Page 1

MACRO-ECONOMISCHE INDICATOREN Juli 2019


Redactie: Steven Vanneste Vormgeving: Sophie Emmery Foto’s: Unsplash Š2019 Guidea - Kenniscentrum Toerisme en Horeca vzw. Deze informatie werd met de grootste zorg samengesteld. Guidea, het Kenniscentrum Toerisme en Horeca vzw stelt zich echter niet aansprakelijk voor de juistheid van de aangeboden informatie. In geen geval is Guidea, het Kenniscentrum Toerisme en Horeca aansprakelijk voor enige directe of indirecte schade als gevolg van of in verband met de aangeboden informatie uit deze publicatie.

2 Macro-economische indicatoren JULI 2019


MACRO-ECONOMISCHE INDICATOREN Juli 2019

Synthese Output, intermediair verbruik en toegevoegde waarde

Investeringen en kapitaalgoederenvoorraad 27 Investeringen 30 Kapitaalgoederenvoorraad

6

2017: 1 jaar na de aanslagen en 2 jaar GKS

7

Groei in alle Gewesten

Werkgelegenheid

7

In 2017 creëert de Belgische horeca 7,4 miljard euro toegevoegde waarde

33

Gewerkte uren2,4% 34

Toegevoegde waarde stijgt nu ook in volume

Gewerkte uren per persoon

8

35

… en buurlanden

Vergelijking buurlanden

9

36

10

Aandeel horeca in de economie

Productiviteit

12

Verdeling toegevoegde waarde

39

Nominale en reële productiviteit

14

Horeca is een sector met veel zelfstandigen…

39

Vergelijking met sectoren

14

… maar vennootschappen winnen aan belang

40

Evolutie doorheen de tijd

41

Zelfstandigen vs Vennootschappen

41

Vergelijking buurlanden

16 Een sterke verwevenheid met andere sectoren

Prijzen en consumptie 19 Prijzen 24 Consumptie

Arbeidskosten 43

Loonkost per uur

44

Loonkost per eenheid product

45

Inkomen zelfstandige

JULI 2019 Macro-economische indicatoren 3


Synthese De horeca is een belangrijke sector voor de Belgische economie. Het vertegenwoordigt 1,9% van alle toegevoegde waarde die er gecreëerd wordt. De horeca is daarmee bijna even groot als de informaticadiensten en zelfs groter dan de farmaceutische en metaalindustrie. De horeca heeft bovendien een zeer sterke impact op andere sectoren. Per miljoen euro extra vraag naar horecadiensten neemt de totale productie in de Belgische economie met 2,25 miljoen euro toe en worden er 18,29 nieuwe arbeidsplaatsen gecreëerd. Dit zijn één van de hoogste productieen tewerkstellingsmultiplicatoren in de Belgische economie. 2017 is het tweede jaar dat het Geregistreerd Kassasysteem (GKS) officieel van kracht is met als doelstelling fraude in de sector terug te dringen. Dit heeft vooral een invloed op de traditionele restaurants en traiteurs die verplicht zijn hiermee te werken. 2017 is ook het jaar na de aanslagen op 22 maart in Zaventem en Brussel. Deze hadden een forse impact op de omzet van de hotels. De output (omzet en voorraden) stijgt voor het tweede jaar op rij met ruim 3%. De toegevoegde waarde (de unieke bijdrage van de horecasector in het productieproces) stijgt met ruim 4%. Dit is het snelste tempo van de voorbije drie jaar.Vooral Brussel kent een heropleving. In 2016, naar aanleiding van de aanslagen, daalde de toegevoegde waarde er nog met 4%. Voor het eerst in drie jaar stijgt de toegevoegde waarde ook in volume, en niet enkel in prijs. Deze stijging is echter onvoldoende om de terugval in 2015 en 2016 teniet te doen. Hierdoor ligt de reële toegevoegde waarde van de horeca nog steeds 4% lager dan in 2014. De horeca presteert hiermee slechter dan gemiddeld. De prijzen van horecadiensten stijgen voor het vijfde jaar op rij sneller dan gemiddeld. Met 3,3% is dit ook het hoogste tempo van de voorbije jaren. In tegenstelling tot vorige jaren zijn niet de eet-en drinkgelegenheden hiervoor verantwoordelijk, maar wel de accommodaties. De consument besteedt steeds meer aan horeca. 1.219€ of 6,5% van alle gezinsbestedingen vloeit naar de horeca in 2017. Dit aandeel is sterk toegenomen de voorbije jaren. Het zijn dan vooral gezinnen die het herstel van de horeca trekken. 4 Macro-economische indicatoren JULI 2019

Het aantal gewerkte uren in de horeca (door werknemers en zelfstandigen) bereikt in 2017 een nieuw hoogtepunt van 242 miljoen. Dit is een stijging van 9 miljoen uren in vergelijking met 2016. De verwitting van uren naar aanleiding van de introductie van het GKS verklaart deze sterke toename. Ook per werknemer worden er meer uren dan ooit gepresteerd. Een horecawerknemer werkt gemiddeld 1.281 uren per jaar in 2017. Dit zijn 36 uren meer dan het jaar voordien. Door het belangrijk aandeel van deeltijdse arbeid in de horeca blijft dit aantal lager dan in andere sectoren. De loonkost per gewerkt uur neemt in 2017 toe met net geen 1% bij vennootschappen en met ruim 2% bij zelfstandigen. Ook over alle sectoren heen neemt de loonkost toe met zo’n 1,5% bij zowel vennootschappen als zelfstandigen. Horeca vennootschappen kennen dus een gunstigere loonevolutie dan gemiddeld, terwijl deze evolutie voor horecazelfstandigen net minder gunstig is. Ook de voorbije 2 jaren was dit de situatie. Mogelijk maken horecazelfstandigen minder gebruik van de compenserende maatregelen die werden toegekend bij de invoering van het GKS. Ook kan het verwittingsproces van lonen bij zelfstandigen een grotere rol spelen. De lonen zijn in de horeca lager dan in andere sectoren. Dit geldt tevens voor de productiviteit. Het gemiddelde uurloon bedraagt 28,9€ en de productiviteit 30,7€ in de horeca. Over alle sectoren heen is dit respectievelijk 37,0€ en 53,6€. De verhouding van het uurloon tot de productiviteit is dus hoger in de horeca. De investeringen (in volume) nemen in 2017 met 4% toe in de horeca. Dit volgt op 2 jaren waarin de investeringen niet toenamen. Opvallend is dat er fors meer geïnvesteerd wordt in ICT. Dit contrasteert met de afbouw van deze investeringen in voorgaande jaren. Horeca is een sector met veel zelfstandigen. Ze creëren 21% van de toegevoegde waarde in de horeca, wat meer is dan andere sectoren. 2016 en 2017 zijn voor hen moeilijke jaren. Hun inkomen valt terug van 15,1€ in 2015 tot 13,5€ in 2017. Tegelijkertijd werken ze meer uren dan voordien.


HORECA IN DE MACRO-ECONOMIE

1,9 % AANDEEL IN DE

BELGISCHE

ECONOMIE

+4 %

-4% IN 2016

TOEGEVOEGDE WAARDE

BRUSSEL

Heropleving na de aanslagen.

+3 %

+6,7%

PRIJZEN

Prijzen stijgen sneller dankzij accommodaties.

+9

242 MILJOEN UREN

miljoen

ACCOMMODATIES

GEWERKTE

UREN

Aantal gewerkte uren door zelfstandigen en werknemers.

=

INFORMATICADIENSTEN

>

FARMACEUTISCHE INDUSTRIE

>

METAALINDUSTRIE

+4 % INVESTERINGEN

+2% ALLE SECTOREN ICT wint aan belang.

6,5 %

1.219€ PP/JAAR

29 €

37€ ALLE SECTOREN

BESTEDING

LOONKOST

PER UUR

Per 100€ besteedt de Belg 6,5€ in de Belgische horeca.

De lonen in de horeca liggen lager dan in andere sectoren.

JULI 2019 Macro-economische indicatoren 5


Output, intermediair verbruik en toegevoegde waarde Prijzen en consumptie Investeringen en kapitaalgoederenvoorraad Werkgelegenheid Productiviteit Arbeidskosten

Output, intermediair verbruik en toegevoegde waarde 2017: 1 jaar na de aanslagen en 2 jaar GKS 2017 is het tweede jaar dat het Geregistreerd Kassasysteem (GKS) operationeel is in de horeca. Deze kassa is verplicht voor de meeste traditionele restaurants en traiteurs en heeft als doel zwartwerk tegen te gaan. Daarnaast is 2017 het jaar na aanslagen in Zaventem en Brussel van 22 maart 2016. Dit had een forse impact op de omzet van de hotels, voornamelijk in Brussel (Guidea, 2017). 6 Macro-economische indicatoren JULI 2019


In 2017 creëert de Belgische horeca 7,4 miljard euro toegevoegde waarde Tabel 1: Output, intermediair verbruik en toegevoegde waarde, 2016, miljoenen euro’s (bedragen excl. BTW)

2017

In vgl met 2016

Output

17.779

+ 551 (+3,2%)

Intermediair verbruik

10.332

+ 248 (+2,5%)

Toegevoegde waarde

7.447

+ 304 (+4,3%)

Bron: NBB.stat, Guidea

De output (som van omzet en wijziging in voorraden) van de Belgische horeca bereikt 17,8 miljard € (excl. BTW) in 2017. Dit is een stijging met 551 miljoen euro of 3,2% in vergelijking met 2016. Om deze output te realiseren wordt voor 10,3 miljard € (excl. BTW) aankopen gedaan bij andere bedrijfstakken (het zogenaamde intermediair verbruik). De resterende 7,4 miljard € weerspiegelt de toegevoegde

waarde van de horeca tijdens het productieproces. Deze waarde wordt gebruikt voor de vergoeding van de ingezette arbeid en kapitaal. In 2017 stijgt deze toegevoegde waarde met 4,3%, het hoogste groeitempo van de voorbije drie jaar.

17,8 miljard De output van de Belgische horeca bereikt in 2017 Q4 17,8 miljard euro.

59% van de toegevoegde waarde wordt gecreëerd in het Vlaams Gewest, 22% in het Waals Gewest en 19% in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Groei in alle Gewesten In 2017 stijgt de toegevoegde waarde in elk Gewest: 3,9% in het Vlaams Gewest, 4,5% in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en 4,9% in het Waals Gewest. In 2016 daalde de toegevoegde waarde in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest naar aanleiding van de aanslagen. De toegevoegde waarde groeit in het Vlaams Gewest voor het derde jaar op rij met zo’n 4%. In het Waals en Brussels Hoofdstedelijk Gewest groeit de toegevoegde waarde aan het hoogste tempo in verschillende jaren.

Figuur 1: Evolutie toegevoegde waarde in lopende prijzen per Gewest, jaar-op-jaarverandering, %

8,0% 6,0% 4,0% 2,0% 0,0% -2,0% -4,0% -6,0% 2012

2013

2014

Brussel

Vlaanderen

2015

2016

2017

Wallonië

Bron: NBB.stat, Guidea;

JULI 2019 Macro-economische indicatoren 7


Toegevoegde waarde stijgt nu ook in volume We kunnen de evoluties ook bekijken in reĂŤle termen, door de prijzen vast te houden.Volgende figuur geeft de evolutie weer van de output, het intermediair verbruik en de toegevoegde waarde in volume. Dit in de vorm van een index waarbij 2008 (start van de financieel-economische crisis) gelijkgesteld werd aan 100. Uit de figuur leren we verschillende dingen. Indien we ons concentreren op het jaar 2017 dan zien we een stagnatie van de aankopen bij leveranciers (het intermediair verbruik) in volume. Tussen 2013 en 2016 zijn deze aankopen sterk in volume toegenomen. Het intermediair verbruik bevindt zich 7% boven het niveau van 2008.

Figuur 2: Evolutie van output, intermediair verbruik en toegevoegde waarde horeca in volume (Index, 2008 = 100) 107

110

107

Intermediair verbruik Intermediair verbruik

105

98 100

98

Output Output

95

86

90

86 85

80 2008 Bron: NBB.stat, Guidea

We noteren ook een lichte stijging van de output. Het is het vijfde jaar op rij dat de output in volume toeneemt. Het bevindt zich nog steeds 2% onder het niveau van 2008. Tot slot stijgt ook de reĂŤle toegevoegde waarde, dat het verschil is tussen output en intermediair verbruik, met 1,7%. De 2 voorgaande jaren viel deze toegevoegde waarde relatief fors terug. In vergelijking met 2008 is de terugval zelfs 14%.

8 Macro-economische indicatoren JULI 2019

2010

2012

2014

2016

Toegevoegde waarde Toegevoegde waarde


Belgische horeca presteert slecht in vergelijking met andere sectoren… De reële toegevoegde waarde is een belangrijke parameter om de toestand van een sector te meten. Het meet de bijdrage van een sector tijdens het productieproces. Deze waarde bepaalt ook de verloning van de productiefactoren arbeid en kapitaal. Anno 2016 ligt de reële toegevoegde waarde in de horeca 14% onder het pre-crisis niveau van 2008. De horeca presteert hiermee beduidend slechter dan de andere economische sectoren. De meeste sectoren hebben de terugval van de crisis reeds gecompenseerd. Over alle sectoren heen bevindt de reële toegevoegde waarde zich anno 2017 9% hoger dan 2008.Voor de marktdiensten is dit gemiddeld 11% en voor de bouw 7%. In de handel ligt de reële toegevoegde waarde 1% boven het pre-crisis niveau. De horeca is één van de weinige sectoren die geen verbetering kent in de voorbije drie jaren.

… en buurlanden In vergelijking met de buurlanden kent de Belgische horeca een bedroevende evolutie. Na de financieel-economische crisis kende de toegevoegde waarde in Nederland, Duitsland en België nog een gelijkaardige terugval. Sinds 2015-16 kent België een nieuwe terugval, terwijl de buurlanden de reële toegevoegde waarde fors zien toenemen. In de drie buurlanden bevindt de toegevoegde waarde zich boven het pre-crisis niveau van 2008. In Frankrijk 14%, Nederland 4% en Duitsland 3%. De Belgische horeca is hier nog ver van verwijderd.

Figuur 3: Evolutie reële toegevoegde waarde (index, 2008 = 100) 115

111 111 109

110

107

105

109 107

101

100

101

95 90 86

85 2008

2009

2010

Alle sectoren

2011

2012

Bouwnijverheid

2013

2014

Handel

2015

Horeca

2016

2017

86

Marktdiensten

Bron: NBB.stat, Guidea

Figuur 4: Evolutie reële toegevoegde waarde in horeca, België en buurlanden (index, 2008 = 100) 101

120 115

114

110

109

105

104 103

100

107

95 90 86

85

86

80 2008

2009

2010

België

2011

2012

Duitsland

2013

2014

Frankrijk

2015

2016

2017

Nederland

Bron: Eurostat, Guidea

JULI 2019 Macro-economische indicatoren 9


Aandeel horeca in de economie België De horeca heeft een aandeel van 1,9% in de toegevoegde waarde van de Belgische economie. Het is daarmee bijna even groot als de bedrijfstak informaticadiensten, iets kleiner dan de voedingsindustrie en groter dan de farmaceutische en metaalindustrie.

Figuur 5: Aandeel bedrijfstakken in totale toegevoegde waarde (%), 2017

Groot- en kleinhandel

1,9 % De toegevoegde waarde van de horeca bedraagt 1,9% van de Belgische economie. Doorheen de tijd is het aandeel van de horeca in de Belgische economie, gemeten in lopende prijzen, toegenomen.Vóór 2000 bevindt het aandeel zich onder de 1,6%. Sinds 2014 bedraagt het aandeel 1,9%. Het stijgend aandeel van de horeca in de Belgische economie is vooral een gevolg van prijsevoluties. Naar volume gemeten is het aandeel van de horeca in de Belgische economie echter gedaald van 2,7% in 1995 tot 1,9% in 2015.

Vervoer en opslag

5,4%

Bouwnijverheid

5,3%

Chemische industrie

De groot- en kleinhandel hebben een gezamenlijk aandeel van 12,2% in de economie, de bouwnijverheid 5,3%. In Brussel is de horeca voor de regionale economie iets belangrijker dan in Vlaanderen en Wallonië. In 2017 heeft de horeca een aandeel van 2,0% in Brussel, in vergelijking met 1,9% in Vlaanderen en 1,8% in Wallonië.

12,2%

2,3%

Voedingsindustrie

2,2%

Informaticadiensten

2,0%

Horeca

1,9%

Metaalindustrie

1,8%

Farmaceutische industrie

1,7%

Telecommunicatie 0,0%

1,3% 2,0%

4,0%

6,0%

8,0%

10,0% 12,0% 14,0%

Bron: NBB.stat, Guidea

Figuur 6: Aandeel horeca in de totale toegevoegde waarde, in prijzen en in volume, %

2,8% 2,6% 2,4% 2,2%

1,9%

2,0% 1,8% 1,9%

1,6% 1,4% 1,2% 1,0% 1995

2000

2005 In prijzen

Bron: NBB.stat, Guidea

10 Macro-economische indicatoren JULI 2019

2010 In volume

2015


EU-landen

In vergelijking met de buurlanden is het belang van de horeca voor de Belgische economie iets hoger dan in Duitsland waar het een aandeel van 1,6% heeft, maar iets lager dan in Nederland en Frankrijk waar het een gewicht heeft van respectievelijk 2,1% en 2,8% in hun nationale economieën.

Figuur 7: Aandeel horeca in de toegevoegde waarde, Europese landen, %, 2017 8,0% 7,0% 6,0% 5,0% 4,0% 3,0% 2,0% 1,0% 0,0% Polen Slowakije Duitsland Denemarken Litouwen Luxemburg Ierland Finland Letland Zweden Hongarije België Estland Roemenië Nederland Tsjechië Bulgarije Slovenië Frankrijk EU-28 Italië Malta Oostenrijk Portugal Griekenland Spanje Cyprus

Het belang van de horeca voor een economie, varieert sterk van land tot land. In landen zoals Griekenland, Spanje en Cyprus genereert de horeca ongeveer 7% van de toegevoegde waarde. In landen zoals Polen en Slowakije bedraagt dit aandeel iets meer dan 1%.

Bron: Eurostat, Guidea

JULI 2019 Macro-economische indicatoren 11


Verdeling toegevoegde waarde De creatie van toegevoegde waarde gebeurt door de inzet van arbeid en kapitaal. Een deel van de toegevoegde waarde wordt dan ook verdeeld over de beloning van werknemers en het verbruik van vaste activa (afschrijvingen). Een ander deel vormt het exploitatieoverschot (winst) en gemengd inkomen (zelfstandigeninkomen). Het residuele deel is het verschil tussen niet-productgebonden belastingen en subsidies (dit omvat enerzijds onroerende voorheffing en anderzijds loonsubsidies). 58% van de toegevoegde waarde gaat naar de beloning van werknemers, 16% naar het verbruik van vaste activa, 26% is exploitatieoverschot en gemengd inkomen en 0% belastingen.

Tabel 2:Verdeling van de toegevoegde waarde in de horeca, 2017

Miljoenen euro’s

%

Beloning werknemers

4.318,8

58%

Exploitatie-overschot en gemengd inkomen

1.971,1

26%

Verbruik vaste activa

1.170,1

16%

Niet-productgebonden belastingen min subsidies Toegevoegde waarde

-13,5 7.446,5

0% 100%

Bron: NBB.stat, Guidea

Tabel 2 geeft een overzicht van de verdeling voor de horeca als geheel. Hierbij worden vennootschappen en zelfstandigen samen genomen.

12 Macro-economische indicatoren JULI 2019


Figuur 8:Verdeling van toegevoegde waarde (%), horeca en sectoren, 2017

58% 58% van de toegevoegde waarde gaat naar beloning van werknemers.

100%

14%

14%

19%

24%

35%

32%

31%

58%

55%

51%

54%

53%

0%

-1%

-1%

-1%

-3%

Horeca

Alle sectoren

Bouwnijverheid

Handel

Marktdiensten

16%

21%

80% 26% 60% 40% 20% 0% -20% Beloning werknemers

Exploitatie-overschot en gemengd inkomen

Verbruik vaste activa

Belastingen min subsidies

Bron: NBB.stat, Guidea

In vergelijking met andere sectoren besteedt de horeca een hoger percentage van de toegevoegde waarde aan de beloning van werknemers. Het aandeel lonen bedraagt 58% in de horeca in vergelijking met 51% in de bouwnijverheid, 53% in de marktdiensten, 54% in de handel en 55% gemiddeld over alle sectoren.

In de horeca gaat een lager percentage van de toegevoegde waarde naar het exploitatieoverschot en gemengd inkomen (winst en zelfstandigeninkomen). Het aandeel bedraagt 26% in de horeca in vergelijking met 35% in de bouw, 32% in de handel en 31% in de marktdiensten. Gemiddeld over alle sectoren heen ligt het percentage echter lager, namelijk op 24%.

Het aandeel ‘verbruik van vaste activa’ (afschrijvingen op investeringsgoederen) is lager dan gemiddeld maar hoger dan in de bouwnijverheid en de handel. Het saldo van niet-productgebonden belastingen minus subsidies (voornamelijk onroerende voorheffing en loonsubsidies) is licht negatief in de horeca. In andere sectoren is dit uitgesprokener.

JULI 2019 Macro-economische indicatoren 13


Horeca is een sector met veel zelfstandigen… We bekijken het aandeel dat vennootschappen en zelfstandigen (of huishoudens) hebben in de creatie van de toegevoegde waarde. Horeca is bij uitstek een sector waarin veel zelfstandigen actief zijn. Dit blijkt ook uit onderstaande figuur. In de horeca wordt 79% van de toegevoegde waarde gecreëerd door vennootschappen, het resterende 21% door zelfstandigen. In vergelijking met andere sectoren hebben de zelfstandigen in de horeca een groter aandeel in de creatie van toegevoegde waarde. Dit laatste varieert van 5% in de (groot- en klein) handel, 13% in de bouwnijverheid, 15% over alle sectoren heen en 18% in de marktdiensten.

Figuur 9: Aandeel vennootschappen en huishoudens in toegevoegde waarde, 2017, % 100% 15%

13%

85%

87%

Alle sectoren

Bouw

90%

5% 21%

18%

79%

82%

Horeca

Marktdiensten

80% 70% 60% 50% 40%

95%

30% 20% 10% 0% Handel

Vennootschappen

Zelfstandigen

Bron: NBB.stat, Guidea

… maar vennootschappen winnen aan belang Volgende figuur bekijkt het aandeel van vennootschappen in de toegevoegde waarde doorheen de tijd. In alle beschouwde sectoren zien we een toename, maar dit is nergens zo fors als in de horeca. Vennootschappen creëerden in 1995 64% van alle toegevoegde waarde in de horeca, in 2017 is dit gestegen tot 79%, een stijging met 15 procentpunten. In de bouwnijverheid en de handel bedroeg de stijging respectievelijk 6 en 7 procentpunten en in de marktdiensten 4 procentpunten. De horeca benadert in 2017 het gemiddelde van de marktdiensten.

Figuur 10: Aandeel van vennootschappen in TGW (nominaal) 95% 100%

87% 90%

85% 80%

82%

70%

79%

60% 50% 1995 Horeca

Bron: NBB.stat, Guidea

14 Macro-economische indicatoren JULI 2019

2000 Bouw

2005 Handel

2010 Marktdiensten

2015 Alle sectoren


JULI 2019 Macro-economische indicatoren 15


Een sterke verwevenheid met andere sectoren De horeca is nauw verweven met andere sectoren via de outputzijde en de vraagzijde. Om haar output te realiseren doet de horeca in grote mate beroep op andere sectoren om haar de grondstoffen en diensten te leveren die hiervoor nodig zijn. Op hun beurt doen andere sectoren nu en dan beroep op horeca-activiteiten tijdens hun productieproces. Multplicatoren geven een kwantitatieve inschatting van deze verwevenheid. Ze berekenen hoeveel de totale output en tewerkstelling in de Belgische economie stijgt indien de vraag in een bepaalde sector stijgt.

Indien we enkel rekening houden met eerste twee stappen dan heeft de horeca een productiemultiplicator van 1,83. Dit betekent dat er per eenheid extra vraag in de horeca, een extra output in de Belgische economie wordt gegenereerd van 1,83 eenheden. Houden we ook rekening met het effect op de inkomens van de gezinnen dan bedraagt de productiemultiplicator 2,25. De extra productie in de Belgische economie zal nu 2,25 eenheden zijn ten gevolge van één extra eenheid vraag in de horeca. De horeca kent hiermee één van de hoogste productiemultiplicatoren. Op een totaal van 62 sectoren heeft de horeca de achtste hoogste productiemultiplicator. Helemaal bovenaan staat de bouw met een productiemultiplicator van 2,51. Helemaal onderaan bevindt zich de industrie van cokes en geraffineerde aardolieproducten met een productiemultiplicator van 1,39. De kleinhandel heeft een productiemultiplicator van 2,03.

De berekening van de multiplicatoren gebeurt in drie stappen. Eerst wordt de directe impact van de stijgende vraag op de sector berekend.Vervolgens wordt nagegaan wat de indirecte effecten zijn op de toeleverende sectoren. Deze impact wordt steeds berekend in termen van extra output en tewerkstelling die hiermee gerealiseerd wordt. In een derde stap kan men ook nog de effecten nagaan via de inkomens van de gezinnen en de extra consumptie die hieruit voortvloeit. Extra tewerkstelling zorgt immers voor extra inkomen waaruit de huishoudens nieuwe consumptie kunnen puren. Om deze bijkomende

consumptie te beantwoorden zullen de sectoren hun productie opnieuw opvoeren. De studie ‘Economisch belang van horeca’ (Guidea 2015) berekende de omvang van de eerste twee stappen. Het Federaal Planbureau heeft nieuwe multiplicatoren gepubliceerd die ook rekening houden met de derde stap. Deze berekeningen zijn gebaseerd op de input-output tabellen van 2010.

Figuur 11: Productiemultiplicatoren, selectie sectoren

2,60 2,40 2,20 2,00 1,80 1,60 1,40 1,20 1,00

Bron: Federaal Planbureau, Guidea

16 Macro-economische indicatoren JULI 2019

2,25 2,25


Ook inzake tewerkstellingsmultiplicatoren scoort de horeca hoog. Per miljoen euro extra vraag naar horeca worden er in de Belgische economie 18,29 bijkomende arbeidsplaatsen gecreĂŤerd. Dit is de tiende hoogste tewerkstellingsmultiplicator op een totaal van 62 sectoren. De sector die het meest banen creĂŤert indien de vraag naar haar diensten met 1 miljoen euro stijgt is de sector van arbeidsbemiddeling en personeelsvoorziening. De sector met de laagste tewerkstellingsmultiplicator is opnieuw de industrie van cokes en geraffineerde aardolieproducten.

Figuur 12: Absolute tewerkstellingmultiplicatoren, selectie sectoren 18,29 20,00

18,29

18,00 16,00 14,00 12,00 10,00 8,00 6,00 4,00 2,00 0,00

Bron: Federaal Planbureau, Guidea

JULI 2019 Macro-economische indicatoren 17


Output, intermediair verbruik en toegevoegde waarde Prijzen en consumptie Investeringen en kapitaalgoederenvoorraad Werkgelegenheid Productiviteit Arbeidskosten

Prijzen en consumptie We bekijken de evolutie van de prijzen in de horeca vanuit het standpunt van de producent en de consument. Ook bekijken we het verloop van de consumptie.

18 Macro-economische indicatoren JULI 2019


Prijzen Verkoopsprijzen en aankoopprijzen Figuur 13 geeft de evolutie van de verkoops- en aankooprijzen weer. Dit is gemeten volgens de techniek van de deflator. De deflator van de output geeft de gemiddelde prijsevolutie weer van alle geproduceerde goederen en diensten (“verkoopsprijzen”). De deflator van het intermediair verbruik geeft de gemiddelde prijsevolutie van alle aangekochte goederen en diensten (“aankoopprijzen”). De verkoopsprijzen stijgen in 2017 aan hetzelfde tempo van de aankoopprijzen, namelijk 2,5%. De drie voorgaande jaren stegen de • verkoopsprijzen gevoelig sterker dan de aankoopprijzen.

Figuur 13: Deflator output en intermediair verbruik (%JoJ)

2,5%

3%

2,5%

2%

1%

0% 2013

2014 2015 2016 Verkoopsprijzen Aankoopprijzen

2017

Bron: NBB.stat, Guidea

De aankoopprijzen stijgen aan hun snelste tempo van de voorbije 5 jaar. De verkoopsprijzen evolueren relatief stabiel rond gemiddeld 2,5% de voorbije jaren.

JULI 2019 Macro-economische indicatoren 19


Consumptieprijzen Figuur 14: Inflatie: alle consumptieprijzen en horeca (%) Het verloop van de consumptieprijzen meten we 3,3% 3,3% aan de hand van de nationale 3,5% consumptieprijsindex. Dit meet de prijsontwikkeling van een korf door 3,0% 2,1% gezinnen aangekochte goederen en diensten die representatief zijn voor 2,5% 2,1% hun verbruiksgewoonten (FOD 2,0% Economie). 1,5% Voor het vijfde jaar op rij ligt de horeca-inflatie hoger dan de 1,0% algemene inflatie. De horecaprijzen stegen 3,3% in 0,5% 2017, in vergelijking met 2,1% voor 0,0% alle consumptieartikelen.

Zowel de horeca als algemene inflatie versnellen in de voorbije jaren. De horecaprijzen stijgen aan het sterkste tempo sinds 2009 (niet op de grafiek). De algemene inflatie is niet hoger dan in 2012.

2013

2014

2015

Alle consumptieprijzen Bron: NBB.stat, Guidea

20 Macro-economische indicatoren JULI 2019

2016 Horeca

2017


Figuren 15 en 16 geven meer detail over de horeca-inflatie. In 2017 stijgen de prijzen in de reca (eet- en drinkgelegenheden) met 2,5% en in de accommodaties met 6,7%.

Figuur 15: Prijsevolutie ho en reca (%) 6,7% 8,0% 6,0%

De prijzen in de reca stijgen minder snel dan voorgaande jaren, terwijl ze in de accommodaties versnellen tot hun hoogste tempo sinds 2006 (start van de reeks).

4,0%

Doorheen de tijd vertoont de recainflatie een relatief stabiel verloop, terwijl de ho-inflatie fluctueert.

-2,0%

2,5%

2,0% 0,0%

2013

2014 Reca

2015

2016

2017

Accommodatie

Bron: NBB.stat, Guidea

+13%

Figuur 16: Prijsevolutie 2017 (%), alle categorieën 0,0%

2,0%

4,0%

Restaurants, cafés en dancings

De vakantiecentra, campings en jeugdherbergen vertonen prijsstijgingen van ruim 13% in 2017. De vakantiecentra, campings en jeugdherbergen vertonen prijsstijgingen van ruim 13% in 2017. Bij de andere categorieën stijgen de prijzen tussen de 1,6% (andere accommodaties) en 2,6% (frituren, • fastfood & snackbars).

2,5%

Frituren,fastfood&snackbars Kantines

2,6% 1,8%

Hotels

2,4% 13,6%

Vakantiecentra, campings, jeugdherbergen Andere accomodaties

6,0%

1,6%

Bron: NBB.stat, Guidea

JULI 2019 Macro-economische indicatoren 21


Vergelijking buurlanden Figuur 17 bekijkt de prijsevolutie (consumptieprijzen) in de horeca in België en de voornaamste buurlanden (gemiddelde van Duitsland, Frankrijk en Nederland).

Figuur 17: Prijsevolutie horeca in België en buurlanden (%JoJ)

4,0

3,0 2,5

3,5 3,0

Voor het vierde jaar op rij stijgen de prijzen in de Belgische horeca sterker dan het gemiddelde van de buurlanden. De sterke stijging in 2013 bij de buurlanden is te wijten aan Duitsland waar er een methodologische verandering is opgetreden bij het meten van de accommodatieprijzen.

2,5 2,0 1,5 1,0 0,5 0,0 2013

2014 België

Bron: Eurostat, Guidea

22 Macro-economische indicatoren JULI 2019

2015

2016

Gemiddelde buurlanden

2017


Figuur 18 geeft aan dat de prijzen in de Belgische reca in de voorbije 5 jaar steeds sneller stijgen dan in de buurlanden. In 2017 is het verschil met de buurlanden kleiner dan vorige jaren. Figuur 19 geeft aan dat de accommodatieprijzen in België een volatiel patroon volgen. In 2017 loopt het verschil met de buurlanden op.

Figuur 18: Prijsevolutie reca, België en buurlanden (%JoJ)

Figuur Figuur 1: Prijsevolutie 1: Prijsevolutie reca,reca, België België en buurlanden en buurlanden (%JoJ) (%JoJ)

3,5 3,5

Figuur 19: Prijsevolutie accommodaties, België en Figuur Figuur 2: Prijsevolutie 2: Prijsevolutie accommodaties, accommodaties, België België en en buurlanden (%JoJ) buurlanden buurlanden (%JoJ) (%JoJ) 8,0 8,0

3,0 3,0

6,0 6,0

2,5 2,5

4,0 4,0

2,0 2,0 1,5 1,5

2,0 2,0

1,0 1,0 0,0 0,0

0,5 0,5 0,0 0,0 20132013 20142014 20152015 20162016 20172017 BelgiëBelgië Gemiddelde Gemiddelde buurlanden buurlanden

-2,0 -2,0 2013201320142014201520152016201620172017 BelgiëBelgië Gemiddelde Gemiddelde buurlanden buurlanden

Bron: Eurostat, NBB.stat, Guidea

JULI 2019 Macro-economische indicatoren 23


Consumptie

Sinds 2011 stijgt ook het volume aan horecabestedingen. In 2017 wordt naar volume meer besteed als in 2008, het jaar vóór de economische crisis.

78%

75%

70%

65%

60%

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017

Bron: NBB.stat, Guidea

Figuur 20: Aandeel horeca in totale consumptie-uitgaven (binnenlands), %

6,5%

6,8% 6,6%

6,6%

6,4%

6,5%

6,2%

6,5%

6,0% 5,8% 5,6% 5,4%

5,4%

5,2%

In prijzen Bron: NBB.stat, Guidea

24 Macro-economische indicatoren JULI 2019

In volume

2017

2016

2015

2014

2013

2012

2011

2010

2009

2008

2007

2006

2005

2004

2003

2002

2001

2000

5,0%

1  Zie ook Guidea, 2015, Economisch belang van horeca.

6,5%

1999

De meeruitgaven aan horeca zijn in de eerste plaats een gevolg van prijsevoluties. Naar volume gemeten is het aandeel horeca in de totale uitgaven iets lager dan in 1995.

78% 80%

1998

Consumenten besteden steeds meer aan horeca. Het aandeel horeca in de totale uitgaven van de consument bereikt in 2017 haar hoogste niveau sinds 1995.Van alle 100 euro die een consument in België besteedt, gaat 6,5 euro naar horeca. In 1995 was dit nog 5,4€.

83%

1997

Figuur 20 geeft het verloop van het aandeel horeca in de totale binnenlandse uitgaven van Belgische gezinnen.

85%

1996

Het belang van bestedingen door de Belgische gezinnen voor de horeca neemt toe. In 2008, bij de start van de financieel-economische crisis, bedroeg dit aandeel nog 71%. Het zijn vooral de gezinnen die het herstel van de horeca trekken. In de jaren vóór 2000 lag het aandeel van de Belgische gezinnen nog hoger tot zelfs 83% in 1995.

Aandeel bestedingen van Belgische gezinnen in de horeca output, %

1995

In 2017 bedroeg de binnenlandse horeca consumptie door Belgische gezinnen ruim 13,8 miljard €. Dit vertegenwoordigt 78% van de totale horeca-productie. Het resterende 22% wordt afgenomen door bedrijven en buitenlandse consumenten1.


Figuur 21: Aandeel horeca in totale consumptie-uitgaven in België en voornaamste buurlanden, % 8,4% 9,0%

7,3%

8,0% 7,0%

6,5%

6,0% 5,0%

5,5%

België

Duitsland

Frankrijk

2017

2016

2015

2014

2013

2012

2011

2010

2009

2008

2007

2006

2005

2004

2003

2002

2001

2000

1999

1998

1997

1996

4,0% 1995

In vergelijking met de buurlanden besteden Belgische consumenten een kleiner aandeel van hun budget aan horeca dan Nederlanders en Fransen, maar meer dan Duitse consumenten.Van elke 100 euro die Nederlandse consumenten spenderen, vloeit 8,4€ naar de horeca. In Frankrijk is dit 7,3€ en in Duitsland is dit beperkt tot 5,5€. Uit onderstaande figuur blijkt ook dat de bestedingen aan horeca in elk buurland in recente jaren zijn toegenomen.

Nederland

Bron: Eurostat, Guidea

Indien we opsplitsen naar bestedingen aan reca en accommodaties, dan spenderen Belgische consumenten het minst aan accommodaties en na de Nederlanders het meest aan reca. Volgende tabel geeft het bedrag van de horecabestedingen per hoofd van de bevolking.

Tabel 3: Bestedingen aan horeca per hoofd van de bevolking (€) in 2017 in België en de voornaamste buurlanden

Horeca

Ho

Reca

België

1.219

136

1.082

Duitsland

1.043

194

901

Frankrijk

1.241

287

1.032

Nederland

1.477

378

1.206

Bron: Eurostat, Guidea

JULI 2019 Macro-economische indicatoren 25


Output, intermediair verbruik en toegevoegde waarde Prijzen en consumptie Investeringen en kapitaalgoederenvoorraad Werkgelegenheid Productiviteit Arbeidskosten

Investeringen en kapitaalgoederenvoorraad In dit hoofdstuk gaan we de evolutie na van de jaarlijkse investeringen in de horeca en hoe de kapitaalgoederenvoorraad is samengesteld.

26 Macro-economische indicatoren JULI 2019


Investeringen Vergelijking sectoren Evolutie

+4% De investeringen nemen toe met 4% in de horeca

Figuur 22: Investeringen vaste activa in volume, 2015, 2016 en 2017, %JoJ

5% 4% 3% 2%

De investeringen (in volume) nemen in 2017 met 4% toe in de horeca. Dit volgt op 2 jaren waarin de investeringen niet toenamen en zelfs lichtjes daalden. De horeca vertoont voor het eerst in drie jaar een sterkere groei dan gemiddeld. Over alle bedrijfstakken heen nemen de investeringen toe met 2% in 2017.

1% 0% -1% -2% Alle bedrijfstakken

Horeca 2015

2016

2017

Bron: NBB.stat, Guidea

Figuur 23 geeft de evolutie van de reële investeringen weer in de vorm van een index waarbij 1995 gelijk werd gesteld aan 100.

Figuur 23: Investeringen vaste activa in volume (bruto, index 1995 = 100)

Over de lange termijn bekeken, zijn de investeringen in de horeca minder snel toegenomen dan in andere sectoren. Tussen 1995 en 2017 zijn ze met 29% gestegen in de horeca. Over alle sectoren heen bedraagt de stijging 62%. In de handel en bouwnijverheid bedraagt de stijging zo’n 79% en 109% respectievelijk.

240

De investeringen in de horeca liggen in 2017 onder het niveau van 2008, het jaar vóór de start van de economische crisis, Ook in de bouwnijverheid is dit zo, al is het verschil klein. In de handel en het geheel van alle bedrijfstakken liggen ze in 2017 hoger dan in 2008.

208,5

220 200

179,1

180 160

161,8

140 120

129,1

100 80

Alle bedrijfstakken

Bouwnijverheid

Groot- en kleinhandel

Horeca

Bron: NBB.stat, Guidea

JULI 2019 Macro-economische indicatoren 27


Investeringsintensiteit Figuur 24: Investeringsintensiteit (reĂŤle investeringen als % reĂŤle TGW),

De investeringsintensiteit zet %, 2017 de omvang van de investeringen af tegen de omvang van de 30% toegevoegde waarde (of de grootte van de sector). Deze bedraagt 15% 25% in de horeca wat gelijkaardig is met de handel. In de bouw stijgt dit tot 20% 18%, terwijl het gemiddelde van alle sectoren en de marktdiensten 15% respectievelijk 26% en 22% bedraagt.

15%

10% 5% 0% Alle sectoren

Bron: NBB.stat, Guidea

28 Macro-economische indicatoren JULI 2019

Bouw

Handel

Horeca

Marktdiensten


Vergelijking buurlanden Evolutie Voor het eerst in drie jaar investeert de Belgische horeca meer dan gemiddeld in de buurlanden. De voorbije 2 jaren lagen de investeringen in België zo goed als stil, terwijl ze met gemiddeld 10% toenamen in de buurlanden.

Figuur 25: Investeringen in vaste activa (bruto), in volume, %JoJ 16% 14% 12%

7,0%

10% 8%

2,5%

6% 4% 2% 0% -2% -4% -6% 2014

2015 België

2016

2017

Gemiddelde buurlanden

Bron: Eurostat, Guidea

Investeringsintensiteit De investeringsintensiteit ligt in België hoger dan in de buurlanden. Per eenheid TGW investeert de Belgische horeca 15% in vaste activa in vergelijking met 9% in Duitsland, 11% in Frankrijk en 8% in Nederland.

Figuur 26: Investeringsintensiteit (investeringen als % TGW), %, 2017 15% 16% 14% 12% 10% 8% 6% 4% 2% 0% België

Duitsland

Frankrijk

Nederland

Bron: Eurostat, Guidea *Cijfer Nederland van 2016

JULI 2019 Macro-economische indicatoren 29


Kapitaalgoederenvoorraad We bekijken de samenstelling van de kapitaalgoederenvoorraad en de evolutie van sommige componenten. De bruto-kapitaalgoederenvoorraad is een weerspiegeling van de huidige marktwaarde van de investeringsgoederen. In tegenstelling tot de netto kapitaalgoederenvoorraad houdt dit geen rekening met de gecumuleerde afschrijvingen.

Vergelijking sectoren Gebouwen vormen de grootste component van de kapitaalgoederenvoorraad. In de horeca is hun aandeel 59%. Dit is meer dan de bouwnijverheid en de handel. Over alle sectoren is het aandeel van gebouwen 76%, doordat financiĂŤle instellingen veel vastgoed (woongebouwen) in portefeuille hebben. Machines en apparatuur vormen de tweede belangrijkste activagroep. Deze bedraagt 33% in de horeca, bijna dubbel zo belangrijk als het gemiddelde in de dienstensectoren. In de bouwnijverheid zijn machines belangrijker met een aandeel van 39% in de kapitaalgoederenvoorraad.

59% Gebouwen zijn de belangrijkste investeringsgoederen in de horeca.

Figuur 27: Kapitaalgoederenvoorraad naar type activa, bruto, % van totaal, 2017 100%

4%

90%

14%

80%

39%

34%

3%

33%

18%

1% 6%

10%

6%

70% 60%

6%

6%

1% 12%

4% 4%

76%

47%

52%

59%

60%

Alle sectoren

Bouwnijverheid

Handel

Horeca

Marktdiensten

50% 40% 30% 20% 10% 0% Gebouwen

Vervoermiddelen

ICT

Machines

Onderzoek en ontwikkeling

Bron: NBB.stat, Guidea

Vervoermiddelen maken 6% uit van alle investeringsgoederen in de horeca. Dit is minder dan gemiddeld in de dienstensectoren. Vervoersmiddelen maken daar 10% uit van de investeringsgoederen. ICT is een heel kleine activapost binnen de horeca: nauwelijks 1% van alle investeringsgoederen. In de dienstensectoren is dit gemiddeld 6%.

30 Macro-economische indicatoren JULI 2019

Investeringen in onderzoek en ontwikkeling zijn afwezig in de horeca. In de handel en de marktdiensten zijn ze goed voor een aandeel van 6%.


Figuur 28 geeft aan dat de bruto kapitaalgoederenvoorraad sinds 2012 minder snel toeneemt dan gemiddeld. Opmerkelijk is de evolutie van de ICT investeringen in de horeca. Na de crisis van 2008 heeft de horeca haar ICT voorraad initieel afgebouwd. Sinds 2015 zien we een kentering en wordt er opnieuw fors geïnvesteerd in ICT.

Evolutie totale kapitaalgoederen en ICT voorraad (bruto, index, 1995 = 100) Figuur 28:Totale Totalekapitaalgoederenvoorraad Figuur 29: ICT voorraad Figuur 1:1: Totale kapitaalgoederenvoorraad Figuur Figuur2:2:ICT ICTvoorraad voorraad Figuur kapitaalgoederenvoorraad 250 250

350 350 300 300

200 200

250 250

150 150

200 200 150 150

100 100

100 100 50 50 00 1995 1995

5050 2000 2000 2005 2005 2010 2010 2015 2015 Horeca Marktdiensten Horeca Marktdiensten

00 1995 1995

2000 2000 2005 2005 2010 2010 2015 2015 Horeca Marktdiensten Horeca Marktdiensten

Bron: NBB.stat, Guidea

Vergelijking buurlanden In vergelijking met Nederland heeft de Belgische horeca een gelijkaardige kapitaalstructuur: gebouwen en machines nemen een gelijkaardig aandeel in de totale kapitaalgoederenvoorraad. Nederland heeft daarbij een groter aandeel intellectueel eigendom, terwijl België een groter aandeel vervoersmiddelen heeft. In vergelijking met Duitsland en Frankrijk hebben gebouwen in de Belgische horeca een kleiner aandeel en machines en vervoer een groter aandeel in de kapitaalgoederenvoorraad.

Figuur 30: Kapitaalgoederenvoorraad naar type activa, bruto, % van totaal, 2017 100%

17%

33% 6%

3%

2% 3%

59%

73%

77%

57%

België

Duitsland

Frankrijk

Nederland

80% 70% 60%

6%

23%

90%

33% 2% 3%

50% 40% 30% 20% 10% 0%

gebouwen

vervoer

ICT

machines

intellectueel eigendom

Bron: Eurostat, Guidea

JULI 2019 Macro-economische indicatoren 31


Output, intermediair verbruik en toegevoegde waarde Prijzen en consumptie Investeringen en kapitaalgoederenvoorraad Werkgelegenheid Productiviteit Arbeidskosten

Werkgelegenheid In dit hoofdstuk bekijken we de evolutie van het aantal gewerkte uren, absoluut en per werkzame persoon. We splitsen op naar werknemers en zelfstandigen.

32 Macro-economische indicatoren JULI 2019


Gewerkte uren Absoluut aantal

240 230 220 210

2017

2016

2015

2014

2013

2012

2011

2010

2009

2008

2007

2006

2005

2004

2003

2002

2001

200 2000

Het aantal gewerkte uren in de horeca stijgt voor het tweede jaar op rij stevig. Het bereikt in 2017 een nieuw hoogtepunt van 242 miljoen gewerkte uren (door werknemers en zelfstandigen). Dit is een stijging van 9 miljoen uren in vergelijking met 2016 en van 19 miljoen uren in vergelijking met 2015. De verwitting van uren naar aanleiding van de introductie van het GKS verklaart deze sterke toename.

242 250

1999

Op twee jaar tijd stijgt het aantal gewerkte uren met 28 miljoen.

Figuur 31: Aantal gewerkte uren in de horeca

Miljoenen uren

+28 miljoen uren

Bron: NBB.stat, Guidea

Werknemers en zelfstandigen

Werknemers presteren 154 miljoen uur per jaar. De stijging van het aantal gewerkte uren in 2017 is grotendeels op rekening te schrijven van de werknemers. Deze stijgen van 147 naar 154 miljoen uren, terwijl de gewerkte uren van zelfstandigen een kleinere stijging vertonen van 87 naar 88 miljoen uren.

Figuur 32: Gewerkte uren in de horeca door werknemers en zelfstandigen (aantallen) 154

Miljoenen uren

154 miljoen uren

170 150 130

88

110 90 70 50 Zelfstandigen

Werknemers

Bron: NBB.stat, Guidea

JULI 2019 Macro-economische indicatoren 33


Aandeel in de economie Het aandeel van de horeca in het totale arbeidsvolume (gewerkte uren) van de Belgische economie bedraagt 3,3% in 2017. Dit is een stijging ten opzichte van het vorige jaar toen het 3,2% bedroeg. Het aandeel is het hoogst sinds 2004. Ook bij de zelfstandigen zien we de laatste 2 jaren een lichte stijging van het aandeel van de horeca in het totaal aantal gewerkte uren. In 2017 bedraagt dit aandeel 5,2%. Op langere termijn vertoont dit aandeel een duidelijk dalende trend. In 1999 werd van alle gewerkte uren bij zelfstandigen nog 7,6% gerealiseerd in de horeca. Het aandeel gewerkte uren van de horecawerknemers is relatief stabiel gebleven in de voorbije jaren. Op langere termijn is dit aandeel licht toegenomen van 2,2% in 1999 tot 2,4% in 2017.

Figuur 33: Aandeel horeca in totaal arbeidsvolume (gewerkte uren) Belgische economie (%)

8,0% 7,0%

5,2%

6,0% 5,0%

3,3%

4,0% 3,0% 2,0%

2,4%

1,0% 0,0%

Totaal Bron: NBB.stat, Guidea

34 Macro-economische indicatoren JULI 2019

Werknemers

Zelfstandigen


Gewerkte uren per persoon Hier bekijken we hoeveel uren er gemiddeld per jaar wordt gewerkt door werknemers en zelfstandigen. De cijfers hebben betrekking op een gemiddeld aantal per persoon. De mix van voltijdsen en deeltijdsen bepaalt mee het resultaat.

Werknemers per tot 2017 2017 perwerkzame werkzame persoon, persoon, 1999 1999 tot

Figuur 35: Werknemers, aantal gewerkte uren per werkzame Figuur2:2:Werknemers, Werknemers,aantal aantalgewerkte gewerkte uren Figuur uren perper persoon, 2017 werkzamepersoon, persoon,2017 2017 werkzame

1300 1300

1600 1600 1500 1500

1250 1250

1150 1150

1 497

1 450

1 438 1 281

2017 2017

2015 2015

2013

2011

2009

1000 1000 2007

1050 1050

2005

1200 1200 1100 1100

2003 2003

1100 1100

1000 1000

1 429

1400 1400 1300 1300

1200 1200

2001 2001

In vergelijking met andere sectoren ligt het gemiddeld aantal uren in de horeca lager. In de handel werkt een werknemer gemiddeld 1.438 uren en in de bouw 1.497 uren. Over alle sectoren heen wordt er gemiddeld 1.429 uren per werknemer gepresteerd.

Figuur 34: Werknemers, aantal gewerkte uren per werkzame Figuur aantal gewerkte uren uren Figuur 1:1: Werknemers, Werknemers, aantal gewerkte persoon, 1999 tot 2017

1999 1999

Het gemiddeld aantal gewerkte uren per werknemer stijgt voor het tweede jaar op rij sterk en bereikt een recordaantal van 1.281 uren. Dit zijn 36 uren meer dan vorig jaar, een stijging van 3%.

Bron: NBB.stat, Guidea

Het aantal uren dat een horecawerknemer minder werkt dan werknemers in andere sectoren daalt doorheen de tijd. In 2007 bedroeg het verschil 318 uren, in 2017 is dit gedaald tot 148 uren (geen grafiek).

Zelfstandigen

Het aantal uren dat een horecazelfstandige meer werkt dan zelfstandigen in andere sectoren neemt toe doorheen de tijd. In 2007 bedroeg het verschil 87 uren, in 2017 is dat opgelopen tot 447 uren (geen grafiek).

per werkzame werkzame per werkzame persoon,persoon, 1999 tot1999 2017tot 2017 werkzame persoon,persoon, 2017 2017

1500

2300

1000

1000

2200

2200

500

500

2100

2100

0

0

2000

2000

per

2017

1500

2300

2015

2000

2400

2013 2017

2000

2400

2011 2015

2500

2500

2009 2013

2500

2500

2007 2011

2600

2005 2009

3000

2003 2007

3000

2600

2001 2005

2700

1999 2003

2700

2001

Horecazelfstandigen werken meer uren dan zelfstandigen in andere sectoren. In de handel is dit 2.224 uren en in de bouwnijverheid 2.096 uren. Gemiddeld over alle sectoren werkt een zelfstandige 2.146 uren.

Figuur 36: Zelfstandigen, aantal Figuur 37: Zelfstandigen, aantal gewerkte uren per werkzame gewerkte uren per werkzame persoon, 1999 tot 2017 2017 1: Zelfstandigen, aantal gewerkte urenpersoon, 2: Zelfstandigen, aantal gewerkte Figuur 1:Figuur Zelfstandigen, aantal gewerkte uren Figuur 2:Figuur Zelfstandigen, aantal gewerkte uren peruren

1999

Voor het tweede jaar op rij stijgt het aantal gewerkte uren per zelfstandige sterk met een recordhoogte van 2.593 uren. Dit zijn 100 uren meer dan het jaar voordien, een stijging van 4%.

Bron: NBB.stat, Guidea

JULI 2019 Macro-economische indicatoren 35


Vergelijking buurlanden Aandeel werknemers en zelfstandigen In vergelijking met de buurlanden nemen horecazelfstandigen in België een groter aandeel van de gewerkte uren voor hun rekening. 36% in België, in vergelijking met 31% in Nederland, 28% in Frankrijk en 27% in Duitsland.

Figuur 38:Verdeling werknemers-zelfstandigen in gewerkte uren, horeca 100% 90% 80%

27%

28%

31%

73%

72%

69%

Duitsland

Frankrijk

Nederland

Werknemers

Zelfstandigen

36%

70% 60% 50% 40% 30%

64%

20% 10% 0% België

Bron: Eurostat, Guidea

Evolutie aantal gewerkte uren Volgende grafieken vergelijken de evolutie van het aantal gewerkte uren tussen België en 3 500 de buurlanden. De linkergrafiek beschouwt het totaal van de 3 000 gewerkte uren van werknemers en 2 500 zelfstandigen voor het jaar 2016. De 2 000 rechtergrafiek bekijkt de evolutie van de gewerkte uren enkel bij de 1 500 werknemers in de voorbije jaren. 1 000 De groei van het aantal gewerkte uren in de horeca ligt in België 500 even hoog als in Nederland en Frankrijk. In Duitsland namen de gewerkte 0 uren nauwelijks toe (linkergrafiek). Bij de werknemers vertoont België in de voorbije jaren de op één na hoogste groei in het aantal gewerkte uren bij werknemers (rechtergrafiek).

Figuur 39: Evolutie aantal gewerkte uren, België en buurlanden, werknemers en zelfstandigen, 2017, jaar-opFiguur 1: Evolutie aantal gewerkte uren, België jaargroei (%)werknemers Figuur 1: Evolutie aantal gewerkte uren, België en buurlanden, en zelfstandigen,

Figuur 40: Werknemers, evolutie aantal gewerkte uren, België en buurlanden, jaar-op-jaargroei (%)

Figuur 2: Werknemers, evolutie aantal gewerkte FiguurBelgië 2: Werknemers, evolutie aantal gewerkte uren, en buurlanden, jaar-op-jaargroei (%) en buurlanden, werknemers 2017, jaar-op-jaargroei (%) en zelfstandigen, uren, België en buurlanden, jaar-op-jaargroei (%) 8,0% 2017, jaar-op-jaargroei (%) 4,0% 4,0%

3,7%

3,6% 3,7%

4,0% 4,0%

2,0% 2,0%

0,1% 0,0% 2017 0,0% Werknemers 2017 België Duitsland Frankrijk België Frankrijk België Duitsland Duitsland Bron: Eurostat, Guidea

36 Macro-economische indicatoren JULI 2019

8,0%

6,0% 6,0%

2,0% 2,0% 0,0% 0,0% -2,0%

Nederland Nederland Frankrijk

-2,0% 2012 2013 2014 2015 2016 2017 Zelfstandigen 2012 2013 2014 2015 2016 2017

Nederland


Gewerkte uren per persoon Volgende grafiek vergelijkt het gemiddeld aantal gewerkte uren per werknemer en zelfstandige tussen België en de buurlanden Het gemiddeld aantal gewerkte uren bij werknemers en zelfstandigen ligt in België hoger dan in Duitsland en Nederland, maar lager dan in Frankrijk. De cijfers hebben betrekking op een gemiddeld aantal per persoon, en betekenen niet noodzakelijk dat de werkweek in het ene land langer is dan in het andere. De mix van voltijdsen en deeltijdsen bepaalt mee het resultaat.

Figuur 41: Gemiddeld aantal gewerkte uren per werkzame persoon, 2017 3 500

2.593

3 000 2 500 1.281

2 000 1 500 1 000 500 0

Werknemers België

Zelfstandigen

Duitsland

Frankrijk

Nederland

Bron: Eurostat, Guidea

Aandeel in totale economie 4,8%

5,0% 4,5%

4,1%

4,0% 3,9%

3,5% 3,0%

3,3%

2,5%

België

Duitsland

Frankrijk

2017

2016

2015

2014

2013

2012

2011

2010

2009

2008

2007

2006

2005

2004

2003

2002

2001

2,0% 2000

België is bovendien het enige land van de buurlanden dat het aandeel gewerkte uren van de horeca in de totale economie, ziet dalen in vergelijking met 1999.

Figuur 42: Aandeel horeca in gewerkte uren, %

1999

Het aandeel van de horeca in het totale arbeidsvolume (gewerkte uren) ligt in de buurlanden hoger dan in België.

Nederland

Bron: Eurostat, Guidea

JULI 2019 Macro-economische indicatoren 37


Output, intermediair verbruik en toegevoegde waarde Prijzen en consumptie Investeringen en kapitaalgoederenvoorraad Werkgelegenheid Productiviteit Arbeidskosten

Productiviteit De arbeidsproductiviteit meet hoeveel toegevoegde waarde er wordt gecreĂŤerd per gewerkt uur of per gewerkte persoon. In dit hoofdstuk concentreren we ons in de eerste plaats op de productiviteit per gewerkt uur.Verschillen in productiviteit per werkzame persoon kunnen immers beĂŻnvloed worden door de mate van deeltijdse arbeid in een sector.

38 Macro-economische indicatoren JULI 2019


Nominale en reële productiviteit

De reële productiviteit daalt voor het derde jaar op rij tot €30 per gewerkt uur. Dit is de laagste productiviteit sinds 1999, de start van de metingen.

45 40

31€

35 30 25

30€

20 15 10 5

Nominale productiviteit

2017

2016

2015

2014

2013

2012

2011

2010

2009

2008

2007

2006

2005

2004

2003

2002

2001

0 2000

De nominale productiviteit is sinds 2014 relatief stabiel. Per gewerkt uur wordt er zo’n €31 toegevoegde waarde gecreëerd. Deze stabiliteit contrasteert met de nagenoeg onafgebroken toename tussen 1999 en 2014.

Figuur 43: Evolutie nominale en reële toegevoegde waarde per gewerkt uur, €, Horeca

1999

Figuur 43 geeft de evolutie weer van de nominale en de reële productiviteit sinds 1999. De nominale productiviteit geeft de toegevoegde waarde in lopende prijzen die er per gewerkt uur wordt gerealiseerd. De reële productiviteit geeft de toegevoegde waarde in volume per gewerkt uur.

Reële productiviteit

Bron: NBB.stat, Guidea

De daling van de reële productiviteit komt doordat het aantal gewerkte uren sneller toeneemt (zie vorige hoofdstuk) dan de reële toegevoegde waarde (zie eerste hoofdstuk).

Vergelijking met sectoren De productiviteit ligt in de horeca Figuur 44: Nominale Figuur 45: Nominale lager dan in andere sectoren. Per productiviteit per sector, 2017, €. productiviteit per sector, 2017, €. gewerkt uur (door werknemers en FiguurPer gewerkt uur Per werkzame persoon 1: Nominale productiviteit Figuur 1: Nominale productiviteitper persector, sector,Figuur Figuur2:2:Nominale Nominaleproductiviteit productiviteit per per sector, sector, zelfstandigen), creëert de horeca 2017, €. Per gewerkt uur 2017, €. Per werkzame 2017, €. Per gewerkt uur 2017, €. Per werkzamepersoon persoon 30,7€ toegevoegde waarde. Het 9090000 60 60 000 gemiddelde van de marktdiensten is 8080000 000 44,9€, terwijl dit over alle sectoren 50 50 7070000 000 6060000 40 40 000 heen 53,6€ per uur bedraagt. De 5050000 000 horeca kent op 5 sectoren na de 30 30 000 4040000 laagste productiviteit. 000 3030000 20 20 De productiviteit per werkzame persoon (werknemers en zelfstandigen) geeft een gelijkaardig beeld. Een werkzame persoon in de horeca creëert jaarlijks 48.229€ toegevoegde waarde. Gemiddeld is dit 73.120€ voor de marktdiensten en 82.953€ over alle sectoren heen.

10 10 0 0

000 2020000 000 1010000 00

Bron: NBB.stat, Guidea

JULI 2019 Macro-economische indicatoren 39


Evolutie doorheen de tijd Figuur 46 geeft aan dat de nominale productiviteit in de horeca sneller stijgt dan gemiddeld. Het stijgt van 100 tot 204 tussen 1999 en 2017.Voor de marktdiensten is dit gestegen van 100 tot 160. Figuur 47 geeft aan dat de reële productiviteit in de horeca daalt van 100 in 1999 tot 99 in 2017. Na een initieel sterke toename van de reële productiviteit tussen 1999 en 2008, daalt deze sinds de financieeleconomische crisis fors. Sinds 2015, het jaar vóór de introductie van het GKS, daalt de reële productiviteit opnieuw. De toegenomen tewerkstelling (gewerkte uren) ging niet gepaard met een even sterke toename van de reële toegevoegde waarde.

Figuur 46: Nominale productiviteit per gewerkt uur, index (1999 = 100)

Figuur 47: Reële productiviteit per gewerkt uur, index (1999 = 100)

FiguurFiguur 1: Nominale 1: Nominale productiviteit productiviteit per gewerkt per gewerkt FiguurFiguur 2: Reële 2: Reële productiviteit productiviteit per gewerkt per gewerkt uur, uur, uur, index uur, (1999 index (1999 = 100)= 100) index index (1999 (1999 = 100)= 100) 220 200

220 200

180

180

160

160

140

140

120

120

100

100

Horeca Bron: NBB.stat, Guidea

Dat de nominale productiviteit fors stijgt en de reële productiviteit niet, geeft aan dat vooral prijsstijgingen het verloop van de nominale productiviteit bepalen. 40 Macro-economische indicatoren JULI 2019

Marktdiensten

140

140

135

135

130

130

125

125

120

120

115

115

110

110

105

105

100

100

95

95

90

90

Bouw

Handel

Alle sectoren


Zelfstandigen vs Vennootschappen De nominale productiviteit verschilt sterk tussen vennootschappen en zelfstandigen. Per gewerkt uur creëren horecavennootschappen 43,0€ toegevoegde waarde in vergelijking met 14,7€ bij zelfstandigen. De productiviteit per werkzame persoon bedraagt 56.309€ per jaar bij vennootschappen in vergelijking met 31.065€ bij zelfstandigen.

Tabel 4: Productiviteit per uur en per werkzame persoon, nominaal, zelfstandigen en vennootschappen, €, 2017

Vennootschappen

Zelfstandigen

43,0

14,7

56.309

31.065

Productiviteit per uur Productiviteit per persoon Bron: NBB.stat, Guidea

Vergelijking buurlanden België kent een hogere nominale productiviteit dan de buurlanden. De nominale productiviteit per uur bedraagt 30,7€ in België, 28,6€ in Frankrijk, 25,8€ in Nederland en 20,1€ in Duitsland (linkergrafiek). België is het enige land dat een daling van de reële productiviteit kent in de voorbije jaren. In de buurlanden stabiliseert dit (rechtergrafiek).

Figuur 48: Nominale productiviteit per gewerkt uur, België en buurlanden, € Figuur 1: Nominale productiviteit per gewerkt

Figuur 49: Reële productiviteit per gewerkt uur, België en buurlanden, kettingeuro’s Figuur 2: Reële productiviteit per gewerkt uur,

Figuur 1: Nominale productiviteit per gewerkt Figuur 2: Reële productiviteit per gewerkt uur, uur, België uur,België Belgiëenenbuurlanden, buurlanden,€ € Belgiëenenbuurlanden, buurlanden,kettingeuro’s kettingeuro’s 3535

3030

3030

2525

2525

2020

2020

1515

1515

1010

1010

55

55

00

00

België

België België Frankrijk Frankrijk

Duitsland Duitsland Duitsland

Frankrijk

Nederland

Nederland Nederland

Bron: Eurostat, Guidea

JULI 2019 Macro-economische indicatoren 41


Output, intermediair verbruik en toegevoegde waarde Prijzen en consumptie Investeringen en kapitaalgoederenvoorraad Werkgelegenheid Productiviteit Arbeidskosten

Arbeidskosten In dit hoofdstuk bekijken we de loonkost per uur arbeid voor een werknemer bij vennootschappen alsook bij zelfstandigen. Daarna bekijken we de loonkost per eenheid product die de verhouding van een uur arbeid tot de arbeidsproductiviteit weergeeft. We sluiten af met een blik op het inkomen van zelfstandigen.

42 Macro-economische indicatoren JULI 2019


Loonkost per uur

28,9€ De bruto loonkost per uur arbeid bedraagt gemiddeld 28,9€ in de horeca Bij vennootschappen bedraagt de bruto loonkost voor een uur arbeid gemiddeld 28,9€ in de horeca. Dit is het laagste van de beschouwde sectoren. Gemiddeld over alle sectoren heen bedraagt de loonkost voor een uur arbeid 37,0€. Bij zelfstandigen bedraagt de bruto loonkost van een uur arbeid gemiddeld 20,9€ per uur. Dit is het hoogste van de beschouwde sectoren. Gemiddeld over alle sectoren heen bedraagt de loonkost voor een uur arbeid 14,7€.Voor de marktdiensten is dit 19,2€ per uur arbeid.

Volgende figuren geven de evolutie weer van de totale loonkost per uur. In 2017 stijgt de loonkost per gewerkt uur bij vennootschappen met net geen 1%. Dit volgt op een jaar dat de loonkost met 1% daalde. De horeca volgt de algemene trend, al kent het voor het derde jaar op rij een iets gunstigere evolutie. Bij zelfstandigen stijgt de loonkost per uur in de horeca met ruim 2% in 2017. Dit volgt op een stagnatie in 2016.Voor het vijfde jaar op rij kent de horeca een minder gunstige Horeca evolutie van de loonkost dan gemiddeld over alle sectoren heen.

Figuur 50:Totale loonkost per Figuur 51:Totale loonkost per gewerkt uur van een werknemer, gewerkt uur van een werknemer, 2017, € Totale 2017, Figuur Figuur 1: Totale 1: loonkost loonkost perper gewerkt gewerkt uuruur vanvan Figuur Figuur 2: Totale 2:€Totale loonkost loonkost perper gewerkt gewerkt uuruur vanvan eeneen werknemer, werknemer, 2017, 2017, € €

Vennootschappen

eeneen werknemer, werknemer, 2017, 2017, € €

Zelfstandigen

Vennootschappen Vennootschappen

40 35 30 25 20 15 10 5 0

Zelfstandigen Zelfstandigen

25 25

40 35 30 25 20 15 10 5 0

20 20 15 15 10 10 5 5 0 0

Bron: NBB.stat, Guidea

Figuur Jaar-op-jaar evolutie Figuur Jaar-op-jaar evolutie Figuur 1:52: Jaar-op-jaar evolutie totale loonkost Figuur 2:53: Jaar-op-jaar evolutie totale loonkost Figuur 1: Jaar-op-jaar evolutie totale loonkost per per Figuur 2: Jaar-op-jaar evolutie totale loonkost totale loonkost per gewerkt uur totale loonkost per gewerkt uur gewerkt gewerkt gewerkt uur uur (%) (%) per per gewerkt uur uur (%) (%) (%) Vennootschappen Vennootschappen Vennootschappen

(%) Zelfstandigen Zelfstandigen Zelfstandigen

5,0%5,0%

5,0%5,0%

4,0%4,0%

4,0%4,0%

3,0%3,0%

3,0%3,0%

2,0%2,0%

2,0%2,0%

1,0%1,0%

1,0%1,0%

0,0%0,0%

0,0%0,0%

-1,0% -1,0%

-1,0% -1,0%

-2,0% -2,0%

20132013 20142014 20152015 20162016 20172017

Horeca

-2,0% -2,0%

2013201320142014201520152016201620172017

Alle sectorenAlle sectoren

Bron: NBB.stat, Guidea

JULI 2019 Macro-economische indicatoren 43


Loonkost per eenheid product De loonkost per eenheid product bekijkt de verhouding van de loonkost per uur tot de productiviteit per uur. De horeca heeft in verhouding tot haar productiviteit een hogere loonkost dan andere sectoren. De ratio bedraagt 67% in de horeca, in vergelijking met 61% gemiddeld voor de marktdiensten. De handel en de bouwnijverheid hebben een ratio van respectievelijk 57% en 58%.

Figuur 54: Loonkost per eenheid product, vennootschappen, 2017, % 67%

80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%

Bron: NBB.stat, Guidea

Deze loonkost is sterk gedaald tussen 1995 en 2005, hoofdzakelijk door productiviteitswinsten (zie hoofdstuk productiviteit). Sinds 2007 stijgt de loonkost per eenheid product opnieuw doordat enerzijds de productiviteit daalt en anderzijds de loonkost per uur verder toeneemt. Sinds 2012 is de loonkost per eenheid product relatief stabiel in de horeca. Over alle sectoren heen vertoont de loonkost per eenheid product een daling, vooral sinds 2015.

Figuur 55: Loonkost per eenheid product, vennootschappen, evolutie, % 80% 75%

76% 67%

70%

67%

65%

61%

60% 55%

61%

50% 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017

De loonkost per eenheid product is in de horeca anno 2017 lager dan in 1995 toen het nog 76% bedroeg.

Horeca

Bron: NBB.stat, Guidea

44 Macro-economische indicatoren JULI 2019

Alle sectoren


Inkomen zelfstandige

Het ‘inkomen’ van een horecazelfstandige bedraagt 13,5€ per uur in 2017. Dit is lager dan het gemiddelde van 18,1€ per uur voor de marktdiensten. Het ligt hoger dan de handel waar het inkomen van een zelfstandige 12,1€ bedraagt.

Figuur 57: Inkomen zelfstandigen (€) 1999-2017 Figuur 2: Inkomen zelfstandigen (€) 1999-2017

Figuur 2: Inkomen zelfstandigen (€) 1999-2017 20 20 16,4 13,5 15 15 12,7

10 10

Alle sectoren

2015

2013 2015

2011

2011 2013

2009

2007

Horeca

2009

Horeca

2007

2005

2005

2003

2003

2001

1999

00

2001

7,9

55

1999

Het verschil in toegevoegde waarde Figuur 56: Inkomen zelfstandigen (€) 2017 en de beloning van werknemers is het deel dat naar de zelfstandige Figuur 1: Inkomen zelfstandigen (€) 2017 Figuur 1: Inkomen zelfstandigen (€) 2017 zaak vloeit. We noemen dit het 2020 18,1 inkomen van een zelfstandige. Dit 1818 16,9 16,4 1616 inkomen is geen zuivere vergoeding 13,5 1414 12,1 voor de geleverde arbeid, want 1212 1010 hiermee wordt ook het kapitaal 8 8 6 6 vergoed en belastingen betaald. 4 4 Ook winst/verlies zit vervat in dit 2 2 0 0 ‘gemengd’ inkomen2.

Alle sectoren

Bron: NBB.stat, Guidea

Tussen 1999 en 2017 maakt het inkomen van een horecazelfstandige een gedeeltelijke inhaalbeweging op de rest van de economie. Het verschil bedraagt in 2017 een kleine 3€ terwijl dit nog 5€ was in 1999. In 2016 en 2017 valt het inkomen van een horecazelfstandige terug, terwijl het lichtjes toeneemt over alle sectoren heen.

2  Enerzijds is dit een overschatting van het werkelijke inkomen van zelfstandigen. Anderzijds is dit ook een onderschatting want verschillende inkomenselementen zoals een auto van de zaak of woning zitten hierin niet vervat.

JULI 2019 Macro-economische indicatoren 45


Begrippenlijst Inkomen zelfstandige = het verschil in toegevoegde waarde en beloning werknemers bij de huishoudens. Intermediair verbruik = De producten die in de verslagperiode zijn verbruikt in het productieproces, gewaardeerd tegen aankoopprijzen, exclusief aftrekbare btw. Dit kunnen al of niet in de verslagperiode aangekochte grondstoffen, halffabrikanten en brandstoffen zijn, maar ook diensten zoals communicatiediensten, schoonmaakdiensten en diensten van externe accountants. Kapitaalgoederenvoorraad = de totale waarde van de vaste activa. De bruto KGV is de huidige marktwaarde van alle vaste activa. De netto KGV daarentegen is de bruto KGV min de gecumuleerde waarde, op dat ogenblik, van het verbruik van vaste activa. Loonkost per eenheid product = de verhouding van de loonkost tot de productiviteit Lopende prijzen = waardering tegen prijzen van de beschouwde periode. Output = de waarde van alle voor de verkoop bestemde goederen (ook de nog niet verkochte) en de ontvangsten voor bewezen diensten. De output wordt gemeten in basisprijzen. Dat is het bedrag dat een producent daadwerkelijk overhoudt. Dit is de verkoopprijs van een goed of dienst exclusief belastingen.

Niet-productgebonden belastingen = Belastingen op productie die producenten moeten betalen, ongeacht de hoeveelheid of de waarde van de geproduceerde of verkochte producten. Dit omvat hoofdzakelijk de onroerende voorheffing, alsook door de gemeenten geĂŻnde kleine belastingen. Niet-productgebonden subsidies = Subsidies op productie die niet direct relateerbaar zijn aan de waarde of de hoeveelheid geproduceerde en verkochte producten. Het betreft vooral de loonsubsidies en rentevergoedingen. Toegevoegde waarde = het verschil tussen de productie en het intermediair verbruik. Het vertegenwoordigt de waarde die een sector tijdens het productieproces toevoegt. De toegevoegde waarde vloeit naar de beloning van werknemers, het exploitatieoverschot en gemend inkomen (winst en inkomen zelfstandige), het verbruik van vaste activa (afschrijvingen)en het saldo van de niet-productgebonden belastingen en subisides. Verbruik vaste activa= de jaarlijkse afschrijvingen op de kapitaalgoederenvoorraad.

Volume = waardering door de prijzen constant houden

46 Macro-economische indicatoren JULI 2019


JULI 2019 Macro-economische indicatoren 47


www.guidea.be

Profile for Guidea

Macro-economische indicatoren juli 2019  

Dit rapport geeft je een duidelijk beeld van het belang van de horeca voor de Belgische economie, de verwevenheid met de andere sectoren, de...

Macro-economische indicatoren juli 2019  

Dit rapport geeft je een duidelijk beeld van het belang van de horeca voor de Belgische economie, de verwevenheid met de andere sectoren, de...

Profile for guidea0