Issuu on Google+

5 jaar Spui25

Tussen feit en fictie John Gray over mythen in de politiek / Robert Darnton over de toekomst van het boek / De inspiratie van Louise O. Fresco, Joep Leerssen, Lieve Joris, Henk van Os, Abram de Swaan en vele anderen


Leapp.nl, gebruikt met de service en garantie van nieuw! Nieuwprijs € 1.099,-

Nieuwprijs € 2,299,-

Bij Leapp

Bij Leapp

499

,-

1.399

,-

€499,-

Inclusief 12 maanden garantie

Inclusief 12 maanden garantie

Nieuwprijs € 1.199,-

Nieuwprijs € 1.499,-

Bij Leapp

Bij Leapp

699

,-

Inclusief 12 maanden garantie

Leapp Store Amsterdam

In onze showroom nodigen wij u graag uit om ons gehele assortiment aan gereviseerde & ex-demo Apple producten te komen bekijken. Allemaal voor een fractie van de nieuwprijs. U kunt ook bestellen via leapp.nl, dan heeft u de bestelling de volgende dag in huis. www.leapp.nl - sales@leapp.nl - tel. 088-1005120

579

Inclusief 12 maanden garantie

,-


Colofon De Groene Amsterdammer groene.nl Deze bijlage kwam tot stand in samenwerking met SPUI25 SPUI25.nl Hoofdredactie Xandra Schutte Vormgeving Christine Rothuizen (ontwerp) Fotoredactie Rachel Corner Eindredactie Rob van Erkelens, Hugo Jetten, Jorie Horsthuis Medewerkers Robert Darnton, Margot Dijkgraaf, Louise O. Fresco, Patrick van IJzendoorn, Joep Leerssen, Nina Polak, Niña Weijers Acquisitie Hans Boot Uitgever Teun Gautier SPUI25 Margot Dijkgraaf (directeur), Nathalie Rijk (projectmedewerker), Niña Weijers (programmamedewerker) Partners Academisch-cultureel centrum SPUI25 Universiteit van Amsterdam Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen Faculteit der Geesteswetenschappen Faculteit der Rechts­geleerdheid Faculteit der Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica Bureau Communicatie

Athenaeum Boekhandel Amsterdam University Press Amsterdamse Universiteits-Vereniging Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) Geesteswetenschappen Uitgeverij De Bezige Bij Mediapartner NRC Handelsblad Hoofdbegunstiger Van Doorne

Tussen feit en fictie 5 jaar Spui25 4 Levend magazine Inleiding Margot Dijkgraaf 5 Eeuwige kruisbestuiving Column Beelden en ideeën zijn soms nauwelijks traceerbaar Louise O. Fresco

pagina 5 Column Louise O. Fresco

6 ‘Doormodderen geeft stinkende wonden’ Interview John Gray over democratie, nationalisme en de crisis in Europa Patrick van IJzendoorn 8 Inspiratie – over de grens! Maarten Doorman, Micha Hamel, Lieve Joris, Henk van Os, Ed Spanjaard, Abram de Swaan & Sarah Vanhee 10 Op weg naar de e-monografie Essay Het boek zal altijd blijven bestaan Robert Darnton 14 ‘Plaats 48 of 49, wat maakt het uit?’ Interview Stefan Collini over de toekomst van de universiteit Margot Dijkgraaf 16 In het verdomhoekje Hoop voor de geesteswetenschappen Nina Polak 18 Grensverkenningen Column Wetenschap en kunst zijn complementair Joep Leerssen

pagina 6 John Gray

19 Programma

Omslag: No.5/No.22 door Mark Rothko, 1950 in het MoMa in New York, foto: Culture Images / HH

pagina 10 Essay Robert Darnton 13.09.12 De Groene Amsterdammer 3


SPUI25 bestaat vijf jaar

Levend magazine

monique kooymans

Bij SPUI25 geen loze kreten of oneliners, maar discussies over actuele thema’s en de kruisbestuiving tussen wetenschap en cultuur. De behoefte aan inhoud en verwondering is nog steeds groot. Door Margot Dijkgraaf

Vijf jaar geleden opende Academisch-cultureel centrum SPUI25 zijn deuren en inmiddels is het niet meer weg te denken uit het culturele en wetenschappelijke aanbod in de hoofdstad. Van twee activiteiten per week ging het centrum naar gemiddeld twee programma’s per dag met een totaal van ongeveer 220 per jaar. Honderden wetenschappers en mensen uit de culturele en kunstensector stonden de afgelopen jaren op het podium aan het Spui. De gemiddelde zaalbezetting ligt boven de negentig procent. Hoe is dit succes te verklaren? Wat zou dat betekenen? SPUI25 slaat een brug tussen wetenschap, cultuur en het publiek. Het beweegt zich tussen feit en fictie, geeft ruimte aan de wisselwerking tussen realiteit en verbeelding. Het is een levend magazine waar wetenschappers hun onderzoek over het voetlicht brengen, waar auteurs hun boek presenteren, academici en kunstenaars worden geïnterviewd en waar discussies worden gevoerd over allerlei actuele thema’s, van de toekomstige verhalen van Europa tot het ontstaan van het heelal, van mecenaat, de creatieve industrie tot de ‘zin en onzin’ van migratie of virussen. Het gaat, kortom, over de inhoud. Bij SPUI25 geen oneliners, geen loze kreten, geen opeenvolging van meninkjes. Wie SPUI25 bezoekt wil wat opsteken, wil weten welke inzichten wetenschappelijk onderzoek heeft opgeleverd, wat de culturele trends zijn en in wat voor wereld hij leeft. Hij is nieuwsgierig en onderzoekend, wil zich vertrouwd maken met wat niet meteen begrijpelijk is, hij wil nationale en internationale grootheden en kenners van een bepaald vak­gebied beluisteren. De SPUI25-bezoeker, jong of oud, komt om zich geestelijk te laven, om vragen te stellen, om mee te praten en zich een idee te vormen van actuele vraagstukken. 4 De Groene Amsterdammer 13.09.12

De universiteit moet een manier vinden om zich meer en beter met de maatschappij te verbinden, zegt Stefan Collini, hoogleraar cultuur­ geschiedenis in Cambridge, elders in deze bijlage. Dat geldt in even grote mate voor cultuur en de kunsten. Beide hebben te maken met stevige tegenwind. Beide moeten de legitimiteitsvraag beantwoorden. In Nederland, maar ook daarbuiten – zeker in tijden van crisis waarbij economische impact, valorisatie en toepasbaarheid hoog in het vaandel staan. De kunstenaar en de wetenschapper worden geacht ondernemer en manager te zijn, zich in het marktmodel te voegen en voor de samenleving relevante output te produceren. Tegelijkertijd dijt het universum uit en wordt de plek voor kunst en wetenschap kleiner. Binnen die randvoorwaarden dreigt de culturele inhoud, de wetenschappelijke kern, uit het oog verloren te worden. Precies op dat vlak beweegt SPUI25 zich: nu het denken in economische termen de overhand heeft, blijkt er een enorme behoefte te zijn aan inhoud, verwondering en fascinatie. De SPUI25-ganger is bezoeker maar ook deelnemer aan het debat. Hij vindt er inspiratie, verbazing, inzicht, schoonheid, zelfontplooiing. SPUI25, dat geen overheidssubsidie ontvangt, staat of valt met samenwerking tussen een aantal financiële en inhoudelijke partners. Van meet af aan faciliteerde de Universiteit van Amsterdam het initiatief en stelde onder andere de zaal ter beschikking, gelegen pal aan

Bijna elke activiteit heeft een academische én een culturele component

het boekenplein van Amsterdam. Aan de wieg van SPUI25 stonden ook Athenaeum Boekhandel, de alumnivereniging en de Amsterdam University Press, diverse faculteiten sloten zich aan, NWO Geesteswetenschappen, de knaw en uitgeverij De Bezige Bij. De samenwerking bleef geen vrome wens, maar leidde tot daadwerkelijke kruisbestuiving. Bijna elke activiteit heeft een academische én een culturele component. SPUI25 werd een community, een netwerk dat zich niet tot Amsterdam beperkt, maar sprekers én bezoekers van ver daarbuiten aantrekt. Vanaf 21 september viert SPUI25 zijn eerste lustrum, met een feestelijk programma rond het thema ‘De toekomst’. Hoogtepunten zijn de zesde SPUI25-lezing door de Britse politiekfilosoof John Gray (zie het interview met hem elders in deze bijlage); een ontmoeting met de directeur van de Harvard Library Robert Darnton (een artikel van zijn hand is ook opgenomen); een debat over vertrouwen in de wetenschap en over de creatieve industrie; een serie Inspiratie – over de grens!, over de wederzijdse inspiratie tussen wetenschappers en kunstenaars; en twee debatavonden over de toekomst van de geesteswetenschappen. Voor SPUI25 belangrijke persoonlijkheden krijgen carte blanche voor een avond over een onderwerp dat hun aan het hart gaat: voedsel, literatuur en geneeskunde, de Portugese dichter Pessoa, cultuur in de tijd van Thorbecke en Vondel. Kortom, u wordt bijgepraat, geïnformeerd, verbaasd, geprikkeld en uitgedaagd. Word vriend van SPUI25! Wees welkom! Margot Dijkgraaf is directeur Academisch-­ cultureel centrum SPUI25. Voor informatie over het programma: SPUI25.nl. Toegang is gratis, reserveren verplicht


Eeuwige kruisbestuiving Bevruchting tussen wetenschap en kunst gaat om een staat van verhoogde alertheid, gevoed door beelden en ideeën, soms nauwelijks traceerbaar. Door Louise O. Fresco Bevruchten wetenschap en kunst elkaar? Wat een vraag! Het makkelijkste antwoord – ja! – is meteen het grootste cliché. Het ligt voor de hand om iets te beweren als: wetenschap en kunst lijken op elkaar want ze worden ondernomen door kritische en creatieve geesten die hun eigen kompas volgen. Zowel wetenschap als kunst streeft schoonheid, elegantie en harmonie na. En omdat ze op elkaar lijken, bevruchten ze elkaar over en weer. Maar in zijn algemeenheid is dat onzinnig. Er zijn zoveel vormen van kunst, zoveel wetenschappelijke disciplines, zoveel persoonlijkheden. Wetenschap is vaak rommelig en onaf (en kunst soms ook). En wat is bevruchting nu eenmaal? Inspiratie, kopiëren, vervormen? En waar vindt die bevruchting plaats: tussen gebieden? Tussen mensen, of binnen dezelfde geest? Mijn indruk is dat meer kunstenaars geïnspireerd worden door de wetenschap dan omgekeerd. John Adams componeert een opera over Doctor Atomic, Rembrandt schildert De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp. De kruis­ bestuiving kan dus letterlijk zijn, het thema van de kunst zelf, zoals ook in De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch waarin de astronomie figureert. Maar ook indirect, bijvoorbeeld in de weerspiegeling van de nietigheid van de mens die de elementaire deeltjes en de evolutie oproepen. Omgekeerd werkt het niet zo concreet, een kernfysicus die in zijn onderzoek echt iets heeft aan de harmonieleer zal moeilijk te vinden zijn. Hoewel, er is een fraai onderzoekje van voedingsdeskundigen die op basis van afbeeldingen van Het laatste avondmaal schattingen maakten van hoe, door de eeuwen heen, de hoeveelheid eten op tafel en het gewicht van de apostelen toenamen. En er zijn natuurlijk al die chemici die onderzoek doen aan schilderijen. De bevruchting is optimaal, zou je kunnen zeggen, bij mensen die kunst en wetenschap in één persoon verenigen: Leo Vroman werkt aan eiwitten en dicht erover (We are written proteins). Maar dat is eerder zelfbestuiving. Toch, op een moeilijk grijpbare manier, bestaat er iets als bevruchting. Niet altijd is

Duitse vrouw in Venetië door Albrecht Dürer c.a 1505

het letterlijk zo dat een beeldhouwwerk, een toneelstuk of een aria een concrete aanleiding vormt. Inspiratie is vooral subtiel. Het is niet zo dat ik, als ik weer eens het schitterende Miserere mei van Gregorio Allegri hoor, bedenk hoe we de humanitaire hulp beter kunnen organiseren. Kruisbestuiving gaat veeleer om een staat van verhoogde alertheid, gevoed door beelden en ideeën, soms indirect, soms nauwelijks traceerbaar. Als onderzoeker, als schrijver en als passieve genieter van kunst ervaar ik voortdurend dat wetenschap en kunst op een zelfde continuüm liggen. Dat continuüm openbaart zich als ik tijdens een concert ineens een idee krijg voor een wetenschappelijk vraagstuk waar ik mee worstel, of tijdens een wetenschappelijke discussie denk: hé, dit gaat over mijn nieuwe roman. In mijn nieuwste boek heb ik talloze schilderijen opgenomen, omdat ze iets zeggen over hoe wij naar voedsel en de natuur kijken – en waarschijnlijk ben ik ook zelf daardoor anders gaan kijken. Meestal verloopt het proces van bevruchting associatief. Stel, je bent onderzoeker en je wilt die kruisbestuiving echt bestuderen, hoe pak je dat aan? Je nulhypothese stelt dat er géén bevruchting is,

Als je ergens intensief mee bezig bent lijkt alles relevant en inspirerend

maar hoe bewijs je de afwezigheid ervan? Lastig. Je kunt beginnen met een enquête onder een steekproef van kunstenaars, al is het verzinnen van vragen geen sinecure. Hoe direct moet je zijn? ‘Bent u, Anish Kapoor, bij het maken van Sky Mirror of Cloud Gate beïnvloed door a) de mechanica, b) de topologie, c) de satellietnavigatie, d) perspectiefvertekeningen in het menselijk oog, en e) geen van alle?’ Hiermee vang je niet de vage associaties die wetenschap in het brein van de kunstenaar oproept. En omgekeerd, hoe vraag je aan onderzoekers of, en zo ja, welke kunst een inspiratie is? De Duitse chemicus August (Friedrich) Kekulé, beroemd om zijn ontdekking van de chemische structuur van benzeen (een ring), zou zijn ingeving gekregen hebben door te staren naar vlammen in de haard. Maar misschien had hij daarvoor wel Dante gelezen over de wielen en vlammen van de hel (ntorno a li occchi avea di fiamme rote) of de ingewikkelde schakels van de ketting gezien op het beroemde schilderij Duitse vrouw uit Venetië (1507) van Dürer. Als een enquête geen uitweg biedt, dan blijft voor de onderzoeker het experiment open. Zet een onderzoeker en een kunstenaar bij elkaar, even schudden, en zie wat er gebeurt. Laten ze zich kruisbestuiven? Worden ze daardoor betere wetenschappers en kunstenaars? Enfin, u begrijpt wel hoe ongrijpbaar de ogenschijnlijk logische veronderstelling van kruisbestuiving tussen kunst en wetenschap is. Goed onderzoek vraagt altijd om een algemene theorie. Die hebben we niet, en we krijgen die misschien wel nooit. Dat is ook niet erg. Het belangrijkste is dat als je ergens intensief mee bezig bent alles relevant en inspirerend lijkt, al is het moeilijk om dat ongrijpbare proces in woorden te vangen. Dat is waar het bij kruisbestuiving om gaat, om eeuwige inspiratie, om niet-aflatende creativiteit, die geheimzinnige hybride van wetenschap en kunst.  Louise O. Fresco is universiteitshoogleraar aan de UvA; haar boek Hamburgers in het paradijs verschijnt in oktober 13.06.12 De Groene Amsterdammer 5


John Gray over democratie, nationalisme en de crisis in Europa

‘Doormodderen geeft stinkende wonden’

Bram Petraeus / HH

Dat we naast wetenschappelijke en technologische vooruitgang ook in ethisch en politiek opzicht vooruitgang boeken, is volgens de Britse politiek-filosoof John Gray een mythe. ‘De mens is daarvoor te onvolmaakt en ondeugdelijk.’ Door Patrick van IJzendoorn

6 De Groene Amsterdammer 13.09.12

Kiezen tussen goed en kwaad? Een mythe, beweert John Gray. Volgens de Britse politiekfilosoof mocht de moderne mens willen dat hij deze keuze had. In zijn sombere visie bestaan er alleen maar dilemma’s, en wel tussen verschillende gradaties van ellende. ‘Politiek moet niet worden gezien als middel tot verlossing, of een manier om het menselijk leven een betekenis te geven, maar simpelweg als een opeenvolging van lapmiddelen om terugkerende kwaden te bestrijden.’ Bedford Square heeft de grootste dichtheid blauwe gedenkplaten in het Verenigd Koninkrijk. Aan dit statige pleintje in de Londense intellectuelenwijk Bloomsbury hebben onder meer de medicus/filantroop Thomas Hodgkin, ingenieur Harry Ricardo en de feministe Millicent Fawcett gewoond, terwijl leden van de prerafaëlistische broederschap om de hoek hun domicilie hadden gekozen. Met deze helden van het vooruitgangsoptimisme vers in gedachten voelt het afdalen naar de kelder van The Wylie Agency op nummer 17 als een reis naar de

John Gray: ‘De mythe is dat er meer vrijheid komt zodra de tiran verdreven is’


wachtkamer van de danteaanse hel. ‘Laat varen alle hoop, gij die hier binnentreedt.’ Daar zit immers John Gray, de 63-jarige emeritus-hoogleraar Europese ideeëngeschiedenis die dankzij stemmige traktaten als Straw Dogs: Thoughts on Humans and Other Animals, Heresies: Against Progress and Other Illusions en Black Mass: Apocalyptic Religion and the Death of Utopia faam heeft verworven als de Schopenhauer onder de politiek-filosofen. Onderwerp van gesprek is ‘mythen’, en hoe schadelijk ze voor de volksgezondheid kunnen zijn wanneer ze ontsnappen uit kerken, tempels en moskeeën om zich als vleermuizen te vestigen in parlementsgebouwen, presidentiële paleizen en ministeries van buitenlandse zaken. ‘Op persoonlijk vlak kunnen mythen weinig kwaad’, zegt Gray, ‘een mens kan niet zonder. Het wordt problematisch als ze het fundament gaan vormen van politieke debatten en, erger, beslissingen. Goed, soms kan het geloof in mythen goed aflopen. Het afschaffen van martelen is mede te danken aan de verlichte ideeën van Montesquieu, Voltaire en Marie-Thérèse. Maar in het algemeen is het geloof dat we naast wetenschappelijke en technologische vooruitgang ook in ethisch en politiek opzicht vooruitgang boeken, een mythe. De mens is daarvoor te onvolmaakt en ondeugdelijk. Er hoeft maar iets te gebeuren, een epidemie, een revolutie of een oorlog, of we zijn weer terug bij af. De geschiedenis heeft dat al vaak aangetoond. Modern zijn biedt geen bescherming tegen misdaden. Dat moeten we onderkennen zodat we er rekening mee kunnen houden en we elkanders mallig­ heden kunnen tolereren.’ De stemming zit er goed in. Veel van Gray’s zinnen beginnen met de woorden ‘De geschiedenis heeft aangetoond…’ en ‘In werkelijkheid…’ Hij ziet zichzelf niet als een pessimist, maar als een realist, empiricus en scepticus in de beste Britse traditie. Zijn leermeester op Oxford was Isaiah Berlin, ‘de filosoof van de waardigheid’ zoals Gray hem noemt, over wie hij een boek heeft geschreven dat binnenkort opnieuw verschijnt. De Britse filosoof van Letse komaf heeft de gruwelen van de twintigste eeuw – communisme en nazisme - aan den lijve meegemaakt, wat heeft geleid tot scepsis jegens politieke mythen, utopieën en ver­gezichten. Bij Gray’s opsomming van mythen staat die van Marx bovenaan, gevolgd door Woodrow Wilsons droom van wereldvrede, de mythen van het nazisme en Francis Fukuyama’s voor­barige einde van de geschiedenis. ‘In de tijd dat ­Fukuyama zijn befaamde necrologie schreef, voorspelde ik dat de geschiedenis, na lange tijd te zijn bevroren, weer terug zou komen. De paradox was dat ik werd uit­gemaakt voor ruiter van de apocalyps en hij voor realist’, lacht Gray, voor wie altijd het gezegde ‘eerst zien, dan geloven’ geldt. Enkele keren tijdens het interview brengt hij momenten ter sprake waarin hij aanvankelijk voor filosofische spelbederver werd uitgemaakt, om jaren later alsnog gelijk te krijgen.

‘In de jaren negentig liepen er op de faculteit veel geleerden rond die na de definitieve val van het sovjetcommunisme hoopvol spraken over marktsocialisme. “Waar we over moeten praten, is de politieke theorie van het tsarisme”, zei ik toen. En dat was zo gek nog niet. Natuurlijk is Rusland geen tsarenrijk, maar de mengelmoes van nationaal-autoritaire politiek, een semi-geprivatiseerde inlichtingendienst, ­staatscontrole over grondstoffen en de herrijzenis van de orthodoxe kerk heeft er wel kenmerken van. Geschiedenis is een aaneenrijging van black jokes.’ Een soortgelijk terugkeer in de geschiedenis voorziet hij nu binnen de Europese Unie, een mythisch project waar Gray niet over uitgepraat raakt. ‘Het ultieme resultaat van de huidige crisis en de politiek van Angela Merkel is dat we over tien jaar weer terug zijn bij het einde van de negentiende eeuw, een sterk Duitsland omringd door enkele welvarende staten met een kleine euro als de nieuwe D-mark. De as Berlijn-Parijs is tegen die tijd voltooid verleden tijd.’ John Gray is geen geboren euroscepticus. Zelfs in zijn thatcheriaanse periode zag hij het nut

van radicale partijen. Het beste waar ze op kunnen hopen is een Argentijns scenario, waarbij opnieuw wordt begonnen, al besef ik dat Argentinië meer hulpbronnen heeft en een sterkere economie. Maar ik denk dat Europa zal kiezen voor doormodderen. Op korte termijn is dit minder pijnlijk, maar het geeft stinkende wonden. Er zal hogere inflatie komen, amper groei, en sociale onrust, niet alleen in de vorm van rellen, zoals in Athene, maar ook een herleving van het nationalisme. Wat er nu gebeurt in Hongarije vind ik erg beangstigend. Dat land heeft nu een semi-autoritair regime dat niet terugschrikt voor perscensuur en antisemitisme. Het is geen klassiek fascisme maar een postmoderne versie van oude tegenstellingen.’ De mythe die nu door de kredietcrisis is blootgelegd, bestaat volgens Gray uit het idee dat een feodaal systeem via de natiestaat langzaam vanzelf zal overgaan naar een boven­ nationale staat, een soort Verenigde Staten van Europa. Amerika is echter ontstaan op een stuk continent dat, op Indianen na, vrijwel leeg was, geen geschiedenis had. ‘Daar tegenover staat een lappendeken van natiestaten in Europa. Begrijp me niet verkeerd. Ik verafschuw natio­

‘Een bovennationale democratie werkt niet in Europa, simpelweg omdat er geen Europees volk is’

van de Europese gemeenschap in. ‘De EU is een kunstmatige constructie, opgezet na twee wereldoorlogen en nuttig tijdens de Koude Oorlog. Het zorgde voor welvaart en vrede, vooral dat laatste. Maar na de val van de Muur zijn Europese politici, doof voor kritiek, gaan lijden aan overmoed. Men wilde de unie verbreden en verdiepen. Dat kon natuurlijk niet. Neem alleen al de verschillen tussen Oost-Europese landen. Albanië is geen Polen en Polen is geen Slowakije. Over Turkije heb ik het niet eens. En nu is er de breuk tussen Noord- en Zuid-Europa. De echte problemen begonnen met het Verdrag van Maastricht. Toen al klonken er waarschuwingen. De Britse econoom Wynne Godley stelde dat een politieke unie zonder fiscale eenheid een doodlopende weg was. “Wat gebeurt er als een land – of een regio in een volledig geïntegreerde unie – met structurele problemen kampt?” vroeg hij. Wel, op deze vraag proberen Europese politici nu een antwoord te vinden. Joschka Fischer zei ooit dat elke crisis de Europese Unie versterkt, maar deze keer niet, vrees ik.’ Brussel staat nu voor een klassiek Graymoment, een keuze tussen twee kwaden, lood om oud ijzer, een dilemma. ‘Ik weet dat het Europees lidmaatschap voor de Grieken een existentieel gegeven is. Ze willen erbij blijven, maar ik denk dat ze beter af zijn buiten de Unie. Nog meer bezuinigingen zal leiden tot een verloren generatie en nog erger, een verdere opkomst

nalisme en ben niet voor de natiestaat, maar deze blijkt nu het plafond van de democratie te zijn. Een bovennationale democratie werkt niet in Europa, simpelweg omdat er geen Europees volk is. Er is een gebrek aan identificatie. Kiezers in Glasgow hebben niets met politici in Athene en de Grieken op hun beurt hebben niets met de Zweden. In het verleden is de vorming van naties vaak gepaard gegaan met een bloedige strijd. We hebben dat nu achter ons en ik wil het niet nog een keer meemaken. De natiestaat is niet ideaal, maar het werkt. De verworven stabiliteit moeten we niet op het spel zetten door het najagen van een utopie, van een folly.’ Het pragmatische idee ‘beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald’ komt naar voren in Gray’s nieuwe boek The Silence of ­Animals: On Progress and other Modern Myths. Daarin is een belangrijke rol weggelegd voor Arthur Koestler, de Brits-Hongaarse ­schrijver die bekend werd met zijn roman Darkness at Noon. ‘Koestler heeft altijd een parochiale, typisch Britse kritiek ontmoet. “Waarom moest hij zo utopisch en radicaal zijn?” luidde de vraag, “waarom was hij niet gewoon liberaal, en gematigd?” Wel, in het hart van Europa tijdens het interbellum kón dat niet. De samen­levingen waren te sterk gepolariseerd. Er was geen ruimte voor geleidelijke vooruitgang. Koestlers besluit om zich bij de communisten aan te sluiten was rationeel en verdedigbaar. Hij begreep 13.09.12 De Groene Amsterdammer 7


dat er voor gematigde vooruitgang gevestigde instituties nodig waren, een sterke middenklasse en een maatschappelijke balans. Koestler deed als communistische agent vreselijke dingen in de Oekraïne. Maar hij was bereid om de politieke mythe waarin hij geloofde achter zich te laten nadat hij met eigen ogen de menselijke prijs had gezien.’ Uiteindelijk ging Koestler, na te hebben gediend in het Vreemdelingenlegioen en samen met Walter Benjamin dodelijk gif te hebben ingenomen (Koestlers lichaam bleek echter te sterk), naar het vrije Groot-Brittannië, waar Winston Churchill net aan de macht was gekomen om de strijd aan te gaan met nazi-Duitsland. Ook dat was een dilemma, een keuze tussen twee kwaden. ‘Churchill had goed gezien dat vechten beter was dan de vredespolitiek. De dreiging van de nazi’s was reëel, het te vriend houden van Hitler was een mythe. Dat klinkt nu heel logisch, maar Churchill ontmoette indertijd veel weerstand.’ Over de hedendaagse interventies is Gray aanmerkelijk sceptischer. Ingrijpen op de Balkan had zijn zegen omdat er volgens hem een concrete dreiging was dat Europa volgens oude lijnen zou splijten, christelijk en islamitisch. De Irak-oorlog, daarentegen, heeft veel in hem losgemaakt. Tijdens het interview komt hij er regelmatig op terug, op het moment bijvoorbeeld dat de Amerikaanse diplomaat Paul Bremer in zijn countryclub-blazer in Bagdad uit het vliegtuig stapte. ‘Dat moment symboliseerde de neocon-mythe dat democratie een soort afhaalmaaltijd is.’ Maar ook het idee dat een verandering van een regime de bestaande situatie verbetert, beschouwt Gray als een mythe. ‘Goed, de Koerden en de sjiieten zijn erop vooruit gegaan in Irak, maar de vrouwen? De christenen? De homoseksuelen? Hetzelfde geldt voor Libië en nu voor Syrië. Tirannie is vreselijk, maar is een burgeroorlog niet erger? Biedt democratie altijd meer vrijheid? Is Egypte erop vooruit gegaan met de Moslimbroederschap? De mythe is dat er meer vrijheid komt zodra de tiran verdreven is.’ Na een kleine twee uur is het hoorcollege ‘De wereld volgens Gray’ voorbij. Maar waar staat hij zelf in de politieke woestenij? is de resterende vraag. ‘Een politicus moet zo realistisch, voorzichtig en sceptisch mogelijk te werk gaan. Hij moet weten dat het invoeren van wetten, hoe goedbedoeld ook, niet per se leidt tot een betere wereld’, zegt hij ontwijkend. ‘Wist je dat Francis Bacon, de schilder, Conservatief stemde? Hij zei dat Conservatieven het beste maken van een bloody bad job. Maar de Britse Tories zijn gek geworden en hebben wilde ideeën over vooruitgang. Nee, ik stem tactisch, op de partij die zich het sterkst kan verzetten tegen de grootste dreiging. Dit in lijn met mijn denken.’ John Gray geeft op 21 september de zesde SPUI25-lezing, over mythe en fictie in de hedendaagse politiek 8 De Groene Amsterdammer 13.09.12

Inspiratie — over de gr Micha Hamel Onbeladen vrijheid

‘Ik houd van onoplosbare vragen. Ik heb bijvoorbeeld een gedicht geschreven over het godsbewijs: “Het Godsbewijs is sluitend te krijgen door/ je een omgekeerd koken voor te stellen.” Daarin geef ik een definitief antwoord. Lamsbout en tijm vormen een hemelse combinatie, terwijl een lammetje tijdens zijn leven waarschijnlijk nooit tijm tegenkomt. Daaruit concludeer ik dat er iemand is die dat bedacht heeft. Aan de schepping ligt een ondoorgrondelijk meesterplan ten grondslag, waardoor wij kunnen ontdekken dat lamsbout en tijm bij elkaar passen. Met kunst kun je vragen op een andere manier beantwoorden. Ik werk vaak vanuit een hypothese. Vroeger was ik altijd bezig vooral iets héél goeds te maken. Als ik een strijkkwartet schreef, dacht ik: ik moet een goed strijkkwartet schrijven. Nu probeer ik de vraag te beantwoorden: hoe zou een strijkkwartet van mij klinken? Het stuk is het antwoord op die vraag. Zo ben ik ook dichter geworden. Hoe zou het zijn als ik gedichten zou schrijven? Die instelling heeft me een enorme opening gegeven, een onbeladen vrijheid. Nee, ik hoef niets te bewijzen, maar het moet wel aannemelijk zijn. Mijn gedicht Slapeloosheid heeft iets wetenschappelijks. Een man die niet in slaap kan komen verzint drie theorieën. De eerste is dat de psychologie is ontstaan na de fotografie. Dat is natuurlijk volstrekt speculatieve wetenschap. Toch vind ik het belangrijk dat je op deze manier theoretiseert: misschien is het probleem wel heel ergens anders in geworteld dan je zelf denkt. Ik ben altijd op zoek naar relaties van oorzaak en gevolg.’ (MD) Micha Hamel is dirigent, componist en dichter

Maarten Doorman Fascinerende paradox

‘Inspiratie is een beladen woord, maar als er een schrijver is die mijn schrijven heeft geïnspireerd, is dat Cervantes. In mijn boek De romantische orde probeer ik uit te leggen dat wij nog altijd in een romantisch discours gevangen zitten en dat het welhaast onmogelijk is een wereld te begrijpen die buiten dat discours valt. Een beslissend principe in dat romantische discours is de waardering voor de verbeelding. Wanneer verbeeldingskracht belangrijk wordt gaan mensen nieuwe dingen verzinnen, en dat vormt een motor voor de kunsten en de wetenschappen. Wat we haast zouden vergeten is dat verbeeldingskracht, originaliteit, oorspronkelijkheid, vooruitgang, dat hele cluster van begrippen, voor de achttiende eeuw eerder een negatief dan een positief begrip was. In de meeste culturen en tijden is iets nieuws verzinnen verdacht. Don Quichot werd geschreven in het begin van de zeventiende eeuw en is een kritiek op de verbeelding. De roemruchte hoofdpersoon heeft te veel ridderromans gelezen en zich daar zo door laten

meeslepen dat hij, hierin aangejaagd door zijn cholerische karakter, een werkelijkheid ziet die een andere is dan die van de mensen om hem heen. De kritiek van Cervantes is geestig, en bedient zich precies van datgene waar het kritiek op levert: de verbeelding. Dat is een fascinerende paradox. Het boek wordt twee eeuwen later een boegbeeld van de romantische literatuur, de Duitse romantici lopen ermee weg en vatten Don Quichot op als een tragische figuur. Hoe tijdgenoten hem zagen is voor ons moeilijk te vatten, zoals we ook niet goed kunnen begrijpen hoe de poëzie van Quevedo of het werk van Shakepeare werd ervaren. We kunnen daar als hedendaagse romantici nauwelijks meer bij. Het bewustzijn van die vreemdheid was een drijfveer om mijn boek te schrijven.’ (NW) Maarten Doorman is filosoof, criticus, dichter en essayist. Hij is bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam en schreef het boek De romantische orde

Lieve Joris Blik door het rookgordijn

‘In 1997 ontmoette ik Assani, een rebel uit het oosten van Congo over wie ik Het uur van de rebellen zou schrijven. Terwijl ik door Assani steeds dieper de tunnel van geweld in werd getrokken, probeerde ik tijdens mijn reizen naar Europa de oorzaken te achterhalen van een oorlog waarvan menigeen ter plaatse het kompas was verloren. Maar de deskundigen bleken het hartgrondig oneens, vooral over het conflict tussen Hutu en Tutsi. Pas toen ik het boek The Rwanda Crisis: History of a Genocide van Gérard Prunier las, begon ik de complexe achtergrond van de oorlog in het Grote Merengebied te begrijpen. Prunier had Afrikaanse geschiedenis gestudeerd. We ontmoetten elkaar twee keer. Ik bevond me in een detail van een episch oorlogsschilderij, Prunier tekende met zwier de contouren, schetste de cv’s van de protagonisten, leerde me door rookgordijnen heen te kijken, bracht structuur aan in de dingen die ik zag. Ik vroeg hem of het mogelijk was als wetenschapper objectief te zijn over dit conflict. “Nee, nee”, zei hij, “wetenschappers betreden deze arena – net als schrijvers of journalisten – met hun eigen gevoelens en ervaringen. Die spelen allemaal mee in hun analyse en begrip van de situatie.” Dat troostte me en leerde me vrede te hebben met de tegenstrijdige emoties die Assani herhaaldelijk bij me opriep.’ Lieve Joris is schrijfster. Haar meest recente boek is Mijn Afrikaanse telefooncel (2010)

Abram de Swaan Het evenwicht van Calder

‘Het hoort tot de verplichte uitspraken dat je als wetenschapsman zeer door kunst wordt geïnspireerd, zoals je ook altijd moet zeggen dat je het meest hebt geleerd van je studenten – wat ook al


rens! niet waar is. Kunst stimuleert mijn wetenschappelijke werk niet. Ik kan wel erg enthousiast worden bij het zien van een film of bij het horen van muziek, maar enthousiasme is helemaal niet zo’n goede drijfveer als je aan het werk bent. De problemen waar ik mee bezig ben in mijn eigen werk zijn toch volkomen anders dan die in de kunst aan de orde zijn. Sociologen denken dat mensen op alle mogelijke manieren met elkaar verbonden zijn. Elkaar tegenspreken is daar ook een vorm van. Het zou makkelijker voor ons zijn om te begrijpen wat we aan het doen zijn als mensen echt met touwtjes aan elkaar zaten. De Amerikaanse beeldend kunstenaar Alexander Calder is misschien wel de belangrijkste kunstenaar voor een socioloog: hij maakt heel complexe installaties, met een ingewikkeld evenwicht. Als je hier blaast komt er ginds een correctie. Er zijn steeds lokale verstoringen, die door het hele systeem doorwerken en dan tot een nieuw evenwicht komen. Wat is nu de beste beeldende weergave van een dynamisch equilibrium in een systeem? Dat is een Calder.’ (MD) Abram de Swaan is socioloog en emeritus hoog­ leraar aan de Universiteit van Amsterdam

Sarah Vanhee Verwarring scheppen

Ed Spanjaard Gepassioneerde impuls

‘Tot hoever strekt zich het begrip wetenschapper uit? Als je muziek maakt, zit je altijd tussen de polen van “je intuïtie volgen” en “proberen geleerd te zijn”. Als ik een stuk muziek te lijf ga, ben ik mijn eigen amateurwetenschapper. Het maakt verschil of je een stuk doet dat heel bekend is, of juist nieuw. Gek genoeg is een nieuwe compositie makkelijker. Dan is er geen historische ballast. Ik

Jean-Baptiste Rabouan / hemis.fr / HH

‘Ik kan niet goed binnen de muren van de kunst blijven. Voor mijn laatste project, Turning Turning (a choreography of thoughts), heb ik onderzoek

gedaan naar de relatie tussen zijn, taal en denken. Drie performers, onder wie ikzelf, boren verschillende bewustzijnslagen aan en proberen ongefilterd te zeggen wat ze denken, nog voordat ze het bewust gedacht hebben. Tijdens het proces heb ik opnames laten zien aan wetenschappers uit diverse hoeken, en hen gevraagd daarop vrij te associëren. Er komt een taalfilosoof aan bod, een neurolinguïst, een wiskundige en een psychoanalytica. Die discoursen heb ik als extra lagen aan de voorstelling toegevoegd. Mensen die praten over denken en praten. Zo komen er meerdere ‘waarheden’ naast elkaar te bestaan, die elkaar op een bepaalde manier ook weer opheffen. Die paradox interesseert me. Ik sta er altijd op dat wat ik maak kunst heet. Ik leen uit andere vakgebieden, maar zal mezelf nooit presenteren als leraar, politicus, journalist of wetenschapper. Ik wil verwarring scheppen, impact hebben, door ongebruikelijke vormen. Een nieuw voorstel doen aan de werkelijkheid. Samen met het publiek ga ik een experiment aan: dit zijn de spelregels, die delen we, we spelen, en we zien wat er gebeurt.’ (NW) Sarah Vanhee is performer, conceptueel kunstenaar en schrijver

Flamingo van Alexander Calder in Chicago

heb honderden eerste uitvoeringen van moderne muziek gedaan. Je moet je eerst vertrouwd maken met het handschrift. Ligt het me? Resoneert het? Boeit het me? Als ik oudere opnames beluister, gaat het me meer om de gepassioneerde impuls dan om de perfectie. Bij een bestaand werk moet je eerst door de herkenning waden, door de geaccepteerde manier van spelen. Eerst door een soort koelcel, dan door een soort braakliggend terrein. Nu heb ik dat bijvoorbeeld met een vrij bekend symfonisch gedicht van Richard Strauss, Tot und Verklärung. Maar ik ben ook bezig met Wagners Ring des Nibelungen, gebaseerd op mythen en volkslegenden. Soms grijp ik naar een literatuurwetenschapper. Als ik Verdi’s Traviata doe, lees ik La dame aux camélias. Bij het instuderen van Brittens Owen Wingrave, een antimilitaristische opera, lees ik het korte verhaal van Henry James. De helft van de muziekuitgaven heeft een kritisch voorwoord, met goed historisch onderzoek, waarin verschillende versies worden vergeleken. Je moet zoveel mogelijk weten, ook de anekdotes. “Je begint met een mysterie”, zei Boulez. “Je weet nog niet wat het voor gaat stellen, je duikt erin, en uiteindelijk wordt het weer een mysterie.” Zo is het.’ (MD) Ed Spanjaard is dirigent

Henk van Os Nooit genoegen nemen

‘Kennelijk is godsdienst voor mij altijd een belangrijke drijfveer geweest, al weet ik niet precies hoe. Ik kan het alleen constateren als ik terugkijk: mijn onderzoek gaat meestal over onderwerpen die met religieuze thematiek te maken hebben. Tijdens een briefwisseling met mijn zoon Pieter, waarin we onder meer over de rol van religie in onze levens schreven, bedacht ik dat mijn wetenschappelijk onderzoek de meest onzuivere wetenschap is die er bestaat, omdat mijn impuls altijd buiten de historische wetenschap zelf ligt. Ik weet niet of dat problematisch is: het gaat er nog steeds om hoe goed je die wetenschap vervolgens beoefent. Mijn basispositie is altijd dat ik zélf zo graag iets wil weten. Daarnaast heb ik mijn educatieve drift: ik zal net zo lang zoeken tot ik iets heb gevonden wat anderen ook willen weten. Ik heb nooit het verlangen gehad om zelf kunstenaar te worden. Wel zijn er vanaf mijn middelbare schooltijd kunstenaars in mijn leven geweest. Voor mij waren het tovenaars, alchemisten, helden die over mogelijkheden beschikten die mij ten enen male ontbraken. Ze namen me op sleeptouw; we zagen geen verschil meer tussen dag en nacht. Dat was een type leven dat ik helemaal niet kende, want ik ben een heel behoudende persoon. Ik zal nooit genoegen nemen met truttige kunstgeschiedenis. Dat is wel het minste wat ik aan die kunstenaars, of aan hun nagedachtenis verplicht ben.’ (NW) Henk van Os is oud-directeur van het Rijksmuseum en universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. Met zijn zoon Pieter publiceerde hij de briefwisseling Vader en zoon krijgen de geest Tekstjes Margot Dijkgraaf en Niňa Weijers 13.09.12 De Groene Amsterdammer 9


Het boek zal altijd blijven bestaan

Op weg naar de e-monografie

aMAZEme, een labyrint van 250.000 boeken, werk van de Braziliaanse kunstenaars Marcos Saboya en Gualter Pupo, Londen, 2012

De wereld van de wetenschap verandert snel. Maar ze zal binnen het Gutenberg-universum blijven, ook al zal dat uitdijen dankzij het elektronische boek. Dat zal het bedrukte papier niet vervangen, maar er een aanvulling op zijn. Door Robert Darnton

10 De Groene Amsterdammer 13.09.12

bibliotheken zonder muren brengt, wat zal er dan gebeuren met het traditionele boek? Zal het elektronisch uitgeven het einde van het boek betekenen? Die voorspelling is telkens weer herhaald sinds in 1945 het eerste e-book, een monstruositeit genaamd Memex, werd ontworpen. Inmiddels is het conventionele boek al zo vaak dood verklaard dat we niet verbaasd moeten zijn dat het in uitmuntende gezondheid lijkt te verkeren. De omzet van sommige boeken bloeit, deels dankzij marketing via het internet door Amazon.com en Barnesandnoble.com. Toen het als paperback uitkwam, schoot het Starr Report naar de top van de bestsellerlijst, ook al konden mensen die het kochten het op het web lezen, vaak zonder een cent te hoeven betalen. Nu ze computers hebben, produceren en consumeren de Amerikanen meer drukwerk dan ooit. Zelfs William Gates, president-commissaris en oud-directeur van Microsoft, bekende dat hij papier prettiger vindt dan een computerscherm als hij een lange tekst moet lezen. Waarom dan die voortdurende fascinatie met elektronisch uitgeven? Zij lijkt door drie stadia heen te zijn gegaan: een aanvankelijke fase van utopisch enthousiasme, een periode van ontgoocheling, en een nieuwe tendens richting pragmatisme. Eerst dachten we dat we gewoon een elektronische ruimte konden scheppen, alles erin konden gooien, en het aan de lezers konden overlaten om het verder uit te zoeken. Daarna kwamen we erachter dat Universitaire niemand een boek wilde lezen op een computerscherm of zich door een stapel printouts uitgevers heen wilde worstelen. Nu worden we geconfunctioneren fronteerd met de mogelijkheid om het tradials een tionele boek aan te vullen met elektronische trechter in het publicaties die gemaakt zijn voor bepaalde en publieksgroepen. carrièreproces doeleinden Het beste pleidooi voor e-books heeft van academici betrekking op academische publicaties, niet op alle terreinen, maar in grote sectoren van de geesteswetenschappen en sociale wetenschappen waar conventionele monografieën – dat wil zeggen geleerde verhandelingen Peter Macdiarmid / Getty Images

De door Marshall McLuhan voorspelde toekomst is geen werkelijkheid geworden. Het web: ja; de wereldwijde verspreiding van televisie: zeker; overal media en berichten: uiteraard. Maar het elektronische tijdperk heeft het gedrukte woord niet uitgeroeid, zoals McLuhan in 1962 had voorspeld. Zijn visioen van een nieuw geestelijk universum, bijeengehouden door post-printing-technologie, ziet er nu gedateerd uit. Het ‘Gutenberg-universum’ bestaat nog steeds, en de ‘typografische mens’ vindt daarin nog immer lezend zijn weg. Neem het boek. Dat heeft een geweldig uithoudingsvermogen aan de dag gelegd. Sinds de uitvinding van het manuscript in de derde of vierde eeuw na Christus heeft het bewezen een fantastische machine te zijn – geweldig voor het verpakken van informatie, makkelijk om doorheen te bladeren, comfortabel om mee weg te kruipen, voortreffelijk geschikt voor opslag, en opmerkelijk goed bestand tegen schade. Het hoeft niet geüpgraded of gedowngraded te worden, je hebt er geen wachtwoord voor nodig en je hoeft het niet te kraken, je hebt er geen stroom voor nodig en je het hoeft niet van een of ander web binnen te halen. Door het ontwerp is het een lust voor het oog. De vorm zorgt ervoor dat het een plezier is om het vast te mogen houden. En zijn handzaamheid heeft het al duizenden jaren tot een basisleermiddel gemaakt, zelfs nog vóór de bibliotheek van Alexandrië werd gesticht, begin vierde eeuw vóór Christus. Waarom blijven de voorspellingen dan rondzingen over de dood van het boek? Niet omdat McLuhan gelijk had, maar omdat het gedrukte woord niet snel genoeg is om de opeenvolging der gebeurtenissen te kunnen bijbenen. Voorzover de Monica Lewinsky-affaire een mediagebeurtenis was, heeft die zich grotendeels op internet afgespeeld, eerst door de ‘scoop’ van Matt Drudge, die er nieuws van maakte nog vóór het in de kranten stond, en daarna door de publicatie van het Starr Report op regeringswebsites, die binnen 24 uur zes miljoen hits registreerden. In de daaropvolgende roes kwamen de Amerikanen erachter dat er allerlei soorten elektronische boeken werden ontwikkeld. De meeste van die ‘e-books’ bevatten teksten die worden gedownload van onlineboekverkopers en op een scherm geprojecteerd kunnen worden, pagina na pagina. jstor, een project van de Andrew W. Mellon Foundation, heeft grote hoeveelheden academische tijdschriften online toegankelijk gemaakt, waar ze goedkoop kunnen worden aangekocht door bibliotheken, die zich het origineel soms niet (meer) konden veroorloven. De New York Public Library verschaft zoveel elektronische informatie aan lezers over de hele wereld dat haar computersystemen iedere maand tien miljoen hits registreren, terwijl er in de leeszaal aan 42nd Street ‘slechts’ vijftigduizend boeken worden uitgeleend. Het lijkt alsof alles wordt gedigitaliseerd en alsof iedere byte weer wordt gelinkt aan alle andere bytes. Als de toekomst kranten zonder nieuws, tijdschriften zonder pagina’s en


over specifieke onderwerpen – enorm duur zijn geworden om te produceren. Het probleem is feitelijk zo ernstig dat het academische landschap erdoor is getransformeerd. Het vloeit voort uit drie kleinere problemen die zijn samengevloeid op een manier waardoor de monografie nu overkomt als een bedreigde diersoort. Commerciële uitgevers hebben de prijs van academische tijdschriften, vooral op het gebied van de natuurwetenschappen, zo hoog opgetrokken dat ze de begrotingen van onderzoeksbibliotheken hebben ontwricht. Om hun tijdschriftencollecties op peil te houden hebben de bibliotheken drastisch bezuinigd op de aankoop van monografieën. Geconfronteerd met de afname van de orders van bibliotheken zijn de universitaire uitgevers vrijwel opgehouden met publicaties op de terreinen waar de vraag het geringst is. En wetenschappers op deze terreinen beschikken nu niet langer over een adequaat publicatiekanaal voor hun onderzoek. De crisis heeft betrekking op het functio­ neren van de marktplaats, en niet op de waarde van het onderzoek; en hij is op z’n hevigst onder degenen met de grootste behoefte om hem te overwinnen – de komende generatie academici, wier carrières afhangen van hun vermogen om hun onderzoek gedrukt te krijgen. Tot voor kort namen monografieën minstens de helft van de aankoopbudgetten van de meeste onderzoeksbibliotheken voor hun rekening. In 1996/97 ging ech-

ter 78 procent van het aankoopbudget van de Universiteit van Illinois in Chicago naar academische tijdschriften en 21 procent naar monografieën. De Universiteit van Syracuse besteedde 75 procent van zijn budget aan tijdschriften en 17 procent aan monografieën. De bibliotheek van de Universiteit van Hawaii gaf 84 procent aan tijdschriften uit en 12 procent aan monografieën. Als de verschuivingen in de budgetten in dit tempo doorgaan, kunnen we ons afvragen of nieuw werk in de geesteswetenschappen en de sociale wetenschappen in boekvorm zal overleven. Het tweede aspect van de crisis bedreigt het academische leven op een bijzonder kwetsbaar punt: de budgetten van de universitaire uitgeverijen. Volgens een vuistregel onder uitgevers in de jaren zeventig kon een universitaire uitgeverij er gewoonlijk op rekenen achthonderd exemplaren van een monografie aan de bibliotheken te kunnen verkopen. Vandaag de dag zijn het er eerder vierhonderd, en vaak nog minder, in ieder geval niet genoeg om de kosten te dekken. Uitgevers kunnen er niet langer zeker van zijn boeken te verkopen die twintig jaar geleden voor bibliothecarissen onweerstaanbaar zouden zijn geweest. Van deel 1 van The Papers of Benjamin Franklin, verschenen in 1959, werden 8407 exemplaren verkocht, vooral aan bibliotheken. Van deel 33, verschenen in 1998, gingen nog maar 753 exemplaren van de hand. Gealarmeerd door de daling van 13.09.12 De Groene Amsterdammer 11


de vraag heeft de Association of American University Presses (aaup) Herbert Bailey, de gepensioneerde directeur van Princeton University Press, in 1990 opdracht gegeven voor een onderzoek. In tegenspraak met de verwachtingen ontdekte hij dat het aantal daadwerkelijk geproduceerde monografieën tussen 1978 en 1988 met 51 procent was toegenomen. Uitgevers hadden op de druk gereageerd door de productie (en de prijzen) te verhogen en de kosten laag te houden (voornamelijk door hun personeel met meer werk te overladen, waardoor de kwaliteit van de redactionele werkzaamheden merkbaar achteruit was gegaan). Tegen 1990 begon deze trend te keren. Wetenschappelijke uitgevers, onder zwaardere druk dan ooit, bleven grote aantallen titels produceren, maar steeds minder puur wetenschappelijke. Er kwamen boeken voor in de plaats over populaire plaatselijke thema’s, over vogels, kookkunst, sport of zogenoemde ‘midlist’-boeken – het soort boeken dat commerciële uitgevers hadden veronachtzaamd om zich te kunnen concentreren op boeken met een massale aantrekkingskracht: oefenboeken, ‘how to’-boeken en al die andere rommel die vandaag de dag in de meeste boekwinkels ligt opgetast. Veel uitgevers hebben geprobeerd een uitweg te vinden door zich te richten op onderwerpen die in de mode waren: boeken over gender, seks, feminisme, homoseksualiteit, vrouwenstudies, Afrikaans-Amerikaanse studies, postkolonialisme en postmodernisme in alle varianten. Intellectuele modes kunnen uiteraard eerder een stimulans dan een hinderpaal voor de wetenschap zijn. Maar boeken over modieuze onderwerpen dreigen de meer conventionele academische titels van de uit­ geverslijsten te verdringen. Dreigt de monografie daarom te verdwijnen? Deze vraag werd op diverse conferenties in 1997 en 1998 besproken, en er was geen eenvoudig antwoord mogelijk. Iedere hoogleraar kan wel een terrein noemen waarop het vreselijk moeilijk is wetenschappelijke boeken te publiceren, terwijl andere hoogleraren met gemak de uitzonderingen oplepelen. Monografieën over Afrika, Zuid-Azië en koloniaal LatijnsAmerika lijken het hardst te zijn getroffen. Maar een studie over tovenarij in Soedan of volksreligie in achttiende-eeuws Peru maakt wel kans, als er tenminste gebruik van wordt gemaakt bij colleges over geschiedenis, antropologie, religie of Latijns-Amerika. Hoe zit het dan met de vaak gehoorde klacht dat er juist te veel monografieën zijn – ‘steeds meer over steeds minder’? Critici betichten hoogleraren er dikwijls van louter voor elkaar te schrijven en elkaar af te troeven in professionaliteit, in plaats van onderwerpen te behandelen die zich in een bredere belangstelling kunnen verheugen. Zeker, de nadruk op monografieën kan ook een soort ziekte zijn. Zij lijkt disciplines als de literaire kritiek de das om te doen, waar modieusheid en hoogdravend jargon de gemiddelde ontwikkelde lezer hebben afgeschrikt. Maar de meeste wetenschappers hebben zich met succes verzet tegen de kwalijker varianten van deze ziekte, en sommige soorten wetenschap zijn weliswaar belangrijk maar nu eenmaal ook esoterisch van aard. De vraag blijft: kan een auteur van een waardevolle monografie – iets dat staat als een huis maar niet sexy is, het soort boek dat een jaar of twintig geleden nog floreerde – vandaag de dag nog verwachten dat het wordt gepubliceerd? Als je het de deskundigen bij de universitaire uitgevers vraagt, loop je grote kans teleurgesteld te worden. Iedere uitgever heeft een reeks verhalen over prachtige monografieën die niet verkochten. Sanford Thatcher van de Penn State University Press vertelt over een boek over het Brazilië van de negentiende eeuw, dat twee prijzen had gewonnen, maar waarvan minder dan vijfhonderd exemplaren werden verkocht, en over een ander boek over de islam in CentraalAzië, dat juichende kritieken en vier prijzen had gekregen, maar waarvan slechts 215 hardcover-exemplaren zijn verkocht, en 691 paperbacks. Roy Rosenzweig van George Mason University zegt dat er van een van de beste boeken in een serie die hij uitgeeft maar 282 exemplaren zijn verkocht. Mijn eigen favoriete horrorverhaal gaat over een geweldige monografie over de Franse Revolutie, die drie belangrijke prijzen heeft gewonnen. Er werden 183 hardcover-exemplaren van verkocht en 549 paperbacks. De monografie verkeert in gevaar en dat leidt tot een derde probleem: de carrières van jonge wetenschappers. Iedere wetenschappelijk medewerker kent de categorische imperatief: publiceer of verdwijn, wat zich zo ongeveer laat vertalen als: geen monografie, geen vaste aanstelling. Het 12 De Groene Amsterdammer 13.09.12

is voor een net afgestudeerde al moeilijk genoeg om een baan te krijgen, maar dat is het moment waarop juist je grootste problemen beginnen – je moet verhuizen, je moet je voor het eerst voor­bereiden op je colleges, je moet een gezin stichten, en ook nog eens een boek publiceren. Stel dat een wetenschappelijk medewerker erin slaagt zijn of haar dissertatie binnen drie of vier jaar om te zetten in een eersteklas-monografie: zal hij of zij die dan gepubliceerd weten te krijgen? Dat is niet erg waarschijnlijk. Maar het is niet onmogelijk, aldus sommigen die de ernst van de crisis in twijfel trekken. We kunnen dit niet met statistieken weerspreken, maar we kennen allemaal de anekdotes. Loop het kantoor van een redacteur bij een universiteitsuitgeverij binnen en je zult de stapels dissertaties zien liggen, tientallen. De redacteur zal je met een zucht vertellen dat de uitgever zich slechts kan veroorloven er twee of drie per jaar te publiceren, om er met een nog diepere zucht aan toe te voegen dat de uitgever onder druk staat van academische commissies die – voordat zij iemand een vaste aanstelling gunnen – eerst een boek willen zien, vergezeld van lezersrapporten en recensies. De uitgevers verzetten zich ertegen op deze manier betrokken te raken bij het proces van het toekennen van vaste aanstellingen, en terecht, maar dikwijls om de verkeerde redenen – omdat ze meer aandacht schenken aan de grenzen van hun budgetten dan aan de scheidslijn van professionele verantwoordelijkheden. Of je het nu leuk vindt of niet, ze functioneren als een trechter in het carrièreproces van academici, maar ze kunnen slechts een paar van de manuscripten publiceren die ze ontvangen. De auteurs van de rest van deze manuscripten reiken misschien nooit tot de volgende fase in hun carrière. Sommige onafhankelijke wetenschappers zijn blij met hun onafhankelijkheid. Barbara Kunnen Tuchman, die uit een rijke familie komt, heeft bewezen dat er uitmuntende geschiedeniselektronische boeken geschreven kunnen worden buiten monografieën de beschermende omgeving van een acadede druk op mische instelling. Maar de meeste onafhankelijke wetenschappers moeten hard werken academische om in hun levensonderhoud te voorzien en carrières aanvaarden baantjes waar ze die maar kunverlichten? nen vinden, dikwijls voor veel te weinig geld en zonder erkenning. Het zou kunnen dat we de intellectuele equivalenten aan het voortbrengen zijn van de ‘Okies en Arkies’ uit de crisisjaren van de vorige eeuw – migrerende academici met laptopcomputers, die leven op de achterbank van hun auto. Kan elektronisch uitgeven, tegen de achtergrond van deze problemen, een oplossing bieden? De eerste fase van de liefde voor e-books, de periode van het utopische enthousiasme, kan fungeren als een waarschuwing tegen overdreven verwachtingen. De utopisten hebben een blind vertrouwen in de effectiviteit van de Onzichtbare Hand van de markt, die economen zo dierbaar is. Laat de ondernemers het maar uitvechten, zeggen ze, en de goede zoekmachines zullen in de handen van de aspirantlezers vanzelf het kaf van het koren scheiden. Dit argument is misschien van toepassing op sommige soorten consumptiegoederen. Bedrijven als Amazon.com hebben met succes vele duizenden titels toegankelijk gemaakt. Maar voor degenen die zich zorgen maken over de kwaliteit van academische publicaties en het intellectuele leven in het algemeen heeft dit iets veel te vrijblijvends: ‘Doe niets en er komt vanzelf wel iets bovendrijven.’ De virtuele ruimte moet net als de economie worden gereguleerd. Wetenschappers moeten normen stellen. Zij moeten de kwaliteit in de academische wereld hoog houden. Natuurlijk kunnen we onbeperkte hoeveelheden dissertaties op het web plaatsen. Er bestaan diverse programma’s die deze dienst aanbieden. Maar door de bank genomen biedt dit soort publicaties voornamelijk informatie en zijn het geen volwaardige, wetenschappelijk verantwoorde boeken, althans niet in de sfeer van de geesteswetenschappen en de sociale wetenschappen. Iedereen die niet-geredigeerde dissertaties heeft gelezen, weet wat ik bedoel: op een paar uitzonderingen na zijn het geen boeken. Er ligt een wereld van


verschil tussen. Om een boek te worden, moet een dissertatie doorgaans worden gereorganiseerd, hier en daar worden ingekort of uitgebreid, aangepast aan de behoeften van de geïnteresseerde leek, en van begin tot eind worden herschreven, bij voorkeur met de hulp van een ervaren redacteur. Redacteuren noemen dit herschrijven vaak ‘toegevoegde waarde’. Peer review, pagina-opmaak, compositie, druk, marketing, publiciteit – een wirwar aan deskundigheid is noodzakelijk om van een dissertatie een monografie te maken. In plaats van dit proces te vereenvoudigen, zal elektronisch uitgeven voor nog meer complicaties zorgen, maar het resultaat zou wel een grote toename van de waarde kunnen zijn. Een ‘e-dissertatie’ kan vrijwel onbeperkte aanhangsels en databases omvatten. Ze kan aan andere publicaties worden gelinkt, op een manier die lezers in staat stelt nieuwe routes te zoeken door oud materiaal. En als de technische problemen eenmaal zijn opgelost, kan ze op een goedkope manier worden geproduceerd en gedistribueerd, waardoor de uitgever op zijn productiekosten bespaart en er ruimte ontstaat op de planken van de bibliotheken. Uiteraard zijn de problemen van dit soort elektronisch uitgeven gigantisch. De beginkosten zijn hoog, omdat uitgevers zoek­ machines moeten ontwerpen en hyperlinks moeten aanbrengen, en technisch personeel in dienst moeten nemen en trainen. De prijzen zullen niet laag zijn, althans niet totdat vraag en aanbod zodanig zijn toegenomen dat ‘e-monografieën’ op economisch verantwoorde wijze aan individuele lezers op het web kunnen worden aangeboden. Momenteel zeggen uitgevers te verwachten dat ze licenties voor bepaalde sites aan bibliotheken kunnen verkopen, waardoor ze in één klap hele collecties e-books toegankelijk kunnen maken. Met behulp van een speciale code kunnen lezers het gewenste werk binnenhalen op een computer in de bibliotheek of thuis. Ze zoeken door de digitale tekst naar zaken die hen interesseert, printen zo veel als ze willen, binden het in een machine die aan de printer is verbonden, en nemen het mee om het te kunnen lezen in de vorm van een op maat gemaakte paperback. De technologie voor al deze functies bestaat al. In feite kunnen paperbackversies van boeken die al in druk zijn voor 150 dollar of minder gedigitaliseerd, gedrukt en gebonden worden. (Zulke doe-het-zelf-processen duiden, als ze zijn verbeterd, op veranderingen die op een dag veel standaardkenmerken van de hedendaagse boekensector kunnen transformeren – zoals drukken, opslag en distributie.) Maar om originele monografieën van hoge kwaliteit te kunnen publiceren zal een universitaire uitgeverij alle onderdelen in stelling moeten brengen van een origineel systeem voor productie en distributie van hoge kwaliteit. Zullen, als dit alles lukt, elektronische monografieën als boeken gezien worden? Zullen ze genoeg intellectuele legitimiteit verwerven om de toets der kritiek te kunnen doorstaan van achterdochtige aanstellingscommissies, en zullen ze de druk op academische carrières kunnen verlichten? Dit is het punt waarop oudere wetenschappers een verschil kunnen maken. Zij hebben vaak al bewezen goede conventionele boeken te kunnen produceren, en kunnen helpen een nieuw soort boeken te ontwikkelen, dat veel origineler en ambitieuzer is dan een in boekvorm omgezette dissertatie. In het geval van de geschiedenis, een discipline waarin de crisis in het wetenschappelijk uitgeven bijzonder ernstig is, kan de aantrekkingskracht van een e-book heel groot zijn. Iedere historicus die veel onderzoek heeft verricht, kent de frustratie van het onvermogen om de bodemloosheid van de archieven en het verleden adequaat over te brengen. Als mijn lezer nu maar eens zou kunnen meekijken, zeg je tegen jezelf, naar alle brieven in deze doos, en niet alleen de regels zou kunnen lezen die ik nu citeer. Als ik dit of dat spoor in mijn tekst nu eens zou kunnen volgen op dezelfde manier als ik het door de dossiers heb gevolgd, toen ik me vrij voelde om een omweg te maken die mij wegvoerde van het hoofdonderwerp. Als ik nou maar kon laten zien hoe bepaalde thema’s buiten mijn verhaal door elkaar heen lopen en zich tot ver buiten de grenzen van mijn boek uitstrekken. Niet dat boeken vrijgesteld zouden moeten worden van de opdracht om een verhaal terug te brengen tot een sierlijke vorm. Maar in plaats van argumenten te gebruiken om een zaak af te sluiten, zouden ze nieuwe manieren kunnen openen om wijs te worden uit het bewijsmateriaal, en nieuwe mogelijkheden om het ruwe materiaal dat in het verhaal besloten ligt te ontsluiten, en voor een nieuw bewustzijn kunnen zorgen van de ingewikkeldheden van het reconstrueren van het verleden.

Ik bepleit niet dat er louter gegevens worden gestapeld en ik houd ook geen betoog voor het linken naar databanken. Dat leidt vaak tot niet veel meer dan een uitvoerige vorm van voetnoten. In plaats van het elektronische boek uit zijn voegen te laten barsten, denk ik dat het mogelijk is het op te bouwen in lagen, zoals bij een piramide. De toplaag kan een beknopte samenvatting van een onderwerp zijn, dat wellicht verkrijgbaar moet zijn als paperback. De volgende laag kan uitgebreide versies van verschillende aspecten van een betoog bevatten, niet gerangschikt als in een verhaal, maar als in zichzelf besloten eenheden die het bovenliggende verhaal voeden. De derde laag kan bestaan uit documentatie, mogelijk van verschillend gehalte, voorzien van begeleidende essays. Een vierde laag kan theoretisch of historiografisch zijn, met selecties uit eerdere werken en besprekingen daarvan. Een vijfde laag kan van pedagogische aard zijn, met suggesties voor discussies tijdens colleges en een modelsyllabus. En een zesde laag kan lezersrapporten bevatten, uitwisselingen tussen auteur en redacteur, en brieven van lezers. Die laag zou kunnen uitgroeien tot een steeds omvangrijkere collectie commentaren, naarmate het boek zijn weg vindt naar verschillende groepen lezers. Een nieuw boek van dit type zou tot een nieuw soort lezen leiden. Sommige lezers zouden zich tevreden stellen met het tot zich nemen van de bovenste laag (het ‘verhaal’). Anderen zouden er wellicht de voorkeur aan geven ‘verticaal’ te lezen, door bepaalde thema’s uit te diepen en door te dringen tot de begeleidende essays en documentatie. Weer anderen zouden misschien in onverwachte richtingen willen kunnen afdwalen en verbanden willen zoeken die aansluiten bij hun eigen interesses, of het materiaal willen verwerken in eigen bouwsels. In elk van deze gevallen kunnen de toepasselijke Linken naar teksten worden gedrukt en gebonden aan de hand van door de lezer gegeven aanwijzingen. databanken Het computerscherm kan worden gebruikt leidt vaak voor het zoeken en lezen van korte stukjes, tot niet veel terwijl geconcentreerd lezen mogelijk wordt gemaakt door het conventionele gedrukte meer dan een uitvoerige vorm boek of een gedownloade tekst. In plaats van een utopie te zijn, zou de elektronische monovan voetnoten grafie zo voldoen aan de behoeften van de wetenschappelijke gemeenschap, op de punten waar de problemen samenkomen. Ze zou een middel kunnen bieden om problemen op te lossen en een nieuwe ruimte kunnen openen voor de uitbreiding van de wetenschappelijke kennis. De wereld van de wetenschap verandert zo snel dat niemand kan voorspellen hoe zij er over tien jaar uit zal zien. Maar ik geloof dat zij binnen het Gutenberg-universum zal blijven, ook al zal dit universum uitdijen, dankzij een nieuwe energiebron – het elektronische boek, dat zal fungeren als een aanvulling op en niet als een vervanging van de fantastische machine van Gutenberg. Postscript: sinds de publicatie van dit essay hebben een stuurgroep en het secretariaat van de Harvard Universiteit de eerste stappen gezet op weg naar de creatie van de dpla. Er zijn vergaderingen gehouden om alle kwesties te bespreken die hierbij aandacht behoeven. Zes werkgroepen, verspreid over het hele land, hebben plannen ontwikkeld voor de omvang en inhoud van de collecties van de dpla, de financiële onderbouwing, het bestuur, het bereiken van verschillende publieksgroepen, juridische kwesties en de technologische infrastructuur. Er is nu een prototype geïnstalleerd, dat moet kunnen samenwerken met de technologie van Europeana. We richten een onafhankelijke, niet op winst uit zijnde onderneming op, met een raad van adviseurs en een staf onder leiding van een uitvoerend directeur, die de verantwoordelijkheid op zich moet nemen voor de dagelijkse gang van zaken. De dpla zal volgend jaar april in bedrijf komen.  Robert Darnton is cultuurhistoricus en directeur van Harvard Library. Dit artikel verscheen eerder in de New York Review of Books. Vertaling: Menno Grootveld. Lezing over de toekomst van het boek: 26 september 13.09.12 De Groene Amsterdammer 13


Simon Barber / HH

Stefan Collini: ‘De maatschappij heeft een plek nodig waar in vrijheid onderzoek wordt gedaan’

De toekomst van de universiteit

‘Plaats 48 of 49, wat maakt het uit?’ Hoe kunnen universiteiten overleven in een maatschappij die door economische factoren wordt geregeerd? Stefan Collini ziet gigantische concentraties van onderzoekers in de ‘Big Science’, terwijl de sociale en geesteswetenschappen onder druk staan. Door Margot Dijkgraaf

14 De Groene Amsterdammer 13.09.12

‘We moeten een manier vinden om de essentiële waarden van de democratie te verbinden met het noodzakelijkerwijs selectieve karakter van intellectuele activiteiten aan een universiteit’, zegt Stefan Collini, hoogleraar Engels en ideeën­geschiedenis aan de Universiteit van Cambridge. ‘Als dat niet lukt, is het in de toekomst gedaan met de universiteit.’ Terwijl Cambridge wordt bevolkt door toeristen die het befaamde King’s College, Trinity College en St. John’s College fotograferen, haast Collini zich van lezing naar vergadering. De vloer van zijn werkkamer in de verder uitgestorven faculteit Engels aan West Road ligt bezaaid met boeken en rapporten, over enkele weken gaat hij voor een sabbatical naar Amerika. Na het succes van zijn boek Absent Minds: Intellectuals in Britain (2006), over de positie van intellectuelen in de twintigste eeuw, heeft Collini weer een hoogst actueel onderwerp bij de kop in zijn recente essaybundel What Are Universities For? Daarin stelt hij relevante vragen als: waar zijn universiteiten eigenlijk goed voor? Hoe komt het dat ze hun identiteit verliezen? Waarom worden ze steeds meer als een luxe gezien? En vooral: hoe kunnen ze overleven in een maatschappij die fundamenteel is veranderd en door economische factoren wordt geregeerd? Globalisering, groei van het aantal studenten, groei van het aantal studierichtingen: allemaal belangrijke recente veranderingen. Maar volgens Collini is er één trend die daar bovenuit


gaat: de groei in de schaal en de financiële eisen van de Big Science. ‘Er gaan miljoenen naar de financiering van dat soort onderzoek’, licht hij toe, ‘naar de biomedische wetenschap, naar de deeltjesversneller en dergelijke. Universiteiten worden meer en meer gigantische concentraties van onderzoekers in de Big Science, met daarnaast relatief kleinere en minder machtige groepen wetenschappers in de humanities.’ Hij ziet nog een andere langetermijntrend: ‘Het bestuur van de universiteit wordt steeds meer gebaseerd op economische analyse, ontwikkeld in business schools. Daarbij wordt het succes van een organisatie beoordeeld in economische termen, veranderingen worden afgedwongen door middel van financiële premies of strafkorting.’ In uw boek trekt u ten strijde tegen de steeds gangbaarder vergelijking van een universiteit met een commercieel bedrijf, een denktank of zelfs een dating agency; de hoogleraar is steeds meer een manager van het tweede echelon. Wat maakt een universiteit tot een universiteit? ‘Universiteiten, in het Verenigd Koninkrijk althans, maar dat zal ook elders in Europa gebeuren, worden niet meer bestuurd door academici. Je kunt nu carrière maken in het runnen van een universiteit, net als in het bedrijfsleven. Zelfs besluiten over puur academische zaken worden niet meer door academici genomen. Een universiteit vergroot het inzicht dat de mens heeft in een onderwerp en geeft dat door aan de volgende generatie. Natuurlijk, er zijn veel andere organisaties die kennis vergaren, maar daarbij staat er een politiek, financieel of commercieel doel voorop. Als het doel is bereikt, stopt het onderzoek. De maatschappij heeft een plek nodig waar in vrijheid onderzoek wordt gedaan naar groter begrip, zonder onder­ geschikt te zijn aan een speciale agenda. Daarvoor heb je de universiteit.’ Die vrijheid staat onder druk, want onderzoek moet geld opleveren, toepasbaar zijn. Daarbij blijkt er soms flink gefraudeerd te worden, waardoor er gevraagd wordt om meer controle. ‘Die verontwaardiging over fraude vind ik hoopgevend: men verwacht dus dat wetenschappelijk onderzoek betrouwbaar is. Bovendien gebeurt het maar zo ontzettend weinig. Er is wel een ander gevaar als het gaat om de financiering van de Big Science: regeringen trekken zich terug, bedrijven stappen erin. Farmacologische industrieën financieren onderzoek waar ze een enorm belang bij hebben. Universiteiten moeten beter dan nu kijken naar de bron van dit soort financiering. Soms kunnen ze beter nee zeggen en hun onafhankelijkheid bewaren.’ Dan verliezen ze misschien hun plaats in de ‘ranking’, in de competitieranglijst, een ander onderwerp waar u bijzonder kritisch over bent. ‘Dat hele economische vocabulaire kan niet gelden voor universiteiten. Het is per definitie vals en onjuist. Sommige dingen kun je meten, het aantal kamers voor studenten, het aantal contacturen bijvoorbeeld, maar verder niet. Wat telt, het groeiend inzicht in een onderwerp, is niet in cijfers of statistieken weer te geven. Je

kunt vaststellen dat Harvard het hoogst scoort als het gaat om onderzoeksuitgaven en dus de rijkste universiteit is. Je kunt ook zeggen dat waar de meeste natuurkundigen zijn het niveau van de natuurkunde waarschijnlijk het hoogst is. Maar hoe de relatie is tussen docent en student, welk inzicht er groeit en welke omstandigheden ervoor zorgen dat er nieuw en interessant wetenschappelijk werk wordt verricht – dat kun je niet weergeven in competitieranglijsten. En bovendien, wat hebben we eraan te weten dat je op plaats 48 staat in plaats van op 49? Het gaat om kwaliteitsoordelen, we moeten weten dat het onderzoek goed wordt verricht. Dit soort kwantitatief denken leidt tot valse objectiviteit.’ Een belangrijk hoofdstuk van What Are Universities For? is gewijd aan de positie van de humanities, de geestes- en sociale wetenschappen, die in het Verenigd Koninkrijk dezelfde problemen ondervinden als in Nederland en elders in Europa. Moderne talen trekken weinig studenten, kleine vakken verdwijnen, er is discussie over de geringe ‘toepasbaarheid’ van de geesteswetenschappen en hun geringe financiële rendement. Collini trekt ten strijde tegen de defensieve houding die de humanities aannemen. Doorgaans geldt de formule ‘bekwaamheid + informatie = kennis’, schrijft hij, terwijl

‘We moeten de onaantastbare positie van het meetbare ter discussie stellen’ ‘ervaring + reflectie = inzicht’ veel adequater is. ‘We moeten die onaantastbare positie van het meetbare ter discussie stellen’, zegt hij. ‘Voor wat het belangrijkste is in ons leven, voor onze dierbaarste relaties, is er geen maat. We kunnen studenten wel testen, maar het gaat om beoordelen van begrip en inzicht. Daarvoor kun je metaforen gebruiken als “een wijdere horizon” of zo, maar het is onmogelijk zoiets in cijfers te vatten.’ In zijn boek suggereert Collini dat we eens goed moeten bekijken wat we wérkelijk belangrijk vinden in het leven en in de maatschappij – en dat zou wel eens niet kunnen liggen bij het huidige primaat van de economische groei als belangrijkste waarde. Nu is de euro onze god, andere waarden tellen niet mee. Hij legt uit: ‘Leven, menselijkheid, schoonheid, proportie, inzicht, begrip – al die culturele en intellectuele waarden zijn na honderden jaren niet ineens verdwenen omdat een paar bankiers ons bijna failliet hebben laten gaan. Ze zijn nog net zo cruciaal als eeuwen geleden. Het is in het huidige publieke debat wel moeilijker om te beargumenteren waarom die waarden effectief zijn. Daar ben ik pessimistisch over, maar dat betekent niet dat er geen alternatieven zijn. Nee, het gaat niet om een revolutie in ons denken. Ik zeg niets nieuws. Wat nieuw is, is het puur economische

vocabulaire dat op onze westerse maatschappij is losgelaten. Ook universiteiten worden in die trend meegesleept.’ Juist de universiteit is volgens Collini een van de plekken bij uitstek waar over de alternatieven kan worden nagedacht, waar de huidige trends moeten worden bestudeerd en geanalyseerd. De universiteit moet een brug slaan naar de maatschappij en daarvoor een taal vinden die werkt. ‘De veranderingen in de universiteiten gaan zo snel dat velen het als bedreigend ervaren en conservatief reageren. De universiteit kan de democratisering niet de rug toekeren, ze moet zich met die waarden zien te verstaan. Dat is de uitdaging voor de universiteit. Het moet – anders verliest de universiteit bij het grote publiek haar legitimiteit.’ Hij vervolgt: ‘Helaas zijn academici, met name in de humanities, er niet sterk in het belang van hun vak te laten zien. Omdat ze dat niet doen, doen anderen dat wel voor ze – in economische termen. Wetenschappers moeten veel meer deelnemen aan het debat, ze moeten hun visie communiceren, uitleggen waarom ze iets vinden. Ik weet zeker dat ze dan veel meer mensen aan hun kant zouden vinden. Het is heel goed als dit soort discussies buiten de universiteit plaatsvindt, op literaire festivals.’ Met de klassieke indeling in ‘two cultures’ (arts en humanities enerzijds en science anderzijds), zoals C.P. Snow die definieerde in zijn gelijknamige boek, heeft Collini weinig op: ‘Het zijn geen gescheiden werelden die verschillende wetenschappelijke waarden en criteria van onderzoek, accuraatheid en evidentie hanteren. Voor de humanities is het van belang te benadrukken hoeveel we gemeen hebben met de “harde” sciences. Het is niet zo dat de ene wetenschap betrouwbaar is en objectief en ook nog eens geld oplevert, terwijl de andere vaag is, subjectief en zonder “outcome”. Ik geloof in de intrinsieke waarden van de geesteswetenschappen. Als we anderen daar écht niet van kunnen overtuigen, moeten we ons daar maar bij neerleggen en onze tijd aan iets beters besteden.’ Overigens hebben de humanities het budget van een deeltjesversneller helemaal niet nodig. ‘Het welzijn van de geesteswetenschappen hangt vooral af van een florerende academische cultuur. Als academici lesgeven, onderzoek doen, aan het academische gesprek deelnemen, krijg je de beste boeken en artikelen. Als je ze fulltime in een onderzoekscentrum zet, krijg je niet de beste resultaten. Dat geldt misschien wel voor de fysici van cern, maar niet voor literatuur. Uiteindelijk is voor onderzoekers in de geesteswetenschappen tijd het belangrijkst. Tijd, een goede bibliotheek en geld om de basisstructuur op gang te houden. Overal in Europa staan de geesteswetenschappen onder druk, er zal op den duur veel meer samengewerkt gaan worden op Europees niveau. Ik kan me voorstellen dat er een soort pan-European Centre of the Humanities komt, waar mensen komen en weer weggaan.’ Stefan Collini, What Are Universities For?, Penguin Books, 216 blz., € 14,50 13.09.12 De Groene Amsterdammer 15


Hoop voor de geesteswetenschappen

In het verdomhoekje De KNAW zal de komende jaren vijftien miljoen extra investeren in haar geesteswetenschappelijke instituten. Dat is een sprankje hoop voor de humaniora, wier toekomst niet zo zonnig lijkt. Door Nina Polak

Al tijden wordt in Nederland, zoals overal in het Westen, de noodklok geluid over de toekomst van de geesteswetenschappen. Er worden allerlei oplossingen aangedragen voor wat Rens Bod, schrijver van De vergeten wetenschappen, aanduidt als ‘de grootste crisis in de geesteswetenschappen sinds eeuwen’, maar de meeste standpunten volgen een van twee tegenstrijdige aannames. Ofwel: de waarde van de geestes­wetenschappen kan en mag niet met economische maatstaven gemeten worden. Of: de geesteswetenschappen hebben wel degelijk economisch nut. Ook over de vraag of we nu daadwerkelijk van een crisis kunnen spreken verschillen de meningen. Maar dat er grote verschuivingen plaatsvinden valt niet te ontkennen. Het op sommige plekken volledig opheffen van een aantal moderne talenstudies onlangs, waaronder Portugees in Utrecht, en Roemeens, dat alleen als minor blijft bestaan in Amsterdam, is daarvan het meest treffende voorbeeld. Dit staat symbool voor een veel bekritiseerde ontwikkeling waarin specialistische vakgebieden plaatsmaken voor algemenere studierichtingen zoals media- en Europese studies. Aan het verdwijnen van specifieke talenstudies (op een aantal plaatsen wordt gespeeld met het idee om zelfs Frans, Duits en Italiaans te laten opgaan in een algemene talenstudie) ligt een al jaren afnemend aantal studenten ten grondslag. Al in de jaren negentig slonk het totale aantal studenten aan Nederlandse letterenfaculteiten met bijna 35 procent. Daarnaast worden de gehele geesteswetenschappen al lang geteisterd door financieringsproblemen. In het nieuwe topsectorenbeleid dat zich sinds dit jaar richt op het versterken van alleen die sectoren waarin Nederland wereldwijd economisch uitblinkt, zijn de geesteswetenschappen schrijnend onzichtbaar. Dat wordt weerspiegeld in de universitaire profielen. Over het vorig jaar gepresenteerde profiel van de Universiteit van Amsterdam zegt Frank van Vree, decaan van de faculteit der geesteswetenschappen, dat ook daarin de geesteswetenschappen opvallend onderbelicht blijven naast de in economisch opzicht makkelijker verdedigbare ­bètadisciplines. Dit soort zorgen manifesteert zich door heel Europa. Vooral in Groot-Brittannië hebben de humaniora het al lang zwaar te verduren. Meer 16 De Groene Amsterdammer 13.09.12

en meer concentreren de alfastudies en sociale wetenschappen zich daar in dure privé-colleges, zoals het recent opgerichte, controversieel elitaire New College of the Humanities. Hele publiek gefinancierde instituten zijn gesloten sinds het (vanaf de Thatcher-tijd) gebruikelijk is dat geesteswetenschappen zich schikken naar het algemeen klimaat waarin alles economisch gerechtvaardigd moet worden. Weerstand van geesteswetenschappers richt zich voor een deel op precies dit principe. In haar vorig jaar gepubliceerde boek Not for Profit: Why Democracy Needs the Humanities

‘Het kan niet alleen een kwestie zijn van buigen voor en aanpassen aan de markt’ betoogt de Amerikaanse filosofe Martha Nuss­ baum dat het nut van wetenschap niet alleen gemeten mag worden in economische termen. Door dat wél te doen worden juist de belangrijkste waarden van de geesteswetenschappen over het hoofd gezien. Alfadisciplines, meent Nuss­ baum, genereren namelijk vaardigheden die essentieel zijn voor vitale democratieën, zoals kritisch denken, begrip van de geschiedenis en een algemeen inzicht in menselijkheid. Nussbaums verhaal is een klassiek soort verdediging van de geesteswetenschappen waarin humanistische Bildungsidealen doorklinken die vaak en graag gebruikt worden om de betekenis van de humaniora uit te drukken. Dergelijke idealen gaan traditioneel ook gepaard met fundamentele bezwaren tegen het marktdenken als het om kennis gaat. De titel van Nussbaums boek zegt wat dat betreft genoeg: winst mag geen rol spelen. Vergelijkbare ideeën werden al eerder beschreven door wetenschapshistoricus Morris Berman in The Twilight of American Culture. Hij meende dat de kritische functie die de geesteswetenschappen dienen te vervullen zich absoluut niet laat verenigen met de markt. Steeds vaker worden echter kanttekeningen gezet bij dit soort anti-economische argumenten. In boeken of artikelen als Die Managerin

und der Mönch van germanist Walter Erhard wordt de manager onthaald als een welkome gast in het monnikenleven van de geestes­ wetenschapper die zich gewoonlijk het liefst bezighoudt met onderzoek. De manager moet, zo beweert Erhard, een belangrijke aanvullende rol gaan spelen op de essentiële, maar voor de wetenschapper vaak ongemakkelijke gebieden van onderwijs en fondswerving. Rens Bod, in Nederland een van de meest gehoorde stemmen in dit debat, neemt een tussenpositie in door zowel te wijzen op het economische nut van de geesteswetenschappen als op de zwakheid waarmee de alfa’s hun vak doorgaans verdedigen. Alleen maar blijven roepen dat de geesteswetenschappen goed zijn voor algemene ontwikkeling en historisch besef is volgens Bod niet genoeg. Hij meent dat de kansen van alfa’s op de arbeidsmarkt enorm zijn en hamert op de vele niet direct economische toepassingen die hun studies hebben voort­ gebracht. Zo stond de theoretische taalkunde aan de wieg van de ict en was het dankzij de bronnenkritiek dat het kabinet-Kok verantwoordelijk kon worden gehouden voor de val van Srebrenica. Bod is daarnaast niet vies van het idee van samenwerking tussen de geesteswetenschappen en het bedrijfsleven. Hij denkt dat naast de ict-sector – die de laatste tijd bijvoorbeeld veel interesse toont in geesteswetenschappelijke informatiebronnen zoals middeleeuwse manuscripten – ook de creatieve industrie en de toeristenbusiness zouden kunnen investeren in alfakennis. In een stuk voor NRC Handelsblad stelde hij onlangs dat de geesteswetenschappen, die naar zijn zegge in feite booming zijn in Nederland, heel goed buiten de universiteiten zouden kunnen opbloeien. Hoewel hij spreekt van een crisis is Bod met zijn progressieve houding optimistischer over de toekomst dan Nussbaum en Berman. Datzelfde geldt voor UvA-decaan Frank van Vree. Gevraagd naar de vermeende crisis antwoordt hij aanvankelijk dat het eigenlijk relatief goed gaat met de geesteswetenschappen: ‘De geesteswetenschappen zijn natuurlijk veel meer dan alleen maar talenstudies. En over het geheel genomen hadden we nog nooit zo veel ­studenten.’


Theo D’haen, oud-professor Engels in Leiden, houdt er een origineel idee op na over hoe de geesteswetenschappen gunstig gebruik zouden kunnen maken van die economische maatstaf. D’haen noemt de snel groeiende populariteit van klassiek georiënteerde liberal arts-opleidingen in het Verre en Midden-Oosten. Enkele Amerikaanse topuniversiteiten, waaronder nyu, hebben bijvoorbeeld al goed lopende dependances in China en Abu Dhabi. Europa zou volgens D’haen ook van die ontwikkeling kunnen profiteren door expertise te verhandelen. Hij ziet de opkomst van de humaniora in verre landen als een reële mogelijkheid om de hier uitstervende klassieke vakgebieden, zoals de moderne talen, te behouden: ‘Dan moet men ze niet

die ook de mogelijkheden van de geesteswetenschappen in deze tijd sterk benadrukken. Toch zou je, los van zonnige voorspellingen, kunnen spreken van een behoorlijk imagoprobleem. De universiteiten, die hun geesteswetenschappen met nieuw beleid wat laf in het verdomhoekje houden, helpen daar niet bij. Positiever nieuws komt, zoals Bod voorspelt, van buiten de universiteiten. De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (knaw) maakte deze zomer bekend de komende jaren circa vijftien miljoen extra te zullen investeren in haar geesteswetenschappelijke instituten. Een van de beoogde doelen is om die instituten in staat te stellen om internationaal een toonaangevende rol te spelen en hun kennis uit te dragen naar de maatschappij. Die maatschappelijke aansluiting noemt Jelle Koopmans, voorzitter van de Raad voor de Geestes­wetenschappen van de knaw, een van de belangrijkste uitdagingen: ‘Ik denk dat de zichtbaarheid van de wetenschap in de politiek op het moment heel erg belangrijk is. Clinton heeft het ooit over fact free politics gehad. Dat hebben we in Nederland ook een beetje. De wetenschap die we voor handen hebben wordt eigenlijk zelden gebruikt.’ In de wetenschaps­agen­­da die de Akademie twee jaar geleden samenstelde is met die ambitie gekozen voor focus op maatschappelijk klinkende onderwerpen als migratie, integratie, nationale culturele identiteit en de betekenis van oude beschavingen voor onze tijd. Ontkenning van elke vorm van marktwerking lijkt steeds algemener te worden ervaren als onhoudbaar. Overal worden de geestes­wetenschappen gedwongen tot vooruitstrevendheid. De knaw werkt in opdracht van staatssecretaris Halbe Zijlstra aan een onderzoek waaruit moet blijken welke vakgebieden terecht of onterecht ondergesneeuwd raken door het topsectorenbeleid. Daarmee zal uiteindelijk de hamvraag worden beantwoordt: wie krijgt wat? Een overdosis conservatief cultuurpessimisme zal ondertussen geen positieve uitwerking hebben op het imagoprobleem. Maar tussen het geklaag blijft ook gejubel klinken. Dat die gunstige geluiden vooral van buiten de universiteiten komen wijst zowel op hun taak voor de toekomst als op de maatschappelijke relevantie van de geesteswetenschappen. Laura Pedrick / NYT / HH

Ook vraagt Van Vree zich af of we de inhoudelijke verschuivingen van gespecialiseerde vak­ gebieden naar meer hybride studies werkelijk als een bedreiging moeten ervaren: ‘De klassieke universiteit naar Duits model is inderdaad langzaam aan het verdwijnen. De vraag is hoe erg dat is. Het speelt nog steeds een grote rol in de discussie, maar we leven echt in een andere tijd dan die van het klassieke Bildungsideaal. Mensen zullen toch steeds opnieuw het wiel moeten uitvinden. Je kunt je bovendien afvragen of die bredere studies afdoen in kwaliteit. Ik wil iedereen uitdagen om scripties te lezen uit de jaren vijftig en zestig, dan kom je erachter dat er echt niet zo veel verslechterd is.’ Dat er desondanks problemen bestaan erkent Van Vree: ‘We

Studenten in Pennsylvania bestuderen Shakespeare’s Titus Andronicus in 3d

moeten alert blijven. Er is een tendens in heel Europa dat bepaalde domeinen veel minder middelen krijgen. En er zullen inderdaad studies verdwijnen. Het is erg belangrijk om altijd ruimte te blijven houden voor fundamenteel onderzoek. Dat is voor een groot deel een autonome verantwoordelijkheid van de politiek en de universiteit. Het kan niet alleen een kwestie zijn van buigen voor en aanpassen aan de markt. De universiteit moet ook durven kiezen voor het moeilijker verkoopbaar onderzoek.’ Toch noemt hij de algehele verontrusting ‘een beetje een hype’. Net als Bod wijst Van Vree erop dat een heel groot deel van de arbeidsmarkt bestaat uit banen voor geesteswetenschappers, die zijn opgeleid om algemene complexe problemen op te lossen en te analyseren. ‘Het is een van de misleidingen van de economische maatstaf om dat te vergeten.’

meer zien als vergeten gebieden die niet langer ­rendabel zijn maar als iets waarin we moeten blijven investeren. Die vakgebieden kunnen zo ­bovendien gezichtsbepalend zijn voor Europa. Zouden we de zaak hier helemaal afbouwen wat klassieke studies betreft, dan geven we het uit handen.’ In deze optiek zijn de klassieke humaniora een uitgesproken Europees product. En je zou kunnen denken dat die nadruk op Europa veralgemenisering in de hand werkt. Maar opvallend is, volgens Frank Van Vree, dat juist in Europese beleidsplannen meer aandacht is voor onderzoek waarin de nadruk ligt op diversiteit dan in nationaal beleid: ‘Het is contra-instinctief, maar Europa ondersteunt op die manier nationale verscheidenheid.’ Ook D’haen, die erg begaan is met traditioneel Europees erfgoed, gaat dus niet helemaal mee in het doemscenario. Hij is een van velen

Op 10 en 17 oktober: visies op de toekomst van de geesteswetenschappen 13.09.12 De Groene Amsterdammer 17


Grensverkenningen Wetenschap en kunst zijn complementair. Zo kan een gedachtegang esthetisch zijn, en ligt achter de muzikale mystiek de harmonieleer. Door Joep Leerssen

Wetenschap en kunst lijken soms als water en vuur tegenover elkaar te staan: hier de rationalistische laboratoriumtechneut in witte jas, daarginds de geïnspireerde bohémien met wilde haardos. Maar voor de geesteswetenschapper, de literatuurhistoricus, is die tegenstelling er nauwelijks: net als eten en drinken, gin en tonic, of brood en wijn doen wetenschap en kunst weliswaar verschillende dingen, maar complementair aan elkaar. Het zijn allebei vormen van culturele reflectie, paden die tot een dieper inzicht leiden, grensverkenningen langs de buitenrand van het gewone en bekende. Die onbekende kennis aan de buitenrand van onze bekende kennis, daar is een woord voor: inspiratie. En inspiratie is in de wetenschap even belangrijk als in de kunst. Dat er tussen die twee kruisbestuivingen plaatsvinden, is voor mij als literatuur­ historicus eigenlijk vanzelfsprekend. Romans en films zijn inlevingsmachines die mij in staat stellen om me te verplaatsen in andere mensen, andere werelden; een elegant geconcipieerde en goed geformuleerde wetenschappelijke gedachtegang biedt evenveel esthetisch genot als een kunstwerk (bijvoorbeeld Michel Foucaults vertoog over ‘Wat is een auteur?’), een goed gedicht of verhaal bevat soms inzichten van hoog intellectueel niveau (bijvoorbeeld de prozafragmenten, ficciones, van Jorge Luis Borges). Iedereen die een geestelijk groeiproces heeft doorgemaakt zal daarin hebben geprofiteerd van een combinatie van artistieke en wetenschappelijke impulsen. Maar dat ligt allemaal binnen die wereld die vorm en betekenis krijgt door middel van taal. Veel verder van mijn letterenbed ligt de woordenloze wereld van de muziek, mijn eerste grote en onvergeten liefde. Een wereld ging voor mij open toen ik als koorknaap van elf jaar tweede stem ging zingen, alt in plaats van sopraan. Sopranen zingen de melodie en dat was maar al te vaak een saaie bedoening: zeurdeuntjes à la Huub Oosterhuis. Maar alten… ach! Hun tweede stem heeft melodisch weinig om het lijf, lijkt soms op het monotone ‘Om Mani Padme Hum’ van een boeddhistische monnik… maar vormt daardoor een scharnier 18 De Groene Amsterdammer 13.09.12

Affiche door Alfons Mucha, 1897

waar alle andere stemmen en harmonieën omheen draaien, als motten om een vlam, als Parijs rond de Eiffeltoren. De altstem vervolgt zijn haast bewegingloze vlucht door wisselende landschappen en klankkleuren, en verandert meezingdeuntjes in harmonische progressies. Mystiek, hoor. Maar tijdens mijn conservatoriumstudie werd dat alles in de harmonieleer systematisch uitgelegd. De sensuele strelingen van de akkoordiek bleken aan mathematische regelmaat te gehoorzamen, de klankeigenschappen van octaven, kwinten en meer dissonante intervallen hingen rechtstreeks samen met de getalverhoudingen van toonfrequenties. De kwintencirkel was niet minder koel en sereen dan het periodiek systeem van de elementen, of de getallenrij van Fibonacci. Muziek bleek een architectuur te hebben, een onthechte rationaliteit die het complete tegendeel was van de manier waarop akkoorden en harmonieën me op het mystieke af euforisch kunnen maken, en ritmes mijn innerlijke neanderthaler tot leven kunnen wekken. Dat dubbele karakter van muziek – enerzijds mystiek, sensueel, warm, en anderzijds pythagoreïsch en als een koel kristal – is knap gethematiseerd in Thomas Manns roman Doktor Faustus.

Waarom klinkt Stockhausen als de Bijlmer?

Muziek heeft toverkracht. Net als in de dans of in rituelen kan goede muziek bijvoorbeeld groeien door zichzelf te herhalen en in elke herhaling aan resonantie te winnen (denk aan Pachelbels canon); iets wat je in weinig andere kunstvormen kunt klaarspelen. En dat levert dan een wetenschappelijke, of althans filosofische vraag op: wat voor rol speelt herhaling in de cultuur? Is het iets pathologisch (dwangneurose, obsessief) of een algemeen, belangrijk gegeven, niets meer of minder dan toegepaste herinnering, onze lange worsteling met Heraclitus’ onvermogen om tweemaal in dezelfde rivier te stappen? Denk aan Becketts toneelmonoloog Krapp’s Last Tape. Denk aan de vorige keer dat u dacht aan Krapp’s Last Tape. Denk aan al die keren die eigenlijk vorige keren waren. Als net afgestudeerd fluitist speelde ik in het Iers omroeporkest een stuk van een componist die ik toen nog niet kende: Frederick Delius. Opnieuw een onthutsing, net als toen ik alt begon te zingen. Ik voelde dat deze muziek uit de tijd van de art nouveau kwam. De melodische lijnen kronkelden vloeiend als waterplanten in een Mucha-affiche, de akkoorden hadden kleuren als in een tekening van Edmund Dulac. Het was niet een herkenning of een ingesleten associatie (dat je de twee, klankstijl en vormentaal, gezamenlijk tegenkomt en leert te identificeren); Delius was toen helemaal nieuw voor mij. Het lag anders, dieper: een geheimzinnige verwantschap, een karakter dat je kunt aanvoelen maar niet onder woorden kunt brengen. Waarom klinkt Hindemith als Bauhaus en Stockhausen als de Bijlmer? Waarom klinkt Wagner als een overgemeubileerd burgerinterieur vol kussens en gordijnen, en Mozart als een witgelambriseerde salon? Stijl in de muziek is voelbaar, en beantwoordt aan de diepere esthetische patronen die karakteristiek zijn voor een tijdsperiode. Ik voel dat; ik weet dat, zonder te weten hoe ik dat weet. Hier is werk aan de winkel, en genot. Joep Leerssen is literatuur- en cultuurhistoricus en hoogleraar moderne Europese letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam


Lustrumprogramma SPUI25 De toekomst! Vrijdag 21 september Zesde SPUI25-lezing: John Gray Mythe en fictie in de hedendaagse politiek

Introductie door Frank van Vree, gesprek met Bas Heijne. Officiële opening van het lustrum door Louise Gunning 20-22 uur Maandag 24 september Inspiratie – over de grens! Een reeks over kunst, wetenschap en wederzijdse inspiratie. Deel 1: Ed

Spanjaard en Abram de Swaan 17-19 uur

Carte blanche: Marita Mathijsen. Achterwaartse gesprekken Mathijsen in gesprek met Vondel, Thorbecke en Huizinga. Met Piet Calis, Maarten

Asscher en Willem Otterspeer 20-22 uur Dinsdag 25 september Lancering van de lijst van de 25 wetenschappelijke boeken die je gelezen moet hebben

In samenwerking met NRC wetenschap

17-19 uur Peter Vandermeersch en Ernst-Jan Pfauth in gesprek over de toekomst van de krant 20-22 uur Woensdag 26 september Inspiratie – over de grens! Deel 2: Henk van Os over zijn vriendschap met kunstenaars 17-19 uur

Dinsdag 2 oktober Boekpresentatie De stok van Schopenhauer, van H.C. ten Berge 17-19 uur Wat na de studie (gebaren)taalwetenschap? 20-22 uur

Woensdag 3 oktober U-meet Weg uit de crisis! Inspirerende ideeën van ondernemende onderzoekers 17-19 uur Carte Blanche: Nelleke Noordervliet Ziekte als metafoor. Een avond over genees-

Debat met Valerie Frissen, Anneke Smelik en José Teunissen o.l.v. Joyce Roodnat

Woensdag 17 oktober De toekomst van de geesteswetenschappen Deel 2: de Lage Landen Welk antwoord for-

17-19 uur Derde Jacob van Lenneplezing Peter Raedts: De liberale Middeleeuwen 20 uur

muleren Jo Tollebeek, Trudy Dehue en Rens Bod op de bedreigingen van de geestes­ wetenschappen? 20-22 uur

Vrijdag 5 oktober Presentatie van het nieuwe nummer van Armada: Beslissende dagen

Voor meer informatie over het programma: SPUI25.nl. Toegang is gratis, reserveren verplicht

Over historische data in de literatuurgeschiedenis

Met Maarten Asscher, Suze van der Poll, Hans Renders en Willem G. Weststeijn

Donderdag 27 september Bijzondere lezing Walther van de Leur, hoogleraar jazz en improvisatiemuziek

Stand van de Wetenschap: Kinderpsychiatrie

tallozen’: een avond over Fernando Pessoa, Ricardo Reis en August Willemsen 20-22 uur

Maandag 15 oktober Stand van de Wetenschap: Kunstgeschiedenis Margriet van Eikema Hommes, Gregor Weber en Aart van der Kuijl over toen en nu 20-22 uur

Donderdag 4 oktober Nederland modeland? De toekomst van onze creatieve industrie

17-19 uur

17.15-18.15 uur

Vrijdag 12 oktober Inspiratie – over de grens! Deel 4: Maarten Doorman en Lieve Joris 17-19 uur

kunde en literatuur. Met Frans Meulenberg, Marita Mathijsen, Jan Dequeker en Nelleke Noordervliet 20-22 uur

Robert Darnton: Digitize, Democratize: Libraries and the Digital Future Directeur van de Harvard University Library en cultuurhistoricus over de toekomst van het boek 20-22 uur

Carte blanche Maarten Asscher ‘In ons leven

Donderdag 11 oktober Lunchlezing: Geesteswetenschappen presenteert Met Walid el Houri en Patricia Pisters 13.15-14 uur Wetenschap: een kwestie van vertrouwen? Een debat met André Knottnerus, Kees Schuyt en Huub Dijstelbloem o.l.v. Peter Vermij 20-22 uur

Het lustrumprogramma wordt mede mogelijk gemaakt door European Cultural Foundation Ambassade Hotel, Amsterdam Eurest Campus Services Studijob Uitzendbureau Bloemenstal ’t Lievertje

Maandag 8 oktober Inspiratie – over de grens! Deel 3: Micha Hamel en Sarah Vanhee 17-19 uur

Frits Boer en Arne Popma over de actuele stand van zaken 20-22 uur Dinsdag 9 oktober Stamcellen: hoop en vrees Lezing door KNAW-president Hans Clevers 17-19 uur

Letteren&cetera, talkshow van Pieter Steinz met Ellen Deckwitz, Jean Pierre Rawie en Antonio Muñoz Molina 17-18.30 uur De Bezige Bij dialogen Henk Pröpper in gesprek met Peter Buwalda en Tommy Wieringa 20-22 uur

Maandag 1 oktober Carte Blanche: Louise O. Fresco Visies op voedsel. Fresco in gesprek met Katja Gruijters 17-19 uur

Woensdag 10 oktober AAA-lezing: Verlos ons! Sander van Maas: De globalisering van de verlossing 17-18 uur De toekomst van de geesteswetenschappen Deel 1: Europees perspectief De geesteswe-

tenschappen staan in heel Europa onder druk. Wat is het antwoord van Sir Roderick Floud, Theo D’haen en Antoine Compagnon? 20-22 uur

monique kooymans

Vrijdag 28 september Dag van de Literatuur

13.09.12 De Groene Amsterdammer 19


‘Travel is fatal to prejudice, bigotry, and narrow-mindedness.’ — Mark Twain, 1869

St. Petersburg

Moskou

Rodmell

Londen Mons

Zamość

Parijs Bazel Bilbao

Boekarest

Belgrado Toledo

Barcelona Rome Vergina Palermo

Ontdek dit najaar de verborgen schatten van het Europees humanisme, in Nexus 60 Met essays van John Julius Norwich — Eva Hoffman — Adam Zamoyski — Jan Brokken Lesley Chamberlain — Gabriel Josipovici — Aleksa Djilas — Philipp Blom — Antoni Munné Luc Devoldere — Andrew Pettegree — Kees Verheul — David Abulafia — Constantin Floros Michail Sjisjkin — Horia-Roman Patapievici

www.nexus-instituut.nl


Spui25