselijke Israël.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

319

We moeten ons dan ook neerleggen bij de verklaring van H. Matter in ’De toekomst van Israël’, Bosch & Keuning, 1953, blz.25: “Wanneer het Nieuwe Testament (bv. in Hebreeën) van iets zo centraals als de offerdienst verklaart, dat hij in Christus’ werk op aarde en in de hemel is vervuld, heeft dat zijn consequenties voor èlk ander detail der Oudtestamentische voorzeggingen. Het is niet in te zien waarom sommige details letterlijk dienen genomen en andere niet. Het is nog minder te zien, hoe men in Christus’ werk en offer een letterlijke vervulling kan zien van de Oudtestamentische beloften. Wanneer we het Oude Testament letterlijk nemen, is Jezus de Messias niet. Het Oude Testament kleedt zijn heilsbeloften noodzakelijkerwijze in het gewaad van comtemporaine idealen en voorstellingen, en doet hierin niet anders dan wij, die over het komende heil, zo niet spréken en toch dènken in drie- of vier-dimensionele voorstellingen, waarvan niet vaststaat, dat ze met dat heil iets te maken hebben” (wij onderstrepen).

Biederwolf bespreekt in zijn boek enkele voor en tegenstanders van een letterlijk herstel van de tempel en komt dan tot de volgende gevolgtrekking op blz.200: “De vraag laat je uiteindelijk perplex staan. Voor onszelf is het moeilijk te ontsnappen aan een letterlijk herstel van het land, aan de vaderen beloofd voor de Joden in het Oud testament. Maar we hebben dezelfde moeilijkheden om een letterlijk herstel aan te nemen van dit tempelvisioen” (wij onderstrepen). Zo hoor je het ook eens vanuit een

andere hoek. We hebben in het bovenstaande geen rekening gehouden met de leer van sommigen dat er nog twee tempels zullen opgericht worden. Dat beweren T.S. McCall en Z. Levitt in hun boek, ’Israel and tomorrow’s temple’, Moody Press, 1977. Er komt een tempel in de tijd van de grote verdrukking die slechts enkele jaren in gebruik zal zijn voor de Antichrist (blz.17,38). De tweede tempel komt kant-en-klaar uit de hemel, met de komst van de Heer om de duizendjarige regering in te luiden. Over de offers in deze tempels zeggen ze het volgende: “In de tempel van de Grote verdrukking zullen offers gebracht worden door de ongelovige Joden. God zal dit in zijn barmhartigheid toelaten. In de tempel van de duizendjarige regering, door de Heer zelf ingesteld, zijn de offers blijkbaar van een wijze van herdenking, ter nagedachtenis van het verzoenend offer aan het kruis”

(blz.33). (Een Franse versie verscheen bij Echos de la Joie, Strassbourg, 1982). Ook dat is fantasialand. En een andere verdediger van een nieuwe tempel zegt dat mensen deze zelf zullen bouwen. Ook niet op de plaats waar vroeger de tempel heeft gestaan want die oppervlakte is te klein, wel een beetje verderaf in de omtrek van Jeruzalem, nl. Haram. Zie H.G. Stigers in ’The Zondervan Pictorial Bible’ edit. M.C. Tenney, deel 5, Zondervan, 1975, blz.641. In de duizendjarige regering zullen, volgens de theologie van de Mormomen, twéé nieuwe tempels opgericht worden. De éne in Jeruzalem voor het tweestammenrijk de tweede in Indipendence, Missouri U.S.A. voor het tienstammenrijk. Voor het Nederlandstalige taalgebied is het commentaar van G. Aalders nog steeds het belangrijkste. Daarvan citeren we uit de inleidende woorden bij hoofdstukken 40-48 deze wijze woorden (Ezechiël, deel 2, Kok, 1957): “Dit visioen is, zo zou men kunnen zeggen, de tegenhanger van dat van hfdst. 8-11: wordt dáár getekend de naderende ondergang van Jeruzalem - die inmiddels een feit geworden is (33:21) -, hier wordt ten aanschouwen gegeven de verwezenlijking van Gods heilsplan: weer in visionaire toestand gebracht naar het land van Israël ziet de profeet een nieuwe tempel, ontvangt hij aanwijzingen omtrent een hernieuwde eredienst, verneemt hij van een nieuwe verdeling van het land, en van een nieuwe stad, waarvan de naam zal zijn (...) “de HEERE is aldaar.” Met HERRMANN het te betitelen als “Die grosse Vision vom Tempel der Zukunft” is daarom eenzijdig, het lijkt mij juister te spreken van “Het grote herstellingsvisioen (...) Over de verklaring heerst heel wat verschil van mening. De moeilijkheid van de interpretatie zal wel aanleiding gegeven hebben tot de opvatting bij de Joden waarvan HIERONYMUS ( (...)) gewag maakt dat


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

320

het niet geoorloofd was deze capita te lezen alvorens men het dertigste levensjaar ten einde gebracht had. Het belangrijkste punt in de exegetische discussie is ongetwijfeld of men een letterlijke dan wel een symbolische exegese heeft te aanvaarden. ook ten aanzien van talrijke details zijn er moeilijkheden, die bij de behandeling van vers voor vers ter sprake moeten komen (men raadplege daarbij ERNST KÛHN, Ezechiëls Gesicht vom Tempel der Vollendungszeit, ThSK 1882, blz. 603-688); maar de hoofdzaak waar het om gaat, is de beschouwing van het geheel, waarover we daarom thans eerst het een en ander moeten te berde brengen (...) De symbolische verklaring is daarentegen nagenoeg algemeen door de oudere Christelijke exegeten gegeven en heeft ook onder nieuwere verklaarders besliste voorstanders gevonden in mannen als HAEVERNICK, KLIEFOTH, HENGSTENBERG, KEIL, en in zeer recente tijd nog bij EDWARD J. YOUNG, An Introduction to the Old Testament, Grand Rapids 1950, blz. 241 v. Te haren gunste spreekt allereerst een woord van gewicht het feit dat we met een visionaire openbaring te doen hebben: men denke aan het visioen van 37: 1-14, alsmede aan tal van visioenen bij andere profeten, bv. Am. 7:1-9; 8:1-3; 9:16; Jer.1:11,13,24. Verder zijn er in de beschrijving van het visioen zoals die hier gegeven wordt bepaalde elementen die een letterlijke verklaring beslist uitsluiten: zo de tempelbron in hfdst. 47, waarvan de letterlijke interpretatie zelfs niet door een verwijzing naar een mogelijk reële bron op de tempelberg (SMEND, KRAETZSCHMAR, BERTHOLET HBAT) kan worden verdedigd, en de verdeling van het land zoals die in hfdst. 48 wordt aangegeven: het gehele land door rechte lijnen van Oost naar West in twaalf precies even brede stroken gesplitst zonder dat met de natuurlijke bodemgesteldheid, of met de grootte der verschillende stammen, laat staan met vroegere historische toestanden en rechten gerekend wordt; benevens tal van andere (...) (...) door SKINNER de vraag opgeworpen: waarom gaat het hier, om een werkprogram of om een aankondiging van wat Jahwe doen zal, en die hij terecht in de laatste zin beantwoord. De tempel door Ezechiël gezien is “a house not made with hands”, en hij stelt die op één lijn met de stroom die volgens hfdst. 47 eruit voortvloeit. Het zeer gedetailleerde karakter van de beschrijving kan niet als een argument tegen de zinnebeeldige opvatting worden aangevoerd: gedetailleerde uitwerking van symbolen treffen we juist bij Ezechiël meer aan, bv. in het zinnebeeld van het te vondeling gelegde en door Jahwe aangenomen kind (Ez. 16), in de allegorie van arend en wijnstok (Ez. 17), in de symbolische vrouwenfiguren Ohola en Oholiba (Ez. 23) (...) Onder Chiliastischgezinde exegeten zijn er die consequent de letterlijke uitlegging accepteren, en dan menen dat alles precies zoals het in het visioen getekend wordt in het millennium zal worden gerealiseerd. Dat brengt mee dat er dus in het duizendjarig rijk ook weer een tempel en een offerdienst zal zijn. Het fatale van deze consequentie is, dat men in flagrante strijd geraakt met het getuigenis van het NT, dat tempel en offerdienst hebben afgedaan.”

Niet onder de wet! We kunnen niet al te ver uitweiden over de betekenis van “het einde (Grieks “telos”) van de wet” dat ook belangrijk is in dit verband. Maar zie naar de volgende verwijzingen die we voor waar overnemen uit E. Elisabeth Johnson, ’The Function of Apocalyptic and Wisdom traditions in Romans 9-11’, S.B.L. Dissertation n°109, Scholars Press, 1989. We citeren voenota n°127. Het is de doctorale scriptie van de schrijfster. Het begrip kan drie betekenissen hebben: 1°) “telos” wijst op het einde als een slotfase. 2°) “telos” wijst naar het doel van iets. 3°) “telos” wijst terzelfertijd naar beide. “127. The majority of commentators claims that télos signifies “termination.” E.g., P. Althaus, Der Brief an die Römer NTD 6.11 (Göttingen: Vandenhoeck and Ruprecht, 1970) 108; Beker, Paul, 106-107 and


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

321

184-187; G. Bornkamm, Das Ende des Gesetzes: Paulusstudien: Gesammelte Aüfsatze I (Munich: Chr. Kaiser, 1963); F. F. Bruce, “Paul and the Law of Mozes”, BJRL 57 (1975) 259-279; Bultmann, “Christ and the End of the Law”, 54; J. A. Fitzmyer, “Paul and the Law” in A Copmpanion to Paul: Readings in Pauline Theology, ed. M. J. Taylor (New York: Alba, 1975) 75; Getty, “Apocalyptic Perspective”, 91-121. F. Hahn, “Das Gesetzeverständnis im Römer- und Galaterbrief”, ZNW 67 (1976) 49-51; Käsemann, Romans, 279-285; O. Michel, Römer, 224; F. Mussner, “Christus (ist) des Gesetzes Ende zur Gerechtigkeit für jeden, der glaubt’ (Röm 10,4)” in Paulus: Apostat oder Apostel? Jüdische und christliche Antworten (Regensburg: Pustet, 1977) 31-44; Sanders, Paul, 550; Schoeps, Paul, 171; H. Schlier, Der Römerbrief HTKNT 6 (Freiburg: Herder, 1977) 311; P. Stuhlmacher, “’Das Ende des Gesetzes’: Über Ursprung und Ansatz der paulinischen Theologie”, ZTK 67 (1970) 14-39; D. Zeller, Juden und Heiden in der Mission des Paulus: Studiel zum Römerbrief (Stuttgart:Katholisches Bibel-werk, 1973) 193. Others who argue alternatively that télos signifies “goal” or “destination” are R. Badenas, “The Meaning of Telos in Romans 10:4” (Ph.D. Dissertation, Andrews University, 1983); A. J. Bandstra, The Law and Elements of the World: An Exegetical Study in Aspects of Paul’s Teaching (Kampen: J. H. Kok, 1964) 101-106; P. Bläser, Das Gesetz bei Paulus NTA 19.1-2 (Münster: Aschendorfer, 1941) 173-181; R. Bring, “Paul and the Old Testament: A Study of the Ideas of Election, Faith and the Law in Paul With Special Reference to Rom. 9:30-10:30,” ST 25 (1971) 20-60; Cranfield, Romans, 515-520; idem, “St. Paul and the Law,” SJT 17 (1964) 43-68; Davies, Paul and Rabbinic Judaism, 69; G. E. Howard, “Christ the End of the Law: The Meaning of Romans 10:4ff,” JBL 88 (1969) 331-337; Meyer, “Romans 10:4,” 61, 7576; C. T. Rhyne, Faith Establishes the Law SBLDS 55 (Chico: Scholars, 1981) 103-104; Suggs, “’The Word is Near You’: Romans 10:6-10 Within the Purpose of the Letter;” Toews, “The Law in Paul’s Letter to the Romans,” 238-245; U. Wilckens, “Was heisst Paulus: ’Aus Werken des Gesetzes wird kein Mensch gerecht’?” in Evangelisch-Katholischer Kommentar zum Neuen Testament (Neukirchen: Neukirchener, 1969) 51-77. A third option is chosen by exegetes who follow Barth (Romans, 375) and sit on the fence, claiming telos means both “goal” and “termination”, e.g., Barrett, Romans, 198; Bruce, Romans, 203; J. W. Drane, Paul: Libertine or Legalist? (London: SPCK, 1975) 133; Kuss, Römerbrief, vol. 3, 752-753; F. J. Leenhardt, Epistle to the Romans: A Commentary, tr. H. Knight (London: Lutterworth, 1961) 266. R. Jewett rightly dismisses this compromise as an attempt “to have one’s cake and eat it too” (“The Law and the Coexistence of Jews and Gentiles in Romans” (Int 39 (1985) 353).”

Het zal de lezer wel duidelijk zijn dat we, zoals trouwens het merendeel van de theologen, de eerste uitleg kiezen: “telos” wijst op het einde als een slotfase. De wet van Mozes is niet meer geldig! Niet voor Israëlieten die Christus hebben aangenomen en niet voor Heidenen. En een laatste aantekening in dit verband aan de hand van de opmerking van de Heer in Mat.11:10-15. “Deze is het, van wie geschreven staat: Zie, Ik zend mijn bode voor uw aangezicht uit, die uw weg voor U heen bereiden zal. Voorwaar, Ik zeg u, onder hen, die uit vrouwen geboren zijn, is er niemand opgestaan, groter dan Johannes de Doper, maar de kleinste in het Koninkrijk der hemelen is groter dan hij. Sinds de dagen van Johannes de Doper tot nu toe breekt het Koninkrijk der hemelen zich baan met geweld en geweldenaars grijpen, ernaar. Want al de profeten en de wet hebben geprofeteerd tot Johannes toe, en indien gij het wilt aanvaarden: Hij is Elia, die komen zou. Wie oren heeft, die hore!” Johannes de Doper is de vervulling van de door Maleachi voorspelde komst van Elia (Mal.4:5). Voor ons is belangrijk de opmerking dat “al de profeten en de wet hebben geprofeteerd tot Johannes toe.” Vanaf het ogenblik dat Jezus zijn prediking begint “breekt het Koninkrijk der


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

322

hemelen zich baan.” Het oude Joodse systeem is opgehouden. Of indien dit te sterk is uitgedrukt, Jezus zet het Koninkrijk der hemelen in contrast met “wet en profeten.” Beide zijn tegengesteld aan elkaar. In die zin zijn ook twee belangrijke gebeurtenissen te bezien uit de evangeliën. In Marcus 2:21,22 een conflict over vasten. Zowel de volgelingen van Johannes als deze van de Farizeeën vasten op bepaalde dagen, maar de discipelen van Jezus niet. Hij is de bruidegom en daarom moet men niet vasten. Meer zelfs men doet geen “jonge wijn” in oude zakken. Het evangelie van Gods Koninkrijk is een “nieuwigheid” op theologisch vlak. Het gaat verder dan wat de wet van Mozes zegt, verder dan de theocratie die bestond in de dagen van de koningen van Israël en moet daarom anders gebracht worden dan wat Johannes de Doper zegt of wat Farizeeën willen. En een tweede tekst in Marc.7:18,19. “En Hij zeide tot hen: Zijt ook gij zo onbevattelijk? Begrijpt gij niet, dat al wat van buiten in de mens komt, hem niet onrein kan maken omdat het niet in zijn hart komt, maar in de buik, en er te zijner plaatse uitgaat? En zo verklaarde Hij alle spijzen rein.” Dat is ongehoord voor een “rabbi.” Men kan de wet van Mozes toch niet tegenspreken? Toch doet die Jezus dat! Jaren later zal Paulus het formuleren als dat Joodse wetten over “eten en drinken” aan het kruis zijn genageld (Col.2:14-16). Deze zaken wijzen op wat geschiedt: Jezus vervulde de wet in zichzelf. Daarenboven legt Hij al vast wat met het volk Israël zal geschieden. Tenzij ze in Hem zullen geloven als de nieuwe wetgever horen ze niet meer tot het volk Gods. Een nieuw begrip komt daarbij naar boven, tegen het eind van zijn prediking: “mijn gemeente.” En de nadruk mag gerust om “mijn” vallen. Hij is er ontwerper en Heer van. In den beginne slechts bestaande uit vleselijke zonen van Israël. Maar het gaat om een uiteindelijke universaliteit. “Zijn” gemeente zal bestaan uit gelovigen uit alle rassen. U leest hierbij Mat.16:18 / 18:15-18 / 28:18-20. En gezien de stand van zaken en de verhouding Israël - Kerk van de Heer niet meer kan wijzigen is de onderstaande gevolgtrekking de enige juiste. De verschillen Israël - Kerk zijn o.a. de volgende: 1°) Het priesterschap van Aäron is vervangen door het priesterschap van Melchizedek (Heb.7:1-22). 2°) De cultus van het offer in Israël is een dagelijks terugkerende zaak. Deze van het NT is éénmalig (Heb.10:1-10). 3°) Centraal in Israël is de tempel in Jeruzalem. Centraal in het NT is dat de HERE (Vader, Zoon en Heilige Geest) “woont” in de gelovige (Joh.14:20,23 / Col.1:26,27). 4°) De Joodse religie gaat over Gods relatie tot één volk. In het NT gaat het om alle volkeren (Mat.28:19-20). 5°) Het OT gaat om het behoren tot het volk. In het NT gaat het om persoonlijk geloof in het werk van Christus en niet het tot een bepaald ras behoren (Hand.2:32,33,38). 6°) In het NT is God nabij Zijn volk zoals nooit het geval was in het OT (Joh.1:17 / Rom.6:14 / Gal.2:15-21) .


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

323

7°) De wet van Mozes die volkeren scheidde is niet meer van tel in het NT, waar alle volkeren één kunnen zijn in Christus (Eph.2:11-22). Biederewolf besluit zijn commentaar op Ezechiël met de volgende zin (blz.200): “Voor onszelf is het moeilijk om ons te ontdoen van de overtuiging van een letterlijk herstel van het land der vaderen zoals het aan de Joden is beloofd in het OT, hoewel we het even moeilijk vinden een letterlijk herstel volgens het tempelvisioen te aanvaarden.”

Conclusie Een herstel, tijdelijk of voor een langere termijn, van de tempel en zijn offers is uitgesloten. Het zou erop neerkomen het werk van de Heer aan het kruis belachelijk te maken en voor onbelangrijk of niet efficiënt aan te zien. En ook voor niet-Joden zou dergelijk herstel waardeloos zijn. Wij, die uit de heidenen komen, die eertijds vreemdelingen waren voor God, zijn door het éne offer van de Heer en Zijn bloed dat op de aarde vloeide in vrede tot God mogen komen (Eph.2:11-16). Laat ons dus nooit of nimmer leren dat er nog eens een aardse tempel zal opgericht worden (Opb.21:22-25). 3de Stelling: Voorspellingen met betrekking tot Israël kunnen in vervulling gaan aan het “geestelijke Israël” Ware het niet dat de schrijvers van het NT zelf het principe toepassen om een letterlijke profetie (of wat letterlijk lijkt) uit het OT, “symbolisch” over te dragen op een “geestelijk Israël”, dan zou deze stelling zeker niet geformuleerd kunnen worden. We gaan daar uitvoerig op in in de vijf volgende onderdelen. Maar eerst wat ter inleiding.

Wat zij op dat gebied zeggen Ofschoon het citaat dat hier volgt zeer voorzichtig is opgesteld en we er gedeeltelijk “amen” kunnen op zeggen moeten we toch neen zeggen op wat volgt. Er wordt geen rekening gehouden met wat er geschiedkundig en Bijbels aan het volk Israël voorviel in de jaren na de moord op Jezus van Nazareth. En ook de visie van de schrijvers van het NT is niet verwoord. We lezen in de Bijlage van het Tijdschrift ’Amen’, n°9, september 1996. “Wat is Gods voorwaarde voor het herstel van Israël ? Inderdaad, bekering en geloof! Zeg nou zelf, als Israël vanwege ongehoorzaamheid aan het Woord van God uit het land verwijderd is, en het keert nu, na verloop van jaren, in ongehoorzaamheid en ongeloof naar het land terug, zou dat dan nu naar Gods welbehagen zijn? Als de Joden terugkeren zonder aan de Goddelijke voorwaarde te voldoen, dan is dat ongeloof c.q. ongehoorzaamheid, en daarop rust de toorn van God.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

324

Het verraad van de Here Jezus vond plaats onder Gods toelating, profetie werd vervuld; sterker nog: het pastte in het Plan van God. En toch: wee degene door wie de Zoon des mensen verraden wordt! Zou het vandaag anders zijn? Neen! Deze terugkeer geschiedt wel onder Gods toelating, en ligt in de profetieën opgesloten; het past zelfs in het wonderbare Plan van God. En toch: wee degene die terugkeert! De aanwezigheid in het land is tot nu toe alleen nog maar ellende geweest: oorlogen, aanslagen, geweld, etc. En het profetische Woord leert, dat Israël in het land de zonde vol zal maken door zich in de eindtijd te verbinden met het beest (...) Het vredesproces, dat zich nu voor onze ogen ontwikkelt, is de weg daar naartoe..! Zolang Israël zich niet tot God keert, keert Gods toorn zich niet van hen af (Lees bijv. Jes.5:25 / 9:11,16,20 / 10:4).”

J. Schouten schrijft in ’Het Zoeklicht’, 22 aug. 1998, blz.10: “Omdat de gemeente onder het Oude Verbond een verborgenheid was, een geheimenis (Efeze 3), wordt er in het Oude Testament niet over geschreven.” Over het verband van Hosea 2:23 en Rom.9:25 zegt Walvoord (blz.74): “Dit is in Romeinen aangehaald, niet om Heidenen en Israël samen te voegen, maar om als een toepassing te dienen. Evenals God sommigen zou zegenen in Israël voor ze in Christus geloofden en toch het ware Israël niet waren, zo kan God ook Heidenen zegenen die vroeger niet gered werden. Het is een zaak van een tekst toepassen en niet interpreteren. Er is hier dus geen rede Heidenen en Israël te verwarren. Alhoewel, God’s handelen met hen is op dezelfde wijze in dit gedeelte. Zowel Israëlieten die geloven als Israëlieten die niet geloven zijn echte afstammelingen van Jacob, maar slechts dezen die geloven worden gered. Op die wijze is de afstamming van Joden en Heidenen aangehouden.”

Wat wij op dat gebied zeggen Aan de hand van vijf gedachten gaan we in op de verhouding van enkele Bijbelteksten en hun vervulling.

1) Gelovige Heidenen in Christus = Gods volk Dit is al gebleken uit de 2de stelling; alle letterlijke offers, waarvan het OT zegt dat ze “eeuwig” zijn, werden vervangen door het éne offer van de Heer aan het kruis. Dat er met Israël wat mis was blijkt o.a. uit het spel dat de profeet Hosea moet spelen om af te beelden dat de Almachtige “aanneemt” en “verwerpt” wie Hij wil. Hosea krijgt opdracht van God om één van zijn zonen die geboren wordt de naam te geven: “Lo-ammi”, letterlijk vertaald “niet mijn volk.” Een andere zoon geeft hij de naam “Lo-ruchamah”, letterlijk “géén barmhartigheid.” Dit is een beeld van het volk Israël en profetisch wat God met hen zal doen (Hosea 1:6,9). God gaat het met Zijn volk opnieuw beginnen. Er komt nog eens een vernieuwing van het verbond (Hosea 2:17-19). En het volk zal dan opnieuw belijden: “Mijn God” (Hosea 2:22). Nu is het toch verbazingwekkend dat dit Bijbelgedeelte door niemand minder dan Paulus onder goddelijke inspiratie toegepast wordt op Gods volk dat Hij heeft uitverkoren uit alle mensen, zowel Joden als Heidenen. Dus allen die Zijn Zoon hebben beleden en aangenomen als de Verlosser van hun zonden. Zo staat het in


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

325

Rom.9:25,26 en lees gerust de context. Daar bestaat geen twijfel over. Dit gedeelte spreekt ook over heidenen. Wanneer we het zeer kritisch bekijken gaat het bij Hosea slechts over het tienstammen-rijk. Maar Paulus geeft aan het begrip Israël de wijdere betekenis, die ook de oorspronkelijke in het OT is: het ganse volk bestaande uit de twaalf stammen. De gedachte van Paulus gaat veel verder; hier gaat het om de twaalf geestelijke stammen van Israël die uit gelovige christenen van alle natiën is samengesteld. Wat men in een eerste opwelling slechts ziet als de vervulling aan het letterlijke Israël is in werkelijkheid aan de kerk, bestaande uit gelovigen (heidenen en Joden), in vervulling gegaan. Het “herstel van Israël” gaat zich waar maken aan een groep mensen waarvan het grootste deel niets te maken heeft met de vleselijke afstamming van Israël. Wat Paulus hier beschrijft is door Jezus van Nazareth voorzegd in de gelijkenis van de onrechtvaardige pachters. Die afvallige Israëlieten zullen hun rechten en voorrechten ontnomen worden en een ander volk zal er door gezegend worden. Mat.21:43 zegt: “Daarom, Ik zeg u, dat het Gods Koninkrijk van u zal weggenomen worden en het zal gegeven worden aan een volk, dat de vruchten daarvan opbrengt.” Vergelijk hetzelfde beeld in Jes.5:1,2 / Jer.2:21. Dit is een profetie gezien er staat “zal weggenomen worden.” Geloven we dat, dan worden veel dingen klaar en

duidelijk. Dan zijn ook de volgende teksten onze bezinning waard. Mat.22:7 waar staat: “En de koning werd toornig, en zond zijn legers uit en verdelgde die moordenaars en stak hun stad in brand.” Deze parabel spreekt in de eerste plaats over het volk Israëls. De kinderen van het koninkrijk Israël uit die periode zullen bijna allen in Gehenna belanden (Mat.8:12 / Luc.10:10,11). Vergelijk nog Dan.9:26 / 1 Thes.2:16 / Heb.2:3. Verder lezen we in Mat.23:38: “Zie uw huis wordt aan u overgelaten.” Met ander woorden; God verlaat dat afvallige vleselijke huis Israëls om zijn intrek te nemen in een ander huis. Vergelijk Luc.19:43,44 / 21:20, 24 / Rom.11:25. Wie over Israël iets te zeggen heeft en zijn eventuele toekomst, kan dat niet zonder te luisteren naar Mat.21:43 / 22:7 / 23:38. Zouden we niet luisteren naar de Heer van Israël en wat Hij te zeggen heeft over dat volk? En het is ook duidelijk dat de profeten uit het OT leren dat slechts een “rest” de Messias aanneemt en “gered” wordt. Zie bijvoorbeeld naar Jes.4:3 / 6:13 / 10:20 / Jer.23:3 / Amos 3:12 / 5:15 / Haggaï 1:12 / Zach.8:6-11 / 13:8,9 / Micha 4:6,7.

2) Joël 2:27-29: de Heilige Geest is uitgestort Een tweede voorbeeld van deze overdracht van wat aan Israël is beloofd en aan een “geestelijk Israël” in vervulling gaat is wat in Joël 2:27-29 werd voorzegd. En terug zou men zeggen: dat kan slechts op het vleselijke Israël betrekking hebben gezien Joël 3:1. Zo zegt Bultema het op blz.231. Maar dat is het niet. Op de Pinksterdag, ná de Hemelvaart van Jezus, geeft Petrus zondermeer te kennen: wat Joël schreef gaat vandaag in vervulling (Hand.2:14-21). Wie dan goed leest zal zeggen: dit gaat toch in vervulling aan vleselijke Joden! Dat is juist! Het was wel een groep van alleen selecte Joden; zij die Jezus van Nazareth hadden aangenomen als hun Messias. En later wordt in dezelfde groep aan wie dit in vervulling gaat nog een groep Samaritanen (half-Joden) toegevoegd (Hand.8:4-7). Later ook heidenen (Hand.10). Daarom schrijft Lucas terecht over deze laatste: “Terwijl Petrus deze woorden nog sprak, viel de Heilige Geest op allen, die het woord hoorden. En al de gelovigen uit de besnijdenis, die met Petrus waren medegekomen, stonden


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

326

verbaasd, dat de gave van de Heilige Geest ook over de heidenen was uitgestort, want zij hoorden hen spreken in tongen en God grootmaken. Toen merkte Petrus op: Zou iemand het water kunnen weren om dezen te dopen, die evenals wij de Heilige Geest hebben ontvangen?” (Hand.10:44-47, wij onderstrepen). Zie ook nog Hand.11: 17 / 15: 8,9 / Rom.10:12. Slechts voor een korte tijd was Joël 2:27-29 exclusief weggelegd voor het vleselijke Israël. De profetie van Jer.31 spreekt in vers 31 over een nieuw verbond met zowel ”het huis van Israël” als het ”huis van Juda” dus alle twaalf stammen van Israël. Daarna worden in deze groep gelovigen uit de heidenen - mensen uit de volkeren - opgenomen (1 Cor.12:1-11). Die groep wordt nog later, door de apostel Paulus, omwille van de afbakening van theologische begrippen ”het Israël Gods” genoemd (Gal.6:15,16). Het appendix n°183 van Bullinger is in dit geval betreurenswaardig. Hij zegt dat gezien de ”geest” niet was uitgestort op ”alle vlees” zonder onderscheid met Pinksteren, de vervulling van Joël toen niet is geschied. Petrus zou op die morgen slechts naar de profetie verwezen hebben om aan te tonen dat ze op dat uur van de dag nog niet dronken waren. Niet om de vervulling ervan aan te kondigen. Anderen zeggen dat er nog een grotere vervulling zal geschieden wanneer gans Israël zich zal bekeren. Maar de context van Handelingen twee is duidelijk. De bekering van de gelovige Israëlieten op dat ogenblik en de hoorders uit de volkeren die er op dat moment aanwezig waren hebben de vervulling ontvangen. Voor de aanwezigen uit de andere volkeren gaat het natuurlijk om bekeerlingen tot de godsdienst van Israël die zich dan tot christenen hebben laten herdopen. Ook dan gaat het om Israël die eerst is geroepen en gezegend, om negen uur in de ochtend. En later tegen het eind van de dag de enkele proselieten die zich laten dopen nadat ze Jezus als persoonlijk verlosser hebben aangenomen. Daarom een opmerking over proselieten. Die zijn er in Israël bijna altijd geweest. In de tijden van David zijn gekend Ittai, een Filistijn van Gath (2 Sam.15:19-22), Arauna de Jebusiet een Kanaïniet die David een plaats schenkt voor het altaar van YaHWeH (2 Sam.24:18-25). En natuurlijk Uriah de Hethiet wiens vrouw David op slinkse wijze weet te bemachtigen volgens 2 Sam.11. En nog wat over de situatie in Samaria nadat het overgrote deel van de 10 stammen waren weggevoerd naar Assyrië. Mensen vanuit Assyrië, geïmporteerd naar Samaria, trouwden met enkele overgeblevenen en deze afstammelingen kregen de ware naam van Samaritanen (2 Kon.17). Een geïmporteerde priester uit de vroegere bannelingen kwam terug om hen ”de juiste dienst van de God des lands (te) leren” (vers 27). Deze Samaritanen zijn dus geen echte vleselijke afstammelingen van de aartsvaders. Ze aanvaarden ook niet zoals de Farizeeën alle 24 boeken uit het O.T. (volgens de Joodse telling) maar zoals de Sadduceeën slechts de 5 eerste Bijbelboeken. Ze verwachten in de tijd van Jezus dan ook de Messias (Deut.18:15-18 / Joh.4:25). Hoewel Jezus Zijn eerste discipelen opdracht geeft niet door Samaria te gaan (Mat.10:5,6). Maar dat is wel tijdelijk want zelf gaat Hij er op zijn minst eenmaal prediken (Joh.4). En nog voordat het evangelie definitief aan de heidenen gebracht wordt zijn er discipelen gemaakt in Samaria (Handelingen hoofdstukken 8 en 10). In dat Israël, dat Gods werk is, worden erfgenamen van alle volkeren opgenomen (Gal.3:26-29). En dat wil zeggen dat: ”niet allen die van Israël afstammen, Israël zijn” (Rom.9:6). Zo is het echte onvervalste nageslacht van Abraham ”hij” of ”zij” die handelt zoals Abraham zou gedaan


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

327

hebben; in waarachtig geloof. Wie Jezus van Nazareth de ”echte” zoon van Abraham heeft aangenomen heeft zich met die aartsvader geïdentificeerd en mag ook zijn naam dragen (Gal.3:8,9,16). Daarom geeft Paulus ook ééns een speciale term aan de gelovigen. Een ”eigen” (Grieks ”periousion”) volk zegt hij in Titus 2:14. In enkele Engelse vertalingen staat er ”peculiar” en geeft volgens ons nog meer weer. De kerk bestaande uit Joden en Heidenen is uniek. Afgezonderd uit de wereld voor een ambt als priesters en koningen (1 Pet.2:9). Nog enkele opmerkingen over de vervulling van de belofte van Joël 2. Ook hier schermt men met twee of meerdere vervullingen van deze ene tekst. Dat is natuurlijk om iets te verbergen nl. dat de Kerk van Joden, en Heidenen in de plaats van Israël gekomen is. Of men gebruikt het om te beweren dat zijn eigen groep de vervulling van die tekst waar maakt. Dat doen o.a. Jehovah’s Getuigen met volgende woorden: ”Die profetische woorden van Joël maakten diepe indruk op zachtmoedige mensen in de eerste eeuw. Maar tegenwoordig is hun uitwerking nog krachtiger omdat er, zoals de gebeurtenissen in de twintigste eeuw aantonen, een tweede vervulling van Joëls profetie heeft plaatsgehad... In 1919 begon Jehovah zijn geest op zijn volk uit te storten op een manier die deed denken aan Pinksteren 33 G.T.”. ’De Wachttoren’ van 1 mei 1998, blz.14. Of ook nog dit. In ’De Wachttoren’, van 1 mei 1992, blz.13 lezen we: ”Er zou echter nog een verdere toepassing van Joël 2:28-32 zijn. Ja, deze profetie heeft een opmerkelijke vervulling gehad sinds september 1919. Er werd toen een gedenkwaardig congres van Jehovah’s volk gehouden in Cedar Point (Ohio, VS). Gods geest was duidelijk aanwezig, en zijn gezalfde dienstknechten werden gestimuleerd om een aanvang te maken met de wereldomvattende getuigeniscampagne die heden ten dage nog steeds aan de gang is”.

3) Jesaja 11: Het Vrederijk. Over Jesaja 11 kunnen we kort dit zeggen. Het is een lievelingsprofetie van wie in de duizendjarige regering geloofd. In H.L. Wilmington, ’Book of Bible lists’, Tyndale House, 1987, blz.283, 284 vinden we volgende verwijzingen: ”De oorspronkelijke vloek op de schepping zal ophouden (zie Gen.3:17-19)” met de verwijzing naar Jes.11:6-9. ”De wolf, lam en leeuw zullen bij elkander liggen” met de verwijzing naar Jes.11:6,7. ”Een klein kind zal er spelen met slangen” met de verwijzing naar Jes.11:8. Maar uit één oogopslag naar de verwijzingen in ’The Greek Testament’, ed. K. Aland / M. Black / B. Metzger / A. Wikgren, United Bible Societies, 1966, blijkt dat daar vanuit het Nieuwe Testament geen aanleiding toe is. Alles behalve deze verzen 6-9 in Jes.11 hebben een verwijzing (of meerdere) in het N.T.. We lezen daar: Vers. Jes.11:1

11:2

Citaat. Mat.2:23 Hand.13:23 Heb.7:14 Opb.5:5 Opb.22:16 Eph.1:17


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

328

1 Pet.4:14 11:3 Joh.7:24 11:4 Joh.7:24 Eph.6:17 2 Thes.2:8 Opb.19:11 11:5 Eph.6:14 11:10 Rom.15:12 Opb.5:5 Opb.22:16 Nestle / Aland hebben verder nog: Jes.11:2 = Opb.5:6 en Jes.11:4 = Opb.22:16. Een duidelijk punt is hier dat deze profetie in vervulling gaat voorafgaande aan de Wederkomst van de Heer. En het heeft ook geen letterlijke uitleg gekregen in de verwijzingen van het NT. De vervulling wordt op figuurlijk en geestelijk vlak uitgelegd. Het heeft betrekking op de kerk van Jezus waarin Joden én Heidenen ”volgens de beloften aan de vaderen gedaan” deel hebben aan Gods ontferming over de zondaar (Rom.15:7-13). Vijanden zoals kat en hond, zoals leeuw en lam of schaap en wolf leven in vrede naast elkaar. Dat wil zeggen dat mensen die natuurlijke vijanden zijn, vanuit ras, stand of sekse in de gemeente van de Heer in vrede naast elkaar leven. Op Gods heilige berg, in Zijn gemeente, sticht men geen verderf en is er een volheid van kennis zonder weerga (Gal.3:28,29). Een andere binding dan deze figuurlijke en symbolische uitleg van Jes.11:1-10 wordt in het N.T. niet gemaakt. Een letterlijke uitleg eraan geven - ook als die slechts in de duizendjarige regering plaats heeft - is niet op Bijbelse grondslag te bewijzen. Trouwens het beeld dat we geschetst krijgen in Jes.11 over de dierenwereld is in tegenstrijd met een andere profetie die over dezelfde periode spreekt. Dat is Jes. 35:8,9. Beiden neven elkaar gelegd zijn niet te rijmen wanneer we het letterlijk gaan interpreteren. Maar dat is geen probleem gezien het niet gaat om een letterlijke zaak. Beiden gaan over geestelijke beschrijvingen. Beide trachten voor ons menselijk begrip iets te zeggen van datgene wat we moeilijk kunnen begrijpen. En hoe moet je dan uitleggen dat in het duizendjarig rijk nog mensen zullen sterven volgens de aangehaalde teksten in dit verband. Zo o.a. Jes.11:4 / 65:20 / Zach.14:17-19. Wanneer we er het boek Handelingen op na lezen ligt de nadruk op de vervulling van wat de profeten hebben voorzegd. Petrus zegt kort na de Pinksterdag het volgende: ”Hem moet de hemel opnemen tot de tijden van de wederoprichting aller dingen, waarvan God gesproken heeft bij monde van zijn heilige profeten, van oudsher. Mozes heeft toch gezegd: De Here God zal u een profeet doen opstaan uit uw broeders, gelijk mij: naar hem zult gij horen in alles wat hij tot u spreken zal; en het zal geschieden dat alle ziel, die naar deze profeet niet hoort, uit het volk zal worden uitgeroeid. En al de profeten, van Samuël af en vervolgens, zovelen er hebben gesproken, hebben ook deze dagen aangekondigd” (Hand.3:21-24, wij onderstrepen). De christelijke profeten zeggen zonder tegenspraak dat door Christus ”vrede is gemaakt” (Col.1:20). ”De vrede Gods is gekomen” (Phil.4:7). Eén van de vruchten van de geest is ”vrede” (Gal.5:22). Wanneer de Heer Zijn gemeente verlaat is dat in ”vrede” (Joh.14:27). ”Wij... hebben


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

329

vrede bij God, door onze Heere Jezus Christus” (Rom.5:1). Dat was voorzegd vanaf de geboorte van de Heer (Luc.2:14). Hij is wel degelijk; de vrede van de wereld (Eph.2:14). Het is deze ”vrede” die in de profeet Jesaja was aangekondigd op een figuurlijke wijze. De voorzegging van de vrede aan Israël uit Ps.125:5 en 128:6 zijn in het Israël Gods vervuld (Gal.6:16). Zie ook de geestelijke uitleg van een andere gelijkaardige profetie die in dit verband verkeerd gelezen wordt; Jes.2:3 = Joh.4:22 en Jes.2:5 = 1 Joh.1:7. Jehovah’s Getuigen verklaren in ’De Wachttoren’ van 1 mei, 1998, blz.14, 24, 25 dat zij het enige volk zijn aan wie deze profetie van Jes.2:4 op een geestelijke wijze in vervulling gaat. In Jezus echter kan elke gelovige rust voor zijn ziel vinden: ”Komt tot Mij allen die vermoeid en belast zijt; en Ik zal u rust geven: neemt mijn juk op u en leert van Mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want mijn juk is licht en mijn last is licht” (Mat.11:28, 29). Mensen hebben soms moeilijkheden dit dubbele aspect van Gods Koninkrijk te begrijpen. Wellicht kan de volgende illustratie helpen. We leven thans in wat men zegt ”de eeuw van de vooruitgang” te zijn. Maar dat is één manier om ons tijdperk te typeren. In deze ”eeuw” is er ”méér dan vroeger”; hongersnood, nieuwe ziekten, wereldomvattende armoede enz... De kloof tussen rijk en arm wordt steeds groter. De helft (en meer) van grote steden zoals New York, Chicago, Mexico, Rio de Janeiro e.a. geven een indruk dat aan hen die ”eeuw van vooruitgang” is voorbij gegaan. Dan zeggen we nog niets over de 3de wereld. Op dezelfde wijze is het Koninkrijk Gods nu in volle expansie en staat open voor alle mensen van goede wil. Ongelovigen hebben daar echter geen weet van, aan hen lijkt het Koninkrijk Gods voorbij te zijn gegaan. En hetzelfde beeld krijgen we ook in Ps.2 beschreven, de Heer is gekomen en regeert, met Zijn volk, in het midden van Zijn vijanden. Niet in de woordelijke zin van het woord maar in zijn volle betekenis op geestelijk vlak. Dieren die symbolisch mensen voorstellen is ook iets waar we niet moeten over vallen. Men kan dat regelmatig terugvinden in de Schrift. We geven enkele voorbeelden. De koningen van Assyrië en Babylon zijn ”leeuwen” (Jer.4:7 / 50:17). De prinsen van Israël zijn ”briesende leeuwen” en hun rechters ”wolven” (Zef.3:3). De prinsen van Israël zijn ook op een andere plaats ”welpen” genoemd van een leeuwin (Ezech.19:1-9). Vijanden van David worden vergeleken met ”stieren” (Ps.22:12). Bepaalde personen worden door Amos vergeleken als ”koeien van Basan” (Amos 4:1). Jezus vergelijkt sommigen als zijn ze ”wolven” (Mat.7:15 / 10:16). En Paulus spreekt over valse leraars als ”wolven” (Hand.20:29). Maar ook dan zal men nog opmerken: er is toch niet zoveel vrede in de kerk(en)? Laten we daar het antwoord op geven dat Paulus gaf en waaraan we niet moeten twijfelen of het correct is. Hij zegt in Rom.15:12,13 het volgende: ”En verder zegt Jesaja: Komen zal de wortel van Isaï, en Hij, die opstaat, om over de heidenen te regeren; op Hem zullen de heidenen hopen. De God nu der hope vervulle u met louter vreugde en vrede in uw geloof, om overvloedig te zijn in de hoop, door de kracht des heiligen Geestes” (wij onderstrepen). De twee Schriftuurplaatsen die


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

330

Paulus gebruikt ter ondersteuning van zijn argument zijn de volgende; Jes.32:17,18 en Jes.55:12. Daar lezen we dan: ”En de vrucht der gerechtigheid zal vrede zijn, de uitwerking der gerechtigheid rust en veiligheid tot in eeuwigheid. En mijn volk zal in een verblijf des vredes wonen, in veilige woningen, in oorden van ongestoorde rust... Want in vreugde zult gij uittrekken en in vrede geleid worden; de bergen en de heuvelen zullen voor u uitbreken in gejuich en alle bomen des velds zullen in de handen klappen” (wij onderstrepen). Jesaja moet dus niet vervuld worden in een nog komend vrederijk. We moeten geloven wat Paulus zegt: we leven thans met beide voeten in het vrederijk. De vrede van de Messias, ook voor de heidenen is een zaak van het heden en niet van de toekomst. En daarom mogen we herhalen wat Paulus zegt zonder dat iemand het mag in twijfel stellen. Wie dit doet zal het met Paulus aan de stok krijgen! Of denkt u dat Paulus géén goede kijk had op deze profetieën?

Daarom bij wijze van formule: het geestelijk Vrederijk van de Messias in Jes.11 = Rom.15:12 = de gemeente. Eén van de manieren van verdwijntrucs in deze duidelijke relatie is dat Scofield en zijn volgelingen zeggen dat Jes.11:11 over een tweede herstel spreekt en dat dit verwijst naar de duizendjarige regering. Maar deze uitleg kan niet, gezien er een uitleg gegeven is aan de eerste herstelling en dat is de uittocht uit Egypte volgens Jes. 11:16. Dat tweede herstel wijst daarom naar deze die vanuit zijn standpunt nog moet plaatsvinden. En wijst dus naar de periode van de terugkeer tijdens en uit de Babylonische gevangenschap. Van een herstel in het land na een mogelijke straf daaropvolgend, (een derde!) zegt de Schrift niets meer. Want hoe moet in deze derde vervulling een interpretatie gegeven worden aan de Filistijnen, Moabieten en de Ammonieten? Die stammen bestaan niet meer. Maar heb je een Bijbel met de Deuterocanonische boeken (vb. Luther, of alle Katholieke Bijbels) zie dan naar het boek der Macabbeën. Naar 1 Mac. 3:41 / 5:1-8,68 / 10:83-89 / 11:60,61. Het maakt duidelijk dat Jes.11:11-16 al is vervuld. Wacht dus niet op een verdere vervulling. U zegt: dat is geen geïnspireerd Bijbelboek! Dat klopt, maar het is toch geschiedkundig juist en wordt als historisch document niet in twijfel getrokken. Hou er dus ook rekening mee.

4) Jeremiah 31: De gemeente van Christus is het nieuwe verbond In Christenen voor Israël, juni 2001, blz.4 geeft J. van Barneveld de volgende uitleg bij Jer.31:31-40. “Op zeer veel plaatsen in de Torah en in de profeten wordt over dit ‘nieuwe verbond’ gesproken. De belangrijkste plaats in de Schrift is wel Jeremiah 31:31-40... Wij zien de plotselinge, onverwachtse en wonderlijke groei van het aantal messiaanse Joden, die zo’n 20-25 jaar geleden begonnen is, als een klein begin van deze geestelijk verlossing van Israël”. Wanneer een Jood zich nu bekeerd, zou dit een teken zijn van het nieuwe verbond? Wat van alle duizenden Joden uit de tijd vóór de vernietiging van de tempel die Jezus als verlosser hebben aangenomen en gestorven zijn in de vervolgingen die Rome er liet op volgen? Wat moeten we zeggen over de grote mannen en vrouwen die in de 18-20e eeuw vanuit hun Joods geloof belijders van de Messias


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

331

geworden zijn. Edersheim, Baron, Da Coste, Montifiori en de huidige bisschop van Parijs! We vergeten er nog honderden anderen! Men zegt dat heden, 0,5% van de Joden in Christus geloven! Is het nieuwe verbond slechts iets van de toekomst! Slechts voor Joden! Walvoord geeft over het Nieuwe Verbond de volgende details: (we korten in) ” 1°) Het verbond is specifiek gemaakt voor de natie Israël... dit verbond spreekt niet over iemand die geen afstammeling is van Jacob... 2°) Het Nieuwe Verbond is daarom voorzegd ter vervanging van het Mozaïsche verbond... 3°) De belangrijkste voorziening van het Nieuwe Verbond zal vervuld worden na de tijd van de verdrukking van Israël, speciaal de Grote Verdrukking... de beloofde vervulling is na die tijd van verdrukking (Jer.30:7)... 4°) Het Nieuwe Verbond vervangt het Mozaïsche verbond en zal in ”de harten geschreven” zijn en niet op stenen tafelen (Jer.31:33). 5°) Het Nieuwe Verbond zal een grote geestelijke zegen zijn voor Israël... 6°) Het Nieuwe Verbond zal met zich de openbaring brengen van de heerlijkheid van God... Het verwijst in het kort naar het Koninkrijk van Christus dat opgericht wordt met de tweede komst... 7°) Het Nieuwe Verbond spreekt van vergeving, genade en zegen... De voorzieningen van het Nieuwe Verbond zijn zo gedetailleerd dat het voor elke zorgvuldige onderzoeker duidelijk moet zijn dat dit Verbond in het verleden nog niet werd vervuld en ook nu zich niet vervuld. Het is daarom de hoeksteen van het geloof in een duizendjarig koninkrijk dat komt met de tweede komst van Christus. Daarom dienen de a-millenialisten, die het komende duizend rijk niet aannemen, trachten te bewijzen dat het verbond nu wordt vervuld alhoewel al de details ervan nog niet verwezenlijkt zijn” (blz.209, 210). Bij Jer.31 heeft Scofield géén commentaar. In de lijst van nog onvervulde profetie uit het O.T. met betrekking tot Israël bij Bultema is Jer.31:31-34, de belofte van het nieuwe verbond, niet opgenomen. Hij gaat van Jer.31:27,28 over naar Ezech.34:23 (zie blz.228, 229). Biederwolf doet aan elke poging om dit deel niet naar de Kerk van Jezus Christus te laten verwijzen, maar naar een toekomstig herstel van Israël. John Darby stichter van de Broeders heeft hetzelfde gedaan als Biederwolf. Volgens Scofield heeft Jer.31:31-34 betrekking op de Joden en een zijdelingse verwijzing naar de gemeente van Christus. Voor Walvoord (blz. 218) zijn er twee nieuwe verbonden die nauw met elkaar gekoppeld zijn, één voor Israël en één voor de gemeente van het N.T.. En ook een citaat uit H.L. Wilmington, ’Book of Bible lists’, Tyndale House, 1987, blz.283. We lezen daar dat Jer.31:31-34 / 32:39 / Ezech.11:19,20 / 36:26 wijst naar een verbondsvernieuwing. Blijkbaar vergeet deze schrijver dat Paulus deze eerste tekst, die de belangrijkste is, op de Kerk van Jezus (bestaande uit Joden èn Heidenen) toepast. Wilmington heeft dan ook geen oprecht gebruik van de Schrift gemaakt. Wie denkt dat we hem verkeerd voorstellen verwijzen we nogmaals naar ’The Greek Testament’, ed. K. Aland / M. Black / B. Metzger / A. Wikgren, United Bible Societies, 1966.

Het N.T. gebruikt Jeremia 31 niet in de zin van een nog toekomstige profetie die aan Israël en gelovige Heidenen in vervulling gaat na de Wederkomst van de Heer.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

332

Vers Jer.31:31

Citaat Mat.26:28 Luc.22:20 1 Cor.11:25 2 Cor.3:6 31-34 Heb.8:8-12 31:33 2 Cor.3:3 Heb.10:16 (en 7 in Nestle / Aland) 31:33-34 Rom.11:27 1 Thes.4:9 1 Joh.2:27 32:40 Luc.22:20 1 Cor.11:25 2 Cor.3:6 Ezech.11:19 2 Cor.3:3 Ezech.36:25 Heb.10:22 36:26 2 Cor.3:3 36:27 1 Thes.4:8 Nestle / Aland hebben nog Jer.31:31 = Marc.14:24 Wilmington laat de Bijbel hier buikspreken. Deze teksten geven géén toekomstig herstel aan van Israël. Aan herstel is de Heilige Geest sinds Pinksteren bezig en blijft dit doen tot aan de Wederkomst van Christus. J. de Heer geeft (blz.34-50) in zijn lijst van 50 nog te vervullen profetieën, in verband met het herstel van Israël, dit vers niet op. Maar in de tekst van zijn boek doet hij dat wel (o.a. blz.149, 185). Is hij zijn eigen regels vergeten? Of had hij juist de kracht nodig van deze verwijzing om zijn leer toch een stevig uitzicht te geven!

De Heilige Geest is over de gemeente sinds Pinksteren nedergedaald en heeft de volheid van het evangelie geopenbaard aan zijn geestelijke kinderen. Het Nieuwe Verbond is door de andere Trooster ook in werkelijkheid gekomen, het start niet met de Wederkomst van de Heer, maar is er reeds (Mat.24:14 / 28:18-20 / Marc.16:15,16 / Joh. 6:45 / Hand.1:8). De vrijgekochten des Heren zijn wedergekomen en ”jubelen in Sion”. Zo had Jes.35:10 het voorzegd en gaat het nu in vervulling (Luc.1:68,69 / 1 Pet.1:19). De gemeente is reeds tot Sion genaderd (Gal.4:26 / Heb.12:22) op geestelijke wijze. Eén voorafgaande profetie van Jesaja is gelijkaardig aan deze van Ezechiël. Zo staat er in Jes.54:13: ”Al uw zonen zullen leerlingen des HEREN zijn, en het heil uwer zonen zal groot zijn”. De vervulling ervan geeft Jezus aan in een gesprek


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

333

met de Joden in Joh.6:45: ”Er is geschreven in de profeten: En ze zullen allen door God geleerd zijn. Een ieder, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, komt tot Mij.” Iedereen, hetzij Jood of Griek, die de Heer aanroept zal behouden worden (Rom.10:12,13). V. Mora gaat hier op in wanneer hij tot de volgende gevolgtrekking komt: ”Men zegt wel eens dat de vernietiging van de Tempel en van de heilige stad het Evangelie de toegang tot de natiën verschafte. Deze bewering staat lijnrecht tegenover wat Mattheüs zegt. Het evangelie weerklonk reeds over de ganse wereld, en bereikte alle volkeren vóórdat de heilige stad verwoest werd. Mattheüs en Paulus gaan hier hand in hand. Tegen het jaar 57 of 58 van onze jaartelling kan Paulus reeds schrijven in zijn brief aan de Romeinen (10:18) dat het evangelie alle Joden reeds bereikt had, zelfs dezen die in de diaspora leefden. Van zijn kant zegt Mattheüs (in hoofdstukken 24 en 25) dat het evangelie alle volkeren zal bereiken voordat de tempel verwoest wordt. Vanuit het standpunt van een Jood was de wereld rond de Middellandse Zee trouwens de enige wereld die hem kon boeien”. (wij onderstrepen) ’Le Refus d’Israël, Matthieu 27:25’, Edition du Cerf, 1986, blz.69, 70. Wat deze schrijver zegt is trouwens te ondersteunen met een uitspraak van Paulus tegen het einde van zijn leven. Hij schreef toen hij in Rome in de gevangenis zat, het volgende met betrekking tot het evangelie: ”dat verkondigd is in de ganse schepping onder de hemel” (Col.1:23). Het nieuwe verbond is gekomen en bekrachtigd met de dood van de Heer (Heb.8:13 / 9:15 / 13:20). Wie anders leert neemt een loopje met de waarheid zoals de schrijver van de brief aan de Hebreeën ze verkondigd. Dat kan niet. Hij verwoorde het duidelijk in Heb.2:2,3: ”Want indien het woord, door bemiddeling van engelen gesproken, van kracht is gebleken, en elke overtreding en ongehoorzaamheid rechtmatige vergelding heeft ontvangen, hoe zullen wij dan ontkomen, indien wij geen ernst maken met zulk een heil, dat allereerst verkondigd is door de Here, en voor hen, die het gehoord hebben, op betrouwbare wijze ons is overgeleverd”. Zich verlaten op de uitleg die de mensen van een toekomstig duizendjarig rijk voorstaan is dan ook fout. Die tekst van Jer.31:31 wijst naar de dagen nà de verdrukking van Israël. En dat is volgens de voorafgaande woorden (verzen 1-30) nà de uittocht uit Egypte en/of de terugkeer na de Babylonische gevangenschap. We geven toe dat de tekst niet gemakkelijk is maar een verschuiven naar een duizendjarig rijk kan niet. Wanneer op het apostelconcilie Petrus zegt dat de Heidenen door Gods genade de Heilige Geest hebben ontvangen, dan moeten we zo een uitspraak honoreren. Hij voegt daar trouwens aan toe dat God dit doet: ”zonder enig onderscheid te maken tussen ons en hen” (Hand.15:8,9). En het is deze apostolische taal die we ook vandaag moeten verkondigen. We moeten dus op geen enkele wijze de volkeren in de wereld trachten te “divisioneren” in een Joods deel èn de anderen. We mogen geen rassenonderscheid maken, de Heilige Geest doet dat ook niet! Wanneer we om gelijk welke reden ook een ”apartheid” leren dan gaan we in tegen wat de reden is van de komst van de Heilige Geest, namelijk de mensen te overtuigen van zonde.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

334

Bij wijze van formule: het Nieuwe Verbond van Jer.31:31-37 = Heb.8:8-12 = gelovige Joden en Heidenen = alle geestelijke zonen van de Vaderen. Zo is dan elke onbekeerde Jood voor God een verloren Jood (Joh.3:3-7). Ook de Jood moet om door God aangenomen te worden gereinigd worden voordat hij kan behoren tot Gods ”eigen volk” volgens Titus 2:14. De schrijvers van het N.T. hebben deze tekst (van Ezechiël) dan ook niet ge-judaïseerd of ge-literaliseerd, maar wel ge-universaliseerd.

5) Opgepast voor oppervlakkigheid Een aanhaling met betrekking tot het geestelijk Koninkrijk van God over alle Natieën is Amos 9:11-15 = Hand.15:15-18. Hij die recht heeft op de troon van David is gekomen (Ezech.21:27). Jezus heeft de troon van YaHWeH op zich genomen (1 Kron.29:23). Zie ons commentaar bij stelling n°1 in verband met Israël en verder bij Mat.7:22 in hoofdstuk vier. Om u een idee te geven van de voorwaarden waaraan Israël moet voldoen om gezegend te worden in dat rijk lezen we wat de HERE zelf tot Salomo spreekt: ”Wat u aangaat, indien gij voor mijn aangezicht wandelt zoals uw vader David in volkomenheid van hart en in oprechtheid gewandeld heeft, en doet naar alles wat Ik u geboden heb, als gij mijn inzettingen en verordeningen in acht neemt, dan zal Ik uw koningstroon over Israël voor altijd bevestigen, zoals ik tot uw vader David gesproken heb; nimmer zal u een man ontbreken op de troon van Israël. Maar indien gij u ooit met uw zonen afkeert en Mij niet volgt, mijn geboden en inzettingen niet volbrengt, maar andere goden gaat dienen, en u voor die nederbuigt, dan zal ik Israël uitroeien van de bodem die Ik hem gegeven heb, en het huis dat Ik aan mijn naam geheiligd heb, zal Ik u van mij wegstoten, zodat Israël tot een spreekwoord en een spotrede onder alle volken zal worden. Dit huis zal tot puinhopen worden” (1 Kon.9:4-8a wij onderstrepen). Wat we met dubbele strepen onderstrepen is normaal wat men in bepaalde Israëlkringen aanhaalt. Wat we in de enkele streep zetten is datgene waaraan moet voldaan worden wil de zegen van God op Israël blijven. Dat is van hun kant uit de primaire voorwaarde. Is Salomo afvallig dan zal hij tezamen met het volk mee moeten delen in de straffen van God. Hij heeft het beginsel van gemeenschapsverantwoordelijkheid geschonden. Indien er geen berouw op volgt dan is er van géén herstel sprake. We citeren H.M. Ohmann uit, ’Wie kent uw toorn?’, Oosterbaan & Le Cointre, Goes, 1988, blz.107, 108 die hierover schrijft: ”En even later: ’gij zijt immers een hardnekkig volk’. Tot zesmaal toe vertelt Mozes hun dat zij de HERE tot toorn hebben verwekt of dat de HERE Zich tegen hen vertoornde (9:7,8,18,19,20,22). Hoe de HERE hen zal weten te treffen, lezen we in hoofdstuk 11:17: ’... en Hij zou de hemel toesluiten, zodat er geen regen komt, de bodem zijn opbrengst niet geeft en gij weldra te gronde gaat in het goede land, dat de HERE u geven zal’. Nogmaals citeren we B. Holwerda: ’Ze gaan dan verdwijnen uit dit goede land, cf. I 35, VIII 7-10; immers de heerlijkheid van dit land is het grote motief van dit boek; in het feit dat ze het in bezit gaan nemen openbaart zich de trouw en de genade van Jahwe; maar daarom betekent zijn toorn ook het verlies van die rijkdom die ze nu op het punt staan in ontvangst te gaan nemen’”.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

335

In hetzelfde verband van een mogelijks herstel van Israël duiken steeds een reeks teksten op bij de verdedigers ervan, trouwens altijd dezelfde. Hier enkele met een kort commentaar. Lev.26:40-45: gaat in vervulling met de terugkeer uit de Babylonische gevangenschap. Zie 2 Kron.36:21 / Jer.25:9-12 / 26:4-6 / 29:12-14. En wat is vervuld op basis van geloof hoeft niet meer nog eens vervuld te worden in een duizendjarig rijk. Trouwens het berouw van het volk van het verbond leidde tot een herstel als natie terwijl, sinds de komst van de Heer het om een individuele verzoening gaat na een persoonlijk belijden van zonde. Duidelijk is dat bij vergelijk van de volgende teksten: 1 Kon.8:33 / Neh.9:2-4 / Dan.9:5 met Hand.2:36-40. Geslachtsregisters zijn hierbij een hindernis en zijn thans niet meer belangrijk. Onder christenen is het Jood-zijn niet de belangrijkste factor tot verzoening (1 Tim.1:4 / Tit.3:9). Ook de Jood-christen mag niet meer op zijn vlees vertrouwen (Phil.3:3 / Gal.3:7). Jes.45:17: gaat in vervulling aan Christen-Joden sinds Pinksteren Heb.5:9. Jes.54:7,8: de verzen 11 en 12 vinden we vervuld aan de gemeente (Joden en Heidenen) in 1 Pet.2:9,10 / Opb.21: 10-21. Zo ook deze verzen. Voor vers 13 zie Joh.6:45. Jes.59:17: = Eph.6:14,17 / 1 Thes.5:8. Jes.59:18: = 1 Pet.1:17 / Opb.20:12,13 / 22:12. Jes.59:20 = Rom.11:26,27. Hier lopen de zaken gewoon als ”zijnde” en nog ”niet zijnde” door elkaar, zoals de uitdrukking ”eeuwig leven” van ”nu” is èn van de ”toekomst”. Jer.32:37-41: zie naar 2 Cor.6:16 (voor vers 38) en voor vers 40 naar Luc.22:20 / 1 Cor.11:25 / 2 Cor.3:6 / Heb. 13:20. Ezech.36:24-26: zou moeten in vervulling gaan in deze tijd volgens wie nog een duizendjarig rijk verwacht. Bultema (blz.83) haalt deze tekst aan om te beweren dat Israël in ongeloof zal hersteld worden. Maar hoe is zoiets mogelijk wanneer de God van Israël steeds geloof op de eerste plaats stelt, voordat er een zegen kan op volgen? Neem als voorbeeld de Babylonische gevangenschap en het herstel dat daarna volgt. Israël heeft berouw en daarna volgt het herstel! Zie o.a. Ezra 3:5,10,11 / Neh.1:4-11 / Hag.1:12,13 / Dan.9:1-6. Uit de volgorde der gebeurtenissen in Ezech.36 mag niet een definitieve regel van Gods vergeving zomaar te niet gedaan worden. Wanneer u trouwens dat gedeelte leest tot en met vers 33 is alles duidelijk. Men zal zich vooreerst bekeren. En ook nog dit: het is een ”rest” die zich zal bekeren (Jes.1:9 / 10:20-22 / 46:3 / Jer.23:3 / 31:7 / Amos 5:30 / Micha 2:7 / 4:5-7 / 7:18). Een totaal herstel leren vanuit Ezechiël 36 is de Schrift nog eens misbruiken. Hosea 3:5: Biederwolf geeft twee mogelijke uitleggingen: een letterlijke (zijn keuze) of een geestelijke (onze keuze). Micha 7:19,20: zie Luc.1:55 en Rom.15:8. Dat gaat in vervulling aan Joden én Heidenen die de Messias hebben aangenomen sinds Pinksteren. De gemeente van Christus is het zaad van Abraham. Wanneer het om gelovige Heidenen gaat, onder een lichamelijke band. Het is raadzaam om bij de verklaring van deze teksten uit het O.T. altijd een lijst bij de hand te hebben met de verwijzingen in het N.T.. Dat lost vele vragen op zonder lang zoekwerk, want die tekst, of een nabijgelegen, heeft soms betrekking op de christelijke gemeente zonder dat men er erg in heeft. (Zie bijvoorbeeld de lijst die we terugvinden in ‘The Greek Testament’, ed. K. Aland / M. Black / B. Metzger / A. Wikgren, United Bible Societies, 1966.)


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

336

We hebben het principe van deze overdracht van een profetie uit het O.T. naar het geestelijke Israël slechts kunnen aangeven. Het N.T. geeft er nog veel meer. In één van zijn vroege geschriften schreef A. van Ruler ooit dat het N.T. ”een verklarend zakwoordenboekje” is bij het O.T.. Het beeld is niet volledig correct, maar één ding is zeker. Het N.T. bevat de sleutel om het O.T. te begrijpen. Dat zal een Jood natuurlijk niet aannemen. Sinds Golgotha staan de zaken echter definitief vast op die wijze! (Zie o.a. H. de Knijf, ’Sleutel en slot’, Kok, 4de druk 1995.)

Er moet ook op gelet worden dat sommige teksten spreken over het volk van Israël in de betekenis van de 10 stammen die hersteld zijn met de terugkeer uit de Babylonische gevangenschap (Jer.31:2-22 / Ezech.37:16-19 / Hosea 1:10,11). De profetie van Jer.31:1 maakt het duidelijk dat het herstel er zal zijn voor alle geslachten van Israël, dus alle twaalf stammen van dat volk. Na de herbouw van de tempel in de tijd van Ezra worden er twaalf bokken geofferd volgens het aantal van de 12 stammen, wat wijst op hun herstel (Ezra 6:16,17). En dat was volgens de voorzegging van Jer.33:7 en 50:19. In een symbolische handeling illustreert Jeremiah dat ook: twee stokken worden één stok (Jer.37:15-28). Zo vinden we in het N.T. ook verwijzingen naar het bestaan van de twaalf stammen in de tijd van Jezus. Anna, de profetes, was van het geslacht van Aser volgens Luc.2:36. Ook 1 Kron. 9:3 / Ezra 2:70 / Hand.26:7 om u te overtuigen. Zie hoe Jesaja dezelfde term ”Israël” wisselend voor de twaalf stammen en de tien stammen gebruikt (Jes.1:4-8 / 8:18 / 9:7-11). Jesaja gebruikt zelfs éénmaal de uitdrukking ”de beide huizen van Israël” in Jes.8:14. Velen zien dat niet in en maken dan ook verkeerde gevolgtrekkingen. Want wat God aan de 10 stammen vervuld heeft of aan 2 stammen moet Hij niet nogmaals aan de 12 stammen vervullen. Laten we nog op enkele punten wijzen. Jer.29:14, steeds aangehaald om nog een aankomend herstel te bewijzen van Israël, kan als uitleg niet juist zijn. Dit moet in zijn samenhang begrepen worden als met betrekking op de terugkeer na een zeventigjarige ballingschap in Babel. Het herstel van stad, tempel en muur duurt naar gelang de chronologie die we aannemen tussen 80 à 120 jaar. Maar... zegt men; in Jer.29:14 is toch sprake van herstel uit alle volkeren waarheen ze verstoten zijn. Vergeten we toch niet de gewoonte van al die volkeren in dat tijdperk om wanneer ze slaven maken uit één of andere natie men een gedeelte slaven meeneemt naar het land dat de overwinning heeft behaald. Maar ook dat een groot deel slaven verkocht wordt aan wie het hoogste bod doet en dezen worden naar andere landen in de omtrek gebracht. Er zullen dus Joden in ballingschap geweest zijn in nog andere landen dan: 1°) Assyrië (2 Kon.15:29 / 18:9-12. Kort daarop ontstaat er een nieuw ras, half Joods, half Assyrisch = de Samaritanen), 2°) Babylon (2 Kon.25:11,12 / Jer.39:9,10) en 3°) Egypte (Jer.32:6-15 / 41:6-44:30). Wat betreft het laatste. Eén van de grootste bastions van het Joodse denken was te vinden in Alexandria in Egypte. Het is ook daar dat de idee is ontstaan om de Joodse Bijbel in het Grieks te


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

337

vertalen rond 280 V.C.. Maar ook Elephantine (in de 5de eeuw voor Christus) was een belangrijke nederzetting van Joden. Jer.29:14 spreekt over het herstel van het gelovige deel uit al die landen. En dat kan ook nog vanuit een ander gezichtspunt bezien worden. In het verhaal van Ester valt namelijk op te merken dat deze koning Ahasverus (zeer waarschijnlijk Xerxes I, zoon van Cyrus) koning is over 127 landen en dat de Joden in verschillende van deze landen terug te vinden zijn volgens Ester 1:1 / 3:8. En nog twee opmerkingen hierover. 1°) Nadat Israël is hersteld uit de Babylonische gevangenschap spreken de profeten niet meer over een ”herstel of heropbouw”. Profetieën van Jesaja, Jeremiah, Ezechiël en nog enkelen gingen in vervulling vanaf 537 V.C.. Men zou hierop slechts één uitzondering kunnen vinden en dat is Zach.8:1-8. Maar bij nader toezien is ook dat geen uitzondering. Zacharia 8 laten slaan op een nog toekomstig herstel is die tekst geweld aandoen. Men moet de tekst begrijpen in de zin van wat er op dat moment aan de gang is: het herstel van land en de tempel in Jeruzalem. Voor wie Ezra 7:1-10 / Neh.11:1,2 en 1 Mac.14:8-14 vergelijkt is dat duidelijk. Zacharia 8 wijst naar de toenmalige herstelperiode, die in verschillende stappen tot het uiteindelijk resultaat leidde: de gelovige rest van Israël is terug in het land van de Vaderen. Want het herstel verliep in drie of vier etappen: 1°) in 537 (536) V.C. een groep van 42.560 mannen en 7.537 slaven en zangers, vrouwen en kinderen niet ingerekend. Het zal in zijn totaal dan ook een groep zijn van 200 à 300.000 personen zijn (2 Kron.36:20,21 / Ezra 1:1-4). 2°) Rond 470 V.C. een groep onder leiding van Ezra van 1750 mensen (Ezra 7:1-8:32). 3°) Korte tijd daarop één groep of twee onder leiding van de profeet Nehemia (Nehemia 2:5,6,11 / 13:6,7). De beschrijving van Zachariah 8 moet dan vanuit deze zaken begrepen en uitgelegd worden. 2°) De latere profeten spreken dus niet meer over herstel. Zo ook niet over het bezit van het ”land”. Na 537 V.C. zijn er geen teksten meer die spreken over een mogelijk herstel bij een nieuwe afvalligheid. Integendeel in het N.T. zijn de uitspraken van Christus en Zijn discipelen duidelijk tegenovergesteld aan deze stelling. In het O.T. wordt het begrip ”land” ongeveer 1600 maal gebruikt, bijna altijd m.b.t. Israël. In het N.T. slechts 50 maal en nooit m.b.t. een herstel in het land. Over ”terugkeer” spreekt het O.T. 245 maal waarvan het grootste deel i.v.m. de Babylonische gevangenschap. Maar slechts 13 maal in het N.T. en dan altijd zonder verwijzing naar herstel en terugkeer in het letterlijke Israël. ”Terugkeer” heeft in het N.T. te maken met een ”terugkeer” naar God, bekering eraan voorafgaande. En omdat volgens de norm en theologie van het N.T. Israël hersteld is vanaf 537 V.C. vinden we deze term daar ook steeds in gebruik en niet ”Judah” zoals te verwachten zou zijn. Jezus is de heerser van ”Israël” (Mat.2:6). Het land ⇒ Judah + Canaan = ”Israël” (Mat.2:20,21). De discipelen moeten prediken tot ”Israël” (Mat.10:23) en de inwoners ervan krijgen de naam ”volk van Israël” (Mat.2:6 / Luc.2:32 / Hand.4:10). Ze zijn de ”zonen van Israël” (Mat.27:9 / Luc.1:16 / Hand.5:21 / 7:23,37). En ze worden daadwerkelijk aangesproken als ”Israëlieten” (Hand.2:22 / 5:35 / 13:16). Het is niet in ”Israël” dat Jezus geloof vindt maar bij een heidense honderdman (Mat.8:10 / Luc.5:9). Ze moeten niet hersteld worden en zijn ook niet volgens een andere leer van


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

338

het BritsIsraël terug te vinden in het UK en/of de USA. Of volgens de Mormonen voor wie Israël is terug te vinden onder de Amerikaanse Indianen. Daarom nog het volgende citaat bij dit alles: ”Indien de uiteindelijke betekenis van het O.T. terug is te vinden in het Nieuwe, wat moeten we er dan van maken gezien daar niets terug te vinden is over het herstel van Israël. Rom. 9-11) heeft het slechts over de geestelijke aspecten van de beloften die aan de vaderen gedaan zijn. Volgens Paulus bestaat Israël’s redding daarin; dat ze opnieuw ingeënt worden in de Olijfboom waarin reeds Heidenen ingeënt zijn door hun geloof in Christus (Rom. 11:13-36). Het is dan ook de beste uitleg om de vele profetieën van het herstel in het land te verklaren met betrekking tot de terugkeer onder Ezra en Nehemia, wanneer de Tempel en de stad Jeruzalem herbouwd werden; en de uiteindelijke vervulling te zien als de hemelse geestelijke zegeningen in een hemels land dat is weggelegd voor het ganse volk van God, alle gelovigen in Christus” P. Jewett in ’The Zondervan Pictorial Encyclopedia of the

Bible’, edit. Merrill C. Tenney, deel 2, Zondervan, 1975, blz.344, 345.

En bij wijze van formule van wat thans in vervulling gaat: het geestelijke Koninkrijk over alle Natieën inclusief de Joden is volgens Amos 9:11-15 = Hand.15:15-18. Een van de belangrijkste boeken over het verleden van Israël en de vervolging van dat volk (door meestal Christenen, jammer genoeg) is: M. Brown, ’Bloed aan onze handen’, Shalom Books, 1995. Toch moeten we voor het slot in het boek reserves maken, omdat de liefde voor Israël deze schrijver dingen laat zeggen die niet Schriftuurlijk zijn. We lezen op blz.189 “Als de verwerping van Israël de verzoening van de wereld betekent, zal de aanneming van Israël iets veel groters betekenen: de opstanding uit de dood van iedereen die met God verzoend is! En Israël zal aangenomen worden! Want: ’Zijn de eerstelingen heilig, dan ook het deeg, en is de wortel heilig, dan ook de takken (Romeinen 11:16); God zal het hele deeg redden.” (Wat de schrijver in schuinschrift zet hebben we

onderstreept). Rom.11:16 spreekt over wat er van het begin af is geschied. Namelijk dat gezien er Joden afvallig geworden zijn, ze afgehouwen zijn en er onmiddellijk anderen - Heidenen - in de plaats gekomen zijn. De tekst spreekt van wat er in de tijd van Paulus al aanwezig was, een kerk bestaande uit Joden, waarmee God opnieuw gestart was en Heidenen die de Heer hadden aangenomen. Daarom is ook dat heidense deeg thans geheiligd. En trouwens de opstanding van de mensen uit de heidenen heeft niets te maken met Israël. Maar alles met de Messias, met Jezus van Nazareth en het zoenoffer dat Hij bracht. Zelfs indien de schrijver op een geestelijke opstanding doelt, ook dan is zijn redenering verkeerd want het is de Heilige Geest die de wedergeboorte bewerkt. Blinde liefde voor Israël mag ons er niet toe leiden de Schriften (of de feiten) te verdraaien. Niet inlezen wat er niet staat. De hiernavolgende tabel kan u ook duidelijk maken dat men zich niet moet verliezen in het gebruik van één of ander beeld of gedachte in verband met de gemeente. Want één beeld geeft aan dat een bepaald aspect van de gemeente zo is. Een ander beeld geeft iets anders te kennen. De conclusie van de tabel is in elk geval deze; de kerk = de gemeente = de synagoge van het OT is = deze uit het NT, want ze hebben dezelfde namen en titels. In deze gemeente van het Nieuwe Testament oorspronkelijk bestaande uit Joden krijgen gelovigen uit de Heidenen dezelfde rechten (ook aangepaste plichten!) als de gelovigen uit Israël.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

BESCHRIJVING ”Gods tempel” ”kinderen der belofte” ”zaad van Abraham” ”erfgenamen naar de belofte” ”Gods uitverkorenen” ”wij zijn de besnijdenis” ”erfgenamen van het koninkrijk” ”een eigen volk” ”het volk van God” ”een uitverkoren geslacht” ”een koninklijk priesterschap” ”een heilige natie” ”een volk Gode ten eigendom” ”de berg Sion” ”de Stad van de levende God” ”het hemelse Jeruzalem” ”de heilige Stad” ”en Hij heeft ons tot een koninkrijk, tot priesters voor Zijn God en Vader gemaakt”

OUD TESTAMENT

339

Gen.17:7,8 Deut.29:12,13

NIEUW TESTAMENT 1 Cor.3:16 Rom.9:8 (Joden) / Gal.4:28 (Heidenen) Gal.3:29 Gal.3:29

Lev.20:24,26 Gen.17:12

Col.3:12 Phil.3:3

Jes.62:12

Jac.2:5

Deut.4:20 Ex.19:5 Ex.19:5

Tit.2:14 Heb.4:9 1 Pet.2:9

Ex.19:6

1 Pet.2:9

Ex.19:6 Ezech.37:23

1 Pet.2:9 1 Pet.2:9

Ps.2:6 Ps.48:2

Heb.12:22 Heb.12:22

Joël 2:32

Heb.12:22

Ps.125:1 Ex.19:5,6

Opb.21:2 Opb.1:6

Ex.29:45 Jer.31:31-33

Een nog steeds prachtig boek dat ingaat op het geheel van deze zaken is: H. Matter, ’De toekomst van Israël, in het licht van het Nieuwe Testament’, Bosch en Keunig, 1953.

Conclusie Het is in het NT overduidelijk dat teksten die in het OT over vleselijke Joden spreken, onder inspiratie van de Heilige Geest, op een geestelijk Israël zijn toegepast. De Schriften worden daarbij geen onrecht aangedaan. Integendeel, dat is voor hen soms de énige mogelijke uitleg.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

340

4de Stelling: Met de Wederkomst van Christus zal een deel van het vleselijke Israël gered worden Wat zij op dat gebied zeggen Wat zeggen de leraren van de toekomstige duizendjarige regering hierover? We lezen in ’Het Zoeklicht’ van 7 februari 1998 op blz.19 het volgende: “Op de bijbelstudie voor jongeren hebben wij laatst een discussie gevoerd over Romeinen 11:25,26, en dan vooral over het behoud van Israël. Hoe moeten we dit zien? Worden ook de seculieren, die dus niet in God geloven behouden? (J.S. te E.). Antwoord: Voor de wederkomst van Christus zal er voor het volk Israël nog een heel moeilijke tijd aanbreken, die Jeremia de ’Tijd van benauwdheid van Jacob’ (30:7) noemt. Wij kennen deze tijd meer onder de benaming ’Grote verdrukking’. Gedurende deze periode zal Hijzelf zijn volk louteren, tot hen spreken en Zich aan hen openbaren. Aan het einde van deze moeilijke tijd zal de Here Jezus als Messias wederkeren en dan zal het moment aangebroken zijn, dat het gehele volk Israël de Here Jezus als Messias aanvaarden zal. In Zacharia 12:10 lezen we:”Ik zal over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem uitgieten de Geest der genade en der gebeden; zij zullen Hem aanschouwen die zij doorstoken hebben en over Hem een rouwklacht aanheffen als over een enig kind, ja, zij zullen bitter leed dragen als het leed om een eerstgeborene.” Wanneer Christus op aarde terugkeert en als koning Zich op de troon van David zal zetten, zal het volk Israël tot op de laatste man zich tot de Here Jezus bekeren en als hun koning aanvaarden” (wij onderstrepen). T. Niemeijer, de persoon die meestal de vragenrubriek voor zijn rekening neemt in ’Het Zoeklicht’ zegt als antwoord aan een lezer (13 juni 1998, blz.19): “U schrijft dat het gehele volk Israël de Here Jezus bij zijn wederkomst als hun Messias zal aanvaarden en dat doet op grond van Romeinen 11:26 waar staat dat ’Gans Israël behouden zal worden’. In Romeinen 9:27 staat echter, dat een ’overschot’ behouden zal worden (zie ook Jesaja 10:22, 23). Wordt nu gans Israël behouden of een overschot? (K.K. te H.) Antwoord: Het woordje ’gans’ Israël vraagt hier om verdere uitleg. Heeft ’gans’ betrekking op alle Israëlieten die ooit geleefd hebben, dus ook hen, die reeds gestorven zijn? Heeft het betrekking op de nog levende Israëlieten tijdens de ’grote verdrukking’ of heeft het met het totale overblijfsel te maken, dat nog leeft, wanneer de Here Jezus terug komt? Ik geloof het laatste. Tijdens de grote verdrukking zal de Here God zijn volk louteren, waaruit een volkomen, Hem toegewijd volk, tevoorschijn zal komen. Het volk, dat door deze ’benauwdheid van Jacob’ tot bekering komt, zal als geheel volk de Here Jezus aanvaarden. Zoals Elia 3 jaar en zes maanden onder het volk werkte (zie Jacobus 5:17) waarop het volk zich op de hellingen van de Karmel tot God bekeerde, zo zal in de toekomst Elia, samen met een andere getuige, naar de aarde terugkeren, om het hart van de vaderen tot de kinderen terug te voeren! Deze twee getuigen zullen hun werk in de tweede helft van de grote verdrukking doen, een werk, dat uiteindelijk zal leiden tot de bekering van Israël als volk! Tot op de laatste man zal dit volk zich tot hun Messias bekeren. Maar dan hebben we het wel over de overgebleven Joden” (wij onderstrepen).


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

341

Wat wij op dat gebied zeggen We geloven niet dat deze uitleg naar de Schriften is. Daarom moeten we op een en ander dieper ingaan? Onze stelling ligt hier ver vandaan. Laat ons trachten aan te geven waarom we ’Het Zoeklicht’ niet kunnen of niet willen volgen. In een slotfase van een moeilijk en gecondenseerd betoog aan de Romeinen (hoofdstukken 9, 10 en 11) zegt Paulus: “en aldus zal gans Israël behouden worden” (Rom.11:26). In onze stelling geven we aan dat “een deel” van het vleselijke Israël zal behouden worden. Op het eerste gezicht totaal wat anders. Toch denken we dat onze stelling ook deze van Paulus is, alleen anders geformuleerd. Vooreerst gaan we terug in de geschiedenis van de laatste jaren. In 1948 is door inwonende Israëlieten in het Palestina van toen, na een korte hevige oorlog, de staat Israël uitgeroepen. Als vervulling van Bijbelse voorspellingen zeggen velen dan, maar hier moeten we reeds neen op zeggen. Want herstel van het land naar goddelijke belofte kan slechts op basis van enkele voorwaarden. De eerste daarvan is “bekering.” De hoofdding van Deut.30:1-10 in de NBG zegt genoeg: “na berouw - verlossing.” Maar daartegenover lezen we bij een voorstander van de toekomstige duizendjarige regering het volgende (Biederwolf, blz.21, 22): “Zelfs in de akeligste omstandigheden en de meest serieuze afvalligheid van het volk zou er altijd een heilig zaad zijn op wie de zegeningen betrekking hebben, zoals er ook een overgrote meerderheid zou zijn over wie de vloek heen zou razen (origineel “exhausted”) (...) Dit gedeelte (vers 4,5) schijnt niet te verwijzen naar een nationale of plaatselijke terugkeer. Het heeft steeds en opnieuw een gedeeltelijke vervulling gehad tijdens de geschiedenis van de Joden. Maar of ze nadat de Joden zich tot Christus bekeerd hebben; letterlijk hersteld worden in het aardse Kanaän moet vanuit andere Schriftuurplaatsen die erop betrekking hebben, beslist worden” (wij onderstrepen). Dit is een echo van Scofield (blz.250). Het boek Richteren is het mooiste voorbeeld van de wijze waarop God redt. En ofschoon Israël op dat moment nog in het land vertoefde waren ze er toch niet hun eigen meester. Door ontrouw aan het verbond werden ze overgeleverd aan de machten en volkeren rondom hen zoals vooraf voorspeld in Deut.31:29. Tot tienmaal toe krijgen we een beeld van: geloofsafval gevolgd door overheersing van een vreemd volk, God zend een Richter-Profeet, het volk heeft berouw en ze worden terug in Gods gunst aangenomen. Zie Richt.1:1-9 / 3:9,10 / 3:15 / 4:4-9 / 6:11-16 / 11:29 / 13:24,25. Een ander voorbeeld is de Babylonische gevangenschap, de tijd van de “eindafrekening” (Ezech.7:1-6 / 21:25). Het was slechts nadat het volk daar zijn afvalligheid en zondigheid betreurde dat God hen terug liet gaan naar het beloofde land (Neh.1:4-11). Maar ook daarna is het volk opnieuw afgevallen. Christus geeft aan zijn 12 apostelen de raad zich niet te begeven naar de steden der Samaritanen wanneer Hij ze uitstuurde. Ze mogen zich slechts richten tot “de verloren schapen van Israël” (Mat.10:5-7). Deze opdracht zal slechts na Hemelvaartsdag wijzigen (Hand.1:8 / 10:44-47). En uit Handelingen weten we dat Israël zich ook niet heeft bekeerd tot de boodschap van Jezus en zijn discipelen. Hun harten bleven verhard! Aan de voorwaarde van “berouw” voldoet het huidige Israël ook nu nog niet en dus is wat er zich momenteel voordoet in de moderne staat het resultaat van menselijk streven, niet Gods handelen.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

342

Ook aan de tweede voorwaarde van herstel voldoet het huidige Israël niet. Moderne godsdienstfilosofen van Joodse oosprong hebben over Jezus van Nazareth veelvuldig en veelzijdig geschreven. Of je nu H.J. Schoeps, D. Flusser, P. Lapide of J. Klausner (en vele anderen) neemt ze hebben dit gemeen: Jezus is niet de ware Messias die voorspeld werd in het OT. Maar dan zegt het getuigenis van het NT; “totdat” ze Hem niet hebben beleden en verkondigd kan Gods gunst niet op hen rusten (Mat.23:39). •

“Want wij gaan tot (de) rust in, wij, die tot geloof gekomen zijn” zegt de schrijver aan de Hebreeën duidelijk (Heb.4:3). Een Jood die schrijft aan Joden! Elke Jood moet om deze rust in te gaan “toegaan tot de troon der genade” en die troon der genade is den “groten hogepriester (...) Jezus” (Heb.4:14-16). Voor de uitdrukking “totdat” in Mat.23:39 en zijn betekenis zie nog Mat.2:13 / 5:18 / 5:26 / 10:11 / 11:23 / 16:28 / 24:34 en vergelijk de paralleltekst in Luc.13:25.

Een ongelovige Jood is in Gods ogen sinds Golgotha niets meer dan een ongelovige Belg of Nederlander. De Hemelse Vader wacht tot men Hem nadert met de woorden “Ik heb gezondigd” (Luc.15:21). Daarbij heeft de Jood wel al dit voordeel: hij heeft van God de woorden ontvangen die hem tot de Messias moeten brengen (Rom.3:1-4). Maar gezien het algemene ongeloof van de huidige doorsnee Israëliet en het verwerpen van de Messias Jezus, kan wat thans in Israël geschied géén vervulling zijn van één of andere profetie. Of is juist niet Israël's verwerping van zijn Messias profetisch! Dat zegt o.a. Jer.7:13-15 / Mat.21:9 / 2 Cor.3:15,16. Dat geeft Paulus toch toe in Rom.9-11! Het overgrote deel van Israël is niet tot geloof gekomen en deelt dus niet in Gods beloften van hoop en herstel (Rom.9:6).

SLECHTS OP DIE GELOVIGE JODEN SLAAT IN DIT BIJBELGEDEELTE DE UITDRUKKING “KINDEREN DER BELOFTE” (ROM.9:8). Maar dezelfde uitdrukking heeft ook betrekking op het geheel van de kerk, Joden én Heidenen in Gal.4:28.

Rom.9:24-30 Joden en Heidenen = Gods volk Dan komt Paulus tot een eerste besluit. Het gaat niet meer om vleselijke afstamming: “niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen, gelijk Hij ook bij Hoséa zegt: Ik zal niet-mijn-volk noemen: mijn-volk” (Rom.9:24,25). Hoséa 1:10 en 2:23 gaan op een geestelijke wijze in vervulling aan alle discipelen van Jezus, ras is hierbij onbelangrijk. Zij vormen thans het “ware” Israël en dat Israël is “als het zand der zee” (Rom.9:27). Zij zijn het zaad = kinderen Gods (Rom.9:29). Voor dit laatste zijn het twee teksten uit de profeet Jesaja die aangehaald worden (Jes.10:22,23 / 1:9). Paulus zegt dat ze spreken over het geestelijke Israël (van bekeerde Joden en bekeerde Heidenen) en niet van een toekomstig herstel van een vleselijke Israël. Wie daar geen “Amen” wil of kan op zeggen zal ook hoofdstuk 10 en 11 in Romeinen niet meer begrijpen. En dat doet Biederwolf (blz.418,419) voor wie deze verzen slechts op Joden betrekking hebben. Over vers 27 maakt hij volgende aantekening: “De woorden die Jesaja uitsprak hebben betrekking op de terugkeer van het


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

343

overblijfsel uit de gevangenschap. Hosea, in vers 25, spreekt van de ongelovige heidenen, maar Jesaja spreekt over de verwerping van Israël met uitzondering van het gelovige overblijfsel” Scofield geeft hierop geen commentaar. Merkwaardig is toch dat J.A.C. van Leeuwen en D. Jacobs in de ’Korte verklaring der heilige Schrift, Romeinen’, Kok, een zelfde uitleg geven over deze verzen als de voorstanders van de duizendjarige regering: Paulus spreekt hier over Israël zonder heidenen. Maar als theologen uit de Gereformeerde gezindte hebben ze natuurlijk géén leer van een komend duizendjarig rijk. Deze verzen die in het OT slechts kunnen spreken over het Joodse volk worden in dit gedeelte door Paulus toegepast op de kerk van de gelovigen in Jezus, gelovigen zowel uit de Joden als de Heidenen. Zij vormen samen het Nieuwe Israël. Romeinen 9:25 spreekt over Israël én Heidenen en aan beiden gaan de drie aangehaalde verzen uit het OT die daarop volgen in vervulling. De gedachte dat ook aan heidenen deze teksten in vervulling gaan is aangegeven door de gevolgtrekking in vers 30. Slechts in vers 31 wordt de draad met het vleselijke Israël terug opgenomen. In een commentaar hierop zegt J.S. Vos: “In vs.24-29 vindt, zoals reeds gezegd, de identificatie plaats van de “voorwerpen des erbarmens”: zij zijn de geroepenen uit de joden en heidenen. De gemeente uit joden en heidenen staat in het spoor van Izaäk, Jacob en Mozes. Met citaten uit de profeten Hosea en Jesaja bewijst Paulus deze identificatie. Hosea spreekt reeds over de roeping van de heidenen, terwijl Jesaja de redding van een “rest van Israël aankondigt.” Zie ’Paulus en de andere Joden’, edit. T. Baarda, H. Jansen, S.J. Noorda, J.S. Vos, Meimema Delft, 1984; artikel van J.S. Vos op blz.114-145. In de schematische voorstelling van Rom.9-11 volgens de schrijver (blz.119) lezen we over de verzen 25-30: “dit geldt voor ons, geroepenen uit joden en heidenen; volgens de profetie van Hosea en Jesaja: God heeft een niet-volk tot volk geroepen en in Israël een rest overgelaten.”

Er is bij God “geen aanziens des persoons” meer, sinds Petrus de honderdman Cornelius en zijn huisgezin bekeerde (Hand.10:34-36). Vergelijk nog met 1 Cor.12:13 / Gal.3:28. Dat staat ook in Rom.9:24-27. Uit het vleselijke Israël heeft een klein deel Christus aangenomen (Rom.11:5) maar het grootste deel is verhard en verblind, wat trouwens ook voorzegd was (Rom.11:7-10). Paulus geeft dan grif toe dat gezien er nu zoveel heidenen zijn die de Messias aannemen dit wel eens een prikkel zou kunnen zijn voor Israël tot bekering (Rom.11:11-24). Wellicht is ondertussen nog geldig wat Jacobus schrijft aan de 12 stammen in de verstrooiing: “Kan soms, mijn broeders, een vijgeboom olijven of een wijnstok vijgen opleveren? Evenmin kan een zilte bron zoet water geven” (Jac.1:1 / 3:12).

Schematisch ziet Rom.11:20-24 er dan als volgt uit: 1°) 2°) 3°) 4°) 5°) 6°)

geloof is het centrale thema (vers 20a) geloof alléén zal de Heidenen sparen (vers 21) geloof alléén zal de Israëlieten sparen (vers 23) geloof van Israël in de Messias zal opnieuw hun herstel betekenen (vers 24) ongeloof van Israël is verwijdering uit Gods gunst(vers 21) zo werkt Gods goedertierenheid onafhankelijk van het ras (vers 22)


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

344

7°) raciale hoogmoed telt niet meer, maar vrees (vers 20b) Wat is de situatie van het vleselijke Israël in Rom.9-11? “Zij hebben zich gestoten aan de steen des aanstoots” (9:32), “hebben zich aan de gerechtigheid Gods niet onderworpen” (10:4), “niet allen hebben aan het evangelie gehoor gegeven” (10:16), “een ongehoorzaam en tegensprekend volk” (10:21), “door hun val” (11:11,12), “hun tekort” (11:12), “nu ongehoorzaam geworden” (11:31), “allen onder ongehoorzaamheid besloten” (11:32). “Hieruit volgt dat heidenen, die de gerechtigheid niet nastreefden, haar toch hebben verworven, de gerechtigheid namelijk door het geloof” (Rom.9:30 SV).

Rom.11:26 Gans Israël = Welk Israël? De woorden, “en aldus zal gans Israël behouden worden” (Rom.11:26) mogen dus niet uitgelegd worden in contradictie tot vers 23: “maar ook zij (de afvallige Joden) zullen, wanneer zij niet bij hun ongeloof blijven weder geënt worden.” Er moet aan de voorwaarde voldaan worden van “geloof” in de God van hun Vaderen en Jezus als de Messias aannemen. Dat is nu nog niet het geval. Maar dat zal zo zijn met de Wederkomst zegt men in veel kringen. Dan blijven echter enkele vragen zonder antwoord! Heeft God ooit een gans volk gered alleenlijk op basis van nationaliteit? Of moest daar ook nog niet geloof aan toegevoegd worden? Wanneer God van datzelfde volk (en ons Heidenen) door de jaren heen geloof in Jezus vraagt als enige norm van redding waarom zou dat bij de Wederkomst anders zijn (Hand.4:10-12)? Zal God bij de Wederkomst een “aanziens des persoons” invoeren voor de Joden en niet voor de Heidenen (Hand.10:34-36)? Moet men dan toch een vorm van al-verzoening leren (alleen voor Joden) terwijl tientallen Bijbelteksten een dergelijke leer duidelijk als leerstelling verwerpen? En nog een punt: waarom zoveel nadruk leggen op de bekering van een volk terwijl in het NT alle accent ligt op de individuele bekering! Over bekeringen “en blok” van volkeren zwijgt het NT! Wanneer we het OT met het NT op dit punt vergelijken komen we ook in de problemen. Want er is geen enkele tekst uit het OT waar zonder onderscheid alle Israëlieten gered worden. Zou Paulus nu in strijd met wat de regels zijn van redding en verzoening met God thans iets anders verkondigen? Heeft geloof dan nu afgedaan als duidelijke voorwaarde tot vergeving en redding? Moet men dàt dan leren volgens het NT? Vragen waar men niet te vlug mag over heen stappen voordat we zulke drastische conclusies trekken uit dit gedeelte van Paulus! Stel dan toch dat God in al zijn barmhartigheid alle Joden zal redden. Dan staat er ook nog niets over herstel in het letterlijke Israël! Het NT zwijgt daarover en die gedachte is niet terug te vinden in de prediking van Jezus. Dàt herstel gaat men dan bewijzen uit het OT. Kan dat allemaal? Zaken zo maar verschuiven van links naar rechts, van Oud naar Nieuw Testament en omgekeerd zonder dat er aanwijzingen toe zijn! Maar ook de Griekse tekst van Rom.11:26 laat niet toe een volledig herstel van Israël te leren op het tijdstip van de Wederkomst. In de ’Korte verklaring der Heilige Schrift, Romeinen’ J.A.C. van Leeuwen en D. Jacobs, 3de druk, 1952, blz.249 lezen we: “De toebrenging van alle geroepenen


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

345

uit de heidenen, tezamen met het ’overblijfsel’ uit Israël zal zijn de redding van ’gans Israël’; vandaar dat hij zegt: ’en alzo, op die wijze zal gans Israël zalig worden.” ’En alzo’, dus niet: ’en dan’, zoals meermalen wordt opgevat. Het Griekse woord betekent: zó, op die wijze, vgl. 1 Cor.11:28 / 14:25; ook 1 Thess.4:17. Het wijst natuurlijk wel terug op hetgeen onmiddellijk voorafgaat, maar op geen der aangehaalde plaatsen wijst het zonder meer een tijdstip aan. Ook hier, 11:25, ligt de nadruk meer op de volheid der heidenen in tegenstelling met Israëls gedeeltelijke verharding dan op het: ’totdat’. Ware er sprake van een tijdstip, dan zou het op een andere wijze uitgedrukt zijn, vgl. 1 Cor.4:5 / 13:12 / 15:28,54 / 16:2 / 2 Cor.12:10 / Col.3:4, waar onze St. V. heeft ’alsdan’ of ’dan’. Zo opgevat, dat nl. onder ’gans Israël’ verstaan moet worden de geroepenen uit de heidenen tezamen met het ’overblijfsel’ van Israël, spreekt Paulus hier dus niet van een bekering van Israël als volk, als volksgeheel, tot den Christus, aan het eind der dagen, wanneer het evangelie aan alle volken zal gebracht zijn; maar hij zegt eenvoudig positief, wat in 9:6 negatief was gezegd: niet allen, die uit Israël zijn, die vormen Israël; positief kan en mag deze gedachte zó aangevuld worden: zij zijn Israël, die door het geloof erfgenamen der belofte, het ’zaad Abrahams’ zijn. En dit temeer, wanneer men in aanmerking neemt, dat de brief aan de Romeinen na dien aan de Galatiërs is geschreven, en meermalen Gal. in Rom. sterk naklinkt. Zó betekent hier ’gans Israël’, het gehele geestelijk Israël, alle ’erfgenamen der belofte’, door Paulus Gal.6:16 het ’Israël Gods’ genoemd, vgl. ook Ef.2:12” (wij onderstrepen). Uit de Griekse tekst blijkt dat Rom.11:26 niet verwijst naar een momentopname van de komst van Christus of iets dat dáárna moet geschieden. Het wijst op gans de periode van verwerping van Israël en aanvaarding van de heidenen tot aan de Wederkomst. Dat wil zeggen vanaf Pinksteren tot de tweede komst; de tijd van de christelijke heilsperiode. En de meeste vertalingen zijn hier ook correct: • “en alzoo” SV / Luther, • “en zóo” Leidse Vert., • “en zo” J.B. Poukens S.J., • “en op die wijze” Brouwer, • “en dan” Canisius, • “en zo zal tenslotte” Willibrord, • “en aldus” NBG Canisius is fout indien hij verwijst naar een nog toekomend gebeuren na de Wederkomst, de anderen correct. En hieronder nog enkele Franse en Engelse vertalingen: • “et ainsi” Segond (1979) / Crampon / Liénart / Darby / Ostervald / D. Buzy / E.Osty / Synodale, • “alors” Maredsous, • “et après cela” E. Stapfer (is duidelijk fout), • “and then” Diaglott van B. Wilson (Jehovah’s Getuigen), • “and thus” K.I.T. interlineair (Jehovah’s Getuigen), • “and in this manner” K.I.T. tekst (Jehovah’s Getuigen),


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

346

• •

“and in this manner” The better version C. Estes, “and thus” The bible in living English, Steven T. Byington (Uitgegeven door Jehovah’s Getuigen vooral omdat deze vertaling de naam Jehovah bevat) • “and so” J. Rotherham / American SV van 1901 / H. Schonfield / Douay / N.I.V., • “and then” KJV / R.SV 1881 / F. Fenton / The New American Bible, • “this done” James Moffatt, • “once this has happened” Philips. De parafrase van Philips is er één om enkele dagen in zak en as te lopen want ze is beduidend bevooroordeeld. Een staaltje van INLEGHUNDE. Toch is niet iedereen overtuigd door dit argument. Men wil aanhouden dat er bij de tweede komst een herstel is van Israël, het grootste argument berust dan op de uitverkiezing als volk. Hoe de invulling in te schatten is, geven ook de schrijvers uit het vorige citaat aan en zeggen dan (blz.249, J.A.C. van Leeuwen en D. Jacobs): “Velen menen, dat Paulus hier tot vs. 32 een bekering van Israël als volksgeheel leert. De beslissing is moeilijk, misschien mag men haar in Paulus’ woorden lezen. De boven uiteengezette opvatting lijkt verkieslijker. De uitdrukking ’gans Israël’ komt elders bij Paulus niet voor; had Paulus bedoeld een bekering van Israël als volksgeheel, dan zou het toch wel wat duidelijker mogen gezegd worden; in de woorden ’gedeeltelijke verharding’ ligt dit toch niet opgesloten; zij ontkennen, in aansluiting aan het tevoren gezegde, eenvoudig, dat Israël in zijn geheel zonder enige uitzondering, zich zou verhard hebben; en evenmin mag men het lezen uit het voegwoord: ’totdat’. Indien na het ingaan van de ’volheid der heidenen’ een andere toestand voor Israël als natie, een andere houding tegenover den Christus zou volgen, had dit toch wel met zoveel woorden mogen gezegd zijn.”

In die zin geeft ook Charles Hodge zijn commentaar op Rom.11:26. Er komt volgens hem zeer waarschijnlijk een herstel van het Joodse volk maar dat wordt opgenomen in de Kerk en er is géén toekomstig rijk bedeeld op een Nieuwe aarde. Dus ook geen toekomstig rijk in de duizend jaren. Zijn redenen aangegeven voor hun opname in de Kerk zijn nog steeds de moeite waard overdacht te worden. Zie C. Hodge, Systematic Theology, Eerdmans, reprint 1973, deel 3 blz.792, 805-121. Voor wie een andere uitgave heeft de referentie is: Part IV., Ch III, par.2 en 5.

De lezer die nog verder wil ingaan op de visie van de Gereformeerden is één van de beste dingen in de literatuur die we kennen: Steve Schlissel, ’Hal Lindsay and the restoration of the Jews’, Still Waters Revival Books, Edmonton, Canada, 1990. De schrijver is van Joodse oorsprong en is tot Christus bekeerd in de kringen waar de leer van Hal Lindsay over de duizendjarige regering en dergelijke, heilige koeien zijn. Hij heeft deze na nauwkeuriger bestuderen van de eindtijdprofetieën gewoon moeten aanklagen in dit en andere boeken. Deze titel is de beste. Dit is Messiasbelijdend Jodendom op zijn best!

De ’SDA Bible Commentary’, zegt bij Rom.11:25 en 26 o.a. het volgende: “De verharding is niet gekomen over geheel Israël, maar slechts ’voor een deel’. Ze trof niet het overblijfsel naar de verkiezing der genade. (vers 5). ’Enige der takken’, niet alle, zijn afgebroken


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

347

(17). Tot het uiterste einde destijds zal de verharding ’voor een deel’ de geestelijke toestand der Joden zijn. De twee sleutelgedachten van dit Schriftgedeelte zijn: ’de volheid der Heidenen’ en ’geheel Israël’ (vers 26). Indien, zoals sommigen menen, Paulus in deze uitdrukking letterlijk het heiligdom in zijn geheel hieronder vervat, en ’geheel’ het Joodse ras naar het vlees, dan predikt hij kennelijk de alverzoening. Wat Paulus echter leert in dit Schriftgedeelte, is stellig niet de alverzoening, want zijn brieven bevatten talrijke teksten die volkomen in strijd zijn met de leer (zie Rom.1:18,32; 2 Thess.1:7-10; enz.). (...) In vers 12 spreekt Paulus over ’de volheid’ van de Joden. ’De volheid der Heidenen’ dient dan natuurlijk zó te worden verstaan, dat het verwijst naar die Heidenen die het gehele Evangelietijdperk door, de middelen der verlossing aannemen. Met ’zal ingegaan zijn’ wordt bedoeld: in het Koninkrijk van Christus, de gemeenschap van Gods volk, dat voorgesteld wordt door de goede olijfboom en waarin sommigen van de Heidenen reeds zijn ingeënt. ’En alzó’, dat wil zeggen: op die wijze, ’zal geheel Israël zalig worden’. Dat Paulus niet de alverzoening zowel voor Heidenen als Joden leert, is hierboven reeds aangetoond. Bovendien, waarom zou slechts het geslacht der Joden dat in de eindtijd leeft, de zaligheid verzekerd zijn door een zeker Goddelijk besluit? Paulus heeft zijn hoop uitgedrukt dat ’enigen uit hen’ (vs.14) mochten behouden worden. Hieruit blijkt duidelijk, dat hij geloofde dat velen alle pogingen om hen te behouden, verwerpen zouden, en dat dienovereenkomstig hij nooit de bekering van een gehele natie op het oog had. (...) Andere verklaarders menen, dat ’geheel Israël’ het geestelijk Israël voorstelt. Dit gezichtspunt is gebaseerd op de gedachte, dat Paulus hier zijn voorbeeld van de olijfboom afmaakt. Hij heeft aangetoond hoe de takken die de ongelovige Joden voorstellen, waren afgebroken, en de enten van de wilde olijfboom, die de Heidenen voorstellen, werden geënt. Hij heeft ook aangetoond, hoe de afgehouwen takken herenigd zouden kunnen worden met de oorspronkelijke stam. Door het enten van deze takken zou de boom, die het geestelijk Israël voorstelt, weer tot een volkomenheid gemaakt worden. Aldus zou met ’geheel Israël’ alle verlosten bedoeld worden, Joden en Heidenen, die tezamen het ’gehele’ ware Israël vormen (Rom.2:28,29; Gal.6:15,16). ” (Wij citeren hier de vertaling uit de niet onaardige brochure van de gekende Adventist F.J. Voorthuis, ’Israël en de Maranathaverwachting’, Boekenhuis Veritas, z.j.(1965), blz.53-55.) Het argument dat men gebruikt; de term Israël in Rom.11:26 moet uitgelegd zoals in vers 25 en spreekt daarom over het vleselijke volk - kan daarom niet juist zijn. Reeds aan het begin van de brief aan de Romeinen is het voor Paulus duidelijk dat de vleselijke afstamming van iemand niet een echte Jood maakt (Rom.2:25-29 / 4:11,12). En wanneer hij dat gedeelte aanvangt in relatie van de Joden/Heidenen, merkt hij van den beginne op dat er een vleselijk en een echt Israël is. Want beide zijn niet hetzelfde. Dat is duidelijk in Rom.9:6-8: “Het is echter niet zóó, dat het woord Gods gefaald zou hebben. Want niet allen uit Israël zijn Israël; evenmin zijn allen kinderen van Abraham, omdat zij tot zijn nakroost behooren, maar: Izaäks kinderen zullen uw nakroost heeten. Dat wil zeggen, niet de op natuurlijke wijze geboren kinderen zijn kinderen Gods; maar de kinderen, in wie de belofte wordt vervuld, die worden tot nakroost gerekend”(Brouwer). En wat denkt bijvoorbeeld iemand als Calvijn hierover: “Wederom, nadat hij hun het ijdel vertrouwen op hun afkomst ontnomen had, en toch aan de andere kant zag, dat het verbond, dat God eenmaal met Abrahams nakomelingen had aangegaan, geenszins teniet gemaakt kon worden,


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

348

betoogt hij in het 11e hoofdstuk, dat de vleselijke verwantschap met Abraham niet van haar waardigheid beroofd mag worden, door welke weldaad, zo leert hij, de Joden de eerste en natuurlijke erfgenamen van het evangelie zijn, behalve voorzover zij door hun ondankbaarheid, als onwaardigen, verstoten zijn; maar toch zo, dat de hemelse zegening niet geheel van hun volk is weggegaan. Daarom noemt hij hen, ofschoon ze hardnekkig en verbondbrekers waren, niettemin heilig. Zoveel eer betoont hij aan het heilige geslacht, hetwelk God zijn heilig verbond waardig gekeurd had (...) Opdat ze dus niet van hun voorrecht zouden worden beroofd, moest hun in de eerste plaats het evangelie verkondigd worden. Want ze zijn in Gods huisgezin als het ware de eerstgeborenen. Daarom moest hun deze eer betoond worden, totdat ze de hun aangeboden eer verwierpen en door hun ondankbaarheid maakten, dat ze naar de heidenen werd overgebracht. En met hoe grote hardnekkigheid zij ook volhouden oorlog te voeren tegen het evangelie, zo mogen wij hen daarom toch niet verachten, wanneer wij bedenken, dat Gods zegening, ter wille van de belofte, nog onder hen overblijft, gelijk de apostel betuigt, dat ze nooit geheel van hen zal wijken; want Gods gaven en roeping berouwen Hem niet.” Institutie Boek IV, hoofdstuk 16, slot par.14, W.D. Meinema Delft, z.j., vertaling Dr. Sizoo. Volgens Calvijn, (in zijn commentaar op Rom.11:26) is de naam Israël het gehele volk van God. Maar zegt: “dat de Joden de eerste plaats zullen innemen, daar deze in het huisgezin Gods als het ware de eerstgeborenen zijn” (“ut priorem locum Judaei ontineant, ceu in familia Dei primogeniti”). En daar moet en kan men slechts, “amen” bij zeggen. Met het oog op alles wat we hebben gezegd in dit verband moet dan ook de uitleg van J. De Vreugd over de term “gans Israël” verkeerd zijn. Hij zegt in het tijdschrift ’Christenen voor Israël’, mei 2001, blz. 24: “Vanuit het bijbels taalgebruik moeten we in ieder geval vaststellen dat ’geheel Israël’ ongeveer de helft van de gevallen dat de term wordt gebruikt, inderdaad betekent ’alle Israëlieten’ hoofd voor hoofd, en in de andere helft gaat het om een deel van Israël, maar dat dan wel weer in zijn totaliteit. Zo komt de term in het Oud Testament nogal eens voor als het om het leger van Israël gaat; met ’geheel Israël’ wordt dan het totale leger van Israël bedoeld.” Maar dat lijkt ons te gemakkelijk als oplossing en vooral de conclusie die hij hieruit heeft getroffen; allen van Israël uit de eindtijd. Ten eerste wordt de term “geheel Israël” in het NT niet zomaar gebruikt zoals hij in het OT gebruikt is. De term ontbreekt er bijna totaal en een vergelijk vanuit dat standpunt dringt zich niet op. Wanneer we zéér breed zijn in onze berekeningen dan komt de term in het NT slechts driemaal voor, waarvan Rom.11:26 er één is. Ten tweede heeft de term gans Israël wanneer gebruikt in betrekking tot het leger van Israël niet de betekenis van allen. Want daarbij moeten dezen uit het leger die kortelings getrouwd zijn uitgesloten worden. Ze hebben namelijk recht op één jaar verlof uit het leger wanneer ze trouwen. En er zijn nog enkele andere uitzonderingen (Deut.20:5-7). Tot slot: waarom dit beweren wanneer er klaar en onomwonden in het NT staat dat niet allen Israël zijn die uit de aartsvader Abraham stammen (Gal.3:14,26-29). We gaan dus nog wat verder in op de tekst!

Rom.11:26. Gans Israël: 4 of (5) visies We citeren van F. Refoulé en zijn ’Et ainsi tout Israël sera sauvé’, Editions du Cerf, 1984, blz.36-45,181 (sterk ingekort).


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

349

“a) Gans Israël: het historische volk. Deze verklaring wordt door het grootste deel van de huidige commentators aangenomen. Volgens deze uitleg is Israël in 11:26a de aanduiding van het historische Israël of het vleselijke Israël. Aan dit Israël kondigt Paulus het heil aan (...) In zijn voordeel zijn de volgende argumenten. 1°) Vooreerst de context: vanaf het begin van hoofdstuk 9 spreekt Paulus over de toekomst van dit volk (...) 2°) De term Israël kan in vers 26a geen andere betekenis hebben dan in vers 25 (...) 3°) “Gans” staat in tegenstelling met het “gedeeltelijke” van vers 25.. . 4°) “Gans” is het tegenbeeld van “volheid” der heidenen in 11:25 (...) 5°) Tenslotte. In de Septuaginta is de uitdrukking “gans Israël” hetzelfde als “gans het volk van Israël.” b) Gans Israël: het Israël van God. In zekere zin is deze uitleg de omgekeerde van de vorige. En waarschijnlijk ook de oudste. Het was in elk geval deze van Theodorus van Mopsuesta, Theodorus van Cyrus, Theophylactus, Augustinus (...) Deze uitleg had weinig aandacht in de Middeleeuwen (...) Maar ze werd terug geleerd in de tijd van de Reformatie. Het was de uitleg van Luther en later Calvijn (...) en heeft heden nog vertegenwoordigers onder O. Glombitza, L. Cerfaux, E. Osty, D. Judant, H. Ponsot (...) We volgen hier zijn (Ponsot) uitleg: 1° Het tijdelijke van “achri hou” (“totdat” vers 25) heeft betrekking op de periode van de (...) handeling die gaande is, maar zegt niets over de daaropvolgende tijd. 2° “Houtôs” (“aldus”) heeft een betekenis van aanwijzing (...) 3° De betekenis van “houtôs” door U. Luz aangenomen als de wijze waarop God te werk gaat doet H. Ponsot besluiten dat de tijdsperiode of de aantallen in deze teksten toch vaag zijn, zonder het totaal uit te sluiten zijn, (...) 4° Men moet de beperkingen van Paulus in 11:14 en vooral 11:23 aldus begrijpen (...) c) Gans Israël: het Israël van God + het verharde Israël. Deze uitleg is nauw verwant aan de vorige gezien “gans Israël” Joden en heidenen bevat. Daarom is ze soms verward met de uitleg van b) (...) Ze zijn echter niet identiek gezien daar de redding van het verharde Israël niet is inbegrepen (...) Hier kunnen we noemen K. Barth, O. Cullmann, E. Gültgemans, D.E.H. Whiteley, J. Jeremias, W. Vischer, C.K. Barrett, C.H. Giblin (...) Ook deze uitleg is niet zonder argumenten. 1° Ze schijnt conform te zijn aan het hoofdthema uit Romeinen, in 1:16 staat “Ik schaam mij het evangelie niet!” 2° In dezelfde lijn ligt Rom.11:32: “Want God heeft hen allen onder ongehoorzaamheid besloten, om Zich over hen allen te ontfermen.” 3° “houtôs” is die uitleg gunstig (...) men moet aan vers 25 de toevoeging doen dat ook het andere deel zal terugkeren. 4° Tenslotte (...) het thema van de pelgrimstocht van de volkeren aan de horizon van deze verzen. Paulus zou hier het visioen van de profeten op het oog hebben dat heidenen optrekken naar Jeruzalem om daar hun schatten aan te bieden (...)


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

350

Bij deze uitleg gelden dezelfde bezwaren als voor de vorige uitleg (...) d) Gans Israël: het Israël van de uitverkiezing . Dit was de uitleg van veel protestantse exegeten uit de 18de eeuw en begin 19é eeuw. Heden heeft het nog slechts weinig verdedigers, waaronder toch H. Ridderbos en H. Willkom (...) Voor Mélanchton, Philippi, Olshausen, H. Willkom is gans Israël het totaal van alle Joden die zich hebben bekeerd. Het argument van Willkom is: 1° (...)”achri hou” (“totdat” in vers 25) zegt niets over wat er daarop volgt (zie ook de 2de uitleg) (...) In Mat.24:14, de tekenen van het einde is er geen enkele verwijzing naar een “tijd voor de Joden” 2° De “volheid” spreekt over alle uitverkorenen uit de heidenen zo moet het “gans Israël” in Rom.11:26 overeenkomen met alle (uitverkorenen) uit de heidenen. 3° Paulus schrijft “houtôs” (aldus) en niet “tote” (dan) (...) 4° De aanhaling van Jes 59:20 wijst er duidelijk op dat behalve de Rest van Israël de anderen onder de gramschap van God komen te staan. 5° “Uit Zion” laat een toepassing met de 2de komst niet toe (vers 26b) 6° De belofte van het nieuwe verbond door Jeremia in 31:33 is vervuld met de komst van Christus in het vlees en de passie die de vergeving der zonden heeft gebracht. 7° Deze uitleg is geen toutologie. Want het is niet vanzelfsprekend dat er nooit een tijd ontbreekt in de geschiedenis der mensheid zonder bekering van enkele Joden en dat het Joodse volk blijft tot de tijd van alle heidenen volbracht is” (blz.36-45). En de vijfde verklaring van F. Refoulé, die toch niet de eerste de beste theoloog is gezien zijn post als direkteur van l’Ecole Biblique de Jerusalem. “De dubbele bevestiging van Paulus in de hoofdstukken 9-11: “De Rest zal behouden worden” en gans Israël zal gered worden” is dan geen tegenstrijdigheid: het is zeker de Rest die behouden wordt, maar de ganse Rest, zij die reeds in de Kerk zijn opgenomen en dezen die hun hart nog verhard hebben. Dat is het mysterie door Paulus beschreven” (blz.181). Deze uitleg heeft wel het voordeel dat het begrip Israël hier steeds dezelfde betekenis

blijft behouden in deze teksten maar lijkt ons niet in de zin van het argument van Paulus. Want teksten in de profeten die over Israël spreken worden door Paulus in het voorgaande (Rom.9:25 vv.) op de gemeente van Joden en Heidenen toegepast! Gezien Refoulé vooral nadruk legt op de Katholieke vertegenwoordigers van de verschillende visies, hieronder enkele van Protestantse huize. 1°) Volgens allen die de leer van de bedelingen aannemen. Uitzonderlijk iemand in de klassieke theologie die denkt dat God alle Joden zal genadig zijn en tot bekering bengen. 2°) Luther, Calvijn, Van Leeuwen en Jacobs (Korte Verklaring), Denny (Expositor’s Greek Testament), Doekes, Erdman, Gifford. 3°) Greydanus, Hodge, Sanday and Headlam (I.C.C. 1é serie)


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

351

4°) Barthing, Bavinck, Berkhof, Hallesby, Lenski, Odland, Ridderbos, Volbeda. Er zijn in dat gedeelte van Romeinen hoofdstukken 9-11 elf verwijzingen te vinden naar de term Israël en die volgen hieronder in chronologische orde uit de Willibrordvertaling van 1995 (8 maal Israël, 2 maal Israëlieten, 1 maal Israëliet). Rom.9:3,4: “Waarlijk, ik zou wensen zelf vervloekt en van Christus gescheiden te zijn, als ik mijn broeders, mijn lijfelijke verwanten, daarmee kon helpen; ik bedoel de Israëlieten.” Rom.9:6: “Toch is het niet zo dat Gods woord heeft gefaald. Want niet allen die uit Israël stammen, behoren tot Israël.” Rom.9:27: “En omtrent Israël roept Jesaja uit: Al waren de Israëlieten talrijk als het zand van de zee, slechts het overschot zal gered worden.” Rom.9:31: “Maar Israël, met al zijn ijver voor de Wet van de gerechtigheid, heeft het doel van de Wet niet bereikt.” Rom.10:19: “Maar, vraag ik weer, heeft Israël het misschien niet begrepen? Als eerste is er Mozes, die zegt: Ik zal u naijverig maken op een volk dat geen volk is, en kwaad op een volk zonder inzicht.” Rom.10:21: “Maar met betrekking tot Israël zegt hij: De hele dag heb Ik mijn handen uitgestrekt naar een ongehoorzaam en weerspannig volk.” Rom.11:1: “De vraag is nu: heeft God zijn volk verstoten? Helemaal niet. Ik ben zelf een Israëliet, een afstammeling van Abraham uit de stam Benjamin.” Rom.11:7: “We zien dus dat Israël niet heeft bereikt wat het nastreeft. Alleen het uitverkoren deel heeft zijn doel bereikt; de overigen zijn versteend.” Rom.11:25: “Overschat uzelf niet, broeders en zusters. Ik wil u niet onkundig laten van dit geheim: de verstening die over een deel van Israël gekomen is, duurt slechts totdat de grote massa van de heidenvolken is binnengegaan.” Rom.11:26: “En zo zal tenslotte heel Israël gered worden, volgens de woorden van de Schrift (...) .”

Een opmerking bij deze teksten van G.C. Berkouwer ’De wederkomst van Christus’, deel II, Kok, 1963, blz.144 die zegt: “Het is echter goed er aan te denken, dat de vanzelfsprekendheid m.n. over de verliesbare verkiezing het grote probleem van Israël is geweest en dat de profeten (Amos!) haar met de meeste stelligheid hebben weersproken als een misvatting, als een onjuiste conclusie uit de trouw van God. We komen dan nl. in een totaal andere sfeer dan wanneer Paulus over die trouw van God handelt. Het is juist voor het verstáán van de trouw Gods essentieel, te beseffen, dat het ongeoorloofd en onmogelijk is hieruit als uit een “stelling” conclusies te trekken en dat het alleen in de weg van geloof en bekering kan worden verstaan. De vanzelfsprekendheid is een aan de trouw van God vreemde kategorie, die dan ook nimmer als algemene waarheid in het kerugma kàn worden opgenomen. Als Paulus over Gods trouw spreekt, dan handelt hij niet over een goddelijke vanzelfsprekendheid, maar dan wijst hij de correlatie aan tussen Gods barmhartigheid en het geloof.”

“Alle” niet altijd = “allen” zonder onderscheid Er zijn van die woorden die méér dan één betekenis hebben zowel in de Griekse taal van het NT of een vertaling ervan. Zo een woord is “pas.” Dat Griekse begrip dat in het origineel zowel enkelvoud als meervoud kan zijn is in de Statenvertaling en de NBG weergegeven door een


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

352

dertigtal begrippen. In de King James version ongeveer een veertigtal. Het is het woord dat in Rom.11:26 staat wanneer Paulus over “gans” (= Grieks “pas”) Israël spreekt. Gezien uit het onderzoek van dat woord regelmatig blijkt dat “pas” niet gelijk is aan “allen zonder één uitzondering” hoeft dat ook niet in Rom.11:26 zo te zijn. •

Laten we daarop dieper ingaan aan de hand van voorbeelden. Wat is de betekenis van Mat.4:23? Wat doet Jezus? Hij geneest “alle ziekte” (SV / Brouwer), “allerlei ziekte” (Luther / Leidse Vert.) of “iedere ziekte” (Canisius)? We staan hier aan het begin van Zijn prediking en Zijn wonderen, maar indien “alle” hier “alle zonder één uitzondering” is, dan valt er daarop niemand meer te genezen. Maar enkele maanden later krijgen de apostelen opdracht om “alle ziekte” te genezen (Mat.10:1). Maar ook daarna blijken er nog zieken te zijn in Israël (Mat.12:10,22). Zodat we tot de slotsom moeten komen dat “alle” (= Grieks “pas”) dus niet wijst naar het aantal zieken maar wijst naar het soort van ziekten die Jezus geneest. Zo kan men vertalen “allerlei” (Luther / Leidse Vert.).

De context van een Schriftuurplaats waar “pas” gebruikt is kan ook duidelijk maken wat zijn betekenis is. Zo zijn “alle verzoekingen” van de Satan in Luc.4:13 te herleiden tot 3 verzoekingen. Wanneer Herodes hoort van de wijzen uit het Oosten dat er een nieuwe koning zou geboren zijn, is “geheel” (= Grieks “pas”) Jeruzalem ontsteld. Maar dat “geheel” klopt niet met een reeks uitzonderingen waaronder Maria, Jozef, Zacharias, Elisabeth, Simeon en Anna. Lees daarvoor de eerste hoofdstukken in het evangelie van Lucas.

We lezen in Mat.3:5 dat “allen” uit Jeruzalem, Judea en de Jordaanstreek tot Johannes komen om gedoopt te worden. Maar dat is zéér onwaarschijnlijk want het is niet zo dat zijn boodschap gehoor zou vinden bij het merendeel van Farizeeën, Sadduceeën, Zeloten of Essenen. Hij weigert ze trouwens te dopen (verzen 7-12). In Mat.13:34 lezen we dat Jezus “alles” (= Grieks “pas”) zegt in gelijkenissen. Maar er zijn genoeg dingen aan te halen van Jezus die niet in parabels werden gesproken.

Nog belangrijker is de theologische betekenis van twee teksten waar een vergelijk gemaakt wordt tussen Adam en Christus. Ze bewijzen, zegt men, dat alle mensen een opstanding krijgen. Maar dit is een verkeerdelijke visie op deze Schriftuurplaatsen. Niet dat we het opstaan uit de doden van de onrechtvaardigen niet zouden aannemen. We geloven dat zeker, maar dan wel op basis van o.a. twee andere belangrijke teksten en dat zijn; Joh.5:28,29 en Hand.24:15. En we citeren ze daarom: “Verwondert u hierover niet, want de ure komt, dat allen, die in de graven zijn, naar zijn stem zullen horen, en zij zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven, wie het kwade bedreven hebben, tot de opstanding ten oordeel” Joh.5:28,29. En: “Terwijl ik van God hoop, gelijk ook dezen zelf het verwachten, dat er een opstanding van rechtvaardigen en onrechtvaardigen zal zijn” Hand.24:15.

We geven dan ook hierbij onze argumenten waarom de twee betrokken teksten die men aanhaalt om een algemene opstanding te bewijzen niet mogen gebruikt worden in dat


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

353

verband. De tweede tekst is 1 Cor.15:22 en mensen die in een toekomstig duizendjarig rijk geloven, gebruiken dit gedeelte te pas en te onpas. Omdat de indruk gewekt wordt in hun uitleg dat er in dat gedeelte sprake is van drie opeenvolgende opstandingen; Christus, de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen. Maar zoals boven aangetoond is dat niet het geval en wordt de Schrift geweld aangedaan. De eerste van deze teksten is Rom.5:18: “Derhalve, gelijk het door één daad van overtreding voor alle mensen tot veroordeling gekomen is, zo komt het ook door één daad van gerechtigheid voor alle mensen tot rechtvaardiging ten leven” (wij onderstrepen). We kunnen u meerdere citaten aanhalen waarbij “allen” uitgelegd wordt als “alle mensen” gezien het gaat om alle afstammelingen van Adam, in die exegese. Maar voor elk citaat in die aard is er een ander aan te halen waar “alle” slechts spreekt over de gelovigen in Christus. Hierbij twéé als voorbeeld en ter illustratie. Citeren we vooreerst H.C.G. Moule, ’The epistle to the Romans’, Pickering & Inglis, 7th edition, z.j., blz.151: “We denken ook niet, wanneer we nadenken over vers 18, dat omwille van de “veroordeling” over “alle mensen” in de betekenis van niet slechts de mogelijkheid veroordeeld te worden maar het ook in werkelijkheid nog te zijn, daarom “alle mensen” een rechtvaardiging ten leven ontvangen. Ook hier is de boodschap van Paulus zoals altijd, zowel in deze brief als de andere van Paulus, deze van het persoonlijk aanvaarden van de boodschap. De voorziening is er voor de mensheid als geheel, maar het bezitten ervan is slechts voor de gelovigen weggelegd. Neen, deze grote onderscheidingen in de parallel moeten onze hoogste zorg zijn.” En de Gereformeerde theoloog D.G. Barnhouse schrijft in een nog steeds prachtig homilitisch commentaar op het boek aan de Romeinen: “Laten we er in het voorbijgaan van deze tekst nog op wijzen dat de uitdrukking “alle mensen” niet mag geïnterpreteerd worden als elk mens in het menselijke ras. Hier is een goed voorbeeld van het bijbelse beginsel dat een vers geen private uitleg toelaat (2 Pet.1:20). Want immers wanneer we deze tekst nemen zoals het er staat, en gewoon maar afgaan op wat er in een woordenboek staat over het begrip “alle”, dat we dan moeten leren dat er een universele verzoening en redding is van alle mensen. Maar we weten uit zoveel andere passages uit de Schrift dat dit niet het geval is. Jammer dan ook dat er nog steeds mensen zullen zijn die de Zoon onder de voeten vertrampelen. Maar ze zullen van God verwijderd worden. In meerdere bijbelpassages komen we de begrippen “alle mensen”, “ieder mens”, of “onder de mensen” tegen. Maar ze betekenen daar zonder enige twijfel “alle gelovige mensen”, “ieder gelovig mens” of “onder de gelovige mensen.” De gelovige is deze die Gods uitspraak over zijn eigen zonde heeft aanvaard en daarenboven aanneemt dat zijn persoonlijke zonden op het kruis is geplaatst en dat de rechtvaardiging van de Redder op het krediet van de zondaar is overgedragen. In 1 Cor.3:11-15 is er geen twijfel mogelijk dat “ieder” en “alle” slechts over de gelovigen spreekt. Want allen die in de tekst genoemd worden zijn gered, sommigen ontvangen zo waar ook een aanvullende beloning, ze worden allen gered als door het vuur heen. Zo moeten we ook de uitdrukking “alle mensen” in deze tekst verstaan. Het is de rest van de Schrift waaruit we begrijpen dat de vrije gift van Gods genade en rechtvaardigheid voor alle wedergeborenen de


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

354

rechtvaardiging meebrengt door het werk van de Verlosser.” We citeren de herdruk van 1977 bij Wm. Eerdmans, deel 3, blz.89,90. De theologie is dus verdeeld in twee kampen; dezen waar “allen” in Rom.5:18 niemand uitsluit, maar de anderen waar “allen” slechts de gelovigen insluit. En 1 Cor.15:22 is de tweede tekst. De NBG zegt: “Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden” (wij onderstrepen). Ook hier kunnen we twee kanten op met “allen.” “Allen” als alle afstammelingen van Adam of “allen” slechts en alléén de gelovigen in Christus. En bij dit laatste zijn er nog twee visies, een groep die géén onderscheid maakt tussen gelovigen vóór of na Christus en dezen die dat onderscheid wel maken. Maar op dit laatste gaan we niet in. Dat de opstanding van deze “allen” slechts over gelovigen spreekt hiervoor de volgende citaten. Vooreerst uit F.W. Grosheide, ’Korte Verklaring der Heilige Schrift, 1 Korinthe’, Kok, 3de druk 1966, blz.188, 189. “In de mens Adam sterven allen, in de mens Christus worden allen levend gemaakt. Dat dit allen niet absoluut moet genomen worden, ligt in de aard der zaak. Paulus spreekt alleen van de gelovigen. Dat blijkt, wat de levendmaking betreft, duidelijk uit vs. 23: die in Christus zijn. Men kan het ook zó zeggen. De daad van Adam en die van Christus heeft betekenis voor hen, die in hen zijn, gelijk er uitdrukkelijk staat. Dit vers mag in geen geval gebruikt worden als bewijsplaats voor de leer, dat alle mensen in Christus behouden worden. Sterven staat in de tegenwoordige tijd. De apostel stelt het dus niet zó voor, dat, toen Adam stierf, allen stierven, maar hij denkt aan het voortdurend sterven van Adams nakomelingen. Daarentegen staat levend gemaakt worden in de toekomende tijd, Paulus denkt daarbij dus aan de opstanding, die voor allen tegelijk vallen zal bij de wederkomst van Christus, zie vs. 23. Die opstanding is, juist omdat de gestorvenen ook leven, wat wij noemen de opstanding des vleses, zie vs. 44. Maar daarbij moet vooral op opstanding de nadruk vallen, want de mens staat op, vs.23” (wij onderstrepen wat de schrijver in schuinschrift zet). En J. Reiling, ’De eerste brief van Paulus aan de Korinthiërs’, Callenbach, 1997, blz.275, 276 zegt: “(15:22) Het ’door een mens’ van vs.21 wordt in vs.22 vervangen door ’in Adam’ en ’in Christus’. De woorden ’dood’ en ’opstanding van doden’ worden nader ontvouwd in werkwoorden: ’allen sterven’, ’allen zullen levend gemaakt worden’. Het eerste is tegenwoordige tijd, het tweede is futurum. Adam is de eersteling van alle mensen: hij is gestorven door zijn zonde en dat werkt door in alle mensen, zodat zij ook sterven. Christus is de eersteling van de gestorven mensen, omdat Hij de eerste is die uit de dood is opgewekt. Ook dat werkt door in allen, zodat zij levend gemaakt zullen worden. De vraag rijst of beide keren met ’allen’ dezelfde mensen worden bedoeld, met andere woorden of met deze zin de algehele opstanding van de doden wordt verkondigd. De herhaling van ’allen’ is echter eerder het gevolg van de parallelle opbouw van vs. 21-22 dan bedoeld als een theologische identificatie. In vs. 23 preciseert Paulus dit tweede ’allen’ als ’zij die van Christus zijn’.”

Dat wil zeggen: dat in de theologie van Paulus


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

355

het begrip “allen” dus soms een beperktheid kan inhouden! Laten we dan nu onze aandacht richten op enkele teksten uit het OT die spreken over het herstel van Israël en de manier waarop “alle” daar is gebruikt. Lezen we eerst (wij onderstrepen): • Jes.60:4: “Hef uw ogen op en zie rondom: zij allen verzamelen zich, komen tot u; uw zonen komen van verre en uw dochters worden op de heup aangedragen” (vergelijk 49:18). •

Jes.60:20,21a: “Uw zon zal niet meer ondergaan en uw maan niet meer afnemen, want de HERE zal u tot een eeuwig licht zijn en de dagen van uw rouw zullen ten einde wezen. Uw volk zal geheel uit rechtvaardigen bestaan.”

Jes.66:20: “En zij zullen al uw broeders brengen uit alle volken als een offer voor de HERE; op paarden en op wagens, op draagstoelen; op muildieren en op snelle kamelen, naar mijn heilige berg, naar Jeruzalem, zegt de HERE, zoals de Israëlieten het offer in rein vaatwerk naar het huis des HEREN brengen.”

Hoewel we dus telkenmale “alle” lezen, zijn er toch een reeks Joden uitgesloten van dat herstel. •

Jes.35:8,9: “geen onreine of dwaze maar slechts de verlosten en vrijgekochten.”

Jes.52:1: “geen onbesnedene of een onreine.”

Jes.66:17: “niet zij die zwijnevlees eten of gruwelijke beesten of muizen, maar de heiligen en dezen die zich gereinigd hebben.” Duidelijker kunnen we het niet zeggen. De drie eerste teksten worden steeds aangehaald om zogezegd te bewijzen dat “gans Israël” bij de Wederkomst gered zal worden in zijn totaliteit. Maar dat beeld wordt niet aangehouden in de drie daaropvolgende teksten. En ook die hebben betrekking op die herstelperiode van de nieuwe hemel en aarde.

“Gans Israël” wil dus niet zeggen, alle Joden zonder één uitgezonderd! Dat leert de Bijbel absoluut niet En passen we dit beginsel ook nog toe op het NT. Neem het evangelie van Johannes als voorbeeld: 1°) Jezus kwam (de Logos werd mens) “opdat allen door Hem geloven zouden” 1:7. 2°) “En zij zullen allen door God geleerd worden” 6:45a.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

356

3°) Maar het zijn slechts “allen” die God aan Jezus heeft gegeven die geloven volgens 6:45b en 17:2. Dus niet alle Israëlieten werden gered toen Jezus rondging, goeddoende en de zonden vergevende. Maar waarom zou er nog eens een herstel moeten zijn in de toekomst? Waar Hijzelf zich niet over uitspreekt? Hij ging toch niet om met een boodschap: kijk mensen dit is jullie voorlaatste kans! Een toekomstig letterlijk herstel prediken lijkt ons daarom een utopie want bij Jezus gaat het om het geestelijke. Het is dus duidelijk dat niet alle Israëlieten gered worden bij de Wederkomst. Wie dat beweren ontnemen ook aan Paulus de argumenten die hij tevoren in zijn brief aan de Romeinen heeft gezegd. Hij heeft duidelijk gemaakt dat niet allen die uit Abraham stammen of die uit Israël zijn, automatisch gered worden (Rom.2:28,29 / 3:9,22 / 4:13-16 / 8:4,6,13,28,33 / 9:6-8). Sinds Pinksteren is er iets totaal nieuw gekomen. We mogen dat niet wegmoffelen. Nog een klein detail. Ook in de Talmoed komt de uitdrukking “gans Israël” eens voor in de betekenis dat er toch een reeks Joodse mensen zijn uitgesloten. Zie Sanhedrin X.1., en het commentaar van C.K. Barrett, Romans, Black, 1974. En de goede visie op de uitverkiezing moet dan deze zijn van G.C. Berkouwer ’De wederkomst van Christus’, deel II, Kok, 1963, die zegt in dit verband: “Het gaat hier niet om een meer of minder, omdat een dergelijke vergelijking uitgesloten wordt door wat verkondigd wordt, nu God allen onder ongehoorzaamheid besloten heeft om Zich over allen te ontfermen. Wanneer het chiliasme Israël weer “particularistisch” tot centrum maakt, dan ligt daarin m. i. geen meerdere, maar een mindere waardering voor Israël. Niet ten onrechte schrijft Schenk: “Es liegt ihm (Paulus) gar nichts an einer eschatologischen Vorzugsstellung Israëls im Sinne seiner geistlichen Mittlerschaft under den Völkern, noch viel weniger natürlich an seiner nationalen politischen Wiederherstellung.” Het is hem er om te doen, dat Israël - gans Israël - de zin van zijn bestaan - zijn verkiezing - zal ontdekken om zo met de aangenomen heidenen te leven onder Gods ontferming.”

Rom.11:25. Een geheimenis Vraagt u zich af waarom we niets zeggen over het begrip “mysterie = geheimenis” dat Paulus opvoert in Rom.11:25? Laten we dat hierbij dan doen. Maar lopen we niet te hard van stapel bij het horen van dat woord. De gedachte die men meestal leert bij de uitleg van dat begrip onder de verdedigers van de duizendjarige regering is dat Paulus hier een splinternieuwe openbaring gaat wereldkundig maken. Maar die uitleg klopt helemaal niet met de context van wat Paulus zegt. We citeren twee (uit vélen) die dat punt onderlijnen. Th. C. De Kruif zegt in ’De brief van Paulus aan de Romeinen’, Katholieke Bijbelstichting, 1986, op blz.224, 225 het volgende in dat verband: “Veel lezers en uitleggers van deze brief storten zich, wanneer zij bij dit vers zijn aangekomen, meteen op het woord ’geheim’. Zij letten dan te weinig op het aanwijzend voornaamwoord ’dit’, dat op nabijheid, niet op afstand duidt. ’Dit geheim’ is niet iets dat nog onthuld moet worden, maar iets dat Paulus zojuist, in het vorige vers onthuld heeft. Het enige nieuwe is, dat hij nu zonder beeldspraak zegt: ’zo zal heel Israël gered worden’. Geen van de drie elementen waaruit ’het geheim’ bestaat is echt geheim. Dat ’verharding ten dele over Israël is gekomen’ is constateerbare werkelijkheid. ’Tot de tijd van de volheid van de volken is binnengegaan’ is een zeer


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

357

bekend thema uit de profetie (vgl.Jes.2,2-3;56,7;60,3;Mich 4,2 (...)) ’Zo zal Israël gered worden’ is eveneens een leerstuk, zoals blijkt uit Paulus’ verwijzing naar de Geschriften. Het geheime van ’geheim’ is de onnaspeurlijkheid van Gods wegen (v.33vv) (...) De ’onberouwelijkheid’ van Gods liefde is het eigenlijke mysterie. De Geschriften’ hebben dit mysterie - onopgelost en onoplosbaar - aan ons doorgegeven” (wij onderstrepen).

Een tweede citaat van A.F.N. Lekkerkerker uit, ’De brief van Paulus aan de Romeinen’, deel 2, Callenbach, 1965, blz.94: “De apostel gaat nu over naar de verkondiging van een “mysterie.” Dit woord heeft in de apocalyptiek de zin van een verborgen goddelijk raadsbesluit dat aan het einde der tijden in de openbaarheid treedt en zich gaat verwerkelijken. Deze betekenis is vrijwel op alle plaatsen in het Nieuwe Testament duidelijk aanwezig. Bijvoorbeeld in wat de apostel in 1 Cor.15:51 vlg. meedeelt over de verandering van hen die nog in leven zijn bij de laatste bazuin” (vgl;1 Thess 4:13-18) (...) In onze pericoop gaat het over het mysterie van Israël. Het lijkt wel, alsof de apostel een gans nieuw inzicht gaat mededelen, op de manier van een apocalypticus die meer weet heeft van de onzichtbare wereld dan andere mensen?. Bij nader inzicht blijken de verzen 25-27 een conclusie te bevatten waartoe de gehele voorafgaande gedachtengang wel móest leiden (feitelijk is bijna alles al gezegd in de verzen 11,12 en in vs.24); bovendien beroept de apostel zich voor de herkomst van het door hem medegedeelde mysterie niet op een hem ten deel gevallen persoonlijke openbaring, maar op de Schrift (Jes.59:20; Jer. 31:33; Jes.27:9), zoals hij tevoren voortdurend uitging van het geheel van de oudtestamentische openbaring” (wij onderstrepen).

En we citeren nog eens Th. C. De Kruif, ’De brief van Paulus aan de Romeinen’, Katholieke Bijbelstichting, 1986, blz.225, 226 in zijn slotanalyse van Rom.11: “Bijzonder boeiend is het gebruik van de tijdsbepalingen: ’eens’ (het nabije verleden); ’nu echter’ (het nu van de vervulling); ’nu’ (de verhoopte nabije toekomst). Zij laten op een heel bijzondere wijze zien in welke spanning Paulus leeft. Inhoudelijk komt deze spanning tot uitdrukking in de tegenstelling ’ongehoorzaam(heid)’ - ’ontferming’; en wel op een tweevoudige wijze. Enerzijds leeft Paulus in de spanning van de relatie van de zwakke, ongehoorzame mens tot de God die rijk is aan ontferming. Anderzijds leeft Paulus in zijn persoon en in zijn werk als apostel van de volken in de spanning die er bestaat, doordat de beide, Israël en de volken, in hun lot onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, zodat de ongehoorzaamheid èn het ervaren van de ontferming Gods van de een zijn weerslag heeft op het lot van de ander.”

Het is goed om het begrip “mysterie” dan naar zijn waarde in te schatten wanneer we naar Rom.11:25 kijken. Daarom hieronder een lijst van alle teksten waar het woord is terug te vinden in het NT. Tabel over het gebruik van het begrip “mystérion” Mat.13:11 Marc.4:11 Luc.8:10 Rom.11:25 Rom.16:25 1 Cor.2:7 1 Cor.4:1 1 Cor.13:2

“de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen” “het geheimenis van het Koninkrijk Gods” “de geheimenissen van het Koninkrijk Gods” “dit geheimenis, een gedeeltelijke verharding is over Israëlgekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat” “de openbaring van het geheimenis, eeuwenlang verzwegen” “een geheimenis, is de verborgen wijsheid Gods, die God (reeds) van eeuwigheid voorbeschikt heeft” “het beheer van de geheimenissen Gods” “alle geheimenissen en alles, wat te weten is, wist”


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

1 Cor.14:2 1 Cor.15:51 Eph.1:9 Eph.3:3 Eph.3:4 Eph.3:9 Eph.5:32 Eph.6:19 Col.1:26 Col.1:27 Col.2:2 Col.4:3 2 Thes.2:7 1 Tim.3:9 1 Tim.3:16 Opb.1:20 Opb.10:7 Opb.17:5 Opb.17:7

358

“door de Geest spreekt hij geheimenissen” “een geheimenis (...) Allen zullen wij niet ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden” “het geheimenis van Zijn wil” “mij door openbaring het geheimenis bekendgemaakt” “het geheimenis van Christus” “de bediening van het geheimenis” “Dit geheimenis (...) Christus en de Gemeente” “het geheimenis van het evangelie” “het geheimenis, dat eeuwen en geslachten lang verborgen is geweest” “de heerlijkheid van dit geheimenis: Christus onder u, de Hoop der heerlijkheid” “het geheimenis Gods, Christus” “het geheimenis van Christus” “het geheimenis der wetteloosheid” “het geheimenis des geloofs” “het geheimenis der godsvrucht” “het geheimenis der zeven sterren” “het geheimenis van God” “een geheimenis: het grote Babylon” “het geheimenis van de vrouw”

Het begrip “geheimenis” mag niet verkeerd begrepen worden. En Phil.4:12 kan ons daarbij helpen. Daar is de lijdende vorm gebruikt “mueo” waaraan “mysterion” verwant is. We geven dit weer in enkele vertalingen: “In alles en allen ben ik ingewijd” (Leidse Vertaling). “In elk opzicht en in alle dingen ben ik ingewijd” (Brouwer). “In elk opzicht en in alle dingen ben ik ingewijd” (NBG).

En dan gaat het niet om spectaculaire zaken waarin Paulus is ingewijd maar gewoon om: “zowel in verzadigd worden als in honger lijden, zowel in overvloed als in gebrek.” Een mysterie kan dus “aangeleerd” worden. De “geheimenissen” waarover de Schrift melding maakt zijn deze die God heeft “geopenbaard.” En dan ook in een voor gelovigen begrijpelijke taal. Wat niet wil zeggen dat de ongelovige het begrijpt. Dat is onder andere duidelijk uit de éne leermethode die Christus gebruikt en gelijkenissen genoemd worden. Het zijn “geheimenissen” van het Koninkrijk Gods die geopenbaard worden. Maar ofschoon eenvoudig, ontsnapt het “geheim” aan de omstanders en zelfs bij wijlen aan de discipelen (Mat. 13:11-13 / Luc.8:10). Kort samengevat is “mysterion” in 4 contexten gebruikt. 1°) de “geheimenis” van Christus. Jezus, de Opgewekte, is het geheimenis Gods (Col.2:2). En daarom valt in het NT de volle nadruk op het verklaren van dat geheim dat in Christus is gelegen. De apostelen zijn de “beheerders” van de geheimenissen Gods (1 Cor.4:1). De nadruk ligt voor hen op de persoon én het volbrachte werk. In Hem is de “volheid van de godheid lichamelijk” aanwezig en HIJ is dan ook het hoofd “van alle overheid en macht” (Col.2:9,10).


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

359

2°) de “geheimenis” van het Koninkrijk Gods. Enkele malen spreekt de Bijbel over “geheimenissen” in het meervoud (Mat.13:11 / Luc.8:10). Het is aan Zijn discipelen dat deze dingen geopenbaard worden (Marc.4:11). Maar dat wil niet zeggen dat ze dat ook zondermeer begrepen en konden schatten. Men kan dat vinden in een opmerking als bij de Hemelvaart: “Here herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israël?” (Hand.1:6). 3°) de “geheimenis” van Gods gemeente. De gemeente bestaande uit “heidenen en Joden” die zich bekeren hebben één ding gemeen: samen vormen zij de gemeente. Zoals ze is geopenbaard in het NT is het een nieuw geheim niet volledig geopenbaard in het OT (Rom.11:25-29 / Eph.3:3-6). Joden vragen zich hierbij af: hoe kan een onreine deel hebben aan God. Gods antwoord is gelegen in o.a. een bekering als deze van Cornelius (Hand.10). Vreemdelingen die door het bloed van Christus aangenomen zijn (Eph.2:13). Dat is het geheim van Gods evangelie (Eph.6:19), het geheim van Zijn wil (Eph.1:9). En vanuit deze optiek mogen we niet zeggen dat Israël zijn Messias totaal heeft verworpen. Er zijn duizenden (in de Griekse tekst myriaden = tienduizenden) Joden die de Heer als Messias hebben aangenomen in die tijd (Hand.21:20). Gezien de soevereiniteit van God in deze zaak en de individuele uitverkiezing van de gelovigen heeft God niet gefaald. Men mag dus ook niet zeggen zoals in de leer van de bedelingen dat Israël heeft gefaald. De ontrouw door het forse deel van de afstammelingen van Abraham doet niets tekort aan Gods beloften aan de getrouwen. God heeft beloofd en het is vervuld. Allen die in het boek des levens staan zijn door God aangenomen en er ontbreekt niemand. Geen iota die niet is vervuld. Het is dus onwaarschijnlijk dat met de Wederkomt in werkelijkheid alle Joden tot bekering zullen komen. 4°) de “geheimenis” des geloof. Tweemaal spreekt Paulus tot Timotheus over dit “ge-heimenis.” Diakenen moeten het bewaren in een rein geweten, dus niet in winstbejag hun taak verrichten (1 Tim.3:9). En dat “geheimenis” is Christus waarvan zes belangrijke punten vallen op te noemen. Een “geloofsbelijdenis” waarin Zijn wezen en werk duidelijk gemaakt worden (1 Tim.3:16).

De Olijfboom uit Rom. 11 Nog een andere opmerking in dit verband: wat is de betekenis van de olijfboom in deze aantekeningen van Paulus. Laat ons in dit verband vooraf een citaat aanhalen van P. Lapide, een Jood van geboorte en zonder tegenspraak een kenner van het NT. Wat niet noodzakelijk wil zeggen dat zijn gevolgtrekkingen steeds juist zijn. In P. Lapide en K. Rahner, ’Heil uit de Joden? een discussie’, Gooi en Sticht, 1984, blz.57-59 lezen we: “Het is merkwaardig, hoeveel definities voor de christenen uit de heidenen Paulus heeft geformuleerd, die allemaal met het voorvoegsel ’mede’ beginnen: medeerfgenamen, medeburgers, medehuisgenoten, medegeredden, medegenoten enzovoort. Woorden die er allemaal naar verwijzen, dat de olijfboom Israël met zijn oude wortel de kerk als later ’geënte takken’ nog altijd ’draagt’ (Rom. 11, 16-24) en deze nieuwe takken de voedende wortel niet kunnen ontberen zonder te verdorren. Beide zouden zichzelf echter als gelijkwaardige lidmaten van één en dezelfde boom van het geloof moeten zien, die elkaar juist vanwege hun onderling verschil organisch aanvullen. Aangezien er bij Paulus een nauw verband bestaat tussen Christus en de Tora (’Wet’), zouden we deze tweeheid in het licht van zijn hele werk opnieuw moeten overdenken. Gods ’heilige, rechtvaardige en goede


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

360

Wet’ (Rom. 7, 12) waarin ook de apostel der heidenen zijn ’behagen schept’ (Rom. 7, 22), is volgens Paulus alleen en uitsluitend aan het volk Israël gegeven, nadat daaraan eerst het verbond en de belofte waren geschonken, die het fundament en de bodem van de voortaan geldende Tora zijn en blijven. Maar zoals er onder verbond en belofte geen ’Wet’ bestaat, zo is het net zo zinloos aan de heidenchristenen ’die vreemd waren aan de verbonden der belofte’ (Ef. 2, 12), de Wet op te leggen, zoals het ook onzin zou zijn aan de joden, die immers ook na Pasen leden van het godsvolk, en verbondspartners van God blijven (Rom. 9, 4 en 11, 29), en die allen zeker zijn van het uiteindelijke heil (Rom. 11, 26), de Christus te willen opdringen (...) Dat Jezus de heiland van de heidenen is geworden, ook zonder dat hij de Messias van Israël is, hoeft helemaal niet iets tegenstrijdigs te zijn. Tenzij wij met alle geweld Gods ’veelkleurige wijsheid’ (Ef.3, 10) en zijn ’menigvuldige genade’ (1 Petr. 4, 10) in een bekrompen zwart-wit-schema willen persen, dat slechts één of-of kent: of gedoopt, of verdoemd. Zouden wij aan God nu eindelijk eens niet wat meer fantasie toekennen dan de exclusiviteit van één enkele straat met eenrichtingsverkeer, die dan naar zijn heil voert? (...) Het gaat er niet om of iemand besneden of onbesneden is, het gaat alleen om het onderhouden van Gods geboden (1 Kor. 7, 18). Dat de jood Jezus ons zowel met elkaar verbindt als scheidt, dat hij zowel brug als scheidsmuur is - die ambivalentie zou ons moeten aanzetten tot nadenken, om ons in een dialoog te verdiepen in de ondoorgrondelijkheid van Gods wegen” (wij onderstrepen).

En hier een laatste visie uit J. Vlaardingerbroek, ’Jezus Christus tussen joden en christenen’, Kok, 1989, blz.68, 69. “In zekere zin kan men zeggen: de tamme olijfboom is Israël. Leden van dit volk worden als takken van de olijf aangeduid (verzen 17,19). Maar niet Israël als zodanig wordt hier bedoeld, maar Israël als resultaat van het werk van God. Het gaat hier niet over de geschiedenis zonder meer maar over de heilshistorie. Heidenen hebben door de prediking van het Evangelie van Christus deel gekregen aan dit heilswerk van God. In die zin zijn ze op de olijfboom geënt. Ze zijn dus niet ’in Israël ingelijfd’ of zelfs geworteld’(?) in Israël’, maar opgenomen in het werk van God in de geschiedenis, dat zich vroeger (in hoofdzaak) tot Israël beperkte. Het is één boom, één werk van God, het werk van de genade. De wel gehoorde bewering, dat het christendom is ’voortgekomen uit’ het jodendom, is dus niet juist; ze miskent zowel het openbaringskarakter van het werk van God in Israël als het geheel nieuwe dat met de komst van Christus verschenen is. Het overtrokken gebruik, dat dikwijls van het beeld van de olijfboom gemaakt wordt, alsof de kerk niet anders zou zijn dan dat er een paar takken aan Israël toegevoegd zijn, brengt in strijd met andere in het NT gebruikte beelden zoals dat van de kerk als lichaam van Christus (...) De bedoeling van het beeld van de enting is duidelijk: alle vanzelfsprekendheid is vreemd aan het behoren tot dit genadewerk en wie zich daarop laat voorstaan kon er juist daardoor wel eens uit vallen. Ook tegenover Israël past daarom de gelovigen uit de heidenen geen hoogmoed: Israël had in dit werk van God eerder een plaats dan zij en via Israël is het heil tot hen gekomen. Juist omdat het één boom is, één weg van het heil van God door de geschiedenis, mag men hier geen weg van Israël naar het heil lezen die buiten Christus zou omgaan. Evenmin is het in strijd met dit beeld wanneer ’de kerk’ zich beschouwt als het ’volk van God’, het ’nieuwe Israël’. Dat is geen ’vervangingstheorie’ maar een serieus nemen van de weg van God door de geschiedenis. Dit ’nieuwe Israël’ omvat gelovigen uit Joden en heidenen. Binnen die ene boom horen het ’oude’ en het ’nieuwe’ Israël bij elkaar. Daarmee is niet gezegd, dat er niet een opvatting van de kerk als ’het nieuwe Israël’ mogelijk en ook werkelijk voorgekomen is, die in strijd is met de vermaning van Paulus zich niet hoogmoedig op te stellen tegen de ’weggebroken takken’. Eerder in dit hoofdstuk werd erop gewezen, dat het gebruik van woorden als ’Israël’ en ’volk van God’ voortdurend het gevaar van onduidelijkheid en misverstand in zich draagt. De kerk zal daarvoor altijd op haar hoede moeten zijn. Maar die bescheidenheid zal nooit mogen betekenen: te kort doen aan het beslissende van het Evangelie van Christus. Wat de kerk in haar


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

361

verhouding tegenover de Joden verweten kan worden, is heel veel. Maar dat heel vele houdt eerder verband met een te weinig dan met een te veel leven uit het Evangelie van Christus als de weg van genade alleen. De erkenning van die schuld mag er dan ook nooit toe leiden iets af te doen van dat evangelie als enige weg tot behoud. Schuldgevoelens - die terecht aanwezig zijn - mogen niet theologisch worden opgelost” (wij onderstrepen).

In de onderstaande tabel willen we de lezer enig verder inzicht geven over de symbolische betekenis van wat er in Romeinen 11 staat. Want zoals te verwachten was zijn er ook hier verschillende interpretaties. We verwijzen in al de citaten naar het commentaar op de brief aan de Romeinen van de betrokken schrijvers. BOOM: Moeten we niet uitleggen want Paulus geeft ook geen uitleg: Lard blz.360 en Lard Quarterly Jan.1867 blz.1-21 / De Welt blz.183 / J. Allen blz.97 Boom van Gods beloften: W. Newell blz.421 Joodse natie: Vincent Word studies deel 3, blz.126 Ideale theocratie: Olshausen (U.K. uitgave) blz.368, 369 idem De Wette daar aangehaald. Natie Israël: Greydanus deel 2, blz.500-503 / Lekkerkerker blz.90 / J. Murray deel, 2 blz.85-88 / H. Liddon (U.K. uitgave) blz.208. WORTEL: Jodenchristenen: Lard blz.360 / De Welt blz.183 / J. Allen blz.97 Abraham: W. Newell blz.421 Patriarchen of Abraham alleen: Vincent Word studies deel 3, blz.126 Patriarchen: Olshausen (U.K. uitgave) blz.368, 369 idem De Wette daar aangehaald / Greydanus deel 2, blz.500-503 / J. Murray deel 2, blz.85-88 / H. Liddon (U.K.uitgave) blz.208. “De wortel van de tamme olijf staat voor Israël als eenheid van ’volk, Thora en plaats (Hand.21:28). En heidenen leren de God van Israël kennen via deze ’rest’, concreet vertegenwoordigd in de moedergemeente van Jeruzalem” zegt Ds. H. Vreekamp in ’Christenen voor Israël’, nr.140, april 2001, blz.24. Van Israël in dit beeld zowel de wortels als de takken maken kan natuurlijk niet zonder de Schrift groot geweld aan te doen. TAKKEN: Joden en Heidenen: Lard blz.360 / De Welt blz.183 / J. Allen blz.97 / H. Liddon (U.K. uitgave) blz.208. Individuele gelovigen: Vincent Word studies deel 3, blz.126 / Olshausen (U.K. uitgave) blz.368, 369 en ook De Wette daar aangehaald / Greydanus deel 2, blz.500-503 / Lekkerkerker blz.90, 91 / J. Murray deel 2, blz.85-88

Over de olijfboom lezen we merkwaardige dingen in de diverse Bijbelwoordenboeken. We wijzen op de belangrijkste. De boom heeft een omvangrijke wortel(s) en men kan gerust stellen dat op die wortel(s) steeds meer dan één boom staat. Wanneer een boom geen vrucht meer geeft of bevriest dan hakt men hem af tot aan de wortel. Daar neven word de grond vrijgemaakt tot bij de wortel en men ent een nieuwe scheut in de wortel zelf. In het beeld is Israël vergeleken bij een olijfboom zoals vroeger in het OT; Jer.11:16 / Hos.14:7 en het beeld wordt opgeroepen van een


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

362

wortel die vrucht zal voorbrengen volgens Jes.11:1,10 / 53:2. Men ent een vreemde loot nooit in op een bestaande gave boom en dat is toch wat Paulus ook zegt. Maar deze wilde ent blijft levend omdat ze gevoed is dor de wortel. En dat is ook om de eenheid en verscheidenheid aan te duiden van de tamme olijf en de wilde olijf; beiden leven vanuit de ene wortel. Verkeerdelijk zegt men steeds dat de heidenen op de boom Israël zijn ingeënt maar dat is niet zo. De Statenvertaling had hierbij een verkeerde indruk gewekt door te zeggen dat wanneer een tak is afgebroken “in derzelver plaats ingeënt” wordt. Dat staat niet in de tekst. Men is als heiden rechtstreeks op de wortel ingeënt. Romeinen 11:17 is daar duidelijk genoeg in. Dat beeld van de olijfboom moet men dus niet verkeerd gaan uitleggen. Om die reden hebben enkele Kerkvaders en moderne theologen erop gewezen dat het beeld beter met betrekking tot Jezus zou uitgelegd worden. Volgens Theodorus van Mopsuestia en Thedoretus is Abraham de wortel. Voor Origenes is de wortel Christus. En ook Karl Barth gaat in die richting, gezien Hij de wortel Davids is (Opb5:5). Zo draagt Christus het volk Israël maar ook de bekeerde heidenen. A.F.N. Lekkerkerker zegt terecht dat Paulus in dit gedeelte “abrupt en gecompliceerd” is (Commentaar, deel 2, blz.91).

Conclusie Men mag vanuit Rom.11:26 niet beweren dat er een volledig herstel komt van Israël, of de bekering van alle levende natuurlijke Joden bij de Wederkomst des Heren. Doen we dat, dan moet ook geleerd worden dat alle heidenen op dat ogenblik gered worden, want Rom.11:25 spreekt van “de volheid der heidenen” die moet ingaan. En omdat de volheid der heidenen “is” ingegaan bij de Wederkomst, hoeft er géén duizendjarig rijk meer te zijn waar Joden daarna “de heidenen” nog moeten bekeren. De éné onlogische bewering zou dus tot een andere leiden en daardoor de Schriften tegenstrijdige dingen laten zeggen.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

363

Hoofdstuk 4 Over het Koninkrijk Wat zij op dat gebied zeggen Uit W.J. Ouweneel, ’Wat is Christelijke hoop’, deel 5 van de serie “Wat is...”, Uitgave Uit het Woord der Waarheid, Windschoten, z.j., blz.41, 42, 43 citeren we een lang citaat: “HEERSEN MET CHRISTUS. Heerst Christus dan nu al niet met de ontslapen gelovigen over de wereld? Zeker niet. Nooit zegt de Schrift dat ontslapen maar nog niet opgewekte gelovigen nu al heersen. Zij zúllen over de aarde heersen (Openb.5:10), maar pas na de eerste opstanding. Maar wat nog veel sterker spreekt: ook Christus Zelf heerst nu nog niet! Niet het tegenwoordige maar het toekomstige aardrijk is aan Christus onderworpen; nu wij nog niet alle dingen aan Hem onderworpen (Hebr.2:5,8). God heeft tot de Heere Jezus gezegd: “Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet heb tot een voetbank voor Uw voeten” (Hand.2: 34,35). Is dat al vervuld? Nee, Christus wácht Zelf nog op de vervulling van dit woord (Hebr.10:12,13). God zal Hem stellig straks de troon van zijn vader David geven (Luk.1:32), maar nu zit de Heere Jezus nog niet op deze eigen troon van Hem, maar ter rechterhand van God in Diens troon. De Heere zegt Zelf: “Wie overwint, die ZAL Ik geven met Mij te zitten op Mijn troon, zoals ook Ik overwonnen en Mij gezet HEB met Mijn Vader op Zijn troon” (Openb.3:21). De regering van Christus wordt onveranderlijk gezien als plaatshebbend na Zijn Wederkomst, zoals we ook zagen in Openb.19 (vs.15) en 20 (vs.4 en 6). Ja, dat zijn wel heel duidelijke Schriftbewijzen. Straks zal alles aan Christus’ voeten onderworpen zijn en dan zullen wij mét Hem heersen. Is dat eigenlijk nu al niet een troost: “Als wij verdragen, zullen wij ook met Hem heersen” (2 Tim.2:12)? Zeker, en het wordt ook als vermaning gehanteerd: Paulus betoogt dat de gelovigen toch in staat moeten zijn onder elkaar problemen op te lossen; straks zullen zij immers de wereld en de engelen “oordelen”, d.w.z. besturen (1 Kor.6:2,3)? Maar het heerlijkst van alles is dat onze regering met Christus het onderwerp is van een eeuwig raadsbesluit van God! Een raadsbesluit dat in het OT nog een verborgenheid was, want nimmer was het in het OT bekend dat wanneer Christus zou regeren over Israël en de volken , de verheerlijkte heiligen mét Hem dezelfde positie van heerlijkheid en macht zouden delen. Het dichtste komt


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

364

Daniël 7 daar nog bij, waar we zien dat de “heiligen van de hoge plaatsen” (d.i. hemelse heiligen) mét de Zoon des mensen het koninkrijk ontvangen (vs.18,22,27), maar er wordt niet eens over hun regering gesproken, laat staan over het wonderbare feit dat deze heiligen dezelfde macht en heerlijkheid als de Zoon des mensen zullen bezitten. Dat is pas nu geopenbaard: nu weten wij dat God niet alleen de Zoon des mensen met heerlijkheid en eer gekroond heeft en alles aan Zijn voeten zal onderwerpen, maar óók dat het in Zijn hart was véle van zulke “zonen” tot heerlijkheid te leiden (Hebr. 2:5-10; vgl. Ps.8:5-7). Nu is aan ons de verborgenheid van Gods wil geopenbaard, dat er naar Zijn voornemen niet alleen een bedéling zal aanbreken waarin alles onder Christus zal worden samengebracht, maar waarin de heiligen medeërfgenamen zullen zijn (Ef.1:9-11; vgl. Rom.8: 17). Ja, wanneer Psalm 8 in vervulling zal gaan en alles aan Christus’ voeten onderworpen zal zijn, dan zal niet alleen de Vader daarop een uitzondering vormen (zie 1 Kor.15:27), maar ook de Gemeente zal niet horen tot de dingen die Hem onderworpen zullen zijn; integendeel, God heeft Christus juist als Hoofd boven alles gegeven aan de Gemeente, die Zijn lichaam is, de volheid van Hem, die alles in allen vervult (Efez.1:20-23)” (wij onderstrepen).

Een tweede aanhaling komt uit ’Het Zoeklicht’ van 1 november 1997, blz.12, schrijver is H. Schouten. “Christus heerst! Maar hoe? Wij mensen waren oorspronkelijk door God bestemd om te heersen over Zijn schepping; maar door onze ongehoorzaamheid aan God en ons gehoorzamen aan de duivel, zijn we uit die bevoorrechte positie gevallen. We zijn verkocht aan de boze, die nu in onze plaats heerst. De Here Jezus, Gods Zoon, heeft Zichzelf vernederd, is aan ons gelijk geworden, doch Hij was wel gehoorzaam, zelfs tot de dood aan het kruis. Zo kon Hij het verloren koningschap voor ons mensen herstellen en alles terugbrengen tot eer van God, de Vader. Jezus is na Zijn schiterende overwinning over satan, over dood en graf opgestaan en opgevaren naar de hemel, waar God Hem een naam boven alle naam gegeven heeft, opdat: ’alle knie zich zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Heer’ (Filippenzen 2:10,11). Pas dan!, wanneer dit alles gebeurd zal zijn, zal de heerlijkheid van God op aarde hersteld wezen. We lezen dit ook duidelijk in 1 Corinthiërs 15:28; waar staat: ’Wanneer alles Hem (de Here Jezus) onderworpen is, zal ook de Zoon zelf Zich aan Hem onderwerpen, die Hem alles onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen’. Hieruit begrijpen we, dat het verlossingswerk van de Heer nog vanuit de hemel moet worden uitgewerkt op aarde. Want de koninklijke heerschappij van Christus op aarde is nog geen feit. Het is nog niet zo, dat alle knie zich heeft gebogen en dat alle tong Hem belijdt. Verre van dat. Christus heerst! Maar hoe?” (Wij

onderstrepen). En een derde lang citaat. Th. Niemeijer schrijft in ’Het Zoeklicht’, 2 mei 1998, blz.19: “In hoeverre heeft het herstel van het koningschap voor Israël te maken met de vestiging van Gods Koninkrijk op aarde? Dit is de vraag waarmee we ons in dit artikel bezig gaan houden. Wanneer wordt nu het gebed, dat de Here Jezus ons Zelf leerde: “Uw koninkrijk kome, Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde” (Mattheüs 6:10) nu eindelijk vervuld? Sommigen menen, dat Zijn koninkrijk reeds op aarde gevestigd werd toen de Heilige Geest op de Pinksterdag te Jeruzalem uitgestort werd. Anderen geloven, dat het Koninkrijk Gods door de groei van de kerk op aarde gevestigd wordt (...) . Zou God ooit Zijn koninkrijk op aarde vestigen buiten Zijn volk Israël om? Heeft Hij juist niet het volk Israël geroepen en bestemd om Zijn koninkrijk op aarde te vestigen? Ook binnen evangelische gemeenten komt de ’vervangingsleer’ voor Ook binnen vele evangelische gemeenten wordt dezelfde fout gemaakt. Veel evangelische christenen zijn zich er vaak niet van bewust dat zij denken Gods Koninkrijk, buiten Israël om, op aarde te kunnen vestigen. Zij menen dat door massabekeringen, het uitdrijven van demonische machten en het genezen van zieken


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

365

met vele andere wonderen en tekenen, de Here God Zijn rijk op aarde nu vestigt. Met volle overgave zingt men dan: “Sta op, o machtig leger. Hij regeert. Nu is het tijd te bouwen aan zijn koninkrijk, terug te nemen het land, dat Hij ons gaf.” (Opwekking 293). “God troont op de lofzangen van Israël”, dus wanneer we voor Hem liederen zingen en Hem lofprijzen, vestigt Hij Zijn koninklijke heerschappij op aarde (...) zo redeneert men! Nogmaals de vraag: Vestigt Hij dan Zijn koninkrijk, buiten Israël om, hier op aarde? Zolang we “Uw koninkrijk kome” bidden is er kennelijk nog een ander koninkrijk op aarde Wanneer God Zijn koninkrijk, op bovenstaande manier beschreven, nu reeds op aarde zou vestigen, waarom bidden de mensen dan nog steeds: “Uw koninkrijk kome?” Zo lang we dit gebed bidden is er kennelijk nog een ander koninkrijk op aarde! Hoe moeten we hier nu op bijbelse manier mee omgaan? Allereerst geloven we, dat hier twee zaken met elkaar verwisseld worden. We hebben in Gods Woord te maken met het zichtbare en onzichtbare koninkrijk van God. Het onzichtbare koninkrijk van God is een hemels, onzichtbaar koninkrijk, dat zich in het hart van de gelovige manifesteert. Het zichtbare koninkrijk spreekt van de zichtbare wederkomst van Christus op de Olijfberg, waarop Hij het hemels koninkrijk op aarde vestigt, met Jeruzalem als ’wereldhoofdstad’” (wij onderstrepen).

Wat wij op dat gebied zeggen Met andere woorden: volgens de leerlingen van een toekomstig duizendjarig rijk regeert Christus thans nog niet over de aarde en is zijn koninklijke regering nog niet begonnen. Dit is echter niet wat wijzelf, en vele anderen, lezen in de Schrift. Ondanks de straffe taal van de schrijver in het tijdschrift ’Amen’, die elke vorm van vergeestelijking van profetie in verband met Israël ziet als een satanische leer, zeggen we dat het Koninkrijk Gods thans reeds werkzaam is. Wanneer de lezer goed in gedachten heeft wat we reeds hebben opgemerkt in verband met de vervulling van profetie in hoofdstuk twee dan zal hij ook met ons deze uitspraak kunnen inschatten en weten of ze op waarheid berust. In plaats van een dogmatisch verhaal te schrijven gaan we een reeks Bijbelteksten onderzoeken waaruit we enkele besluiten trekken. Naar onze overtuiging is het Koninkrijk Gods in zijn brede zin van het woord er altijd geweest. Sinds Pinksteren regeert Jezus als Heer (Grieks “kurios = koning”) over vriend en vijand. En dat is de meest centrale boodschap van het NT. De Heer regeert en Zijn Koninkrijk staat vast. Want sinds Pinksteren gaat Psalm 110 in vervulling en de slotfase ervan is de Wederkomst van de Heer. W. Verboom zegt in ’Confessioneel’ IIIe jaargang, nummer 9, 29 april 1999, blz.7 iets met betrekking tot het onderwijs van catechese aan kinderen. Maar wij volwassenen kunnen er wat van leren. Hij zegt:”Wanneer onze kinderen alleen maar horen van Gods liefde en ze zien in de wereld om hen heen zoveel wat daarmee in strijd is, dan ontstaat er een kloof tussen de God van hun geloof en het leven van elke dag in de wereld. Dan breekt er een moment aan dat het beeld van een lievige God stuk breekt op de weerbarstige werkelijkheid van elke dag. Gods toorn is een uiting van zijn rechtvaardigheid. In de bijbel treedt God op tegen degene, die onrecht doet. En Hij neemt het op voor degene die daarvan de dupe wordt.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

366

De schuldigen houdt Hij geenszins onschuldig, maar Hij kiest de kant van de vertrapten. Met de farao van Egypte veegt Hij de vloer aan, maar de weerloze Daniël redt Hij uit zijn lijden. Het lijkt me heel belangrijk hoe we aan kinderen vertellen over de toorn van God. Dat is nog niet zo eenvoudig. Kinderen zijn uitermate kwetsbaar en als volwassen vertellers hebben we veel macht. We kunnen kinderen beschadigen door op zo’n wijze over Gods toorn te vertellen, dat ze er bang voor worden. Hier komen behalve theologische aspecten ook psychologische en pedagogische factoren om de hoek kijken.”

Matthéüs 3:2. het Koninkrijk der hemelen. Th. Niemijer zegt in het ’Het Zoeklicht’, van 24 jan. 1998, blz.19: “Met het Koninkrijk Gods bedoelen we Zijn eeuwige heerschappij, die van eeuwigheid tot eeuwigheid, zonder enige onderbreking, bestaat. Met het Koninkrijk der (vanuit de) Hemelen bedoelen we het Koninkrijk Gods, dat nu al in de harten van de gelovigen ervaren kan worden en dat straks bij de wederkomst van Christus op aarde zal komen, waarin Christus 1000 jaar vanuit Jeruzalem over de gehele wereld zal regeren. Het is het koninkrijk, dat vanuit de hemel op aarde gevestigd zal worden. Daarvoor maar ook daarna zullen we te maken hebben met het eeuwige Koninkrijk Gods. Het Koninkrijk der Hemelen is dus het op aarde geopenbaarde en gevestigde Koninkrijk Gods. Het zichtbare Koninkrijk der Hemelen heeft alles te maken met het volk Israël. De Here God heeft het volk Israël uitgekozen om Zijn koningschap op aarde te openbaren (...) Toch laten de profeten er geen onduidelijkheid over bestaan, dat er voor de stad, het huis en de troon van David een geweldige toekomst in het verschiet ligt! De apostelen vroegen de Here Jezus voor zijn hemelvaart nog naar het tijdstip van het herstel van het koningschap voor Israël (Handelingen 1:6). Het antwoord van de Here Jezus was niet, dat het koningschap van Israël weggenomen was! De Here Jezus zei, dat het niet “hun zaak was de tijden en de gelegenheden te weten.” Het zichtbare Koninkrijk der Hemelen ligt voor ons nog in de toekomst. Het zal geopenbaard worden bij de wederkomst van Christus. Het Koninkrijk Gods kunnen we nu, vandaag al ervaren. Van de Farizeeërs en Overpriesters werd het weggenomen, omdat ze de Here Jezus verwierpen. Zij die de Here Jezus nu als hun Verlosser aanvaarden, ervaren nu al het Koninkrijk Gods in hun leven. Ze ervaren de vergeving van zonden, ze ontvangen een nieuw, een eeuwig leven, ze worden uit God geboren en ontvangen de Heilige Geest, ze ervaren de kracht van Gods Geest om in de strijd te overwinnen (...) dit is Gods Koninkrijk vandaag voor ons door de Here Jezus Christus. In Romeinen 5:17 lezen we, dat we door de overvloed van genade en de geschonken gerechtigheid niet alleen het leven ontvangen hebben maar tegelijkertijd het koningschap: “Veel meer zullen zij, die de overvloed van genade en van de gave der gerechtigheid ontvangen, leven en als koningen heersen door de ene, Jezus Christus.” Dit ligt niet in de toekomst, nee we mogen nu al het leven, maar ook het koningschap in ons huidige leven ervaren. De zonde hoeft niet langer als koning over ons te heersen, we zijn nu al met Christus meer dan overwinnaar! Zo mogen we nu reeds als koningen met Hem heersen! Bij Zijn wederkomst zal deze heerschappij een zichtbare heerschappij worden ! Er wordt niet gezegd, dat dit koninkrijk aan een ander volk gegeven wordt, nee, er wordt gezegd, dat het aan een volk gegeven wordt, dat de vruchten daarvan opbrengt. Het volk dat hier bedoeld wordt is niet speciaal het volk Israël, maar ook niet een heidens volk. Iedereen mag bij dit volk behoren. Het is het volk dat in de Here Jezus, Gods Zoon gelooft! Het Koninkrijk van God is Gods aanwezigheid in het leven van iemand die tot geloof in Christus gekomen is” (wij onderstrepen).

Dit is de eerste tekst in het Nieuwe Testament waar het begrip “het Koninkrijk der hemelen” gebruikt wordt. Als inleiding tot ons onderzoek van de term het “Koninkrijk der hemelen” moeten we opmerken dat deze hetzelfde is als “Koninkrijk Gods” (vergelijk Mat.4:17 met Marc.1:15 of


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

367

Mat.5:3 met Luc.6:20). Wat de vorige schrijver zegt (“Koninkrijk Gods” en “Koninkrijk der hemelen” zijn verschillend aan elkaar) is voor ons eenvoudigweg een verkeerde voorstelling van de werkelijkheid in dit verband. We geven enkele teksten uit het NT zodat de lezer zich een beeld kan vormen van wat het moet voorstellen. Waarom zeggen we dat beide begrippen gelijk zijn? In Mat.11:12,13 is de term het “Koninkrijk der hemelen” = de paralleltekst “Koninkrijk Gods” van Luc.16:16. Prediken dat het “Koninkrijk der hemelen nabij is” is hetzelfde als prediken dat “ Gods Koninkrijk nabij is” (Mat.3:1-3 en Marc.1:15). En in een mooi voorbeeld uit het NT van Hebreeuws parallellisme zien we dat wanneer Hij spreekt over het “Koninkrijk der hemelen” Hij spreekt over het “Koninkrijk Gods” (zie Mat.19:23,24). Twee termen die hetzelfde voorstellen, zoals men tevens kan spreken over de kinderen van Israël en over de kinderen van Jacob en een zelfde volk beschrijven. Mat.3:2 Johannes de Doper preekt: “en zeide: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.” Mat.4:17 Jezus preekt: “Van toen aan begon Jezus te prediken en te zeggen: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.” Mat.10:7 Apostelen krijgen de opdracht te prediken: “Gaat en predikt en zegt: Het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.” De andere synoptische evangeliën spreken van “Koninkrijk van God” en bedoelen hetzelfde in zijn betekenis. Mat.16:28 Jezus zegt van sommigen onder Zijn discipelen: “Voorwaar, Ik zeg u: Er zijn sommigen onder degenen, die hier staan, die de dood voorzeker niet zullen smaken, voordat zij de Zoon des mensen hebben zien komen in zijn koninklijke waardigheid.” En die “koninklijke waardigheid” zien = “Koninkrijk Gods” zien volgens Marc.9:1. We komen nog apart terug op deze tekst. Luc.10:9 De zeventig discipelen krijgen opdracht te prediken: “en geneest de zieken, die er zijn, en zegt tot hen: Het Koninkrijk Gods is nabij u gekomen.” Luc.19:11-13 In de gelijkenis van de ponden zal de man van hoge geboorte een tijd weg zijn: “Toen zij daarnaar luisterden, sprak Hij nog een gelijkenis uit, omdat Hij dicht bij Jeruzalem was en zij meenden, dat het Koninkrijk Gods terstond openbaar zou worden. Hij zeide dan: Een man van hoge geboorte trok naar een ver land om voor zich de koninklijke waardigheid in ontvangst te nemen en (daarna) terug te keren. En hij riep tien van zijn slaven en gaf hun tien ponden en zeide tot hen: Drijft handel, totdat ik terugkom.” Luc.22:29,30 Tijdens het laatste avondmaal is de belofte van Christus: “En Ik beschik u het Koninkrijk, gelijk mijn Vader het Mij beschikt heeft, opdat gij aan mijn tafel eet en drinkt in mijn Koninkrijk. En gij zult zitten op tronen om de twaalf stammen Israëls te richten.” Luc.23:2,3 De vijanden van Christus beschuldigen Jezus ervan dat Hij zichzelf koning noemt. Op Zijn proces loochent Hij niet koning te zijn: “En zij begonnen Hem te beschuldigen en zeiden: Wij hebben bevonden, dat deze ons volk verleidt, doordat Hij verbiedt de keizer belastingen te betalen, en van Zichzelf zegt, dat Hij de Christus, de Koning is.” Volgens discipelen van Jezus is Hij de (een) Zoon van David en rechthebbende op de troon van David. Zie Mat.1:20 / Marc.10:47 / Luc.20:41 / Heb.7:14. Joh.18:37 Christus geeft Pilatus getuigenis over de waarheid te kennen, ook over zijn koningschap: “Pilatus dan zeide tot Hem: Zijt gij dus een koning? Jezus antwoordde: Gij zegt, dat ik koning ben. Hiertoe ben ik geboren en hiertoe ben ik in de wereld gekomen,


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

368

opdat Ik voor de waarheid zou getuigen; een ieder die uit de waarheid is, hoort naar mijn stem.” Joh.19:19,20 Aan het kruis hangt het bewijs dat Christus zichzelf als Koning zag: “En Pilatus liet ook een opschrift schrijven en op het kruis plaatsen; er was geschreven: Jezus, de Nazoreeër, de Koning der Joden. Dit opschrift lazen dan vele Joden, want de plaats waar Jezus gekruisigd werd, was dicht bij de stad, en het was geschreven in het Hebreeuws, in het Latijn en in het Grieks.” Hand.1:3 De opgestane Heer spreekt tot zijn discipelen: “aan wie Hij Zich ook na zijn lijden met vele kentekenen levend heeft vertoond, veertig dagen lang hun verschijnende en tot hen sprekende over al wat Gods Koninkrijk betreft.” Hand.1:6 Bij de Hemelvaart is hun vraag: “Zij dan, die daar bijeengekomen waren, vroegen Hem en zeiden: Here, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israël?” Hand.8:12 Philippus de evangelist preekt: “Toen zij echter geloof schonken aan Filippus, die het evangelie van het Koninkrijk Gods en van de naam van Jezus Christus predikte, lieten zij zich dopen, zowel mannen als vrouwen.” Hand.14:22 Discipelen hebben veel verdrukking: “om de zielen der discipelen te versterken en hen te vermanen om te blijven bij het geloof, en dat wij door vele verdrukkingen het Koninkrijk Gods moeten binnengaan.” Hand.17:7 Vijanden van de gemeente geven toe dat: “en Jason heeft hen in zijn huis opgenomen. En zij handelden allen in strijd met de geboden van de keizer door te be-weren, dat er een andere koning, Jezus, is.” Hand.19:8 Paulus preekt in de Synagoge van Epheze: “En Paulus ging naar de synagoge en trad drie maanden lang vrijmoedig op, om hen door besprekingen te overtuigen aangaande het Koninkrijk Gods.” Hand.20:25 Paulus heeft rondgereisd met de boodschap: “En nu, zie, ik weet, dat gij allen, onder wie ik rondgereisd heb met de prediking van het Koninkrijk, mijn aangezicht niet meer zien zult.” Col.1:13 We zijn nu opgenomen in het Koninkrijk van Christus: “Hij heeft ons verlost uit de macht der duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde.” Heb.1:8 Met de verheerlijking heeft Jezus de scepter van Zijn koningschap (zelfde woord als koninkrijk) op zich genomen: “maar van de Zoon: Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid; en de scepter der rechtmatigheid is de scepter van zijn koningschap.” Heb.12:28 Een gelovige ontvangt tijdens dit leven het koninkrijk: “Laten wij derhalve, omdat wij een onwankelbaar koninkrijk ontvangen, dankbaar zijn en hierdoor God vereren op een Hem welbehagelijke wijze met eerbied en ontzag.” Jac.2:5 Het Koninkrijk is beloofd aan armen: “Hoort, mijn geliefde broeders! Heeft God niet de armen naar de wereld uitverkoren om rijk te zijn in het geloof en erfgenamen van het Koninkrijk, dat Hij beloofd heeft aan wie Hem liefhebben?” Opb.1:6 de gemeente Gods is thans reeds hét koninkrijk: “en Hij heeft ons tot een koninkrijk, tot priesters voor zijn God en Vader gemaakt - Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheden! Amen.”


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

369

Opb.1:9 het Koninkrijk Gods staat thans onder de verdrukking: “Ik, Johannes, uw broeder en deelgenoot in de verdrukking en in het Koninkrijk en de volharding in Jezus, was op het eiland, genaamd Patmos, om het woord Gods en het getuigenis van Jezus.” We willen drie opmerkingen maken vanuit deze teksten. 1°) Het Koninkrijk Gods (= der hemelen) is het onderwerp van de prediking van zowel Johannes de Doper áls Jezus áls de 12 apostelen áls de 70 discipelen. Dat rijk is “nabij.” Eén tekst (Luc.17:21, zie hierover verder) zegt dat het onder de discipelen aanwezig is. Wie met Jezus te maken heeft, is in contact gekomen met het Koninkrijk Gods. De wonderen door Jezus gedaan zijn daar het bewijs van. Zie Mat.11:12 / 12:28 / Luc.4:16-21. Jezus heeft macht over de natuur (Mat.14:22 e.v.), geneest zieken (Mat. 4:24), vergeeft de zonden (Marc.2:5,10 / Luc.7:48-50) en wekt doden op (Marc.5:35 e.v. / Luc.7:11-17). Tijdens de prediking van Christus is het heil van het Koninkrijk er “bijna” in zijn totaliteit. En dat wordt in enkele teksten ook aangegeven. Simeon verwachtte “de vertroosting van Israël” (Luc2:25). Anna is iemand die voor Jeruzalem “verlossing” verwacht” (Luc.2:38). De Emmausgangers: “leefden in de hoop, dat Hij het was (Jezus) die Israël verlossen zou” (Luc.24:21). En Jozef van Arimathea hoort tot dezen: “die ook zelf het Koninkrijk Gods verwachtte” (Marc.15:43). De indruk die men krijgt bij het lezen van de opmerkingen van Johannes en Jezus dat het rijk nabij is deze: het rijk staat op het punt uit te breken in de wereld. Een uitstel van tweeduizend jaren hier tussen voegen zoals men doet in de kringen waar de duizendjarige regering nog toekomst is, is uitgesloten. De Hebreeën die Jezus in die tijd ontvangen hebben als hun Messias hebben daadwerkelijk het rijk ontvangen en zijn er binnen gegaan (Heb.12:28). Dat is in overeenstemming met de voorzegging van Jezus dat sommigen niet zullen gestorven zijn voordat ze het rijk Gods zien komen in al zijn heerlijkheid (Marc.9:1). 2°) Breukvlak tussen het “nabijzijn” van dat rijk en de werkelijkheid van die regering ligt op het Pinksterfeest van Hand.2. Dan is de boodschap duidelijk dat de opgestane “zowel Heer als Messias” is (Hand.2:36, zie verder ons commentaar bij dit vers in dit hoofdstuk). Engelen, machten en krachten zijn Hem nu reeds onderworpen (1 Pet.3:22). Hij zit nu reeds aan Gods rechterhand en regeert (Eph.1:21). Nu reeds heerst zijn genade over wie Hem wil dienen (Rom.5:22). De gemeente heeft nu reeds dat “onwankelbaar Koninkrijk” ontvangen (Heb.12:28). Hij regeert nu reeds tot de dood is overwonnen (1 Cor.15:25-27). Christus is nu reeds Zijn “heerlijkheid” in gegaan en regeert (2 Thes.2:14 / 2 Tim.2:10 / Heb.2:9). 3°) Met de Wederkomst zal het “Koninkrijk Gods” in een andere fase treden. Dat is evident. Want dit komen van Christus is er op gericht de definitieve afscheiding te maken tussen het kwaad en het goed; in de gemeente, in de wereld en zelfs daarbuiten. Dat is de dag “dat God het in het verborgene oordeelt” volgens het evangelie van Christus Jezus (Rom.2:16). Meerdere parabels gaan dit dan ook breedvoerig uitwerken, vb. deze van de schapen en de bokken (Mat.25:31,32,40,46). Het avondmaal dat volgelingen van Jezus wordt aanbevolen te vieren is de voorsmaak van die nog komende volle werkelijkheid van dat Rijk (Luc.22:18). Bij de komst, dat het einde afsluit van “deze eeuw”, van de tijd dat men zich kán bekeren tot God en het Rijk


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

370

waardig zijn, zal de Heer alles overgeven aan de Vader (Mat.6:33 / Joh.3:3,5 / 1 Cor.15:24-28). Deze teksten zeggen dan ook dat het Rijk Gods “verdergaat” en dat het met het ophouden van het tussenrijk gewoon verder gezet zonder dat er nog inmenging is van enige vijand van dat Rijk. We moeten bij punt twee nog enkele aantekeningen maken. De verheerlijkte Jezus is sinds de Hemelvaart: “de hemelen doorgegaan” (Heb.4:14) en is “boven de hemelen verheven” (Heb.7:26). In dat bovenhemelse (epouranious) heeft hij de macht over “allen naam, die genoemd wordt, niet alleen in deze maar ook in de toekomende eeuw” (Eph.1:20,21). Aan zijn macht en rechtsgebied kan niets worden toegevoegd. (Want theoretisch is ook “de dood” nu reeds onderworpen aan Christus.) Hij woont in een voor mensen ontoegankelijk licht (1 Tim.6:16). Hij regeert thans uit de plaats “boven al de hemelen” (Eph.4:10). De lijdende knecht zal koningen doen verstommen (Jes.52:15 / Joh.18:19-24 / 18:3338 / 19:2-16). Dit wijst vooreerst naar het getuigenis dat de Heer tijdens zijn verhoor aflegt aan Herodes, Pilatus en de ouderlingen van het Sanhedrin. Dat slaat ook op de macht die Zijn discipelen in Zijn naam prediken (Hand.4:23-31). Ook nog vijf aanhalingen uit het boek aan de Hebreeën bevestigen dit (wij onderstrepen): “Deze, de afstraling zijner heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen, die alle dingen draagt door het woord zijner kracht, heeft na de reiniging der zonden tot stand gebracht te hebben, Zich gezet aan de rechterhand van de majesteit in den hoge” Heb.1:3. “En tot wie der engelen heeft Hij ooit gezegd: Zet U aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gemaakt heb tot een voetbank voor uw voeten?” Heb.1:13. “De hoofdzaak van ons onderwerp is, dat wij zulk een hogepriester hebben, die gezeten is ter rechterzijde van de troon der majesteit in de hemelen” Heb.8:1. “deze echter is, na één offer voor de zonden te hebben gebracht, voor altijd gezeten aan de rechterhand van God” Heb.10:12. “Laat ons oog daarbij (alleen) gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder des geloofs, die om de vreugde welke voor Hem lag, het kruis op zich genomen heeft, de schande niet achtende en gezeten is ter rechterzijde van de troon Gods” Heb.12:2. We geloven niet wat Walvoord zegt blz.467 na de aanhaling van Ezech.37:24,25: “Velen hebben getracht dit gedeelte weg te moffelen in hun verklaring, maar het heeft duidelijk te maken met de tweede komst van Christus, het oprichten van het Koninkrijk van David op aarde, de opstanding van David en David die als mederegent heerst met Christus op zijn troon in Israël. Dat David met Christus de troon deelt in het duizendjarig rijk is duidelijk (Jer.30:9 / 33:15-17 / Ezech.34:23,24 / Hos.3:5). Deze profetie kan vandaag nog niet vervuld zijn gezien David nog niet is opgestaan en er nog geen opgerichte Davidische troon is op aarde.”

Het is duidelijk uit deze teksten dat Jezus reeds regeert in volle heerlijkheid. Het gaat om vijf verwijzingen naar Ps.110:1. De ware Zoon van David zit op zijn troon. Hij heeft de sleutel van David, symbool van de macht van David. Hij sluit en opent wie zich bij Hem zal aanbieden in het Koninkrijk (Jes.22:22 / Opb.3:7). In Christus zijn “hoevele beloften Gods er ook zijn” dan ook “ja” en “amen” geworden, t.t.z. vervuld (2 Cor.1:20-22). Hij zit in symbolische zin op de troon van zijn vader David. Hij is met “eer en heerlijkheid gekroond” staat in de brief aan de


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

371

Hebreeën (Heb.2:9). Vergelijk dit met 2 Thes.2:14 / 2 Tim.2:10. Een toekomstige duizendjarige regering zou aan Zijn macht en aan Zijn koninklijke waardigheid geen “iota” kunnen toevoegen. De beloften gedaan aan de Vaderen zijn door Christus vervuld. Aan de Vaderen én aan de Heidenen. Over Zijn Koninkrijk werd de voorzegging gedaan dat er in rechtvaardigheid zou gehandeld worden en dat is precies wat er in het geestelijke Koninkrijk thans aan de orde is (Jes.16:5 / Rom.14:17). Dat Christus nu reeds hogepriester is volgt tevens uit de lezing van het boek aan de Hebreeën. Daar staat: Heb.2:17 “Daarom moest Hij in alle opzichten aan zijn broeders gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en getrouw hogepriester zou worden bij God, om de zonden van het volk te verzoenen.” Heb.3:1 “Daarom, heilige broeders, deelgenoten der hemelse roeping, richt uw oog op de apostel en hogepriester onzer belijdenis, Jezus, (...) .” Heb.4:14 “Daar wij nu een grote hogepriester hebben, die de hemelen is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, laten wij aan die belijdenis vasthouden.” Heb.5:6 “zoals Hij ook op een andere plaats spreekt: Gij zijt priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchisedek.” Heb.6:20 “waarheen Jezus voor ons als voorloper is binnengegaan naar de ordening van Melchizedek hogepriester geworden in eeuwigheid.” Heb.7:26 “Immers, zulk een hogepriester hadden wij ook nodig: heilig, zonder schuld of smet, gescheiden van de zondaren en boven de hemelen verheven; (...) .” Heb.8:1 “De hoofdzaak van ons onderwerp is, dat wij zulk een hogepriester hebben, die gezeten is ter rechterzijde van de troon der majesteit in de hemelen.” Heb.9:11 “Maar Christus, opgetreden als hogepriester der goederen, die gekomen zijn, is door de grotere en meer volmaakte tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van deze schepping.” Heb.10:21 “en wij een grote priester over het huis Gods hebben.” En over dat hogepriesterschap zegt de Schrift in Heb.7:24 dat het “onvergankelijk” is (SV / Luther / Brouwer) “zonder dat het op een ander overgaat” (Leidse) “op geen ander kan overgaan” (NBG) Een priesterschap “in eeuwigheid” (SV / Luther) “voor altoos” (NBG) “voor altijd” (Leidse / Brouwer). Om deze reden zegt V. Mora in ’Le Refus d’Israël, Matthieu 27,25’, Editions du Cerf, 1986, blz.72: “Met andere woorden, de term Mensenzoon uit Daniël waar Mattheüs uitdrukkelijk naar verwijst (24:15) ontving zoals er staat “en hem werd heerschappij gegeven en eer en koninklijke macht, en alle volken, natiën en talen dienden hem. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij die niet zal vergaan’ (Dan.7:14). Dit koninkrijk identificeert zo wonderlijk met de Mensenzoon in Daniël en Mattheüs dat men kan spreken van de komst van de Mensenzoon als de komst van het Koninkrijk. Het is waarschijnlijk de verkondiging van deze komst aan de Sanhedristen dat Hem zou veroordelen (Mat.26:64). Zijn dood bracht de verwoesting van de Tempel met zich mee, vernietiging van de Heilige Stad, maar niet het einde van de


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

372

geschiedenis van het heil: in plaats van de verwoeste Tempel, staat de Heer op en wordt het centrum van de hereniging van het universum, van Joden en Heidenen, van de volkeren en de diaspora. Zo is in Christus de nieuwe Tempel opgestaan, een nieuw gebedshuis voor alle volkeren. In Hem is de zegen van Abraham overgegaan op alle volkeren. Een christen kan daarin het ontstaan van de Kerk van Christus onderkennen, uit de verzameling van zonen van Israël en zonen uit de volkeren.”

We komen nog even terug op de vijf aanhalingen die we gedaan hebben uit het boek aan de Hebreeën. In zijn commentaar op deze brief schrijft W. Ouweneel, theoloog uit de kringen van de Broeders en zo dus verdediger van een komend duizendjarig rijk, over deze teksten als volgt: “Hij zit thans aan de rechterhand van God, totdat Deze zijn vijanden zal stellen tot een voetbank voor zijn voeten (1:13). Dit ’totdat’ duidt dus het ogenblik aan: a. dat Christus zal opstaan van Gods rechterhand (waar Hij nu ’wacht’:10:13) en zal wederkomen naar deze aarde (1:6; 9:28); b. dat zijn troon in Sion geplaatst zal worden (1:5,8; Ps.2:6v); c. dat zijn vijanden zich aan Hem zullen onderwerpen (1:13; vgl. Ps 18:44-51; 72:7-11; 110:1-7). Uit Op 20:1-6 weten we dat deze regering over het toekomstig aardrijk duizend jaar zal duren (...) Er zijn dus twee fasen in de verheerlijking van de Zoon des mensen na het kruis, zoals ook Jh 13:31v. in een notedop aanduidt: 1) nadat Christus voor alles de dood gesmaakt had, heeft God Hem ’terstond verheerlijkt’ (Jh 13:32v.) door Hem uit de doden op te wekken (...) 2) zo zal Christus ook straks publiekelijk verheerlijkt worden (Jh 13:32a) en zijn regering over het aardrijk aanvangen.” W.J. Ouweneel, ’Wij zien Jezus’, deel 1, Medema, 1982, blz.33, 34.

Dit is de verkeerde voorstelling van meer dan één zaak. Laten we beginnen met het eenvoudigste. De schrijver geeft de indruk dat wanneer er over God en de Heer gesproken wordt als dat ze zitten op Hun troon er dus niets gedaan wordt. God rust niet uit op Zijn troon. Neem de concordantie en zoek maar op. Waar God ’neerzit’ ligt de nadruk op zowel een overwinning die is voltrokken of het oordeel over iemand of een volk dat gaande is. Of is gewoon het symbool van Zijn universele Almacht die Hij uitoefent. En idem voor de Heer die neven de Vader zit. Zijn verlossingswerk is volbracht. Dat verzoenende werk strekt zich uit over de volkeren van de wereld (Joden incluis). Aan ieder wordt de tijd en gelegenheid gegeven zich te bekeren tot Jezus van Nazareth. Dat is regeren! Uit de uitdrukking “op de troon zitten” blijkt het juridische karakter van die handeling. Zelfs indien er zou kunnen bewezen worden dat er een duizendjarige regering is voor de toekomst dan is dat de manier waarop de Heer met de volkeren zal omgaan. Wat Hij dan zou doen, doet Hij thans, waardoor er geen nood is aan zo een rijk. De schrijver verwijst naar Psalm 2 maar zie ons commentaar daarover bij Mat.25:31-46 in het volgende hoofdstuk. En voor Psalm 110 zie Luc.17:21 in dit hoofdstuk. W. Ouweneel verwijst vervolgens nog naar Joh.13:32 dat naar twee fasen zou verwijzen in het werk van de Heer. Ja, en dan! In zijn uitleg zijn het; 1°) verheerlijkt met de opwekking, 2°) verheerlijkt in de duizendjarige regering. Maar het is toch anders ingedeeld in Joh.13. Tijdens Zijn prediking op aarde hebben we (wie Hem hoorde en zag) een “heerlijkheid” gezien als van de Vader. Dat staat in Joh.1:14 en daar spreekt Joh.13:31 over. Het laatste met het oog op Zijn bloedig offer dat zal volgen. Dat is de wil van God. Dat “moet” vervuld worden. Waarop de Vader Hem zal verheerlijken in de Opstanding. Maar verder gaat het niet. Van een duizendjarige


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

373

regering lezen we hier niets, trouwens nooit in de evangeliën! Wie het doet heeft zich schuldig gemaakt aan een “inlezing” van zijn eigen vertrouwde leerstelling. Zodat we de vijf aangehaalde teksten die spreken over het zitten van de Zoon aan de rechterhand van de Vader in de brief aan de Hebreeën als een beschrijving moeten zien van Zijn regeerambt dat Hij thans uitoefent. Men zou eens meer moeten luisteren naar de Schrift in plaats van enkele Oud Testamentische teksten te willen overbrengen naar een nog komende regering. Sinds de Opstanding is Christus “Zoon Gods in kracht” (Rom.1:4). Hij is thans voor Joden zowel als Grieken “de kracht Gods” (1 Cor.1:24). Aan Hem hoort alle “heerlijkheid” nu en in de dag der eeuwigheid (2 Pet.3:18). Vergeet niet al te vlug dat de term koninkrijk zowel in het Hebreeuws als in het Grieks twee betekenissen heeft: 1°) koninkrijksmacht 2°) koninkrijksgebied. In het Latijn heeft “regnum” ook die dubbele betekenis. Maar een Franse vertaling moet dan om recht te doen in haar tekst twee woorden gebruiken: “règne” en andermaal “royaume.” Ook het Nederlands zou dat kunnen doen maar dat is niet altijd waar. In elk geval: sinds Zijn kroning (Hemelvaart of Pinksterdag naar gelang waar het accent ligt) is Jezus koning over een gebied zo groots als hemel, aarde en onder de aarde! Bij de benadering van het begrip koninkrijk in het NT moet dan ook gedacht worden aan een opmerking van Paulus die over Christus sprak als diegene die we nu niet meer “vleselijk” kennen (2 Cor.5:14,15). Zo ook moet zijn Rijk niet slechts zichtbaar ge zien worden in Rome (Katholieke Kerk) of Jeruzalem (leer van de bedelingen).

Teksten over het Koninkrijk en hun context Wat is het Koninkrijk volgens de evangeliën Is een gave Gods Luc.12:32. Mogen er voor bidden Mat.6:10. Maar moeten het grijpen met geweld Mat.11:12. Men kan het verliezen Mat.21:43. Komt na bekeerd te zijn Marc.1:15. Moeten er voor wedergeboren worden Joh.3:3,5. Ontvangen als een kind Mat.18:4 / 19:14. Jezus beschikt over het rijk Luc.22:29. Is waardevoller dan alles Mat.10:37-39 / 13:44. Dient men boven alles te zoeken Mat.6:33 / Luc.12:30. Is weggelegd voor armen van geest Mat.5:3. Is een langzaam proces zoals zuurdesem Luc.13:20,21. Worden erom vervolgd Mat.5:11,12. Is niet te koop met geld Marc.10:23-25. Moeilijk te beërven voor schriftgeleerden Marc.12:34. Wordt gepredikt tot aan het einde der “eeuw” Mat.24:14.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

374

Johannes doopte met het oog op het Koninkrijk Luc.7:28-30. Jezus verkondigd dat Rijk Luc.4:43. De 12 prediken dat Rijk Mat.10:7 De 70 prediken dat Rijk Luc.10:9 Jezus drijft boze geesten uit = het Rijk is er Luc.11:20. De gemeente heeft er de sleutels van Mat.16:19 / 18:18. Een eeuwig koninkrijk (Luc.1:33) is het nu reeds maar nog steeds aards in bepaalde aspecten. Het gaat om in geestelijke zin aanliggen of eruit geworpen worden (Mat.8:11,12) om eten (Luc.14:15) en drinken (Mat.26:29) om gerechtigheid groter dan deze zoals Farizeeën beoefenen (Mat.5:20) en is weggelegd voor wie Gods wil doet (Mat.7:21). Dit zijn al de teksten waar de uitdrukking ”koninkrijk van God” of ”koninkrijk der hemelen” in voorkomt in de evangeliën: Mat.3:2 / Mat.4:17 / Mat.5:3 / Mat.5:10 / Mat.5:19 / Mat.5:20 / Mat.7:21 / Mat.8:11 / Mat.10:7 / Mat.11:11 / Mat.11:12 / Mat.12:28 / Mat.13:11 / Mat.13:24 / Mat.13:31 / Mat.13:33 / Mat.13:44 / Mat.13:45 / Mat.13:47 / Mat.13:52 / Mat.16:19 / Mat.18:1 / Mat.18:3 / Mat.18:4 / Mat.18:23 / Mat.19:12 / Mat.19:14 / Mat.19:23 / Mat.19:24 / Mat.20:1 / Mat.21:31 / Mat.21:43 / Mat.22:2 / Mat.23:13 / Mat.25:1 / Marc.1:15 / Marc.4:11 / Marc.4:26 / Marc.4:30 / Marc.9:1 / Marc.9:47 / Marc.10:14 / Marc.10:15 / Marc.10:23 / Marc.10:24 / Marc.10:25 / Marc.12:34 / Marc.14:25 / Marc.15:43 / Luc.4:43 / Luc.6:20 / Luc.7:28 / Luc.8:1 / Luc.8:10 / Luc.9:2 / Luc.9:11 / Luc.9:27 / Luc.9:60 / Luc.9:62 / Luc.10:9 / Luc.10:11 / Luc.11:20 / Luc.13:18 / Luc.13:20 / Luc.13:28 / Luc.13:29 / Luc.14:15 / Luc.16:16 / Luc.17:20 / Luc.17:21 / Luc.18:16 / Luc.18:17 / Luc.18:24 / Luc.18:25 / Luc.18:29 / Luc.19:11 / Luc.21:31 / Luc.22:16 / Luc.22:18 / Luc.23:51 / Joh.3:3 / Joh.3:5.

Wat is het Koninkrijk Gods in de rest van het NT Genaamd: Koninkrijk Gods Rom.14:17 / 1 Cor.4:20. Genaamd: Christus’ Koninkrijk Col.1:13 / 2 Tim.4:1. Bestaat niet in woorden maar in kracht 1 Cor.4:20. Bezit heil en kracht Opb.12:10. Heeft rechtvaardigheid en vrede gebracht Rom.14:17. Koninkrijk en Gods heerlijkheid gaan samen 1 Thes.2:12. Is eeuwig 2 Pet.1:11. Is onwankelbaar Heb.12:28. Hemels in oorsprong 2 Tim.4:18. In verdrukking het Koninkrijk beërven Hand.14:22. Lijden voor het Koninkrijk is niet uitgesloten 2 Thes.1:5 Gelovige is overgebracht in het koninkrijk Col.1:13. Men wordt tot het Koninkrijk geroepen 1 Thes.2:12. God behoudt voor het Koninkrijk 2 Tim.4:18. Armen zijn uitverkoren voor dat rijk Jac.2:5. Zondaars beërven het niet 1 Cor.6:10 / 15:50. Discipelen prediken over het Koninkrijk als een werkelijkheid Hand.8:12 / 19:8 / 20:25. Christus geeft het over aan Zijn Vader nadat Hij in alles zal bemiddelt hebben 1 Cor.15:24.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

375

Laten we even stilstaan bij de teksten over het Koninkrijk die we al geciteerd hebben uit het NT. Tussen haakjes 80% van alles wat er in het NT over staat. Er zijn slechts enkele teksten die het Koninkrijk in volle zin in de toekomst plaatsen. Bijna allemaal spreken ze over het rijk dat er nu is, het gaat al om het hier en nu en niet slechts over de toekomst. En zeker niet over een duizendjarig rijk waar mensen nog eens opnieuw getest worden op hun getrouwheid, want dat is zoveel als beweren dat er mensen zijn die een tweede kans krijgen. De taal die er gebruikt wordt zijn ook aarde-gebonden-termen zoals: iets waardevols verliezen (Marc.9:47,48), zijn rijkdom oordeelkundig gebruiken (Luc.18:24,25), je moet er de bepaalde vechtlust voor hebben ( Mat.11:10-13), en de totale gewillige liefde is er het hoofdkenmerk van (Marc.12:28-34).

God: de Eeuwige Koning, over Israël én de Natiën Wanneer we een overzicht maken van de wijze waarop zowel het Oud als het Nieuw Testament over het begrip Koninkrijk spreken kan men dat onder zes aspecten beschouwen. En met Koninkrijk moeten we verstaan dat het gaat om de koninklijke macht, om het koninklijke ambt en om het koningschap van God en niet slechts het gebied waarover geregeerd wordt. De term “Koninkrijk Gods” is geen echte term uit het OT maar des te meer uit het NT. En ook in de Rabbijnse geschriften kunnen we de term terugvinden. Maar dat God een universele Regeerder is, blijkt duidelijk onderstreept in vooral de Psalmen. 1°) Alle schepping waarover God regeert. Gen.1:1 / Neh.9:6. Deze zal vervangen worden door een nieuwe hemel en aarde. God is een eeuwige koning Ps.10:16 (olam va’ed = voor altijd en daarna) / 29:10 / 93:1 (me olam = sinds alle eeuwigheid in vers 2) / 96:10 / 145:3 (kololamim = tijdens alle eeuwen). 2°) Gods moreel ethisch rijk. Ps.103:19 / Dan.4:25,31,34-36. God is de rechter van de gehele aarde Gen.18:25. In de nieuwe hemel en aarde zullen zeer waarschijnlijk andere morele voorschriften tellen. Of... Gods Heilige Geest en de mensengeest zal op een zodanige wijze werkzaam zijn dat er van geen wetten sprake kan zijn. God zal tenslotte “alles in allen zijn.” 3°) De hemel waarin God regeert. Dan.4:26 / Luc.15:21 / Hand.14:22 / 1 Pet.1:11. Moest gezuiverd worden gezien er een deel engelen zijn afgevallen (Opb.12). 4°) Het koninkrijk Israël waarover God regeerde. 2 Sam.5:12 / 1 Kon.9:3-7 / 11:11. In niet verkeerd te begrijpen taal zegt YaHWeH de “Koning en Verlosser van Israël” te zijn. Vergelijk bijvoorbeeld de uitdrukking “de troon van David” = “de troon van “YaHWeH” in 1 Kon.2:12 / 1 Kron.29:23 / 2 Kron.9:8. Het is een Godsregering, een theocratie. Maar dit is een tijdelijke oplossing. Dit volk is uit andere volkeren verkozen om onder Gods heerschappij te staan (Ex.19:5,6 / Deut.33:5 / Ps.47:7). Gezien God hun koning is moet het volk alle kwaad uit zijn midden wegdoen (Jes.24:21-23 / Zef.3:15). Dat hebben ze niet gedaan. Maar wel het tegengestelde, valse goden aanbeden, en zijn daarom dan ook verworpen. Om die reden verliezen ze hun exclusiviteit en zal het Koninkrijk aan een ander overgaan, een volk dat er de vruchten zal van opbrengen (Mat.21:43 / Luc.19:41-44). En Haggaï 2:7 wijst op Gods genade voor de


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

376

heidenen. In het OT ligt de nadruk op “de God van Israël” dat we er enkele malen terugvinden (1 Kron.17:24). In het NT kan men deze titel echter slechts nog maar drie maal tegenkomen. En daar is een reden toe. 5°) De Kerk = Gods nieuwe Israël, is begonnen met Pinksteren. Dan.2:44 / Hand.2:36 / 15:15-17. Is dit soms geen theocratie? Waar géén eind aan komt! Christus heeft toch nu reeds alle macht, zowel in hemel als op aarde (Mat.28:18)? Scofield zegt ergens (blz.1149): “Wanneer Petrus de deur van het koninkrijk opende voor de Heidenen (Hand.10) ontvingen allen die gegeloofden zonder voorwaarden of uitstel, dan slechts geloof, de Heilige Geest.”

Maar Scofield heeft de gedachte dat de Heidenen in deze bedeling opgenomen zijn in het Koninkrijk jammer genoeg niet verder uitgewerkt. Had hij dat gedaan dan zou zijn theologie van de toekomst er gans anders hebben uitgezien. In de New Scofield Reference Bible heeft men dan die vervelende opmerking, met de verwijzing naar het Koninkrijk, laten vallen (blz.1163). En nog een pittig detail uit P. Mauro, ’The gospel of the kingdom with an examination of Modern dispensationalism’, Hamilton Brothers, 1928, blz.83 e.v.. Mauro zegt dat Scofield in zijn Bible, van de 139 teksten die er staan in het NT verwijzend naar het Koninkrijk, hij er slechts 21 aanhaalt. Over 118 teksten heeft hij blijkbaar niets te zeggen. Van de 17 geschriften uit het NT waar naar het Koninkrijk verwezen wordt heeft Scofield er slechts 5 aangehaald. Dat wil zeggen dat hij aan zijn lezers één en ander verzwijgt.

God is dus niet slechts “de koning van Israël” (of der Joden) maar “zeker ook der heidenen” (Rom.3:29). Dus van “allen die Hem aanroepen” (Rom.10:12,13). 6°) Gods rijk in de eeuwigheid. Daarover spreken 1 Cor.15:24-28. Dat is het “eeuwig Koninkrijk” waarover 2 Pet.1:11 spreekt. Voorafgaande is het oordeel over alle mensen (Rom.2:16). Het is dan ook uitgebreider dan slechts de kerk uit punt 5. Het omvat alle gelovigen van alle plaatsen en alle tijden. En een ander verschil tussen de kerk van 5 en deze van 6, is dat de kerk in haar huidige vorm een geestelijke zaak is (Mat.18:3 / Joh.3:3-7 / Rom.14:17), terwijl het eeuwige Koninkrijk aardse aspecten heeft (Opb.21:1-8 / 22:1-5). Of is dit laatste slechts een symbool voor het geestelijke? Vergeten we dan ook niet dat God de eeuwige God is, en dat Hij altijd regeert; in het verleden, het heden en de toekomst. Zie hiervoor o.a. Ps.10:16 / 97:1 / 99:1,2 / 145:13 / 1 Tim.1:17. Dus ook in de periode vóórdat er een zichtbare koning is in Israël, is YaHWeH hun koning. En wanneer er in Israël géén zichtbare koning is, ook dan is YaHWeH hun koning. Ook nu nog. Soms wordt dit schoorvoetend toegegeven zoals in R.J. Reid, ’Remarks on the Amillenialism and kindred teachings of Philip Mauro’, Loizeaux, 1948. We lezen daar op blz.39, 40: “Laat ons zeggen dat uitdrukkingen als “Koninkrijk der hemelen”, “Koninkrijk van God”, “Koninkrijk van de Zoon”, “Koninkrijk van de Vader” betrekking hebben op hetzelfde Koninkrijk, en slechts bepaalde aspecten daarvan beschrijven (...) (Wanneer we dat zeggen, mag tevens opgemerkt worden dat alhoewel we akkoord gaan met de Scofield-Bijbel met betrekking tot de onderlinge kracht van elke term waar het naar verwijst,


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

377

de huidige schrijver toch niet akkoord gaat met de uitleg dat al deze termen verscheidene koninkrijken beschrijven)” (wij onderstrepen). We zeggen dit met het oog op allen, en in de optiek van dezen,

die nog persé een regering van duizend jaren willen inlassen; speciaal met betrekking tot Israël.

Conclusie Evenals het begrip eeuwig leven in het NT een grootheid weergeeft van zowel het “heden” als van de “toekomst”, zo geeft het NT daar waar ze spreekt over “het Koninkrijk” de werkelijkheid weer van het al aanwezig “zijn” en het “zijn” in volheid bij de Wederkomst. Sinds Pinksteren is de man gekend als Jezus van Nazareth tot Heer = Koning, Heerser en Messias aangesteld door de Eeuwige. Voor velen is de bovenstaande zienswijze echter niet aanvaardbaar. Mensen verdraaien de Schriften meerdere malen en om een variëteit aan redenen tot hun eigen verderf. We gaan twee van deze verderfelijke leerstellingen hieronder ontleden.

I) De fout van Darby: het uitgestelde Koninkrijk Wat zij op dat gebied zeggen In het kort is de leer van Darby = Scofield (blz.1148) = Bullinger (Bible-appendix 140) e.a. deze: toen Jezus kwam en zich heeft aangeboden als koning aan het volk Israël heeft men Hem niet willen aannemen. Maar aangezien God zovele beloften heeft gedaan i.v.m. Israël die niet vervuld zijn moet God met hen verder gaan waar de geschiedenis met hen tot een halt gekomen is. Met de Wederkomst van de Heer zal dat volk Hem als de Messias aanvaarden en in een duizendjarige regering samen met Hem vanuit Jeruzalem letterlijk over de aarde (de andere volkeren) regeren. Laat enkele aanhalingen hierbij volstaan. In ’Bijbels Panorama’ een gedeelte uit de aantekeningen bij de zesde en de zevende bedeling staat: “De kring van hen die behouden werden of: de gemeente - bestond in het begin alleen uit gelovig geworden Joden. In dit stadium was zij de kern van het overblijfsel uit Israël, dat in de Messias (Christus) geloofde en wachtte op zijn wederkomst op aarde (...) In tegenstelling daarmee stond het overige Joodse volk met zijn verantwoordelijke leidslieden, die niet in de Christus geloofden en ten slotte door de steniging van Stephanus ook het getuigenis van de Heilige Geest verwierpen (...) Alhoewel er echter een overblijfsel van het volk Israël was, wees de meerderheid van het volk de Messias af (...) Het volk der Joden had de Here verworpen en nu begon God zijn aardse volk terzijde te stellen. De verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 na Christus zette een voorlopige streep onder deze bedeling (...) .”

Bij de zevende bedeling (het duizendjarig rijk) staat er: “Israël zal dan als Gods volk tot zegen zijn, zoals God eenmaal aan zijn vriend Abraham beloofd had. De volkeren zullen de Here onderworpen zijn, want het is in hun aardse belang te luisteren naar Gods geboden. Jaarlijks zullen zij optrekken naar Jeruzalem om deze God en zijn Christus te aanbidden. Deze tijd is vanouds door de profeten; geïnspireerd door de Geest Gods, in vele kleuren geschilderd.”


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

378

W. Blackstone beweerde: “Hij, Jezus, zou het Koninkrijk hebben opgericht maar zij, de Joden, verwierpen Hem en kruisigden Hem. Het Koninkrijk was nabij toen de Christus kwam. Hadden zij Hem aangenomen dan zou het toen opgericht zijn, nu is het slechts tijdelijk uitgesteld.” ’Jesus is coming’, H.

Revell Co., 1908, blz.87,88. H. Ironside zegt: “Vanaf het ogenblik dat Christus zijn hoofd neerboog en Zijn geest aan de Vader overgaf, zijn alle heerlijkheden van het Koninkrijk waarover de zieners en profeten in het OT spraken tijdelijk uitgesteld (...) De profetische klok stopte op Calvarie. Sindsdien is er op die klok geen enkele tik gehoord.” ’The Mysteries of God’, Loizeaux Brothers, 1946, blz.54.

J. Walvoord zegt: “de kerk is een apart deel van God dat zijn voltooiing bereikt vóórdat het goddelijke programma dat God met Israël heeft opnieuw wordt opgestart.” ’The Millennial Kingdom’, Zondervan, 1976, blz.247.

Wat wij op dat gebied zeggen Bij het lezen van deze dingen is onze eerste indruk dat Christus de Joden wat heeft voorgelogen toen Hij predikend rondging. Want Zijn boodschap was “het Koninkrijk Gods is, nabij.” En dat kwam er niet! Zou zelfs uitgesteld worden! Maar liegt God wel? Zie o.a. 1 Sam. 15:29 / Titus 1:2 / Heb.6:18. Bovendien krijgen we hier een herhaling van wat er in de tijd van de profeet Samuël geschiedde. Ook toen zocht het volk zich een koning en gaf daardoor te kennen het koningschap van YaHWeH niet meer te verkiezen. Hun redenering was: liever een zichtbare koning dan een verre God die regeert. Uit hun opstand maakt God nog het beste en geeft hen de koning. Aan de zonden die ze al op hun palmares hebben voegen ze er nog een ander aan toe door naar deze koning te vragen zegt 1 Sam.12:19. Zie dit verhaal in 1 Sam.8:4-22, vooral vanaf vers 18. De leer van het uitgestelde koninkrijk is een bedroevende theologie die geen rekening houdt met de werkelijke geschiedenis van Israël na de ballingschap en met wat er in Christus volbracht is. We geven ter illustratie twee voorbeelden. De eerste van een profetie die nog niet aan het vleselijke Israël is vervuld. En die ook niet zal vervuld worden in letterlijke zin. De tweede van een verkeerde uitleg van een profetie. 1°) Voorbeeld: Jer.33:17,18: “Want zo zegt de HERE: Nimmer zal het David ontbreken aan een man, die op de troon van het huis Israëls gezeten is, en de levitische priesters zal het nimmer ontbreken voor mijn aangezicht aan een man die brandoffers offert, spijsoffers ontsteekt en slachtoffers brengt al de dagen.” Wanneer dit letterlijk nog te vervullen is, dan ook nog een letterlijk herstel van het Levitische priesterschap en het letterlijk offeren van dieren. Niet voor een periode van duizend jaar, maar voor immer, want er staat “nimmer ontbreekt!” Hoe maak je dit waar vanuit het NT? Daar staan geestelijke offers voorgeschreven en een aanbidding in geest en waarheid (Joh.4:23 / 1 Pet.2:5 / Heb.13:15,16). Dat toen er nog een tempel was! Toen er volgens de wet, nog dagelijks de voorgeschreven offers gebracht werden! Dat wil zeggen; dat het laatste deel van deze voorspelling, niet van toepassing op een verre toekomst is of kan zijn. En de reden daartoe is niet ver te zoeken: Israël was ontrouw aan het verbond. God heeft ondertussen


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

379

nieuwe schikkingen getroffen en de profetie kan op de oorspronkelijk bedoelde wijze niet meer vervuld worden. Gods voorspelling heeft dus niet gefaald. Israël heeft echter wel tot het einde toe gefaald. Een mooi voorbeeld van het verval en afval of ongehoorzaamheid van Israël is de gebeurtenis met een vijgenboom. Hij staat beeld voor ofwel Israël, ofwel alle ongelovigen uit de aartsvader Israël. Er zal nooit meer vrucht aan hen komen in eeuwigheid (Mat.21:19). Maar wel vrucht droegen o.a. de Romeinen, want ze waren discipelen van Christus (Rom.7:14). De profetie dat Israël zal bloeien gaat geestelijk in vervulling aan deze christelijke gemeente (Jes.52:7). De gemeente beleeft de dagen waar de profeten over gesproken hebben (Hand.3:24). Het herstel is begonnen. 2°) Voorbeeld: We lezen in Bultema blz.231 over een profetie uit het OT: “Joël 3:1-3 “Want zie in die dagen en te dier tijd als ik de gevangenis van Juda en Jezuzalem zal wenden” enz. 1. De tijd dezer wederkeering is de dag van het gericht over de volken, de groote en de vreeselijke dag des Heeren, waarin alleen op de berg Sion ontkoming zal zijn, dewijl de Here Zelf aldaar zal wezen met de Zijnen. 2. Deze profetie kan op geenerlei manier verklaard van de kerk, omdat deze niet in de gevangenis zit. 3. De uitstorting des H. Geestes wordt door allen opgevat als eenen letterlijke, historische gebeurtenis. Waarom kan Israëls verlossing dan niet eene historische gebeurtenis van de toekomst zijn?”

Bullinger zegt dat dit hoofdstuk volgt op Joël hoofdstuk twee en wijst op het oordeel van Mat.25 over de schapen en de bokken. (Zie de voetnoten bij de tekst in ’The Companion Bible’). Ook Bultema wil hoofdstuk drie laten volgen op hoofdstuk twee. Scofield zegt over Joël 3:1-8 = “Herstel van Israël”, over verzen 9-14 = “Hebben betrekking op Armageddon, Een achterwaartse blik” en “Van verzen 9 tot 16 hebben we een résumé van Joël 2:9-32” (blz.933). De ’New Scofield Reference Bible’ gaat nog verder met op te merken “verzen 15-21 zijn parallel met 2:30-32” (blz.931). In ’Bijbels Panorama’ wordt Joël 3:18 toegepast op het duizendjarige rijk samen met Jes.35:10 en 65:19-25 (zie de 12de schets). Met andere woorden, de verdedigers van het duizendjarige rijk zijn het volledig oneens onder elkander over de tijd van vervulling en betekenis van Joël hoofdstuk drie. Kan dat gedeelte verwijzen naar een duizendjarige regering? Laat ons dit benaderen vanuit Joël 3:17: “En gij zult weten, dat Ik, de HERE, uw God ben, die woon op Sion, mijn heilige berg, en Jeruzalem zal een heiligdom zijn, en vreemdelingen zullen er niet meer doortrekken.” Biederwolf zegt bij deze tekst: “om aan te valen of te verontreinigen.” Maar dat staat er niet bij. De context suggereert dat niet, dus ruikt dit naar inlegkunde. Nu geven de millenniumgelovigen ook steeds Jes.19:23-25 als een voorspelling in verband met die komende regering. Daar staat dan: “Te dien dage zal er een heerbaan wezen van Egypte naar Assur, en Assur zal in Egypte komen en Egypte in Assur, en Egypte zal met Assur (de HERE) dienen. Te dien dage zal Israël de derde zijn naast Egypte en Assur, een zegen in het midden der aarde, omdat de HERE der heerscharen het gezegend heeft met de woorden: Gezegend zij mijn volk Egypte en het werk mijner handen, Assur, en mijn erfdeel Israël.” Twee teksten die spreken over het millennium (?) die elkaar dus uitsluiten: in Jeruzalem mogen de vreemde volkeren komen volgens Jesaja maar absoluut niet volgens Joël. Volgens Biederwolf spreekt dit vers uit Jesaja niet over de duizendjarige regering maar wijst naar de tijd


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

380

na Pinksteren. Hij geeft aan de tekst dus een geestelijke uitleg waar we geen probleem mee hebben maar die zijn regel schendt dat een profetie letterlijk moet gelezen worden waar het kan. En veel van zijn medegelovigen nemen dit ook letterlijk! Ook nog een andere opmerking over dat gedeelte van Jesaja 19. Er staat in het vers 18 namelijk dat er: “vijf steden in het land Egypte zijn, die de taal van Kanaän spreken.” Is dàt dan het povere resultaat van de nieuwe regering van de Messias in het Millennium? Vijf steden! Zijn de anderen dan allemaal ongelovig! In welk verband gebruikt het NT dan de verwijzingen uit Joël hoofdstuk 3. We verwijzen nogmaals naar ’The Greek Testament’, ed. K. Aland / M. Black / B. Metzger / A. Wikgren, United Bible Societies, 1966. Tekst

Citaat.

Joël 3:4-8

Mat.11:21,22 Luc.10:13,14 Marc.4:29 Opb.14:15,18 19:15 Mat.24:29 Marc.13:24,25 Opb.6:12,13 Opb.8:12 Opb.22:1

3:13

3:15

3:18

Het gaat hier duidelijk niet om de vervulling van dit = dat. We vinden beelden en flarden van een gedeelte uit Joël drie terug in het NT om naar één of andere toestand te verwijzen die een gelijkenis vertoont, maar niet naar een vervulling. In Joël drie zijn Tyrus en Sidon afgeschilderd als de aartsvijanden van Israël. In Mat.11 en Luc.10 worden beide steden in een zeer gunstig daglicht gesteld tegenover Israël. In het oordeel staan ze er beter voor dan de vleselijke Israëlieten en deze Heidenen zullen Gods volk aanklagen op die dag. Dit is voor ons geen probleem, maar wel voor hen die in de duizendjarige regering geloven. Want over welke oordeelsdag zou het dan gaan in Mat.11 en Luc.10; de opname der gemeente, het herstel van Israël daarna of het slot van de duizendjarige regering? In de drie gevallen heeft men daar problemen mee. Maar wie geloofd in een éénmalige allesomvattende en unieke oordeelsperiode kan daar geen moeilijkheid bespeuren. Wat staat er in Joël 3:13? De tijd van de oogst is aangebroken. Het eerste gedeelte ervan gebruikt Christus om te zeggen dat het voor Israël de tijd is van de oogst. Wellicht mogen we dit wel verklaren als “de oogst” van Israël als volk. Dat God hierbij zijn betrekkingen tot hen totaal verandert. En denk hier aan de tijd van Pinksteren en de bekering van Cornelius die de belangrijkste momenten zijn uit die vroege kerk. En het laatste deel, van de wijnoogst, wijst ook duidelijk naar oordeel. Mogelijks over Israël (denk aan de tweede verwoesting van de tempel in 70


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

381

AD) maar in elk geval hebben we een parallel met Openbaring hoofdstukken 14 en 19 het oordeel van de volkeren in de toekomst. Laten we u ook schetsen hoe moeilijk de uitleg is van de volgende verzen. Egypte en Sodom, volkeren die altijd vijandig stonden tegenover Israël zullen worden verwoest (Joël 3:19,20). Wanneer zet u de vervulling? Vóór de duizendjarige regering? Hoe verklaar je dan dit, dat de Egyptenaren in de duizendjarige regering naar Jeruzalem zullen trekken om er te aanbidden (volgens Jes.19:23-25)? Of na de duizendjarige regering? Hoe verklaar je dan dat alle volkeren terug hersteld zijn volgens de hoofdstukken 21 en 22 van Openbaring? Zodat er maar één mogelijke uitleg is die de Schrift geen geweld aandoet! Het gaat in Joël drie om een beeld van Israël, en de wereld rondom hen, die betrekking heeft op de tijd van de ballingschap. Hoofdstuk drie is niet het vervolg van twee. Terwijl hoofdstuk twee duidelijk gaat over de Pinkstertijd, het hoofdstuk drie spreekt van een periode van zeshonderd jaar vóór die tijd (Hand.2.14-21). Dit zijn enige van de treffende voorbeelden (?) die men gebruikt (misbruikt) wanneer men naar de nog toekomende vervullingen van voorspellingen verwijst. Bultema geeft er nog een twintigtal die allen vanuit dezelfde principes die we bij deze teksten hebben toegepast niet gebruikt kunnen worden als het bewijs van een herstel van Israël in een toekomstig duizendjarig rijk.

Misbruik van Psalm twee We zijn het dan ook volledig oneens met wat in een evangeliesatieblad van de Broeders staat. In ’Het Woord der waarheid’ van augustus 1998 staat op blz.187, 188 een artikel van H.C. Voorhoeve (dus een zéér oude herdruk). Daar lezen we: “Het blijkt dan ook dat uit alle profetische Schriften van het Oude Testament, dat voor de geïnspireerde schrijvers van die dagen de Gemeente een verborgenheid was; ja, dat zelfs de tijd van de gemeente, de tijd waarin wij leven, in het geheel niet te vinden is in hun profetieën. Drie voorbeelden uit de vele voorbeelden die er zijn, kunnen dit voldoende aantonen. In Jesaja 11 worden de eerste en de tweede komst van Christus op zo’n wijze aan elkaar verbonden, dat niemand bij de lezing van die profetie eraan kan denken dat daartussen zoveel eeuwen verlopen zijn. En toch is het zo. Tot de helft van vers 4 is de profetie vervuld, terwijl het verdere gedeelte nog vervuld moet worden bij, de tweede komst van Christus. En Jesaja 61 is al een even duidelijk voorbeeld. Iedereen zal bij de lezing van die voorzegging gedacht hebben, dat alles achtereenvolgens zou gebeuren zoals het daar voorzegd wordt. En toch weten wij, dat er nu reeds bijna 20 eeuwen verlopen zijn tussen het prediken van ’het aangename jaar van de Heer’ en van ’de dag van de wraak van onze God’. In Psalm 2 vinden wij hetzelfde. In Handelingen 4 wordt het begin van deze Psalm aangehaald en gezien als de vervulling van de verwerping van de Heer Jezus door Herodes en Pontius Pilatus. Men zou nu verwachten dat in het vervolg van de Psalm gesproken zou worden over de gemeente; maar het tegendeel is het geval, omdat het verdere gedeelte een beschrijving is van het oordeel van God over zijn vijanden en van het koninkrijk van Christus. De tijd waarin wij leven en waarin de gemeente van Christus bijeenvergaderd wordt, neemt dus in de profetieën van het Oude testament geen plaats in. Dit geeft ons de sleutel tot het juiste verstaan van de profetie.”


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

382

Voorhoeve maakt een rare sprong van “de gemeente was een verborgenheid” naar drie teksten die een lacune zouden aangeven in de wereldgeschiedenis. Deze lacunes zouden evengoed met niets kunnen opgevangen worden van enig belang en hoeven niet over de gemeente te spreken. De Bijbel zegt wel wat anders. Het vleselijke Israël heeft bij God gefaald en God heeft hen vervangen door een geestelijke Israël. Het oude Israël heeft afgedaan en de profetie die over hen spreekt en nog niet is vervuld, gaat aan het geestelijke Israël in vervulling. God kán dat zonder één van de beloften aan Israël te breken. Want het eerste deel van dat Israël bestaat uit allen vleselijke kinderen van Abraham die geestelijk herboren zijn tot geestelijke kinderen van Abraham. Aan hen zal God vervullen wat er nog niet geschied is naar Zijn besluit. En daarboven worden allen die uit de Heidenen stammen en herboren zijn tot geestelijke kinderen van Abraham ook opgenomen in datzelfde geestelijk Israël. God màg dat, kàn dat en doet aldus zonder iets af te doen aan voorspellingen en beloften aan aartsvaderen of wie ook gedaan uit het OT. Dat Heidenen zich ééns tot God zouden bekeren én dat ze de Messias als hun koning zouden belijden staat duidelijk in het OT. De leer “van de verborgenheid van de gemeente in het OT” is dan ook een wensdroom en fantasiestuk in de theologie van Voorhoeve. De profetie van Amos 9 is wel degelijk in de Heidenen uit de kerk vervuld en de profeten uit de christelijke gemeente nemen gewoon de draad op die het Joodse volk heeft losgelaten. Samen met de bekeerde Heidenen wat God van hen heeft gemaakt: het nieuwe Israël. We gaan nog enkele opmerkingen na van Voorhoeve uit de aanhaling hierboven. Voor onze aantekeningen bij Jesaja 11 zie de 3de stelling over Israël. Onze aantekeningen bij Psalm 2 zie Mat.25:31-46 in hoofdstuk 5. Wat is er te zeggen over Jesaja 61. Het is natuurlijk waar dat we in Lucas 4:18,19 de gedeeltelijke aanhaling terugvinden in een prediking van de Heer te Nazareth. Over de wraak van God, ook een deel van die profetie, rept de Heer “op dat moment” met géén woord. Daar zijn gegronde pastorale redenen voor. Men gaat niet gewoon het slechte nieuws vertellen aan de mensen zonder dat ze de kans hebben gehad zich te bekeren. Maar dat wil niet zeggen dat Hij het niet doet op latere tijdstippen. Integendeel, tientallen malen en dat naarmate Zijn dood voorspeld wordt (vanaf Mat.16:21, en ook enkele parabels spreken daarover) voorzegt Hij dat Israël de wraak van God tegemoet gaat. Vooreerst dat de tempel zal vernietigd worden, voor de tweede maal (Marc.13:14-20 / Luc.19:41-44 / 21:20-24 / 23:29). Bovendien zal hun het Koninkrijk worden afgenomen en anderen gegeven (Mat.8:12 / 21:43 / 23:31,32). Van een herstel van Israël spreekt Jezus niet, alléén enkelingen uit Israël zullen gered worden (Mat.22:14 / Luc.10:11,12 / Joh.8:44,45). En zo is het geschied naar de raad en het besluit van God (Hand.4:2428 / 13:26-29). Daarom zegt H.M. Matter in dit verband terecht in ’De toekomst van Israël’ Bosch & Keuning, 1953, blz.34,35: “Israël heeft zich niet maar verzet tegen het heil, maar van zijn verzet een nationale zaak gemaakt. Men denke aan Matth.27:25; Joh.11:48;19:15! God had in de ironie van zijn oordeel Israël op zijn weg kunnen volgen en nationaal van het heil uitsluiten, gelijk hij voorheen de heidenen deed volgens Hand.14:16. God heeft dit niet gedaan. Er is geen enkele discriminatie ten voordele van de heidense volkeren, die nimmer nationaal verzet hebben gepleegd en soms massaal het evangelie hebben aanvaard. De wateren van het heil stromen vanuit Israël de wereld in. Zij stijgen daar tot dezelfde hoogte, waarop ze in Israël de eeuwen door hebben gestaan. Dit geschiedt zonder enig verlies voor het schuldige Israël. De wateren van het heil behouden in Israël hun oude hoge peil.”


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

383

Verschil tusen gemeente en Koninkrijk Gods? Men mag bij alles wat we weten over de gemeente en het Koninkrijk dus niet beweren dat de kerk en het Koninkrijk andere zaken voorstellen. Men doet dat in de kringen van verdedigers van de duizendjarige regering. Zo schept men de gedachte dat er nog iets ontbreekt aan zowel het Koninkrijk dat aan Christus toebehoort, als aan de Kerk waarover Hij Heer is. Verschillen die kunnen aangetoond worden zijn daarom trouwens geen bewijs dat er nog een rijk zal worden opgericht voor duizend jaar. Integendeel. Zoals de gemeente Gods met meer dan tien titels is omschreven zo is ook het “Koninkrijk van God (de Heer)” er één van. Hieronder daarom enkele gelijkenissen die dat beginsel illustreren: 1°) Christus is hoofd van de Kerk Eph.1:22 / Col.1:18 idem van het Koninkrijk Hand.17:7 / Opb.1:5 2°) Gelovigen zijn wedergeboren voor de Kerk 1 Pet.1:22,23 idem voor het Koninkrijk Joh.3:3-5 3°) Gelovigen zijn leden van de Kerk Col.1:13 idem van het Koninkrijk 1 Pet.2:8,9 4°) Gelovigen zijn medeburgers in de Kerk Eph.2:19,20 idem van het Koninkrijk 1 Thes.2:12 5°) De Kerk bestaat uit geestelijke zegeningen Eph.1:3 idem in het Koninkrijk Rom.14:17 Mat.16:18,19 maakt het duidelijk dat beide gelijk zijn. Vers 18 spreekt over het ontstaan van de Kerk en vers 19 over het ontstaan van het Koninkrijk. Dat rijk is niet voor een verre toekomst want de 12 apostelen krijgen er de sleutels van en die gebruiken ze tijdens hun leven al (nà Pinksteren!). Men kan het Koninkrijk Gods niet zo maar zien als het verlengde van het zichtbare koninkrijk in Israël al dan niet hersteld in dat land of erbuiten. Want daarvoor zijn de verschillen dan ook te groot. 1°) David regeerde over één land. 1 Sam.16:11-13 / 2 Sam.5:1-5. Christus regeert over alle volkeren. Dan.2:44 / 7:14,27. (zie nota onderaan) 2°) In het rijk van David waren er zowel goede als slechte onderdanen. In het Koninkrijk van Christus zullen slechts dezen zijn die ertoe herboren zijn. Joh.3:5-9. 3°) Onder het Davidisch rijk waren alle mensen Joden. Onder het Koninkrijk van Christus zijn alle mensen gelovigen uit alle volkeren. Joh.6:63 / 1 Cor.15:45. 4°) Een Jood was in de Davidische periode automatisch


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

384

onderdaan van David. In het Koninkrijk van Jezus zijn slechts dezen die gelovig zijn een onderdaan. Rom.8:5,7 / Gal.6:15. 5°) David was van de stam van Levi en géén priester. Jezus is zowel koning als priester. Heb.7:16-24. 6°) Onder de mederegeerders van David waren veel onrechtvaardigen. 2 Sam.15:1-12. In het Rijk van Jezus kan zoiets niet. 2 Cor.5:17. 7°) David was permanent in oorlog met buren. 2 Sam.10: 1-19 / 21:15-22. In het Rijk van Jezus is er géén oorlog. Eph.2:14-22. 8°) David regeerde in de tijd van Satan’s macht. Christus heeft de Satan overwonnen. Hand.2:36 / Heb.1:3. 9°) Mozes’ wet lag aan de grondslag in David’s rijk. In het Koninkrijk maakt Jezus zelf de wet uit. Joh.6:33,38 / Rom.10:4 / Opb.22:14. nota bij 1°) In die zin moeten we ook Gen.49:10 in gedachten houden: de scepter hoort bij Judah maar komt in de handen van Silo aan wie de wereldheerschappij toekomt. En dan zegt Jacob profetisch dat Silo heerst over “de volken.” Dit is altijd een Messiaans gedeelte geweest, ook voor Joodse uitleggers. Hij die komt is = de Messias in Aquila, Symmachus, Onkelos, de Targum van Jeruzalem, één Arabische vertaling en enkele Septuaginta manuscripten. “Hij die komt” heerst niet slechts over Israël maar over “de volkeren.” Vergelijk bij dit alles van A. Landman, ’Messias-interpretaties in de Targumim’, Kok, 1986. De bewering van enkele schrijvers dat het bestaan van de Kerk niet terug te vinden is in het OT kan niet bewezen worden. Men maakt dan twee fouten. 1°) In het NT worden teksten die ogenschijnlijk betrekking hebben op Israël toegepast op het Nieuwe Israël bestaande uit Joden en Heidenen. 2°) In het goddelijke plan der eeuwen dat God heeft zijn de Heidenen opgenomen vóór de grondlegging der wereld en dat is de juiste interpretatie (Eph.1:4 / Rom.8:28-30 / 2 Thes.2:13 / 2 Tim.1:9). De al tientallen malen herhaalde stelling van H.C. Voorhoeve is dus niet waar: “Wanneer de Heer Jezus komt om als Koning op aarde te heersen, zal derhalve de Gemeente als de Vrouw van het Lam met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid. Nergens wordt ons in de Schrift geleerd, dat de Heer Jezus over de Gemeente heerst of zal heersen, zoals vele christenen aannemen. De Heer Jezus is geenszins Koning over de Gemeente, maar Hij is Koning over Israël en over de wereld” ’Uit het Woord der

Waarheid’, Jaargang 54, juli 1999, blz.167.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

385

Een vraag aan de leerlingen van Darby: over het uitgestelde Koninkrijk En daarom hebben we een vraag aan allen die deze leer van Darby geloven: indien het Joodse volk Jezus als Messias had aangenomen hoe is het te rijmen met de zekerheid dat de Heer mens is geworden om te sterven als verzoening voor alle mensen? God wist dus dat het Joodse volk Jezus masaal niet zou aannemen! Dat ze Hem niet als hun Messias zouden aannemen! Was Zijn aanbod dan niet oprecht? Of was het dat wel, gezien er toch een rest Hem heeft aangenomen! Is het niet dat wat de Heer heeft voorzegd in Luc.12:32? “Wees niet bevreesd, gij klein kuddeke! Want het heeft Uw vader behaagd u het Koninkrijk te geven.” Moeten we niet op de eerste plaats stellen dat de mens door geloof gered wordt en niet door zijn nationaliteit? Zoals Luther terecht opnieuw mocht ontdekken in de Schriften van zowel het OT als het NT (Hab.2:4 / Rom.1:17 / Gal.3:11 / Heb.10:38). Zodat het van den beginne af aan de bedoeling was van God om één kudde en één herder te hebben. Dat zowel Joden als Heidenen in geloof “één kudde” zouden zijn (Joh.10:16)! Van een uitstel van de belofte aan Israël staat er niets in de Schriften voor deze tijd. Er staat wel dat God aan alle volkeren hetzelfde aanbod doet; Jezus van Nazareth is voor u gestorven en dat moet u aannemen om door Hem gezegend te worden. Hij is de enige ware weg!

En een laatste vraag die rechtstreeks volgt uit de vorige. Waar zijn in het Nieuwe Testament de aanwijzingen te vinden die klaar en duidelijk, zondermeer zeggen dat in de dagen van de apostelen het aanbod van het Koninkrijk aan het Joodse volk voor een tijd is opgeschort en uitgesteld? Graag schijver(s), hoofdstuk(ken) en vers(en) a.u.b.. U zult waarschijnlijk vanuit Deut.30 redeneren dat er herstel wordt voorzegd aan Israël. Er staat daar echter dat zo een herstel in functie staat van het onderhouden van de WET VAN MOZES volgens de verzen 8 en 10. En vergeten we niet dat er een sleuteltekst staat in verband met het herstel in Deuteronomium hoofdstuk 30. Dat is het vers 10 waarover in kringen van het huidige herstel met alle kracht over gezwegen wordt. We lezen daar: “wanneer gij naar de stem van den HERE, uw God, luistert door zijn geboden en inzettingen te onderhouden, die in het wetboek staan; wanneer gij u tot den HERE, uw God bekeert met geheel uw hart en met geheel uw ziel” (wij onderstrepen). Het NT zegt echter nadrukkelijk in een boek geschreven aan Joden: “Als hij spreekt van een nieuw verbond heeft hij daarmede het eerste voor verouderd verklaard. En wat veroudert en verjaart, is niet ver van verdwijning” (Heb.8:13). Dat nieuwe verbond is er al gekomen voor zowel Israël als de gelovigen in Christus uit de volkeren. En in het jaar 70 werd de tempel en Jeruzalem verwoest zodat de voorspelling van Heb.8:13 ook zichtbaar was voor de buitenwereld. Verworpen was het toen met de dood van de Heer het voorhangsel van het heilige der heiligen in de tempel “scheurde van boven tot beneden” (Mat.27:51). Deuteronomium 30 is en kan dus niet meer geldig zijn tenzij God zijn eerste verbond opnieuw instelt met alles erop en eraan; de tempel, de offeranden, de priesters enz... Daardoor heeft men het verbond van de Christus verworpen.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

386

De zegeningen van Deut. 30 zijn voorwaardelijk gesteld aan het geloven van de Jood. Aan wat in het wetboek staat! Wensen deze vrienden van Israël zoiets dan hebben ze dat volk een verkeerde leer voorgehouden! Want ondertussen is dat wetboek door Christus afgeschaft, en dat maakt het de Jood onmogelijk om langs deze weg opnieuw in Gods gunst te komen. Hij kan slechts opnieuw in het verbond opgenomen worden door tot de Messias Jezus te komen. Een ander herstel prediken is het offer van Jezus minimaliseren of zijn werking ervan verdraaien.

Een leer van kunst en vliegwerk Om aan de leer van dat uitgestelde Koninkrijk enige substantie te geven hebben de verdedigers ervan nog een ander argument bedacht (sinds de jaren 1830). Dàt van de 4 soorten evangelie. In het NT zou men moeten onderscheid maken tussen 4 te onderscheiden evangeliën. 1°) Het evangelie van Gods genade dat zegt dat de Heer stierf voor alle zondaars; en is opgestaan uit de dood. 2°) Het evangelie van Paulus = mijn evangelie zoals het er eens staat, en slechts betrekking heeft op deze tijd en slechts over de gemeente spreekt. 3°) Het eeuwig evangelie dat zal gepredikt worden nadat de gemeente zal opgenomen zijn en Joden zich door dit evangelie zullen bekeren. Een evangelie dat naargelang de uitlegger drie en een half of zeven jaar gepredikt zal worden juist voordat de duizendjarige regering zal opgericht worden. Het evangelie voor dezen die in de grote verdrukking zullen leven. 4°) Het evangelie van het Koninkrijk, als politieke vanuit Jeruzalem bestuurde en door Joden geregeerde universele macht tijdens de duizend jaren van de Christusregering op deze aarde. Opgericht nadat de Joden zich (allen?), of in massa zullen bekeerd hebben. We citeren u die leer uit ’Amen’, maar slechts ter illustratie en niet omdat we er iets van zouden geloven. Naam Het evangelie van God (Rom.1:1 / 1 Pet.4:17) Ook met andere namen is het Evangelie bekend. Het Evangelie van Christus (2 Cor.10:14) of het Evangelie van “Zijn Zoon” (Rom.1:9). Verkondigd door alle apostelen, zowel de Twaalven en Paulus met zijn mededienstknechten. Verkondigd aan Iedereen (Rom.1:16). Eerst de Jood, maar ook de Griek. Onderwerp: de Opstanding van de Messias. Waar in de Bijbel te vinden? In de Bijbelboeken die gedurende de ’Handelingenperiode’ geschreven zijn. In 1 Cor.15 lezen we de betekenis van Christus’ Opstanding. ===========


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

387

Naam het Evangelie van de besnedenen de Twaalven Verkondigd aan Israël: Heb God lief en de naaste, volhardt in de leer en doe in kinderlijk geloof de werken der wet. Waar vinden we deze boodschap? in de brieven van de apostelen van de besnijdenis en het boek van de Handelingen. =========== Naam het Evangelie van de onbesnedenen. Het Evangelie der heerlijkheid van Christus (2 Cor.4:4). Ook wel genoemd het Evangelie der genade Gods (Hand.20:24) of ’mijn/ons’ Evangelie (Rom.2:16 / 16:25 / 2 Tim.2:8 / 2 Cor.4:3) Verkondigd door Paulus en zijn mededienstknecht en Verkondigd aan de heidenen: Geloof dat Christus is opgestaan. Hij is de verheerlijkte Heer. Leef door Zijn opstandingskracht, zonder werken der wet. Waar vinden we deze boodschap? in de brieven van Paulus. =========== Naam: het geheimenis van het Evangelie (Ef.6:19); het Evangelie des vredes (Ef.6:15) Verkondigd door: Paulus Verkondigd aan: heidenen (waar de Joden deel van uitmaken in deze tijd) Onderwerp: De heerlijkheid van Christus als Hoofd boven al wat is. Het gaat dus ook over de uiteindelijke nederlaag van Satan en alle machten, krachten en heerschappijen. Kenmerk: aan de overheden en machten in de hemel wordt d.m.v. de Gemeente nu de veelkleurige wijsheid Gods bekend gemaakt en in de komende eeuwen wordt de overweldigende rijkdom van Zijn genade getoond. De strijd is dus niet meer tegen vlees en bloed. Waar vinden we deze boodschap: in de brieven van Paulus, die na de Handelingenperiode geschreven zijn. --------Uit ’Amen’ n°4 / september 1995. Uit ’Amen’ n°5 / november 1995. Dat is een opgeblazen en opgeklopte grote soufflé en niets meer dan dat. Leg dat gewoon neven de tekst van Marcus 1:15: “de tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabijgekomen. Bekeert u en gelooft het evangelie” (wij onderstrepen). Er wordt één boodschap gepredikt, er is één goed nieuws en dat is nabijgekomen. Van een ander evangelie staat er niets en wordt er niets gesuggereerd. Dat is overduidelijk uit een uitspraak van Paulus aan koning Agrippa. Hij zegt dat hij als predikant en als evangelist sprak: “zonder iets anders te zeggen dan wat de profeten en Mozes gesproken hebben”(Hand.26:22). De leer dat er dus nog een ander evangelie dan dat wat in het OT staat en werd verkondigd, door Christus en zijn apostelen, stoelt dan ook nergens op. Of zou Paulus aan Agrippa gewoon wat voorliegen? Dat wil dan ook duidelijk zeggen dat de


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

388

gemeente wel degelijk voorzegd werd in de leringen van Mozes en de profeten! Aan de Romeinen schreef Paulus ooit over: “het evangelie van God, dat Hij tevoren door zijn profeten beloofd had in de heilige Schriften” (Rom.1:1,2). Kortelings na de Pinksterdag zegt Petrus: “En al de profeten, van Samuël af en vervolgens, en zovelen er hebben gesproken, hebben ook deze dagen aangekondigd” (Hand.3:24). De kerk - de gemeente - is dus wel degelijk voorzegd door de profeten. Wanneer de indruk gewekt wordt dat dit niet zo is, stoelt dat op vooroordeel en niet op Bijbeluitleg. Tot slot citeren we uit A. Maljaars, ’Niet allen Israël’, Uitg. J.P. van de Tol, Dordrecht, 1976, blz.81 een opmerking die hier iets mee te maken heeft: “Ten aanzien van het volk Israël komt in veler gedachten het Kruis en de Verzoening uit het centrum te staan. Prechiliasten leren, dat wanneer de Joden Jezus als Messias aanvaard hadden, het Koninkrijk Gods gekomen zou zijn van vrede en gerechtigheid. Men denke zich deze visie eens in! Ze impliceert niets meer en niets minder dan dat het Kruis dan eigenlijk overbodig geweest zou zijn. Tot onze niet geringe verbazing troffen we echter een zelfde soort gedachtengang aan in Berkhof’s christelijke geloofsleer (blz.276). Berkhof spreekt zelfs over het ’uitsel’ (blz.271). Het Rijk is nog niet aangebroken, en als de Kerk toch wil doen alsof dat wel het geval is, dan komt het Jodendom met zijn eindeloze lijdensweg deze illusie verstoren (blz.277). Hieruit blijkt wel hoe men zich de sjaloom als een valse vrede, in de horizontale verhoudingen denkt, in plaats van een geestelijke, hemelse vrede, door de Heilige Geest (Rom.14:17). Kohlbrügge zou zeggen: men is net zo dwaas als de Joden, die zich afvroegen of er uit Galilea ooit een profeet zou opstaan, terwijl de Zaligmaker in hun midden was.”

II) De fout van Jehovah’s Getuigen, het jaar 1914 Wat zij op dat gebied zeggen Om u als lezer een beeld te kunnen schetsen van wat Jehovah’s Getuigen leren op het gebied van het Koninkrijk moeten we vooraf een lang citaat aanhalen uit ’Hulp tot begrip van de Bijbel’, deel 5, 1988, blz.889,890. Daar staat: “Koninkrijksregering sedert Pinksteren. Toen Jezus 40 dagen na zijn opstanding ten hemel voer, begonnen zijn discipelen te begrijpen dat zijn koninkrijk een hemels koninkrijk zou zijn. Tien dagen later, op Pinksteren in 33 G.T., kregen zij het bewijs dat hij “tot Gods rechterhand” was verhoogd, aangezien hij heilige geest op hen uitstortte, die hen machtigde als zijn getuigen en gezanten van zijn koninkrijk dienst te verrichten (Luk. 24:46-52; Hand. 1:8, 9; 2:1-4, 29-33; 2 Kor. 5:20). Op deze wijze trad het “nieuwe verbond” ten aanzien van hen in werking en werden zij de kern van een nieuwe “heilige natie”, het geestelijke Israël (1 Petr. 2:9,10; Gal. 6:16; Hebr. 12:22-24). Aangezien Christus nu aan de rechterhand van zijn Vader zat en het Hoofd van deze gemeente was, is het duidelijk dat hij er vanaf Pinksteren in 33 G.T. als Koning over regeerde (Ef. 5:23; Hebr. 1:3; Fil. 2:9-11). Bijgevolg kon de apostel later schrijven: “(God) heeft ons bevrijd van de autoriteit der duisternis en ons overgezet in het koninkrijk van de Zoon van zijn liefde.” - Kol. 1:13; vergelijk Lukas 22:53. Wat echter degenen betreft die niet bereid waren zich aan Christus Jezus te onderwerpen, hij trad destijds nog niet handelend tegen hen op maar ging “aan de rechterhand van God (...) zitten, van die tijd


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

389

af wachtend totdat zijn vijanden tot een voetbank voor zijn voeten gesteld zouden worden” (Hebr. 10:12, 13; Hand. 2:34-36; vergelijk Hebreeën 2:8). Jezus had voorzegd dat er tussen zijn hemelvaart en de tijd waarin hij zowel zijn goedgekeurde onderdanen als zijn tegenstanders zou oordelen, een bepaalde tijd zou verstrijken. Hij vergeleek zichzelf met een mens “van edele geboorte” die “naar een ver land (reisde) om koningsmacht voor zich te verkrijgen en dan terug te keren.” Zijn getrouwe dienstknechten zou hij dan belonen, doch de vijanden van zijn Koninkrijksregering ter dood brengen. - Luk.19:11-27.

HET KONINKRIJK NEEMT DE VOLLEDIGE MACHT OP De apostel Johannes, die tegen het einde van de 1ste eeuw G.T. schreef, kreeg door middel van een goddelijke openbaring ook een toekomstbeeld van de tijd waarin Jehovah God, door bemiddeling van zijn Zoon, zijn heerschappij op een specifieke wijze tot uitdrukking zou brengen, zodat er - net als in de tijd toen David de Ark naar Jeruzalem had gebracht - gezegd kon worden: Jehovah heeft ’zijn grote kracht opgenomen en is als koning gaan regeren’. Dit zou zo zijn omdat er voor zijn Gevolmachtigde Koning, zijn Zoon, een speciale fase zou intreden waarin zijn heerschappij uitgebreid zou worden en ’het koninkrijk der wereld het koninkrijk van onze Heer en van zijn Christus zou worden, en hij als koning zou regeren tot in alle eeuwigheid’. Als de tijd gekomen was, zou Jezus Christus de nodige stappen ondernemen om alle tegenstanders van Gods soevereiniteit in hemel en op aarde uit de weg te ruimen. - Openb. 11:15. Het eerste krachtdadige optreden vindt in het hemelse rijk plaats; Satan en zijn demonen worden verslagen en naar het aardse rijk geworpen. Daarop volgt de aankondiging: “Nu is gekomen de redding en de kracht en het koninkrijk van onze God en de autoriteit van zijn Christus” (Openb. 12:1-10). Satan, de voornaamste tegenstander, gaat er gedurende de korte tijdsperiode die hem nog rest mee voort de profetie uit Genesis 3:15 te vervullen door oorlog te voeren tegen de “overgeblevenen” van het “zaad” van de vrouw, de “heiligen”, die met Christus zullen regeren (Openb. 12:13-17; vergelijk 13:4-7; Daniël 7:21-27). Niettemin worden Jehovah’s “rechtvaardige verordeningen” openbaar gemaakt, en zijn vonnissen komen in de vorm van plagen over zijn tegenstanders en leiden tot de vernietiging van het mystieke Babylon de Grote, dat Gods dienstknechten op aarde het ergst heeft vervolgd (Openb. 15:4; 16:1-19:6). Daarna zal Koninkrijk Gods, met Christus Jezus als gezalfde Regeerder, zijn hemelse legers in de oorlog te Armageddon tegen de heersers van alle aardse koninkrijken en hun legers laten oprukken en hen vernietigen (Openb. 16:14-16; 19:11-21). Dit zal de verhoring zijn van de tot God gerichte smeekbede: “Uw koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, zo ook op aarde” (Matth. 6:10). Vervolgens wordt Satan in een afgrond geworpen en begint een periode van 1000 jaar waarin Christus Jezus en zijn mederegeerders als koningen en priesters over de aardbewoners zullen regeren. - Openb. 20:1,6. Ook de apostel Paulus geeft een beschrijving van Christus’ heerschappij gedurende zijn tegenwoordigheid. Nadat Christus zijn volgelingen uit de dood opwekt, doet hij vervolgens “alle regering en alle autoriteit en kracht” teniet (waarmee natuurlijk gedoeld wordt op alle regering, autoriteit en kracht die tegen Gods soevereine wil gekant is). Vervolgens ’draagt hij het koninkrijk aan zijn God en Vader over’ en onderwerpt zichzelf aan “Degene die alle dingen aan hem onderwierp, opdat God alles zij voor iedereen. - 1 Kor. 15:21-28. Daarna worden echter alle aardse onderdanen definitief op hun rechtschapenheid en toewijding beproefd.” In ’De Wachttoren’, van 1 mei 1992, blz.6 lezen we: “Op 2 oktober 1914 deed Charles Taze Russell, destijds de president van de Watch Tower Bible and Tract Society, vrijmoedig de aankondiging: “De tijden der heidenen zijn geëindigd; hun koningen hebben hun dag gehad.” Hoe waar bleken zijn


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

390

woorden te zijn! In oktober 1914 vond er, onzichtbaar voor mensenogen, in de hemel een gebeurtenis van wereldschokkend belang plaats. Jezus Christus, de blijvende Erfgenaam van ’de troon van David’, begon als Koning over de hele mensheid te regeren. - Lukas 1:32,33; Openbaring 11:15” (wij

onderstrepen). Het is zeker niet onze bedoeling reclame te maken voor één of ander leer van De Wachttoren. Laat het lange citaat u niet misleiden. In de eerste paragraaf geeft men toe dat Gods “koninkrijksregering” is begonnen met Pinksteren maar slechts alleen voor het geestelijke Israël. Maar over de wereld regeert de Christus dan nog niet. Het Koninkrijk begint maar echt wanneer Satan uit de hemel is geworpen (in 1914) en zal voor allen die al gestorven zijn slechts na de Wederkomst zijn: in één regering van 1000 jaren. Dat zal in tegenstelling tot de volgelingen van Darby / Scofield niet vanuit het letterlijke Jeruzalem zijn maar vanuit het hemelse Jeruzalem.

Wat wij op dat gebied zeggen Jehovah’s Getuigen hebben een trieste theologie: men verknipt de Koninklijke macht van Christus in drie delen: 1°) Macht over de gemeente sinds Pinksteren. 2°) Macht over de hemel sinds 1914 (en de hele wereld, zie hierover verder). 3°) Macht over opgestane doden in een 1000 jarig rijk. Daarom drie uitvoerige kritische aantekeningen.

1) Koning over de gemeente sinds Pinksteren (WT-leer) “Aangezien Christus nu aan de rechterhand van zijn Vader zat en het Hoofd van deze gemeente was, is het duidelijk dat hij er vanaf Pinksteren in 33 G.T. als Koning over regeerde (Ef. 5:23; Hebr. 1:3; Fil. 2:9-11.)” Dit is een zinsnede uit het lange citaat van de Wachttorenpublicatie hierboven.

Maar... Christus regeert sinds Pinksteren in volle zin van het woord zowel over vriend als vijand. Dat is o.a. duidelijk uit Bijbelse profetie. Uit Ezech.21:27 blijkt dat Israël omvergeworpen wordt om als koninkrijk te fungeren voor YaHWeH. Ze blijft een puinhoop “totdat” Hij komt die recht heeft op de troon. En deze rechthebbende is gekomen in de persoon van Jezus van Nazareth. Hij is vermoord maar God heeft Hem uit de doden opgewekt en Hem aangesteld tot Heer en Messias (Hand.2:36). Daarbij is geen grens gesteld aan Zijn macht. Hij regeert over levenden én zelfs doden. Want Hij heeft de sleutels van het dodenrijk (Opb.1:18). En die troon van David die was omvergeworpen is in Hem opnieuw opgericht zegt Jacobus in zijn redevoering op dat eerste concilie van de Kerk. Vergelijk Amos 9:11 en Hand.15:15-18. De uitleg van de Wachttoren in verband met Ezech.21:27, die zegt dat het koninkrijk omvergeworpen is van 607 v. Chr. tot 1914 n.Chr. doet denken aan de Joodse kabbalistiek waar men met cijfers (en letters) allerhande data tracht te bevestigen.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

391

Zijn macht begrenzen zoals de WT doet is de Schrift niet lezen zoals het er staat. Ook 2 Thes.2:14 / 2 Tim.2:10 en de vijf teksten in Hebreeën die we hiervoor citeerden spreken dat allemaal tegen (Heb.1:3 / 1:13 / 8:1 / 10:12 / 12:2). Hij regeert nu over “allen.” We komen later terug tot de verwijzingen van Ps.110:1 en 4 waar dit duidelijk is. Zie de aantekeningen van Luc.17:21 in dit hoofdstuk.

2) Koning over de wereld sinds 1914 (WT-leer) “Als de tijd gekomen was, zou Jezus Christus de nodige stappen ondernemen om alle tegenstanders van Gods soevereiniteit in hemel en op aarde uit de weg te ruimen. - Openb.11:15. Het eerste krachtdadige optreden vindt in het hemelse rijk plaats; Satan en zijn demonen worden verslagen en naar het aardse rijk geworpen.” Dit is een zinsnede uit het lange citaat van de

Wachttorenpublicatie hierboven. In de herwerkte uitgave van ’Hulp tot begrip van de Bijbel’ nu gekend als ’Inzicht in de Schrift’ is het lange citaat iets anders en we citeren daaruit ook nog een klein stukje (zie deel 2, 1997, blz.98, 99). “Het is “onze Heer”, de Soevereine Heer Jehovah, die zijn autoriteit over “het koninkrijk der wereld” doet gelden door middel van een nieuwe uitdrukking van zijn soevereiniteit ten aanzien van onze aarde. Hij geeft aan zijn Zoon, Jezus Christus, een ondergeschikt aandeel aan dat koninkrijk, zodat het “het koninkrijk van onze Heer en van zijn Christus” wordt genoemd. Dit koninkrijk, is omvangrijker en groter dan “het koninkrijk van de Zoon van zijn liefde” waarover in Kolossenzen 1:13 wordt gesproken. “Het koninkrijk van de Zoon van zijn liefde” begon met Pinksteren 33 G.T. en heerst over Christus’ gezalfde discipelen; “het koninkrijk van onze heer en van zijn Christus” werd aan het einde van “de bestemde tijden der natiën” opgericht en heerst over de hele mensheid op aarde.- Lukas 21:24.” En in ’De Wachttoren’ van 15 dec. 1997, blz.29: “Jezus Christus is thans de koning van Jehovah’s hemelse koninkrijk.”

Maar... Dat “Jezus Christus, een ondergeschikt aandeel aan dat koninkrijk” gegeven wordt volgens deze uitleg is gewoon het omgekeerde zeggen dat de Schrift beweert. Want de Messias heeft thans ALLE MACHT sinds zijn Opstanding. Hij is “Heer en Messias”, “Heer over allen” en heeft alle machten aan Hem “onderworpen.” Daar moet men “ja” en “Amen” op zeggen en niet rond de pot draaien met ingewikkelde en kunstmatige redeneringen. Lees zonder vooroordeel Mat.28:18-20 / Hand.2:36 / Eph.1:20-23 / Phil.2:9-11. In de aanhaling van ’Inzicht in de Schrift’, deel 2 hierboven verwijst men, naar een begrip dat ze regelmatig gebruiken nl. “de bestemde tijden der natiën.” Dit begrip is voor een Jehovah Getuige primair in het verstaan van het Koninkrijk Gods. We gaan er dan ook uitvoerig op in. Van deze Bijbelse term zeggen Jehovah’s Getuigen dat ze 2.520 jaar omvatten van 607 vóór Christus tot 1914 na Christus. Dit zou bewezen worden door de uitleg van het verhaal uit Daniël hoofdstuk vier. Daar zou de zeven jaar te vermenigvuldigen zijn met 360, om samen 2520 jaar te vormen. Zulk een leer is volledig uit de lucht gegrepen. En omwille van de belangrijkheid willen we ook aantonen dat de Schrift nooit over het zogenaamde één dag = één jaar schema spreekt in verband met voorspellingen. Die theorie tracht men te baseren op twéé Schriftuurplaatsen: Num.14:34 en Ezech.4:6. Daar staat “voor elke dag één jaar” en “voor elk jaar leg Ik u een dag op.” Eerst


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

392

enkele opmerkingen. Wil dit zeggen dat in alle profetieën die God geeft er een dag als een jaar moet gerekend worden? Want het zou dan natuurlijk in meerdere gevallen moeten terug te vinden zijn. Laat ons die basis toepassen en zien hoe absurd dat is. In Joh.2:19 lezen we: “Jezus antwoordde en zeide tot hen: Breekt deze tempel af en binnen drie dagen zal Ik hem doen herrijzen.” Sprak Christus hier een profetie uit? Jazeker. Maar als de één dag = één jaar theorie juist is, zou men dan niet moeten lezen dat Christus na drie jaren uit de doden is opgestaan. En waren het maanjaren of zonnejaren of de hypotetische profetische jaren (354 of 360 of 365 dagen)? Indien Christus drie jaren in het graf was is Hij dan geen valse Messias (Mat.12:38-40)? Een ander voorbeeld zou Genesis 15:12-16 kunnen zijn. Daar voorzei God dat de nakomelingen van de aartsvader Abraham 400 jaren in een vreemd land verdrukt zouden worden. Volgens het jaarbeginsel van deze theorie zouden het echter 144.000 jaren worden want dat is de som van 400 x 360. Als laatste voorbeeld de 70 jarige dienstbaarheid van Jeruzalem aan Babylon (Jer.25:9-11). Gerekend volgens die theorie dat één dag = één jaar zou dit 25.200 jaren zijn. Men ziet hoe onwaarschijnlijk zulk een leer is. Maar wat leert Num.14:34 in wezenlijkheid? Die Schriftuurplaats in Numeri staat in verband met de veertig dagen dat de verspieders van Israël in Kanaän waren. Bij hun terugkeer komt het volk in opstand tegen God. Daar- op geeft God ze een straf en zegt dat ze voor elke dag een jaar in de wildernis zullen vertoeven. Het profetische deel van deze profetie is dus het laatste. Zodoende zou volgens de regels van het dag = jaar beginsel die veertig jaren in dagen moeten gerekend worden en dan als jaren vermenigvuldigd. Dan zou de straf 14.400 jaren zijn. Hetgeen niet geschiedkundig is, want de Joden waren wel degelijk 40 jaren in de woestijn. Numeri spreekt van een voldongen feit. Dat geeft ons niet de minste reden om dit als een Bijbelbeginsel te bezien van waaruit alle andere Bijbelse tijdsprofetieën moeten verklaard worden. En Ezech.4:4-6 dan zal men vragen? Laat ons ook dat bekijken. Dan zal men als eerste punt moeten aannemen dat hier geen sprake is van een profetie maar van een symbolische handeling van de profeet Ezechiël. En als profetische handeling moest de profeet veertig dagen op één zijde liggen en 390 dagen op een andere zijde. Die dagen waren symbolisch de voorstelling van een straf die Israël al uitgemaakt had. Het is dus een handeling die plaatsvond nadat de straf al ten einde was. En het gaat wanneer we het narekenen niet om profetische jaren van als beginsel 360 jaardagen maar om werkelijke jaren van 365 dagen. Indien dat zou toegepast worden op alle straffen die Israël gehad heeft door God dan zou de 70jarige dienstbaarheid aan Babylon als 70x360 = 25.200 jaren moeten gerekend worden wat absurd is. En over voorspellingen die over géén straf spreken vinden we hier nog minder gezegd, namelijk niets. Op zulke wankele basis is die leeer dan gebaseerd. Men heeft ook getracht het bewijs van het dag = jaar beginsel te vinden in Dan.9:24-27. In die Schriftuur is een speciaal woord gebruikt “shabua.” Volgens Gesenius, een Hebreeuws lexicograaf, wil dit woord zeggen “een zeventallig nummer”, een “heptade” of een “hebdomades.” “Shabua” kan dus betrekking hebben op zowel een periode van zeven dagen, of


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

393

zeven jaren of zeven tijdperken. Soms nu zoals in Dan.10:2,3 is er duidelijk sprake over een “shabua” van dagen, maar het merendeel van die verwijzingen heeft betrekking op jaren. Zo is het ook in Dan.9:24-27 waar de “70 shabua” in feite 70x7 = 490 jaren zijn. Zie ook nog naar Gen.29:10 en Ezech.45:21. Men ziet dus dat het dag = jaar beginsel geen steun heeft bij het gebruik van “shabua.” Het zegt alleen dat iets waarover sprake is “zevendelig” is. Indien dat beginsel zou aangenomen worden in bespreking van andere Bijbelprofetieën dan zou 1 dag = 7 jaren zijn. We willen ook graag de onmogelijkheid van de interpretatie van een Bijbelprofetie bespreken die op dat zogenaamde dag = jaar beginsel is gebaseerd: namelijk Daniël hoofdstuk 4. Volgens de leer van het WT genootschap en enkele anderen zouden de zeven tijden der krankzinnigheid van Nebukadnessar een afbeelding zijn van een periode van 7 x 360 = 2520 jaren beestachtige regeringsperiode van “tijden der heidenen.” Aan die leer zitten vele graten. Eerst en vooral zien we dat in de geschiedenis van Nebukadnessar en de voorzegging van Daniël er altijd sprake is over “gij” verwijzende naar de koning zelf. Zie hiervoor naar Dan.4:20,22,24,25-27,31,32. Ten tweede geeft Nebukadnessar te kennen dat wat aan de symbolische boom is voorgevallen, in hem zelf in vervulling is gegaan (Dan.4:34-36). Ten derde (en dit is de grootste moeilijkheid voor die zogenaamde grote vervulling) zien we dat de voorzegging aan Nebukadnessar één jaar vóór dat tijdstip van vervulling is gegeven. Het profetische deel heeft dus betrekking op dat ene jaar en niet op de zeven tijden van zijn krankzinnigheid. Zo zou dat éne jaar gelijk aan 360 (365) jaren zijn. Wat zou betekenen dat Nebukadnessar na 360 (365) jaren krankzinnig zou worden. Wat niet in overeenstemming is met de feiten. Want de koning stierf op 62 jarige leeftijd. Ten vierde leert Daniël hoofdstuk vier géén leer van tijden der heidenen maar een Bijbels beginsel welke zegt dat hoogmoed voor de val komt (Spr.16:18). Dat beginsel is geldig voor alle mensen inclusief koningen en gewone burgers. Dat ziet men duidelijk in Dan.2:1 / Ps.75:8 / Luc.1:52 / Spr.1:18 / Jac.4:10 / 1 Pet.5:6 / Mat.23:12 enz... In het kort gezegd is die theorie dan slechts een “Bijbelse mythe”, gebaseerd op zogenaamde bewijzen. Toen Darius de Meder, een heiden, de stad Babylon veroverde gaf hij het volgende decreet vrij: “Daarna schreef Darius aan alle volken, natieën en talen, die de ganse aarde bewonen: Uw vrede zij groot! Door mij wordt bevel gegeven, dat men in het gehele machtsgebied van mijn koninkrijk voor de God van Daniël zal vrezen en beven; want Hij is de levende God, die blijft in eeuwigheid: zijn koningschap is onverderfelijk en zijn heerschappij duurt tot het einde; Hij bevrijdt en redt, en doet tekenen en wonderen in hemel en op aarde, Hij, die Daniël uit de macht der leeuwen heeft bevrijd. En deze Daniël stond in hoog aanzien onder het koningschap van Darius en onder het koningschap van Kores, de Pers.” (Dan.6:26-29, wij onderstrepen). Dat moet dan een puzzel zijn voor Jehovah’s Getuigen want hier geeft een heidense koning toe dat God boven hem regeert. Volgens hun eigen chronologie zitten we dan namelijk al bijna zeventig jaren in de “tijden der heidenen.” Een voorbeeld van een tegenstrijdigheid met de leer van de 2.520 jaren van heidense regering is het volgende. Toen Nebukadnessar na het herstel van zijn waanzin zijn verhaal schreef waren deze tijden al jaren begonnen. Toch zegt hij: “Koning Nebukadnessar aan alle volken en natiën en talen, die op de gehele aarde wonen: uw vrede zij groot! Het heeft mij behaagd de tekenen en


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

394

wonderen die de allerhoogste God aan mij gedaan heeft te verkondigen; hoe groot zijn zijn tekenen en hoe machtig zijn wonderen! Zijn koningschap is een eeuwig koningschap, en zijn heerschappij van geslacht tot geslacht (...) en mijn verstand keerde in mij terug. Toen prees ik de Allerhoogste en roemde ik de eeuwige Levende, omdat zijn heerschappij een eeuwige heerschappij is en zijn koningschap van geslacht tot geslacht” (Dan.4:13,34, wij onderstrepen). Jehovah’s Getuigen nemen hier zelf een loopje met hun chronologie. Dan.2:1 is volgens hen het tweede jaar van de koning nadat de tempel is verwoest. Nu moet Dan.4 nog jaren later gedateerd worden. Dan geeft Nebukadnessar toe dat de Allerhoogste ook Wereldheerser is en niet hijzelf. God regeert boven hem. Zie ’Inzicht in de Schrift’, deel 2, 1997, blz.415,416. In ’Inzicht in de Schrift, deel 1, 1995, blz.302 zeggen ze dat het “niet logisch” is dat het verhaal slechts op Nebukadnessar zou betrekking hebben. Maar wat evident is blijkt dat niet altijd voor een Jehovah’s Getuige. Dan.4 leert duidelijk dat een hoogmoedige houding tot nadenken moet stemmen, voor hen is dat niet genoeg. Daarom gaan ze onlogisch te werk en combineren enkele teksten die met elkaar niets te maken hebben en scheppen een leer over 2.520 jaren waarin God niet regeert over de wereld. En tussen haakjes, de Zevendedag Adventisten die toch ook geloven in het dag = jaar principe leggen Dan.4 zo niet uit. Vraag de mensen van de Wachttoren eens u de teksten Dan.4:1,3 en 6:26-29 uit te leggen in betrekking tot hun leer van “de bestemde tijden der natiën.” Laten we dan ook iets zeggen over die “tijden.” Wanneer is dan die vertreding door de heidenen? Door vergelijking zien we eerst en vooral de grote gelijkenis van Openbaring 11:2 en Luc.21:24 op het vlak van de grammatica. Daar staat: “en Jeruzalem zal door de natiën vertreden worden totdat de bestemde tijden der natiën zijn vervuld” (Luc.21:34, NWV, wij onderstrepen). “Maar wat het voorhof buiten het tempel (heiligdom) betreft, werp dat volledig buiten en meet het niet, want het is aan de natieën gegeven, en zij zullen de heilige stad vertreden tweeënveertig maanden lang” (Opb.11:2, NWV, wij onderstrepen). Een eerste punt van gelijkenis is hier het woord “vertreden” dat in beide teksten het Griekse werkwoord “pateò” gebruikt. Een punt van gelijkenis is tevens dat zowel Opb.11:2 en Luc.21:24 over een toekomstige vertreding spreken, want er staat: “zal vertreden worden.” De WT die leert dat de tijden der heidenen van 607 v. Chr. tot 1914 in Lucas beschreven zijn toont alleen ongeloof in Gods geïnspireerde woord en in Gods profeet Jezus Christus. Want staat er hier niet “zal vertreden worden”; dus wel degelijk een gebeurtenis in de toekomst! De tekst in Lucas gaat slechts spreken over een tijd die begint mét de vernietiging van de tweede tempel in 70 NC. Daarop wijst de context en op niets anders. De tekst uit het boek Openbaring spreekt niet over de tempel in Jeruzalem maar over een geestelijke tempel. Zie hierover hoofdstuk 11. De tekst van Lucas 21:24 is nog te vergelijken bij wat er staat in Lucas 19:43,44: “Want er zullen dagen over u komen, waarin uw vijanden een bolwerk tegen u zullen opwerpen en u omsingelen en u van alle zijden in het nauw brengen, en zij zullen u en uw kinderen in u vertreden en zij zullen u geen steen op de andere laten, omdat gij de tijd niet hebt opgemerkt, dat God naar u omzag.” Hier dan ook een zelfde toekomstig beeld. Voor het begrip


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

395

“vertreden” in deze weergave heeft de Leidse vertaling “tegronderichten” en Brouwer “tegen den grond verpletteren” en dat lijkt ons beter ter weergave. In het kort gezegd is die theorie dan slechts een “Bijbelse mythe”, gebaseerd op zogenaamde bewijzen. Zo is het met alle dag = jaar profetieën die door Bijbelcommentators uitgerekend zijn. Eenzelfde beeld van een onaanvaardbare uitleg van het dag = jaar principe is de uitleg van de Adventisten over “de 2.300 avonden en morgens” uit Dan.8:13,14. Zie ’Ce que croient les Adventistes’, Vie et Santé, 1990, blz.315-332. Op wat de Adventisten leren in dit verband kunnen we niet ingaan. Kort gezegd is het dit. In 457 v. Chr. begint een periode van 2.300 jaren die dus zal eindigen in 1844. Dat jaar zou het “onderzoekend oordeel” begonnen zijn over Gods gemeente. Een complexe leer over “het verzoenend werk” van Christus zogezegd gebaseerd op Heb.7:26,27 / 8:3 / 10:12 en Opb.11:19. Maar ook hierover moeten we zeggen; véél fantasie. Een kleine opmerking over het Griekse woordje “kairos” dat Jehovah’s Getuigen vertalen als “bestemde tijden.” Dat woord verschilt van het gewone begrip “tijd” (Grieks “chronos”) in die zin dat “kairos” verwijst naar een deel in het tijdsgebeuren. Zo is er een “kairos” van de oogst wanneer die wordt binnengehaald (Mat.13:30 / 21:34). Of een “kairos” waarop de demonen zullen gepijnigd worden. Zo ook spreekt de Schrift over de “kairos” van het werk van de Heer, gelegen tussen zijn kroning in de hemel bij de Hemelvaart en Zijn Wederkomst (Eph.1:9,10). We lezen daar het volgende: “door ons het geheimenis van zijn wil te doen kennen, in overeenstemming met het welbehagen dat Hij zich in Hem heeft voorgenomen, om, ter voorbereiding van de volheid der tijden, al wat in de hemelen en op de aarde is onder één hoofd, dat is Christus, samen te vatten.” We leven thans in die voorbereidingstijd en moeten niet nog eens voorbereid worden op een duizendjarige regering. Alles wordt en is al onder één Hoofd gebracht namelijk Jezus. Volgens andere teksten delen de leden van de gemeente al daarin, samen met Hem. In het midden van de vijanden van dat Koninkrijk: 1°) regeert, Hand.17:7 / Phil.2:9-11 / Opb.19:6 2°) heerst, Mat.12:8 / Joh.14:21 / Eph.5:22-27 3°) zegent, Luc.6:28 / Rom.12:14 / Mat.21:19 / 1 Pet.2:23 4°) straft de Heer, 1 Cor.11:30-32 / Heb.12:5-11 / Opb.3:19 Er blijkt uit deze laatste tekst dat er geen plaats meer is voor een toekomstige duizendjarige regering.

3) Koning in de duizendjarige regering (WT-leer) “Vervolgens wordt Satan in een afgrond geworpen en begint een periode van 1000 jaar waarin Christus Jezus en zijn mederegeerders als koningen en priesters over de aardbewoners zullen regeren. - Openb. 20:1,6.” Dit is een zinsnede uit het lange citaat van de WT-publicatie. Maar... De Heer “staat” (Hand.7:55) en “zit” (Heb.8:1,2) aan de rechterhand van God sinds Pinksteren. Hij is vanaf dat tijdstip Heer en Messias voor gelovigen én voor ongelovigen, die indien ze Hem niet aannemen ook zware gevolgen zullen ondergaan van deze afwijzing (Hand. 2:36). Met ander woorden, sinds Pinksteren gaan de Messiaanse teksten over zijn koningschap aan allen in vervulling (Hand.10:36,42). Psalm 2 en Psalm 110 anders uitleggen dan in vervulling


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

396

gegaan sinds Pinksteren (of de Hemelvaart) is de duidelijke stelling van de apostelen en discipelen van Jezus verdraaien. Daarom is deze leer van de 1000 jarige regering een on-Bijbelse interpretatie van de Schriften. (Voor de aantekeningen van Ps.2 vergelijk met Mat.25:31-46 in het volgende hoofdstuk. Voor Ps.110 zie Luc.17:21 in ditzelfde hoofdstuk). Al deze zaken over Gods Rijk anders gefomuleerd; WAAR DE KERK IS DAAR IS HET KONINKRIJK ZOALS IN DEZE TABEL. 1°) Christus is hoofd van de Kerk Eph.1:22 / Col.1:18 idem van het Koninkrijk Hand.17:7 / Opb.1:5 2°) Gelovigen zijn wedergeboren voor de Kerk 1 Pet.1:22,23 idem voor het Koninkrijk Joh.3:3-5 3°) Gelovigen zijn leden van de Kerk Col.1:13 idem van het Koninkrijk 1 Pet.2:8,9 4°) Gelovigen zijn medeburgers in de Kerk Eph.2:19,20 idem van het Koninkrijk 1 Thes.2:12 5°) De Kerk bestaat uit geestelijke zegeningen Eph.1:3 idem in het Koninkrijk Rom.14:17

Slotconclusies: 1°) De Heer regeert sinds Pinksteren over zowel vriend als vijand. 2°) In zijn eerste fase is het Koninkrijk opgericht en zal nadat de vijanden ervan verwijderd zijn, overgaan in een eeuwig rijk. Bij de Wederkomst wordt het Koninkrijk tot volmaaktheid gebracht. Bavinck zegt in zijn Dogmatiek terecht: “De tweede komst is het complement der eerste” (deel IV, blz.763). 3°) Het nieuwe verbond met Israël is sinds Pinksteren begonnen. 4°) We hebben géén toekomstig duizendjarig rijk meer nodig om iets te vervullen wat niet vóór of tijdens Zijn Wederkomst vervuld kan worden. 5°) Alleen voorspellingen voor de eeuwigheid blijven nog vervuld te worden en deze worden bij de Wederkomst bevestigd voor zowel gelovigen als ongelovigen. Visie van de dogmaontwikkeling op het Koninkrijk In het ’Theologisch Woordenboek’, edit. H. Brink, Romen & Zonen, 3 delen, vanaf 1952, kol.4.635 lezen wij in welke zin de heilsverwachting werd ingeschat na Paulus: “Een reeds bij S. Paulus waarneembare verschuiving van aandacht naar de al gerealiseerde heerlijkheid in de levende christen, welke de eschatologische heerlijkheid van het einde meer naar de achtergrond schuift, zet zich in de patristische periode veel langzamer door dan men aanvankelijk had mogen verwachten en is


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

397

waarschijnlijk een van de vele blijken, dat de theologische synthese van S. Paulus eerst zeer laat in de christelijke theologie is binnengedrongen. Maar het betekent tevens een waarschuwing voor ons, de dogmaontwikkeling niet al te gemakkelijk te willen herleiden tot een langzaam voortschrijdende onteschatologisering, waardoor de primitieve eschatologie geleidelijk wordt vervangen door een sacramentele en ecclesiologische theologie. De geschiedenis van de geloofsbezinning over de christelijke eschata laat echter duidelijk zien dat een dergelijke verschuiving wel degelijk heeft plaats gehad en ons inziens zeer terecht, maar helaas ook veel te sterk. Het bijbelse perspektief is niet per se het enige juiste, evenmin als een bepaald traktaat zich gesloten mag houden voor integratie van nieuwe of herontdekte gegevens. Maar men kan deze verschuivingen niet gebruiken om bijbelse visie en latere ontwikkeling tegenover elkaar te stellen. Zij zijn alle de lichtende tekenen, waardoor ons de geopenbaarde werkelijkheid over wat de verloste christen te wachten staat helderder voor de geest wordt geplaatst” (wij

onderstrepen).

Joodse visie op het Koninkrijk In ’The Encyclopedia of the Jewish Religion’, edit. R. Werblowsky en G. Wigoder, Phoenix house, London, 1967, blz.107, heeft het begrip van de oordeelsdag bij Joodse theologen volgende karakteristieken. “Gelijklopend aan de bijbelse gedachte van loon en straf in deze wereld was er ook het concept van de Dag van de Heer, t.t.z. de dag waarop Israël zou verhoogd worden en haar vijanden overgegeven aan de Goddelijke gerechtigheid. Deze vooral nationalistische gedachte werd gewijzigd door de profeten (vooral Amos), die verkondigden dat de Dag van de Heer een dag van oordeel zou zijn en veroordeling van boosdoeners, ook voor wie tot het huis van Israël zou behoren. De profeten waarschuwden voor de komende ballingschap als een rechtvaardig Oordeel van God en nodig was tot uitdelging van de zonden van Israël. Eens dit verschrikelijk oordeel achter de rug (...) geven de profeten na de ballingschap, vooral Haggai en Zachariah, geloof in het herstel van het Joodse volk te Jeruzalem en de heropbouw van de tempel als beeld van het komen van het Messiaanse Rijk. De teleurstelling van het niet vervullen van deze hoop was ervoor verantwoordelijk dat er een geleidelijke overgang plaatsgreep van de gedachte van de vervulling van de hoop in de nabije tijd, naar deze van de eschatologische tijd. Volgens deze nieuwe opvatting was de Dag van de Heer nog niet aangebroken maar zou slechts plaatsgrijpen in het

In latere Apocalyptische werken (Syrische Baruch, IV Esdras) wordt de gedachte weergegeven dat de eeuw van de Messias slechts een overgangsperiode is van deze wereld naar een nieuwe tijd, beschreven als “de Komende Wereld” (Olam ha - ba)” (wij onderstrepen). eind van de dagen (...)

Het is merkwaardig dat de moderne Joden nog steeds dezelfde argumenten gebruiken tegen het Messiasschap van Jezus als toen Hij aan het kruis werd genageld. Dezelfde argumenten wat betreft de twee eerste punten die Darby gebruikte om zijn leer te ondersteunen. De Duits-Joodse rabbijn Nathan Peter Levinson zegt in zijn boek ’De Messias’, Ten Have, 1996, blz.40 over Jezus en hoe een orthodoxe Jood hem moet zien: “1. Als koning van Israël die het volk van de Romeinse onderdrukking zou bevrijden en de vroegere pracht zou herstellen, kon Jezus alleen maar teleurstellen. In de wereld veranderde er niets na zijn verschijning, een vrederijk was niet ontstaan. 2. Als heiland die plaatsbekledend zonden vergeeft en naar de opvatting van Paulus de wet vervangt kon hij voor wetsgetrouwe Joden slechts een steen des aanstoots zijn.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

398

3. Dat hij volgens de incarnatieleer mens werd en in de Drieëenheid een eenheid vormde met God de Vader en de Heilige Geest, kon door het strenge monotheïsten alleen maar als afvallig van het joodse geloof worden uitgelegd.”

Matthéüs 16:28. Die de dood niet zullen smaken. Deze tekst laat een interpretatie zoals deze van Jehovah’s Getuigen niet toe. We gaan hierop in nadat we enkele dingen duidelijk maken aan de hand van de synoptische teksten. Want zo een vergelijk maakt bepaalde zaken klaar en helder. Mat.16:27,28 “Want wat zou het een mens baten, als hij de gehele wereld won, maar schade leed aan zijn ziel.

____

____ Voorwaar, Ik zeg u, Er zijn sommigen onder degenen, die hier staan, die de dood voorzeker niet zullen smaken, voordat zij de Zoon des mensen hebben zien komen in zijn koninklijke waardigheid.”

Marc.8:38-9:1

Luc.9:26,27

____

____

“Want wie zich voor Mij en voor mijn woorden schaamt in dit overspelig en zondig geslacht, Zoon des mensen zich ook voor hem schamen, wanneer Hij komt in de heerlijkheid zijns Vaders, met de heilige engelen.

“Want ieder, die zich voor Mij en voor mijn woorden zal schamen, voor de hem zal de Zoon zal des mensen zich schamen, wanneer Hij komt in zijn heerlijkheid en die van de Vader en de heilige engelen.

En Hij zeide tot hen

____

Voorwaar, Ik zeg u: Er zijn sommigen onder degenen, die hier staan, die de dood niet zullen smaken, voordat zij zien dat het Koninkrijk Gods gekomen is met kracht.”

Ik zeg u in waarheid, er zijn sommigen onder degenen die hier staan welke voorzeker de dood niet zullen smaken, voordat zij het Koninkrijk Gods gezien hebben.”


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

399

Een eerste opmerking. Wanneer u hier leest over het “smaken” en “zien” ga niet onmiddellijk aan een letterlijk zien en smaken denken. Want ook reeds in het OT zijn dergelijke uitdrukkingen gebruikt om o.a. aan te geven dat YaHWeH een goede God is (Ps.34:8). De woorden van de HERE “smaken” zoet (Ps.119:103). Mensen kunnen genieten van de hemelse gaven en “smaken” wat de krachten zijn van de toekomende eeuw (Heb.6:5,6). Het gaat om geestelijk te onderscheiden wat soort werk God verricht. Er zijn in dit verband vijf uitleggingen. 1) We hebben hier een beschrijving van de transfiguratie van Jezus op de berg dat in de drie evangeliën hierop volgt. Dit is de uitleg van vele Kerkvaders (vb. Chrysostomos en Theophylactus) maar ook Luther en Jehovah Getuigen. Voor Luther ziet u naar de W.A. 38 blz.649 e.v. Voor Jehovah Getuigen citeren we als volgt: “Voordat Christus de berg opging, had hij aan al zijn discipelen gevraagd: “Wie zeggen de mensen dat ik ben?”, waarop Petrus had geantwoord: “Gij zijt de Christus.” Daarop had Jezus hun gezegd dat hij zou sterven en uit de dood zou worden opgewekt (Mr 8:27-31), hoewel hij tevens beloofde dat sommige van zijn discipelen “geenzins de dood (zouden) smaken voordat zij eerst de Zoon des mensen in zijn koninkrijk (hadden) zien komen” of “het reeds in kracht gekomen koninkrijk Gods hadden gezien (Mt 16:28; Mr 9:1). “Zes dagen later” (of “acht” volgens Lukas, die kennelijk de dag van de belofte en die van de vervulling meetelt) werd die belofte vervuld toen Petrus, Jacobus en Johannes met Jezus, “een hoge berg” opgingen (Mt 17:1; Mr 9:2; Lu 9:28), waar Jezus, terwijl hij bad, voor hun ogen een transfiguratie onderging (...) Maar aangezien de transfiguratie plaatsvond toen Johannes de Doper al gestorven was, duidt de verschijning van Elia bij de transfiguratie erop dat de oprichting van Gods Koninkrijk in handen van Christus gepaard zou gaan met een werk dat verband hield met een herstel van de ware aanbidding en de rechtvaardiging van Jehovah als de enige ware God (...) De apostel Petrus bezag de transfiguratie als een prachtige bevestiging van het profetische woord, en doordat hij een ooggetuige van Christus’ luister was geweest, kon hij zijn lezers bekendmaken “met de kracht en tegenwoordigheid van onze Heer Jezus Christus” (2Pe 1:16, 19). De apostel had de vervulling meegemaakt van Christus’ belofte dat sommige van zijn volgelingen “geenzins de dood (zouden) smaken voordat zij eerst het reeds in kracht gekomen koninkrijk Gods (hadden gezien)” (Mr 9:1). Het is mogelijk dat de apostel Johannes in Johannes 1:14 eveneens op de transfiguratie zinspeelde (...) De transfiguratie diende naar het schijnt om Christus te sterken voor zijn lijden en dood, terwijl ook zijn volgelingen erdoor werden vertroost en hun geloof werd versterkt. Ze toonde aan dat Jezus Gods goedkeuring genoot, en ze verschafte een toekomstbeeld van zijn heerlijkheid en Koninkrijksmacht. Ze voorzei de tegenwoordigheid van Christus, wanneer hij over volledige koninklijke autoriteit zou beschikken.” Uit, ’Inzicht in de Schrift’, deel 2, 1997, blz.1045-1047, sterk ingekort, wij

onderstrepen. 2) Een gedeeltelijke vervulling was er in de Opstanding van Jezus uit de dood. Deze uitleg geeft bijvoorbeeld Lange in zijn commentaar op Mattheus. Ook J. Nielsen gaat in deze richting in ’In het evangelie naar Lucas’, deel 1, Callenbach, 1979, blz.281,282. “Het is duidelijk dat in het voorgaande vers over het komen van de Zoon des mensen in zijn heerlijkheid gesproken wordt over de parousie. Maar over het tijdstip waarop deze parousie zal plaatsvinden, wordt niet gesproken, alleen dat de parousie zal plaatsvinden. Staan de wederkomst en het aanbreken van de heerschappij van God zo vlak voor de deur dat hier gezegd kan worden dat sommigen deze nog tijdens hun leven zullen zien? Spreken


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

400

ook 21:27 en 21:31 in deze richting? Verschillende antwoorden zijn gegeven. Gedacht is dat deze uitspraak van Jezus in de weergave van Lucas mogelijk betrekking heeft op de geschiedenis van Jezus zelf, vooral op zijn verheerlijking, dood en opstanding. Ook is gezegd dat gezien hebben (grieks: idoosin) hier de betekenis kan hebben van: beleven, inzien dat het gekomen is. Dan zou de weergave van dit vers als volgt kunnen zijn: in Jezus is het Koninkrijk Gods aangebroken; dat zullen sommige van de hier aanwezige mensen nog vóór hun dood inzien en met een kleine verduidelijking: het aanbreken van het geschiedt in de opstanding van Christus die sommigen nog zullen zien als ooggetuigen” (wij onderstrepen).

3) Alford (Greek Testament) en Stier (Reden Jesu) zien dit vervuld in de vernietiging van de tempel in 70 NC. Dit is de uitleg van de huidige preteristen = de profetie is vervuld. 4) Slaat op Pinksteren en de instelling van de Koninklijke waardigheid van Jezus. Zo o.a. volgens Calvijn die Opstanding - Hemelvaart - Pinksteren en Koninkrijk in één verlengde zet. Ondanks de mogelijkheid dat punt vijf de goede uitleg is blijft dit onze voorkeur hehouden. 5) Verwijst naar de Wederkomst. J. Nielsen zegt in ’Het evangelie naar Mattheüs’, deel 2, Callenbach, 1973, blz.95, 96: “De vraag die hierbij opkomt, luidt, of Jezus de komst van het rijk Gods op korte termijn heeft verwacht of niet. Verschillende antwoorden zijn gegeven. Het zou hier niet gaan om de parousie, maar om de verheerlijking op de berg die in Mattheüs 17 aan de orde komt. Anderen dachten aan de opstanding van Christus, de snelle en buitengewone groei van de kerk als werk van de macht van God, Pinksteren (Calvijn), de verwoesting van Jeruzalem in 70. Het gaat echter om de parousie, de wederkomst van Jezus Christus als de Zoon des mensen, waarmee de komst van het koninkrijk der hemelen definitief is, en wel op een enigzins overzienbare termijn, zonder exact te zijn. Wij zijn van mening dat het spreken over de “uitgebleven parousie” of zelfs over de mogelijkheid dat Jezus zich in het perspectief van de tijd vergist zou hebben, geen oplossing biedt. Evenmin biedt het bewonderen van de kracht der traditie, die vastgehouden heeft wat Jezus gezegd heeft, terwijl dat reeds door de feiten was weerlegd, toen het evangelie te boek werd gesteld, enig uitzicht (...) Als gezegd wordt dat sommigen onder degenen, die hier staan, de dood voorzeker niet zullen smaken, voordat zij de Zoon des mensen hebben zien komen in zijn koninklijke waardigheid, dan is het zeer wel mogelijk te denken aan mensen die de dood niet meer zullen proeven, zoals hij is in de harde, smartelijke werkelijkheid van het sterven, maar die, omdat zij de Heer in zijn verheerlijking of na zijn opstanding hebben gezien, gerust zullen kunnen sterven: zij zijn deelgenoot geworden van een nieuwe aeon die voor Jezus en zijn discipelen (en voor vele anderen na hen!) werkelijkheid is geworden, waar de dood als dood geen scheiding maakt en die als nieuwe aeon toegaat naar de definitieve komst van het koninkrijk Gods. De vernietigende kracht van de dood beheerst het leven, maar in Christus heeft God de dood zijn vernietigende kracht ontnomen.”

Maar M.H. Bolkestein, ’Het evangelie naar Marcus’, Callenbach, 2de druk, 1966, blz.192,193 klinkt enigermate anders. Hij schrijft: “De vraag, wat bedoeld is met de komst van het Rijk met kracht, heeft veel verschillende antwoorden gevonden in de loop van de geschiedenis (...) De meesten echter - en wel terecht - in de parousie. De finale komst van het Rijk wordt bedoeld en dat op een tamelijk overzienbare termijn. Ook uit andere synoptische teksten blijkt, dat Jezus een dergelijke termijn verwachtte (Matth. 10:23; Marc. 13:30 par.). Toch is het aantal teksten gering. En de verwachte termijn is niet van wezenlijk belang. Men kan hier wel met Cullmann van een “Perspektivenirrtum” spreken. Maar met Ridderbos moet men wel erkennen, dat in het profetische perspectief van Jezus opstanding en parousie samenvielen. Ze worden nooit tegelijk genoemd als Jezus over de toekomst spreekt. Er zijn twee lijnen in Jezus’ toekomstverwachting: een die op de opstanding uitloopt, en een die op de parousie uitloopt.”


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

401

En J. Schmid, Het evangelie van Matteüs, Patmos, 1963, blz.320 zegt: “In vers 28 spreekt hij i.p.v. over het komen van het Godsrijk (Mc.9:1) over het komen van de Mensenzoon met zijn Rijk (of: ’in zijn koninklijke macht’; zo ook Mt. 20,21 tegen Mc. 10:37). Door deze omvorming van de tekst alsook door het weglaten van de inleidingsformule wordt de spreuk nauwer dan bij Marcus met het voorafgaande vers verbonden. En Mattheüs schijnt daarmee ook te tonen hoe hij dit vers heeft verstaan. Zowel de tekst als zodanig alsook de nauwe verbinding met het uitdrukkelijk over de parousia sprekende v.27 schijnen een andere verklaring dan die op de parousie slaat uit te sluiten.”

Matthéüs 19:28. Om de twaalf stammen te richten. We lezen in ’AMEN’, nummer 21, oktober 1998. “De oplossing van de ’vergeestelijking’ Toch werd een oplossing vrij snel gevonden in de gedachte dat men, al wat de profeten en de apostelen verkondigd hadden in het verleden, waarschijnlijk veel te letterlijk had opgevat. Zo ontdekte men een oplossing, voortgekomen uit de koker van de duivel, ingegeven door demonen (vgl. 1 Tim. 3:15-4:1) en geheel beredeneerd vanuit de mens. Een valse leer uit de synagoge des satans, die heel het christendom zou kenmerken, namelijk: de Christengemeente, ’de Christelijke Kerk’, is het ’geestelijk Israël’. God heeft Israël voorgoed verworpen, maar die plek op aarde wordt ingenomen door het ware Israël, nl. de Kerk. En alles wat aan dat symbolische volk ’Israël’ beloofd was, is eigenlijk voor de ’Kerk’ bestemd. Niet met Israël, maar met de Kerk is het nieuwe verbond gesloten. Daarom moeten wij de Joodse inzettingen, gebruiken, feesten en offeranden vanuit het Oude en Nieuwe Testament, en alles wat de twaalf apostelen gepredikt hebben, geestelijk opvatten i.p.v. letterlijk en deze ’verchristelijken’. Het Koninkrijk dat komen zou, is de Kerk en de Kerk heeft in plaats van Israël de opdracht dat Koninkrijk over geheel de aarde uit te breiden” (wij onderstrepen). Wij geloven in de noodzaak om vele teksten uit de Schrift te

vergeestelijken en dit is er één van. Toch voelen we ons niet duivels aangetast. Het belangrijkste woord in deze tekst is waarschijnlijk het begrip “palingenesia” in het Nederlands meestal vertaald als “wedergeboorte” en in het Engels “regeneration.” Slechts één andere maal kan men het in de Schrift terugvinden, dat is Titus 3:5. Daar staat: Hij heeft: “niet om werken der gerechtigheid, die wij zouden gedaan hebben, doch naar zijn ontferming ons gered door het bad der wedergeboorte en der vernieuwing door de heilige Geest.” De “wedergeboorte” in deze tekst spreekt zonder twijfel over een “rege-neratie” in deze tijd, de tijd die er is, vóórdat de Heer terugkeert voor een tweede maal. Het is tijdens deze periode dat God aan de mensen heeft toebedeeld, opnieuw herboren te worden om het Rijk van God te beërven. En een reeks teksten bewijzen dat, en daar zijn de begrippen “palín” (“opnieuw” of “van boven”) en “genesis” (“ontstaan”) regelmatig de sleutelwoorden. Zie Joh.3:6,7 / 1 Pet.1:3,23 / 1 Joh.2:19 / 3:9 / 4:7 / 5:1,4,18. Ze worden kinderen Gods “niet door bloed of vlees” maar door God (Joh.1:12,13). Het commentaar van E.L. Smelik op de tekst van Titus 3:4,5 is de volgende in ’De brieven van Paulus aan Timotheüs, Titus en Filemon’, Callenbach N.V., Nijkerk, 1961, blz.142, 143: “Wij vinden noch de term “wedergeboorte”, noch de combinatie “bad der wedergeboorte” bij Paulus ergens elders. Het woord “wedergeboorte” treffen wij op bijbels terrein slechts aan in Matth.19: 28, waar het de betekenis heeft van algehele wereldvernieuwing. De parallelle plaatsen in de andere evangeliën geven Luk. 22: 30: “in mijn koninkrijk”, Mark. 10:30 en Luk. 18:30: “in de komende aeon.”


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

402

Paulus’ woorden in Tit.3: 5 zeggen dus niet, dat het waterbad als een magischwerkend instrument de vernieuwing tot gevolg heeft, integendeel, er staat met nadruk bij, dat deze bewerkt wordt door de Heilige Geest. Ook van deze uitgieting van de Heilige Geest is het waterbad een teken. Wij worden erdoor gerechtvaardigd en in een nieuwe positie tegenover God gesteld, die van erfgenamen van het eeuwig leven, waarop wij hopen.”

De vraag is: moet dit begrip “palingenesia” ook dezelfde betekenis krijgen voor de andere tekst, voor Mat.19:28? Of moeten we zoals verdedigers van een duizendjarig rijk zeggen, dat ligt in de toekomst? Komt er nog een “wedergeboorte” ná de Wederkomst van de Heer? In tegenstelling met wat verkeerd geïnterpreteerd zou kunnen worden uit deze tekst lezen we vooreerst Mat.8:10-12: “Toen Jezus dit hoorde, verwonderde Hij zich en zeide tot hen, die Hem volgden: Voorwaar zeg Ik u, bij niemand in Israël heb ik zó groot geloof gevonden! Ik zeg u, dat er velen zullen komen van oost en west en zullen aanliggen met Abraham en Isaak en Jakob in het koninkrijk der hemelen; maar de kinderen van het Koninkrijk zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; daar zal het geween zijn en tandengeknars.” Jezus draait niet rond de pot: het geloof dat hij merkt in de heidense honderdman is van dien aard dat Hij zoiets in gans Israël nog niet heeft gezien. Een opmerking die Hij richt tot zijn discipelen die erbij staan. Men tracht Mat.19:28 te laten vervullen in een duizendjarige regering van Christus op aarde. Daar zouden heidenen (nog niet volledig bekeerde volkeren) optrekken naar Jeruzalem (en een herbouwde tempel) om er te aanbidden. Men houdt dus géén rekening met wat er staat in verband met opmerkingen die het NT bevat over die tempel. Bij de beschuldiging van Jezus staat er: “Maar ten laatste traden er twee op, die verklaarden: Deze heeft gezegd: Ik kan de tempel Gods afbreken en binnen drie dagen opbouwen. En de hogepriester stond op en zeide tot Hem: Geeft Gij geen antwoord; wat getuigen dezen tegen u? Maar Jezus bleef zwijgen” (Mat.26:61-63a). Stephanus stond onder beschuldiging en sprak: “De Allerhoogste echter woont niet in wat men met handen maakt (...) Toen ze dit hoorden, sneed het hun door het hart en zij knersten de tanden tegen hen” (Hand.7:47,54). Van Paulus lezen we in Hand.21:28 nadat hij was opgemerkt in de tempel met andere discipelen van Jezus: “Help, mannen van Israël! Dit is de mens die tegen het volk, de wet en deze plaats overal allen leert.” En de schrijver van de Hebreeënbrief zegt daarom ook: “Want Christus is niet binnengegaan in een heiligdom met handen gemaakt, een afbeelding van het ware, maar in de hemel zelf, om thans, ons ten goede, voor het aangezicht Gods te verschijnen” Heb.9:24. M.a.w., na de dood van Christus heeft niemand van de discipelen van Jezus nog een goed woord te zeggen over de tempeldienst. Waarom zou men dat dan opnieuw opstarten in de duizendjarige regering? Waarom gaan de discipelen van Jezus in die tijd nog naar de tempel? Niet uit wettische overtuiging. Wel om er te bidden, iets wat men ook op alle plaatsen kán. Maar in de tempel is er toch een speciale sfeer. Want daar had God Zijn aanwezigheid getoond. Vervolgens omdat het de plaats bij uitstek is om er te prediken over de Messias. Naar de tempel komen gelovigen en die hebben het recht om te horen dat er wat veranderd is in Gods bestel. En daarom gaan evangelisten ook alle synagogen bezoeken in de steden die ze aandoen. Zie Hand.13:5 / 14:1 / 17:1-3, 10 / 18:47 / 19:8,9.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

403

We hebben dus niet nog een andere regering nodig die duizend jaar duurt waarin er op letterlijke tronen zal gezeten zijn en waar geregeerd wordt met het oog alle volkeren te bekeren tot de Messias. De vervulling is er voor de toekomende eeuw vanuit het tijdstip gerekend van de tekst. En zo is er maar één toekomende eeuw. In ’Het evangelie naar Mattheüs’, deel II, Callenbach, Nijkerk, 1973, blz.149, zegt J.T. Nielsen: “Daarmee wordt bedoeld - en het vervolg van de zin bewijst dat - die apocalyptische verwachting die in het jodendom van die tijd leefde, namelijk dat de wereld in de komende aeon (vgl. Marc. 10: 30 en Luc. 18: 30: in de toekomende eeuw = en tooi aiooni tooi erchomenooi) zal worden vernieuwd in de tijd van de Messias. De komende aeon (olam haba) van het jodendom is aangebroken door de komst van Jezus de Messias. Eenmaal zal de wedergeboorte, d.i. de vernieuwing van de gehele aarde volledig werkelijkheid worden, wanneer de Messias als de Zoon des mensen op de troon van zijn heerlijkheid zal zitten. vgl. ook Matth. 20: 21 en 25: 31. Dit gebeuren is verbonden met de parousia van Jezus in kracht en heerlijkheid, vgl. ook Matth. 26: 64. Bij de vernieuwing van de aarde zal ook het herstel van Israël plaatsvinden in de glorie van de twaalf stammen, gezuiverd en gelouterd door het oordeel dat de hemelse Rechter zal uitspreken, bijgestaan door de oudsten van het volk, vgl. Jes. 3: 14. Aan de “gij” die Jezus gevolgd zijn, geeft Hij plaats op de twaalf tronen om de twaalf stammen van Israël te richten. Richten hier in de betekenis van regeren. Zij zijn de stamvaders van het nieuwe Israël. Evenals in Matth. 10: 5 en 15: 24 gaat het hier om Israël in de betekenis van het nieuwe Israël in het volledige aantal van zijn stammen, zoals de joodse verwachting was. De in deze aeon (olam hazè) verachte discipelen van Jezus, die alles hebben prijsgegeven en Hem gevolgd zijn, zullen in het eindgericht samen met Jezus als Zoon des mensen het oordeel uitspreken. Dit is het “loon” dat hun wordt toegezegd” (wij

onderstrepen). Dat anderzijds afgezien van het herstel van alle dingen in de toekomst, er geregeerd werdt door de 12 apostelen is o.a. duidelijk uit Joh.20:23. Daar lezen we: “Wie gij hun zonden kwijtscheld, die zijn ze kwijtgescholden; wie gij ze toerekent, die zijn ze toegerekend.” De apostelen hebben het recht en de plicht om in de gemeente op te treden als rechters. Ze stellen mensen vrij van schuld en anderen worden hun schuld aangerekend. Niet volgens eigen beginselen maar op basis van wat ze geleerd hebben van de Heer en wat de Heilige Geest hen ingeeft. Duidelijk is toch dat volgens de uitspraak van Petrus op die geïspireerde dag van het Pinksterfeest zondermeer verkondigd dat Jezus “Heer en Messias” is (Hand.2:30-36). (Zie verder ons commentaar bij deze tekst). Het koninkrijk is begonnen en zijn discipelen regeren met Hem, in vallen en opstaan, maar ze regeren desalniettemin. Over welke 12 stammen gaat het dan, de twaalf letterlijke afstammelingen van de aarstvader of de twaalf geestelijke afstammelingen van Abraham en Jacob. Want dat verschil is hemelsbreed en bepaald voor een groot stuk de theologie die we verdedigen. De vraag is dus niet zo raar. We hebben ook geen massa aan Bijbelteksten in dit verband in het NT. Het zijn: Mat.19:28 / Hand.26:7 / Jac.1:1 / Opb.7:1-8. Laten we wat verder ingaan op deze laatste tekst als illustratie waarom we niet geloven dat het gaat om de twaalf letterlijke stammen. En we nemen dit gedeelte omdat we dan ook tezelfdertijd antwoord geven aan dezen die denken dat dit nog in de toekomst moet geschieden.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

404

Opb.7:4-8: “En ik hoorde het getal van hen, die verzegeld waren: honderdvierenveertigduizend waren verzegeld uit alle stammen der kinderen Israëls. Uit de stam Juda twaalfduizend verzegelden, uit de stam Ruben twaalfduizend, uit de stam Gad twaalfduizend, uit de stam Aser twaalfduizend, uit de stam Naftali twaalfduizend, uit de stam Manasse twaalfduizend, uit de stam Simeon twaalfduizend, uit de stam Levi twaalfduizend, uit de stam Issakar twaalfduizend, uit de stam Zebulon twaalfduizend, uit de stam Jozef twaalfduizend, uit de stam Benjamin twaalfduizend verzegelden.” Wie zijn deze? Letterlijk vleselijke Joden? Of symbolische? Vooral Opb.14:1 tot 15:5 zijn belangrijk in dit verband. Men ziet dat de 144.000 de harpspelers zijn die overwinnen over het beest en het beeld van Opb.13. Voordat ze tot bestaan komen kan er dus ook geen verzegeling zijn. Daarom moet men de winden der vernietiging zien als de gramschap van God over de goddelozen. Het is dan ook tijdens de werking van het beeld en beest dat de 144.000 gezegeld worden, de jaren van de tijd van het einde. En die zijn begonnen met Pinksteren. Een andere mogelijke uitleg is deze die de 144.000 en de grote schare als een zelfde groep in dezelfde tijd ziet. De beiden zijn dan het symbool van alle gelovigen van alle tijden. Want de eerste gelovige is en blijft steeds Abel volgens Heb.11:1-4. De leerstelling van de WT is dat de verzegeling begonnen is met Pinksteren. Maar dan zouden ze ook moeten leren dat de 4 engelen de winden vasthouden vanaf Pinksteren wat ze niet doen. Dat plaatsen zij echter na 1914. Het is een in zichzelf tegenstrijdige uitleg. Zie ’Dan is Gods mysterie voleindigd’ blz.94,95. Daarna hoorde maar zag Johannes niet dat er 144.000 werden verzegeld of gezegeld; in totaal 12 x 12.000 uit twaalf stammen. Enkele vragen ofschoon met slechts één mogelijk antwoord. Zijn de 144.000 als getal letterlijk of symbolisch? Is dit het Israël in het vlees of in de geest? Indien het geestelijk is, waarom dan de verdeling in 12 x 12.000? Hebben ze een aardse of hemelse roeping? 1ste aantekening: Het getal moet niet letterlijk genomen worden omdat later in hetzelfde hoofdstuk deze gelovigen (of een deel ervan) met een ander beeld vergeleken wordt. Want naar onze mening zijn de 144.000 = de grote schare van alle christenen. Ofwel zijn de grote schare = alle gelovigen van alle tijden. In het laatste geval zijn de 144.000 daar een deel van. Men zegt: indien we de 144.000 als een symbool zien dan is de kracht van de vergelijking verloren gegaan met de grote schare. Of: Indien de 144.000 een symbolisch getal is dan zouden we willen vragen: een symbool van wat? Want men komt indien we het getal letterlijk nemen in nog andere problemen. Gaat het om letterlijk alleen maar mannen, en allemaal maagden (Opb.14)? Gaat God dan een aanzien des persoon invoeren in strijd met beginselen die Jezus en Paulus prediken (Gal.3:28,29)? Ten derde. Hoewel het boek Openbaring vol zit met symbolische dingen, is niet alles hier symbolisch, ook niet wat zijn getallen betreft. We hebben o.a. Opb.21:14 welke spreekt over de twaalf apostelen van het Lam. Een letterlijk getal. Maar zijn de 4 engelen rondom de troon een letterlijke telling, of zijn ze het symbool van 4 groepen van engelen?


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

405

De allegorie die Paulus gebruikt in Gal.3:26-29 maakt een en ander zeer duidelijk. Hieruit blijkt duidelijk dat er met betrekking tot het verbond van de Sinaï een begin datum voor gegeven kan worden en een einddatum. Die liggen beiden in de toekomst: er is géén herstel van dat verbond te verwachten. Het begin ligt bij de berg en het einde eindigt op een andere berg, waar de Heer sterft en Hij Zijn bloed in hemelse gewesten aan de Vader heeft aangeboden. U leest daarbij Galaten 3:17,19,25 en Hebreeën 8:13. Twee tabellen in dat verband, de eerste gezien vanuit de twee zonen van Abraham: Ismaël De zoon van de slavin Geboren naar het vlees op een natuurlijke wijze. Hij was het beeld van het verbond dat God met Israël had na de uittocht uit Egypte in Sinaï, beeld van de gebondenheid Sinaï is het beeld van Jeruzalem “dat nu is”, beeld van het vleselijke Israël Ismaël, hij die geboren was uit het vlees, vervolgde het kind geboren naar de belofte, zijn broer (ze hadden dezelfde vader) Ismaël is onterfd vanwege zijn gedrag Het kind van de slavin is het beeld van het natuurlijke, vleselijke Israël

Izaak De zoon van de vrije vrouw Geboren naar de belofte van God, onnatuurlijk want zijn moeder was buiten haar tijd van baren Hij was beeld van het verbond der belofte die God aan Abraham gegeven had, een belofte van vrijheid Zion is de voorstelling van het Jeruzalem dat BOVEN IS, ze is vrij en moeder van alle kinderen der belofte Hij die op een wonderbare wijze geboren werd, is door zijn eigen broer vervolgd en beschimpt Izaak is de ENIGE DIE DE BELOFTE ONTVANGT Het kind van de vrije vrouw is de voorstelling van allen die tot Christus behoren, Zijn gemeente, stammend uit alle volkeren der aarde

In een andere versie gegoten bezien vanuit de twee vrouwen: MOEDER HAAR STATUS HAAR ZOON ZIJN STATUS GEBOREN DOOR VERBOND MIDDELAAR HUN ERFDEEL RESULTAAT

Sarah Vrije vrouw Izaak Vervolgde De belofte Het evangelie Jezus [God] Hemels Jeruzalem Opgericht

Hagar Slavin Ismaël Vervolger Het vlees De Wet Mozes [Man] Aards Jeruzalem Afgeschaft

2de aantekening: De 144.000 zijn niet een vleselijke Israël maar leden van de gemeente. Om dit te begrijpen moeten we iets vertellen over de profetieën en de vervulling uit het OT. Er zijn vier regels om een profetie te onderzoeken: a) Wat heeft het te maken met het letterlijke Israël. b) Zijn aan de vervulling der profetie voorwaarden verbonden. c) Is deze profetie aangehaald in het NT? Op welke wijze? d) Is dit een profetie of een voorafschaduwing? (Rom.15:4 / 1 Cor.10:11).


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

406

De tweede regel van deze vier mag niet genegeerd worden. Het mag sommigen wel vreemd schijnen maar toch zijn er vele voorzeggingen aan Israël die nooit aan hen vervuld geweest zijn, omdat er aan de voorwaarden niet voldaan werd. Enkelen hiervan zijn: Jes.2:25 / 42:6 / 49:6 / 52: 10 / 56:6,7 / 60:13 / 61:9 / 62:2 / Zach.2:11 / 8:22 / Jer.17:25 / Ezechiël hoofdstukken 40-48. God heeft niet gefaald. Het waren de Joden die niet aan de voorwaarden voldeden. Het gros van het vleselijke Israël heeft gefaald (Mat.21:43 / 1 Cor.10:18). Daarom worden bepaalde onvervulde profetieën van Israël overgebracht op de gemeente, het nieuwe Israël, dat bestaat uit een klein aantal gelovige Joden en een groot aantal gelovige Heidenen (Jes.46:10 / Rom.9:6). Het geestelijke Israël zal niet falen. Hierna volgt een korte lijst van profetieën die Israël moest vervullen maar die in de gemeente in vervulling gegaan zijn sinds Pinksteren: Hosea 1:10,11 / 2:22 = Rom.9:25,26 Hosea 2:10 = 1 Pet.2:10 Amos 9:11-15 = Hand.15:14-18 Jesaja 40:10-13 = Luc.13:29 Jes.43:5,6 = Mat.8:11,12 Ex.19:5,6 = Opb.1:6 Joël 2:28,32 = Hand.2:16-21. Zelfs de Nieuwe Verbondsbelofte aan Israël is vervuld aan de gemeente. Vergelijk Jer. 31:31-34 en 2 Cor.6:16-18 / Luc.22:20 / 1 Cor.11:25 / 2 Cor.3:6 / Heb.8:8-13 / 9:15 / 10:16-19. Al deze profetieën (en vele anderen) bewijzen dat het letterlijke Israël in deze tijd is vervangen door de gemeente. De beloften aan Israël komen nu toe aan de kerk en worden vergeestelijkt waar het moet. Bijvoorbeeld de profetie aan David dat er altijd iemand uit zijn geslacht op de troon zal zitten is overgegaan naar Christus en heeft een geestelijke vervulling (Col.1:13). De kerk is ook het nieuwe priesterschap (1 Pet.2:5,9) de nieuwe tempel (1 Cor.3:16 / Eph.2:20-22) het nieuwe Jeruzalem (Opb.21:2), het nieuwe Zion (Heb.12:22) het nieuwe volk van God (Gal.6:16). Waarom was Israël vervangen? Omdat zij geen goede vruchten hebben voortgebracht (Mat.21:43), zij hadden de werken van Abraham niet (Joh.9:39). Het huis van Israël is hen verwoest nagelaten (Mat.23:38) met geen enkele bevestiging dat het ooit terug hersteld zou worden zoals vroeger het geval was (Jer.5:10,18). Het is echter ook mogelijk dat Jer.5:10,18 slechts over de tegenwoordige aioon spreekt. Alléén een overblijfsel van hen heeft Christus aangenomen (Rom.11:5). Alle beloften die Israël door ongeloof niet heeft vervuld kunnen (maar hoeven niet gezien sommige niet vervuld worden) naar de gemeente overgaan. En de voorkennis van God weet dat ze door hen vervuld zullen worden Rom.2:28,29 / 9:6. Wanneer we dan al deze beginselen toepassen is er in deze tijd géén plaats voor een aparte klasse 144.000 genomen uit het letterlijke Israël. Ook niet op een later tijdstip. Deze groep van Opb.7:4-8 is dus een deel van de gemeente. Of op zichzelf een voorstelling van de Gemeente! 3de aantekening: Waarom worden de 144.000 dan afgebeeld als twaalf stammen? Dit is symbolisch. In Jac.1:1 en Opb.21:12-14 is dit ook zo. Iemand kan echter niet zeggen “Ik ben van


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

407

het geestelijke Judah” of “een ander van Reuben” enz... Neen, want elk lid van de gemeente moet aan de voorwaarden verbonden aan de betekenis van de naam van elk stamhoofd, voldoen. Volgens een schema gezien ziet dit er als volgt uit: Stam.

Betekenis.

Vervuld in de gemeente.

Juda

Loven van God

Heb.13:15

Ruben

Zie, een zoon

Rom.8:14-17

Gad

Een groep

Luc.13:32 / Opb.7:9

Aser

Gezegend

Mat.5:3-12 / Joh.13-17

Naftali

Een worstelaar

Rom.7:14-20

Manasse

Vergeten

Rom.8:7,8 / Phil.3:13

Simeon

Horen

Joh.6:68,69

Levi

Verenigd

Joh.17:20,21 / Hand.2:47

Issakar

Beloning (of dienaar)

2 Pet.1:4 / Rom.6:16-22

Zebulon

Verblijfplaats

Eph.2:19-22

Jozef

Toevoeging

1 Cor.9:19,23 / 2 Pet.5-11

Benjamin Zoon van ouderdom

Heb.2:11-13

Een ander bewijs dat deze twaalf stammen een symbolische voorstelling zijn is het feit dat de stam van Dan geheel ontbreekt. Deze van Manasse is toegevoegd ofschoon ze géén aparte stam is maar een zoon van Jozef. Ook het feit dat de nummering van deze stammen niet overeenkomt met één van de achttien of negentien lijsten der stammen in het Oude Testament verwijst naar symboliek. 4de aantekening: We hebben bewijs genoeg gegeven dat de 144.000 leden zijn van de gemeente. Aldus zullen ze een hemelse opstanding hebben. De hemelse roeping is de enige die er bestaat vanaf de dood van Christus. Zij zullen veranderd worden in een oogwenk indien ze leven tot de komst van de Heer, ofwel opgewekt worden uit de dood (1 Cor.15:50-54 / 1 Thes.4:13-17 / 1 Joh.3:2 / 2 Pet.1:4).


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

408

Maar staren we ons niet blind op deze uitdrukking “hemelse hoop” gezien we die gebruiken in tegenstelling tot wat het OT leert. Want dat wist men toen nog niet. Gelovigen uit het OT verwachten te leven op een herstelde nieuwe aarde. Van gelovigen uit het NT staat er dat ze in één van de vele woningen zullen wonen die de Heer voor hen zal klaarmaken. Maar waar komt het in de praktijk alles op neer: God zal op de nieuwe aarde wonen, zodat ertussen hetgeen Abraham verwacht geen verschil is met dat wat Paulus verwacht. Het is hetzelfde vanuit een ander oogpunt (Opb.21:2:8). Het Koninkrijk Gods zal zowel “aards” als “hemels” zijn. Dat laat ons dan toe het volgende in dit verband te besluiten. Er is géén enkel onderscheid aan te duiden, zoals de WT tracht te bewijzen tussen de toekomst van iemand uit het OT en iemand uit het NT: beiden erven het nieuwe. We citeren uit H.M. Matter, ’De toekomst van Israël’, Bosch & Keuning, 1953, blz.60, 61: “Als enige operatiebasis voor de constructie van een eigen toekomst voor Israël in Jezus’ prediking blijft dan in feite Matth. 19:28, met zijn parallelle tekst Lus.22:30. Daar wordt aan de discipelen beloofd, dat zij eenmaal zullen zitten op twaalf tronen, “om de twaalf stammen Israëls te richten.” Van een zijde, die we volkomen ernstig hebben te nemen, wordt bij deze verzen aangetekend: “Niet slechts aan het individu wordt hier het eeuwige leven, maar aan geheel Israëls volksbestaan wordt de vernieuwing toegezegd” (A. Schlatter). Niets meer en vooral niets minder! Het gebruikelijke bezwaar tegen de ver”letterlijking” van deze teksten is, dat Judas toch niet op een troon zou zitten. Het is alleen iets te simpel. Judas was ook een Jood en wanneer dan toch geheel Israël hersteld moet worden is het niet in te zien, waarom Judas daarvan zou zijn buitengesloten. Het is evenwel nog minder in te zien, waarom in Matth.19 dit vers letterlijk zou moeten worden genomen en het volgende niet. Dat laatste is evenzeer een onderdeel van de beschrijving van het “loon” voor het volgen van Jezus. Het spreekt van huizen en broeders en zusters en kinderen en akkers, die in veelvoud zullen worden ontvangen. Daar is in dit verband niets letterlijks bij. Het letterlijke moeten wij uit Marc.10:30 halen! En daar is het niet letterlijk.”

J. Schmid zegt over deze tekst het volgende (Het evangelie van Mattteüs, Patmos, 1963, blz.345): “’Wanneeer de Mensenzoon op zijn heerlijkheidstroon zit’ komt overeen met het begin van de schildering van het gericht 25,31 (vgl.24:30). Het tijdstip waarop dit zal geschieden geeft de Matteüstekst aan met de overigens in het NT geheel ongewone (vgl.nog Tit.3,5), maar in de griekse wereld gebruikelijke uitdrukking “wedervernieuwing” (palingenesia). Daarin komt evenwel een ook het Jodendom, voor alles de apocalyptiek (vgl. 4 Esdras 7,75;Syr. Bar.-Ap 32:6), vanuit het OT (Is.65,17;66,22;vgl. ook Hand. 3,21; Ap.21,1-5) vertrouwde gedachte tot uitdrukking, dat nl. de toekomstige eoon, de nieuwe wereld, het herstel van de oorspronkelijke, door de zonde en de demonische machten verstoorde orde in de wereld zal brengen. Volgens de onderhavige plaats is daarmee de parousia van de Mensenzoon en het gericht verbonden. Daarbij zullen de Twaalf aan de zijde van de verheerlijkte, gezeten op tronen, d.w.z. rechterstoelen, als bijzitters fungeren. Wat de Twaalf hier wordt beloofd is derhalve niet de eenmaal komende voortdurende deelname aan Christus’ hemels koningschap (aldus wel de paralleltekst Luc.22, 2930), maar de deelname aan de slechts éénmaal zich afspelende gericht, hetzelfde wat volgens de Joodse literatuur de rechtvaardige Israëlieten, volgens Paulus (1 Cor.6,2) alle christenen in het vooruitzicht is gesteld” (wij onderstrepen).


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

409

Daarom zegt ook J. Nielsen over de paralleltekst van Lucas: “Het kan zijn dat Jezus deze beschikking aan zijn discipelen eschatologisch bedoeld heeft, maar de werkwoordvorm staat duidelijk in het presens en de gehele context wijst er naar onze mening op, dat Jezus hier een officiële overdracht bedoelt te geven van de koninklijke macht en heerschappij (basileia) aan zijn discipelen zoals God deze Hem destijds had toevertrouwd (...) De twaalf discipelen zullen de taak krijgen om de twaalf stammen van Israël te richten: de twaalf representeren de nieuwe heilsgemeente, het nieuwe volk van God dat de gehele wereld omspant (...) Mogelijk is hier (in vers 30) een futurum gebruikt (vgl. ook Matth 19:28) omdat dit gedeelte van de overdracht nog openstaat naar de toekomst, als de Zoon des mensen zal terugkeren bij de parousia” (’Het evangelie naar Lucas’, Callenbach, 1983, blz.198,199). In de laatste opmerking,

het toekomstige in vers 30, zien we veeleer de komst van de Heilige Geest met Pinksteren. Want dan is reeds duidelijk dat er van een overdracht moet sprake zijn. De discipelen kunnen toch niet zonder volmacht die taak op zich nemen? Lucas 17:21. Het Koninkrijk Gods is bij u.

Wat zij op dat gebied zeggen In het ’Het Zoeklicht’, 17 oktober 1998, blz.19 lezen wij (wij onderstrepen): “Het geheim van het ’uitgestelde koninkrijk’. Jacobus legt de Eerste Gemeente op grond van een profetie van Amos, uit dat “de vervallen hut van David weer zal worden opgebouwd” (Hand.15:16). Petrus spreekt over “tijden van verademing” als Christus terugkomt. Paulus legt er de nadruk op dat “de Verlosser uit Sion zal komen.” De Here Jezus Zelf wekte zelf deze verwachting op bij het Joodse volk toen Hij, volgens de profetie van Zacharia op een ezel Jeruzalem binnenreed. Immers die profetie zegt dat “Hij de volken vrede zal verkondigen en dat Zijn heerschappij zich zal uitstrekken van zee tot zee en van de Rivier tot de einden van de aarde” (Zach.9:9,10). Je kunt het de Joden van die tijd niet kwalijk nemen dat ze, toen ze zagen hoe Zach.9:9 vervuld werd, doordat Jezus op die ezel Jeruzalem binnenreed, verwachtten dat ook het directe vervolg van die profetie vervuld zou worden, namelijk het herstel van het Koninkrijk voor Israël. Dan had de Heer maar niet op die ezel Jeruzalem moeten binnengaan. Maar waarom dan dat eeuwenlange uitstel? Waarom moeten Israël en eigenlijk ook de hele schepping nu al bijna tweeduizend jaar wachten? Heel kort noemen we twee ’redenen’ van dit ’uitstel’. De eerste reden betreft Israël. Petrus zegt: “Komt dan tot berouw en bekering (...).” (Hand.3:18). De Here Jezus zegt: “u zult Mij van nu aan niet meer zien, totdat u zegt: Gezegend Hij, die komt in de Naam van de HERE” (Matt.23:38). Op dit moment wordt Israël nu voorbereid. De tweede reden betreft ons, gelovigen-uit-de-volken. Jacobus zegt: “God is er van begin aan erop bedacht geweest een volk voor Zijn Naam uit de heidenen te vergaderen (...) daarna zal Ik wederkeren en de vervallen hut van David weer opbouwen (...) .” (Hand.15:15). En Jezus Zelf merkt op dat het einde pas kan komen als aan alle volken het Evangelie is gepredikt (Matt.24:14 en Marc.13:10). Dat betekent zending en evangelisatie als hoofdtaak van de kerk. In dit verband is het belangrijk op te merken dat het evangelie in onze tijd wel heel snel en met grote zegen over de hele aarde gaat. Het is zoals Psalm 147:15 zegt: “Hij zendt Zijn bevel op aarde, Zijn woord loop zeer snel.” Wat is ’Zijn bevel’? Dat wij geloven in de Naam van de Here Jezus. Wie is het Woord? Jezus Messias!”

Wij citeren H. Schouten, ’Het Zoeklicht’, 1 nov. 1997, blz.12,13:


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

410

“Op de troon van de Vader. In Psalm 110:1 lezen we van de hemelvaart van onze Heer waar staat: ’Aldus luidt het woord des Heren tot mijn Here: Zet u aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gelegd heb als een voetbank voor uw voeten’. Dit zitten aan de rechterhand van de Vader wordt dikwijls, maar ten onrechte, beschouwd als de aanvaarding van Zijn Koninkrijk. Sommigen zeggen dat daarmee het koninkrijk, het duizendjarig vrederijk, een aanvang heeft genomen. Is dat inderdaad zo? Natuurlijk was Jezus al bij Zijn geboorte de beloofde koning. Dit werd immers door Gabriël al voor de geboorte van de Heer aangekondigd (Lc.1:21-33). Toch zal niemand beweren dat Hij toen al als koning regeerde, integendeel, er was voor Hem geen plaats in de herberg. Evenmin regeerde de Heer als koning tijdens Zijn publiek optreden of tijdens de kruisiging buiten de stad Jeruzalem. Het is zelfs zo, dat Jezus de aanvaarding van dit koningschap afwijst. Eerst wanneer de satan Hem ertoe poogt over te halen, maar ook later wanneer de mensen Hem met geweld koning willen maken (Lc.4:5-8 en Joh.6:15). Heeft Jezus dan Zijn koningschap niet aanvaard, toen Hij naar de hemel was opgevaren? Het antwoord blijft neen. We moeten goed voor ogen houden dat we spreken over het koningschap op de troon van David, te Jeruzalem, zoals we eerder al eens schreven. Natuurlijk, God heeft de Here Jezus gezet aan Zijn rechterhand, ver boven alle overheid en macht en heerschappij en natuurlijk is Hem gegeven alle macht in hemel en op aarde. Maar hoe prachtig dit ook allemaal is, daarmee is Zijn koningschap op aarde nog niet begonnen. Het koninkrijk is wel van Hem, Hij is Koning en alle dingen zijn Hem onderworpen, maar de werkelijke aanvaarding van het koningschap vindt plaats wanneer Hij weerkomt. We zien inderdaad dagelijks, dat hoewel alle dingen Hem onderworpen zijn, de vijandige machten nog altijd duidelijk aanwezig zijn. Als we om ons heen zien, dan heerst de dood, de chaos, het boze, de verloedering. Dat alles is volledig in tegenspraak met wat de Bijbel ons leert over de komende Christus heerschappij. We zijn nog ver verwijderd van de situatie dat alle knie zich voor Hem zal buigen en vrede alom aanwezig is. Totdat Bij de hemelvaart van de Heer is het eerste deel van Psalm 110 in vervulling gegaan. Namelijk de uitnodiging te komen zitten aan de rechterhand van God, maar het tweede deel wacht nog op vervulling. Het woordje totdat markeert de overgang. ’Totdat Ik uw vijanden gelegd heb als een voetbank voor uw voeten’. (Ps.110:1b) Dat is altijd nog niet gebeurd, terwijl wat we in het volgende vers lezen, ’De Here strekt van Sion uw machtige scepter uit: heers temidden van uw vijanden’ ook nog niet plaatsvindt. Ook dat zal pas dan gebeuren, wanneer het totdat gekomen is en de tijd vervuld is en de vijanden gelegd zijn als een voetbank voor Zijn voeten. We zien dit alles in het Nieuwe Testament bevestigd en wel in Hebreeën 10:12,13. Let op de woorden, na het citaat van Psalm 110:1: ’Voorts afwachtende, totdat Zijn vijanden gemaakt worden tot een voetbank voor zijn voeten’. Ziet u hoe het woordje totdat hier zelfs versterkt is met de woorden voorts afwachtende. Het zitten aan Gods rechterhand is dus een plaats van afwachten en verwachten, totdat! Wanneer de koningsheerschappij van Jezus aanbreekt, zal de genadetijd voorbij zijn. Hogepriester. We zagen al eerder de opmerkelijke dubbelfunctie van onze Here Jezus, koning en priester naar de orde van Melchizedek. Vooralsnog ligt het zwaartepunt niet op het koningschap. Dat zal gerealiseerd worden, wanneer het ’totdat’ vervuld is. Het zwaartepunt ligt momenteel op het priesterlijke aspect. Daarom ook lezen we in Hebreeën 3:1 niet: ’Richt uw oog op onze koning’ of ’Richt uw oog op de koning van de kerk’. We lezen wel: ’Richt uw oog op de apostel en hogepriester onzer belijdenis, Jezus’. De presentie van de Heer bevindt zich in het stadium van Zijn priesterlijke dienst. Hij is bij God in de hemel, daar pleit Hij voor ons (Rom.8:34). We bevinden ons op de weg van kruis naar kroon. Die weg


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

411

wordt gemarkeerd door genade. Nog is het genadetijd. Nog kan en mag het blijde Evangelie verkondigd worden. Nog kunnen zondaren tot bekering, geloof en toewijding komen. Nog altijd kunnen mensen worden behouden uit dit verkeerde geslacht. God is genadig, Hij wil niet dat sommigen verloren gaan, maar dat allen behouden worden. Daarom staan ook wij, die ons geloof en onze hoop reeds gevestigd hebben op Hem, ook in die priesterlijke bediening. Ja, we zullen eenmaal met Christus regeren, dat is waar, maar ook wij zijn afhankelijk van het genoemde markeringspunt totdat. Totdat de Here God alle vijanden gelegd heeft voor de voeten van de Here Jezus. Dan zullen wij met onze Heer als koningen openbaar worden en met Hem als koningen heersen, die duizend jaren (Opb.20:6). Maar zolang dit nog niet vervuld is, vormen ook wij nog een priesterschap en moeten wij ons inzetten in voorbede en in getuigenis om velen voor te gaan naar die geweldige toekomst, die komen zal, wanneer onze Heer het koningschap op de troon van David ontvangt. Welk een uitzicht, Bruidsgemeente! Eeuwig Hem ten eigendom. “Mar anatha” blijve ons wachtwoord; “Amen ja, Heer Jezus kom” (wij onderstrepen).

Wanneer ’Bijbels Panorama’ in de 12de schets over het ’Koninkrijk der hemelen’ (of het) ’Koninkrijk des vredes’ spreekt dan worden volgende Bijbelteksten aangehaald ter ondersteuning van deze leer: “Ps.98:9 / Jes.2:3 / Jes.11:6-9 / Jes.25:7-9 / Jes.35:1-10 / Jes.65:19-25 / Jer.33:15 / Joël 3:18 / Amos 9:13 / Micha 4:1-4 / Zach.14:9 / Luc.1:32,33 / Opb.20:6.” We gaan op elk van deze Schriftuurplaatsen geen commentaar leveren maar aangeven waar deze redenering fout loopt: de aard van het Koninkrijk wordt verkeerd uitgelegd, het is geen letterlijk “aards” rijk maar een “geestelijk” rijk. En ook het tijdstip van die regering wordt verkeerd geplaatst, ze is niet toekomstig, maar is er vanaf Pinksteren.

Wat wij op dat gebied zeggen De Heer was permanent in controverse met de clerus van het oude Joodse volk. Hier is aan de orde een vraag van de Farizeeën aan Jezus: wanneer zal Gods Koninkrijk komen? Ook wij stellen die vraag maar wel met een andere bedoeling. Want dat geeft ook één en ander te kennen over de Wederkomst en wat er zal geschieden met gelovigen, ongelovigen en de wereld op dat moment. We willen vooraf enkele dingen aantonen aan de hand van wat het NT zegt over de vervulling van Ps.110 dat daar de meest aangehaalde Psalm is. Zo vinden we vers 1 terug in = Jezus is mijn Koning: Mat.22:44 / 26:64 / Marc.12:36 / 14:62 / 16:19 / Luc.20:42,43 / 22:69 / Hand.2:34,35 / Rom.8:34 / 1 Cor.15:25 / Eph.1:20 / Col.3:1 / Heb.1:3 / 1:13 / 8:1 / 10:12 / 10:13 / 12:2. En vers 4 komt terug in = Jezus is mijn Hogepriester: Joh.12:34 / Heb.5:6 / 5:10 / 6:20 / 7:3 / 7:17 / 7:21. (Dit is de lijst die we terugvinden in ’The Greek Testament’, ed. K. Aland / M. Black / B. Metzger / A. Wikgren, United Bible Societies, 1966, blz.908. Terecht geeft de versie van E. Nestle en K. Aland bij Ps.110:4 ook nog Heb.7:11,15,24,28) De schrijvers van het NT willen de lezers ervan overtuigen, tot vervelens toe, dat Ps.110 met Jezus van Nazareth in vervulling is gegaan. Hij is na vermoord te zijn, opgestaan uit het graf. Hij heeft Zijn macht als koning opgenomen en is als koning en priester tot in eeuwigheid in functie. Dat begon met Hemelvaart of met Pinksteren al naar gelang men nadruk legt op één of ander


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

412

aspect van de uitwerking van dat koninklijk priesterschap. Laten we dan ook oprecht Ps.110 uitleggen; zoals het hoort en zoals het er staat. Op het moment dat Zijn priesterschap begint gaat ook zijn koninklijke macht in voege. Men mag ze niet van elkaar scheiden. In de echte zin van het woord gaat Zijn priesterschap niet in voege bij Zijn dood aan het kruis. Maar wel wanneer Hij, bij de Hemelvaart dat offer aan Zijn Vader aanbiedt. Dat wordt ons duidelijk in het boek aan de Hebreeën. (Op de verzoendag was het offer slechts geldig wanneer het door de hogepriester gesprenkeld werd in het heilige der heiligen). Daarop volgt dan Zijn kroning als Koning. Het éne niet zonder het ander. Mensen die geloven in een toekomstige duizendjarige regering geloven dat ook, maar zijn niet consequent in de interpretatie ervan. Zo bv. Scofield’s commentaar bij Ps. 110 die toegeeft dat de Psalm: “historisch” begint met de Hemelvaart maar “profetisch” naar de wederkomst verwijst. Maar dan wil men toch wat verbergen. Want vers 2 zegt dat de Messias heerst “in het midden van zijn vijanden” en dat moet op deze periode van de wereldgeschiedenis slaan die nu bezig is. In deze tijd, van Pinksteren tot de Wederkomst zijn de vijanden gelegd als een voetbank voor Zijn voeten. Ze kunnen zich bekeren of met met de Wederkomst veroordeeld worden. Zij die beweren dat aan Israël het koninkrijk was:”beloofd, aangeboden, verworpen en naar de hemel opgenomen om later nog eens aangeboden te worden” zoals Rotherham in de appendix van zijn Bijbel beweerd klopt niet met de werkelijke aandacht die de NT-ische schrijvers aan het onderwerp wijden. De verwijzingen naar Jes.9:6,7 / Mat.3:2 / 4:17 / 21:43 / Luc.19:11-27 / 2 Tim.4:1 / Opb.17:14 / 19:16 bewijzen dat niet. Integendeel, zie onze aantekeningen over het koningschap van Christus bij Mat.25:31-46 waar de principes van het Koninkrijk nader omschreven zijn. Uit een haarscherpe analyse van deze tekst (Luc.17:21) door J. van Andel citeren we: “Het rijk is er reeds, zegt Jezus: het is binnen ulieden, zoo luidt het woord; of Hij hier zeggen wil dat het in hun midden, dan wel, dat het in het binnenste is, kan moeilijk uitgemaakt; hoe het ook zij, dat staat vast, dat het rijk er is. Wie er in gaan wil, heeft zich te haasten; want als het zichtbaar verschijnt, is het voor wie er niet in is, te laat om er in te gaan. God heeft het alzoo beschikt dat de tijd om er in te gaan samenvalt met den tijd zijner geestelijke verschijning, opdat alleen de wedergeborene er zou kunnen ingaan; deze toch alleen kan het thans zien en vinden.” (‘Het evangelie naar de beschrijving van Lucas’, Kok, 2de druk 1932, blz.367). Met andere woorden: een juiste lezing van Lucas 17:21 laat niet toe om nog een toekomstige duizendjarige regering in te lassen in de menselijke geschiedenis na de we-derkomst van de Heer. In een studie over Luc.17:21, merkt H. Baarlink het volgende op: “De gemakkelijkste oplossing schijnt altijd nog daarin te bestaan, dat men het Koninkrijk van God als een puur toekomstige zaak beschouwt, die de geschiedenis van deze wereld transcendeert, ondertussen nauwelijks tangeert. Het enige wat wij van onze kant kunnen doen is: afwachten, of nog mooier en bijbelser gezegd: het verwachten. Maar daar is het dan ook mee gedaan. De implicaties voor ons huidig leven in deze wereld zijn dan minder zwaar en bedreigend.” (H. Baarlink, ’Christologische perspectieven’, Kok, 1992, blz.28).

Tot op zekere hoogte is dit ook waar voor allen die de leer verkondigen van een nog toekomstige duizendjarig regering. De zwakte van dat verhaal is dat wanneer de Heer over het Koninkrijk spreekt dit regelmatig in beelden van vergelijking geschied; in gelijkenissen. En deze gelijkenissen geven géén beeld van een rijk waar alles koek en ei is, althans niet in zijn eerste fase. Uiteindelijk


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

413

zal Gods Koninkrijk als nieuwe hemel en nieuwe aarde een eeuwig zondeloos en perfect paradijs zijn in alle opzichten. Maar de eerste fase is een louteringstijdperk, van Pinksteren tot de Wederkomst. Tijdens deze tijd van de koninklijke machtsontplooiing van de HEER worden kaf en koren gescheiden, goed en kwaad onderscheiden. We hebben dus géén leer van nog eens een duizendjarige regering nodig om iets te vervullen dat niet vóór zijn Wederkomst kan vervuld worden. Dat kan gewoonweg niet omdat de gelijkenissen van de Heer die uitleg niet toelaten. Deze parabels kunnen in dat vrederijk van duizend jaar niet in vervulling gaan gezien ze inhoudelijk niet overeenstemmen met de leer die men daarover verkondigt. De slotsom moet dan zijn dat de leer van dat rijk verkeerd is. De hierop volgende tabel moet dat duidelijk maken.

Want het Koninkrijk der Hemelen (van God) is gelijk aan: 1°) Een akker met goed en slecht zaad bezaait Mat.13:24-30. 2°) Een mosterdzaadje tussen andere minder vruchtbare bomen Mat.13:31. 3°) Meel dat zuurdesem bevat, ander meel bevat het niet Mat.13:33. 4°) Een schat in een akker, vele akkers hebben géén schat Mat.13:44. 5°) Een koopman die een waardevolle parel koopt, veel parels zijn waardeloos Mat.13:45,46. 6°) Een sleepnet dat alle soorten van goede (en slechte) vissen oppikt Mat.13:47-50. 7°) Wie tegenover het evangelie een houding als een kind heeft, voor de meeste mensen een aanslag op hun persoonlijkheid Mat.18:4. 8°) Een koning die zal afrekenen in goede en slechte zin over zijn onderdanen Mat.18:23-35. 9°) Een toestand waar rijken en armen leven, en voor de rijken zal het koninkrijk ingaan zéér moeilijk zijn Mat.19:23-26. 10°) Zoals een wijngaard waarin mensen werkzaam zijn Mat.20:1-16. 11°) Als een bruiloftsmaal waar mensen uitgenodigd en uitgesloten worden Mat. 22:1-14. 12°) Tien maagden waarvan slechts vijf aangenomen worden Mat.25:1-13. 13°) Een mens die zijn slaven een werkopdracht geeft, maar het gaat voor één slaaf verkeerd Mat.25:14-30. 14°) Een scheiding van schapen en bokken Mat.25:31-46. 15°) Als een veld dat bezaaid is Marc.4:26-29. En twee opmerkingen in dit verband. 1°) Het is niet te berekenen (...) (in een periode bijvoorbeeld van 1000 jaren) Luc.17:20,21. 2°) Is geen zaak van uiterlijkheden, eten en drinken, maar van vrede en blijdschap door de Heilige Geest Rom.14:17. In het doctorale proefschrift van Chung Hoon Taik (warm aanbevolen) zegt hij in verband met het Koninkrijk zonder ook maar Luc.17:21 te vernoemen het volgende. Wij citeren uit ’Aan hun vruchten zult gij hen kennen’, Kok, 1989, blz.106,107 (alle verwijzingen zijn naar het evangelie


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

414

van Matthéüs): “Omdat de Koning zelf in de wereld gekomen is en de heerschappij van God niet meer door een boodschapper geschiedt, is de komst van Jezus enigermate het begin van het koninkrijk. De boodschap van Johannes de Doper over het nabijgekomen koninkrijk klinkt alsof het koninkrijk vroeger niet bestond en geheel nieuw is. Jezus brengt dezelfde boodschap en beveelt zijn discipelen het ook zo te verkondigen of aldus te bidden: ’Uw koninkrijk kome’. Dit koninkrijk ligt niet verder in de toekomst na zijn openbaar optreden maar is daardoor een tegenwoordige grootheid geworden 11,12), zodat men dit kan zoeken en vinden of dit als een schat of een kostbare parel kan kopen en in bezit kan nemen (13,44-46). Gods heerschappij, zijn reddend of straffend handelen begint nu. De Koning oefent zijn macht uit en geneest alle ziekte en alle kwaal (4,23;9,25). Blinden worden ziende, lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd, doven horen en doden worden opgewekt en armen ontvangen het evangelie van het koninkrijk (11,5). Hij geeft het brood aan de scharen. De winden en de zee gehoorzamen Hem. Deze macht van Jezus (vooral over de boze geesten) is het teken van het tegenwoordige koninkrijk (12,28). Jezus zaait met macht het woord van het koninkrijk, waardoor men, als men dit aanneemt, vrucht kan dragen (13,18-23). Hij zaait ook de kinderen van het koninkrijk (v.24-30). Hier zien wij dezelfde samenhang tussen de Koning als het subject, het volk als het object en de heerschappij van God als de verbindende kracht tussen de beide elementen. Het koninkrijk bestaat niet alleen uit de Koning, zijn koningschap of zijn heerschappij maar ook uit het object van zijn goddelijke handelingen, het volk, hoewel het koninkrijk - zoals vele onderzoekers erkennen - alleen door de koning bepaald kan worden. Zodanige activiteit van de Koning bepaalt het karakter van het koninkrijk: de komst van het koninkrijk bedoelt geen einde van de wereldgeschiedenis en geen stichting van Gods wereldrijk tegenover een andere wereldmacht. Zijn koninkrijk kwam in deze wereld en bestaat binnen deze wereld (vgl. 13,37). Het begin ervan is onmerkbaar zoals een mosterdzaadje maar het koninkrijk groeit tot een grote boom (13,31-32). het is dus een allergeringst begin, maar het koninkrijk volgroeit zoals een zuurdesem die het gehele meel doorzuurt (13,33-35). Deze twee gelijkenissen van het koninkrijk spitsen zich weer op het volk van het koninkrijk toe. Dat wil zeggen dat de kinderen van het koninkrijk waarop Gods heerschappij berust, in de loop van de tijd meer en meer in aantal toenemen en Gods heerschappij daardoor volgroeit en de gehele wereld doorzuurt. Deze gedachte vinden we ook in de zendingsopdracht: de zending staat in dienst van de uitbreiding van het koninkrijk, de heerschappij van God en Jezus. In die zin overhandigt Jezus de sleutel van het koninkrijk aan Petrus en zijn discipelen, zijn kerk (16,19;18,18). Jezus ziet echter geen verschil tussen stammen, volken en rijken. Er zijn voor Hem alleen twee soorten mensen: de kinderen van het koninkrijk en de kinderen van de boze (13,38-39), rechtvaardigen en onrechtvaardigen (25,31-46). De kinderen van het koninkrijk beginnen nu gestalte te krijgen door Jezus’ leer, door zijn werken en vooral door zijn dood. Zo oefent Hij zijn heerschappij uit en Hij zal voortdurend bij hen blijven om zijn heerschappij verder uit te oefenen (28,20 vgl. 10,19-20 en 18,19-20). Wij kunnen dit koninkrijk dus alleen in geestelijke zin verstaan” (wij onderstrepen). (Het belangrijkste werk over het Koninkrijk Gods

voor het Nederlandse taalgebied blijft nog steeds: H. Ridderbos, ’De komst van het Koninkrijk’, Kok, 1950). En ook nog deze belangrijke opmerking: “Sommige theologen hebben geleerd, dat Christus de drie ambten van Profeet, Priester en Koning successievelijk zou hebben bekleed. Volgens hen zou Hij gedurende Zijn aardse leven als Profeet, in Zijn dood aan het kruis als Priester, en na Zijn opstanding en hemelvaart als Koning zijn opgetreden. Deze voorstelling is echter niet naar de H. Schrift. Zij verliest uit het oog, dat de drie ambten van Christus eigenlijk één zijn, dat zij geen ogenblik los van elkaar bestaan. Hij is steeds Profeet, Priester en Koning. Wanneer Hij als Profeet spreekt, is Zijn woord met gezag, Luc.4:32; wanneer Hij aan Pilatus verzekert, dat Hij Koning is, voegt Hij eraan toe, dat Hij in de wereld is gekomen om voor de waarheid te getuigen, Joh.18:37. De wonderen die Hij op aarde doet, openbaren Zijn koninklijke macht en zij bezegelen Zijn leer, maar zij getuigen ook, dat Hij priesterlijk met barmhartigheid


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

415

innerlijk is bewogen, Mat.8:17.” Uit ’Bijbelse Encyclopedie’, W.H. Gispen, H.N. Ridderbos e.a.,

Kok, Kampen, 1975, deel 2, blz.204. Allen die een toekomstig herstel van Israël en een duizendjarige regering prediken, spreken van paradijselijke toestanden van dat “Rijk Gods.” Favoriete teksten zijn Jes.2:1-5, Jes.11:1-10 en Micha 4:1-3. Deze teksten kunnen echter niet verwijzen naar zo een duizendjarig rijk. Want na dat rijk volgt nog een catastrofe en een opstand tegen God. Maar het beeld van de profeten zegt dat er in Gods vrederijk géén dood is of leed enz... zal zijn. Er zal géén kwaad geschieden op gans de heilige berg Gods. Nu is het beeld uit Openbaring 20:7-10 daarmee niet in overeenstemming te brengen. Gods volk komt onder de volle lading van Satans haat te leven voor een kleine tijdsspanne. Daarom kunnen de profetieën die men in dat verband aanhaalt niet als een duizendjarige regering in de toekomst worden uitgelegd. Het Koninkrijk is geen zaak van woorden maar van kracht (1 Cor.4:20). Het koninkrijk is eeuwig; niet slechts voor 1000 jaren (2 Pet.1:11). Zie ons commentaar op Jes.11 in de derde stelling over Israël (hoofdstuk 3). En nog een randopmerking. Deze Schriftuurplaats (Luc.17:21) is natuurlijk uniek in het NT. Het spreekt over wat nog komt met Pinksteren, het Koninkrijk, alsof het er tijdens de prediking van Jezus al is. Maar toch niet zo uniek want ook in het evangelie van Johannes zijn hier en daar dergelijke gedachten te vinden. De wereld is geoordeeld (Joh.3:19), Jezus geeft in dit leven al eeuwig leven (Joh.10:10), de regeerder der wereld is overwonnen (Joh.16:33). Daarom zegt Johannes in zijn eerste brief dat “het geloof de wereld heeft overwonnen” (1 Joh.5:4). Paulus zegt: wie in Christus is, is een “nieuwe schepping” (2 Cor.5:17). Het heeft weinig zin om te debatteren over de vraag, waarom zien we zo weinig van het Rijk Gods gebeuren in de wereld. Dat is een vraag in de aard van de manier waarop de Farizeeën met Jezus omgingen. Heb.2:8,9 geeft een degelijk antwoord. Er staat: “alle dingen hebt Gij onder zijn voeten onderworpen. Want bij dit: alle dingen (hem) onderworpen, heeft Hij niets uitgezonderd, dat hem niet onderworpen zou zijn. Doch thans zien wij nog niet, dat hem alle dingen onderworpen zijn; maar wij zien Jezus, die voor een korte tijd beneden de engelen gesteld was vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods voor een ieder de dood zou smaken, met heerlijkheid en eer gekroond.”

Conclusies Door alle stukken van de puzzel neven en in elkaar te leggen is er slechts één uitleg mogelijk. 1°) Het Koninkrijk van Christus begon met Pinksteren. 2°) Tot aan Zijn Wederkomst vervullen zich de parabels van het Koninkrijk, goed en kwaad bestaan neven elkaar. 3°) Met de komst is er een definitieve scheiding tussen mensen en zaken, tussen goed en kwaad. 4°) Dan begint voor de eeuwigheid een voortzetting van Gods Koninkrijk zonder dat er nog inmenging zal zijn van kwaad, zonde en dood. (Er is dus géén plaats voor een letterlijk rijk van duizend jaren!). Handelingen 2:29-36. Tot Here èn tot Christus gemaakt.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

416

Voor het onderscheiden van de nuances in het begrip van het Koninkrijk Gods is dit één van de belangrijkste teksten. We gaan er dan ook uitvoerig op in, waar dit nog nodig zou blijken.

Wat zij op dat gebied zeggen Als commentaar bij deze tekst schrijft Biederwolf blz. 406,407: “Het is niet mogelijk om slechts vanuit deze tekst al dan niet te beslissen of Christus thans op de troon van David zit. Want het is overduidelijk dat dit gedeelte géén verwijzing is naar het oorspronkelijke regeringsdomein dat Christus als God bezat. En het is ook overduidelijk dat het hier om de troon van bemiddeling gaat, het resultaat van loon voor Zijn lijden, waartoe Hij voornamelijk als Heer en Christus is aangesteld. Maar is dit de troon van David?” (wij onderstrepen).

Walvoord heeft een gemakkelijk antwoord in verband met de komst van het Koninkrijk Gods. Hij zegt het volgende (blz.119): “Op het ogenblik dat Christus zal ten hemel opvaren vragen de discipelen “Here herstelt Gij in dezen tijd het koningschap voor Israël” (Hand.1:6). Daarop is het antwoord van Christus: “Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan zich gehouden heeft” (Hand.1:7). Het is zeker dat, indien de belofte van een toekomend Koninkrijk een geestelijke belofte zou zijn voor alle gelovigen in Christus, en in dit tijdperk vervuld, dan zou dit het geschikt moment voor Christus geweest zijn het bestaande geloof van het herstel van het letterlijke koninkrijk in Israël te bevestigen. Het feit dat Christus dit concept niet weersproken heeft, maar de discipelen slechts erop attent maakt dat het hen niet toekomt dat tijdstip te kennen is dus de bevestiging van deze visie.”

Wat wij op dat gebied zeggen “Maar is dit de troon van David?”, vraagt Biederwolf zich hierboven af. Voor hem kan dat niet, maar we gaan aantonen dat dit de enige uitleg moet zijn die met enige oprechte visie te verdedigen is. We gaan ons richten op twee lijnen uit het OT die elkaar op Pinksterdag ontmoeten. 1°) De Messias is beloofd, het is een afstammeling van koning David, zijn naam is Jezus en Hij stond op uit de doden. 2°) In Daniël hoofdstuk twee is een steen beschreven die alle koninkrijken der aarde zal omverwerpen.

1) Jezus is Heer en Messias Aan koning David is ooit de volgende uiterst belangrijke profetie voorzegd: “Wanneer uw dagen vervuld zijn en gij bij uw vaderen te ruste zijt gegaan, dan zal Ik uw nakomeling, uw eigen zoon, na u doen optreden, en Ik zal zijn koningschap bevestigen. Die zal mijn naam een huis bouwen, en Ik zal zijn koninklijke troon voor immer bevestigen” (2 Sam.7:12,13). Drie dingen vallen bij deze tekst op te merken:


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

417

1°) het zaad van David. 2°) hij zal een huis voor God bouwen. 3°) zijn troon is voor de eeuwigheid. Men denkt hier meestal onwillekeurig aan Salomo, maar dat gaat niet op gezien de onderdelen van de voorspelling niet door hem zijn vervuld. Het rijk van Salomo bestaat niet meer en we weten uit de Schrift dat deze wijze koning tijdens zijn leven ontrouw was aan God. Uit de profetie van 2 Sam. is het duidelijk dat de drie onderdelen ervan niet op Salomo toegepast kunnen worden. 1°) Want het is nadat hij (David) al ontslapen is met de vaderen dat God hem een zoon (nazaat) zal verwekken. Gezien zijn dood als eerste genoemd is - en zijn zoon Salomo toen een jongeling was - komt Salomo in het geheel niet in aanmerking om de profetie te vervullen. Dat is ook het grote verschil tussen deze profetie en de voorspelling die in 1 Kron.22:6-10 staat. Deze spreekt wel degelijk over Salomo (zelfs bij naam genoemd) volgens vers 9. Jezus voldoet wel aan dit onderdeel van de profetie. Hij is uit het zaad van David. 2°) Het huis dat Salomo ooit heeft gebouwd is ondertussen totaal vernietigd. Het geestelijk huis dat Jezus van Nazareth voor God gebouwd heeft blijft echter in eeuwigheid bestaan (2 Pet.2:4-9 / Heb.3:3-6). 3°) De ware parallel van 2 Sam.7:12,13 is 1 Kron.17:11-14. Ook de opmerking in 2 Sam.7:16 is niet waar met betrekking tot Salomo want zijn koningschap was niet voor eeuwig. Jezus, is volgens Mat.1:7,16 toch ook afstammeling van Salomo volgens de wettelijke lijn van Jozef die we in Matthéüs vinden. Maar niet volgens de lijn van zijn biologische moeder Maria. Dat vinden we in het evangelie van Lucas. Daar is een andere lijn van afstamming door Salomo aangegeven. Zo is er trouwens nog een ander punt over de afstamming van Salomo. Vanuit het evangelie van Matthéüs weten we dat Jezus een “afstammeling” (?) van Jeconiah is, ook soms geschreven als Jechonja of afgekort als Conia (Mat.1:11). Nu is van deze koning voorzegd in Jer.22:28-30 dat géén nazaat van hem als koning zal regeren over Judah. En toch heeft hij zeven zonen gehad (1 Kron.3:16-18). En gezien Jezus wel een echte koning is kan dat geen betrekking hebben op een letterlijke aardse regering thans of in een duizendjarige regering later. Dat zou in tegenspraak zijn met de voorspelling. Aan wie de profetie vervuld wordt staat zondermeer in Hand.13:32-34. Het gaat daar om een aanhaling van Jes. 55:3. Beide teksten lezen als volgt: Jes.55:3: “Neigt uw oor en komt tot Mij; hoort, opdat uw ziel leve; Ik zal met u een eeuwig verbond sluiten: de betrouwbare genadebewijzen van David.” Hand.13:32-34: “En wij verkondigen u, dat God de belofte, die aan de vaderen geschied is, aan ons, hun kinderen, vervuld heeft door Jezus op te wekken, gelijk in de tweede psalm geschreven staat: Mijn zoon zijt Gij; Ik heb U heden verwekt. En dat Hij Hem uit de doden heeft opgewekt, zonder dat Hij weer tot ontbinding zal wederkeren, heeft Hij aldus gezegd:


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

418

Ik zal U het heilige van David geven, dat betrouwbaar is.” De Schrift maakt het duidelijk dat deze belofte aan David door God gezworen is met een eed, zodat de stellige vervulling ervan voor de 100% gewaarborgd is. Dat blijkt uit o.a. Ps.89:3,4,35 / 132:11. En daaruit volgt dat dit ander verbond reeds is aangegaan: het eeuwig verbond = het nieuwe verbond uit Jer.31:31-34. Het is vervuld doordat God Zijn Zoon heeft opgewekt zegt de tekst die we zojuist hebben aangehaald. Met de geboorte van Jezus van Nazareth is “de volheid (plèroma) van de tijd” gekomen (Gal.4:4). In Hem worden alle dingen: de één na de ander vervuld, zoals een chemische kettingreactie ontstaat doordat het proces in gang gezet wordt. Er is géén weg terug. Handelingen hoofdstuk twee beschrijft een ander punt in “de volheid van de tijd.” De merkwaardigste uitdrukking van Petrus op die dag is wel dat Jezus de Heer en de Messias is. “Toen zij dit hoorden, werden zij diep in hun hart getroffen, en zij zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat moeten wij doen, mannen broeders? En Petrus antwoorde hun: Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus Christus” (Hand.2:37,38a). Dit is nieuw en niet slechts een variante op de doop van Johannes, maar een première. Want aan deze doop gaat gepaard waar men heeft op gewacht sinds de profeet Joël: de Heilige Geest. We analyseren uit de gebeurtenissen op die dag het volgende: 1) Het begin van de regering van Christus (vers 36) Mat. 3:1,2 / Dan.2:44 / Mat.16:18,19. 2) Een nieuwe soort prediking is aan de orde (verzen 1436) Mat.17:9 / 28:18-20 / Luc.24:47 / Joh.20:21-23 / Hand.4:12 / 10:43 / 1 Cor.15:1-4. 3) De Heilige Geest staat centraal in de vergeving (verzen 14,37,41) Joh.16:7-14 / 15:26 / Mat.28:20 / Rom.1:16 /1 Pet.1:23 / 1 Cor.1:18,21. Hier moeten we de vervulling zien van Jes.44:3 / Ezech.47 / Zach.14:8. 4) De eerste maal dat vergeving verkondigd wordt op basis van het vergoten bloed van Jezus (vers 38) Hand.8:12, 36 / 10:47,48 / 9:18. 5) De apostelen behoren tot het beheer van het Nieuwe Koninkrijk (verzen 3,4,12,16-21) Joh.7:39 / Luc.24:49 / Hand.1:4,5,8 / 1 Cor.2:9,10. 6) De Kerk van Christus start zijn nieuwe vorm van aanbidding (verzen 42,46,47) Mat.16:18 / 1 Pet.2:9. 7) Vijftig dagen voordien is daarvoor de wettelijke basis gelegd. a) de wet van Mozes werd afgeschaft Joh.1:17 / Col.2:14 / Heb.1:1,2. b) het oude verbond werd afgeschaft Gal.4:21-31 / Heb. 6:8-13. Vanaf nu is niet meer de nationaliteit van iemand belangrijk, maar zijn persoonlijk geloof. c) het oude priesterschap is opgehouden te bestaan in


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

419

Gods ogen Heb.7:11-12. 8) Met Pinksteren gaan een reeks nieuwigheden in voege. a) Een nieuwe wereld begint Mat.9:16,17. b) Een nieuwe machthebber zit op de troon Mat.28:18-20 c) Een nieuw verbond gaat van kracht Heb.8:6-13. d) Er is een nieuw priesterschap aangesteld 1 Pet.2:5 Hand.2:42 / Opb.1:6 / 5:10. e) Er wordt een nieuwe boodschap gepredikt 1 Cor.15:14 / Gal.1:6-9. f) Er is een nieuw fundament gelegd Mat.16:18 / 1 Cor. 3:11 / Joh.13:34,35. g) De onderdanen zijn nieuw Joh.3:3-7 / Gal.4:1-7. h) De termen van burgerschap zijn nieuw Hand.2:37-41 / Joh.3:5. i) Een ganse reeks nieuwe geestelijke zegeningen zijn gegeven aan de onderdanen Eph.1:3 / 1 Pet.2:5. j) Een nieuwe levensregel gaat in voege Hand.2:42 / Joh.4:24 / Eph.4:13 / Col.2:6-8 / Jac.1:25.

Een opmerking over de term “Heer” (Grieks Kurios). In een nog steeds degelijk commentaar op Handelingen (F. Grosheide, uitg. H. van Bottenburg, 1942, blz.85) lezen we: “Daarom is niet te handhaven, wat Joh. Weiss (...) beweert, dat onze plaats de oude meening geeft dat Jezus eerst bij de verhooging Messias werd? Dat wordt ook weersproken door plaatsen als Matth. 26:63, vgl. ook Rom.1:4 (in kracht). Juist in Lukas is Jezus herhaaldelijk vóór de opstanding Heer gemoemd (2:11; 7:13; 10:1; 39, 41; 11:39; 12:42; 13:15; 17:5; 19:31).” Met ander woorden; het is niet omdat hier een indruk zou

gewekt worden door Petrus, dat Jezus géén Heer zou zijn vóór zijn opstanding. Dat is het ook niet. Integendeel, we hebben hier iets zoals het begrip “koning.” Hij is met die titel geboren, Hij is zoon van David van in de wieg. En wat is de titel “Heer” dan de Griekse vertaling van wat men in het Hebreeuws de “koning” noemt! In de visie van die tijd, de titel die slechts aan de keizer toekwam. Petrus maakt het zodoende duidelijk dat Jezus de leider (keizer = koning) is van alle Joden die zijn preek aanhoren. Want het is tot dezen die hij het woord voert op die dag. Hand.2:14 “Gij Joden en allen, die te Jeruzalem woonachtig zijt” Hand.2:22 “mannen van Israël” Hand.2:29 “mannen broeders” Hand.2:36 “het ganse huis Israëls” Vergeten we niet dat de prediking tot de heidenen veel later komt. En de straffe toer hierbij is: u Joden heeft dat trachten te verhinderen door Jezus uit te leveren aan de Romeinen en te laten sterven, maar het is anders uitgevallen. God is tussenbeide gekomen en heeft de dode opgewekt, waardoor het u toch met geen enkele tegenspraak moet duidelijk zijn dat of u Hem verwerpt of aanneemt. Jezus is de Heer en de Messias. Lees ononderbroken Hand.2:29-36 en dat is de enige uitleg die mogelijk gegeven kan worden aan die woorden. Voorafgaande aan zijn Hemelvaart hebben de apostelen Jezus gevraagd: wanneer komen we in het Koninkrijk. Hij antwoordde dat ze te Jeruzalem moesten wachten. Ze moesten dit doen totdat ze macht ontvingen uit de hoge. “En terwijl Hij met hen aanzat, gebood Hij hun Jeruzalem


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

420

niet te verlaten, maar te blijven wachten op de belofte van de Vader, die gij (zeide Hij) van Mij gehoord hebt. Want Johannes doopte met water, maar gij zult met de heilige Geest gedoopt worden, niet vele dagen na deze. Zij dan, die daar bijeengekomen waren, vroegen Hem en zeiden: Here, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israël? Hij zeide tot hen: Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft, maar gij zult kracht ontvangen, wanneer de Heilige Geest over u komt, en gij zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde” (Hand.1:5-9). De Gemeente van Christus is het Koninkrijk van God. In Mat.16:18,19 gebruikt Jezus deze benamingen afwisselend: “En Ik zeg u, dat gij Petrus zijt, en op deze petra zal Ik mijn gemeente bouwen en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen. Ik zal u de sleutels geven van het Koninkrijk der hemelen, en wat gij op aarde binden zult, zal gebonden zijn in de hemel, en wat gij op aarde ontbinden zult, zal ontbonden zijn in de hemel.” LET A.U.B. OP WAT WE HIERBIJ ONDERSTREEPT HEBBEN. Op Pinksteren heeft Petrus - door het evangelie te prediken dat Jezus HEER is - voor het eerst de afkondiging gedaan dat dit rijk was begonnen. Gezien de uitstorting van de Heilige Geest is begonnen en niet meer te stuiten is, is de groei van het Koninkrijk, geïllustreerd als een grote boom, begonnen (Mat.13:31,32). En het zal zijn werk doen als zuurdesem (Mat.13:33-35). De gelijkenissen van het Rijk en de gemeente maken dat duidelijk. De Gemeente is het Koninkrijk. Beide hebben dezelfde eigenaar (Mat.16:18 en Joh.18:36), dezelfde voorwaarden tot lidmaatschap (Joh.3:5 en Hand.2:38) en dezelfde leden (Col.1:2,13). Philippus predikte in Samaria het goede nieuw dat het Koninkrijk er was (Hand. 8:12). Ook Paulus verkondigde het bestaan van het Koninkrijk vanaf het begin van zijn prediking tot zijn laatste dagen van zijn gevangenschap (Hand.19:8 / 20:25 / 28:23). Vraagt u zich dan af: moeten we nog bidden voor dat Rijk? Of: waarom zijn er nog zoveel vijanden in de wereld die geen deel willen aan Gods Rijk? Dat is omdat Zijn manier van strijden geestelijk is, niet werelds. God dwingt niemand. Jezus tracht iedereen te bekeren tot zijn Rijk, en de wapenen daartoe gebruikt Zijn; liefde, genade, wedergeboorte en rechtvaardiging. Mensen die een aardse Koninkrijk verwachten kunnen de kracht van deze wapens moeilijk aannemen of waarderen. Toch zitten ze ook in Zijn Rijk(-smacht) in de zin dat elke knie zich uiteindelijk voor Hem zal moeten buigen (Rom.14:10-11 / Phil.2:9-11 / 1 Pet.3:22). Christus is een strijdende Koning: “Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al zijn vijanden onder zijn voeten gelegd heeft.” Het goddelijke moeten komt hier achter de hoek kijken in 1 Cor.15:25. Er is niets en niemand dat aan de vorm van Zijn regering wat kan wijzigen. Diezelfde betekenis heeft ook Ps.110:1 en Heb.1:3. Dat wil zeggen dat het regeren van Christus universeel is in die zin dat alle mensen het aanbod krijgen om er deel van uit te maken, zonder onderscheid van rang, rijkdom of sekse. En het is ook niet te meten in een oppervlakte van X-aantal vierkante kilometers. Want het gaat om een “geestelijk Rijk”, het gaat om mensen die het hart op de juiste plaats hebben (Luc.17:21). Tot de


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

421

tijd van Zijn Wederkomst laat de Heer en Messias de mensen nog steeds de vrije keuze of ze er deel van willen uitmaken of niet. Laten we ook nog opmerken dat ondanks de negatie van dezen die in de bedelingen geloven er wel degelijk in het Oude Testament voorzegd is dat de Heidenen ooit tot Gods volk zullen behoren op basis van het geloof zoals de aartsvader Abraham het aan de dag legde. Zie daartoe bijvoorbeeld: Ps.2:8 / 68:31,32 / 110:4-6 / Hosea 2:23 / Amos 9:12,12 / Mal.1:11. Daarom noemt Paulus Jezus “de Heer van de cosmos” (Eph.4:5 / Col.2:15). En dan een andere visie van een andere groep: de WT. In ’De Wachttoren’, van 15 november 1998, blz.17, 18 lezen we het volgende als interpretatie van deze tekst: “Dit kon ook van Christus’ discipelen worden gezegd. Jezus kwam vlak voor zijn hemelvaart met hen samen. Het verslag zegt: “Toen zij nu bijeengekomen waren, gingen zij hem vragen: ’Heer, herstelt gij in deze tijd het koninkrijk voor Israël?’” Net als hun Meester zagen zij reikhalzend uit naar de komst van het Koninkrijk. Toch antwoordde Jezus: “Het komt u niet toe kennis te verkrijgen van de tijden of tijdperken die de Vader onder zijn eigen rechtsmacht heeft gesteld, maar gij zult kracht ontvangen wanneer de heilige geest op u gekomen is, en gij zult getuigen van mij zijn zowel in Jeruzalem als in geheel Judea en Samaria en tot de verst verwijderde streek der aarde.” - Handelingen 1:6-8. Er bestaat geen aanwijzing dat de discipelen door dit antwoord ontmoedigd waren. In plaats daarvan waren zij heel druk bezig met het predikingswerk. Binnen een paar weken hadden zij Jeruzalem met hun leer vervuld (Handelingen 5:28). En binnen dertig jaar hadden zij hun predikingsactiviteit dermate uitgebreid dat Paulus kon zeggen dat het goede nieuws “in heel de schepping die onder de hemel is”, werd gepredikt (Kolossenzen 1:23). Hoewel het Koninkrijk niet was ’hersteld voor Israël’, zoals de discipelen ten onrechte hadden verwacht, en het niet tijdens hun leven in de hemel werd opgericht, bleven zij Jehovah ijverig dienen met de eeuwigheid voor ogen.”

We hoeven hier zoveel niet meer op aan te merken gezien we dat al gedaan hebben in het vorige. Men heeft in die kringen dus ook toegegeven dat er op de Pinksterdag geen Koninkrijk bestond, want ze zeggen dat: “het niet tijdens hun leven in de hemel werd opgericht.” Dat is bedroevend in het licht van Hand.2:36. Alsof Petrus de mensen toen maar enkele losse woorden in het gezicht slingerde om indruk te maken. Jezus is de Heer en de Messias en heerst sindsdien over vriend en vijand. Het zou slechts in 1914 gebeuren zegt men aldaar. Ook dat hebben we uitvoerig weerlegd in de pagina's 198-207. Voordat er ooit sprake was van een leer van de bedelingen (of iets dat er op leek) hebben de vaderen van de Reformatie een prachtig document opgesteld dat de naam kreeg van Heidelberger Catechismus. We citeren in aansluiting daarom de vraag 31 (zondag 12) uit dit belijdenisgeschrift: “Vraag 31: Waarom wordt Hij Christus, dat is Gezalfde, genoemd? Antwoord: Omdat Hij door God de Vader aangesteld en met de Heilige Geest gezalfd is tot onze HOOGSTE PROFEET EN LERAAR, tot onze ENIGE HOGEPRIESTER en tot onze EEUWIGE KONING. Als PROFEET EN LERAAR heeft Hij ons de verborgen raad en wil van God over onze verlossing volkomen geopenbaard. Als HOGEPRIESTER heeft Hij ons met het enige offer van zijn lichaam verlost


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

422

en blijft Hij met zijn voorbede steeds bij de Vader voor ons pleiten. En als KONING regeert Hij ons met zijn Woord en Geest, en beschermt en bewaart Hij ons bij de verworven verlossing.”

Met ander woorden de functies van de Heer zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden. De uitoefening van het éne is gepaard aan de twee andere. Voor de discipelen zijn die niet te scheiden. En theologisch mag men daaraan niet toegeven zonder een alles overtreffende visie op Jezus aan te vallen en af te breken.

2) De steen uit Daniël hoofdstuk twee Wat zij op dat gebied zeggen In ’Het Zoeklicht’, 15 nov.1997, blz.22 lezen we: “De God des Hemels zal zijn koninkrijk hier op aarde nooit buiten zijn verbondsvolk om vestigen (...). De twee benen van het beeld (Rome fase 1) zijn verleden tijd. Nu zijn we bij de twee voeten en de tien tenen aangeland (Rome fase 2). Het is heel opmerkelijk dat gedurende de laatste maanden langs de Rijn de oude grenspalen van het Romeinse rijk herplaatst zijn. In Utrecht werd het ’Romeinenjaar’ aangekondigd, waaraan allerlei festiviteiten, die betrekking tot het Romeinse rijk hebben, verbonden werden. We geloven, dat de eenwording van Europa, zowel economisch, politiek als religieus met het herstel van dit laatste wereldrijk te maken hebben. De voortekenen voor de komst van Gods Koninkrijk zijn reeds aanwezig, hoeveel te meer mogen we dagelijks de opname van de gemeente verwachten, die nog daaraan vooraf zal gaan!”

En we lezen over hetzelfde onderwerp in ’Het Zoeklicht’, van 23 jan.1999, blz.5 en 6 het volgende: “Het Romeinse Rijk uitgedrukt met het symbool van ijzer (!) is niet opgehouden, doch is er nog steeds, Europa. We zijn aangekomen bij de voeten van ijzer, vermengd met leem. Dit laat zich niet tot een echte eenheid vormen. Het blijft onvermengbaar. Dit Romeinse Rijk van onze dagen is door bijbelgetrouwe uitleggers door de eeuwen heen altijd gezien als het verenigde Europa. Dat leek vijftig jaar geleden nog onmogelijk. Nu is het echter een feit, compleet met een eigen munt en groeiend naar een wereldmacht. Het profetisch Woord is waar en we doen er wél aan er ook acht op te geven. Let ook op het symbool ’ijzer’. Het verenigde Europa van onze dagen is begonnen op de basis van ijzer! Eerst kwam er de Europese Kolen en Staal Gemeenschap (...) Niettemin, de macht van Europa groeit. Europa is het laatste rijk van een serie van vier wereldrijken, gezien door koning Nebukadnezar in het oude Babylon - het hoofd van die wereldrijken samengevat in een schrikwekkend beeld. Nog is er geen einde aan, maar dat einde komt spoedig, als de Koning der koningen komt en mét Hem het Koninkrijk Gods” (wij onderstrepen).

Wat wij op dat gebied zeggen De algemene redenering van mensen die geloven in de bedelingen is dat de steen een hernieuwd (of nieuw) Romeins Rijk (uit deze tijd) zal verbrijzelen (in de nabije toekomst) en dat dan het duizendjarige rijk van vrede komt. Dat is een onhoudbare en onbewijsbare stelling. We vragen vooreerst uw aandacht voor de lijst hieronder die een overzicht tracht te geven van de


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

423

wereldmachten zoals ze beschreven zijn in Daniël. Daarbij wordt soms een zelfde macht onder verschillende beelden getekend.

Vergelijk van de symbolen uit Daniël Hoofdstuk 2 Goud Zilver Brons Ijzer/Leem Bovennatuurlijke steen

Hoofdstuk 7 Leeuw Beer Luipaard (Panter) Dier met ijzeren tanden Hemelse hof

Hoofdstuk 8 ----Ram Bok

Uitleg Babylon (2:38) Medo-Perzië (8:20) Griekenland (8:21)

-----

Rome

-----

Koninkrijk Gods of Christus

Wanneer we de laatste macht vergelijken dan beschrijft het éne beeld in Daniël 2 het als een deels uit ijzer deels uit leem bestaand rijk. Een koninkrijk gedeeltelijk hard en gedeeltelijk broos zegt vers 42. En het is tijdens het bestaan van het ijzeren rijk dat de steen uit de hemel dat rijk zal vernietigen. En niet slechts dàt, maar ook alle andere rijken die in totaliteit het beeld voorstellen. “Maar in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk oprichten, dat in eeuwigheid niet zal te gronde gaan, en waarvan de heerschappij op geen ander volk zal overgaan: het zal al die koninkrijken verbrijzelen en daaraan een einde maken” zegt vers 44. Wie/Wat is die steen? Indien we het OT aanhouden dan zou men volgens de symboliek daar kunnen zeggen dat het uitverkoren volk de steen is. Maar dat zou ook moeilijkheden geven in de uitleg. Gezien het echter gaat om een zaak van het NT is er maar één oplossing op die vraag. Jezus van Nazareth is voor de gelovigen uit de gemeente, de hoeksteen, en voor de ongelovigen een struikelsteen. Zie Mat.21:42 / Marc.12:10,11 / Luc.20: 17,18 / Rom.9:32,33 / 1 Pet.2:6-8. En vergelijk de profetie van Jes.22:22 en de vervulling volgens Opb.3:7.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

424

Daniël 2 HSV: “44 In de dagen van die koningen zal de God van de hemel echter een Koninkrijk doen opkomen dat voor eeuwig niet te gronde zal gaan en waarvan de heerschappij niet op een ander volk zal overgaan. Het zal al die andere koninkrijken verbrijzelen en tenietdoen, maar zelf zal het voor eeuwig standhouden. 45 Daarom hebt u gezien dat, niet door mensenhanden, uit de berg een steen werd afgehouwen, die het ijzer, brons, leem, zilver en goud verbrijzelde. De grote God heeft de koning laten weten wat er hierna geschieden zal. De droom is waar en de uitleg ervan betrouwbaar.” Allen die geloven in de bedelingen zeggen nu dat er een hersteld Romeinse Rijk moet komen zodat de steen het kan verbrijzelen en zo de tekst vervullen. Maar dat staat er niet in dit gedeelte. Er staat dat de steen alle koninkrijken verbrijzeld en niet slechts het onderstuk ervan. Niet slechts de voeten, maar het totale beeld in één maal. En aangezien er nooit een rijk zal zijn in de toekomst dat alle rijken - waaruit Babylon, Medo Perzië, Griekenland en Rome heeft bestaan - zal opgericht worden, moet het beeld nog meer voorstellen dan slechts die koninkrijken. Want leren we het herstel van het éne Rijk dan moeten we tezelfdertijd leren dat Babylon, Medo Perzië en Griekenland nieuw leven worden ingeblazen. Het gaat dus om het idee van; “wie is meester in de wereld”, de rijken van de wereld of Jezus van Nazareth? En men zegt (soms) dat de opbouw van dat rijk nu aan de gang is. Wanneer men ze er dan op wijst dat het Verenigde Europa nu reeds (begin 2000) met 14 staten verenigd zijn dan klopt dat


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

425

reeds niet meer met de symboliek. Want 10 tenen is in symboliek dan 14 staten! En zoals het echte Rome kan dit rijk nooit worden of men moet er nog delen van Noord-Afrika en Azië in dat Verenigd Europa inlijven. Trouwens, indien er ooit iets zou komen als een hersteld Romeinse Rijk, dan is dat een nieuw Rijk - een vijfde - dat niet in het beeld van Daniël twee en ook in Daniël 7 niet beschreven is. Dan zou de profetie niet vervuld zijn! Er wordt dan wat anders vervuld met de vraag: wat dan wel? Een andere groep van wie in de bedelingen geloofd zegt dat de opkomst van dat herstelde rijk slechts nà de opname van de gemeente zal geschieden. Het is dus allemaal nog toekomstig. Dat zou beschreven zijn in Openbaring 13 en 17. Zie o.a. H.C. Voorhoeve, ’De Toekomst des Heeren’, Druk. J.N. Voorhoeve, negende druk, blz.86-95. Of een andere publicatie uit die kringen van Darbysten, R. Brockhaus, ’Door het vuur, Beschouwing over het boek Daniël’, Druk. J.N. Voorhoeve, z.j. maar nà 1933, blz.79-84. Men speelt in die uitleg met het begrip tien, van de tien tenen en tien horens. Tien heeft echter in de Bijbel niet steeds de betekenis van een telwoord maar staat voor de volledigheid van de besproken zaak. Want, waarom heeft het beest van Opb.17:3 dan zeven koppen en tien horens; dat is toch om de volheid ervan aan te duiden. Of zijn de zeven koppen ook nog zeven andere koninkrijken. Zoals reeds gezegd hierboven; dan is er geen sprake meer van de vervulling van Daniël twee, want daar gaat het over 4 rijken en niets meer. Een vijfde Rijk is er al één teveel, en zeven is drie teveel. Ook Opb.2:10 spreekt van 10 in de zin van volheid: tien dagen verdrukking = een totale verdrukking. In Daniël 7 is het vierde beest opnieuw gezien vanuit de hardheid van dat rijk, het heeft ijzeren tanden. Rome is harteloos in de veroveringen die ze aangaat. Dan zegt de profeet: “Ik zag dat die horen strijd voerde tegen de heiligen en hen overmocht, totdat de Oude van dagen kwam en recht verschaft werd aan de heiligen des Allerhoogsten en de tijd naderde, dat de heiligen het koningschap in bezit kregen” (vers 21,22). Bij die machtsovername (wellicht niet de goede term) zullen “de heiligen des Allerhoogsten het koningschap ontvangen, en zij zullen het koningschap bezitten tot in eeuwigheid” vers 18 en vergelijk vers 27). In profetisch opzicht is het Pilatus die aan de Joden toont dat Jezus de koning der Joden is, want hij laat dat opschrift aanbrengen op het kruis (Joh.19:20,21). Maar Hij is nog méér dan dat. In het kort gezegd: Jezus heeft nu reeds “alle macht” (Mat.28:18), is nu reeds “koning der koningen en Heer der heren” (1 Tim.6:15), “regeert boven alle macht” (Eph.1:21). Of volgens de woorden van Petrus, “engelen, autoriteiten en machten” zijn Hem onderworpen (1 Pet.3:23). Een duizendjarig rijk zou aan zijn macht niets toevoegen dat Hij nog niet zou bezitten. Waarom zoiets dan persé verdedigen? Want het Rijk waarover Hij nu al regeert is er één dat niet kan wankelen (Heb.12:28). Alle dingen Zijn in de werkelijkheid aan hem nog niet volledig onderworpen maar dat proces is reeds begonnen met Pinksteren (1 Cor.15:28). Christus zit al op Zijn troon volgens Opb.3:21. En daar waar Heb.12:28 spreekt van een “onwankelbaar Rijk” daar zegt Dan.2:44 dat het een “koninkrijk in eeuwigheid” is dat door de actie van de steen zal bewerkt worden. En laten we daarop de nadruk blijven leggen. Verdedigers van de bedelingen dus van een komend duizendjarig rijk - leren dan eigenlijk dat Jezus over twee Rijken tezelfdertijd zal regeren: over een Rijk in de hemel en later nog van een Rijk op aarde. In het OT is er in


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

426

verband met dat Rijk maar één soort profetie. Daarom is de keuze òf Zijn Rijk laten beginnen met Pinksteren òf met het begin van het duizendjarig rijk dus zondermeer opgelost. Het artikel met verwijzingen over de Kerk of Gemeente (dus niet Koninkrijk) dat we vinden in ’Nave’s Study Bible’, Revised edition, Baker Book House, 1978, blz.1331, 1332 geeft het volgende: “Profetie over: de universaliteit: Gen.12:3 / Jes.2:2 / 40:5 / 42:3,4 / 45:23 / 52:10,15 / 54:1-5 / 56:7,8 / 59:19 / 60:1,3-9 / 66:12,19,23 / Jer.3:17 / 4:2 / 10:19 / 31:7-9 / 33:22 / Dan.2:35,45 / 7:13,14,18,22,27 / Amos 9:11,12 / Zef.2:11 / Zach.9:1,10 / 14:6-9,16 / Mal.1:11 / Mat.8:11 / Joh.10:16 / Opb.11:15 / 15:4. haar voorspoed: Ps.72:7-11,16,19 / 86:9 / 102:15,16,18 / 132:15-18 / Jes.4:2-6 / 25:6-8 / 33:20,21 / 49:618 / 51:3-8 / 52:1,2,7,8,10,15 / 54:1-5,11-14 / 55:5,10-13 / 60:1-9,19,20 / 61:1-11 / 62:2,3,12 / 65:18,19,23-25 / 66:17,19,23 / Jer.31:34 / Ezech.17:22-24 / 36:26,29,30,31 / 47:3-12 / Joël 2:26-32 / Amos 9:11,12 / Micha 4:3,4 / 5:2,4,7 / Hab.2:14 / Zef.3:9 / Hag.2:7-9 / Zach.2:10,11 / 6:15 / 8:20-23 de eeuwigheid ervan: Jes.9:7 / 33:20 / Dan.7:14,27 / Mat. 16:18.”

Wat is nu interessant aan zo een lijst Schriftuurplaatsen. Eenvoudigweg dit: wanneer u terwijl u die teksten leest, denkt aan het Koninkrijk Gods in plaats van de kerk (zowel deze uit het Oude als het Nieuwe Verbond) dan zal u bijna zonder aarzeling gewoon kunnen doorlezen. Want de kerk is het Koninkrijk. In die zin citeren we voor u de Katholieke theoloog J.T. Nelis die zegt in, ’Daniël, uit de grondtekst vertaald en uitgelegd’ Romen & Zonen, 1954, blz.40, 41. “Het ingrijpen van God is geheel onverwacht, zoals plotseling, schijnbaar zonder oorzaak, op een berghelling een steen losraakt . De steen, welke uitgroeit tot een berg, is het messiaanse rijk. Vele kerkvaders en exegeten zien in de steen de Messias; teksten als Eph. 2, 20 (Christus de hoeksteen); 1 Kor 3, 11; 10, 4 en Lc 20, 17, waar Jesus Ps 118, 22 (“de steen, welke de bouwlieden verworpen hebben, is tot hoeksteen geworden”) op zich toepast, hadden de weg daartoe geëffend. In ieder geval was de idee Messiassteen het OT niet vreemd (vgl. Is 28, 16), en de schrede van messiaans rijk naar Messias niet wijd, daar volgens oudoosterse opvatting koning en rijk twee nauw verbonden grootheden waren. Wat de vervulling van deze profetie in het christendom betreft, houde men er rekening mee dat eertijds staat en godsdienst één waren en een koning de godheid vertegenwoordigde van het land, waarover hij heerste, zodat er voor een nadenkend Jood, die zich diep bewust was van het universalisme van zijn God, een onverzoenlijke antinomie bestond, niet alleen tussen het Jahwisme en de vreemde naties, daar deze de belichaming van gene waren. Deze tegenstelling werd vanzelfsprekend nog scherper, wanneer die vorsten zich goddelijke attributen gingen toeëigenen of zich aan het uitverkoren volk vergrepen. En het is juist deze usurpatie van het goddelijke, welke in Antiochus IV een toppunt bereikt had en waartegen Daniëls polemiek voornamelijk gericht is, vgl. cp 4 (vooral vs 14. 28v); 5; 6; 7. 21v, 25v; 8, 9vv enz. Het kan

daarom dan ook geen verwondering baren dat de apocalypticus de verbreiding van het Jahwisme over de gehele aarde ziet als de vestiging van een wereldrijk, dat aan alle anderen een einde maakt. Degene die aandachtig het verdere verloop van de geopenbaarde godsdienst en de opkomst van het christendom nagaat en bedenkt dat Jawheh, de God van een onbeduidend volkje uit de oudheid, nog dagelijks in ontelbare kerken over geheel de aarde wordt geprezen in dezelfde gezangen, die eens weerklonken in een tempeltje te Jeruzalem, terwijl de namen van Amon, Assjoer, Mardoek, Zeus, Jupiter niemand meer op de lippen komen en van hun kolossale heiligdommen te Thebe, Ninive, Babel, Baalbek, Athene, Rome ternauwernood nog enige zuilen overeind staan, zal niet alleen het geloof van de oude


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

427

apocalypticus in de bestemming van zijn volk bewonderen, maar ook toegeven dat hij goed gezien heeft .

Wat geeft het dan nog dat er van een letterlijke of liever mechanische vervulling der voorspelling geen sprake is; het wezenlijke is er en dat tegen alle waarschijnlijkheidsberekening in. Bovendien vergete men niet dat de geschiedenis nog niet ten einde is: (...) ” (wij onderstrepen). Handelingen 28:28 Het heil gaat naar de Heidenen.

Wat zij op dat gebied zeggen We citeren P.A. Slagter ’Israël en de Bijbel, januari 1994, blz.4: “In deze 2000-jarige ’tussentijd’ is God bezig met de uitvoering van een bijzondere fase in Zijn Plan: de uitroeping van de Gemeente, het Lichaam van Christus. Paulus spreekt in dit verband over “de bediening (Grieks: oikonomia = huishouding, bedeling) van het geheimenis (...) dat van eeuwen her verborgen is gebleven in God, de Schepper van alle dingen” (Efe.3:9). Na de verwoesting van Jeruzalem is Israël in de grote Diaspora (verstrooiing) terechtgekomen, onder de volken. Paulus verklaarde in Hand.28:28, dat het heil tot de heidenen gezonden is. Er kwam een einde aan het nationale bestaan van Israël. Het volk werd terzijde gezet (let op: niet verstoten!), en God is nu bezig met de bouw van een “woonstede Gods in de Geest” (Efe.2:22), de Gemeente van Christus.”

Wat wij op dat gebied zeggen In de ’New Scofield Reference Bible’ pagina 70 van de concordantie achteraan lezen we bij “gentiles” o.a. het volgende: “Heidenen, hun bekering was voorzegd: Jes.42:1 / 49:6 (Mat.12:18; Luc.2:32; Hand.13:47) / Mal.1:11.”

Vanuit die opmerking enkele aantekeningen. Men zegt in de kringen van Bullinger dat Hand.28:28 de afsluiting is van de periode dat God zich in het bijzonder bezighoudt met Israël. Men wachtte met spanning op de Wederkomst van de Heer en die kwam maar niet. Maar kort na het jaar 60 zou Paulus begonnen zijn een ander evangelie te prediken dat zich niet richt tot de aardse vervullingen, maar waar verwachtingspatronen beschreven zijn die een hemelse hoop inhouden. De tekst uit Handelingen zou dit gedachtegoed ondersteunen en Paulus zou dat uitwerken in zijn gevangenisbrieven Epheze, Phillipenzen, Collosenzen. In de Handelingentijd was er geen echte structuur terwijl vanaf het jaar 60 Paulus de nadruk legt op verhoudingen van een organisatorische aard. En zou nu niet meer over aardse zegeningen gesproken worden maar over de hemelse (boven-hemelse) en dat was het enige dat de mensen vanaf dat moment konden verwachten. Zie bijvoorbeeld de brochure van S. van Mierlo, ’Het Christendom gedurende de eerste eeuwen’, privaat uitgave 1959, blz.4-12. Ofwel de brochure van G.J. Pauptit ’De Drie sferen van zegening’, Uitgeverij Uit de Schriften’, 1954. Er is echter een andere Schriftuurplaats die ongeveer hetzelfde zegt zoals dit gedeelte. We lezen namelijk in Hand.13:46: “Maar Paulus en Barnabbas zeiden vrijmoedig: Het was nodig, dat eerst tot u het woord Gods werd gesproken, doch nu gij het verstoot en u het eeuwige leven


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

428

niet waardig keurt, zie nu wenden wij ons tot de heidenen.” Hierop citeert Lukas een profetie over de heidenen uit het OT die in vervulling gaat nl. Jes.42:6 en 49:6. Waarop volgt: “Toen nu de heidenen dit hoorden verblijdden zij zich en verheerlijkten het woord des Heren; en allen, die bestemd waren ten eeuwigen leven, kwamen tot geloof.” Men moet de beide teksten op dezelfde wijze verklaren; daar waar er Joden zijn hebben ze als kinderen van het Oude Verbond het voorrecht om het eerst te horen dat de Messias is gekomen. Luisteren ze niet en verwerpen ze hem, dan gaan ze over tot het tweede deel van hun opdracht (want het goede nieuws moet aan alle mensen gepredikt worden!) en wenden zich tot de heidenen. God is tenslotte “God der ganse aarde” en dus ook van de heidenen (Jes.54:5 / Hand.10:34,35 / 11:18). Niet uit eigen overtuiging doen ze dat, maar vanuit het bevel dat ze van de Heer ontvangen hebben (Mat.28:18-20). En nog enkele andere teksten in dit verband; • Hand.14:1: In de synagoge van Ikonium komen zowel Joden als Heidenen (waarschijnlijk Joodse proselieten) tot geloof. • Hand.18:6: In Macedonië verzetten de Joden zich tegen het geloof in Jezus, daarom gaat Paulus “voortaan” (vanaf dat ogenblik) tot de Heidenen. • Hand.18:19:In Epheze preekt Paulus in de synagoge, men verzoekt hem te blijven, maar hij moet verder reizen naar Caesarea. De slotbeschouwing mag dus niet zijn dat Paulus - of iemand anders in die tijd - recht heeft dan een ander evangelie te prediken. Er is maar één soort evangelie; hetzelfde dat geldend is voor natuurlijke Joden, maar ook alle soorten heidenen. De gevangenisbrieven leren géén nieuw evangelie, géén nieuwe hoop voor de mensen (hemelse zegt men dan). De brief aan de Ephesiërs spreekt niet over een nieuwe vorm van redding van de heidenen maar spreekt nog over dezelfde hoop die Cornelius 25 jaar voordien hoorde van Petrus. En dat is ook duidelijk uit Rom.16:25,26. Er staat op die plaats dat: “de openbaring van het geheimenis, eeuwenlang verzwegen” is, “maar thans geopenbaard en door profetische Schriften volgens bevel van de eeuwigen God tot bewerking van gehoorzaamheid des geloofs bekend gemaakt onder ALLE VOLKEN.” Met ander woorden Paulus preekte “het geheimenis”, geruime tijd vóórdat hij in gevangenschap gaat naar Rome. En daar verkondigde hij verbaal en in geschriften nog dezelfde boodschap, dat alle volken inclusief Joden tot bekering moeten komen. Hij en zijn discipelen daar ter plaatse in Rome, hebben géén nieuwe evangelische waarheid door God (Christus) ontvangen en opdracht gekregen ze te prediken.

Hoofdstuk 5 Over het Oordeel Inleiding


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

Uit het Liedboek der kerken 278 Dies irae, dies illa 1 Dag des oordeels, dag des Heren Alles zal tot as verteren, zoals de profeten leren. 2 Dag van schrik die aan zal breken als de Rechter recht zal spreken en het kwaad op aarde wreken. 3 De bazuinen zullen schallen door het dodenrijk en allen voor de troon terneer doen vallen. 4 Dood en schepping zullen beven als de mens verrijst ten leven, als hij rekenschap moet geven. 12 Schuldig ben ik aan het kwade rood van schaamte om mijn daden. God, ik smeek U, schenk genade. 15 Wil mij met uw schapen weiden, en mij van de bokken scheiden, mij ter rechterzijde stellen. 17 Hoor ik roep in angstig klagen, t’hart verbrijzeld en verslagen, red mij op die dag der dagen. Vert. J.W. Schulte Nordholt.

Wat zij op dat gebied zeggen

429


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

430

In ’Het Zoeklicht’ 25 juli 1998, blz.20,22 zegt Theo Niemeijer: “Het is heel belangrijk om de bijbelse lijnen, die we in Gods Woord tegenkomen weten te onderscheiden. Zo lezen we in de Bijbel over drie ’groepen’: de Gemeente, de Joden en de ongelovige volkeren (1 Corinthiërs 10:32). Met elk van deze drie heeft de Here God een eigen plan, dat we onderling niet moeten verwisselen. De Here Jezus komt voor de Gemeente terug als ’Verlosser’ (Hoofd van het lichaam, bruidegom van de bruid, Herder van de schapen, enz.). Hij komt voor Israël terug als de ’Koning der Joden’ om zijn volk van de vijanden te verlossen en zijn Vrederijk in Jeruzalem te stichten. Voor de ongelovige volkeren komt Hij terug als de ’Rechter’ om de ongelovigen te oordelen. We hebben dan ook te maken met drie verschillende tronen: de ’Rechterstoel van Christus’ (2 Corinthiërs 5:10), waar Hij de Gemeente beoordeelt, de ’Troon zijner heerlijkheid’ (Mattheüs 25:31), waarop Hij met al de tegenstanders van zijn volk Israël afrekent en tenslotte de ’Grote witte Troon’ (Openbaring 20:11), waar Hij op grond van het in Boeken geschrevene de ongelovigen voor eeuwig zal veroordelen. De onnauwkeurige bijbellezer zegt, dat het hier om één en dezelfde troon en hetzelfde oordeel gaat, terwijl een eenvoudige vergelijking van deze oordelen met elkaar duidelijk maakt, dat het hier om drie verschillende gebeurtenissen gaat! Zo wordt ons duidelijk, dat er in Mattheüs 24 helemaal niet over de toekomst van de Gemeente gesproken wordt, maar over de toekomst van Israël en de, daaraan verbonden, toekomst voor de wereld. Vanuit vers 3 wordt ons duidelijk, dat de Here Jezus in deze eindtijdsrede antwoord geeft op een drievoudige vraag: 1. Wanneer zal de tempel verwoest worden? 2. Wat is het teken van zijn (weder)komst? 3. Wat is het teken van de voleinding der wereld? Deze drie vragen beantwoordt de Here Jezus in Mattheüs 24. U begrijpt dan ook wel, dat er in dit hoofdstuk niet over de Opname van de Gemeente gesproken wordt (...) Het ’Evangelie van het Koninkrijk’ is dan ook niet hetzelfde Evangelie van genade, dat nu door de Gemeente gepredikt wordt ! Met het ’Evangelie van het Koninkrijk’ wordt in dit vers gedoeld op de wereldwijde bekendmaking van de heerschappij van de Here Jezus als Koning vanuit Jeruzalem. De Joden zullen dan het grote zendingsvolk zijn, dat de heerschappij van hun Messias wereldwijd bekend zal maken. Als dat volbracht is en iedereen op aarde weet, dat de Here Jezus als de Vredevorst in Jeruzalem is en alle knie zich voor Hem zal buigen, zal het einde komen. Met dit einde wordt niet de wederkomst van Christus bedoeld, die vond nl. al 1000 jaar eerder plaats, ook niet de Opname van de Gemeente want die vond voor zijn wederkomst op aarde plaats. Nee, met dit ’einde’ wordt het in 2 Petrus 3:10 beschrevene bedoeld: het vergaan van de hemelen en de aarde, waarna er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zullen zijn!” (wij onderstrepen).

We lezen hierover als volgt in ’Het Zoeklicht’ van 27 juli, 1996, blz.12: “eerder hebben we gesproken over drie oordelen of gerichten. Het eerste oordeel geschiedt straks op aarde, als de troon der heerlijkheid zal worden opgesteld in het dal van Josafat en de volkeren geoordeeld zullen worden ten aanzien van hun houding tegen het volk Israël. We kunnen daartoe lezen Matth. 25 v.a. vs. 32 en Joël 2 vanaf vs. 1. Op deze laatste plaats lezen we hoe God zegt: “Ik zal alle volken verzamelen en afvoeren naar het dal van Josafat, en ik zal aldaar met hen in gericht treden ter oorzake van mijn erfdeel Israël, dat zij onder de volken verstrooid hebben, terwijl zij mijn land verdeelden.” Een oordeel over de volken als geheel. Het tweede gericht waar we eveneens eerder over hebben geschreven betreft de Gemeente, die dan opgenomen is tot de Here. 2 Cor. 5 zegt ons dat wij daar voor de rechterstoel van Christus gesteld zullen worden, want Christus Jezus heeft voor eens en altijd het oordeel gedragen aan het kruis van Golgotha, voor allen die in Zijn Naam geloven. We zullen echter wel beoordeeld worden. De Bijbel zegt daarvan: “Opdat een ieder wegdrage wat hij in zijn lichaam verricht heeft, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.” We denken daarbij ook aan 1 Cor. 3 waar de apostel schrijft over het bouwen op het


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

431

Fundament. Het Fundament is Christus waarom wij ons leven hebben ingericht. Maar hoe is het verder gegaan? Brengen wij iets mee of worden wij behouden als door vuur heen? Dit is het tweede gericht. Het derde is het laatste. Het laatste oordeel. Dat laatste oordeel heeft altijd zeer tot de verbeelding van de mensen gesproken. Het heeft schilders en dichters geïnspireerd tot het maken van ware kunstwerken. Maar wie zal werkelijk in dit aardse bestaan kunnen overzien hoe dat laatste oordeel zijn zal? Dan zijn de duivel en zijn demonen voor eeuwig onschadelijk gemaakt. Zij kunnen de mensen niet meer verleiden. Dan is er voor de mens ook niets meer om zich achter te verschuilen. Nu gaat ook duidelijk worden hoe diep de zonde in het hart van de mens zelf zit. Niet alleen de mens, maar de ganse schepping is door de zonde aangetast. Nu moet alles weer tot herstel gebracht worden. Dat, wat zelfs in de harten van veel ongelovige mensen bewust of onbewust aanwezig is, gaat dan gebeuren. De aarde zal vergaan” (wij onderstrepen).

Wat wij op dat gebied zeggen In de 100 volgende bladzijden trachten we een zo volledig mogelijk beeld te schetsen van de komende oordeelsdag en wat er aan voorafgaat. Wij geloven persoonlijk dat men niet de werkelijkheid van het oordeel moet omzeilen met de eenvoudige bewering - zoals door enkele theologen word gedaan - er is voor elk individu een persoonlijk oordeel met zijn dood. Dat leert de Bijbel niet. De leer van het individuele oordeel bij de dood, is vanuit de Grieks/Romeinse gedachte van de onsterfelijke ziel voor het eerst geleerd in enkele apocriefe geschriften. Zo o.a. in Enoch 108 en 4 Maccabeën. Ook Philo, de Jood van Alexandrië was die mening toegedaan. Maar deze leer is niet de leer van de meeste Kerkvaders. Het individuele oordeel na de dood is in de Roomse Kerk slechts als dogma vastgelegd op het concilie van Lyon in 1274 en later bevestigt in Firenze (1428-1439). Wie wat over de Kerkvaders opzoekt in dit verband (bijvoorbeeld met Leroy Froom, ’The condionalist faith of our Fathers, 2 delen’, Advent Kerk) zal tot de vaststelling komen dat het slechts in de 4de eeuw is dat men leert dat met de dood ook het individuele oordeel al wordt uitgesproken. Het is slechts vanaf Eusebius van Caesarea dat de leer enige substantie krijgt. En zelfs bij hem is niet de Schrift het hoofdargument van zijn stelling, maar de leer van Platon over de onsterfelijke ziel. Ziet o.a. naar de Griekse Patrologie van Migne XXI, C. 935-938 en 943-948 / ook XII, 6, C. 957-964 en XIII, 16, C. 1147-1154. En het duidelijkst in Prep. Evang. XI, 35,38. Voor wat we zelf geloven over onsterfelijkheid en andere begrippen zie onze ’Bijbelse aantekeningen over leven, dood en opstanding’. Er komt dus een oordeel over alle mensen en ook de (afgevallen) engelen (1 Cor.6:3 / 2 Pet.2:4 / Judas 6). Het is een universeel beoordelen van de zonde in mensen en demonen (Pred.3:17 / 12:16 / Rom.2:5-8). Het is een oordeel over: a) Handelingen Pred.12:16 b) Woorden Mat.12:36,37 c) Gedachten 1 Cor.4:5 / Heb.4:12 Dat oordeel zullen we trachten te beschrijven en enkele aspecten ervan belichten. Een eerste vraag waar we moeten op antwoorden is deze: waarom zal God in de toekomst mensen ten oordeel roepen en ook daadwerkelijk veroordelen. Want is God niet het summum van


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

432

liefde? Wij citeren iets dat we ten volle beamen. Uit B. Wentsel, ’Het gericht en de gerichtsbeleving’, Buijten & Schipperheijn, Amsterdam, 1967, blz.17, 18: “In strijd met de liefde Gods? De vraag of de hel als definitief gericht in strijd is met de liefde Gods, wordt vaak gesteld. Heeft God een welbehagen in de definitieve ondergang van de goddelozen? Geantwoord dient te worden dat God en het geluk bij elkander horen en God geen welbehagen heeft in de dood van een zondaar. ’Zeg tot hen: zowaar Ik leef, luidt het woord van de Here HERE, Ik heb geen behagen in de dood van de goddeloze, maar veeleer daarin, dat de goddeloze zich bekeert van zijn weg en leeft. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen. Want waarom zoudt gij sterven, huis Israëls?’ (Ez.33:11). De prediking van het gericht is daarom ten diepste een oproep om te leven. In de oude christelijke kerk namen Clemens van Alexandrië en Origenes het op voor de redding van alle mensen. ’Origenes heeft krachtig het absoluut karakter van de algemene heilswil van God verdedigd. Wat ze ook doen, alle mensen zullen ten slotte gered worden; alle opstand zal tot vrede komen; alle trots zal zich buigen; allen zullen op slot van rekening en na een loutering die ze om hun fouten ondergaan moesten, het heil en de zaligheid ontvangen’. (...) Maar dit universalisme van de zaligheid voor allen vindt geen steun in de bijbel en komt veeleer voort uit de behoefte van de mens zich een God te vormen, die beantwoordt aan de eigen voorstellingen van de mens en de behoefte aan een happy end. Wie de hel ontkent, construeert zich een God naar zijn zondige voorstellingen. De liefde Gods is zeer groot. ’Wie niet liefheeft, kent God niet, want God is liefde’ (1 Joh.4:8). Wie aan de liefde Gods in Christus voorbijgaat, blijft in zijn zonde in deze tijd en in de eeuwigheid. Daarom is niet God, maar de zondige mens het diepste probleem van de hel. En waar de huidige mens de zonde ontkent en de strafbaarheid en verdoemelijkheid niet meer accepteert, daar kan hij ook niet meer het bestaan van de eeuwige straf aanvaarden. Daarom komt de vraag: is de hel bestaanbaar met Gods liefde? neer op de vraag: is de mens zondaar en strafwaardig? Het is de zondige mens die God ter verantwoording wil roepen, terwijl juist de heilige God de zondige mens ter verantwoording roept. Wanneer velen in de 20e eeuw moeite hebben om het bestaan van de hel te rijmen met de liefde van God, is dit weliswaar begrijpelijk omdat geen probleem zo aangrijpend is als dit. Maar dezulken gaan ook voorbij aan de aangrijpende werkelijkheid van de vervloeking van de zoon van God aan het kruis, waarin de liefde Gods en de rechtvaardigheid Gods beide een volkomen eenheid vormen. Alléén in de weg van de voldoening aan het straffende en eisende recht van God door de zoon van God is de verzoening met God verworven. En vanuit het kruis van Christus, waarin de liefde en de rechtvaardigheid Gods een eenheid vormen, kan de vraag naar de realiteit van de hel in verband met de liefde Gods op de juiste wijze gesteld worden (...). En om deze reden is de opgave van de getuigende kerk niet om het gerichtshandelen Gods in de eindtijd te verzwijgen, maar vanuit het kruis de mensheid op te roepen de liefde Gods in het heden te aanvaarden opdat men niet verloren ga, maar het eeuwige leven verwerve! ’Daar wij dan weten, hoe zeer de Here te vrezen is, trachten wij de mensen te overtuigen’ (2 Cor.5:11). ’Want de liefde van Christus dringt ons, daar wij tot het inzicht gekomen zijn, dat één voor allen gestorven is’ (14,15a). Het motief van de toorn en van de liefde vormen voor Paulus een duidelijke eenheid in de evangelieverkondiging (...)” (wij onderstrepen).

Bij de komst van de Heer (aanwezigheid = parousia) zal datgene werkelijkheid worden waar de kerk al eeuwen naar uitziet: in alle opzichten bij Hem zijn! Nadat allen de roep horen en zullen uitgaan (Joh.5:28,29) uit de graven zal de gemeente eeuwig bij de Heer zijn en alle ongelovigen en opstandelingen verbannen naar Gehenna. Hier nog duizend jaren willen tussenbrengen is ingaan tegen wat in deze tekst staat. M. Bolkenstein zegt in zijn ’De brieven aan de Tessalonicenzen’,


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

433

Callenbach, 1970, blz.127 in dit verband: “De opgewekten en de levenden worden samen de Heer tegemoet gevoerd in de lucht. Dat heeft echter niet de bedoeling, in de lucht te blijven. De Heer is onderweg, in het luchtruim. Hij begeeft zich naar de aarde? De gemeente ontmoet Hem in de lucht. Ze zal straks met Hem zijn - op de aarde. Niet: in de hemel. Maar: op de aarde. Het “met de Heer” zijn houdt het delen in zijn verheerlijking in, het deelhebben aan zijn rijk (I Kor.15: 23-26;Rom.5:17;8:17). Daarin komt de geschiedenis tot haar verlossing, tot haar zin.”

Matthéüs 3:12. Het laatste oordeel.

Wat zij op dat gebied zeggen J. Schouten spreekt over oordelen (meervoud) in, ’Het Zoeklicht’, 27 juli 1996, blz.12 als volgt: “Duizend jaar duurt het rijk van de vrede en gerechtigheid. Duizend jaar de heerschappij van de rechtvaardige Koning, die vanuit Jeruzalem regeert. Duizend jaar waarin mens en dier in ongestoorde vrede mogen leven. Duizend jaar waarin de mens kan leren om de heilige God te gehoorzamen. Zal dat ook gebeuren? (...) Dat wordt het laatste oordeel. In eerder verschenen artikelen hebben we gesproken over drie oordelen of gerichten. Het eerste oordeel geschiedt straks op deze aarde, als de troon der heerlijkheid zal worden opgesteld in het dal van Josafat en de volkeren geoordeeld zullen worden ten aanzien van hun houding tegen het volk Israël. We kunnen daartoe lezen Matth. 25 v.a. vs. 32 en Joël 2 vanaf vs. 1. Op deze laatste plaats lezen we hoe God zegt: “Ik zal alle volken verzamelen en afvoeren naar het dal van Josafat, en ik zal aldaar met hen in gericht treden ter oorzake van mijn erfdeel Israël, dat zij onder de volken verstrooid hebben, terwijl zij mijn land verdeelden.” Een oordeel over de volken als geheel. Het tweede gericht waar we eveneens eerder over hebben geschreven betreft de Gemeente, die dan opgenomen is tot de Here. 2 Cor. 5 zegt ons dat wij daar voor de rechterstoel van Christus gesteld zullen worden. Niet om veroordeeld te worden, want Christus Jezus heeft voor eens en altijd het oordeel gedragen aan het kruis van Golgotha, voor allen die in Zijn Naam geloven. We zullen echter wel beoordeeld worden. De Bijbel zegt daarvan: “Opdat een ieder wegdrage wat hij in zijn lichaam verricht heeft, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.” We denken daarbij ook aan 1 Cor. 3 waar de apostel schrijft over het bouwen op het Fundament. Het Fundament is Christus waarop wij ons leven hebben ingericht. Maar hoe is het verder gegaan? Brengen wij iets mee of worden we behouden als door vuur heen? Dit is het tweede gericht. Het derde is het laatste. Het laatste oordeel.”

Wat wij op dat gebied zeggen De laatste profeet uit het Oude Verbond spreekt in Mat.3:12 over de Messias, de eerste profeet van het Nieuwe Verbond. Hij zal dan, illustratief gesproken, de dorsvloer scheiden: het koren aan de ene kant zal opgeborgen worden en het kaf aan de andere kant zal Hij verbranden. Men zou geneigd zijn hier slechts te denken aan het oordeel over Israël. Dan zou het tijdelijke oordeel in het jaar 70 NC, de vernietiging van Tempel en “moord” op het Joodse volk (één miljoen volgens Josephus), aan de orde zijn.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

434

Maar gezien het beeld dat Johannes de Doper gebruikt, toch veel gelijkenis vertoond met twee gelijkaardige in het boek Openbaring, is het veeleer het “laatste oordeel” dat hier voorzegd wordt. Er zijn volgens het laatste Bijbelboek “overwinnaars” maar ook verliezers (Opb.15:1-4 / 19:621). Die worden in één allesomvattend oordeel geoordeeld. Vergeten we de gelijkenissen uit Mat.13:24-30 en 36-43 van de Heer niet in dit verband. Wie en wat veroordeeld wordt met “onuitblusbaar vuur” (voor eeuwig!) trachten we in de volgende tabel aan te geven. 1°) Valse apostelen 2 Cor.11:13 vb. Rom.16:18 / 1 Tim.6:5 2°) Vals bidden Mat.6:5 vb.voor nationale of financiële zekerheid Opb.16:13,14 of vleselijk begeren Jac.4:3 3°) Valse christenen Gal.2:3,4 vb. Here, Here zeggen is niet genoeg Mat.7:21-23 4°) Valse dienaren 2 Cor.11:14,15 vb. Bar Jezus (Elymas) uit Hand.13:6-12 5°) Valse geboden Tit.1:13,14 vb. dat men zichzelf mag volgen of naar het vlees handelen Gal.3:3 / 5:16-18 6°) Valse gezanten Gal.1:8,9 vb. moeten de geesten beproeven 1 Joh.4:1 7°) Vals goed nieuws (evangelie) Gal.1:6,7 vb. dat men zichzelf wel zal redden Eph.2:8,9 / Tit.2:11 8°) Valse leerstellingen Heb.13:9 vb. vervloekt wie nu nog de wet van Mozes predikt Gal.3:10,21. Men mag niets toevoegen aan Gods woord of erin schrappen Opb.22:18,19 9°) Valse messiassen Mat.24:4,5,24 vb. Hand.5:36,37 10°) Valse profeten 1 Joh.4:1 vb. profetes Jezebel uit Thyatira Opb.2:20 11°) Valse religie Jac.1:26 vb. dat de mens goed zou zijn Mat.12:34,35 12°) Valse religieuze leraars 2 Pet.2:1 vb. die de Heer belijden maar niet handelen naar Zijn woorden Tit.1:16 13°) Valse wetenschap 1 Tim.6:20 vb. want wereldse wijsheid telt niet voor God 1 Cor.3:19 14°) Valse werkers van wonderen 2 Thes.2:7-12 vb. Mat.24:24 / Opb.13:13 Wanneer Johannes over Jezus zegt dat de dorsvloer opgekuist wordt en kaf van koren gescheiden dan is het duidelijk in éénmaal en op hetzelfde tijdstip. Het éne kan toch niet zonder het andere geschieden. Niet over een periode van maanden of jaren, maar één éénmalige oogst.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

435

Dezelfde volgorde, van prediking tot bekering en daaropvolgend het oordeel, vinden we steeds terug in de prediking van Jezus. Er is een “tegenwoordige eeuw” waar mensen die zich bekeren een belofte krijgen voor de “toekomende eeuw” (Mat.13:32 / Marc.10:30). En die “tegenwoordige eeuw” zal abrupt worden afgebroken om over te gaan in de “toekomende eeuw” (Mat.13:37-43,47-50 / Marc.13:26,27). Voor Johannes de Doper en Jezus van Nazareth is de volgorde van de wereldgebeurtenissen de volgende; * laatste dagen * (weder)komst van de Messias * gericht * toekomstig eeuwig rijk. Geen van beiden heeft de volgorde van dezen die nog een extra duizendjarige regering toevoegen en het volgende schema aanhouden: * laatste dagen * (on)zichtbare Wederkomst (al naar gelang de schrijver) * gedeeltelijk oordeel * aanvang van een duizendjarige regering, waarin herstel van het volk Israël en de tempel * laatste oordeel * eeuwig koninkrijk. Dit laatste leren we duidelijk niet bij Johannes de Doper en Jezus. En toch is de éne de belangrijkste profeet van het Oude Verbond en de ander de belangrijkste van het Nieuwe Verbond. Dit moet verdedigers van de duizendjarige regering toch tot nadenken stemmen: Johannes de Doper en Jezus van Nazareth leren niets over een letterlijk duizendjarig toekomstig rijk. Tussen “deze tijd” en de “toekomende eeuw” is er géén tijd méér tussen te voegen. Daar kan géén duizendjarige regering ingelast worden (Marc.10:30 / 12:45). Déze “eeuw” komt aan zijn “einde” en wordt dan opgevolgd door de “eeuwigheid” (Mat.24:14 / 28:18-20 / Marc.16:15,16).

Een Joodse visie ’The Encyclopedia of the Jewish Religion’, edit. R. Werblowsky en G. Wigoder, Phoenix house, London, 1967, zegt op blz.289 over de wereld van nu en de wereld van de toekomst het volgende. “Olam ha - zeh” en “Olam ha - ba” (Hebr. “deze wereld”: Eschatologische begrippen die ontstaan zijn gedurende de periode van de tweede tempel. In den beginne beschreef het woord olam dat wat tijdelijk was (eeuw) en niet zozeer het ruimtelijke (wereld). Beide termen beschreven respectievelijk de tegenwoordige eeuw met al zijn tekortkomingen en miseries, en de toekomende eeuw van de Messias (dikwijls geïdentificeerd met het Koninkrijk van God). Men geloofde dat zekere grote catastrofen (zoals de dag van het Oordeel en de Opstanding) de Olam ha - zeh zou afsluiten en overgaan in de Olam ha - ba. Het begrip Olam ha - ba is dus verschillend van dat van Hemel of Paradijs, dat het verblijf is van de zielen die ons verlaten hebben en die wachten op het aanbreken van de komende eeuw. Maar dat onderscheid werd niet altijd gemaakt in latere geschriften en veel Rabbijnse uitspraken over de komende staat van de wereld werden verstaan als met betrekking tot de komende wereld; bijvoorbeeld het hemelse rijk van de gelukzalige zielen. Zo o.a. de verklaring in Ber. 17a “De komende wereld is niet zoals deze wereld. In de


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

436

komende wereld is er geen eten en drinken of het voortgaan van het bedrijfsleven, van jaloezie of haat of tweedracht, maar de rechtvaardigen zitten op tronen met kronen op het hoofd en verlustigen zich in de glans van de Goddelijke Aanwezigheid.” (Vergelijk dit met Opb.20 tot 22.)

Tot slot een Katholieke visie J. Nelis een Rooms katholieke theoloog geeft als definitie van het begrip eschatologie het volgende in ’Bijbels Woordenboek’, Romen & Zonen, edit. A. van den Born, 1966-1969, kol.378. “In de bijbelse theologie bedoelt men met de term eschatologie de leer van de H. Schrift omtrent de laatste dingen. Er bestaat echter geen eenstemmigheid over de omvang van deze term. Terwijl velen menen dat men tot de bijbelse eschatologie zowel de opvattingen omtrent het definitieve lot van het individu als die omtrent het einde van de wereld heeft te rekenen, beperken Gressmann, Volz, Hölscher, Lindblom e.a. de term tot het complex van ideeën die betrekking hebben op het einde en de vernieuwing van de wereld. Daar de bijbel echter in tal van gevallen (Nm 23,10; Ps 49,14; 73,17; Job 8,7; Jr 17,11 enz...) ook voor de eindbestemming van het individu de term ’uiterste’ (hebr. ’aharit’, in de LXX dikwijls door eschata weergegeven) bezigt, is de eerste opvatting gerechtvaardigd. - Naast de individuele eschatologie, die in wezen handelt over het leven na de dood van het individu (...) kent men een nationale eschatologie die zich bezig houdt met de toekomst van het uitverkoren volk, en een universele eschatologie, die het definitieve lot van geheel de mensheid binnen haar gezichtskring betrekt. Waar het definitieve, toekomstige heil naar een bovenaardse sfeer wordt verplaatst, heeft men te doen met transcendentele eschatologie. Naar de mate waarin de toekomstbeschouwingen definitief zijn kan men in de nationale en universele eschatologie onderscheiden tussen eschatologie in strikte en ruimere zin. Kenmerkend voor de eschatologie in strikte zin, door velen (Wellhausen, Dihm, Volz, Hölscher, Mowinckel, Fohrer enz) eschatologie zonder meer genoemd, is de dualistische opvatting van de wereldgeschiedenis; de eigenlijke eschatologie handelt over het einde van de huidige aeon, dat de nieuwe en eeuwige heilstijd inluidt, die een totale omvorming en verheffing van de gehele kosmos betekent, waaruit elke vorm van kwaad, lijden of vergankelijkheid wordt verbannen.”

Matthéüs 7:22. Die dag (van het oordeel).

Wat zij op dat gebied zeggen In ’Het Zoeklicht’, 20 maart 1999, blz.17 lezen we: “Voorboden van de eindtijd. Dit is nog niet de ’eindtijd’. De laatste zeven jaar van de antichrist, de periode die beschreven wordt in Openbaring 6-19, dat is de ’eindtijd’. We zien wel de duidelijke ’tekens’ van die ’eindtijd’. Tekens waarvan de Here Jezus gezegd heeft dat we daar goed op moeten letten. De drie belangrijkste ’tekens’ zijn: 1. De versnelde verkondiging van het Evangelie. In Zijn rede over de eindtijd zegt de Heer hierover: ’En aan alle volken moet eerst het Evangelie verkondigd worden’ (Marcus 13:10). Dat gebeurt nu in een zeer snel tempo, want in Psalm 147:15 lezen we: ’Hij zendt Zijn bevel op aarde; zijn woord loopt zeer snel’. Zijn bevel is: ’Geloof in de Here Jezus Christus’ en Zijn Woord voor de volken is het Evangelie! De gemeente van Christus hoort hier alle aandacht aan te geven. Evangelieverkondiging, zending als eerste prioriteit voor de Gemeente! 2. De toename van ’oorlogen’ en natuurrampen. Een aarde vol geweldenarij. Over dit ’teken van de eindtijd’ hebben we hierboven iets geschreven.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

437

3. De voortgaande ontwikkeling van Gods machtige Herstelplan voor Israël, Zijn uitverkoren volk. Het hoort tot de opdracht van ons blad om juist hier voortdurend aandacht aan te geven. En het hoort bij uw en onze opdracht om voor de ’Vrede van Jeruzalem te bidden’.”

Ds. J. Schouten zegt in ’Het Zoeklicht’, 16 mei 1998, blz.8: “De Bijbel leert ons dat er drie gerichten, drie oordelen, zijn. Het eerste dat gaat komen hebben we beschreven in het vorige nummer van ons blad. Het gaat om de openbaarmaking van Gods kinderen voor de rechterstoel van Christus, zoals beschreven in 2 Cor.5 vs. 10 of 1 Cor.3 vs. 10 en ook in onze serie, wat de talenten betreft. Hierbij gaat het voor Gods kinderen niet om het verloren gaan of behouden worden, maar om de vraag hoe we gewerkt hebben met onze door God gegeven talenten; hoe hebben we gebouwd op het enige Fundament dat gelegd is, de Here Jezus Christus. Hebben we met goud, zilver of edelstenen gebouwd, of met hout, hooi en stro? Als het dat laatste is, dan worden we wel behouden, maar als door vuur. Deze beoordeling van Gods kinderen vindt plaats nadat de gemeente is opgenomen in heerlijkheid. Het laatste gericht vinden we beschreven op diverse plaatsen maar waarin dit ons vooral aanspreekt is Openbaring 20 vs. 11 tot 15. Dit is het laatste oordeel dat schrijvers en schilders heeft geïnspireerd tot het maken van indrukwekkende kunstwerken. In dat eindgericht zullen alle doden, klein en groot, komen te staan voor de grote witte troon. Dan zal de rechtvaardigheid van God duidelijk worden voor heel de schepping. Allen van wie de naam niet geschreven is in het boek des levens, zullen worden geworpen in de poel van vuur (...) Het andere oordeel, waar we het in dit artikel over zullen hebben, vindt daar tussen in plaats. Waarschijnlijk kort nadat de gemeente voor de rechterstoel van Christus is gekomen, en zeker duizend jaar, de duizend jaar van het komende Vrederijk, voordat het laatste oordeel daar zal zijn. Dit oordeel, dat gehouden zal worden over de volken van deze wereld, zal plaatsvinden in de grote dag des Heren, die komen zal, aan het einde van de grote verdrukking, aan het einde van de antichristelijke periode en voordat het grote en heerlijke Vrederijk zich zal openbaren.”

Wat wij op dat gebied zeggen Dit is de eerste maal dat in het NT het begrip “dag” gebruikt wordt om te verwijzen naar “de dag” van het oordeel. Dit oordeel geeft aan wat de mens te wachten staat: aanvaarding ófwel verwerping. Voor één groep mensen gaat het Koninkrijk Gods definitief geopend worden, anderen zijn er voor altijd van uitgesloten. De context leert dat duidelijk aan de hand van 3 gelijkenissen: 1°) een brede weg voor goddelozen, een smalle weg voor gelovigen. 2°) goede bomen brengen goede vruchten voort, bomen zonder vruchten zullen uitgehouwen worden. 3°) ook goddelozen hebben werken waarop ze trots zijn, maar de gelovige erft het Koninkrijk Gods niet op basis van zijn werken. De “werkers der wetteloosheid” zullen weg het aangezicht van de Heer Jezus Christus. Uit de woorden van de Heer blijkt dat de uitspraak én de voltrekking van het oordeel op dezelfde dag zijn vastgesteld. We wijzen daarop omdat men langs allerlei omwegen in de wereldgeschiedenis nog een toekomstige duizendjarige regering wil invoeren. Maar een goede studie van het begrip “dag” met betrekking tot het oordeel laat dat niet toe. De onderstaande lijst kan de lezer hierbij helpen. Al de varianten op de term “dag” (16 in totaal) worden er weergegeven. Varianten op het éne thema van het (laatste) oordeel over goddelozen en gelovigen.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

438

1) “De dag” Mat.25:13 / Luc.17:30 / Rom.2:16 / 13:12 / 1 Cor.3:13 / Heb.10:25 / 2 Pet.1:19. 2) “Die dag” Mat.7:22 / 24:36 / 26:29 / Marc.13:32 / 14:25 / Luc.10:12 / 17:31 / 21:34 / 1 Thes.5:4 / 2 Tim.1:12,18 / 4:8. 3) “Zijn dag” Luc.17:24. 4) “De laatste dag” Joh.6:39,40,44,54 / 12:48. 5) “Een dag” Hand.17:31. 6) “De dag van het oordeel” Mat.10:15 / 11:22,24 / 12:36 / 2 Pet.2:9 / 3:7 / 1 Joh.4:17. 7) “De dag des toorns” Rom.2:5 / Opb.6:17. 8) “De dag der verlossing” Eph.4:30. 9) “De dag der bezoeking” 1 Pet.2:12. 10) “De grote dag” Jud.6 / Opb.16:14. 11) “De dag van God” 2 Pet.3:12. 12) “De dag van de Heer” Hand.2:20 / 1 Thes.5:2 / 2 Thes.2:2 / 2 Pet.3:10 (Opb.1:10 is een speciale term en slaat naar alle waarschijnlijkheid op zondag = 1é weekdag, volgens de Joodse regeling). 13) “De dag van onze Heer Jezus Christus” 1 Cor.1:8. 14) “De dag van onze Heer Jezus” 2 Cor.1:14. 15) “De dag van Christus Jezus” (of “Jezus Christus”) Phil.1:6. 16) “De dag van Christus” Phil.1:10 / 2:16. Dezen die geloven in een toekomstige duizendjarige regering zeggen dat de “dag van de Heer” zeven jaar duurt en “de dag van Christus” is de opname der gemeente (vb. ’Het Zoeklicht’ van 7 februari 1998, blz.18). De leerlingen van Darby (De Broeders) leren dat de Heer onzichtbaar wederkomt om zijn gemeente tot zich te nemen, zeven jaar later komt Hij zichtbaar om een duizendjarige regering in te stellen. Zoiets is slechts te begrijpen voor wie het wil aannemen. Vraagt u mij of het hier om een tijdstip gaat van menselijk gesproken “een dag” van 24 uren dan hebben we daar geen echt antwoord op. Persoonlijk denken we dat het slechts een zaak is van (menselijk gesproken): luttele seconden. Want in een “ondeelbaar ogenblik van de tijd” worden alle gelovigen met inbegrip van hen die overleden waren “onvergankelijk” opgewekt (1 Cor.15:51,52). Om alle ongelovigen op te wekken zal God niet veel meer tijd nodig hebben. En in de wijze van hun opwekking staat hun oordeel reeds vast. Zeer algemeen is het de periode van “de tijden en gelegenheden” (Hand.1:7). Maar scherper gesteld gaat het om een “dag en uur” (Mat.24:36 / 25:13). En nog preciezer “een uur” (Mat.24:44). Eén van Gods plagen uit het boek Openbaring is gesteld op “het uur en de dag en de maand en het jaar” (Opb.9:15). En de opstanding uit de doden is bepaald in de “ure” dat de doden de stem van de Heer zullen horen (Joh.5:28,29). Eén dag gezien vanuit één oogpunt! Merkwaardig is dat er in het OT eens de vergelijking gemaakt wordt die hier volgt: “de dag van wraak” = “een jaar van vergelding” (zie


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

439

Jes.34:8 en vergelijk Jes.61:2). Wat wil zeggen dat Gods rekening in verband met tijd anders is dan de tijd die wij gebruiken. Ter illustratie van het feit dat we ons niet moeten vastklampen aan wat voor ons menselijke termen zijn, een gedeelte uit C. Vonk ’De voorzeide leer’, deel Ib, Uitg; Barendrecht, 1963, blz.90, 91: “Men mag toch het spreken en rekenen van ons, levenden, niet tot het enig geoorloofde. We zullen daarmee niet uitkomen. Als we eens bedenken, dat alle mensen eenmaal voor Christus rekenschap zullen moeten afleggen, 2 Cor. 5:10. Als we daarvoor eens aannemen één vraag en één antwoord, die samen 1 minuut zullen duren. Dan zou Christus straks in één eeuw tijds nog maar 100 x 365 x 24 x 60 = slechts even meer dan 52 1/2 millioen mensen kunnen oordelen. Hoe lang zou dan de “dag” des oordeels niet moeten duren? (...) Bijbellezen is niet altijd gemakkelijk. Oorzaak daarvan is natuurlijk niet de bijbel. Want de Schrift is geen klomp duisternis, maar een lamp en een licht. Maar we hebben een zware strijd te voeren tegen de satan, die ons telkens poogt te verblinden. Hij is er o.a. ook de schuld van, dat wij vaak verkeerde ideeën in ons hoofd meebrengen, wanneer wij tot de Heilige Schrift gaan en daarin dingen inlezen, die er heel niet thuishoren. Daarbij komt vanzelfsprekend ook de factor van onkunde. Een mens leert dagelijks. Hij moet ook toenemen in het verstaan van sommige woorden, die in de Schrift vaak voorkomen. Wanneer hij eenmaal in zo’n woord een verkeerde inhoud gelegd heeft, kan hem dat levenslang parten spelen. Door gewenning.”

Het zal u wellicht opvallen dat we in de bovenstaande lijst slechts teksten aanhalen uit het NT. Dat doen we bewust. Het is duidelijk voor wie voorzichtig te werk gaat in de vergelijking teksten van het OT met teksten van het NT dat begrippen niet altijd gelijk zijn. Soms zelfs niet overdraagbaar van het OT naar het NT. Ook in verband met uitdrukkingen als “de dag” of “die dag” en zelfs “de dag des HEREN (YaHWeH)” is niet steeds “de dag van de (weder)komst” aan de orde. Zo kan het betrekking hebben op het oordeel van één van de volkeren uit de oudheid, de dag van het vernietigen óf herstel van Israël na de Babylonische gevangenschap en nog andere zaken. Zie o.a. Jes.20:6 / 22:12,20 / 23:15 / Jer.4:9 / 36:16,17 / 48:41 / 49:22,26 / Ezech.24:26,27 / 45:22 / Hosea 1:5 / Haggaï 2:23 / Zach.11:11. Wanneer er dan al gelijkenis is in woorden of gedachten tussen bijvoorbeeld een deel van Jesaja en het boek Openbaring dan wil dit nog niet zeggen: “dit” = “dat.” Een mooi voorbeeld voor vervulling van een profetie uit het OT is de opmerking van Petrus op Pinksterdag: “Dit is het waarvan gesproken is door den profeet Joël.” Dan volgt het citaat uit Joël 2:28-32 (Hand.2:16-21 en vergelijk Jes.44:3). Zie ook ons commentaar op Hand.2:17. En er zijn nog andere markante voorbeelden. Zo is Ps. 110:1 in het NT, 18 maal (meestal gedeeltelijk) aangehaald en Jes.53:7, 10 maal. We nemen bewust deze twee voorbeelden naast elkaar: Ps.110 = Jezus is koning sinds Pinksteren volgens Hand.2:29-36 en Jes.53:7 spreekt over de dood van de Messias (bijvoorbeeld 1 Pet.2:23 / Opb.5:6,12). Christus is koning sinds Zijn Hemelvaart en regeert. Niet alleen in de hemel over de engelen, maar ook over Zijn kerk hier op aarde. De algemene belofte voor alle volkeren aan Abraham gegeven gaat sinds Pinksteren in vervulling. Want op die dag: “Nu waren er Joden te Jeruzalem woonachtig, vrome mannen uit alle volken onder de hemel (...) En hoe horen we hen dan een ieder in onze eigen taal waarin wij geboren zijn? (...) En ze waren allen buiten zichzelf en geheel met de zaak verlegen; en zij zeiden de een tot de ander: Wat wil dit toch zeggen?” (Hand.2:5,8,12). Het gaat hier over de Joodse proselieten. De Heer “regeert” over dat deel van de gelovigen uit die volkeren vanaf dat


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

440

ogenblik. Vergelijk Gen.13:15 met Gal.3:16 en Gen.12:3 met 1 Cor.12:12,13 en Eph.2:13-16. De Heer heeft voor een ieder de dood gesmaakt en is thans “met heerlijkheid en eer gekroond” (Heb.2:9). Let er op: thans “gekroond”, en niet in een verre toekomst. En zeker vanaf Cornelius is Hij Heer en Koning over de volkeren die Hem hebben aangenomen. (Het belangrijkste in de Nederlandse taal over vervullingen van OT teksten in het NT is nog steeds C. Smits O.F.M., ’Oud Testamentische citaten in het Nieuwe Testament’, Collectania Fransciscana Neerlandica VIII, 4 delen, Uitg. Buscoduci-Malmberg, 1963). Het heil van Gods Gezalfde reikt tot het einde der aarde, over alle volkeren. Zo had Jesaja het voorzegd in Jes.49:6 en zo is het ook in vervulling gegaan sinds de apostelen na een jarenlange prediking tot een niet-luisterende Joodse natie, zich bijna uitsluitend richten tot de volkeren (zie Hand.13:46,47 / 26:22,23). Daarom maakt Paulus ook duidelijk aan de gemeente te Rome (waar het overgrote deel gelovigen uit de volkeren zijn en niet van Joodse herkomst) dat het Messiaanse Koninkrijk aan de gemeente Gods in vervulling is gegaan. En daar drukken we nogmaals op = in vervulling gegaan. Paulus citeert in Rom.15:7-13 een deel van Jesaja 11:10 en dat gedeelte is voor wie in een toekomstige duizendjarige regering geloofd één van zijn bewijsplaatsen. Maar dat gaat reeds in vervulling sinds de apostelen bekeerlingen gemaakt hebben uit de heidenen. In dat citaat worden vier bewijsplaatsen aangegeven door Paulus in de betekenis van “dit” = “dat.” Zie 2 Sam.22:50 / Deut.32:43 / Ps.117:1 en Jes.11:10. Voor het citaat uit het boek Samuël, zie ook nog naar een parallel in Ps.18:49. Vergelijk dit eens Amos 9:11-15 met Hand.15:12-18. De vervallen “hut” van David “is” opgericht en de Opgestane Heer regeert over Zijn volk Israël én over “de heidenen.” Dat staat onverbloemd in vers 17. Of Paulus daar (in vers 12) een verdere uitleg over doet weten we niet, maar voor hem is dit zo. Niet anders, want op basis van deze vervulling beslist de eerste kerksynode op aanraden van Jacobus over de “plichten” van “heidense” volkeren. En Paulus weet waarover hij praat. Hij is door een “openbaring” van de Opgestane Heer aangesteld als de “apostel der heidenen.” Niet door overdenking of vernuftige redenering komt hij tot dat besluit, maar door wat hij weet uit wat de Heer hem heeft “geopenbaard” (Gal.1:8,12,15,16). Want “Simeon heeft uiteengezet, hoe God van meet aan erop bedacht geweest is een volk voor zijn naam uit de heidenen te vergaderen. En hiermede stemmen overeen de woorden der profeten” (Hand.15:14,15a). God heeft de heidenen “hun eigen wegen laten gaan” tot de komst van Zijn Gezalfde, maar daarna niet meer (Hand.14:16). De uitleg van Scofield bij Hand.15 is dus fout (blz.1169,1170). Vóórdat Amos 9:12-15 vervuld zal worden moet er volgens hem een terugkeer plaats vinden van het vleselijke Israël in een duizendjarige regering. Maar daar weten Paulus, Petrus en Jacobus niets over te vertellen in Handelingen 15 en het is dan uiterst merkwaardig dat Scofield zoiets durft leren. En we zeggen nogmaals: “Simeon heeft uiteengezet, hoe God van meet aan erop bedacht geweest is een volk voor zijn naam uit de heidenen te vergaderen. En hiermede stemmen overeen de woorden der profeten” (Hand.15:14, 15a). Er zijn enkele commentators uit de kringen van de verdedigers van de duizendjarige regering die zeggen dat er in het OT bijna nooit of in het geheel géén sprake is van de gemeente van Christus. Over de gemeente zou daar niets gezegd zijn! Wijzen we dan toch op wat Jacobus zegt:


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

441

“hiermede stemmen overeen de woorden der profeten.” Een meervoud. We hebben al tientallen voorbeelden van deze teksten aangegeven en gaan ze dus niet herhalen. Want daar horen alle teksten bij die over een geestelijke Israël spreken in het NT! Laten we er toch op wijzen dat in het NT klaar en duidelijk geleerd wordt dat natuurlijke Joden en natuurlijke Heidenen door geloof in Christus als één volk geworden zijn. Christenen van Joodse of Heidense afkomst zijn mede-erfgenamen en mede-deelgenoten geworden aan het offer van de Heer. Samen hebben ze de “belofte” van de vaderen ontvangen (Gal.3:9 / Eph.3:6 / Hand.2:39 / 13: 32). Beiden zitten ze “tezamen” met Abraham, Izaäk en Jacob in het Koninkrijk van God (Mat.8:11). Het NT geeft dat heil van de volkeren toch aan! Waarom dan blijven negeren dat we rekening moeten houden met deze meerwaarde tegenover het OT. Het Koninkrijk Gods “is” begonnen. En ook het Nieuwe verbond met Israël is met Pinksteren begonnen. Dat is duidelijk wanneer we de oorspronkelijke profetie in Jer.31:31-34 vergelijken met Heb.8:8-13 / 10:15-17 / Mat. 26:28 en Rom.8:4. Het gaat niet meer om “de besnijdenis van het vlees” maar om “de besnijdenis van het hart” (Deut.10:16 / 30:6 / Rom.2:28,29 / 9:6-8). ********* APPENDIX X: De dag des Heren De onderstaande tabel hebben we overgenomen uit twee nummers van ’Middernachts-roep’ (juni en augustus 1999). Deze vergelijking is niet volgens onze opvattingen van de Schrift. We nemen ze over om aan te tonen dat men tot in het extreme en onredelijke gaat zoeken om zijn opvattingen te ondersteunen. We geven enkele opmerkingen hierna. De “Dag van Jezus Christus” en de “Dag des Heren” - een tegenstelling De “Dag van Jezus Christus”

De “Dag des Heren”

1. Verandering van alle gelovigen (1 Cor.15:51)

1. Geen verandering

2. Israël, de volken en de schepping blijven nog onveranderd.

2. Israël wordt geestelijk hersteld, de naties komen tot rust, alle beloften worden vervuld en de schepping wordt veranderd (Ez. 36:26,27 / 37:14 / 36:29 / Zach. 14:9,10 / Jes.65:18-25 / Rom. 8:19-22 / Dan.9:24).

3. Jezus verschijnt als de “Morgenster” (Op.2:28 / 22: 16 / 2 Petr.1:19).

3. De Here verschijnt als de “Zon der gerechtigheid” (Mal.3:20 ofwel 4:2 / Richt.5:31).


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

4. Jezus verschijnt als de Bruidegom, de Heiland en als Hoofd der Gemeente (Eph. 5:25-27 / Fil.3:20).

4. Jezus verschijnt als Bruidegom met de Bruid, als Koning, Messias en Immanuël (Mat.25:6 / Jes.7:14 / 9:5,6 / 11:1,2 / Zach.14:9).

5. De veranderde heiligen worden de hemel binnengehaald. De Here Jezus komt voor de Zijnen (1 Thess. 4:16,17).

5. de veranderde heiligen keren met Jezus op aarde terug. De Here Jezus komt met de Zijnen (Jud.v.14 / 1 Thess.3:13).

6. De aarde wordt nog niet geoordeeld. Het is een dag van troost voor de Gemeente (1 Thess.4:18 / 2 Thess. 2:16).

6. De aarde wordt geoordeeld en gerechtigheid hersteld (Dan.9:24).

7. Het is op handen en kan elk moment plaatsvinden. Het is niet van voortekenen afhankelijk (1 Cor.1:7 / 16: 22 / Phil.3:20 / 4:5 / 1 Thess.1: 10 / Tit.2:13 / Heb.9:28 / Jac. 5:7-9 / Op.3:11 / 22:7 / 12:17, 20).

7. Volgt precies op voorspelde tijden, inclusief de verdrukkingstijd. Bepaalde profetieën moeten eerst nog vervuld worden (Mat.24 / Marc. 13 / Luc.12 / 17 / 21).

8. In het Oude Testament niet voorzegd en was een geheimenis (1 Cor.15:51).

8. Wordt in het Oude Testament dikwijls genoemd en was geen geheimenis (Jes. 2:12 / Joël 2:1,2 / 1 Thess. 5:1).

9. Vindt vóór de “toorn van God” op aarde plaats (1 Thess.1:10 / 5:9).

9. Is de dag van de “toorn van God” en maakt een einde aan deze dag (1 Thess. 5:2-vv / Op.6:17).

10. Betreft slechts de in Jezus gelovende mensen (1 Thess.4:14,16).

10. Betreft alle mensen (Ps.96:13 / Op.3:10).

11. Wij vinden geen heen-

11. Satan wordt voor 1000

442


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

wijzing tot Satan.

jaar gebonden (Op.20:1-3).

12. De Here vertoont zich aan de zijnen in de lucht, voor de wereld blijft Hij onzichtbaar (1 Thess.4: 16,17).

12. De Here komt in grote heerlijkheid zichtbaar op aarde, en elk oog zal Hem zien (Mat.24:30 / Op.1:7).

13. Daarna begint de Grote Verdrukking (Opb.4 / 1 Thess. 5:2,9 / 2 Thess.2).

13. Het duizendjarig Rijk begint, waarbij de verdrukkingstijd de inleiding ertoe is (Opb.19:11-16 / 20:4-6).

443

In de onderstaande tabel geven we enkele korte aantekeningen met betrekking tot de belangrijkste begrippen die naar de dag van het oordeel wijzen. Wie meer wil weten moet natuurlijk de volledige lijst van 16 begrippen nagaan in een concordantie.

De dag Rom.2:16. In één dag oordeelt God alle mensen op basis van het evangelie, en de reactie van mensen daarop, is de basis. 1 Thes.5:4. De (of die) dag zal de gelovigen niet overvallen als een dief, een dag van weeën en verderf over goddelozen, (vers 3) maar gelovigen staan niet onder toorn maar ontvangen zaligheid (vers 9).

Dien dag 2 Thes.1:10. Bij de openbaring (apocalypsis) van Jezus met Zijn engelen (vers 8, en in vers 10 zijn ze heiligen genoemd) oefent Hij straf uit over die Hem ongehoorzaam zijn (vers 8) en de christenvervolgers (vers 6). De vervolgers en de ongehoorzamen worden gestraft. Een schouwspel tot verbazing van de gelovigen.

De dag der verlossing Eph.4:30. Voor de gelovigen want die zijn nu reeds verzegeld door de Heilige Geest.

De dag van Christus


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

444

Phil.1:6. Hier is géén melding van opstanding of oordeel. God is in de gelovigen een werk begonnen dat Hij voortzet tot den dag van Christus Jezus. Phil.1:10. Hier is géén vermelding van opstanding of oordeel. Gelovigen houden zich rein tot den dag van Christus. Phil.2:16. Hier is géén vermelding van opstanding of oordeel. Gelovigen moeten tot den dag van Christus onbesmet blijven (vers 15) en aan het woord des levens vasthouden. “De dag van Christus” heeft dus niets te maken met een nog hypothetische duizendjarige regering.

De openbaring van Christus 1 Cor.1:7. Gelovigen zien uit naar de openbaring van Christus. Hier is géén melding van opstanding of oordeel. Col.3:4. Bij de verschijning van Christus verschijnen wij, de gelovigen, met Hem in heerlijkheid. 2 Thes.1:7. Tijdens de openbaring van Christus is er het oordeel over ongelovigen en ook de verkwikking van de gelovigen.

De dag des Heren Deze teksten zouden volgens de ’Middernachtsroep ’ die we citeerden moeten wijzen naar een toekomstig duizendjarig rijk. Want het is daarover dat het rechtse deel van de tabel verwijst. U zult merken dat deze hierna aangegeven teksten niet met zo een leer kunnen kloppen. 1 Thes.5:2. Het is de dag van de komst als een dief in de nacht om te oordelen, goddelozen zullen niet ontkomen. 2 Thes.2:2. De dag van de komst van Christus. Voorafgaande aan die dag is er een tijd van afval en bedrieglijke wonderen. Wie de waarheid niet geloofd heeft zal geoordeeld worden (vers 12). 1 Cor.1:8. Tot de tijd van de “openbaring” van de Heer, die voor de gelovigen het einde is van hun lijdenstijd, zal de Heer zijn discipelen onberispelijk bewaren. Op de dag van onze Heer vangt een nieuw tijdperk voor hen aan. 1 Cor.5:5. In (op) de dag des Heren worden gelovigen behouden, er is dan een oordeel. 2 Cor.1:14. Het werk dat gedaan wordt in de naam van Jezus, zal indien het een goed werk blijkt te zijn, tot roem van de gelovige blijken te zijn op de dag des Heren.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

445

De parousia van de Heer (of Jezus Christus) 1 Cor.15:23. Bij de parousia staan de ontslapen discipelen van Christus op uit de doden. 1 Thes.2:19. Bij de parousia van de Heer zijn de werken gedaan tot Zijn eer als een erekrans. Maar nu al schijnt het aangezicht van Gods Zoon in onze harten (2 Cor.4:6). Want de gemeente behoort niet tot de duisternis of tot de nacht (1 Thes.5:5). 1 Thes.3:13. Bij de parousia van de Heer met Zijn heiligen zal aan het licht komen dat gelovigen onberispelijk zijn, in genade vergeven en aanvaard als kinderen Gods. 1 Thes.4:15. Met de parousia van de Heer zullen alle gelovigen, de levenden en dezen die ontslapen zijn, in een nieuw lichaam hun Meester ontmoeten. 1 Thes.5:23. De gemeente van de geheiligden zal in alles onberispelijk bevonden worden bij de parousia van de Heer. In de tussentijd verlangt de gelovige bij de Heer te zijn (2 Cor.5:8). Met de Wederkomst zal dit in volle werkelijkheid waar zijn. 2 Thes.2:1. Aan de parousia gaat een tijd vooraf van wetteloosheid. De parousia = de dag des Heren. Hier staat het omgekeerde van de leer van Jehovah’s Getuigen en de Broeders. Niet tijdens de “parousia” (volgens de WT) zijn er toestanden van wetteloosheid maar daaraan voorafgaande (Mat.24:3-31). Niet tijdens de “parousia” (volgens de Broeders) is er een toestand waar de wetteloze heerst maar daaraan voorafgaande. 2 Thes.2:8. De wetteloze zal met de parousia gedood worden. De adem van de Heer zal hem machteloos maken. Tot slot nog een historische opmerking. Wie thuis is in de leer van de bedelingen zal wellicht al gemerkt hebben dat men niet steeds hetzelfde leert of geleerd heeft. Zo begint de “dag van Jehovah” volgens de eerste versie van Scofield met de wederkomst van de Heer in heerlijkheid volgens Mat.24:29,30 (blz.1349). Maar de Revised Scofield (blz.1373) begint de “dag van Jehovah” zeven jaar vroeger, namelijk bij de opname van de Gemeente. En dat merkt men ook nu soms nog. Vergelijk bijvoorbeeld de oudere uitleggers van de bedelingen met de nieuwe uitleggers. Bijvoorbeeld; Gaebelein (‘Harmony of the Prophetic Word’, blz.41), Anderson (‘The coming Prince’ blz.184), Thiessen (‘Will the church pass trough the tribulation?’ blz.39). En dus ook de vraag daarbij gekoppeld; gaat de Kerk de grote verdrukking meemaken of niet? Voor dezen die de bedeling aannemen zijn er vóór- en tegenstanders. Wij echter geloven dat deze “grote verdrukking” al begon na het Pinksterfeest waarbij de Heilige Geest aan de leden van de Kerk is geschonken. Handelingen twee en drie zijn hier duidelijk in. De Heer blijft met zijn gemeente in de verdrukking, en beschermt haar door dik en door dun (Joh.14:10,17 / 15:6,7,9,10). *********


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

446

APPENDIX XI: Parousia en andere moeilijke woorden

Parousia: zal de wereld Christus ooit nog terugzien? over de leer van de Wachttoren We willen in dit gedeelte nagaan in hoeverre de leer van de WT en nog enkele anderen, of het Griekse woord “parousia” een tijdsperiode omschrijft en of dat woord al of niet een onzichtbare tegenwoordigheid kan beduiden. De “anderen”, de volgelingen van Darby, hebben het over een “aanwezigheid” maar ook zij bedoelen te zeggen een, in den beginne, “onzichtbare aanwezigheid.” Vine’s ’Expository Dictionary of Old and New Testament Words’, 1981, deel 1, blz.208,209 zegt over: “PAROUSIA (...) duidt op zowel een aankomst als een daaruit voortvloeiende tegenwoordigheid. Zo spreekt een vooraanstaande vrouw in een (...) papyrusbrief over de noodzaak van haar parousia op een bepaalde plaats om de aangelegenheden in verband met de bezittingen die zij daar heeft, te behartigen (...) Wanneer het (...) gebruikt wordt in verband met de wederkomst van Christus, bij de opname van de Kerk, duidt het niet louter op het moment van Zijn komst voor Zijn heiligen, maar op Zijn tegenwoordigheid bij hen vanaf dat moment tot aan Zijn openbaring en manifestatie aan de wereld.”

Vine geeft dus de indruk dat er tijdens de periode van de komst van de Heer een tegenwoordigheid is die overgaat naar een openbaring en een manifestatie. Dat is met ander woorden de leer van de bedelingen, waar tussen de opname van de gemeente en de zichtbare komst zeven jaar verlopen. We beginnen met deze aanhaling omdat de WT deze steeds gebruikt in dit verband. Maar het gaat dus om het misbruiken van iets dat ze slechts voor een deel aannemen. Want de WT heeft geen leer van de bedelingen. Zoals we al hebben aangetoond in het voorgaande hebben die drievoudige woorden slechts betrekking op één moment, want er gebeuren dezelfde gebeurtenissen bij alle drie. Dus synoniemen die gebruikt worden om één en hetzelfde aan te duiden. Om hun lezers ervan te overtuigen dat “parousia” een lange tijdsperiode beschrijft geven mensen van de WT het volgende ter overdenking. Men zegt over het woord “parousia” dit: wij citeren uit ’Inzicht in de Schrift’, deel 2, 1997, blz.996: “Dat het bij Jezus’ pa.rou’si.a niet louter gaat om het moment van een komst gevolgd door een snel vertrek, maar veeleer om een tegenwoordigheid die een tijdsperiode bestrijkt, valt ook op te maken uit zijn in Mattheüs 24:37-39 en Lukas 17:26-30 opgetekende woorden. Hier worden “de dagen van Noach” vergeleken met “de tegenwoordigheid van de Zoon des mensen” (“de dagen van de Zoon des mensen” in het verslag van Lukas). Jezus beperkt de vergelijking dus niet tot slechts de komst van de Vloed als een uiteindelijke climax gedurende Noachs dagen, hoewel hij duidelijk maakt dat in het geval van zijn eigen “tegenwoordigheid” of “dagen” een soortgelijke climax te zien zal zijn. Aangezien “de dagen van Noach” in werkelijkheid een tijdsperiode van jaren hebben omvat, is er grond om te geloven dat met de voorzegde “tegenwoordigheid (of “dagen) van de Zoon des mensen” eveneens een periode van een aantal jaren gemoeid zou zijn, die een climax bereikt in de vernietiging van hen die geen acht hebben geslagen op de gelegenheid die hun is geboden om redding te zoeken.” Maar klopt dat argument?

Eigenlijk niet. Wat we in Mat.24:37-39 vinden is dat de dagen vooráfgaande aan de vernietiging van goddelozen in de vloed en de vooráfgaande dagen aan de Wederkomst van de Heer eenzelfde


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

447

geestesgesteldheid in zich dragen. Mensen zijn in beide tijdvakken met dezelfde dingen begaan en het ontgaat hun dat de HEER op het punt staat met de ongerechtigheid gedaan te maken. In dit verband maakt J. Nielsen in zijn ’Het evangelie naar Lukas’, deel II, Callenbach, 1983, blz.99, 100 deze aantekening BIJ EEN PARALLELTEKST VAN MAT.24:37-39 namelijk Lucas 17:26-30: “Nu richt Jezus zich weer tot zijn discipelen: Er zullen dagen komen (eleusontai hèmerai) - de meervoudsvorm ongetwijfeld naar analogie van “de dagen van Noach” (vs26). Het moet hier wel de betekenis hebben van: de periode die voorafgaat aan een belangrijke gebeurtenis, vgl. ook 9:51, terwijl Jes.39:6 “dagen” gebruikt als een periode van oordeel over koning Hizkia en de zijnen. Welke dagen worden hier bedoeld? Dagen waarin men tevergeefs zal wensen op één van die dagen de Zoon des mensen te zien. Of is één (mia) hier bedoeld in de zin van de eerste (prootos)? Het komt ons voor dat dit hier niet juist is omdat het bepalend lidwoord ontbreekt. Eerder valt te denken aan kritieke dagen, die zullen komen, vgl.5:35.”

En dezelfde schrijver zegt in zijn ’Het evangelie naar Matthëus’ deel III, Callenbach, 1974, blz.55: “Omdat niemand weet wanneer de Zoon des mensen komt; is waakzaamheid geboden. Dat wordt duidelijk gemaakt door te verwijzen naar de dagen van Noach, vgl. Gen.6:11-13. In de dagen vóór de zondvloed leefde iedereen rustig en tevreden voort, tot op de dag waarop Noach in de ark ging. Niemand bemerkte iets (kai ouk egnoosan), totdat de zondvloed als een gericht over de mensheid kwam, zo onverwacht zal de komst van de Zoon des mensen zijn.”

Het is dus duidelijk dat “parousia” in Mat.24:36 niet wijst op een periode die gebeurtenissen overlapt van enkele jaren. Het gaat dus om het schetsen van de toestand in die dagen en niet de vloed. In die dagen van Noach gaat het om 120 jaar en meer! De tekst geeft de gemoedstoestand weer van de mensen vooráfgaande aan de vloed of vóór de Wederkomst. Want de vloed op zichzelf duurde geen 120 jaar. Ook de Wederkomst (“parousia”) duurt niet een X-aantal jaren. Het is dus het menselijke gedrag dat beschreven is in de formule “de dagen van.” Als een spreekwoordelijk beeld maar niet als het aantal uren, maanden of jaren. De mensen in de dagen van de vloed leefden onbezonnen, zorgeloos, onboetvaardig en blind voor wat komen zou. Dezen uit de tijd van de komst van Jezus doen hetzelfde. Zoals de vloed er “inééns” was zo ook zal de Wederkomst er “inééns” zijn. Er is nog een andere redenering die de WT volgt om van dat woord een tijdsperiode te maken en niet een tijdstip. De Wachttoren zegt over het begrip “parousia” ook nog het volgende. Wij citeren uit ’Inzicht in de Schrift’, deel 2, 1997, blz.997: “Bewijs dat ertegen pleit dat Jezus’ tegenwoordigheid zichtbaar zou zijn (in de zin dat Jezus zou verschijnen in een voor menselijke ogen zichtbare lichamelijke gedaante), is te vinden in Jezus’ eigen uitspraak dat hij door zijn dood zijn vlees ten behoeve van het leven der wereld zou offeren (Jo 6:51) en in de woorden van de apostel Paulus, die zegt dat de uit de dood opgewekte Jezus “in een ontoegankelijk licht woont” en dat ’geen der mensen hem gezien heeft of zien kan’ (1 Ti 6:14-16). Daarom kon Jezus tot zijn discipelen zeggen: “Nog een korte tijd en de wereld zal mij niet meer aanschouwen.” Zeker, zijn discipelen zouden hem wel aanschouwen, niet alleen omdat hij na zijn opstanding aan hen zou verschijnen, maar ook omdat zij te bestemder tijd zouden worden opgewekt om zich in de hemel bij hem te voegen en ’de heerlijkheid die zijn Vader hem gegeven had, te aanschouwen’ (Jo 14:19 / 17:24). Maar de wereld in het algemeen zou hem niet aanschouwen, want na zijn opwekking tot leven als een geestelijk schepsel (1 Pe 3:18) verscheen Jezus uitsluitend aan zijn discipelen. Zijn hemelvaart werd ook alleen door hen gezien, niet


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

448

door de wereld, en de aanwezige engelen verzekerden de discipelen dat Jezus “op dezelfde wijze” (Gr.: tro’pos, niet mor’fe, “in dezelfde gedaante”) zou terugkeren, dus zonder openbaar vertoon en uitsluitend waargenomen door zijn getrouwe volgelingen. Han.1:1-11.”

Charles Taze Russell de stichter van het Wachttorengenootschap zei dat Christus nooit meer kan gezien worden met menselijke ogen want Hij heeft bij zijn eerste komst zijn lichaam gegeven als rantsoen voor de mensheid en dat lichaam is niet meer in zijn bezit. Dit zou o.a. bewezen worden door Joh.14:19 / en 2 Cor.5:16. Laat ons eerst even kijken naar de argumenten van Russell en de aanhangers van zijn theorie, de moderne Jehovah Getuigen. We zullen hier dan ook de NWV gebruiken. In een boek van de WT getiteld ’Dingen waarin God onmogelijk kan liegen’ blz.330 zeggen zij nadat men verwijst naar Joh.14:19 (zoals in het vorige citaat): “Derhalve zullen de natuurlijke ogen van de mensenwereld Jezus Christus nimmermeer op aarde zien.” Dit is een godslasterlijke en satanische bewering waardoor de WT alleen bewijst niets van de Schrift te begrijpen in verband met zijn tweede komst. Wat leert Joh.14:19 eigenlijk? Jezus zegt daar zelf: “Nog een korte tijd en de wereld zal mij niet meer aanschouwen, maar Gij zult mij aanschouwen want ik leef en Gij zult leven.” Waar het om gaat in die Schriftuurplaats is het “niet meer” welke zij zo absurd zijn te parafraseren als “nimmermeer.” Het Griekse woord wat zij hebben vertaald als “niet meer” is “ouketi.” Een studie van dat woord leert dat “ouketi” wil zeggen “niet meer.” Waaronder in elke tekst waar het woord is gebruikt verstaan moet worden “niet meer voor een bepaalde tijd.” Het kan en mag nooit vertaald worden als “nooit meer” of “nimmermeer”, ten andere zelfs de WT durft dit woord alzo niet te vertalen. Want het is duidelijk dat al de apostelen de Heer verscheidene malen gezien hebben (letterlijk aanschouwd!) na zijn opstanding uit de doden. Laat ons enkele voorbeelden van het woordje “ouketi” bekijken. In 2 Cor.1:23 zegt Paulus: “dat ik om u te sparen nog niet naar Korinthe ben gekomen.” “Nog niet” is hier het woord “ouketi.” Wil dit zeggen dat Paulus nooit meer naar Corinthe gaat? Integendeel want in 2 Cor.12:14 / 13:1 zegt hij dat hij naar Corinthe komt voor de derde maal. “Niet meer” in 2 Cor.1:23 wil dus zeggen dat Paulus voor het ogenblik nog niet komt, maar dat dit later zal gebeuren. Een ander voorbeeld is Joh.16:10 waar Christus tot zijn discipelen zegt: “en Gij mij niet meer zult zien.” “Niet meer” is hier terug “ouketi.” Wil dit zeggen dat de discipelen van Christus Hem “nooit meer” kunnen zien? Hoe absurd indien we zo redeneren. Eerst en vooral hebben de discipelen Hem gezien ná zijn Opstanding zoals er duidelijk gezegd is in 1 Cor.15:4-8 en alle andere teksten die over de tijd spreken tussen de Opstanding en de Hemelvaart van Christus. Handelingen hoofdstuk 1 vers 3 vat al deze dingen samen door te zeggen: “Ook aan hen (de discipelen) toonde hij, nadat hij had geleden, door vele onweerlegbare bewijzen dat hij levend was, daar hij gedurende veertig dagen door hen (de discipelen) werd gezien.” Niet alleen met hun menselijke ogen hebben de discipelen de opgewekte Christus gezien. Nadat zij zullen verheerlijkt zijn, zullen zij de opgewekte Christus zien zoals Hij is, van aangezicht tot aangezicht. Zie hiervoor bijvoorbeeld 1 Pet.1:3,4 / 2 Pet.1:4 / 1 Cor. 13:12 / 2 Cor.3:18.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

449

Nog een voorbeeld is Joh.17:11. Hier zegt Christus: “Ook ben ik niet langer in de wereld.” Het woord “ouketi” is hier vertaald als “niet langer.” Wil dit zeggen dat Christus “nooit meer” in de wereld komt? Integendeel in Heb.1:6 staat er dat YaHWeH zijn zoon terug in de wereld zal zenden. Tussen haakjes kan er gezegd worden dat het woordje wereld in Heb.1:6 “oikoumene” is wat duidelijkst vertaald kan worden als “bewoonde aarde”: dus “onder de mensen.” (Zie hiervoor o.a. de NWV.) Vergelijk dit met Opb.1:7. Nog drie voorbeelden van “ouketi.” In Marcus 9:8 staat er betreffende de discipelen van Christus: “Plotseling echter keken zij rond en zagen niemand anders meer bij zich dan Jezus alleen.” Hier is “anders meer” de vertaling van “ouketi.” Wil dit zeggen dat de discipelen niemand meer zagen daarna? Absoluut niet, want enkele minuten daarna gaat Jezus met zijn discipelen de berg af en vindt daar een grote schare vergaderd die de discipelen wel degelijk konden zien en hebben gezien (Marc.9:14 enz...). Verder in Marc.15:5 staat er nog betreffende Christus: “Maar Jezus gaf geen antwoord meer zodat Pilatus zich verwonderde.” Hier is “ouketi” weergegeven als “geen meer.” Wil dit zeggen dat Christus nooit meer antwoordde of sprak? Hij sprak nog toen Hij op weg was naar Golgotha, op het kruis en ná zijn Opstanding. Als laatste voorbeeld, (en daarmee kunnen we stoppen) zien we naar Joh.11:54. Daar staat “Jezus bewoog zich daarom niet meer in het openbaar onder de Joden.” Hier is de uitdrukking “niet meer” vertaling van “ouketi.” Heeft Christus dan nooit meer openbaar gepredikt? Lees hierover Johannes 12:12-19 dan eens. Men ziet dus dat “ouketi” nergens de betekenis heeft van “nooit meer” of “nimmermeer.” Het is een begrip dat gebruikt is om een tijdsperiode aan te geven van minuten, uren of dagen tot het ogenblik dat hetgeen waarover sprake is terug gebeuren kan of geschied. Dat is ook de betekenis van Joh.14:19 wanneer hij zegt dat de wereld (kosmos) hem “niet meer” zal zien. Tot wanneer? Tot zijn komst! De hogepriester, die Jezus voor Pilatus en Herodes heeft gebracht, zal Christus zien (Mat.26:63,64). Diegenen die Hem doorstoken hebben zullen Hem zien (Opb.1:7). En Job zal Hem zien (Job 19:25-27). En David zal Hem zien (Ps.17:15). En Bileam zal Hem zien (Num.24:17). En alle getrouwe mannen uit de oudheid en allen die aan de opstanding deel hebben zullen Hem zien (Mat.17:1-3 / Luc.23:43). Een andere Schriftuurplaats die regelmatig door de WT aangehaald wordt voor hun theorie van een “onzichtbare parousia” is 2 Cor.5:16 waar staat: “Ook al hebben wij Christus naar het vlees gekend, dan kennen we hem nu stellig niet meer zo.” Maar stop. Juist daarvoor zegt Paulus: “Dientengevolge kennen we van nu af niemand naar het vlees.” Waarom zegt Paulus dat; want het is niet waar wat hij schrijft indien we het letterlijk opvatten. Het belangrijke gedeelte is hier “naar het vlees” iets wat een spreekwoordelijke uitdrukking is en meestal niet letterlijk is. Zo spreekt de Bijbel over oordelen “naar het vlees” (Joh.8:15), over wijze mensen “naar het vlees” (1 Cor.1:26), over plannen maken “naar het vlees” (2 Cor.1:17), over het niet leven “naar het vlees” (2 Cor.10:2) en het leven “naar het vlees” (vers 3). Het is hieruit evident dat dit gezegde “naar het vlees” de betekenis heeft van “volgens menselijk standpunt” of “volgens werelds standpunt.” Dat is ook de betekenis van 2 Cor.5:16 want Paulus en de Corinthiërs zagen vóór hun bekering Christus als iemand vanuit menselijk


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

450

standpunt. Maar daarna niet meer; dan beseften zij dat Hij de Zoon van God was en voor hen gestorven was. De WT tracht ons ervan te overtuigen (in het vorige citaat) dat Jezus na de Opstanding slechts een geest is. Verwijzen we naar Luc.24:39 waar staat dat Christus aan zijn discipelen in een lichaam van “vlees en beenderen” verscheen. Christus zegt daar: “betast mij en ziet, dat ik het zelf ben, betast mij en ziet want ik ben geen geest, een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals gij aanschouwt dat ik heb.” Wanneer de opgestane Christus hier zegt “aanschouwt” dan is dit het tegenwoordige tijdsbegrip welke hij gebruikt (“echonta” in het Grieks). Het is duidelijk dat Christus is geboren in een menselijk lichaam van bloed, vlees en beenderen. In die toestand was hij lager gesteld dan de engelen (Heb.2:7). Ter bestemder tijd is Hij dan gestorven en gaf zijn menselijk leven = bloed als vervulling van de dieren die volgens de Joodse wet werden geslacht. In het OT was dit als een afbeelding van Zijn offer (Heb.9:14 / 10:1-10 / 13:11,12). Dan kwam een geestelijke Opstanding door God (1 Pet.3:18 / 1 Tim.3:16 / 6:15,16 / 1 Cor.6:16,17). Door zulk een Opstanding te ontvangen gaf God aan Jezus “heerlijkheid” die Hij niet zou bezitten met een gewoon menselijk lichaam dat niet onverderfelijk, onvergankelijk en onsterfelijk gemaakt was. Hoe kan Paulus Christus anders vergelijken als het “tegenbeeld” van God in Heb.1:3,4. Het is dus niettemin een lichaam van “vlees en beenderen.” Jezus liegt hierover toch niet! (In onze ’Bijbelse aantekeningen over Leven, Dood en Opstanding’ hoofdstuk twee zijn we hier uitvoerig op ingegaan.) De Wachttoren zegt over het woord “parousia” ook nog het volgende. Wij citeren uit ’Inzicht in de Schrift’, deel 2, 1997, blz.998: “Tot de gebeurtenissen die Jezus’ tegenwoordigheid in Koninkrijksmacht kenmerken, behoren: De opstanding van degenen van zijn volgelingen die gestorven zijn, aangezien zij met hem medeërfgenamen van het hemelse koninkrijk zijn (1 Cor.15:23 / Rom. 8:17); het bijeenvergaderen en in eendracht met zichzelf brengen van andere volgelingen die ten tijde van zijn tegenwoordigheid leven (Mat.24:31 / 2 Thes.2:1); het ’tenietdoen’ van de afvallige “mens der wetteloosheid”, hetgeen tot stand gebracht zal worden “door de manifestatie (e-pi-fa-nei’ai) van zijn (Jezus’) tegenwoordigheid” (2 Thes.2:3-8; zie MENS DER WETTELOOSHEID); de vernietiging van allen die geen acht slaan op de hun geboden gelegenheid om redding te ontvangen (Mat.24:37-39); en, noodzakelijkerwijs, de invoering van zijn duizendjarige regering (Opb. 20:1-6).”

M.a.w. zoals in de leer van de bedelingen is de “epiphaneia” volgens de WT een kort onderdeel van de “parousia.” Maar zo een conclusie trekken uit dat dubbele gebruik in 2 Thes.2:8 is foutief. Dat blijkt al uit de vertalingen waar we o.a. dit lezen: “de verschijning zijner komst” SV / Luther “de glans van zijn komst” Leidse Vert. / Canisius “door zijn verschijning als Hij komt” N.B.G. “als Hij verschijnt bij zijn komst” Brouwer / J. van Leeuwen in de Korte Verklaring. Men moet dus niet aan twee gebeurtenissen denken die van elkaar gescheiden zijn in tijd. De betekenis achterhalen van “parousia” kan men best door 2 Cor.10:10 en 2 Cor.10:11 te vergelijken. 2 Cor.10:10 spreekt van “parousia” = “tegenwoordigheid”


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

451

2 Cor.10:11 spreekt van “paróntes” = nabij zijn. Van het werkwoord “pareimi” op zichzelf para-eimi = nabij-zijn. Voor de lezer die meer wil weten over de betekenis en gebruik van “pareimi” zie naar de 24 teksten waar het staat in het NT. Zie: Mat.26:50 / Luc.13:1 / Joh.7:6 / 11:28 / Hand.10:21,33 / 12:20 / 17:6 / 24:19 / 1 Cor.5:3 (2x) / 2 Cor.10:2,11 / 11:9 / 13:2,10 / Gal.4:18,20 / Col.1:6 / Heb.12:11 / 13:5 / 2 Pet.1:9,12 / Opb.17:8. Dus is “parousia” een woord dat de zichtbare en persoonlijke tegenwoordigheid aangeeft en niet een onzichtbare zoals de WT leert. Of wat de Broeders en die door hen geïnspireerd zijn leren. Daarom het volgende ter illustratie van wat men zegt in die kringen. P. Slagter zegt in ’Amen’, nummer 7, april 1996, blz.42 het volgende: “Het woord “komst” is de vertaling van het Griekse ’parousia’, hetgeen ook met aanwezigheid of tegenwoordigheid kan worden weergegeven. In Filippenzen 2:12 bijvoorbeeld is ’parousia’ vertaald met ’tegenwoordigheid’ (NBG). De parousia (in ’t algemeen vertaald met ’komst’) van Christus is dus de tijd, die verband houdt met Zijn aanwezigheid op aarde. De eerste komst van Christus besloeg een periode van meer dan 30 jaar! In die periode van aanwezigheid vonden allerlei gebeurtenissen plaats, beginnend met Zijn geboorte en eindigend met Zijn hemelvaart. De ’parousia’ van Christus omvat dus een hele periode, waarin allerlei dingen zullen plaatsvinden, die in de profetieën reeds zijn voorzegd. Paulus ziet Zijn komst hier ook als de tijd van “vereniging met Hem”, waarmee hij waarschijnlijk ook doelt op wat hij schreef in 1 Thessalonicenzen 4. Het woord ’episunagoge’, hier vertaald met “vereniging”, komt ook voor in Hebreeën 10:25 “bijeenkomst”, en als werkwoord bijvoorbeeld in Mattheüs 23:37 “vergadert” en 24:31 “verzamelen.” Bovendien wordt Zijn parousia in verband gebracht met de “Dag des HEREN”, zoals uit het volgende vers blijkt.”

Die uitleggingen kloppen niet met de feiten. Jezus is altijd onzichtbaar tegenwoordig met zijn gemeente vergelijk Mat.28:20 en Heb.13:5. Zeggen wat Jehovah’s Getuigen beweren - dat er een onzichtbare tegenwoordigheid van de Heer begonnen is in 1914 - strookt dan ook niet met de waarheid uit deze teksten. Onzichtbaarheid vastkoppellen aan “parousia” - zoals P. Slagter doet is dus andere Schriftuurplaatsen tegenspreken. Deze onzichtbare tegenwoordigheid komt overeen met YaHWeH, die steeds tegenwoordig was met zijn volk zoals blijkt uit de aanwezigheid van de Shekinah. Zie Gen.19:1-16 / Lev.10:1-5 / Num.16:35 / 2 Kon.1:1-12. Merkwaardig is dat Paulus het eens in zijn brieven heeft over een “nabijzijn” (Gieks werkwoord “pareimi”) “in de geest” in 2 Cor.5:3. In de zin van een geestelijke nabijheid zoals we ons die moeten indenken van de onzichtbare aanwezigheid van de Heer sinds Pinksteren. Dus ook die opmerking van Paulus weerlegt de leer dat Christus slechts sinds 1914 met zijn gemeente is. Maar zeggen Jehovah’s Getuigen: anderen hebben toch ook dat woord “parousia” vertaald als “tegenwoordigheid” of “aanwezigheid.” En dan verwijzen ze steeds naar een andere poging die voor “parousia” gelukt (?) is bij Rotherham. J.B. Rotherham schrijft in de appendix van zijn ’Emphasised Bible’, blz.271: “In deze uitgave wordt het woord parousia uniform met ’tegenwoordigheid’ weergegeven (’komst’ als weergave van dit woord komt niet in aanmerking) (...) De betekenis van ’tegenwoordigheid’ blijkt zo duidelijk uit de tegenstelling met ’afwezigheid’, (...) dat


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

452

vanzelfsprekend de vraag rijst: Waarom het dan niet altijd zo weergegeven?” We citeren deze

aanhaling uit de reeds aangehaalde tekst van de WT. Zoals zo vele malen gaat de WT hier opnieuw enkele zaken verdoezelen door slechts een gedeelte uit de tekst van de schrijver aan te halen. We vertalen nog iets wat erop volgt: “De parousia ligt in ieder geval nog in de toekomst en de betekenis kan dus in zekere zin nog in duisternis gehuld zijn. Alleen de vervulling ervan zal klaarheid scheppen. Uiteindelijk kan het tezelfdertijd een periode zijn - min of meer te rekenen over een lange periode waarin verscheidene gebeurtenissen plaatsvinden, of wel een evenement dat komt en verdwijnt en de aanleiding is tot een serie goddelijke inmengingen.” Wat blijkt dan? Dat Rotherham zich niet kan losmaken van de leer van de bedelingen, want het is dát wat hij tracht uit te leggen. En het moet dan natuurlijk gezegd dat de WT zijn leer daarover niet aanneemt. De WT gebruikt Rotherham dus in een andere betekenis dan wat hij zelf maakt van het woord “parousia.” (We citeren uit de reprint van Kregel Book House, Grand Rapids, 1967.) In ’The Kingdom Interlinear Translation’, WT, 1985 blz.1148,1149 worden nog naar drie zaken verwezen van technische aard. We citeren ze niet maar wel drie opmerkingen erover. 1) Het gedeelte uit de aanhaling van het woordenboek van ’Kittell’ past in slechts een deel van wat de WT over “parousia” leert. En het gaat daar over de kerkelijke interpretatie van sommige kerkvaders die de WT onmogelijk zal aannemen. M.a.w. men misbruikt de tekst. 2) Men citeert Israël Warren, een schrijver uit de 19e eeuw, opnieuw gedeeltelijk. We hebben dit werk niet in bezit en ook niet gelezen. Maar uit wat men citeert lijkt duidelijk naar voren te komen dat de schrijver in de bedelingentheorie geloofd. Het gaat dus opnieuw om een misbruik van een citaat want der WT geloofd niet in de bedelingen-leer. 3) De aanhaling van het Lexicon van W. Bauer en F. Gingrich geeft alleen weer dat er in het klassieke Grieks gebruik gemaakt wordt van het begrip “parousia” om de komst aan te geven van een koning of van zijn vertegenwoordiger. “Komst” in de zin van dat hij kortelings aankomt. En zeggen de mensen van de WT, zo ook Mat.24:3 / 1 Thes.3:13 en 2 Thes.2:1. Maar van daaruit concluderen “onzichtbare tegenwoordigheid” gaat niet op. En dat heeft als argument dan ook niet dezelfde kracht. Want gezien Christus “koning” is sinds de Hemelvaart of Pinksteren zou zijn “parousia” ook vanaf die tijd gerekend moeten worden. Consequentie is bij de WT soms vèr te zoeken.

Tabel over het gebruik van “parousia”: persoon en periode. Tekst Persoon Tijdsperiode _________________________________________________________ Mat.24:3 Christus heden _________________________________________________________


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

Mat.24:27 Christus toekomst _________________________________________________________ Mat.24:37 Christus heden _________________________________________________________ Mat.24:39 Christus toekomst _________________________________________________________ 1 Cor.15:23 Christus toekomst _________________________________________________________ 1 Cor.16:17 Stephanus verleden _________________________________________________________ 2 Cor.7:6 Titus verleden _________________________________________________________ 2 Cor.7:7 Titus verleden _________________________________________________________ 2 Cor.10:10 Paulus verleden _________________________________________________________ Fil.1:26 Paulus verleden Fil.2:12 Paulus verleden _________________________________________________________ 1 Thes.2:19 Christus toekomst _________________________________________________________ 1 Thes.3:13 Christus toekomst _________________________________________________________ 1 Thes.4:15 Christus toekomst _________________________________________________________ 1 Thes.5:23 Christus toekomst _________________________________________________________ 2 Thes.2:1 Christus heden _________________________________________________________ 2 Thes.2:8 Christus toekomst _________________________________________________________ 2 Thes.2:9 de wetteloze heden _________________________________________________________ Jac.5:7 Christus toekomst _________________________________________________________ Jac.5:8 Christus toekomst _________________________________________________________ 2 Pet.1:16 Christus verleden maar een visioen over de toekomst _________________________________________________________ 2 Pet.3:4 Christus heden _________________________________________________________

453


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

2 Pet.3:12 dag van YaHWeH toekomst _________________________________________________________ 1 Joh.2:28 Christus toekomst _________________________________________________________ Besluit: “parousia” staat in het NT in betrekking tot; Tegenwoordigheid van Christus

verleden 0 heden 0 toekomst 17

Tegenwoordigheid van Stephanus heden

1

Tegenwoordigheid van Titus

heden

2

Tegenwoordigheid van Paulus

toekomst 3

De wetteloze

heden

1

Hoe is “parousia” vertaald in enkele Bijbels. 1 Corinthiërs 16:17 Poukens N.B.G. Willibrordus K.J. American Revised _________________________________________________________ tegenwoor- komst aanwezigheid coming coming digheid (presence footnote) ========================================================= 2 Corinthiërs 7:6,7 Poukens N.B.G. Willibrordus K.J. American Revised _________________________________________________________ aankomst komst komst coming coming (presence footnote) aankomst komst komst coming coming (presence footnote) ========================================================= 2 Corinthiërs 10:10

454


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

Poukens

N.B.G.

Willibrordus

K.J.

455

American Revised

_________________________________________________________ lichamepersoon- persoonlijk bodily bodily lijke telijke ver- optreden presence presence genwoorschijning digheid ========================================================= Philipenzen 1:26 Poukens N.B.G. Willibrordus K.J. American Revised _________________________________________________________ terugkeer weder bij weer bij u coming presence u kom kom ========================================================= Philipenzen 2:12 Poukens N.B.G. Willibrordus K.J. American Revised _________________________________________________________ toen ik tegenwoor- toen ik bij presence presence bij u was digheid u was ========================================================= 2 Thessalonisenzen 2:9 Poukens N.B.G. Willibrordus K.J. American Revised _________________________________________________________ verschijkomst komst coming coming ning (presence footnote)

Enkele belangrijke Griekse woorden voor “komen”

Erchomai 641 maal gebruikt gewoonlijk vertaald als komen; voor dingen en personen heden en toekomstig Luc.12:54 / Luc.17:20. Er zijn tientallen teksten met betrekking tot de Wederkomst met dit werkwoord. Phainoo 31 maal gebruikt gewoonlijk vertaald als schijnen of verschijnen; voor dingen en personen heden en toekomstig Mat.24:27 / Joh.1:5 enz. In de K.J.V. 7x “shine” en 16x “appear.” Phanerooo 49 maal gebruikt gewoonlijk vertaald als manifesteren; voor dingen en personen heden en toekomstig. In de K.J.V. meestal “appear” of “make manifest.” Hèkoo In de K.J.V. altijd (27 maal) vertaald als “komen.” Hieronder enkele voorbeelden uit de N.B.G..


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

456

Dit woord is meestal gebruikt met betrekking tot de toekomst maar uitzondering is Joh.4:47 waar gebruikt voor de eerste komst. Mat.23:36 dingen komen toekomst ________________________________________________________ Mat.24:14 einde komt toekomst ________________________________________________________ Mat.24:50 meester komt toekomst parabel ________________________________________________________ Luc.12:46 meester komt toekomst parabel ________________________________________________________ 2 Pet.3:10 YaHWeH’s dag komen toekomst ________________________________________________________ Opb.2:25 Christus’ komst toekomst ________________________________________________________ Opb.3:3 Christus komen als dief toekomst ________________________________________________________ Opb.15:4 Alle natiën zullen komen en YaHWeH aanbidden toekomst Prosoopon = aangezicht (“presence” in de K.J.V. maar ook “appearance” in 2 Cor.5:12). Hand.3:13 aangezicht van Pilatus verleden _________________________________________________________ Hand.3:19 van de persoon YaHWeH toekomst _________________________________________________________ Hand.5:41 gingen vandaan verleden _________________________________________________________ 2 Cor.10:1 verschijning van Paulus verleden ______________________________________________ ___________ 1 Thes.2:17 aangezicht verleden _________________________________________________________ 2 Thes.1:9 aangezicht van de Heer toekomst _________________________________________________________ Heb.9:24 Christus is voor de verleden persoon van God verschenen ________________________________________________________ Hoe zijn de belangrijkste vertaald in de vertaling van bijvoorbeeld Robert Young. Dit heeft wel enig belang want Jehovah’s Getuigen hebben deze vertaling als één van de voorbeelden genomen


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

457

om in hun Bijbels bepaalde begrippen woord-voor-woord te vertalen. Maar ook Young kan dit niet waarmaken voor deze teksten. Ergens klopt er in de praktijk aan zo een theorie iets niet en zal men moeten afwijken in de vertaling. Woord-voor-woord zou wel eens een verraad kunnen zijn aan de rijkdom van de Griekse taal waar een woord juist niet altijd dezelfde betekenis heeft. Hier de tabel volgens Young en de NWV als vergelijk voor enkele woorden in dit verband: in Young in NWV Apokalupsis verschijning 1x 1 Pet.1:7 openbaring “appearing” nota: onthulling _________________________________________________________ komst 1x 1 Cor.1:7 openbaring “coming” _________________________________________________________ manifestatie 1x Rom.8:19 openbaar worden “manifestation” _________________________________________________________ openbaring 12x Rom.2:5 openbaring “revelation” 16:25 openbaring nota: onthulling 1 Cor.14:6 openbaring nota: onthulling 14:26 openbaring 2 Cor.12:1,7 openbaringen Gal.1:12 openbaring nota: onthulling 2:2 openbaring Eph.1:17 openbaring nota: onthulling 3:3 openbaring 1 Pet.1:13 openbaring Opb.1:1 openbaring nota: openbaring _________________________________________________________ geopenbaard 2x 2 Thes.1:7 openbaring worden 1 Pet.4:13 openbaring “be revealed” _________________________________________________________ verlichten 1x eis apokalupsin zal verwijderen “to lighten” Luc.2:32 nota: tot openbaring _________________________________________________________ Epiphaneia verschijning 5x 1 Tim.6:14 manifestatie “appearing” 2 Tim.1:10 manifestatie 4:1 manifestatie


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

458

4:8 manifestatie Titus 2:13 manifestatie _________________________________________________________ helderheid 1x 2 Thes.2:8 manifestatie “brightness” _________________________________________________________ Epiphainoo verschijn 1x Hand.27:20 verschenen “appear” _________________________________________________________ Licht geven 1x Luc.1:79 licht te geven aan “give light to” _________________________________________________________ verschijnen 2x Titus 2:11 openbaar gemaakt “appear(pass)” 3:4 openbaar gemaakt _________________________________________________________ Parousia tegenwoor- 2x 2 Cor.10:10 tegenwoordigheid digheid Phil.2:12 tegenwoordigheid “presence” _________________________________________________________ komst 22x alle andere tegenwoordigheid “coming” teksten Matthéüs 12:41,42. Het laatste oordeel. Wie thuis is in de literatuur geschreven over de Wederkomst van de Heer weet dat men in bepaalde kringen spreekt over Gods toekomstige “oordelen” in het meervoud. Jammer van de moeite die er in dat verband gedaan wordt. Daarbij zegt men o.a.: “1°) Oordeel van de gemeente (over hun werken) in de hemel gedurende de tijd van de verdrukking (2 Cor.5:10). 2°) Oordeel van de leven uit de natiën voorafgaande aan het Millennium om te bepalen wie er deel aan heeft (Mat.25:31-46). 3°) Oordeel over de levenden van de natie Israël om te bepalen wie deel heeft aan het Millennium (Ezech.20:33-38). 4°) Oordeel over de heiligen uit het OT nà de verdrukking. 5°) Oordeel over de heiligen uit de tijd van de verdrukking (Opb.6.9-11). 6°) Oordeel van dezen die zullen gered worden op het einde van het Millennium (Jes.2:23 / 11:10 / 55:1-7). 7°) Oordeel van de goddeloze levenden op het einde van het Millennium (Opb.20:7-9). 8°) Oordeel van de goddeloze doden na het duizendjarig rijk (Opb.20:11-15.”

Deze lijst hebben we gevonden bij S. Gundry, blz.164,165 en door ons lichtjes aangepast.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

459

De Schrift kent geen oordelen (meervoud) in de zin dat we er één te verwachten hebben bij de “parousia” (aanwezigheid) één bij de “epiphaneia” (verschijning) en nog een derde bij de “apocalypsis” (openbaring). Ook wat hierboven staat is niet naar de Schriften. De Bijbel spreekt in Mat.12:41,42 tweemaal nadrukkelijk over “het oordeel.” Er is er slechts één! Met het onderscheiden van “één” oordeel over kerk, Israël en wereld bij één van de drie voornoemde Griekse woorden tracht men een theorie op te bouwen die geen echte Bijbelse grond heeft. We geven enkele voorbeelden. Op de dag dat de Heer geopenbaard zal worden (apokalyptoo) zijn er volgens Luc.17:22-30 toestanden als in de tijd van Noach of de vernietiging van Sodom en Gomorra. Maar dezelfde illustratie wordt ook nog eens gebruikt wanneer er over “de komst tegenwoordigheid - aanwezigheid (= parousia)” sprake is in Mat.24:37. Wanneer we de “parousia” zetten in punt X van het tijdsgebeuren dan valt de “apocalypsis” niet 3 1/2 jaar, géén 7 jaar of 1000 jaar later. Of volgens de leer van de WT waar de “parousia” is begonnen in 1914 en eindigt met de slag van Armageddon. De “apocalypsus” is wel op hetzelfde moment als de “parousia.” Het verhaal van Noach staat als illustratie van wat er ons te wachten staat en wat de Schrift zegt over de periode van zijn komst. De Schrift laat ons niet in onzekerheid omtrent de volgorde van de dingen die moeten gebeuren. En dat zijn de volgende: onzekere sociale toestanden, morele en religieuze ontaarding, aankondiging van het gericht, komst van het oordeel en begin van de nieuwe wereld. Beeld en tegenbeeld lopen op dat gebied gelijk. De Heer en later Petrus laten géén periode open tussen de komst en het oordeel. Onmiddellijk na het oordeel komt de nieuwe wereld, in het tegenbeeld een eeuwig nieuwe hemel en aarde, niet een regering van duizend jaar (2 Pet.3:5-7). De 10de schets in ’Bijbels Panorama’ zet het tegenbeeld na de opname der gemeente. Maar dat wil zeggen dat er dan nog 7 jaar verdrukking volgt en bijna alles uit het boek Openbaring nog moet vervuld worden. Ook zou er nog een duizendjarig rijk volgen voordat de nieuwe hemel en de aarde wordt opgericht. Het beeld dat Christus en Petrus schetsen over Noach wordt op die wijze géén eer aangedaan, ja zelfs verminkt en misbruikt. Een tweede voorbeeld. Gods gemeente ziet uit naar de “openbaring” (apocalypsis) van Jezus Christus (1 Cor.1: 7). Maar ook naar de “verschijning” (epiphaneia) volgens 1 Pet.5:4. En ook naar de “tegenwoordigheid - komst - aanwezigheid” (parousia) volgens 1 Thes.3:13. Nog moeilijker wordt het voor dezen die in 3 komsten en 3 overeenkomstige oordelen en soms zelfs 3 of meer opstandingen geloven wanneer we naar 2 Thes.2:8 en 1 Joh.2:28 kijken. We lezen nl. in 2 Thes.2:8 over de “epiphaneia van Zijn parousia” en in 1 Joh.2:28 over de “apocalypsis van Zijn parousia.” Het enige wat we doen in de bovenstaande teksten is de Griekse woorden invullen voor de Nederlandstalige. Maar de visie is dan dat deze drie begrippen (en nog wel 45 andere volgens de inleiding blz.1 in het woordenboek van Vine) dezelfde éne Wederkomst van de Heer omschrijven. Daarom, ter illustratie nog enkele voorbeelden van combinaties van twee of méér termen of begrippen die verwijzen naar diezelfde ene Wederkomst. We nemen de NWV als voorbeeld zodat Jehovah’s Getuigen zich kunnen bezinnen op dit punt. 1) Luc.17:24 “evenals de bliksem (...) zo zal de Zoon (...) zijn”


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

460

17:30 “op dezelfde wijze waarop de Zoon des mensen geopenbaard zal worden” (zichtbaar) zijn = apokalypsis = zichtbaar geopenbaard worden 2) Opb.1:7: “Hij komt met de wolken” “en elk oog zal Hem zien” “erchomai” = komen = zien = géén onzichtbaarheid 3) Mat.24:27: “evenals de bliksem (...) schijnt” “zo zal de tegenwoordigheid van de Zoon des mensen zijn” schijnen (zichtbaar) = parousia = zichtbare aanwezigheid 4) 1 Thes.4:15: “de levenden die in leven blijven tot de tegenwoordigheid” 4:16: “de Heer zelf zal uit de hemel nederdalen” parousia = katabainoo = aanwezigheid = nederdalen 5) 2 Thes.1:7: “bij de openbaring van de Heer Jezus” 1:10: “wanneer hij komt om verheerlijkt te worden” apokalypsis = erchomai = openbaring = komen 6) Mat.24:39: “zo zal de tegenwoordigheid van de Zoon des mensen zijn” 24:42: “gij weet niet op welke dag uw Heer komt” (zie ook verzen 44 en 46, de discipelen vragen naar de parousia, Christus spreekt daarover als Zijn er erchomai) dus is parousia = erchomai = aanwezigheid = komst M.a.w.: parousia = apokalypsis = epiphaneia = komen = schijnen = wederkomen (vb. Hand.1:11) = nederdalen = zichtbaar worden (vb. Heb.9:28 / Luc.21:27). AL DEZE WOORDEN VERWIJZEN NAAR ÉÉN EN DEZELFDE GEBEURTENIS! T.t.z.: het ganse systeem van een onzichtbaar komen - van zowel dat van Jehovah’s Getuigen als Darbysten en anderen wie de bedelingen aannemen - valt in duigen. Het mag ons niet verwonderen dat aangezien God zowel rechtvaardig is als liefdevol er een oordeel te verwachten is waar niets zal op aan te merken zijn. God zal rechtspreken over de ganse aarde, dus over alle mensen (Gen.18:25 / Ps.96:10 / Jes.33:32 / Heb.12:23 / Jac. 4:12 / 1 Pet.1:17). De rechtspraken van God zijn voor wie Hem dient als een vorm van redding uit de wereld die goddeloos is en die nog zal verdwijnen. Nu of in de toekomst (Deut. 32:36 / 1 Sam.24:13,16 / Ps.10:18 / 76:9 / Jes.30:18). Die rechtspraken bepalen voor wie eraan onderworpen is het leven of de dood (Ps.96:13 / Pred.3:17 / Mat.12:36 / Joh.12: 48 / Hand.17:31 / Rom.14:10 / 2 Cor.5:10 / 2 Thes.1:6,7 / Opb.6:10 / 11:18 / 14:9 / 20: 11-15). Om u toe te laten een inzicht te krijgen over de betekenis van Mat.12:41,42 hieronder een lange lijst, onder vier rubrieken, van de betekenissen van wat het begrip “oordeel” inhoudt zowel in het OT als NT:

Oordelen die reeds voorbij zijn: In Adam zijn allen veroordeeld: Gen.3:14-19 / 1 Cor.15:22 In de vloed zijn allen behalve acht personen veroordeeld: 2 Pet.3:1-6 (ook een deel van de dierlijke schepping is gespaard van de catastrofe).


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

461

God is rechter over Israël èn de wereld: Ps.50:6 / 75:8 / Jes.33:22. Gods oordeel over Moab: Jer.48:47. Gods oordeel over (oude) Babylon: Jer.51:9. Gods oordeel over het twee-stammenrijk: Ezech.16:52. Gods tijdelijke oordelen van tuchtiging: Ps.76:9. Mat.3:7 wijst waarschijnlijk naar Gods oordeel van het Israël dat de Messias zal verwerpen en de vernietiging van de tweede tempel in het jaar 70 NC: Zie ook nog Luc.13:3-5 / 24:20 / 21:20-24. Oordelen als menselijke eigenschap: Lasteraars krijgen nu reeds een welverdiend oordeel: Rom.3:8. Rechtvaardig oordeel spreken: Spr.31:9. Niet in eigen oordeel verstandig zijn: Jes.5:21. Salomo sprak wijze oordelen: 1 Kon.3:28. Goddelozen verdienen oordeel: Job 36:17. Niet met twee maten oordelen: Mat.7:2 / Rom.14:13. Farizeeën oordelen foutief: Luc.11:42. Niet oordelen naar aanzien van mensen: Joh.7:24. Gods huidige oordeel: Gods oordelen van tuchtiging over de gemeente van Christus in deze tijd: 1 Cor.11:32 / 1 Pet.4:17. Wie het licht (Jezus) niet aanneemt is geoordeeld: Joh.3:19. Wie gelooft komt niet in veroordeling: Joh.5:24. Jezus oordeelt nu reeds in rechtvaardigheid: Joh.5:30. Prediking van Jezus werkt als oordeel: Joh.8:16 / 9:39. Door de prediking is de Satan geoordeeld: Joh.16:11. De Heilige Geest overtuigt van zonde en oordeel: Joh.16:8. Het komende oordeel: We moeten geloven in een eeuwig oordeel: Heb.6:2 / Hand. 17:31 Is zwaarder voor Farizeeën: Mat.23:14 / Marc.12:40. Voor onbekeerde Farizeeën een oordeel van Gehenna: Mat. 23:33. Draaglijker voor de Ninevieten dan Israël: Mat.12:41. Draaglijker voor de koningin van het Zuiden dan Israë:l Mat.12:42. Draaglijker voor Tyrus en Sidon dan Israël: Luc.10:14. “De dag des toorns” zal de openbaring zijn van het rechtvaardig oordeel: Rom.2:5. Paulus spreekt over “het toekomstig oordeel”: Hand.24:25. “Het” oordeel staat voor de deu:r Jac.5:9. In “het” oordeel van “de” grote dag worden afvallige engelen voor eeuwig geoordeeld: Judas 1:6 / 2 Pet.2:4. Op “de dag van het oordeel” vergaat de tegenwoordige hemel en aarde én de goddeloze mensen: 2 Pet.3:7.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

462

God heeft “een dag bepaald” om de wereld (door Christus) te oordelen: Hand.17:30,31. Gods gemeente zal de wereld oordelen: 1 Cor.6:2. Het is de mensen beschikt eenmaal te sterven en daarna het oordeel: Heb.9:27. Voor alle goddelozen is het komende oordeel vreselijk: Heb.10:27. Valse profeten zullen ééns veroordeeld worden: 2 Pet.2:3. Christus is door de Vader niet gezonden om de wereld - in die tijd - te “veroordelen” (SV, anderen zeggen “oordelen” wat eigenlijk juister is) (Joh.3:17). Maar wie de Heer verwerpt, Hem niet aanneemt, “oordeelt” voor zichzelf dat Hij niet voor hem is gekomen. De “veroordeling” zal zijn eigen schuld zijn (Hand.13:27). “veroordeling” komt alleen over dezen die de waarheid niet geloofd hebben (2 Thes.2:12). Zo gaat de profetie in vervulling van de knecht des Heren: “hij was veracht en van mensen verlaten” (Jes.53:3). Allen die zo handelen wacht uiteindelijk “de verdoemenis” (Rom.3:8 / 1 Tim.5:24). Wanneer de Vader Zijn Zoon in de wereld zendt voor de tweede maal zal de veroordeling aan deze zondigheid voltrokken worden. Gelovigen krijgen de “kroon des levens” en een “onverwelkelijke kroon der heerlijkheid” (SV / Jac.1:12 / 1 Pet.5:4). De gelovige is vrijgemaakt van de veroordeling van de wet der zonde en des doods (Rom.8:1,2). Het oordeel van de gelovige is reeds voorbij, hij werd vrijgesproken op basis van zijn geloof in het bloed van Christus. Hoever we van “die dag” verwijderd zijn weten we zondermeer niet. Het mag niets te maken hebben met fantasie of een omrekeningstabel met betrekking tot bepaalde gebeurtenissen. Deze “dag” komt echter steeds dichterbij, en ook de schrijvers van het NT hebben dezelfde opmerkingen gemaakt. En daarin mogen wij gelovigen ook troost putten uit vervolgingen en andere problemen wanneer ze zich voordoen (Rom.10:11 / 1 Cor.10:11 / Phil.4:5 / 1 Thes.4:14,17 / Opb.16:15 / 22:20). Ook een tekst als 1 Cor.7:29 mag in dit verband gelezen worden. Onze gewone vertalingen zeggen hier: “de tijd is kort” (SV / Luther / N.B.G. enz...). Maar dat staat er eigenlijk niet, maar wel “de tijd is ingekort” of zoals de voetnota van de TOB vertaling zegt; “letterlijk, “de tijd heeft zijn zeilen gestreken.” Prediken over “die dag” is dus belangrijk. Wij citeren uit B. Wentsel, ’Het gericht en de gerichtsbeleving’, Buijten & Schipperheijn, Amsterdam, 1967, blz.26: “Allereerst is de prediking geen vrijblijvende prediking. Het kardinale verschil tussen een toespraak, een lezing, een beschouwing enerzijds en een preek anderzijds is dat het in een preek gaat om leven of dood, om hemel of hel. Wanneer de tweeërlei weg in een preek niet verkondigd wordt, boet deze aan kracht in en wordt vrijblijvend. Daarom zal in iedere preek tot uitdrukking moeten komen dat er twee wegen zijn om de kracht van de boodschap te accentueren. Wie in gebreke blijft dit te doen, geeft voet aan de gedachte van de vrijblijvendheid en brengt onvoldoende de gemeente onder ogen dat het om tot in de eeuwigheid reikende beslissingen gaat. Vervolgens is de prediking van de tweeërlei weg nodig om de gelovigen te verzekeren. In de bediening van de sleutelmacht verzekert de prediker de boetvaardigen, gelovigen, ontvankelijken en kinderen Gods dat zij staan in het rijk in de weg van geloof en bekering. Zo krijgt de bediening van de sleutelmacht een troostrijk aspect.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

463

Bovendien is de gerichtsprediking nodig omdat de ongelovigen en onboetvaardigen in de gemeente opgeroepen moeten worden het heil te aanvaarden. Men kan immers niet zeggen dat iedere kerkganger reeds tot geloof is gekomen. Ook ongelovigen kunnen in de kerk aanwezig zijn. De gerichtsprediking van het komende oordeel heeft ten doel deze ongelovigen op te roepen tot bekering en geloof om in deze weg deel te krijgen aan het heil. De waarschuwing fungeert daarom in het kader van de oproep om niet voor het leven de dood te kiezen. Tenslotte is de gerichtsprediking nodig omdat ook de gelovigen zich voortdurend moeten toetsen of de noodzakelijke vruchten voor het ingaan in het koninkrijk aanwezig zijn. Het komende gericht gaat immers ook over het levensproject, de vruchtbaarheid van het geloof in geloofswerken, de christelijke daden. Al is Christus het onwankelbare fundament van de zaligheid, niettemin blijkt uit de christelijke levenshouding der gemeente in welk opzicht deze ernst maakt met het heil. De toekomst zal openbaar maken wie de wil des Vaders heeft gedaan.”

Conclusies 1°) Christus verkondigd Joden en Heidenen het oordeel en dat is profetisch voorzegd in Jes.42:1-4 / Mat.12:18-21. Dit blijft de gemeente in Zijn naam verder doen tot de voleinding van de aioon = eeuw. 2°) En al wie niet gerechtvaardigd zal zijn door het geloof ondergaat de veroordeling 1 Tim.5:24. Matthéüs 25:31-46. Het laatste oordeel. Sommigen beschrijven dit Bijbelgedeelte als in vervulling gaande na een nog toekomstige duizendjarige regering. In de klassieke theologie is dit de beschrijving van het laatste oordeel. In enkele Evangelische en Pinkstergroeperingen gaat dit in vervulling na de opname van de gemeente. Waarna nog een duizendjarige regering plaats vindt met Israël als centrale plaats van aanbidding; Israël en de schapen hebben dit oordeel overleefd. Dezen die beweren dat deze gelijkenis aan het begin van de letterlijke duizend jaren uit Opb.20 zal plaats vinden kunnen dit niet wáármaken. Want aan deze uitspraak van de Heer is niets meer te wijzigen, terwijl er nog een aantal in het oordeel van Opb.20:11-15 zullen verworpen worden. Die worden dan twéémaal geoordeeld over een periode van 1000 jaar, iets dat tegen de Schrift ingaat. Daar is iedereen éénmaal geoordeeld. Zijn er twee boeken des levens en twee boeken der werken? Van elk één; één voor het begin van de duizendjarige regering en één erna? En het zijn dan ook (meestal) dezelfden die zeggen dat men in die duizendjarige regering nog tot christelijk geloof kan komen. Dit is dan toch bij deze teksten weerlegd! Er is dus slechts één gevolgtrekking te maken in dit verband: er komt géén duizendjarige regering. De parabel van de schapen en de bokken kan slechts in vervulling gaan op het ogenblik van de tweede komst en zonder dralen daarop aansluitend de schepping van de nieuwe hemel en aarde, want het is deze die de schapen erven. Laat ons aan die uitleggingen enige aandacht besteden. H. Berkhof, zegt in ’De crisis der midden-orthodoxie’, Nijkerk, 1952 blz.34,35: “wij vermijden het over de hel te spreken. Je mag de mensen immers niet bang maken. We vergeten daarbij, dat Jezus in zijn gelijkenissen de mensen wél bang heeft gemaakt. Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht geven? De goede preek dringt ons in een hoek, waarin wij niet langer vrijblijvend kunnen toekijken (...) Omdat wij niet over de hel


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

464

durven te spreken, wordt de hemel een bleek en vanzelfsprekend geval. Omdat wij geen bedreigingen meer durven uit te spreken worden de beloften in onze mond flauw en nietszeggend. En de mensen die voor ons zitten, behoeven niet te beslissen.”

We gaan daarom niet mee met de redenering van Jb. Klein Haneveld die het volgende zegt in de brochure 'Het duizendjarig Rijk' (Het Morgenrood n°35), z.j., blz.8: “De groep volkeren die zich aan de rechterhand van Christus bevinden, zullen de kern vormen van de wereldbevolking gedurende het Duizendjarig Rijk. De volkeren die aan zijn linkerkant gezet zijn, zullen gaan naar “de eeuwige pijn.” De grond van dit oordeel der volkeren is de wijze waarop zij Zijn “broeders” behandeld hebben (d.i. het Joodse overblijfsel) gedurende de verdrukking, die dan juist geëindigd is. Vele gelovigen verwarren het oordeel der volkeren in Mattheüs 25 met het “laatste oordeel” voor de Grote Witte Troon in Openb. 20. Maar hierover behoeft in het geheel geen verwarring te bestaan. In de eerste plaats moeten wij letten op het verschil in tijd van deze beide oordelen. Het oordeel der volkeren zal geschieden, zodra Christus is wedergekomen in heerlijkheid. Het oordeel voor de Grote Witte Troon zal echter plaatshebben op de “jongste dag”, nadat Christus reeds duizend jaren op aarde geregeerd heeft. Verder zullen bij het oordeel van de Grote Witte Troon alleen “de doden” worden opgewekt om te staan voor God. Bij het oordeel van Mattheüs 25 is in het geheel geen sprake van een opstanding, het is eenvoudig een oordeel over de levende “volkeren.” Laten wij in dit steeds bedenken, dat deze profetie te maken heeft met de zgn. christelijke volken onder wie het evangelie reeds gepredikt werd” (onderstreping

is van de schrijver zelf). Deze opmerkingen zitten vol Bijbelse en theologische problemen. Vooreerst moeten we ons de vraag stellen: waarom nog een afgescheiden regering van 1000 jaren toevoegen aan wat de Heer thans doet. Want Hij is nu al Koning en Heer over zowel de wereld als de gemeente. In de volle zin van het woord: want anders hebben al de volgende Schriftuurplaatsen geen enkele betekenis meer, en het zijn slechts een deel van de teksten die we aanhalen in dit verband. Zie o.a. Joh.17:4,5 / Hand.2:31-36 / 4:25-29 / Eph.1:18-23 / Phil.2:9-11 / Col.2:15 / 1 Pet.3:22 / Opb.1:18-23. De dingen die beschreven worden in Ps.2 gaan in vervulling sinds de Hemelvaart. Met Pinksteren is de Heilige Geest gekomen en heerst de Messias te midden van zijn vijanden. Psalm 2 gaat thans in vervulling En we gaan enkele details bekijken uit deze Psalm 2. Vooraf de lijst van de aanhalingen en verwijzingen uit deze Psalm in het NT: Vers:

Citaat:

Ps.2:1 1,2 2 7

Opb.11:18 Hand.4:25,26 Opb.19:19 Mat.3:17 15:3 Marc.1:11 Luc.3:22 9:35


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

8 8,9 9 11

465

Joh.1:49 Hand.13:33 Heb.1:5 5:5 Heb.1:2 Opb.2:26,27 Opb.12:5 19:15 Phil.2:12

Dit is de lijst die we terugvinden in ’The Greek Testament’, ed. K. Aland / M. Black / B. Metzger / A. Wikgren, United Bible Societies, 1966. Nestle / Aland hebben nog voor Ps.2:1,5,12 = Opb.11:18 en Ps.2:2 = Opb.6:15 / 11:15 en Ps.2:7 = Heb.7:28 en 2 Pet.1:27. In H. Wilmington’s, ’Book of Bible lists’, Tyndale, 1987 vinden we voor vers 7 ook nog aangegeven Mat.17:5 en Marc.9:7. De paralleltekst van Jes.2 is te vinden in Micha 4:1-5. Het vers vier ervan verwijst naar 1 Kon.4:25, bij wijze van illustratie. Naar de vredestijd van Salomo tijdens zijn regering. Vers vijf wijst naar de eeuwigheid en niet naar een duizendjarige regering. De tekst toepassen op zo een tijdstip is dus foutief. De WT heeft aan deze teksten volgende interpretatie gegeven in hun recente Bijbels (?) woordenboek: “De profetie van Jesaja en van Micha. In Jesaja 2:2 en Micha 4:1 vormen de woorden “laatst der dagen” de inleiding tot een profetie over de tijd waarin mensen uit alle natiën naar “de berg van het huis van Jehovah” zouden stromen. In een typologische vervulling werd de aanbidding van Jehovah in de tijd tussen 29 en 70 G.T., gedurende het laatst der dagen van het joodse samenstel van dingen, verhoogd boven de hoge positie die heidense natiën aan hun valse goden toekenden. De Koning, Jezus Christus, maakte “een doorbraak” doordat hij de ware aanbidding verhoogde, waarop eerst een overblijfsel van de natie Israël zich bij hem aansloot en vervolgens mensen uit alle natiën hem gingen volgen (Jes 2:2; Mi 2:13; Han 10:34,35). In een tegenbeeldige vervulling, is het laatst der dagen van dit samenstel van dingen, is de aanbidding van Jehovah hemelhoog verheven. De Koning, Jezus Christus, heeft het overblijfsel van het geestelijke Israël tot de zuivere aanbidding geleid, en een grote schare uit alle natiën is hen gevolgd. - Opb 7:9.” ’Inzicht in de Schrift’, deel 2, 1997, blz.141. (wij

onderstrepen). M.a.w. voor een Jehovah’s Getuige gaat dit thans geestelijk in vervulling zoals dat al eens geschied was in de tijd van de eerste christenen. Ze beweren dat ze het nieuwe verbondsvolk zijn, niemand anders. Ook Mormonen leren iets dergelijks, ze noemen zich trouwens “de heiligen van de laatste dagen.” Men mag deze vervulling ook niet interpreteren zoals Jb. Klein Haneveld doet die het volgende zegt van Ps.2: “De Here Jezus leeft en zit thans aan de Rechterhand van de troon Zijns Vaders in de hemel. Hij is daar, onbereikbaar voor zijn vijanden, verborgen bij God! Maar de dag nadert, dat Jezus tot grote schrik der naties andermaal in deze wereld zal komen om de volken te oordelen, om Zijn vijanden onder zijn voeten te verpletteren en om zijn koninkrijk van gerechtigheid en vrede op aarde op te richten (...) Met de kruisiging en de dood van de Here Jezus is de profetie dan ook allerminst uitgeput (...).” Zie

'Gods antwoord op de rebellie der volken', (Het Morgenrood brochure n°32), z.j., blz.9. Dan volgt


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

466

een lang verhaal dat Christus nog terugkomt om over de volkeren te heersen in een duizendjarige regering. Maar dat is in de Psalm iets inleggen dat er niet staat. De aanhaling van de Psalm zo kort na Pinksteren door Petrus en Johannes (in Hand.4:25,26) maakt het duidelijk dat de Heer vanaf dat moment regeert en heerst “in het midden van zijn vijanden” (Ps.2:6 en 7 en Ps.110:2). Wie aan het einde van Zijn regeerambt niet zal voldoen aan de voorwaarden om het eeuwige koninkrijk te beërven zal verwijderd worden uit Zijn tegenwoordig rijk dat de aanloop is tot het eeuwige (vers 9). Over een duizendjarige regering waarin Hij slechts over de aarde regeert staat in Psalm 2 niets. De Heer regeert thans met liefde over zijn volk. En over zijn vijanden met de dreiging dat indien ze niet vrijwillig Zijn koningschap aanvaarden verbrijzeld worden onder het gericht van Zijn oordeel (verzen 10-12). Dat is trouwens één van de problemen van dezen die de toekomstige duizendjarige regering prediken, hun Christologie gaat mank op het punt van het Koningschap van de Heer. Zoals ook trouwens Adventisten verkeerdelijk de verzoening beoordelen, die nog niet volledig zou zijn, dan wanneer ze is toegepast. De Gemeente Gods: Priesters, Profeten, en Koningen. Vervolgens is er ook de vraag: waar en waarover regeert Gods Gemeente en sinds wanneer? Wat zeggen verdedigers van de duizendjarige regering hiervan. We citeren uit W.J. Ouweneel, ’Wat is Christelijke hoop?, Uit het Woord der Waarheid, 1975, blz.41,42: “Heerst Christus dan nu al niet met de ontslapen gelovigen over de wereld? Zeker niet. Nooit zegt de Schrift dat ontslapen maar nog niet opgewekte gelovigen nu al heersen. Zij zúllen over de aarde heersen (Openb.5:10), maar pas na de eerste opstanding. Maar wat nog veel sterker spreekt: ook Christus Zelf heerst nu nog niet! Niet het tegenwoordige maar het toekomstige aardrijk is aan Christus onderworpen; nu zien wij nog niet alle dingen aan Hem onderworpen (Hebr. 2:5,8). God heeft tot de Heere Jezus gezegd: “Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet heb tot een voetbank voor uw voeten” (Hand.10:34,35). Is dat al vervuld? Nee, Christus wácht Zelf nog op de vervulling van dit Woord. God zal Hem stellig straks de troon Zijner vader David geven (Luk.1:32), maar nu zit de Heere Jezus nog niet op deze eigen troon van Hem, maar ten rechterhand van God in Díens troon. De Heere zegt Zelf: “Wie overwint, die zal Ik geven met Mij te zitten op Mijn troon, zoals ook Ik overwonnen en mij gezet HEB met Mijn vader op Zijn troon” (Openb.3:21). De regering van Christus wordt onveranderlijk gezien als plaatshebbend na Zijn wederkomst, zoals we ook zagen in Openb.19 (vs.15) en 20 (vs.4 en 6)” (wij onderstreepten wat de schrijver heeft schuin gezet, zwart en gestreept

is door onszelf). Lees de volgende Schriftuurplaatsen die aantonen dat elk volwassen lid van de gemeente van Christus thans is aangesteld als: priester, profeet en koning. Daar komt geen onderscheid aan te pas van ras, stand of biologische sekse (Gal.3:26-29). Bekeerde Joden zijn niet beter dan bekeerde heidenen.

Priesters: 1 Pet.2:9 (vergelijk Ex.19:6) / Eph.2:18 / 2 Tim.4:6 / Heb.13:15,16. Offeren redelijke eredienst aan God Rom.12:2 Brengen geestelijke offers 1 Pet.2:5. Aanbidden in Geest en Waarheid Joh.4:23. Wij zijn tot lof van Zijn heerlijkheid Eph.1:12,14 / 2 Thes.1:12.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

467

Profeten: Hand.2:14-22 / Phil.4:8,9 / 1 Tim.4:6 / 5:17. In het doorgeven van het evangelie 2 Tim.2:2 In het openbaar belijden Rom.10:10. Wanneer wij de Heer belijden zal Hij ons Belijden bij Zijn Vader Mat.10:32,33.

Koningen: Col.1:13,14 / Opb.1:6 / 5:9,10. De gemeente is in oorlog met de machten en regeerders van de duisternis Eph.6:12 (vgl.1 Joh:2:15). Elke gelovige in de gemeente heeft door de Heer nu reeds een plaats gekregen in de hemelse gewesten Eph.2:6. Daarin zijn we door genade méér dan overwinnaars Rom.8:37-39 (vgl.Rom.7:22,23). Gelovigen hebben “de boze overwonnen” 1 Joh.2:14 èn de goddeloze “wereld” 1 Joh.5:4. We delen thans reeds in Zijn verheerlijking Rom.1:17. We zijn mede-erfgenamen met Christus Rom.8:17. Dit is de tijd waar gelovigen de goede strijd strijden 1 Tim.6:12 / 2 Tim.4:7 Om naar waarde te schatten wat het koning-zijn van de gemeente en haar gelovigen inhoudt, kan men dit het best illustreren met wat het koning-zijn van Christus is. In het OT was voorzegd dat het koningschap over Israël steeds in het geslacht van David zou blijven (1 Sam.7:16). Toen de engel Gabriël verscheen aan Maria om haar het nieuws te melden dat ze een zoon zal baren voegt hij hieraan toe: “en Hij zal als koning over het huis van Jacob heersen tot in eeuwigheid” Luc.1:33. Wanneer het boek Openbaring dat thema aanhaalt lezen we over Hem dat Hij “heerst in alle eeuwigheid” en “Koning der koningen” is (Opb.11:15 / 17:11). Maar wat in die tussentijd? Wat vanaf Zijn opstandng tot Zijn tweede komst? Regeert Hij nu reeds? Zo ja, sinds wanneer? En op welke wijze? Zijn lijn van afstamming loopt van Abraham naar David de eerste “echte” koning in Israël (Mat.1:1). De engel Gabriël spreekt over Hem als de toekomstige “koning over het huis van Jacob” (Luc.1:32,33). Maria profeteert de vervulling van de beloften aan Abraham gegeven en daar is in een later stadium de ganse wereld bij betrokken (Luc.1:46-56). Zacharias bezingt het herstel van “het huis van David.” Het “heilige verbond (...) verbond dien Hij (God) zwoer aan Abraham” zal God gedenken (Luc.1:69,70,72,73). De Magiërs gaan op zoek naar “de koning der Joden (...) want wij hebben zijn ster gezien” (Mat.2:2). De profeet Simeon ten slotte looft God wanneer hij de kleine Jezus in zijn armen neemt. Hij heeft nu met eigen ogen “het heil van de wereld” gezien (Luc.2:29-32), dus de heilbrenger voor de ganse wereld. De Zoon Gods is volgens Zijn vroegste discipelen - en dat ligt 30 jaren na de aangehaalde teksten hierboven - een “koning Israëls” (Joh.1:50). Voorstanders van het chiliasme leggen nadruk op de plaats van waaruit de Heer zal regeren; in Jeruzalem. De nadruk die de Schrift echter legt op Zijn koningschap is niet het territorium waarover geregeerd wordt maar het feit dat Hij


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

468

“alle macht” heeft. En dat is de grondbetekenis van zowel het Hebreeuwse woord “malkut” als het Griekse “basileia”: het wijst naar de koninkrijksautoriteit, de regeermacht. De Heer geeft dit van zichzelf te kennen bij de Hemelvaart (Mat.28:18) en zó wordt het door Paulus geïnterpreteerd sinds die Hemelvaart (Eph.1:20-22). De Heer regeert thans en de zichtbaarheid in Jeruzalem heeft daar niets mee te maken. De Heer heeft Zijn regeerambt bijna 2000 jaar geleden opgenomen. Het is géén regering “door geweld” maar door “het woord en de Geest” (Joh.14:23 / 16:30). Christus dwingt niemand. Het is een liefdevolle uitnodiging om zich onder Zijn heerschappij te plaatsen (Luc.14:23 / Joh.6:67). Wie tot Hem komt (wie onder Zijn regering wil leven) mag ook zeker zijn van de bescherming van deze koning (Mat.16:18). Niemand of niets kan dat in de weg staan; vijanden niet en zelfs de dood niet (Joh.10:28 / 1 Pet.1:5). Dat wil zeggen: Jezus, de zoon en énige wettelijke opvolger van David, regeert reeds en hoeft niet te wachten om daar mee aan te vangen in een toekomstig rijk. Hij “heeft” getriomfeerd over machten en overheden en zit nu “in” de troon van God en doet Zijn werk als koning (Mat.26:64 / Eph.4:8 / Col.2:15 / Opb.3:21). Nu zeggen verdedigers van een komende duizendjarige regering dat de gelovigen natuurlijk thans priesters en profeten zijn. (Zie o.a. Bijbelles n°8 van Scofield in ’Het Morgenrood’ brochure n°27, z.j., blz.12; alle gelovigen zijn priesters. En in Les n°12, op blz.19 staat dat alle gelovigen getuigen (profeten) moeten zijn; met verwijzing naar Hand.1:8 / Joh.3:11 / 2 Tim.1:12). Alleen moeten we volgens hen het koningschap, dat we samen delen met de Heer, in de toekomst zetten. Maar daar wringt dan iets gezien de teksten die we hebben aangehaald. We zijn als gelovigen nu al opgenomen in: “het koninkrijk van de Zoon zijner liefde” (Col.1:13). Dat wil niet zeggen in de toekomst, maar vanaf het moment dat men door God uit de duisternis van de wereld is weggenomen; m.a.w. op het moment van de wedergeboorte van elke christen. Dat zegt de context in de brief aan de Colossenzen duidelijk. Wat is dat koningschap van de gelovigen dan? Dit is niet zo moeilijk te begrijpen gezien we reeds in het OT een aanduiding vinden die op hetzelfde wijst. Vierhonderd jaar vóórdat er sprake was van énige koning in Israël was het volk zelf al uitverkozen tot een geslacht van “priesters en koningen.” Want in die zin was het verbond gesloten op Sinaï. En die tekst uit het OT wordt door Petrus toegepast op het nieuwe geestelijke Israël, op Messiasbelijdenden uit de Joden en uit de Heidenen (Ex.19:6 / 1 Pet.2:9,10). De nieuwe “besnijdenis” bestaat uit zowel Joden als Heidenen. Samen vormen ze het Nieuwe Israël (Gal.6:16). In 'Korte verklaring der Heilige Schrift, De Openbaring des Heeren aan Johannes' van S. Greijdanus, Kok, 3de druk 1955, lezen we bij Opb.5:9,10 de volgende woorden: “En Hij maakte zijn gekochten en gelovigen een koninkrijk Gode, en priesters, Hem tot heiligen dienst, en tot koningen over de gehele aarde. We hebben hierbij reeds de voorstelling van hetgeen eerst ten volle werkelijkheid zal zijn na den jongsten dag. Het aanvankelijke was ook toen wel gewerkt; en kan de eeuwen door in meerdere of mindere mate gezien worden. Maar wat hier gezongen wordt, zal in rechte volheid eerst verwerkelijkt en aanschouwd worden na den jongsten dag. Met dit lied leven we in den geest dus reeds in den toestand der eeuwigheid” (blz.110). En op blz.28,29 als uitleg bij Opb.1:6: “Wat God Israël wilde doen zijn, dat maakt de Heere Christus Zijn verlosten, hier in beginsel en bij aanvang, eens in volle glorie. Hij verbindt hen allen aan elkander, en doet hen gezamenlijk zijn een volk, Zijn volk, en wel een koninkrijk, waarvan Hij Zelf de Koning is. Alles is daarin wel geordend, in een schone, vaste maar toch vrije, eenheid, waarin het alles schittert van Zijn goedheid, wijsheid, en majesteit.”


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

469

Een derde aantekening naar aanleiding van de opmerkingen van Jb. Klein Haneveld is in verband met de “behandeling” van de broeders. Het zou om Israël gaan en hoe de “andere volkeren” hen behandelen. Laat ons dan eerst duidelijk stellen dat dit Schriftgedeelte zegt dat “al de volken” voor de Heer verzameld worden. Dat wil zeggen dat ook Israël er moet bij gerekend worden en dat ook zij geoordeeld en waar nodig veroordeeld worden. Dat de term “alle volkeren” in het NT ook Israël insluit ziet men uit volgende Schriftuurplaatsen. Het evangelie moet aan “alle volkeren” gepredikt worden, dat wil zeggen ook aan Israël (Mat.28:19 / Hand.1:8). Abraham is de vader van vele “volkeren”, letterlijk al zijn vleselijke afstammelingen, maar tevens geestelijke vader van alle gelovigen uit de andere volkeren (Rom.4:16,17). Thans moet gepredikt worden “gehoorzaamheid des geloofs (...) onder alle volken” dus ook Israël is niet uitgesloten (Rom.16:26). Zie voor het gebruik van de term “alle volkeren” nog Opb.5:9 / 10:11 / 14:6,8 / 18:3 / 21:24 / 22:2. En we gaan nog iets verder in op de betekenis van “alle volkeren” zoals uitgelegd in de leer van Scofield. Robert Strong, in leven professor homelitiek aan de Reformed Theological Seminary in Jackson, antwoordde daarop in 1942 als volgt: “De stelling is dat met de komst van Christus naar deze aarde hij alle levende volkeren zal oordelen al naar gelang de wijze waarop ze met de Joden gehandeld hebben. Slechts dezen die ze met goedheid hebben behandeld “als broeders” van Christus zullen het duizendjarige rijk binnengaan (...) Zowel theologische als exegetische argumenten zijn naar voren gebracht door wie deze leer aannemen. Maar de vraag hangt in zijn totaliteit af van slechts één ding: wat is de betekenis van de uitdrukking “alle volkeren” - panta ta ethne. Heeft deze uitdrukking te maken met volkeren in de zin van een politieke grootmacht? Indien niet wat is dan de betekenis? Men kan dan zonder dat er enige tegenspraak is zeggen dat nergens anders in het NT er een voorbeeld zou zijn dat “alle volkeren” wijst op een georganiseerde regering. Merk dat op bijvoorbeeld in Mat.28:19 waar Jezus het volgende zegt: “Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen.” Het gaat dan om dezelfde Griekse uitdrukking. Nu zal toch niemand leren dat de Heer hiermee bedoelde dat zijn discipelen de regeringen van deze aarde moesten onderrichten. De betekenis is duidelijk dat ze de mensen van alle volkeren moesten leren. In Markus 11:17 lezen we dat Jezus zegt: “Staat er niet geschreven, dat mijn huis een bedehuis zal heten voor alle volken?” Het is een aanhaling die Hij maakt uit Jes.56:7 dat gedeeltelijk het volgende zegt: “mijn huis zal een bedehuis heten voor alle volken.” Nu vertaald Hand.15:17 dit begrip als “alle heidenen.” En in Rom.16:26 zegt Paulus dat Gods geheimenis is geopenbaard “tot bewerking van gehoorzaamheid (...) onder alle volken.” De zichzelf steeds herhalende betekenis is deze van; mensen uit alle volkeren. Thayer zegt dat de term ta ethne wijst op “vreemde volkeren” die de ware God niet aanbidden, paganisten, heidenen” en voegt eraan toe dat Paulus de term zelfs gebruikt voor heidenchristenen. Vincent zegt over Mat. 25:32: “Het gehele mensenras, ofschoon het woord “volken” meestal gebruikt wordt voor heidenen in onderscheid van de Joden!” De gevolgtrekking kan dan slechts deze zijn: C.I. Scofield, Dr. Feinberg en alle anderen die hier iets belangrijks willen achter zoeken, van wat een alledaags Engels (of Nederlands G.B.) woord voor volken is hebben de belangrijkheid van dit bijbelgedeelte niet juist ingeschat” (J. Skilton en C. Ladley edit., ’The New Testament Student and Bible Translation’, Vol.

IV, Presbyterian and Reformed Co, 1978. Het artikel van R. Strong is ’The Olivet Discourse and the Lord’s Return’, we citeren blz.230,231).


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

470

En nog een detail dat te maken heeft met de Griekse tekst. Het begrip volken is in het origineel een onzijdig woord. Nu spreekt vers 32 over “hen” in de mannelijke vorm. En “gij gezegenden” en “gij vervloekten” in vers 34 en 41 zijn dit eveneens. De grammatica verplicht ons om in de woorden “ta ethne” niet één of andere vorm van regering te zien maar de individuen waaruit ze zijn samengesteld. Wanneer de uitspraak volgt na de scheiding zijn “deze” en de “rechtvaardigen” ook weergegeven in de mannelijke vorm. Vierde opmerking over de leer van Jb. Klein Haneveld: de broeders = het vleselijke Israël. Maar dat staat niet in de tekst. En een goed inzicht over wat de prediking van Christus inhoudt verplicht ons zeker niet tot die interpretatie. Integendeel. Ofschoon de Heer met nadruk zegt dat Hij gekomen is om Israël's bekering te bewerken toch horen we ook reeds doorklinken dat heidenen (andere volkeren) daar niet van uitgesloten zullen worden. Israël zowel als de wereldse “andere” volkeren moeten zich “bekeren” of ze gaan hun eigen veroordeling tegemoet. Zie voor Israël Mat.5:22,26,29 / 10:28,33 / Hand.5:31 / 13:24 en voor de volken Luc.24:47 / Hand.11:18 / Rom.2:4 / 2 Pet.3:9. Ook “omkeren” (andere stappen zetten in je leven) zit er in voor Israël én “andere” volkeren. Zie voor Israël Mat.13:15 / Marc.4:12 / Luc.1:16,17 / Joh.12:40 / Hand.3:19 en voor “andere” volkeren Hand.11:21 / 14:15 / 15:19 / 26:18,20. Voor alle mensen zonder onderscheid zijn de voorwaarden tot ontvangen van het “zoonschap” van God dezelfde. Er bestaat géén apart evangelie voor Joden en een ander goed nieuws voor “andere” volkeren. Daaruit volgt dat wanneer Christus over “mijn broeders” spreekt we twee uitleggingen moeten openlaten maar zeker geen identificeren met het vleselijke Israël voorop moeten stellen. De ene manier om over de broeders van de Heer te spreken zou zijn dat het slaat op Zijn “geestelijke broeders” en dat zijn niet slechts de gelovigen uit Israël. Uit welke “stam” of “volk” ze dan komen doet er niet toe. En de tweede uitleg, een modernere, is dat de broeders van de Heer alle verdrukten, hongerigen en dorstigen voorstellen. En beide zijn verdedigbaar vanuit teksten uit het evangelie van Matthéüs zelf. Zie voor het eerste Mat.12:48-50 / 18:15,21,35 / 23:8 / 28:10 waar “adelphos” (broeders) in de zin van geestelijke geloofsbroeders staat. Zie voor het tweede, de identificatie van de “adelphos” als de arme, verdrukte in letterlijke zin Mat.5:22,23,24,47 / 7:3,4,5. Elke gelovige in Christus is verplicht deze “goede werken” te doen, anders is zijn geloof een dood geloof (Mat.7:12 / Heb.11:6,7). En nog een vijfde opmerking volgt uit de vierde. Er is in dit oordeel geen sprake van verdienste van de schapen. Ook zij moeten, of ze er zich van bewust zijn of niet, weten dat wát men ook doet, steeds in de optiek staat van de “onnutte slaaf” (Luc.17:10). Achter het verhaal van de schapen en de bokken staat de soevereine schuldvergeving van de Heer (Marc.2:10 / Mat.10:22). Het gaat in het gericht steeds om liefde, dat het hoogste gebod is, en schuldvergevende genade waar wij niet meester over zijn of zelf in de hand hebben. De gelijkenis in Mat.18:21-35 is daar een goede illustratie van. Laat ons het paard niet achter de kar spannen. Dat wij als gelovigen géén antisemitische gevoelens mogen hebben is duidelijk, we mogen trouwens geen énkel volk haten! Men mag Mat.25:31-46 dus niet uitleggen alsof het om rassenhaat gaat, daar spreekt de parabel niet over. Over het al dan niet accepteren van het Joodse volk in de staat Israël gaat het ook niet, terwijl de verdedigers van de leer van de toekomstige duizendjarige regering dit meestal voorop zetten. Hierin zijn Jehovah's Getuigen en Zevendedags Adventisten uitzonderingen want dezen


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

471

hebben een variante op de gewone leer van de duizendjarige regering. Geen van beiden geloven in het herstel van Israël als Gods volk in dat land in het Midden Oosten. De korte inhoud van wat deze gelijkenis ons wil zeggen is dan deze: I Een troon in heerlijkheid (verzen 31,32a). 1) De Heer der heerlijkheid zit op de troon (Joh.5:22,27 / 1 Cor.2:8). 2) Engelen vergezellen de Heer om Zijn werk te doen (Mat.13:41,42 / 2 Thes.1:7,8 / Judas 14). “Zijn engelen” zullen dit werk zonder morren uitvoeren (Mat.16:27 / Marc.8:38). 3) De volken staan vóór de troon om zonder onderscheid in het oordeel te komen “Om een ieder te vergelden naar zijn daden” (Mat.16:27). Goed en kwaad dat tot nu toe ongemengd in de kerk en de wereld naast elkaar bestonden worden van elkaar gescheiden voor de eeuwigheid(Mat.13:24-30). II Een scheiding (verzen 32b,33). 1) Christus kent wie Hem toebehoort en wie niet (Joh.10:14 / 2 Tim.2:12). 2) De scheiding is “ALS VOLK” EN “ALS INDIVIDU” de éne gescheiden van de ander (Rom.4:12 / 2 Cor.5:10). Zoek niets te bewijzen op theologisch vlak uit de volgorde van die scheiding. In Mat.13:49 worden “de bozen uit het midden der rechtvaardigen” door de engelen afgezonderd. Maar in de voorafgaande gelijkenis - van het sleepnet - worden goede vissen verzamelt van tussen de ondeugdelijke Mat.13:48. 3) Elk krijgt bij de scheiding een plaats toegewezen (Eph.1:4 / 2 Tim.1:9). Dat wil zeg gen dat de eerste fase van de Wederkomst reeds achter de rug is t.t.z. “de opstanding uit de doden” (Marc.13:27). De laatste bazuin heeft geklonken (1 Cor.15:52 / 1 Thes.4:16) en de opgewekte doden worden geoordeeld. a) schapen aan één zijde, rechts, de plaats van eer (Ps.110:1 / Marc.16:19 / Opb.1:16,17). b) bokken aan de andere zijde, links, de plaats van oneer (Mat.7:23 / 2 Thes.1:9). c) van een gulden middenweg is er géén sprake. Er kan na dit oordeel geen verzoening meer zijn of aflossing van zonden in een vagevuurtoestand (Mat.7:13,14 / 12:30). III Een zegen over de schapen (verzen 34-40). 1) De uitnodiging “kom tot Mij”, wil zeggen aangenomen en verzoend (Mat.11:28 / Marc.10:14 / Joh.7:37). 2) Zij beërven het koninkrijk; voor eeuwig (Joh.14:1-3 / Rom.8:17 / 1 Pet.1:3,4). 3) Gezegend omdat ze als gelovigen niet slechts hoorders maar daders in geloof bleken te zijn (Gal.6:10 / Jac.2:5).


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

472

IV Een verwerping van de bokken (verzen 41-45). 1) Een afwijzing: “Ga weg.” Nu zegt de Heer nog steeds: “kom tot Mij.” 2) Zij gaan naar een plaats waar ook de duivel (Satan) en zijn engelen zullen zijn; voor eeuwig. Dat is wég van God, van Christus en van het koninkrijk. 3) Op grond van hun hebzucht en eigenliefde zullen ze geoordeeld worden. Ze zijn nooit een deel van Christus geweest of hebben deelgehad aan Zijn Koninkrijk. Ze waren vijanden van de Heer (Hand.9:4,5). V De eeuwigheid (vers 46). 1) Bokken gaan voor eeuwig naar de plaats van duisternis, zonder God en een eventuele wijziging in de toekomst zit er niet in (1 Cor.6:9 / Opb.14:9-11). 2) Schapen gaan voor eeuwig met God - Vader, Zoon en Heilige Geest leven op een nieuwe hemel en aarde (Opb.21:1,2). 3) De uitspraak is onherroepelijk en de beslissingen zijn gevallen voor eeuwig, ze zijn niet meer te wijzigen. Handelingen 2:17. In de laatste dagen.

Wat zij op dat gebied leren J. Schouten zegt in ’Het Zoeklicht’ van 30 mei 1998 op blz.10: “Voor Israël wordt de uitdrukking “de laatste dagen” vooral gebruikt als het gaat over de terugkeer van het volk vanuit de diaspora, de verstrooiing. “In het laatste der dagen zult gij dat inzien.” Dat Israël nu al tientallen jaren bezig is terug te keren naar het land dat God hun heeft gegeven tot een eeuwige bezitting is een belangrijk teken dat we in de laatste dagen zijn aangekomen.” Scofield zegt over de laatste dagen het volgende op blz.1151: “Men moet een onderscheid maken tussen “de laatste dagen” wanneer de voorspelling betrekking heeft op Israël, en de “laatste dagen” wanneer de voorspelling in verband staat tot de Kerk (1 Tim.4:1-3 / 2 Tim.3:1-8 / Heb.1:1,2 / 1 Pet.1:4,5 / 2 Pet.3:1-9 / 1 Joh.2:18,19 / Jud. 17-19). Merk ook op dat er staat “laatste dagen” (meervoud) en “laatste dag” (enkelvoud): het laatste heeft betrekking op de opstandingen en het laatste oordeel (Joh.6:39,40,44,45 / 11:24 / 12:48). De “laatste dagen” in verband met de kerk begonnen met de komst van Christus (Heb.1:2) maar hebben speciaal betrekking op de tijd van afval en verval aan het einde van deze eeuw (2 Tim.3:1 / 4:4). De “laatste dagen” met betrekking tot Israël zijn de dagen van de verhoging en zegening van Israël, en zijn synoniem met de koninkrijkseeuw (Jes.2:2-4 / Mich.4:1-7). Ze zijn de “laatste” niet met betrekking tot deze eeuw, maar met betrekking tot de ganse geschiedenis van Israël.”

In de Bijbelstudie-katern van het tijdschrift ’Amen’, n°10, december 1996, blz.17 (19) lezen we het volgende: “Maar alle toekomstige zegeningen voor het volk en het land zijn afhankelijk van Israëls


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

473

terugkeer tot de HERE. Dat moeten we bij de beoordeling van de huidige situatie niet uit het oog verliezen. De Israëli’s hebben geweldige prestaties verricht en grote dingen gedaan. Maar het is alles in ongehoorzaamheid en ongeloof gedaan. Het is een eigenmachtig vooruitgrijpen op Gods beloften. Het punt waarop het aankomt is niet, of de Israëli’s grote dingen gedaan hebben, maar of die dingen de werken van hun handen zijn of dat het dingen zijn, die God beloofd heeft te zullen doen! Lees Jesaja 41:18-20: De HERE zal het doen! Om het land weer overvloedig regen te geven heeft God de kostbare irrigatiewerken niet nodig. Dat de woestijn weer bloeien zal als een roos (Jes.35) zal niet het gevolg zijn van menselijke inspanning en vindingrijkheid. Alles waarop de Israëli’s nu prat gaan, is niet de vervulling van Gods beloften. Integendeel, Gods hand is nog tegen het volk uitgestrekt. Het is nog steeds “Lo-Ammi” d.i. “Niet Mijn-volk” (Hosea 1:9). Ze zijn naar Paulus’ woorden “beminden om der vaderen wil”, maar dat is geen reden om de Joden van nu te idealiseren en hen als “onze oudste broer” te beschouwen (...) (...)Moeten we bidden voor het welslagen van de opbouw van de Joodse staat? Moeten we de Joodse economie steunen? Moeten we ons als christenen opstellen achter de staat Israël? Het ontkennend beantwoorden van deze vragen betekent niet dat men antisemitisch is. Dan was Paulus het ook! We zijn ervan overtuigd dat wie nu vijandig staat tegenover het Joodse volk zich de toorn van God op de hals haalt.” De schrijver van het artikel is P.A. Slagter. We geven u dit citaat om u erop te

wijzen dat niet in alle kringen van dezen die de bedelingenleer aannemen bepaalde zaken gezien worden als tekenen van een zeer korte tijd die ons rust voor de Wederkomst. Eén opmerking of beter een vraag: kan u lezer die in de bedelingen geloofd u hiermee verzoenen? Waarom lezen we dan zoveel over het wonder van God aan Israël in deze tijd in jullie tijdschriften als ware het de vervulling van profetie?

Wat wij op dat gebied leren Eén van de manieren waarop de verdedigers van een toekomende regering van duizend jaar omgaan met een uitdrukking als “in de laatste dagen” is dat deze betrekking heeft op 1914 ( Jehovah’s Getuigen) of de tijd onmiddellijk voorafgaande aan Zijn Wederkomst (Hal Lindsay en vele anderen). Soms heeft een tekst te maken met de duizendjarige regering zelf. Er zijn enkele teksten uit het OT die op die wijze worden uitgelegd (Jes.2:2 / Ezech.38:16). Maar laten we daar niet te hard van stapel mee lopen. Sommigen gaan gewoon in vervulling in een korte tijd nadat de voorzegging is uitgesproken. Enkele voorbeelden mogen dat duidelijk maken. De “laatste (latere) dagen” van Israël van de Babylonische gevangenschap duren 70 jaren. In een visioen van de “tijd van het einde” zijn bepaalde dingen voorzegd die niet lang nadien in vervulling gaan. Zo is Dan.8:17-24, al vervuld wanneer Alexander de Grote het Medo-Perzische Rijk veroverde en dat is slechts de 4de eeuw vóór Christus. “De laatste dagen” van Dan.10:14 zijn vervuld in de 2de en 1st eeuw vóór Christus.

“De laatste dagen” in het OT Daarom ook de lijst van bijna alle teksten in dit verband uit het OT. De gevolgtrekking hierover volgt later.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

474

Jes.2:12: “Want er is een dag van de HERE der heerscharen tegen al wat hoogmoedig is en trots en tegen al wat zich verheft, opdat het vernederd worde.” Zie ook Spr.16:18,19 / 1 Pet.5:5. Jes.13:6: “Huilt gij lieden, want de dag des Heren is nabij; hij komt als een verwoesting van de Almachtige.” Over Babylon, vergelijk Jer.51:8. Jes.13:9,10: “Zie, de dag des HEREN komt, meedogenloos, met verbolgenheid en brandende toorn, om de aarde tot een woestenij te maken en haar zondaars van haar te verdelgen. Want de sterren en de sterrenbeelden des hemels doen hun licht niet stralen, de zon is bij haar opgang verduisterd en de maan laat haar licht niet schijnen.” Over Babylon. Voor vers 10 vergelijk Joël 2:31 / 3:15 / Mat. 24:29,30. Ezechiël 7:10: “Zie, de dag! Zie, het komt; de doem voltrekt zich; de staf bloeit; de overmoed spruit uit.” Joël 1:15: “Wee die dag, want nabij is, de dag des Heren; als een verwoesting komt hij van de Almachtige.” Joël 2:1: Blaast de bazuin op Sion en maakt alarm op mijn heilige berg! Dat alle inwoners des lands sidderen, want de dag des HEREN komt. Want hij is nabij.” Joël 2:11: “En de Here verheft zijn stem voor zijn strijdmacht heen, want zijn leger is zeer talrijk; want machtig is het leger dat zijn woord volbrengt; want groot is de dag des Heren en zeer geducht! Wie zal hem verdragen?” Zie ook Num.24:23. Joël 2:31: De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en geduchte dag des HEREN komt.” Vervulling in Hand.2:20. Amos 5:18: “Wee dien, die des HEREN dag begeren! Waartoe toch zal ulieden de dag des HEREN zijn? Hij zal duisternis wezen en geen licht.” Zie ook Jes.5:19 / Jer. 17:15. Amos 5:20: “Duisternis zal immers de dag des HEREN zijn en geen licht, ja donker en zonder glans.” Obadja 1:15: “Want nabij is de dag des HEREN over alle volken; zoals gij gedaan hebt, zal u gedaan worden, uw daad zal op uw eigen hoofd terugvallen.” Vergelijk 1 Pet.4:17. Zef.1:14: “Nabij is de grote dag des HEREN, nabij en hij nadert haastig. Hoort, de dag des HEREN; bitter schreeuwt dan de held.” Vergelijk Rom.13:12 / Heb.10:37 / Opb.22:20. Zach.14:1: “Zie, er komt een dag voor de HERE, waarop de buit, op u behaald, binnen uw muren verdeeld zal worden.” Vergelijk 1 Thes.5:2 / 2 Pet.3:7,8,10,12.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

475

Mal.3:2: Doch wie kan de dag van zijn komst verdragen, en wie zal bestaan, als Hij verschijnt? Want Hij zal zijn als het vuur van de smelter en als het loog van de blekers.” Vervulling in Mat.3:10-12. Mal.4:1: “Want zie, de dag komt, brandend als een oven! Dan zullen alle overmoedigen en allen die goddeloosheid bedrijven, zijn als stoppels, en de dag die komt, zal hen in brand steken - zegt de HERE der heerscharen - welke hun wortel noch tak zal overlaten.” Vervulling in Mat.3:12 / 2 Pet.3:7. Mal.4:5: “Zie, Ik zend u de profeet Elia, voordat de grote en geduchte dag des HEREN komt.” Vervulling in Mat.11:13,14 / 17:9-13. Van alle teksten uit het OT is deze van Dan.2:28 één van de belangrijkste. Daar staat het volgende: “Maar er is een God in de hemel, die verborgenheden openbaart; Hij heeft Nebukadnessar bekendgemaakt wat in de toekomende dagen geschieden zal.” En zo een verborgenheid is: “Maar in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk oprichten, dat in eeuwigheid niet zal te gronde gaan, en waarvan de heerschappij op geen ander volk meer zal overgaan: het zal al die koninkrijken verbrijzelen en daaraan een einde maken, maar zelf zal het bestaan in eeuwigheid” (vers 44). God zal Zijn eigen Rijk oprichten. En dat heeft te maken met de prediking van Jezus. Volgens Marcus 1:15 leefde men toen in “de tijd die vervuld wordt.” De tijd daartoe was dan “nabij.” De zeshonderd jaar vroeger uitgesproken voorspelling zou zich vervullen. Dus in de tijd dat het Romeinse Rijk, het vierde rijk bestaat en werkzaam is, zal God Zijn Rijk oprichten. Vanuit het standpunt van God bestaan al die rijken, die het beeld vormen, op datzelfde moment. Wat natuurlijk vanuit menselijk oogpunt niet waar is. Dan.2:44 wijst niet naar 1914 (Jehovah’s Getuigen) of een komend duizendjarig rijk (vele anderen), maar heeft zijn vervulling in dezelfde tijd dat Joël 2 in vervulling gaat. Met Pinksteren is de tijd van het einde begonnen in een betekenis zoals nooit tevoren. Dat is eigenlijk evident uit de aard van de prediking van Johannes, Jezus en de apostelen; ze zeggen allen; “het Koninkrijk is nabij.” Dat is een tijdselement dat men al vlug vergeet in sommige kringen. De Heer zou Zijn Koninkrijk hebben aangeboden, maar Israël zou het niet hebben aangenomen en daarom zou God het uitstellen tot later. Dat maakt van dezen die het toen gepredikt hebben valse profeten, inclusief Jezus! Dat willen we toch niet! Het is toch zo dat, hoe we het draaien of keren, van de gemeente wordt gezegd dat ze opgenomen is in “het Koninkrijk van de liefde” volgens Col.1:13. Indien we zeggen dat er een tussentijd door God is ingevoegd nadat Israël zijn Messias verwerpt, dan moeten we twee koninkrijken leren waarover de Heer regeert. Waar leert het OT of het NT zoiets? Máár zegt de WT! We citeren ’De Wachttoren’ van 15 januari 2000, blz.12,13: “Ten derde leven we in de tijd van de achtste en laatste koning die in de Openbaring 17:9-11 opgetekende profetie wordt genoemd. Hier noemt de apostel Johannes zeven koningen, die zeven wereldmachten voorstellen Egypte, Assyrië, Babylon, Medo-Perzië, Griekenland, Rome en de Anglo-Amerikanse dualistische wereldmacht. Hij ziet ook een “achtste koning”, die ’voortspruit uit de zeven’. Deze achtste koning - de laatste die Johannes in het visioen ziet - stelt thans de organisatie van de Verenigde Naties voor. Volgens


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

476

Johannes gaat deze achtste koning “de vernietiging tegemoet”, waarna geen verdere aardse koningen meer vermeld worden. Ten vierde leven wij in de periode die wordt gesymboliseerd door de voeten van het in Nebukadnezars droom geziene beeld. De profeet Daniël legde deze mysterieuze droom van een enorm beeld in de vorm van een mens uit (Daniël 2:36-43). De uit vier metalen bestaande delen van het beeld stellen verschillende wereldmachten voor, te beginnen met het hoofd (het Babylonische Rijk) en eindigend met de boeten en tenen (de regeringen die nu aan de macht zijn). Alle in dat beeld vertegenwoordigde wereldmachten hebben hun opwachting gemaakt. Wij leven nu in de periode die door de voeten van het beeld wordt gesymboliseerd. Er is geen sprake van dat er nog andere machten zullen komen.”

Maar daar staat een tegenstrijdigheid. Het beeld heeft vier delen en het is in het bestaan van het vierde deel dat de steen uit de hemel loskomt en de regeringen vernietigd. Niet ineens want dan zou het beeld van enkele parabels niet meer kloppen. Denk aan deze van de boom, hij groeit langzaam maar zeker en zal vele dieren in zich verzamelen. Ook dezen die in de bedelingen geloven leren wat in die aard maar dan verplaatst naar de tijd na de opname van de gemeente. Er is toch bewijs genoeg dat we dicht tegen het einde zijn, zegt men dan. Maar de beelden van Daniël en Openbaring mogen elkaar toch niet tegenspreken! Er zit méér logica in de Schrift dan wat die mensen zeggen. Heropleving van het vierde rijk onder gelijk welke andere vorm zou een vijfde rijk zijn. En de profetie zou verkeerd zijn en foutief. In het OT vinden we ook nog de uitdrukking “laatste jaren” in Ezech.38:8. Zo is de tijd voorafgaande èn de ballingschap naar Babel “de tijd van de afrekening” volgens Ezech.21:25 / 35:5. Maar het zijn ook de “laatste dagen” èn “de eindafrekening” voor zowel de Ammonieten als de Edomieten (Ezech.21:28-32 / 35:5).

Gevolgtrekkingen over deze teksten uit het OT 1°) De laatste dagen kunnen betrekking hebben op het oordeel en straf over een heidens volk. Zie o.a. Jes.2:12, dat ook nog spreekwoordelijk is voor alle tijden. 2°) De laatste dagen kunnen betrekking hebben in profetische zin op het bestaan van Israël als koninkrijk en het Joodse wets-systeem van de tempel en het priesterschap van Aäron. Het is een eerste keer opgehouden met de ballingschap naar Babylon, straf voor verbondsbreuk. Zie Ezech.7:10. Het is opgehouden als wettig te zijn met de dood van de Christus. Zie Joël 1:15 / 2:11 / 2:31 en vergelijk de vervulling in Hand.2:16,17 / Mal.3:2 / 4:1,5. 3°) De laatste dagen die voorafgaan aan het herstel van de nieuwe hemel en nieuwe aarde. Zie Jes.13:9,10 en vergelijk Jes.34:4,5.

“De laatste dagen” in het NT Wat zij op dat gebied leren


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

477

J. Schouten geeft de volgende uitleg bij het gebeuren van Pinksteren (’Het Zoeklicht’, 30 mei 1998, blz.10, 11): “De laatste dagen. In de theologiewetenschappen zijn de laatste dagen ingegaan met het verlossingswerk van de Here Jezus Christus, de dood van de Heiland aan het kruis en de opstanding uit de doden. Om het nog wat duidelijker te zeggen: met de uitstorting van de Heilige Geest op de grote Pinksterdag. (...) In deze bijzondere Pinksterervaring voor de gemeente zijn de laatste dagen ingegaan. Maar lezen wij de profetie wat nauwkeuriger dan zien we dat er op die Pinksterdag niet een totale vervulling heeft plaatsgevonden. De volle uitstorting van de Heilige Geest op het volk Israël, waarbij iedereen betrokken zal zijn, zonen en dochters, dromende ouden en gezichten ziende jongelingen, alsmede dienstknechten en dienstmaagden, zal plaatsvinden in de toespitsing van deze laatste dagen, als het einde daar is. (...) In onze tijd zijn de laatste dagen aangebroken en in heel het wereldgebeuren wordt zichtbaar dat de toespitsing van het einde daar is, en de wederkomst van de Here Jezus Christus voor de deur staat. De Bijbel kent, wat dit betreft, drie grote stromingen. De eerste is het volk Israël. De uitdrukking “laatste dagen” wordt de meeste keren bij Israël gebruikt. Daarnaast ontkomt ook de gemeente niet aan dit predikaat en ten laatste wordt het voor de hele wereld gebruikt. Alles in deze laatste dagen is op weg naar de grote finale. In dit artikel willen we nog een globaal overzicht van alles geven, om, later, in afzonderlijke artikelen, daarop terug te komen. Israël. Voor Israël wordt de uitdrukking “de laatste dagen” vooral gebruikt als het gaat over de terugkeer van het volk vanuit de diaspora, de verstrooiing. “In het laatste der dagen zult gij dit inzien.” Dat Israël nu al tientallen jaren bezig is terug te keren naar het land dat God hun heeft gegeven tot een eeuwige bezitting is een belangrijk teken dat we in de laatste dagen zijn aangekomen. (...) Achter dit menselijke van de terugkeer, achter veel menselijke dingen die met dit alles te maken hebben, zien we dan ook Gods machtige hand, die bezig is zijn volk thuis te brengen. We zijn dankbaar dat we zien dat in veel kerken de gedachte leeft dat God met Israël bezig is. Tegelijk verbaast het ons te zien dat sommigen nog willen vasthouden aan de verouderde “vervangingstheorie” dat de kerk in plaats van Israël is gekomen” (wij onderstrepen).

In het ’Bijbels Woordenboek’, Romen & Zonen, edit. A. van den Born, 1966-1969, lezen wij bij kol.380: “Bovendien moet nog rekening gehouden worden met de israëlitische manier van denken, die een voorkeur heeft voor scherpe tegenstellingen en weinig oog voor gradatie en betrekkelijkheid. Heeft het hebreeuws slechts één woord voor ’later’ en ’laatst’, dan is begrijpelijk dat de gewijde schrijvers lange tijd geen onderscheid hebben gemaakt tussen historische toekomst en de eigenlijke eindtijd. Dit neemt echter niet weg dat in vele gevallen uit het zinsverband kan blijken dat deze uitdrukking zakelijk en eschatologische betekenis heeft; dit is in Gn 49 en vermoedelijk ook in Nm 24 het geval, daar het verbeide idyllische geluk te scherp afsteekt tegen de minder begunstigde historische tijd.”

Wat wij op dat gebied leren Laten we eens enkele teksten nagaan in het NT waar de term “laatste dagen” gebruikt is. Dat zegt meer dan men kan zeggen in woorden. Hand.2:16,17: “maar dit is het, waarvan gesproken is door de profeet Joël: En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen.”


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

478

1 Cor.10:11: “Dit is hun overkomen tot een voorbeeld (voor ons) en het is opgetekend ter waarschuwing voor ons, over wie het einde der eeuwen gekomen is.” 1 Tim.4:1: “Maar de Geest zegt nadrukkelijk, dat in latere tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, doordat zij dwaalgeesten en leringen van boze geesten volgen.” 2 Tim.3:1: “Weet wel, dat er in de laatste dagen zware tijden zullen komen.” Heb.1:1,2: “Nadat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in de Zoon, die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door wie Hij ook de wereld geschapen heeft.” Jac.5:3: “uw goud en zilver is verroest, en het roest ervan zal tegen u getuigen en uw vlees verteren als vuur. Gij zijt schatten gaan opleggen, terwijl het de laatste dagen zijn.” 1 Pet.1:5: “die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, welke gereed ligt om geopenbaard te worden in de laatste tijd.” 1 Pet.1:20: “Hij was van tevoren gekend, vóór de grondlegging der wereld, doch is bij het einde der tijden geopenbaard ter wille van u.” 2 Pet.3:3,4a: “Dit vooral moet gij weten, dat er in de laatste dagen spotters met spotternij zullen komen, die naar hun eigen begeerten wandelen, en zeggen: Waar blijft de belofte van zijn komst?.” 1 Joh.2:18: “Kinderen, het is de laatste ure; en gelijk gij gehoord hebt, dat er een antichrist komt, zijn er nu ook vele antichristen opgestaan, en daaraan onderkennen wij, dat het de laatste ure is.” Judas 17,18: “Gij echter, geliefden, herinnert u de woorden, die vóór dezen gesproken zijn door de apostelen van onze Here Jezus Christus, dat zij tot u hebben gezegd: Aan het einde des tijds zullen er spotters komen, die naar hun eigen goddeloze begeerten zullen wandelen.”

We leven dus sinds de tijd der apostelen in: “de laatste ure”, 1 Joh.2:17 “laatst der dagen”, Jac.5:3 “het einde der eeuwen”, 1 Pet.1:20 “het einde des tijds” Judas 17,18. Nader bepaald: sinds de dag van Pinksteren tot aan de Wederkomst leven we in de laatste ure of de laatste tijd. En daarom staat er ook in Mat.25:19 dat de Wederkomst van de Heer “na lange tijd” is. Maar leg dit niet verkeerd uit want het gaat om dezelfde slaven die in de parabel staan. Kort en lang zijn voor ons mensen relatieve begrippen.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

479

Gevolgtrekkingen over deze teksten uit het NT 1°) De laatste dagen kunnen betrekking hebben op het oordeel en straf over een heidens volk. Zie Joh.12:48, de laatste dag / 2 Thes.2:1-3,8-12, de tijd van het afval en de opkomst van de wetteloze / Judas 17-20. 2°) De laatste dagen kunnen betrekking hebben in profetische zin op het bestaan van Israël als koninkrijk en het Joodse wettelijke systeem van de tempel en het priesterschap van Aäron. Het is opgehouden als wettig te zijn met de dood van de Christus. Deze laatste dagen zijn opgehouden in het jaar 700 n.Chr. bij de vernietiging van de tempel. Zie Heb.1:1,2 / 9:26. En 1 Pet.1:20,21, indien deze brief gericht is aan de natuurlijke Joden uit die tijd. Wat niet zeker is maar niet onmogelijk. Aangezien God de Geest aan Jezus niet gaf met “mate” maar in volheid (Joh.3:34) moeten we niet twijfelen aan de uitspraken van Jezus. Zo o.a. wat Hij zegt wat er zal geschieden in dit “geslacht” (zie hierover verder). We moeten Zijn woorden niet aanpassen of verdraaien zodat ze passen in wat we denken dat moet geschieden in de toekomst. 3°) De laatste dagen die voorafgaan aan het definitieve herstel van de nieuwe hemel en nieuwe aarde. Maar met Pinksteren zijn ze begonnen. De gemeente is reeds een nieuwe schepping. Met de Wederkomst zal alles vernieuwd worden. Zie 1 Cor.10:11 / 1 Tim.4:1 / 2 Tim.3:1 / 2 Pet.3:3,4a. 4°) Jesaja 2:2 en Micha 4:1 hebben géén betrekking op het herstel van Israël in een duizendjarig rijk (zoals de New Scofield Bible blz.1164 zegt) maar spreken over onze christelijke tijdsperiode voordat de Heer terugkomt.

Verkeerde interpretaties van de WT Uit de volgende opmerking van De Wachttorenpublicaties leren we dat ze een verkeerd begrip hebben over de term laatste dagen. Waarschijnlijk zit hier hun steeds wederkomende fout, te leren dat we thans sinds 1914 in de laatste dagen leven. We lezen: “De laatste dagen met de afval in verband gebracht. De woorden “laatste dagen” of soortgelijke uitdrukkingen worden soms gebruikt in verband met de afval die zich binnen de christelijke gemeente zou voordoen. De apostel Paulus schreef hierover aan Timotheüs: “De geïnspireerde uitspraak zegt (...) uitdrukkelijk dat in latere tijdsperiodes sommigen zullen afvallen van het geloof, omdat zij aandacht schenken aan misleidende geïnspireerde uitspraken en leringen van demonen” (1Ti 4:1; vgl. Han 20:29,30). In een latere brief aan Timotheüs bracht Paulus dit punt opnieuw naar voren en sprak over toekomstige “laatste dagen.” Aangezien de mensen dan een juist gedrag de rug zouden toekeren, zouden het ’kritieke tijden zijn, die moeilijk zijn door te komen’, of, letterlijker: ’boze bestemde tijden’ (Int). Nadat Paulus uitvoerig de eigenzinnige handelswijze en verdorven instelling van de in die tijd levende mensen had beschreven, vervolgde hij: “Uit hun midden staan de mannen op die zich op sluwe wijze in huisgezinnen indringen en zwakke vrouwen als hun gevangenen wegvoeren die beladen zijn met zonden en door velerlei begeerten gedreven worden, die altijd leren en toch nooit tot een nauwkeurige kennis van de waarheid kunnen komen” (2Ti 3:1-7). Vervolgens stelde Paulus zulke verdorven personen tegenover Timotheüs, die de leer van de apostel nauwgezet had gevolgd, en moedigde hem aan ’te blijven in de dingen die hij had geleerd en waarin hij door overtuiging was gaan geloven’ (2Ti 3:8-17; zie ook 2Ti 4:3-5). Uit de context blijkt dus dat Paulus Timotheüs lang van tevoren in kennis stelde van toekomstige ontwikkelingen die zich onder belijdende christenen zouden voordoen, terwijl hij beschreef welke vruchten die afval uiteindelijk zou voortbrengen” (’Inzicht in de Schrift’ deel 2, 1997, blz.141, wij onderstrepen). De


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

480

interpretatie van de WT is dan: we leven thans in de laatste dagen en de generatie die de tekenen van de laatste dagen meemaakt (sinds 1914) zal ook de Wederkomst meemaken en de oorlog van Armageddon.

Maar wat is een generatie? We citeren de N.B.G.: Mat.11:16: “Doch waarmede zal Ik dit geslacht vergelijken? Het is gelijk aan kinderen, die op de markten zitten en de anderen toeroepen (...)” (vergelijk Luc.7:31). Om deze reden, van populariteit, heeft Jezus ook geweigerd koning te worden in het echte Jeruzalem na de spijziging van de vijfduizend mannen (Joh.6:1-15). Zijn Koninkrijk is ten slotte niet van deze wereld. Een groot gedeelte van de theologen geeft aan dat het gaat om de toen levende generatie van Israëlieten. Bijvoorbeeld; Lange commentaar op deze tekst of Stier, deel 2, blz.98, Nielsen, commentaar bij Callenbach, deel 1, blz.225-227. Mat.12:39,41,42,45: “Maar Hij antwoordde hun en zeide: Een boos en overspelig geslacht verlangt een teken, maar het zal geen teken ontvangen dan het teken van Jona, de profeet (...) De mannen van Nineve zullen in het oordeel opstaan met dit geslacht en het veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona en zie, meer dan Jona is hier. De koningin van het Zuiden zal in het oordeel optreden met dit geslacht en het veroordelen, want zij is gekomen van de einden der aarde om de wijsheid van Salomo te horen, en zie, meer dan Salomo is hier (...) Dan trekt hij heen en neemt zeven andere geesten mede, bozer dan hijzelf; en zij komen binnen en wonen daar. En het wordt met die mens in het einde erger dan in het begin. Alzo zal het ook gaan met dit boze geslacht.” (vergelijk Luc.11:16,2436). Gaat het om de toen levende Israëlieten, ja volgens Dorner (Orat. ’Christelijke Eschatologie’ blz.81). Nielsen = “de in die tijd levende mensen van Joodse origine”, commentaar bij Callenbach, deel 1, blz.256. Schmid = “heel de tegenwoordige generatie der Joden”, commentaar bij Patmos, blz.239. Mat.16:4: “Een boos en overspelig geslacht verlangt een teken, en het zal geen teken ontvangen dan het teken van Jona. En Hij verliet hen en ging heen.” Mat.17:17: “Jezus antwoordde en zeide: O, ongelovig en verkeerd geslacht, hoelang zal Ik nog bij u zijn? Hoelang zal Ik u nog verdragen? Breng hem Mij hier.” Nielsen = “Jezus (...) zijn tijdgenoten”, commentaar bij Callenbach, deel 2, blz.17. Mat.23:36: “Voorwaar, Ik zeg u: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht.” Nielsen = “niet het gehele volk maar de geestelijke leiders”, commentaar bij Callenbach, deel 3, blz.27. Mat.24:34: “Voorwaar, Ik zeg u, dit geslacht zal geenzins voorbijgaan, voordat dit alles geschiedt.” Nielsen = “niet temporeel (...) maar wel in de zin van zolang deze aeon duurt”,


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

481

commentaar bij Callenbach, deel 3, blz.54. Grosheide = “in verwijderden zin (...) beteekent het dan: heel het menschelijk geslacht”, commentaar bij H.A. van Bottenburg, blz.293. Marc.8:12: “En Hij, diep zuchtend in zijn geest, zeide: Waartoe begeert dit geslacht een teken? Voorwaar, Ik zeg u: Aan dit geslacht zal voorzeker geen teken gegeven worden!” Marc.8:38: “Want wie zich voor Mij en voor mijn woorden schaamt in dit overspelig en zondig geslacht, de Zoon des mensen zal Zich ook voor hem schamen, wanneer Hij komt in de heerlijkheid zijns Vaders, met de heilige engelen.” Bolkestein = “Jezus zijn tijdgenoten”, commentaar bij Callenbach, blz.191. Luc.11:50,51: ”opdat van dit geslacht afgeëist worde het bloed van al de profeten, dat vergoten is sinds de grondvesting der wereld, van het bloed van Abel tot het bloed van Zacharias, die omgebracht is tussen het altaar en het tempelhuis. Ja, Ik zeg u, het zal afgeëist worden van dit geslacht. Wee u, wetgeleerden, want gij hebt de sleutel der kennis weggenomen; zelf zijt gij niet binnengegaan en hen, die trachtten binnen te gaan, hebt gij tegengehouden.” Dit betreft de toen levende generatie van Israëlieten volgens o.a. Dorner (blz.41). Nielsen = “voorspellende uitspraak over de verwoesting van Jeruzalem in 70 NC”, commentaar bij Callenbach, deel 1, blz.350. Luc.17:25: “Maar eerst moet Hij veel lijden en verworpen worden door dit geslacht.” Nielsen = “Jezus ziet zich hier als de lijdende knecht des Heren, verworpen door dit geslacht”, commentaar bij Callenbach, deel 2, blz.100. Hand.13:36: “Want David is, na voor zijn geslacht de raad Gods gediend te hebben, ontslapen en bij zijn vaderen bijgezet, en hij heeft wél ontbinding gezien; (...) .” Van al deze teksten is slechts deze van Mat.24:34 problematisch. Hij is gebruikt en misbruikt door al wie zegt dat we slechts recent in de tijd van het einde leven. Want, zo is de redenering, als het slechts in 1914 of 1948 is, dat de tijd van het einde is begonnen, dan zal het ook nog in ons geslacht zijn dat de Heer wederkomt. De uitleg van Nielsen en tientallen die gelijkaardig klinken, en aangehaald zouden kunnen worden, zegt juist genoeg maar niet teveel over de tekst. Terloops in dit verband nog dit. We lezen bij enkele commentatoren dat Mat.24:1-35 en de slotwaarschuwing van Mat.23 betrekking heft op de val van Jeruzalem in het jaar 70 A.D.. Dat zou door de uitdrukking “al deze dingen” ondersteund worden. Die term vinden we in Mat.23:36 / 24:2,3,33,34. Al de dingen zouden geschieden tijdens het bestaan van die generatie die zijn straf onderging in het jaar 70. Dan zou het begrip “generatie” steeds slaan op de toen levende Joden. “Laat u redden uit dit ontaarde geslacht” zegt Petrus eens aan al die Joden volgens Hand.2:40 (Willibrord). G. C. Berkouwer zegt in dit verband in ’De wederkomst van Christus’, deel II, Kok, 1963, blz.152: “Wanneer de gemeente niet maar “in de verkiezing” gelooft, maar haar belijdt en uit haar leeft, dan straalt het licht uit, waarop Paulus’ ogen gericht waren. Wanneer dat stralende licht niet schijnt in de


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

482

wereld en de verkiezing niet meer is dan een voorwerp van veel discussie en uitgangspunt van veel verwarring, dan is elk perspectief weggenomen. Dan blijft slechts over een discussie over “Israël”, die geladen is met allerlei sentimenten en zo de “navolging” van Paulus blokkeert.”

*********

APPENDIX XII : Aanverwante begrippen aan “laatste dagen” in het NT Het einde van de wereld (eeuw) Mat.13:39 “de voleinding der wereld” 13:40 “de voleinding der wereld” 13:49 “de voleinding der wereld” 23:3 “de voleinding der wereld” 28:20 “de voleinding der wereld” Heb.9:26 “de voleinding der eeuwen” Het einde Mat.10:22 “wie volhardt tot het einde” 24:6 “maar het einde is nog niet” 24:13 “wie volhardt tot het einde” 24:14 “dan zal het einde gekomen zijn” 1 Cor.1:8 “Hij zal u ook bevestigen ten einde toe” 10:11 “ter waarschuwing voor ons, over wie het einde der eeuwen gekomen is” (“einde der wereld” in Luther en Leidse Vert). 15:24 “daarna het einde” Heb.3: 6 “(tot het einde onverwrikt) vasthouden” 3:14 “tot het einde onverwrikt vasthouden” 6:11 “dezelfde ijver blijven betonen (...) tot het einde toe” 1 Pet.4:7 “het einde aller dingen is nabijgekomen” Opb.2:26 “tot het einde toe bewaart” De laatste tijden (dagen / ure) 1 Tim.4:1 “dat in latere tijden sommigen zullen afvallen” (“laatste dagen” in SV, Luther en Canisius). 2 Tim.3:1 “dat er in de laatste dagen zware tijden zullen komen” (“aan het einde der tijden” in Brouwer). Heb.1:1 “in het laatst der dagen” (“laatste dagen” in SV en Luther). Jac.5:3 “terwijl het de laatste dagen zijn” 1 Pet.1:5 “om geopenbaard te worden in de laatste tijd” 1 Pet.1:20 “bij het einde der tijden geopenbaard”


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

2 Pet.3:3 “in de laatste dagen” (“laatste der dagen” in SV.) 1 Joh.2:18 “Kinderen, is het de laatste ure (...) dat het de laatste ure is” Judas 18 “aan het einde des tijds” De dag Mat.25:13 “Waakt dan, want gij weet de dag noch het uur” Luc.17:30 “op de dag waarop de Zoon des mensen geopenbaard wordt” (“in den dag” in SV). Rom.2:16 “ten dage dat God het in de mensen verborgene oordeelt” (“in den dag” in SV). 1 Cor.3:13 “Want de dag zal het doen blijken” Heb.10:25 “naarmate gij de dag ziet naderen” Die dag Mat.7:22 “Velen zullen ten dien dage tot Mij zeggen” 24:36 “Doch van die dag en van die ure weet niemand” Luc.10:12 “dat het voor Sodom in die dag draaglijker zal zijn” 21:34 “Ziet toe op uzelf (...) en die dag niet plotseling over u kome” 1 Thes.5:4 “zodat die dag u als een dief overvallen zou” (“de dag” in Brouwer en Canisius). 2 Thes.2:2 “alsof de dag des Heren (reeds) aanbrak” 2 Tim.1:12 “te bewaren tot die dag” (“tot den jongste dag” in Brouwer). 1:18 “dat hij barmhartigheid (...) vinde op die dag” 4:8 “welke te dien dage de Here (...) mij zal geven” De dag van de Heer (Christus) 1 Cor.1:8 “op de dag van onze Here Jezus” 5:5 “in de dag des Heren” 2 Cor.1:14 “evenals gij op de dag van onze Here Jezus” Phil.2:16 “mij ten roem tegen de dag van Christus” 1 Thes.5:2 “dat de dag des Heren zó komt” De grote dag Hand.2:20 “voordat de grote en doorluchtige dag des Heren komt” Jud.6 “voor het oordeel van de grote dag” Opb.6:17 “want de grote dag van hun toorn is gekomen en wie kan bestaan?” 16:14 “de grote dag van de Almachtige God” De dag van toorn

483


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

484

Rom.2:5 “hoopt gij u toorn op tegen de dag des toorns en der openbaring van het (...)” Opb.6:17 “verbergt ons (...) voor de toorn van het lam, want de grote dag van hun toorn is gekomen” De dag van verlossing Eph.4:30 “de Heilige Geest Gods (...) door wie gij verzegeld zijt tegen de dag der verlossing”

Joh.6:39 6:40 6:44 6:54 11:24

De laatste dag = Ten jongste dage (Brouwer / N.B.G.) Ten uitersten dage (SV) Ten laasten dage (L.V.) “niets verloren late gaan, maar het opwekke ten jongsten dag” “en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage” “en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage” “en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage” “Ik weet, dat hij zal opstaan bij de opstanding ten jongsten dage” De dag van het oordeel(s)

Mat.10:15 “het zal voor het land Sodom en Gomorra draaglijker zijn in de dag des oordeels” 11:22 “het zal voor Tyrus en Sidon draaglijker zijn in de dag des oordeels” 11:24 “het zal voor Sodom draaglijker zijn in de dag des oordeels” 12:36 “rekenschap geven op de dag des oordeels” 2 Pet.2:9 “de onrechtvaardigen te bewaren om hen op de dag des oordeels te straf fen” 3:7 “ten vure bewaard tegen de dag van het oordeel” 1 Joh.4:17 “dat wij vrijmoedigheid hebben op de dag des oordeels”

Over deze laatste serie teksten valt wat op te merken. Ze zijn stuk voor stuk een bewijs dat de leer van de bedelingen en een komend duizendjarig rijk niet kunnen waar zijn. Deze uit Matthéüs spreken over een gezamelijk oordeel van Joden en heidenen. 2 Pet.2:9 heeft het over één oordeelsdag voor “godvruchtigen” en “onrechtvaardigen.” In 2 Pet.3:7 is het oordeel van de onrechtvaardigen, hier “goddelozen” genoemd, op het moment van de herschepping van de nieuwe hemel en aarde. 1 Joh.4:17 heeft het over de vrijmoedigheid van elke gelovige op de dag van het oordeel. U moet u dat eens laten uitleggen vanuit de visie van de bedelingen. Pas op en vergeet het niet: hier staat duidelijk dat er één oordeelsdag is. Handelingen 3:21. Wederoprichting aller dingen.

Wat zij op dat gebied leren


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

485

In ’Mormon’ blz.315 lezen we: “(32-14) Alma:1-15. De wet der herstelling. De heiligen der laatste dagen geloven in de herstelling van alle dingen. Uiteindelijk zullen, zoals Alma zegt, “alle dingen in hun eigen bouwwijze worden hersteld” (vers 2). De opstanding is een herstelling, daar elk deel van het lichaam zal worden hersteld. Het oordeel is een herstelling, aangezien de mens zal ontvangen naar zijn werken. President Joseph Fielding Smith noemde dit de goddelijke wet van de compensatie. “Er is een goddelijke wet van compensatie. De sterfelijkheid is een proefterrein. De mensen zullen geoordeeld worden naar hun daden, en er is een beloning of een straf voor de daden die in het sterfelijk lichaam gedaan zijn. Er is geen partijdigheid in het koninkrijk Gods. Wat de mens verdient, krijgt hij.” (Answers to Gospel Questions, deel 5, blz.16.) Besef goed dat de mens de herstelling krijgt die overeenkomt met zijn verlangens . Als het het verlangen van ons hart is in ons leven goed te doen, “zullen wij, ook ten laatsten dage terugontvangen, wat goed is” (vers 3). Mensen zijn daarom in feite hun eigen rechters omdat zij zelf beslissen of zij goed of kwaad zullen doen (vers 7). Wij beslissen elke dag door ons gedrag en verlangens waar wij de eeuwigheid door zullen brengen” (wij onderstrepen).

In ’Amen’ nummer 8, juni 1996 zegt H. Slagter: “Handelingen 3 geeft in overeenstemming met de Oudtestamentische profetie aan, dat de Here niet voor altijd verborgen zou blijven in de hemel. De hemel móest Hem opnemen tot de tijden van de wederoprichting. Vers 20 laat zien dat deze ’tijden van de wederoprichting aller dingen’ samen vallen met het (weder)zenden van de Christus Jezus. Vers 19 toont aan dat het wederkomen van Christus op aarde in verband gezien moet worden met het geloof van het volk Israël (vs.12). Handelingen beschrijft de geschiedenis - niet van het tot geloof komen van het volk, maar van het ongelovig blijven van het volk. Daarom keert de Here (vooralsnog) niet terug. Het ongeloof van het volk blijkt niet alleen in Jeruzalem, Judea en Samaria (ten tijde van de bediening van de ’Twaalven’), maar ook in de verstrooiing (ten tijde van de bediening van Paulus). Zo eindigt Handelingen met de - voorlopig laatst vervulde profetie (van Jes.6) en moeten we constateren dat het Koninkrijk weliswaar gepredikt wordt (Hand. 28:31), maar dat het een Koninkrijk is, dat met de Koning verborgen gebleven is, - totdat de Christus, dat is: Jezus, gezonden wordt - totdat de tijden van de wederoprichting aller dingen aanbreken - totdat “de steden verwoest zijn, zodat er geen inwoner meer is, en de huizen, zodat er geen mens meer in is, en het bouwland verwoest is tot een wildernis en de HERE de mensen ver verwijderd heeft en het verlaten gebied in het land groot is” (Jes.6:11,12). Als we deze verzen van Jesaja lezen (waarin we bepaald worden bij het tijdstip van Gods verborgenheid), begrijpen we waarom de ’wederoprichting aller dingen’ nodig is” (wij onderstrepen).

Wat wij op dat gebied leren Dit gedeelte spreekt over herstel. Maar opgepast voor wensdromen. Gaan we te rade bij de leerlingen van de leer van de bedelingen dan is dat voor hen duidelijk: Israël, volk en koninkrijk zal hersteld worden, er komt zelfs een nieuwe tempel (Scofield blz.1153). Al die dingen worden in dit gedeelte echter niet vernoemd. Dit herstel zegt Petrus heeft te maken met de profeet waar Mozes heeft over geprofeteerd. Wie niet naar die profeet zal luisteren, zal de strengste straf moeten ondervinden die God reserveert voor zijn opstandige kinderen; uitgeroeid worden, uitgesloten zijn, zonder verdere hoop. Centraal moet dus staan wat Jezus heeft gepredikt. En wat de profeten gezegd hebben moet daaraan ondergeschikt zijn. Verwijzen we nogmaals naar onze stellingen in


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

486

verband met de uitleg van voorspellingen; die kunnen letterlijk vervuld worden. Maar ook indien ze niet letterlijk vervuld worden is Gods woord nog steeds dat unieke woord. Er zijn teveel voorbeelden van geestelijke vervullingen om dat niet in zijn achterhoofd te houden als een mogelijkheid. Wederom: het herstel van de tempel zou het offer van Christus belachelijk maken. De hoofdstukken 40 tot 48 in Ezechiël spreken over Levitische priesterschap, over brandoffers en zondeoffers (43:18-27 / 44:15-25 / 45:18-25), zelfs over besnijdenis (44:9). Dit letterlijk uitleggen zou erop neerkomen dat we sommige dingen uit het NT moeten wegcijferen of er uit branden. Men wil toch niet dat de scheidsmuur die de Heer heeft afgebroken, terug opricht (Eph.2:14). Het is een regel dat alle mensen, zowel Joden als Heidenen thans leven in de tijd dat ze zich kunnen bekeren en er is géén ander tijdstip van dien aard te verwachten (2 Cor.6:1,2 / Rom.10:1). Wanneer we Hand.3:19-21 bespreken dan moet dat ook gedaan worden met Hand.1:6 erbij. Daar vragen de discipelen naar het “herstel.” De gelijkluidende term kwam al voor in de Griekse Septuaginta. Het begrip “apokathistanai” is er gebruikt om zowel het letterlijke als het geestelijk herstel van Israël te beschrijven. Zie o.a. Jer.15:19 / 16:15 / 23:8 / 24:6 / 27:19 / Ezech.16:55 en Mal.3:23. Deze laatste tekst is in onze Bijbels Mal.4:6. En we drukken er nog eens op; het gaat om zowel geestelijk als letterlijk herstel, de context laat ons meestal weten waar de nadruk op ligt. En zo ook Hand.3:19 waar we dan “apokatastasis” vinden, slechts éénmaal in gebruik in het NT. Waar ligt de nadruk in dit gedeelte, op het letterlijke of het geestelijke herstel? Duidelijk het laatste want dat volgt uit het vers 22. Er staat dat de wederoprichting komt nadat Christus is opgenomen, en dan volgt een verwijzing naar Deut.18:15-19, de tekst over de profeet zoals Mozes naar wie moet geluisterd worden. Dat wordt ingeleid door de woorden “Mozes toch heeft gezegd (...)”, zodat het “toch” wijst naar het verband van vers 21 en 22. Wat wil dat zeggen? Gezien men in de Messias moet geloven vóórdat Jezus werkelijk de tweede maal zal terugkeren om dingen te herstellen, is door/in geloof dat herstel reeds op geestelijke wijze begonnen. En dezelfde opmerking mag gemaakt worden voor vers 24. “Deze dagen” die aangekondigd zijn wijzen op de tijd van Petrus en niet naar de toekomst. Dus is het geestelijk herstel vanaf Pinksteren begonnen. En ook de wederoprichting van alle dingen, want herstellen houdt dan reeds in. Hierover nog iets meer. Een gedeelte uit de tekst zegt volgens de Willibrordvertaling van 1995: “Vanaf Samuël en zijn opvolgers hebben alle profeten die gesproken hebben, deze dagen aangekondigd. U bent de zonen van de profeten en van het verbond dat God met uw vaderen heeft gesloten”, en dit wijst op vervulling want het zijn deze dagen die zijn aangekondigd. Geboorte, prediking, verwerping door het volk, en onverdiende moord op de persoon van Jezus, is voorzegd en in DIE DAGEN vervuld. Na de opstanding en verschijning aan twee discipelen is de opmerking van Jezus dat de Christus moest lijden op die wijze om zijn heerlijkheid in te gaan (Luc.24:16). Ook dat had te maken met vervulling. Enkele dagen later zegt Hij tot anderen dat wat in “Mozes en de profeten en de psalmen staat moet vervuld worden (...) zodat zij de Schriften begrepen” (Luc.24:44,45). De beloofde Messias is gekomen, m.a.w. de ware Koning van Israël is gekomen (Hand.13:22-34 / Rom.1:1-7). We citeren één klein stukje uit deze laatste teksten: “En wij verkondigen u de belofte, die tot de vaderen geschied is dat namelijk God deze vervuld heeft


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

487

aan ons, hun kinderen, toen Hij Jezus verwekt heeft.” Zo zegt Paulus volgens Hand.13:32 SV. Waarom zijn er dan die beweren dat de belofte niet is vervuld, maar uitgesteld, en nog eens opnieuw aan Israël zal aangeboden worden? En tot Agrippa spreekt hij jaren later als volgt, dus hij heeft zijn leer op dat punt niet veranderd: “En nu sta ik, en wordt geoordeeld over de hoop der belofte die van God tot de vaderen geschied is; Tot welke onze twaalf stammen, gedurig dag en nacht God dienende, hopen te komen over welke hoop ik, o koning Agrippa, door de Joden beschuldigd wordt” (SV). Ter attentie van wie in de bedelingen zijn soulaas zoekt de: “belofte die van God tot de vaderen geschied is”, blijft geldig tot Zijn Wederkomst volgens Gods nieuwe versie. Tot de Mormonen en Brits-Israël zeggen we dit; de 12 stammen zijn in de dagen van Paulus niet verloren, ze aanbidden God in die tijd, in de tempel! Dus zetten we Handelingen 3:19-26 eens neer, met ons commentaar in rode letters: “19 Komt dan tot berouw en bekering (een geestelijke zaak), opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat (dus met de bekering die geestelijk is) er tijden van verademing (geestelijk aspect is dan al begonnen) mogen komen van het aangezicht des Heren, “20 en Hij de Christus, die voor u tevoren bestemd was, Jezus, zende (tot iedere bekeerling);” “21 Hem moest de hemel opnemen (van de Hemelvaart tot de dag van Pinksteren) tot de tijden van de wederoprichting aller dingen, waarvan God gesproken heeft bij monde van zijn heilige profeten, van oudsher.” 22 Mozes toch (dat toch wijst erop dat wat de profeten voorspelden nu in vervulling gaat) heeft gezegd: De Here God zal u een profeet doen opstaan uit uw broeders, gelijk mij: naar hem zult gij (dat was al in de dagen tijdens Zijn prediking en nu nog uitdrukkelijker) horen in alles wat hij tot u spreken zal;” 23 en het zal geschieden, dat alle ziel, die naar deze profeet niet hoort, uit het volk zal worden uitgeroeid (die keuze maakt men in deze tijd, niet in een toekomstig millennium).” 24 En al de profeten, van Samuël af en vervolgens, zovelen er hebben gesproken, hebben ook deze dagen aangekondigd (de dagen sinds de Heilige Geest kwam is de bevestiging van de rol van Jezus).” 25 Gij zijt de zonen van de profeten en van het verbond, dat God met uw vaderen gemaakt heeft, toen Hij tot Abraham zeide: En in uw nageslacht zullen alle stammen der aarde gezegend worden (begon met Cornelius). 26 God heeft in de eerste plaats voor u (heidenen komen later in de nabije toekomst) zijn Knecht doen opstaan en Hem tot u gezonden, om u te zegenen (nu en niet in een verre toekomst), door een ieder uwer af te brengen van zijn boosheden.” Dus zit Jezus op Zijn troon en regeert van daaruit (Heb.8:1,2 / 10:11-14), over vriend en vijand. Elke gelovige kan die “sabbatsvrede” nu alreeds erven (Heb.4:1-7). De Messiaanse vrede van Jes.11 is vervuld aan de gemeente zegt Paulus in Rom.15:8-12. God is gewoon verder gegaan met een programma van redding van mensen uit alle stammen en talen. Zie o.a. Ps.9:9 / 96:9,10 / 98:9. Petrus zegt daarom ook wanneer hij verwezen heeft naar de belofte aan Abraham: “God heeft in de eerste plaats voor u zijn Knecht doen opstaan en Hem tot u gezonden, om u te zegenen, door een ieder uwer af te brengen van zijn boosheden” (Hand.3:26). In dat, “in de eerste plaats voor u” klinkt al dat er een uitbreiding is gemaakt van de belofte tot alle volkeren nadat de Joden het gehoord hebben. Pinksteren is de herroeping van het oordeel over de mensen uit de


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

488

spraakverwarring van Babel. De steen die Israël heeft verworpen, geestelijk Jezus voorstellende en niet een letterlijke steen, is de hoeksteen van het ganse christelijke gebouw. Wie tot dat gebouw komt moet de steen aannemen voor wat hij is, want God heeft hem er gelegd (Mat.21:42 / Marc.12:10 / Luc.20:17 / Hand.4:11 / Rom.9:33 / Eph.2:20 / 1 Pet.2:4,7). Zo gaat het herstel in vervulling vanaf het moment van de bekering. “Kom daarom tot inkeer en bekeer u, opdat uw zonden worden uitgewist. Dan komen er van Godswege tijden van verademing” zegt Hand.3:19,20a. We lezen in ’Bijbelse Encyclopedie’, deel 1, W.H. Gispen, H.N. Ridderbos e.a., Kok, 1975, blz.203 over de verkeerde interpretaties van Gods volk met betrekking tot de ware aard van het Koninkrijk en zijn Messias: “Israël heeft het bijzondere karakter van het koninkrijk van de Messias slecht begrepen. Zoals het in de dagen van Samuël een koning begeerde, die zou regeren naar de wijze van de koningen der heidenen, verwachtte het ook in de Christus een koning van aardse allure, die als de geweldenaars der aarde zou komen met wapengekletter en strijdrumoer, die het joodse volk zou bevrijden van het juk der Romeinen om het vervolgens aan de spits der natiën te stellen en de suprematie te geven over alle volken. Zulk een koninkrijk was het ook, dat door de satan aan Christus als lokaas werd voorgehouden in de derde verzoeking, Mat.4:5. Tegenover al die valse voorstellingen en verwachtingen heeft Christus steeds met klem verzekerd, dat Zijn koninkrijk, het Koninkrijk Gods, het Koninkrijk der hemelen, in wezen en verschijning radicaal anders is dan de koninkrijken van deze wereld. Het komt niet met uitwendig gelaat, maar heerst in het hart van hen die ertoe behoren, Luc.17:20v. Hij zegt tot Pilatus: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld, Joh.18:36. Zijn Koninkrijk, aldus de apostel Paulus, bestaat in rechtvaardigheid, vrede en blijdschap door de H. Geest, Rom.14:17.”

In het licht van het bovenstaande moet het duidelijk zijn dat opmerkingen als deze van Walvoord (blz.119) over Hand.1:6-8 verkeerd moeten zijn. Hij tracht aan te tonen dat de apostelen vragen naar de komst van het Rijk, maar dat de Heer ze niet een echt antwoord geeft. En gezien de Heer hen niet terechtwijst moet Jezus ook geloven dat het Rijk niet onmiddellijk hersteld zal worden maar slechts in een verre toekomst. Zo redeneert Walvoord. Christus zegt in dit verband echter bovenal dat ze moeten wachten in Jeruzalem om de bovenaardse kracht te ontvangen om alles te kennen waar ze nu geen enkele notie van kunnen aanvaarden of begrijpen. We kunnen de Heer toch niet verplichten alle verkeerd inzicht dat er toen nog leefde onder de discipelen in verband met Gods Rijk gewoon maar te ontzenuwen tot op het bot. Denk vooral aan het volgende: we zien regelmatig de opmerking verschijnen in de verslagen van de vier evangelisten dat ze een of ander slechts begrepen dan toen de Heer was opgestaan. Ook dit punt van het Koninkrijk Gods begrepen ze in geestelijk zin, zoals het hoort, nadat ze de Heilige Geest ontvingen. We geloven dat G.C. Berkouwer in ’De wederkomst van Christus’, deel II, Kok, 1963, blz.151 hierop een goed inzicht heeft wanneer hij opmerkt: “Voor ons is het na zovele eeuwen moeilijk het NT getuigenis te verstaan m. n. in zijn actuele betekenis voor onze eschatologische verwachting. We zijn dan geneigd aan de toekomst te denken vanuit onze tijd en met name al wat Paulus zegt, in een nog niet aangebroken “eindtijd” te transponeren met àl de vragen, die dan opkomen in verband met het behoud der láátste generatie en in verband met de trouw van God over gàns Israël. We zijn dan in een andere sfeer dan t. a. v. de NT verwachting in al haar actualiteit, waarin het in de evangeliën gaat om een zien geschieden en dan weten en herkennen en bij Paulus om het Israël, dat hij ziet wandelen op zijn eigen wegen, maar in het licht van de uitstromende ontferming over de heidenen “opdat ook zij (de Joden) thans ontferming zouden vinden.”“


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

489

Er moet natuurlijk uiteindelijk nog meer gebeuren: de Nieuwe Hemel en Nieuwe Aarde moeten in hun totaliteit hersteld worden. Zie hiervoor: Jes.65:17 / Jes.66:22 / 2 Pet.3:13 en Opb.21:1. Gezien de volkeren dan, in de hun door God toegemeten plaatsen zullen vertoeven, zal dus een afstammeling van Abraham in Israël leven. Maar dan niet in de door de bedelingenleer aangegeven omstandigheden. Want het Israël in de Nieuwe Hemel en de Nieuwe Aarde is niet meer hetzelfde Israël. Ligt het op dezelfde plaats als de plaats waar het nu ligt? Het “eeuwige” dat God sprak, met betrekking tot de zonen van Abraham die het zouden bezitten is dus een “ander soort eeuwig.” Vergeet niet bij deze opmerkingen over Jesaja: we moeten dan spreken over een geestelijke vervulling. Wat is de hoofdvraag: Welke macht heeft de Christus vanaf zijn Hemelvaart/Pinksterdag? In het kort gezegd is dit het antwoord: Alle macht = Mat.28:18. Over engelen, krachten en autoriteiten = 1 Pet.3:22. Hij is nu koning der koningen = 1 Tim.6:15. Hij staat nu boven alle heerschappij = Eph.1:21. Hij zit nu aan Gods rechterhand = Heb.1:2,3 / 1:13 / 8:1 / 10:12 / 12:2. Is thans in regeerfunctie als koning = Hand.2:36 / Rom.5:21 / 1 Cor.15:25. Na dit opnemen van Zijn macht regeert Hij over een Rijk dat niet aan wankelen kan gebracht worden (Heb.12:28). Hij “regeert” (in het Grieks staat hier de tegenwoordige tijd) in/door genade en rechtvaardiging zegt Rom.5:17. En de gemeente mèt Hem (slot van Rom.5:17). Wij zijn mèt Hem een “koninkrijk” en een “priesterschap” 1 Pet.2:9. *********

Appendix 5: Daniël 2:44 en de wederoprichting We gaan aan de hand van Dan.2:44, en wat we zien als de vervulling ervan in het NT, de vijf specifieke onderdelen naast elkaar zetten. We gebruiken de Statenvertaling voor Dan.2:44 maar de N.B.G. voor de andere aanhalingen. De onderstreepte gedeelten zijn van onszelf.

1°) “Doch in de dagen van die koningen” Mat.3:1,2: “In die dagen trad Johannes de Doper op en hij predikte in de woestijn van Judea, en zeide: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.” Mat.21:43,44: “Daarom, Ik zeg u, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden en het zal gegeven worden aan een volk dat de vruchten daarvan opbrengt.” Heb.12:28: “Laten we derhalve, omdat wij een onwankelbaar koninkrijk ontvangen, dankbaar zijn en hierdoor God vereren op een Hem behaaglijke wijze met eerbied en ontzag.” De vraag van de discipelen op Hemelvaart (Hand.1:6) gaat in vervulling met Pinksteren volgens Gods plan.

2°) “zal de God des hemels een koninkrijk verwekken” Mat.16:18,19: “En Ik zeg u, dat gij Petrus zijt, en op deze petra zal Ik mijn gemeente bouwen en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen. Ik zal u de sleutels


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

490

geven van het Koninkrijk der hemelen, en wat gij op aarde binden zult, zal gebonden zijn in de hemelen, en wat gij op aarde ontbinden zult, zal ontbonden zijn in de hemelen.” Zie ook “het herstel” in Heb.9:10. Joh.3:3,7,8: “Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand wederom geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien (...) Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden. De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet, vanwaar hij komt of waar hij heengaat; zó is een ieder, die uit de Geest geboren is.” Gij” in vers 7 is een meervoud = Israël! Rom.2:29: .”.. maar híj is een Jood, die het in het verborgen is, en de (ware) besnijdenis is die van het hart, naar de Geest, niet naar de letter. Dan komt zijn lof niet van mensen, maar van God.” Rom.6:6-8: ”dit weten wij immers, dat onze oude mens medegekruisigd is, opdat aan het lichaam der zonde zijn kracht zou ontnomen worden en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn; want wie gestorven is, is rechtens vrij van zonde. Indien wij dan met Christus gestorven zijn, geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven, (...).” Phil.3:3: “Want wij zijn de besnijdenis, die door de Geest Gods Hem dienen, die in Christus Jezus roemen en niet op vlees vertrouwen.”

3°) “en dat koninkrijk zal op geen ander overgelaten worden.” Dan.2:35: “..toen werden tegelijkertijd het ijzer, het leem, het koper, het zilver en het goud verbrijzeld, en zij werden gelijk kaf op een dorsvloer in de zomer, en de wind voerde ze mee, zodat er geen spoor meer van te vinden was; maar de steen die het beeld getroffen had, werd tot een grote berg, die de gehele aarde vulde.” Mat.13:31,32: “Nog een gelijkenis hield Hij hun voor en Hij zeide: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaadje, dat iemand nam en in zijn akker zaaide. Het is wel het kleinste van alle zaden, maar als het volgroeid is, is het groter dan de tuingewassen en het wordt een boom, zodat de vogelen des hemels in zijn takken kunnen nestelen” (Vergelijk Hand.3:25 en Gen.22:18). Titus 2:14: “die Zich voor ons heeft gegeven om ons vrij te maken van alle ongerechtigheid, en voor Zich te reinigen een eigen volk, volijverig in goede werken.” 1 Pet.2:9: “Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk (Gode) ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht: (...).” Opb.5:9,10: “En zij zongen een nieuw lied, zeggende: Gij zijt waardig de boekrol te nemen en haar zegels te openen; want Gij zijt geslacht en Gij hebt (hen) voor God gekocht met uw bloed, uit elke stam en taal en volk en natie; en Gij hebt hen voor onze God gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters, en zij zullen als koningen heersen op de aarde.”

4°) “het zal al die koninkrijken vermalen, en te niet doen” Opb.11:15: “En de zevende engel blies de bazuin en luide stemmen klonken in de hemel, zeggende: Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Here en aan zijn Gezalfde,


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

491

en Hij zal als koning heersen tot in alle eeuwigheden.” God “doet” wat Hij gesproken heeft Rom.9:28.

5°) “maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan.” Dan.7:18: “daarna zullen de heiligen des Allerhoogsten het koningschap ontvangen, en zij zullen het koningschap bezitten tot in eeuwigheid, ja, tot in eeuwigheid der eeuwigheden.” Micha 4:7: “En Ik zal het kreupele stellen tot een overblijfsel en het verdrevene tot een machtig volk, en de HERE zal Koning over hen zijn op de berg Sion, van nu aan tot in eeuwigheid.” Luc.1:33: “en Hij zal als koning over het huis van Jakob heersen tot in eeuwigheid, en zijn koningschap zal geen einde nemen.” Opb.22:3,5: “En niets vervloekts zal er meer zijn. En de troon van God en van het Lam zal daarin zijn en zijn dienstknechten zullen Hem vereren, (...) En er zal geen nacht meer zijn en zij hebben geen licht van een lamp of licht der zon van node, want de Here God zal hen verlichten en zij zullen als koningen heersen tot in alle eeuwigheden.” 1 Corinthiërs 15:20-28. Hoeveel opstandingen zijn er?

Wat zij op dat gebied leren We zetten vooreerst zes aanhalingen achter elkaar. Daarop volgt onze kritiek en/of aantekeningen. 1°) In ’The Encyclopedia of the Jewish Religion’, edit. R. Werblowsky en G. Wigoder, Phoenix house, London, 1967, lezen we op blz.331: “De leer van de opstanding leert dat de lichamen van de doden zullen opstaan uit de graven in een toekomende tijd. Geloof in de opstanding begon zich te ontwikkelen tegen het einde van de Bijbelse Periode, waarschijnlijk onder Perzische invloed, en vinden we in het boek Daniël (12:2). Tegen het einde van de Tweede Tempelperiode was het uitgegroeid tot een fundamentele leerstelling van de Pharizeeën (...) De opstanding is een van de enige dogma’s die uitdrukkelijk terug te vinden is in de liturgie, waar het als onderwerp staat van de tweede paragraaf van de Amidah.” (In de Joodse theologie is er dus slechts één opstanding van alle mensen tegelijk.)

2°) We lezen bij Scofield in de voetnota van Opb.20:5: “We here learn for the first time what interval of time seperates these resurrections” (blz.1350). In ’The New Scofield Reference Bible’ staat bij dat vers: “here for the first time the precise interval between the two resurrections is revealed as a period of 1.000 years” (blz.1374). We vertalen u dat; “We leren hier voor de eerste maal wat de tussenperiode is tussen deze opstandingen” en “voor de eerste maal is de nauwkeurige tussentijd van de twee opstandingen geopenbaard als een periode van 1000 jaren.” (Dus meerdere opstandingen.) 3°) Ook de Mormonen leren dat er méér dan één soort opstanding is: “Christus was dan ook de eerste die de macht van de dood brak en uit de doden opstond. Ofschoon vele ’heiligen’ het voorrecht kregen reeds op datzelfde tijdstip uit het graf voort te komen, is de eigenlijke, massale opstanding een toekomstige gebeurtenis, gespreid over enkele fasen. De eerste opstanding, beginnend op het moment van


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

492

Christus’ wederkomst, behelst vooreerst hen, die beantwoord hebben aan al de normen van het Evangelie; vervolgens hen, die als rechtvaardigen geleefd hebben naar de wet die zij kenden. Op de tweede opstanding, bij het einde van het duizendjarig rijk, dienen zij in louterend lijden te wachten, die bewust voor het kwade hadden gekozen (Openbaring 20:4-5; Leer en Verbonden 45:54; 76:85; 88:100-101)” (wij

onderstrepen). W. Decoo, ’Het Mormonisme’, De Nederlandsche Boekhandel, 1979, blz. 80. (Dus meerdere opstandingen.) 4°) Aan het begin van de duizendjarige regering zullen er één of meerdere opstandingen plaatsvinden volgens ’Bijbels Panorama’, 12de schets. We lezen er het volgende: “Opstanding ten leven Joh.5:20a.”(moet 29a zijn) “Opstanding der rechtvaardigen Luc.14:14.” “Opstanding der OTische gelovigen Dan.12:2a / 12:13.” “Opstanding der martelaren” Opb.20:4.” (Dus meerdere opstandingen.) 5°) We citeren Th. Niemeijer, ’Het Zoeklicht’, 24 juli 1999, blz.19 voor wie de eerste opstanding verloopt over een periode van méér dan 1000 jaren. “De eerste opstanding verloopt in drie fasen (1 Corinthiërs 15:23): “Ieder in zijn eigen rangorde”: Christus als Eersteling. De ontslapen gelovigen bij de opname van de gemeente. De martelaren uit de grote verdrukking (Openbaring 20:4). Deze martelaren komen tijdens de grote verdrukking tot geloof maar zullen door de terreur van de antichrist hun leven daarvoor kwijtraken. Aan het begin van het duizendjarige vrederijk zal deze groep als laatste opstaan, waarmee de slotfase van de eerste opstanding voleindigd is. De doden die in hun graven achterblijven zullen pas na het duizendjarige vrederijk opstaan, maar dan wel in de opstanding ten oordeel. Deze doden, de groten en de kleinen zien we in Openbaring 20:11-15 voor de grote witte troon van Christus verschijnen, alwaar ze op grond van het ontbreken van hun naam in het boek des levens en dat wat in de andere boeken geschreven staat voor altijd veroordeeld worden. De eerste opstanding is dus de opstanding voor de gelovigen en de opstanding daarna is voor de ongelovigen aller tijden.” (Dus meerdere

opstandingen.) 6°) Volgens Walvoord blz.448-451 is de volgorde van de opstandingen (meervoud) de volgende (ingekort): “1) Jezus (Mat.28:1-7) 2) De heiligen van Mat.27:50-53 3) Bij de opname van de gemeente, dezen die gedoopt zijn in het lichaam van Christus sinds Pinksteren. 1 Cor.15:50-53) 4) De twee getuigen van Opb.11 5) De opstanding van de martelaren uit de grote verdrukking Opb.20:4-6 6) De gelovigen uit het OT (Dan.12:2 / Ezech.37:13,14) 7) De ongelovigen Opb.20:11-15”

Specifiek over punt 6 zegt hij dit: “Volgens Dan.12:1 komt deze opstanding bij het einde van de tijd der verdrukking uit Dan.11:36-45 (...) De opstanding staat in verband met het vers dat volgt. Hoewel de chronologische volgorde van dit gedeelte in betrekking tot de verdrukking niet is aangegeven in de Schrift, is het waarschijnlijk dat dit volgt op de opstanding van de doden uit de tijd van verdrukking en is deze van de Oudtestamentische gelovigen dus de zesde opstanding en de laatste van de gelovigen.”


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

493

7°) In ’Middernachtsroep’ van oktober 1998, blz.5 lezen we van N. Lieth als volgt: “Tot deze eerste opstanding behoren zeven indelingen of fasen. Paulus zegt, dat allen in Christus levend gemaakt worden, ieder echter in zijn eigen rangorde (1 Cor.15:22-23). Deze uitdrukking “rangorde” (Grieks: tagma) komt uit het militaire spraakgebruik en staat voor troepen van verschillende grootten: divisie, bataljon, afdeling. Nu tot de zeven indelingen van de eerste opstanding: 1. De opstanding van de Here Jezus als Eersteling (1 Cor.15:23). 2. De opstanding van de Heiligen in Jeruzalem, na Zijn opstanding (Mt.27:50-53). 3. De opstanding van de Gemeente (1 Thes.4:16-18 / 1 Cor.15:51-53). 4. De opstanding van de twee getuigen uit de Grote Verdrukking (Opb.11:11-12). 5. De opstanding van de martelaren, die uit de Grote Verdrukking komen en vóór het 1000-jarige rijk opgewekt zullen worden (Opb.20:4). 6. De opstanding van de Oud-Testamentische gelovigen, die bij de wederkomst van Christus in heerlijkheid opgewekt worden (Dan.12:1-2 / Jes.26:19-21). 7. De opstanding van de heiligen uit het 1000-jarige rijk, die tijdens deze gestorven zijn (Jes.65:20) en op de door God geschapen nieuwe aarde over zullen gaan (Opb.21:22-27). Volgens mij wordt de eerste opstanding, die in zeven verschillende indelingen uitgevoerd wordt, reeds in het Oude Testament profetisch afgetekend: - In de geschiedenis van de Syrische generaal Naäman, die melaats was. Een beeld van de zonde en van de dood. Door een jonge, Israëlische dienstmaagd hoorde Naäman, dat hij bij de profeet in Samaria genezing kon vinden. Zo ging hij met een aanbeveling van de Syrische koning naar Israël en legde dit voor aan de koning van Israël. Toen deze de brief gelezen had, riep hij vertwijfeld uit: “Ben ik God, om te kunnen doden en levend maken, dat deze man een boodschap tot mij zendt om een man van zijn melaatsheid te verlossen?” (2 Kon.5:7). Vanuit het koninklijke paleis reed Naäman vervolgens met zijn gevolg naar de profeet Elisa, die hem door zijn dienaar de boodschap over liet brengen, zich zeven keer in de Jordaan te baden resp. onder te dompelen (v.10), wat hij dan tenslotte ook deed en volledig genezen uit het water van de Jordaan opklom (v.14). Dat is een mooi beeld voor de zevenvoudige opstanding uit de doden.” (Dus

meerdere opstandingen.) We komen op dit laatste niet meer terug en daarom nu hierover enkele opmerkingen. Dit is een gnostische benadering van het verhaal van Naäman en een verkrachting van de tekst uit 1 Cor.15:22,23. Let er op dat N. Lieth in n° 7 nog heiligen noemt die sterven tijdens de 1000 jarige regering. Er zijn slechts weinig van zijn overtuiging die dit zullen nazeggen. Maar ook Jehovah’s Getuigen doen dat. Volgens de leer van de Mormonen zullen de echte gelovigen tijdens de duizendjarige regering veranderen in onsterfelijke goden.

Wat wij op dat gebied leren Waarom komt de Heer terug? 1°) Om alle doden op te wekken Joh.5:28,29. Géén sprake van 1000 jaren tussen gelovig /ongelovig. 2°) Om Zijn volk af te scheiden van goddelozen Mat.13:47- 49 / 25:31,32. Straf en loon volgt zonder dralen. 3°) Om iedereen te oordelen 1 Cor.4:5. Het is de oogsttijd “der aarde” Opb.14:14-20. 4°) Om Zijn volgelingen onsterfelijkheid te verschaffen Phil.3:20,21 / 1 Cor.15:51-54. 5°) Om wraak uit te spreken over goddeloosheid en ongelovigen te straffen 2 Thes.1:6-9.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

494

6°) Om de schepping te bevrijden Rom.8:23 / Opb.22:20. 7°) Om een eeuwig Koninkrijk in gerechtigheid op te richten Mat.16:28 / Rom.14:17 / Opb.1:9. Onmiddellijk voorafgaande aan Zijn komst zijn er: 1°) Tijden van onzekerheid Luc.17:26-30. 2°) Een tijd van spotters 2 Pet.3:3,4 / 1 Thes.5:3. 3°) “De generatie” die dat meemaakt is met Pinksteren begonnen; “generatie” die bereids bijna 2.000 jaren voortduurt Hand.2:40 / Heb.3:10 / 1 Pet.2:9. 4°) Aan het einde van dat tijdperk (eeuw = aioon) zijn er gelovigen en ongelovigen. Na dit tijdperk is er geen mengvorm meer van goed en kwaad zoals nu (Mat.13:39). 5°) Op een ongekend tijdstip komt de Heer met zijn engelen. (Mat.24:36 / 25:13 / Luc.12:40 / 1 Thes.5:1,2), Een eerste opmerking: er is géén mogelijkheid om na de Wederkomst van de Heer nog een tussenperiode in de wereldgeschiedenis in te lassen. Er is géén mogelijkheid om “rechtvaardigen” aan het begin en “goddelozen” na een duizendjarige regering te laten “opstaan uit de doden.” De Bijbel leert duidelijk een éénmalige opstanding “uit de doden” met uitzondering van Christus die als eerste reeds is opgestaan (Opb.1:18). Men tracht in 1 Cor.15:24 de gedachte van “daarna het einde” nog een periode in te lassen van 1000 jaren. Dat staat er toch niet. Maar wel dat Christus regeert “tot” zijn Wederkomst. En daar is de opstanding van allen in de graven inbegrepen. Dan is Zijn middelaarschap opgehouden en geeft om die reden dat Koninkrijk aan de Vader over. Daarom is er: “daarna het einde” en niet het begin van een duizendjarige regering. We gaan hier nog uitvoerig op in. Als tweede punt is het duidelijk dat de Schrift spreekt van twee soorten opstandingen: één voor rechtvaardigen, één voor onrechtvaardigen. De teksten die dat ondersteunen zijn (wij onderstrepen): “Velen van hen die slapen in het stof der aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen” Dan.12:2. “Verwondert u hierover niet, want de ure komt, dat allen, die in de graven zijn, naar zijn stem zullen horen, en zij zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven, wie het kwade bedreven hebben, tot de opstanding ten oordeel” Joh.5:28,29. “Terwijl ik van God hoop, gelijk ook dezen zelf het verwachten, dat er een opstanding van rechtvaardigen en onrechtvaardigen zal zijn” Hand.24:15. Er staat echter niet in deze teksten; een opstanding of ontwaken van de rechtvaardigen en daarna (of later) een opstanding of ontwaken van onrechtvaardigen. Er staat in deze teksten niet dat er enige tijdsruimte is tussen de opstanding van de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen. Er staat altijd dat er één opstanding is. En in die ene opstanding zullen er zowel rechtvaardigen zijn als onrechtvaardigen. De tekst van Johannes 5:28 zegt dat het in “één uur” zal geschieden. Dus niet over een periode van 1007 jaar volgens de leer van Scofield e.a.. Dan zou er in de tekst moeten staan dat er “een uur” (tijdstip, periode) is waarop de rechtvaardigen opstaan. En daarna “een uur” (tijdstip, periode) voor de opstanding der onrechtvaardigen. Dat zou de enige manier zijn om een tijdsperiode aan te geven die zinvol is. Maar dat staat er niet. Paulus spreekt niet van:


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

495

er zijn twee opstandingen, een eerste in tijd en daarna een tweede in tijd. Hij zegt dat er: “een (=één) opstanding van van rechtvaardigen en onrechtvaardigen zal zijn” Hand.24:15. Ja maar zeggen Scofield en zijn vrienden (Biederwolf blz.390,391 / Bultema blz.121)., de uitdrukking “het uur” in Joh.5:24,25 wil toch zeggen; een lange periode van thans reeds bijna 2.000 jaren en beschrijft de geestelijke opstanding. En zo moeten we ook “het uur” in Joh.5:28 interpreteren: het gaat om een lange periode gedurende dewelke de vleselijke opstanding zal geschieden, eerst de gelovigen en daarna de ongelovigen duizend jaren later. Maar dat is echter een redenering die niet opgaat. Want in de verzen 24,25 gaat het om een ononderbroken tijdsperiode van nu reeds ongeveer 2.000 jaar. Maar zo word vers 28 door hen niet uitgelegd; daar is “het uur” (tijdstip, periode) dat aan de gang is door een periode van 1007 (of 1003 en 1/2 jaar volgens anderen) onderbroken. Ze interpreteren dat begrip “uur” dus niet volgens dezelfde normen maar geven er twee betekenissen aan. Slechts wanneer ze zullen leren dat het uur van de opstanding 1007 jaren lang duurt, en er gedurende die tijd mensen opstaan uit de dood, dan is hun uitleg van deze twee “uren” op hetzelfde principe gebaseerd. Maar dat doen ze niet en is hun vergelijk verkeerd. Wanneer Scofield een beschrijving geeft van de wedergeboorte dan vermijdt hij angstvallig te verwijzen naar Joh.5:25. Dat kunnen we niet zomaar bewijzen maar de aanwijzingen gaan in die richting: hij geeft namelijk wel 25 teksten in dat verband en Joh.5:25 is daar een belangrijk onderdeel van de bewijsvoering. Die tekst geeft namelijk duidelijk de grens aan van de tijd die er is om wedergeboren te worden. (Zie Scofield blz.1117,1118). De tijd die de mensen is toegemeten om zich te bekeren en wedergeboren te worden is beperkt tot een welomschreven tijdsduur. Er bestaan geen teksten die spreken over wedergeboren worden in een duizendjarig rijk. Het is dus onmogelijk om dan het Koninkrijk te beërven want men kan niet meer wederom geboren worden (Joh.3:3-8). We lezen bij F. Grosheide in ’Het Heilig Evangelie volgens Johannes’, deel I, H. van Bottenburg, 1950, blz.378,379: “De allen zijn de doden die hier zooal niet als levenden dan toch als bestaanden zijn gedacht, vgl. vs 25. Hoofdzaak is aan de ééne zijde de uitwerking van allen, vs 28, het betreft vromen en goddeloozen, aan den anderen kant de waarschuwing, den oproep tot geloof. Het oordeel dat Jezus oefenen zal, beteekent de beslissende scheiding. De menschen zullen in twee groepen uiteengaan en dat hangt af van hun werken, Mat.25:32 vlg.; Joh.3:19, van welke plaats men de uitlegging zie. De goeden, de bozen de twee concrete complexen van daden, die daden als geheel gezien en gekarakteriseerd als menschelijke daden (...). Eigenaardig is, dat er eenmaal gedaan hebben en eenmaal bedreven hebben staat. Men vraagt, houdt dat in, dat het goede steeds onvolkomen en met onderbreking wordt gedaan en dat het kwade een levenspraktijk is. Jezus spreekt hier niet van het geloof of van het behouden worden door Zijn Werk. Vs 29 staat op het Bergredestandpunt (...). Juist omdat het een vermaning bevat, wijst het de menschen op hun daden en daarmee op hun schuld. De vermaning moet naar Jezus uitdrijven om in Hem te gelooven en zoo tot de zaligheid te komen. Anders gezegd, het zal blijken, dat er geen goed doen is dan door het geloof, vgl. 3:19-21 en de exegese daarvan. Er zal een oordeel komen; een oordeel is noodzakelijk, omdat er tweeërlei menschen zijn, tweeërlei lot is. Het resultaat is een opstanding ten leven of een opstanding ten oordeel (...), dat is een opstanding, die gekarakteriseerd is door het leven of één, die gekenmerkt is door het oordeel. Er staat niet, die naar het leven leidt. We vinden bij Joh. doorloopend, dat het eeuwige leven nu reeds genoten wordt door de geloovigen, vs 24. We moeten dan ook denken aan een opstanding die bij dat reeds genoten leven past, die het volkomen maakt. Oordeel kan tegenover leven staan, omdat de krisis gaat over een afgevallen wereld. De geloovigen worden er uitgeschift, die niet gelooven blijven in het verderf, het komt voor hen niet verder dan een oordeel, dat beteekent een hen laten,


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

496

waar ze zijn. Zij komen niet tot het leven. Hun opstanding brengt hen niet over het oordeel heen, waaronder de zondaar ligt, 3:18, vgl. Mat.25:46. Daarom wordt in feite deze opstanding een opstanding der veroordeeling, zie voorts bij 3:17 (...). (wij onderstrepen / de zwarte druk is de vertaling van de

Griekse tekst in het origineel). Het uiteindelijk lot van de mens is: opstaan uit de dood. Maar niet om iedereen op een zelfde basis vrij te spreken. Er is géén algemene amnestie. Wie vóór zijn dood als rechtvaardige was in Gods ogen is dat ook nog in de opstanding. En hetzelfde voor de onrechtvaardigen. Dat was ook de manier waarop leerlingen van Jezus de opstanding zagen. Bij de opwekking van Lazarus zegt één van zijn zusters tot de Heer; “Marta zeide tot Hem: Ik weet dat hij zal opstaan bij de opstanding ten jongste dag” (Joh.11:24). Christus maakt geen correctie bij haar opmerking, ze heeft dus juist geantwoord. Maar dan is het besluit dat er slechts één jongste dag is en één opstanding voor allen (Joh.6:40). Toch kan men van twee soorten mensen in de opstanding spreken. Er is vanuit het NT slechts plaats voor één oordeel, wanneer de Heer met zijn engelen terugkeert om ieder te vergelden naar zijn daden. We lezen in Mat.16:27: “Want de Zoon des mensen zal komen in de heerlijkheid zijns Vaders, met zijn engelen, en dan zal Hij een ieder vergelden naar zijn daden.” Drie vragen die men kan stellen aan de hand van deze tekst over de dag van het oordeel zijn hier op een rij gezet: 1°) Wie: “een ieder” = levenden en doden, goed en slecht 2°) Wanneer: “en dan” = bij die ene komst, 3°) Waarover: “naar zijn daden” = de goede en slechte. Er is dan ook geen plaats om daar ergens een tussentijd van 1000 jaar nog tussen te voegen. Die twee soorten opgestane mensen zijn niet gescheiden door dagen, maanden of jaren zoals men ons wil leren in bepaalde kringen (contra bijvoorbeeld Bultema blz.122,123). De teksten noemen een onderscheid omdat ze vooruitzien op wat er bij de komst van de Heer zal gebeuren: een scheiding tussen gelovigen en ongelovigen, rechtvaardigen en onrechtvaardigen. En zoals we het al enkele malen gezegd hebben dat ligt bij ieders dood al vast. Zie o.a. Joh.3:16-18 en 34-36. Wie niet zal geloven vóór zijn dood is in principe reeds geoordeeld en vèroordeeld. Dat zal onmiddellijk bij de opstanding al blijken. Want de gelovigen worden dán al in “onsterfelijkheid”, “onverderfelijkheid” en “onvergankelijkheid” opgewekt. Dat is niet het geval voor de ongelovigen. Daarom de uitdrukkingen: “opstanding ten leven” en “opstanding ten oordeel.” Deze eenvoudige woorden zijn door voorstanders van de duizendjarige letterlijke regering zodanig uitgelegd dat ertussen de eerste en de tweede opstanding 1000 jaren verlopen. Dat is een Schriftinleg en niet een schriftuitleg. Iets over de lichamen uit de opstanding en het verschil daarin tussen gelovigen en ongelovigen. In het kort dit. Gelovigen zullen bij de opstanding onsterfelijk opgewekt worden. Dat ontvangen ze omdat ze vooraf gerechtvaardigd zijn in het bloed van het Lam. Ze zijn vooraf tot een “geestelijke opstanding” gekomen tijdens hun aardse leven. Dat is niet waar met betrekking tot de goddelozen. Ze zullen slechts een soort leven ontvangen waar de Schrift niet verder op in gaat. Zie ook onze ’Bijbelse aantekeningen over Leven, dood en opstanding’. Goddelozen sterven na de opstanding een tweede dood, t.t.z. zullen nooit tot een eerste geestelijke opstanding kunnen komen


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

497

en dus niet in aanmerking komen voor het leven dat de gelovigen zullen ontvangen. De laatsten ontvangen eeuwig leven = onsterfelijkheid (vgl. 2 Cor.5:4 met 1 Cor.15:53-55). Maar terug naar het voorgaande; over de éne opstanding. Om aan te geven wat we bedoelen met onze aanklacht eerst een citaat uit: H. Moll, 'Wat zegt Gods Woord over...?', 4de deel, Uitgeverij Pieters Groede, 3de druk, z.j., blz.101. Daar staan we zelf niet achter maar is slechts ter illustratie van, een denkwijze. DE OPSTANDING Eerste opstanding vóór het 1000-jarig vrederijk Mark. 9: 9; ] Luk. 20:35; ] hier genoemd de opstanding uit de doden; 1 Kor.15:20,23 ] alleen de in Jezus ontslapenen hebben en Fil. 3:11 ] hieraan deel Luk. 14: 14 en Hand. 24: 15 het is de opstanding der rechtvaardigen Joh. 5: 29 de opstanding des levens 1 Thess.4: 16 de gelovigen zullen eerst opstaan Openb. 20: 4 eerste opstanding Tweede opstanding na het 1000-jarig vrederijk Joh. 5 : 29 de opstanding des oordeels, d.i. om geoordeeld te worden Hand. 24 : 15 de opstanding der onrechtvaardigen Opb.20: 11-15 de opstanding der doden; allen zullen geoordeeld worden, de in Jezus ontslapenen zijn reeds 1000 jaren eerder opgestaan. Openb.20:4 Men zegt dat dit alles in overeenstemming is met 1 Cor.15:20-28! We lezen daarover in Jb. Klein Haneveld ’Ik geloof de wederopstanding des vlezes’, brochure ’Het Morgenrood’ n°3, z.j., op blz.14,15. “Al wat we tot dusver hebben gezegd over de opstanding, betrof hoofdzakelijk de opstanding van de rechtvaardigen. Maar ook de onrechtvaardigen zullen opstaan. Echter niet op hetzelfde ogenblik. Een algemene “opstanding ten laatste dage”, naar de gangbare voorstelling in de christenheid, kent de Schrift niet! Zij leert zeer duidelijk dat er twee opstandingen zijn, van rechtvaardigen en onrechtvaardigen, niet alleen onderscheiden in karakter en doel maar ook in tijd (...) In 1 Korinthe 15, het hoofdstuk dat wij al zo dikwijls aanhaalden, spreekt Paulus over de volgorde in de opstanding.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

498

“Want gelijk ze allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook allen in Christus levend gemaakt worden. Maar een iegelijk in zijn orde (niet allemaal tegelijk); de Eersteling Christus, daarna die van Christus zijn in Zijn toekomst, en daarna zal het einde (van de opstanding) zijn” (vs.23,24). Het einde is de opstanding der “overige doden”, de “tweede opstanding”, de “opstanding der onrechtvaardigen.” Heel merkwaardig is verder nog de NieuwTestamentische uitdrukking “uit de doden opstaan.” Niet “uit de dood”, maar “uit de doden” Velen lezen daarover heen, alsof dat hetzelfde is; “Uit de doden opstaan” wil zeggen “van tussen de doden opstaan, dus met achterlating van de anderen. De opstanding van Jezus was een “opstanding uit de doden (...).” Hier volgt dan een uitleg dat in het OT de oogst in drie fazen

geschiedde, drie fasen die de afbeelding zijn van drie soorten opstanding. Een lange uiteenzetting gebaseerd op het Joodse oogstfeest van de garf (Lev.23:10-14) dat overeenkomst zou vertonen met “de opstanding uit de doden.” De schrijver zegt verder: “Een gelijktijdige opstanding van rechtvaardigen en onrechtvaardigen, maakt onze harten niet gelukkig. Zij betekent geen werkelijke overwinning over de zonde. Zij laat de zondekwestie onbeslist, als een zaak, die nog afgehandeld moet worden voor Gods oordeelstroon.” Op deze laatste ontboezemingen gaan we niet in, gezien de

Schrift niets van die zaken suggereert en er geen enkele iota over zegt. Vergeet toch niet dat God het boek des levens schreef vóór de grondlegging der wereld. Wanneer H. Moll en Jb. Klein Haneveld het aan het rechte eind hebben is het schema van de opstandingen op zijn minst 3-delig: 1°) Christus met Pasen. 2°) Gelovigen bij de Wederkomst van Christus. a) enkelen bij een onzichtbare Wederkomst, zeven jaar vroeger dan b) hieronder. b) nog andere gelovigen aan het begin van de duizendjarige regering en een zichtbare komst van de Heer, ineens of in meerdere malen afhankelijk van de schrijvers die men nagaat. Zie o.a. het begin van deze bespreking. 3°) Ongelovigen na een duizendjarige regering. Maar dan is er één en ander verwrongen aan wat we weten uit andere teksten. Zie ons commentaar bij Mat.12:41,42 in “Bijbelse aantekeningen over Leven, Dood en Opstanding” en Opb.20:5 verder in hoofdstuk 6. Jehovah’s Getuigen gaan nog verder in het uitleg van wie een opstanding krijgt in de duizendjarige regering. Ze beweren dat Handelingen 24:15 slechts spreekt over deze die in het millennium zullen opstaan. De “rechtvaardigen” zijn alle getrouwen uit de oudheid (vb. Abel, Enoch, Noach, Abraham enz.) en “ook de duizenden godvrezende personen die in recentere tijden zijn gestorven en die geen hemelse hoop hadden.” Wie zijn de “onrechtvaardigen?” Volgens de Wachttoren: “Tot hen behoren miljoenen, misschien wel miljarden mensen die gestorven zijn zonder de gelegenheid te hebben gehad de bijbelse waarheid te leren en toe te passen (...) ligt voor de hand dat de aardse opstanding geen chaotische bevolkingsexplosie teweeg zal brengen (...) Als allen tegelijkertijd weer tot leven zouden komen, zou het onmogelijk zijn voor hen te zorgen (...) Het is redelijk aan te nemen dat de opstanding geleidelijk zal verlopen.” (’De Wachttoren’ van 1 juli 1998, blz.22). In een artikel over de opstanding berekenen

Jehovah’s Getuigen dat er waarschijnlijk wel 3 miljoen mensen de grote verdrukking overleven. Dat deze aan de personen die zullen opstaan uit de doden onderricht zullen moeten geven en dat de opstanding dus geleidelijk moet geschieden. Wanneer het aan 3% per jaar zal zijn dat de doden


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

499

opstaan dan zullen de laatste opstaan tegen het jaar 400 van de duizendjarige regering. Zie ’Inzicht in de Schrift’, deel 2, 1997, blz.524. Daar heeft de Bijbel één antwoord op: wanneer het gaat over de opstanding is het duidelijk dat die in éénmaal plaats vindt, niet over een periode van jaren. Alle andere theologische constructies zijn niet te bewijzen aan de hand van de Schrift.

Uit de doden = het Griekse “ek” In de uitdrukking “opstanding uit de doden” zien de verdedigers van twee opstandingen (minimaal), gescheiden door 1000 jaren, het belangrijkste bewijs van hun leer. We citeren daarover een lang gedeelte uit Bultema (blz.153, 154): “De uitdrukking ek nekroon (van uit, van tusschen de dooden) wordt nimmer van de opstanding der goddelozen en immer van de opstanding van Christus en van de Christenen gebezigd. Deze uitdrukking wordt ongeveer vijftigmaal gebruikt in het NT, maar nimmer in betrekking tot de idee van opstanding in het algemeen of ten aanzien van de opstanding der goddelozen. Dan blijft het verbizonderende ek stelselmatig weg (...) Van de opstanding van Christus zal niemand ontkennen dat deze eene uitopstanding was, waarbij vele dooden in hunne graven bleven (...) Wordt er van de opstanding van den Doper en van Lazarus gesproken, dan wordt telkens ek gebruikt, om aan te duiden, dat er vele dooden achterbleven. Slechts in twee gevallen wordt ek weggelaten, als b.v. in Matt.22:23,28;Joh.11:24;Hand. 23:8. In zulk een geval wijst de schrift alleen maar op het toekomstig feit der opstanding, zonder meer. Dan is het volstrekt de bedoeling niet, om op het bizondere in verband met de opstanding te wijzen, en dient men de eerste opstanding eenvoudig als het species onder het genusbegrip te denken. Olshausen merkt hierbij terecht op, dat de profeten op dezelfde wijze de eerste komst van de Messias onder Diens tweede komst begrepen hebben. Het meerdere omvat het mindere. Twee sluit een niet uit, maar in.”

En hieronder de lijst waarin “ek” gebruikt wordt met betrekking tot de opstanding, die we terugvinden in SVM. (S. van Mierlo, leerling van Bullinger) ’Wat de concordantie leert’, Adm. Uit de Schriften, 1933, blz.61: Opwekken (egeiroo) Opstaan (anistèmi) Opstanding (anastasis) _________________________________________________________ “uit dooden” “uit dooden” Mat.17:9; Mark.6:14,16; Mark.9:9,10; 12:25; Luk. Luk.9:7; Joh.2:22; 12:1, 16:31; 24:46; Joh.20:9; 9,17; 21:14; Hand.3:15; Hand.10:41; 13:34; 17:3,31; 4:10; 13:30; Rom.4:24; 1 Petr.1:3. 6:4,9; 7:4; 8:11; 10:9; 1 Kor.15:12(a),20; Gal. 1:1; Ef.1:20; 2 Tim.2:8; Heb.11:18; 1 Pet.1:21. “uit van de dooden” “uit van de dooden” Kol.2:12; 1 Thess.1:10 Luk.20:35; Hand.4:2; Ef.5:14


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

500

Het argument van “ek” wordt echter in dit geval misbruikt. Eerst en vooral wil “ek” in deze teksten niet zeggen dat er een definitieve niet te vermijden bestemming door wordt aangegeven. Er is daar een duidelijk voorbeeld van. Over Lazarus zegt de Bijbel dat Jezus hem “uit de doden” heeft opgewekt. Zie Joh.12:1,9,17. Het gaat om dezelfde formule die er gebruikt wordt voor de opstanding “uit de doden” van de Heer zelf. Zie Joh.21:14. Men mag gezien Lazarus nog na die tijd is gestorven, en we zelfs niet weten of hij getrouw is gebleven tot aan zijn dood - en dus waardig “een opstanding ten leven” te ontvangen - aan “ek” geen enkele morele waarde toeschrijven. Die inlegkunde doen al de leraars van de duizendjarige regering die we hebben aangehaald. Het is trouwens in contradictie met de termen die gebruikt worden. Ook de ongelovigen moeten opstaan “uit de doden.” Want op welke wijze kunnen ze anders een opstanding krijgen? Zij zijn het overschot dat automatisch overblijft en opstaat “uit de doden.” Daarna wordt de dood zelf vernietigd. Zie ook Bultema blz.156 waar hij het opstaan “uit de doden” van Christus en de gelovigen gelijkvormig noemt want ze staan op in een “heerlijk lichaam.” Ook deze combinatie is fout gezien Lazarus niet met een “heerlijk lichaam”, namelijk een onsterfelijk lichaam is opgestaan. Toen de mensen hoorden van Jezus van Nazareth en van Zijn werken zeiden sommigen: “Johannes de Doper is opgewekt uit de doden en daarom werken die krachten in Hem” (Marc.6:14, wij onderstrepen, vergelijk Luc.9:7). Het blijkt hieruit dat de gewone Jood toen al een gedachte had van opstanding en wat kon gebeuren. God kan een enkelvoudig mens uit de doden doen opstaan terwijl alle anderen dood bleven. Een gunst Gods! Dat leek de man van de straat niet onmogelijk want ook zij hadden dat in de Schrift gelezen. Dat profeten doden hadden opgewekt terwijl alle andere doden niet werden opgewekt. Dat had Abraham reeds gevat toen hij op het punt stond zijn erfgenaam en wettelijke zoon te offeren (Heb.11:18). De gedachte van de algemene opstanding “uit de doden” van zowel gelovigen als zondaars was niet onbekend in het Israël van die dagen. Daar is Daniël 12:2 een prachtig voorbeeld van. Bultema (blz.132) doet verwoede pogingen om in deze tekst twee afzonderlijke opstandingen te zien in tijd gescheiden. Hij zoekt dat bijvoorbeeld in Daniël 9:26 waar volgens hem de afsnijding van de Messias en de verwoesting van de tempel door 40 jaren gescheiden zijn. Zo zou er ook in Dan.12:2 een tussentijd zijn tussen het ontwaken van de goeden en de bozen. Maar wanneer we iets dat duidelijk blijkt uit de geschiedenislessen (maar slechts betrekking heeft op één gebeurtenis) nemen als grond en basis om andere voorspellingen te verklaren dan kunnen we alle kanten op. En het gaat in Dan.9:26 niet om het opschorten van de profetie voor een bepaalde tijd, want dan klopt de profetie niet meer. Het gaat dus niet om vergelijkbare eenheden. (Zie hoofdstuk 1.2.) De opstanding heeft hoegenaamd niets met Dan.9 te maken, het is een vergelijk tussen afzonderlijke grootheden. Dan hebben we dus niets uit de Bijbel bewezen, alleen misbruikt. Daar dient het Woord van God trouwens niet voor.

De oogst van de garf


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

501

De verwijzing naar de oogst van de garf, door Jb. Klein Haneveld, heeft niets met de opstanding te maken. Meer zelfs, de oogst die er geschied (ook van de garf) zal in de werkelijkheid moeten inhouden dat het slechte van het goede koren afgescheiden en vernietigd zal worden. Uiteindelijk gaat het om één oogst van zowel het goede als het slechte, zoals ook blijkt uit de gelijkenissen die de Heer daarvoor gebruikt (Mat.13:24-30,36-43). Maar dat kunnen ze niet geloven. De verwijzing naar de garf met betrekking tot de opstanding, berust dan ook op een inlegkundige spitsvondigheid. Meer ook niet. Bewust vergeet men te vertellen dat dit beweegoffer een offer is van de gerst en dat de oogst van de tarwe slechts weken later volgt met de Pinkstertijd. Het beeld dat men schets is dus niet juist; Jezus zou een offer van gerst voorstellen en de gemeente een offer van tarwe. Maar ze hebben éénzelfde soort lichaam in de opstanding, beeld en tegenbeeld overdekken elkaar dus niet op het belangrijkste aspect van vergelijking. C. Vonk heeft in zijn ’De voorzeide leer’ IB Leviticus, Barendrecht, 1963, goede opmerkingen over dat offer (vanaf blz.634). Men vergeet ook te vernoemen dat alle soorten oogst aan God werden opgedragen, het is tenslotte “zijn oogst” Deut. 26:1-4. En wanneer we naar lijsten van de verwijzingen van het OT in het NT gaan kijken is het ook wonderlijk dat er geen enkele verwijzing van Lev.23:1-14 of Deut.26:1-4 in het NT te vinden is. Ook daarom zeggen we; Jb. Klein Haneveld en zijn vrienden hebben veel fantasie en moeten beter hun Schriften lezen vóórdat ze deze dingen beweren. En ook Jehovah’s Getuigen hebben hier een geestelijke uitlegging. We citeren uit ’Hulp tot begrip van de Bijbel’, 1989, deel 6, blz.1127: “De aanbieding van een schoof (of homer-maat) van de eerstelingen van de gerstoogst op 16 Nisan was een door de hogepriester gebracht beweegoffer. Op deze datum in het jaar 33G.T. werd Jezus Christus uit de doden opgewekt, de “eersteling van hen die ontslapen zijn” (1 Kor.15:20;Lev.23:11b; Joh.20:1). Op de dag van het Pinksterfeest werden er twee gezuurde broden van de eerstelingen van de tarwe als beweegoffer gebracht (Lev.23:15-17). Dit is de dag waarop Jezus als hemelse Hogepriester de eersten van zijn geestelijke broeders (leden van de christelijke gemeente), die uit de zondige mensheid genomen en door de uitstorting van de heilige geest gezalfd waren, aan Jehovah kon aanbieden; Hand.2:1-4, 32,33; vergelijk Jakobus 1:18.” De Wachttoren maakt dus een andere zaak van de beweegoffers in

Lev.23; het gaat om de uitstorting van de heilige geest (kleine letters voor hen). Ook dat is inlegkunde. Zie over de Heilige Geest in de aantekeningen bij hoofdstuk 1 van onze ’Bijbelse aantekeningen over Leven, Dood en Opstanding’. En nog een kort citaat uit ’De Wachttoren’ van 1 juli 1998, blz.17: “Paulus vervolgt: “Christus is uit de de doden opgewekt. “Wat meer is, hij is “de eersteling van hen die ontslapen zijn” (1 Korinthiërs 15:20). Wanneer de Israëlieten Jehovah gehoorzaam de eerstelingen van hun opbrengst gaven, zegende Jehovah hen met een grote oogst (Exodus 22:29,30.23:19;Spreuken 3:9,10). Door Christus de eersteling te noemen, impliceert Paulus dat er nog een verdere oogst aan personen uit de dood tot hemels leven zou worden opgewekt.” Ook hier slaat de fantasie van Jehovah’s

Getuigen op hol. Niet het volk of de priesters in Israël hebben Jezus als eersteling aan God gegeven of geofferd. Integendeel! In het beeld is Christus de hogepriester en ook te zelfde tijd het offer. In het boek aan de Hebreeën staat dat in de duidelijkste bewoordingen die in een taal gebruikt kunnen worden. Het beeld dat Paulus gebruikt heeft dan gewoon de betekenis dat sommige vruchten eerder rijp zijn dan anderen. Alle gelijkenissen met een offer moeten hier gemeden worden. Want het ene soort offer sluit het andere uit indien we zoiets op letterlijke basis vergelijken bij het offer van de Heer. En laten we ook niet doen zoals de Wachttoren doet, het


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

502

offer van de Messias vergelijken bij wat de gemeente (volgens hen de 144.000 uit Opb.7:1-8) als offer aan God brengt, hun leven of wat dan ook. Dat vergelijk staat zover als het oosten van het westen staat en ze zullen elkaar nooit ontmoeten.

1 Cor.15:24, daarna “het einde” Tot slot een argument dat steeds misbruikt is geworden in kringen van de voorstanders van een duizendjarig rijk. En u had het wellicht aan het begin van deze bespreking verwacht. Het betreft de uitleg van 1 Cor.15:23. We laten daarbij Bultema aan het woord (blz.143-145): “Een iegelijk in zijn orde. Letterlijk zegt hij: een iegenlijk in zijn eigen legerafdeling, bende, cohort. De term is ontleend aan de verschillende regimenten van soldaten. Hierin ligt op zichzelf de idee van opvolging, tijdsopvolging, want de verschillende legerafdelingen marcheeren immers niet naast maar achter elkander. Zo zegt de Apostel hier, dat de opstanding geschiedt in drie verschillende troepen. 1. De eersteling Christus. Hier hebben we de eerste troepenafdeeling van de opgewekten. Het beeld van eersteling is ontleend aan het leven onder de schaduwen. Bij het rijpen van den oogst moest Israël de eerstelinggarven naar den tempel brengen (...) 2. Daarna die van Christus zijn in Zijne toekomst. a) Nadrukkelijk wordt hier de verbizondering gemaakt: die van Christus zijn. Het eerste, dat Hij doen zal in Zijne toekomst, is het bijeenvergaderen van Zijne juweelen, die alom verstrooid zijn, diep in de zeeën en diep in de aarde. b) Zijn volk vertegenwoordigt den vollen oogst, waarvan Hijzelf de eersteling genaamd is. De ongelovige dooden zijn niet door den eersteling geheiligd. Dat er geene anderen dan de Zijnen zullen verrijzen in Zijne toekomst, lag reeds opgesloten in het pas gebruikte beeld, doch het wordt ons ten overvloede en tot volle verduidelijking nog nadrukkelijk gezegd. 3. Daarna zal het einde zijn. - Hier wordt gedoeld op de derde legerafdeeling. Dat hier niet breder of duidelijker van gesproken wordt, vindt misschien daarin zijn oorzaak, dat in deze troep niets dan de goddelozen gevonden worden en de Schrift, hoewel ze de opstanding der goddelozen leert, spreekt hiervan nimmer in eenige lengte. Ze wordt steeds veelmeer verondersteld dan nadrukkelijk geleerd. Zij die dit vers verklaren van de algemene opstanding vertalen hier alsof er stond: “Dan (d.i. bij Christus’ wederkomst) zal het einde zijn.” Doch een ieder die een weinig grieks kent, weet zeer wel, dat eita zo niet vertaald mag worden. Het ontga de aandacht niet dat het eerste daarna reeds een tijdperk van bijna tweeduizend jaren insluit. En wie geeft ons dan het recht, om dit daarna, uitgesproken in hetzelfde verband, te vertalen door dan? Het woordje wijst op een korter of langer tijdsverloop (...) Het mag dus ook niet vertaald worden: onmiddellijk daarop, terstond of oogenblikkelijk daarna. Ter aanduiding van deze gedachte worden de woorden exautees en euthepos gebuikt” (wat de schrijver in schuine letters schrijft

hebben we onderstreept, tweemaal hebben we “daarna” vet gedrukt). De visie van Bultema is dus als volgt samen te vatten: 1°) Opstanding van Christus 2°) daarna, (latere tijd) opstanding van de gelovigen 3°) daarna, (latere tijd) opstanding van de ongelovigen 4°) en Christus die zijn koningschap afgeeft aan God. Wie goed zijn Grieks kent moet, volgens Bultema, tot deze analyse komen. Dat klopt niet, want de visie die Bultema heeft is een recente uitleg (rond 1830) en door weinig christenen van het reformatorisch denken aangenomen. Ook niet door de Griekse specialisten en exegeten. En Bultema, wellicht kent hij wel wat Grieks, gaat toch slordig om met zijn uitleg. Want er staat


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

503

vooreerst “epeita” (vers 23) en dan “eita” (vers 24). Maar hij doet alsof er tweemaal hetzelfde staat en vertaald beide keren als “daarna.” Zo kun je gemakkelijk wat wegmoffelen voor wie niet aandachtig is! En het klopt dat de twee woorden die Bultema aanhaald méér dan “eita” of “epeita” het “onmiddellijk” weergeven van een of andere gebeurtenis. (In feite zijn er in het Grieks zes woorden die als “onmiddellijk” vertaald kunnen worden.) Maar ook “eita” en “epeita” kunnen dat weergeven. Zie de lijst die we achteraan plaatsen in de context van deze twee woorden. Laten we niet redeneren vanuit iets dat niet in de Bijbel staat, maar vanuit wat er wel staat. Met bouwt zijn huis toch niet op een hypothese? We geven hieronder slechts één recent commentaar op dat deel van 1 Cor.15:23. Dr. J. Reiling, Baptist, hoogleraar en docent Grieks over een periode van meer dan 30 jaar zegt in zijn ’De eerste brief van Paulus aan de Korintiërs’, Callenbach, 1997, blz.276: “Nu de band tussen Christus’ opstanding en de opstanding van doden is vastgelegd, moet een nadere ordening worden aangebracht. Deze ordening wordt bepaald door het perfectum van Christus’ opstanding en het futurum van hen ’die van Christus zijn’, hoi tou Christou. Zij zijn of zullen worden opgewekt ’ieder in zijn eigen rangorde’, hekastos en tooi idioi tagmati, d.w.z. op eigen plaats in de rangorde. Hoewel er twee keer sprake is van ’vervolgens’, gaat het om meer dan rangorde. Christus is ’eersteling’, eerste in de tijd maar vooral eerste in rang: Hij is de eerstegeborene uit de doden, vlg. Kol.1:18; Hand.3:25; 26:23, en heeft dus de eerste rang, want Hij is reeds opgewekt uit de doden en heeft de naam boven alle namen ontvangen, vgl. Fip. 2:11. ’Vervolgens’, epeita, zullen, ’zij die van, Christus zijn’, hoi tou Christou, levend worden gemaakt; het werkwoord staat er niet maar kan uit vs.22 worden afgeleid. ’Van Christus’ is bij Paulus synoniem met ’gelovig’, vgl.1/11; 3/23; Gal.3:29; 5:24; Rom.8:9; hier is het kortheidshalve gebruikt voor de gestorven gelovigen. Hun opstanding zal plaatsvinden ’bij zijn komst’, en tèi parousiai autou. De beste toelichting op deze tekst (...) is te vinden in 1 Tess.4:14-16. Parousia is de technische term voor de komst van, de Zoon des Mensen op de wolken van de hemel, vgl.Mat.24:27,37,39, de vervulling van Dan.7:13, vgl.26:64. Paulus spreekt steeds van de komst van ’de Heer’, vgl. 1 Tess.2:19; 3:13; 4:15; 5:23; 2 Tess.2:1. Daarmee is de toelichting op vs. 20-22 voltooid, maar de zin gaat verder: ’vervolgens het einde’, eita to telos. Dit woord wordt ook wel vertaald met ’de rest’, d.w.z. de niet gelovige rest van de mensheid, die na de gelovigen zal worden opgewekt. Maar de volgende bijzin wijst uit dat het niet daarom gaat, maar om de voleinding van Christus’ koningschap, waarmee het eschaton zal worden voltooid: het einde is er, ’wanneer Hij, d.w.z. Christus, het koningschap overgeeft aan zijn God en Vader’.”

De visie van J. Reiling is samengevat dan ook deze: 1°) Christus is de eersteling die is opgestaan 2°) “vervolgens” staan deze op die van Christus zijn 3°) “dan” geeft de Heer zijn koningschap over aan de Vader omdat Hij alle vijanden heeft overwonnen. Wanneer Paulus het begrip “eita” (dan) gebruikt heeft het geen betrekking op de opstanding van de ongelovigen want: “de volgende bijzin wijst uit dat het niet daarom gaat, maar om de voleinding van Christus’ koningschap” zegt J. Reiling. En hij is specialist op gebied van de Griekse taal. Hij weet waarover hij praat. Want het is duidelijk dat er hier op de afscheiding van vers 23 en 24 niet over een opstanding van de goddelozen gerept wordt. Het “eita” (dan) dat gebruikt wordt slaat niet op de opstanding van wie dan ook. Het wijst op wat Christus doet tegenover de Vader; de macht die Hem gegeven was om in de tussentijd van Zijn eerste en tweede komst de redding en uitverkiezing van de gemeente te bewerkstelligen. Tijdens de periode van


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

504

Zijn regeren zou dat ook moeten gebeuren, want de tijd om tot God te komen is in dat tijdperk tot zijn voltooiing gekomen. Nu wil Bultema (en zijn vrienden) daar nog eens een duizendjarig rijk aan verbinden dat onmiddellijk na het eerste “vervolgens” komt en vóór “dan het einde.” (Vergelijk ook H. Bavinck, Gerefomeerde Dogmatiek, deel IV, blz.660-662). Bultema tracht ons verder nog iets te bewijzen aan de hand van de combinatie “epeita-eita” (vervolgens-dan). Maar wat hij tracht te bewijzen staat er niet. Hij zegt: “het mag dus ook niet vertaald worden: onmiddellijk daarop, terstond of oogenblikkelijk daarna.” We geven daarom in de tabel van het gebruik van deze woorden aan, hoe de context aangeeft waarover het gaat. Men mag niet een vooropgezet idee nemen als basis van de te geven uitleg. Beide begrippen kunnen een tijdstip aangeven dat zowel enkele seconden kan zijn, of maanden of jaren. eita epeita Joh.19:27, seconden Joh.20:27, seconden Marc.8:25, minuten 1 Cor.15:5, enkele uren 1 Tim.2:13, korte tijd 1 Tim.3:10, maanden Jac.1:15, kort of langer Marc.4:17, maanden of jaren Heb.12:9, spreekwijze

1 Thes.4:17, seconden Luc.16:7, minuten Heb.7:27, minuten 1 Cor.15:6,7, enkele dagen Jac.4:14, korte tijd Gal.1:18, drie jaar 1 Cor.15:23, honderden jaren 1 Cor.15:28, deel van geheel Heb.7:2, deel van geheel

Met ander woorden: Bultema tracht te bewijzen dat wanneer “eita” in 1 Cor.15:24 gebruikt wordt dit wijst op een: “3. Daarna zal het einde zijn. - Hier wordt gedoeld op de derde legerafdeeling. Dat hier niet breder of duidelijker van gesproken wordt, vindt misschien daarin zijn oorzaak, dat in deze troep niets dan de goddelozen gevonden worden.” Zo wordt “eita” een synoniem van wat in vers 23 staat, waar we “epeita” vinden. Maar zo slordig gaan schrijvers van de Bijbel niet te werk. Want in 1 Cor.15 wordt er niet gesproken van de opstanding van goddelozen en de enige uitzondering zou vers 22 kunnen (?) zijn. De volgorde, in de gedachte van Paulus, moet dan deze van Reiling en zo vele anderen zijn: 1°) Christus is de eersteling die is opgestaan 2°) “vervolgens” staan deze op die van Christus zijn 3°) “dan” geeft de Heer zijn koningschap over aan de Vader omdat Hij alle vijanden heeft overwonnen. Over de opstanding van de goddelozen moeten we andere teksten raadplegen en dat feit niet persé hier ergens tussen willen voegen. Ook een duizendjarige rijk, herstel van Israël, Jezus als zichtbare koning in Jeruzalem op de troon van David, al dat staat hier niet maar wordt er regelmatig “ingelezen.” Dat is verkeerd omgaan met de Bijbel.

1 Cor.15:22. In Adam..., in Christus Van twee belangrijke teksten waar een vergelijk gemaakt wordt tussen Adam en Christus zegt men dat alle mensen een opstanding krijgen. Maar dit is een verkeerde visie op deze


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

505

Schriftuurplaatsen. Niet dat we het opstaan uit de doden van de onrechtvaardigen niet zouden aannemen. We geloven dat zeker, maar dan wel op basis van o.a. twee andere belangrijke teksten en dat zijn; Joh.5:28,29 en Hand.24:15. En we citeren ze daarom ook nogmaals: “Verwondert u hierover niet, want de ure komt, dat allen, die in de graven zijn, naar zijn stem zullen horen, en zij zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven, wie het kwade bedreven hebben, tot de opstanding ten oordeel” Joh.5:28,29. En: “Terwijl ik van God hoop, gelijk ook dezen zelf het verwachten, dat er een opstanding van rechtvaardigen en onrechtvaardigen zal zijn” Hand.24:15. We geven dan ook hierbij onze argumenten waarom de twee betrokken teksten die men aanhaalt om een algehele opstanding te bewijzen niet mogen gebruikt worden in dat verband. De tweede tekst is 1 Cor.15:22. Mensen die in een toekomstig duizendjarig rijk geloven, gebruiken dit gedeelte te pas en te onpas omdat ze dan ook de indruk geven dat er in dat gedeelte sprake is van drie opeenvolgende opstandingen; Christus, de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen. Maar zoals boven aangetoond: dat is niet het geval en de Schrift wordt zo geweld aangedaan. De eerste van deze teksten is Rom.5:18: “Derhalve, gelijk het door één daad van overtreding voor alle mensen tot veroordeling gekomen is, zo komt het ook door één daad van gerechtigheid voor alle mensen tot rechtvaardiging ten leven” (wij onderstrepen). We kunnen u meerdere citaten aanhalen waarbij “allen” uitgelegd wordt als “alle mensen” gezien het gaat om alle afstammelingen van Adam, zegt men dan. Maar voor elk citaat in die aard is er een ander aan te halen waar “alle” slechts spreekt over de gelovigen in Christus. Hierbij twéé, als voorbeeld en ter illustratie. Citeren we vooreerst H.C.G. Moule, ’The epistle to the Romans’, Pickering & Inglis, 7th edition, z.j., blz.151: “We denken ook niet, wanneer we nadenken over vers 18, dat omwille van de “veroordeling” over “alle mensen” in de betekenis van niet slechts de mogelijkheid veroordeeld te worden maar het ook in werkelijkheid nog te zijn, daarom “alle mensen” een rechtvaardiging ten leven ontvangen. Ook hier is de boodschap van Paulus zoals altijd, zowel in deze brief als de andere van Paulus, deze van het persoonlijk aanvaarden van de boodschap. De voorziening is er voor de mensheid als geheel, maar het bezitten ervan is slechts voor de gelovigen weggelegd. Neen, deze grote onderscheidingen in de parallel moeten onze hoogste zorg zijn.”

En de Gereformeerde theoloog D.G. Barnhouse schrijft in een nog steeds onovertroffen homilitisch commentaar op het boek aan de Romeinen: “Laten we er in het voorbijgaan van deze tekst nog op wijzen dat de uitdrukking “alle mensen” niet mag geïnterpreteerd worden als elk mens in het menselijk ras. Hier is een goed voorbeeld van het bijbelse beginsel dat een vers geen private uitleg toelaat (2 Pet.1:20). Want immers wanneer we deze tekst nemen zoals het er staat, en gewoon maar afgaan op wat er in een woordenboek staat over het begrip “alle”, dat we dan moeten leren dat er een universele verzoening en redding is van alle mensen. Maar we weten uit zoveel andere passages uit de Schrift dat dit niet het geval is. Jammer dan ook dat er nog steeds mensen zullen zijn die de Zoon onder de voeten vertrampelen. Maar ze zullen van God verwijderd worden. In meerdere bijbelpassages komen we de begrippen “alle mensen”, “ieder mens”, of “onder de mensen” tegen. Maar ze betekenen daar zonder enige twijfel “alle gelovige mensen” of “ieder gelovig mens” of “onder de gelovige mensen.” De


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

506

gelovige is deze die Gods uitspraak over zijn eigen zonde heeft aanvaard en daarenboven aanneemt dat zijn persoonlijke zonden op het kruis is geplaatst en dat de rechtvaardiging van de Redder op het krediet van de zondaar is overgedragen. In 1 Cor.3:11-15 is er geen twijfel mogelijk dat “ieder” en “alle” slechts over de gelovigen spreekt. Want allen die in de tekst genoemd worden zijn gered, sommigen ontvangen zo waar ook een aanvullende beloning, ze worden allen gered als door het vuur heen. Zo moeten we ook de uitdrukking “alle mensen” in deze tekst verstaan. Het is de rest van de Schrift waaruit we begrijpen dat de vrije gift van Gods genade en rechtvaardigheid voor alle wedergeborenen de rechtvaardiging meebrengt door het werk van de Verlosser.” We citeren de herdruk van 1977 bij Wm. Eerdmans, deel 3, blz.89,

90. De theologie is dus verdeeld in twee kampen; dezen waar “allen” in Rom.5:18 niemand uitsluit, maar de anderen waar “allen” slechts de gelovigen insluit. En 1 Cor.15:22 is de tweede tekst. De N.B.G. zegt: “Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden” (wij onderstrepen). Ook hier kunnen we twee kanten op met “allen.” “Allen” als alle afstammelingen van Adam of “allen” slechts en alléén de gelovigen in Christus. En bij dit laatste zijn er nog twee visies, een groep die géén onderscheid maakt tussen gelovigen vóór of na Christus en dezen die dat onderscheid wel maken. Maar op dit laatste gaan we niet in. Dat de opstanding van de “allen” slechts over gelovigen spreekt hiervoor de volgende citaten. Vooreerst uit F.W. Grosheide, ’Korte Verklaring der Heilige Schrift, 1 Korinthe’, Kok, 3de druk 1966, blz.188, 189. “In de mens Adam sterven allen, in de mens Christus worden allen levend gemaakt. Dat dit allen niet absoluut moet genomen worden, ligt in de aard der zaak. Paulus spreekt alleen van de gelovigen. Dat blijkt, wat de levendmaking betreft, duidelijk uit vs. 23: die in Christus zijn. Men kan het ook zó zeggen. De daad van Adam en die van Christus heeft betekenis voor hen, die in hen zijn, gelijk er uitdrukkelijk staat. Dit vers mag in geen geval gebruikt worden als bewijsplaats voor de leer, dat alle mensen in Christus behouden worden. Sterven staat in de tegenwoordige tijd. De apostel stelt het dus niet zó voor, dat, toen Adam stierf, allen stierven, maar hij denkt aan het voortdurend sterven van Adams nakomelingen. Daarentegen staat levend gemaakt worden in de toekomende tijd, Paulus denkt daarbij dus aan de opstanding, die voor allen tegelijk vallen zal bij de wederkomst van Christus, zie vs. 23. Die opstanding is, juist omdat de gestorvenen ook leven, wat wij noemen de opstanding des vleses, zie vs. 44. Maar daarbij moet vooral op opstanding de nadruk vallen, want de mens staat op, vs.23” (wij onderstrepen wat de schrijver in schuinschrift heeft gezet).

En J. Reiling, ’De eerste brief van Paulus aan de Korinthiërs’, Callenbach, 1997, blz.275, 276 zegt: “(15:22) Het ’door een mens’ van vs.21 wordt in vs.22 vervangen door ’in Adam’ en ’in Christus’. De woorden ’dood’ en ’opstanding van doden’ worden nader ontvouwd in werkwoorden: ’allen sterven’, ’allen zullen levend gemaakt worden’. Het eerste is tegenwoordige tijd, het tweede is futurum. Adam is de eersteling van alle mensen: hij is gestorven door zijn zonde en dat werkt door in alle mensen, zodat zij ook sterven. Christus is de eersteling van de gestorven mensen, omdat Hij de eerste is die uit de dood is opgewekt. Ook dat werkt door in allen, zodat zij levend gemaakt zullen worden. De vraag rijst of beide keren met ’allen’ dezelfde mensen worden bedoeld, met andere woorden of met deze zin de algehele opstanding van de doden wordt verkondigd. De herhaling van ’allen’ is echter eerder het gevolg van de parallelle opbouw van vs. 21-22 dan bedoeld als een theologische identificatie. In vs. 23 preciseert Paulus dit tweede ’allen’ als ’zij die van Christus zijn’.”


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

507

Dat wil zeggen dat in de theologie van Paulus het begrip “allen” dus soms een beperktheid kan inhouden! Daarom moeten we de opstanding van de goddelozen niet trachten te bewijzen vanuit 1 Cor.15:20-28. Volgens de WT zullen allen wie zondigen “tegen de heilige geest” géén opstanding ontvangen en daaronder zijn: “Judas Iskariot (...) De losprijs zal niet ten behoeve van hem aangewend worden (...) de joodse religieuze leiders (...) Paulus zegt over degenen die de waarheid gekend hebben en deelgenoten zijn geworden van de heilige geest maar vervolgens zijn afgevallen, dat zij in een toestand geraken waarin het onmogelijk is hen “wederom tot berouw te brengen (...)”. De losprijs kan hun niet meer baten; daarom zullen zij geen opstanding krijgen (...) Verder zegt Paulus dat er voor hen die “moedwillig zonde beoefenen na de nauwkeurige kennis van de waarheid te hebben ontvangen (...) geen slachtoffer voor zonden meer over{blijft} (...).” Uit ’Inzicht in de Schrift’, deel 2, 1997, blz.523 (wij

onderstrepen). We gaan hier niet verder op in, maar het is duidelijk in strijd met wat de Schriften leren. Er zijn trouwens ook enkele uitspraken in de Talmud die zeggen dat de goddeloze en afvallige Joden geen opstanding krijgen in de toekomende wereld. Tot slot en als inleiding op het volgende van G.C. Berkouwer in ’De wederkomst van Christus’, deel II, Kok, 1963, blz.87, voetnota 63: (Rigeaux, a.w., pag.544). Het is Paulus te doen om de vertroosting der Thessal. en hij toont “leur résurrection comme l“Meermalen is naast 1 Cor.15 ook 1 Thess.4:15 v. ter sprake gebracht b.v. Bietenhard, pag.111 (...) omdat ook hier het chronologisch element ter sprake komt, vgl. het eerst opstaan van hen die in Christus gestorven zijn (prooton) en daarna (epeita) “wij, levenden, die achterbleven” (1 Thess.4:16-17). Het is duidelijk, dat ook hier geen sprake is van de “algemene” opstanding. Het prooton-epeita sluit aan bij het probleem der Thessal. (4:13): “Paul n’a pas à s’occuper de la résurrection des autres” e premier aspect (nl. der gestorvenen) terrestre de la parousie.” Dat impliceert niet een tussenrijk, want daarna volgt het samen met hen weggevoerd worden (hama sum hautois, 4:17).” Want ook 1 Thes.4:14-17 heeft enkele ingrepen ondergaan bij de uitleg van wie in

de bedelingen geloofd. Zijn de 24 oudsten van het boek Openbaring de kerk? In de leer van de bedelingen is de opname van de gemeente in het boek Openbaring duidelijk geleerd. Het is wat Johannes overkomt wanneer hij in hoofdstuk 4 het bevel krijgt om ten hemel te stijgen. Dat zou het beeld zijn dat de ganse kerk opgenomen wordt zegt een dispensationalist dan. Als inleiding op de weerlegging van zo een opvatting de navolgende opmerking. In een zeer degelijke brochure van J. Dijk, ’Hal Lindsey: profeet of fantast’, Serie verkenning en bezinning, Kok, 1979 staat er dit: ”Typerend voor de manier, waarop Lindsey de profetie interpreteert, is de aanhef van zijn boek over de Openbaring aan Johannes. Hij zegt daar: ”Het verslag, dat u in dit boek gaat lezen is actueler dan de krant van morgen. En ik kan dit zo met zekerheid zeggen, omdat de feiten en voorzeggingen, die hier worden beschreven, genomen zijn uit de meest betrouwbare bron over het wereldgebeuren van deze tijd - de bijbel.” De eerste zin is een vondst, vooral vanwege de typering: ”actueler dan de krant van morgen.” En door het woord ”verslag” te gebruiken, omzeilt hij een eventueel verwijt van onjuiste of oppervlakkige exegese, en plaatst zichzelf in de hoek van de journalisten, die hij dan ook (vooral in zijn eerste boek) met een zekere voorliefde citeert. Erger is, dat hij niet alleen zijn eigen boek, maar óók de Openbaring zelf blijkbaar als een ”verslag” beschouwt. Hij is ervan overtuigd, dat Johannes de komende gebeurtenissen in chronologische volgorde beschrijft, een volgorde, waarvan hij pas in hoofdstuk 17 en 18 afwijkt, ”om een terugblik te kunnen


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

508

slaan”. Zo wordt voor hem de Openbaring aan Johannes een soort ”blauwdruk voor de toekomst”. Hoewel Lindsey zelf deze term niet gebruikt, ligt ze opgesloten in tal van uitspraken, die hij erover doet, b.v. ”Als u gelovig bent, kunt u in de hoofdstukken 4 en 5 van de Openbaring precies lezen, wat u in de hemel zult ervaren”. (’Planeet’, pag.142.) Van dergelijke ”zekerheden” wemelen Lindsey’s boeken. Woorden als ”natuurlijk” en ”vanzelfsprekend” kom je telkens tegen, vooral wanneer een nader exegetisch bewijs voor een uitgesproken bewering ontbreekt. Iedere theoloog zal zich ervan bewust zijn, dat objectieve exegese altijd een hachelijke onderneming is, omdat iedere exegeet óók altijd een subjectief mens blijft, die er steeds voor moet waken, om zijn eigen, persoonlijke uitgangspunten en vooroordelen, in de bijbeltekst in te dragen, en ze als absolute waarheden te verkondigen” (blz.5,6). Deze opmerking is

zeer belangrijk gezien we ons nu gaan richten op de interpretatie van waar het op aan komt in wat volgt. Want de interpretatie van de eerste verzen van Openbaring hoofdstuk 4 bepalen voor een groot deel hoe het boek verder moet uitgelegd worden. Er zijn 3 belangrijke uiteenlopende opvattingen over wie de 24 ouderlingen zijn (maar er zijn ook nog andere niet zo belangrijke): 1°) Opgestane heiligen uit Oud en Nieuw Verbond. 2°) De gemeente van Christus = eerstelingen (Opb.14:1:5). (Eventueel genaamd vrouw van het Lam Opb.19:4). 3°) Engelen. De eerste opinie is verkeerd omdat de Schrift de heiligen en getrouwen uit de tijd vóór de dood van Christus uitsluit van een bewust hemels leven. Niemand van hen, ook niet Henoch, Mozes of Elia, is reeds ten hemel opgenomen (Joh.3:13). Dit is de wil van YaHWeH. De belofte van God aan dezen was trouwens: leven op aarde. Ze zullen prinsen zijn op de aarde (Ps.45:16 / Heb.11:16). We komen op deze leer ook niet terug. We moeten, wel kiezen tussen twee of drie. De tweede gedachte is ook verkeerd om méér dan één reden en dat gaan we uit de doeken doen. Het is o.a. de visie van hen die in de bedelingen geloven. A.M. Berkhoff zegt: ”Daar zitten de ouderlingen, de Gemeente des Heeren in onverstootbare zielerust op hunne tronen”, (’De Wederkomst van Christus’, Kok, 1926, blz.154). Volgens deze schrijver zou dat gedeelte van Opb.4 verwijzen naar: ”de gemeente rondom de troon.” Maar ook de Wachttoren heeft in ’De Openbaring’ blz.77 een lezing in dien aard. Johannes de Heer zegt: het zijn vertegenwoordigers van de verloste mensheid, 12 uit het oude verbond en 12 uit het nieuwe verbond (’De komende Koning’, blz.31.). En hetzelfde staat in W. Pentecost, ’Things to Come: A Study in Biblical Eschatology’, 1959, Reprint Zondervan 1983, blz.254,255. Voor allen een symbolisch getal, dus van de opgenomen gemeente. In de Statenvertaling staan meerdere verklarende nota’s bij Bijbelteksten. Dit staat in Openbaring hoofdstuk 4 bij het begrip ouderlingen: ”Deze vier en twintig ouderlingen nemen sommigen voor de twaalf patriarchen, en de twaalf apostelen, als voorgangers van de gehele Kerk van het Oude en Nieuwe Testament. Doch daar Johannes, een van de apostelen, toen nog leefde, en dit gezicht in den hemel is geschied, zo verstaan anderen hierdoor al de voorgangers van het Oude Testament; een gelijkenis, genomen van de priesters en levieten, die den tabernakel dienden, en in vier en twintig orden waren onderscheiden, en derhalve vier en twintig oversten hadden, die voorgangers waren van de gehele Israëlitische Kerk, gelijk te zien is 1 Kon.24.” Zoals zo dikwijls geeft de Statenvertaling slechts een

opsomming van enkele visies.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

509

Hier zijn enkele teksten uit het Nieuw Testament waar het begrip ouderlingen in gebruikt wordt en het is duidelijk dat die term zowel door de Joden als de Christenen gebruikt werd. Deze teksten komen uit de Statenvertaling. ”Dewelke gingen tot de overpriesters en de ouderlingen, en zeiden: Wij hebben ons zelven met vervloeking vervloekt, niets te zullen nuttigen, totdat wij Paulus zullen gedood hebben.” (Hand.23:14 = Joodse ouderlingen.) ”En vijf dagen daarna kwam de hogepriester Ananias af met de ouderlingen, en een zekeren voorspraak, genaamd Tertullus, dewelke verschenen voor den stadhouder tegen Paulus.” (Hand.24:1 = Joodse ouderlingen.) ”Om wiens wil, als ik te Jeruzalem was, de overpriesters en de ouderlingen der Joden verschenen, begerende vonnis tegen hem” (Hand.25:15 = Joodse ouderlingen.) ”Dat de ouderlingen, die wel regeren, dubbele eer waardig geacht worden, voornamelijk die arbeiden in het Woord en de leer.” (1 Tim.5:17 = ouderlingen in de gemeente van Christus.) Het sanhedrin, de oudsten van Israël, bestond slechts uit mannen boven de 50 jaar oud. Israël had al ouderlingen vóórdat de wet gegeven was Gen.50:7 / Ex.3:16. Het zijn de officiële aangestelde mensen die in de naam van het volk spreken. Maar andere volkeren rondom hadden die ook (Num.22:7). Toen de wet er was waren ze de personen waar Mozes kon op terugvallen om hem het leven gemakkelijk te maken, het waren zijn helpers (Ex.24:1). Het waren er zeventig (Num.11:16,17). Deze ouderen hadden functies als gouverneurs (Deut.31:28), plaatselijke beheerders (16:18), plaatselijke rechters (19:12). Ouderlingen hadden veel invloed op het dagelijkse leven (1 Sam.30:26-31) en hadden diezelfde invloed nog in de tijd van Jezus (Mat.16:21 / 21:23 / 26:59). Totaal anders gaat het er aan toe in het NT. Ouderlingen in de gemeente van Christus waren ”herders” (Eph.4:11), ”opzieners” (Hand.20:28), ”leiders” en ”regeerders” (Heb.13:7 / 1 Thes.5:12). Het Nederlandse begrip ”bisschop” is rechtstreeks overgenomen uit het Griekse woord ”episcopos.” Men is niet steeds ”ouderling” omdat men de oudste is in leeftijd, maar het geestelijke heeft voorrang (Titus 1:5-7 / Hand.20:17-28 / Phil.1:1). En volgens twee teksten uit het OT waren de priesters bestuurd door ouderlingen; Jesaja 37:2: ”Ook zond hij de hofmaarschalk Eljakim, de schrijver Sebna en de oudsten der priesters, bedekt met rouwgewaden, tot de profeet Jesaja, de zoon van Amoz.” Jeremia 19:1: ”De HERE zeide aldus: Ga heen, koop u een pottenbakkerskruik, en ga met enige van de oudsten des volks en van de oudsten der priesters.” Het grote op te lossen probleem in dit gedeelte is dus dit: wie zijn de 24 ouderlingen? Ze worden 12 maal vernoemd in de Apocalyps en nergens anders Opb.4:4,10 / 5:5,6,8,11,14 / 7:11,13 / 11:16 / 14:3 / 19:4. Veel vergelijkende teksten hebben we dan ook niet. Hierover eerst alle gegevens in een statistiek: 1°) Vormen een cirkel rond Gods troon, 4:4a. 2°) Zijn in totaal met 24, 4:4b. 3°) Zitten op 24 tronen, 4:4c. 4°) Dragen witte gewaden en gouden kronen, 4:4d. 5°) Vallen neer en aanbidden God, 4:10. 6°) Zingen tot God, 4:11 en bespelen een harp, 5:8. 7°) Troosten Johannes, 5:5. 8°) Aanbidden het Lam, 5:8.


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

510

9°) Presenteren op gouden schalen de gebeden der heiligen aan God, 5:8. 10°) Afhankelijk van de vertaling bezingen zij hun eigen verlossing of deze van anderen, 5:8,9. 11°) Ze spelen harp (5:8) en zingen een nieuw lied, 5:9. 12°) Verklaren profetie aan Johannes, 7:14-17. 13°) Loven God en spreken uit ”Gij zijt waardig”, 4:11 / 5:12. Één ding is zeker: de Schrift zelf geeft niet aan dat de 24 ouderlingen het symbool zijn van iets. Willen we dat toch doen, dan maken we daarin slechts kans door de goede argumenten aan te voeren die dat bewijzen. Er moeten dwingende redenen zijn om dat te doen. Want anders zou men de Schrift wel eens geweld kunnen aan doen. Ze kunnen moeilijk een groep van uitsluitend Joden voorstellen. Ze kunnen ook bezwaarlijk een groep voorstellen van 24 volkeren uit de heidenen. Want er waren volgens het verslag van Genesis toen al 70 volkeren geteld (Genesis hoofdstuk 10). En ze kunnen ook moeilijk een groep voorstellen die zou gekomen zijn uit de een of andere verdrukking, vervolging of martelaarschap. Dat staat er allemaal niet. Dat wordt niet aangegeven door wat we bovenaan over hen in kaart hebben gezet. Zij die geloven in het pre-tribulationisme aanvaarden zoveel als mogelijk het literalisme, wat erop neer komt de Bijbel zo letterlijk mogelijk te lezen. Tezelfdertijd is hun uitleg over Openbaring 4 en de 24 oudsten echter een staaltje van symbolisme! De 24 oudsten zijn volgens hun leer = de gemeente van Jezus die is opgenomen vóórdat er een grote verdrukking op de aarde komt. Ouderlingen zijn de vertegenwoordigers van de gemeente (zie Hand.15:6 / 20:28). Al in het Oud Testament zijn 24 groepen het beeld van het Levietische priesterschap (1 Kron.24). Kijk naar wat de Scofieldbijbel zegt in voetnota bij Openbaring 4. Er schort wat aan de argumentatie. Ouderlingen zouden de vertegenwoordigers van de gemeente zijn volgens Hand.15:6 / 20:28. Dat is niet waar. Deze twee verzen ondersteunen dat absoluut niet. In Handelingen 15:6 is er sprake van twee belangrijke groepen in het kerkelijke bestuur: ”de apostelen en de oudsten.” We hebben in dit gedeelte met drie groepen te maken; apostelen, oudsten en de andere kerkleden. Dat is duidelijk wanneer je de verzen 4 en 5 er bij leest, en dat is de onmiddellijke context. We zien eigenlijk het omgekeerde van wat dispensationalisten beweren. Dit zijn enkele feiten over wat ouderlingen doen in een gemeente en wie zij zijn? Handelingen 15:6 (NBG) zegt: ”En de apostelen en de oudsten vergaderden om deze aangelegenheid te overwegen.” Ouderlingen besturen in die dagen de kerk in Jeruzalem (want daar gaat het hier om) samen met de apostelen. Indien we er nog verder op ingaan zijn de oudsten plaatselijke bestuurders, van een plaatselijke gemeente. Ze stellen de ALGEHELE KERK NIET VOOR, er is geen enkele tekst die dat leert. Het belang van deze vergadering was dat de apostelen er waren en Paulus die het probleem had aangekaart; heidense gelovigen hebben rechten en géén Mozaïsche plichten. De andere tekst is Handelingen 20:28 waar dit staat: ”Ziet dan toe op uzelf en op de gehele kudde, waarover de heilige Geest u tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, die Hij Zich door het bloed van zijn Eigene verworven heeft.” Hier is het duidelijk; de plaatselijke opzieners zijn de alléén verantwoordelijken voor DIE GEMEENTE en vertegenwoordigen geen enkele andere. Oudsten zijn nergens in de Schrift de voorstelling van


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

511

HET BESTUUR VAN DE GEMEENTE ALS ÉÉN GEHEEL. Wanneer het dan echt zou gaan om het bestuur van de kerk dat in Openbaring beschreven is in de 24, waarom is niet alles met name genoemd bijvoorbeeld; kijk mensen, dit = dat, dit zijn de twaalf patriarchen en dat zijn de twaalf apostelen, de stamvaders van Israël en de kerk van Christus. Dat staat er niet, maar waarom ze er dan langs een omweg invoeren. Wijst de onderverdeling in 24 groepen van de priesters in het Oud Testament naar Openbaring 4. Priesters hadden in die dagen de functie van vertegenwoordigers voor het volk tegenover God. Die twee groepen waren streng gescheiden, het volk kwam nooit in de tempel en priesters mochten er slechts in na een rituele reiniging. Het heeft weinig zin te verwijzen naar 1 Petrus 2:9 waar de gemeente van Christus een ”koninklijk priesterschap” genoemd wordt. Wie geloofd in de opname van de gemeente vóór de grote verdrukking, beweert namelijk dat alle nieuwtestamentische gelovigen de gemeente voorstellen. Ze kunnen de vertegenwoordigers niet zijn van de gemeente, want alle gemeenteleden zijn in hun uitleg dan al opgenomen tot de Heer. Maar ze kunnen dus niet tegelijkertijd de 24 oudsten zijn. Beeld en tegenbeeld zijn dus strijdig met elkaar. Indien de 24 oudsten wat te maken hebben met de regelingen van priesters in het Oud Testament, dan moet het wat anders voorstellen dan wat de dispensationalisten zeggen. Dat is dus duidelijk: in Openbaring zijn de 24 oudsten symbool van… NIEMAND. Ze zijn gewoon zichzelf. Indien we het getal 24 persé figuurlijk willen uitleggen zou dat wel dit kunnen zeggen; dat er 24 verscheidene aparte groepen van engelen zijn die een speciale dienst verrichten rondom de troon. Omdat deze 24 ouderlingen nog verscheidene malen genoemd zijn in de Openbaring willen we hen verder beschrijven aan de hand der Bijbelse gegevens. Ze zitten rond Gods troon, zelf op tronen, in witte klederen en met kronen op hun hoofd als teken van autoriteit, (4:4 / 14:3) ze brengen een eeuwige hulde aan God (5:11,14 / 7:11 / 11:16 / 14:3 / 19:4). Ze brengen de gebeden der heiligen tot God (5:6-8). Eén van hen geeft een aanmoediging aan Johannes (5:5). Eén is ook een verklaarder van visioenen (7:13). Ze werpen hun kronen voor de troon en loven God en het Lam (4:10). Aan het symboliseren van de 24 ouderlingen hebben we geen behoefte, deze 24 zijn wat ze zijn. Daarom eens uitgelegd in het lang en het breed: a) Deze ouderlingen worden in Opb.5:6-8 afgebeeld als dat ze de gebeden van de heiligen aan God aanbieden. Dat de gemeente zelf zijn gebeden aan God zou aanbieden kan dus niet waar zijn gezien deze tekst. Er is ook nergens in de Schrift gezegd dat mensen gebeden aan God aanbieden. Maar engelen kunnen dit wel en speciaal de engelen die ons bewaken (Mat.18:10 / Hand.12:15). De ouderlingen zijn dus géén mensen, die ten hemel opgenomen zijn en ook niet de verheerlijkte gemeente. b) Deze ouderlingen zijn dus beschreven als priesters maar NOOIT als koningen. De gemeente is echter een geslacht van koningen en priesters (Opb.20:4-6 / 1 Pet.2:9 / Opb.5:10). In het OT (zegt men) was ook de priesterklasse verdeeld in 24 onderdelen volgens 1 Kron.24:1-19. Maar dat is slechts de telling die geldig is vanaf David en Salomo. Ook dan gaat het om een selectie die David heeft gemaakt van afstammelingen van Aäron. Hij koos 16 zonen uit Zadok van Eleazar en 8 zonen uit het huis van Ithamar. Alle andere afstammelingen werden niet waardig genoeg geacht voor een functie. Nà de ballingschap waren er slechts vier groepen van de priesters teruggekeerd en heeft men er opnieuw een groep van 24 uit samengesteld (Ezra 2:36-39 / 3:2). Deze 24 zijn in


DE WEDERKOMST VAN JEZUS, DE JODEN EN DE DUIZENDJARIGE REGERING

512

de tijd van David en ná de ballingschap dus NOOIT de voorstelling van al de Levieten, maar gewoon van afstammelingen van hogepriesters. We zeggen dat om een aantekening te maken bij wat men meestal zegt in kringen van herstel van Israël als staatsgodsdienst: de 24 stellen absoluut NIET ALLE priesters voor. Beeld en tegenbeeld kloppen niet. Het leger was in Israël verdeeld in groepen van 24.000 soldaten (1 Kron.27:1-5) en er waren 24 verdelingen onder de poortwachters (1 Kron.26:17-19). In het OT dus steeds een letterlijk getal. Zo ook zeer waarschijnlijk hier. Laat de gelijkenis met het Aäronische priesterschap ons er niet toe verleiden tot verkeerde conclusies over te gaan. Het priesterschap van het OT IS afgeschaft doordat Christus die wet heeft vervuld en tot zijn einde (”telos” in het Grieks) gebracht heeft. c) Deze ouderlingen zitten op tronen vóórdat Christus is teruggekomen en vóórdat de oordelen over de aardse bewoners komen die in de verscheidene plagen uit het boek beschreven zijn. In Opb.20:4,6 wordt er gezegd dat de gemeente bij de eerste opstanding op tronen gaat zitten. Ze zitten niet in de hemel maar regeren met hun Heer nu al. Er is van Christus natuurlijk aan Zijn 12 discipelen de belofte gedaan dat ze op 12 tronen zullen zitten (Mat.19:28). Maar pas op; dat heeft plaats bij de ”wedergeboorte.” En de vraag is dan wie zouden de andere twaalven zijn? Een twaalftal bekende bekeerde figuren uit de heidenen? We maken deze drie opmerkingen met het oog op de New Scofieldbijbel die persé in deze groep van 24 oudsten, de juist tevoren opgenomen ”gemeente” wil zien (zie blz.1356). Maar wanneer men zegt dat de gemeente niet meer aanwezig is op aarde, nà Opb.4:1, dan is één en ander ons toch niet duidelijk. Er zijn bepaalde termen waarmee de gemeente van Christus beschreven wordt in het NT. Het zijn diezelfde termen die we ook na Opb.4:1 nog in het boek Apocalyps vinden. Zie de lijst hieronder. En de teksten met betrekking tot de gemeente van Christus, die bij elk onderdeel staan, komen uit het NT. 1°) elke stam en taal en natie Opb.5:9 = Abraham is de geestelijke vader van alle gelovigen in elke natie vergelijk Rom.4:11,16-18 en Gen.17:1-6. 2°) een koninkrijk van priesters Opb.5:10 = 1 Pet.1:18,19 / 1 Pet.2:9,10. 3°) martelaren Opb.6:9 = Mat.10:22,23 / Joh.15:20 / Hand.4:1-3. 4°) menigte Opb.7:9 / 19:5,6 = Hand.11:17,18 / 13:47-49. 5°) slaven Opb.1:18/ 19:2,5 = 1 Cor.7:22,23 / 1 Pet.1:18,19. 6°) broeders Opb.12:10 = 1 Cor.12:12,13 / Gal.3:28 / Col.3:11. 7°) overschot (rest) 12:17 = Rom.9:24-27 / 11:5. 8°) heiligen Opb.13:7,10 / 14:12 / 18:20,24 = Hand.9:13 / Rom.1:7 / Rom.12:13 / 2 Cor.1:1. 9°) bruid Opb.19:7 = Joh.3:28,29 / Eph.1:22,23 en 5:22,23 / 1 Cor.6:17. De Messiasbelijdende Jood A. Fruchtenbaum zegt in zijn boek ’The Footsteps of the Messiah’, blz.113 zeer terecht dat de uitnodiging in Opb.4:1 slechts op de apostel slaat en we hier géén ”rapture” (opname) van de gemeente moeten in zoeken. Maar, er zijn waarschijnlijk géén 1% van alle dispensationalisten die dat geloven. En ook dezen geloven niet dat de 24 = de gemeente: E. W. Bullinger, ’Commentary on Revelation’, Kregel Publications, 1984, blz.217-220 en Thomas R.L., Revelation 1-7: ’An Exegetical Commentary’ (Wycliffe Exegetical Commentary), Moody Press, 1992, blz.344-348. En toch een disp