Page 1

Voorbij maar niet verdwenen Oorlog 65 jaar na de Tweede Wereldoorlog

Tweede Wereldoorlog t Srebrenica t Vietnam t wargames t Atjeh-oorlog t t War on terror t Eerste WerelDoorlog t boeken en films t feiten & cijfers


–0SSZRPO\YE=

=]`Z]UW\ QWbObS\ ·=]`Z]UWaVSb S\WUSa^SZ eOO`PWX PSWRS ^O`bWXS\ dS`ZWShS\¸ EObS`AQ]bb ·EWS]]`Z]UVSSTb US^`]STReSSb V]Sd`SRSa[OOYb¸ 1O`SZdO\;O\RS`

·7YVSP]]`Z]US\UShWS\7Y VSPhSUShWS\bSZO\RS\bS` hSS7YVSPUSe]\RS\hWS\ PZ]SRS\7YVSPR]RS\W\RS []RRS`hWS\ZWUUS\7YVSP YO^]bbSabSRS\UShWS\3\ YW\RS`S\RWS][YeO[S\ dO\RSV]\US`7YVSPRS R]]Rab`WXRUShWS\dO\[]S³ RS`aS\d`]ceS\7YVOOb ]]`Z]U¸4`O\YZW\2@]]aSdSZb W\'!$

·:WSTRSWa OZa]]`Z]U( US[OYYSZWXY bSPSUW\\S\ [OO`[]SWZWXY bSPS~W\RWUS\¸ 7ZZcab`ObWS(;/@3<B63•

6S\`g:]cWa;S\QYS\

·/ZadSSZ[O\\S\PWXSZYOO` Y][S\VSSbROb[SSabOZ ]]`Z]U¸;SZ0`]]Ya

·7YYO\[SSS\eS`SZRd]]` abSZZS\h]\RS`]]`Z]Uh]\RS` VOOb3\WYYO\[S]]Yd]]` abSZZS\RObeSh]¸\eS`SZR h]cRS\OO\dOZZS\HSh]cRS\ h]¸\OO\dOZW[[S`a\]]Wb dS`eOQVbS\¸8OQY6O\Rg /[S`WYOO\aVc[]`Wab

·A][[WUS abOObaZWSRS\ V]cRS\h]dO\ d`SRSRObhSS` SS\]]`Z]Ud]]` ]dS`VSPPS\¸ 1SSa0cRRW\UV


Pagina

Inhoud

1

Achtergrond 2 I nleiding Chris van der Heijden 18 De les van Srebrenica Peter Bootsma 26 Wargames David B. Nieborg 30  Afrikaanse oorlogen Roel van der Veen 34  4 en 5 mei Jolanda Keesom 50  Nederlanders op vredesmissie Christ Klep 54 De vergeten oorlog in Atjeh Lucia Hogervorst 62 Oorlog in de 21ste eeuw Ko Colijn

Reportages 6 De Eerste Wereldoorlog Chrisje en Kees Brants 22 Onder Vietnamveteranen Frans Verhagen 42 Auschwitz nu Kim Kamphuis

De les van Srebrenica Een oorlog doorgronden is bijzonder lastig. En zeker de complexiteit van het conflict dat in 1991 losbarstte in het voormalig Joegoslavië. Nederland besloot troepen te sturen en stak zich daarmee onbedoeld in een politiek wespennest.

18

Beeld

De strijd gaat ‘virtueel’ verder Online worden in een week meer (virtuele) slachtoffers gemaakt dan tijdens beide Wereldoorlogen. Ik doe daaraan mee. Hoe leg ik dat mijn oma uit?

12 Iconen van een tijdperk 38 Monumenten om op te zitten

26

46  De oorlog in de Nederlandse literatuur & film 58 Tekeningen uit het Jappenkamp

Feiten EN CIJFERS 4 Oorlogen van nu 11 De 5 meest gestelde vragen over oorlog 17 Oorlog in getallen 41 Oorlogsaffaires 57 Levend verleden

Columns 9 Oorlog & Liefde Steffie van den Oord 16 Oorlog & Slachtoffers Bob de Graaff 21 Oorlog & Kunst Brigitte van der Sande 37 Oorlog & Angst Stine Jensen 61 Oorlog & Vrede Hans Feddema

LEZEN en luisteren 10 Martin van Creveld 25 Antony Beevor 29 Tony Judt

Monumenten om op te zitten Onder de meer dan drieduizend monumenten zijn er heel wat banken. Een geschikt thema voor een reportage, omdat mens en monument daar op natuurlijke wijze samenkomen.

38

Auschwitz nu Het is haast een schilderachtig landschap. Gras en bomen wuiven in de wind, schapenwolkjes hangen in een oranjerode hemel. De spoorrails, glimmen in het zonlicht. Prachtig landschap, maar o zo schuldig.

42


Tekst

Inleiding

Chris van der Heijden

Pagina

2

De vader van alle dingen Enkele jaren geleden publiceerde een voormalig advocaat, wethouder en staatsraad zijn herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog. Geboren in 1929 had hij (J.J. van der Weel) de oorlog meegemaakt als jongeman. Zoals bijna alle jongemannen van zijn leeftijdsgroep – tussen 1940 en 1945 – had die ervaring hem sterk gevormd. Maar dat niet alleen. De gebeurtenissen waren hem ook altijd bijgebleven. Vandaar dat hij op zijn oude dag de balans wilde opmaken. Daartoe schreef hij een boek. Het draagt de veelzeggende titel Opeens was alles anders. In de periode dat Van der Weel dit boek schreef, vertelde hij zijn ervaringen ook aan zijn kleinzoon. Hij vertelde over het bombardement van Middelburg aan het begin van de oorlog, de heftige strijd rond de stad aan het eind ervan en hoe ze tijdens de beschietingen de dagen in de kelder doorbrachten. De kleinzoon luisterde aandachtig en stelde daarop de vraag die als eerste opkwam: ‘Waren jullie dan niet bang voor spinnen?’ De oorlog is voorbij. Meer nog, hij is zo ver weg dat kinderen bij

Troje - Trojaanse strijders ontmoeten de Grieken (fragment), eerste helft vijfde eeuw voor Christus. Rijksmuseum voor Oudheden, Leiden (Foto: Erich Lessing)

het denken eraan niet veel verder dan spinnen komen. Dat is niet alleen een teken van vooruitgang, het is ook een uniek historisch feit. Want helaas horen oorlogen net zo bij de geschiedenis als de dood bij het leven. Vandaar ook dat een van de eerste filosofen uit de westerse geschiedenis (Heraklites, rond 500 v. Chr.) oorlog het levensprincipe noemde. ‘Oorlog is van alles de vader, maar ook van alles de koning’, zei hij om precies te zijn. ‘De een heeft het tot god

gemaakt, de ander tot mens; de een tot slaaf, de ander vrij... Alles geschiedt volgens twist.’ Zo gesteld is het wellicht wat overdreven maar helemaal onjuist is het evenmin. Immers weinig verschijnselen hebben het bestaan zo vormgegeven als oorlogen. Helaas, mag je hieraan toevoegen. Aan het feit verandert een dergelijke verzuchting niets. Ondertussen leven anno 2010 in grote delen van de wereld steeds meer mensen die nooit oorlog hebben meegemaakt. Dat wil zeggen: nooit honger hebben geleden, niet vervolgd zijn of beschoten werden, niet in kelders hebben hoeven schuilen en nooit gedwongen werden huis of haard te verlaten. Toch worden deze mensen, wij dus, voortdurend met oorlog geconfronteerd. Tot voor kort verliep die confrontatie veelal zoals bij de kleinzoon van Van der Weel: via verhalen over de Tweede Wereldoorlog. Tegenwoordig zijn die verhalen naar de achtergrond gedrongen en vervangen of aangevuld door andere. Voormalig Joegoslavië, Israël, Irak, Afghanistan, om van de permanente terreurdreiging nog niet te spreken. Overal en altijd, zo lijkt het, woedt oorlog. Wat de meesten van ons in West-Europa (maar ook elders) gelukkig ontbreekt is de fysieke ervaring. Houden zo, zegt eenieder die oorlog heeft meegemaakt of begrijpt wat oorlog betekent. Democratie als kasplantje De uitspraak van Heraklites over oorlog als vader van alle dingen geldt voor onze samenleving zeker wat betreft de Tweede Wereldoorlog. Hoeveel denkbeelden, angsten, idealen en instellingen vinden niet hun oorsprong in, of bevatten op zijn minst een belangrijke verwijzing naar die oorlog? Neem het verschijnsel democratie. Voor ons lijkt het buiten kijf te staan. Maar vóór de Tweede Wereldoorlog was dat beslist niet zo. Toen was democratie een kasplantje, bedreigd door links en rechts. Juist de ervaring met dictatuur en bezetting maakte dat bijna iedereen er in het Westen van overtuigd raakte dat het zeer de moeite waard was dit plantje te koesteren. Het gevolg hiervan is dat democratie tegenwoordig een krachtig politiek systeem is – zij het nog steeds niet onbedreigd. Neem, ander voorbeeld, de internationale politiek. Vóór de oorlog dacht men veelal in zelfstandige nationale staten en had Nederland zelfs de neiging zich van de rest af te


Pagina

Inleiding

Guernica - Pablo Picasso (fragment). Olieverf op canvas. Reina Sofia, Madrid (Foto: Erich Lessing)

sluiten. Maar de oorlogservaring overtuigde verreweg de meeste staten van nut en noodzaak van internationale verbanden zoals de Verenigde Naties, de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds. Weliswaar gooide de Koude Oorlog nog lange tijd roet in het eten, maar sinds de val van het communisme zijn dergelijke verbanden ook daadwerkelijk steeds meer internationaal. Het beste bewijs hiervan is de NAVO, ooit bij uitstek het westerse wapen in de strijd tegen de communistische vijand. Tegenwoordig maken van diezelfde NAVO ook landen deel uit die vroeger tot het communistisch blok behoorden en gaan er op basis van de NAVO steeds meer stemmen op voor zoiets als een wereldleger. Nederland heeft bij dergelijke pleidooien voor internationale samenwerking altijd voorop gelopen. Van neutraliteit en andere vormen van afsluiting is sinds de Tweede Wereldoorlog geen sprake meer. Helaas hebben het eind van de Koude Oorlog en de oprichting van de NAVO geen eind gemaakt aan het fenomeen oorlog. Integendeel. Volgens de conflictbarometer van het Heidelberg Institute for International Conflict Research bereikten oorlogen na de val van de Muur met 49 intensieve conflicten een hoogtepunt, om vervolgens langzaam te dalen naar 30 in 2005, 36 in 2006 en 39 in 2008. Volgens dezelfde bron is ook het totale aantal conflicten (intensief en minder intensief) sinds de Tweede Wereldoorlog gestaag gestegen, van zo’n 70 in 1945 naar zo’n 350 nu. Het zijn cijfers die, hoe aanvechtbaar ook, een zoveelste illustratie bieden van het gelijk van Heraklites. Met pensioen Dit tijdschrift biedt inzicht in vele aspecten van de moderne oorlog. Uitgangspunt is het feit dat de oorlog in 2010 ‘met pensioen’ gaat, dat wil zeggen dat het dit jaar vijfenzestig jaar geleden is dat de Tweede Wereldoorlog eindigde. Vanzelfsprekend gevolg hiervan is dat er bij ons in Nederland of West-Europa steeds minder mensen zijn die de gebeurtenissen van destijds hebben meegemaakt. Degenen die in de oorlog werden geboren, zijn nu al minstens zeventig, degenen die de oorlog als kind

3

meemaakten, zijn minstens tachtig en de jong volwassenen van toen lopen al tegen de negentig of zijn nog ouder. In elk geval statistisch gezien (de gemiddelde leeftijd van mannen in het Nederland van 2010 is 76, die van vrouwen 81) is de oorlogsgeneratie dus zo goed als uitgestorven. Het verklaart de beslissing van de Nationale Federatieve Raad van het Voormalig Verzet zichzelf in juni 2010 op te heffen. Andere organisaties gingen haar voor, weer andere zullen onvermijdelijk volgen. Hoewel de directe of biologische lijn met de Tweede Wereldoorlog met de dag dunner wordt, is het indirecte of mentale verband in de afgelopen vijfentwintig jaar eerder toe- dan afgenomen. Daarvoor zijn een aantal redenen. De belangrijkste daarvan is vermoedelijk dat onze laatste oorlog het negatief is van onze samenleving. Hij vertegenwoordigt alles wat wij niet willen: dictatuur, onvrijheid, willekeur, geweld. Dit verklaart ook waarom de Shoah, in diezelfde kwart eeuw meer en meer het symbool van de Tweede Wereldoorlog is geworden. Van genoemd negatief is de moord op de Joden immers de meest extreme uiting. Een aardige illustratie hiervan is hetgeen Michael Beerenbaum schrijft in het boek bij de permanente tentoonstelling in het United States Holocaust Memorial Museum aan de Washington Mall: dat de Holocaust lijnrecht ingaat tegen het Amerikaanse ethos en een schending betekent van elke essentiële Amerikaanse waarde. Amerikaanse en Europese waarden mag je weliswaar niet over één kam scheren maar wat betreft de kern ervan – democratie, vrijheid van meningsuiting, menselijke waardigheid – zijn westerlingen het zeker eens. Vandaar ook dat de Amerikanen (en niet de Russen) in de naoorlog voorgesteld werden als de bevrijders van een door de nazi’s beheerst Europa. Het verdwijnen van de generatie die de oorlog heeft meegemaakt terwijl de herinnering voortleeft, heeft tot gevolg dat ‘de oorlog’ steeds meer een symbool is geworden en steeds minder de gebeurtenis uit de jaren 1939-1945. Dit verklaart ook waarom de collectieve herinnering aan de Tweede Wereldoorlog steeds vaker verwijst naar oorlog in het algemeen en naar zaken als geweld, onvrijheid en willekeur. Dat is ook de reden dat deze eenmalige uitgave ter gelegenheid van 65 jaar Tweede Wereldoorlog zich niet alleen tot deze oorlog beperkt. Hij gaat over voorbije oorlogen en oorlogen in onze tijd.

Irak - Saddam Hussein te paard vergezeld door een leger van Irakese burgers. Voorheen Saddam Arts Centre Baghdad (Foto: Hollandse Hoogte)


=]`Z]US\dO\\c

=]`Z]US\

7ZZcab`ObWS(;/@3<B63•

/\RS`SQ]\ÀWQbS\

=]`Z]US\e]SRS\d]]`bRc`S\R a^SSZRS\]Ta^SZS\h]U]SROZa]dS`OZ S\hWX\]\dS`USbSZWXYDO\ROO`ROb SS\hSS`hSS`U`]]bRSSZdO\RS eS`SZRPSd]ZYW\UVS`W\\S`W\US\OO\ {{\]T[SS`RS`S]]`Z]US\VSSTb DOOYhWX\RWSVS`W\\S`W\US\h]abS`Y RObhShSZTaR]]`YW\RS`S\S\YZSW\ YW\RS`S\[SSUSR`OUS\e]`RS\H] a^`SYS\3c`]^SO\S\\cOZPWX\OSS\ SSce]\]^V]cRSZWXY]dS`RSbeSS eS`SZR]]`Z]US\RWS]^Vc\Q]\bW\S\b PSU]\\S\/[S`WYO\S\VS`W\\S`S\ hWQVRShShSZTRS]]`Z]US\^ZcaRWSW\ a][[WUSUSPWSRS\dO\:ObWX\a/[S`WYO 9]`SODWSb\O[/TUVO\WabO\7`OY =]YW\@caZO\RWa[S\RSBeSSRS ES`SZR]]`Z]UOZZS`[W\abdS`USbS\hWX VSbRObRSVS`W\\S`W\U]dS`aQVORceR e]`RbR]]`RWSOO\VSbQ][[c\Wa bWaQV`SUW[SS\RS\WSceS]]`Z]US\ RWSVSbUSd]ZUhWX\dO\VSbcWbSS\dOZ ZS\dO\RSA]dXSbC\WS2WbZOObabS USZRb]]Yd]]`bOZdO\d]]`[OZWUS =]abPZ]YZO\RS\2S1VW\ShS\VS`W\ \S`S\hWQVRS]]`Z]U[SbRS8O^O\ \S`aZWXYS\]]YRS9]cRS=]`Z]U \]UabSSRa\WSbVSZS[OOZdS`USbS\ bSVSPPS\S\e]`abSZS\W\abWZbS[Sb RS[]]`RRORWUSS`TS\WadO\;O]7\ 8O^O\R]Sb[S\OZSS\[S\aS\ZSST³ bWXRh¸\PSabRSa[SbdO\RSBeSSRS

ES`SZR]]`Z]UcWbbSeWaaS\bS`eWXZbOZ dO\HcWR]]ab/hWObWaQVSZO\RS\h]OZa DWSb\O[S\9]`SO\]UROUSZWXYaRS W\dZ]SR]\RS`UOO\dO\RS]]`Z]US\ RWSSS\VOZdSSSceUSZSRS\]^Vc\ U`]\RUSPWSR^ZOObad]\RS\=^VSb /T`WYOO\aSQ]\bW\S\bb]baZ]bhWX\ ]]`Z]US\aW\RaRSRSY]Z]\WaObWSh] aQVS`W\US\W\aZOURObRS<SRS`ZO\RaS a^SQWOZWab]^RWbUSPWSRSZRS`aW\RWb bWXRaQV`WTbdO\SS\dSS\P`O\Ra^`SSYb 9]`b][OZaXSh]c^`]PS`S\SS\ eS`SZRYOO`bbSbSYS\S\dO\RS ]]`Z]US\Pc`US`]]`Z]US\S\O\RS`S USeO^S\RSQ]\ÀWQbS\W\RS OTUSZ]^S\V]\RS`RXOO`h]cRS\

ROO`]^eSW\WUUSPWSRS\\WSbd]]`Y] [S\6SbWaRO\]]Y\OceSZWXYabSdSSZ UShSUROZaXSPSeSS`bRObeSW\WUS\ W\RShSeS`SZRUSS\VS`W\\S`W\UOO\ ]]`Z]UVSPPS\ 9][bRWSVS`W\\S`W\U\WSbcWbS`dO`W\U RO\Y][bVWXeSZcWbdS`VOZS\dO\RS ]cRS`a]TU`]]b]cRS`a¿Z[aR]Qc [S\bOW`SaS\T]b]¸a<WSbbS[W\WaVSb OO\bOZQ]\ÀWQbS\RObRS\OO[·]]`Z]U¸ dS`RWS\b]^RWb[][S\b$#XOO`\O VSbSW\RSdO\RSBeSSRSES`SZR]]` Z]UUS`W\UD]]`cWbUSP`SWRSW\T]` [ObWShWS]\RS`[SS`RSeSPaWbSdO\ VSb6SWRSZPS`US`7\abWbcbTŒ`7\bS`\O bW]\OZS9]\ÀWYbT]`aQVc\U

2S]]`Z]UbSUS\RSDA]TeSZRSEO`]\ bS``]`dO\RSDAS\hWX\P]\RUS\]bS\ hWX\dOUSPSU`W^^S\d]]`RS[WaaQVWS\ eSZPSZO\U`WXYabS]]`Z]URWS]^RWb [][S\be]SRb3S\RS`USZWXYSab`WXR e]SRbSWUS\ZWXYOZZO\UOZVSSbbSbS``Sc` d]]`VSS\UcS``WZZOS\eS`RdSSZOZUSOa a]QWSS`R[SbZW\YaAW\RaaS^bS[PS` WaRObdS`O\RS`RS\e]`RbRS OZ][bSUS\e]]`RWUS]]`Z]UW\RSSS`abS ^ZOObaW\dS`PO\RUSP`OQVb[SbRS P]baW\UbcaaS\VSbESabS\S\RSWaZO[


7a`O~Z(6Sb7a`O~ZWaQV>OZSabWX\aQ]\ÀWQbRcc`bOZaW\RaRS abWQVbW\UdO\RSabOOb7a`O~ZW\'"&h]\WSbZO\US`6SbWa SS\dO\RS[SSabPSa^`]YS\S\d]]`RSeS`SZRd`SRS[SSab PSR`SWUS\RS]]`Z]US\2S>OZSabWX\S\SWaS\SS\SWUS\abOOb bS`cUYSS`\OO`RSUSPWSRS\dO\eOO`hSW\'"&dS`R`SdS\ hWX\S\]^h¸\[W\abS`YS\\W\UdO\RSU`S\hS\dO\d„„`RS HSaROOUaS]]`Z]UdO\'$%2S7a`O~ZW~`aSWaS\dSWZWUVSWR S\S`YS\\W\UR]]`RS/`OPWaQVSS\7aZO[WbWaQVSUS[SS\aQ VO^dO\Vc\PSabOO\6Sbb]bOZSOO\bOZaZOQVb]TTS`adO\VSb Q]\ÀWQbdOZbW\dS`V]cRW\U[SS6SbhWX\S`h]¸\#

/TUVO\WabO\(2S/TUVOO\aS 0c`US`]]`Z]Ue]SRbaW\RaVSb [][S\bROb7aZO[WbWaQVS[cXO VWRSS\W\]^abO\RYeO[S\bSUS\ VSbR]]`RSA]dXSbC\WSUSabSc\³ RSQ][[c\WabWaQV`SUW[S('%& \cOZ[SS`RO\RS`bWUXOO`Rca 3\YSZSXO`S\\ORObRS@caaS\hWQV bS`cUUSb`]YYS\VORRS\'&' YeO[VSbZO\RW\VO\RS\dO\ SS\RWS[cXOVWRSS\HWX\PSeS UW\Uab]\RPSYS\ROZaBOZWPO\ ·abcRS\bS\dO\RS7aZO[¸HWX dS`]dS`RS\W\''$RS/TUVOO\aS V]]TRabOR9OPcZdO\eOO`hWX\O aS^bS[PS` R]]`/[S`W YOO\aSS\0`WbaSab`WXRY`OQVbS\ eSS`dS`R`SdS\eS`RS\H]OZa ROUSZWXYabSV]`S\WaeS`RRS ab`WXR[SbRSESabS`aSPShSbbW\U OZZS`[W\abPS~W\RWUR6]SeSZOO\ bOZZS\[]SWZWXYbSOQVbS`VOZS\hWX\ UOOb[S\S`dO\cWbRObRS /TUVOO\aS]]`Z]Uh]¸\beSS[WZ X]S\aZOQVb]TTS`aVSSTbUS[OOYb

A][OZW~(2SA][OZWaQVS0c`US`]]` Z]UPSU]\W\''S\YSZSXO`S\\ORS ^Z]baSZW\USR]]RdO\RS[O\RWSVSb ZO\RaW\Ra'$'PSabcc`RVOR6WS`]^ YeO[S\hWX\OO\VO\US`aS\Vc\bS US\abO\RS`a[SbSZYOO`W\Q]\ÀWQbS\ `WS^VSb\]]`RSZWXYRSSZdO\VSbZO\RRS ]\OTVO\YSZWXYVSWRcWb:ObS`dS`YZOO`RS\ ]]YO\RS`SUSPWSRS\hWQV]\OTVO\YSZWXY =\RS`bcaaS\VORRS\hWQV]]Yb`]S^S\ dO\RSDS`S\WURS<ObWSaW\VSbZO\R USdSabWUR2Ob[OOYbSRSaWbcObWSS` \WSbSS\d]cRWUS`]^DO\OT $Y`SSU RSab`WXRabSSRa[SS``SZWUWSchSQ][^] \S\bS\[SbOZaUSd]ZUROb]]Y3bVW]^W~ PSd`SSaRd]]`SS\U`]bS7aZO[WbWaQVS abOObhWQVS`[SSPSU]\bSPS[]SWS\ 6Sbb]bOZSOO\bOZaZOQVb]TTS`ae]`Rb USaQVOb]^!b]b"

A]SRO\(AW\RaPSUW\ !e]SRbW\2O`Tc`A]SRO\SS\Pc`US` ]]`Z]UbcaaS\OO\RSS\SYO\bRS`SUS`W\UW\9VO`b]S[S\RSR]]` RShSPSeO^S\RS[WZWbWSaS\OO\RSO\RS`SYO\b/T`WYOO\aS`SPSZ ZS\U`]S^S\/ZWaVSbdOOY\WSbRcWRSZWXYeOO`RSab`WXR^`SQWSa]dS` UOObS\Z]^S\RSPSZO\US\d]]`bRc`S\RR]]`SZYOO`RSQS\b`OZS bSUS\abSZZW\UWaSS\]cRS\O[SZWXYbcaaS\/`OPWS`S\S\/T`WYO\S\ 6WS`PWXY][S\R`]]UbSe]SabWX\d]`[W\UUSP`SYOO\U`]\Rab]T TS\S\^]UW\US\dO\RSQS\b`OZS]dS`VSWRVSbW\RS`SUW]d]]`VSb hSUUS\bSVSPPS\=dS`RSUSd]ZUS\PSabOOb[SS`RcWRSZWXYVSWR 2WShWX\[Sb`O[^hOZWUD]ZUS\aRSDS`S\WURS<ObWSahWX\S`OZh]¸\ "R]RS\USdOZZS\S\ [WZX]S\[S\aS\]\bVSS[RUS`OOYb

>OYWabO\(2S]]`Z]UW\<]]`RESab>OYWabO\WaSS\RW`SQbcWbdZ]SWaSZ dO\RS/[S`WYOO\aSPShSbbW\UdO\/TUVO\WabO\S\7`OYS\RSROO`]^ d]ZUS\RSab`WXRdO\RS/[S`WYO\S\S\VSb>OYWabOO\aSZSUS`bSUS\OO\ VO\US`adO\/Z?OWROS\O\RS`S7aZO[WbWaQVS]`UO\WaObWSa6SbOO\bOZ aZOQVb]TTS`ae]`Rb]^S\YSZSbWS\RcWhS\RS\USaQVOb

;SfWQ](2S;SfWQOO\aSR`cUa]]`Z]Ue]`RbdSSZOZ\WSb OZaSS\]]`Z]U[OO`OZaSS\W\bS`\Q]\ÀWQbPSaQV]ceR 2ObWaSWUS\ZWXYd`SS[ReO\bRS[SSabS]]`Z]US\dO\ RWb[][S\bhWX\W\bS`\SQ]\ÀWQbS\=]`Z]US\bcaaS\ abObS\h]OZaW\VSbdS`ZSRS\USP`cWYSZWXYY][S\\Oc eSZWXYa\]Ud]]`DO\ROO`RObRSR`cUa]]`Z]UeSZRS USZWXYSS\]]`Z]UWa[SbdSSZUSeSZRdSZSR]RS\S\SS\ dS`ZO[[S\RScWbeS`YW\U]^VSbZO\R2S]]`Z]UPSU]\ SW\R $b]S\^`SaWRS\b4SZW^S1OZRS`„\PSaZ]]bSS\ SW\RSOO\RSQ]``c^bWSbS[OYS\S\RS[OQVbdO\RS R`cUaYO`bSZabSP`SYS\=T¿QW~ZSabObWabWSYS\VORRS\W\ [OO`b 'W\dS`PO\R[SbRSPS\RS]]`Z]US\OZ[SS` RO\[]]`RS\US`SUWab`SS`R

7`OY(/\RS`VOZTXOO`\ORS bS``]`WabWaQVSOO\aZOU]^ <SeG]`YdWSZS\/[S`W YOO\aSS\0`WbaSb`]S^S\VSb 7`OYdO\AORO[6]SaaSW\ PW\\S\2S[OQVbdO\RS RWQbOb]`eS`Ra\SZUSP`] YS\[OO`RS]]`Z]UeOa OZZS`[W\abd]]`PWXAW\RaRWS\ Wa7`OYW\SS\`O[^hOZWUS aWbcObWSdS`eWYYSZReOO`PWX bOZZ]hS\][USY][S\hWX\ 2SQWXTS`aZ]^S\abS`YcWbSS\ ESZhWX\S`^`SQWShSQWXTS`a ]dS`VSbOO\bOZ/[S`WYOO\aS R]RS\2Obab]\RPSUW\ TSP`cO`W ]^`cW["!


Reportage

Tekst

Beeld

De Eerste Wereldoorlog

Chrisje en Kees Brants

Tim Dirven

Pagina

6

Op 25 juli jongstleden overleed Harry Patch, 111 jaar oud, waarschijnlijk de bekendste van de veteranen van de Eerste Wereldoorlog. En ook een van de laatste. De veteranen zijn het levende bewijs van de Eerste Wereldoorlog. Met hen verdwijnen de resten van het voormalige westelijke front, waar tegenwoordig horden slagveldtoeristen het oorlogsverleden tot zich nemen.

Het oorlogsverleden als toneeluitvoering Een week voor Patch overleed Henry Allingham, met zijn 113 jaar niet alleen de oudste veteraan maar ook de toen nog oudste Brit. Het gaat hard. Op het moment van dit schrijven leven waarschijnlijk nog drie oud-soldaten die de oorlog meemaakten – en niet echt van dichtbij: een Australische Brit en twee Amerikanen. Met de dood van de laatste veteranen die aan het front hebben gevochten (in 2008 ook de laatste Duitser en de laatste Fransman, de laatste Belg was al eerder overleden), eindigt de herinnering en begint de geschiedenis van de even legendarische als absurde slachtpartijen aan het westelijk front. Daar maakte modder elke slagvaardigheid welhaast onmogelijk en maalden de oorlogsmachines van Duitse en geallieerde kant elkaars loopgraven en hun bewoners fijn om de winst of het verlies van een paar honderd meter. Tijdens bijzondere herdenkingsdagen zal Harry Patch niet meer vanuit zijn rolstoel en getooid met rijen medailles, luisteren naar de Last Post onder de Menenpoort in Ieper. En evenmin zullen veteranen de herdenking van de slag aan de Somme opluisteren, zoals wij die een jaar of tien geleden meemaakten in het Noord-Franse Albert. Op het toneel van het plaatselijke theater, tijdens een sing along voor een zaal vol Britten, hield een kaarsrechte, boomlange oud-officier van 103, zonder microfoon, een gloedvolle toespraak voor de enkele honderden aanwezigen, waarna de hele zaal de muzikale successen van weleer inzette: It’s a long way to Tipperary, het licht ondeugende Mademoiselle from Armentiers, Pack up your troubles in your old kit-bag. Veteranen vormden met hun aanwezigheid het levende bewijs van de Eerste Wereldoorlog en de verbinding met de gruwelen van het verleden. Met hun verdwijnen resten van het voormalige westelijke front slechts gekoesterde stukjes slagveld, soms wat al te nadrukkelijk opgeschoonde loopgraven, vervallen of splinternieuwe musea, herinneringen in dagboeken en de langzaam weggeploegde of bebouwde littekens in het Belgische en Franse landschap. Ze zijn voortaan het exclusieve terrein van steeds meer slagveldtoeristen.

Verkleedspel Waar sinds 1926 de Ieperse brandweer elke avond de Last Post voor een verdwaalde enkeling blies, verdringen zich tegenwoordig avond aan avond honderden nieuwsgierigen om iets van het ritueel te zien. De volgende ochtend vertrekken ze met hun tourbusjes naar de loopgraven, of bezoeken het In Flanders Fields-museum waar met regelmatige tussenpozen en ingenieuze geluidseffecten granaten over je hoofd lijken te zoeven. Rond de indrukwekkende, honderd meter brede Lochnager Crater bij La Boiselle in het Somme-gebied, restant van de grootste mijn van het westelijk front, op 1 juli 1916 tot ontploffing gebracht, drommen bij herdenkingen eveneens de toeristen samen. Wij stonden daar ook ooit tussen, om half acht ’s ochtends, en hoorden onverwacht het ritmisch dreunen van soldatenkistjes. Een twintigtal jonge Fransen, gestoken in Engelse uniformen uit het verleden maar met onmiskenbaar modern uiterlijk, marcheerden achter ons langs over de plaatselijke landweg en verdwenen in de mist. De klanken van een Schotse doedelzak – door een Fransman bespeeld – dwongen onze blik weer richting de met gras begroeide, keurig verzorgde krater. Toen dwarrelden honderden namaakklaprozen naar beneden – poppies die voor de Britten het symbool van de oorlog zijn – handenvol, uit de mandjes die voor de toeristen klaarlagen. ’s Avonds liepen we achter een peloton bebaarde, in het blauw gestoken Franse WO1-soldaten, vies en modderig, vers van het slagveld en zingend op weg naar hún herdenking op de Franse begraafplaats. Niet alleen bij bijzondere gelegenheden, maar ook zo maar, her en der langs het oude slagveld, wordt de oorlog steeds vaker uitgebeeld en nagespeeld. Het gebeurt elk weekend en door enthousiaste jongemannen die zich in zorgvuldig nagemaakte uniformen van de verschillende partijen steken. Aan de Haute Chevauchée, een heuvelachtige streek ten westen van Verdun, zijn de bossen doortrokken van oude loopgraven en diepe mijnkraters. Al wandelend door dit onmiskenbare verleden, kwamen we eerst een groepje jonge Duitsers tegen, gekleed in dubieuze camouflage-


Reportage

De Eerste Wereldoorlog pakken en met metaaldetector op zoek naar, laten we neutraal zeggen: metaalresten van de oorlog. Kort daarna liepen we weer tegen een groepje Duitsers aan: WO1-soldaten in de authentieke uniformen van Frontschwein en Feldwebel, vergezeld van een Krankenschwester. Al snel bleek het om als Boches verklede Fransen te gaan, die vanaf een nagemaakte Duitse veldkeuken – de Gulaschkanone – Bonensuppe aan groepjes toeristen serveerden. Verderop in Verdun namen we plaats in een Eftelingachtig karretje om door driedimensionale en holografische verbeeldingen van oorlogstaferelen te rijden, diep in de voormalige citadel. Van daaruit werden ooit de Franse soldaten vervoerd naar de hel van het front: daar waren geen loopgraven meer, alleen modderige granaattrechters. En mannen keken er afgestompt toe hoe paarden verdronken, in hetzelfde gore water waarin de lichaamsresten van hun kameraden dreven.

Kijkdozen met foto’s Slagveldtoerisme is een raar verschijnsel. De gastenboeken van de Britse erebegraafplaatsen staan vol met getuigenissen en gevoelens van (achter)kleinkinderen die de laatste rustplaats van opa hebben gevonden en voor wie de oorlog daarmee een bijzondere dimensie heeft gekregen. Maar de Nederlandse slagveldtoerist heeft niet die familiale dichtbijheid of persoonlijke noodzaak. Wat heb je dan te zoeken op plaatsen waar lang geleden zoveel mensen, zo gruwelijk hebben geleden en zijn omgekomen? Dubbele gevoelens maken zich van je meester als je over het antwoord nadenkt. Slagveldtoeristen waren er al meteen na de oorlog, meestal oudstrijders en nabestaanden die zelf wilden zien waar man, vader, broer waren omgekomen. Ze trokken als pelgrims naar het nog maar net verlaten front. Maar er kwamen ook, zomaar, nieuwsgierigen, die zich gretig zetten aan de vues stéréoscopiques. Deze mahoniehouten kijkdozen met doorgaans gruwelijke driedimensionale foto’s waren te vinden in alle musea – en staan er nog. Zelfs

Pagina

8

voor de huidige video- en internetgeneratie hebben ze niets aan fascinerend vermogen ingeboet. Vandaar dat wij samen met Britse schoolkinderen op verplicht slagveldbezoek in Ieper (WO1 is deel van het schoolcurriculum) aan die kijkkastjes gekluisterd zitten. Wat willen we daar, we zijn er toch niet alleen voor de gruwelijkheid? Niet alleen, maar in elk geval ook, want bijna niets roept meer verbijstering op dan de verwoesting die op deze glazen stereoscopische plaatjes is vastgelegd. Om je deel van de geschiedenis te voelen, zoek je de plek van nu om toen te begrijpen: de oude loopgraven, de herdenkingen, de cafés (De la bombe, Het kanon, The shell hole, Du souvenir of De vuurlinie, waar de plaatselijke bevolking een biertje drinkt tussen opgepoetste granaten en oude foto’s), de uitdragers, de musea met te koop aangeboden militaria, de begraafplaatsen en monumenten, zo’n bezoek is een zoektocht om te leren, te gruwen, te lachen soms, of iets te kopen. Krijg je iemands dagboek in handen of, zoals wij ooit, een doos vol brieven van het front en een fotoalbum met kiekjes van de eigenaar in gasmasker ergens in Vlaanderen, dan koester je zo’n bijzondere vondst, die de oorlog persoonlijker en echter maakt dan welk museum of bewaard stuk slagveld ook. Maar tegelijkertijd maakt zo’n bezit je ook tot voyeur, opkoper van het verleden die een inkijkoperatie uitvoert in iemands privégeschiedenis. Daverend applaus Dat loopgraven soms – meestal – zijn nagebouwd, de musea met moderne technologische foefjes zijn opgeleukt, herdenkingen zorgvuldig geregisseerd en verkleedpartijen zo langzamerhand een verplicht nummer worden, doet dat allemaal ter zake? Ja en nee. Misschien brengt niets de oorlog dichterbij dan de authentieke verbeelding van verlies en verdriet van de aandoenlijke Britse begraafplaatsjes met soms maar negen, tien, hagelwitte grafstenen in een onberispelijk gazon, of de beelden van Käthe Kollwitz op het Soldatenfriedhof in het Vlaamse Vladslo: twee treurende ouders, aan hun voeten een platte steen met opschrift: Peter Kollwitz, Musketier † 23.10.1914; hij was 18 jaar oud. Maar je wordt ook geraakt door de spookachtige Tommies die zwijgend voorbij de herdenking aan de Somme marcheren en van de treurige bugels onder de Menenpoort gaan de haren in je nek recht overeind staan, elke keer weer, ook al heb je die Last Post nog zo vaak gehoord en sta je met honderden te dringen. De vrolijke Gulaschkanone bij de Haute Chevauchée en de mede omwille van het toerisme met emoties aangezette en in scène gezette rituelen zullen voor sommigen – ons in ieder geval – teveel van het goede zijn. Maar niet alleen zij, ook de hele ‘opdat-wijniet-vergeten-industrie’ die het slagveldtoerisme is geworden, wekt dubbele gevoelens op. Het is tegenwoordig niet ongebruikelijk dat het publiek, te midden van de tienduizenden namen van vermisten die in de Menenpoort zijn gebeiteld na de Last Post in een daverend applaus uitbreekt alsof ze zojuist een mooie show hebben gezien. Weten we met onze emoties geen raad? Of is het inderdaad een show geworden, het front niet meer dan een groot toneel waar de bezoekers lering zoeken, zeker, maar evenzeer vermaak? We willen herinneren en begrijpen, geschokt zijn ook, ons deel van de geschiedenis weten, maar doen we haar niet onvermijdelijk geweld aan door haar aan te kleden en op te poetsen en niet haar natuurlijke loop te laten? De grens tussen het beeld van de oorlog en de verbeelding vervaagt. Het is het dilemma van de geschiedenis – en van de slagveldtoerist.


Column

Oorlog & Liefde

Door

illustratie

Steffie van den Oord

Peter Pontiac

Pagina

9

Als herboren Toen ik Zinaïda Walichova ontmoette was ze majestueus en in de tachtig. Marius Sterk was al vijfentwintig jaar dood. Zij was Ostarbeiterin, slavenarbeidster, geweest. Hij had in de Arbeitseinsatz gewerkt. Ze kenden elkaar één dag toen hij – uit het niets, in het Duits – vroeg: ‘Gehen Sie mit nach Holland?’ Op een vrachtwagen, op een houten bank, zaten ze naast elkaar. Zijn hand durfde ze niet vast te pakken: ‘Ik kende hem niet goed genoeg.’ Drie ellendige oorlogsjaren lang had Zinaïda naar haar familie verlangd, naar de Krim. Maar ze was bevrijd en stapte zomaar op een vrachtwagen die tegenovergestelde richting op reed. In haar zak zat een briefje, met zijn vreemde handschrift. Daarop stond in drie talen dat hij beloofde Zinaïda Walichowa te trouwen. Een bezorgde Amerikaanse commandant had het hem laten vastleggen. Toen ik Zinaïda ontmoette in haar Amsterdamse flatje, zette ze een pan op het vuur en zei: ‘De natuur overwon.’ Ze gaf me een bord kruidige tomatensoep, daarna begon ze te vertellen. Dat ze als kind met bloedarmoede in haar doodsjurk op bed lag, toen een tante afscheid nam met in haar hand toevallig een netje tomaten. Zinaïda wees ernaar, at ervan, knapte op. ‘Wonderlijk toeval…’ In haar zachtgroene blik ligt voortdurend verbazing. Terugkijkend bepaalden plotselinge, wonderlijke wendingen haar leven. ‘Zo ging het ook met mijn Hollander.’ Gloedvol sprak Zinaïda over de rode aarde van de Krim waar ze op blote voeten had gelopen, over de verboden iconen-

‘Ik gaf alles op voor een man die ik niet kende. Het voelde als verraad aan mezelf’ hoek van opa, het zingen bij de Pioniers. Ze verhaalde over de Grote Vaderlandse Oorlog (WO II), over haar vader die in een half uniform vertrok naar het front, over de dag dat er op de deur werd gebonsd. Zinaïda en haar tweelingzus Ludmilla moesten meteen meekomen, zo niet dan werd haar moeder doodgeschoten door een collaborerende militie. Vijftig meisjes en vrouwen stapten in een veewagon. Hun zwaaiende moeders werden stippen, toen stipjes. Uitgeput kwamen de meisjes en vrouwen aan in een barakkenkamp in Essen, waar ze werden genummerd en gefotografeerd. Zinaïda verloor Ludmilla uit het oog, ze kreeg groenteafval te eten, ze dacht: ‘Eten Duitsers zo slecht?’ Op haar borst droeg ze een blauw lapje met het opschrift: OST. Zonder veiligheidshandschoenen zou ze jarenlang glasbuizen maken.

Fragiel maar krachtig stond de oude Zinaïda op om te laten zien waar het glas had gesneden: haar handen, armen, benen droegen de sporen van de jaren bij Krupp. Ze zei: ‘De gedachten aan mijn moeder, mijn tweelingzus, mijn vader die tegen de Duitsers vocht, mijn biddende opa, de Zwarte Zee en de meloenenvelden van Saki hielden mij overeind. Ik zou ze weer terugzien, ooit.’ Het werd voorjaar, het werd 1945. In afwachting van haar terugkeer naar de Sovjet-Unie leefde Zinaïda met talloze displaced persons in een oude gevangenis. Al was ze vrij, ze hielp met vertaalwerk, met formulieren. ‘Een man kwam het kantoor binnen en had alleen nog oog voor mij. Ik zag hem en was sprakeloos. Om ons heen bestond niets meer. Ik was op slag verloren. Zijn sprekende ogen en zijn zwarte, wilde wenkbrauwen gaven mij vertrouwen, ik werd erdoor overmeesterd.’ Later op de dag werd er op haar celdeur gebonsd door de man met de wenkbrauwen. Marius Sterk. Met in zijn hand een foutief ingevuld formulier. Een excuus. ‘Gaat u mee naar Holland?’ vroeg hij. Zinaïda staarde naar de gevangenismuur en knikte. ‘Alles gleed van mij af, alle zorgen: hoe kom ik op de Krim en zou mamma nog leven? Ik was blij, overrompeld. Maar tegelijkertijd voelde ik mij zwak. Nu kon ik naar huis en nu ging ik niet. Verraad aan mezelf. Ik gaf alles op voor een man die ik niet kende. Ik schaamde me en bleef maar naar de muur kijken.’ In Nederland kreeg ze haar eerste zoen. ‘Maar op mijn trouwdag begon het. Terwijl Marius en zijn familie feestten, dacht ik aan moeder. Hoe had zij deze dag beleefd? Mijn zus was overleden in Duitsland, mijn vader was gesneuveld, en het ergste was: ik kon mamma niet troosten, geen arm om haar heen slaan. Heimwee is een verschrikking, het overheerst alles. Zelfs de liefde.’ Naar de Sovjet-Unie reizen was onmogelijk. Pas in 1958 kreeg Zinaïda toestemming. ‘Mamma was oud geworden. Ik heb die avond zo veel wodka gedronken dat ik buiten bewustzijn raakte. Met haar speciale thee heeft moeder me weer opgelapt. En ik voelde me als herboren.’


Lezen en luisteren 1

Pagina

Martin van Creveld

10

Martin van Creveld is een van de belangrijkste wetenschappers van dit moment op het gebied van de krijgskunde. Hoewel geboren in Nederland, groeide hij op in Israël. Van daar reist hij de hele wereld over en adviseert regeringen over oorlogsvraagstukken en militaire strategieën. Opmerkelijk is dat hij nogal wars is van politieke correctheid. Zo is een van zijn meest bekende uitspraken dat regeringsleiders onvermijdelijk wreed zijn en dat iemand die dat weigert nooit meer dan heerser over Disneyland kan worden. Van zijn werk hebben in officiële kringen vooral de boeken over strategie en tactiek van de

moderne oorlog aandacht getrokken. Een van de centrale stellingen daarin is dat conventionele oorlogen van staten tegen staten tot het verleden behoren, maar dat legers en militaire training aan die veranderde situatie onvoldoende aangepast zijn. Van Crevelds werk is sinds lange tijd verplichte stof in Amerikaanse officiersopleidingen. Bij het grote publiek zijn vooral zijn boeken over de veranderingen in de moderne oorlog en oorlogscultuur populair. Beide boeken werden ook in het Nederlands vertaald, respectievelijk als De evolutie van de oorlog, Van de Marne tot Irak en Oorlogscultuur.

‘Ik werd op 5 maart 1946 als Martin (‘Tijn’) van Creveld in Rotterdam geboren. Dat gebeurde precies negen maanden nadat mijn ouders in het gemeentehuis van deze stad getrouwd waren. Zij, Leon en Greet van Creveld (mijn moeders meisjesnaam was Wijler), hadden de Holocaust overleefd door ongeveer de laatste achttien maanden van de oorlog onder te duiken. Wij woonden in Voorburg, bij Den Haag,

In ons nieuwe huis, een tweekamerflat in Ramat Gan, een voorstad van Tel Aviv, stond het eten klaar. Er stond een waterkan op tafel en zo leerde ik mijn eerste Hebreeuwse woordje: mayim, water. Ik groeide op in Ramat Gan. Thuis spraken we Nederlands maar met de tijd kropen daar steeds meer Hebreeuwse woorden in zodat we ‘ten li et haju’ zeiden als we om jus vroegen of van ‘la’assot’, schoenenpoetsen

‘Als kind was ik al gefascineerd door oorlogsverhalen’ waar mijn vader voor het ministerie van Economische Zaken werkte. Ik kan niet zeggen dat ik me van mijn jeugdjaren in Nederland veel herinner. Ik weet nog dat we een kindermeisje hadden dat Ko heette en dat ik naar de kleuterschool ging. Er zijn ook nog een paar foto’s uit die tijd: van mij als blonde dreumes in een teil met water, van mij onder een sproeier (ik moet iets met water hebben gehad) en van mij terwijl ik op mijn kop stond. Maar ik weet niet goed of ik me dergelijke zaken, werkelijk herinner of dat de herinnering een gevolg is van wat op die foto’s staat. Mijn ouders waren verstokte Zionisten. Vandaar dat wij in juli 1950 met mijn twee jongere broertjes naar Israël gingen. Ik herinner me onze aankomst nog heel goed. Mijn vader was ons voorgegaan en haalde ons af in een taxi.

spraken. Tijdens mijn schooltijd leerde een kennis van mijn ouders ons Nederlands lezen en schrijven. Haar naam was Dora Oppenheimer. Ik bewaar goede herinneringen aan haar. Ze gebruikte een leesplankje met aap, noot, Wim en de rest. Tot op de dag van vandaag kan ik vloeiend Nederlands spreken en lezen. Schrijven daarentegen durf ik niet zo goed. Ik ben bang fouten te maken. Vroeger was dat anders. Als kind schreef ik vaker in het Nederlands. Militaire geschiedenis Mijn belangstelling voor de geschiedenis dateert uit 1956 toen ik een boek in handen kreeg met de titel Wereldgeschiedenis in een notedop. Het moet van mijn ouders zijn geweest, al hebben ze dat altijd ontkend. Ik was gefascineerd door de verhalen over de oorlogen tussen de Grieken en de Perzen en door de zwart-wittekeningen aan het eind van elk hoofdstuk. Ik had geen idee wat historici deden, maar ik besloot toen al om historicus te worden. Op mijn achttiende ging ik naar de universiteit en haalde mijn kandidaats en doctoraal in Jeruzalem, vervolgens promoveerde ik aan de London School of Economics. In 1971 was ik klaar en ging

terug naar de Hebrew University van Jeruzalem. Daar bleef ik gedurende zesendertig jaar, tot ik in 2007 met vervroegd pensioen ging. Het is ongebruikelijk maar toch: mijn besluit me in militaire geschiedenis te specialiseren viel nadat ik gepromoveerd was. De reden was een pragmatische. Ik wilde een gebied dat van mij alleen was en dat gold voor militaire geschiedenis. Er was op dat moment in Jeruzalem niemand die zich daarmee bezighield. Wat ook een rol gespeeld zal hebben, is dat ik me op het Israëlische leger wilde wreken. Vanwege mijn hazenlip mocht ik niet in dienst en ik wilde ze laten zien dat ik meer van het onderwerp wist dan zij. De beslissing bleek een gelukkige. Om te beginnen speelde destijds de Vietnamoorlog en de ontdekking door de Amerikanen dat militaire geschiedenis een verwaarloosd maar interessant terrein was. Vervolgens was er de oorlog van oktober 1973. Hierdoor werd duidelijk dat een conventionele oorlog in de wereld van na Hiroshima nog altijd mogelijk was. Militaire historici kregen op deze wijze de wind mee en binnen een paar jaar liep ik bij het Pentagon in de kijker. Vervolgens was ik jarenlang hun adviseur. Hoewel ik langzamerhand bekend werd, duurde het tot 1995 dat ik een uitnodiging kreeg om naar Nederland te komen. Sindsdien heb ik mijn geboorteland vele malen bezocht om lezingen te geven of mensen te spreken. Er was schijnbaar iets veranderd, al is het niet aan mij om te zeggen wat dat is. In elk geval begin ik het land met elk bezoek plezieriger te vinden en ervaar ik een sterke band. Ik hoop er nog vaak te komen.’


EObWa ]]`Z]U SWUS\ZWXY-

2S#[SSab USabSZRSd`OUS\ ]dS`]]`Z]U

EOO`][ ]]`Z]U-

7ZZcab`ObWS(;/@3<B63•

EOO`][ eWZRSS\S [S\aRS O\RS`S R]RS\-

2SPS`]S[RabSRS¿\WbWSdO\]]`Z]UWa OTY][abWUdO\RS>`cWaWaQVS[WZWbOW`1O`Z>VWZW^^ 5]bbZWSPd]\1ZOcaSeWbh%&&!(·=]`Z]U Wa\WSbaO\RS`aRO\SS\d]]`bhSbbW\UdO\RS ^]ZWbWSY[SbUSP`cWY[OYW\UdO\O\RS`S [WRRSZS\¸=dS`RShSRS¿\WbWSWaW\RSOTUSZ]^S\beSSV]\ RS`RXOO`dSSZUSRSPObbSS`R2OO`PWXWad]]`OZRcWRSZWXYUS e]`RS\ROb1ZOcaSeWbh¸][aQV`WXdW\Ubg^WaQVWad]]`SS\bWXR eOO`W\abObS\PS^S`YbS]\RS`ZW\US]]`Z]US\cWbd]QVbS\S\ ZSUS`a]\RS`USaQVWYbeO`S\OO\RS^]ZWbWSY7\SS\bWXReOO`W\ ]]`Z]US\abSSRadOYS`cWbUSd]QVbS\e]`RS\R]]`U`]S^S\ ]TW\RWdWRcS\[SbSS\]\RcWRSZWXYS^]ZWbWSYSPSR]SZW\UWa RSRS¿\WbWS\WSbZO\US`USZRWUS\Y`WXUb]]`Z]U]^\WScehWX\ ]]`a^`]\YSZWXYSPSbSYS\Wa(dO\SS\aWbcObWSRWSP]dS\OZdS`eO` `S\RWaVSb3\USZaSe]]`ReO`]TVSb4`O\aSeS``SUcS``SWa dS`eO\bOO\VSb2cWbaSdS`eW``S\ROb]^hWX\PSc`bW\VSbeO``WU ]TdS`eO``S\hWb

6SbPO`abdO\RST`OOWS O\be]]`RS\]^RSd`OOU eOO`][\ObWSa]TU`]S^S\bS\ ab`WXRSb`SYYS\>agQV]Z]UWaQVS( RS[S\aWaUSeSZRRORWU]TVSSTb bS``Wb]`Wc[R`WTb2S[]U`O¿aQVS( ]]`Z]US\hWX\SS\USd]ZUdO\ cWbRWXS\RSPSd]ZYW\UaU`]S^S\ S\RSbSY]`bS\RWSROO`R]]` ]\babOO\@ObW]\OZWabWaQVS( ]]`Z]US\hWX\VSb`SacZbOObdO\ ]^^]`bc\Wa[SPS`SYS\W\U]T dS`ZO\US\\OO`dSWZWUVSWR 3Q]\][WaQVS(]]`Z]US\hWX\SS\ cWbdZ]SWaSZdO\SQ]\][WaQVS Q][^SbWbWS3\h]d]]`b;OO` USS\dO\RSbVS]`WS~\d]ZR]Sb ;OO`WaRObh]-;S\aS\R]RS\SZYOO` PSbS`UShSUR(a][[WUS[S\aS\R]RS\O\ RS`S[S\aS\]TeWZZS\RObR]S\[OO`ROb PSbSYS\b\]U\WSbRObOZZS[S\aS\R]RS\ ]TeWZZS\R]RS\ESZVOOabhSYS`eWZZS\RS [SSabS[S\aS\RObXcWab\WSbbS`eWXZhSS` dS`[]SRSZWXYeSZb]SW\abOObhWX\S\]]Y eSZSS\aRS\SWUW\Ud]SZS\]^Y][S\;OO` RWS\SWUW\Ue]`RbdSSZOZPSbScUSZRA][a ZcYbh]¸\PSbScUSZW\U\WSb]TS`US`\]U e]`RS\RS[]]`R\SWUW\US\hSZTaUSabW[c ZSS`RD]]`OZRWbZOObabSRS\YOZZSS\[OO` OO\\OhW2cWbaZO\RWaUSdOO`ZWXY

D]S`S\ RS[]Q`O bWS~\ ]]`Z]U-

<SSPSeSS`RSA^S\QS`@ESO`bW\SS\ a^`OOY[OYS\RP]SYcWb''&6SZOOae]`RbRS []]WSUSROQVbSW\hWX\OZUS[SS\VSWR[WaaQVWS\eSZXcWab dS`ab]]`RR]]`RS¿\WbWSYeSabWSaEO\beO\\SS`WaSS\ ZO\RSS\RS[]Q`ObWSS\eO\\SS`WaSS\Q]\ÀWQbSS\]]` Z]U-2OO`Y][XS\]]WbcWb<WSbbS[W\ZWXYb{{\RW\UdOabbS abOO\(RS[]Q`ObWS~\hWX\[W\RS`US\SWURb]b]]`Z]U RO\O\RS`SabOObad]`[S\ HOZSS\ eS`SZR h]\RS` ]]`Z]U ]]WbPS abOO\-

6SbO\be]]`RYO\S`[OO`{{\hWX\( ]^POaWadO\eObeSeSbS\cWbVSb dS`ZSRS\WaRWSYO\aUS`W\UBSUSZWXYS`³ bWXRhOZRSV]]^\]]Wb]^USUSdS\e]`RS\][ROb RSYO\aROO`R]]`\]UUS`W\US`e]`RbDO\ROO` RS^O`OR]fOZS`OORdO\SS\dO\RSU`]bSYS\ \S`adO\[WZWbOW`Sab`ObSUWSdO\RSbeW\bWUabS SSce0OaWZ6S\`g:WRRSZZ6O`b(·/ZaXSd`SRSeWZb []SbXS]]`Z]UPSU`WX^S\¸


Beeldreportage

Iconen van een tijdperk

Pagina

32 13

Oorlog en foto (of film) zijn onafscheidelijk. Eenieder heeft een aantal oorlogsbeelden op zijn netvlies. Zo zal de Irak-oorlog vermoedelijk nooit meer loskomen van de foto’s die in de Abu Ghraib gevangenis werden genomen en de oorlog in voormalig Joegoslavië van de foto die in de zomer 1992 getoond werd van een uitgemergelde man achter prikkeldraad. Helaas geldt voor vele van dergelijke foto’s wat ook voor laatstgenoemde oorlogsfoto geldt: ze geven lang niet altijd een getrouw en vaak zelfs een onjuist beeld van de gebeurtenissen. De reden ligt voor de hand: beelden zijn machtige wapens.

Larry Burrows - Nui Cay Tri (Vietnam) 5 okt. 1966. De gewonde Afro-Amerikaan gaat instinctief op zijn gestorven kameraad af. Te laat. De man (Jeremiah Purdie) werd jaren later met behulp van Burrows zoon opgespoord. De foto hing prominent in zijn woning, met daaraan vast de granaatsplinter die zijn hoofd was binnengedrongen. Fotograaf Burrows overleed in 1971 toen de helikopter waarin hij reisde boven Laos neergeschoten werd. (Foto: Life/Getty Images)

James Nachtwey - San Juan del Norte (Nicaragua) 1984. Contra’s dragen een gewonde kameraad. De man overleed enige uren later. Nachtwey (1948) is een van de belangrijkste Amerikaanse oorlogsfotografen van de twintigste eeuw. De foto werd bekroond door World Press. (Foto: VII/Hollandse Hoogte)


Beeldreportage

Pagina

32 14

Iconen van een tijdperk

Joe Rosenthal - Iwo Jima 23 febr. 1945. Voor Amerikanen is dit vermoedelijk de beroemdste oorlogsfoto ooit. De afgebeelde mannen werden stuk voor stuk helden. Toch is de foto niet helemaal echt want eerder al hadden anderen op dezelfde plek de vlag gehesen en een kiekje gemaakt. Het voldeed echter niet aan de eisen. Deze foto wel. Hij werd zo beroemd dat hij onderwerp is van vele artikelen, tal van controverses en een standbeeld. (Foto: US National Archives/ Hollandse Hoogte)

Robert Capa - Omaha Beach (Normandië) 6 juni 1944. Robert Capa (van wie ook de foto van de vallende brigadier uit de Spaanse Burgeroorlog) is vermoedelijk de beroemdste oorlogsfotograaf van de twintigste eeuw. Dit niet in de laatste plaats omdat hij betrokken was bij de oprichting van het foto-agentschap Magnum in 1947. Bij het zien van zijn niet geheel scherpe foto’s lijkt die roem vreemd. Maar misschien is het juist die onduidelijkheid die de magie bepaalt: de foto’s laten immers veel te raden over. Overigens zijn bijna alle foto’s die Capa op Omaha Beach maakte vanwege een fout bij het ontwikkelen verloren gegaan. Dit is een van de weinige die bewaard bleef. (Foto: Magnum/Hollandse Hoogte)

Eddie Adams - Saigon 1 febr. 1968. De gebruikelijke interpretatie van deze foto staat haaks op de bedoeling van de fotograaf. Laatstgenoemde maakte de foto vanuit het perspectief van de schutter, een generaal die een Vietcong-strijder voor de moord op een aantal Amerikanen zijn gerechte straf gaf. Maar de foto maakte van de schutter de bad en van zijn slachtoffer de good guy. Adams had later dan ook veel spijt van de roem ervan. (Foto: AP/Reporters) Anoniem - Vinnitsa (Oekraïne) sept. 1941.


Beeldreportage

Iconen van een tijdperk

Pagina

32 15

Anoniem - Warschau 13 juli 1943. Op deze beroemde foto van het joodse lijden zijn de hoofdpersonen later herkend. De jongen is Tsvi C. Nussbaum, hij overleefde de oorlog en emigreerde eerst naar Israël, vervolgens naar de Verenigde Staten waar hij arts werd. De man die hem onder schot houdt is Josef Blösche. Hij was betrokken bij de moord op honderden mensen en werd in 1969 in de DDR veroordeeld en geëxecuteerd. (Foto: Keystone/Hollandse Hoogte) Huynh Cong Ut (Nick Ut) - Long An (Vietnam) 8 juni 1972. Associated Press twijfelde aanvankelijk of deze foto van de gevolgen van een napalmbom wel vrijgegeven kon worden. Dit niet vanwege de gewelddadigheid en het verdriet maar omdat de centrale figuur naakt was. Die figuur, Phan Thj Kim Phúc, zou later nog uitvoerig van zich doen spreken en onderwerp zijn van vele artikelen, een boek en een documentaire. Zij werd Canadees staatsburger. (Foto: AP/Reporters)

Robert Capa - Cerro Muriano (Córdoba) 5 sept. 1936. Capa’s beroemdste oorlogsfoto en wellicht de meest bekende oorlogsfoto überhaupt. De foto lokt nog altijd polemiek uit. Volgens sommigen zou hij in scène zijn gezet, volgens anderen (ondermeer op basis van de houding van de linkerhand, net onder het been te zien) zou de Republikein al dood zijn en de foto dus echt. (Foto: Magnum/Hollandse Hoogte)

Yevgeny Khaldei - Berlijn 2 mei 1945. Nog meer dan de Amerikaanse foto van Iwo Jima is deze fake. Khaldei, de maker ervan, kende de Amerikaanse afbeelding en wilde daarvan een Russisch evenbeeld maken. Een plek had hij snel gevonden. Wat ontbrak was een vlag. Die werd in de nacht vóór het shot in elkaar genaaid. De oorspronkelijke afbeelding is overigens herhaaldelijk bewerkt, ondermeer door op de achtergrond rook toe te voegen. Opvallend is verder dat de soldaat achter degene die de vlag vasthoudt twee horloges draagt. Het zou als een van de vele bewijzen dienen van de communistische roofzucht. (Foto: Magnum/Hollandse Hoogte)


Column

Oorlog & Slachtoffers

Door

illustratie

Bob de Graaff

Peter Pontiac

Pagina

16

Leed meten Zijn oorlogsslachtoffers erg? Ja, zeggen we. Maar vinden we het altijd even erg of maakt ruimtelijke afstand nog een verschil? Zoals het geval met militairen in het veld, in zogeheten linieoorlogen. Dat wil zeggen oorlogen waarin men lijnrecht tegenover elkaar staat en soldaten daadwerkelijk op elkaar moesten schieten. In de Amerikaanse Burgeroorlog gebruikten veel soldaten hun geweer aanvankelijk in het geheel niet. Anderen schoten bewust over de hoofden van de tegenstanders. Uit onderzoek na de Tweede Wereldoorlog bleek dat nog geen twintig procent van de militairen op hun tegenstander schoot wanneer die direct in het zicht was. Pas daarna begon de kill-drill goed: in de Korea-oorlog bleek 55 procent van de soldaten bereid hun directe tegenstander te doden, in de Vietnamoorlog was dat zelfs 95 procent. Bij de beleving van oorlogsslachtofferschap door nietmilitairen maakt afstand eveneens verschil. Zichtbaar oorlogsgeweld is in het Westen zoveel mogelijk uitgebannen. We willen niet dat onze militairen sneuvelen, maar we zien ook de doden van de tegenstander liever niet. Legervoorlichtings-

Liever een ‘schone’ oorlog, waar je met een bord op schoot naar kunt kijken diensten proberen ‘schone’ oorlogen voor te schotelen: oorlogen waar je met een bord op schoot naar kunt kijken. President Bush ontkwam er niet aan foto’s van folterpraktijken te laten zien, maar beelden van de lijkkisten van gesneuvelde Amerikaanse soldaten wist hij buiten de media te houden. Als de pers in het Westen ons al eens confronteert met de rauwe werkelijkheid van een ‘primitieve’, dat wil zeggen niet door het Westen geregisseerde oorlog, wenden we het liefst het hoofd af. We kijken weg van mensen die elkaar met machetes te lijf gaan en letterlijk slachten. Dat noemen we oorlogsporno. Maar hoeveel erger is het ‘primitieve’ krijgsgeweld dan de strijdmethoden van het Westen? Tijdens de oorlog in Bosnië (1992-1995) stelde de Amerikaanse verslaggever Peter Maass de vraag: ‘Is een soldaat die de keel van iemand anders doorsnijdt barbaarser dan een militair die op een knop drukt waarmee hij een raket lanceert die duizend mensen doodt?’ Echt bloed zien we dus liever niet. De duizenden Tamilslachtoffers die in het voorjaar van 2009 in Sri Lanka vielen, kregen we nauwelijks te zien en werden ook snel vergeten. Ook niet-westerse regeringen weten steeds beter de camera’s weg te houden als er bloed vloeit. Tegelijk komen nog herhaaldelijk de drieduizend doden ter sprake die vielen op 11 september 2001, slachtoffers van een terroristische groepering, die de Amerikaanse regering de oorlog had verklaard. ‘Wij zijn allen Amerikanen’, kopte de Franse krant Le Monde

de volgende dag. Zouden wij ook allen Tamils kunnen zijn of Tutsi’s of inwoners van Darfur? We voelden ons verbonden met de Amerikanen, omdat ze ons cultureel, politiek en militair na staan en omdat we vreesden dat dit type geweld ook ons kon overkomen. ‘Helden’ noemden de Amerikaanse media de slachtoffers van 9/11. Maar dat waren zij natuurlijk niet. Het waren mensen die toevallig op die dag op de verkeerde plek waren. Slachtofferschap is echter geen verdienste, zei de Nederlandse oud-verzetsman C.C. van den Heuvel al. Tijdens de tweehonderd dagen durende slag om Stalingrad vielen alleen al aan Sovjetzijde achthonderdduizend slachtoffers, gemiddeld vierduizend per dag en in totaal meer dan tweehonderdvijftig 9/11’s achter elkaar. Toegegeven, van die achthonderdduizend waren er ‘slechts’ honderdduizend burger. Dan het beleg van Leningrad: daar stierven in dertig maanden alleen al zo’n één miljoen Sovjetburgers. Bepaalt behalve ruimtelijke distantie misschien ook afstand in tijd hoe erg wij oorlogsslachtoffers vinden? Heelt de tijd de wonden? Moeizaam. De gevolgen werken vaak generaties lang door. Slachtofferschap, niet zozeer van degenen die zijn omgekomen als wel van hun nabestaanden, wordt een identiteit. Vrouwen van Srebrenica blijven vrouwen van Srebrenica; de moeders van de Plaza de Mayo blijven die dwaze moeders, tot de dood erop volgt. Slachtofferschap is een drama, maar kan ook een titel worden, een titel die respect oproept, ontzag afdwingt en soms ook distantie of onbehagen schept: deed jij, buitenstaander, wel genoeg en wat doe je nu om het goed te maken? Slachtofferschap is een imperialistische categorie: zij dijt gemakkelijk uit. Na de gesneuvelden, degenen die op zee waren omgekomen en de gevallen verzetsstrijders groeide de groep slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog in ons land steeds verder aan: Indische krijgsgevangenen en burgergeïnterneerden, Roma en Sinti, homo’s, dwangarbeiders, tot en met de kinderen van zogeheten foute Nederlanders. Daaruit blijkt wel dat afstand in de tijd voor wat betreft slachtofferschap geen lineaire grootheid is. Steeds opnieuw realiseren we ons dat er nog meer leed was en dat ook dat leed niet vergeten mag worden. En voordat we het weten, meten we het leed aan elkaar af. Was de Holocaust uniek of was die vergelijkbaar met andere vormen van genocide? Waren de Indische kampen even erg als die in Europa? En dan schrikken we plotseling terug, want is dat niet pervers: leed meten? Maar of we het willen of niet, we doen het, o zo gemakkelijk.


=]`Z]UW\ USbOZZS\

D]ZUS\aDWSb\O[dSbS`OO\S\d`SRSaOQbWdWab A0`WO\\EWZZa]\h]cRS\S`·d]ZUS\aVWab]`WQW¸eSZ YShSUbVWXS`\WSbPWXW\RSOTUSZ]^S\##XOO` "#]]`Z]US\hWX\USd]S`ReOO`PWX!#[WZXO`R R]RS\dWSZS\6SbhWX\[]USZWXYS[OO`cWbSW\RSZWXY \WSbahSUUS\RSQWXTS`aRWSV]]UabS\aOO\USdS\ROb RS[S\ad]]`bRc`S\R]]`Z]UUSd]S`RVSSTbS\ROb ROO`PWX]\bSZPOO`dSZS\hWX\][USY][S\

7ZZcab`ObWS(;/@3<B63•

6]S]\PSb`]cePOO`QWXTS`aOZa RWSdO\EWZZa]\hWX\PZWXYbOZZSS\ OZcWbVSbTSWbRObeS\WSbSS\a W\[WZX]S\S\( eSbS\V]SdSSZ[S\aS\S`W\RS BeSSRSES`SZR]]`Z]U beW\bWUabSSScebS\USd]ZUS '!%'"#(## dO\]]`Z]US\USa\ScdSZR hWX\;OO`]\USdSS`eSbS\ ;O]¸a`SUW[S'"''%$(" eSVSbeSZOZbVO\ad]ZUS\a SS\/[S`WYOO\aSPWPZW] AbOZW\a`SUW[S' "'#!(  bVSQO`WaRWS]^hWX\eSP 3S`abSES`SZR]]`Z]U'"'&(# aWbSSS\W\R`cYeSYYS\RS V]SdSSZVSWRQWXTS`aUSSTb @caaWaQVSPc`US`]]`Z]U'&' (&& ;ObbVSeEVWbS6WXY][b @S^cPZWYSW\aS\\ObW]\OZWabWaQVS1VW\O b]bSS\b]bOOZdO\&&[WZ '%'!%(" X]S\2OO`dO\YeO[S\S` &![WZX]S\][bS\USd]ZUS D`WXabOOb1]\U]''&(! dO\US\]QWRSS\bW`O\\WS 9]`SOO\aS]]`Z]U'#'#!( & " [WZX]S\]^VSbaZOUdSZR '[WZX]S\eO`S\Pc`US`a BeSSRS7\R]QVW\SaSDWSb\O[ RWSbS\USd]ZUSdO\]]`Z] ]]`Z]U'$'%#( & US\abWS`dS\S\""[WZX]S\ 1VW\SaS0c`US`]]`Z]U YeO[S\][dO\RSV]\US` '"#'"'( # RWS]^hWX\PSc`bSdS\SS\aVSb USd]ZUeOadO\]]`Z]U=dS`WUS\a WaRWbS\]`[SUSbOZSS\aQVWX\bXS]^ VSbb]bOZSOO\bOZR]RS\W\RS abS SSce(\WSb[SS`RO\QO"#6SbWa\WSb RSS\WUSYO\bbSYS\W\UH][OUXS\WSbdS` USbS\RObRSOO\bOZZS\W\dS`USZWXYW\U[Sb d]]`UOO\RSSSceS\d]]`OZh]U`]]bhWX\ R]]`RObS`bSUS\e]]`RWUdSSZ[SS`[S\aS\ ZSdS\0]dS\RWS\hWX\QWXTS`aOZaeO^S\a³ S\ROO`][^S`RS¿\WbWS]\PSb`]cePOO`(S` hWX\[S\aS\RWSS`PSZO\UPWXVSPPS\H] hcZZS\bSUS\abO\RS`adO\RS]]`Z]UW\7`OY RS\SWUW\UVSPPS\VSbOO\bOZR]RS\U`]bS` bS[OYS\RO\VSbWabS`eWXZd]]`abO\RS`a VSbbSUS\]dS`USabSZRShcZZS\R]S\6Sb Wah]OZaSS\]cRUShSURShSUb(VSbSS`abS aZOQVb]TTS`dO\SS\]]`Z]UWaRSeOO`VSWR 2SUSbOZZS\[]SbS\ROO`][[SbSS\Y]``SZ h]cbUS\][S\e]`RS\<WSbbS[W\[OYS\ hSabWZRWSaZOQVb]TTS`OO\bOZZS\dO\U`]]babS [S\aSZWXYSR`O[O¸acWbRS abSSSce

DO\OZZSZO\RS\USdS\ RSDS`S\WURSAbObS\dS` `SeSUVSb[SSabcWbOO\ [WZWbOW`ShOYS\([SS`RO\ "dO\VSbb]bOOZdO\ "%PWZX]S\ S\"%[WZXO`R/[S`WYOO\aS R]ZZO`a2SDA\S[S\VWS`dO\]\

USdSS`$%[WZXO`Rd]]`Vc\`SYS\W\U ]^OTabO\RUSd]ZUR]]`1VW\O&#[WZ XO`R4`O\Y`WXY$#5`]]b0`WbbO\\W~$# @caZO\R#&2cWbaZO\R"$S\8O^O\"$ [WZXO`REO\\SS`XSRS[WZWbOW`ScWbUOdS\OZa ^S`QS\bOUSdO\VSb0`cb]<ObW]\OOZ>`]RcQb PSYWXYbY`WXUXS]dS`WUS\aSS\USVSSZO\RS` ZWXabXS[SbP]dS\OO\=[O\?ObO`S\AOcRW /`OPW~3ZYdO\RShSZO\RS\PSabSSRb[SS` RO\dO\VSb0<>OO\[WZWbO`WORSDA ·aZSQVba¸"7\bS`SaaO\bW\RWbdS`PO\RWa ]]YRSd`OOUeObSS\8A48]W\bAb`WYS 4WUVbS`4!#Y]ab=^%O^`WZ '[SZRRS abOObaaSQ`SbO`Wa8OQYRSD`WSaVSbPSR`OUW\ SS\P`WSTOO\RSBeSSRS9O[S`(VSbSS`abS SfS[^ZOO`S\bSabb]SabSZY]abd]ZUS\aVSb ^`WXa^SWZdO\ &!'[WZX]S\Sc`]


Achtergrond

Tekst

Beeld

Srebrenica

Peter Bootsma

Sake Elzinga

De les van Srebrenica Waarom en hoe Nederlanders in de Oost-Bosnische enclave belandden

Pagina

18


Achtergrond

Pagina

Srebrenica

19

Een oorlog doorgronden is bijzonder lastig. En zeker de complexiteit van het conflict dat in 1991 losbarstte in het voormalig Joegoslavië. Nederland besloot troepen te sturen en stak zich daarmee onbedoeld in een politiek wespennest. Met alle gevolgen van dien. ‘We worden soms wat al te snel op sleeptouw genomen door de berichtgeving van de media. Burgers en politici – geconfronteerd met mensonterende beelden – scharen zich binnen luttele uren achter een of andere zaak. De roep om harde actie klinkt dan luid. Goed, effectief buitenlands beleid kan echter niet gebaseerd zijn op primaire emoties. De mogelijkheden tot effectief handelen in het internationaal verkeer zijn beperkt.’ Dit schreef de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken in 1999, Jozias van Aartsen, vier jaar na de voor Nederland traumatische val van Srebrenica. Hiermee legde hij de vinger op de zere plek. Want hoe kon het nou toch gebeuren dat ‘onze jongens’ (ook al waren ze dan van de VN) moesten toekijken hoe de Bosnisch-Servische troepen van generaal Ratko Mladic op 11 juli 1995 de enclave onder de voet liepen? Hoe kwamen wij daar terecht, en vooral: waarom overkwam dat ons Nederlanders? Het onderzoek dat het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) presenteerde heet niet toevallig: Srebrenica - een ‘veilig’ gebied, veilig tussen aanhalingstekens. Het rapport is dan ook een bron van cynisme. Wat bijvoorbeeld te denken van de

Toen een vredesplan kansloos bleek, kon Ter Beek het aanbod om ‘onze jongens’ te sturen moeilijk weer intrekken stelling van generaal Briquemont, destijds de hoogste VN-militair in Bosnië, dat ‘de Nederlandse regering de opdracht om troepen naar Srebrenica te sturen, had moeten weigeren’? Hoe is het mogelijk dat dit dan toch gebeurde? En: kan zoiets weer gebeuren? Het antwoord op deze laatste vraag is al te lezen in het citaat van Van Aartsen. Weliswaar was het drama van Srebrenica het resultaat van de samenloop van een aantal noodlottige omstandigheden, maar dergelijke omstandigheden kunnen zich zo weer voordoen: de ingewikkeldheid van een conflict; de berichtgeving erover in de media; de houding van andere landen; Haags gedoe tussen en binnen Haagse ministeries; en als rode draad de typisch Nederlandse gedachte dat ‘iets doen’ nog altijd beter is dan ‘niets doen’. De uitgemergelde man Een oorlog is altijd ingewikkeld, maar het conflict dat vanaf 1991 losbrandde in het voormalig Joegoslavië was dat wel in extreme mate. Geen van de drie etnische groeperingen die elkaar in Bosnië bestreden was een eenheid en van elke partij werd de agenda deels elders bepaald. Zo waren er banden tussen de Bosnische Kroaten en het bewind van Tudjman in Kroatië, tussen de Bosnische Serven en het regime van Milosevic in Servië en spoorde de agenda van Bosnisch-Servische politiek leider Radovan Karadzic niet altijd met die van hun militaire leider Mladic. RTL-verslaggever

Willem Lust was een van de velen die zich realiseerde hoe ingewikkeld het conflict was. Op een grote kaart van Bosnië had zijn redactie de conflicten per vallei getekend. ‘Op een gegeven moment waren er per vallei andere coalities’. Des te ingewikkelder was het voor de pers om de aandacht van het publiek vast te houden. Trouw-journalist Willem Breedveld vertelde aan het NIOD: ‘Nieuws is datgene wat een verwachting bevestigt, liefst op een verrassende manier’. In dit geval was die verwachting dat de Serven de boosdoeners waren. Ingrediënten daarvoor waren de lompe behandeling die westerse journalisten van hen ondervonden en de overtuiging bij bijvoorbeeld Mladic, dat het er ook niet veel toe deed dat westerse journalisten anti-Servisch waren. De geschiedenis zou hem immers toch in het gelijk stellen. Het gebrek aan aanleg voor PR van de Bosnische Serven resulteerde op 6 augustus 1992 in een beslissende wending in hun nadeel: een Britse ploeg van ITN filmde in Trnopolje in het door Serven beheerste gedeelte van Bosnië een groep Bosnische Moslims, waaronder een uitgemergelde man. Hij stond achter prikkeldraad in wat kennelijk een concentratiekamp was. Hierop riep in Nederland het toenmalig CDA-Kamerlid De Hoop Scheffer de Kamer terug van reces. De Kamerleden overtroefden elkaar in hun barse het-moet-nu-maar-afgelopen-zijn-toon. De regering liet zich hierdoor vervolgens opjagen. In de Tweede Kamer ontstond het mechanisme dat je niet meer met goed fatsoen tegen het beschikbaar stellen van Nederlandse troepen kon zijn. Toen in een later debat het Kamerlid en de huidige minister Eimert van Middelkoop bedenkingen kreeg en een afwijzend standpunt wilde innemen, kreeg hij van zijn fractievoorzitter te horen dat hij dat niet als enige kon doen. Hierop besloot Van Middelkoop de regering toch maar te steunen.


Achtergrond

Srebrenica Tegen de muur Hoe anders werd in Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten gereageerd op die beroemde beelden. Twee dagen nadat die de wereld overgingen, stelde de Amerikaanse president Bush (senior) dat het hem niet kon schelen hoe hoog de politieke druk was: ‘I am not going to be bogged down in some guerrilla warfare’. Onder Clinton werd hierover niet anders gedacht. En weliswaar stelde in Engeland niemand minder dan Margaret Thatcher dat er militair ingegrepen moest worden, maar zij was inmiddels opgevolgd door John Major en die deelde mee dat niemand het monopolie had op bezorgdheid en geweten. Vergelijk dat eens met de Nederlandse premier Lubbers, die al aan het begin van de oorlog in Bosnië zei dat de beelden van de voortdurende belegering van Sarajevo hem deden denken aan de Hongerwinter. Om de oorlog in Bosnië te beëindigen waren er vanaf het begin tal van bemiddelaars op pad. Van hen was de Britse oud-minister Owen het langst actief. Hij presenteerde het ene na het andere kaartje voor een verdeling van het gebied onder de etnische groepen. Maar hij liep telkens tegen dezelfde muur: dat minstens één van de partijen meende op het slagveld meer te kunnen bereiken dan aan de onderhandelingstafel. Ondertussen had de Nederlandse regering alvast een bataljon in de aanbieding gedaan. Dit was des te eenvoudiger, omdat het eind van de Koude Oorlog de positie van het leger dreigde aan te tasten en bezuinigingen mede om die reden ophanden waren. Zoals elk krijgsmachtonderdeel wilde ook de Koninklijke Landmacht maar wat graag het bestaansrecht bewijzen.

landen het goede Nederlandse voorbeeld zouden volgen. De barre Haagse realiteit bleek echter dat op Buitenlandse Zaken de ambtenaar Jan Hoekema het niet eens was met die brief en de verzending ervan tegenhield. Maar toen Ter Beek zijn aanbod bij Boutros-Ghali besprak, wist hij niet beter of die had zijn brief gelezen. Ook in het gesprek werd niet duidelijk dat het aanbod alleen voor de afdwinging van een vredesplan en niet voor de veilige gebieden gold. Maar toen een vredesplan kansloos bleek, kon hij het aanbod moeilijk weer intrekken. De zaak werd extra gecompliceerd doordat inzet als VN-eenheid betekende dat er in volle openheid gewerkt moest worden. Dat was niet wat de Nederlandse militairen gewend waren. Een en ander kwam noodlottig samen toen Srebrenica weliswaar tot veilig gebied werd uitgeroepen, maar niet duidelijk gesteld werd wat dit betekende. Lubbers verkondigde dat een beperkt aantal VNmilitairen in een veilig gebied voldoende was omdat ‘je aan mag nemen dat er toch enige autoriteit uitgaat van de Verenigde Naties.’ Minister van Buitenlandse Zaken Peter Kooijmans op

In de Tweede Kamer ontstond het mechanisme dat je niet meer met goed fatsoen tegen het beschikbaar stellen van Nederlandse troepen kon zijn

Het goede voorbeeld Nadat minister van Defensie Relus ter Beek ter afdwinging van een toekomstig vredesplan de secretaris-generaal van de VN, Boutros-Ghali, troepen had aangeboden, hoopte hij dat andere

zijn beurt vertrouwde erop dat bescherming vanuit de lucht mogelijk was. Een dergelijke bescherming, zo bleek toen het er in de julidagen van 1995 op aan kwam, verliep echter via een aanvraagprocedure die zo complex was dat de Nederlanders er weinig aan zouden hebben. Toen uiteindelijk een Canadees VN-bataljon in maart 1994 ook nog uit de enclave vertrok en geen enkel ander land dan Nederland hun plaats wilde innemen, was er voor Nederland geen weg meer terug. Op 3 december 1993 besloot de ministerraad dat er militairen naar Srebrenica zouden worden uitgezonden. Er werd niet meer over gedebatteerd. Wat volgde is bekend.


Column

Oorlog & Kunst

Door

illustratie

Brigitte van der Sande

Peter Pontiac

Pagina

21

De waarheid Zeg oorlog, en geen hond denkt aan kunst. Zeg waarheid, en ook dan lijkt kunst ver weg. Bij het overbrengen van het ware verhaal van oorlog speelt kunst geen enkele rol, zo is de rotsvaste overtuiging van velen. Want esthetiek is verdacht, ze leidt af van de authenticiteit van het oorlogsverhaal, of erger, ze manipuleert de kijker en liegt. Getuigenissen moeten zo direct mogelijk, zonder enige bemiddeling van de kunstenaar, opgetekend worden. Zonder mooi opgebrachte verftoetsen, filmische effecten of poëtische woorden. Objectief en waarachtig. Filmmaker Steven Spielberg, die volgens collega Claude ‘Shoah’ Lanzmann met zijn speelfilm Schindler’s List de Holocaust tot een kitscherig melodrama met een happy end degradeert, wist wat hem te doen stond met de honderden miljoenen dollars die zijn kaskraker opbracht: in 1994 zet hij het Shoah Visual History Archief op. Het archief bestaat uit twee uur durende video-interviews met inmiddels meer dan vijftigduizend overlevenden en andere getuigen van de Holocaust. Tot in de kleinste details wordt door de getrainde interviewers doorgevraagd: Hoe heetten je familieleden? Wie waren je klasgenoten? Waar woonden zij? Wat had je aan? Welke geuren herinner je je, welke kleuren? Tegen de klippen op wordt de strijd tegen het vergeten gestreden, de vragen in bijna dove oren geschreeuwd, de antwoorden met beverige stemmen gegeven. In de interviews wordt niet geknipt, niets is mooier gemaakt, niets wordt gerepeteerd, elk verhaal is authentiek, recht voor zijn raap. Maar wat is de waarde van dit archief van het niet-vergeten? Hoe waarachtig zijn deze herinneringen na vijftig jaar? Heeft het geheugen de herinneringen niet allang herschreven, gemonteerd, gecomprimeerd tot een verhaal dat in twee uur is samen te vatten? Wat is echt, wat fictie? Spielberg zelf weet als geen ander het spel te spelen: zijn oorlogsfilms baseert hij op iconische beelden uit de verslaggeving van oorlogsfotografen als Robert Capa. Op hun beurt beïnvloeden films de beeldtaal van fotografen in het veld, die plaatjes willen schieten die als ‘waarachtig’ herkend worden door de met massamedia opgegroeide generaties. In deze duizelingwekkende citeermachine kunnen kunstenaars de schijn der dingen doorbreken en het vluchtige ‘zien’ vervangen door het Sehen zoals de dichter Rainer Maria Rilke dat opvatte: het langdurig en indringend waarnemen van de alledaagse werkelijkheid zoals het vorm krijgt in kunst. Een werkelijkheid waarin ongemakkelijke en ongewenste vragen over onze eigen rol in en houding ten opzichte van oorlog steeds opnieuw moeten worden gesteld, vragen die pijn doen of moreel verwerpelijk zijn. Want dat is nu precies wat kunst onderscheidt van objectieve verslaggeving: haar vermogen tegelijkertijd dader en slachtoffer aan het woord te laten, held en lafaard te zijn, protagonist en toeschouwer. ‘Wat vind je van me?’ vraagt de Belgische videokunstenaar Renzo Martens in Episode 1 (2003) keer op keer aan

Tsjetsjenen die in vluchtelingenkampen of verwoeste huizen het oorlogsgeweld zo goed en zo kwaad als het gaat proberen te overleven. Gewend als ze zijn aan de stroom westerse verslaggevers op zoek naar pakkende nieuwsitems en smakelijke plaatjes – die niets veranderen aan hun wanhopige situatie – worden mannen en vrouwen door Martens narcistische vraag verrast. De reacties variëren van woedend tot geamuseerd maar zijn nooit onverschillig. Is de kunstenaar een tenenkrommende ijdeltuit of een slimme hofnar, die ons een spiegel voorhoudt? Ook de Poolse kunstenaar Artur Žmijewski stelt een onmogelijke vraag in zijn werk 80064 (2004). Het getatoeëerde nummer op de arm van de 92-jarige Auschwitz-overlevende Jozef Tarnawa is vervaagd en moeilijk leesbaar. Žmijewski stelt voor het opnieuw te tatoeëren. Tarnawa wijst dit voorstel in eerste instantie stellig van de hand: ‘Het zal niet meer hetzelfde nummer zijn, het is dan gerestaureerd. Niet authentiek. Welke last leg je op mijn schouders?’ Andere overlevenden die hij regelmatig ziet op Auschwitz-herdenkingen zullen het afwijzen, zo voorspelt hij. En toch stemt Tarnawa toe. Is het kampnummer inmiddels zo deel geworden van zijn identiteit dat hij het wil laten restaureren? Hij had een vriend toentertijd in het kamp gevraagd het nummer ter voorbereiding van de tatoeage met een pen op zijn arm te tekenen, opdat het er netjes uit zou zien. Terwijl de tatoeëernaald opnieuw het verschrikkelijke nummer in de oude huid zet, kijken wij naar de herhaling van de geschiedenis: ongelovig of ontsteld, maar altijd vanaf de zijlijn, zoals zo velen voor ons. De Chileense kunstenaar Alfredo Jaar reisde een maand na de genocide van bijna een miljoen Tutsi’s en gematigde Hutu’s door Rwanda, gewapend met pen en camera. Hij schoot

Tegen de klippen op wordt de strijd tegen het vergeten gestreden duizenden foto’s en tekende verhalen van overlevenden op, in een poging de werkelijkheid van de massamoorden te bevatten. Hij ontdekte dat de waarheid van de gebeurtenissen niet schuilt in de foto’s, maar in de gevoelens, woorden en ideeën van de overlevenden. Jaar kon na terugkomst in zijn woonplaats New York niet meer naar de foto’s kijken. Het duurde twee jaar voordat hij er weer één in zijn werk kon gebruiken. In The Eyes of Gutete Emerita (1996) verhaalt de tekst feitelijk en droog over de moord op de twee zonen en de echtgenoot van Gutete Emerita, die voor haar ogen met machetes werden omgebracht. Wat deze dia-installatie onvergetelijk maakt, is de verschijning van het gezicht van Gutete gedurende een fractie van een seconde. We zien haar gekwelde blik en worden geconfronteerd met de onmogelijkheid haar lijden te verbeelden. Maar voor één tel zijn wij zelf Gutete, en in die gestolde eeuwigheid zijn we deel van haar onbevattelijke leed. Subjectief en waarachtig.


Onder Vietnamvete


Reportage

Tekst

Beeld

Vietnam

Frans Verhagen

Kevin Dietsch

Pagina

23

Hoe lang duurt het voor een land is ‘genezen’ van een oorlog? Het kostte Amerika tientallen jaren voordat zij in het reine kon komen met de Vietnamoorlog. Pas na de inwijding van hun monument konden de jarenlang genegeerde oorlogsveteranen hun demonen te ruste leggen. De opluchting was betrekkelijk. Chop, chop, chop. Je hoort de helikopters al zie je ze nog niet. Het is een geluid dat velen van mijn generatie haast automatisch associëren met de oorlog in Vietnam. Chop, chop, chop. Daar komen ze vanachter de horizon, Wagners Walküre knalt uit de luidsprekers. Raketten worden gelanceerd. Vuurballen rollen door het dorpje aan de rivier, lichamen vliegen in het rond. Kolonel Kilgore landt bij het gebombardeerde dorp. ‘Ik ben dol op de geur van napalm in de ochtend,’ roept hij. ‘Het ruikt als overwinning.’ Deze scène uit Apocalypse Now, Francis Ford Copolla’s epos over de oorlog in Vietnam, ontrolt zich in de obscure bioscoop aan Connecticut Avenue in Washington DC. Het is november 1982, een kleine tien jaar nadat de Amerikanen hun vertrek uit Vietnam aankondigden, zeven jaar nadat ze uit Saigon werden verjaagd. Om me heen zitten veteranen, Vietnamveteranen. Mensen die net als ik bij helikopters Vietnam zien, alleen zij waren er écht bij. Deze veteranen zijn in Washington voor de opening van hun monument, het Vietnam Memorial op de mall, de achtertuin van het Amerikaanse imperium. Apocalypse Now is de definitieve film over de oorlog die Amerika verscheurde, misschien wel de definitieve film over oorlog in het algemeen. De spanning in de zaal is te snijden. Verderop in de film komt hij tot ontlading: als de jongen op de patrouilleboot door het lint gaat en een boot vol onschuldige boertjes besproeit met kogels; als de Playboy bunnies opduiken midden in de rimboe, voor R&R, Rest & Recreation, waarbij de seksverstorven toeschouwers op afstand worden gehouden door een gracht en door de militaire politie; als Marlon Brando vanaf zijn donkere troon in het hart van de duisternis voor zich uit mompelt: ‘The horror. The horror.’ Om me heen verschillende reacties. Van bedrukte stilte tot ‘right on, man’, ‘shit, that was how it was.’ Langharige demonstranten In november 1982 was ik net correspondent in Washington. Vietnam was een afgesloten hoofdstuk, een episode die Amerika het liefst zou vergeten. Maar zo gemakkelijk was dat niet, zeker niet voor de veteranen die in die verloren oorlog levensbepalende ervaringen opdeden. In hun leven was Vietnam nog dagelijks aanwezig. President Ronald Reagan, gekozen in 1980, had in zijn campagne de oorlog een ‘eerzame onderneming’ genoemd. Tegelijkertijd verweten Republikeinse hardliners de Democraten en eigenlijk ook de soldaten dat ze niet hard genoeg gevochten hadden. Vredesactivisten waren de reden van het Amerikaanse verlies.

ranen

Het leger moest met één arm op zijn rug vechten, zeiden politici die zelf de dienstplicht hadden ontlopen. Er zat een tijdsbeeld gekoppeld aan deze visie op Vietnam, een beeld bepaald door drugs, popmuziek en van zowel gebrekkige discipline in Vietnam als van langharige, onpatriottische demonstranten in Amerika. Vietnamveteranen werden met de nek aangekeken, soms openlijk beschimpt. Meestal werden ze genegeerd, deze meer of minder beschadigde mannen die het land rondschuimden. Tot er één met een geweer wild om zich heen begon te schieten, zijn frustratie afreagerend in blinde destructie. Ik kwam deze mensen tegen op mijn trektochten door de wildernis in het noordwesten van Amerika. Vooral rond Forks, een houthakkersplaatsje met een ruige reputatie aan de rand van Olympic National Park, hingen

Niets vertelt beter het verhaal van deze gedoemde oorlog dan dit prachtige monument nogal wat veteranen rond. Op een avond zat ik daar, drie dagen diep in het regenwoud, aan het kampvuur met zo’n dolende geest. Hij trok regelmatig de wildernis in, vertelde hij, als hij er in het dagelijks leven niet meer tegen kon. Hij vertelde over Nam, over de wonden, over de horror. Over de weigering van zijn land om ermee in het reine te komen. Een eigen monument Ik weet niet of hij erbij was toen deze onzalige oorlog op 13 november 1982 zijn eigen monument kreeg en de veteranen hun parade mochten houden. Ze waren massaal naar Washington gekomen. Het was een moment waarop ze lang gewacht hadden. Deze mannen, want het waren vooral mannen, drukten de oorlog die iedereen wilde vergeten maar die overal aanwezig was in het gezicht van een onwillige natie. De Vietnamveteranen hadden nooit de gebruikelijke parade gekregen. Dus organiseerden ze hem zelf. Ze kregen geen monument, dus bouwden ze het zelf. De parade op die donkere dag maakte een blijvende indruk. Duizenden, tienduizenden gefrustreerde, boze mannen die na tien jaar eindelijk konden laten zien dat ze inderdaad boos en gefrustreerd waren. Mannen zonder benen, zonder armen, inclusief de triple amputee die later senator van Georgia zou worden. Hele en halve hippies, wild rondkijkende, dreigende types. Blinden die door hun vrienden geleid werden op het traject dat voorlangs het Witte Huis voerde (Reagan had geweigerd het monument in te wijden). Overal in de stad vonden ontmoetingen plaats, er werd gehuild, geschreeuwd, verteld en verwerkt. Apocalypse Now was permanent uitverkocht. Ik stond daar op het gras, omringd door veteranen: schreeuwend, huilend, ontladend en ook stil en respectvol. De meningen om me


Reportage

Pagina

Vietnam

24

heen waren verdeeld. Het monument was te negatief, te pessimistisch, te donker. Nee, zeiden anderen, het was precies goed, symbolisch, emoties oproepend. Was dit nou het monument waarop ze zo lang hadden gewacht? De veteranen waren ook zelf verdeeld geraakt, bitter verdeeld, een ongelukkige echo van de oorlog zelf. Want dat monument was wel heel speciaal geworden, uniek in zijn soort, anders dan alle andere oorlogsmonumenten. Je moet het gezien hebben om het op zijn waarde te schatten. De symbo-

De veteranen waren verdeeld geraakt, een ongelukkige echo van de oorlog zelf

namen moesten op het monument: die eis van de monumentencommissie bleek een gouden greep. De jonge Chinees-Amerikaanse architecte Maya Lin maakte er dit gewaagde ontwerp van. Ze was een visionair. Want niets vertelt beter het verhaal van deze gedoemde oorlog dan dit prachtige monument. Vanaf de opening was dit het meest bezochte monument van Amerika. Van heinde en verre kwamen mensen, ze zochten de namen op van zonen, vaders, vrienden of geliefden, praatten met de altijd rondhangende veteranen en met de activisten van Missing in Action, de organisatie die bleef volhouden dat er nog tientallen, honderden Amerikanen in Vietnam waren achtergebleven, een mythe die realiteitswaarde kreeg via de Rambo-films. Je kon de namen als afdruk op een stuk papier krassen door er met een potlood overheen te gaan en tienduizenden Amerikanen deden dat. Er werden foto’s achtergelaten, vlaggetjes, bloemen, brieven, knuffeldieren, een hele verzameling die de National Park Service intussen keurig heeft opgeslagen.

Veilig opgeborgen De verdeeldheid over het monument is verdwenen. Het memorial heeft zijn plek gevonden als symbool van die vreselijke oorlog en een belangrijke rol gespeeld in de verwerking ervan. Twee jaar na de opening is er een meer traditioneel beeld geplaatst, vlak bij de muur: drie soldaten, een zwarte, een blanke en een hispanic, met de armen om elkaars schouders. Nog een paar jaar later kwam er ook een beeld voor de medische militairen, waaronder veel vrouwen, die in Vietnam een hoofdrol speelden. Als ik in Washington kom, ga ik altijd even langs. En elke keer weer ben ik onder de indruk. De veteranen zijn ouder, grijzer, het boek met namen is beduimeld. Maar de muur is en blijft hun ding: ‘Man, it tells the story’, zoals een van hen het zei. Een verhaal over de Amerikaanse samenleving en over de oorlog die haar spleet. Van alle monumenten op de Mall blijft het Vietnam Memorial het mooiste, het meest indrukwekkende, het meest beklemmende. En als teken dat de oorlog integraal deel is geworden van de Amerikaanse samenleving, ook het meest populaire. Zo is bijna 35 jaar na de beschamende aftocht van het dak van de ambassade in Saigon, op 30 april 1975, Vietnam een ‘normaal’ deel geworden van de Amerikaanse samenleving. Het debat over de schuldvraag is gestopt. De banden met Vietnam zijn hersteld. De veteranen die in de politiek zijn gegaan, hebben hun politieke kruit verschoten: John Kerry in 2004, John McCain in 2008. Het waren de laatste oprispingen van een oorlog die niets dan San Bruno - november 2005, Vietnam veteraan Walt Wyckoff bewijst op Veteranendag eer aan zijn verdeeldheid heeft gezaaid en die nu tenminste gevallen makkers, Golden Gate National Cemetery (Foto: Jim Wilson/NYT) veilig opgeborgen kan worden. Ondertussen wisselden de generaties. De beelden van Vietnam, zijn de namen gebeiteld van de ruim 58.000 Amerikaanse doden avond aan avond de verschrik-kingen, zijn vervangen door die in de oorlog sneuvelden. Je daalt als het ware af in de herinnebeelden van de oorlogen in Irak en Afghanistan. Ook daarvoor ring aan die oorlog, omringd door de mensen die er de ultieme zullen straks de monumenten komen. Ook die veteranen zullen prijs voor betaalden. Op het diepste punt sta je, zoals dat hoort op hun stempel drukken op de Amerikaanse samenleving. Veel een plek van herinnering, buiten de normale wereld. Washington beschadigde mensen. Minder maatschappelijke controverse. bestaat even niet. De platen spiegelen zodat je jezelf ziet staan Evenveel pijn. Want in Amerika ben je altijd wel onder veteranen. tussen de namen van de gesneuvelden. Ze zijn deel van jou. Alle Het is een hoge prijs voor het zijn van een wereldmacht. liek is eenvoudig maar ongelooflijk sterk: een zwarte scheur in de gewijde aarde van de mall. Een winkelhaak in het groene gras van het dagelijks leven van de hoofdstad van de wereld. In die scheur een v-vormige muur van zwarte marmeren platen, beginnend op grasniveau tot drie meter diep op het laagste punt. In de platen


Lezen en luisteren 2

Pagina

Antony Beevor Antony Beevor (1946) gaat begin 21ste eeuw door voor de meest gelezen militaire historicus van het moment. Na zijn eerste succes met een boek over de Spaanse burgeroorlog (1982) publiceerde hij in de jaren negentig de ene bestseller over de Tweede Wereldoorlog na de andere: over Kreta (1991), de slag om Stalingrad (1998), de val van Berlijn (2002) en als laatste D-Day (2009). Alleen al van de boeken over Stalingrad en Berlijn, aldus Beevors website, werden drie miljoen exemplaren verkocht. De reden hiervoor is vermoedelijk dat de daarin vertelde verhalen dicht op de huid van de individuele soldaat zitten. Je ziet ze als het ware vechten, zweten, lijden. Beevor maakt dan ook vooral gebruik van dagboeken, brieven, interviews en andere persoonlijke bronnen. Hiermee onderscheidt hij zich van de oudere

militaire historici die meer over strategie, legers en bevelhebbers schrijven. Overigens betekende het succes niet dat Beevor geen kritiek kreeg. Die kreeg hij wel degelijk, het scherpst vanuit Russische hoek na publicatie van zijn boek over de val van Berlijn. Die kritiek ging over de wijze waarop de auteur het optreden van het Rode leger had beschreven, in het bijzonder de wijze waarop Russische soldaten onder de Duitse bevolking hadden huisgehouden. Vooral verkrachtingen, zelfs van voormalige concentratiekampgevangenen, zouden aan de orde van de dag zijn geweest. ‘Een schande,’ schreef de Russische ambassadeur in The Daily Telegraph van 25 januari 2002, ‘en een duidelijk geval van laster van het volk dat de wereld bevrijd heeft van het nazisme.’ Maar Beevor hield voet bij stuk. De feiten kunnen niet tegengesproken worden,

De militair, historicus en journalist John Keegan was uw leermeester. Wat is volgens u het grootste verschil tussen zijn werk en dat van u?

veilige omgeving. Juist om die reden is het niet verwonderlijk dat men geboeid is door een alles verslindende oorlog. Velen vragen zich af hoe zij zich in een dergelijke situatie gedragen zouden hebben. Zij vragen zich wellicht ook af of zij de moed gehad zouden hebben gevangenen of burgers te doden. Maar er is iets dat volgens mij nog belangrijker is. We leven in een samenleving waarin je nauwelijks of geen beslissingen hoeft te nemen. De kern

De overeenkomsten zijn minstens zo groot. Tot Keegan halverwege de jaren zeventig The Face of Battle publiceerde was militaire geschiedschrijving, in elk geval in het Verenigd Koninkrijk, vooral het terrein van gepensioneerde officieren. Zij wilden het liefst laten zien hoe zij de zaken naar hun hand zetten, als schaakmeesters. De angst, chaos, rook en gebrekkige communicatie waarvan Keegan vertelt, was het begin van een noodzakelijke correctie op een oorlogsgeschiedschrijving die tot dat moment vooral van bovenaf werd bekeken en institutioneel was. Hij ging niet over mensen maar over eenheden. Het belangrijkste verschil tussen Keegan en mij is gelegen in de bronnen en de klemtoon. Hij schreef vooral analytische boeken op basis van secundaire literatuur, ik schrijf alledaagse gebeurtenissen op basis van archiefstukken. Een van de verklaringen voor de populariteit van uw werk is een paradox. In het Westen leven we in vrede. Precies daardoor zou oorlog wel eens aantrekkelijk kunnen zijn. Hij is ver weg en het tegenovergestelde van onze dagelijkse ervaring.

Dat is ongetwijfeld juist. We leven in een postmilitaire samenleving, een gezonde en

(Foto: Peter Boer)

25

zegt hij. Wel voegt hij eraan toe dat hij er weinig voor voelt mee te gaan in de op dit moment heersende mode Duitsers als slachtoffers voor te stellen. Dat gaat hem ook weer te ver.

omdat dat betekent dat ze hun materiaal daaraan ondergeschikt zullen maken. Een mooi voorbeeld daarvan is Goldhagens boek over de (moorddadige) Duitsers. Een aardige theorie maar hij klopt niet met de feiten. U werkte als officier. Heeft u praktische, militaire ervaring op het slagveld? Wat denkt u dat uw houding in een gevecht zou zijn?

‘Ik schrijf verhalen dicht op de huid van de soldaat’ van het leven daarentegen bestaat uit het maken van keuzes. Vandaar de fascinatie voor periodes zoals die Tweede Wereldoorlog waarin dergelijke beslissingen wel degelijk gemaakt moesten worden. In zijn boek over oorlog en cultuur zegt Martin van Creveld dat uw boeken geen enkele analyse bevatten en dat de lezer zich daarom afvraagt waar ze eigenlijk over gaan. Wat denkt u van dergelijk kritiek?

Om te beginnen is de Britse historische traditie verhalend. Die traditie gaat terug tot Gibbon in de achttiende eeuw. Ik sluit me er van harte bij aan. Mijn doel is de werkelijkheid van de oorlogvoering via archieven te doen herleven. Het gaat erom de analyse in het verhaal te brengen in plaats van andersom, zoals op het Europese vasteland gebruikelijk is. Joachim Fest viel me in Der Spiegel aan met de bewering dat ik geen leidende gedachte had. Dat klopt. Ik denk dat het gevaarlijk is wanneer historici een leidende gedachte hebben,

Ik zat vijf jaar in het leger maar de enige keer dat ik daadwerkelijk onder vuur lag was daarna, toen ik burger was. Dat gebeurde in Israël. Het belangrijkst wat ik in het leger leerde is, als je het zo mag noemen, van emotionele aard. Een leger is niet zo’n koude, berekenende machine als buitenstaanders denken. Vandaar ook dat diezelfde buitenstaanders er zulke bizarre theorieën op na houden. Geen mens weet hoe hij zich in een gevecht zal gedragen. Strijd roept de meest heftige emoties op die een mens zich kan voorstellen. Vandaar dat de studie naar oorlog zich volgens mij vooral moet bezighouden met angst en angstonderdrukking. Want daarin ligt vermoedelijk de belangrijkste bron van geweld.


De strijd gaat ‘virtueel’ verder


Achtergrond

Tekst

Beeld

Wargames

David B. Nieborg

Brothers in Arms

Pagina

27

Online vallen er dagelijks heel wat meer doden dan in de Eerste en Tweede Wereldoorlog bij elkaar opgeteld. Nadat bedrijven als Atari en Nintendo in de jaren zeventig de wereld veroverden met de eerste spelcomputers, zijn virtuele spellen en tegenwoordig met name oorlogsspellen onverminderd populair. Ontwikkelaars, bedrijven én defensie varen er wel bij. Het is zondag, hartje zomer. Zoals een goede kleinzoon betaamt ben ik op bezoek bij mijn oma (80) in haar appartement in Drenthe. Tussen familieroddels, politiek en voetbal komt het gesprek op een voorval eerder die week. Oma reed in haar auto door het dorp en kreeg geen voorrang van een Duitse toerist op leeftijd. ‘Rotmof’, was haar eerste reactie. Om er snel aan toe te voegen dat ze dat natuurlijk niet meent: ‘Het zit er zo ingebakken’. Ze vertelt over marcherende Duitsers en hoe ze door diezelfde Duitsers gedwongen werd om bij de executie van een verzetsstrijder de ogen open te houden. Het blijft een indrukwekkend en soms wat ongemakkelijk verhaal. Ik vertel dat ik bezig ben met onderzoek naar oorlogsspellen. Haar gezicht betrekt: ‘Bestaan die dan?’ Het is een vraag vol ongeloof. Ja, die bestaan en ze worden verdraaid veel gespeeld ook. ‘Over de Tweede Wereldoorlog?’ Ja, vooral over de Tweede Wereldoorlog. Ik heb de neiging om het succes van oorlogsspellen te trivialiseren, te zeggen dat ik ze ook gek vind en nooit speel. Maar dat is niet zo. Het genre van schietspellen is onverminderd populair, met name onder mannen van tussen de 16 en 36. Online worden in een week meer (virtuele) slachtoffers gemaakt dan tijdens beide Wereldoorlogen. Ik doe daaraan mee. Hoe leg ik dat mijn oma uit? Oorlog als vermaak Oorlog en spel zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Van analoge voorbeelden zoals schaken en het oeroude Chinese Go, tot kinderen die buiten ‘oorlogje spelen’. En van tinnen soldaatjes tot meer recente ontwikkelingen als lasergames en paintball. Maar ook digitaal spelen (gamen) en oorlog zijn op elk denkbaar niveau met elkaar vervlochten. De titel van een van de allereerste games, Spacewar! uit 1962, is veelzeggend. Het spel werd ontwikkeld op computers die hun oorsprong hadden in Amerikaanse en Britse onderzoekslaboratoria uit de Tweede Wereldoorlog. Zonder de enorme financiële investeringen van het Westerse defensieapparaat zou een spel als Spacewar! waarschijnlijk langer op zich hebben moeten laten wachten. Al snel werd duidelijk dat er geld, heel veel geld, te verdienen viel met deze nieuwe vorm van vermaak. Amerikaanse investeerders en uitvinders waren er als de kippen bij om de vindingen gedaan in militaire laboratoria en aan universiteiten commercieel uit te buiten, zeker nadat in de jaren zeventig de eerste spelcomputer zijn intrede had gedaan. In plaats van achter een computerscherm in een kantoor kon je nu gewoon in de huiskamer voor je eigen televisie plaatsnemen. Bedrijven als Nintendo en Sega in Japan en Amerikaanse uitgevers als Activision en Electronic Arts investeerden honderden miljoenen en namen als innovator de voortrekkersrol van het Amerikaanse leger over. Het Amerikaanse bedrijf Atari was een van de pioniers. De ontwikkelaar en uitgever begon met niets en verkocht eind jaren zeventig en begin jaren tachtig miljoenen exemplaren van de Atari 2600 spelcomputer samen met ontelbare losse spelcassettes (cartridges). Hoewel Atari gerund

werd door een stel hippies die niets met het leger te maken hadden, kwam de inspiratie van veel games van militaire thema’s, getuige titels als Combat, Defender, G.I. Joe: Cobra Strike en Battlezone. Soldaten trainen Gezien de hechte band tussen het Amerikaanse defensieapparaat en de razendsnelle ontwikkelingen van computerspellen en bijbehorende technologieën, is het niet verwonderlijk dat het Pentagon voortdurend vinger aan de pols hield om te kijken hoe games ingezet kunnen worden voor defensiedoeleinden. De interesse van het leger begon in het Atari-tijdperk en duurt voort tot op de dag van vandaag, met als voornaamste vraag hoe games gebruikt kunnen worden om soldaten te trainen. In plaats van dat het Pentagon zelf games en gametechnologie ging ontwikkelen, kon er nu ‘van de plank gekocht worden’. Het zogenaamde ‘militair entertainmentcomplex’, een vrijwillig samenwerkingsverband tussen krijgsmachten, entertainment- en defensieindustrie was geboren. Dezelfde games die tieners gebruiken om zich te vermaken na schooltijd worden op de Amerikaanse legeruniversiteit West Point gebruikt om tactieken te verduidelijken. De liefde is echter altijd van twee kanten gekomen. Met name Amerikaanse ontwikkelaars doen hun uiterste best om hun geavanceerde speltechnologie aan het Pentagon te slijten om zo goedbetaalde contracten binnen te slepen. Daar komt bij dat het leger iets heeft waar spelontwikkelaars doorgaans weinig van

Dezelfde games die tieners spelen, worden op de universiteit gebruikt om tactieken te verduidelijken weten, namelijk kennis over tactieken, omgangsvormen tussen soldaten onderling en bijvoorbeeld het gebruik van oude en nieuwe wapens. Net zoals bij oorlogsfilms en televisieseries maakt nagenoeg elke gamestudio die een militair spel ontwikkelt gebruik van militaire adviseurs. Bijkomend voordeel is dat de medewerking van ‘echte soldaten’ de nodige legitimiteit aan een titel kan verschaffen tijdens een marketingcampagne. Neem iemand als Hank Keirsey, die recent nog actief was in Irak. Tijdens de vele jaarlijkse beurzen waar de nieuwste games aan publiek en pers worden getoond, geeft de breedgeschouderde oorlogsveteraan een authentiek tintje aan de promotie van de nieuwste commerciële oorlogspellen. Achter de schermen van de Games Convention in Leipzig in 2008 prees hij het Tweede Wereldoorlogspel Call of Duty: World at War aan. Omdat schietspellen in essentie veel op elkaar lijken zoeken ontwikkelaars naar kleine verschillen om games van elkaar te


Achtergrond

Wargames onderscheiden. Deze keer lag de nadruk in de marketingboodschap op expliciet geweld. Het spel opent met de executie van een Amerikaanse marinier en even later kan de speler Japanse soldaten met een vlammenwerper ombrengen. Op de beurs in Leipzig is Keirsey zijn geld meer dan waard want journalisten zijn niet weg te slaan bij de ijzervreter. Is het niet raar voor een docent krijgskunde om schietCall of Duty spellen aan te prijzen? Keirsey vindt van niet: ‘Voor het geld hoef ik het niet te doen. Waarom ik meewerk aan dit soort dingen? Om de jeugd wat te leren over militaire geschiedenis. Lezen doen ze niet meer, dan maar zo.’ In deze visie zit een kern van waarheid. De spelende mens zal absoluut wat opsteken van de spellen die Keirsey en de zijnen aanprijzen. Maar wat Keirsey er niet bij vertelt is dat de virtuele geschiedenis die getoond wordt in oorlogsgames er een is die in elk opzicht anders is dan die in romans, lesboeken of films. Het gaat om schieten en

In de wargames zijn de geallieerden doorgaans de bevrijdende Amerikanen en zijn alle Duitsers nazi’s schieten alleen. De strijd zoals die te beleven is in schietspellen zoals Call of Duty: world at war is eendimensionaal en reduceert de Tweede Wereldoorlog tot een serie korte veldslagen die uitsluitend te zien zijn door de ogen van, bij voorkeur Amerikaanse, soldaten. Schieten in de Tweede Wereldoorlog Het schietspellengenre dat begin jaren negentig definitief doorbrak met titels als DOOM en Wolfenstein, blijft onverminderd populair. Nagenoeg elk militair conflict van na de Eerste Wereldoorlog is in de relatief korte, maar rijke geschiedenis van het computerspel aan bod gekomen. En zijn het niet de grote uitgevers, inmiddels miljardenbedrijven, die oorlogsspellen ontwikkelen, dan zijn het wel amateurontwikkelaars die in hun vrije tijd gratis uitbreidingssets maken over commercieel minder interessante conflicten als de Falklandoorlog of de Koreaanse oorlog in de jaren vijftig. Maar geen conflict is zo populair onder spelmakers als de Tweede Wereldoorlog. Hoe dat komt? Het zal geen nostalgie zijn. De makers en spelers zijn te jong voor een verlangen naar vroeger, als er überhaupt al gamers zijn die terugverlangen naar oorlog. Het zal een combinatie van factoren zijn. Het is niet ‘te vroeg’ voor het documenteren van de Tweede Wereldoorlog, getuige de eindeloze reeks films en tv-series met hetzelfde thema. Daarnaast heeft de Tweede Wereldoorlog niet de politieke lading die bijvoorbeeld de Vietnamoorlog heeft, of de recente bezetting van Irak. De Tweede Wereldoorlog is, althans voor spelmakers, gemakkelijk om te zetten in een begrijpelijk en apolitiek spelconcept met bijbehorend thema. De strijd zoals die gesimuleerd wordt in schietspellenseries als die van Medal of Honor, Battlefield, Brothers in Arms en Day of Defeat is uitermate eenzijdig en

abstract. Het gaat alleen om reactievermogen. In de campagnes die de speler alleen speelt, wordt door middel van archiefmateriaal kleur gegeven aan de strijd, maar daar houdt de verdieping ook wel op. Het gaat in deze spellen om het sneller reageren dan de tegenstander. Enig tactisch inzicht is een pre, maar het zijn vooral razendsnelle reflexen die de virtuele strijd beslechten. Voor vrede sluiten is geen ruimte. Voor het lijden van de burgerbevolking, de politieke motivatie van de tegenstander, verraad en verdriet is geen plek. De nationaalsocialistische ideologie is teruggebracht tot het zwarte uniform van de spelkarakters en de swastika’s die gebouwen (ont)sieren. Verder is de strijd gemodelleerd naar een bekend thema: goed tegen kwaad. De geallieerden zijn doorgaans de bevrijdende Amerikanen en alle Duitsers zijn nazi’s, en daarmee de belichaming van het ultieme kwaad. Het overgrote deel van de schietspellen wordt gemaakt in de Verenigde Staten en grote speluitgevers zijn, anders dan bijvoorbeeld filmmakers, wars van politieke boodschappen of enige vorm van maatschappijkritiek. Er is geen blockbuster game dat te vergelijken is met films als Born on the Fourth of July, Full Metal Jacket of The Deer Hunter. Het is overigens ook de vraag of de gemiddelde gamer daar op zit te wachten. Die wil spelen en schieten, niet luisteren of kijken. Niet dat deze schietspellen volledig ahistorisch zijn. Er is grote aandacht voor wat Martin van Creveld ‘de cultuur van oorlog’ noemt. Uniformen zijn minutieus nagemaakt, net als wapens en tanks. Gebaren, typische uitdrukkingen en belangrijke veldslagen (Arnhem, Stalingrad, Berlijn, Normandië), bij veel gamers bekend uit films, documentaires en geschiedenislessen, worden met behulp van adviseurs als Hank Keirsey tot in de kleinste details nagemaakt. Maar er is nog een verklaring waarom de Tweede Wereldoorlog onder spelmakers populair is. De huidige vormen van oorlogsvoering zijn niet meer terug te brengen tot twee duidelijk herkenbare partijen. De asymmetrische gevechten in Irak en Afghanistan en de oorlog tegen terreur in het algemeen zijn lastig te vatten binnen de huidige logica van voor- en tegenpartij, van goed en kwaad, van winnaar en verliezer. De continue angst voor bermbommen, de wetenschap dat de vriendelijk ogende burgerbevolking de tegenstander helpt en de uitzichtloosheid van de strijd tegen onzichtbare terroristen laten zich lastig vertalen naar bekende spelconcepten. Vandaar dat de Tweede Wereldoorlog virtueel voortleeft en hordes gamers van triviale historische feiten voorziet. Door het spelen van schietspellen zijn kleinzonen haarfijn in staat het verschil uit te leggen tussen verschillende tactieken, soorten wapentuig en veldslagen. Hier staat tegenover dat het digitale spel vooralsnog niet in staat is gebleken de diepere emotionele betekenis van de Tweede Wereldoorlog over te brengen. Maar daar zijn de grootouders voor.


Lezen en luisteren 3

Pagina

Tony Judt

Er zijn een heleboel boeken over Europa na de oorlog. Wat is het grootste verschil met Postwar?

De meeste boeken zijn saai en gingen tot voor kort alleen over Oost- of West-Europa, zelden over allebei. De meest interessante boeken zijn essayistisch van aard, geen overzichtswerken. Verder wilde ik een

oorsprong, tegelijkertijd zeer kritisch staat tegenover Israël. Om die reden ligt hij vooral in de Verenigde Staten regelmatig onder vuur. ‘Ik heb me altijd met geschiedenis bezig willen houden,’ zegt Judt op de vraag waarom hij historicus werd. ‘Ik kan me niet eens meer herinneren hoe jong ik was toen ik daarmee begon. Op Cambridge raakte ik in de geschiedenis van Frankrijk verzeild, leerde de taal en voelde me in het bijzonder aangetrokken tot de geschiedenis van de linkse politiek in dat land, met name tot Léon Blum (drievoudig premier van Frankrijk, vlak voor en vlak na de oorlog) en zijn erfenis. Als de zaken anders gelopen waren, had ik me vermoedelijk in Oost-Europa gespecialiseerd.’

Nauwelijks. Het een is even belangrijk als het ander. Zonder herinnering is het onmogelijk de wereld te begrijpen. Als we niet vergeten, kunnen we nooit in vrede leven. Uiteindelijk is het een kwestie van timing. Kort nadat vreselijke gebeurtenissen plaatsgevonden hebben, is vergeten vermoedelijk een psychologische nood-

‘De meeste boeken over Europa na de oorlog zijn saai’ geschiedenis van naoorlogs Europa schrijven vanuit het nieuwe perspectief dat ontstaan was door de val van het communisme. Dat had tot mijn grote vreugde nog niemand gedaan. In uw boeken is het soms net of u niet kunt beslissen wat belangrijker is: herinneren of vergeten. Kunt u daarover iets in het algemeen zeggen?

zaak. Als het publiek er na enige tijd rijp voor is, moeten historici vervolgens de juiste toedracht aan het licht brengen. Pas daarna wordt verzoening mogelijk. Een dergelijke verzoening brengt tevens de enige juiste vorm van vergetelheid met zich mee. Denkt u dat het Israëlisch conflict nog altijd bepalend is voor de internationale politieke situatie of is Israël na zoveel jaren van gedoe langzamerhand een soort Albanië aan het worden, een plek die er niet toe doet?

Ik zou willen dat het zo was maar vrees het tegendeel. Israël en de Palestijnse kwestie zullen nog wel een tijdje van wereldbelang blijven. Dit vanwege de ligging, de joodse dimensie van het probleem en omdat de wereld vol moslims is. De Palestijnse tragedie is voor hen een symbool, een voortdurende herinnering en een motief om te blijven strijden. Daarbij vergeleken hebben de Albanezen het gemakkelijk.

abe) (Foto: Eamonn McC

Tony Judt (1948), op dit moment directeur van het in New York gevestigde Remarque Instituut en tevens hoogleraar aan de New York University, is een van de belangrijkste contemporaine geschiedschrijvers van dit moment. Die status heeft hij bij het grote publiek vooral te danken aan zijn in 2005 verschenen boek Postwar, in Nederlandse vertaling Na de oorlog getiteld. In deze pil van meer dan duizend pagina’s beschrijft Judt uitvoerig de verwikkelingen in het Europa van na de oorlog, niet in de laatste plaats de wijze waarop men in die periode met (de Tweede Wereld) oorlog is omgegaan. Daarbij beklemtoont hij de dominante rol van de Shoah. Volgens hem is deze zelfs het cruciale element in de identiteit en het geheugen van Europa. Deze visie is des te opmerkelijker omdat Judt, joods van

29

Uit Na de oorlog: ‘Het postnationale, samenwerkende, vreedzame Europa van de verzorgingsstaat was niet de vrucht van het optimistische, ambitieuze, op de toekomst gerichte project dat de euro-idealisten van vandaag zo graag in herinnering roepen. Integendeel, het was het onzekere kind van de angst. In de slagschaduw van de geschiedenis voerden de West-Europese leiders sociale hervormingen door en bouwden ze nieuwe instituties op – als een profylaxe tegen het verleden.’

‘Erkenning van de Holocaust is tegenwoordig het best denkbare entreebewijs voor Europa.De reden dat dergelijke misdrijven (tegen de menselijkheid) politiek tegenwoordig zo zwaarbeladen zijn, en ook de reden waarom Europa de verantwoordelijkheid op zich heeft genomen daar aandacht aan te besteden, is dat zij (de Europeanen) zelf, respectievelijk voor en na de daad, mede schuldig zijn aan dé misdaad sinds mensenheugenis: de poging van de ene groep Europeanen elk lid van een andere groep Europeanen te vernietigen, op Europees grondgebied.’


Achtergrond

Tekst

Beeld

Afrikaanse oorlogen

Roel van der Veen

Getty Images

Pagina

30

Geweld is van altijd en overal. Maar kan wel degelijk worden beïnvloed. Kijk naar de rol van staten. Zij kunnen oorlogen ontketenen, maar ook voorkomen. Dat de meeste mensen in Europa geen oorlog hebben meegemaakt, is het gevolg van internationale samenwerking tussen staten. Meer nog: geweld hangt af van de manier waarop staten reageren op de omstandigheden van hun tijd. Dat geldt ook voor Afrika. En toch is...

Het beste wapen tegen geweld: economische groei Afrika is de afgelopen decennia in toenemende mate met oorlog geassocieerd, ook al is dat slechts ten dele terecht, want vooral relatief. Het geweld is elders afgenomen terwijl het in Afrika voortgaat. Tegenwoordig heeft ongeveer één op iedere vijf Afrikanen met geweldsituaties te maken – een veel hoger percentage dan elders. Afrika is dan ook het onveiligste continent. Opvallend genoeg gaat het hierbij niet om oorlogen van staten tegen staten. Net als elders in de wereld komen die in Afrika niet noemenswaardig meer voor. Ook zijn de oorzaken van het geweld niet buitengewoon. Net als elders gaat het om politieke macht, materiële kwesties (land, grondstoffen, water) of immateriële zaken (rond identiteit), niet zelden om een combinatie van dit alles. Wat is dan wel een cruciaal verschil met elders? Om te begrijpen waarom Afrika zo door geweld geteisterd blijft, moeten we naar de staten kijken: welke rol spelen die in het geweld? Als moderne staten goed functioneren, dan bepalen zij zowel het geweld dat tegen andere staten wordt gebruikt als het geweld dat op hun eigen territorium plaatsvindt. Zij bezitten het monopolie op het massaal gebruik van geweld. En hier gaat het in Afrika gewoonlijk fout: veel staten op dat continent zijn zogenaamde ‘falende staten’ in de zin dat zij er onvoldoende in slagen aan de meest basale staatsfunctie – het vestigen en handhaven van het geweldsmonopolie – te voldoen. Dit heeft te maken met de aard van de Afrikaanse staten van na de koloniale periode. De staten kregen de grenzen van de voormalige koloniën, maar de staatsapparaten – van de plantsoendienst tot de politie – moesten voortaan uit eigen Afrikaanse middelen worden opgebracht (afgezien van de buitenlandse hulp). Die middelen

waren ontoereikend. De lokale economieën waren erg klein van omvang en bovendien werden de beschikbare middelen niet efficiënt ingezet. Dit komt doordat de relaties in Afrika – feitelijk in alle maatschappijen waar het moderniseringsproces nog niet begonnen is – weinig zakelijk en vooral persoonlijk van aard zijn. Rond personen met macht, middelen en aanzien vormen zich netwerken van cliënten die van die macht, de middelen en dat aanzien gebruikmaken en hun beschermheren in ruil daarvoor steun verlenen. Deze banden verschaffen de maatschappij samenhang. Echter, de beschikbare middelen worden ingezet om de banden te behouden of te versterken en niet om de economische omstandigheden van de bevolking te verbeteren. Bij investeringen geven dus niet economische principes maar politieke motieven de doorslag. Hierdoor worden de economieën niet efficiënter en competitiever. Dat is zeker een probleem in een internationale omgeving waar concurrentie met de dag belangrijker wordt. Afrikaanse landen hebben hierdoor weinig inkomsten, kunnen slechts kleine staatsapparaten onderhouden en als die ook nog eens inefficiënt werken, is de cirkel rond. Als er geweld uitbreekt – en daarvoor is altijd wel een aanleiding – zijn er weinig mogelijkheden om het te beperken of te beëindigen. De strijd wordt gaande gehouden door gewapende jongemannen zonder werk en zonder perspectief, die alleen in hun levensonderhoud kunnen voorzien door te vechten. Tegelijkertijd is er geen georganiseerde macht om deze rebellengroepen – etnische of religieuze milities, soms ook gewoon bandieten – te stoppen. Uiteindelijk vernietigt het geweld de sociale samenhang, vaak tot op het niveau van het gezin.


Achtergrond

Afrikaanse oorlogen

Pagina

32

Veenbranden De klassieke voorbeelden van deze Afrikaanse oorlogen zijn die in Congo en Somalië, en voorheen die in Liberia en Sierra Leone. Het heeft trouwens weinig zin om lijstjes of statistieken te presenteren over hoeveel oorlogen er in welk jaar werden gevoerd. Dat zou ten onrechte de suggestie wekken van organisatie en regelmaat. Er is veeleer sprake van een soort veenbrand, die zomaar de kop kan opsteken, in Ivoorkust en de Centraal-Afrikaanse Republiek, in Kenia, Gabon of Guinee. Slechts zelden betreft het een door de

Afrikanen om door gevechten en is het aantal Afrikanen dat op een andere manier slachtoffer wordt, nog vele malen hoger. De vraag is natuurlijk wat de duurzame oplossing is van het probleem van de Afrikaanse staten – en daarmee van het geweld? Het antwoord is eenvoudig: grotere economieën. Alleen door langdurige substantiële economische groei kunnen de middelen beschikbaar komen waardoor de staten in hun te ruime jasje kunnen groeien. Economischer werken betekent ook dat de relaties in de samenleving zakelijker worden. Dit op zijn beurt zal

eigen regering begonnen strijd. Dat laatste is alleen het geval in Soedan, waar de Arabische wereld raakt aan het Afrika ten zuiden van de Sahara. Zowel de strijd tussen Noord en Zuid in Soedan als die in Darfur zijn het gevolg van het misbruik dat de effectievere organisatie van het noorden (de regering in Khartoem) van de Afrikaanse omstandigheden elders in het land maakt. Slechts bij uitzondering kunnen Afrikaanse regeringen optreden zoals de regering in Khartoem dat doet. Uitzonderingen zijn de relatief effectieve regeringen van Rwanda en Ethiopië. Die kunnen niet alleen in eigen land orde op zaken stellen, maar ook raids in buurlanden uitvoeren.

tot gevolg hebben dat het patronagesysteem een bescheidener plaats inneemt. De middenklassen die door deze groei zullen ontstaan, kunnen de staten vervolgens richting geven. Het is gemakkelijker gezegd dan gedaan en inderdaad, een optimistisch scenario. Maar het wordt wel een beetje ondersteund door de economische groei – matig, maar toch – van de laatste jaren als gevolg van het betere economische beleid van veel Afrikaanse regeringen en de toegenomen vraag naar Afrikaanse grondstoffen, vooral uit Azië.

Economische groei Het is vooral te danken aan actieve internationale betrokkenheid bij de vrede via ondermeer onderhandelaars en vredesmissies, waardoor het aantal gewelddadige conflicten en het aantal slachtoffers van geweld in Afrika aan het begin van de eenentwintigste eeuw is afgenomen. De internationale gemeenschap heeft op dit terrein wel degelijk verschil kunnen maken. De trend is dus positief, ook al komen er elk jaar nog tussen de drie en vijf miljoen

Net als in de Koude Oorlog krijgt Afrika weer een strategische betekenis in de wereldorde. Wat dit voor het geweld op het continent zal betekenen, valt te bezien. Sommige gebieden in Afrika kunnen weer ten prooi vallen aan conflicten die net zoals tijdens de Koude Oorlog hun oorsprong buiten het continent hebben. Ook is het mogelijk dat er opnieuw stabiliteit wordt afgedwongen – net zoals in de koloniale periode. Voortgaande economische groei is mogelijk, maar ook terugval in stagnatie. Wellicht zal dit alles in verschillende delen van Afrika tegelijkertijd optreden – het continent is er groot genoeg voor.


Beeldreportage

Beeld

Afrikaanse kindsoldaten

Tim Hetherington

Liberia 2003 – jonge rebellen van de Liberians United for Reconciliation and Democracy (LURD). Volgens de website van Warchild zijn er in de hele wereld zo’n 250.000 kindsoldaten en kwamen in de afgelopen tien jaar zo’n twee miljoen kinderen tengevolge van oorlogsgeweld om het leven

‘Het eerste wat ik als kindsoldaat moest uitschakelen, was mijn behoefte aan liefde en warmte. Het was mijn redding, want kinderen die daar niet in slaagden, overleefden het niet.’ John Kon Kelei Soedan

‘Als een soldaat beval om die of die mens te doden hebben we dat gedaan. Omdat we bang waren. Als ze zagen dat we niet zo goed durfden gaven ze ons gewoon drugs.’ José Mozambique

Pagina

33


Achtergrond

Tekst

Beeld

4 en 5 mei

Jolanda Keesom

Ger Loeffen

Pagina

34

Samen herdenken Wie na 1980 geboren is, denkt misschien dat de nationale herdenking altijd op 4 mei ’s avonds om acht uur op de Dam is gehouden. Maar dat is niet zo. Mensen van boven de veertig zijn nog opgegroeid met televisiebeelden van de stille tocht en de klokken op de Waalsdorpervlakte op de avond van 4 mei. De nationale herdenking wordt namelijk pas sinds 1988 om acht uur ’s avonds op de Dam in Amsterdam gehouden.

4 mei 1946-1961: ‘Geen viering zonder herdenking’ Na de bevrijding van Nederland in mei 1945 besloot de regering dat het eerste nationale bevrijdingsfeest in het Olympisch Stadion in Amsterdam zou worden gevierd op de verjaardag van koningin Wilhelmina, op 31 augustus 1945. In kringen van de LO-KP, voormalige christelijke en katholieke verzetsgroepen, werd uit eerbied voor de oorlogsslachtoffers besloten op de avond voor dat bevrijdingsfeest op verschillende plaatsen in het land stille tochten te houden naar plaatsen waar hun dierbaren tijdens de oorlog gefusilleerd waren. Dat gebeurde onder andere op de Waalsdorpervlakte bij Den Haag. Daarvan werd op de radio – en later ook op televisie – verslag gedaan. Vervolgens werd in diezelfde stad en in dezelfde voormalige verzetskringen de Commissie Nationale Herdenking 1940-1945 opgericht. Deze had als doel van de stille tochten op de avond voor de viering van de bevrijding een nationale traditie te maken. Dit onder het motto ‘Geen viering zonder herdenking.’ Toen de regering vanaf 1946 5 mei koos als Bevrijdingsdag, verschoven de plaatselijke herdenkingen automatisch naar de avond van 4 mei. Dat de Commissie Nationale Herdenking als particulier initiatief goede politieke connecties had, bleek toen de regering Schermerhorn in 1946 haar richtlijnen voor 4 mei overnam, terwijl dat eigenlijk tot de taken van het pas opgerichte Nationaal Instituut behoorde. Die richtlijnen hielden onder andere in dat om zes uur ’s avonds de vlaggen halfstok moesten, om half acht de stille tochten begonnen en om acht uur twee minuten stilte werd gehouden. Veel van deze richtlijnen gelden tot op de dag van vandaag. Daarnaast organiseerde de Commissie Nationale

Herdenking vanaf 1947 op de middag van 4 mei een nationale herdenking met het Corps Diplomatique in de Ridderzaal. Opmerkelijk detail is dat bij deze besloten bijeenkomst ook vertegenwoordigers van Duitsland en Japan aanwezig waren en dat daarover geen politieke ophef ontstond. 4 mei 1961-1987: een militair karakter Begin jaren vijftig vond de regering Drees dat de nationale herdenking naar het Nationaal Monument op de Dam in Amsterdam moest worden verplaatst en bovendien moest worden samengevoegd met de talloze militaire herdenkingen die daar op andere data plaatsvonden. Complicatie vormden de veteranen die in voormalig Nederlands-Indië – en later in Korea – hadden gevochten en verenigd waren in het Veteranen Legioen Nederland (VLN). Om erkenning te krijgen, wilden zij meedoen aan de officiële nationale militaire herdenkingen, terwijl hun politieke standpunten over Indonesië botsten met die van de regering. Tijdens het kabinet van De Quay waaide er een andere politieke wind en daarom lukte het in 1959 wel om alle officiële militaire herdenkingen met de veteranenherdenking samen te voegen tot één jaarlijkse herdenking voor de Militaire Gevallenen. Die werd voortaan op 4 mei om 16.00 uur op de Dam gehouden, in aanwezigheid van de koningin. De Commissie Nationale Herdenking 1940-1945 werd dringend verzocht de herdenking in de Ridderzaal op te geven en te gaan samenwerken met het nieuwe Comité Herdenking Militaire Gevallenen. Dit onder verwijzing naar de groeiende kritiek op het elitaire karakter van de herdenking in de Ridderzaal en – toen


Achtergrond

Pagina

4 en 5 mei

35

Samen feestvieren En 5 mei is pas sinds 1990 een jaarlijkse nationale feestdag. Wat is er dan in de eerste 43 jaar na de Tweede Wereldoorlog rond herdenken en vieren gebeurd en hoe komt het dat 4 en 5 mei uiteindelijk zo’n vanzelfsprekende combinatie zijn geworden?

ineens wel – op de aanwezigheid van Japanse en Duitse diplomaten. Vanaf 1961 werd de nationale herdenking daadwerkelijk op 4 mei ’s middags op de Dam gehouden. Een belangrijke consequentie van de samenvoeging was dat voortaan ook aandacht werd besteed aan de Nederlanders die na 1945 tijdens oorlogshandelingen waren gesneuveld. Maar uitbreiding naar andere groepen oorlogsgetroffenen zat er voorlopig niet in. Homoseksuele jongeren die op 4 mei 1970 een krans wilden leggen bij het monument op de Dam, werden op verzoek van het comité gearresteerd. Na jaren van nogal moeizame samenwerking fuseerde de Commissie Nationale Herdenking uiteindelijk in 1973 op aandringen van premier De Jong met het Comité Nationale Herdenking Militaire Gevallenen tot het Comité Nationale Herdenking. Dat slaagde er echter niet in om het draagvlak voor de nationale herdenking te vergroten. 5 mei 1945-1988: ‘Voor gemeenschapsgevoel en offervaardigheid’ De maatschappelijke betekenis van de viering van de bevrijding kalfde eigenlijk al vanaf de jaren vijftig af. Omdat het land zich in de wederopbouwperiode geen extra vrije dag kon permitteren, werd 5 mei geen officiële nationale feestdag. Toen ministerpresident Drees begin jaren vijftig voorstelde de viering van de bevrijding voortaan maar te combineren met de verjaardag van de nieuwe koningin Juliana op 30 april, leidde dat wel tot hevige protesten in kringen van het voormalig verzet. Men was bang dat de herdenking op 4 mei hierdoor ‘in de lucht kwam te hangen’.

Drees zag af van zijn plannen en riep voor de nationale viering van de tienjarige bevrijding in 1955 zelfs een speciaal comité in het leven. Dat had tot taak op 5 mei ‘het gemeenschapsgevoel en de offervaardigheid van de bevolking’ te stimuleren. Die offervaardigheid werd onder andere getest met een laatste inzamelingsactie voor de Stichting ‘40-45’ ten behoeve van weduwen en wezen van gesneuvelde verzetsmensen. Deze actie was weliswaar een succes, maar veel organisaties beschouwden haar ook als een afsluiting. En inderdaad, na 1955 lukte het niet meer om een jaarlijkse 5-meiviering in stand te houden. Daarom besloot de regering Drees in 1958 dat de nationale viering van de bevrijding voortaan eenmaal in de vijf jaar zou worden gehouden. Pas in de jaren zeventig en nadat in 1972 de Wet Uitkeringen Vervolgingsslachtoffers was aangenomen groeide de politieke belangstelling voor 5 mei weer. Organisaties van overlevenden en nabestaanden raakten betrokken bij de viering van dertig jaar bevrijding in de RAI in Amsterdam. Voor het eerst kregen ook Joodse en Indische overlevenden en nabestaanden expliciet aandacht. Wat de betrokkenheid ook vergrootte, was dat het voormalig verzet zich inmiddels van links tot rechts officieel had verzoend en was gaan samenwerken. Voor de viering van de bevrijding in 1980 installeerde de regering het Comité Nationale Viering Bevrijding 1980 (CNVB) met in het bestuur bekende verzetslieden. Tot 1988 organiseerde het CNVB jaarlijks steeds in een andere provincie een programma met educatieve en culturele elementen. Daarbij was ook de koningin aanwezig. Maar jongere generaties liepen daarvoor niet erg warm.


Achtergrond

4 en 5 mei 1988 tot heden: Samen tijdens de twee minuten stilte Halverwege de jaren tachtig besloot de regering Lubbers dat het tijd was om één sterke nieuwe organisatie voor 4 en 5 mei op te richten en zo het draagvlak te vergroten. Op advies van een speciale werkgroep kreeg het Nationaal Comité 4 en 5 mei de opdracht de nationale herdenking op de Dam naar 20.00 uur te verplaatsen en samen te voegen met de Amsterdamse plaatselijke herdenking. De voorbereidingswerkgroep vond het van grote symbolische betekenis dat de koningin als het ware ‘naar de twee minuten stilte toeging’. De herdenking zou daardoor voor het eerst sinds 1945 in het hele land op hetzelfde moment worden gehouden – in aanwezigheid van de regering. Hoe mooi het idee ook was, de praktijk bleek weerbarstig. Het comité moest een evenwichtig en waardig actueel geheel zien te maken van een mengelmoes aan sterk uiteenlopende tradities en ook nog eens een keer een manier vinden om nieuwe generaties aan te spreken. Hierbij bleek dat vooral de Indië- en Koreaveteranen moeite hadden met het opgeven van hun verworven rechten zoals hun prominente plaats op de Dam. Zij gingen voortaan liever naar de herdenking op 5 mei in Wageningen waar ze zich in aanwezigheid van Prins Bernhard meer gewaardeerd voelden. Allerlei andere groeperingen die vroeger nooit bij de nationale herdenking vertegenwoordigd waren zoals de Joodse en Indische gemeenschap, communisten en homoseksuelen, wilden nu juist wel op 4 mei op de Dam een krans leggen. Dit had tot gevolg dat de kranslegging zo uitliep dat het defilé pas begon als het al donker was. Uiteindelijk werd het aantal kransen teruggebracht van tachtig naar vijf en werd de volgorde van de kranslegging veranderd. Daardoor legden de directbetrokkenen na de koningin

4 mei - dodenherdenking 1954, 2 minuten stilte bij de treinen (Foto: Ben van Meerendonk/AHF/IISG)

Pagina

36

als eersten een krans, vóór de vertegenwoordigers van de regering. De actualisering van 5 mei werd een lange zoektocht die vooral was ingegeven door de wens om er jongere generaties bij te betrekken. Een belangrijke aanzet hiervoor was dat het met steun van het Nationaal Comité lukte om vanaf 1991 in het hele land per provincie een bevrijdingsfestival te organiseren. Sinds 1996 is het de gewoonte geworden dat de minister-president in één van de provincies het startschot geeft voor de Dag van de Vrijheid om zo de overgang van herdenking en bezinning naar het actuele belang van vrijheid te markeren. Het avondprogramma van 5 mei in aanwezigheid van de koningin is in 1996 verplaatst van Carré naar een concert vanaf een podium op de Amstel. Binnen een paar jaar is dat uitgegroeid tot een traditie. Eindelijk samen Tot 1988 was er nauwelijks sprake van eenheid in de manier waarop de Tweede Wereldoorlog werd herdacht en de bevrijding gevierd. Bovendien lukte het nauwelijks naoorlogse generaties bij 4 en 5 mei te betrekken. Pas vanaf 1988 groeide het maatschappelijk draagvlak voor de nationale herdenking en viering van de bevrijding en werden 4 en 5 mei een vanzelfsprekende combinatie. Dat is niet alleen te danken aan het groeiend bewustzijn onder de bevolking van wat oorlogen teweegbrengen, maar ook aan de inzet van het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Dat is sinds 1988 voortdurend in nauw overleg met de betrokkenen en de verantwoordelijke bewindslieden blijven ‘sleutelen’ aan de invulling van deze dagen om een vorm te vinden waarin zoveel mogelijk Nederlanders zich kunnen herkennen.


Column

Oorlog & Angst

Door

illustratie

Stine Jensen

Peter Pontiac

Pagina

37

Wij angsthazen Ik was acht jaar toen de populaire groep Doe Maar in 1980 vijf weken langer op nummer één stond met het nummer De bom. ‘Dan lig ik in m’n nette pak, diploma’s en m’n cheques op zak, mijn polis en mijn woordenschat, awoei.’ Waarom het nummer eindigde met een heleboel voorzetsels in het Duits, begreep ik toen niet (‘Mit, nach, nebst, nächts, samt, bei, seit, von, zu, zuwider, entgegen, ausser, aus’), maar ik ging ervan uit dat het met de Tweede Wereldoorlog te maken moest hebben. Een jaar later begreep ik dat het om iets anders ging. De Koude Oorlog dreigde en er kon een neutronenbom komen! Op school en in het gezin werd gesproken over demonstraties tegen kernwapens en of je daaraan wel of niet moest meedoen. Wij gingen niet. Mijn moeder was banger voor mensenmassa’s dan voor een oorlog die ‘koud’ heette. Demonstreren vond mijn vader meer iets voor mensen die kennelijk niet werkten en de luxe hadden om uren op straat ideologisch te gaan staan brullen. Bovendien had angst als drijvende motor van het bestaan geen zin. Als er oorlog komt, kun je die toch niet tegenhouden. Was ik als achtjarige écht bang voor een neutronenbom? Nee. Ik had weliswaar een plaatje van de paddenstoelwolk van de bom op Hiroshima gezien en begreep dat oorlog iets verschrikkelijks moest zijn, maar anderzijds las ik ook het ene na het andere spannende kinderboek over de Tweede Wereldoorlog, van Oorlogswinter tot Oorlog zonder vrienden. Er school een zekere romantiek, heroïek en urgentie in een oorlogsbestaan. Zijn mensen die wel een oorlog hebben meegemaakt wellicht banger? De joodse journaliste Tamara Benimah (1950) vertelde ooit tijdens een aflevering van het televisieprogramma Zomergasten hoe zij, om haar getraumatiseerde ouders te jennen, – als jonge vrouw naar Duitsland afreisde, om in het ‘hol van de vijand’ te gaan studeren. Ze was vastbesloten haar leven niet door overgeleverde angsten en vijandbeelden te laten regeren – en werd prompt verliefd op een Duitser. In deze tijd figureert ‘de’ Duitser al lang niet meer het prominentst in de westerse angstfantasie. Na de aanslagen op de Twin Towers op 11 september 2001 staat ‘de’ moslim met stip op nummer één. Ook zouden we steeds banger worden. Een aantal jaar geleden verkocht Het Parool in Amsterdam T-shirts met als opschrift: BANG! Geert Mak typeerde in zijn pamflet Gedoemd tot kwetsbaarheid Nederland als een ‘angstcultuur’ en verweet media en politiek ‘handelaren in angst’ te zijn. Ahmed Larouz, voorzitter van Tans, een organisatie van hoogopgeleide allochtonen, constateerde dat ook onder nieuwe Nederlanders ‘woede en angst’ groot zijn. In hun geval omdat zij als het ‘nieuwe gevaar’ worden neergezet. Bedrijven die veiligheidstechnologieën verkopen, varen wel bij

de angst voor terreur. En een politieke partij als de PVV profiteert er ook flink van. Over angst schreef Joanna Bourke, hoogleraar geschiedenis van het Birbeck College in Londen een prachtige studie. In Fear. A Cultural History (2005) laat ze zien dat elke generatie zo zijn eigen angstobsessies kent. Ze deelt de geschiedenis in door ‘angsttijdperken’ te onderscheiden. Zo volgen we via chronologische hoofdstukken onder meer het tijdperk van massa-angst (eind negentiende eeuw, met de opmars van

Een wereld zonder angst zou niet alleen saai zijn, maar ook zonder liefde winkelcentra, theaters en stadions), ‘psychoangsten’ als nachtmerries en fobieën in de jaren twintig (Freud), angst voor oorlog (jaren dertig, veertig) en nucleaire angst (jaren vijftig), mannenangst (feminisme in de jaren zestig en zeventig), angst voor kanker (jaren zeventig), aids (jaren tachtig), natuurrampen en bioterrorisme (jaren negentig), het ‘rode gevaar’ (Koude Oorlog) en het ‘groene gevaar’, oftewel het moslimterrorisme dat na 2001 heeft geleid tot een ‘getraumatiseerde’ angstmaatschappij. We zijn dus altijd bangeriken zijn geweest. Dat angst op een bevolkingsgroep als geheel wordt geprojecteerd, is schandalig, maar het neemt niet weg dat angst terecht kan zijn: een fundamentalistische minderheid, hoe klein ook, kan veel ellende veroorzaken. Bovendien hebben mensen recht op angst, stelt Joanna Bourke. Een wereld zonder angst zou niet alleen saai zijn, maar ook een zonder liefde. We zijn namelijk niet alleen bang voor het kwaad, maar ook om het goede te verliezen. Iedereen die wel eens bang is geweest een geliefde te verliezen, drijft rond in een leegte, die in feite de ‘duizeling van de vrijheid’ is. Aldus citeert Bourke op de valreep de Deense filosoof Søren Kierkegaard. Angst doet beseffen wat vrijheid is. En een leven zonder angst is dus ook een angstig vooruitzicht. Misschien zou je met Bourke in gedachten een onderscheid kunnen maken tussen ‘positieve’ angst en ‘negatieve’ angst. Positieve angst maakt bewust van het mooie, zoals de liefde en vrijheid en zet aan tot handelen en bewegen, terwijl negatieve angst verlamt en de bewegingsvrijheid inperkt. Die negatieve angst kun je proberen te kanaliseren door hem te negeren, of, zoals Doe Maar zong, je te storten op je carrière, het maken van huiswerk en het leren van voorvoegsels Duits. Of je kunt, zoals de multiculturele denktank Eutopia, deze om proberen te zetten in positieve angst, in liefde, door bijvoorbeeld op provocatieve en speelse wijze T-shirts te verkopen met een alter-natieve boodschap: ‘I ❤ muslims’. Ik heb er inmiddels ook eentje en hij was nog gratis ook.


Beeldreportage

Beeld

Monumenten om op te zitten

Ilvy Njiokiktjien

Pagina

39

beeld: Ilvy Njiokiktjien

Meteen na de oorlog werd een commissie ingesteld om de wildgroei aan oorlogsmonumenten in toom te houden. Een van de richtlijnen die deze commissie uitvaardigde is dat er geen ‘monumentale banken’ moesten komen. ‘Gemakkelijk zitten op een monument is onmogelijk en monumentaal zitten en toch gemakkelijk acht spreker voor uitgesloten,’ staat in de notulen van een van de vergaderingen van de commissie. Toch zijn er onder de meer dan drieduizend monumenten zo’n dertig oorlogsbanken en ook heel wat gedenktekens die men anderszins als zitplaats kan gebruiken. Ilvy Njiokiktjien koos dit thema als onderwerp van haar reportage, omdat zij als fotografe vooral in mensen is geïnteresseerd en meent dat mens en monument op een bank op de meest natuurlijke wijze samenkomen.

Amsterdam, Dam - Twee Franse jongens wachten bij het monument op de Dam op een georganiseerde tour. Ze lijken mij het type dat niet graag op de foto gaat, maar zodra ze de camera zien willen ze juist graag meewerken. De twee komen uit Parijs en hebben sinds kort een auto van de zaak, deze willen ze ten volste gebruiken. Om die reden zijn ze voor een weekendje naar Amsterdam gereden.

Rotterdam, Plein Loods 24 - Een jongen fietst rondjes over het plein, terwijl zijn oudere zus bezorgd achter hem aanloopt. Ze lachen en rennen gillend rondom het monument. Achter het monument staan enorme flats, waar de kinderen ook wonen. Ze spelen handjeklapspelletjes en zingen liedjes. Ze zien mij wel, maar ze negeren mij totaal. Typisch kinderen, uitbundig. Na het maken van de foto’s zie ik pas dat de jongste van de twee, het jongentje gehandicapt is. Hij kan niet goed praten, maar spelen des te beter samen met zijn oudere zus die extra goed op hem let.


Beeldreportage

Monumenten om op te zitten

Pagina

40

Wolfheze, Airborne monument - De bank in Wolfheze staat op een grasveldje, voor een psychiatrische inrichting. Het was een warme dag, maar toch zat er niemand buiten op de bank. Pas toen ik mijn camera uit de tas haalde werd de bank een soort van podium. Mensen uit de aangrenzende tuin van de psychiatrische inrichting stonden op om te komen poseren. Een man wilde niet op de foto, maar vertelde wel over de oorlog.

Assen, Brink - Een bonte collectie aan honden en dames loopt door een park in Assen. Vlak voor dit park staat de gedenkbank, waar ze vervolgens uitrusten met patat en een boek. De honden eten net zoveel patat als de meiden en vangen het ene na het andere frietje. De hele groep is op vakantie in eigen land.

Amsterdam, fusilladeplaats Rozenoord - Het is een rustige ochtend in Amsterdam. Daar stond ik dan met mijn camera, bij een oorlogsmonument, maar niemand in de buurt. De bank grenst aan een klein parkje, ook daar was het doodstil. Na een tijd wachten komt er een trotse oma met buggy voorbij. Ze woont niet in Amsterdam, maar gaat vaak langs haar kleinkind om samen met hem door het park te lopen. Langs het monument.

Breukelen, Bevrijdingsmonument - In Breukelen was het druk, het marktplein en de cafeetjes zaten vol. Maar de bank, vlak naast de kerk, was leeg. Zodra ik mijn camera pakte, trok ik de aandacht van een voorbijganger. Hij wilde maar wat graag even op deze bijzondere bank zitten. Hij had zijn eigen bedrijfje en werkte even op zijn laptop. Ook belde hij nog wat, zo werd het rustige bankje deze middag toch nog bezocht.


Â&#x2013;/bZOaDO\Ab]ZY

7\'#$bSYS\RS:88]`ROO\\OO` OO\ZSWRW\UdO\SS\`SZ`]\RRS 6OOUaSPc`US[SSabS`AQV]YYW\U RShSRO\aS[OQOP`S6SbeOa\WSb RSSS`abSYSS`RObSS\R]aaWS`cWb RSBeSSRSES`SZR]]`Z]UcWbVSb U`OT]^ab]\R][RSaO[S\ZSdW\U bSdS`]\b`cabS\S\VSbeOahSYS` \WSbd]]`VSbZOObab7\RS$#XOO` RWSaW\Ra'"#dS`ab`SYS\hWX\VSSTb RSBeSSRSES`SZR]]`Z]URO\]]Y ]\bSZPO`S[OZS\b]b`SZZS\`SZZSbXSa RSPObbS\S\OTTOW`SaUSZSWR2Ob USPSc`RSW\OZZSZO\RS\]]YW\<SRS`ZO\R7\ RSXO`S\dWXTbWU[]SabRS6OOUaSPc`US[SSabS` AQV]YYW\U]^abO^^S\b]S\PSYS\ReS`RROb VWXPSb`]YYS\eOaUSeSSabPWXRSO``SabObWS dO\S\YSZS8]RS\W\hWX\US[SS\bS7\RSXO`S\ hSabWUUW\US\beSS3S`abS9O[S`ZSRS\dO\ eSUSVSb]]`Z]UadS`ZSRS\dO\{{\dO\VS\]^ RSdcWab2SXO`S\hSdS\bWUZWSbSS\VSZS`SSYa ]]`Z]UaOTTOW`SahWS\[SbOZa[SSabPSYS\RS RWS`]\RESW\`SP;S\bS\S\/O\bXSa7\RS XO`S\bOQVbWUeS`RS\W\bS`\ObW]\OOZaQVS`^S RSPObbS\USd]S`R]dS`RS][UO\U[SbVSb dS`ZSRS\W\VSbPWXh]\RS`RSAV]OVS\]\b

ab]\RW\<SRS`ZO\RSS\ZO\URc`WUS`SZ]dS`VSb \O]]`Z]UaS]^b`SRS\W\<SRS`ZO\Ra7\RW~7\RS XO`S\\SUS\bWUS\VSbPSUW\dO\RS abSSSce b]baZ]bab]\Rh]U]SROZaVSSZRS\O]]`Z]UaS aO[S\ZSdW\UW\VSbPSYZOOURS\PO\YXSD]]`OZ RS[O\WS`eOO`]^[S\\ORS]]`Z]UeOa][US UOO\[SbRSX]]RaS]dS`ZSdS\RS\S\RSPShWb bW\US\dO\Vc\OZRO\\WSbdS`[]]`RSZ]bUS\] bS\eS`ROO\RSYOOYUSabSZR=\RS`bcaaS\ d]ZURSVSbS\S·]]`Z]Ua`SZZSbXS¸\OVSbO\RS`S DOOYUW\UVSb]dS`eSW\WUb]b\WSba]TeOaS` [SbRSVO`S\PWXUSaZSS^b[OO`b]QVS`eO`S\ d]]`bRc`S\ROTTOW`SaS\d]]`OZOTTOW`SbXSa(]dS` 8O\1O[^S`bRWSb]QVSS\WSba[W\RS`T`OOW]]` Z]UadS`ZSRS\VORRO\RSVS`W\\S`W\UeWZRS)]dS` RS<SRS`ZO\RaS<]PSZ^`WXaeW\\OO`>SbS`2SPgS RWShWQVRSabWXRa[W\RS`U]SRUSR`OUS\h]c VSPPS\RO\VSbdS`VOOZeWZ)]dS`VSbTSWbROb ·WSRS`SS\¸RSabWXRadO\RS[]]`R]^RS8]RS\ USeSbS\VOR)]dS`RSUSZWXYS\WabcaaS\;ca a]ZW\WS\4]`bcg\]T;caaS`bS\EWZRS`a)]dS` RS]dS`SS\Y][abbcaaS\RS[WU`ObWS^]ZWbWSY dO\DS`R]\YS\RSPSVO\RSZW\URSabWXRadO\RS 8]RS\9]`b][RS]]`Z]UZSSYSS\[S\aS\ZSST bWXR\OVSbSW\RS`dO\OZbWXR\]UU]SRSab]Y][ RSV]\R[SSbSaZOO\

7ZZcab`ObWS(;/@3<B63Â&#x2022;

=]`Z]UaOTTOW`Sa


Reportage

Tekst

Beeld

Pagina

Auschwitz

Kim Kamphuis

Chris van der Heijden

42

Het is haast een schilderachtig landschap. Gras en bomen wuiven in de wind, schapenwolkjes hangen in een oranjerode hemel. De spoorrails, het middelpunt van de plek, glimmen in het zonlicht. Muggen dansen. ‘Dit was de hoofdingang’, zegt Robert Cohen, wijzend naar het hek waar de rails onderdoor lopen. ‘Hier kwamen de treinen binnen.’ Vijfenzestig jaar na zijn transport naar Auschwitz-Birkenau staat hij opnieuw voor de poort.

Zeventien was hij toen hij hier per trein arriveerde en werd geselecteerd voor dwangarbeid. Gekeurd, kaalgeschoren en voorzien van een getatoeëerd gevangenennummer werd Robert Cohen in het D-Lager geplaatst, de ‘afdeling’ voor arbeiders. Bijna een jaar lang was dit zijn thuis. Hadden gevangen destijds geen enkele mogelijkheid te ontkomen, tegenwoordig loop je Auschwitz-Birkenau zó in en uit. Op sommige plaatsen staan helemaal geen hekken meer. Massa’s mensen bezoeken het kamp en ook – wat heet – Auschwitz I, het iets oudere kamp dat enkele kilometers verderop ligt. In groepjes wandelen ze tegelijk met ons over het grindpad, langs diepe greppels, hekken met prikkeldraad, wachttorens, barakken. De nevel hangt in sluiers boven het gras. Kikkers springen voor onze voeten op. ‘Schuldig landschap’ zou dichter, kunstenaar, muzikant Armando deze omgeving noemen. ‘Dit landschap heeft kwaad gedaan. Ik kan de legers vermoeden. Het is hier vredig, maar ongepast. Stilte komt soms na lawaai: hier was pijn, hier ranselde men de medemens’, schreef hij in Dagboek van een dader. En: ‘Veel bosranden. Veel schuldig geboomte. Het stikt hier van de schuld, boom voor boom.’ Ondanks de schoonheid van de dag is er inderdaad geen ontkomen aan: in Auschwitz-Birkenau hangt de dood. Hier is gemoord. Niet één keer, maar duizenden, vele honderdduizenden malen. Lichamen zijn verbrand, de as gestort in weilanden en vijvers. Het leed is nog voelbaar. Het veroorzaakt kippenvel en onrust. Dit is een plek om te mijden. Eén keer bezoeken en daarna nooit meer. En toch, omwonenden lijkt het niet te deren. Het dagelijks leven gaat gewoon door. In de directe omgeving van het kamp staan huizen en boerderijen. Sommige ervan grenzen zelfs aan het kamp. Geraniums en afrikaantjes bloeien in de tuinen. Kippen scharrelen ongestoord rond. Hoe zou het zijn om vanuit de woonkamer op Auschwitz-Birkenau uit te kijken? Verderop staat, pal naast het eindstation van de deportatietreinen, een nieuwbouwwoning in de steigers. De bewoners kijken binnenkort uit op een veewagon die herinnert aan toen. We wandelen voort. Een gezelschap Aziatische toeristen in maatpak poseert op het spoor. Voor hen ligt een oranje bloemstuk. Even vriendelijk naar de fotograaf kijken, k-l-i-k, en ze lopen weer verder. De lange rails lopen naar het andere uiteinde van het kamp, naar de plek waar zich de ruïnes van de crematoria bevinden. Ze zijn niets dan puin, brokken beton, chaotische hopen baksteen. Ooit stonden hier goed draaiende gaskamers en ovens. Gevoed door angst ‘Ik wist meteen dat er iets mis was’, vertelt Cohen over het moment van aankomst. Het is het duizendmaal vertelde verhaal. Over de scheiding op de Rampe, het perron. Kinderen, ouderen en zieken links. ‘Ik moest rechts. ’s Avonds zag ik vanuit de barak de rook uit de schoorstenen van de crematoria. In de hekken

hingen geëlektrocuteerde lichamen van gevangenen. Ik heb toen gedacht: deze mensen zijn gek. Dit moet ik aan de buitenwereld vertellen.’ Het is dat voornemen dat Cohen nu opnieuw naar het kamp brengt. Hij ziet het vertellen over zijn ervaringen als zijn taak, zijn plicht. Zijn gevoelens onderdrukt hij. ‘Eén keer, toen ik na de oorlog op de Rampe liep, brak ik. Het werd me even teveel, maar ik heb me snel hersteld. Het verleden benader ik zoveel mogelijk klinisch. Als ik dat niet doe, ben ik naar de haaien. Dat realiseerde ik me op het moment dat ik bevrijd werd.’ Van de crematoria lopen we langs de Sauna. Daar werden de gevangenen na aankomst kaalgeschoren en gedoucht. Wij lopen het bos in. Het geurt. De bladeren verkleuren al. Zonnestralen schijnen door het loof op het wegdek en op onze gezichten. Voorbij een wachttoren verlaten we de verharde weg. Een smal bospad leidt ons naar de rand van een akker. Zonder scheidingslijn loopt het voormalig kamp hier over in boerenlandschap. Dikke kolven maïs pronken hoog op de stelen. Een bandenspoor loopt door het hoge gras langs de rand van de akker en verdwijnt tussen bos en weiland. Ik verwonder me over de aarde. Deze is niet korrelig en zwart, maar grijs en fijn van structuur. Er liggen funderingen van gebouwen, verderop staat nog een kleine ruïne.

‘Vanuit mijn barak zag ik de rook uit de schoorstenen van de crematoria’ Een informatiebord verklaart dat ook hier een gaskamer heeft gestaan. De lichamen werden in de openlucht verbrand, de as werd verstrooid. De dood huist hier werkelijk overal. De as kleeft nu zelfs aan mijn schoenzolen. Ook Gerton van Boom, historicus en uitgever, vergezelt ons tijdens de reis. Hij is voor de vierde keer in Auschwitz. Na zijn eerste bezoek, jaren geleden, groeide zijn belangstelling. Sinds 2005 geeft hij Nederlandstalige boeken over de Holocaust uit, de Verbum Holocaust Bibliotheek. Maar alleen boeken lezen volstaat volgens hem niet. ‘Als je er over leest weet je dat het verschrikkelijk is geweest. Hier wordt dat bevestigd, tastbaar.’ Drie verschillende mensen, drie generaties, hetzelfde reisdoel. Cohen, Van Boom en ikzelf. We bespreken de gruwelijkheden van toen maar ook de samenleving van nu. Want Auschwitz mag dan voorbij zijn, is het er sindsdien veel beter op geworden? Cohen heeft wel een verklaring voor de twijfel. Geweld, racisme, Auschwitz - september 2009, Rob Cohen vertelt Israëlische scholieren over zijn ervaringen


Auschwitz nu Alledaags leven in een schuldige omgeving


Reportage

Auschwitz uitbuiting en uitroeiing worden nog altijd gevoed door angst. Net als ruim zeventig jaar geleden. ‘Hitler wees de Joden aan als oorzaak van al het kwaad. Via slimme propaganda wist hij de mensen hiervan te doordringen.’ Ook voor de bevolking van Auschwitz waren de gevolgen groot, zo tonen de gegevens van het joods museum in de stad. Voor de oorlog was 68 procent van de inwoners Joods, nu telt Auschwitz nog maar één Joodse burger. Nummer 174708 Elders in het stadje ligt het eerste kamp, Auschwitz I ofwel het Stammlager. Terwijl de stad nog in nevel hangt, gaan we er de volgende dag in alle vroegte naartoe. Ook hier werd de ‘Untermensch’ opgesloten en gescheiden van de rest van de wereld.

De stenen barakken huisvesten nu een museum. Vlak ernaast staat een hotel, met restaurant. Binnen een uur zal het parkeerterrein volstromen met auto’s en touringcars. Bij de kassa neemt Cohen zijn pet af, stroopt zijn mouw op en toont het op zijn onderarm getatoeëerde nummer: 174708. Zolang hij gevangen zat, verving het zijn naam en identiteit. Niets van zijn persoonlijkheid mocht overblijven. Zelfs denken werd hem afgeleerd. ‘Alle bevelen voerde je zonder tegenstribbelen uit. Als een SS’er zei: ‘Häftling 174708 hinlegen’, dan deed ik dat, zonder nadenken. Ook al lag er een dikke laag modder.’ Respectvol worden we binnengelaten. Het is nog rustig in het kamp. Een knisperend grindpad leidt onder de bekende leus ‘Arbeit macht frei’ door naar de stenen barakken. In één daarvan is het administratiekantoor gevestigd. Via de toegangspoort tussen de dubbele rij prikkeldraad lopen we er naartoe. Een strenge dame informeert zakelijk naar de aard van ons bezoek. Opnieuw laat Cohen het nummer op zijn onderarm zien. ‘I would like to see my card’, voegt hij er aan toe. De dame knikt en verdwijnt naar een achterkamertje. Terwijl we in een kleine, sobere ruimte wachten, legt Van Boom uit dat de nazi’s er een enorme administratie op na hielden. ‘Van elke gevangene werd een persoonskaart geschreven, met onder andere naam, adres, woonplaats en gevangenennummer. Daarvan werden minstens zeven kopieën gemaakt, die verstuurd werden naar Berlijn en andere plaatsen. Aan het eind van de oorlog

Pagina

44

hebben de nazi’s zo veel mogelijk sporen uitgewist, maar de administratie is nooit helemaal vernietigd.’ Er blijken twee documenten te zijn met Cohens naam erop. Een lijst van gevangenen, gedateerd 21 november 1944 en een persoonskaart. Van deze laatste krijgt hij een kopie. ‘Name und Vorname: Cohen Robert Israël, geb.: 25-01-1926 zu: Amsterdam.’ ‘Reden van opsluiting: Jood. Er is zelfs genoteerd welke vorm Cohens neus heeft: geradlinig, recht. En ook: ‘Haare: schwarz, Gestalt: schlank, Gesicht: oval, Ohren: abstehend, Mund: mittel gross.’ ‘Het woord Israël is zomaar toegevoegd aan mijn naam. Dat is een verzinsel van de SS’, zegt Cohen. Hij wijst ook naar het kopje ‘Beruf: Tischler’. ‘Blijkbaar heb ik gezegd dat ik timmerman was toen ik hier aankwam. Een vakman deed het altijd goed bij de Duitsers.’ Weer buiten zien we dat het langzamerhand drukker is geworden in het museum. Met koptelefoons op volgen de bezoekers hun gids langs de stenen barakken, waartussen frisgroen gras groeit. In de verte staat een betonnen schutting. Daarachter zien we zo nu en dan het gekleurde zeil van vrachtwagentrailers voorbij schieten. Ook hier is de bewoonde wereld opmerkelijk dichtbij. Vlakbij de ingang van het ‘dodenblok’ treffen we een groep Israëlische scholieren in witte truien. Sommige dragen de blauwwitte Israëlische vlag. Cohen loopt naar ze toe. ‘Shalom’, groet hij en stroopt zijn mouw op. De scholieren kijken zwijgend naar zijn tatoeage. Enkele meisjes barsten in tranen uit. Voor hen is hij het levende bewijs. Vol eerbied schudden ze hem de hand: ‘Het is een eer kennis met u te maken.’ ‘De stakkertjes’, zegt Cohen zodra hij zich weer bij ons aansluit. ‘Ik vind het zo erg dat ze het zich zo aantrekken. Het is zo aangrijpend voor kinderen.’ Hij is zichtbaar ontroerd. We lopen naar de executieplaats, waar vele gevangen ‘tegen de muur’ moesten. Volgens Cohen heeft het bloed daar tot metersdiep in de grond gezeten. Nu staan er kaarsjes, liggen er bloemen en zijn er afbeeldingen van heiligen achter de muur gestoken. Kiezelsteentjes liggen langs het randje.

‘Blijkbaar heb ik gezegd dat ik timmerman was toen ik hier aankwam. Een vakman deed het altijd goed bij de Duitsers’ Van Boom vertelt dat de gevangenen vaak vreselijk werden gemarteld. In de muffe strafbarak bekijken we de werktuigen en de cellen. Een aantal ervan heeft alleen een deurtje op kniehoogte en een vloeroppervlak van hooguit een meter. Van Boom: ‘Overdag moesten de gevangenen werken, ’s nachts moesten ze met zijn vieren in deze cel. Ze konden er alleen staan en stierven vaak van uitputting.’


Auschwitz-Birkenau - september 2009, Rob Cohen vertelt vreselijke dingen in een prachtige omgeving

Auschwitz-Birkenau - september 2009, Zyklon B

Kamp Monowitz Dwangarbeiders gingen vaak naar het derde kamp in de omgeving: Monowitz. Daar stonden de barakken van de arbeiders van de fabriek van het Duitse chemieconcern IG Farben. Op zoek naar Monowitz rijden we door een troosteloze plaats met grauwe straten. Een enorm fabrieksterrein wordt afgeschermd door betonnen schuttingen. Metershoge gebouwen en schoorstenen trekken traag voorbij, bovengrondse pijpleidingen doorkruisen de akkers en de weilanden. Maar de bewakers van het terrein zijn stellig: de slagboom blijft voor ons gesloten. Wat er vandaag de dag in de fabrieken gebeurt, komen we niet te weten. Een smalle landweg leidt naar de plaats waar destijds de barakken moeten hebben gestaan. Het is er stil. Kleinvee scharrelt in de berm, een boer ploegt met zâ&#x20AC;&#x2122;n trekker het land om. Een auto haalt ons haastig in. Cohen speurt vanachter het autoraam de omgeving af, zijn ogen ietwat toegeknepen. Hij wijst op een schuttersputje en stukken gewapend beton. Het zouden overblijfselen van het kamp kunnen zijn. Het beton ligt netjes opgestapeld in het gras, de roestige stalen staven steken er uit. Verderop staat een man voor zijn huis te roken. Weet hij waar het Monowitz-kamp lag? De man neemt een trek van zijn sigaret en gebaart om zich heen. Dat was hier, zegt hij, zijn huis is gebouwd op de plek waar ooit de barakken stonden. Tussen de bomen staat nog een betonnen wachthuisje. En verderop nog een. Hij blaast glimlachend een wolk rook uit en kijkt ons geamuseerd na terwijl wij de huisjes bekijken. Dan sluit hij het hek, aait de hond en gaat naar binnen.


Beeldreportage

Pagina

De oorlog in de Nederlandse literatuur & film

46

Over de Tweede Wereldoorlog zijn honderden films en tienduizenden boeken gemaakt. Daaronder talloze literaire werken. Worldcat, de verzamelcatalogus van meer dan 10.000 bibliotheken en 1,5 miljard items, geeft al meer dan 20.000 media (boeken, dvd’s, geluidsopname) met alleen de woorden ‘Second World War’ in de titel. Ook in Nederland is het aantal films en boeken niet meer te tellen. Worldcat vermeldt meer dan 2300 boeken met Tweede Wereldoorlog in de (onder)titel. Picarta, de Nederlandse centrale catalogus, vermeldt er bijna 3000. Toch is het aantal bekende en/of belangrijke Nederlandse boeken en films relatief gering. Kleiner nog het aantal boeken waarop films werden gebaseerd. Slechts een tiental daarvan, plus enkele zelfstandig geproduceerde films werd fameus.

De belangrijkse Nederlandse speelfilms over de oorlog (tussen haakjes de regisseur en, indien van toepassing, auteur)

1949 LO/LKP (Max de Haas) 1950 De dijk is dicht (Anton Koolhaas) 1962 De overval (Paul Rotha) 1963 Als twee druppels water (Fons Rademakers, W.F. Hermans) 1977  Soldaat van Oranje (Paul Verhoeven, Erik Hazelhoff Roelfsema) 1978 Pastorale 1943 (Wim Verstappen, Simon Vestdijk) 1981 Het meisje met het rode haar (Ben Verbong, Teun de Vries) 1985 Het bittere kruid (Kees van Oostrum, Marga Minco) 1986 De aanslag (Fons Rademakers, Harry Mulisch) 1986 In de schaduw van de overwinning (Ate de Jong) 2006 Zwartboek (Paul Verhoeven) 2008 Oorlogswinter (Martin Koolhoven, Jan Terlouw)

m

museu

© Film


© Niod


Beeldreportage

Pagina

De oorlog in de Nederlandse literatuur & film

48

Waar gebeurde fictie? - Als het over de oorlog gaat lopen fictie en non-fictie vaak door elkaar. Terwijl De donkere kamer van Damocles van Hermans en De aanslag van Mulisch onmiskenbaar fictie zijn, kun je datzelfde niet zeggen voor Het bittere kruid van Marga Minco. Zij noemde haar verhalen dan ook een kroniek. Maar dat noemde Herzberg zijn Geschiedenis van de jodenvervolging ook. Claude Lanzmann, maker van een beroemde documentaire over de Shoah, meende dat het verboden was van het onderwerp fictie te maken. Elie Wiesel, een van de meest bekende schrijvers van een boek over de Shoah, was het hiermee eens. Vandaar dat beiden kritiek uitoefenden op Spielbergs Schindler’s List. Die film was fictie maar werd veelal gezien als ‘waar’. Kortom, verwarrend.

Anne Frank - Internationaal verreweg het beroemdste boek, film, theaterstuk van Nederlandse oorsprong over de oorlog is Het Achterhuis ofwel Dagboek van Anne Frank. Voor het eerst verschenen in 1947 veroverde het de wereld vanaf het moment dat er in de Verenigde Staten toneel van was gemaakt. Het stuk ging eind 1955 in première en maakte zoveel indruk dat het Amsterdams-joodse meisje van Duitse oorsprong in heel de wereld een begrip werd. Dit ging zo ver dat een Japanse firma van tampons zijn product de naam gaf van Anne Frank: Anne no hi, Anne’s dag. Het dagboek van Anne Frank droeg er ook tot bij dat men over heel de wereld een beeld kreeg van Nederland in de Tweede Wereldoorlog – een beeld dat vermoedelijk iets fraaier is dan de werkelijkheid.

42

43

44

Stills - uit achtereenvolgens v.l.n.r. Het bittere kruid, Soldaat van Oranje, Pastorale 1943 en De overval. (Foto’s: Spaarnestad Photo)


Beeldreportage

Pagina

De oorlog in de Nederlandse literatuur & film

49

45

Š Anne Frank Stichtin

g

useum

Š Filmm


Achtergrond

Tekst

Beeld

Vredesmissies

Christ Klep

Hollandse Hoogte

Pagina

50

Nederlanders op Het moderne defensieapparaat De traditionele hoofdtaak van militairen is het vaderland verdedigen. Voor Nederland ging dat op tot na de Koude Oorlog – tot die zo symbolische val van de Muur in 1989. Toen de Rode Vijand uit het zicht verdween, kwam de nadruk te liggen op internationale missies in Verweggistan. En voorlopig zal dat zo blijven. Op zich is het heel normaal dat defensieapparaten zich aanpassen aan nieuwe taken. Het zijn immers typische publieke ‘nuttigheidsorganisaties’. Ze moeten telkens opnieuw bewijzen dat ze hun geld waard zijn. Maar defensie heeft in het vanouds weinig militair gezinde Nederland nauwelijks prioriteit. De overheidsruif is krap. Onderwijs of sociale zekerheid zijn dan veel logischere bestedingsdoelen dan dure operaties in verre landen of kostbaar nieuw materieel als de Joint Strike Fighter. Stevige inkrimpingen bleven het ministerie van Defensie na 1989 dan ook niet bespaard. Het relatief grote dienstplichtigenleger – bij een noodsituatie door mobilisatie van de oproepbare jongens snel uitbreidbaar – werd omgevormd tot een veel kleinere beroepskrijgsmacht van ongeveer 45.000 militairen. Waarom koos Nederland na 1989 zo nadrukkelijk voor vredesoperaties als hoofdtaak van de krijgsmacht? Om te beginnen zagen regering en parlement deze missies als een bruikbaar instrument om doelen te verwezenlijken die breder waren dan de verdediging van het eigen grondgebied: de wereldwijde bevordering van vrede, veiligheid en mensenrechten. Het eind van de Koude Oorlog leidde sowieso tot een grotere belangstelling voor universele mensenrechten, de wederopbouw van zwakke staten en de bescherming van minderbedeelden. Hoe dan ook was de krijgsmacht nauwelijks in een positie om zijn nieuwe taken – met alle bijbehorende inkrimpingen en reorganisaties – te blokkeren. Tegenwerking zou ongetwijfeld op nóg grotere bezuinigingen zijn uitgelopen. Maar er waren ook lichtpuntjes. Zo kwam er nieuw materieel om de wereldwijde taken als expeditie vredesleger goed te kunnen uitvoeren (bijvoorbeeld transportvliegtuigen en grote amfibische schepen). Ook bleef de zo gekoesterde – maar niet altijd even efficiënte – verzuilde structuur met afzonderlijke krijgsmachtdelen (marine, landmacht, luchtmacht en marechaussee) behouden. De grotere nadruk op vredesoperaties vanaf 1989 liep parallel aan de algemene hoop dat de VN – ontworsteld aan de wurggreep van de Koude Oorlog – een belangrijkere rol zou krijgen bij de handhaving van vrede en veiligheid. Vóór 1989 trokken de supermogendheden VS en Sovjet Unie hun eigen plan. Bij de oprichting van de VN in 1945 stond nog een ‘wereldleger’ gepland dat overal de vrede moest gaan afdwingen. Daar kwam eigenlijk niets van terecht. De enige vredesafdwingende operatie (peace enforcement), namelijk die in Korea tussen 1950 en 1953, was

bovenal een ‘hete’ Koude-Oorlogsbotsing tussen de VS en het communistische blok. VN-buffermachten (peacekeeping) bleken tot 1989 het hoogst haalbare. Deze militairen droegen blauwe helmen en baretten om ze goed zichtbaar te maken als buffersoldaten. Erg veel mochten ze niet. Alleen als de grote mogendheden het handig vonden (bijvoorbeeld om een gevaarlijke crisis te ontzenuwen), werden de ‘blauwhelmen’ ingezet. Ze mochten trouwens alléén komen als de lokale partijen het goed vonden. Niettemin voelde het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken wel iets voor deelname aan dit soort peacekeeping-missies. Alleen al vanwege het buitenlandspolitieke prestige, ofwel showing the Dutch flag. In de jaren zestig stelde ons land dan ook flink wat troepen en materieel beschikbaar voor het reservoir van VNblauwhelmen (de zogenoemde stand-by forces). Er kwam zelfs een

Ons land wil graag bij de militaire top vijf horen, maar je militaire hart verpanden aan de VS levert lastige vragen op speciaal ‘VN-bataljon’ in het Drentse Zuidlaren. De blauwhelmen in spe kregen bijvoorbeeld les in onderhandelen en rellenbestrijding met knuppel en rieten schild. Defensie was echter heel wat minder enthousiast dan Buitenlandse Zaken: het gereedhouden van blauwhelmen kostte een hoop geld en leidde af van de dreiging waar het wérkelijk om ging, die van het Warschaupact. Vandaar dat de militaire leiding steeds meer uurtjes van het VN-opleidingsprogramma afsnoepte. Uiteindelijk zou het Nederlandse VN-bataljon tijdens de Koude Oorlog maar aan één grote buffermacht deelnemen: UNIFIL in Zuid-Libanon (19791985). Deze missie moest de Israëlische en Palestijnse strijders uit elkaar houden. Ze had weinig succes. De groene missies De hoop dat VN-vredesmachten een wezenlijk verschil zouden gaan uitmaken, verwaaide na 1989 al snel. Op zich nam het aantal


Achtergrond

Pagina

Vredesmissies

51

vredesmissie VN-missies toe. Maar de vredesmachten werden met steeds complexere takenpakketten opgezadeld: handhaven van rust en orde, beveiligen van noodhulp, wederopbouw, bevordering van de mensenrechten. Tegelijk bleven ze onderbemand en volgden veel troepenleverende landen hun eigen politieke agenda’s. De lokale partijen weigerden vaak simpelweg om mee te werken. Op papier hadden de vredesmachten weliswaar ruime bevoegdheden, in de praktijk konden ze die nauwelijks waarmaken. Vooral Srebrenica confronteerde Nederland met deze harde les. Een uitgedunde Nederlandse VN-eenheid (Dutchbat) kon in de zomer van 1995 niet beletten dat Bosnische Serviërs de omsingelde moslimenclave

onder de voet liepen. Duizenden moslimmannen verloren in deze hectische dagen het leven. Voor Nederlandse politici en militairen was de les duidelijk: geen vernederingen à la Srebrenica meer! De voorkeur verschoof naar afdwingende operaties door sterke vredesmachten, uitgerust met zwaar materieel (inclusief tanks en gevechtsvliegtuigen) en liefst onder leiding van de NAVO of een grote bondgenoot. Dit werden ‘groene’ missies genoemd: de blauwe VN-kleuren gingen af. Vanaf nu droegen de militairen weer hun groene camouflagekleuren en de opvallende witte VN-voertuigen werden overgespoten. Deze groene vredesmachten opereerden als echte gevechtseenheden,


Achtergrond

Pagina

Vredesmissies die niet met zich zouden laten spotten. Op de Balkan nam Nederland vanaf 1995 deel aan de groene operaties die de machteloze VN-vredesmacht opvolgden: IFOR (Implementation Force) en SFOR (Stabilization Force). De politieke en juridische haken en ogen aan vredesmissies bleven intussen echter groot. Voor nieuwe missies is een mandaat van de VN-Veiligheidsraad nodig. Maar Veiligheidsraadleden als Rusland en China – die kampen met grote interne problemen en afscheidingsbewegingen – zijn allergisch voor snel ingrijpen in binnenlandspolitieke kwesties. Veel andere VN-lidstaten vinden juist dat sommige noodsituaties

Vredesmachten worden met steeds complexere takenpakketten opgezadeld zó schokkend zijn dat de wereld niet afzijdig mag blijven. Het NAVO-ingrijpen in Kosovo (1999) met name – om de Albanese bevolking te beschermen – gebeurde uiteindelijk zonder een ondubbelzinnig mandaat van de VN-Veiligheidsraad. Hoe dan ook, alles bij elkaar voelde Defensie zich bij de groene operaties een stuk beter thuis dan bij het ‘veredelde politiewerk’ van de blauwe VN-vredesmachten. De groene inzet sloot immers beter aan bij waar het in het militaire werk eigenlijk om draait: zo snel mogelijk de eigen wil opleggen aan de tegenstander, desnoods met geweld. De krijgsmacht zelf raakte vanaf het midden van de jaren negentig ook steeds meer in een ‘uitzendritme’, waarbij eenheden of individuele militairen elkaar elke vier of zes maanden aflossen. De moderne beroepsmilitair weet dat hij tijdens zijn carrière één of meer keren op uitzending zal gaan. Het werk van de krijgsmacht werd ook gevaarlijker. In Afghanistan verloren tot medio 2009 zestien Nederlandse militairen het leven. Sommige deskundigen meenden dat een toenemend aantal doden zou leiden tot de roep bij politiek en publiek om de militairen snel terug te trekken. Deze lijkzakken (body bag)-these

52

blijkt echter – zo lijkt het – niet op te gaan. Er doen zich namelijk twee verschijnselen voor die we bij veel andere troepenleverende landen zien. Aan de ene kant worden de slachtoffers ‘geïncasseerd’ als een onvermijdelijk gevolg van het feit dat ‘onze jongens en meisjes’ nu echt moeten vechten. Aan de andere kant blijkt dat het publiek van nature weinig belangstelling heeft voor ‘ver van mijn bed’-zaken als buitenlands beleid en defensie. Pieken in de aandacht hebben vooral te maken met incidenten en slecht nieuws. De dilemma’s De krijgsmacht mag zich dan beter thuis zijn gaan voelen bij groene operaties dan bij blauwe, ook ná 1995 bleven vredesmissies een ingewikkelde kwestie. Aan welke operaties moest of kon Nederland eigenlijk deelnemen? Het parlement bemoeit zich steeds meer – en op een steeds vroeger moment – met de besluitvorming bij vredesmissies. De volksvertegenwoordigers hebben weliswaar geen formeel instemmingsrecht, maar geen enkele regering zou het aandurven aan een grote missie te beginnen zónder een Kamermeerderheid. En moet die deelname dan in een Europees kader gebeuren of onder leiding van de Amerikanen? De laatste optie is puur militair gezien aantrekkelijker: ons land wil graag bij de militaire top vijf horen en de Amerikanen staan nu eenmaal op nummer één. Maar je militaire hart verpanden aan de VS levert nieuwe lastige vragen op. In hoeverre moet Nederland de Amerikaanse war on terror (blijven) steunen, met in het kielzog taaie mensenrechtenkwesties als Guantánamo Bay? Wat te doen als de VS operaties beginnen zonder een duidelijk VN-mandaat, zoals bij de aanval op Irak in 2003. Het ongemakkelijke poldercompromis van Jan Peter Balkenende sprak toen voor zich: geen militaire, maar wel politieke steun. Een andere penibele kwestie blijft de doelmatigheid en onvoorspelbaarheid van vredesmissies. Veel operaties ontwikkelen een soort eigen dynamiek, wat het extra ingewikkeld maakt ze af te breken. Immers, wat met veel moeite is opgebouwd, moet worden achtergelaten. Nederland maakt zich dan kwetsbaar voor de kritiek dat ‘we’ de lokale bevolking en de bondgenoten in de steek laten. Het blijkt bovendien lastig om permanent een grote hoeveelheid militairen en materieel buiten de deur te hebben. In het dorre Afghanistan bijvoorbeeld, slijten voertuigen en helikopters sneller dan verwacht en moesten snel maatregelen worden genomen tegen de dodelijke bermbommen van opstandelingen. De werving van sommige categorieën personeel (commando’s, genisten, artsen) blijft evenzeer een probleem. Het verbaast daarom niet dat de regering het begin jaren negentig geformuleerde ambitieniveau naar beneden heeft moeten bijstellen. In de praktijk is de krijgsmacht in staat hoogstens één (al of niet versterkt) bataljon van circa duizend militairen uit te zenden, plus enkele F-16 gevechtsvliegtuigen, helikopters en oorlogsschepen. Dit alles neemt niet weg dat de Nederlandse krijgsmacht ook de komende jaren vooral een buitenlands politiek instrument zal zijn, ter bevordering van vrede, veiligheid en mensenrechten in de wereld. Vooropgesteld natuurlijk dat de Russen niet opnieuw onze grenzen bedreigen. Maar die kans is niet zo groot.


Beeldreportage

Beeld

Nederlandse veteranen

Martin Roemers

Anton Erdkamp (grote portret) en vlnr Piet de Visser, Willem Brandt en Wim Jagtenberg: allen veteranen van de Tweede Wereldoorlog. Erdkamp en Brandt vochten in NederlandsIndië, de andere twee aan het Nederlandse front. Verhalen als die van hen en citaten als onderstaande zijn in grote hoeveelheid te vinden op de website van het Veteraneninstituut.

‘Door Libanon ben ik wel veranderd, serieuzer geworden. Ik heb de broosheid van het leven ontdekt, het kan zomaar voorbij zijn. Daar moet je met respect mee omgaan.’ Dirk-Jan Hoogerdijk uitgezonden geweest in Libanon en Servië

‘Er is niets zo vies als een oorlog. Als je het niet hebt meegemaakt, kun je het ook niet begrijpen. Als wij op zoek waren naar extremisten, stak je de loop van je wapen rond een deur en je schoot. En dan raakte je wel eens de verkeerde.’ Sjeng Cox dienstplichtig militair in Nederlands-Indië

Pagina

53


Achtergrond

Tekst

Atjeh

Lucia Hogervorst

Pagina

54

Materiaal voor lesboeken

De (niet te) vergeten oorlog in Atjeh Wanneer is een oorlog vergeten? Als de direct betrokken generatie er niet meer is? Of als hij niet meer herdacht wordt? Er is een graadmeter, namelijk schoolboeken. De Tweede Wereldoorlog bijvoorbeeld. Dit conflict op wereldschaal ontbreekt in geen enkel lesboek. Maar hoe zit dat met de Atjeh-oorlog in voormalig NederlandsIndië? Hoewel die een van de meest bloedige en langdurigste koloniale oorlogen ooit is geweest, lijkt hij vergeten en is de herinnering anders dan je zou denken. Over de Atjeh-oorlog in lesboeken uit de jaren vijftig schreef de protestants christelijke methode Geschiedenis van de Nederlanden: ‘Er waren allerlei moeilijkheden. In de eerste plaats in Indië. Daar werd voortdurend gevochten, vooral in N.-Sumatra in Atjeh. Over de Atjehers regeerde een sultan en die sultan wilde eigen baas blijven en niet gehoorzamen aan de Nederlandse regering. Nu waren de Atjehers erge zeerovers, geen enkel schip was veilig voor hen. De Nederlanders hadden daar veel last van, maar ook andere volken, vooral nadat het Suezkanaal klaar was. De Nederlandse regering moest zorgen dat die zeeroverij ophield. Maar hoe kon ze

Schoolkinderen kregen nog in de jaren zestig te horen over de Nederlandse heldenrol in de Atjeh-oorlog dat? Dan moest er natuurlijk gevochten worden.’ Met deze tekst werd de sultan als ongehoorzaam kind neergezet, en het Atjehse volk als een bende zeerovers. De katholieke methode Rood, wit en blauw pakte het heel anders aan. Hier was de hoofdrol weggelegd voor pastoor Verbraak. Hij droeg zorg ‘voor het zieleheil der dapperen.’ Maar liefst tweeënhalve pagina werd er ingeruimd voor de goede werken van de pastoor. De leerlingen kwamen zelfs aan de weet dat zuurkool met spek zijn lievelingsgerecht was. Enkele citaten: ‘Maar die dapperen waren in die tijd geen heilige boontjes! Integendeel! Pastoor Verbraak had het druk. Op zondagmorgen moest hij te Koetaradja al heel vroeg de heilige mis lezen; waaronder predikatie’ en ‘Honderden heeft hij bijgestaan aan hun ziekbed of doodsbed; weer anderen in de gevechtslinie.’ Er was nauwelijks aandacht voor oorzaak en gevolg van de oorlog. ‘In 1873 onder de regering van koning Willem III begon in onze Oost een harde strijd met

Atjeh. Atjeh was een land met bergen en dalen, met zware wouden, met diepe kloven. Daar was het voor onze Kolonialen niet makkelijk.’ De methode liet niet na de krijgskunst van de Nederlandse soldaten te prijzen: ‘Onder leiding van generaal Karel van der Heijden behaalden onze mannen daar vele lauweren.’ De neutrale methode Hoe het groeide hield het heel kort: ‘Hier en daar was nog wel eens verzet tegen de Nederlanders, b.v. in Atjeh. Door krachtig optreden werd de orde hersteld.’ Daarmee bood de methode de leerlingen wel heel weinig feitelijks. Maar wat waren die feiten eigenlijk? De Atjeh-oorlog Aan het eind van de negentiende eeuw werkte Nederland aan zijn territoriale afbakening in ‘de Oost’. Heel Nederlands-Indië moest onder direct Nederlands gezag komen te staan. Ook Atjeh stond op het verlanglijstje, de noordelijke punt van het eiland Sumatra en berucht om zijn zeeroverij. De vestiging van het Nederlandse gezag begon urgent te worden na de opening van het Suezkanaal in 1869. Het toegenomen internationale scheepvaartverkeer ondervond steeds meer hinder van die zeeroverij. Toen bovendien geruchten de ronde deden over buitenlandse interesse voor het gebied en over pogingen van de sultan om steun te zoeken bij andere mogendheden, was de maat vol. Op 8 april 1873 zette een Nederlandse militaire expeditie voet aan wal op Atjeh. De eerste expeditie in 1873 mislukte, de tweede in 1874 leek meer succes te hebben. ‘De kraton is ons!’ telegrafeerde legercommandant Van Swieten triomfantelijk naar het thuisland. Zijn bericht vermeldde niet dat het paleis van de sultan verlaten was. Ondertussen sleepte de strijd zich voort tot in 1879 generaal-majoor Van der Heijden de oplossing zag in ‘voorbeeldloze tuchtiging’. Duizenden Atjehers kwamen om, vele honderden kampongs werden verbrand, maar het eind van de strijd was nog steeds niet in zicht. De Atjehers bleken uiterst bedreven in guerrillatactiek. Met de aanstelling van legeraanvoerder Van Heutsz hoopte Nederland de strijd in zijn voordeel te kunnen beslechten. Van


Achtergrond

Atjeh

Pagina

55

Atjeh - ca. 1894, marechaussees onder wie ook enkelen van Afrikaanse komaf na een actie. Zij zijn onder meer bewapend met een Remington karabijn. Een aantal heeft een rentjong (dolkmes) in de gordel gestoken (Foto: Museum Bronbeek)

Indonesië - zonder jaar (vóór 1914), de oorlog tussen Kabon Djoke en Boenoe Raja. Op de achtergrond de teruggave van een gestolen paard (Foto: Spaarnestad Photo)

Heutsz paste in samenwerking met islamdeskundige Snouck Hurgronje de leer van gedoseerd, functioneel geweld in de praktijk toe. Dat had resultaat: onder zijn leiding veroverden zijn manschappen op 3 februari 1901 de schijnbaar onneembare bergvesting Batoe Iliq aan de noordoostkust van Atjeh. Het is een bekend beeld geworden: Van Heutsz staat er bedaard bij, buik vooruit, handen op de rug. Met die houding gaf hij uitdrukking aan de vanzelfsprekende superioriteit waar het thuisfront zo graag in wilde geloven. Het bleek echter geen morele superioriteit.

Onder Van Heutsz’ opvolger, kapitein Van Daalen, werden hele kampongs tot op de laatste dorpeling uitgemoord. Er vielen bijna drieduizend doden onder de bevolking van de Gajo- en Alaslanden, het schaars bewoonde achterland van Atjeh. De dorpelingen hadden met hun slag- en steekwapens en een enkel tromplaadgeweer geen enkel verweer tegen de repeteergeweren van de marechaussees, die slechts 28 van hun mannen in de strijd verloren. Gezondheidsofficier Neeb fotografeerde het resultaat. Zo werden de beelden van stapels lijken in elk inheems fort,


Achtergrond

Pagina

Atjeh omringd door trotse Nederlandse marechaussees, ook hier bekend. Met die beelden kwam er steeds meer kritiek op het Nederlandse optreden in Atjeh, zowel binnen als buiten het parlement. De katholieke kamerafgevaardigde Victor de Stuers reageerde verontwaardigd: ‘De regering noemt het een excursie, ik noem het een moordgeschiedenis. Het is of men op de inlanders een bende bloedhonden heeft losgelaten. Het is beulenwerk. Laten wij beschaving aanbrengen.’ Generaal Van Heutsz kreeg het geweld persoonlijk aangerekend. In de zomer van 1904 werd hij nog als nationale held toegejuicht, maar het Zondagsblad van Het Volk schreef op 17 juli van datzelfde jaar: ‘Een beschaafde, humane natie moest geen man toejuichen die bloed vergoten heeft.’ De Atjeh-oorlog veranderde van heldendaad in schandvlek. Een nieuw predicaat Nederland paste het klassieke vijanddenken toe tijdens de Atjehoorlog. Ons land zette zichzelf neer als beschaafde natie en een beschaafde natie deed niet aan oorlog, maar hield zich bezig met ‘pacificatie’, ‘rust herstellen’, ‘toestanden ordenen’ of ‘tot reden brengen’. De Atjehers kwamen er veel slechter af in de beeldvorming: zij waren verraderlijk, trouweloos, sluw, fanatiek, verslaafd aan opium en ook nog eens seksueel ontaard. Maar de gebeurtenissen in de Gajo- en Alaslanden gooiden dit beeld aan diggelen. Nederlanders bleken karaktertrekken te hebben die tot dan toe aan de vijand waren toebedeeld. Omkering in de beeldvorming is een verschijnsel, dat wel vaker oorlogen begeleidt. De Verenigde Staten wierpen zich in 2003 op als bevrijder van het onderdrukte volk in Irak, maar leden zwaar gezichtsverlies toen de beelden van de mensonterende behandeling van krijgsgevangenen in de Abu Ghraib-gevangenis door Amerikaanse soldaten in 2004 openbaar werden. Het overkwam Nederland na de politionele acties, die in 1947 en 1948 in Indonesië gehouden werden. De militairen waren eerst ‘brengers van recht en vrede’, maar toen eind jaren zestig steeds meer bekend werd over de excessen in die periode werd dit predicaat gewijzigd in een moordenaarsetiket. Onder invloed van kritiek kan een heldendaad snel veranderen in een schandvlek. Uiteindelijk gebeurde dat ook bij de Atjeh-oorlog. Nieuwe methodes Lesmethodes werden in de eerste helft van de twintigste eeuw dikwijls door ‘hoofden der school’ geleverd aan een uitgever van de desbetreffende zuil: protestants christelijk, rooms katholiek of openbaar. Die methodes gingen lang mee, in een enkel geval werd een methode zonder ingrijpende herziening wel vijftig jaar lang uitgegeven. Dat betekende dat schoolkinderen nog in de jaren zestig te horen kregen over de Nederlandse heldenrol in de Atjehoorlog. Pas aan het eind van dat decennium veranderde dit. Schoolboekuitgevers gingen nu zelf methodes ontwikkelen en lieten zich bijstaan door onderwijskundigen en historici. Dat zorgde voor een zakelijker manier van schrijven. Bovendien raakten nieuwe onderwijsmethodes in zwang: wereldoriëntatie werd een hype, net als het werken met thema’s. Daarnaast speelde de tijdgeest een rol: militarisme raakte uit de mode, pacifistisch denken ‘in’. Onder invloed van studies als antropologie kwam er meer aandacht en begrip voor andere volken en culturen. Al deze ontwikkelingen hadden zo hun invloed op de veranderde beeldvorming rond de Atjeh-oorlog. De meest gebruikte methode uit de jaren zeventig, Geschiedenis in

56

onderwerp en opdracht, hield de uitleg over de Atjeh-oorlog kort: ‘Het felst was de tegenstand in het noorden van het eiland Sumatra, waar het rijk van Atjeh niets van vreemde overheersing wilde weten. Pas na vele jaren van bloedige strijd kwam ook dit gebied onder Nederlands bestuur.’ Sleutel tot het heden gaf ook aandacht aan de Atjehse slachtoffers: ‘Toen wapperde de Nederlandse vlag ook in Atjeh. Dat had veel inlanders het leven gekost!’ In de jaren negentig wordt meer aandacht aan het thema besteed. Bij de tijd bood zelfs een verklaring voor de oorlog, die ook recht deed aan de bevolking van Atjeh: ‘Tot ongeveer 1900 wilden de Nederlanders alleen aan Indië verdienen. Verder waren ze niet erg in het gebied geïnteresseerd… Maar dat veranderde toen in 1870 werd ontdekt dat er in Atjeh olie in de bodem zat. Toen wilden de Nederlanders het gebied zelf gaan besturen. Want olie was een gewild product, waar je rijk van kon worden. Het gevolg was dat er in Atjeh een oorlog uitbrak. De inlanders accepteerden het niet

Het is goed mogelijk dat de Atjeh-oorlog van de onderwerpenlijst wordt afgevoerd. Maar of dat verstandig is?

dat de Nederlanders in hun gebied opeens de dienst wilden uitmaken. Ze wilden zelf de baas blijven. Ze kwamen in opstand.’ De methode benadrukt de economische belangen van Nederland in Atjeh, maar wijst ook op het zelfbeschikkingsrecht van het Atjehse volk. Met name dat laatste was in de jaren vijftig nog ondenkbaar. Of de Atjeh-oorlog ook voor komende generaties als onderwerp in het lesrooster wordt opgenomen is nog maar de vraag. Kolonialisme is weliswaar als onderwerp in de kerndoelen opgenomen, maar dit brede begrip biedt uitgevers van geschiedenismethodes veel speelruimte. Ze laten zich daarbij onder andere leiden door de nieuwste inzichten op het gebied van geschiedenis. Het is goed mogelijk dat de Atjeh-oorlog van de toch al overvolle onderwerpenlijst wordt afgevoerd. Maar of dat verstandig is? De Atjehoorlog biedt het onderwijs immers volop mogelijkheden om parallellen te trekken, met hier en nu, vroeger en elders. Het gaat daarbij niet alleen om beeldvorming, vijandsbeelden, oorlogspropaganda en een veranderde kijk op militair optreden maar ook om een actuele kwestie als oorlogsmisdaden. Wanneer is daarvan eigenlijk sprake, waar ligt in een oorlog de grens tussen goed en fout? Ook leert Atjeh veel over de gevolgen van oorlog. Twee tot drie generaties Atjehers leefden onder oorlogsomstandigheden. De bevolking kampte met materiële, psychische en fysieke schade. Zo kwam er een zeer groot aantal krankzinnigen op Atjeh voor en waren moord en zelfmoord aan de orde van de dag. Ook op Nederland had de Atjeh-oorlog z’n weerslag. Tijdens de politionele acties werden er geen soldaten naar de regio gestuurd. Vandaar dat het ‘lastige’ Atjeh, dat als laatste deel van NederlandsIndië onder Nederlands bestuur was gekomen, er ook het eerst weer onder vandaan kwam.


:SdS\R dS`ZSRS\

B]bRS]]`Z]UaW\abSZZW\US\ PSV]`S\PSYS\RSOZaVSb /\\S4`O\YVcWaVSb<O bW]\OOZ1][Wb{"S\#[SW VSb6S`W\\S`W\UaQS\b`c[ 9O[^ESabS`P]`YS\VSb <SRS`ZO\Ra7\abWbccbd]]` =]`Z]UaR]Qc[S\bObWS[OO` ]]Y[W\RS`PSYS\RSh]OZa RSAbWQVbW\U@SQVbaVS`abSZ AW\bWS\@][OS\RSabWQVbW\U RWShWQVPShWUV]cRb[SbRS PSZO\US\dO\RSUS\S\RWS RSabWXRaW\d]]`[OZWU<SRS` ZO\Ra7\RW~USb`]TTS\eS`RS\ R]]`RS]]`Z]U[SbRS8O ^O\\S`aS\RSY]Z]\WaObWS

Â&#x2013;0SSZRPO\YE=

7ZZcab`ObWS(;/@3<B63Â&#x2022;

Â&#x2013;/440OaSZ/4A/[abS`RO[

=dS`RS`SRS\S\dO\VSbPSabOO\dO\h]dSZS]]` Z]UaW\abSZZW\US\R]S\dSZSbVS]`WS~\RS`]\RS3{\ S`dO\WaRObRShSZ]QObWSabShWS\hWX\OZaSS\a]]`b ^S`[O\S\bSb`OW\W\UaQS\b`OW\Pc`US`aQVO^aYc\RS 6WS`ZSS`b[S\eObRS[]Q`ObWSWa³[OO`d]]`OZ]]Y( eObhWX\WSbWaDO\ROO`ROb]dS`VSRS\dSSZUSZRS\ S\S`UWSPSabSRS\OO\RS`USZWXYS^ZSYYS\S\OZZSaeOb ROO`[SSbS[OYS\VSSTb3S\O\RS`SdS`YZO`W\Ud]]` RSPZ]SWdO\RSVS`W\\S`W\UaW\Rcab`WSWaSS\^O`OR]f( RObeSh]]^VSRS\S\b]SY][abhWX\US`WQVbRObeS VSbdS`ZSRS\OZaW\\S`ZWXYY][^OaYeWXb`OYS\]T[Wa aQVWS\hSZTaOZYeWXbUS`OOYbhWX\8cWabROO`][Y]Sa bS`S\eSVSb

CWbUSZWQVb(2WUWbOOZ[]\c[S\b8]]RaS 5S[SS\aQVO^W\<SRS`ZO\R 2O\YhWXRSRWUWbOZWaS`W\UWaS`abSSRa[SS`]dS` RS]]`Z]U]^W\bS`\SbbSdW\RS\3S\[]]Wd]]`PSSZR VWS`dO\WaVSb2WUWbOOZ;]\c[S\b8]]RaS5S[SS\ aQVO^W\<SRS`ZO\R[SbROO`]^RS\O[S\dO\OZZS 8]RS\RWSbWXRS\aRSBeSSRSES`SZR]]`Z]UdS`d]ZUR eS`RS\S\RSAV]OV\WSb]dS`ZSSTRS\

Â&#x2013;0SSZRPO\YE=

AW\RaRSBeSSRSES`SZR]]`Z]UPSabOO\ W\<SRS`ZO\RbWS\bOZZS\W\abSZZW\US\RWS hWQVW\bS\aWST][RWS]]`Z]UPSY][ [S`S\([caSOPSZO\US\]`UO\WaObWSa O`QVWSdS\RObOPOaSa]\RS`h]SYaW\abW bcbS\/Z[SbOZhWX\VSbS`dSSZbSdSSZ ][]^bS\]S[S\2ObWa]]Y\WSb\]RWU eO\bdWOW\bS`\SbhWX\hSSS\d]cRWUbS dW\RS\0ZWXTbRSd`OOUeOO`][S`XcWab W\RSOTUSZ]^S\dWXTS\beW\bWUXOO`h]dSSZ dO\RS`USZWXYSW\abSZZW\US\PWXUSY][S\ hWX\7aVSb][RObeSZSdS\W\d`SRSS\ XcWabROO`][USTOaQW\SS`RhWX\R]]` ]]`Z]US\USeSZR-=TWaVSb][ROb ]]`Z]US\USeSZROZbWXRTOaQW\S`S\- /\RS`S\`SRS\S\-

CWbUSZWQVb(;caSc[;O`Yb  W\/OZbS\ 6SbdS`bSZbRSdS`VOZS\dO\ USe]\S[S\aS\W\SS\]\US e]\SbWXR6Sb[caSc[`WQVb hWQVd]]`OZ]^X]\US`S\S\ eWZRObhWXa^Sc`S\RR]]`VSb [caSc[Vc\SWUS\dS`VOOZ dO\RSBeSSRSES`SZR]]` Z]U]\bRSYYS\[Sb]^RS OQVbS`U`]\RbSZYS\aRShSZTRS d`OUS\(V]SO\RS`aeOaVSb S\V]Sh]cVSbd]]`[WXhWX\ USeSSab-


Beeldreportage

Beeld

Tekeningen uit het Jappenkamp

Museon

Pagina

58

Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben zoâ&#x20AC;&#x2122;n honderdduizend Nederlanders opgesloten gezeten in zogenoemde Jappenkampen. Verder zijn zoâ&#x20AC;&#x2122;n 40.000 Nederlanders of eigenlijk Europeanen krijgsgevangen geweest. In totaal dus 140.000 mensen. Van hen zijn er 20.000 tot 25.000 omgekomen. Tezamen hebben deze gevangenen vele honderden dagboeken en herinneringen geschreven, plus een groot aantal tekeningen gemaakt. Het merendeel van die tekeningen is ondergebracht in twee collecties. De ene bevindt zich in het Museon in Den Haag, de andere op het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie in Amsterdam. Uit de collectie van eerstgenoemde organisatie is de volgende selectie samengesteld.

Th. H. Voorstad Leven achter muren (Boeboetan, Soerabaja). De titel is ook te zien in het steenpatroon van de muur W.H.M. Liesker Hoekje van een barak (de opdrachtgever overleed voordat de tekening voltooid kon worden)


Beeldreportage

Pagina

Tekeningen uit het Jappenkamp In de jaren tachtig en negentig van de twintigste eeuw vond er een felle polemiek plaats tussen onder anderen Rudy Kousbroek en Jeroen Brouwers over de kampen in Nederlands-Indië. Kern ervan was de vraag of die kampen te vergelijken waren met die in Nazi-Duitsland. Kousbroek meende dat elke vergelijking absurd was. Brouwers dacht er anders over. Al hadden beiden heel wat medestanders, Kousbroek trok aan het langste eind. De kampen waren erg maar fundamenteel anders dan die van de nazi’s. Er vielen vele doden maar het waren geen vernietigingskampen.

59

K. van Willigen Kampvuur in de jungle

A.M. Steensma De put bij ’t ziekenhuis

J. Gabriëlse Zo zaten of lagen er velen de hele dag


Beeldreportage

Pagina

Tekeningen uit het Jappenkamp

60

â&#x20AC;&#x2DC;De geschiedenis van de Japanse kampen dreigt verloren te gaan, want wie het hebben meegemaakt hebben erover gezwegen, en wie het zwijgen hebben doorbroken hebben dit te laat gedaan: toen hun verontwaardiging en haat waren verzacht en zelfs verdwenen en toen zij al de dood waren gestorven die genaamd is: mildheid.â&#x20AC;&#x2122; (Jeroen Brouwers: Bezonken rood)

K. van Willigen Krijgsgevangen en Japanse bewakers (3x)

A.J.F. Gogelein Buigen voor de kampwacht


Column

Oorlog & Vrede

Door

illustratie

Hans Feddema

Peter Pontiac

Pagina

61

Kwestie van bewustwording Velen beijverden zich de laatste decennia voor vrede. Ik ook. Wat is anno 2010 het perspectief daarop? Om een dergelijke vraag te beantwoorden, moet je om te beginnen een onderscheid maken tussen de uiterlijke en de innerlijke dimensie van vrede. De uiterlijke zou je kunnen omschrijven als 1) een situatie waarin groeperingen hun conflicten zonder geweld tot een oplossing (kunnen) brengen en 2) een situatie tussen twee oorlogen. De eerste heet wel ‘positieve vrede’ en de tweede ‘negatieve vrede’. De innerlijke dimensie van vrede is gecompliceerder. De psycholoog en filosoof Carl Jung zei tijdens de Tweede Wereldoorlog: ‘De wereld hangt aan een zijden draad: namelijk de psyche van de mens. De wereld wijzigt niet, tenzij het individu verandert.’ Hij bedoelde met dat veranderen dat de mens angst, haat en andere schaduwen in zijn onderbewuste onderkent en zijn emoties onder controle krijgt. Zich laten voortdrijven door angst en wrok in plaats van door hoop kan al snel negatief uitpakken, ook omdat minder scrupuleuze leiders er op inspelen. Bij zichzelf de schaduwen erkennen noemde Jung een proces van heling. Werkt het individu daar niet aan, dan verdringt hij zijn schaduwkanten, met als gevolg dat die bij de geringste emotie naar boven kunnen komen en (meestal) afgereageerd worden op derden. Hoe meer mensen dit laten gebeuren, des te groter de destructieve energie. Ziehier hoe oorlogen ontstaan. ‘Wie zichzelf kent, kent de wereld’, is een klassieke gevleugelde uitdrukking. Of: ‘Zoals wij mensen zijn, zullen de tijden zijn.’ Aan zichzelf werken is dus geen overbodige luxe. Dan de uiterlijke dimensie van vrede. Als de ‘negatieve vrede’ langer duurt ofwel een volgende oorlog op zich laat wachten, betekent dat vooruitgang. Maar een dergelijke vooruitgang is betrekkelijk, omdat conflicten de laatste tijd vooral het karakter hebben van burgeroorlog en guerrillastrijd. Bovendien heerst door mondiale betrokkenheid en incidenten met agressieve

jongeren het beeld dat het geweld toch toeneemt. Recent onderzoek toont echter aan dat dit niet het geval is. Zo is in Nederland het aantal moorden al enige tijd behoorlijk aan het dalen. In 2006 waren het er 150 terwijl het er in de jaren negentig gemiddeld nog zo’n 250 waren. En sinds 1945 zien we zowel in Europa als de VS en in Zuid-Amerika een sterke afname van binnenlandse oorlogen en militaire coups. Niet dat er geen geweld meer zou zijn. Verre van dat. Maar verheerlijking ervan, zoals dat in de jaren zeventig bij onder meer de Rote Armee Fraktion gebruikelijk was, zie je nu veel minder. Ook wordt beter onderkend dat geweld een eigen dynamiek heeft en veelal niet te beheersen is. Tevens is er meer inzicht in de oorzaken van geweld. Hitler had niet aan de macht kunnen komen, als in de jaren twintig en dertig in Duitsland een sterke beweging voor geweldloosheid had bestaan. Ook ziet men nu meer dat je door het vechten tegen ‘monsters’, aldus de metafoor van Nietzsche, de kans loopt zelf een monster te worden. Zo werden de VS door de strijd tegen Nazi-Duitsland na 1945 een gemilitariseerde samenleving. Gelukkig lijken diezelfde VS door president Obama een andere koers te kiezen. Maar we zijn nog lang niet zover dat we begrijpen wat Martin Luther King en Mahatma Gandhi verkondigden: dat een samenleving van broederschap niet te bereiken is met middelen, die daar haaks op staan. Het is een van de verklaringen dat de internationale rechtsorde nog lang niet is wat ze zou moeten zijn en een rechtvaardige vrede tussen Israël en Palestina, om een opmerkelijk voorbeeld te noemen, zo lang op zich laat wachten. Wel is er eindelijk vrede in Ulster. En hopelijk wordt de oorlog in Afghanistan, een mogelijke achilleshiel voor Obama, snel afgebouwd. Maar verder zijn er, los van conflicthaarden als Iran, heel wat hoopvolle tekenen. Een ander zaak is dat er in de westerse democratieën nu interetnische spanningen optreden, al of niet aangewakkerd door populisten. ‘Beschaving begint, als je door hebt dat het kwaad in jezelf zit’, zei journalist Aad van de Heuvel eens. Onze weggemoffelde schaduwen met andere woorden. Zich daarvan bewust worden en ze erkennen, dat is kortom een van de belangrijkste uitdagingen van dit moment. Een dergelijke erkenning maakt de mens milder jegens de ander, doet hem minder oordelen en minder gauw ontploffen. Er is al heel wat bewustwording gaande, maar omdat dit enige tijd vergt, zullen we het voor lief moeten nemen dat een aantal mensen hun frustraties nog afreageren op de nieuwkomers. Het zal tijdelijk voor polarisatie zorgen en de vrede verstoren. Maar het zicht daarop blijft. Onze democratie kan wel tegen een stootje.


De nieuwe frontlijn


Achtergrond

Oorlog in de 21ste eeuw

Tekst

Beeld

Ko Colijn

Hollandse Hoogte

Pagina

63

Wie een boek of artikel over oorlogen in de 21ste eeuw opslaat, ontdekt nieuwe frontlinies. Ze hebben nieuwe betekenissen en liggen op nieuwe plaatsen. Als we de 21ste eeuw gelijkstellen aan ‘globalisering’, dan is het dus de vraag wat oorlog in het tijdperk van globalisering inhoudt. Hebben we met het passeren van de millenniumgrens werkelijk een nieuw tijdperk betreden?

De kern van dit betoog is dat de frontlinies door de globalisering inderdaad nogal veranderd zijn. Maar dat niet alleen. Niet alleen de kalender, maar ook de geschiedenis heeft een handje geholpen. Na de grote tweespalt uit de Koude Oorlog en een korte periode waarin de VS het alleen voor het zeggen leek te hebben (resp. bilateralisme en unilateralisme) is het in de 21ste eeuw onrustig geworden en lijkt een wereld te ontstaan waarin meer staten de touwtjes in handen hebben (een multipolaire wereld) en waarin het alleenrecht van nationale staten wordt uitgedaagd, ja zelfs uitgehold of overgenomen door niet-staten zoals Al Qaida, de Taliban, Greenpeace, Amnesty International, Microsoft of de Europese Unie. Oorlog en vrede worden niet langer bepaald door de overzichtelijke Koude Oorlogsagenda van twee strenge supermachten. Sinds 9/11 weten we wel beter. De kalendersymboliek, hoe onbeduidend eigenlijk, heeft wél bijgedragen aan de verandering. Hoewel natuurlijk geen oorzaak van een nieuw hoofdstuk oorlogvoering, is de millenniumpassage voor geleerden en wereldleiders wel aanleiding geweest voor een zelfonderzoek: is de mensheid erin geslaagd om ‘de wereld te verlossen van de gesel van oorlog’ zoals die ene volzin uit de preambule van het Handvest van de Verenigde Naties ons na de Tweede Wereldoorlog opdroeg? En zo niet: kunnen we het nageslacht naar analogie van de Millenniumdoelstellingen (die in 2015 tot een reuzenstap voorwaarts verplichten op leedgebieden als honger, armoede, schoon water, hiv/aids etc.) beloven om de onveiligheid in de wereld per 2015 te ‘halveren’ of oorlog misschien zelfs volstrekt uit te roeien? Helaas nog niet, was het antwoord, maar het passeren van de millenniumgrens mobiliseerde wel, meer dan tevoren, het bewustzijn dat de generatie die een eeuw vol oorlog, genocide, en de perverse opstapeling van massavernietigingswapens afsloot, het aan zijn nageslacht verschuldigd was om de conflicten in de nieuwe eeuw beter, veiliger en humaner op te lossen. De digitale globalisering Het is misschien te eenvoudig om te beweren dat met deze drie factoren – globalisering, eind Koude Oorlog en de millenniumimpuls – de rechtvaardiging voor een nieuw hoofdstuk is gegeven, maar hun samenloop is toch zó bijzonder dat het spreken van ‘de oorlog van de 21ste eeuw’ meer is dan het toegeven aan kalenderfetisjisme. Globalisering is een veel gebruikt en misbruikt woord voor ontwikkelingen die al veel langer plaatsvinden. Maar sommige van die ontwikkelingen zijn wel heel spectaculair. Ook in oorlogvoering heeft het verschrompelen van tijd en plaats tot verbazingwekkende veranderingen geleid. Veel strategen spreken rond de millenniumwisseling van een ware Revolution in Military Affairs. Tijdsverschil en afstand waren vroeger beschermlagen tegen dreigend gevaar. Hoe verder de vijand des te beter, hoe meer ‘waarschuwingstijd’ des te veiliger. Maar in de 21ste eeuw kan een mobiele telefoonoproep uit Tokio de trigger zijn die een seconde

later een metrobom in Madrid tot ontploffing brengt. Met Global Strike zal de Amerikaanse luchtmacht over niet al te lange tijd in staat zijn elke plek op aarde binnen een half uur te bombarderen of met een raket te treffen. Toekomst? Nee, de eerste ervaringen zijn al opgetekend. Op 3 november 2002 tuurde een CIA-officier in kamp Lemonier, Djibouti, Afrika dus, naar zijn scherm en, bliep, ontdekte via het oog van een robotvliegtuigje een rij jeeps in de gloeiende woestijn van Jemen. Een muisklik later ontplofte het konvooi van al-Harthi, een Al Qaida-commandant die twee jaar eerder voor de kust van Aden een aanslag op het Amerikaanse oorlogsschip USS Cole had gepleegd. In het Pakistaans-Afghaanse grensgebied voeren Amerikanen al een tijd e-War. Piloten zitten vaak niet meer in een cockpit maar achter een beeldscherm in de VS of een Golfstaatje en voeren vandaar met de joystick raketaanvallen uit op vermeende talibandoelen. Volgens de militaire planners van Iraqi Freedom, de oorlog tegen Saddam Hoessein in 2003, was het meest schaarse goed niet tanks, bommen of vliegtuigen maar gigabytes, bandbreedte. Een nieuwe frontlijn dus: de digitale. Globalisering is ook: op CNN en Al Jazeera meekijken naar zogenaamde ‘slimme bombardementen’ of naar missers op ziekenhuizen, VN-kantoren in Gaza, Janjaweedmilities, hulpeloze tentbewoners in Darfur of Chinees overheidsgeweld tegen Oeigoeren en Tibetanen. Met ongekende effecten. De 21ste eeuwse oorlog moet rekening houden met reacties van het thuisfront. De afschuw van burgerslachtoffers en de angst voor lijkenzakken wordt door de tv- en YouTube-kijker onmiddellijk afgewogen tegen het ‘nut’ van oorlog. Brengen Mogadishoe, Sarajevo, Kosovo, Bagdad en Kandahar genoeg veiligheid, recht, onderwijs en ziekenhuizen om de offers van een verre expeditie te rechtvaardigen? De satellietschotel en YouTube.com zorgen in dat opzicht voor weer een nieuwe frontlijn, namelijk die tussen voor- en tegenstanders in de huiskamers. De moderne oorlog wordt gevoerd met smart munitions maar ook met argumenten en beelden. Zonder een breed draagvlak durft een regering een 21ste-eeuwse operatie niet meer te uit te voeren – in Nederlandse beleidsbrieven wordt het woord ‘oorlog’ al niet meer gebruikt. Het is een akelig woord voor iets dat een schone campagne moet zijn. Amerikaanse militaire denktanks filosofeerden rond het fin de siècle over de zero death war. Maken het technisch vernuft en transparantie die we aan globalisering hebben te danken oorlogen dan efficiënter, korter, preciezer, humaner en democratischer? Nou nee. Oorlogvoerende regeringen leren hoe ze met media moeten omgaan: slachtoffers vallen liefst buiten het oog van de ‘breaking news’ camera’s van CNN en de tegenstander, die geen antwoord heeft op de onbemande Reapers met hun afstandsbediende raketten, verdedigt zich met bermbommen en zelfmoordaanslagen. Ook hij filmt zijn ‘asymmetrische’ antwoorden met z’n gsm en zet de bloederige beelden binnen een halfuur op internet. Beeldenstorm in de moderne betekenis van het woord, de slag om het oog van de kijker.


Achtergrond

Pagina

21ste eeuw Intrastatelijke oorlogen Dan de Koude Oorlog. Deze was in de eerste plaats de oorlog die niet uitbrak. Zou hij daarom eigenlijk niet beter herdoopt kunnen worden in ‘de langste grootmachtelijke vrede’ in de moderne geschiedenis? Of was die vrede slechts een periode waarin die grootmachten de oorlogen handig naar zijtonelen wisten te rangeren (Korea, Vietnam, Angola)? Volgens de geleerden mogen we het aan het wegvallen van de Koude Oorlog danken dat we gemiddeld zo’n tien ‘regionale oorlogen’ per jaar minder voeren, een heuglijk 21ste eeuws feit. Of de Koude Oorlog nu een ideologische confrontatie was (kent u de woorden communisme en kapitalisme nog?) of een hanengevecht tussen twee ‘gewone’ machtsrivalen, feit is dat de 21ste eeuwse oorlogen niet meer te herleiden zijn tot botsende wereldideologieën. Ze zijn ook geen oorlogen meer tussen vazalstaten, surrogaten voor de grote nucleaire brand die de twee supermachten uit de vorige eeuw tot elke prijs wilden vermijden omdat het hun zelfmoord zou betekenen. Het ontdooien van de Koude Oorlog heeft een paradoxaal effect gehad. We vieren het vervagen van de allesvernietigende atoomoorlog, het verdwijnen van de proxy wars en we vieren misschien het opdrogen van de even nutteloze wapenwedloop die de Koude Oorlog in stand hield en reusachtige budgetten aan onderwijs, gezondheidszorg en ander publiek gerief onttrok. Maar het wegvallen van de Koude Oorlog heeft ons niet alleen baten opgeleverd: de discipline van de supermachten lijkt weg, kort na de val van de Muur nam het aantal kleine oorlogen meteen toe. Oude bevroren conflicten op de Balkan en de in de Kaukasus ontvlamden. Staten die onafhankelijk wilden worden en die zowel intern als onderling decenniaoude rekeningen hadden te vereffenen, maar daar eerder geen permissie voor kregen van ‘hun’ supermacht, zagen nu hun kans schoon. Geleidelijk verdween het klassieke interstatelijke conflict van de 20ste eeuw van het toneel. De boekhouders van de oorlog registreerden dat er in 2005, voor het eerst in de geschiedenis, geen interstatelijke oorlogen waren gevoerd maar alleen intrastatelijke. Oorlogen van de 21ste eeuw zijn grenzeloos, chaotisch. Burgeroorlogen die, niet zelden aangewakkerd van buiten, dwars door landsgrenzen heen worden gevoerd. Wederom een nieuwe frontlijn dus: niet die tussen maar binnen en dwars door grenzen. Maar laten we niet naïef zijn: de interlandoorlog is niet de uitgestorven dinosaurus van de 21ste eeuw – zie de oorlog tussen Georgië en Rusland in 2007. En ook de iconen van de Koude Oorlog, de atoomwapens, bestaan nog. Het aantal staten dat ze heeft, of wil hebben, groeit zelfs en het gevaar dat non-state-actors zoals terreurgroepen ze verwerven, wordt zelfs tot het grootste proliferatiegevaar van dit moment uitgeroepen. Vandaar het streven in de 21ste eeuw naar Global Zero. De huidige kernwapenarsenalen kunnen immers maar beter niet gebruikt worden: er zijn er nog altijd 23.000, genoeg om vierenhalve dag lang elke seconde één Hiroshimabom tot ontploffing te brengen. Alweer een nieuwe frontlijn: tussen statelijk en niet-statelijk (massa-)geweld. Georganiseerd geweld Mogen we dan bij het passeren van de millenniumgrens nog iets bemoedigends zeggen? Het ontbreken van een helder zicht op oorlog en vrede (hoeveel oorlog is er tegenwoordig, waarover, waar en hoeveel slachtoffers vallen daarbij?) leidde tot instelling van de zogenoemde Human Security Report Project. Sinds de eerste rapportage in 2005 verbaast zij de wereld met onverwacht positieve bevindingen. ‘We live in a decade of peace’, was de zin die eruit sprong. Het beeld van de 21ste eeuw is netto-positief,

64

misschien mocht je zelfs concluderen dat de eerste Millenniumdoelstelling al binnen was zonder dat we het wisten: de wereld is sinds het eind van de Koude Oorlog twee keer zo veilig geworden. Welke maatstaf je ook aanlegt, het blijkt steeds weer. Het aantal ‘grote gewelddadige conflicten’ is sinds 1992 spectaculair gedaald en schommelt rond de dertig per jaar. Daarbinnen dus nauwelijks interlandoorlogen en ook het aantal burgeroorlogen was in 2005 driekwart kleiner dan een jaar of vijftien geleden. En de slachtoffers dan? Precieze cijfers zijn er niet maar alles wijst ook hier op minder, veel minder. Het aantal slagvelddoden is nog maar een fractie van de oorlogen halverwege de vorige eeuw. We telden ze toen in miljoenen, in de 21ste eeuw doen we dat hoogstens in honderden per jaar. Dezelfde gunstige trend vertoont, ondanks Rwanda en Darfur, het aantal genocides. Cijfers kunnen bedrieglijk zijn, gebrekkig of onbetrouwbaar. En helaas zijn er ook uitzonderingen op de gunstige trend. Dat geldt voor vormen van

Oorlog is een akelig woord voor iets dat een schone campagne moet zijn onveiligheid die we ook met de 21ste eeuw associëren: terrorisme, inclusief eenzijdige geweldscampagnes tegen ongewapende groepen burgers. Deze vormen van geweld lijken niet minder te zijn geworden, het aantal gewelddadige campagnes tegenhulpeloze burgers (bijvoorbeeld in Somalië of Nigeria) is tegenwoordig zo’n 25 per jaar. Zij eisen weliswaar minder slachtoffers dan de ouderwetse oorlog waarin twee gewapende partijen tegenover elkaar staan, maar de conclusie is: minder oorlog, maar een grimmig nieuw front, want de 21ste eeuw toont het gezicht van georganiseerd geweld tegen ongeorganiseerde, ongewapende burgers. Het liefst wilde ik u over de oorlog in de 21ste eeuw melden dat hij er niet meer was. Dat is een droom – de spectaculaire verbetering van de afgelopen twintig jaar ten spijt. Er gaapt een kloof tussen het optimisme van de statistieken en de sombere veiligheidsgevoelens van mensen. Twee op de vijf wereldbewoners vinden de aarde onveilig, dat komt neer op bijna 2,5 miljard mensen. Voedseltekorten, waterschaarste, de run op energiebronnen en onheilspellende klimaatveranderingen liggen op de loer als bronnen van nieuw conflict. Honderd jaar geleden voorspelde Norman Angell in zijn beroemde The Great Illusion overigens ook het eind van de oorlog – zo min als hij gelijk kreeg in de 20ste eeuw, zo zal de 21ste eeuw de oorlog doen uitsterven. Maar ik kan toch iets positiefs meedelen. Soms beleeft de geschiedenis een primeur. Oorlog voeren is één ding, ermee stoppen een ander. Het lijkt er waarachtig op dat de wereld begint te leren hoe je conflicten vreedzaam kunt laten ophouden. De Human Security onderzoeksgroep merkte dat we bij het ingaan van de 21ste eeuw een historische mijlpaal hebben gepasseerd: méér conflicten eindigden aan de onderhandelingstafel dan door een knock-out op het slagveld. In het nieuwe millennium brak al 43 keer vrede uit. In zeventien gevallen kwam dat door succesvolle onderhandelingen. Veel vaker dan door een militaire knock-out, of door oorlogsmoeheid. En misschien legt dat de basis voor alweer een nieuwe frontlijn in de oorlog van 21ste eeuw: die van het verstand.


Denken over de oorlog - de oorlog herdenken Hoe, wie, wat en waar?

Gedurende het gehele jaar wordt de Tweede Wereldoorlog gememoreerd. Bij deze activiteiten kan men aansluiten.

Een spreker uitnodigen?

Colofon Dit tijdschrift werd samengesteld ter gelegenheid van het 65-jarig eind van de Tweede Wereldoorlog met steun van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Eenheid Oorlogsgetroffenen en Herinnering WO II) door Chris van der Heijden. Productiebegeleiding en beeldredactie Arjen Duijts, Global Village Media Eindredactie Barbara Luigies Ontwerp en vormgeving René Mohrmann, GROEP

Een van de meest voor de hand liggende manieren om een middag of avond rond het thema (Tweede Wereld)oorlog te organiseren, is het uitnodigen van een spreker, deskundige of getuige. In Nederland zijn tientallen mensen daartoe in staat c.q. bereid, in de meeste gevallen tegen betaling. Dat geldt ook voor de meeste auteurs van dit tijdschrift. Ook kan men sprekers uitnodigen via musea (zie elders in dit tijdschrift) en organisaties, zoals het Veteraneninstituut, de Stichting Centrum ’45, de Stichting 1940-1945, de Stichting Pelita, de Werkgroep Herkenning, het NIOD en Cogis. Getuigen kan men het best vinden via het Landelijk Steunpunt Gastsprekers WOII-Heden dat ondergebracht is bij Westerbork. Verder zijn er op lokaal niveau in de meeste gevallen wel specialisten te vinden. Hiertoe kunt u ook contact opnemen met de lokale historische club dan wel de bibliotheek.

Coverillustratie Peter Pontiac Illustraties Feiten & Cijfers Marenthe Otten Beeld Atlas van Stolk, Beeldbankwo2, Filmmuseum, Getty Images, Hollandse Hoogte, Ilvy Njiokiktjien, Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, Museon, Museum Bronbeek, Niod, Reporters, Sake Elzinga, Spaarnestad Photo, Stichting Anne Frank Stichting Druk Habo DaCosta, Vianen Papier Het binnenwerk is gedrukt op FSC Mixed Sources papier, afkomstig uit goed beheerde bossen, gecontroleerde bronnen en gerecycled materiaal.

Het tijdschrift wordt ter herinnering aan 65 jaar eind van de Tweede Wereldoorlog in beheerste oplage gratis verspreid bij manifestaties ter gelegenheid van de oorlogsherdenking, bij Nederlandse openbare bibliotheken, serviceclubs, musea en onderwijsinstellingen. Ook maakt het deel uit van de activiteiten van het Nationaal Comité 4 en 5. Bedoeling ervan is de herinnering aan en discussie over de Tweede Wereldoorlog te plaatsen in een breed verband. © Niets uit deze uitgave mag worden overgenomen, geheel of deels gereproduceerd of in andere vorm worden gepubliceerd zonder bronvermelding en toestemming van de uitgever of de auteurs.

Herdenkingen

27 januari

Herdenking bevrijding Auschwitz (Holocaust Memorial Day) 25 februari

Herdenking Februaristaking 13 maart

Lezing en uitreiking Geuzenpenning 12 april

Herdenking bevrijding Westerbork 19 april

Herdenking bevrijding Kamp Amersfoort 4 mei

Dodenherdenking 5 mei

Bevrijdingsdag 8 mei

Bevrijdingsdag (capitulatie Duitsland) 14 mei

Herdenking bombardement Rotterdam 19 mei

Herdenking Zigeunertransport Eind mei

Nationaal Comité 4 en 5 mei Een van de belangrijkste Nederlandse organisaties m.b.t. de Tweede Wereldoorlog is het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Het is verantwoordelijk voor de nationale herdenking op 4 en de nationale viering van de bevrijding op 5 mei, beheert de website van oorlogsmonumenten, sporen en getuigenverhalen van de Tweede Wereldoorlog en de webgids tweedewereldoorlog.nl. Daarnaast heeft het Nationaal Comité in de loop van jaren talloze lokale instellingen van advies gediend. Via de website van het comité is nog veel meer informatie te vinden.

(Amerikaanse) Memorial Day (Margraten) Rond 6 juni

Herdenking Kindertransport vanuit Vught Rond 29 juni (zaterdag)

Nederlandse Veteranendag Augustus

Herdenkingen slachtoffers voormalig Nederlands-Indië 15 augustus

Herdenking capitulatie Japan Rond 31 augustus

Dag van het Verzet Rond 17 september

Airborne Herdenking 2 oktober

Herdenking Razzia Putten

Digitale versie Van dit tijdschrift bestaat ook een digitale versie. Daarvan zijn de in dit blad grijs gedrukte woorden plus heel wat afbeeldingen interactief. Zie hiervoor www.65jaarnadeoorlog.nl

9 november

Herdenking Kristallnacht 11 november

Remembrance Day (Apeldoorn) Voor een actueel overzicht van herdenkingen, vieringen en activiteiten zie: www.4en5mei.nl


Zoals voor de Romeinse god Janus verleden en toekomst samengaan, zo horen in Nederland 4 en 5 mei bij elkaar, het zijn twee zijden van eenzelfde medaille. De Dodenherdenking kent zijn eigen vaste tijdloze rituelen. Maar de viering van de bevrijding en de vrijheid is dynamisch en verandert onder invloed van de actualiteit. Het kan niet anders. Jonge generaties hebben andere perspectieven en stellen nieuwe vragen over de vrijheid. Vandaar de uitnodiging van het Nationaal ComitĂŠ 4 en 5 mei. Denk mee: hoe in komende jaren de vrijheid te vieren? Ga daartoe naar www.4en5mei.nl en vertel wat er volgens jou nodig is voor vrijheid?

Dit tijdschrift gaat over het verleden. Maar schrijven, spreken en denken over het verleden is zinloos als de toekomst wordt vergeten. Vandaar de afbeelding op de voorkant van dit tijdschrift: een moderne versie van de Romeinse god die zowel naar achteren als naar voren kijkt.

Voorbij Maar Niet Verdwenen magazine / Groep merkcreatie & communicatie  

Voorbij Maar Niet Verdwenen - Oorlog, 65 jaar na de Tweede Wereldoorlog magazine. Gemaakt in opdracht van Global Village Media.

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you