__MAIN_TEXT__
feature-image

Page 1

ATHENAEUM BOEKHANDEL 28 november 2013 / € 1

Herontdekte klassiekers Albertine Sarrazin Irène Némirovsky John Cheever Isaak Babel Miklós Bánffy


Nexus-conferentie 2013 The Triumph of Science and the Secret of Man Zondag 1 december 2013 13.00 — 17.45 uur Stadsschouwburg Amsterdam Sprekers Antonio Damasio — Marilynne Robinson A.C. Grayling — Jean-Pierre Changeux Robbert Dijkgraaf — Siddhartha Mukherjee Patricia Churchland — Julian Savulescu Martin Rees — Allan Janik Julian Nida-Rümelin

www.nexus-instituut.nl


Herontdekte klassiekers

Colofon De Groene Amsterdammer groene.nl Deze bijlage kwam tot stand in samenwerking met Athenaeum Boekhandel en Schwob/Nederlands Letterenfonds Hoofdredactie Xandra Schutte Redactie Joost de Vries Vormgeving Christine Rothuizen (ontwerp), Andrea Friedli ­ Foto­redactie Simone Berghuys, Richard de Boer Eindredactie Rob van Erkelens, Hugo Jetten­ Webredactie Katrien ­Otten Acquisitie Tiers Bakker Uitgever Teun Gautier Omslag Irène Némirovsky met haar kat Kissou, omstreeks 1926. IMEC / Denise Epstein Athenaeum Boekhandel Maarten Asscher, Daan Stoffelsen

ATHENAEUM BOEKHANDEL Athenaeum Boekhandel is een onafhankelijke boekhandel in Amsterdam en Haarlem. Op athenaeum.nl zijn wekelijks nieuwe recensies, leesfragmenten en het internationale boekennieuws te vinden, maar het is ook een winkel, met een assortiment van miljoenen boeken en duizenden tijdschriften. Nederlands Letterenfonds, Alexandra Koch, Pieter Steinz letterenfonds.nl

4

De O-factor Het eeuwige hongeren naar de klassieken Pieter Steinz

7

Koude oorlogen John Cheever Graa Boomsma

8

Van onder het stof Hoe herontdek je vergeten boeken? Nina Polak

10 Een koffer met de tekst van moeder Het postume leven van Irène Némirovsky Joost de Vries 12 Geeft niet, ik loop Albertine Sarrazin Daan Stoffelsen 13 Ode aan het onaffe César Aira Christiaan Weijts 14 Land aan de andere kant van het woud De verloren tijd van Miklós Bánffy Daan Borrel 16 De nacht kwam op vlugge paarden De mensenhonger van Isaak Emmanoeilovitsj Babel Xandra Schutte

Vergeten klassieker, cultboek, must-read? Schwob zoekt samen met vertalers, uitgevers en lezers uit heel Europa de beste onbekende boeken uit de twintigste eeuw en presenteert deze op schwob.nl Nog niet vertaalde literatuur als tip voor uitgevers, maar vooral een groeiend aantal vertaalde Geheimtipps voor Nederlandse lezers. Schwob ontsluit de vergeten parels van de wereldliteratuur, nodigt uit tot het leggen van verrassende dwarsverbanden en toont de kracht, diversiteit en wendbaarheid van de literaire verbeelding tijdens de afgelopen eeuw. Schwob is een initiatief van het Nederlands Letterenfonds en wordt ondersteund door het cultuurprogramma van de Europese Unie. Intussen hebben zes andere Europese fondsen en organisaties zich bij Schwob gevoegd. Het tijdschrift Armada, tijdschrift voor wereldliteratuur zet zijn uitgaven digitaal voort op Schwob en publiceert actuele en gearchiveerde achtergrondartikelen en leestips. Bezoek schwob.nl en lees onder andere fragmenten uit de boeken die op de volgende pagina’s worden besproken en nieuws over titels die in 2014 worden verwacht. En vooral: laat ons weten welke boeken u zou aanbevelen.

18 Een vlucht ooievaars in Bulgarije Patrick Leigh Fermor Maarten Asscher 19 We komen toch wel thuis? Mario Rigoni Stern Herm Pol 20 Het is ons gaan dagen Hans Keilson, Hans Fallada en Anna Seghers over de Tweede Wereldoorlog Fleur Kief 23 Meanderend richting de ondergang – en terug László Krasznahorkai Mark Schaap 24 Weg met de romankunst Het (on)gelijk van Enno Develing Kees ’t Hart 26 Socialistische bestseller Bruno Apitz Jerker Spits 28.11.13 De Groene Amsterdammer 3


New York, 1955. Marilyn Monroe leest Ulysses

Nieuwe ontdekkingen Deze bijlage, een samenwerking tussen De Groene Amsterdammer, Athenaeum Boekhandel en Schwob/ Nederlands Letterenfonds, staat in het teken van de genoegens van de literaire herontdekking. Iedere beperking van de nieuwsgierigheid is natuurlijk pijnlijk, maar noodgedwongen hebben we ons vooral gericht op de Europese literatuur van de afgelopen honderd jaar. Waar zijn de herontdekte oude Grieken en middeleeuwers, de dichters, de essayisten, de wetenschappers, biografen en filosofen? En de belangrijke nieuwe titels van dit moment? Kom naar Athenaeum in Amsterdam en Haarlem, lees De Groene Amsterdammer en zie de andere boeken die het Letterenfonds ondersteunt. Op athenaeum.nl, groene.nl en schwob.nl zetten we de zoektocht naar de beste boeken voort. Maar eerst nodigen we u uit voor een herontdekking. En nog één. En nog één.

4 De Groene Amsterdammer 28.11.13

Het eeuwig hongeren naar de klassieken

De O-factor

Van Brutus tot Moby-Dick tot Stoner – al eeuwenlang worden steeds weer klassieke werken herontdekt. En die grote boeken delen enkele essentiële eigenschappen. door Pieter Steinz Een campusroman over een academicus in wiens leven bijna alles mislukt. Een droevig verhaal over een ouder echtpaar in Hitlers Berlijn. Psychologische fictie over een vijandschap op leven en dood. Een huwelijkstragedie in Amerikaans suburbia, jaren vijftig. Een Kammerspiel over twee jeugdvrienden en het geheim dat hen scheidt. U heeft ze vast herkend, de herontdekte klassieken van de 21ste eeuw. Bestsellers stuk voor stuk, nadat ze veertig, vijftig, zeventig jaar hadden liggen verstoffen – of liever, alleen gelezen werden door een handjevol kenners. Soms hadden ze een nieuwe vertaling nodig en een enthousiaste recensie, zoals Alleen in Berlijn van Hans Fallada of In de ban van de tegenstander van Hans Keilson. Soms waren ze gediend met een aanbeveling van een beroemde moderne schrijver, zoals Revolutionary Road van Richard Yates. En soms was het alsof de tijd er gewoon rijp voor was, zoals in het geval van Sándor Márai’s Gloed en natuurlijk ­John ­Williams’ Stoner. We leven in een rijke tijd. Om de haverklap worden oude boeken herontdekt en in fraaie edities uitgebracht – alsof er niet genoeg eigentijdse meesterwerken zijn om de kopers mee naar de winkel te lokken. De zucht naar vergeten klassieken is niet te stoppen, uitgevers struinen de donkere hoekjes van de literatuurgeschiedenis af op zoek naar romans en verhalenbundels met de O-factor: Onbekend, Onvertaald en Onvergetelijk. Zo zagen we de afgelopen maanden onder meer de premières van de tragikomische huwelijksroman Belegerde vesting (1947) van Qian Zhongshu en de autobiografische familiekroniek De weg van alle vlees (1903) van Samuel Butler. Twee uitgevers stuitten tegelijkertijd op Het fantoom van Alexander Wolf (1948) van Gajto Gazdanov en besloten het gezamenlijk uit te geven. En eerder dit jaar ging zelfs een tweetalige website van start, schwob.nl, waarop lezers uitgebreid worden gewezen op ‘de beste onbekende boeken uit de wereldliteratuur’. De exploitatie van het O-factor-boek is de zoveelste verschijningsvorm van de honger naar klassieken, die zich voor het eerst manifesteerde

in de Renaissance. Toegegeven, ook de oude Romeinen keken op tegen de Grote Werken uit het verleden, en Cicero (106-43 voor Christus) idealiseerde de Griekse en oud-Romeinse literatuur. Maar de verering van de klassieken uit de Oudheid is vooral kenmerkend voor het humanisme, de geestelijke stroming die in de veertiende eeuw opkwam als een reactie op de opvoedingsidealen van de scholastiek. Anders dan hun voorgangers, die kennis vooral in dienst stelden van de voorbereiding op een carrière in medicijnen, recht of theologie, wilden de humanisten burgers vormen door middel van onderwijs dat was gestoeld op bestudering – en zo mogelijk evenaring – van de klassieken. Die klassieken, en dan vooral de boeken van niet-christelijke schrijvers, moesten eerst opgediept worden uit de kloosters en privé-bibliotheken waarin ze ternauwernood de tand des tijds hadden doorstaan. De Italiaanse humanist Petrarca (1304-1374) verzorgde voor het eerst edities van de brieven van Cicero en van diens Brutus, een retorisch geschrift dat samen met De opleiding tot redenaar van Quintilianus de leidraad werd voor stijl en welsprekendheid in de Renaissance. Poggio Bracciolini ontdekte in 1417 een manuscript van Lucretius’ Over de natuur der dingen, een leerdicht dat van grote invloed zou zijn op de ontwikkeling van de wetenschap. Giovanni Aurispa bracht dertig jaar voor de val van Constantinopel (1453) 240 Griekse manuscripten terug uit de oosterse hoofdstad, waaronder werken van Sophocles en Thucydides. Duizenden klassieke geschriften werden (her)ontdekt, bestudeerd en uitgegeven in de twee eeuwen tussen Dante en Erasmus. In de Renaissance was het eenvoudig: de klassieken, dat waren de grote werken uit de Oudheid, boeken met eeuwigheidswaarde, van Aeschylus en Aristoteles tot Livius en Vergilius. Met de opkomst van de (vroeg)moderne literatuur veranderde dat en kregen ook ‘jongere’ schrijvers de kans om klassiek te worden. De zestiende-eeuwse essayist Montaigne schreef vooral over de Oudheid, maar kreeg al snel zelf


Eve Arnold / Magnum / HH


klassieke status. Shakespeare was populair in zijn eigen tijd en bleef dat op de Britse podia van de achttiende eeuw, maar werd pas op het Europese continent een klassiek auteur toen de schrijvers van de Romantiek hem begonnen te verafgoden. De negentiende eeuw was sowieso een goede tijd voor de ‘classificering’ van de literatuur – én een tijd van herontdekkingen. Het grootste deel van Cicero’s politieke dialoog De re publica werd rond 1820 gereconstrueerd op basis van inkt­ resten ‘onder’ een geschrift van Augustinus, een zogeheten palimpsest. Uit kleitabletten in vijf talen werd in 1872 het Gilgamesj-epos ontcijferd en samengesteld. Dertig jaar later werd tussen een bundeling van oude stukken een origineel van Shakespeare’s tragedie Titus Andronicus aangetroffen. De tweede Renaissance van de negentiende eeuw kende ook zijn uitwassen. Neem het verhaal van de B-dichter William Henry Ireland. In 1795 meldde hij dat hij in een oude kist papieren van Shakespeare had aangetroffen en zelfs twee onbekende toneelstukken, Vortigern and Rowena en Henry II. Aanvankelijk werd zijn ontdekking gretig opgepikt, maar twee dagen voordat Vortigern op een Londens podium in première ging, verscheen een studie die de Shakespeare Papers overtuigend als vervalsingen bestempelde. Even controversieel, en dichter bij huis, was de vondst in 1867 van een ‘eeuwen­oud’ Fries manuscript in runentaal, dat naar zijn ontdekker (Cornelis over de Linden) Oera Linda werd genoemd. Negen jaar later werd het Oera Linda-boek ontmaskerd als een vervalsing, een quasi-nationalistische fantasie over een tweeduizend jaar oude Friese beschaving, geschreven op negentiende-eeuws papier, met tekstbijdragen van de dichter-dominee François HaverSchmidt alias Piet Paaltjens. Wat overigens het geloof in Oera Linda niet uitroeide: nog in de jaren dertig van de twintigste eeuw was er een Duitse (nazi-)geleerde die in het manuscript ‘die älteste Urkunde germanischer Geisteshöhe’ zag. Vanzelfsprekend ging het ontdekken en herontdekken van de grote werken uit het verleden gewoon door in de twintigste eeuw. Het lot van Herman Melville’s Moby-Dick spreekt misschien wel het meest tot de verbeelding. De dikke roman over de jacht op een witte walvis werd oorspronkelijk gepubliceerd in 1851, maar kreeg vernietigende recensies van critici die geen enkel begrip hadden voor de mengeling van genres waarin Melville excelleerde. Te lang, te warrig, te pretentieus, luidde het oordeel; en mét Moby-Dick ging ook de reputatie van de auteur van eerdere bestsellers als Omoo en Typee kopje onder. Toen Melville in 1891 overleed, was hij praktisch vergeten, maar een kwart eeuw later werd zijn magnum opus door academici boven water gehaald als een voorloper van het modernisme, als de ideale roman voor een gefragmenteerde tijd, als een allegorie van het Amerikaanse leven. In het kielzog van Moby-Dick werden 6 De Groene Amsterdammer 28.11.13

Cicero’s De re publica werd rond 1820 gereconstrueerd op basis van inkt­resten ‘onder’ een geschrift van Augustinus

Melville’s korte verhalen (Bartleby the Scrivener, Benito Cereno) als proto-modernistische klassieken herontdekt, terwijl Melville’s eerste biograaf zelfs een onafgemaakt meesterwerk uit de nagelaten papieren opdiepte en in 1924 publiceerde: Billy Budd, Sailor, tegenwoordig een van de vaste waarden van de Amerikaanse literatuur. Van de postume ontdekkingen wemelde het in de afgelopen eeuw. Denk aan de onvoltooide romans van Kafka, die door zijn vriend Max Brod van het vuur gered werden. Aan ­Between the Acts van Virginia Woolf, aan The Last Tycoon van Scott Fitzgerald, aan Kind tussen vier vrouwen van Vestdijk, aan A Confederacy of Dunces van John Kennedy Toole, aan Austerlitz van W.G. Sebald. En aan misschien wel het mooiste voorbeeld: De meester en Margarita van Michail Boelgakov (1891-1940). Een eerste versie van het verhaal over de duivel en zijn trawanten in Moskou werd door de schrijver zelf aan de vlammen prijsgegeven; maar hoewel Boelgakov besefte dat een satire op het literaire leven onder Stalin nooit uitgegeven kon worden, bleef hij er tot zijn dood aan werken. Pas in 1966 slaagde zijn weduwe erin om een zwaar gecensureerde versie in een Russisch tijdschrift gepubliceerd te krijgen. Het was het begin van de zegetocht van De meester en Margarita, dat in het Oostblok gelezen werd als een vrolijke aanklacht tegen communistische tirannie en in het Westen bovendien als een van de vroege voorbeelden van magisch-realisme. Dat er met de herontdekking van klassieke titels niet alleen leesplezier maar ook winst te behalen valt, bewijzen de afgelopen decennia in Nederland. Het pionierswerk na de oorlog was verricht door goedkope reeksen als Prisma Klassieken en Amstel Pockets, en door een presti­gieuze serie als de Russische Bibliotheek van Van Oorschot. Maar in de jaren tachtig en negentig schoten de klassiekenreeksen als paddenstoelen uit de grond; niet alleen bij ‘hof­ leverancier’ Athenaeum-Polak & Van Gennep, de uitgeverij van de crèmewitte Baskervilleserie, de mini-hardbacks van de Salamander Klassieken, de monochrome boeken van de

‘Na een periode van bewondering komt er een tijd waarin men weer meer afstand neemt van de klassieken’

Grote Bellettrie Serie en de ultraluxe Gouden Reeks, maar ook bij andere uitgeverijen. Rond de ­eeuwwisseling had je de Folio-serie van Prometheus, de Bezige Bij Klassieken, de Goud- en Zilverreeks van Meulenhoff, de Twintigste Eeuw van Atlas, de Amerikaanse Bibliotheek van Contact, de Deltareeks met Nederlandstalige klassieken en de paarsrode Grieken en Romeinen van Ambo Klassiek. Rond de Kerst van 1997 schreef Sjoerd de Jong een reportage voor de boekenbijlage van NRC Handelsblad over het onwaarschijnlijke commerciële succes van literaire en filosofische klassieken. Uitgaande van een anekdote over iemand die per autotelefoon in één keer alle delen van de Baskerville-serie (à 2500 gulden) bij Athenaeum Boekhandel had besteld, maakte hij een rondgang langs de uitgevers, die allemaal hun eigen verklaring voor het succes van de heruitgaves hadden. ‘We leven nu al een jaar of tien in een restauratieve maatschappij’, zei er een. ‘Na het echec van het marxisme is een terugkeer van oude normen waar te nemen. Je ziet het in het toneel, in de opera, in de postmoderne architectuur waar weer overal zuiltjes en timpanen opduiken.’ Een ander weet het aan het hogere opleidingspeil van de Nederlandse bevolking sinds de jaren zeventig en aan de aanwezigheid van ‘veel geld bij een aantal mensen’ sinds de jaren tachtig. En weer een ander wees op het sterke punt van klassieken op de almaar uitdijende en snel fluctuerende boekenmarkt: hun beproefde kwaliteit, hun houdbaarheid. ‘Je kunt je er geen buil aan vallen, je hoeft je er niet voor te schamen, en het staat goed in de boekenkast.’ Daar kwam volgens De Jong nog iets bij: de jaren negentig waren namelijk het decennium van de emancipatie van de vertaling. ‘Terwijl de gymnasium-cultuur een kwart eeuw ­geleden nog krampachtig vasthield aan oorspronkelijke teksten is het nu de gewoonste zaak ter wereld om de veldslagen en overpeinzingen van klassieke auteurs in vertaling te volgen. De afnemen­de talenkennis onder studenten speelt daarin een grote rol, maar ook de popularisering van filosofie, en de toenemende hang naar “kwali­teit” en bezit.’ Wat overigens niet garandeerde dat de hausse zou aanhouden. ‘Eigenlijk gaat het al eeuwen zo’, citeerde De Jong twee classici in een jubileumbundel van de Baskerville-serie, ‘na een periode van bewondering komt er een tijd waarin men weer meer afstand neemt van de klassieken of er zelfs ronduit een afkeer van heeft.’ Dat laatste is niet uitgekomen. De honger naar klassieken is niet verminderd. Maar drie lustra na dato zijn het niet de oude Grieken en Romeinen die op de toonbank van de betere boekhandel liggen, maar juist de wat modernere Geheimtipps uit de wereldliteratuur. Laat die Hongaarse trilogie uit Transsylvanië maar komen. Of anders die altijd veronachtzaamde psychologische romans over collaboratie en verzet in het Derde Rijk. Zolang ze maar onbekend, onvertaald en onvergetelijk zijn.


Koude oorlogen

John Cheever aan zijn schrijftafel in Ossining, New York, 1977

door Graa Boomsma onvoorspelbaarder dan Cheevers zwart-witschema suggereert. Moses is de alcoholistische genieter, versierder en bon vivant. Maar Coverly blijkt niet de evenwichtige, beheerste of harmonieuze man die huwelijk en huishouden in de hand heeft. Zijn biseksualiteit (in Verscheurde stilte staat daar veel meer over), midden in de jaren vijftig, knaagt aan zijn conventionele identiteit. In The Wapshot Scandal merkt de lezer pas dat Cheever zijn eerste roman slechts als opstapje heeft gebruikt voor een reeks potentiële rampen, kleinschalig én grootschalig. ‘In de liefde is niet alles spel en strijd’ durft Cheever dan nog te schrijven. Maar in het vervolg strijdt iedereen met iedereen en valt de bodem onder het Wapshot-bastion vandaan. Hoe? In de eerste plaats blijkt Honora, de familie­financier, haar hele leven lang geen belasting te hebben betaald. De irs zit achter haar aan en ze moet vluchten. Die vlucht, naar het oude Europa en het eeuwige Rome, gaat weer gepaard met pseudo-kolderieke avonturen maar ook met het opdrogen van de geldstroom richting Coverly en Moses. De laatste raakt in paniek, de eerste merkt aanvankelijk niets. Coverly, vervreemd van zijn eenzame en onvoorspelbare vrouw, wordt assistent van dr. Cameron, directeur van de raketbasis. Die is een soort dr. Strangelove, een autoritaire man die perfect past in de paranoïde post-TweedeWereldoorlogperiode waarin de nucleaire dreiging alomtegenwoordig is. De technologie ontwikkelt zich tot een machine die de mens te machtig wordt. Cameron lijkt het lot van de wereld in zijn hand te hebben: totale destructie of overleven? Maar men wantrouwt hem. Een Speciale Commissie in Washington ondervraagt hem en een demasqué – als vader – is het resultaat. Coverly mag op zijn aktetasje passen, met alle hilarische gevolgen van dien. Hij, achtervolgd door de geest van zijn vader, komt via allerlei omwegen ten slotte bij nicht Honora terecht, die zich uithongert en dooddrinkt in St. Botolphs. Al haar bezittingen zullen in beslag worden genomen door de belastingdienst. Bettmann / Corbis / HH

In zijn postuum gepubliceerde dagboek Verscheurde stilte schrijft John Cheever (1912-1982) meedogenloos over eigen leven en letteren. Zijn huwelijk en drankgebruik krijgen een hardhandige analyse. Cheever noemt zichzelf een ‘eenzame dronkelap’ en vraagt zich af waarom hij geen beter mens is. Hij schreef vaak verhalen en soms romans omdat hij zichzelf zo kon optillen uit zijn eigen menselijke modderpoel, dacht hij. Over zijn eerste twee romans, The Wapshot Chronicle (1957) en The Wapshot Scandal (1963) is John Cheever hij summier in Verscheurde The Wapshot stilte. Sommige critici Chronicle & The vonden de romans geen Wapshot Scandal Vintage, 323 blz., romans, omdat Cheever te veel zijpaden zou bewan€ 15,50 en 309 delen in de familieromans. blz., € 13,95. De Maar het zijn juist die Nederlandse verogenschijnlijke terzijdes taling van deel – wanhoopverhalen over 1 heet Kroniek mensen die onherroepelijk van de familie te gronde gaan – die een Wapshot (uitg. Van Gennep). Een mooi, desastreus decor vormen voor zijn twee hoofdvertaling van personages, Moses en het tweede deel, Coverly Wapshot, geboren ook van vertaler en getogen in het provinGuido Golüke, is ciale St. Botolphs in Masin voorbereiding sachusetts. Deze Wapshots hebben een oud familielid boven zich, nicht Honora, die de touwtjes strak in handen lijkt te hebben: ‘Honora had alles geregeld.’ In het eerste deel laat Cheever een scherp contrast zien tussen het schijnbaar idyllische buitenleven en de gemene grote stad, waar Moses en Coverly terechtkomen. Ze hebben een opdracht: trouw en zorg dat je een zoon krijgt, dan zal ik jullie financieel veiligstellen dankzij mijn trustfund, aldus Honora. Zo gezegd, zo gedaan, na veel vallen en een beetje opstaan. Beide broers gaan op veroveringstocht en weten een vrouw aan de haak te slaan: Moses vangt de ‘kasteelprinses’ Melissa, Coverly ontmoet het serveerstertje Betsey, geboren in Georgia. In Verscheurde stilte omschrijft Cheever de broers als apollinisch (Coverly, werkzaam op een geheime raketbasis) en dionysisch (Moses, verbonden aan een mistige makelaardij). Maar The Wapshot Chronicle is veel ingewikkelder en

Wat zo fascinerend is aan een Cheever-­vertelling is dat die zeer onvoorspelbaar is

Het huwelijk van Moses en Melissa explodeert, en niet in de laatste plaats omdat Melissa zich verbindt met een zeer jonge boodschappenjongen. Moses zelf valt bijna uit de roman doordat hij zich laveloos drinkt. Een van de hoogtepunten in The Wapshot Scandal is het schandaal dat Melissa veroorzaakt door het aan te leggen met de negentienjarige Emile. Beide geliefden verdwijnen na een, bijzonder geestig beschreven, paaseizoektocht, naar de grote stad. Melissa vlucht weg uit de VS en komt in Rome terecht. En jawel, haar levenspad kruist andermaal dat van haar jonge minnaar, die zij voor de tweede keer ‘opkoopt’. Wat zo fascinerend is aan een Cheever-­ vertelling is dat die zeer onvoorspelbaar is. Sterker nog, de onverwachte terzijdes over teloor­ gegane levens versterken juist de eenheid van de roman, die niet alleen gaat over de macht van de machine of de terreur van de technologie (vliegtuig, computer, raket, atoombom) maar ook over de stille wanhoop van vrouwen en mannen in de buitenwijken van het bestaan, over het gezin dat staat te trillen op zijn naoorlogse Koude-Oorloggrondvesten. Aan het slot van The Wapshot Scandal vertrekt de veelwetende verteller van Cheevers licht apocalyptische vertelling uit St. Botolphs. Hij heeft het daar gezien. Hij haalt nog een ­uitspraak aan van de vader van Coverly en Moses, de verdronken dagboekschrijver en artistieke zeeman Leander: ‘Laten we ervan uitgaan dat de ziel van de mens onsterfelijk is en tegen elke vorm van goedheid en elke vorm van slechtheid kan.’ Met zijn twee romans over de familie Wapshot heeft John Cheever een beeld gegeven van het grote Amerika dat de technologische revolu­ tie leidt (maar waar gaat die naartoe?) en het kleine Amerika van het gelovige gezin dat uit elkaar dreigt te spatten omdat het persoonlijke verlangen te groot is of de argwaan onbeheersbaar. 28.11.13 De Groene Amsterdammer 7


Van onder het stof

Tullo Massarani, De vernietiging van de bibliotheek van Alexandrië (1872), olie op doek

Hoe herontdek je vergeten boeken? En hoe verkoop je ze? ‘Je moet het woord classic te allen tijde vermijden.’ door Nina Polak

Strikt genomen kan Stoner van de Amerikaan John Williams, dat in Nederland afgelopen jaar maar liefst vijf weken op nummer 1 in de bestsellerlijst stond, niet gerekend worden tot de vergeten meesterwerken. Toen de universiteitsroman over ‘het weinig opzienbarende leven van een weinig opzienbarende man’ in 1965 voor het eerst werd gepubliceerd werd hij kort maar goed besproken in The New York Times en verkocht daarop ongeveer tweeduizend exemplaren. In de jaren daarna bleef het boek gelezen en herinnerd worden door een selecte maar belangrijke groep lezers: academici en mensen uit het boekenvak, die het genie van Williams herkenden – ook in zijn andere werk. In 2006 werd Stoner opnieuw gepubliceerd als New York Review of Books Classic. Vergeten is het kleine oeuvre van Williams dus nooit helemaal, maar dat zijn derde roman bijna vijftig jaar na dato wereldwijd nog eens een miljoen exemplaren zou verkopen is miraculeus te noemen. De uitgever die dit succes initieerde en Stoner in Nederland aan 28 drukken hielp (tweehonderdduizend verkochte exemplaren), Oscar van Gelderen van Lebowski, heeft het verhaal van zijn ontdekking al honderd keer verteld, maar blijft enthousiast wanneer hij oprakelt hoe hij het boek in New York getipt kreeg en het die avond in één zitting uit las. Hij had de betreffende agent gevraagd om hem nu eens niet een ‘hot book’ maar een ‘cold book’ aan te raden, een vergeten titel of een titel die al verschenen was. ‘Het leuke van Stoner’, zegt Van Gelderen, ‘is dat geen enkele uitgever er echt naar gekeken had. Dat soort boeken komen soms ineens bovendrijven en worden dan groots op de Buchmesse neergezet, maar dit was gewoon een persoonlijke tip.’ Die tip werd het grootste succes in deze categorie sinds Gloed (1942) van de Hongaarse schrijver Sándor Márai, dat in 2000 in Nederlandse vertaling verscheen. Dat boek werd in tegenstelling tot Stoner wel groot aangekondigd in Frankfurt en kreeg meteen veel aandacht van verscheidene uitgevers. ‘Márai was in Italië al een groot succes’, zegt Koos Hageraats, redacteur bij uitgeverij Wereldbibliotheek, die destijds op het boek gewezen werd door de Italiaanse uitgever/auteur Roberto 8 De Groene Amsterdammer 28.11.13

Calasso (wiens werk bij de Wereldbibliotheek vertaald werd). ‘Er waren andere partijen geïnteresseerd en we hebben met het plan moeten komen om meteen twee titels te kopen.’ Dat hij iets bijzonders in handen had voelde Hageraats meteen: ‘Je weet het op bladzijde 1. Je ruikt het. Je kunt je twijfels hebben over bepaalde elementen – bij Márai is de Pruisische setting bijvoorbeeld wat al te bekend – maar zijn uitwerking en zijn geweldige psychologische diepgang zijn ongehoord goed. Als je dat als uitgever niet herkent, dan lees je niet goed.’ Honderd procent zeker weet je nooit of een boek het goed gaat doen, maar je kunt volgens Hageraats in zekere mate op ervaring varen. ‘Voor de Tweede Wereldoorlog was Márai een van de belangrijkste auteurs in Hongarije; In Italië en Duitsland was het boek een enorm succes, en [de Duitse ‘cultuurpaus’] Reich-Ranicki besprak het in zijn programma Das literarische

‘Voor uitgevers speelt ook een rol dat de rechten van vergeten boeken vaak goedkoop gekregen kunnen worden’ Quartett. Dan weet je dat het boek voldoet aan wat je zoekt.’ Verschillende factoren hebben in Nederland bijgedragen aan het succes. Hageraats: ‘Gloed is in april 2000 verschenen en de pers was zeer lovend. Twee maanden later kwam het in het literaire programma van Michaël Zeeman, dat bijna geheel aan het boek gewijd werd. Iedereen was enthousiast. Maar het belangrijkste, denk ik, is dat mensen het doorpraatten. Veel lezers ontdekten het boek dat ze, zonder het te weten, altijd gezocht hadden. Dat wilde men delen.’ Inmiddels zijn er van Gloed 275.000 exemplaren verkocht. Wat Hageraats vooral bevestigd ziet door het succes van Márai is dat je met zo’n vergeten meesterwerk niet alleen een boek, maar ook een auteur herontdekt. ‘We hebben na dat eerste boek nog heel veel werken van Márai kunnen uitgeven, die in meer of mindere mate altijd veel belangstelling hebben gekregen. De erfenis van

Esther dat we samen met Gloed aankochten, is vele tienduizenden keren verkocht.’ Een uitgever die zich al meer dan twintig jaar veel richt op onderschoven boekenkindjes is Willem Desmense van eenmansuitgeverij IJzer. Hij geeft boeken uit waaraan anderen zich liever niet branden: klassiekers, onbekende of vergeten werken van prominente auteurs, maar ook obscuurdere filosofen en auteurs die in het geheel vergeten zijn. Een van die laatsten is bijvoorbeeld Siegfried Sassoon, de eerste officiële dienstweigeraar, van wie Desmense hoopt dat zijn prachtige Eerste-Wereldoorlogmemoires in 2014 – als het honderd jaar geleden is dat die oorlog begon – weer de belangstelling vinden die ze verdienen. ‘Ik geef uit wat ik goed vind’, zegt Desmense. ‘En omdat ik geen redactieteam heb, ben ik de enige die de criteria bepaalt. Wel zo makkelijk.’ Een vastomlijnde uitgeefvisie heeft hij al vroeg laten varen. ‘Ik ben ooit begonnen met het idee om werk van dadaïsten en surrealisten uit te geven, avontuurlijke boeken die breken met bepaalde leespatronen. Tot ik op een beurs een keer een manuscript van D.H. Lawrence in handen gedrukt kreeg. Heel kleine kans dat ik dit ga uitgeven, dacht ik. Maar uit beleefdheid las ik het eerste hoofdstuk en kon vervolgens niet meer stoppen met lezen. Dit was te geweldig om links te laten liggen. En daar gingen dus mijn vastomlijnde plannen, ideeën.’ Over wat een vergeten boek precies tot een succes maakt is hij nuchter: ‘Er worden tientallen zogenaamd vergeten boeken uitgegeven – voor uitgevers speelt het ook een rol dat de rechten vaak goedkoop gekregen kunnen worden. Van al die vergeten titels kan ik er zo een handvol noemen die fantastisch zijn en wel door uitgevers worden ontdekt, maar nooit door het publiek. De factor geluk in het succes kunnen we dus niet uitvlakken.’ Geluk, misschien, maar als je het Oscar van Gelderen vraagt dankt Stoner het enorme succes ook aan de groots opgezette marketing­ campagne waarmee Lebowski het boek lanceerde. Van Gelderen: ‘Als het boek bij een andere, grotere uitgeverij verschenen was, dan was het waarschijnlijk ergens achter in een catalogus beland en niet zo groot geworden. Je moet


Getty 122317605

een boek als dit brengen met aplomb. Wij hebben het op nummer 1 in de catalogus gezet, een waanzinnige cover gekozen, het woord classic te allen tijde vermeden, we hebben Twitter en Facebook bestookt, en zijn zes maanden lang als Jehova’s getuigen langs de deuren gegaan.’ (Dat Arnon Grunberg het boek vervolgens tipte in zijn Voetnoot en Carice van Houten twitterde dat ze in bed lag met Mister Stoner kan hier moeilijk ongenoemd blijven.) Wat Lebowski volgens Van Gelderen verder onderscheidt van andere uitgeverijen is dat ze klassieke boeken het liefst zo modern mogelijk uitgeven: ‘Je ziet honderden klassieken in de winkel liggen waarvan de cover een mistige straat afbeeldt met een lantaarn en een figuur met een hoed in een vaag schijnsel. Dat wilden wij niet, we wilden een iconische cover.’ De zwart-witte gegroefde mannenkop die en profile het omslag van Stoner siert, zal in herinnering worden gebracht door de cover van het deze maand te verschijnen Butcher’s Crossing van Williams, waarop in plaats van een oude man een bizonhoofd is afgebeeld. Een van de leukste bijverschijnselen van het succes vindt Van Gelderen dat er door Stoner meer oog is gekomen voor een bepaald deel van het fonds van Lebowski, dat eigenlijk altijd al essentieel was. ‘We deden vanaf het begin al dit

‘Herontdekte boeken hebben de tand des tijds doorstaan en zijn nu soms relevanter dan toen ze verschenen’ soort vergeten dingen, De Jiddische bibliotheek, om maar iets te noemen, John Kennedy Toole, en binnenkort The Lost Weekend van Charles Jackson, de eerste Amerikaanse roman over alcoholisme. Meestal is er vooral aandacht voor de sellers, maar nu laten we zien dat modern uitgegeven klassieken ook een wezenlijk deel van ons fonds uitmaken.’ Van Gelderen is niet het enige truffelvarken in de Nederlandse boekenwereld: ‘Er zijn veel uitgevers die het leuk vinden om iemand te herontdekken. Ik vind het alleen maar goed dat de belangstelling groeit. Naast degenen die er altijd al mee bezig waren – Coppens en Frenks, Cossee – zie je de laatste tijd ook bij veel andere uitgeverijen herontdekkingen verschijnen. Prometheus kwam dit jaar met Karoo van Steve Tesisch en De Bezige Bij herontdekte een vergeten Duits boek. Leuk is dat de mensen die ermee bezig zijn niet te beroerd zijn elkaar een beetje te helpen; het heeft iets sym-

pathieks, die classics. Ze genereren een zekere goodwill. Zijn onbedacht. Terwijl als ik voor 25.000 dollar iets in Frankfurt koop en het als “hot” boek in de winkel leg, zegt iedereen: nou, nou, rustig aan, we maken zelf wel uit of het hot is of niet.’ Waar Lebowski in lijkt uit te blinken is het creëren en onderhouden van cult. Op de nieuwe website van de uitgeverij is ‘het verhaal achter’ auteurs, boeken en stromingen te vinden, aantrekkelijk behapbaar vormgegeven, voorzien van goed beeld, klaar om je mee te vereenzelvigen. Rond een schrijver als Charles Bukowski, die zich bij uitstek leent voor cultvorming en van wie Lebowski het hele oeuvre heeft overgenomen, worden exposities, optredens en een groot feest georganiseerd, waar gasten six-packs bier kunnen winnen door met goede quotes te komen. ‘Vanuit de inhoud creatief met de publiciteit rond zo’n schrijver aan de slag gaan’, zegt Van Gelderen, ‘dat vind ik de leukste manier van uitgeven.’ Dat herontdekte boeken het goed doen ligt volgens hem ook aan die inhoud: ‘Ze gaan vaak over essentiële, tijdloze onderwerpen: identiteit, liefde, maatschappelijke status; ze hebben de tand des tijds doorstaan en zijn nu misschien wel relevanter dan in de tijd dat ze verschenen. Dat maakt ze zo interessant.’ 28.11.13 De Groene Amsterdammer 9


Het postume leven van Irène Némirovsky

Een koffer met de tekst van moeder De Oekraïens/Franse schrijfster Irène Némirovsky was begonnen aan een roman van duizend pagina’s toen ze in 1942 werd opgepakt en vermoord in Birkenau. Het postuum verschenen Suite Française werd een aanklacht tegen het verleden. door Joost de Vries De beste film over verzet in de Tweede Wereldoorlog is L’armée des ombres van Jean-Pierre Melville uit 1969. Dat is geen mening, maar een statistiek. Een vergeten film, soort van, tot een aantal jaren terug toen een geremasterde versie in een klein aantal New Yorkse cinema’s ging draaien. Alle recensenten schreven erover, alle recensenten waren laaiend enthousiast, en zo stond Army of Shadows in 2006 ineens boven aan de website metacritic.com, die alle recensies van films en muziek bij elkaar optelt en een gemiddeld oordeel berekent; in dit geval een toffe 99 van de 100. Ik heb de film op dvd. Ik zet hem vaak aan als ik zit te schrijven. Muziek op de achtergrond verdraag ik niet, dat leidt af. Maar films werken heel goed, zij het met geluid uit. Ze nestelen zich aan de rand van je netvlies, ze bewegen maar schreeuwen niet om je aandacht. Zonder geluid blijft alleen de sfeer over. In L’armée des ombres wordt sowieso amper gepraat en opwindende muziek is er niet. De film lijkt zich af te spelen in Wrekers-land, zoals dat wordt genoemd: er loopt niemand op straat, de plattelandswegen waar ze over rijden zijn uitgestorven (de tv-serie De wrekers had geen budget voor figuranten, waardoor elk decor leeg was, wat de serie een onbedoeld sinister gevoel gaf ). Grijze luchten. De leider van de verzetsleden, Philippe Gerbier (Lino Ventura), een man die er uitziet alsof hij te lang in de regen heeft gestaan terwijl hij op zijn uitkering wachtte, duikt een tijdje onder in de provincie op het landgoed van een baron. Geruit jasje, jachthoedje, onfeilbare snor. Tijdens een wandeling vertelt hij met een glimlach aan Gerbier: ‘Voor de oorlog was ik een gezworen vijand van de Republiek. M’n pach10 De Groene Amsterdammer 28.11.13

ters, knechten en pikeurs en ik vormden een peloton gewapend met jachtgeweren en revolvers. Ik wilde te paard de prefectuur aanvallen als de royalisten in opstand zouden komen.’ Meer tekst dan dat heeft de baron niet in de film, maar alles zit erin. In zijn uitspraak benadrukt hij dat ‘te paard’, om aan te geven dat hij eigenlijk nog denkt in termen van cavalerie, dat hij eigenlijk niet meer in de eeuw van het machinegeweer thuishoort. Zijn verzet is kansloos. Echt verzet lijkt er ook niet te worden gepleegd; er zijn geen overvallen op Duitsers, er is geen sabotage. Verzet is meer een spirituele toestand dan dat het een serie daden is. Ze vermoeden verraad, doden elkaar voordat het echt bewezen is, waar ze vervolgens lange theo­ retische, bijna existentialistische gesprekken over voeren. Vergelijk het eens met Soldaat van Oranje: een groepje corpsballen avonturiert zich de oorlog door, ‘beetje oorlog, beetje vechten’, een oorlog die zich qua lolligheid en vrije seks (het Britse secretaressetje dat van hand tot hand gaat) eerder lijkt af te spelen in de jaren zeventig dan in de jaren veertig. Voor hun Franse broeders komt er geen bevrijding. Aan het einde van de film wordt duidelijk hoe het met ze is afgelopen. Het wordt droogjes genoteerd: één voor één zijn ze door de Duitsers gepakt en geëxecuteerd, sommigen vlak voor de verlossende geallieerde invasie. Het echt schokkende kwam voor mij toen ik ontdekte dat dit niet geschreven was in 1969, maar in 1942. De film is gebaseerd op een roman van Joseph Kessel uit 1943. 1943, zat ik te denken. Midden in de oorlog. Hoe durf je een roman te schrijven die zo zwart eindigt? Dat je in je fictie geen licht in het duister ziet, maar het duister nog donkerder maakt dan het daadwerkelijk was? Toen metacritic.com nog boeken behandelde stond er een ander boek lang boven aan de lijst van best besproken boeken: Suite Française van Irène Némirovsky. In 2006 voor het eerst in het Engels verschenen (Metacritic is Amerikaans), in 2005 voor het eerst in het Nederlands, als Storm in juni. Némirovsky werd geboren in 1903 in Kiev, in het gedeelte van de stad dat ‘Jiddischland’ werd

Ze leverde een manuscript in bij uitgever Grasset dat zo goed was dat hij niet geloofde dat ze het zelf had geschreven

genoemd. Haar vader was een prominente bankier, maar gokte bij het uitbreken van de revolutie in 1917 verkeerd door naar Moskou te verhuizen, waar de gevechten het ergst bleken. De familie zat vijf dagen opgesloten in een geleend appartement waar ze overleefden op een zak aardappelen, sardientjes en chocolade, maar waar Irène zich in de bibliotheek verlustigde aan De Maupassant, Plato en Oscar Wilde. De familie Némirovsky vluchtte naar Parijs, de stad waar Irène als kind al van droomde. Op haar 26ste leverde ze een manuscript in bij uitgever Bernard Grasset dat zo goed was dat Grasset niet geloofde dat ze het zelf had geschreven. Dat had ze wel, de roman David Golder werd een hit bij critici en lezers en zo begon een schrijvers­carrière die precies elf jaar zou duren, tot de Duitsers in 1940 binnenvielen en de ariërisering van de Franse uitgeverijen afkondigden. Némirovsky vertrok met haar kinderen naar iets buiten de stad, waar ze aan een roman werkte die duizend bladzijden moest worden, groots en melodieus, ‘opgebouwd als Beethovens vijfde’. Het gebeurde niet: Némirosvky werd in de zomer van 1942 opgepakt en vermoord in Birkenau. Tot zo ver het verhaal van de schrijfster, treurig als het is. Het verhaal van het manuscript is niet minder treurig. De dochtertjes van Némirosvky overleefden de oorlog als onderduikers. Omdat niemand wist wat er met hun moeder (en vader) was gebeurd, stonden ze elke dag met naambordjes te wachten bij Gare de l’Est, waar overlevenden uit de kampen dagelijks aankwamen. Toen ze halsoverkop gevlucht waren uit hun ouderlijk huis, bij de Gestapoinval, hadden ze een koffer meegenomen met daarin de tekst van hun moeder. Ze dachten dat het dagboekaantekeningen waren en konden het emotioneel niet aan om de tekst te lezen. Pas eind jaren negentig typte een van de dochters het over, met het idee het te schenken aan een herdenkingsstichting. Ze kwam erachter dat het


De roman van Irène Némirovsky moest groots en ­melodieus worden, ‘opgebouwd als Beethovens vijfde’

S. Bianchetti / Corbis / HH

Némirovsky beschrijft hoe ‘katachtig en wreed’ de gelaatstrekken van haar Parijzenaars zijn

geen dagboek was, maar dat het de eerste delen waren van een grote epische roman over het leven van een groep mondaine Parijzenaars in het bezette Frankrijk. Dit stond ongeveer als voorwoord in de eerste druk toen het boek in 2004 in Frankrijk verscheen. Probeer het dan nog maar eens neutraal te lezen. In latere drukken waren ook brieven opgenomen, van Némirovsky aan vrienden en daarna van Némirovsky’s echtgenoot, die wanhopig instanties aanschreef in de hoop te weten te komen wat er met zijn vrouw was gebeurd,

om vervolgens zelf ook opgepakt te worden en in Auschwitz te sterven. Het boek heeft een soort heiligverklaring voordat je het überhaupt hebt gelezen. Het gekke is dan ook dat als je het leest het helemaal niet sacraal aanvoelt. Of anders gezegd: omdat Némirovsky op het moment van schrijven nog niet wist dat ze een gedoemde generatie beschreef, leest haar portret als vloeken in de kerk. Het lucht op. In het eerste deel, Storm in juni, volg je een aantal Parijse families die terwijl de Duitsers oprukken naar de lichtstad hun

heil elders zoeken. De familie Péricands maakt zich meer zorgen om het familiekapitaal dan om het personeel, maakt zich drukker om welke erfstukken bij een bezetting zouden kunnen verdwijnen dan om wat het voor de stad betekent. De schrijver Gabriel Corte ziet in de oprukkende Duitsers en passant een goede mogelijkheid om zijn nieuwste minnares te loodsen, Charles Langelet aait door het beschermpapier heen zijn Wedgwood-stukken, zijn Sèvres-vasen, zijn Nankin-kopjes. ‘Zo lang als hij zal leven zou hij nooit afscheid van ze nemen, nooit.’ Andere families proberen vooral niet aan vrienden en bekenden te laten blijken dat ze naar hun vakantiehuizen vluchten, uit angst dat die vrienden en bekenden vragen om mee te mogen. De wegen zijn druk en stoffig, niemand gunt elkaar de ruimte. Némirovsky beschrijft met grote regelmaat hoe ‘katachtig en wreed’ de gelaatstrekken van haar Parijzenaars zijn, hoe koel hun blik, hoe koud hun harten. Zoals het unhappy ending van L’armée des ombres extra zwart wordt omdat je weet dat het in de oorlog geschreven is, zo krijgen de personages van Némirovsky een extra lading. Misschien zou het voor de ideale lezer niet uitmaken wanneer een boek geschreven is, en door wie, misschien zou voor hem een tekst bestaan zonder welke (historische) context dan ook, maar wie weet dat Irène Némirovsky zelf al opmerkte dat elk nieuw boek van haar hoogstwaarschijnlijk postuum zou zijn, voelt iets extra scherps. Dit zijn geen personages bedacht door een schrijver die iets fabuleert, dit is een afrekening van iemand met haar tijd. De personages zijn misschien bedacht, maar dragen een gevoel dat de bedenkster met zich meedroeg. Het maakt van Suite Française meer dan een fictieroman. Het wordt een aanklacht tegen het echte verleden. Storm in juni verscheen bij De Geus, vertaald door Manik Sarkar, 511 blz., € 19,90 28.11.13 De Groene Amsterdammer 11


Geeft niet, ik loop Het sprongbeen (L’astra­ gale, 1965) begint met een klap en gaat verder met pijn. Anne is ontsnapt: ‘De hemel was zeker tien meter naar boven geschoven. Ik bleef zitten, ik had geen haast.’ Maar als ze probeert weg te lopen, blijkt ze wat gebroken te hebben: haar sprongbeen, het botje dat Albertine hiel met enkel verbindt. Sarrazin Die vrijheidsbeperkende Het sprongbeen blessure zal haar ruim een Voorwoord Patti jaar lang dwarszitten, het Smith, vertaald jaar dat het romandebuut door Nelleke van van Albertine Sarrazin Maaren. bestrijkt. De Bezige Bij Het was een sensa256 blz., € 19,90 tie toen het verscheen, (L’astragale, voorwoord Patrick en je kunt wel bedenken Besson, Ed. Points waarom: Sarrazins negentienjarige Anne is een symSeuil, 208 blz., pathieke kleine dievegge, € 11,20) een hoertje, dat maling heeft aan alles, stiekem verliefd wordt op haar redder en maar niet te ver vooruit kijkt. Ze is leuk. Plus: Sarrazin doorbrak taboes door te schrijven over gevangenschap, prostitutie, biseksualiteit. Ten slotte: ze bestond echt. Sarrazin had ook gejat en gehoereerd, ze was bij een overval gepakt, ze had ervoor gezeten en ze was ontsnapt, en net als Anne had ze daarbij dat botje gebroken. Ook Sarrazin was toen door een lange vent gered en op verschillende onderduikadressen ondergebracht. Vele kleine misdaden, veroordelingen en een huwelijk later kreeg haar verhaal een voorlopig happy end toen in 1965 L’astragale en La cavale een groot succes bleken. Ze werd met Jean Genet vergeleken. Ze kreeg de Prix des Quatre-Jurys. Ze werd vertaald: Cirklen, Der Astragal, El astralago, L’astragalo, El Astrágalo, Astragal. Ze werd verfilmd. Twee jaar later was het opeens voorbij, toen ze stierf aan bloedvergiftiging na een operatie – op 29-jarige leeftijd. Zo’n levensverhaal geeft 12 De Groene Amsterdammer 28.11.13

Philippe Le Tellier / Paris Match / Getty Images

door Daan Stoffelsen

een boek gewicht. Maar Het sprongbeen kan op eigen benen staan. Sarrazin is een wendbaar schrijfster, die in die eerste twee zinnen al het contrast zoekt tussen een dichterlijk beeld en een droge vaststelling. Ze schiet heen en weer tussen tegenwoordige en verleden tijd, ze laat Anne mensen aanspreken, wegdromen, rondkijken. Ze is in één zin braaf op het clichématige

Aangekomen bij de laatste zin realiseerde ik me dat Het sprongbeen veel beter in elkaar zit dan gedacht

af, poëtisch op het pathetische af, en uiterst origineel en geestig: ‘Aan de onderkant speelt mijn enkel verschrikkelijk op, smelt in vurige sleuven bij elke hartenklop – ik heb een nieuw hart in mijn been dat nog slecht is afgestemd en chaotisch op het andere reageert.’ Chaotisch, dat is het, en ik twijfel continu of dit boek slordig is of avontuurlijk. Sarrazin werkt veel scènes niet uit, zet even vaak ongelukkige beeldspraak als bijzondere in, beschrijft haar emoties in plaats van ze te tonen en schrijft opvallend omfloerst over seks. Want wat staat hier? ‘Nadat Julien de sleutel in het slot heeft omgedraaid, strekt hij zich in hemdsmouwen uit op het bed en valt onmiddellijk in slaap.’ En zelfs als Anne weer het hoerenleven opgezocht heeft, wordt met name ‘de liefde bedreven’.


Ode aan het onaffe door Christiaan Weijts

Albertine Sarrazin, 1965, twee jaar voor haar dood

Maar dan kom je verderop dit tegen: ‘Ik herinner me de waarde van post, de verbetenheid waarmee we schreven of erop wachtten; maar in de gevangenis gaan je gedachten prevelen, je beelden zoemen als grote gevangen insecten, je jaagt erop, je vangt er wat, je prikt ze vast, maar in elk geval vermink je ze: in ontvangen of verzonden brieven benadruk je, laat je weg, vervorm je…’ Insecten, wat een beeld! Om het een tweetal zinnen later te verpesten met meisjesdagboekproza: ‘Als ik vandaag in je woorden geloof, is dat omdat ik de wil, de behoefte heb om erin te geloven. Morgen…’ Ja, er had wat meer weggelaten moeten worden. Ja, dit is een typisch debuut, even onhandig en zoekend als getalenteerd geschreven. Het is een wat braaf verslag van een rauw bestaan. Maar aangekomen bij de laatste zin realiseerde ik me dat Het sprongbeen veel beter in elkaar zit dan gedacht. Ik had verbetener moeten zijn, beter moeten jagen, want dan had ik al eerder één beeld gevangen dat Anne’s vrijheid verbreedt tot iets wat niets met gevangenissen te maken heeft: bewegingsvrijheid, letterlijk en figuurlijk, romantische ruimte, morele vrijheid, onafhankelijkheid. En ze gaan niet altijd samen. Ik lees de slotzin, een nieuwe afdaling: ‘Geeft niet, ik loop: voor de agent uit daal ik de trap af en ik hink nauwelijks.’ De eerste keer dat Anne ‘loopt’: ‘Hij draagt me voorzichtig en veilig, ik ben weg uit de modder en ik loop in zijn armen tussen hemel en aarde.’ Anne kruipt, loopt zonder gips, met espadrilles, voorop, in zijn armen, ze tippelt. De herontdekking van Het sprongbeen is te danken aan een Amerikaanse. Sarrazins oeuvre bleef ook na die eerste sensatiejaren beschikbaar in Frankrijk, maar elders werd het na een decennium wel stil. De in 2013 verschenen heruitgave met een voorwoord van Patti Smith leverde een nieuw publiek en acht vertalingen op. Smith, schrijft ze, had het boek in 1968 ontdekt en altijd gekoesterd. Misschien om de verkeerde redenen – Smith’s waardering is heel persoonlijk, vooral voor Sarrazins levenskunst – maar we mogen haar dankbaar zijn voor deze kans. Voor de vrijheid dit talent te genieten.

Op het eerste gezicht is De schimmen van de Argentijn César Aira een omgekeerde gothic novel. Het spookt, en dan niet in een oud kasteel maar in het tegendeel daarvan: een luxe appartementencomplex in aanbouw. De spoken (of ‘schimmen’ zoals Los fantasmas in César Aira het Nederlands zijn gaan De schimmen heten) verschijnen niet Vertaald door ’s nachts maar juist overdag. Arie Boons. Niet ’s winters op een afgeMeulenhoff, legen landgoed, maar in de 99 blz., € 17,95 verzengende hitte van de metropool Buenos Aires. Nog een verschil: ze jagen de mensen geen angst aan, maar worden op een terloopse manier geaccepteerd en geïntroduceerd in het verhaal over het gezin van Raul Viñas, die tijdelijk in het onvoltooide gebouw is getrokken om het te bewaken. Naakte mannen zijn het, bedekt met een laagje kalk. ‘Een metselaar die met een emmer puin toevallig langskwam op weg naar de afvalcontainer strekte zonder stil te staan zijn vrije hand uit en pakte de penis van een van hen vast en trok eraan terwijl hij bleef doorlopen. Het lid rekte twee, drie, vier, vijf meter uit tot aan het trottoir. Toen het werd losgelaten, schoot het terug met het geluid waarvan de boventonen bleven nagalmen tussen de kale muren.’ Het bovennatuurlijke is een vanzelfsprekende aanwezigheid, iets waar je zonder er veel aandacht aan te besteden geintjes mee uithaalt. Althans, zo begint het. Op het tweede gezicht is De schimmen een grillig boek. Modern realisme, van bouwplaatsen, supermarkten en andere grootsteedse decors mengt met absurde en surreële elementen. En hoewel er op verhaalniveau vrij weinig gebeurt, wisselen stemmen en registers zich wel razendsnel af. Van beelden van de bouwplaats glijden we moeiteloos naar essays over de verschillende sociale lagen in Argentinië, naar antropologische theorieën over Aboriginals, naar de literatuuropvattingen van James Joyce… Ongetwijfeld hangt die veelstemmigheid samen met het improviserende schrijfproces, zoals César Aira dat in interviews beschrijft. Elke dag gaat hij naar een café, schrijft één pagina, en dan zit het werk voor die dag erop. Hij heeft amper een idee vooraf, geen overkoepelend plan, redigeert nauwelijks na afloop. Geen man van schema’s op behangrollen kortom. En zo schreef hij zo’n zeventig boeken, sommige niet meer dan tien, twintig pagina’s, andere, zoals De schimmen, rond de honderd

pagina’s. Toch wil hij dat elk verhaal een eigen boek wordt, autonoom is, en niet in een bundel hoeft te verschijnen. In Argentinië is hij hiervoor aangewezen op kleinere uitgevers die dat avontuur aandurven met kleine oplagen. Als lezers mijn boeken willen vinden, dan moeten ze er maar moeite voor doen, aldus Aira’s bijna provocerend on-commerciële opvatting. Een handjevol boeken is in het Engels vertaald. De schimmen (1990) verscheen in 2009 in het Engels, en is dit jaar het eerste boek dat van Aira in het Nederlands verschijnt. Aira’s improviserende schrijfmethode zorgt voor een verrassend meanderende, onvoorspelbare stroom, maar heeft als nadeel dat het allemaal onaf oogt. Ongetwijfeld is dat nu precies waar de schrijver op uit is, blijkens de lange beschouwingen die hij wijdt aan onvoltooide constructies, en de rol hiervan in architectuur en in de romankunst. Zo laat deze roman zich lezen als een ode aan het onaffe. Die grillige vorm intrigeert, maar zorgt in dit geval ook voor wat onevenwichtigheid. Het boek staat op z’n zachtst gezegd niet helemaal waterpas. Pas halverwege komen de gebeurtenissen namelijk eindelijk een beetje op gang, en zien we die door één personage, het tienermeisje Patri. Pas op driekwart van het boek dient haar centrale dilemma – en daarmee de belangrijkste vraag van deze roman – zich aan: welke prijs ben je bereid te betalen om mee te doen met één waanzinnig feest? De schimmen, met wie alleen zij blijkt te kunnen praten, zijn namelijk op weg naar een feest, en Patri’s besluit is meteen genomen: ‘Het was of zij voor het eerst mannen zag. Stop! schreeuwde ze. Ga niet weg, nooit! Ze wilde ze voor eeuwig zo blijven zien. (…) Natuurlijk moet je wel dood zijn, zei een van de schimmen. Dat maakt niet uit, antwoordde ze onmiddellijk vol hartstocht.’ Zeker in zo’n klein boek is dat wat mij betreft te laat, te plotseling. Ineens springt Patri van het dak af, zonder dat we deelgenoot zijn geworden van haar afwegingen. Wat is het voor feest, dat die schimmen organiseren? Als het meisje bereid is haar leven ervoor te geven, geef dan op z’n minst een glimp van wat er zo onweerstaanbaar aan is. Zo blijft er meer onuitgewerkt. Als ik deze 99 pagina’s bij mijn uitgever zou inleveren, zou hij zeggen: ‘Geweldige eerste versie. Daar gaan we een fantastisch boek van maken.’ Patri’s drama had een verhaal kunnen zijn met universele geldigheid die klassieke romans tot klassieke romans maakt: verhalen die door verschillende tijden heen bij lezers steeds weer geactualiseerd, nieuw en levend raken, los van hun toevallige lokale context en ontstaansperiode. Op het derde gezicht is De schimmen een raar boek. Het is een vreemde, buitenissige, overkolkende stroom waar je je weliswaar geboeid en met plezier door laat meevoeren, maar die abrupt eindigt op het moment dat je pas echt op gang komt, waarvan je achteraf elke logica of zin ontgaat. Daar moet je van houden. 28.11.13 De Groene Amsterdammer 13


Scherl / Süddeutsche Zeitung Photo / HH

Graaf Miklós Bánffy, minister van ­Buitenlandse Zaken van Hongarije, 1922

Land aan de andere kant van het woud Kan het succes van de Transsylvaanse trilogie van Miklós Bánffy een tegenreactie zijn op het huidige literaire populisme? ‘Bánffy’s werk roept nostalgische gevoelens op naar een tijd waarin eer nog iets betekende. Die tijd is volledig verloren.’ door Daan Borrel

14 De Groene Amsterdammer 28.11.13

In Tanger, in het noorden van Marokko, werkt Katalin Bánffy, de dochter van Miklós Bánffy, eind jaren tachtig elke dag aan de vertaling van de trilogie die haar vader heeft achter­ gelaten. Het kleine werkkamertje stampvol met ­manuscripten, de Marokkaanse bloedhitte en parels zweet op haar voorhoofd. Het is de eerste keer dat ze iets vertaalt van het Hongaars naar het Engels. Bij elkaar schrijft ze veertien­ honderd bladzijden vol over uitzinnige gala’s, hulpeloze politieke congressen, verwende zoontjes, uitgebreide soupers, paleizen, kastelen, de ritjes in koetsen hiertussen, en over alle macht en eer die met deze wereld gemoeid gingen. Haar kinderen staan af en toe in de deuropening toe te kijken, niet snappend waar hun moeder mee bezig is. Bij elk hoofdstuk dat af is, gaan ze als beloning met z’n allen naar het strand. Begin jaren negentig, Monaco. De Engelse uitgever Gary Pulsifer is uitgenodigd voor een vriendschappelijke lunch bij de schrijver Patrick Thursfield en Katalin Bánffy. Pulsifer krijgt van hen The Transylvanian Trilogy aangeboden: ‘a piece of real literature’, zoals hij het zelf verwoordt. Niet vaak krijgt de uitgever zo een oud prachtwerk aangeboden; ‘de opwinding gierde door mijn lichaam’. In 1999, enkele tegenslagen overwonnen, publiceert Pulsifer het eerste deel van de trilogie in Engeland. Edelman en minister Miklós Bánffy (18731950) kende de aristocratie van Transsylvanië als geen ander. Hij leefde er middenin, maar verlangde altijd zijn kritische afstand te behouden. In de Transsylvaanse trilogie, die tussen 1934 en 1940 in negen delen uitgegeven werd en dertien herdrukken kende, schetste hij deze ten onder gaande wereld nauwkeurig. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog werd de trilogie verboden. Zowel de nazi’s als de communisten hadden een enorme hekel aan de Transsylvaanse schrijver-aristocraat. Pas in 1982 mocht de trilogie weer in Hongarije verschijnen. Sindsdien verovert het werk langzaam de hele wereld. Bánffy’s werk wordt met Tolstoj, Stendhal en Proust vergeleken. Er verscheen een Engelse, Franse, Italiaanse, Spaanse en zelfs Chinese vertaling. Vorig jaar maart verscheen ook het eerste deel, They Were Counted, in Nederland. Hier draagt het de titel Geteld, geteld. In Amerika behoort de trilogie van Bánffy inmiddels tot de wereldklassiekers van Everyman’s Library, een fonds van uitgeverij Random House dat enkel gewichtige wereldliteratuur uitgeeft. ‘Dat straalt wat uit’, zegt uitgever Pulsifer, ‘dit voorspelt een literaire wederopstanding. De drie romans krijgen nog steeds groeiende aandacht van de media, terwijl de uitgever geen specifieke reclame meer maakt. Zo bijzonder.’ Wat verklaart de almaar groeiende aandacht?


‘Bánffy is een verschrikkelijk goede schrijver, hij schrijft over een enorm breed spectrum’, motiveert Jaap Scholten, auteur van onder meer Kameraad Baron en kenner op het gebied van de Hongaarse aristocratie (hij woont er bovendien). De oude Hongaarse schrijver beperkt zich niet tot een sfeer van het leven, hij weet van zoveel aspecten. ‘Wanneer Bánffy bijvoorbeeld over paarden schrijft, dan merk je dat hij er echt verstand van heeft.’ De romantische natuurbeschrijvingen spatten van het blad af, zijn proza is bijna poëtisch: ‘Het licht op die mooie zonnige namiddag vroeg in september was zo fel dat een enkele leeuwerik, dronken van de felle schittering, keer op keer opvloog naar de stralende hemel om daar een ogenblik te klapwieken, dan een duik uit de hoogte te maken, laag over de grond te scheren en telkens opnieuw omhoog te zwenken. Ze dacht zeker dat het nog zomer was.’ De loomte bijna, de volledige toewijding om alles te begrijpen en te beschrijven. Heel wat anders dan de nu zo populaire Grunberg-stijl: korte zinnen en modern cynisme. Zou het succes van dit haast vergeten boek een nieuwe tendens betekenen, als tegenreactie op het huidige literaire populisme? Is de culturele elite klaar met het zoveelste boek dat het egocentrisme van de stadsmens behandelt, of is de trilogie ‘gewoon’ een literaire klassieker die door barre omstandigheden decennia te laat zijn weg naar de standaard hitlijsten bestijgt? Scholten: ‘Voor sommige mensen, zoals voor mijzelf, is dit een verheerlijkende afwisseling op de volkomen vulgaire wereld waar we nu in leven. Bánffy’s werk roept nostalgische gevoelens op naar een tijd waarin eer nog iets betekende. Die tijd is volledig verloren.’ De eervolle tijd van de aristocratie is verloren, heel het Transsylvaanse rijk is verpulverd en verdwenen. De grootste aantrekkingskracht en relevantie van Bánffy’s trilogie ligt in de herschepping van een bijna vergeten wereld. Sinds 1945 behoort het voormalige Transsylvanië toe aan Roemenië. De vervlogen natie kende een roerig verleden. Ze werd door het ene na het andere rijk opgeëist en beheerst. Een korte geschiedenis: vanaf 895 behoorden Hongarije en Transsylvanië tot het Hongaarse rijk. Toen in 1526 bij de Slag van Mohács het Hongaarse rijk werd ingepakt door het Ottomaanse rijk bleef Transsylvanië opvallend genoeg semi-onafhankelijk. Deze autonome positie zorgde voor een sterk nationalistisch bewustzijn bij de Transsylvaniërs: zij hebben blijkbaar iets eigens. Deze situatie duurde tot 1695, toen Transsylvanië een Habsburgse provincie werd als gevolg van de overname van de Hongaarse troon door de Oostenrijkers. Van 1867 tot 1919 behoorde het land tot de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije: deze periode bracht ongekende groei in Hongarije. De taal, architectuur, literatuur, muziek en een nieuwe adellijke klasse bloeiden in Boedapest. De Hongaren verwierven een bevoorrechte positie in het daarvoor nog zo eerlijk mogelijk verdeelde bestuur van het land. De overige minderheden – Roemenen, Slowaken, Serviërs –

werden hier al gauw jaloers van. In 1919 werd het land voor het eerst bij Roemenië onder­ gebracht. Veel van de eerder verworven Hongaarse ambtenarij ging hierdoor verloren en de voormalige adel verloor zijn macht. Toch kreeg Hongarije in 1940, door Duitsland bekokstoofd, het noorden van Transsylvanië terug. Dit was echter van korte duur: in 1945 werd het land onherroepelijk ondergebracht bij Roemenië. De trilogie van Bánffy speelt zich af van 1904 tot 1914, de periode van bloei. Het land wordt dan bestuurd door de Hongaarse aristocratie. De protagonist Bálint Abády en zijn neef László Gyeröffy staan, net als Bánffy zelf, midden in deze adellijke klasse. Bálint voelt zich verantwoordelijk voor het lot van de Roemeense boeren en probeert langs de weg van de politiek solidariteit voor hen te verkrijgen en een onafhankelijke eenheid voor Transsylvanië te bewerkstelligen, alhoewel hij telkens wordt tegengewerkt. László daarentegen verspilt uit wanhoop het familiefortuin met gokken, blijft desondanks vrolijk doorzuipen en staat symbool voor het langzaam aftakelende Hongaarse rijk dat net doet of zijn neus bloedt. Protagonist Bálint is kritisch op het nationalistische, populistische en protectionistische beleid van de nieuwe Hongaarse lage adel: de buitenland­politiek heeft, in tegenstelling tot

De nazi’s vernietigden alles van Bánffy, zijn kunstschatten, zijn paleis, zijn koninkrijk, zijn land

de oude aristocratie, oogkleppen op. Aan het einde van zijn leven noteert Bánffy zelf over zijn trilogie: ‘Ik schreef de Transsylvaanse trilogie (…) omdat ik met een toenemende bezorgdheid opmerkte dat ons volk weliswaar door een verschrikkelijke catastrofe was getroffen, maar dat niemand de zonden en tekort­komingen wilde erkennen die tot deze ramp hadden geleid… Ik moest toezien hoe we opnieuw ver verwijderd raakten van enige zelfkritiek, en zelfs van enige realiteitszin en dat we opnieuw terugzakten in de ideologie die tot aan de Eerste Wereldoorlog bij ons heerste. Blijkbaar zochten we de oorzaak van alle problemen alleen buiten onszelf.’ Dit maakt het werk relevant en actueel, vindt de Engelse Gary Pulsifer, de eerste nietHongaarse uitgever van de trilogie. ‘De romans kunnen gelezen worden als geschiedenisles en waarschuwing.’ Het huidige Europa zit vast in hetzelfde riedeltje. Een en al verbrokkeling en gebrek aan solidariteit. In hedendaags Hongarije vereren ze de trilogie echter niet zo joelend. Bánffy’s Facebookpagina kent slechts 235 likes. Vreemd, merkt Scholten op, want in de Hongaarse cultuur is het gewoonte de nationale schrijvers onverbloemd te aanbidden. Straatnamen worden

naar hen vernoemd; vele muren in Boedapest zijn behangen met plakkaten ‘Hier woonde de schrijver…’ of ‘Hier at de schrijver…’. Scholten: ‘Dit komt gedeeltelijk doordat de aristocratie in Hongarije nooit in ere hersteld is. Het idee heerst dat aristocraten enkel mensen waren waar je niets aan had, die niet goed nadachten. Veel zonen van de toenmalige machtige families waren ook niet tot veel meer in staat dan reizen van bal tot bal, maar Bánffy was bij uitstek een heel getalenteerde man.’ Scholten vermoedt dat er nog een andere reden is voor Bánffy’s schaarse populariteit in hedendaags Hongarije. Er heerste het zogenaamde goulash-communisme. Deze zachtere versie tolereerde meer (markt)vrijheid waardoor vrijwel het gehele volk vrijwillig deelnam aan de communistische samenleving. En ook de meeste schrijvers waren geïnfecteerd. Juist deze schrijvers waren en zijn het meest geliefd onder het volk. Feest der herkenning: het kleine verraad dat men dient te plegen om verder vreedzaam met de familie te kunnen leven. ‘Bánffy daarentegen’, legt Scholten uit, ‘is zuiver gebleven. Hij had wel kritiek op het politieke systeem. Daarom is hij vandaag de dag minder geliefd.’ Een Renaissance-man, zo omschrijft Scholten de Hongaarse schrijver. Bánffy werd geboren in een van de machtigste families van Transsylvanië. Zijn politieke intelligentie gebruikte hij in de tijd dat hij werkzaam was als minister van Buitenlandse Zaken in 1921 en 1922. Hij was creatief: beheerde een eigen theater, richtte een liberaal literair tijdschrift op, had talent voor schilderen en schrijven. Zijn engagement sierde en leidde hem. In 1943 reisde hij naar Boekarest af om de Roemeense regering ervan te overtuigen de kant van de geallieerden te kiezen in de Tweede Wereldoorlog. Tevergeefs. De nazi’s vernietigden daarna alles van Bánffy, zijn kunstschatten, zijn bibliotheek, zijn paleis, zijn koninkrijk, zijn land. En ten slotte hemzelf. Een jaar nadat de hele Transsylvaanse aristocratie verdreven was, stierf Bánffy in Boedapest. Waar de macht van de politiek wordt beschreven, mag de macht van de liefde niet ontbreken. Bánffy verlangde, net als zijn protagonist Bálint, zijn leven lang naar een onbereikbare vrouw: de tegendraadse onafhankelijke maar beeldschone Carola Bornemissza, in de roman vereeuwigd als Adrienne Milóth. Zonder het liefdesverhaal uit de trilogie te verklappen: Carola’s man sterft in 1938, Bánffy trouwt in 1939 met een andere vrouw, Aranka Váradi-Weber. Vermoedelijk heeft hij zijn leven lang voor niets trouw, en in gepaste adellijke stilte, op de baronnes gewacht. Of misschien toch niet helemaal vergeefs: de dochter die Bánffy uiteindelijk kreeg met zijn vrouw Aranka vertaalde en verspreide tenslotte zijn driedelig meesterwerk na zijn dood. Op 15 december zal Jaap Scholten op uitnodiging van de Hongaarse Salon in het Goethe Instituut in Amsterdam praten over zijn werk over Hongarije, de verdwenen aristocratie en Miklós Bánffy 28.11.13 De Groene Amsterdammer 15


De brille van Isaak Emmanoeilovitsj Babel

De nacht kwam op vlugge paarden Van Stalins poging om Isaak Emmanoeilovitsj Babel onder het stof van de geschiedenis te duwen, is weinig terechtgekomen. De chroniqueur van revolutie en oorlog had een honger naar mensen. En de mensen hongerden naar hem.

ten weigerden zijn verhalen te plaatsen – ze pasten niet meer in de heersende ideologie. Na zijn dood werd zijn werk, dat eerst zo was bejubeld, in zijn eigen land doodgezwegen. En nu was er deze bijeenkomst en was het publiek toegestroomd. Konstantin Alexandrovitsj Fedin, de secretaris-generaal van de Unie van Sovjetschrijvers, leidde de ceremonie en dat was meteen het officiële goedkeuringsstempel dat nodig was om het literaire establishment Babel weer in genade te laten aannemen. Babels tijdgenoten spraken, sommigen van hen, zoals Ilja Ehrenburg en Konstantin Paustovski, waren met hem bevriend geweest, acteurs lazen zijn verhalen – jaren was er voor deze avond gelobbyd en het was een succes. Er was eerder een ‘rehabilitatie’ geweest, in 1957, toen er ook een selectie van Babels verhalen in de Sovjet-Unie was gepubliceerd, maar daar was weer een stilte van zeven jaar op gevolgd. Er verschenen onbekende verhalen van Babel in Amerikaanse tijdschriften, er werden brieven en dagboekfragmenten gepubliceerd – maar niet in zijn vaderland. Na de herdenking van zijn zeventigste verjaardag kon zijn verzameld werk in de Sovjet-Unie worden uitgegeven, zij het dat dat nog steeds niet volledig was, dat zou tot 2006 duren.

door Xandra Schutte

16 De Groene Amsterdammer 28.11.13

Veel schrijvers verdwijnen vanzelf onder het stof van de geschiedenis; sommige schrijvers worden

RIA Novosti / HH

Op 11 november 1964 was het druk bij het Schrijvershuis in Moskou. Op de Vorovsky­straat stonden drommen mensen, veel meer dan de zaal van het hoofdkwartier van de Unie van Sovjetschrijvers kon huisvesten. Er was nog toestemming gevraagd om de bijeenkomst te laten plaatsvinden in het Polytechnisch Museum, het gebouw met het grootste auditorium van de stad, maar de autoriteiten hadden die geweigerd. Nu puilde de zaal van het Schrijvershuis uit, stonden de mensen in de gangen als haringen in een tonnetje, en paste een deel van het toegestroomde publiek er helemaal niet in, het bleef op straat staan. Er werden in allerijl luidsprekers geïnstalleerd opdat zij de toespraken toch konden horen. Het was op zich al een wonder dat de autoriteiten hun fiat hadden gegeven voor deze herdenkingsceremonie. In 1964 zou Isaak Emmanoeilovitsj Babel zeventig jaar oud zijn geworden – in de nacht van 27 januari 1940 was hij door het sovjetregime geëxecuteerd. Zijn familie was jarenlang in het ongewisse gelaten over zijn lot, pas na de dood van Stalin, in 1953, kreeg zij het bericht dat hij ‘op 17 maart onder onbekende omstandigheden’ was overleden, en pas nog weer later, tijdens de perestrojka, werd duidelijk dat die datum niet klopte en dat hij niet was bezweken in een werkkamp, maar ter dood gebracht. Al in de jaren dertig, toen Stalins grote heksenjacht op politici, geestelijken, intellectuelen, kunstenaars en schrijvers hevig woedde, was Babel naar de marge verdreven. Hij werd aangespoord te publiceren, ook sovjetschrijvers moesten productie draaien, maar de tijdschrif-

opzettelijk uit de geschiedenis geduwd. Dat laatste is lang niet altijd eenvoudig, want hoe harder autoriteiten duwen, hoe groter de kans op een averechts effect: lezers worden alleen maar hongeriger. In het geval van Babel bleek dat uit al die mensen, oud en jong, die uitliepen in Moskou toen er eindelijk weer openlijk over zijn werk gesproken mocht worden. Een tijd van zijn leven was Babel ook een grootheid. In de herinneringen die Paustovski in 1964 aan Babel ophaalde, beschreef hij hoe diens schetsen en verhalen vanaf de jaren twintig in talloze tijdschriften en kranten verschenen. Hij schilderde hoe hij in die tijd in Odessa, de zuidelijke stad aan de Zwarte Zee, tegenover Babel woonde en hoe de bewonderaars langs reden om ‘een glimp van Babel op te vangen’ en hoe ze hem op zijn zenuwen werkten. ‘Hij werd’, vertelde Paustovski, ‘achterna gezeten door alle literaire jongemannen die in de stad rondhingen. Ze verveelden hem niet minder dan zijn vrouwelijke bewonderaars. Hij liep nu hand in hand met de roem. In onze ogen was hij de éminence grise van de literatuur en een wijze met een scherpe tong.’ Die roem was er vooral na de verslagen die Babel schreef toen hij als oorlogscorrespondent meereisde met het eerste Rode cavalerieleger naar het Poolse front en de verhalen die hij er daarna over schreef en die gebundeld werden in De Rode ruiterij. De literatuurtheoreticus en schrijver Viktor Sjklovski merkte terecht op dat Babel ‘de enige [was] die tijdens de Revolutie zijn koelbloedigheid behield’. Babels oorlogs­ verhalen zijn stilistische meesterwerkjes, waarin schoonheid en gruwel naadloos in elkaar overlopen. Lyrische natuurbeschrijvingen wisselt hij af met onverbloemde wreedheid en juist dat contrast maakt dat het wezen van oorlog tastbaar wordt. Neem een min of meer willekeurige passage, uit het verhaal ‘De twee Ivans’. Ljoetov, het bebrilde en weinig heldhaftige alter ego van Babel in De Rode ruiterij, is bij een slag zijn paard verloren, hij helpt daarna gewonden ophalen met een ziekenwagen en brengt de nacht alleen door bij een ingestorte hut. Dan lost de poëzie het oorlogsgewoel af: ‘De nacht kwam op vlugge paarden aansnellen. Het krijsen van transporten vulde het universum. Op de aarde, omgord door gejank, doofden de wegen uit. De sterren kropen uit de koele buik van de nacht en verlaten dorpen vlamden op aan de horizon.’ En dan volgt onvermoed de genadeloze hardheid. De ik-verteller moet plassen en loopt naar de rand van een omgewoelde akker. ‘Toen ik klaar was, knoopte ik mijn broek dicht en voelde spatten op mijn hand. Ik deed mijn zaklantaarn aan, draaide me om en zag op de grond het lijk van een Pool liggen, doordrenkt van mijn urine. Het liep uit zijn mond, borrelde tussen zijn tanden en stond in zijn lege oogkassen.’ Koelbloedig was Babel vooral ook omdat de Revolutie zijn blik niet benevelde. Hij was een scherp realist en observeerde de mens, en dus ook de soldaten van het Rode Leger, zoals hij was: soms heldhaftig, vaak angstig, onnodig


State Russian Museum, St. Petersburg

Kazimir Malevich, Rode ruiterij (1930-31)

‘Hij schrapte overbodige woorden met zo’n hevigheid dat zijn pen het papier kapot kraste’

wreed, grof en wraakzuchtig, de revolutionaire proletariërs niet minder dan de bourgeois. Niet alleen over de oorlog schreef hij, om het maar zo te noemen, onpartijdig, later deed hij dat ook over de collectivisatie van de landbouw, zoals in het aangrijpende verhaal ‘Kolyvoesjka’, waarin de boer die hoort dat zijn boerderij onteigend zal worden zijn drachtige paard met een bijl doodt, zijn machines vernielt en zijn dorp verlaat. Babel beschrijft de dood van de merrie in al zijn gruwelijke details, maar laat tegelijk doorschemeren hoe diep de band tussen boer en paard is. Babel had, zo vertelden zijn vrienden en zo blijkt ook uit zijn werk, een onstilbare honger naar mensen. Hij was bevriend met de meest uiteenlopende types, van ingenieurs tot apparatsjiks, van boeren tot soldaten. Dat was ook een van de redenen dat hij zijn land niet ontvluchtte toen Stalin zijn grote zuiveringen had ingezet: de Sovjet-Unie en haar inwoners, die waren getekend door de storm van de revolutie, vormden zijn materiaal. Zijn verhalen zoomen ook in op mensen, vaak zijn het niet meer dan schetsen, waarin een of meer personages in een paar tref-

zekere pennenstreken tot leven komen. Zoals Ehrenburg over Babel zei: ‘Hij had een buitengewone gave om de diepte van het leven te zien. Hij begreep dat het menselijke oog de oneindigheid niet kon waarnemen en hij had geen hoge dunk van schrijvers die (…) probeerden alles te zien.’ Isaak Emmanoeilovitsj Babel werd geboren in 1894 en groeide op in het zuiden van Rusland, de huidige Oekraïne. Hij was joods en maakte in 1905, toen hij tien was, een van de vele pogroms mee die die streek teisterden. In verschillende verhalen beschreef hij later de moord- en plunderpartijen vanuit kinderperspectief, zoals in het aangrijpende ‘De geschiedenis van mijn duiventil’, waarin een jongen duiven gaat kopen op de markt, zijn lang gekoesterde wens. Op weg naar huis hoort hij dat zijn buurt kort en klein wordt geslagen en stompt een invalide man de duiven plat die hij als breekbare baby’s in een zak op zijn borst draagt. ‘Ik lag op de grond, en de ingewanden van de geplette vogels dropen van mijn slaap. In kronkelige straaltjes dropen ze spetterend van mijn wangen en verblindden me. Een tere duivendarm kroop over mijn voorhoofd, en ik sloot mijn nog niet volgelopen oog om de wereld die zich voor mij ontvouwde niet te zien.’ Thuis blijkt dat zijn grootvader is vermoord, maar het beeld van die vermorzelde vogels als teken van de nutteloze moordzucht, dat hakt erin. Babel begon vanaf zijn twintigste verhalen aan te bieden aan tijdschriften, die er aanvankelijk niets in zagen. Het was Maksim Gorki, de vader van het sovjetrealisme, die zijn schrij-

verscarrière op weg hielp. Hij zorgde ervoor dat Babels eerste teksten gepubliceerd werden en raadde hem aan zich, voordat hij verder ging met schrijven, eerst ‘onder de mensen te begeven’. De reizen naar het oorlogsfront volgden. Het is een klein oeuvre dat Babel heeft nagelaten, de manuscripten en aantekeningen die bij zijn arrestatie in 1939 in beslag waren genomen zijn nog steeds niet opgedoken. Maar zijn schetsen van het joodse leven in Odessa, de stad waar hij later zou wonen, de oorlogsverhalen, de verhalen die de tumultueuze tijd na de revolutie oproepen – ze zijn allemaal van een grote precisie en bondigheid en stilistische brille. Babel was niet alleen schrijver, hij was ook schrapper. Meer dan vier, vijf versies schreef hij vaak van een verhaal, aan elke zin werd gebeiteld. Zoals Paustovski het mooi zei: ‘Babel sprak altijd met minachting over omslachtigheid. Elk onnodig woord in een stuk proza riep fysieke afkeer bij hem op. Hij schrapte overbodige woorden met zo’n hevigheid dat zijn pen het papier kapot kraste.’ Het leverde zinnen op die stuk voor stuk staan en die beelden oproepen die je niet meer vergeet, zoals de volgende: ‘Een lied ruiste als een droogvallende beek. Monsterlijke lijken lagen verspreid over de duizendjarige grafheuvels. Boeren in witte kielen namen hun muts voor ons af. De cape van divisiecommandant Pavlitsjenko wapperde boven de staf als een sombere vlag.’ I.E. Babel, Verhalen. Vertaald door Froukje Slofstra, Van Oorschot, 570 blz., € 45,28.11.13 De Groene Amsterdammer 17


Een vlucht ooievaars in Bulgarije

Geen zinnig mens zou het in zijn hoofd halen Goethe, om het enkele feit dat zijn Italienische Reise als een hoogtepunt van de grandtouristische reisliteratuur geldt, een ‘reisschrijver’ te noemen. Die term wordt meestal gebruikt voor auteurs van veredelde journalistiek. Het ‘reisPatrick Leigh schrijverschap’ is dan ook Fermor een stigma waar een schrijThe Broken Road: ver nooit meer helemaal From the Iron Gates vanaf komt, ook al schrijft to Mount Athos hij naderhand nog zo veel John Murray romans of andere boeken. (Edited by Colin Maar wat nu als iemand Thubron and een literair meesterwerk Artemis Cooper), schrijft naar aanleiding 362 blz., € 29,95 van een reis die hij van A naar B maakte? Dan hoeft hij toch niet – zoals Goethe – ook in alle andere genres van de literatuur te excelleren om een groot schrijver genoemd te worden? Die gedachte komt op bij het lezen van het langverwachte boek The Broken Road van de Britse schrijver Patrick Leigh Fermor (19152011). Het is het derde deel van een trilogie die de auteur aanving met A Time of Gifts (1977) en nadien voortzette met Between the Woods and the Water (1986). Met elkaar vormen deze drie boeken het verslag van de twee jaar durende wandeltocht die Leigh Fermor op zijn achttiende jaar maakte van Londen naar Istanbul. Nu de trilogie, zo goed en zo kwaad als dat postuum mogelijk was, eindelijk is voltooid, wordt een driedelig boek zichtbaar dat een onovertroffen beeld geeft van het Europa tussen de beide wereldoorlogen. Met zijn uitgekiende zintuigen voor landschappen, talen, geschiedenissen, architectuur, bibliotheken, mensen, eten en drinken is Leigh Fermor de ideale gids, ook in overdrachtelijke zin, voor een geschreven documentaire over het Europese continent aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Het literaire wonder van Leigh Fermors Europese drieluik zit ’m niet in de reis, hoe origineel die in die tijd ook was, maar in de manier waarop hij die beschrijft, een resultaat dat niet los te zien valt van het feit dat de auteur er meer dan veertig jaar over deed om het eerste 18 De Groene Amsterdammer 28.11.13

Wilhelm Tobien / National Geographic Society/ Corbis / HH

door Maarten Asscher

Bij een bakkerij in Tsjepelare, Bulgarije, 1932

stuk te beschrijven, meer dan vijftig jaar deed over het vervolg en dat hij ook na ruim zeventig jaar het slotdeel nog net niet had weten te voltooien. Wat hem de meeste moeite moet hebben gekost – afgezien van een duidelijke aanleg voor writer’s block – was het letterlijk stap voor stap reconstrueren van een tocht die de auteur zo vele jaren tevoren, tussen zijn achttiende en zijn twintigste, had gemaakt. Notitieboeken waren verloren gegaan, brieven waren kwijt­ geraakt, er was een hele wereldoorlog over alles heen gegaan, en in zijn huis in Kardamyli op de Peloponnesos zat tot vlak voor zijn dood in 2011 de hoogbejaarde Patrick Leigh Fermor het slotdeel van zijn jeugdige omzwervingen te reconstrueren, van het Zuid-Roemeense Orsova via Bulgarije en de Zwarte Zee-kust naar Istanbul. Wanneer je het verschijnsel reisliteratuur niet vanuit journalistiek oogpunt benadert, maar vanaf de andere kant, vanuit het gegeven dat reisliteratuur als een subgenre van het essay moet worden beschouwd, dan ligt een van de interessantste aspecten van The Broken Road in de geweldige krachtsinspanning die de schrijver heeft moeten leveren om na zovele decennia recht te doen aan zijn oorspronkelijke belevenissen, aan de rijkdom van zijn onmiddellijke reiservaringen. De overnachtingen in kastelen en in bordelen, de opeenvolging van dorpen en steden, de gastvrijheid in herbergen en in stallen,

Tot vlak voor zijn dood zat de hoogbejaarde Fermor zijn jeugdige omzwervingen te reconstrueren

het verdwalen en de vele honderden ontmoetingen onderweg. De gevaren en verlokkingen die Odysseus op zijn zwerftocht naar huis ondervond waren niet minder veelzijdig of extreem dan de avonturen van de jonge Leigh Fermor op zijn Europese zwerftocht. Dat de bonte veel­ zijdigheid van die ervaringen zich nu zo levendig laat lezen, is een memorialistische tour de force van proustiaanse proporties, al kwamen er twee tekstbezorgers aan te pas om na de dood van de auteur zijn laatste stappen voor hem te zetten. Het resultaat van deze proustiaanse inspanning maakt des te meer indruk omdat Leigh Fermor een onwaarschijnlijk rijk Engels schrijft, doorspekt met citaten en taalobservaties, en met een voorkeur voor een elliptische zinsbouw die nog het meest aan versregels doet denken. Zijn bijna Homerische beschrijving over twee bladzijden van een vlucht ooievaars in de buurt van de Bulgaarse stad Kazanlik is zo’n stilistisch juweel, net als zijn aankomst in de Roemeense hoofdstad Boekarest, lopend door eindeloze buitenwijken. En buiten De behouden tong van Elias Canetti zelf, die er geboren werd, zijn er denkelijk weinig auteurs die je zo dicht bij de bijzondere sfeer van het Bulgaarse Donau-stadje Roestsjoek brengen als Patrick Leigh Fermor. Istanbul, door Leigh Fermor hardnekkig Constantinopel genoemd, blijft uiteindelijk net buiten het bereik van The Broken Road en staat daarmee nu definitief symbool voor de waarheid dat het niet het geografische doel van de reis was dat deze nu voltooide trilogie zijn unieke waarde geeft. Die waarde ligt bovenal besloten in Leigh Fermors gedurende decennia gerijpte herin­neringen aan en virtuoze beschrijvingen van een Midden-Europa in zijn volle culturele, taal­kundige, natuurlijke en religieuze veelzijdigheid.


We komen toch wel thuis? ‘Ons steunpunt bevond zich in een vissersdorp aan de oever van de Don, in het land van de Kozakken. De stellingen en loopgraven waren uitgegraven in de helling die afliep naar de bevroren rivier.’ Het is eind 1942. Mussolini heeft zijn Alpenjagersdivisies naar de grote bocht van de Don Mario Rigoni bij Stalingrad gestuurd Stern om de Kaukasus te verSergeant overen en zo een bruggenin de sneeuw hoofd te vormen naar het Vertaald door ­Midden-Oosten. Dat ech­Asker Pelgrom, De Arbeiderspers, ter verloopt niet voorspoedig. Ingesloten door het 176 blz., € 22,95 Rode Leger moet sergeantmajoor Rigoni zijn troepen terugtrekken. Deze oorlog en aftocht zijn de materie van Mario Rigoni Sterns indrukwekkende memoire-roman Sergeant in de sneeuw. Het eerste deel beschrijft de gebeurtenissen rond dat steunpunt. In het tweede gedeelte van het boek, ‘In de tang’, beschrijft Rigoni Stern, in al zijn gruwelijkheid, de uiterst moeizame aftocht. Of terugtocht? Het smadelijke en het neutrale sluiten elkaar niet noodzakelijkerwijs uit. In Rigoni’s boek liggen ze zelfs in elkaars verlengde. In 1953 publiceert Mario Rigoni Stern zijn herinneringen aan die desastreuze barre tocht. En hoewel het boek bij verschijning niet kan rekenen op veel bijval in de literaire pers, vindt het toch zijn weg naar een miljoenenpubliek en wordt het ook heden ten dage nog gezien als een van de belangrijkste Italiaanse oorlogsboeken. Sergeant in de sneeuw is inderdaad geen hoge literatuur. Rigoni’s verslag is volstrekt pretentieloos. Het is in simpele taal geschreven, zonder opsmuk, maar dat maakt het onverwacht elegant. Rigoni componeert niet. Hij herinnert, en die authenticiteit maakt het imposant. Zijn taal is alledaags, maar de omstandig­ heden zijn onbarmhartig onalledaags. ‘Wanneer komen we weer thuis’, vraagt een van zijn manschappen hem keer op keer. ‘We komen toch wel thuis?’ Geen wonder: bestookt door Russische troepen, door partizanen, bij temperaturen van veertig graden onder nul, strompelt de lange colonne Italianen, Hongaren, Duitsers, Roemenen huiswaarts. Overblijvers, ingezetenen van de ‘Asmogendheden’, zoals Mussolini eerder muntte. Er is nauwelijks proviand, de bevroren steppe biedt geen beschutting tegen de snijdende wind,

Roger-Viollet / HH

door Herm Pol

de munitie raakt op. Uitputting leidt tot moedeloosheid. Moedeloosheid tot opgave, en opgave onherroepelijk tot de dood. Ieder dorp dat op hun weg ligt is een kortstondige mogelijkheid tot ontsnapping aan de helse omstandigheden, maar ieder dorp moet veroverd worden voor er kan worden gerust in een van de izba’s, boerenwoningen. Veel meer dan militair is Rigoni Stern humanist. Zijn manschappen zijn kameraden, veelal streekgenoten, hij herinnert ze zich stuk voor stuk. Zij die het haalden en zij die in de sneeuw bleven: ‘’s Ochtends ga ik naar buiten. Tourn brengt me een kop koffie in het deksel van een gamel. “Hoe gaat het majoor?” “O Tourn, ouwe jongen, ben jij het echt? En de anderen?” zeg ik. “Ze zijn hier,” antwoordt hij, “kom.” Het peloton, ons peloton zwaar. “Waar zijn ze?” “Kom maar mee, majoor.” Ik roep Antonelli bij me, Bodei en enkele anderen. “Giuanin,” vraag ik, “waar is Giuanin?” Ze zeggen niets. “We komen toch wel weer thuis?” “Hij is dood,” zegt Bodei, “hier is zijn portefeuille.” “En de anderen?” vraag ik. “We zijn met zijn zevenen, met jou erbij,” zegt Antonelli. “Zeven van ons peloton zwaar, met jou erbij. En die rekruut daar,” – en hij wijst naar Bosio – “heeft een verbrijzeld been.” “En jij Tourn? Laat me je hand eens zien,” zeg ik. Tourn toont zijn geopende hand. “Kijk,” zegt hij, “hij is genezen, je ziet hoe het litteken geheeld is.” “Als je je wilt scheren maak ik wat water voor je warm,” zegt Bodei. “Doe geen moeite, waarom zou ik?” antwoord ik. “Je stinkt,” zegt Antonelli.’

Veel meer dan militair is Rigoni Stern humanist. Zijn manschappen zijn kameraden, hij herinnert ze zich allemaal

Een uitkijkpost nabij Voronezj aan het Russische front, november 1942

Rigoni Stern laat zijn mannen allemaal in hun eigen streektaal aan het woord. Mannen uit Brescia, uit Piemonte, uit Bergamo. Asker Pelgrom vertaalde het boek en voorzag het van een uitstekend nawoord, en maakte gelukkig niet de fout die dialecten te vertalen, ze om te zetten in Nederlands dialect. Rigoni zelf woonde zijn hele leven in ­Asiago, een bergdorp in Vicenza ten noorden van Venetië. Hij heeft zijn woonplaats alleen verlaten om in het leger te dienen. Asiago was Rigoni’s Ithaka, zijn thuis. De gedachte daaraan, zo schrijft hij menigmaal, dreef hem voort, hield hem op de been. ‘We komen toch wel weer thuis’, vroeg Giuanin hem keer op keer. Het is, leert Rigoni ons, niet vaderlandsliefde die soldaten doet volhouden. Het is het verlangen naar huis te gaan. Op 26 januari levert het restant Alpenjagers een bloedige slag bij het dorp Nikolajevka. Vijf dagen later weten ze uit de Russische omsingeling te breken. Sergeant in de sneeuw is vergeleken met Xenophons Anabasis, en met Tolstojs Oorlog en vrede. Het is niet de eerste roman met terugtocht als thema, maar het onderscheidt zich van zijn illustere voorgangers door de eenvoud, door het vanzelfsprekende humanisme en door de afwezigheid van pretentie. Rigoni Stern was dan ook niet een-en-al schrijver. Hij heeft zich altijd ver gehouden, ook nadat hij een succesvol auteur geworden was, van de literaire wereld met haar salons en vernissages. Een landsman, een man van de bergen, van de natuur, een man van Asiago. Toen Primo Levi eens gevraagd werd hoe hij het liefst de Kerst zou doorbrengen, antwoordde hij: ‘Met Rigoni, in een baita (huisje – hp) in de bergen. Wij met z’n tweeën en een vuur om in te kijken.’ Op dat moment hadden de twee elkaar nog nooit ontmoet. 28.11.13 De Groene Amsterdammer 19


Angst en wreedheid zijn van alle tijden

Het is ons gaan dagen De Duitse auteurs Hans Keilson, Hans Fallada en Anna Seghers schreven boeken over de Tweede Wereldoorlog die nog steeds actueel zijn. Hun romans geven inzicht in de werking van de totalitaire staat, en laten zien wat er ook nu nog mis kan gaan.

Berlijn aan het eind van de oorlog, 1945

De Tweede Wereldoorlog is hip, tenminste als we op uitgevers afgaan. Behalve populaire hedendaagse boeken over de oorlog – zoals De vergelding, HhhH en Haar naam was Sarah – werden in de afgelopen jaren ook behoorlijk wat titels uit de periode zelf opnieuw uitgegeven. Denk bijvoorbeeld aan het werk van Jirí Weil, Ernst Weiss en Jan Karski. Veel van deze titels zijn eerst in Amerika (her)ontdekt, en daarna ook in Nederland opgepikt. De boeken van Hans Keilson zijn hiervan wellicht de bekendste en meest succesvolle voorbeelden, maar ook romans van Hans Fallada en Anna Seghers leiden een buitengewoon succesvol tweede leven. Al deze drie auteurs schreven minstens één boek over de Tweede Wereldoorlog, en alle drie geven ze op eigen wijze inzicht in de werkingen van een totalitaire staat die niet alleen de oorlog verklaart aan mensen met een bepaalde etnische achtergrond, maar ook aan andersdenkenden. Zo is Hans Keilsons In de ban van de tegenstander (Der Tod des Widersachers) een onderzoek naar vijandschap. Keilson begon al tijdens de oorlog aan het boek, maar voltooide het pas aan het eind van de jaren vijftig. De roman gaat over een jongeman – zijn naam komen we niet te weten – in een onbekend land. In dat land vergaart een zekere B. steeds meer macht, dat doet hij door de bevolkingsgroep waar de jongeman toe behoort niet alleen zwart te maken maar ook systematisch buiten te sluiten en, uiteindelijk, uit de samenleving te verwijderen. De jongeman ervaart deze uitsluiting als iets heel persoonlijks, als een directe vijandschap tussen hem en B. Als hij B. een gezelschap hoort toespreken krijgt hij bijvoorbeeld het gevoel dat B. alleen voor hem spreekt. In de ban van de tegenstander is het verslag van de worsteling van de jongeman met deze vijandschap. Zijn pogingen om het te begrijpen en zijn pogingen om erop te reageren. Hoe moet hij met zijn vijand omgaan? In de ban van de tegenstander is een filosofische roman. De worsteling van de jongeman is een existentialistische. Hij vraagt zich namelijk af of van tevoren vaststaat wie wij zijn, omdat God een bepaald plan met ons heeft, of omdat 20 De Groene Amsterdammer 28.11.13

– zoals zijn vijand denkt – we door onze etnische achtergrond een bepaalde predispositie hebben. Gaat met andere woorden de essentie vooraf aan de existentie (het bestaan), of is het juist andersom en zijn wij de optelsom van onze handelingen? Een wezensvraag die door de vijandschap met B. nog pregnanter wordt: de jongeman voelt dat wie hij is niet (volledig) samenvalt met zijn achtergrond, maar hij wordt door zijn vijand klemgezet in een model dat dat wel veronderstelt. In Het zevende kruis (Das siebte Kreuz) van Anna Seghers zijn zeven gevangenen erin geslaagd om uit een concentratiekamp te ontsnappen. Wat volgt, is het verhaal van de klop-

Briefkaarten met kritische teksten brengen het almachtige nazi-apparaat in grote beroering jacht vanuit het perspectief van de gevangenen, de kampleiding én mensen die op de een of andere manier bij de gevangenen betrokken zijn. Eén voor één vallen de ontsnapte gevangenen weer in handen van de Gestapo, op één man na. Tot grote frustratie van kampcommandant Fahrenberg lukt het maar niet om deze laatste gevangene, Georg Heisler, te pakken te krijgen. En zo spitst de roman zich steeds verder toe op deze ene vluchteling: zal Heisler erin slagen de grens over te komen en zich definitief aan de greep van de nazi’s te onttrekken? Anders dan Keilsons soms taaie maar desalniettemin indrukwekkende monoloog-in-romanvorm is Het zevende kruis een erg spannend oorlogsverhaal. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de roman, die in 1942 voor het eerst verscheen, al in 1944 in Amerika verfilmd is. De kracht van het boek is dat Seghers de vooroorlogse naziterreur – de roman speelt in 1937 – zeer invoelbaar weet te maken. Aanvankelijk

waren de Duitse concentratiekampen niet voor de joden, Roma en Sinti bedoeld, maar voor politieke tegenstanders. Onder de Duitse bevolking was het geen geheim dat Hitler sociaaldemocraten en communisten naar de kampen liet afvoeren. Veel mensen die zich tegen Hitler zouden willen verzetten, lieten dat na uit angst om zelf gevangen genomen te worden. Deze angst speelt een belangrijke rol in de roman. Heislers oude vrienden durven hem niet te helpen, of willen wel maar weten niet hoe. Maar Seghers’ boodschap is uiteindelijk een hoopvolle. De mensen die er desondanks voor kiezen om Heisler te helpen gaan zich er allemaal beter door voelen, ook al lopen ze het risico hun medewerking met martelingen of de dood te moeten bekopen. In Alleen in Berlijn (Jeder stirbt für sich allein) is dat lang niet altijd het geval. Hans Fallada was niet, zoals Keilson, van joodse komaf en afficheerde zich niet, zoals Seghers, als communist. Ook heeft hij zich tijdens de oorlog nooit nadrukkelijk tegen het naziregime uitgesproken en hoefde ook daarom niet, zoals Keilson en Seghers, de wijk te nemen naar het buitenland. Als Daheimgebliebene had hij wellicht een realistischer beeld van de Duitse samen­ leving onder Hitlers bewind. Bovendien schreef hij zijn roman in 1946 en had hij dus alle reden om niet optimistisch te zijn over mogelijk Duits verzet. In ieder geval zijn de Duitsers in Alleen in Berlijn nog angstiger dan in Het zevende kruis en blijkt elke vorm van verzet tot mislukken gedoemd. Fallada’s roman begint als de Tweede Wereldoorlog in volle gang is. De Quangels, een ouder arbeidersechtpaar, ontvangt bericht dat hun enige zoon aan het front gesneuveld is. Het stel, dat aanvankelijk best over Hitler te spreken was, keert zich af van de partij en begint in het geheim briefkaarten met kritische teksten te schrijven en te verspreiden. Briefkaarten die weliswaar niet de gewenste uitwerking op hun lezers blijken te hebben, maar wel het almachtige nazi-apparaat in grote beroering brengen. Naast de Quangels volgen we in de roman een

RIA Novosti / HH

door Fleur Kief


groot aantal andere personages die allemaal op de een of andere manier aan het echtpaar gelieerd zijn, figuren van zeer divers pluimage: van doortrapte schoften tot gelegenheidsfouteriken en van toevallig barmhartige Samaritanen tot rechtschapen verzetsleden. Fallada zet al deze personages trefzeker neer. Het zijn eenvoudige types zonder dubbele bodem, soms wat karikaturaal. Maar omdat het boek zoveel personages telt, werkt dat juist goed: ieder heeft zijn rol te vervullen. Dat Fallada’s stijl veeleer journalistiek dan literair is – veel minder literair dan bijvoorbeeld die van Seghers – komt het verhaal ten goede. Waar je bij Seghers soms moe wordt van de wat hoogdravende, romantische landschapsbeschrijvingen raak je verstrikt in Fallada’s Berlijn met zijn grote appartementgebouwen en zijn schimmige kroegjes. De roman leest dan ook alsof deze net zo goed vorige week verschenen kon zijn. Niet per se een vereiste voor goede literatuur, maar in dit geval wel belangrijk. Doordat Fallada erin slaagt de afstand tussen toen en nu te overbruggen maakt hij de situatie in Duitsland invoelbaar, meer nog dan Keilson en Seghers. Dat is, denk ik, precies wat we in oorlogsromans zoeken. En dat deze specifieke romans in zekere zin ooggetuigenverslagen zijn, vergroot hun zeggingskracht nog. Met het verstrijken van

‘Zo schiep hij zich in mij een evenbeeld en wist van dat ogenblik af: wie ik niet ben, weet ik nu goed’ de jaren is er voldoende afstand tussen ons en de Tweede Wereldoorlog ontstaan om genuanceerder over het Duitsland uit die tijd te kunnen denken. Om niet langer te willen vergeten, maar te willen begrijpen. Deze belangstelling wordt in Nederland wellicht nog verder aangewakkerd door de veranderde kijk op ons eigen land tijdens de oorlogsjaren. Want het is ons gaan dagen (we ‘herinneren’ ons) dat Nederlanders zich tijdens de bezetting zeker niet voorbeeldig gedragen hebben. Of zoals Merlijn Schoonenboom opmerkt in zijn Waarom we ineens van Duitsers houden: ‘Ineens had niet iedere opa in Nederland in het verzet gezeten, en bleek vijfenzeventig procent van de Nederlandse Joden te zijn vermoord, een percentage dat alleen in een reeks Oost-Europese landen hoger ligt.’ De dilemma’s in deze romans zijn dus niet louter Duitse dilemma’s maar even goed Nederlandse. Of, vanuit een wat abstracter perspectief, universele. De kracht van deze boeken is dat ze tonen

dat, naast de wreedheid, de angst regeerde. De angst voor iets in jezelf, iets wat schrik aanjaagt en wat je op de ander projecteert. En dan vervolgens die ander geweld aandoen, in de hoop daarmee dat iets te kunnen vermorzelen. ‘Zo schiep hij zich in mij een evenbeeld en wist van dat ogenblik af: wie ik niet ben, weet ik nu goed. Alles wat hij in zichzelf verzweeg en waarmee hij niet in het reine kon komen, zag hij in mij’, laat Keilson zijn jongeman denken. En ook de angst – niet de onwetendheid – die maakt dat mensen gewoon doorgaan met hun leven terwijl hun buren van hun bed worden gelicht en naar de kampen worden gesleurd. De angst voor je gezin, de angst om zelf de volgende te zijn. Want iedereen heeft ooit wel iets gezegd of gedaan wat niet strookt met de partijlijn. ‘[Er] is onder die tachtig niet één die niet op de een of andere manier een overtreding tegen de staat heeft begaan, al is het maar door één verkeerd woord. Iedereen wordt bedreigd. Ieders leven is in gevaar. Iedereen is bang’, schrijft Fallada. Alle drie schrijvers laten zien dat als we de wreedheid laten woekeren omdat we bang zijn we alles wat we vrezen te verliezen in zekere zin al verloren hebben. De romans vertellen elk op hun manier wat er misging en hoe het nog steeds mis kan gaan. Daarom moeten ze gelezen worden, ook over vijftig jaar nog. 28.11.13 De Groene Amsterdammer 21


RONALD SNIJDERS FEDOR VAN ELDIJK

Nieuwe korte verhalen In de boekhandel € 17,90

In de boekhandel € 15,-

w w w. d e h a r m o n i e . n l

RONALD SNIJDERS FEDOR VAN ELDIJK

In de boekhandel € 15,-

w w w. d e h a r m o n i e . n l

w w w. d e h a r m o n i e . n l


Meanderend richting de ondergang – en terug door Mark Schaap New York, zomer 2012. In een tweedehands boekhandel verzamelt zich een opgewonden publiek voor een literair optreden. Als je niet een uur van tevoren gekomen bent, moet je een plek op de grond of op de trap zoeken. Volgens een ooggetuige, de schrijver Hari Kunzru, is László het publiek voornamelijk Krasznahorkai jong en hip, twintigers Satanstango van wat we in Nederland Vertaald door de Literaturfest-generatie Mari Alföldy, Wereldbibliotheek, zouden noemen. De gast is een 58-jarige Hongaar. 315 blz., € 24,90 Hartelijk neemt hij het langdurige applaus bij zijn opkomst in ontvangst. Maar deze plotselinge buitenlandse roem moet bij László Krasznahorkai zelf de nodige verbazing hebben opgeroepen. Het is dan ook tamelijk onbegrijpelijk dat een roman uit het communistische Hongarije anno 1985 een literaire hit zou worden onder de hipsterjeugd van literair Brooklyn. Maar toch, in elke hippe koffiebar in Brooklyn hoorde je er vorige zomer pas echt bij als je Satanstango aan het lezen was. Satanstango en zijn latere roman Háború és háború veroverden de afgelopen jaren tal van landen. Er verschenen vertalingen in het Turks, Bulgaars, Hebreeuws, Frans, Spaans, Pools en zo nog wat talen. Krasznahorkai is onder cinefielen bekend als scenarist van de arthousefilmer Béla Tarr. De verfilming die Tarr in de jaren negentig maakte van Satanstango heeft door zijn lengte (zeven uur en vijftien minuten) en door de in gruizig zwart-wit geschoten en tot knappen uitgerekte scènes van koeien in de modder een aanzienlijke cultstatus gekregen. Maar buiten ­Hongarije (waar hij een succesauteur is) en Duitsland (waar hij woont) was Krasznahorkai als ­schrijver tot voor kort volslagen onbekend. Zelfs in ­Duitsland, waar alle Midden- en OostEuropese literaire herontdekkingen hun oorsprong vinden, werd Satanstango pas na twintig jaar weer eens herdrukt. Nu is zijn canonisatie in volle gang, met aandacht in The New Yorker, The New York Review of Books, gastdocentschappen, literaire festivals en gefluister over Nobelprijswaardigheid. Aan Nederland lijkt de wereldwijde opleving in de waardering voorbij te gaan. Dat is een grote vergissing, want Krasznahor-

kai is een zeer groot auteur en Satanstango is een meesterwerk. De werkelijkheid onderzoeken tot het punt van waanzin, dat wil Krasznahorkai. Hij mag dan een realist zijn, maar dan wel zoals Beckett, Bolaño, Sebald en Saramago realist zijn. Schrijvers die de werkelijkheid wel onderzoeken maar ze niet in keurige pakketjes willen afleveren. Ook Krasznahorkai heeft een hekel aan de punt en de alinea: kunstmatige afspraken, geen realistische weergave van alledaags taalgebruik. Daarom bestaat Satanstango uit lange, tor­tueuze zinnen die maar geen alinea willen vormen. Zinnen die gemakkelijk een halve pagina kunnen beslaan. Zinnen die de lezer geen ontsnapping geven uit het vertroebelde denken van de personages. Zinnen die ook als ze meanderend verdwalen zo grammaticaal precies zijn dat ze de lezer op een cadans meevoeren richting de ondergang. Want de ondergang is Krasznahorkai’s terrein. Satanstango zit vol met onheil en ondergang, alles is op weg naar de grootst mogelijke entropie, de totale desintegratie, de Apocalyps.

dat hun verlosser, Irimiás, de man die alles weer goed zal maken, terugkeert. In die bange uren in afwachting, die beginnen met het gerucht van zijn terugkeer en zullen eindigen met zijn eerste stap over de drempel, speelt zich een hallucinant tafereel af waar onder invloed van drank mannen de echtgenotes van hun buurman ­bepotelen. Godvrezende vrouwen hun buurvrouwen begeren. Waar tango wordt gedanst tot men uitgeput ter aarde stort. Er wordt in decolletés gegrepen, in een hoek wordt de overtollige wijn uitgekotst en er wordt nog meer palinka gedronken. Een kat wordt vergiftigd en er wordt overspel gepleegd. Als de zon de volgende dag opkomt, stapt híj over de drempel. Dan ontvouwt zich een verhaal over verraad, oplichting, bederf, over valse hoop en zelfverblinding. Een verhaal dat eindigt in zelfmoord en exodus en diaspora. In chaos. Of eindigt het niet? Want de dokter van de gemeenschap, de kluizenaar die zich tot doel heeft gesteld het verval buiten te houden door het minutieus observeren en noteren van de

Satanstango (1994) in de regie van Béla Tarr

Toen de roman in 1985 verscheen projecteerde men Krasznahorkai’s zwartgallige boodschap op het leven in een dictatoriaal communistisch regime, maar nu lijkt hij wel commentaar op de neoliberale consumptiemaatschappij te geven. En dat is nu juist de kracht van ware literatuur: de boodschap is universeel en van alle tijden. Het verhaal begint op de laatste dag voordat de regens beginnen. De regens zullen maanden aanhouden en de wereld onbegaanbaar maken. De laatste bewoners van een ontmantelde collectieve boerderij wachten op niets als zij horen

Er wordt in decolletés gegrepen, in een hoek wordt de overtollige wijn uitgekotst en er wordt een kat vergiftigd

werkelijkheid van zijn buren, komt tot het goddelijke inzicht dat hem een magische gave is gegeven: verbeelding. ‘Puur met woorden kan ik de structuur van de gebeurtenissen om me heen bepalen.’ En de eerste verzonnen woorden die de dokter schrijft zijn de laatste van de roman maar ook de openingswoorden van de roman: ‘Op een ochtend tegen eind oktober, vlak voordat de eerste druppels van de onbarmhartig lange herfstregens op de gebarsten grond van het verdorde land ten westen van de kolonie zouden neerdalen (waarna door de stinkende modderzee de landwegen tot het invallen van de vorst onbegaanbaar zouden zijn, zodat ook de stad niet meer te bereiken was), werd Futaki wakker van het gebeier van klokken.’ Zo bijt het verhaal zich in zijn eigen staart en gaat het weer zes hoofdstukken op en weer zes hoofdstukken af, van creatie naar destructie naar creatie. In een eeuwig durende tango. 28.11.13 De Groene Amsterdammer 23


Het (on)gelijk van Enno Develing

Weg met de romankunst In 1968 kreeg Enno Develing met zijn betoog Het einde van de roman zowat de hele literaire goegemeente over zich heen. Romans zeurden steeds meer over zichzelf, vond Develing. Aan Kees ’t Hart was deze provocatie wel besteed. door Kees ’t Hart

24 De Groene Amsterdammer 28.11.13

Links: zijn roman Het Kantoor (1973) liet Develing begeleiden door vier singletjes met kantoorgeluiden

had hij een open zenuw geraakt. ‘Iedere roman gaat zonder uitzondering over de schrijver zelf ’, schreef hij, ‘en zo het (die roman dus – kth) al enige informatie verschaft is dat informatie over de schrijver, wat misschien aardig is voor zijn familie en kennissen, maar nauwelijks voor een willekeurige lezer.’ Toen ik dit jaren geleden voor het eerst las, was ik meteen bij de les, herinner ik me. Zei iemand nu eindelijk wat ik al lang stiekem af en toe dacht? ‘Op deze manier wordt de lezer in een passieve rol gedwongen. Hij heeft maar te slikken wat de schrijver hem voorschotelt. Het enige wat hij kan doen is de roman ter zijde leggen en te kennen geven dat hij het niet mooi vindt (iets wat met de meeste literaire romans inderdaad gebeurt).’ En dit dus al in 1968. En neem dit: ‘De schrijver veracht in wezen zijn lezer, beschouwt hem als een geestelijke analfabeet en plaatst zichzelf op een zo hoog plan, dat hij serieus meent dat zijn persoonlijke voorkeuren, meningen, gevoelens en wat al niet meer voor een lezer

‘De schrijver veracht in wezen zijn lezer, beschouwt hem als een geestelijke analfabeet’

Wolson / Collectie Letterkundig Museum

Rechts: Enno Develing tijdens de opening van de tentoonstelling Het Kantoor in het ­Letterkundig Museum in Den Haag, januari 1973

Collectie Letterkundig Museum

De roman staat onder druk. In vrijwel alle studies over literatuur kom je deze of een vergelijkbare zin tegen. Recent nog schetste Oek de Jong in Wat alleen de roman kan zeggen een schril beeld van wat de televisie, het internet en de sociale media aan verwoestingen in deze ooit zo geliefde vorm van kunst hebben aangericht. De (lees)cultuur is veranderd, de beeldcultuur rukt op, lezers zijn veranderd en vroeger komt niet meer terug. Laten we maar met romans ophouden, zou je zeggen na al dit gesomber, maar die conclusie trekt De Jong niet. Volgens hem moeten we een ander type roman gaan schrijven, niet willen concurreren met de beeldcultuur en internet. Een roman waarin ons ‘diepe ik’ zich openbaart. Een roman die zegt wat je anders niet kunt zeggen, een roman waarmee steeds diepere lagen van ons leven kunnen worden gepeild. Een roman die hij met Pier en Oceaan zelf al schreef, bedoelt hij natuurlijk. Mij lijkt het sterk dat je hiermee de horden en barbaren van de televisie en nieuwe media van je af weet te schudden, maar je weet nooit en ik sluit niet uit dat zelfs ik een dergelijke roman (zestienhonderd pagina’s, oplage 412 exemplaren, aanmoedigingsprijs van de stad Gent) in elkaar zet. Wat zou Enno Develing (1933-1999) hierover een plezier hebben gehad! Al in 1968 publiceerde hij onder de titel Het einde van de roman een betoog over de ondergang van de romankunst, waarin hij wees op de impact van de televisie. Zijn boek werd vernietigend besproken. Ook al omdat juist in die tijd de romankunst in Nederland als nooit tevoren bloeide. Mulisch, Hermans, Haasse, Reve, Wolkers schreven hun meesterwerken, de oplagen waren enorm. Develing was dus duidelijk een feestbederver. Wat dacht hij wel. Hoe durfde hij te suggereren dat het maar eens helemaal uit moest zijn met dat geneuzel in romans. Dat schrijvers ermee moesten ophouden, of in ieder geval het roer helemaal moesten omgooien. Develing wist natuurlijk best dat hij op tere schrijvers- en lezerszieltjes trapte, hij hield van jennen, en daarom maakte hij zijn betoog zo polemisch mogelijk. Het is achteraf komisch om te zien hoe verbeten de literaire goegemeente destijds op zijn vaak terechte, snijdende en niet zelden geestige afrekening met de romankunst en romanschrijvers reageerde. Blijkbaar

interessant zijn, hetgeen van een grenzenloze zelfoverschatting getuigt.’ Zeg dat wel, dacht ik destijds en ik denk het nu vaak nog als ik een roman lees. Wanneer gaat het eens over zaken die ik nog niet weet, of over iets anders dan de zelfmedelijdende belevenissen van de schrijver die een beetje aanpassingsproblemen heeft of denkt te hebben? Wanneer verheft de schrijver zich een keer niet boven de massa en blijft hij zelf een keertje niet buiten schot? De huidige romankunst informeert niet meer, stelde Develing. De achttiende- en negentiende-eeuwse romans (die van schrijvers als Balzac, Zola, Tolstoj) verschaften ‘informatie in maatschappelijk, religieus en sociaal opzicht over hun tijd’. Dat is voorbij, de roman is verworden tot een van de werkelijkheid losgezongen kunstvorm. De ‘individuele expressie’ van naoorlogse schrijvers als Kerouac, Sartre, de nouveau roman, werd doel op zich, werd tot ‘officiële kunst’. Romans zeuren steeds meer over zichzelf, vond hij, over kleine liefdesperikelen, over gebrek aan communicatie, over onwil, over het (on)geluk van de schrijver. ‘Het zijn niet de schilderijen van Karel Appel of de ontboezemingen van Gerard Kornelis van het Reve die het wezen van onze tijd vertonen, maar de Brienenoord brug, de Delta werken en het nieuwe Schiphol.’ Wat werden ze in 1968, toen er allerlei overspannen ideeën over kunst en vrijheid circuleerden, kwaad over dit soort opinies! Hij pleitte


voor een romankunst die geen kunst meer wilde zijn, en het ook niet meer was, maar die wel direct van belang was voor het leven zelf. Verrassend is dat hij in zijn boek voortdurend in het krijt trad voor de kunstopvattingen van Mondriaan, die de kloof tussen Kunst en Leven wilde opheffen. Het is bijna ontroerend om te zien hoe zacht en bijna teder Develing altijd over Mondriaan en zijn navolgers schreef. Daar schuilt nog het oude idealisme en utopisme van de kunst, vond hij, daar moeten we heen! Hij toonde zich in die passages een echte kunstromanticus. Ook musea hadden in zijn ogen geen enkel bestaansrecht meer, het zijn verzamelplaatsen voor dooie kunst op dooie muren. Wat zou hij snijdend en treffend geschreven hebben over de huidige windhandel in topkunst! Develing speelde overigens een belangrijke rol in de opkomst van minimal art in Nederland. Hij werkte voor het Gemeentemuseum in Den Haag en organiseerde een aantal belangrijke tentoonstellingen, onder andere over het werk van Sol LeWitt. Wie de geschiedenis hiervan in Nederland wil schrijven, kan niet langs zijn bijdragen. Develing nam zijn eigen opvattingen serieus, hij trok zijn conclusies. Hij schreef na zijn nog tamelijk traditionele romandebuut Alberto en ik (1964) drie ‘projecten’ – het begrip ‘roman’ wilde hij niet meer gebruiken: Voor de soldaten (1966), De maagden (1968) en Het kantoor

(1973). Op de rol stond nog het project AjaxFeijenoord, maar daar kwam het niet meer van, hij werd ziek en stierf in 1999. Ik las ze vroeger alle drie en vond ze geweldig. Zo vreemd kon literatuur dus ook zijn. Wat een plezier had ik bijvoorbeeld met De maagden, ik vind het nog steeds zijn beste werk, waarin hij op koele, objectiverende en documentaire toon en ook krankzinnig gedetailleerd de ontmaagding van een meisje beschrijft. Met foto’s erbij. Hij beschrijft ruim tachtig pagina’s lang de fietstocht van het meisje naar het huis van haar vriend. Geen namen van straten, maar wie in Den Haag woont kan de tocht met het boek in de hand helemaal nafietsen. ‘Ze rijdt de fiets naar de trottoirrand en manoeuvreert hem vervolgens tussen twee geparkeerde auto’s door, een Volkswagen en een Opel Kadett, naar de met bakstenen geplaveide straat.’ Ook borden en aanplakbiljetten krijgen een precieze beschrijving. ‘Op de hoek is de winkel van een groenteboer. In witte waterverf staat met grote

Waarom zou je aan houdbare en uitvoerbare projecten werken? Dat doet iedereen al. Iedereen schrijft romans

letters op de winkelruit geschreven: 10 kilo aardappelen 1,95; andijvie gesneden kilo 50; hand­peren triumf sap sap!! Kilo 39, James extra 89; tomaten heel kilo 49. Boven de deur hangt een emaille bordje met Div. Dranken ’t Hoekje Conserven.’ Aan mij was dit wel besteed, ik heb er echt keihard om gelachen. Develing wilde een zo objectief mogelijke beschrijving van de werkelijkheid geven. Niet zoals een ‘kunstschrijver’ die kunstzinnig interpreteert. Zonder literair gedoe, geen flashbacks, geen vooruitblikken, rechttoe rechtaan de werkelijkheid zelf. De schrijver moest geheel verdwijnen. Geen taalspelletjes, taal mocht van hem alleen fungeren als informatiedrager. In Het einde van de roman verdedigt hij deze projecten uitvoerig. Alleen zo kan literatuur zijn informatieve taak terugkrijgen, betoogde hij. Ook de paginalange beschrijving van de ontmaagding van het meisje kreeg een volstrekt koele en objectiverende toon mee. Wie zit te hopen op pornografische scènes komt bedrogen uit. ‘Zijn hand is nu tussen de wat vochtige schaamlippen gekomen en beweegt daar zachtjes van beneden naar boven en vice versa. Hij zegt dat ze niet bang moet zijn. Tegelijkertijd haalt hij zijn penis uit zijn broek en duwt hem tegen haar dij.’ Develing nam in dit curieuze boek ook tientallen verhalen op van vrouwen over hun ontmaagding. Het zijn letterlijk uitgeschreven weergaven van opnamen met een bandrecorder. Inclusief de versprekingen, herhalingen, kromme zinnen, nergens is ingegrepen. En dat levert prachtige, openhartige, vaak ingehouden emotionele, soms schrijnende miniatuurtjes op. ‘En de ontmaagding zelf vond ik op dat moment, op dat moment vond ik ’t heel erg goed, erg fijn, op dat moment, maar die avond heb ik wel gehuild.’ De kritiek was vernietigend. Er verschenen veel kwaadaardige recensies, over aandacht had hij niet te klagen. Bijna iedereen maakte het boek met de grond gelijk (op Paul de Wispelaere na). Develing was een tijdje de boeman van de literaire wereld. Ik denk en hoop dat hij daar tevreden over was. Dit was geen literatuur meer, schreef men, en het was filosofisch allemaal onhoudbaar, objectiviteit bestaat namelijk helemaal niet. Develing sprak zichzelf tegen, vond men, hij gaf wel degelijk interpretaties, hij koos wel et cetera et cetera. Allemachtig, wat hadden ze gelijk. En wat waren ze daar tevreden over, wat waren ze trots op hun gelijk en wat kan ik daar nu nog kwaad over worden. Develing werkte aan een uitgesproken utopisch (en romantisch) project, je moet wel blind zijn als je dat niet ziet, het is pijnlijk dat destijds vrijwel niemand het voor hem opnam. Natuurlijk wist hij zelf heel goed dat zijn ‘projecten’ onhoudbaar waren, onuitvoerbaar en tot de literaire afgrond zouden leiden. Maar who cares? Waarom zou je aan houdbare en uitvoerbare projecten werken? Dat doet iedereen al. Iedereen schrijft romans. Weg met de romankunst. Wat is er niet mooier dan ongelijk te hebben en je daar nooit maar dan ook nooit bij neer te leggen? 28.11.13 De Groene Amsterdammer 25


Socialistische bestseller

Buchenwald, 2010

Als zeventienjarige hield Bruno Apitz (1900-1979) een anti-oorlogstoespraak voor arbeiders, met een arrestatie tot gevolg. Hij schreef zijn eerste gedichten in jeugdgevangenissen en tuchthuizen. In de jaren twintig werd hij lid van de kpd, de Duitse communistische partij. De nazi’s Bruno Apitz Naakt onder wolven stuurden hem als ‘politiek recidivist’ naar BuchenVertaald door wald, waar hij houtsnijMarten de Vries. werk vervaardigde voor Cossee, 554 blz., hoge SS’ers. Na de oorlog € 29,90 werd hij in Oost-Duitsland theaterdirecteur en schreef partijpolitieke propaganda. Zijn roman Naakt onder wolven (1958), die de machthebbers aanvankelijk niet zagen zitten, werd een groot succes. Na jaren van armoede ontving Apitz de hoogste staatsonderscheidingen en mocht hij vanuit de ddr afreizen om bijeenkomsten voor schrijvers in het buitenland te bezoeken. Al tijdens zijn leven werden in de ddr scholen, straten en een schip naar hem vernoemd. In Naakt onder wolven neemt Apitz het waargebeurde verhaal over kampbewoners die een Pools jongetje redden door het verborgen te houden voor de SS als uitgangspunt voor een antifascistische roman. De kampbewoners zijn uit verschillende landen afkomstig, maar met elkaar in solidariteit verbonden. Onder leiding van een communistische verzetsgroep worden ze één en houden ze het driejarige kind met gevaar voor eigen leven uit handen van de nazi’s. De roman geeft de werkelijkheid in het kamp weer: de bagagekamer, het crematorium, het poortgebouw. Je ziet de gevangenen binnenkomen, hun spullen afgeven en verdwijnen. Apitz beschrijft gedetailleerd de reusachtige schijnwerpers die ’s nachts op het appèlplein schijnen, de barakkenblokken, de badruimte, het grauwe en mensonterende leven in een kamp waar de laatste oorlogsmaanden zoveel gevangenen worden opgenomen dat ook de SS het overzicht verliest. 26 De Groene Amsterdammer 28.11.13

Cyril Bitton / Polaris / HH

door Jerker Spits

Uitgeverij Cossee heeft de onlangs in Duitsland verschenen eerste versie van het manuscript uitgebracht. De tegenstellingen tussen goed en fout zijn hierin minder sterk aangezet dan in de versie die in de ddr mocht verschijnen. Daarnaast bevat deze versie enkele passages waaruit blijkt hoe de verzetsstrijders worstelden met hun rol: de ‘blokoudsten’ moeten voor de SS de lijsten voor het transport naar het vernietigingskamp Bergen-Belsen opstellen. De naam Bergen-­Belsen ontbrak in de druk die in de ddr verscheen. Het zou afbreuk hebben gedaan aan de heldenstatus die de communistische verzetsstrijders in de ddr genoten. Ook deze eerste versie van de roman kan de stilistische zwaktes van de schrijver echter niet maskeren. De beeldspraak is soms scheef of ongelukkig (‘als een gas had het evacuatie­ gerucht zich vermengd met de kamplucht’). Apitz, die een literair monument wilde oprichten voor zijn communistische kameraden, neigt

‘Alleen een schot uit het pistool van een beest in grauw kon die glans tot zwijgen brengen’

naar pathos: ‘Dood noch nood had het licht in hun ogen kunnen vertroebelen. Fakkels waren het, in de diepte van vernedering gaven ze nog altijd licht. Alleen een schot uit het pistool van een beest in grauw kon die glans tot zwijgen brengen. Maar ook dan zou hij uitdoven als een ster die stil ondergaat, en het donker van de dood zou een zachte sluiter worden die eeuwige schoonheid omhult.’ Vanwege dat pathos en de in haar ogen te simplistische tegenstelling tussen goed en fout noemde Ruth Klüger, de schrijfster die zelf als kind Auschwitz overleefde, Naakt onder wolven een ‘kitschroman’. Het waren alleen niet zozeer de twijfels aan de stilistische gaven van de auteur die de ddrautoriteiten aanvankelijk kritisch stemden. Het ging hun om de rol die de communisten in het bestuur van kampen hadden gespeeld. Hun verwevenheid met de nazi’s maakte hen in de ogen van de communistische leiders ongeschikt als morele autoriteit. De hoogste leiders van de sed, zoals Walter Ulbricht, zaten tijdens de nazi-tijd in Moskou; ook om hun machts­positie te ­behouden was hun er veel aan gelegen de uit tuchthuizen en concentratiekampen terug­ gekeerde communisten in diskrediet te brengen. Maar dat inzicht veranderde, en dus kon Naakt onder wolven verschijnen. Het boek sloot aan bij een geschiedschrijving waarin de ddr zich als het ‘betere Duitsland’ op een traditie van antifascisme beriep. Het fascisme zelf en zijn oorsprong, dat was en bleef lange tijd uitsluitend een zaak van het kapitalistische Westen – waar de fascisten immers nog altijd aan de macht waren. In die traditie van heldendom en lichtende voorbeelden staat Naakt onder wolven. Die politieke propaganda maakt de roman voor de lezer van vandaag eerder historisch interessant dan literair overtuigend.


xx.xx.12 De Groene Amsterdammer 27


Een ode aan de literatuur

Vijftien jaar wereldliteratuur in het befaamde tijdschrift AVENUE onder redactie van Cees Nooteboom. Met deze schitterende facsimile-uitgave viert De Bezige Bij de 80ste verjaardag van haar auteur.

nu in de boekhandel

Profile for De Groene Amsterdammer

Athenaeum Boekhandel  

Herontdekte klassiekers

Athenaeum Boekhandel  

Herontdekte klassiekers

Advertisement

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded