Issuu on Google+


.nl n e t er onc c m .ka w ww


What Design Can Do pagina 8 Kleuren voor de armen in Brazilië

pagina 10 Dromen over ruimte in een vluchtelingenkamp

4 Ik heb al een stoel Design als katalysator van grote veranderingen Koen Kleijn 7 De essentie van het schoen-zijn Alles is design – column Joost de Vries 8 Design als zingeving Schoonheid voor de armen in Brazilië Stijntje Blankendaal 10 Dromen over ruimte Futurisme in een Palestijns vluchtelingenkamp Simone Korkus 13 Feestjurken van biokatoen Wat H&M kan doen aan duurzaamheid Linsey Dubbeld

Colofon De Groene Amsterdammer www.groene.nl Deze bijlage kwam tot stand in samenwerking met What Design Can Do www.whatdesigncando.nl Hoofdredactie Xandra Schutte Redactie Joost de Vries Vormgeving Christine Rothuizen (ontwerp), Andrea Friedli Fotoredactie Simone Berghuys, Richard de Boer Eindredactie Rob van Erkelens, Hugo Jetten, Jorie Horsthuis Webredactie Katrien Otten, Jelmer Mommers Medewerkers Stijntje Blankendaal, Kees Dorst, Linsey Dubbeld, Koen Kleijn, Simone Korkus Acquisitie Tiers Bakker Uitgever Teun Gautier

pagina 4 Wat design kan doen

14 Het leven als festival Ontwerpen voor de veiligheid Kees Dorst 16 Dingen boven het grasveld uittrekken De gecontroleerde wildheid van tuinarchitect Piet Oudolf Katrien Otten & Joost de Vries

pagina 16 Piet Oudolf

Omslag www.designpolitie.nl 26.04.12 De Groene Amsterdammer 3


credit

Essay Design als katalysator van grote veranderingen

Ik heb al een stoel

Designers zijn uitgegroeid tot profeten van identiteit en ontplooiing, maar vaak zijn ze zo betoverd door hun eigen beeld dat ze weinig meer doen aan zelfonderzoek. Terwijl een goede designer verder zou moeten denken dan het gebaar. Door Koen Kleijn 4 De Groene Amsterdammer 26.04.12


Tony Kyriacou / Rex Features / HH

Mine Kafon, een door de wind voortgestuwde bal die functioneert als mijnenveger. Ontwerp van Massoud Hassani aan de Design Academy Eindhoven

Design is van alles en doet van alles, maar wat design vooral doet is: rommel maken. In Objectified, de fraaie documentaire van Gary Hustwit over hedendaags design, komt tussen de zen van de ontwerpen van Apple en Braun af en toe de harde waarheid voorbij: een mooi vormgegeven tandenborstel in het drijfvuil op een voorheen ongerept strand. Hoe fraai een nieuw object ook is, hoe stijlvol, hoe functioneel, hoe gewe­ tensvol ook tot stand gebracht – grote kans dat het eindigt in de grote soep van plastic die in de oceanen rondklotst. Ergens tussen San Fran­ cisco en Hawaï drijft 44 miljoen kilo plastic over een oppervlakte van zo’n acht miljoen vierkante kilometer. Vogels en vissen vergissen zich erin. Ze eten het op, absorberen minuscule korrels plastic in hun weefsel. Deze komen terecht in uw vissticks. Ik ben de laatste vier jaar freelance verbon­ den aan Design Academy Eindhoven als mentor van masterstudenten in het tweede jaar. Design Academy Eindhoven is een van de vlaggen­ schepen van hedendaags design. De school is werkelijk invloedrijk en er wordt internationaal zeer op gelet. Als Paola Antonelli, de curator design van MoMA New York naar Milaan reist voor de Salone del Mobile, dan staat ‘Eindhoven’ boven aan haar lijstje. Pas afgestudeerden staan vervolgens zomaar met hun snufferd in The New York Times. Daar wordt, kennelijk, iets groots verricht. Er zijn in Eindhoven drie tweejarige mastercursussen: Information Design, Social Design en Contextual Design, elk met een eigen focus. Wat design à la mode d’Eindhoven precies ís, is lastig te zeggen, maar het ligt misschien besloten in dat woord contextual. De pretentie van de mastercursussen is dat studenten meer doen dan alleen een nieuwe stoel ontwerpen. Ze beginnen projecten op basis van onderzoek en ze bezinnen zich op hoe dat onderzoek in context wordt uitgevoerd. Inhoudelijk kan het alle kan­ ten op. De Oostenrijkse Sonja Bäumel studeerde af op de bacteriën die op onze huid leven. Tho­ mas Vailly uit Frankrijk vervaardigde plastics met mensenhaar. De Italiaan Maurizio Mon­ talti onderzocht de toepassingen van schimmels in zaken van leven en dood, bijvoorbeeld in de begrafenisindustrie, en schiep een waardig wit lijkkleed, dat de overledene geleidelijk (en geheel natuurvriendelijk) oppeuzelt. De aandacht gaat uit naar het proces, het experiment, de context, en niet in eerste instantie naar het product, al komt dat er natuurlijk ook. Als je je leven lang na elke kappersbeurt je haar bewaart, dan heb je net genoeg voor twee kopjes en een bordje – de relevantie van het onderzoek zit ’m dus niet per se in de praktische toepassing. Voor designstudenten in Eindhoven is de Grote Plastic Soep een spookachtige werkelijk­ heid, een reëel fantoom. Het illustreert goed de tweesprong waarop designers zich deze dagen bevinden: tussen schier oneindige mogelijk­ heden en stringente beperkingen, bijvoorbeeld met betrekking tot het milieu. De designer bevindt zich tussen persoonlijke expressie en

goede ambities enerzijds, en ongemak over de toename van ‘spullen’ en hun maatschappelijkecologische consequenties anderzijds. Elke designstudent met een hart dat op de goede plaats zit dient zich te verhouden tot de potenti­ eel schadelijke overbodigheid van zijn ontwerp. In Eindhoven hangt boven de deur, als Dan­ te’s vermaning bij de Hellepoort, ‘Does the world really need another chair?’ Wat doe je, als vrijwel álles mogelijk is en íedereen op de planeet onder handbereik is en elke technologie tot je beschik­ king staat? Dat zijn grote vragen, niet alleen voor het uiteindelijke product, maar vooral voor de rol die je als designer wilt gaan vervullen. Kun je ontkomen aan de inkapseling door de kapita­ listische machine? Kies je voor wat er mogelijk is, of voor wat goed is, en nuttig is? De manifestatie What Design Can Do staat duidelijk aan de kant van ‘het mogelijke’. Design heeft ‘power’ en ‘problem-solving abilities’, en dat moet worden gevierd; het programma is gericht op een ‘activistische’ conferentie, de geest van het Tahrirplein en Zucotti Park is vaardig over de deelnemers. Design wordt gepresenteerd als een katalysator voor veran­ dering en vernieuwing, en voor het aanpakken van de grote maatschappelijke kwesties van onze tijd. Designers zijn immers uitgegroeid tot profeten van identiteit en ontplooiing, tot koers­bepalende intermediairs tussen publiek en economie, tussen gebruik en productie, tus­ sen industrie en ecologie, tussen persoonlijke vrijheid en politiek. Daarin onderscheidt de designer zich althans in de publieke opinie van de vrije kunstenaar: beiden hebben een oor­ spronkelijke geest en de capaciteit tot innovatie en out of the box-denken, maar de designer kan ook nog je band plakken en een boekenplank ophangen. De positie van de designer heeft die van de kunstenaar al wezenlijk veranderd. Ook de kunstenaar laat zich voortaan voorstaan op zijn praktisch nut. De Rijksakademie in Amster­ dam laat zijn residents samenwerken met Phi­ lips, Shell en tno. Wat voor veranderingen heeft dat powerful design dan zoal teweeggebracht? Heeft de ideo­ logie van Dutch Design, dat zo fundamenteel anders staat tegenover de oude aannames van de ontwerptraditie – tegen frivole esthetiek, maar ook antimodern; tegen ingeslepen ideeën over functionalisme, maar met liefde voor tradi­ tie – wezenlijke veranderingen teweeggebracht in, bijvoorbeeld, het assortiment van het groot­ winkelbedrijf? Is het significant dat Hella Jon­ gerius en Marcel Wanders de nieuwe business class van de klm hebben vormgegeven? Hebben zij Ikea een slag toegebracht? Het mocht wat, zeg ik. Veel van het acti­ visme waar What Design Can Do zo fier op is, is flinterdun. De maatschappelijke betekenis is te wegen in greinen. Natuurlijk verandert design de wereld. Wie dat wil bewijzen toont een plaatje van de iPhone of de iPad. Mis­ schien van een modern ziekenhuisbed. Mis­ schien zelfs van de kalasjnikov AK-47, waarbij 26.04.12 De Groene Amsterdammer 5


een visie moeten ontwikkelen op wat ‘renewal’ dan is. Berlage haalde in die zin al Ruskin aan: ‘The arts of our day must not be luxurious, nor its metaphysics idle.’ Dat vraagt om ernst, niet om hoera-slogans. Wat kan design doen? Heel veel. Het zou goed zijn als de designer verder dacht dan het gebaar, verder dan de kwekerij in de rondvaart­ boot. Het energieverbruik van de Nederlandse tuinbouw is een kolossaal fenomeen, daar zou je je eens tegenaan moeten bemoeien. Een design­ strategie die daar iets in de melk te brokkelen wil hebben moet dus van goeden huize komen. Dus: wie zich in duurzaamheidsprocessen begeeft moet zich bekwamen in de economie daarvan, en de taal van de vijand leren spreken. Die soep bestaat echt. De designer moet zich bezinnen op zijn auteurschap. Dat moet hoe dan ook, omdat de 3D-printer in aantocht is, een vernuftig stuk technologie dat net als de 2D-printer spoedig ‘in ieders huishouden te vinden zal zijn’ en die de relatie tussen ontwerper, verkoper, distributeur en klant volkomen zal veranderen. Een stoel wordt wat het boek nu al bijna is: een elektroni­ sche eenheid, niet een doos met fineer en spaan­ plaat en schroeven en een Zweedse naam. Het verschijnsel is onderdeel van wat Farid Tabarki, trendwatcher van het jaar, ‘radicale decentralisa­ tie’ noemt en het lijkt de dood van de designer en van Ikea aan te kondigen. Ontwerp en produc­ tie van voorwerpen worden even radicaal gede­ centraliseerd als de productie van brief­papier of

Zoek het fysieke. Het digitale beeld is verleidelijk, maar plat, en mist textuur, geur, beweging. Lees eens een boek

Courtesy Friedman Benda / Jon Lam / Taschen

dan het woord ‘iconisch’ wordt gebruikt, alsof het ding niet gemaakt is om iemand in Congo mee in de buik te schieten. Men toont niet het briljante ontwerp van de M3-landmijn, vervaar­ digd door onze gehaaide zuiderburen. Briljant, want M3 heeft bijna geen metalen onderdelen, waardoor het ding moeilijk op te sporen is, en een krachtige lading van zes kilo tnt en rdx3. In 2011 werden alleen al in Libië 250.000 van die dingen in voorraad aangetroffen. Men toont ook niet de allerinvloedrijkste designproducten ooit, Fat Man en Little Boy. Men toont de Space Shuttle en de Airbus, niet de StuKa of de B52. Nee, de kruisridders van design als veran­ dermachine zijn ontwerpers als Christien Mein­ dertsma, die in het boek PIG 05049 beschreef hoe elk onderdeel van een specifiek genummerd varken werd verwerkt tot voedsel en gebruiks­ voorwerpen. Of Damian O’Sullivan die voor­ stelde een rondvaartboot om te bouwen tot varende groentekas om daarmee verse basilicum en tomaten bij restaurants aan het water af te leveren. Charmant, onhaalbaar, buitengewoon energie-inefficiënt en onhandig in de praktijk. Dat soort design is maar al te vaak een ijdele, naïeve, persoonlijke manier van ‘probleem oplossen’, met een modieuze antimoderne, antiindustriële attitude. Het zijn gebaren, die renda­ bel zijn bij de gratie van een ijdel en kapitaal­ krachtig publiek dat wil betalen voor vage labels als homegrown of sustainable. Dit soort design is als Esperanto. Je wint er de oorlog niet mee, de oorlog tegen de Plastic Soep. In 1911 schreef Hendrik Berlage dat ‘(…) in een tijd van persoonlijke neigingen ook geen groote kunst zich kan ontwikkelen, omdat dat alleen het geval zal zijn in een vooruitstrevend tijdperk, een tijdperk van een streven in objec­ tieve richting. Want onder een groote kunst moet worden verstaan een zoodanige die het geheele maatschappelijk leven doordringt, een kunst, die dus het gevolg is van een alge­ meene overeenstemming in levensbeschou­ wing, van een geestelijk ideaal.’ ‘Zal (…) die moderne beweging eenige innerlijke waarde hebben, dus de waarborgen bieden voor de ontwikkelingsmogelijkheid tot een groote kunst, dan moet zij, wil zij aan deze beschou­ wingen beantwoorden, een geestelijken ondergrond hebben.’ Een Eindhovense studente, Tamar Shafrir, won vorig jaar de Design Academy essayprijs met New Realities, New Roles for Designers. Zij signaleert net als Berlage een gebrek aan ‘geestelijke ondergrond’ en een gebrek aan zelfonderzoek. De designwereld is als Narcis­ sus, betoverd door zijn eigen beeld. Shafrir: ‘Het gesprek tussen potentieel design en reëel design, tussen “wat mogelijk is” en “wat goed is of nuttig is”, biedt designers van morgen een stuk dialectisch gereedschap voor onderzoek. Zonder dat gereedschap zullen designers blindelings door een doolhof blijven wan­ delen.’ Een designer die zichzelf ziet als een actor met ‘innerlijke waarde’, die zichzelf ziet als katalysator van renewal zal op z’n minst 6 De Groene Amsterdammer 26.04.12

Joris Laarman, Bone Chair (2006)

kerstkaarten nu al is, waar ook geen typograaf of drukker meer aan te pas komt. Shafrir: ‘Design in de 21ste eeuw gaat niet meer om markante signature ontwerpen, maar om de definitie van frameworks, gereedschap, en systemen waar­ binnen ontwerpen kunnen worden uitgevoerd. Wat auteurschap betekent zal worden geherde­ finieerd. Nu nog is de “persoonlijkheid” van de ontwerper de kern van de designidentiteit, maar designers zullen veel meer de leveranciers van variabelen worden, en de consument zal daarin geheel vrij en natuurlijk en zonder bemoeizucht zijn eigen dingen kunnen maken.’ Daartegenover staat een conservatieve, bijna nostalgische trend, een verlangen naar de oor­ sprong van design. Niet de ‘beschikbare vorm’, maar het bewustzijn van die gewoontes en behoeftes die ooit tot de totstandkoming van die vorm hebben geleid – de reden waarom wij een citruspers in de keuken hebben. Dat gaat verder dan nostalgie, schrijft Shafrir: ‘De vervreemding die gepaard gaat met handelingen en activitei­ ten die geen basis meer hebben in de werkelijk­ heid leidt tot allerlei zintuigelijke, communica­ tieve en cognitieve stoornissen bij kinderen in ontwikkelde landen.’ De terugkeer van ‘ambacht’ en ‘natuurlijk materiaal’ in design markeert tevens de terugkeer van ‘schoonheid’, als meer dan een oppervlakkige kwaliteit. Mensen hun­ keren kennelijk naar betekenisvolle ervaringen, in de gebouwde omgeving, in communicatie, of zelfs dagelijkse omgangsvormen. Het is een ver­ langen naar emotionele, ‘haptische’ sensaties, tegen de egaliserende effecten van technologie en globalisering. Voorwerpen zullen weer aan die vraag naar betekenis moeten gaan voldoen. Wat staat de designer verder nog te doen? Maak je de technologie eigen. Joris Laarmans Bone Chair lijkt een briljant stukje Jugendstil, maar het is veel meer dan dat: het is de verta­ ling naar een meubel van computertechnologie die totale organische efficiëntie wil bereiken – geen gram bouwmateriaal te veel. Begrijp dat soort technologie. Zorg dat je vooruit­ loopt op wat de industrie wil gaan dicteren. Zet de processen naar je hand; gooi de gehei­ men ervan op het internet. Geef de indivi­ duele designer en de individuele burger een kans iets wezenlijks terug te doen. Begrijp hoe economie werkt, vooral economie op grote schaal. Twintig stoelen voor € 3400,het stuk vervaardigd uit gratis uit de Wad­ denzee geschepte algen, geweldig, maar denk ook eens aan de reële stoelenbehoefte van de stad Guangzhou in de komende dertig jaar, en hoeveel algen je daarvoor nodig gaat heb­ ben. Zoek het fysieke. Het digitale beeld is verleidelijk, maar plat, en mist textuur, geur, beweging. Lees eens een boek. Wees hip, als het moet, maar wees niet lui. Tamar Shafrir, New Realities, New Roles for Designers, Eindhoven 2011, te vinden op www.designacademy.nl. H.P. Berlage, Kunst en gemeenschap. De Beweging. Jaargang 7, Amsterdam 1911


Column

De essentie van het schoen-zijn Door Joost de Vries Vraag: Wat is design? Antwoord: Alles. De designcatechismus is een moeilijke. Het is een onderwerp waar met enige regelmaat mails van abonnees over komen, meestal met dezelfde strekking: ‘Waarom wel stukken over beeldende kunst en niet over design, terwijl de raakvlakken zo duidelijk aanwezig zijn?’ Vaak komen die mails ook van mensen die een artikel aanbieden, en bijna zonder uitzon­ dering zijn de meegestuurde artikelen onpu­ blicabel. Waarom? Allereerst omdat de stuk­ ken vaak te academisch zijn, geschreven door en voor mensen die de taal van het design al beheersen. Design is alles, maar voordat er zo over geschreven kan worden dat iedereen het begrijpt, is nog een lange weg te gaan. Daar­ naast is het probleem dat de nuchtere kunst­ redacteur heeft juist die omnipresentie van design – je zou het de veelvormigheid kunnen noemen, maar dat is niet eens het juiste woord, omdat het de allesvormigheid is. Hoe leg je dan uit wat belangrijk is en wat niet? Het beste boek over vormgeving is Asterios Polyp, van David Maz­ zucchelli (het verscheen in 2009 bij Pantheon Books in de Verenigde Staten, in Nederland verscheen het vorig jaar bij Oog & Blik). Hoewel het feitelijk een ­graphic novel is, zou ik het liever een roman willen noe­ men, om de eenvoudige reden dat het vele malen literairder is dan het gros van de boeken zónder plaat­ jes. Hoofdpersoon Asterios Polyp is een bekroonde architect wiens ontwerpen nog nooit zijn gebouwd. Hij is egocentrisch, permanent iro­ nisch, houdt nooit op met praten, roken en uitleggen dat de wereld bestaat uit dualiteiten. ‘Alles dat niet functioneel is, is slechts deco­ ratief ’, is zijn mantra, of zoals hij het een bejeugdpuiste schoenver­ koper zegt: ‘De manier waarop de functie de vorm dicteert… de ele­ gante lijnen… niets onnodigs… this shoe perfectly expresses the essence of shoeness.’ Aan zijn studenten legt hij het cynischer uit: ‘Er zijn twee manieren waarop je design kan benaderen: via lijn of via vorm – Perhaps you like to try one.’ Als het boek begint, is Asterios’

leven een ruïne. Zijn Japans-Duitse vrouw Hana (‘Waar hebben je ouders elkaar ontmoet? Op een Asmogendheden-reünie?’ vraagt Aste­ rios) is bij hem weg, een blikseminslag heeft zijn appartement uitgebrand, en midden in een inzinking neemt hij een streekbus die zo ver gaat als zijn laatste geld hem brengt. Hij stapt uit in het dorpje Apogee, type smalltown USA, waar hij intrekt bij auto-reparateur Stiff Major en zijn holistische hippievrouw Ursula. Terwijl Asterios ver weg van zijn universiteitsbestaan zijn leven opnieuw opbouwt, met zijn fouten en vergissin­

In de mooiste scènes, waarin je Asterios en Hana verliefd ziet worden, versmelten hun tekenstijlen met elkaar

gen in het reine probeert te komen, zien we in lange flashbacks zijn voorgeschiedenis, en hoe zijn huwelijk te gronde ging. Zijn ouders waren Griekse immigranten, en toen Asterios’ vader naar de Verenigde Staten kwam, zo wordt ons verteld, hakte een ver­ moeide immigratieambtenaar op Ellis Island de achternaam door de helft: eigenlijk was de naam dus ‘Polyphemus’, wordt gesuggereerd, naar de cycloop uit Homerus’ Odyssee. Asterios zelf is een metaforische cycloop; net zoals iemand die een oog mist geen diepte kan schatten, is Aste­ rios niet in staat emotionele diepte te zien. En zo is hij ook getekend; gedurende het hele boek zien we hem niet een keer en face. Telkens zien we zijn profiel, als op een muntstuk. Mazzucchelli heeft elk personage in het boek getekend in een eigen illustratieve stijl, in een eigen grondkleur en met een eigen lettertype. De invoelende, bescheiden Hana, een ontwer­ per/kunstenaar van ronde, organische objecten, is getekend in het rood, in zachte vormen; de rigide Asterios is koel blauw, getekend in strakke lijnen. In de mooiste scènes, waarin je Asterios en Hana verliefd ziet worden, versmelten terwijl ze praten hun tekenstijlen met elkaar; in de scè­ nes waarin je hun huwelijk uit elkaar ziet vallen, zie je de gemengde teken­ stijlen zich uit elkaar terug­trekken, polariserend. Op het eerste oog zitten er tal van dit soort ontwerptechnische lesjes in Asterios Polyp, soms zelfs heel expliciet. Als we Hana les zien geven aan een groep studenten zet ze twee vierkante stenen neer, met wat ruimte er tussen. Hoeveel zien jullie er? vraagt ze. Twee, zeggen de studenten. Drie, zegt een verlegen jongen. Inderdaad, zegt Hana, drie, want de ruimte tussen de stenen is een object op zichzelf. ‘Here’s what I’d like you to remember: as a sculptor, you’re not just making forms, you’re designing a finite area of space.’ En dat is eigenlijk Mazzucchelli’s boodschap door het hele boek heen: dat elk object een keuze is, een creatie op zich. Design en ontwerp zijn niet een middel om het verhaal te vertellen, ze zijn het verhaal zelf. David Mazzucchelli, Asterios Polyp, Oog & Blik, 336 blz, € 39,90 26.04.12 De Groene Amsterdammer 7


Tafeltje Amélia uit de collectie Jalapa van Marcelo Rosenbaum

Design als zingeving

Schoonheid voor de armen De Braziliaanse televisieheld Marcelo Rosenbaum knapt huisjes op van arme landgenoten en omgeeft ze met een wolk van welvaart. Maar hij gebruikt zijn imago ook om bruggen te slaan tussen rijk en arm.

Fábio Del Ré

Door Stijntje Blankendaal

Designer Marcelo Rosenbaum (1968) is een Braziliaanse mix. Of beter gezegd, een typische São Paulo-mix – miljoenenstad van immigran­ ten. Rosenbaums joodse grootouders kwamen even vóór de Tweede Wereldoorlog uit Duitsland en Polen. Van moederskant kreeg hij Italiaans en Portugees katholiek bloed mee. Rosenbaum zelf groeide op als Braziliaan. Want in Brazilië denken ze niet in begrippen als allochtoon en autochtoon. Ze denken in begrippen als arm en rijk. Onderklasse en bovenklasse. De uitgesloten massa en de happy few. Rosenbaum groeide op in de bovenklasse. Niet als rijkeluiszoontje, maar wel met de mogelijkheid om te studeren en zich te ontwikkelen. Rosenbaum ging architectuur studeren en begon al op zijn zeventiende met het uit­­tekenen van luxe kledingwinkels in de op­komende winkel­centra in de jaren tachtig. Alles ont­ wierp hij, van de winkelpui tot de meubels en de kleding­rekken, zo jong als hij was. Toen in 1990 alle bankdeviezen werden bevroren om de inflatie te beteugelen en een crisis uitbrak (onder Fernando Collor, de eerste vrij verkozen president na de militaire dictatuur van 19641985) ontvluchtte Rosenbaum Brazilië, nog voordat hij zijn studie had afgerond. Hij bracht een jaar door in Duitsland, in een architecten­ kantoor waar veel met design werd gewerkt (van Andreas Weber). Hij durfde er niet te vertellen dat hij, zonder enige technische kennis, al zo veel winkels had getekend. De Duitse degelijk­ 8 De Groene Amsterdammer 26.04.12

heid stond in schril contrast met de Braziliaanse jonge democratie, waar alles nog uitgevonden moest en kon worden. Terug in Brazilië ging Rosenbaum niet opnieuw naar de universiteit. Hij ging gewoon zelf design maken. Dankzij goede contacten wist hij zich al snel geliefd te maken onder de elite, die in de jaren negentig haar villa’s steeds vaker door hem liet inrichten. De ‘echte architecten’ lachen Rosenbaum daarom nog altijd een beetje uit, als modeprinsje van de rijken. Zij spiege­

Als arme ben je in Brazilië overgeleverd aan plastic rotzooi en foeilelijke bankstellen, nog duur ook len zich liever aan nationale grootheden als de architecten Artigas en Paulo Mendes da Rocha – met hun betonnen, strakke lijnen – en uiteraard aan Brasilia-ontwerper Oscar Niemeyer. Maar Rosenbaum had zijn eigen plan. Hij had in Duitsland gezien dat er ook voor de armere middenklasse design bestaat. De Hemakwaliteit, zeg maar, of de meubels van Ikea. Dat wilde hij ook in Brazilië voor elkaar krijgen. In Brazilië ben je als arme namelijk overgeleverd aan plastic rotzooi en foeilelijke bankstellen. En nog duur ook. Voor de rijken bestaat er slechts

extreem dure import. Rosenbaum wilde mooie dingen maken die passen in de Braziliaanse volkscultuur van vrolijke kleuren uit het bin­ nenland. Hij had daarbij populaire megawinkel­ ketens zoals de Casas Pernambucanas voor ogen. Om dat te bereiken liet Rosenbaum zich voor een karretje spannen. Dat karretje heet Globo, de grootste televisiezender van Brazilië. Globo is een waar media-imperium dat alle huiskamers van Brazilië bereikt, van de Amazone in het noorden tot de pampa in het zuiden. In 2006 werd Rosenbaum uitgenodigd door de megapopulaire presentator Luciano Huck om mee te doen aan diens liefdadigheids­ programma De kookpot van Huck. In het onderdeel Lar doce Lar (‘Home Sweet Home’) kunnen de aller­armsten verrast worden met een nieuwe woning. Rosenbaum moest die gaan vormgeven. Op basis van honderdduizenden brieven, die jaarlijks worden gestuurd naar de redac­ tie van het programma, werden tot op heden zo’n vijftig woningen uitgekozen. Binnen twee weken moeten die opgeknapt of heropgebouwd worden. Hoe dramatischer het verhaal van de bewoners, des te hoger de kijkcijfers (gemiddeld veertig miljoen). Het programma kost Globo bijna niets, want de bedrijven van de benodigde bouwmaterialen en meubelgigant TokStok (een soort Ikea, maar dan veel duurder en slechter) betalen zelfs om mee te doen, in ruil voor de fan­ tastische reclame.


Voor Rosenbaum was het de uitdaging om er echt wat van te maken. Hij weigerde dat het zou blijven bij een decor, dat na het tweewekelijkse programma weer zou worden afgebroken. Hij werkt zich dan ook altijd een slag in de rondte met zijn team van jonge architecten om er bin­ nen twee weken wat moois van te maken, vooral met veel kleuren verf. Hij geeft toe dat Lar doce Lar geen structu­ rele oplossing voor het armoedeprobleem biedt. Brazilië komt zo’n zeven miljoen woningen te kort volgens het ministerie van Steden. Miljoe­ nen mensen leven nog altijd in favelas zonder riolering, onder het juk van geweld en sociale uitsluiting. Maar Rosenbaum staat naar eigen zeggen dankzij het programma voor ‘hoop op een beter leven’, in een mooiere omgeving.

Maar de misère bestaat er nog altijd. Ruim een jaar na het wijkfeest zijn de kleuren nog te zien, maar de sloot stroomt bij harde regens zoals immer de huizen binnen. Pas geleden werden de onder Rosenbaum gebouwde speel­ rekken en het houten dek weggespoeld. Een familie van tien kinderen deelt er nog altijd een hok van een paar vierkante meter boven de sloot. De verantwoordelijke bestuurders wijzen naar elkaar en doen niets. De eindeloze periferie

Tatiana Cardeal

Marcelo Rosenbaum is dankzij Lar doce Lar zelf een marketingmerk geworden. Maar desondanks bleven zijn eerste pogingen om bij winkelketens als Casas Pernambucanas mooi, betaalbaar design neer te zetten onbeantwoord. De gesprekken die hij de afgelopen paar jaar daarover voerde, leidden vooral naar nieuws­ gierige vragen over de nog populairdere Luci­ ano Huck en niet tot concrete afspraken. Wat te doen? Dan ga je zelf aan de slag. Vrijwilligers­ werk had Rosenbaum altijd al gedaan. Nu besloot hij een eigen sociaal merk op te zetten, ‘A gente transforma’, zoiets als ‘de verandering begint bij jezelf ’. Rosenbaum was gespot op tv door sociaal werkster Dagmar Garroux, tante Dag, toen zij hem op kaplaarzen de slachtoffers van de zware regenval in het zuiden van Brazilië zag helpen. ‘Dat moet een goede kerel zijn’, dacht zij. Tante Dag heeft vanuit het niets achttien jaar geleden een buiten­ schools opvangproject opgezet in een sloppenwijk, Parque Santo Antônio, in het zuidwesten van São Paulo. Dit Casa do Zezinho (het huis van kleine Jan) vangt tegenwoordig 1500 kinderen en jongeren op met muzieklessen, radio, sport, yoga, kooklessen en ga zo maar door. Tante Dag werkt door slimme alli­ anties aan te gaan, en benaderde Rosen­ baum. Dagmar en Rosenbaum zijn daarop in 2010 samen aan de slag gegaan. Rosen­ baum had geld toegezegd gekregen door verffabrikant Suvinil (vanwege zijn marketing voor de vrolijke Braziliaanse kleuren) om lezingen te geven, maar hij en tante Dag besloten om het geld in te zetten in Parque Santo Antônio. Volgens Dag had Rosenbaum al snel het centrale voetbalveld gespot in de wijk, die verder is volgebouwd met zelf gebouwde huizen en krotten, tot boven op de centrale sloot, vroeger een riviertje, nu een open riool, aan toe. Alleen het voetbalveld naast de sloot is onbebouwd gebleven. Rosenbaum wilde daar een project opzetten, waarin ook de oudjes en de

kinderen van de wijk konden meedoen, en niet alleen de voetballende mannen. De verfkwast zou te voorschijn moeten komen om het plein mooier te maken. Iedereen mocht een eigen kleur uitkiezen. Studenten architectuur brach­ ten de wijk in kaart. Maar als Rosenbaum dacht dat hij als een tv-held zou worden binnengehaald, vergiste hij zich. ‘Hij kwam zeker zijn imago oppoetsen via de misère’, werd er geroepen. Het duurde een half jaar voordat de bewoners eruit waren wat ze wilden en ze Rosenbaum vertrouwden. Uit­ eindelijk deden de meest wantrouwende men­ sen nog het actiefst mee, volgens tante Dag. Zoals een agressieve dame, die ten slotte bloe­ men op haar woning tekende. Een 24-jarige drugsleider verliet de drugshandel toen hij een baan kreeg via Rosenbaum. Het resultaat werd gevierd met een feest met een concert van de muziek spelende kin­ deren van het Casa Zezinho op het voetbalveld en met blije sponsors. Een reclamespot met de beroemde voetballer Neymar werd opgenomen in de wijk, een bibliotheek werd geopend.

Rosenbaum aan de slag met inwoners van Várzea Queimada, december 2011

van de grote steden wordt namelijk gewoonweg genegeerd door het merendeel van de politici en de elite. Die weigeren, in de woorden van tante Dag, nog altijd om ‘de brug over te steken’ naar het arme deel van de Brazilianen, die toevallig aan de andere kant van de samenleving werden geboren. Rosenbaum is volgens haar wel al de brug over­gestoken en blijft hem over gaan, ook al ging hij bijna over de kop met zijn sociale pro­ ject (waarna hij zijn rijke cliënten weer terug moest halen). ‘Hij heeft het gewoon nodig voor zijn leven’, volgens journalist Marques Casara, die Rosenbaum op zijn laatste reis begeleidde, ‘als zingeving’. Die laatste reis ging naar het binnenland van Brazilië, naar de provincie Piauí, op drieduizend kilometer van São Paulo. Daar, in het hete, arme gehucht Várzea Queimada, met zevenhonderd inwoners, probeerde Rosenbaum afgelopen februari bij de wortels van de Braziliaanse cul­ tuur te komen. Handwerk wordt er gemaakt van palmbladeren en uit oude rubberen banden. Als we dat nou naar een professioneel niveau tillen en de Brazilianen overtuigen van de rijkdom van Brazilië, bedacht de ontwerper, dan hoeven de jonge generaties niet meer naar de grote stad te trekken. En toeval bestaat niet voor Rosenbaum, die niet religieus is, maar wel een Braziliaanse mix heeft van Afro- en indiaanse tradities en wat oosterse spiritualiteit: de mensen die vanwege de armoede in het verleden uit Várzea Quei­ mada wegtrokken, kwamen in São Paulo in een buurwijk van Parque Santo Antônio terecht. Zij verloren daar, net als in de rest van de periferie, het gemeenschapsgevoel door de harde over­levingsstrijd in de stad. In Várzea Queimada werd Rosen­ baum, in tegenstelling tot Parque Santo Antonio, zonder enig wantrouwen binnen­gehaald als een held, bekend van tv. En de uitwisseling tussen de gemeen­ schap en Rosenbaum en zijn team was geestelijk verrijkend voor iedereen. Maar is hij geen dromer om te denken dat de elite straks voor die producten, gemaakt door arme Brazilianen, wil gaan betalen? ‘Je moet wel een beetje gek zijn om erin te geloven’, beaamt hij. ‘Maar er gaat 25 miljard euro rond in de designbusiness in Brazilië. Daar moeten we bij zien te komen. Daarom neem ik de producten mee naar de designbeurs van Milaan, zodat ze een internationaal sausje krijgen en daarmee meer aanzien in Brazilië.’ Dat Rosenbaum deuren weet te ope­ nen, is inmiddels bewezen. Zijn vrolijke huis-, tuin- en keukenproducten wer­ den in september vorig jaar gelanceerd door Casas Pernambucanas. Nu nog de Braziliaanse handwerkkunst onder de schouw krijgen van de miljonairs. Marcelo Rosenbaum spreekt 10 mei op wdcd. www.rosenbaum.com.br 26.04.12 De Groene Amsterdammer 9


Hiernaast: Edge of Play, designcollage van Ahmad, een van de kinderen in Talbiyeh (Jordanië)

Febrik

Rechterpagina: Dream Space, kinderen bouwen een droomruimte in Burj el Barajneh (Libanon)

Futurisme in een Palestijns vluchtelingenkamp

Dromen over ruimte In de overbevolkte microkosmos van een Palestijns vluchtelingenkamp leren bewoners creatief om te gaan met de ruimte. Een proces van inventiviteit en integratie. Maar ook van macht, hiërarchie en voortdurende onderhandelingen. Door Simone Korkus ‘Rede: ik wil ruimte om te groeien. Lichaam: ik wil ruimte om te zijn. Geest: ik wil ruimte om te bestaan.’ Met deze zin opent Joumana al Jabri, architecte en oprichtster van Febrik, een plat­ form voor kunst- en designonderzoeksprojecten in het Midden-Oosten, haar Facebook-pagina. Maar als we samen over de hobbelige landweg – de enige toegang voor auto’s – het Palestijnse vluchtelingenkamp Talbiyeh, zo’n vijftig kilo­ meter ten zuiden van Amman in Jordanië, bin­ nenrijden, lijkt ruimte een begrip uit een andere wereld. Want hier, aan de moderne snelweg naar Aqaba, leven 7500 Palestijnen op een kluitje. Talbiyeh is na de Zesdaagse Oorlog en ­Israëls bezetting van de Westelijke Jordaanoever in 1968 als noodkamp door Jordanië gebouwd om de vluchtelingen tijdelijk op te vangen. En dat is te zien. Grauwe, provisorische onderkomens 10 De Groene Amsterdammer 26.04.12

zijn op en aan elkaar geplakt en ieder huis, dat ten minste een extended family bevat, barst uit­ een van puistige betonnen uitbouwen en cemen­ ten gezwellen. Op straat zijn op dit ochtend­uur uitzonderlijk veel mensen op de been. Moeders met peuters zitten op de stoep. Mannen leggen stenen op de golfplaten daken, zodat de wind ze niet zal wegblazen. Alles is tijdelijk: de gebou­ wen, de zandpaden, de van het gastland Jorda­ nië geleende grond, maar vooral het gespleten dubbelleven van de mensen die hier in balling­ schap leven, maar nog steeds willen zijn in wat nu Israël of door Israël bezet gebied is en waar zijzelf of hun ouders of grootouders zijn gebo­ ren en getogen. Elke verbetering van het leven hier wordt tegengehouden, omdat het de facto als het opgeven van het recht tot terugkeer kan worden gezien.

Terwijl we door smalle steegjes te voet verder gaan en een groep mannen omzeilen die op tuinstoelen midden op straat zitten, legt Jabri uit dat zij samen met Febriks medeoprichters Reem Charif en Mohammed Hafeda juist in deze tijdelijke en overbevolkte microkosmos een uitdaging ziet om een nieuw ruimteconcept te scheppen: ‘We concentreren ons op de politiek en dynamiek van de schaarse openbare plaat­ sen en vooral het recht van de zwakste groe­ pen – vrouwen en kinderen – die nauwelijks aan bod komen.’ Febriks uitgangspunt: ‘Denk creatief, kleinschalig, binnen bestaande midde­ len van het kamp en zoek mogelijkheden in het informele.’ Ze begonnen volgens dat principe in 2003 met designprojecten voor kinderen, door kinderen, in de Palestijnse kampen van Burj el Barajneh en in Beit Atfal Assomoud in Libanon. Later zou ook in de Londense Sceaux Gardens Housing Estate een kinderproject ‘De winkel van de mogelijkheden’ worden gestart. Natuurlijk waren de vluchtelingenkampen in de Palestijnse gebieden de eerste keus, maar het Febrik-team liep al snel tegen de gevolgen van het conflict in het Midden-Oosten aan. De meeste medewerkers hebben de Libanese natio­ naliteit en worden door Israël niet toegelaten in de Palestijnse gebieden. ‘In 2003 hadden we nog geen duidelijke richting’, vertelt Jabri. ‘We startten in Libanon omdat het onze thuisbasis is. We waren kortetermijnplanners. We ontwikkelden van zomer naar zomer, van workshop naar workshop. De resultaten van iedere workshop waren de basis


nauwelijks ruimte en tijd voor de kinderen om te spelen.’ En dat was voor Febrik aanleiding om vijf jaar na de eerste projecten in Libanon in Talbiyeh met unrwa en binnen het kampverbeterings­ project een nieuw Play Space-project op te zet­ ten. ‘Terwijl we in Libanon uitsluitend met kin­ deren werkten’, vertelt Jabri, ‘trainden we hier aan de hand van de resultaten van de eerdere workshops eerst volwassenen: moeders en jonge vrouwen van de plaatselijke jeugd­vereniging. Die vrouwen werden de groepsleiders in de workshops voor kinderen.’ In de praktijk bete­ kent het dat Febrik in een drie­jarig proces acht­ tien kinderen tussen de acht en twaalf jaar volgde in hun spelpatronen en hun creatieve oplossin­ gen voor het gebrek aan speelplaats. Jabri: ‘De inventiviteit van de kinderen was oneindig en voortdurend. Ze gebruiken wat overblijft of wat is weggegooid. Neem de kleine Mohammed. Hij ontdekte alle lekkages in de waterleidingen in het kamp; een actueel probleem in een land dat kampt met watertekorten. Hij ving dat water in flessen op en gebruikte het om een tijdelijke waterspeeltuin te creëren en te schrijven met water in het zand. Achmed gebruikte de water­ leidingpijpen om een klimwedstrijd te houden. En het meisje Hiba had tijdens een elektrici­ teitsstoring – een veel voorkomend probleem in de kampen – een schaduwspel in het kaarslicht uitgevonden. Verder werd een dak met was­ lijnen met wasgoed een vliegveld voor papieren vliegtuigjes, en een donkere trap naar een huis een geheime bergplaats.’ Tijdens de workshop

voor de volgende. Als designer moet je een stap terug durven zetten en observeren. Alles is er tenslotte al. Het kamp heeft de middelen, de potentie en de creativiteit. Wij faciliteren slechts een hergebruik van bestaande ruimten.’ In het eerste project, Dream Space, dat uit twee workshops bestond, lieten ze kinderen dro­ men. Droom in de zin van toevlucht. Wat wilden de kinderen worden? Aanvankelijk kwamen ze met opvallend clichématige ideeën. De mees­ ten wilden onderwijzer van de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (unrwa) worden omdat het een haalbare droom is, gelet op de condities van het kamp en het beperkte aantal beroepen dat Palestijnen in het gastland mogen uitoefenen. De volwassen kampbewoners dicteren de gren­ zen van de fantasie. Dus droomt het kind van de terugkeer naar Palestina, en accepteert het de onmogelijkheid van reizen en de beperkte beroepskeuze. Maar Febrik ging een stap verder. In het vervolgproject ontrafelden de kinderen de ingrediënten van de dromen. Een van de kin­ deren wilde bijvoorbeeld onderwijzer worden omdat hij zo graag een leren aktetas wilde heb­ ben. Hij was ook nieuwsgierig naar de inhoud van die tas. Opmerkelijk was dat kinderen in de collectiviteit van het kamp aanvankelijk alleen als groep konden denken en niet als individu. ‘De kinderen leerden zelfstandig dingen te doen en actief over hun omgeving na te denken’, zegt Jabri. ‘Ze visualiseerden hun dromen door tekeningen en foto’s en daaruit bleek dat je best dezelfde droom kunt hebben, maar dat ieder individu er zijn eigen persoonlijke ingrediënten aan toevoegt. Dat maakt zijn droom uniek. Uit alle dromen en ideeën over het kamp stelden de kinderen een droomkaart op, die hun interesses en bezorgdheden in het kamp weergaf.’ Wat bleek? De kinderen wezen op de tekort­ komingen van het kamp: de donkere steegjes, de wirwar van afvoeren en waterleidingen Maar ze zagen daarin ook één grote speelruimte. Ze her­ interpreteerden het gebruik van architecturale elementen, zoals ramen, daken en waslijnen, tot tijdelijke speeltuinen. De beperkte ruimtelijke omgeving van het kamp prikkelde hun verbeel­ ding en creativiteit, maar die werd gefrustreerd door de onmogelijkheid om de openbare plaat­ sen te gebruiken.

Febrik

In Talbiyeh, waar niets privé of openbaar bezit is omdat de huizen niet als privé-eigendom zijn geregistreerd en de openbare terreinen van de staat Jordanië zijn, is het gevoel voor mijn en dijn opmerkelijk sterk aanwezig. De minia­ tuurtuintjes naast de huizen zijn omheind door hoge hekken met een poort waarvan alleen de omwonenden de sleutel hebben. Het gebruik van de niet omheinde, dus publieke ruimten is hiërarchisch bepaald met een tijdgebonden patroon. Jabri: ‘Op de binnenplaatsen drin­ ken de vrouwen ’s ochtends koffie; de mannen roken er ’s avonds hun waterpijp, en tussendoor fungeren die plaatsen als feestruimte of voor familie­bijeenkomsten. In zo’n omgeving is er

‘De dromen van de kinderen van vandaag bepalen onze gemeenschappelijke toekomstige werkelijkheid’

mochten de kinderen al hun ideeën en spelmo­ gelijkheden omzetten in designvoorstellen voor een openbare ruimte in het kamp. Ze maakten modellen, tekeningen, animaties, designcollages en een designhandboek, die samen in een stu­ dio tot concrete ontwerpen werden omgewerkt. Intussen had Febrik de beschikbare openbare plaatsen geïnventariseerd waar het design van de kinderen kon worden gesitueerd. ‘Het ging niet om het creëren van nieuwe ruimten, maar om het creatief hergebruik van bestaande’, zegt Jabri. ‘Het proces speelde ook een centrale rol voor de erkenning en integratie van kinderen in het kamp. De dromen van de kinderen van van­ daag bepalen immers onze gemeenschappelijke toekomstige werkelijkheid.’ Toch ging het niet altijd over rozen. Jabri en haar collega’s roerden in de kookpot van de werkelijkheid en vooral ook in het broeinest van overgeleverde normen en waarden en tra­ ditionele machtsstructuren, die de vluchtelin­ gen hebben meegenomen. In elke fase van het project stak de Palestijnse kwestie, vooral het recht van terugkeer, de kop op. Hoe overweldi­ gend die kwestie is, blijkt als we even later in een omgebouwde stacaravan zitten die dienstdoet als plaatselijk kantoortje van unrwa. Aan de muur de kleurrijke design­collages van de kin­ deren, achter het bureau Kassem, een sportiever vijftiger, kampbewoner en plaatselijk gemeen­ schaps- en projectmanager van unrwa. Kassem is tijdens de Zesdaagse Oorlog met zijn familie uit Beer Sheva in Israël naar Jordanië gevlucht. Hij heeft de tijd nog meegemaakt dat de tenten in Talbiyeh werden vervangen door de minder tijdelijke betonnen onderkomens, vertelt hij. Kassem laat er echter geen twijfel over bestaan: ‘Wij komen uit verschillende plaatsen in Israël of de Westoever maar we hebben allemaal één ding gemeen: we willen terug naar ons eigen land en daarom zijn we nog steeds op reis.’ Dat transit­

26.04.12 De Groene Amsterdammer 11


breekt een formele beslissingsstructuur. Er is weliswaar een door de centrale Jordaanse overheid aangewezen lokale kampcommissie, die het Jordaanse departement van Palestijnse Zaken adviseert over ontwikkelingszaken, maar die heeft geen beslissingsmacht en kan geen projecten initiëren of managen, en wordt door de kampbewoners niet vertrouwd. Daarom betrokken we zo veel mogelijk belangengroe­ pen in het beslissingsproces via een bottom upbenadering. Er waren open werkgroepen met de hoofden van de families en de moechtars – de stamhoofden – en vertegenwoordigers van de lokale scholen, sportclubs, en geïnteresseerden van alle leeftijden en seksen. Voor sommigen was het de eerste keer dat ze samenwerkten.’ De uitgewerkte designvoorstellen van de kinde­ ren werden aan de werkgroepen voorgelegd en na wat heen en weer gepraat gingen de kamp­ bewoners akkoord met de lokatie en het plan, op voorwaarde dat de plaats geschikt zou zijn voor bruiloften en als wachtruimte voor vrouwen tij­ dens de distributie van VN-voedselrantsoenen. Het resultaat is een uit staal opgetrokken futu­ ristisch kruip-door-sluip-door-labyrint met tunnels en bruggetjes in primaire kleuren en

ook de aandacht van de vrouwen en de plaatse­ lijke sjabaab (tieners). Op een gegeven moment waren er zo veel kinderen en vrouwen en jon­ geren op de speelplek dat het terrein praktisch uit zijn voegen barstte. En dat gaf problemen. Is het terrein wel veilig voor onze kinderen, vroe­ gen de moeders bezorgd. Die speelplaats geeft geluidsoverlast, vielen de buren bij. Ze gebrui­ ken mijn parkeerplaats, sprak een andere buur­ man boos. De ouderen van het kamp kwamen in opstand. De plaats mocht niet voor iedereen die zomaar een stoel meebracht en ging zitten toegankelijk zijn, zeiden ze. Het is onacceptabel dat jonge mannen en meisjes hier met elkaar in contact kunnen komen. Het project zou ook drugs­gebruikers kunnen aantrekken, spraken boze tongen. De werkgroep kwam in actie en probeerde via persoonlijke gesprekken het pro­ ject te redden. Plannen werden gewijzigd zodat de mannen akkoord gingen, maar dat schoot de vrouwen weer in het verkeerde keelgat. Kortom: de kampbewoners gingen opnieuw aan de onderhandelingstafel zitten. De werkgroep heeft in afwachting van de onderhandelings­ resultaten Edge of Play tijdelijk gesloten. Een lelijk zes meter hoog kanariegeel hek omheint de speelplaats. Geen kind kan nog naar binnen. Wat nu? Betekent dat het eind van Edge of Play? ‘Zeker niet’, zegt Muna Budeiri, directeur behui­ zing en ­kampverbetering van unrwa vanuit haar moderne kantoor in Amman. ‘Er bestaat in het kamp behoefte aan speel­ ruimten en multifunctio­ nele ruimten. Het project, als proces én als resultaat, is een succes. De bewoners zijn niet tegen ver­ dere interventie, maar ze willen de speelruimte aangepast en elders hebben. Het duurt gewoon wat langer.’ En dat laatste zit volgens Jabri in de aard van dit soort projecten: ‘Ruimtelijke interventies leiden tot lange, voortdurende onderhande­ lingsprocessen, maar het grote voordeel is dat ze daardoor de zo noodzakelijke democratische dialoog teweegbrengen.’ unrwa overweegt om het project in aangepaste vorm ook in andere kampen in Jordanië en in de Palestijnse gebie­ den te introduceren. ‘Het is werkelijk uniek’, benadrukt Budeiri, ‘dat zo’n duurzame ontwik­ keling kan plaatshebben onder de paraplu van Palestijnse mensenrechten.’ Kassem ziet het resultaat van het ruimteproject vooralsnog veel concreter. ‘De kampbewoners – jong en oud, zowel mannen als vrouwen – hebben door dit project een ander soort ruimte gevonden: de ruimte om zelfstandig te beslissen wat goed en fout, mogelijk en onmogelijk is, en wat ze wel en niet in hun kamp willen. Dat is een succes.’ Febrik

gevoel drukt een zwaar stempel op het dagelijks leven. Van de vervanging van de asbestdaken tot de aanleg van een speelplaats stellen de bewo­ ners steeds als voorwaarde dat hun rechten niet aangetast mogen worden. Iedere concessie kan een stap zijn om de duurzaamheid van het kamp te bevestigen en de droom van terugkeer op te geven. Maar er zijn ook jonge Palestijnen die er inmiddels anders over denken. Maram Shaba, een jonge moderne architecte en planner van dezelfde organisatie, die haar hijaab en traditio­ nele levensstijl al jaren geleden aan de wilgen heeft gehangen, haalt fel uit. ‘Je kiest voor een soort leven. Het recht van terugkeer of mijn recht op het eigendom van mijn familie in Israël wordt niet bepaald door hoe ik leef of waar ik leef.’ Ze heeft een appartement in het hartje van Amman en voelt zichzelf Jordaans en Palestijns. ‘Ik hoef me niet in een kamp op te sluiten om mijn rechten te kunnen uitoefenen. Volgens mij heeft die beslissing meer met economische dan ideologische redenen van de kampbewoners te maken.’ Maar voor de kampbewoners in Tal­ biyeh geldt vooralsnog: wie niets te verliezen heeft, kan alles eisen. Jeruzalem en Beer Sheva,

en in de tussentijd dus helemaal niets. Gast­ land Jordanië helpt een handje om die filoso­ fie te bekrachtigen. Meer dan de helft van de Jordaniërs is van Palestijnse afkomst en bijna twee miljoen daarvan is vluchteling; dat is 42 procent van alle Palestijnse vluchtelingen in het Midden-Oosten. Palestijnse vluchtelin­ gen uit de Westelijke Jordaanoever, die voor de Israëlische bezetting Jordaans was, kregen vrijwel automatisch de Jordaanse nationaliteit. Die meerderheid zou nu een Palestijnse staat op Jordaans grondgebied kunnen vestigen, weet de Jordaanse overheid, en zij heeft om die reden het staatsburgerschap van duizen­ den Palestijnen weer ingetrokken. Bovendien beperkt een nieuwe kieswet de vertegenwoor­ diging van Palestijnse burgers in het Jordaanse parlement. De besloten binnenwereld van Talbiyeh wordt niet door de grotere politiek in de ­buitenwereld gehinderd. Hier regeert de tribale machts­ struc­tuur van de grotendeels bedoeïenen­ gemeenschap. En dat vormde een extra uitdaging voor Febrik. Jabri: ‘Er was geen aanspreekpunt voor ons project. In de Jordaanse kampen ont­ 12 De Groene Amsterdammer 26.04.12

Dream Space, Mohammeds waterspeeltuin in Burj el Barajneh (Libanon)

‘De kampbewoners – jong en oud, mannen én vrouwen – hebben door dit project een ander soort ruimte gevonden’ ongedefinieerde hoekjes en gaten. Met tentdoek wordt de ruimte in een ommezwaai omgetoverd tot feestzaal en bruiloftstent. ‘We noemden het Edge of Play, spel op de rand’, zegt Jabri, ‘omdat het op de rand is van een privé-speelplaats met een publieke ruimte. Een ruimte voor meervoudig gebruik, die door verschillende generaties kan worden gedeeld, die een dialoog tussen hen creëert en rekening houdt met de machtsdynamiek en hiërarchie in de opeising van de ruimte. Een plaats die het begin is van een democratisch proces.’ De Edge of Play-ruimte, die tijdens Ramadan 2011 werd geopend, liep al direct als een tie­ relier. De kinderen waren wildenthousiast en kwamen uit alle richtingen. Het project trok

Joumana al Jabri en Reem Charif van Febrik spreken 10 mei op wdcd. www.febrik.org


H&M / WHISPR GROUP

Wat H&M kan doen aan duurzaamheid

Feestjurken van biokatoen De grootste producent van fast fashion profileert zich met duurzame stijl. Hoe geloofwaardig is dat? Door Lynsey Dubbeld Dit voorjaar waren de winkels van H&M weer eens het toneel van schaamteloos gegraai. De reden? De lancering van de collectie van het Italiaanse designerlabel Marni. H&M lijkt patent te hebben op dit soort massahysterie. Iedere keer als de Zweedse modegigant samen­ werkt met een topontwerper – of het nu gaat om Karl Lagerfeld, Jimmy Choo of Viktor & Rolf – staan fashionista’s massaal in de rij. Marni at H&M was in ieder geval in één opzicht opmer­ kelijk. Voor het eerst doneert H&M een deel van de verkoopopbrengsten van een designercollec­ tie aan een goed doel. Een kwart van de omzet van een speciaal Marni T-shirt komt in de kas van het Japanse Rode Kruis, dat hulp biedt aan slachtoffers van de aardbeving van 2011. H&M steunt wel vaker goede doelen. Via de verkoop van speciale collecties doneert H&M langdurig een deel van de verkoopopbrengsten aan bijvoorbeeld Unicef en Designers Against Aids. De campagnes worden ondersteund door beroemdheden zoals Jerry Hall, Bryan Ferry en Katy Perry. ‘Er zijn ook zeker beroemdheden die houden van onze Conscious-producten’, zegt Catarina Midby, trendcoördinator van H&M over de duurzame kledinglijn van de Zweedse modegigant. ‘Natalie Portman droeg vorig jaar een jurk van gerecycled polyester, en celebs zoals Michelle Williams, Kristen Davies and Amanda Seyfried zijn al gespot met items uit de exclusieve voorjaarscollectie.’ Toch wordt de ­Conscious Collection vooralsnog niet door cam­ pagnes met beroemdheden gepromoot. De Conscious Collection, waarvoor duur­

zamere stoffen worden gebruikt zoals biokatoen, gerecycled polyester en tencel, is sinds de lance­ ring in 2011 gestaag uitgebreid. Naast basisstuk­ ken voor een groene garderobe zijn er inmiddels ook schoenen, sieraden en feestjurken versche­ nen. En er zijn niet alleen kledingstukken voor dames, maar ook voor heren, jongeren en kin­ deren. ‘We hadden al een visie op duurzaam­ heid en duurzaamheidsdoelen sinds de jaren negentig’, zegt Midby, die tijdens What Design Can Do zal spreken over samenwerking tussen modebedrijven, media en consumenten voor ‘fashion with the added value of sustainability’. De Conscious Collection maakt deel uit van een omvangrijke duurzaamheidstrategie van H&M. In 2010 maakte het Zweedse bedrijf zeven acties bekend waarmee het de bedrijfsvoering wil ver­ duurzamen. Nu houden wereldwijd bijna hon­ derd H&M-medewerkers zich uitsluitend bezig met people, planet & profit. Een van de actiepunten is om in 2020 alle conventionele katoen te hebben vervangen door duurzamere alternatieven. Volgens Textile Exchange, dat een keurmerk voor biologische katoen beheert, behoort H&M inmiddels tot de grootste afnemers van biokatoen ter wereld. In 2010 zou H&M vijftienduizend ton (deels) bio­ logisch geproduceerde katoen hebben gebruikt in zijn collecties, dat is 77 procent meer dan in 2009. De sociale kant van de kledingproductie krijgt onder meer aandacht via een educatie­ project. Samen met ngo’s heeft H&M filmpjes gemaakt die in fabrieken in Bangladesh worden getoond om werknemers te leren hoe ze voor

hun rechten kunnen opkomen. Sinds de start in 2008 hebben meer dan driehonderdduizend werknemers de film gezien, en het project is in 2011 uitgebreid naar India. H&M heeft zich ook gevoelig getoond voor argumenten van actiegroepen. In 2010 beloofde het, na pressie vanuit de Clean Clothes Cam­ paign, het gebruik van zandstralen in fabrieken die jeans maken te verbieden. Zandstralen is een methode om denim de populaire worn look te geven en kan bij kledingarbeiders een acute, heftige versie van de longziekte silicose veroor­ zaken. H&M heeft zich daarnaast gecommit­ teerd aan de Joint Roadmap waarmee Adidas, C&A, Li-Ning, Nike en Puma aangeven hoe zij het gebruik van gevaarlijke chemicaliën in hun productieketen gaan verminderen. In reactie op campagnes van Greenpeace beloofde H&M om dit jaar bekend te maken welke chemicaliën er precies worden gebruikt. In 2020 zou dan een einde moeten zijn gekomen aan giflozingen door Aziatische fabrieken die voor H&M produceren. H&M wordt nog al eens beschuldigd van greenwashing. Critici wijzen erop dat de Con­ scious Collection niet van honderd procent verantwoorde materialen is – en bovendien een druppel op een gloeiende plaat, gezien de hoe­ veelheid niet-duurzame kleding in de schappen van H&M. Er zijn ook kritische geluiden over H&M’s keuze voor katoen van het Better Cot­ ton Initiative (bci), een samenwerkingsverband dat werd opgericht door bedrijven als Levi’s. ‘bci is bedoeld om de hele katoenproductie beter te maken voor mens en milieu’, zegt Midby. Maar de regels van bci zijn veel minder streng dan die bij biologische teelt, en laten bijvoorbeeld het gebruik van pesticiden en gentech toe. H&M’s focus op lage prijzen leidt er boven­ dien toe dat het productieproces zo efficiënt mogelijk wordt ingericht, wat betekent dat een eerlijke productie allerminst in zicht lijkt. H&M werkt wereldwijd met zevenhonderd aanne­ mers, of vijftienhonderd als de onderaannemers worden meegeteld. Misstanden zijn in zo’n com­ plexe keten moeilijk uit te sluiten, waarschuwen ngo’s. Midby benadrukt dat H&M tot de koplo­ pers in duurzame mode wil gaan behoren. De kritiek op H&M’s duurzame ambities doet denken aan de verwijten aan het adres van grote modebedrijven als C&A en Puma. Ook zij stellen zich duurzame doelen, werken daarvoor samen binnen zogenoemde multi-stakeholder initiatives en blijven prijsbewust. Duurzaamheid lijkt voor dit soort bedrijven niet alleen een kwestie van idealisme, maar ook een marketingstrategie en een poging tot kostenbesparing. De katoen­ industrie slurpt landbouwgrond, pesticiden en water, en alternatieve materialen zijn een must in een tijd dat de katoenprijzen tot recordhoog­ tes zijn gestegen. Toch zijn de groene plannen van H&M een belangrijke stap, want het duur­ zame programma gaat verder dan een eenma­ lige collectie. Daarmee geeft H&M het signaal dat groen meer is dan een modekleur. Catarina Midby (H&M) spreekt 11 mei op wdcd 26.04.12 De Groene Amsterdammer 13


Ontwerpen voor de veiligheid

Het leven als festival Talloze veiligheidsmaatregelen – camera’s, hekken, security-checks – beperken ons in onze vrijheid. Ontwerpers wereldwijd hebben iets nieuws bedacht: de Designing Out Crime-methode. Voor meer veiligheid en een prettiger openbare ruimte. Door Kees Dorst

Veiligheid is een belangrijk thema in onze samenleving. Kijk maar naar het nieuws: een groot deel van het journaal op tv en van de kranten­artikelen gaat over veiligheid. Onze samenleving wordt geconfronteerd met een breed scala aan misdaden en misdragingen die ons openbare en persoonlijke leven beïn­vloeden. De schaal loopt van relatief on­schuldige fietsen­ diefstal en hangjongeren tot de dreiging van ter­ rorisme. Daar kunnen we op twee manieren op reageren: je kunt ervoor zorgen dat je thuis goed beveiligd bent en je terugtrekken uit de open­ bare ruimte, of je kunt ervoor zorgen dat je met iedereen op goede voet staat en daardoor veilig bent. Deze twee benaderingen vallen tegen­ woordig samen met de uitersten van het poli­ tieke spectrum. Maar ze helpen geen van beide. Door in het defensief te gaan, wantrouwend te worden en je te verbergen raakt de publieke ruimte ontvolkt en wordt zij steeds gevaarlijker. Op persoonlijk niveau leidt dit tot angst en een­ zaamheid. Maar het meer open en sociale alter­ natief is even onhaalbaar: dat kon misschien nog in een traditioneel dorp, maar niet in de complexe stadssamenleving van vandaag. De publieke discussie beweegt zich heen en weer tussen deze uitersten en dat leidt door­ gaans tot ongelukkige compromissen, waarbij de trend is om meer aan de defensieve kant te gaan zitten. In naam van de veiligheid worden talloze tegenmaatregelen genomen om mis­ daad te voorkomen (camera’s, hekken, securitychecks op het vliegveld) en die beperken ons in onze vrijheid. Deze ontwikkeling wordt ver­ sterkt door een cultureel probleem: de moderne samenleving kan maar moeilijk met risico’s omgaan. Publieke en politieke discussies wor­ den vaak gevoerd in termen van het ‘uit­bannen’ van risico. Maar dat kan helemaal niet, aan het leven is nu eenmaal altijd risico ver­bonden (leven is levensgevaarlijk). Als we er steeds voor kiezen om risico te minimaliseren doen we andere aspecten van het leven ernstig te kort. De afgelopen jaren is ontwerpen ineens 14 De Groene Amsterdammer 26.04.12

opgedoken als een mogelijke ‘derde weg’ om deze impasse te doorbreken. Steeds meer ont­ werpers werken aan projecten waarin veilig­ heid een belangrijk thema is. Zij laten zien dat ontwerpen inderdaad een sterk alternatief kan zijn voor de conventionele manieren om met veiligheids­problemen om te gaan. In 2007 heeft de regering van de Australische deelstaat New South Wales samen met de Tech­ nische Universiteit van Sydney een ‘Designing

Tegenmaatregelen zijn altijd lelijk, beperken onze vrijheid en voeden onbedoeld angst en achterdocht Out Crime’-centre (doc) opgericht, dat een ont­ werpbenadering gebruikt om radicaal anders met de behoefte aan veiligheid in de samen­ leving om te gaan. Een cruciaal uitgangspunt van doc is dat tegenmaatregelen te allen tijde voorkomen moeten worden: die zijn altijd lelijk, ze beperken onze vrijheid en onbedoeld voeden ze angst en achterdocht. Dit klimaat van angst ondermijnt de open uitwisseling tussen mensen van verschillende achtergrond, die de basis is van onze samenleving. De doc-methode, die gebaseerd is op jarenlang onderzoek naar de werkwijze van top­ontwerpers, concentreert zich op het ont­ wikkelen van een nieuwe blik op en benadering van een probleem. Zoals Einstein al zei: ‘Een probleem kan nooit worden opgelost binnen de context waarin het gemaakt is.’ Dit is zeker waar. En veel van de problemen waar de doc-ontwerpers voor benaderd worden zijn ‘oud’, in de zin dat de betrokkenen al eerder geprobeerd hebben ze op te lossen met conven­ tionele middelen. Ergens zijn ze gestrand. Een nieuwe blik en een nieuwe benadering zijn dan

Schappen tegen winkeldiefstal

nodig om de kwestie weer vlot te trekken. Dit is de kern van de doc-methode. Drie voorbeelden. de gemeente Sydney heeft sinds mensen­ heugenis te maken met problemen in Kings Cross, het uitgaansgebied voor jongeren. Er is veel geïnvesteerd in de kwaliteit van de publieke ruimte, er is meer politie ingezet, de clubs heb­ ben meer veiligheidspersoneel dan ooit, er han­ gen camera’s, en nog steeds zijn er problemen met dronkenschap, zakkenrollen, vechtpartijen en drugsgerelateerde misdaad. Alle normale maatregelen om misdaad tegen te gaan lijken niet te helpen. De doc-ontwerpers realiseerden zich al snel waarom: de dertigduizend jongeren die zich elke vrijdag- en zaterdagavond in Kings Cross verzamelen zijn geen misdadigers. Je zou deze plezierzoekende menigte kunnen vergelijken met de bezoekers van een muziek­ festival, en een goed georganiseerd muziek­ festival zou veel faciliteiten bieden die in Kings Cross ontbreken. Je zou bij een muziekfestival bijvoorbeeld zorgen voor goed openbaar vervoer tegen sluitingstijd, je zou rustige chill out-zones maken en voor een voortdurend goede sfeer zor­ gen, je zou een app hebben die informatie geeft over wanneer er iets interessants begint, je zou jonge informatiegidsen hebben die mensen op weg helpen en die benaderbaar zijn in geval er iets mis is, enzovoort. Al deze maatregelen ver­ minderen de wrijvingen in het gebied en daar­ door het aantal incidenten. Deze ene metafoor (kijk ernaar als een muziekfestival) leidde tot zo’n dertig mogelijke oplossingen. Ze brengt een nieuw verband aan in wat een complexe situatie is en verlegt de dis­ cussie van overconcentratie op misdaad naar een gezonde belangstelling voor veiligheid. De metafoor blijkt sterk genoeg om alle betrok­ kenen in het gebied op één lijn te krijgen en tot actie te brengen. winkeldiefstal is een groot probleem, maar de winkeliers willen koste wat het kost vermij­


cden dat er tegenmaatregelen genomen worden die hun waren minder aantrekkelijk maken. Dat is nogal paradoxaal: hoe kun je het moei­ lijk maken voor de winkeldief om zijn slag te slaan zonder de betalende klanten te storen? In dit doc-project hebben we ons gericht op een klein aantal producten die herhaaldelijk en in behoorlijke hoeveelheden gestolen worden (omdat er een zwarte markt voor is). Eén oplossing uit vele is hier te zien: door de voorrand van het schap te verbreden moet je veel verder reiken om het cosmeticaproduct te pak­ ken. Het is niet meer mogelijk een hele arm vol in je tas te laten glijden. De betrouwbare klant pakt gewoon het item dat hij wil kopen en kijkt naar de productinformatie. Hij merkt dat er een lampje aangaat als zijn hand in de buurt van het product komt, waardoor het fraai en han­ dig wordt uitgelicht. Dit nieuwe schap verbetert de ervaring van de bonafide klant. Het product verkoopt extra goed terwijl het veel moeilijker te stelen is.

Boven en midden: een veilige en schone openbare ruimte in Sydney Onder: veilig uitgaan in Stratumseind in Eindhoven

eindhoven heeft er alles aan gedaan om de verkeers­problemen rond de marathon op te lossen (betere bewegwijzering, informatie­ campagne, een goede website, meer verkeers­ regelaars), maar het blijft een zorg, vooral voor de inwoners van het centrum. Een van de groe­ pen doc-ontwerpers stelde voor om het circuit van de marathon in te delen in thematische zones en zo het publiek uit het centrum te lok­ ken. Deze zones kunnen een mooie gelegenheid zijn voor de stad en het bedrijfsleven om zich­ zelf te presenteren aan het over het algemeen hoogopgeleide publiek dat op deze dag de stad bezoekt (interessant als je op zoek bent naar hooggekwalificeerd personeel). Deze nieuwe partijen zouden ervoor kunnen zorgen dat de marathon een dag wordt waarin de identiteit van de stad voor het voetlicht wordt gebracht. En de spreiding van het publiek betekent dat de marathonroute gemakkelijker over te steken is: de oplossing voor het verkeersprobleem. In de afgelopen vier jaar heeft het doc-centre 73 succesvolle projecten afgeleverd. De bood­ schap dat ontwerpen inderdaad de veiligheid kan bevorderen, misdaad kan verminderen en tegelijk onze openbare ruimte radicaal kan ver­ beteren begint door te dringen op verschillende plekken in de wereld. Kees Dorst studeerde industrieel design aan de TU Delft en werkte als ontwerper en onder­zoeker voor verschillende designbedrijven. Hij is de oprichter van het doc-centre, een initiatief van het NSW Department van het openbaar ministerie en de TU Sydney, waar Dorst als hoogleraar design aan verbonden is. Hij is ook benoemd als professor in Entrepreneurial Design of Intelligent Systems aan de TU Eindhoven Kees Dorst spreekt op 11 mei op wdcd. Voor meer informatie over de projecten in Sydney: www. designingoutcrime.com, en in Eindhoven: www. designingoutcrime.nl 26.04.12 De Groene Amsterdammer 15


Robert Vos / ANP

Boven: Piet Oudolf op zijn kwekerij in Hummelo

De gecontroleerde wildheid van Piet Oudolf

Dingen boven het grasveld uittrekken Piet Oudolf is een van de belangrijkste tuinarchitecten ter wereld. Op dit moment lopen wereldwijd 25 projecten van hem, waarvan vijf in New York. Ontwerpen doet hij met uitzicht over de weilanden van de Achterhoek. ‘Ik heb mijn eigen weg gevolgd.’ Door Katrien Otten en Joost de Vries

16 De Groene Amsterdammer 26.04.12

Rechts: The Highline, het door Oudolf ontworpen stadspark over een vervallen spoorlijn in Manhattan, New York


Rene Clement / HH

Je bent niet zomaar in Hummelo. Vanuit Arn­ hem is het ongeveer een half uur rijden, steeds verder de provincie in, over weggetjes waar als je even je afslag mist, het een flinke tijd kan duren voordat je ergens kunt keren. Maar de TomTom heeft bereik en als je Hummelo eenmaal inrijdt is de tuin van tuin- en landschapsarchitect Piet Oudolf niet te missen; opeens, tussen alle boer­ derijen, verschijnen rechte lijnen van heggen in diep roestbruin. Het voorjaar is nog niet gear­ riveerd. Piet Oudolf geldt als een van de belangrijkste tuinarchitecten ter wereld. Door heel New York staan (of groeien) projecten van hem, maar hij werkt hier, in een kantoor dat uitkijkt over de weilanden van de Achterhoek. Wat is het verschil tussen tuinarchitect en landschapsarchitect? ‘Het onderscheid is vooral de schaal waarin gewerkt wordt. Ik noem mezelf tuinén landschaps­ontwerper. Nadat ik een paar al­gemene cursussen en een opleiding voor hove­ nier heb gevolgd ben ik een adviesbureau voor tuinen en landschappen gestart. Daar vandaan heb ik me verder ontwikkeld, maar ik ben nooit gediplomeerd architect geworden.’ Werkt u in een bepaalde traditie? ‘Ik heb mijn eigen weg gevolgd. Engeland is de bakermat van het traditionele tuinieren. Daar wordt voorgeschreven hoe je het moet doen en

‘Waar anderen hun methoden geheim willen houden, ben ik altijd blij als mensen iets van mij mooi vinden en gebruiken’ vooral hoe je het niet moet doen. In het begin vond ik dat heel interessant en bekeek ik iedere tuin waar ik maar naartoe kon. Met mijn vrouw en kinderen fietste ik veel door Engeland en heb daar bijna alles gezien. Maar op een ge­geven moment heb ik die spelregels losgelaten: ik kon er mijn persoonlijkheid niet in kwijt. Ik ging te veel op in de structuren en processen die in tuinontwerpen werden opgelegd, processen die je moest leren beheersen. Pas nadat ik mensen had ontmoet die uit andere richtingen kwamen, zoals de ecologie of de natuurbeweging, vond ik een antwoord op de spontaniteit van de natuur en op wat je beleeft en voelt. De dominante Engelse stijl is eerder stijf en decoratief dan dat het kunst is.’ Daarna zegt Oudolf, met een ver­ legen maar ook ondeugende blik: ‘Ik beschouw mezelf toch vooral als een kunstenaar.’ Sowieso praat Oudolf alsof alles hem zomaar is overkomen. En in zekere zin lijkt dat ook zo te zijn. Pas op zijn 26ste begon hij zich voor plan­ ten en tuinen te interesseren, daarvoor werkte

hij in de horeca. Nadat hij een paar algemene cursussen en een opleiding tot hovenier had gevolgd begon hij samen met zijn vrouw Anja een adviesbureau voor tuinarchitectuur. In 1982 begonnen ze een kwekerij in Haarlem. Als hij in die eerste jaren al aandacht kreeg, dan was het om die kwekerij. Aan meer dan zeventig planten hebben hij en zijn vrouw naamgegeven. In 2000 wonnen ze de Best of Show op de prestigieuze Chelsea Flower Show in Londen, een eer die zelden een niet-Brit ten deel valt. Ook dat was geen vooropgezet plan; Oudolf vertelt dat hij een bepaalde plant kweekte om die in zijn ont­ werpen te gebruiken en anderen ermee kennis te laten maken. Kan hij een plant noemen waar hij bijzonder trots op is? ‘Ik kan wel één plant noemen’, zegt Oudolf, ‘maar dan doe ik al die anderen te kort.’ Hij doet soms een beetje aan Paul Verhoeven denken, met zijn lange, grijze haar en het accent van een Nederlander die net iets te vaak in de VS is. Hoewel hij toch echt de enige ontwerper is, praat hij steevast in de ‘wij’-vorm. Uit de behoefte aan meer ruimte verhuisden hij en zijn vrouw halverwege de jaren tachtig naar Hummelo, waar ze de kwekerij open­ den en een tuin die deels toegankelijk is voor publiek, ‘een bedevaartsoord voor al wie in dit fin de siècle op zoek is naar de tuin van de toe­ 26.04.12 De Groene Amsterdammer 17


komst; stoer en overweldigend’ (citaat uit de Volkskrant). Nu, eind maart 2012, ligt die tuin er dor maar stoer bij. Grote bruine hagen, in rechte lijnen gesnoeid, maar op verschillende hoogtes en breedtes. Met de kwekerij zijn ze inmiddels gestopt: te veel werk en het leidde te veel af van het ontwerpen, juist nu Oudolf zulke onvoorstelbaar grote sprongen maakt. Samen met landschapsarchitect Kathryn Gustafson maakte hij het ontwerp voor de Lurie Garden, een stuk van het Millennium Park in Chicago. Hij ontwierp The Highline in Manhattan, een lang, lineair stadspark over een vervallen spoor­ lijn van de veertiende naar de zestiende straat, langs winkels en cafés – een ruw ontwerp dat precies in de urban jungle past. Stugge planten ‘die tegen een stootje kunnen’. Ook ontwierp hij de Gardens of Remembrance in Battery Park, op een steenworp afstand van waar de wtc-torens stonden, een park bedoeld voor nabestaanden, ook met siergras en bloembollen, een rustige strook groen naast de woelige Hudson-rivier. En werk levert meer werk op. Uit een lade trekt Oudolf een ontwerp voor een particu­ liere tuin op een penthouse op West Broadway. Tachtig bloembakken die wegens gemeente­ voorschriften verrijdbaar moeten zijn. Met viltstift heeft hij de bakken ingekleurd. Uit een andere lade haalt Oudolf een brief van het gerenommeerde architectenbureau jpa met een voorstel voor een tuin in Engeland. Oudolf: ‘Deze ligt hier al een poos. Een heel mooi pro­ ject. Ik heb er geen tijd voor, dus ik reageer niet. En dan mailen ze nog een keer. En dan reageer ik weer niet. Uiteindelijk bellen ze dan en dan ga ik toch voor de bijl. Dan kan ik geen nee zeggen.’ Komt al het werk op u af of zoekt u bepaalde projecten ook nog zelf op? ‘Ik pitch niet. Soms doe je mee aan ontwerp­ competities omdat je er niet onderuit kunt, omdat je al eerder hebt gewerkt met de men­ sen die de opdracht uitschrijven. Mijn werk is zo persoonlijk dat ik een ontwerp niet kan uit­ besteden. En zo’n competitie vreet tijd en dat is slecht te combineren met alle lopende projec­ ten. Dat zijn er op dit moment zo’n 25. Heel veel zijn er niet actief. In New York ben ik met vijf projecten bezig, maar slechts één is lopend. In mei en september gaan er andere van start. In mijn hoofd komen ze steeds voorbij, maar ik ben eigenlijk een beetje overbooked.’ Hoe begint u aan een ontwerp? ‘Het is belangrijk om te weten wat de opdrachtgever van je verlangt. Je moet aan een aantal voorwaarden voldoen. Dat zijn niet alleen restricties die bij sommige openbare ruimtes horen, maar ook bepaalt de opdrachtgever vaak de context. Alle kennis die je vooraf verzamelt, zorgt ervoor dat zich een beeld opdringt van wat je wilt gaan doen. Vervolgens laat je jezelf los. Ik probeer altijd iets nieuws te doen. Het is goed om te merken dat je niet je signatuur hoeft te verliezen wanneer je iets anders doet. Op een of andere manier blijft het herkenbaar.’ Wat is uw signatuur? 18 De Groene Amsterdammer 26.04.12

‘Weet ik niet zo goed.’ (denkt even na, lacht) ‘Ziet er goed uit, zeg ik dan.’ Op What Design Can Do spreekt u over uw rol als ontwerper. Hoe definieert u die? ‘Ik werk vaak in projecten waarin andere ont­ werpers net zo belangrijk zijn. Ik zie mezelf als een teamworker. Ik zie heel duidelijk dat ik een grote bijdrage kan leveren aan de kwaliteit van het totale werk. Het wordt complexer en inte­ ressanter als ik mijn werk in de stad kan doen met twintig wolkenkrabbers op de achtergrond of in een park waarvan de context ook nog een goed ontworpen masterplan is. Daardoor ont­ staat er een spanning van verschillende lagen.’ Is er een Piet Oudolf-school van ontwerp? ‘Er zijn natuurlijk al veel volgers, maar daar kan ik niets aan doen. (lacht hartelijk) We heb­ ben wel veel dingen gedaan om onze manier van werken naar buiten te brengen. Waar anderen vaak hun methoden geheim willen houden, ben ik altijd blij als mensen iets van mij mooi vin­ den en het gaan gebruiken. We werken aan een nieuw boek waarin we over de ecologische kant van het vak schrijven – het ontwerp heeft uit­ eindelijk veel minder te maken met decoratie dan met de vraag of planten het op een plek wel of niet doen. Dat leggen we uit. Het enige wat ze niet kunnen overnemen is mijn identiteit. Voor mijn part maken ze een ontwerp één op één na.

‘Natuur is politiek geworden en ik ben niet zo met politiek bezig. Niemand vraagt mij er ook iets over, behalve jullie’ Ik maak morgen toch weer wat anders, dus ze kunnen hooguit een deel kopiëren.’ De waarde van uw ontwerpen zit voor een groot deel ook in uw vakkennis en in het craftmanship. ‘Het is ervaring en kennis. Je leert. Toen ik 36 was kreeg ik uit Stockholm, waar ik net een pro­ ject had gedaan, een telefoontje ‘dat de planten het niet meer doen’. Dat heb ik in de VS ook eens gehad, met planten die hier beresterk zijn maar die daar schimmel krijgen door een andere luchtvochtigheid. Maar dat zijn leermomenten, je ontdekt hoe andere gebieden en klimaten werken. Pas als je dat onder de knie hebt kun je grote ideeën ontwikkelen, “de gecontroleerde wildheid” zoals bijvoorbeeld in The Highline in New York. Ik zoek de grens op waarbinnen je planten nog kunt controleren, of net niet.’ Meer mensen streven dat na, die gecontroleerde wildheid. ‘Ja, het zal wel de tijdgeest zijn. Alleen ben ik al vanaf de jaren tachtig met dat idee bezig. Ont­ werp komt toch voort uit een soort schoonheids­ ideaal, als je het zo mag noemen. Eerst vorm ik een idee van wat de tuin moet worden, dan ga ik uit van de sfeer van de gebieden en dan ga ik het ontwerp, de planten, de bloemen, de ver­

houdingen, de kleuren, in elkaar zetten. De sfeer bepalen. Wil je dat het overweldigend wordt, powerful, of juist melodieus en vriendelijk.’ Parken worden vaak als luxe ervaren, zegt landschapsarchitect Adriaan Geuze. Terwijl ze essentieel zijn voor stadsplanning. Worden parken in het buitenland serieuzer genomen dan in Nederland? ‘Als je als architect iets neerzet, maar niet let op de omgeving, dan mis je toch een deel van het gevoel dat je zou willen oproepen. Als je het boven “het grasveld” uittrekt, krijgt het direct meer allure. In Nederland zijn er veel projec­ ten die stedenbouwkundig heel sterk zijn, maar die er wat beplanting betreft niet uitzien. Ver­ volgens word ik, in een laat stadium, gevraagd iets te maken van de beplanting. Je merkt gewoon dat dit soort projecten meer aandacht krijgen en meer tot de verbeelding gaan spreken als ook het groene deel wordt ingevuld.’ Is dat besef sterker geworden in de afgelopen jaren? ‘Bij architecten zeker. Eerst zagen ze een gebouw als het voornaamste en nu zien ze ook de omgeving waar het in staat. Ik vind het door­ gaans makkelijker om met architecten samen te werken dan met landschapsarchitecten. Archi­ tecten vertellen mij minder wat ik moet doen, ze laten me veel vrijer. Landschaps­architecten heb­ ben vaak een duidelijker beeld van wat ik moet doen, zodat niemand voor verrassingen komt te staan. In twee opzichten is er meer waardering gekomen voor landschapsarchitectuur. De cul­ tuur van tuinieren is sterk toegenomen en de affiniteit met groen en planten is gegroeid. En twee: de stadsmens krijgt steeds meer behoefte om in het groen te kunnen hardlopen of met de kinderen naar buiten te gaan.’ Merkt u iets van de klimaatverandering? ‘Als mens niet en als ik eerlijk ben als tuin­ ontwerper ook niet. Maar het gebeurt natuur­ lijk wel. Je hebt nu steeds vaker langere tijd regens en drogere zomers. Planten die eerst overleefden in Zuid-Frankrijk, zullen nu ook in de warme zomer hier overleven. Maar je moet je afvragen of dat soort verschuivingen er niet altijd zijn geweest.’ Wat vindt u als natuurkenner van het landschapsbeleid van staatssecretaris Bleker? ‘Natuur is politiek geworden en ik ben niet zo met politiek bezig. Misschien is dat ook wel mijn probleem, dat ik de politiek zie als zo’n macht waar ik toch niet tegenop kan. De een heeft dit belang, de ander dat. Mijn belangen zitten er nooit helemaal tussen. Het is niet mijn wereld. Niemand vraagt mij er ook iets over, behalve jul­ lie dan nu toevallig. Ik doe eigenlijk ook nooit mee aan symposia en lezingen.’ Behalve nu, aan What Design Can Do. ‘Inderdaad. Is dat wat eigenlijk? Ik zit daar helemaal niet goed in.’ Schijnt wel de moeite waard te zijn. ‘Nou, kijk eens aan.’ Piet Oudolf spreekt op donderdag 10 mei op wdcd. www.oudolf.com


OLITCS PUBLIC

FOR FOOD

KIDS

ACCESS

USER

LIFE

BRAZIL

NIGER

FOR THEM

FOR SAFETY

FOR ULTURE

FOR RANDS

FOR TIME

FOR NEWS

FOR HER

INFO

MAY 10TH

MAY 11TH

KIGGE HVID (DENMARK) PIET OUDOLF (NETHERLANDS) HONEY & BUNNY (AUSTRIA) HELLA JONGERIUS (NETHERLANDS) SUZANNE LEE (UNITED KINGDOM) DANIEL HIRES (GERMANY) GEORGETTE KONING (NETHERLANDS) ESTEBAN UCROS (COLOMBIA) ITEMS LIVE PRESENTS 4 YOUNG DESIGNERS RAJESH DAHIYA (INDIA) FEBRIK (LEBANON) CAMERON SINCLAIR (UNITED KINGDOM)

ANDREW SHOBEN (UNITED KINGDOM) KEES DORST (NETHERLANDS) MUF ARCH/ART (UNITED KINGDOM) YOUNGHEE JUNG (SOUTH-KOREA) PAULA SCHER (USA) CATARINA MIDBY (SWEDEN) RAUMLABOR (GERMANY) STEPHAN DOITSCHINOFF (BRAZIL) HARMEN LIEMBURG (NETHERLANDS) ADITYA DEV SOOD (INDIA) ALPHADI (NIGER) MARCELO ROSENBAUM (BRAZIL)

BREAKOUT SESSIONS

BREAKOUT SESSIONS

SPEAKERS

FOR SENSES

SPACE

WHAT DESIGN CAN DO FOR FOOD FOR SANITATION FOR EINDHOVEN FOR FUTURE FURNITURE FAIRS FOR FASHION

TIME FLIES!

YOU

FOR ME

SPEAKERS

WWW.WHATDESIGNCANDO.NL LOCATION

STADS SCHOUW BURG BUY YOUR AMSTER TICKETS DAM NOW! A BAROQUE BONBONNIÈRE FOR INSPIR ATION

THE BOOK EDITED, DESIGNED AND PRINTED ON-SITE WITH THE BEST CONCLUSIONS ABOUT WHAT DESIGN CAN DO!

24 INTERNATIONAL SPEAKERS FROM A VARIETY OF DESIGN DISCIPLINES

WHAT DESIGN CAN DO FOR FOOD FOR SANITATION FOR EINDHOVEN FOR FUTURE FURNITURE FAIRS FOR FASHION

TIME FLIES!

BUY YOUR TICKETS NOW!

WDCD IS GENEROUSLY SUPPORTED BY:

FOR CITIE

FOR BARRI

FOR US

FOR AFRIC

FOR FASHI

FOR HOUSI

FOR THE S

CHECK WWW.WHATDESIGNCANDO.NL

FOR CRISI


design by Antonio Citterio with Toan Nguyen

a new vision: KELVIN LED

Amsterdam, Cruquiusweg 109Q, +31 (0) 20 560 50 60

www.os.com


What Design Can Do