Page 1

Voor Gerechtigheid en Vrede Informatie bulletin Guatemala Uitgave september - oktober 2016 Nr. 159

SANTA LUCIA COTZUMALGUAPA Als

het volk het woord neemt

1


Editoriaal Een portie geschiedenis die vijftig jaar geleden een aanvang nam in een kleine stad aan de zuidkust van Guatemala ademt tot op heden levendig door de poriën en blijft pijn doen doorheen de littekens van heel wat mensen.

Santa Lucía Cotzumalguapa. Alleen al de naam van de plaats waar alles gebeurde is opvallend. In nevelige tijden was er het verhaal van Cotzumalguapa (Wezel Rivier), een machtige theocratisch - militaire staat tijdens de Laat Klassieke Periode van de Maya Cultuur van 600 tot 900 na Christus. Het centrum was gelokaliseerd in een stadscomplex bestaande uit de sites Bilbao, El Castillo en El Baúl. Het strekte zich uit over meer dan zes km2. Vanaf de XVI eeuw werd de originele bevolking van Guatemala onder de voet gelopen door de Spaanse invasie. De Westerse katholieke godsdienst werd overal opgedrongen. In Cotzumalguapa werd van toen af Santa Lucía in een kerk vereerd. De Nederlandse antropoloog Ruud van Akkeren, gepromoveerd in Leiden, woont afwisselend in Guatemala en Nederland. Reeds jarenlang legt hij zich toe op etnohistorisch onderzoek. Hij schreef talloze werken over de oude Maya volkeren. In deze brochure raakt hij in een paar pennentrekken het verre en meer nabije verleden van de stad aan.

Mario Trinidad is van Filippijnse afkomst en woont in Australië. Mario was van 1973 tot 1975 als scheutist werkzaam in Guatemala. Na jaren opzoekings- en veldwerk publiceerde hij eind 2015 zijn doctoraatsthesis over de rol in Guatemala van de Missiecongregatie van het Onbevlekt Hart van Maria (CICM), in de volksmond Scheut. De titel van zijn werk luidt: ‘Repression and Martyrdom: The Radicalisation of the Missionaries of the Congregation of the Immaculate Heart of Mary in Guatemala (1954-1996) [Ph.D. diss. La Trobe University, Victoria, Australia, 2015]. Hij belichtte vooral de moeilijke jaren die het land doormaakte tijdens het intern gewapend conflict. Hij stuurde ons de samenvatting van zijn werk. Eén zin lijkt ons gebald de kern van zijn doctoraatsthesis weer te geven: ‘Hoe is het uit te leggen dat een groep missionarissen die vijfentwintig jaar eerder uit China buitengezet werden omdat ze geen communisten waren, vijfentwintig jaar later vermoord of uit Guatemala verbannen werden omdat ze als communisten beschouwd werden?’ Guido De Schrijver vertelt vanuit zijn persoonlijke ervaring in Santa Lucía de geleidelijke overgang van een traditionele parochiepastoraal naar een combinatie met een gans nieuwe dynamiek. Daarin kregen de vorming en de begeleiding van basisgemeenschappen een belangrijke plaats. De bevrijdingstheologie functioneerde als inspirerende motor. Dat proces startte in de zuidkust bij de aanvang van 1969 en eindigde begin de jaren ‘80.

2


Tijdens de ergste jaren van de staatsrepressie begin de jaren ‘80 ontsnapte Santa Lucía Cotzumalguapa niet aan de genocide die het leger en de politie aanrichtten. In korte tijd werden er naar schatting honderd leden van het Comité voor Boereneenheid (CUC) door doodseskaders ontvoerd, gemarteld en gedood. In 1999 besloot Mario Coolen vanuit Solidaridad Nederland samen met medewerkers in Guatemala: ‘We gaan de verhalen verzamelen van onze collega’s en vrienden die voorgoed uit het leven werden weggerukt.’ Dertig jaar na de gebeurtenissen die toen plaatsvonden verbreken de nabestaanden van de slachtoffers van Santa Lucía het zwijgen en vertellen ze het verhaal van de verschrikkingen die zij doormaakten. Het resultaat mag er zijn. Twee boeken met pijnlijke verhalen en met indrukwekkende foto’s van de Nederlandse fotograaf Piet den Blanken worden aan de slachtoffers, de familieleden en de maatschappij van Guatemala teruggeven. Mario Coolen schetst ons vanuit zijn persoonlijke betrokkenheid het initiatief.

In oktober 2014 gaf José Roberto Paz Gularte aan zijn thesis voor licentiaat in de antropologie voor de staatsuniversiteit San Carlos de volgende titel mee: ‘Symbolisme in de staatsagressie tegenover de katholieke priester Walter Voordeckers in Santa Lucía Cotzumalguapa gedurende de regering van generaal Romeo Lucas Garcia (1978-1980). In 151 bladzijden toetst hij internationaal toegepaste oorlogsstrategieën aan de manier waarop de militairen in Guatemala oorlog voerden tegen het verzet van de bevolking. Concreet past hij zijn onderzoek toe op de moord op Walter Voordeckers CICM, pastoor van de parochie van Santa Lucía Cotzumalguapa. In juli 2016 publiceerde een onderzoeksteam een nieuw werkstuk. Jan Vandeveire, voormalig lid van CICM, Karen Ponciano en Lisbeth Gramajo, onderzoeksters van de Universiteit Rafael Landívar, zetten het proces van Solidaridad Nederland verder. Het werd een derde boek over de gebeurtenissen in Santa Lucía Cotzumalguapa. Jan Vandeveire vat voor ons de inhoud samen. Elk jaar opnieuw trekken inwoners van Santa Lucía in optocht naar het kerkhof om bloemen neer te leggen op het graf van Walter Voordeckers. Makrina Gudiel Alvarez, een van de slachtoffers van de repressie, wiens broer verdween en wiens vader vermoord werd, stuurde ons een bericht over de herdenking van Walter op 12 mei 2016. Bij de voorstelling van al deze bijdragen komen mij de woorden van de Vlaamse socioloog Luc Huyse voor de geest: ‘Het verleden temmen, daar gaat het steeds weer om. En, als het kan, rust brengen in het hart van wie vandaag en morgen leeft.’

Guido De Schrijver © Piet den Blanken 3


Precolombiaans Santa Lucía Ruud van Akkeren schreef talrijke werken gebaseerd op zijn geduldig en minutieus onderzoek rond de vroegere Maya beschaving. Hij liet zich zelfs verleiden om een roman te schrijven. Die gaf hij als titel mee: ‘La Danza del Tambor.’ Het is een historisch verhaal vol suspense, dat plaats grijpt in Rabinal twintig jaar na de Spaanse verovering. Ter gelegenheid van het ‘magische’ jaar 2012 publiceerde hij het indrukwekkende boek: ‘Xib’alb’a en de geboorte van de Nieuwe Zon.’ Nu reist hij geregeld naar Santa Lucía Cotzumalguapa. Daar ontmoet hij overlevenden en familieleden van de slachtoffers van de staatsrepressie in de jaren ‘80. Hij onderricht hen over de verre sporen van hun Maya voorouders in Cotzumalguapa.

(redactie)

De Zuidkust van Guatemala was al voor de komst van de Spanjaarden een streek waar op grote schaal producten als cacao en katoen werden verbouwd. De Zuidkust was onderdeel van een belangrijke handelsroute die door heel Midden-Amerika liep. Vanuit Teotihuacán in de huidige Vallei van Mexico kwamen handelaren naar de Zuidkust en stichtten daar kolonies. Er kwamen zoveel inwoners van Teotihuacán mee dat in de streek van Escuintla de taal van de Nahua immigranten, het Pipil, werd gesproken naast de Maya taal. Cotzumalguapa was in de voor-Spaanse tijd een belangrijk centrum op de handelsroute van Midden-Amerika. Cotzumalguapa betekent ‘Wezel Rivier’, in de Maya taal Saqb’inya en afgeleid van de familienaam Saqb’in, een geslacht van krijgers die de handelscaravanen vergezelden en beschermden. Het geslacht Saqb’in was onderdeel van de handelselite die aan het einde van de klassieke periode (300-900 na Chr.) ontstond met vertakkingen in Chich’en Itza en de Golf van Mexico.

© Piet den Blanken

4


Ruud van Akkeren

El Baul en Bilbao waren belangrijke cultuurcentra in Cotzumalguapa met paleizen, pleinen en monumenten, verbonden door brede wegen. Cotzumalguapa is beroemd om zijn beeldtaal en zijn eigen kalender die zijn uitgehouwen in grote stenen die voor een gedeelte nog te vinden zijn in de suikerrietvelden van Santa Lucía Cotzumalguapa. De betekenis van de afbeeldingen gaan we beetje bij beetje begrijpen: er zijn tijdsaanduidingen en het lijkt dat de beelden de ideologie van de handelselite weerspiegelen.

© Piet den Blanken Aan het einde van de klassieke periode vonden er ingrijpende veranderingen plaats aan de Zuidkust. Recent onderzoek toont aan dat in de periode 900-1300 na Chr. sprake was van perioden van grote droogte met rampzalige gevolgen voor de bewoners, die daarom naar het naburige bergland trokken. Er was sprake van een totale ontvolking van de Zuidkust en Cotzumalguapa hield op te bestaan als cultuurcentrum. Toonaangevende geslachten uit Cotzumalguapa gingen in de postklassieke periode (900-1500 na Chr.) belangrijke posities bekleden in hun nieuwe woongebied. Op het moment dat de Spanjaarden arriveerden in het huidige Escuintla was de taal daar het Pipil; gegevens over Pipildorpen zijn te vinden in koloniale documenten over de Zuidkust. Cotzumalguapa zelf werd een koloniaal stadje met wijken waar Pipil en wijken waar de Maya taal Kaqchikel werd gesproken. Demografische achteruitgang maakte het mogelijk dat de jungle weer oprukte. In de 19e eeuw deed een nieuw product zijn intrede: koffie. Zowel de productie als de handel waren in handen van grootgrondbezitters, enkelen van hen van Duitse afkomst. En Santa Lucía werd een nieuw handelscentrum. Voor het werk op de koffieplantages waren veel vaste arbeidskrachten nodig die afkomstig waren uit het naburige bergland. Hun komst veranderde opnieuw de samenstelling van de bevolking van Santa Lucía

5


Het

einde van een

Chinese

droom

en de start van een nieuwe missie in

Guatemala Mario Trinidad

Af en toe wandel ik omgekeerd: dat is mijn manier van herinneren. Indien ik enkel voorwaarts wandelde, zou ik je kunnen vertellen hoe het vergeten is. Humberto Ak’abal Maya K’iche

De eerste missionarissen van de Congregatie van het Onbevlekt Hart van Maria - CICM in Guatemala waren allemaal voormalige missionarissen in China. Ze kwamen aan in hun nieuwe missie op 15 april 1955. Dit was minder dan een jaar na de val, deels georkestreerd door de CIA, van de democratisch verkozen regering van Jacobo Arbenz. Het hele departement Escuintla werd hen toevertrouwd. Aartsbisschop Mariano Rossel Arellano verzocht hen zowel protestanten als communisten ‘terug op het rechte pad te brengen.’ Het lijkt symbolisch voor de anticommunistische en pro-kapitalistische oriëntatie van deze nieuwe priesters. In elk geval hun eerste centrum was gevestigd in Tiquisate, waar ze onderdak kregen en gefinancierd werden door de United Fruit Company. Het was uitgerekend het verzet van de United Fruit Company tegen het programma van de landhervorming van president Arbenz dat leidde tot de bloedige interventie van de CIA en de daaropvolgende installatie van Castillo Armas als president van Guatemala.

Arbenz werd door de bourgeoisie van grootgrondbezitters, de katholieke kerkhiërarchie en de Amerikaanse regering valselijk beschuldigd van communisme. Gedurende een bepaalde tijd was de pastorale methode van deze missionarissen, zowel als die van de rest van de kerk, traditioneel, legalistisch en gefocust op kerkelijke rituelen, devoties en praktijken. Zij vertrouwden op het triumviraat van de rijke landeigenaren, de grote industriëlen en het leger voor hun legitimatie en blijvende financiële hulp en steun. Ondertussen werden de arbeiders uitgebuit op de bananen- en suikerrietplantages en op de katoenvelden. Vele kinderen stierven tijdens de geboorte. Talrijke Maya’s, mannen, vrouwen en kinderen, overleefden de jaarlijkse migratie vanuit het hoogland naar de zuidkust niet. De grote meerderheid greep naast de noodzakelijke basisvoeding, kleding, onderdak, scholing en gezondheid. Dit alles bleek de missionarissen weinig te raken, want ze waren er om ‘zielen te redden.’ Hoogstens werden de armen met liefdadigheid tegemoetgekomen. En in het slechtste geval werd hen op het hart gedrukt geduldig te zijn en hun situatie van leed en pijn te aanvaarden als de wil van God om in ruil de eeuwigheid in de hemel te verdienen. Zelfs de jongere, nieuw-gewijde scheutisten, die vanaf 1961 Guatemala binnenkwamen, leken in deze traditionele missionaris- en priesterrol zonder bezwaren en comfortabel binnen te glippen. Maar deze weg bleek geen lang leven beschoren.

6


Martelaarschap en ballingschap Op 1 mei 1980, na de meimanifestatie in de hoofdstad Guatemala, werden Conrado de la Cruz (27 juli 1946 - 1 mei 1980), Filippijnse scheutist en pastoor in Tiquisate, Escuintla, samen met de lekenhelper, Herlindo Cifuentes, door zes onbekende en zwaargewapende mannen in burgerkleding ontvoerd. Zij vervoegden de duizenden verdwenen personen in het land. De CICM missionarissen en het bisdom Escuintla kregen nauwelijks de tijd om zich te realiseren wat er gaande was met een van hun priesters en zijn medewerker en om hun verdwijning te betreuren, toen een nieuwe tragedie hen trof. In de ochtend van 12 mei werd Walter Voordeckers (2 september 1939 - 12 mei 1980), Belg en pastoor van Santa Lucía Cotzumalguapa neergeschoten door vier onbekende zwaarbewapende mannen, op enkele meters afstand van het parochiehuis. Mario Trinidad Vier dagen na de brutale moord op Voordeckers ontving de bisschop van Escuintla, Mario Ríos Montt een brief. Dat geschrift kwam van een van de rijke landeigenaars, die nauwe relaties onderhield met Opus Dei en vermoedelijk de stichter was van de eerste van de meer dan twintig doodseskaders, die in die tijd in Guatemala opereerden. In de brief herhaalde hij de aanklacht van het Geheim Anticommunistisch leger (ESA) dat Voordeckers een communist was. Hij opperde dat Voordeckers ‘gedood werd door dezelfde haat die hij verspreidde in het departement Escuintla.’ Verder censureerde hij de bisschop en de CICM missionarissen voor ‘de agitatie’ die zij veroorzaakten onder de arbeiders en de boeren. Hij waarschuwde hen dat hogere lonen en een landhervorming zouden leiden tot een economisch onevenwicht, klassenstrijd en chaos. Hij berispte de bisschop voor ongehoorzaamheid aan de paus (Johannes Paulus II), door het zaaien van tweedracht in plaats van liefdadigheid en door zijn priesters niet te controleren die geweld en de vernietiging van het privébezit predikten.

De doodsbedreigingen tegen de scheutisten gingen door. Velen onder hen verlieten het land vanwege onverholen bedreigingen, vermoedelijk afkomstig van paramilitaire doodseskaders. Eerder dan in ballingschap te gaan, sloten de twee CICM seminaristen (Sergio Berten en Ward Capiau) zich aan bij het Guerrillaleger van de Armen (EGP), een van de vier guerrillagroepen die samen de Guatemalteekse Nationale Revolutionaire Eenheid (URNG) vormden. 7


Ward Capiau (7 januari 1950 - 22 oktober 1981) werd vermoord tijdens een militaire hinderlaag. Serge Berten (13 juli 1952 - 19 januari 1982) werd ontvoerd en verdween. Volgens de Commissie van de Historische Opheldering van de Verenigde Naties (CEH) waren de regeringen van de legergeneraals Fernando Romeo Lucas García (1978-1982) en Efraín Ríos Montt (1982-1983) de meest brutale tijdens de periode, die gewoon bekend staat als ‘het geweld.’

Ook Alfons Stessel CICM werd vermoord. Dit gebeurde op 19 december 1994 in de volkswijk Tierra Nueva van de hoofdstad. Maar de motieven en de context voor de misdaad bleven onduidelijk. (redactie))

Een draai van 180 graden: Onderweg maakten de mensen ons bewust. Hoe is het uit te leggen dat een groep missionarissen die vijfentwintig jaar eerder uit China buitengezet werden omdat ze geen communisten waren, vijfentwintig jaar later vermoord of uit Guatemala verbannen werden omdat ze als communisten beschouwd werden? Mijn doctoraatsthesis die ik voorlegde aan de La Trobe Universiteit van Victoria, Australië, is gebaseerd op interviews van religieuzen, zowel mannen als vrouwen, en leken die nauw met hen samenwerkten, naast ook onderzoekswerk van archieven om een antwoord op deze vraag te vinden. De radicalisering van sommige leden van de congregatie werd voorafgegaan door hun geleidelijke intrede in de wereld van de armen. Evenals generaties van vorige missionarissen dachten ook zij dat ze daar waren om de bevolking van Guatemala te leren hoe te leven en te geloven. Maar de rollen werden stilaan omgekeerd. De armen stelden vragen bij de theologische en pastorale veronderstellingen van de missionarissen rond leven en geloof. In de mate dat zij geleidelijk aan het leven van de armen binnenkwamen, werden ze er zich van bewust dat ze van het volk veel Mario Trinidad te leren hadden. Zij die het evangelie kwamen brengen werden bekeerd. Of zoals een van de geïnterviewden het uitdrukte: ‘Onderweg maakten de mensen ons bewust.’ Of zoals nog iemand anders het beschreef: ‘Het was geen gril, geen waanzin noch een algehele vergissing.’ Ze waren er immers ervan overtuigd dat de optie om zich aan de zijde van de landloze boeren en de landarbeiders te situeren deze was die van hen verwacht werd, indien ze vol geloof wilden beantwoorden aan de roep om het Goede Nieuws aan de armen te brengen. En zo was het ook niet te verwonderen dat ook zij hetzelfde lot zouden ondergaan als de Meester.

8


Verschillende stappen om een huipil te maken Om de radicale ommekeer te kunnen begrijpen die een groep missionarissen meemaakte, is het belangrijk de gebeurtenissen te situeren op verschillende niveaus, eerst binnenin de Kerk en daarna in de sociale en de politieke context van het land. Het Tweede Vaticaans Concilie (1962 tot 1965) bracht een belangrijke ommekeer teweeg in de kijk van de Kerk op zichzelf en op haar plaats in de moderne wereld. De aanhef van Gaudium et Spes weerspiegelde de poging en het engagement van de Kerk om zich onder te dompelen in de wereld, met bijzondere bezorgdheid voor de armen. ‘De vreugde en de hoop, het leed en de angst van de hedendaagse mens, vooral van de armen en van al degenen die lijden, zijn ook de vreugde en de hoop, het leed en de angst van de leerlingen van Christus; en er is niets echt menselijks, of het vindt weerklank in hun hart... Zodoende voelt zij zich werkelijk en nauw verbonden met de mensheid en haar geschiedenis.’

Gustavo Gutiérrez, vader van de bevrijdingstheologie

De richtlijnen die het Tweede Vaticaans Concilie verkondigde voor de hele kerk werden verder toegepast op de situatie van het continent tijdens de bijeenkomst in Medellín, Colombia van 24 augustus tot 6 september 1968 door de Latijns-Amerikaanse bisschoppen. De conferentie van Medellín aarzelde niet het vreselijk sociaal onrecht te bestempelen als een zondige situatie. Ook wettigde en promootte ze de ontluikende bevrijdingstheologie. Ze riep bovendien op tot de vorming van christelijke basisgemeenschappen.

De draagwijdte van wat binnenin de Latijns-Amerikaanse kerk in die tijd aan het gebeuren was, bekoorde de verbeelding van Omer Degrijse, de toenmalige algemeen overste van CICM. Hij was een van de weinige niet bisschoppen die alle vier sessies van het Tweede Vaticaanse Concilie bijwoonde en hij was bevriend met de bisschop van het Noordoosten van Brazilië. Hij moedigde de congregatieleden in Guatemala aan ‘om zich in deze diepgaande pastorale vernieuwing die in Latijns-Amerika op gang kwam in te schakelen,’ want ‘er was zoveel te leren van Zuid-Amerika, waar ze in pastorale zaken ver vooruit waren in vergelijking met Centraal-Amerika en Europa.’

Hij zond scheutisten uit Guatemala naar Brazilië om te observeren wat in het Noordoosten gebeurde, daarnaast ook naar het Intercultureel Documentatiecentrum (CIDOC) in Cuernavaca, Mexico, waar de controversiële Ivan Illich aan het hoofd stond, verder ook naar het Instituut van Latijns-Amerikaanse Catechese (ICLA) in Manizales, Colombia en het Latijns-Amerikaans Pastoraal Instituut (IPLA) in Quito, Ecuador. Belangrijker nog was dat enkelen onder hen een tijd doorbrachten in San Miguelito, Panama, om daar de methodologie van een bijzondere vorm van pastoraal met christelijke basisgemeenschappen, ‘la Familia de Dios’, te leren kennen. De scheutisten die van deze reizen terugkeerden waren vol enthousiasme om nieuwe initiatieven uit te proberen: (1) de stichting van een Catechetisch Centrum, wat al vlug veranderd werd in een vormingscentrum voor leiders van christelijke basisgemeenschappen; (2) het streven naar teamwerking en het oprichten van pastorale teams samengesteld door priesters, vrouwelijke religieuzen en leken; en (3) de vorming van christelijke basisgemeenschappen onder de boeren en de arbeiders. Daarbij verminderden ze de nadruk op de traditionele en middenklasse religieuze organisaties. 9


Groeiende radicalisering De impact die kerkelijke ontwikkelingen op universeel, continentaal en congregationeel vlak uitoefenden op het pastorale beleid van de scheutisten in Guatemala - althans onder de meer progressieve en jongere leden - moet gesitueerd worden in de sociale en politieke context van het land. Na de frauduleuze verkiezingen van 1974 werd eender welke hoop de bevolking ook mocht koesteren op een vredevolle hervorming vanuit de stembus in stijgende lijn en pijlsnel weggevreten. De groeiende radicalisering van verscheidene sectoren in de Guatemalteekse maatschappij, met name de vakbonden, studenten, inheemse en mestiezen boeren en de arme stedelijke inwijkelingen nam in snelheid toe. Ook binnenin de kerk. Ofschoon in het algemeen de kerkleiders onverschillig bleven en hun onheilig bondgenootschap met de grote landeigenaars, bedrijven en militairen aanhielden, begon een groeiend aantal leken, vrouwelijke religieuzen en priesters, waaronder de meer progressieve en jonge scheutisten, zich in te zetten voor sociale rechtvaardigheid en deelname aan de hervorming van de wereld als een essentiĂŤle dimensie van de prediking van het Evangelie. Politieke actie en religie waren niet langer aparte woorden.

De radicale ommekeer onder de progressieve en jonge scheutisten vond zijn weerslag in het vormingsmateriaal dat ze produceerden, onder andere historietas voor de groepen van de Familia de Dios, commentaren bij de eucharistievieringen voor de zondag, catechetisch materiaal, bijbelcommentaren. Daarnaast ook in de vormingssessies die ze organiseerden voor de leiders van de bezinningsgroepen, in hun homilieĂŤn en in hun startende contacten met volksorganisaties. De bezinning tijdens de bijeenkomsten van de Familia de Dios ging verder dan de traditionele, individualistische, moralistische en binnenkerkelijke beschouwingen. Bovendien beperkten de deelnemers zich niet enkel tot het analyseren van de sociale en politieke, economische en culturele structuren die de meerderheid van de bevolking in de armoede hielden. Zij wilden opschuiven naar een meer georganiseerde strijd tegen onderdrukking en uitbuiting. Zij beoogden een actievere rol te spelen in een brede en nationale sociaal-politieke agenda die tot actie leidde. Deze ommekeer ging niet ongemerkt voorbij aan de aandacht van de volksorganisaties en de guerrillagroepen. Spijtig genoeg, ging dit evenmin voorbij aan de aandacht van de grote landeigenaars, de bedrijven en de militairen.

Mario Trinidad in huis van Scheut Guatemala - voorstelling doctoraatsthesis

10


Een

nieuwe pastorale dynamiek

Guido De Schrijver

In de zuidkust van Escuintla wilden we resoluut de pastoraal over een nieuwe boeg gooien. Begin 1969 gingen we met een groep missionarissen van Scheut (CICM) en zusters van de Jacht-Heverlee (ICM) akkoord om, zonder verwaarlozing van de traditionele parochiepastoraal, prioriteit te geven aan het vormen en begeleiden van basisgemeenschappen. Er werden twee pastorale teams samengesteld, een in Escuintla, de hoofdstad van het departement en een in het stadje Santa Lucía Cotzumalguapa. In Santa Lucía sloegen Jan Racquet, Sabine Mortier, Toon Coolen, Paula Vandererven en ikzelf de handen in elkaar.

Jan Racquet, Guido De Schrijver, Paula Vandererven, Sabine Mortier, Toon Coolen Ik participeerde in dit nieuwe project van begin februari 1969 tot einde mei 1973. Daarna schakelde ik me in het pastoraal team van de departementale hoofdstad Escuintla in en zette aldaar de parochiepastoraal en de begeleiding van basisgemeenschappen verder. Niet lang na de start van het initiatief vervoegde Mario Coolen zich als lekentheoloog bij het team in Santa Lucía. Bewustwording was het wachtwoord. De hele vraag was hoe dat inhoudelijk moest ingevuld worden. Wij zelf begonnen alvast met de studie en de ontleding van de maatschappij. Hoe zat die in elkaar ? Welk soort economie maakte dat er armen en rijken waren ? Daarvoor gebruikten we de marxistische leermethode. Iets waar de kapitalisten en grootgrondbezitters al lang voor ons mee bezig waren. Maar wel met andere bedoelingen.

11


Als God Vader is van de mensenfamilie dan moeten wij broeders en zusters zijn voor elkaar, een grote familie vormen, ‘la familia de Dios.’ Opkomen voor elkaar en elkaar uit de nood helpen.

12


De omschakeling De omschakeling was niet voor de hand liggend. Een van de kernmerken van de nieuwe aanpak was decentralisatie, weg uit het veilige parochiehuis, weg uit het stadscentrum. De mensen keken op toen ze ons veelvuldig langs de open rioleringen van de volkswijken aan de rand van de stad zagen lopen of door de modderwegen in de kleine dorpen ploeteren. We zaten meer in de hutten bij mensen thuis dan in de kerken en de kapellen.

In El Naranjo

De traditionele pastoraal vanuit de parochie was voor ons, als buitenlands personeel, een comfortabele inrijpoort om onbetwistbaar contact en nauwe banden met de lokale bevolking te verkrijgen en te behouden. Om dit spontaan vertrouwen van de bevolking niet te verliezen was het noodzakelijk de traditionele en sacramentele pastorale zorg aan te houden. We moesten een evenwicht zoeken tussen die gangbare praktijk en de nieuwe dynamiek.

Een ander voorbeeld

In Tierra Linda

Die omschakeling liet zich op verschillende terreinen gelden. Naast het parochiehuis van het stadje Santa LucĂ­a was een lagere school gevestigd. Die werd indertijd opgericht en naderhand begeleid door een vorige generatie scheutisten. In hun tijd werden de opvoeding en de schoolse vorming van kinderen als een essentieel onderdeel van de parochiepastoraal beschouwd. Bij nader toezien kwam de meerderheid van de kinderen uit gezinnen van de middenklasse, eigenaars van winkels en restaurants, varkenskwekers en transporteurs, eigenaars van vrachtwagens en autobussen uit het centrum van het stadje. Maar ook kinderen van administrators van de nabijgelegen plantages liepen er door de schoolpoort naar binnen. Onze aanpak van de nieuwe pastoraal liet ons allengs aanvoelen dat de parochie instond voor een school waar een meerderheid van kinderen uit bevoorrechte middens kwam. De pastorale aanpak, gericht op de vorming en begeleiding van christelijke basisgemeenschappen, mikte daarentegen rechtstreeks op de arme boerenbevolking (en in de departementale hoofdstad Escuintla op de inwoners van de omringende arme volkswijken). Zo kwam het dat we stilaan het bestuur en de zorg van de school overlieten aan een team van verantwoordelijke leerkrachten.

13


Gewurgd tussen de suikerrietplantages Geregeld kwamen we her en der samen met groepjes geïnteresseerde gelovigen. De zusters van ‘De Jacht - Heverlee’ vormden en begeleidden vrouwengroepen. In het begin was het niet mogelijk om gemengde gespreks- en bezinningsgroepen op te starten. Traditioneel werd de mening van vrouwen niet gevraagd. Laat staan dat ze zich al zouden uiten in groepen met mannen. Later, toen de vrouwen zich het woord toe-eigenden, gingen mannen en vrouwen samen verder. Santa Lucía was een stad die omzeggens gewurgd lag te midden van uitgestrekte suikerrietplantages. Veel leden van de groepen waren landarbeiders op de plantages. Het was slavenwerk, moordend en slecht betaald.

Bewustwording was de grote uitdaging

© Piet den Blanken

In een eerste fase werd het spontaan volksgeloof doorkruist door een bijbels-theologische visie. Allerlei thema’s over vernieuwing in de sacramenten en de modernisering in de liturgie kwamen te berde. Maar het duurde niet lang of de mensen kwamen met allerlei dagdagelijkse zorgen voor de dag. De gesprekken verschoven – haast geruisloos – naar problemen over werkeloosheid, ziekten, lonen, huisvesting, gebrek aan grond, uitbuiting. Theologisch hadden we het over de noodzaak om de eenheid onder mekaar te bevorderen. Als God Vader is van de mensenfamilie dan moesten wij broeders en zusters zijn voor elkaar, een grote familie vormen, ‘la familia de Dios.’ Opkomen voor elkaar en elkaar uit de nood helpen. Het aantal groepen groeide gestaag. Hier en daar namen lokale leiders de vergaderingen en de initiatieven in hun woonplaats van ons over. Ook enkele reeds gevormde leken, hoofdzakelijk uit de sector van het onderwijzend personeel van de stad, sprongen bij. Het ging dan vooral over relatie- en huwelijksthema’s, gezondheid en geschiedenis. Eens nodigden we het diensthoofd van het lokale staatsdispensarium uit om mensen kennis te laten maken met de microwereld van microben. Doorheen de microscoop konden ze zien waar de oorzaak lag van zoveel ziekte en lichamelijke ellende. Het was een stimulans te meer om hygiënisch om te springen met drinkwater en voedsel. Vooral aan de algemene vorming van de leiders van de basisgroepen besteedden we speciale aandacht. Universiteitsstudenten van de faculteiten van de Geneeskunde, de Agronomie en de Politieke en Sociale Wetenschappen kwamen uit de hoofdstad om met de leiders te praten over vakbondsrechten, gezondheidszorg, landbouw,... 14


Pastoraal Centrum Emaús Op geregelde tijden kwamen de leden van de groepen bij elkaar, zowel in de verschillende locaties van de parochie van Santa Lucía als op departementaal vlak. In het Pastoraal Centrum Emaús organiseerden we geregeld departementale bijeenkomsten. Het Centrum werd gebouwd door Piet van Santvoort CICM. Later, tijdens de hevige staatrepressie, zouden op 24 augustus 1980 tijdens een vergadering in het Centrum 16 vakbondsleiders van de Nationale Arbeiderscentrale (CNT) door de politie ontvoerd worden, waarna ze voor altijd verdwenen.

Departementale bijeenkomst ‘famila de Dios’ in Emaús

Het centrum Emaús werd een tijd lang beheerd door Jan Vandeveire en Lucy Morren (van de Zusters van de Jacht Heverlee) en naderhand door het Nederlands echtpaar Wim van den Eerembeemt en Marita Bekema.

Wim en Marita in Haarlem 25 sept. 2011

15


Om de groeiende inzichten en overtuigingen concreet gestalte te geven, stichtten we in die dagen ondermeer een spaar- en leencooperatieve ‘Horizontes,’ bedoeld om de mensen uit de klauwen van de woekeraars te houden. De vergaderingen gingen door in het parochiehuis. In de beginfase maakten wij deel uit van de bestuursraad. De coöperatieve hield er tevens een klein dispensarium op na, waar mensen goedkoop aan geneesmidden geraakten. We hielpen bij de oprichting van een ‘Comité ter Verbetering van de Gemeenschap.’ Met dat comité bereidden we berichten en sociale boodschappen voor. Die werden elke week door de lokale zender Radio Sol de ether ingestuurd.

Een klein dispensarium

Vergadering van de coöperatieve

‘Comité ter Verbetering van de Gemeenschap.’

Na verloop van tijd werd het duidelijk dat het streven naar eenheid het lot van de betrokkenen niet fundamenteel raakte. Er deed zich weer een verschuiving voor. En wij schoven mee met de mensen. De sociale thema’s werden geleidelijk aan vervangen door politieke vraagstukken. We waren ervan overtuigd dat de eenheid van de kinderen Gods geen werkelijke gestalte kon krijgen als daar geen effectieve organisatie aan ten grondslag lag. Maar welke organisatie ? De bestaande vakbonden of boerenliga’s ? De politieke partijen ? Het was de tijd dat het gewapend verzet, na jaren discreet politiek mollenwerk onder de bevolking, overging naar militaire acties en confrontaties met het leger. Inmiddels hadden de leden van de basisbeweging het onderhand begrepen. Hun kinderen stierven vroegtijdig, niet door de wil van God, maar door de wil van de machtigen in het land. Een confrontatie met de grootgrondbezitters aangaan drong zich op. Een historische staking onder de suikerrietkappers ontketende naderhand een afschuwelijke repressie. 16


Sabine Mortier en Walter Voordeckers (rechts met pet) leiden herdenking (juni 1979) van de vemoorde priester Hermรณgenez

Pastorale equipe vanaf 1974: Raf Allaert, Mario Coolen, Paul Schildermans, Sabine Mortier en Manfred De Nolf

Twaalf jaar pastorale begeleiding van basisgemeenschappen werd stopgezet door een regelrechte vervolging van al wie verdacht werd van oppositie tegen de gevestigde orde. Samen met honderdduizenden vluchtelingen vertrok ook een groot deel van het pastoraal personeel uit de streek. 17


Beklijvend

bezoek

Zoeken naar sporen In 1997 trok een delegatie van familieleden van de vier scheutisten die om het leven werden gebracht naar Guatemala, samen met enkele sympathisanten. We bezochten de plaatsen waar de vier slachtoffers omkwamen. Ook de plaats waar ze begraven of vermoedelijk begraven werden. We ontmoetten verschillende overheidsinstanties en het Ministerie van Defensie en vroegen naar mogelijke sporen rond de doodsoorzaak en de plaats van de begraven lichamen van Serge Berten en Ward Capiau. Daarnaast kwamen we samen met vertegenwoordigers van verschillende mensenrechtenorganisaties. In Santa LucĂ­a Cotzumalguapa bezochten we het graf van Walter en spraken met overlevenden van de staatsrepressie en met getuigen die hem van heel dichtbij kenden. Voor hen was het een emotioneel moment een zus, twee broers en vier neven en nichten van Walter te begroeten. Uiteindelijk keerden we terug met weinig informatie over de vragen en twijfels waarmee we uit BelgiĂŤ vertrokken waren. Anderzijds was het voor de families een troost om de plaatsen en vooral de mensen benaderd te hebben waar hun dierbaren het beste van zichzelf gaven.

18


Zo

leerde ik

Santa Lucía

kennen Mario Coolen

Zonder ‘La peste’ had ik Santa Lucía misschien nooit leren kennen.

De roman van Albert Camus, door hem een kroniek genoemd, las ik tijdens mijn studie theologie aan de universiteit van Nijmegen. Vooral de figuur van dokter Rieux maakte diepe indruk op me. Als in de Algerijnse stad Oran de pest uitbreekt kiest Rieux de kant van de slachtoffers, niet omdat hij een held is maar ‘omdat hij zich aangetrokken voelt tot zijn medemens en besloten heeft van zijn kant onrecht en concessies niet te tolereren’. In hetzelfde Oran worstelt ook pater Panneloux met de pest, maar de geleerde jezuïet ziet de verschrikkelijke ziekte als een verdiende straf en een kans om te inkeer te komen. Pas als Panneloux samen met Rieux getuige is geweest van de verschrikkelijke dood van een kind verandert zijn toon en uit hij zijn waardering voor de dokter die hij als een bondgenoot beschouwt ‘omdat ze beiden vechten voor het heil van de slachtoffers’. Maar Rieux houdt niet van grote woorden. Niet het heil, maar de gezondheid van de mensen, daar is het hem om te doen; wat hem interesseert is ‘leven en sterven voor wat je liefhebt.’ Voor mij was het duidelijk, ik wilde na mijn studie niet met grote woorden gaan verkondigen waar ik in geloofde, maar me concreet inzetten voor mensen die slachtoffer zijn van onrecht en hen de helpende hand bieden.

Maar, waar lag ‘mijn Oran’?

En toen, tegen het einde van mijn studie, leerde ik een groep missionarissen kennen die in het stadje Santa Lucía Cotzumalguapa in Guatemala pastoraal werk verrichtten bij seizoenarbeiders op suikerrietplantages. Zij stonden open voor mijn voorstel om de kennis die ik in jaren studie had opgedaan in dienst te stellen van het vormingsproces van de arbeiders. Eind 1972 vertrok ik met steun uit een fonds van Nederlandse religieuzen naar het voor mij nog onbekende Guatemala. In het contract met het team van Santa Lucía werd als mijn taak genoemd ‘het bevorderen van het proces van bewustwording van de plantagearbeiders en het begeleiden van basisgroepen’. Mooie woorden, maar eigenlijk had ik amper een idee van het harde bestaan van de suikerrietkappers aan de tropische Zuidkust. Maar ook dokter Rieux ontdekte pas gaandeweg wat de pest concreet betekende. Om vervolgens, als een ‘heilige zonder god’, zijn taak als arts zo goed mogelijk te vervullen.

19


Een waardig leven en een goed bestaan Midden in de nacht schrik ik wakker. Bij het huis waar ik sinds mijn aankomst in Guatemala met mijn nieuwe collega’s woon, klinken opgewonden stemmen in een voor mij onbekende taal. Als ik naar buiten kijk zie ik drommen mensen; het blijken Indiaanse seizoenarbeiders te zijn die op vrachtwagens vanuit het bergland naar de Zuidkust zijn gebracht om te gaan werken op de suikerrietplantages. Maar niet alleen mannen maken de vaak riskante tocht naar de plantages, ik zie ook vrouwen, kinderen, hier en daar een schichtige hond.

Als de eerste opwinding van de aankomst voorbij is zoeken de nieuw aangekomen gasten een plekje op de stoep voor ons huis, totdat in de vroege morgen koppelbazen de arbeiders verzamelen en hen naar de plantages brengen. Als ik later kennis maak met het werk op de plantages gaan mijn ogen pas echt open. In een verzengende hitte worstelen arbeiders met metershoog suikerriet, gezichten herken ik amper omdat het suikerriet voor het kappen in brand wordt gestoken waardoor de kappers al snel bedolven zijn onder een laag as en plakkerige suiker die uit de stengels sijpelt. De lonen op de plantages zijn schandalig laag, de behandeling door de over de arbeiders aangestelde bazen vaak ronduit grof. Het soort pest dat ik aantref aan de Zuidkust is niet het gevolg van een levensgevaarlijke ziekte, van microben die hun dodelijk werk doen, maar van een lang proces van historische achterstelling en diep gewortelde rechteloosheid van met name de Maya bevolking van Guatemala. Maar, wat is hier het medicijn? Geleidelijk voeg ik me in het werk dat het pastorale team als prioriteit heeft gekozen, het vormen van kleine groepen arbeiders om samen de dagelijkse realiteit van armoede en uitbuiting onder de loep te nemen. Door samen met de arbeiders telkens de vraag van het ‘waarom’ te stellen wordt de vanzelfsprekendheid van een land dat is opgedeeld in een rijke bovenlaag en een verarmde massa, doorbroken. In de groepsbijeenkomsten proberen we woorden te vinden voor de opgekropte pijn en frustratie van een slavenbestaan, we trachten ons voor te stellen hoe een waardig leven en een goed bestaan voor iedereen er uit zou zien. Alle stemmen worden gehoord en alle meningen tellen. Met de arbeiders lezen we ook passages uit de bijbel die onrecht aanklagen en onderstrepen dat verzet tegen onderdrukking en onderdrukkers geen ongepaste rebellie zijn maar signalen van een geloof dat het anders hoort en dat het anders kan.

20


De opmars van het suikerriet Bij het zoeken naar verbetering in de werkomstandigheden op de plantages wordt gaandeweg duidelijk dat het ontbreken van sterke organisaties van arbeiders het grote obstakel is. Daarbij komt nog dat het oprichten van een vakbond van plantagearbeiders uiterst moeilijk is vanwege de voorwaarden die de wet hiervoor stelt: ten minste twintig arbeiders moeten kunnen lezen en schrijven en dienen bovendien te beschikken over een vast werkcontract. Diezelfde wet bepaalt ook nog dat staken niet geoorloofd is tijdens de oogstperiode van de belangrijkste exportproducten suikerriet, koffie en katoen, eigenlijk het enige moment waarop de arbeiders een vuist zouden kunnen maken. Wanneer we met ons pastorale team pogingen ondernemen om via vorming en alfabetisering aan de voorwaarde voor het oprichten van vakbonden te voldoen, tekent zich bij de plantage-eigenaren een nieuwe strategie af die mede wordt ingegeven door stijgende prijzen in de suikerproductie. Om een zo groot mogelijk arsenaal met suikerriet te kunnen Barakken voor seizoenarbeiders beplanten ontslaan de eigenaars alle vaste arbeiders die vaak generaties lang op de plantage hebben gewoond en daar ook een stukje grond in bruikleen kregen voor het verbouwen van groenten en maïs. De huisjes van de arbeiders worden nu afgebroken, kerkjes, schooltjes en kliniekjes op het terrein van de plantages worden ontmanteld en op de dan beschikbare grond wordt suikerriet geplant. De vaste arbeiders van vroeger worden nu eventuales of ‘losse krachten’ die van plantage naar plantage trekken op zoek naar werk. En zo treffen ze elkaar op de suikerrietvelden: de Indiaanse seizoenarbeiders die ongeveer zes maanden per jaar op de plantages werken en de nieuwe generatie losse arbeiders uit het kustgebied die niet meer op de plantages wonen maar in dorpjes en gehuchten die tussen de suikerrietvelden liggen ingeklemd. Oog in oog met deze ontwikkelingen zetten we dan een stap die tot doel heeft alle plantagearbeiders in een nieuwe organisatie te verenigen en op 15 april 1978 besluiten we tot de oprichting van het Comité voor Boereneenheid - CUC Het CUC is geen vakbond in de traditionele zin maar een nieuw verband dat door directe actie verbetering wil brengen in het leven van de plantagearbeiders maar ook van kleine boeren elders in het land. Het jarenlange werk van vorming en bewustwording van ons eigen pastorale team in Santa Lucía en ontwikkelingsinitiatieven van de kerk in andere delen van Guatemala vormen in feite het fundament waarop het CUC wordt gegrondvest.

Mario Coolen en Isidro Loch

21


CUC in actie Eind 1978, op het moment dat het CUC zijn eerste acties als boerenorganisatie voorbereidt, loopt mijn zesjarig werkcontract met de parochie van Santa Lucía ten einde. Ik doe een beroep op de religieuzen in Nederland die tot dan toe mijn verblijf in Guatemala hebben gesteund en van hen krijg ik groen licht om mijn dienstverband met twee jaar te verlengen. In die ‘extra tijd’ zal de nadruk in mijn werk komen liggen op het informeren van de internationale gemeenschap over de ontwikkelingen in Guatemala en in het verder begeleiden van het CUC. Juist in die periode wordt in Guatemala het Democratisch Front tegen de Repressie opgericht en als lid van de internationale commissie van het Front ben ik de contactpersoon met de Guatemala comités die in een tiental landen van Europa vorm beginnen te krijgen. Begin 1979 organiseert het CUC eerste stakingsacties op de suikerrietplantages maar voorlopig zonder tastbaar succes. Het jonge CUC heeft inmiddels contact gezocht met de San Carlos universiteit en docenten en onderzoekers komen naar het kustgebied om met de arbeiders berekeningen te maken over investeringen en opbrengsten in de suikerproductie en over kosten van levensonderhoud en lonen van de kappers. De nieuwe inzichten stimuleren bij de arbeiders een nieuwe strijdbaarheid. Dan, begin februari 1980, op het hoogtepunt van de suikerrietoogst, gebeurt wat niemand voor mogelijk had gehouden. In enkele dagen tijd leggen meer dan 80 000 arbeiders op de suikerrietplantages het werk neer, een actie die al snel overslaat naar de koffie- en katoenplantages.

© Piet den Blanken

Als de staking onverminderd doorgaat besluit de regering het minimumloon te verhogen van 1.12 dollar naar 3.20 dollar per dag, maar de grootgrondbezitters zijn furieus en zinnen op wraak. Nog tijdens de staking wordt er een aanslag gepleegd op Pablo Bautista, een belangrijke leider van het CUC die op de plantage Tehuantepec het sein voor de staking had gegeven. Als de spanning verder oploopt besluit het CUC internationaal aan de bel te trekken en roept daarbij mijn hulp in. En zo reis ik medio maart 1980 samen met enkele leiders van het CUC naar Canada en vervolgens naar Europa om verslag te doen van de dan al historische staking. Maar ook om solidariteit te vragen nu de dreiging van harde represailles overal voelbaar is.

22


De omwenteling die uitbleef Amper ben ik in Europa gearriveerd als ik het bericht ontvang dat een van mijn collega’s van de Zuidkust, de Filippijnse missionaris Conrado de la Cruz samen met een vriend tijdens de 1 mei manifestatie in de hoofdstad van Guatemala is ontvoerd. Onmiddellijk daarna, op 12 mei, wordt de leider van ons team in Santa Lucía, de Vlaamse Walter Voordeckers, op straat doodgeschoten. Walter was een gedreven priester die tijdens religieuze vieringen de toestanden op de plantages had aangeklaagd. Al voor de staking was er ’s nachts met grote letters op ons huis geschilderd: ‘Hier Betoging in 1980 in hoofdstad (foto CIRMA) wonen communisten. Oprotten!’ Uiteindelijk zullen na de moord op Walter in de streek van Santa Lucía meer dan honderd personen worden ontvoerd en vermoord die op enige wijze betrokken waren geweest bij de acties in het suikerriet. De explosie van geweld die wordt ontketend door grootgrondbezitters en doodseskaders heeft zonneklaar tot doel paniek te zaaien en ook in de toekomst elke vorm van georganiseerde actie in de kiem te smoren. De leden van het CUC die het geweld overleven zoeken hun toevlucht in de clandestiniteit of sluiten zich aan bij de gewapend verzet.

Terug in Nederland voel ik me verlamd door de berichten uit Guatemala en als ik verneem dat mijn beste vriend Macabeo Aguilar is opgepakt is het alsof de grond onder mijn voeten wordt weggeslagen. Macabeo studeerde rechten en via mij had hij het CUC leren kennen; op de plek waar hij met vrienden vormingsmateriaal voor de boerenorganisatie maakte werd hij op 16 juli 1981 opgepakt en verdween hij voorgoed. Intussen blijf ik de Europese solidariteitscomités voorzien van informatie over wat zich in Guatemala afspeelt, maar uiteindelijk zie ook ik de droom van een politieke omwenteling in het land achter een verre horizon verdwijnen.

Medio1981 kom ik in dienst van de ontwikkelingsorganisatie Solidaridad en samen met mijn nieuwe collega’s krijg ik de kans om het geteisterde Guatemala op de agenda te houden. Kleurige banieren die nog steeds het kantoor van Solidaridad sieren tonen de thema’s die we in de loop van de jaren hebben gekozen: terugkeer van vluchtelingen die tijdens het gewapend conflict een veilig heenkomen zochten in Mexico, mensenrechten, voedselzekerheid en bevordering van de Maya cultuur. Het zijn stukjes mozaïek, kleine stapjes die in de plaats komen van de blauwdruk van revolutionaire veranderingen waar we op hadden gehoopt, maar die voorlopig de pas is afgesneden.

23


Het verhaal van mijn vrienden Het is 25 februari 1999 en ik ben terug in Guatemala. Vandaag is een bijzondere dag omdat de door de VN ingestelde Waarheidscommissie haar eindverslag zal presenteren. Ik ben in gezelschap van Dora Mirón, een goede vriendin die destijds samen met haar man César ook werkzaam was voor het CUC. Op de tafel in een zaal die tot de nok gevuld is met belangstellenden liggen de twaalf boekdelen die het waarheidsrapport omvat, de vrucht van twee jaar werk door 273 deskundigen uit 32 verschillende landen. Verbijsterd luisteren we naar de conclusies van het rapport: gedurende het gewapende conflict werden meer dan 200.000 personen gedood of ontvoerd. Het leger en door het leger gecontroleerde paramilitaire organisaties zijn verantwoordelijk voor 93 % van de slachtoffers en 83% van hen behoorde tot de Maya bevolking. Twee boekdelen van het Waarheidsrapport bevatten ruim honderd ‘casos ilustrativos’ of specifieke voorbeelden van hoe het geweld zijn slachtoffers maakte en drie daarvan hebben direct betrekking op Santa Lucía. Het betreft de moord op padre Walter Voordeckers, de ontvoering van vakbondsleiders van de suikerfabriek Pantaleón en het drama van de familie Bautista die nauw betrokken was bij de staking van het CUC en als gevolg daarvan acht familieleden verloor. Daags na de presentatie van het Waarheidsrapport bezoek ik samen met Dora de ouders van mijn vriend Macabeo die ik bijna twintig jaar niet heb gezien. Aangedaan vertellen zij het hartbrekende verhaal over de verdwijning van een lieve zoon die ze nog steeds zo verschrikkelijk missen. Licha, de zus van Macabeo, vertrouwt ons toe dat ze vaak droomt van haar verdwenen broer die in lompen is gehuld en smeekt om mee naar huis te mogen. In haar dromen ziet zij een dodenwake waarvoor alles in gereedheid is gebracht, maar het lichaam ontbreekt. En dan doet Dora voor de familieleden van Macabeo haar eigen relaas, over de ontvoering van haar beide ouders, haar man César en haar schoonvader. Aangeslagen door zoveel verhalen vol verdriet en gemis maar ook intens dankbaar omdat we elkaar weer hebben teruggevonden, rijden Dora en ik terug naar de hoofdstad. Op dat moment nemen we een besluit: we gaan de verhalen verzamelen van onze collega’s en vrienden die voorgoed uit het leven werden weggerukt, we willen de strijd aanbinden tegen het vergeten van de moedige mannen en vrouwen die we samen hebben gekend.

Gedenkzuilen van de kathedraal over de slachtoffers van de genocide

Ongemerkt gaan mijn gedachten naar dokter Rieux die, als in Oran de pest onder controle lijkt, besluit om het verhaal van de slachtoffers op schrift te stellen ‘om getuigenis af te leggen en op zijn minst te herinneren aan het onrecht dat hen was aangedaan’. 24


We waren bijna de woorden vergeten

In de maanden die volgen krijgt ons plan om de ‘semblanzas’ of levensverhalen op schrift te stellen steeds meer vorm. We ontvangen hulp van Paty Camposeco en samen met haar zoeken we het spoor naar de nabestaanden van Santa Lucía die na de ontvoering van hun geliefden vertwijfeld, angstig en in grote armoede achterbleven. Een deel van hen heeft een veilig heenkomen gezocht in de hoofdstad van Guatemala of in het buurland Mexico. In Hull, Canada vinden we de vier overlevenden van het gezin Bautista die daar politiek asiel hebben gekregen. Marcela Bautista die in haar nieuwe en vaak zo koude woonplaats het tropische Santa Lucía nog steeds mist is overgelukkig dat na al die jaren haar familie niet is vergeten. Als meisje van tien was zij getuige van de ontvoering van haar vader don Alejandro en haar schoonzusje Isabel en ze hoort nu nog wat de zwaarbewapende mannen toen schreeuwden: ‘Stelletje oproerkraaiers, heel jullie familie gaat eraan!’ Net als Marcela is iedereen blij dat er opnieuw contact is en omdat eindelijk het zo lang verzwegen verhaal kan worden verteld. Judith Almira die haar vader Pablo verloor verwoordt feilloos wat ons bij het op schrift stellen van de getuigenissen van de overlevenden te doen staat: ‘In de tijd van het verschrikkelijke geweld waren we gedwongen te zwijgen en zijn we bijna de woorden vergeten om ons verdriet uit te drukken. Samen met mijn boer en zus vertellen we nu ons verhaal, proberen we te reconstrueren wat we hebben meegemaakt.’ Voor anderen lijkt zelfs de herinnering een illusie. Aída Juárez was nog geen twee toen haar moeder Marcelina Catalán, de echtgenote van CUC leider René Juárez, werd ontvoerd. Samen met haar boertje Manuel probeert Aída wanhopig zich iets te herinneren van haar moeder, maar hoe de twee kinderen hun gedachten ook pijnigen, ze zien geen beeld en ze vinden geen woorden. Als Dora en Paty de gesprekken voeren met de nabestaanden en hun heftig getuigenis opschrijven reist fotograaf Piet den Blanken met hen mee. Hij maakt aangrijpende portretten van de mannen, vrouwen en kinderen die hun verhaal doen, hij fotografeert angstvallig bewaarde en soms door de ratten aangevreten familiefoto’s en persoonlijkheidsbewijzen van de verdwenen geliefden.

25


Fotogedenkboek Begin november 2011 is het fotogedenkboek met voorlopig 30 levensverhalen klaar om in Santa Lucía ten doop gehouden te worden. De titel van het boek drukt in alle eenvoud uit waar het de nabestaanden om te doen was en is: ‘Omdat we weg wilden uit zoveel armoede.’ En de ondertitel van het boek is een veelzeggende handtekening: ’De gedenkwaardige geschiedenis van Santa Lucía Cotzumalguapa verteld door de hoofdrolspelers’.

Presentatie van het eerste boek in Haarlem (25 sept. 2011) vlnr.: Mario Coolen, Ester Back, Karen Hammink en Alicia Juárez

Frie Voordeckers, Monique Batavia, Carlos Colson en Ester Back aanwezig op de presentatie in Haarlem.

Het gedenkboek van Santa Lucía is in Guatemala een groot succes en al spoedig is een tweede druk nodig. 26


Flessenpost voor de toekomst Als het gedenkboek van Santa Lucía in de hoofdstad wordt gepresenteerd houdt de Nederlandse ambassadeur een vurig betoog over het recht op waarheid en het belang van de herinnering, zodat voor de komende generaties de ervaringen van het verleden niet verloren gaan. Ik herinner me dan een brief van Hannah Arendt, die zorgvuldig opgestelde memoires ‘flessenpost voor de toekomst’ noemt, tekens van leven geregistreerd in tijden van bedreigd bestaan. Intussen breidt de groep van nabestaanden van Santa Lucía haar activiteiten uit en kiest voor zichzelf de naam Asociación Memoria Dignificación y Esperanza. Want daar gaat het om: herinnering, eerherstel voor de vermiste personen en de broodnodige hoop. Het is vooral de wederzijdse ondersteuning die de leden van AMDE troost biedt en energie geeft om de draad weer op te pakken. Contact met psychologen en individuele of groepstherapie openen de mogelijkheid om de trauma’s van het verleden onder ogen te zien en te verwerken. En forensische antropologen zijn behulpzaam bij het verzamelen van DNA dat nodig is bij de zoektocht naar de vermiste personen. Het openen van massagraven in andere delen van Guatemala heeft al geleid tot identificatie van slachtoffers en arrestatie van daders. In Santa Lucía hebben de nabestaanden de berichten daarover gehoord, maar hier is het nog lang niet zover. Het lijdt geen twijfel dat in de kazerne aan de rand van de stad ontvoerde leden en sympathisanten van het CUC destijds werden gemarteld en daarna waarschijnlijk op het terrein van de kazerne begraven. ‘Met mijn blote handen zou ik willen gaan graven’ zegt Dominga Sirín; zij is er van overtuigd dat haar man Calixto García die werd ontvoerd in het park van Santa Lucía naar de kazerne werd gebracht. Dominga kent personen die zouden kunnen getuigen omdat ze in de buurt van de kazerne woonden en met eigen ogen zagen hoe ’s nacht jonge mannen op vrachtwagens werden binnengebracht, waarna er wanhopige kreten klonken. Maar voorlopig durft niemand in Santa Lucía een officiële aanklacht in te dienen. Wel zijn er nog steeds nieuwe nabestaanden die hun verhaal willen vertellen en dat vroeg om de uitgave van een tweede boek. Dat verscheen begin 2016 en heeft als titel ‘Totdat we de gerechtigheid zien’. In het voorwoord spreken de leden van AMDE duidelijk uit dat zij geen eeuwige slachtoffers willen zijn maar fakkeldragers die de hoop van hun verdwenen familieleden op een beter, rechtvaardiger Guatemala aan de komende generaties willen doorgeven.

Het lijdt geen twijfel dat in de kazerne aan de rand van de stad ontvoerde leden en sympathisanten van het CUC destijds werden gemarteld en daarna waarschijnlijk op het terrein van de kazerne begraven.

‘Met mijn blote handen zou ik willen gaan graven’ zegt Dominga Sirín 27


Verder op de ingeslagen weg Tijdens mijn laatste bezoek aan Santa Lucía in februari 2016 ter gelegenheid van de presentatie van boek twee praat ik lang met suikerrietkappers uit de streek. Voor hen verschillen de arbeidsomstandigheden op de plantages niet wezenlijk van de tijd waarin het CUC besloot tot actie over te gaan. Rond de suikerfabrieken staan tegenwoordig weliswaar fraaie huisjes voor een selecte groep werknemers, maar op de suikerrietvelden blijft het werk hard en eigenlijk ondraaglijk.

Nog steeds veroorzaakt afgebrand suikerriet grote problemen voor de gezondheid van de omwonenden en bovendien doet zich een nieuw fenomeen voor: het omleiden door grootgrondbezitters van de rivieren in de richting van de suikerriet- en palmolieplantages waardoor gemeenschappen stroomafwaarts zonder water komen te zitten. Santiago García kent de strijd van het CUC van het begin van de jaren tachtig, maar zijn pogingen om de plantagearbeiders te mobiliseren hebben nu weinig succes. Santiago begrijpt het wel ‘omdat de mensen weten wat er destijds is gebeurd’. Als mijn gesprekspartners mij vragen naar Solidaridad dat de strijd van het CUC destijds zo ruimhartig steunde antwoord ik dat mijn collega’s met hart en ziel werken aan het programma bonsucro. En dat ze zich inspannen om via druk en overredingskracht ook in Guatemala suikerproducenten er toe te bewegen zorg voor het milieu en het welzijn van de arbeiders hoog op de agenda te plaatsen. Uit de reacties van mijn gesprekspartners spreekt ongeloof, zij twijfelen er duidelijk aan of zij zelf nog de vruchten zullen plukken van de nieuwe aanpak van Solidaridad Weer terug in Nederland ontvang ik een enthousiast verslag van AMDE over de herdenking op 12 mei van Walter Voordeckers. Op de foto’s die worden meegestuurd staat een grote groep mensen, veel jongeren ook die laten zien dat AMDE toekomst heeft en is. Wat ook hoop geeft is dat de gemeenteraad van Santa Lucía na lang aarzelen besloot om een gedenkteken te onthullen op de plek waar de nog steeds zo geliefde Walter 36 jaar geleden werd neergeschoten. Op de gedenkplaat staat bij zijn naam en de fatale datum van zijn dood een bijbeltekst die op wonderlijke wijze verwoordt hoe ik me na al die jaren voel als het gaat om Santa Lucía en de mensen die ik daar mocht leren kennen:

‘In ieder geval, laten we op de ingeslagen weg voortgaan.’

De Spaanstalige gedenkboeken van Santa Lucía zijn ook digitaal beschikbaar: http://biblio3.url.edu.gt/Libros/2013/pqsalipobre.pdf http://www.denblanken.com/0/

28


‘Vereniging Herinnering Waardigheid

en

Hoop’

Dora Mirón van de ‘Vereniging Herinnering Waardigheid en Hoop’ (AMDE) was in de wolken met het succes van het tweede boek dat de families en de overlevenden van de staatsrepressie een stem gaf. Hieronder volgt een fragment uit een brief die ze schreef in mei en in juni 2016. ‘De week daarop verleende de supervisor van het Ministerie van Onderwijs, die zich in Santa Lucía ophoudt, een onderhoud aan de ‘Vereniging Herinnering Waardigheid en Hoop’ (AMDE) om te beraadslagen over de beste manier om het boek aan onderwijzers en leerlingen van de hele gemeente te kennen te geven. De leden van onze vereniging hebben zich gedurende verschillende weken georganiseerd in groepen van drie om verscheidene scholen te bezoeken en het boek te presenteren. Dus nu hebben we ook de steun vanuit de Supervisie van Onderwijs. Roberto Paz heeft zich sterk geëngageerd. Het is immers hij die deuren opent in de sector, want ze kennen hem goed en hij heeft daar goede relaties. Wij gaan ook het boek buiten Santa Lucía verspreiden. We bereikten reeds plaatsen zoals Ixcán, de Ixil streek, Chimaltenango, Rabinal en enkele gemeenten in Petén en Alta Verapaz. We hebben steun gezocht bij het Internationale Rode Kruis, dat ons de mogelijkheid bood om vertegenwoordigers van organisaties te ontmoeten die met hen in contact staan. Wij gaan door met het overhandigen van het boek aan sommige onderzoekscentra en bibliotheken. De Nationale Bibliotheek, die reeds enkele exemplaren kreeg, vroeg er meer. Er is immers al veel vraag geweest door de gebruikers die het consulteren. Sommigen hebben zelfs navraag gedaan naar de mogelijkheid om het te kopen. Ze komen naar ons kantoor. De boekwinkel Loyola heeft het nu ook in de rekken liggen voor de verkoop. In juli gaat de Internationale Boekenbeurs door. Die wordt elk jaar in Guatemala georganiseerd. Ze wordt gedurende twee weken door veel mensen bezocht. Er is mogelijkheid om ook daar het boek te presenteren. We ondernemen stappen met geïnteresseerd personeel.’ Tussen eind mei en begin juni 2016 namen verschillende priesters van het bisdom Escuintla deel aan conferenties in het Vaticaan. Een van de voordrachten kwam van Paus Franciscus. Na zijn toespraak kregen de toehoorders de gelegenheid om hem te begroeten. Daar de priesters uit Escuintla er niet op voorbereid waren, hadden ze niets mee om aan te bieden. Padre Leonel had tussen zijn spullen een exemplaar mee van het boek ‘Tot wanneer we Gerechtigheid zien.’ Hij vond het belangrijk het hem te geven. Terwijl de Paus het doorbladerde zei hij: ‘Wat een mooie foto’s!’ en borg het op in een map die hij bij zich droeg. Een detail dat padre Leonel opviel was dat andere priesters ook documenten en geschenken overhandigden. Maar de Paus gaf ze telkens door aan een assistent. Het boek ‘Tot wanneer we Gerechtigheid zien’ gaf hij echter niet door aan die persoon, hij borg het op in een map die hij bij zich droeg.

29


De Symboliek van het geweld

José Roberto Paz Gularte

Na vijfendertig jaar blijft Walter Voordeckers door de straten en achterkeukens van zijn voormalige parochie ronddwalen. Nog in 2014 gaf José Roberto Paz Gularte, aan zijn thesis voor licentiaat in de antropologie voor de staatsuniversiteit San Carlos de volgende titel: ‘Symbolisme in de staatsagressie tegenover de katholieke priester Walter Voordeckers in Santa Lucía Cotzumalguapa gedurende de regering van generaal Romeo Lucas Garcia (1978-1980). Hieronder presenteert Guido De Schrijver een samenvatting.

De invalshoek van de onderzoeker is niet alledaags. Hij benadert zijn onderwerp vanuit het symbool, de symbolische macht, de symbolische geweldpleging en vanuit de specialisten in het produceren van die symbolen. Door de symbolische geweldpleging streeft een sociale groep ernaar om macht op een andere groep uit te oefenen en te bestendigen. Daarvoor worden onder meer ‘specialisten’ gebruikt. Die zijn doorgaans de staat en zijn instellingen. Theoretici hebben het dan over: ‘het monopolie van de wettelijke symbolische geweldpleging.’ Militairen zullen inderdaad hun krijgsverrichtingen laten gepaard gaan met een hele vracht symbolische elementen die ze op de bevolking richten. Om de ongehoorde en gruwelijke repressie van die tijd te begrijpen moet men de ‘Doctrine van Nationale Veiligheid’ in acht nemen. Die doctrine, waarbij een ‘Interne Vijand’ gecreëerd wordt, werd door de Verenigde Staten van Amerika gelanceerd. Om de bevolking onder controle te houden werden de ergste vormen van staatsterreur gebruikt, ondermeer massale bloedbaden. Theoretici hebben het dan over de ‘Theatralisatie van het Exces,’ de totale vernietiging. Het doel was de samenleving te onderwerpen aan een Passieve Consensus door een gevoel van volkomen onmacht en zwakte te veroorzaken.

In het westen van het land deden jezuïeten vormingswerk onder de Mayabevolking en de missionarissen van Scheut en de zusters van Jacht-Heverlee onder de mestiezen in de Zuidkust aan de Stille Oceaan. Een groepje jezuïeten richtte in de hoofdstad een centrum op van waaruit het een netwerk beoogde dat de massale inheemse migraties vanuit het hoogland en mestiezen landarbeiders in de streken van de grote plantages met elkaar zou verbinden. In die context ontstond de boerenorganisatie CUC. Begin de jaren ‘80 kondigt CUC de strijd af voor een opslag van het miserabel loon dat de suikerrietkappers kregen. Er brak een nooit geziene staking uit die verscheidene weken duurde en de oogsten lamlegde. De motivatie van de ‘campesinos’ was ondermeer te vinden in de erfenis van de Oktoberrevolutie van de jaren Paula Vandererven ICM 1944 tot 1954 en in de Bijbel en de christelijke waardigheid.

30


De herinnering

Walter Voordeckers, Ward Capiau en Guido De Schrijver

De auteur van de thesis interviewde een aantal inwoners van Santa Lucía. Walter was mager, vooral groot, wat de auteur verder bouwend op de symboliek - benoemt als de ‘Verticaliteit van het levend Lichaam.’ En dit refereert dan op zijn beurt naar de ‘transcendentie, de ontmoeting met de goden, leven, redding, sublimering, ook actie, beweging, vooruitgang.’ Walter werd herinnerd als iemand die ‘eigenhandig voedsel bracht aan de gevangenen, iemand die meewerkte met de spaar- en leencoöperatieve en met de basisgemeenschappen van de ‘Familia de Dios.’ Maar wat nog het meest bijgebleven is zijn de publieke aanklachten in zijn homilieën tegen het onrecht, de arbeiders en ‘campesinos’ aangedaan. Hij noemde met naam en toenaam de misdadigers van de bloedbaden, het doen verdwijnen van personen en de martelpraktijken: militairen en terroristische groepen. En daarnaast wees hij met de vinger naar de grootgrondbezitters die de boerenbevolking uitbuitten. Een van zijn confraters zag het zo: ‘...hij provoceerde en schandaliseerde ondanks de zeer gespannen situatie.’ Walter liet het niet bij woorden. Hij weigerde in bepaalde gevallen de eucharistie te vieren ter gelegenheid van het patroonsfeest op een plantage.

Op die manier doorbrak hij het status quo en de Symbolische Macht van de grootgrondbezitters die door de bevolking traditioneel aanzien werden als feodale heren. Toen de staking onder de suikerrietkappers uitbrak was Walter in België, maar bij zijn terugkeer ging hij de stakers actief steunen. Een getuige zei: ‘Hij zelf zat niet achter de staking. Maar hij steunde ze, nietwaar, ik herinner me dat hij ze concreet steunde door voedsel te halen bij Caritas voor de families, en dat, natuurlijk, werd hem niet vergeven.’ Naast het feit dat hij de boerenorganisatie steunde was hij bovendien niet langer de Belgische buitenlander, maar was hij tot de gemeenschap gaan behoren. Bovendien was hij een belangrijk element in de sociale context van het stadje, wat voldoende was om hem als ‘Interne Vijand’ te beschouwen.

De agressie tegen een subversief element

© Piet den Blanken

In de documenten van de Internationale Onderzoekscommissie (CEH) lezen we: ‘De lokale macht van de gemeenschappen werd in vele streken onderworpen aan nieuwe structuren, zoals de Burgerpatrouilles voor Zelfverdediging, Ontwikkelingspolen en nieuwe evangelische kerken.’ Door deze ingrepen wilde de staat de gemeenschappen onderwerpen en onder controle houden. De veiligheidsdiensten zagen Walter als deel van een ‘subversieve organisatie,’ die op haar beurt deel uitmaakte van de lokale macht van de gemeenschap. En dus was het nodig hem te elimineren. Walter moest uit de weg geruimd worden om drie doelstellingen te bereiken: de boerenorganisatie straffen omwille van haar overwinning tijdens de staking, de katholieke kerk en de religieuzen die de stroming van de bevrijdingstheologie aankleefden een slag toedienen en tenslotte de gemeenschap onthoofden van haar leiders om de lokale macht te vervangen in de belangrijkste gemeente van de suikerrietindustrie.

31


Psychologische ingrepen en Geruchtenmolen De menselijke emoties werden onder druk gezet door angst, hoop en verlangens om de ‘vijand’ te overwinnen. In de kunst van de oorlog worden middelen als verrassing en het opdrijven van paniek of terreur gehanteerd. Walter werd afgeschilderd als een slechte mens, vijand van de individualiteit en de traditionele waarden, subversief en communist, die de campesinos aanzette tot opstand tegen de landeigenaars.

Muurschilderingen

‘s Nachts werden hatelijke slogans op de muren van het parochiehuis geschilderd. Xenofobie? Ideologische hersenspoeling van de soldaten paste inderdaad in de oorlogsstrategie van de legerleiding: ‘buitenlandse dreiging, internationaal communisme!’ Op die manier kwam er een symbolische verplaatsing tot stand van ‘communist’ naar ‘vreemdeling.’ Hier zien we de Symbolische Geweldpleging in volle gang. Het denkbeeld dat de gemeenschap van Walter erop nahield, als hun sociale leider, als hun spirituele gids en persoon wordt vernietigd en heropgevuld door een Negatieve Andere. Zo wordt hij ontmenselijkt voor de gemeenschap waardoor zijn uitschakeling gemakkelijker geslikt wordt door de lokale bevolking. Ondanks dit feit bleef de gelovige gemeenschap hem volgen.

Toegang geweigerd en toezicht - Misdaad als voorbeeld

Allengs werd Walter door de landeigenaars en hun administrators de toegang geweigerd om nog langer religieuze vieringen te houden op hun terreinen. Tegelijk werd hij voortdurend onderworpen aan toezicht en controles door de veiligheidsdiensten van de staat. In het lijvig rapport van het aartsbisdom Nunca Más staat te lezen: ‘Reeds in 1974 en 1976 begon de militaire controle op de vergaderingen van catechisten in de parochie van Escuintla en van de Puerto San José.’ Walter werd op twee manieren gecontroleerd. Enerzijds door veiligheidsagenten (leger of politie) en anderzijds door lokale vrijwilligers, ‘oren’ genoemd. Dit soort agressie oefende een nefaste invloed uit ‘op de emotionele gezondheid van Walter, want hij vertoonde symptomen van paranoia.’ Een duidelijk gevolg van de Symbolische Geweldpleging, waarbij de repressieve staat zich aandient als een entiteit met een onmetelijke capaciteit om te infiltreren, te waken en alle ruimten van de gemeenschap te controleren. ‘De controle, zelfs als ze niet constant uitgevoerd wordt, moet wel als permanent ervaren worden.’ Vandaar de angst van Walter, ‘om nooit te weten wanneer en wie hem aan het bespioneren is.’

De ontvoering en verdwijning van de Filippijnse collega Conrado de la Cruz en de koster van zijn parochie op 1 mei 1980 betekende een vreselijke slag voor Walter en de overige leden van de congregatie van Scheut en voor de kerk in de zuidkust. In de documenten van het Kantoor voor de Mensenrechten van het Aartsbisdom (ODHAG) staat dat Conrado propagandamateriaal stencilde van de boerenorganisatie CUC, die door de staat beschouwd werd als een guerrillaorganisatie. De congregatie van Scheut publiceerde een aanklacht in de pers, dat deden ook de bisschoppenconferentie, de parochie van Tiquisate, het Comité Pro Justicia y Paz en een groep van 140 priesters en leken. De Psychologische Oorlogsvoering beoogt een sensatie van machteloosheid tegenover de straffeloosheid te creëren en een gevoel van onzekerheid wat betreft de daders en het lot van de ontvoerden, waardoor de staat elke verantwoordelijkheid uit de weg kan gaan. Het doen verdwijnen van de lijken beantwoordt aan de militaire tactiek die het Franse leger in Algerije hanteerde, om achteraf aanvallen en kritiek van de publieke opinie te vermijden. 32


Doodsbedreigingen Doodsbedreigingen werden uitgesproken door middel van telefoonoproepen. Hij ontving een persoonlijke bedreiging van een administrator van een plantage, die zijn pistool trok en beloofde hem neer te halen indien nodig. Het symbolisch karakter van de macht van die man vergrootte nog, daar hij kon rekenen op de aanwezigheid van de Militaire Ambulante Politie die de plantage bewaakte. Anonieme dreigbriefjes werden in de mandjes van de omhaling tijdens de misvieringen geworpen. De staatsterreur kende geen scrupules in de strijd tegen de ‘Interne Vijand.’ Veelal eindigden de brieven met de woorden: ‘We kennen je wel.’ Die frase zit vol symbolisme. In verschillende culturen, zoals in de Mayacultuur en in de joods-christelijke, heeft het ‘kennen’ ook de betekenis van het bezitten van en de controle over het object of het subject. Over de muurschilderingen getuigde iemand: ‘... want de sermoenen in de zondagsmissen waren zeer straf, hij riep hen op om menselijker te zijn en de salarissen te verbeteren en dat ze de werkman niet uitbuitten, en tegelijk nodigde hij de landarbeiders uit zich te organiseren en hun rechten te verdedigen, dat is de oorzaak van zijn dood. Daarom plaatsten ze de muurschildering ‘Walter communist’ op het parochiehuis.’ Al die vormen van agressie wogen zwaar op de psychologische gezondheid van Walter. Hij was zeer bang, met vrijwel de zekerheid dat ze hem gingen vermoorden. De Internationale Waarheidscommissie (CEH) tekende zijn eigen woorden op: ‘Ik heb geweldig veel schrik, want ik kreeg reeds bedreigingen, ze willen mij vermoorden en ze zullen mij vermoorden, maar als ze mij willen vermoorden of me meesleuren, ga ik lopen, ik ga me niet laten ontvoeren, ik heb liever een kogel te krijgen dan ontvoerd te worden (...). Poging tot ontvoering Een paar keren voelde Walter dat ze hem buiten lokten met de bedoeling hem te ontvoeren. ‘Behalve in zeer urgente gevallen, zullen de aanhoudingen ‘s nachts gebeuren,’ leest men bij Trinquier, een strateeg van de Moderne Oorlogvoering. Het gebruik van de duisternis om gewelddadige acties uit te voeren heeft immers ook een symbolische en psychologische betekenis. Ondanks de moderne technologie voelen de mensen zich ‘s nachts onzeker en bedreigd. Net zoals bij de ontvoering van Conrado de la Cruz was de bedoeling van de ontvoering van Walter niet alleen om informatie in te winnen, maar om toe te slaan met de symboliek die de verdwijning van een priester teweeg brengt. 33


De moordaanslag De veelvuldige agressie die Walter ondervond, zadelde hem op met slapeloosheid. In april was hij uit België teruggekeerd en in mei werd hij vermoord. De vier moordenaars parkeerden hun wagen dichtbij de kerk en gingen eerst nog in een eethuis ontbijten. ‘Die personen begonnen hem op te wachten tot hij het parochiehuis zou verlaten. Ze wisten immers dat hij de gewoonte had om in de ochtend naar het postkantoor te gaan om de briefwisseling op te halen.’ (Janssens, De Schrijver, & De Visscher, 1997,pág.s.d.)

Twee onder hen grepen hem vast, maar hij kon zich losrukken en zette het op een lopen. Een derde schoot zeven kogels af in de rug. Onderweg naar het plaatselijk staatshospitaaltje overleed hij door veelvuldig bloedverlies. In volle dag en voor de neus van veel volk iemand ontvoeren is niet gangbaar. Was het wel de bedoeling hem te ontvoeren? Eerder het psychologisch impact op de bevolking was belangrijk, om een sfeer te creëren waarbij niemand veilig is tegenover de staatsterreur. Indien het toch om een (gefrustreerde) poging tot ontvoering ging, dan was het vooral de bedoeling hem met veel bombarie tegenover de bevolking weg te voeren en hem spoorloos te doen verdwijnen.

De Colombiaanse sociologe Elsa Blair Trujillo wordt geciteerd. Volgens haar worden extreem gewelddadige acties in gewapende conflicten uitgevoerd op alledaagse plaatsen waar levensbelangrijke activiteiten plaats grijpen en die een Herdenking mei 2013 sterke symbolische betekenis voor de gemeenschap hebben. In dit concreet geval in de schaduw van het parochiehuis. Men kan veronderstellen dat het belangrijkste doel was om de actie zo publiek mogelijk uit te voeren. De idee van het Centrum is hoogst belangrijk. Daar identificeert het individu zich en voelt zich veiliger dan elders. In het gemeentelijk centrum lopen de politieke machten, zoals het gemeentebestuur, de politie, de veiligheidsdiensten, de religieuze instellingen, zoals de kerk en het Huis van de Cultuur samen. De moord op Walter kan geïnterpreteerd worden als de uitschakeling van de spirituele leider in het ‘Huis van de Gemeente’ en - symbolisch verder doorgetrokken - in het huis van elk van de bewoners. Met als gevolg: ‘niemand is nog veilig in zijn eigen huis.’ Indien de allereerste bedoeling was om hem levend te pakken en weg te voeren, dan moest het theatrale aspect zo sterk mogelijk zijn. Walter zette het op een lopen. Een van de misdadigers schoot hem in de rug. Er was dus geen oogcontact met het slachtoffer, Walter werd gereduceerd tot object. Het document van ODHAG 1998 heeft het over maximale wreedheid waarbij de moordenaar al zijn kogels afvuurt en geen enkele meer overhoudt voor het genadeschot.

34


Walter was niet dood, maar verloor veel bloed. Wat de ondervraagde ooggetuigen vooral psychologisch aangreep en bijgebleven is, is het bloedverlies. Hij stierf niet aan de kogels, maar aan het bloedverlies. Het impact kon niet erger. Als dat met de spirituele leider van de gemeenschap gebeurt, wat stond dan de rest niet te wachten? Dit alles leidt tot het besluit dat de moordoperatie een Strafoperatie was, om vooral de gemeenschappen te slaan. Daarmee wilde men elke mogelijke vorm van ongehoorzaamheid aan het regime verhinderen.

De deelnemers aan de misdaad.

Alle geïnterviewden zijn het er over eens dat de moord minutieus gepland werd. Dat blijkt ondermeer uit het wachten en het controleren tijdens de ochtend. Het type aanvallers deed denken aan een moordeskader, waardoor het regime buiten schot bleef. Er kwam inzet van veiligheidsdiensten aan te pas, want er was op voorhand informatie ingewonnen omtrent de gewoonten en dagelijkse activiteiten van Walter.

Roberto Paz Asencio

Deze planning en opvolging en de manier van optreden deden de bevolking besluiten dat het om een actie van het leger ging. De onderneming was te sterk en bovendien afgehandeld in volle vrijheid. ‘De daders liepen rustig naar de wagen na de uitvoering van de moord.’ De deelname van de staat was evident. Het gebeurde allemaal op enkele meters van de standplaats van de Nationale Politie, die geen enkele inspanning leverde om de misdadigers aan te houden. Ook de beschrijving van de daders door de ondervraagden reikt een aantal symbolen aan. De daders waren klein van gestalte, met lelijke smoelen. Dit staat in schril contrast met hoe ze Walter zagen, waarbij het Verticale van de persoon (zijn grote gestalte) opviel. Het duidde op transcendentie, op de ontmoeting met het hemelse, het sublieme, het leven en de redding. Daartegenover stond de figuur van de moordenaars, het Horizontale, het lage, het wereldse, het onzuivere, het beestige. Achteraf zou uitgerekend degene die de schoten loste voortgekomen zijn uit de gemeenschap, de zoon van de vroegere koster. Door dit verraad kon de staat eventueel de schijn wekken dat niet gelijk welke schurk, maar wel iemand uit de gemeenschap zelf de moord op zich nam. Samenvattend worden volgens de getuigenissen drie belangrijke daders aangeduid: vooreerst het netwerk van geïnfiltreerde ‘spionnen,’ daarnaast het leger en zijn veiligheidsstructuren, die vanuit de militaire zone en de G2 in de gemeenschap tegenwoordig waren en de Nationale Politie als medeplichtigen. Daarnaast wordt de eventuele rol van de grootgrondbezitters ook genoemd, zij waren mogelijk intellectuele daders.

35


De Begrafenis Walter had de wil uitgesproken om bij zijn dood begraven te worden in Santa Lucía en in typische en eenvoudige klederdracht, ‘helemaal in het rood en met een witte broek’. ‘Zijn kist was van dennenhout.’ Ondanks de schrik die er bij velen inzat, werd de uitvaartmis talrijk bijgewoond. Leden van CUC vormden een haag en droegen borden met grote letters mee. Toen de kist voorbijkwam draaiden ze de borden om en vormden de zin: ‘Walter, het leger en de grootgrondbezitters hebben je vermoord.’ Tijdens de ceremoniën was er intimidatie en controle. Agenten van de veiligheidsdiensten en infiltranten werden gesignaleerd. Legercamions stationeerden in de straten. Ook hier was de bedoeling niet ver te zoeken: de aanwezigen schrik aanjagen. De burgemeester, lid van de ultrarechtse Partij Beweging voor Nationale Bevrijding (MLN), parkeerde zijn wagen in de nauwe straat om de weg naar het kerkhof te belemmeren. Een groep campesinos pakte hem op en droeg hem een straat verder weg.

Agressie na zijn dood

De herinnering aan Walter werd belemmerd door dezen die de moord probeerden te rechtvaardigen en de schuld in zijn schoenen te schuiven. Vier dagen na de moord kreeg de bisschop van Escuintla een kwalijke brief van grootgrondbezitter Witmann, die hem op de vingers tikte omdat hij zijn priesters niet onder controle had. Op 23 juli 1982 meldde de Nationale Politie aan de toenmalige viceminister van Binnenlandse Zaken Harold Cabrera Enriquez dat ‘de vernoemde religieus vermoedelijk slachtoffer was van een van die subversieve daden (...) niettemin gaan de onderzoeken door.’ Uiteindelijk kwam het erop neer de straffeloosheid als natuurlijk te doen overkomen. De bevolking diende te weten dat de meest gewelddadige vormen toegepast werden wanneer het regime in gevaar kwam, ook als daardoor de wetten, waarop de staat zelf zich baseerde, moesten geschonden worden.

36


Eindbedenkingen Het gewelddadig gedrag van de staat had te maken met de Doctrine van de Nationale Veiligheid, opgelegd door de Verenigde Staten en met de verdediging van de bevoorrechte positie van de heersende klasse in het land. Het organisatorisch werk van de katholieke kerk in Sant Lucía en andere plaatsen in de kuststreek mondde uit in de boerenorganisatie Comité de Unidad Campesina (CUC). Die organisatie voegde de strijd van de boer in de kuststreek en die van de Maya seizoenarbeider uit de bergstreken aan elkaar. En die georganiseerde krachten slaagden erin de massale staking van suikerrietkappers tot een overwinning te maken en een gevoelige loonopslag van de stilgelegde agro-industrie af te dwingen. Het pastoraal werk van Walter Voordeckers ging niet uit vanuit een louter persoonlijke opstelling, maar kaderde in het vernieuwingsproces van de pastorale inzet van de katholieke kerk, gekenmerkt door een bevrijdende evangelisatie en een voorkeursoptie voor de armen. De reeds beschreven kenmerken en eigenschappen van de persoonlijkheid van Walter en zijn invloed in de gemeenschap van Santa Lucía maakten hem tot ‘Interne Vijand,’ tot een strategisch doelwit om de gemeenschap symbolisch te treffen. Daarop werd een strategie van agressies gepland. De agressies hadden een trapsgewijs karakter en volgden de tactiek zoals gebruikt in Psychologische Oorlogvoering, gericht op de massa. Geruchten en muurschilderingen werden gebruikt om de beeldvorming over de priester van de gemeenschap te doen wankelen. Hij moest van zijn menselijkheid ontdaan worden en gereduceerd tot Subversieve Misdadiger, die aanslagen pleegde op de gewoonten en de gebruiken van de gemeenschap. Zijn buitenlandse afkomst werd dik in de verf gezet. Hij werd een vreemd element dat niet paste in de lokale omgeving. Zijn pastoraal werk werd in vraag gesteld om hem zo van de gelovigen los te weken. Openlijke en te gelijk geheime controle werd gehanteerd om hem tegen te houden en hem weerloos te doen voelen tegenover een oppermachtige staat. De ontvoering en de verdwijning van Conrado de la Cruz en de koster Herlindo Cifuentes was bedoeld om aan alle religieuzen van de kuststreek duidelijk te maken hoe hard de repressie straffeloos toesloeg. Er volgden doodsbedreigingen, zowel rechtstreekse, zoals telefoonoproepen en persoonlijke waarschuwingen, als onrechtstreekse, zoals geschreven nota’s en de muurschilderingen. Die bedreigingen, samen met een klimaat van hevige spanning en onzekerheid, beoogden Walter en de bevolking van de gemeente lam te leggen. Met list en bedrog werd herhaaldelijk gepoogd om hem - volgens het boekje van de moderne oorlogvoering - bij avond op te pakken. Door de anonimiteit van mogelijke agressors en een oeroud menselijk gevoel van kwetsbaarheid die de nacht inspireert, werden de mensen van zijn onmiddellijke omgeving vervuld van onzekerheid. Maar het feit dat de operatie plaatsgreep op klaarlichte dag en in het aanschijn van veel volk doet meerderen besluiten dat de poging tot ontvoering op die fatale dag een vermomming was om de impact op de bevolking extra te verzwaren. Sterke symbolische impact ging uit van de ‘plaats delict,’ namelijk het centrum van het stadje, beschouwd als het centrum van de bevolking en met uitbreiding van de haard; het centrum ook als symbolische vluchtheuvel.

De symboliek van het excessief geweld van de openbare executie van Walter gaat gepaard met het langdurig karakter van de toegebrachte pijn door de herhaaldelijke afvuring in de rug. De getuigenissen tonen nog altijd aan dat de intellectuele moordenaars moeten gezocht worden bij de grootgrondbezitters en hoge legerofficieren. De materiële en verhullende daders gaan ze zoeken onder de repressieve diensten van de staat, zoals lokale spionnen en nationale militairen en politieagenten. De tactiek van de agressie duurde voort tijdens de begrafenis. Zij die het waagden aanwezig te zijn werden gecontroleerd en geïntimideerd. De staat, die de richtlijnen van de Psychologische Oorlogsvoering volgde, liet Walter opvoeren als de verantwoordelijke van zijn eigen dood. Daarnaast werd geen enkele vorm van onderzoek rond de moord ingesteld. 37


De verschillende vormen van agressie waren vooral bedoeld om de gemeenschap schade toe te brengen en om de directe macht van de repressieve staat en de daarmee gepaard gaande straffeloosheid duidelijk te stellen. De staat moest als natuurlijk aanvaard worden, ook in zijn despotische geweldpleging, ook wanneer hij het masker opzette van de doodseskaders, want iedereen wist maar al te goed dat leger en politie er achter zaten. De bevolking herkende zichzelf in de agressies die Walter incasseerde. Tenslotte was hij hun spirituele en lokale leider, wat hem sterk bond aan de collectiviteit van Santa LucĂ­a Cotzumalguapa. De foto hieronder toont aan dat de repressie van de staat niet geslaagd is in haar opzet. Elk jaar opnieuw, zoals hier in mei 2013, herdenken de mensen van Santa LucĂ­a Cotzumalguapa padre Walter en de andere slachtoffers.

Zijn dood lijkt op een rituele moord waarbij de meest geliefde persoon eruit gepikt wordt om het goddelijke geweld, in dit geval het geweld van de Repressieve Staat, over zich heen te krijgen. Uiteindelijk moest de hele gemeenschap gestraft worden, voor de zware doodzonde die begaan werd door de staking in de kuststreek, de grote overwinning van de boerenbeweging en tegelijk de grote nachtmerrie van de heersende klasse.

38


Bericht van Makrina Gudiel Alvarez Vandaag 12 mei 2016 hebben we het leven van padre Walter in Escuintla herdacht met een speciaal programma op de katholieke radiozender. Bij die gelegenheid werden mijn zus Beatriz en ikzelf geïnterviewd. Heel wat mensen uit verschillende gemeenten van het departement waren tevreden over het programma.

Zondag 15 mei woonden we de eucharistieviering bij in Santa Lucía. De parochies van Puerto San José en van Escuintla waren vertegenwoordigd en ondersteunden de parochie van Santa Lucía om het leven van padre Walter te herdenken. Samen met vele martelaren zorgt hij ervoor dat we vandaag nieuwe strijdvormen kunnen aangaan. De bezinning die we in de kerk hoorden over het leven van padre Walter was hartverwarmend en overeenkomstig de realiteit.

Achteraf werd een gedenkplaat op de plaats van de moord in de muur gemetseld. Daarna trokken we naar het kerkhof.

Ten slotte namen we samen het middagmaal. Het was een vermoeiende dag, vooral vanwege de hitte.

39


Je laten vermoorden of Jan Vandeveire kwam als lid van de Congregatie van Scheut (CICM) in oktober 1964 in Guatemala aan. Hij stond mede aan de wieg van de pastoraal met basisgemeenschappen in het departement Escuintla. Tijdens de moeilijke periode einde de jaren ‘70 en de jaren ‘80 vestigde hij zich in Mexico. Later keerde hij terug naar Guatemala, waar hij vandaag stafmedewerker is van AVANCSO, Onderzoekscentrum voor Sociale Wetenschappen. Op verzoek van AMDE, ‘Vereniging, Herinnering, Waardigheid en Hoop,’ ondernam hij samen met Karen Ponciano en Lisbeth Gramajo (onderzoeksters van de Universiteit Rafael Landívar), de taak op zich om een derde boek te publiceren. Dit is het derde boek rond de slachtoffers en overlevenden van de staatsrepressie in Santa Lucía, verschenen einde juli 2016.

Dora Mirón, Jan Vandeveire, Lisbeth Gramajo, Karen Ponciano en G.De Schrijver (op bezoek)

Dit is het derde boek rond de slachtoffers en overlevenden van de staatsrepressie in Santa Lucía. Dit boek schetst een breed kader waarin de tragische gebeurtenissen plaats vonden: de sociale omstandigheden in het land, de bevrijdingstheologie, de relatie geloof en politiek en de rol van de congregatie van Scheut (CICM) in de regio. In het centraal huis van Scheut Guatemala kwam het onderzoeksteam samen dankzij de gastvrije rector Germain Louwagie CICM

Door bemiddeling van de steungroep ‘Solidair met Guatemala’ financierde Caritas Westmalle en OEVER vzw (Samenwerkingsverband van congregaties) grotendeels de uitgave van het boek. (redactie)

40


vechtend overleven in Santa Lucía

Jan Vandeveire

Inderdaad, het klinkt een beetje als het to be or not to be... van William Shakespeare. ‘Je laten vermoorden of vechtend overleven’ Maar hier ging het niet over een gebeuren op toneelplanken noch over letterkunde. Het was in dit geval een brok keiharde geschiedenis. Hier betrof het mannen en vrouwen die in de jaren ’70 en ’80 van de twintigste eeuw door een bloedige repressie van kant gemaakt werden omdat ze op een bepaald moment bewust geworden waren van hun recht op een beter bestaan, van hun mensenrechten, van hun menselijke waardigheid. Daarvoor begonnen ze dan te vechten. Eerst binnen hetgeen de wetten van het land toelieten. Daarna, toen de oligarchie en het leger mensen op grote schaal begonnen te martelen, te ontvoeren en te vermoorden, doken velen van hen onder om te overleven. En om vanuit de guerrilla de machthebbers omver te stoten en zo vorm te geven aan een nieuw Guatemala, waar het leven van de armen niet meer systematisch zou omgezet worden in een zee van lijden.

“Het is zeer belangrijk de gedachtenis levendig te houden over al degenen die hun leven gaven” Mercedes vertelt over haar echtgenoot, Jesús Curcuj, die op een dag in juni van 1988 aan een bushalte opgepakt werd door gewapende mannen die hem daar bijna doodsloegen en daarna met geweld in een wagen duwden: Sinds dat ogenblik hebben we nooit meer iets van hem vernomen. Dat was de manier waarop ze hem lieten verdwijnen. Soms voelde ik nog zijn arm op mijn schouder want dat deed hij altijd toen hij van het werk terugkeerde en soms hoorde ik dat hij me toesprak maar dat was niet zo want hij was niet meer bij ons. Mijn zonen en dochters bleven alle namiddagen op hem wachten tot ze ervan overtuigd raakten dat hij niet meer zou terugkeren, maar het is een ondraaglijke pijn die we moesten doorstaan. Af en toe zet ik me hier buiten op het binnenplaatsje en laat ik mijn gedachten de vrije loop, de herinneringen aan de verschrikkelijke dingen die we beleefden en stel je voor dat ik, zelfs al weet ik hoe alles gebeurde, af en toe denk dat mijn man nog leeft, ergens ver weg nog rondloopt en wie weet op een dag nog eens terugkeert. Ik weet dat het niet waar is, want het is al zoveel jaren geleden en het is onmogelijk dat hij nog niet zou teruggekeerd zijn maar ja, je begint onzin te bedenken, wellicht om te ontkomen aan de realiteit, vooral op moeilijke momenten. Het is, zoals de psychologen zeggen: “dat rouwproces is nog niet afgesloten” en dat is ook zo, want je hebt niet gezien waarheen ze het lichaam brachten, waar ze het achterlieten, want hoewel dood, je zou tenminste zien waar het gebleven was en waar we het zouden begraven. Maar zo is het niet in ons geval en ik geloof dat je je precies daarom verzet tegen de gedachte dat ze dood zijn, want zo werkt onze geest. Dit getuigenis van Mercedes Marroquín, uit het gehucht Miriam, in Santa Lucía Cotzumalguapa, ontroert en ontstelt ons niet enkel omdat het ons op de hoogte brengt van het onmetelijk lijden in haar verwoest gezin, maar evenzeer om de wijsheid, de menselijke kwaliteit en het uitzonderlijk talent op gebied van de communicatie van deze ongeletterde vrouw.

En het is ook een ideale inleiding op het onderwerp van dit artikel dat ik schrijf over een nieuwe publicatie die we met een team van drie onderzoekers maakten over deze kleine stad in de provincie Escuintla.

41


Een land van finca’s Die provincie strekt zich uit over een wijde vlakte, aan de voet van de bergketen die Noord- en Zuid-Amerika als een ruggengraat doorkruist, vanaf de Rocky Mountains die ontspringen in Canada tot aan de Andes om helemaal in het zuiden, in Patagonië, uit te sterven. Het kleine stukje van die lange keten in Guatemala is zeer vulkanisch. En dit laat ons af en toe spectaculaire uitbarstingen zien. Maar tevens vinden we door de uitgespuwde as een zeer vruchtbaar tropisch land. Helaas werd deze gunstige factor een teken van onheil. Want al die vruchtbare landerijen werden in de loop van onze geschiedenis, tijdens de koloniale periode en nadien door de nazaten van de ‘conquistadores’ ingepalmd. Er ontstonden uitgestrekte plantages (finca’s), privé eigendom van een rijke elite. Omdat de armen ofwel een veel te klein stukje grond konden behouden, waar ze hun maïsveld bewerkten in de regentijd ofwel helemaal geen eigen lapje grond meer hadden, moesten zowel de eersten in het seizoen als de anderen het hele jaar gaan werken op de finca. Wat we hier in één zinnetje neerpennen is een lange economische geschiedenis die diverse “monocultivos” doorliep: koffie, suiker, katoen, rubber, veeteelt... Al die landbouwproducten hadden gemeen dat ze merendeels voor de uitvoer bestemd waren, en dus niet voor de voeding van de bevolking. Een tweede gevolg van de productiewijze van het grootgrondbezit, was een quasi slavernij voor de campesinos en andere landarbeiders: een bron van lijden, dat nauwelijks overleving voor hun families betekende, d.w.z. bijna leven.

Het zoete product

© Piet den Blanken

In de streek van Santa Lucía overweegt vooral een zoet product. De problemen rond het suikerriet en de suikerindustrie worden ook in het boek ontleed. Deze industrie voedt massaal de bankrekeningen van enkele ‘gegoede’ families, maar voor de mensen die op de finca’s en in de suikerfabrieken werken is er vooral bittere ellende. Finca is meer dan de benaming van de plantage, het is ook een sociale ordening. Het is een cultureel gegeven dat onze gedachtewereld doorkruist. De hele Guatemalaanse maatschappij is gestructureerd naar het beeld en de gelijkenis van de finca. Vandaar de ingebouwde autoritaire tendensen, de economische ongelijkheid en het sociale onevenwicht in deze maatschappij. De finca is een model voor het hele land, voor de kuststreken (aan de Stille en de Atlantische Oceaan) en voor het hoogland. Maar nergens is de alomtegenwoordigheid van de finca zo uitgesproken als in de provincie Escuintla. Nergens is het land zo vruchtbaar, zo bevloeibaar, zo weinig glooiend en dus zo gemakkelijk cultiveerbaar als hier. 80% van alle land is er grootgrondbezit.

42


Mensen die lijden en vechten tegen de oorzaak van dat leed Vooraleer wij dachten aan schrijven, waren de eersten die het woord namen de overlevende familieleden van hen die als martelaren vielen in de bange oorlogsjaren van 1960 tot 1996. Tijdens einde de jaren zeventig en de jaren tachtig greep de gruwelijkste repressie plaats. Die mensen, zoals Mercedes, die we al hoorden in het inleidend getuigenis, zijn helemaal niet van plan om hun vader, moeder, broer, zus, verloofde of wie ook die toen ‘van de kaart geveegd werden’ te vergeten. Integendeel, ze sloten aan mekaar, precies om elkaar te steunen in het bewaren van de memorie en om momenten te organiseren waarop ze de herinnering aan de martelaars hoog houden. In de periode van de hevigste repressie hadden de overlevende familieleden weinig contact met elkaar. Eén van de gevolgen van de terreur was ook de stilte: je moest niet protesteren of vragen stellen over het lot van degenen die vielen of voor altijd verdwenen. Dat zou nieuwe agressie in je gezin en je omgeving kunnen veroorzaken. Maar stilaan werd de stilte doorbroken. Vooral na de ondertekening van de “vrede” in 1996 gingen de getroffen families elkaar terugvinden om te kijken wat ze met zijn allen zouden kunnen doen. Op dit moment zijn ze georganiseerd in AMDE (Asociación Memoria Dignificación y Esperanza), wat staat voor ‘Vereniging, Herinnering, Waardigheid en Hoop.’ Het zijn de mensen van AMDE, vooral vrouwen, maar ook oudere mensen en de nieuwste generaties: kinderen en jongelui, die zich op dit moment identificeren als een dynamisch collectief. Ook over AMDE komt een hoofdstuk in het boek. Jan Vandeveire en Dora Mirón in overleg.

Ze gaven tevoren al twee boekdelen uit waarin het verhaal over hun gevallen geliefden, hun overtuigingen, hun strijd en hun gewelddadige verdwijning opgetekend staat in hun eigen woorden. Want het zijn fragmenten van hun interviews die op band opgenomen en daarna op papier uitgeschreven werden. Die boeken zijn van enorm belang, allereerst voor de familieleden zelf. Nu kunnen ze hun zonen en dochters, kleinkinderen, neven en nichten,... de kans geven om zich grondig te informeren over wat precies gebeurd is , “hoe en waarom die familieleden omkwamen”. Het “derde” boek borduurt verder op de eerste twee: de inhoud ervan wordt nu als het ware herlezen en in het raam geplaatst van een bredere historische en geografische context. We kunnen hier gerust spreken over “evenzoveel bladzijden voor een sociale geschiedenis in de zuidkust van Guatemala op het eind van de twintigste eeuw.” Walter Benjamin heeft het in zijn thesen: “Over het begrip van de geschiedenis”. Die thesen zijn een welkome hulp bij het interpreteren van de talrijke tragische kronieken uit de zuidkust. Bij zijn overdenkingen noemt deze Duits-Joodse filosoof ‘mensen die lijden en die de strijd opnemen tegen de oorzaak van dat lijden’ het subject van de geschiedenis. Het treft ons hoe zijn opvatting helemaal toepasselijk is op Santa Lucía Cotzumalguapa, zowel op degenen die gisteren vielen in het verzet tegen het onrecht als op de familie die hen vandaag overleeft en die onvoltooide taak heropneemt. 43


Politiek en geloof Walter Benjamin (geboren in Berlijn in 1892 en gestorven in Portbou, Spanje in 1940) was een Joods-Duitse marxistische cultuurfilosoof. Hij streefde ernaar het waardevolle uit het verleden te behoeden voor het grote culturele vergeten. Dat was voor hem de intellectuele uitdaging van zijn tijd. (redactie)

Een andere bijdrage van Benjamin haalt hij uit de schat van zijn Joodse tradities: het messianisme. Als filosoof van de moderne tijden gaat hij akkoord met de secularisatie van de Messiasverwachting, die door Marx vervangen werd door de klasseloze maatschappij. Op die manier ging terecht een ontmythologiseringproces door. Maar een wereld die bevrijd werd van de mythen is daarom nog niet bevrijd van het onrecht! Daarom, besluit Benjamin, moet aan de klasseloze maatschappij haar waarachtig messiaans gelaat teruggegeven worden. Deze verrassende gedachte van een niet-orthodoxe marxist en een evenmin orthodoxe Jood helpt ons om de gedachtewereld van de martelaren uit Santa Lucía Cotzumalguapa te begrijpen. Net zoals Walter Benjamin de combinatie niet schuwde van filosofische, sociale en politieke argumenten met andere van regelrechte religieuze aard, zien we hoe het engagement van deze mensen uit de kuststreek van Guatemala berust zowel op beweegredenen die ze afleiden van een rationele sociaal-politieke strategie als op motivaties die ontspringen uit hun diepe gelovigheid. In de zeer lezenswaardige verhalen van de getuigen over hun martelaren hoorden we een constant gegeven. Zo ook in de mond van Mercedes: “Ze blijven in onze gedachtenis, het is gewoon onmogelijk ze te vergeten” Nu staan we hier voor een tweede constant gegeven. En dat nieuwe refrein, dat vrijwel in alle getuigenissen opduikt, is: “Hun strijd was gebaseerd op hun geloof. Ze werden vermoord net zoals Jezus op het kruis: om zich te hebben ingezet, tot het uiterste, voor de anderen”. Zo vertelt Ester over haar vader, Julián Back: Mijn vader was een mens met een groot hart. Hij voelde zich geroepen om degenen die hem nodig hadden te helpen en te ondersteunen Hij wilde een verandering in Guatemala en hij sprak daarover met de mensen in zijn omgeving en over wat ze konden doen om die verandering te realiseren. Maar degenen die geen verandering wilden hebben hem omgebracht, om die sprankel hoop in de kiem te smoren in de mensen die hem vertrouwden en waardeerden. In de Bijbel vond hij verklaring voor wat uitbuiting en racisme betekenen... Hij zei bereid te zijn om voor de anderen te sterven zoals de Messias deed, Jezus.

44


Andere getuigen verwijzen met nadruk naar de pastoraal van de “Familia de Dios”. Dat waren de kerkelijke basisgemeenschappen die, in de lijn van het Tweede Vaticaans Concilie, de Latijns-Amerikaanse bisschoppenconferentie in Medellín (1968) en de in die jaren ontluikende bevrijdingstheologie, een “heruitvinding van de kerk” waren en een herontdekking van de stijl die de primitieve gemeenschappen al kenmerkte, volgens de Handelingen van de Apostelen (2,42. 4,32). Eén van die getuigen was Isaías Jiménez Ortiz:

De ‘Familia de Dios’ was uitstekend, het was als het ontwaken van een bewustzijn, het vinden van een inspiratie om te strijden. Dat werk van de ‘Familia de Dios’ was zeer waardevol, een zeer eenvoudige manier van werken om de mensen wakker te schudden. Ik herinner me hoe er gepraat werd, na het voorstellen van een onderwerp: het sap werd eruit geperst en vooral, het thema werd vergeleken met een passage uit de Bijbel, die samenviel met hetgeen waarmee we bezig waren... we ontdekten dat ook de Bijbel het had over strijd en over problemen. Zo begon het volk zijn rechten op te eisen: de mensen kregen stilaan moed. Ze ontwaakten, schoten in actie en begonnen een strijd die later zou voortgezet worden in het CUC. Berta Surec, de echtgenote van Isaías valt hem bij in deze visie: Inderdaad, de ‘Familia de Dios’ deed goed werk. Ook de vrouwen begonnen te spreken over de armoede, over hoe we ons konden verdedigen, hoe in ons gezin de voeding verbeteren, niettegenstaande al de beperkingen. Het lezen van teksten was uiterst belangrijk: het waren fragmenten uit de Bijbel maar met betrekking op onze realiteit, over hetgeen we iedere dag meemaakten. Velen begonnen deze werking te waarderen en op de actie van de ‘Familia de Dios’ te vertrouwen. We steunden het CUC want de geleden armoede en het geleden onrecht werden gewoon ondraaglijk. Eens hoorde ik een dame zeggen: ‘degenen die zich daarmee inlaten, doen het omdat ze lui zijn en omdat ze communisten zijn’. Ik vroeg haar wat ze onder communisme verstond en poogde haar uit te leggen dat, volgens mij, communisme gemeenschap betekende, deel hebben aan dezelfde tafel, zich verenigd weten. 45


Maar voor de machthebbers in Guatemala was ‘communist’ een scheldwoord en iemand ‘communist’ noemen, betekende zoveel als die persoon ter dood veroordelen, een voldoende argument om die persoon uit de weg te ruimen. ‘Communist’ was voor de machthebbers hoofdzakelijk een persoonlijk of collectief subject dat het systeem wou veranderen, waardoor dat subject hun voorrechten in gevaar zou brengen, een subject dat hoe dan ook meteen moest vernietigd worden. Zo stond het zwart op wit in het handboek van de “National Security”, het opperste leergezag voor de Latijns-Amerikaanse legers tijdens de ‘koude oorlog.’ Vlak voor de moord op Walter Voordeckers, pastoor in Santa Lucía, had het Geheim Anticommunistisch Leger (Ejército Secreto Anticomunista, ESA), een paramilitaire clandestiene organisatie, op de muren van het stadscentrum in rode verf geschreven: “Walter, go home” en “Communistische pastoors buitenlanders”. Was dat niet een soort INRI-plaatje op zijn kruis?

Een bladzijde geschiedenis van Scheut in Guatemala

Hier raken we opnieuw een aantal grote thema’s die in het boek vrij uitvoerig behandeld worden. Aan de chronologie van de staking, waaraan in februari en maart 1980 rond de 80.000 arbeiders in de suikerriet- en katoenfinca´s deelnamen, wijdt het boek een hoofdstuk. Ten gevolge van de staking werd een verschrikkelijke repressie ontketend. Als eerste dodelijke slachtoffers vielen de scheutisten Walter en de Filippino Conrado de la Cruz vanwege hun pastoraal werk in de Familia de Dios en hun sympathie met het recent opgerichte CUC.

Deze historische staking had voor gevolg dat het minimum dagloon voor alle landarbeiders in de Costa Sur, dat voorheen 1,12 dollar bedroeg, nu vastgesteld werd op 3,20 dollar. Hoewel de resultaten van deze actie ontoereikend waren om op slag in Guatemala tot sociale rechtvaardigheid te komen, toch was ze betekenisvol binnen de grenzen van de bestaande orde, de finca-ordening: de machtelozen onderkenden voor het eerst hun potentiële capaciteiten om te onderhandelen tegenover de oligarchie. Maar deze zou de vernedering niet slikken en, in samenspel met de militaire macht, begon ze in Santa Lucía Cotzumalguapa het bloedbad aan te richten waarover de mensen van AMDE informatie geven. Het was geen massamoord in strikte zin, zoals deze die op diverse plaatsen in Guatemala in diezelfde jaren toegepast werd in het kader van de strategie van de “verschroeide aarde”. Het ging eerder om een selectieve repressie, een voor een, hier en daar, maar als je al die ‘selectieve repressies’ optelt, dan kom je, alleen in de tachtiger jaren, aan meer dan honderd moorden: dus een massamoord.

De operatie “tierra arrasada” (verschroeide aarde) staat beschreven in de strategische planning van het Nationaal Leger tijdens de tachtiger jaren. De operatie werd ook uitgelegd als het ‘wegnemen van het water,’ zodat de vis sterft. Het water is de civiele bevolking die de vis, het gewapend verzet, steunt en beschermt of die daarvan verdacht wordt. Maar het weggenomen water, in deze metafoor, is in werkelijkheid het bloed van het volk. Vandaar de beschuldiging van genocide en de veroordeling in mei 2013 van de voormalige generaal Efraín Ríos Montt. Hij was president de facto van 23 maart 1982 tot 8 augustus 1983, de periode waarin de operatie van de “verschroeide aarde” op grote schaal uitgevoerd werd.

46


De geschiedenis van Scheut in Guatemala is ook een aanzienlijk hoofdstuk in het boek. Hoe hebben de missionarissen van Scheut zichzelf gevormd als pastorale werkers in de harde, moeilijke en conflictueuze werkelijkheid van de zuidkust? In onze publicatie wordt aandacht besteed aan de twee kenmerken van de identiteit van de martelaren en hun familieleden: hun sociaal-politieke en hun religieuze motivering. Deze kenmerken troffen we al bij Walter Benjamin aan: enerzijds het politiek bewustzijn van mensen die lijden en vechten tegen de oorzaak van dat lijden en daarnaast ook de messiaanse inspiratie. In de twee eerste boeken wordt door de getuigen het pastorale element van hun positie en hun actie in het licht gezet. In het nieuwe boek doen wij onderzoekers het op onze beurt. Behalve de prehistorie van de congregatie is ook de recente Latijns-Amerikaanse kerkgeschiedenis waarin de missionarissen terechtkwamen van het hoogste belang in hun vorming als nieuw missionair subject. Het Tweede Vaticaans Concilie en de wijze waarop het in dit continent “ontvangen” en geïnterpreteerd werd, de bevrijdingstheologie, de optie voor de armen, de basisgemeenschappen: al die elementen bereidden een groot deel van de Scheutse communiteit in dit land voor op het soort missie dat ze in praktijk poogden te brengen. Ze reageerden tegen een bestaande aanpak van sacramentenpastoraal die niet voldoende aandacht besteedde aan de evangelisatie en het vormen van sociaal en politiek bewuste gemeenschappen die behoorden tot het Volk van God. Ze maakten gebruik van informatie over de werking en de pedagogie van basisgemeenschappen die op andere plaatsen in Latijns-Amerika in die jaren ontsproten. Ze wijdden zich aan het opstarten van kleine gemeenschappen in stadswijken en gehuchten, finca’s en dorpjes. Het ging erom de mannen en vrouwen aan het denken en het praten te krijgen over hun eigen situatie, over de eigen problemen iedere dag en over de problemen van het land, maar ook over fragmenten uit de Bijbel, vooral uit de vier evangelies, die een licht zouden kunnen werpen op onze realiteit.

Men wou vooral de lezing van de Bijbel ‘in de wolken’ vermijden, een lezing voorkomen die eerder een devotionele en intimistische godsdienstigheid promoveerde, een lezing zonder relatie tot de situatie van de armen en hun strijd, zonder de obligate politieke dimensie van het geloof. In die kleine gemeenschappen deden zich grote gebeurtenissen voor: de mensen begonnen een eigen gedachtegang te ontwikkelen, ze vormden zichzelf als actieve en kritische personen. 47


Toen de coördinators van de Familia de Dios hun opinie vroegen over de gang van zaken in Guatemala en over het Woord Gods, waren het vooral de vrouwen die een grote weerstand moesten overwinnen. Wie wil nu het standpunt van een vrouw kennen, in een land waar het machisme een courant cultureel ingrediënt is? De gespreksleiders waren voorbereid om de mensen aan het woord te krijgen. Ze wisten hoe iemand vriendelijk af te remmen als die het gesprek begon te overheersen. En anderzijds, hoe iemand die eerder bedeesd is aan te moedigen, zodat een min of meer evenwichtig gesprek ontstaat, waarin de mensen zichzelf bewust maken en zichzelf evangeliseren. Dit proces bracht een grote decentraliserende ommekeer teweeg. Er werd gestalte gegeven aan een kerk waar de clerus het woord aan de leken gaf. De mensen werden actief, ze groeiden in zelfwaardering en –vertrouwen en ze begrepen dat ze geroepen waren om zich, in het spoor van Jezus van Nazareth, te engageren voor een verandering van de maatschappij. Maar toen de eigenaars van de finca’s dat zagen, wezen ze deze pastoraal af. Ze gingen akkoord met een pastoraal en een prediking die de mensen gedwee en gehoorzaam hield.

Maar ze verzetten zich tegen de “communistische” pastoraal die mensen aanmoedigde om deel te nemen aan stakingen en aan de opbouw van een ander Guatemala: rechtvaardiger, meer gelijk in de verdeling van de rijkdom, in de erkenning van eenieders waardigheid en in de verdediging van de mensenrechten.

48


De repressie tegen de volksbeweging en de vervolging tegen de kerk verliepen evenwijdig. Julia Salpec herinnert zich hoe de doodseskaders ’s nachts haar huis binnenvielen om haar man, Román Reyes Elías, te ontvoeren:

Ze verdeelden zich: Een aantal van hen begonnen hem te slaan anderen richtten hun wapens op hem en de overigen doorzochten het hele huis, gooiden alles ondersteboven en ze vonden niet wat ze zochten (wapens). Daarom ontlaadden ze hun woede tegen de Bijbel ze vatten het heilig boek, gooiden het op de grond en schopten het aan flarden, tot ze uitgeput waren.

Waarom richtten ze hun razernij op de Bijbel? Omdat daarin God spreekt, die het opneemt voor armen en onderdrukten, die naast hen gaat staan om hen te begeleiden in hun lijden en in hun strijd om zich te bevrijden. Het boek waarin zulk een God spreekt moet vertrappeld worden evenals de mens die de boodschap van zulk een God tot de zijne maakt. In 1980 leefden we in Midden-Amerika in een prerevolutionair klimaat. Het boek dat we publiceren diept dat historisch moment terug op en denkt erover na. De actualiteit in 2016 is bijna niet te vergelijken met die van toen, al zijn er nog heel wat elementen dezelfde gebleven: de armoede, de ongerechtigheid. Toen bleek een revolutionaire ommezwaai mogelijk. Toen ervoeren de volksorganisaties en hun leiders van dat moment, en wij met hen, dat een ander Guatemala in de onmiddellijke toekomst haalbaar was. Maar na 36 jaren is dit nog niet op gang gekomen. De neergemaaide strijders van Santa Lucía zijn er niet in gelukt de gerechtigheid te doen zegevieren. En toch. Walter Benjamin ontdekt in de mislukking van de strijders in het verleden een potentie die we niet mogen wegwerpen. Hij aanvaardt niet dat de doden achtergebleven zijn als de verpletterde bloempjes onder de wielen van de geschiedenis. We moeten volgens hem een tijgersprong naar het verleden maken, niet om ons nostalgisch te gaan installeren in de voorbije tijd, maar om in de strijd van degenen die ons voorgegaan zijn en vielen vooraleer ze het doel van hun actie konden bereiken, de agenda te ontdekken die nog hangend blijft. 49


De werkelijkheid van vandaag, 2016, is meer dan de blote feiten. Tot de werkelijkheid behoren ook de mogelijkheden op een gerechtigheid waarvoor in het verleden gevochten werd, maar die, omdat die strijd niet succesvol was, nog aanwezig blijft als mogelijkheid. Die kunnen we heropnemen en in de toekomst realiseren. Zo blijven de afwezigen aanwezig. Het is een verrijzenisgeloof. En ook dat is een rode draad die door het boek loopt.

Walter Benjamin aanvaardt niet dat de doden achtergebleven zijn als de verpletterde bloempjes onder de wielen van de geschiedenis. We moeten volgens hem een tijgersprong naar het verleden maken, om de agenda te ontdekken die nog hangend blijft.

50


COLOFON Schreven en werkten mee aan de teksten van deze brochure: Ruud van Akkeren Mario Trinidad Mario Coolen José Roberto Paz Gularte Jan Vandeveire Makrina Gudiel Alvarez Dora Mirón Guido De Schrijver Eindredactie: Guido De Schrijver Lay-out: Monique Batavia Verantwoordelijke uitgever: Roland De Smet

Foto’s: Piet den Blanken: voorkaft, voorkaft binnenin, blz. 1, 2, 3, 12, 20, 25, 26 (boven), 27, 29 (onder), 39, 40, 43, 48 (boven), kaft achteraan. Archief Guatebelga: blz. 5 (onderaan), 16 Archief Mario Trinidad: blz. 8 Archief Mario Coolen: (bewerkt door Piet den Blanken): blz. 19 (onderaan), blz. 21 (midden en onderaan), blz. 28 (onder) Zusters Missionarissen van de Jacht - Heverlee: blz. 15 (onder) Miriam van der Hoek: blz. 23 (rechts onder) Archief AMDE: blz. 26 (onder), 32, 36, 37 (midden en onder) José Roberto Paz Gularte: blz. 28 (boven) DWM: blz. 42 CPR-Urbana: blz. 48 Andere: Archief onze redactie Contact: ‘Solidair met Guatemala’ Langestraat 6 9300 Aalst 053/62 94 76 guidods@skynet.be website: www.solidairguate.be

Deze brochure is gepubliceerd met sponsering van Drukkerij De Wrikker en de Belgisch - Nederlandse provincie van de Missionarissen van Scheut (CICM).

Gedrukt door De Wrikker: www.dewrikker.be

51


België-Belgique P.B - PP 9300 AALST De Werf 8/5494

9300 AALST De Werf Tweemaandelijks tijdschrift: Niet in juli en augustus Uitgave: november - december 2015 Verantwoordelijke uitgever: R. De Smet Dahlialaan 14 9185 Wachtebeke. ERKENNINGSNR. P 006429

52

Profile for Guatemala Solidariteit

2016 08 16 SANTA LUCIA COTZUMALGUAPA  

ALS HET VOLK HET WOORD NEEMT

2016 08 16 SANTA LUCIA COTZUMALGUAPA  

ALS HET VOLK HET WOORD NEEMT

Advertisement