Page 1

| De Wondere Pluim | 2008 |

1


2 | De Wondere Pluim | 2008 |


VOORWOORD Toen ik acht was, schreef ik een lang verhaal over een jongen en een meisje die op de rug van een walvis de oceanen bevoeren en zo in New York kwamen en in China. Ik was in het echt nooit in New York en China geweest, helemaal nog nooit in het buitenland, maar door te schrijven was ik er in mijn gedachten toch. Je verbeeldingskracht en je verhalen kunnen je wereld groter maken. Verhalen kunnen ook je gedachten ruimer maken. Door iets op te schrijven over wat je denkt en voelt en meemaakt, gaat dat je hoofd uit, zomaar het papier op, of in de computer. Iemand anders kan dat lezen en zeggen: o ja, zo denk en voel ik dat ook. Of: o ja, wat jij bedacht hebt, dat zie ik nu ook als een film in mijn hoofd. Als je verhalen schrijft, ga je naar woorden zoeken, de goede woorden om te kunnen vertellen wat je wilt vertellen. En misschien schrijf je wel zinnen die andere mensen verrassen, zinnen die net een beetje anders zijn dan de zinnen die je zegt als je in een winkel staat of op straat speelt. Zulke bijzondere zinnen vonden wij als jury in heel wat van jullie verhalen. Deze zin bijvoorbeeld: ‘Ze zochten hun eigen krachten voorbij’. Als stadsdichter van Antwerpen ben ik trots op de bijna tweeduizend Antwerpse kinderen die dit jaar een verhaal voor de Wondere Pluim hebben geschreven. Prachtig is dat. Joke van Leeuwen | De Wondere Pluim | 2008 |

3


JUrYVERSLAG De jury is verheugd dit jaar de eerste Pluim uit te kunnen reiken aan een verhaal dat over lezen gaat. Het is met veel plezier geschreven, raakt de harten van de lezer en is ontwapenend spontaan verteld. Met een slotzin als: “Ik vind lezen leuk als we tuut tuut lezen”, waren onze harten makkelijk veroverd. En terecht. Een Pluim voor Fran Van Looveren met het verhaal ‘Ik zit in lezen’. Is het een gedicht? Is het een verhaal? De jury kwam er niet uit. Waar we het wel over eens waren, is dat deze poëtische vertelling grappig en mooi op papier was gezet door een veelbelovende jonge auteur met smaak. Dat kan niet anders als zijn nacht “helemaal in chocolat” was. Een Pluim voor Max Levy met ‘Vannacht heb ik gelachen’. Verbazingwekkend met wat voor gemak én zin voor humor deze jonge auteur een dag uit een huwelijk weet te schetsen. De aanleiding was de aankoop van een “chique gsm” en met de nodige verbeelding komt het toestel tot leven. De jury vond het mooi visueel geschreven, origineel en grappig verteld. Daarom een Pluim voor Mathias Vergauwen en ‘De gulzige gsm’.

4 | De Wondere Pluim | 2008 |


Dit gevoelige verhaal over vriendschap viel ons op omdat het taalgebruik zo goed was. De karakters worden mooi neergezet, en het verhaal ontwikkelt zich sterk van begin tot einde, zonder ook maar ergens te verzwakken. Goed volgehouden, knap geschreven, sterk einde. Een Pluim voor Sabrina Pienica met ‘De beer en de sneeuwman’. De jonge schrijfster van dit verhaal weet al heel goed dat tegenstellingen en omkeringen werken in de literatuur. De jury was gecharmeerd door het originele uitgangspunt, en nog meer omdat de vondst zo knap en consequent werd uitgewerkt. De namen van de karakters zijn goed bedacht, oog voor detail maakt de vertelling spannend en geloofwaardig en er staan prachtige regels in zoals de slechterik, die zijn speech begint met “Mijn wraakzuchtige volk...” Een Pluim voor Inne Deby met ‘Het omgekeerde land’. Niet alleen de titel en het mooie, wijze einde wisten de harten van de jury te veroveren. Dit verhaal is klassiek, mee dankzij de wijze raad die het einde meegeeft, maar het was zonder meer mooi en spannend verteld. Deze auteur heeft zeker geen gelukspluim nodig gehad om dit jaar zijn of haar Wondere Pluim te winnen. Een Pluim voor Vjosa Balaj met het verhaal ‘De magische wondere pluim’. Er waren heel wat sprookjesachtige verhalen bij de inzendingen dit jaar, en ook dit verhaal doet de jury aan een sprookje denken. Maar geen flauw sprookje. | De Wondere Pluim | 2008 |

5


De figuren hebben tot de verbeelding sprekende  namen als Aquamarina en Skya, en het verhaal is van begin tot eind goed en spannend verteld. Alsof dat nog niet voldoende is, weet de auteur er ook nog ons milieu als thema in te verweven. Al Gore moest het lezen! Een Pluim voor Margaux Hellemans met ‘Het toverpenseel’. We zouden graag weten wat er in de nacht gebeurt, want de jury slaapt namelijk vooral ‘s nachts. Het antwoord heeft ons bijzonder verrast. Dit magische verhaal is origineel, fantasierijk, speels en laat de lezer genieten van mooie zinnen zoals: ”De kippenleeuw heeft zichzelf bijna opgegeten.” Het houdt goed vast aan de eigen logica én rondt af met een onverwachts einde. Een dikke Pluim voor Liza Miller met het verhaal ‘Wat gebeurt er in de nacht?’ Het volgende verhaal is geen verhaal over tante Sidonia’s of verre skioorden. Nee, in dit verhaal komen wiskundige meetvoorwerpen die elk kind bijna dagelijks gebruikt tot leven. Latten, jawel. Wat gewoon begint bij een meisje dat haar huiswerk maakt, wordt dankzij de knappe opbouw al snel een spannend avontuur, dat ook nog eens sterk eindigt. Dankzij de beeldende taal en het grote gevoel waarmee dit verhaal is geschreven, gaat deze Pluim naar Clara Seynaeve met ‘Het Langelattenland’.   De lezer laten beleven dat tevreden met jezelf zijn belangrijk is, is één ding. Maar dit doen in een bijzonder knap opgebouwde vertelling, die grappig is,

6 | De Wondere Pluim | 2008 |


een echte spanningsboog heeft en goed geschreven is? Kijk, daar is de jury bijzonder blij mee. En dat verdient een Wondere Pluim. Deze is voor Daisy Lau met het verhaal over ‘De monstervlieg’. De jury is bijzonder benieuwd naar de achternaam van deze auteur. Vertoeft zij in politieke kringen of niet? Want een vlijmscherpe, grappige politieke satire van dit niveau kwamen we nog niet vaak tegen in al onze Pluim-jaren: een verfrissende leeservaring vonden we het. De humor is uitstekend getimed, de karakters zijn geloofwaardig... Of Joëlle Milquet “non” blijft zeggen op de amoureuze aanzoeken van Yves Leterme, u leest het in dit verhaal. En wat een mooi handschrift! Een Pluim voor Hannelore George met ‘Het droomkasteel van Yves Leterme’. Deze familie komt op papier echt tot leven. Sterker nog, dit verhaal weet fantasie en werkelijkheid mooi in evenwicht te houden en houdt die balans over de hele lijn goed vast. Alsof dat nog niet voldoende was, leest alles lekker weg dankzij de leuke vertelstijl. Je hoeft niet altijd een restaurant te openen om beroemd te worden. Een snelle slak als huisdier houden, helpt ook. Een Pluim voor Ilias Bukrava met ‘De snelle slak’.

| De Wondere Pluim | 2008 |

7


8 | De Wondere Pluim | 2008 |


Verhalen van kinderen uit het eerste leerjaar, Nederlands moedertaal

Ik zit in lezen Ik zit in lezen. Een keileuke klas en onze juf is keizot. Als we lezen, leest de juf expres fouten! Dan moeten wij ‘tuut tuut’ roepen, en het juist lezen. We lachen dan heel hard, want de juf zegt soms zotte dingen. Ik vind lezen leuk als we ‘tuut tuut’ lezen. Fran Van Looveren 6 jaar Zuiderdokken

| De Wondere Pluim | 2008 |

9


De gestolen diamant

Op een dag vroeg in de ochtend... Toen iedereen nog sliep in het dorpje, was Lisa al op. Ze keek eventjes rond en zag dat iedereen nog sliep. Ze was verbaasd. Het was al acht uur. Lisa maakte haar broer wakker, maar hij werd niet wakker. Toen had Lisa een goed idee! Ze zei: ‘Kijk Rik, een diamant!’ Rik sprong op en zei: ‘Waar? Waar? Waar???’ Lisa lachte en zei: ‘Dat was een grapje! Gaan we onze boterham alvast smeren?’ ‘Oké!’, zei Rik. Ze renden de trap af en even later stonden ze in de keuken. ‘En nu onze boterhammen smeren!’ ‘Wil jij die van mij smeren?’, vroeg Rik aan Lisa. ‘Nee, dat doe ik echt niet.’ Opeens hoorde Rik iets. Hij keek uit het raam, maar zag niks. Als hij iets sneller had gekeken, dan had hij de twee dieven, Ronnyke en Vronyke gezien met de diamant. ‘Fiew! Dat was op het nippertje!’, zei Ronny. Hij liet zich naar beneden zakken en zei: ‘Het is ochtend, we moeten op de daken slingeren.’ Ze sprongen van het ene dak naar het andere. Toen ze eindelijk klaar waren, gingen ze naar beneden. Maar ze vielen toen de politie langskwam. De politieagenten sprongen uit de auto en vingen de boeven. Even later zaten ze in de gevangenis. De politieagent zag de diamant en pakte hem, maar de boef pakte zijn hand en duwde die tegen de tralies. De politieagent viel op de vloer, de boef pakte de sleutels en

10 | De Wondere Pluim | 2008 |


ontsnapte. Maar om het hoekje stond een politieagent. Hij pakte de diamant, liep naar het museum en gaf de diamant terug. De eigenaar was blij! Hij zei: ‘Dank je wel!!!’ Rik en Lisa kwamen kijken en ze waren heel blij. Alpha Diallo 6 jaar De kRing

| De Wondere Pluim | 2008 |

11


De sprekende leeuw

Er was eens een meisje, dat op geheime missie ging. Ze stapte in een vliegtuig en ze vertrok. Na twee uur vliegen stapte ze uit. Ze ging door een veld. Het leek niet echt op een veld, want er was een boom en nog een boom. En tussen die bomen was een leeuw! De leeuw kwam dichterbij. Het meisje zag de leeuw. De leeuw kwam nog dichterbij! De leeuw zei: ‘Wat doe jij hier?’ ‘Ik zoek het Ei van Goud!’ ‘Misschien kan ik je helpen’, zei de leeuw. ‘Dank u’, zei het meisje. Ze gingen op pad. ‘Daar is het nest.’ De leeuw ging naar boven. De leeuw joeg de vogel weg. Het meisje pakte het goud. Alice Sioen 7 jaar Wereldschool

12 | De Wondere Pluim | 2008 |


Het lichaam

Het hart is aan het lachen, want het bloed heeft een mop. Iedereen is aan het lachen, maar toen kwam er iets vreemds: een fish-stick! Mmm... Nils Peeters 6 jaar Kolibrie

| De Wondere Pluim | 2008 |

13


14 | De Wondere Pluim | 2008 |


Ik ben Lotte

Ik ben Lotte. Mama zei me dat ze een baby ging krijgen. Toen moest ik naar bed. Ik lachte van hihihi en hahaha. Na veel maanden kwam de baby. Ze heet Lila en ze is kaal. Het verschrikkelijke is dat ze altijd huilt. Maar voor de rest ben ik, Lotte, blij. Ze krijgt cadeautjes, maar ik ook! Emma Deckers 7 jaar Zevensprong

| De Wondere Pluim | 2008 |

15


De zwarte elf

Er was eens een elfje met kleurtjes. Op een dag had ze geen kleurtjes meer. Ze herinnerde zich een toverspreukenboek. Dus ze besloot het boek te gaan halen. Ze zocht de toverspreuk. Ze vond de toverspreuk. De toverspreuk luidde: ‘Hokus Pokus, ik wou dat ik mijn kleurtjes terug had!’ Ze zei die toverspreuk. En wat gebeurde er? Ze had haar kleurtjes terug. Otis Luypaert 6 jaar Spiegel

16 | De Wondere Pluim | 2008 |


Druppel de druppel de drup Ik had een mooie droom. Ik zat in het zwembad. Toen werd ik wakker. Maar ik was nat! Ik was niet nat van het zwembad, ik was nat van een druppel water. Ik ga een emmer pakken. Mama roept: ‘Mag ik de twee emmers terug?’

Sara Verbist 6 jaar Veltwijck

| De Wondere Pluim | 2008 |

17


18 | De Wondere Pluim | 2008 |


Verhalen van kinderen uit het eerste leerjaar, Nederlands tweede taal

Vannacht heb ik gelachen Vannacht heb ik gelachen. Mijn nacht was helemaal in chocolade. Max Levy 6 jaar Tachkemoni

| De Wondere Pluim | 2008 |

19


Een haai zonder bril Er was eens een haai. Hij had een monster gezien! Nee, het was een boot.

NoĂŠ Wachsmuth 6 jaar Kolibrie

20 | De Wondere Pluim | 2008 |


Valentijn

Er was een koppel en een heks. De heks vond Valentijn niet leuk. Ze pikte het lief van de andere. Nu vond ze Valentijn wel leuk. Sara Gasana 6 jaar Zuiderdokken

| De Wondere Pluim | 2008 |

21


Ridder Tim en de prinses Er was eens een prinses op een hoge toren. Ze werd gevangen door de draak, want de draak vond de prinses mooi. Op een dag kwam er een ridder aan om de prinses te redden. Hij ging naar de prinses. Toen kwam de draak. Ridder Tim zag de draak en hij ging ernaartoe. De draak was boos. De draak was heel, heel erg boos! Zo boos was hij nog nooit geweest! Toen ging Tim vechten. De prinses was bang. Ridder Tim heeft gewonnen en ze leefden nog lang en gelukkig. Melih Yildirim 7 jaar Zevensprong

22 | De Wondere Pluim | 2008 |


Vreemde oma’s Sommige oma’s zijn niet goed! Sommige oma’s zijn heel lief. Sommige oma’s willen u graag zien. Oma’s zijn lief en oma’s zijn niet lief! Ik wens dat alle oma’s lief zijn. Sommige oma’s laten u lachen. Sommige oma’s zien u niet zo graag. Ik wil dat alle oma’s lief zijn voor ons. Als je goede oma’s hebt, ben je blij. Als je geen goede oma’s hebt, ben je niet blij! Ik zeg wel honderd keer: ‘Oma’s en oma’s en oma’s en oma’s en oma’s en oma’s!’ Ik wil dat het werkt. ‘Oma’s, ik wil dat sommige lief zijn voor altijd!’ Als het werkt, zal iedereen blij zijn. Ik wil als u oma’s. Please, doe het voor. Alsjeblieft, voor mij éénmaal! Doe het voor mij. Vreemde oma’s. Sharon Twum Berimah 10 jaar Jonghelinckshof

| De Wondere Pluim | 2008 |

23


De draak wil kinderen ‘Opeten! Nu!’ Maar er is geen kind te zien. Het kind wil met een draak vechten, maar de draak is bang. Hij is weg! De ridder gaat ook met de draak mee. Merve Elma 6 jaar Wereldschool

24 | De Wondere Pluim | 2008 |


Er was eens Puk wou op reis. Puk gaat op reis. De boze wolf komt eraan! Puk schrikt! Op een nacht eet de boze wolf Puk op. Solange De Almeida Ferreira 7 jaar Spiegel

| De Wondere Pluim | 2008 |

25


26 | De Wondere Pluim | 2008 |


Verhalen van kinderen uit het tweede leerjaar, Nederlands moedertaal

De gulzige gsm

Er was eens een meneer, die op zoek was naar een nieuwe gsm. Hij ging een winkel binnen en zag daar een chique gsm. Hij kocht die. Hij kwam thuis en zijn vrouw zei: ‘Amai, zo’n chique gsm gekocht!’ Hij zei: ‘Ja, ik weet het, maar ik wil hem eerst uittesten.’ Zijn vrouw vroeg: ‘Hoe ga je dat doen?’ ‘Wel, jij gaat mij een sms sturen.’ Zijn vrouw deed dat en hij ontving maar een paar kleine lettertjes. Hij zei: ‘Amai, zo weinig lettertjes.’ Zijn vrouw keek en zei: ‘Dat heb ik niet geschreven!’ Toen zei de man: ‘Dan test ik het wel bij mijn vriend.’ Daar ontving hij weer maar een paar lettertjes. Hij zei: ‘Er is toch iets vreemds aan die gsm!’ Ineens werd hij in de gsm gezogen. Daar zag hij allemaal stukjes van berichten. Hij maakte een wandeling in de gsm en toen kwam hij in de geheugenkamer. Hij zag daar een mannetje dat zei: ‘Eten, eten, eten!’ De man zag dat er van alles kapot was. Hij at het mannetje op en werd weer uit de gsm gezogen. Alles werd weer normaal. De man gebruikt nu zijn oude gsm weer. Mathias Vergauwen 7 jaar Sint-Anna Goethe | De Wondere Pluim | 2008 |

27


Gekke oma’s Charlotte heeft twee oma’s. Iedere week bezoekt Charlotte één van haar oma’s. Charlotte vindt dat niet leuk, want... ze zijn allebei gek! Op een dag heeft ze een plan. ‘Plan A’, zegt ze in zichzelf. Het is woensdag. Ze gaat naar oma Frieda. Ze gaat naar de vijver in haar tuin, pakt een visnet en wacht tot er een kikker te zien is. ‘Daar!’ Ze gooit het visnet in het water. ‘Hebbes!’ Ze stopt de kikker in een doosje met gaten. Ze hoort haar moeder roepen: ‘Charlotte, we gaan vertrekken!’ Charlotte loopt naar de auto, vader en moeder zitten er al in. Twee uur later. Eindelijk zijn ze er. Charlotte pakt de kikker en sluipt via de achterdeur de keuken binnen, doet de kikker in het eten van oma Frieda, en snelt naar de woonkamer. Daar zitten ze koffie te drinken met koekjes. Charlotte heeft geluk, ze mag blijven eten, dus kan ze ook zien wat er gebeurt met de kikker. Het is zo ver, het eten staat op tafel. Zoals gewoonlijk heeft oma Frieda apart eten. Oma Frieda is blind, dus kan ze de kikker niet zien. En wat vader en moeder betreft, zij letten daar niet op. Ineens ligt de kikker op de lepel van oma Frieda. Dan valt Charlotte flauw: oma Frieda eet de kikker op, zoals al de rest! Als Charlotte bijkomt, ligt ze in haar eigen bed. De dokter is haar aan het onderzoeken. ‘De dokter zegt dat je van iets hevig geschrokken moet zijn’, zegt mama. ‘Dat is niet waar!’ zegt Charlotte. ‘Plan B’, denkt Charlotte. De volgende woensdag gaan ze naar oma Lucie. Ze neemt haar secondelijm en stapt in de auto.

28 | De Wondere Pluim | 2008 |


Een uur later. Eindelijk zijn ze er. Charlotte gaat via de achterdeur naar de badkamer. Daar smeert ze een dikke laag lijm op de sproeier en snelt weer naar de woonkamer. Daar is nu wijn en sinaasappelsap. Charlotte heeft weer geluk want oma Lucie gaat douchen. Ze zet de douche aan. Er gebeurt niks! Toch wel, want ze pakt een ruggenkrabber en krabt alles weg. Charlotte verstomt van verbazing. Oma Lucie schrok niet! ’s Avonds gaat Charlotte boos naar huis. Zij en haar streken helpen niks! ‘Tijd voor plan C!’, zegt Charlotte tegen zichzelf. De volgende woensdag neemt Charlotte zestien planken hout en nagels en een hamer mee. Ze gaan weer naar oma Frieda. Daar zegt ze dat ze wil blijven slapen. Ma en pa vinden het raar, maar stemmen toe. Als haar ouders weg zijn, zegt ze tegen oma dat ze buiten wil spelen. Eenmaal buiten, begint ze te timmeren en te timmeren tot oma Frieda helemaal opgesloten is. Dan belt ze de taxi, en rijdt naar huis. Daar vertelt ze alles aan papa en mama. Mama en papa zijn trots op Charlotte. De volgende woensdag doet ze hetzelfde bij oma Lucie, met de hulp van ma en pa. Ze bellen de politie om oma Frieda en oma Lucie op te halen. Dan hangt Charlotte affiches in het dorp: ‘Twee lieve, mooie en grappige oma’s gezocht.’ Algauw komen er zich vrouwen voorstellen. Charlotte kiest er twee uit en samen leefden ze nog lang en gelukkig. Anthe Baele 7 jaar De kRing | De Wondere Pluim | 2008 |

29


De tien vissen

Er waren eens tien vissen. Ze verveelden zich. Ze wilden eens de zee langs boven zien. Ze probeerden te springen, maar dat lukte niet. Ze probeerden het nog eens. Ze moesten samenwerken, dus dat deden ze. Ze maakten een wipplank, met hun tienen, dat ging snel. Maar daar kwam de haai! Ze riepen: ‘Dolfijn!’ Die kwam heel snel en viel de haai aan. Ze bedankten de dolfijn. En ze sprongen op hun springplank. Boven de zee. Wat was dat schoon! Leon Jespers 7 jaar Wereldschool

30 | De Wondere Pluim | 2008 |


Het schaap met de wollen sokken Er was eens een schaap dat Jojoke heette. Er was iets vreemds met Jojoke. Ze had altijd kou aan haar pootjes. Geen enkel schaap wist wat het was. Maar toen zei een schaap: ‘Ik weet het, misschien heeft ze een ziekte. Ze moet naar de schapendokter. Misschien weet hij het!’ Jojoke ging naar de dokter. ‘Mmm, er is niks vreemds. Met jouw pootjes is er niks.’ Jojoke stond verbaasd: ‘En toch heb ik het koud!’ ‘Je moet eens dikke wollen sokken aandoen, misschien helpt dat.’ Jojoke ging naar de winkel. Ze kocht vier pakjes sokjes en ze trok ze alle vier aan. Ze had geen kou meer! Ze riep: ‘Dat is keigoed!!! Joepie!!!’ Eva Auwers 8 jaar Zevensprong

| De Wondere Pluim | 2008 |

31


De zwarte elf Er was eens een elfje aan het slapen. Toen kwam er een heks en toverde de elf zwart. Toen de elf wakker werd, schrok ze zich een hoedje! ‘Aahh!’, riep het elfje, ‘wat is dat nu, ik ben helemaal zwart!’ Vlug vloog het elfje naar het beekje, waar ze zich begon te wassen in een poging om zich weer schoon te krijgen. Maar dat lukte niet! Het elfje wist niet meer wat te doen en begon te huilen. ‘Snik, snik, zo kan ik niet terug naar de andere elfjes, ze zullen niet meer weten wie ik ben, snik, snik...’ Een rups die voorbijkwam, zag het elfje huilen en vroeg wat er aan de hand was. Het elfje deed haar verhaal aan de rups. De rups had medelijden met het elfje. ‘Weet je wat?’ zei de rups, ‘je moet naar het regenboogmannetje. Hij kan je je kleuren teruggeven.’ ‘O ja!’, riep het elfje blij. ‘Maar waar vind ik het regenboogmannetje?’ ‘Hij woont bij de regenboog aan de rand van het bos’, zei de rups. ‘Dankjewel, lieve rups. Ik ga er gauw heen, geen tijd te verliezen, want het is alweer bijna donker.’ Hanne Goessens 8 jaar Klavertjevier

32 | De Wondere Pluim | 2008 |


Verhalen van kinderen uit het tweede leerjaar, Nederlands tweede taal

De beer en de sneeuwman Er was eens een beer, die niet wist dat het winter was. Op een dag lag beer nog in zijn bed. Zijn moeder kwam binnen en zei: ‘Opstaan! Opstaan!’ Beer antwoordde dat hij ziek was. De moeder zei dat het oké was om in bed te blijven en ging weg. De beer keek naar het raam en zag een sneeuwvlokje vallen, en nog één en nog één. Toen begon het te sneeuwen. Beer zei: ‘Ooh, het sneeuwt buiten! Ik ga naar buiten!’ Maar buiten had hij geen vrienden. Beer dacht na: ‘Hoe kan ik een vriend maken?’ Plots had hij een idee. Hij maakte een grote sneeuwbal, daarna een normale sneeuwbal en dan nog een kleine sneeuwbal. Beer riep: ‘Het is gelukt!’ Toen zag beer dat zijn sneeuwman geen ogen, geen mond, geen neus, geen hoed en geen stok had. Beer ging naar huis en nam alles wat nodig was om de sneeuwman te eindigen. Toen Beer klaar was, zag hij dat zijn sneeuwman bewoog. Hij zei: ‘Wil jij mijn vriend zijn, en met mij spelen?’ De sneeuwman antwoordde dat hij dat graag wou. ‘Wil jij tikkertje spelen?’ De sneeuwman zei: ‘Ja’. En ze begonnen te spelen. Tik... tik... Mama kwam terug en ging in de kamer van beer. Ze zag | De Wondere Pluim | 2008 |

33


hem niet. Ze zocht overal tot ze hem buiten zag. Ze keek kwaad naar beer en stuurde hem naar zijn kamer. Beer zat droevig in zijn kamer te huilen. Mama ging in de kamer van beer en zei dat hij naar bed moest. En aan de sneeuwman zei ze dat hij weg moest. De volgende morgen vroeg hij of hij naar het park mocht. Mama zei dat het oké was, als hij maar warme schoenen aantrok. Beer ging naar het park en zag ineens zijn vriend de sneeuwman. Beer liep naar de sneeuwman en gaf hem een dikke knuffel. Ze begonnen te spelen totdat beer zei: ‘Sorry, sneeuwmannetje, maar ik moet naar huis want mama heeft eten klaargemaakt.’ Beer ging eten en ging daarna naar bed. Hij lachte, want hij wist dat hij over de sneeuwman zou dromen. Sabrina Pienica 7 jaar Tachkemoni

34 | De Wondere Pluim | 2008 |


De goeie ridder Er was eens een ridder. Hij heette ridder Kevin. Hij had al veel draken verslagen en was de held van de stad. Maar hij had nog nooit een tovenaar verslagen, dus wou ridder Kevin een tovenaar verslaan! Verderop was er een slechte tovenaar. Hij heette tovenaar Jan. Hij had van alle ridders gewonnen, maar tovenaar Jan had nog ĂŠĂŠn ridder niet verslagen: ridder Kevin. Ridder Kevin ging zijn eerste tovenaar verslaan, en ging nu vertrekken. Eerst nam hij afscheid van het kasteel en van de andere mensen. Hij ging weg. Even later kwam hij aan bij het drakenbos. Het was er donker. Ridder Kevin hoorde iets, maar het was de wind. Even later hoorde ridder Kevin weer iets: het was een draak. De draak vuurde vuur uit zijn mond, maar ridder Kevin had gelukkig een schild in zijn hand. Ridder Kevin zwaaide met zijn zwaard tegen de draak, maar de draak ontweek en vloog weg. Ridder Kevin ging weer op weg naar de tovenaar. Even later kwam ridder Kevin weer een bos tegen. Dit was een gewoon bos. Ridder Kevin hoorde iets. Het was de draak van daarstraks met nog andere draken. Allemaal tegelijk spoten de draken vuur uit hun mond! Maar ridder Kevin had een schild en het vuur kwam terug op de draken. Ze waren allemaal dood door het vuur. En ridder Kevin ging weer op weg. Hij kreeg honger. Wat verderop was er een tentje met eten. Even later kwam ridder Kevin een moeras tegen. Het was het krokodillenmoeras. Hij ging door het moeras en vond een brief. | De Wondere Pluim | 2008 |

35


Er stond: ‘Lieve Kevin, we hebben slecht nieuws! Onze prinses is vermist en we weten waar ze is: in het kasteel van de tovenaar. We hebben nog meer slecht nieuws! Je moet voorbij de Zwarte Ridder! Geen enkele ridder heeft de Zwarte Ridder kunnen verslaan, dus het wordt moeilijk voor jou. Oppassen!’ Ridder Kevin ging verder en was voorbij het krokodillenmoeras. Hij kwam bij de brug van het kasteel van de tovenaar. Wie kwam hij tegen? De Zwarte Ridder! Ze vochten en ridder Kevin versloeg de Zwarte Ridder. Toen ging de Zwarte Ridder hem helpen om de prinses te bevrijden. Ze kwamen over de brug, ze klommen over het kasteel en ze vonden de tovenaar. Ze begonnen te vechten. Ze hebben de tovenaar in de put gegooid, de prinses bevrijd en teruggebracht naar het kasteel. Joshua Heylen 10 jaar Jonghelinckshof

36 | De Wondere Pluim | 2008 |


De wolf en de schapen De wolf had trek in schaap, maar er waren geen schapen. Ze waren in de boerderij. De wolf kon daar niet in. Er waren ook jagers. De wolf was bang van de jagers. Hij dacht na. Hij maakte een plan. Hij nam een touw en gras. Hij knoopte het gras aan het touw. Zo lokte hij de schapen één voor één uit de boerderij. Hij kon ze allemaal opeten. Volkan Garip 8 jaar Zuiderdokken

| De Wondere Pluim | 2008 |

37


38 | De Wondere Pluim | 2008 |


Er was eens een prachtige vlinder Ze was zo mooi dat ze schitterde in de zon. Tot op een dag er een tovenaar kwam. Hij betoverde alle elfjes en ook onze prachtige vlinder. Ze werd betoverd in een hele rare vlinder! Aan haar linkerkant was ze geel en aan haar rechterkant was ze groen. Ze had geen vleugels, maar hartjes om mee te vliegen! Mirusha Balaj 8 jaar Sint-Lutgardis

| De Wondere Pluim | 2008 |

39


Superoma

Er was eens een kat. De kat was een slechterik. Hij maakte een uitvinding. Hij wou de wereld veroveren. Maar Superoma kwam en zei: ‘Je gaat eraan, slechte kat!’ De kat zei: ‘Je kunt me toch niet pakken met mijn nieuwe uitvinding: de turbo wereldvernietiger. Met deze uitvinding ga ik de wereld vernietigen!’ Superoma zei: ‘Dat gaat je niet lukken!’ De kat zei: ‘Oké, we gaan vechten!’ Ze vochten een uur. Plotseling had Superoma gewonnen. Len Wachsmuth 8 jaar Kolibrie

40 | De Wondere Pluim | 2008 |


Vreemde oma’s maar wel een heks Ze woonde in een kasteel in Schotland. ’s Nachts pakte ze de bezem, vloog rond de maan en zocht kinderen. Het was de honderdste keer dat ze een huis binnenging. Ze veranderde kinderen in een koe of een sok of een poes. De moeders en papa’s waren boos omdat de heks kinderen veranderde. Op een dag was het ouderraad van heksen uit heel de wereld. Het was in het Pan Hotel. In het hotel waren ook kinderen aanwezig. Oma heette Cindy. Ze had een kind meegenomen, Stef. Zijn moeder en zijn vader waren dood, daarom woonde hij bij oma. Op een dag waren de kinderen buiten aan het spelen. Stef niet. Hij zag iets raars in een lokaal, gekke mensen! Opeens zag hij een heks aankomen met twee koffertjes. Daar zat geld in voor een project. Dat was voor de kinderen. In dat lokaal zaten allemaal heksen. Stef schrok: ‘Bestaan heksen? Nee! Het is maar een droom, niet waar!’ Opeens zag hij de heks snoepjes in het flesje doen. ‘Drink op, kind!’ ‘Mmm, lekker!’ Het kind veranderde in een muis. Alle heksen lachten tot ze niet meer konden lachen. Het opperhoofd zei: ‘We gaan dit project overal doen, haa!’ Hij zag iets in de mand, hij deed ze open. ‘Een kind dat zich bemoeit met onze zaken gaat eraan! Jij wordt de tweede, hahaha! Pak dat drankje, drink dat nu!’ | De Wondere Pluim | 2008 |

41


‘Nee!’ ‘Dat zullen we zien! Drink nu!’ ‘Goed, ik ga drinken. Wat gebeurt er? Ik word een muis, nee!!!’ Op een dag vond Stef het kasteel van de heksen. Hij keek door het raam en zag een heks. Het was het opperhoofd. Hij ging naar binnen en vond het drankje in de keuken. Daar was koffie. Hij deed het drankje in de koffie. De heksen dronken en werden opeens een muis! Iedereen was een muis, ook het opperhoofd. Stef liet de kat binnen. Niemand is achtergebleven. Yassine Chebaa 11 jaar Sint-Jozef

42 | De Wondere Pluim | 2008 |


Verhalen van kinderen uit het derde leerjaar, Nederlands moedertaal

Het Omgekeerde Land Er was eens een land waar alle mensen liefde en vreugde voor elkaar hadden. Hun koningin was een heel lieve en bijzondere vrouw. Zij was geliefd bij iedereen. Maar er was iets heel raars. Diep in de grond was er een omgekeerd land. Alle mensen waren daar heel gemeen tegen elkaar. Zij hadden een koning, en die koning was de DUIVEL! De koningin van dat hele mooie land – genaamd Bloemenheelal – wou daar iets aan doen. Ze piekerde elke dag, elke nacht. Elke morgen vroeg ze aan haar volk: ‘Mijn geliefde volk, weet niemand hoe we van het Omgekeerde Land een mooi land kunnen maken?’ Maar zelfs de slimste van het dorp wist geen raad. Terwijl ze in het Bloemenheelal aan het denken waren, waren die van het Omgekeerde Land te weten gekomen dat er een land van liefde was. Maar de duivel wou geen land met liefde. Hij wou alleen landen waar het altijd oorlog was, en waar iedereen gemeen voor elkaar was. Hij dacht en dacht, tot hij het eindelijk wist. De volgende morgen riep hij over zijn volk uit: ‘Mijn wraakzuchtige volk, ik wil Bloemenheelal kapot maken, zodat dat ook een stuk land van ons is en dat er geen liefde meer is!’

| De Wondere Pluim | 2008 |

43


Iedereen applaudisseerde. Toen begon hij heel gemeen te lachen: ‘Hahaha!’ Een week later stonden zijn troepen klaar om Bloemenheelal te veroveren. Maar de koningin van Bloemenheelal had alles gehoord en ging met vijftig man meer verdedigen. Toen kwam de duivel met zijn troepen! Toen ze vijftig meter van de troepen van de koningin stonden, stopten ze. Zo bleven ze tien minuten staan. Toen riep de duivel heel hard: ‘Aanvallen!’ Heel het leger van de duivel rende op het leger van de koningin – genaamd Pegasus – af. Ze hielden voor hun lijf hun net gemaakte schilden, en hun net gemaakte speren – die nog warm waren – staken tussen hun schilden door. Maar dat had het leger van de duivel niet gezien, dus de eerste rij van vijfentwintig man was al dood. De tweede rij kwam dat te weten en probeerde de speren kapot te slaan, en dat lukte. Even later zaten ze ook al door de schilden, ze doodden vijfentwintig man van de koningin, en toen begon het gevecht. Een half uur later waren er nog maar zesentwintig man van de koningin over, en dertien van de duivel. Opeens riep de duivel zodat iedereen in Bloemenheelal het kon horen, ook de koningin: ‘Koningin van Bloemenheelal, kom naar buiten! Ik geef me over!’ De koningin kwam buiten, ze had haar mooiste kleren aangetrokken. De duivel liet zijn mond openvallen en zijn tong lag bijna op de grond. ‘Dus je geeft je over?’, vroeg ze. ‘Eh, ja... ja... ‘, zei de duivel. ‘Jij hebt je overgegeven aan mij. Je mag mijn hand hebben, als je belooft dat je na je dood terugkomt als vredesduif!’ ‘Ja, dat beloof ik. Als ik dood ben, word ik een vredesduif!’ Op dat moment werden de duivel en de koningin twee elfen.

44 | De Wondere Pluim | 2008 |


Een paar weken na de verloving trouwden ze. En negen maanden later kregen ze een vierling, twee jongens en twee meisjes. Ze vormden samen een prachtig gezin. Inne Deby 8 jaar Sint-Lutgardis

| De Wondere Pluim | 2008 |

45


De riooljongens

Er was eens een jongen, die Arthur heette. Hij speelde altijd met zijn kleine zus Fiona. Zoals gewoonlijk ging hij naar de wc. Hij kakte en plaste, maar toen... hij voelde iets, maar wat? Ineens voelde hij een verschrikkelijke pijn. Hij schreeuwde het uit: ‘Au!’ Arthur sprong op. Hij keek naar zijn poep: twee bloedende gaten. Hij ging vlug een plakker halen, voor elk gat één. De volgende dag ging hij op expeditie met zijn vriend Elias. Ze gingen naar de stad en kropen in de riool. Het avontuur kon beginnen!!! Ze zaten in een muffe ruimte. Het stonk er. ‘Madre Madonna’, zei Arthur. Ze vertrokken op verkenning. Ze zagen een man. Hij zag er echt niet goed uit. Hij zag eruit als een oude sloeber. Ze vertelden de man over hun avontuur met die gaten in de poep. Ze namen de man mee en vroegen zijn naam: Opa Jos. Opa Jos vertelde over zijn leven. Hij was timmerman en werd uit zijn huis gezet. Sindsdien leefde hij in de riool, tot nu. ‘Wat eet je?’, vroeg Elias. ‘Kaka’, zei opa Jos. ‘Bei!’, zeiden Arthur en Elias in koor. ‘En wat drink je?’, vroeg Arthur. ‘Rioolwater’, zei opa Jos. ‘Bah!’, zeiden Elias en Arthur opnieuw in koor. ‘Echt goor!’, zei Elias. Ze gingen verder. Er was nog niks verdachts, tot er opeens een krokodil kwam. ‘Oh, niet bang zijn, hoor, dat is mijn huisdier’, zei opa Jos. ‘Maar, maar... misschien bijt hij wel in onze billen.’ ‘Ah, daarvoor komen jullie dus! Deze krokodil is ooit, toen

46 | De Wondere Pluim | 2008 |


hij klein was, doorgespoeld en kwam in de riool terecht. Nu wil hij wraak nemen, dus bijt hij iedereen in hun poep! Zo is het’, zei opa Jos. Arthur en Elias gingen met de krokodil naar de dierentuin en namen opa Jos mee naar huis. En een tijdje later naar het bejaardentehuis. Josha Kaiser 9 jaar Wereldschool

| De Wondere Pluim | 2008 |

47


Anna zonder voeten

Anna was een meisje dat nooit buiten wou spelen, ze wou zelfs nooit iets leuks doen. De volgende dag zat ze weeral aan de computer. Stiekem, zonder dat ze het merkte, kwam er een kaboutertje uit het raam. Hij kwam naar Anna toe. Hij had een duikerspakje aan, en ook een duikersbrilletje, en zelfs zwemvliezen. Maar je raadt nooit wat hij vast had: een schroevendraaier, grappig, hè? Wat zou hij doen bij Anna? Het kaboutertje ging naar Anna’ s voeten. Hij maakte Anna’s voeten los en ging ermee vandoor. Anna was snel, snel klaar met haar spel. Ze keek naar haar voeten en schreeuwde: ‘Mama! Mama! Mijn voeten zijn weg!’ Haar mama kwam meteen en zei: ‘Hoe kan dat nu? Ik zal oma bellen, zij weet er misschien meer van.’ Haar oma kwam de volgende dag en ze ging naar Anna. Ze zei: ‘Het was een kaboutertje dat je voeten heeft afgepakt.’ ‘Maar hoe komt dat dan?’, schreeuwde Anna. ‘Dat komt omdat je nooit je voeten gebruikt, daarom heeft hij je voeten afgepakt.’ ‘Ik wil mijn voeten terug!’, schreeuwde Anna. ‘Dan moet je naar het bos’, zei haar oma, ‘daar zul je allemaal huisjes vinden en in één van die huisjes zul je het kaboutertje vinden, en dat kaboutertje heeft je voeten. Wacht nog eventjes, ik heb zelfgemaakte schoentjes, trek ze snel aan en dan mag je vertrekken.’ Na een paar uurtjes zag Anna allemaal kleine huisjes. ‘Je moet wel oppassen dat je er niet op gaat staan’, zei een kaboutertje naast haar schoentjes. ‘Dat kaboutertje heeft mijn voeten!’, dacht Anna.

48 | De Wondere Pluim | 2008 |


Anna ging naar het kaboutertje en zei boos: ‘Ik wil mijn voeten terug!’ Het kaboutertje zei: ‘Waarom zou ik? Jij gebruikt toch je voeten niet.’ Anna riep weer: ‘Ik wil ze terug!’ ‘Ik geef je één kans, anders pak ik ze af’, zei het kaboutertje. ‘Oké!’, zei Anna en ze kreeg haar voeten terug. Een paar jaar lang deed ze wat het kaboutertje zei. Maar opeens hield het op. Ze ging steeds maar weer aan de computer en voor de tv zitten. Op een dag gebeurde het weer. Deze keer zat ze voor de tv. En weer kwam het kaboutertje, maar nu vanachter het gordijn. Hij sloop naar haar voeten toe en maakte weer met zijn schroevendraaier haar voeten los. Maar deze keer ging het mis: Anna deed de televisie uit, keek naar de grond en zag het kaboutertje. En ze schreeuwde weer! ‘Dit is de tweede keer dat je mijn voeten hebt!’ Het kaboutertje zei: ‘Je moet ze wel gebruiken!’ ‘Maar ik wil ze, als jij ze niet altijd pakt!’ ‘Oké, het is goed!’, zei het kaboutertje. ‘Wacht, ik heb een idee: als ik iets verkeerds doe, moet jij het zeggen’, zei Anna. ‘Oké, ik geef je je voeten terug. We werken samen’, zei het kaboutertje. Ze werkten voor altijd samen en ze speelden ook samen. Ze waren samen heel gelukkig en ze hadden nooit ruzie. Lila Brockhausen 8 jaar Wereldschool

| De Wondere Pluim | 2008 |

49


De kabouter die wou groeien Op een dag liep Jos in het bos. Hij was de kleinste kabouter van het dorp en was daar niet gelukkig mee. Hij ging raad vragen aan de andere kabouters. Ze zeiden: ‘Je moet naar de slimste en oudste kabouter gaan.’ ‘Maar hoe?’, vroeg Jos. ‘Hier, pak deze kaart. Je moet eerst langs de Kronkelbrug over de krokodillen, daarna kom je aan een splitsing. Maar ik weet niet meer of je naar links of naar rechts moet.’ Jos ging op weg. Hij kwam aan de Kronkelbrug over de krokodillen. Daar ging hij met een wip over. Toen kwam hij aan de splitsing en dacht: ‘Welke kant?’ Hij ging even zitten op een groene paddenstoel. Hij hoorde een stem. ‘Wie zit er op mijn hoofd, au!’ ‘Sorry!’ ‘Het is niets’, zei de paddenstoel. Jos begon te huilen. De paddenstoel zei: ‘Wat is er?’ ‘Ik ben de weg kwijt! Ik weet niet welke kant.’ ‘Waar moet je naartoe?’ ‘Naar de slimste en oudste kabouter.’ ‘Ah, dat weet ik. Het is naar rechts.’ Jos kwam bij de paddenstoel van de slimste en oudste kabouter en klopte aan. ‘Wie is daar?’ ‘Jos’, zei Jos.

50 | De Wondere Pluim | 2008 |


‘Kom maar binnen. Wat is er?’ ‘Ik ben te klein!’ ‘Daar weet ik wel wat op. Drink dit drankje.’ Jos dronk het drankje op. Na een paar minuten werd hij groter dan alle bomen in het bos. ‘Oei!’, zei de kabouter, ‘ik ga even een ander drankje halen!’ ‘Drink dit maar op.’ Jos werd weer klein. De kabouter zei: ‘Ik zal een ander drankje halen.’ ‘Nee, dat hoeft niet’, zei Jos. ‘Waarom niet?’ ‘Ik win toch altijd met verstoppertje.’ Ella Van der Koelen 10 jaar Gunzburg

| De Wondere Pluim | 2008 |

51


52 | De Wondere Pluim | 2008 |


De domme banaan Er was eens een domme banaan. Hij was zo dom dat hij niet eens wist dat hij uit de koelkast kon. Op een dag besefte hij dat hij uit de koelkast kon. Hij probeerde de deur van de koelkast open te duwen, maar het lukte niet. Dus probeerde hij na te denken. Maar zo’n banaan met weinig hersenen, die weet niet veel! Opeens dacht hij: ‘Ik ga het aan mijn vrienden vragen, die willen misschien helpen!’ En ja hoor, ze wilden wel helpen. De banaan zei: ‘1, 2, 3 en duwen!’ En ja: de deur ging open en de banaan stapte uit de koelkast. Maar, oh oh, de banaan viel en hij brak zijn rug. De slimste zei: ‘Loop een eindje, dan gaat het over.’ Dus hij liep een eindje. Hij was zo moe dat hij omver viel. Hij zag op de tafel een glas water staan. Lekker, een verfrissing. Hij probeerde ernaar te springen, maar dat lukte natuurlijk niet. Hij dacht diep na: ‘Ik weet het! Ik klim gewoon langs de paal naar boven. Nee, dat is geen goed idee, of toch wel, jawel, dat is een goed idee!’ Hij klom langs de paal naar boven. Toen zei hij: ‘Dit heb ik echt verdiend!’ Hij wist niet dat het toverdrank was. Zonder dat hij het wist, vloog hij van de ene tafel naar de andere. Hij besefte dat hij vleugels had gekregen. ‘Wow, ik heb vleugels gekregen!’ Er kwam een mama voorbij en zei: ‘Mmm, ik heb wel zin in een banaan.’ Voordat de mama de banaan kon opendoen, kwamen zijn vrienden hem helpen. | De Wondere Pluim | 2008 |

53


De ananas aan kop. De appel had een klein speertje in zijn hand, de peer had een pijl en boog bij zich, en de appelsien een revolvertje. Zo hebben zijn vrienden zijn leven gered. Bas Heylen 8 jaar De kRing

54 | De Wondere Pluim | 2008 |


Draakje Daan

Draakje Daan blies vlug zijn kaarsjes aan en wenste dat hij bij de sterren kon staan en de maan. Maar niet bij de zon, dat is een hete bom. Bij Saturnus neem ik de bus. Naar Jupiter, daar is het heel lekker, op Mars blijf ik spelen bij Lars. Bij Uranus krijg ik een kus van Luce en ga ik terug naar Saturnus. Daar neem ik de bus! Daag zon, Saturnus, Jupiter, Mars en Lars, Uranus en Luce. Murra Bossier 8 jaar De kRing

| De Wondere Pluim | 2008 |

55


Pret op het spinnenweb Het was een mooie, zonnige dag. De dieren van het Kriebelbos kwamen naar buiten om van het mooie weer te genieten. Fladder, de kleurrijke vlinder, vloog voorbij. Lea, het lieveheersbeestje, en Ria, de rups, waren ook van de partij. Ergens in een klein hoekje zat Min, de spin. Ze zuchtte. ‘Niemand wil mijn vriendje zijn, iedereen is bang voor mij. De sprinkhanen wippen weg, de kakkerlakken trillen en de wormpjes kruipen in het zand!’ Min, de spin, begon dan maar haar web te weven. Plotseling kreeg ze een schitterend idee. ‘Mijn web is ideaal om op te springen, misschien spelen ze nu wel mee.’ Toen de dieren het web zagen, kwamen ze nieuwsgierig dichterbij. Ze merkten dat de spin niet akelig, maar lief was. Tot ’s avonds laat hebben ze op het web gesprongen. Iedereen was blij. Weer een nieuw vriendje bij! Cedric Van Gestel 8 jaar Neerland

56 | De Wondere Pluim | 2008 |


Verhalen van kinderen uit het derde leerjaar, Nederlands tweede taal

De magischeWondere Pluim Er was eens een pluim. Niet zomaar een pluim, het was een magische Wondere Pluim. Op een dag vonden vier meisjes de Wondere Pluim. Hun namen waren: Eliana, Tijana, Line en Anouk. Het waren vier modemeisjes. Eliana zag de pluim en zei: ‘Kijk, wat een mooie pluim! Ik ga ze meteen in mijn haar steken. Wow! Wat is die mooi, zeg’, zei ze nog eens. ‘Weet je wat?’, zei Tijana, ‘ik ga wat over die pluim zoeken op de computer.’ Ze vond iets, maar ze kon het niet lezen. Het was in een andere taal. Ze stuurde een sms’je met alles wat er was opgeschreven. Ze zei tegen haar vriendinnen: ‘Het kan nog even duren.’ ‘Zullen we gaan shoppen?’ vroeg Line. ‘Ja, waarom niet?’, zei Anouk. ‘Oké, dan gaan we shoppen!’, zei Eliana. Ze hadden geluk! Vijf procent kassakorting. ‘Amai, dit moet onze geluksdag zijn’, zei Line. ‘Dat komt misschien door die pluim’, zei Anouk. ‘Ja, misschien is het een gelukspluim’, zei Eliana. ‘Oh, zij hebben een gelukspluim en wij niet’, zei An. ‘Weet je wat?’, zei Liesje, ‘we gaan die gelukspluim, nou ja, hoe zeg je dat eh... aha, lenen.’ | De Wondere Pluim | 2008 |

57


Eliana stopte haar gelukspluim in haar tas. ‘Dit is onze kans’, zei Liesje, ‘om de pluim te lenen!’ Een paar minuten later. ‘Ik heb hem. Ik heb de gelukspluim!’ Nog een paar minuten later. ‘Oh nee, mijn gelukspluim is weg!’, zei Eliana. ‘Wat?’, zeiden haar vriendinnen tegelijk. ‘De betekenis is er’, zei Tijana: ‘Zij die deze pluim vinden, hebben eeuwig geluk. Maar als je hem kwijt bent, krijg je ongeluk!’ Oh nee, ze hadden alleen maar pech en ongeluk. Tot op de dag dat ze ontdekten dat het helemaal niet waar was: ze hadden terug een beetje geluk. ‘Geluk krijg je vanzelf’, zeiden ze. Vjosa Balaj 9 jaar Sint-Lutgardis

58 | De Wondere Pluim | 2008 |


Valentijnsverhaal Ik ben verliefd op een mier. Ik ben stout en hij is flauw. Ik ben groot. Hij is klein, maar ook heel fijn. Ik ben dik, maar ik kan goed split. Ik drink thee, en de mier drinkt mee.

Whitney Dos Santos 9 jaar Zuiderdokken

| De Wondere Pluim | 2008 |

59


De dolle koeien Thomas fietste naar huis. Hij zag een koe. Thomas fietste naar de koe. Plotseling sprong de koe op Thomas zijn fiets! Thomas liep weg naar huis. ‘Er is een koe ontsnapt’, zei zijn vader. ‘Wie de koe vindt, krijgt vijfduizend euro!’ Thomas pakte de koe en bracht haar naar de boerderij. De meneer zei: ‘Dank u wel voor de koe! Hier is je vijfduizend euro!’ Thomas keek naar de koe. De meneer sloeg de koe! Thomas wou de koe terugkopen. De meneer zei ja. Thomas liet de koe vrij. Abdelhafid Hajou 9 jaar Klavertjevier

60 | De Wondere Pluim | 2008 |


Is mijn kat een Alien?

Mijn kat is geen gewone kat. Als ik in bad zit komt ze erbij. Ze zit ook graag op de wc naast het bad. Ze houdt ook van vuur, want toen mijn mama een kaars aandeed, zat ze er met haar poot in. Ze verbrandde haar poot bijna. Mijn kat kan springen als de beste. Ze doet ook salto’s in de lucht met een bolletje van zilverpapier. Dat had mijn oma uitgevonden: als er iemand bij het zilverpapier staat, komt ze al aangelopen. Als het nacht is, kijk ik naar de sterren en denk: ‘Waar komt mijn kat vandaan?’ En natuurlijk ook: ‘Is mijn kat een Alien?’ Ik zal het nooit weten. Ilena Hulme 9 jaar Veltwijck

| De Wondere Pluim | 2008 |

61


Het sprookjesland

Lang geleden leefde er een klein meisje. Zij heet Roodkapje. Roodkapje gaat naar haar vrienden. Het zijn drie varkens: Babbel, Knabbel en Brabbel. Roodkapje ziet het huis van haar vrienden. Ze klopt aan de deur. Babbel doet de deur open. Hij zegt: ‘Roodkapje, kom binnen.’ Een paar minuten later klopt iemand op de deur. Roodkapje en haar vrienden weten niet wie dat is. Brabbel doet de deur open. Hij ziet dat het meneer Wolf is. Roodkapje zegt: ‘Meneer Wolf, komt u maar binnen.’ Meneer Wolf zegt: ‘Dat is aardig van je, Roodkapje. Je krijgt van mij een pakje.’ Roodkapje opent het pakje. Er komt een grote boom uit. Roodkapje en haar vrienden klimmen naar boven. Roodkapje zegt: ‘We zijn hier in het Wolkenland!’ Knabbel zegt: ‘Daar, een groot kasteel. Kom, we gaan kijken.’ Roodkapje en haar vrienden zitten in het grote kasteel. Dan komt een grote heks. Ze ziet Roodkapje met haar vrienden. De heks zegt: ‘Wat hebben we hier?’ De heks wil Roodkapje pakken, maar Roodkapje en haar vrienden rennen weg. Roodkapje ziet een pratende kip. Ze neemt de pratende kip weg. Roodkapje en haar vrienden klimmen terug naar beneden. Roodkapje doet het pakje dicht. De boom is weg en natuurlijk ook het Wolkenland. Wieuw Suya-In 11 jaar Jonghelinckshof

62 | De Wondere Pluim | 2008 |


Opa is weg

Opa is heel vroeg naar de winkel gegaan om een kerstboom te kopen, want het is bijna Kerstmis. Jan staat op en roept: ‘Opa! Opa! Waar ben je?’ Dan roept hij: ‘Ma! Ma! Opa is weg, echt waar!’ ‘Welnee, opa is naar de winkel om een kerstboom te zoeken.’ ‘Echt waar? Jee ik ben benieuwd!’ ‘Ik zal opa wel bellen, oké?’ ‘Oké, mama.’ ‘Schat, kom je mee naar mijn werk?’ ‘Oké.’ ‘We zijn al te laat! Jan, let jij op je broer?’ ‘Oké, daag!’ Opa komt thuis en vraagt: ‘Waar zijn je ouders?’ ‘Naar het werk.’ ‘Ik heb een geheim! Je ouders zijn jarig vandaag.’ ‘Oooh, leuk!’ ‘We gaan het huis versieren!’ ‘Jee, best leuk!’ Ma en pa komen thuis. ‘Is dit voor ons? Wow! Wat lief!’ Imane El Ajjaj 8 jaar Mariagaarde

| De Wondere Pluim | 2008 |

63


De zwarte elf

Er was eens in een bos een elfendorp. In het elfendorp was iedereen leuk en blij. Maar alleen één elf was heel anders. Iedereen noemde haar Zwarte Elf. Ze was gemeen en nooit blij. Daarom noemden ze haar zo. Diep in haar hart was ze anders, maar vanbuiten was ze slecht. Eén iemand wist dat ze niet zo was. Die wou haar helpen om niet haar hele leven zo te zijn. De jongen wandelde, en opeens ging er een grote bloem open. Uit die bloem kwam een elf. Ze zei: ‘Ik weet wat je wilt. En ik weet wat je moet doen.’ Hij ging vliegensvlug naar haar en zei: ‘Wat moet ik doen? Zeg het me alsjeblief!’ De elf zei: ‘Hou je van dat meisje?’ ‘Ja!’, zei de jongen. ‘Dan moet je doen zoals in alle sprookjes: zoenen.’ Hij ging naar haar huis. Gelukkig, ze sliep. Hij gaf haar traag een zoen. De volgende morgen werd ze wakker en ze was helemaal anders. Ze leek heel blij en dat bleef ook zo. De jongen had dat gezien. Zij was ook verliefd op hem. Op die dag was het Valentijnsdag. De jongen vroeg haar of zij zijn Valentijn wilde zijn. Ze zei ja. Limor Michaely 8 jaar Tachkemoni

64 | De Wondere Pluim | 2008 |


Verhalen van kinderen uit het vierde leerjaar, Nederlands moedertaal

Het toverpenseel

Nog niet zo lang geleden was er een zeekoningin, Aquamarina. Ze was beeldschoon, net als haar landschap. Maar dat ging niet meer lang zo blijven. Dat was de schuld van de koningin van de lucht, Skya. Ze duwde alle vuile lucht de zee in. Zo werd het prachtige koraal van Aquamarina helemaal vuil, het was ziek. Aquamarina had er genoeg van, maar ze kon er niks aan doen. Dat had de koningin van het land, Payasna, ook door. Maar ze had een plan. Toen Aquamarina sliep, legde ze het toverpenseel op het zadel van Zoefzoef, het zeepaard van Aquamarina. Ze voelde zich schuldig omdat haar bewoners het klimaat verpestten. Toen Aquamarina wakker werd, zoemde boven haar hoofd een bij van Payasna. Er hing een briefje aan met daarop: ‘Beste Aquamarina, pas op met het cadeautje dat ik voor je heb klaargelegd. Groetjes, Payasna.’ Aquamarina dacht: ‘Ik ga eerst nog een ritje maken op Zoefzoef.’ Toen ze in de stal van Zoefzoef kwam, zag ze het toverpenseel liggen. ‘Je stelt me teleur, Payasna.’ Ze zag ook dat het hoofdstel van Zoefzoef er niet meer was. Ze schreef met het toverpenseel: ‘Gezocht: hoofdstel.’ Op het hoofd van Zoefzoef verscheen een hoofdstel. ‘Hmm, je stelt me dan toch niet teleur.’ Ze legde het zadel van Zoefzoef op zijn rug en ging rijden. Opeens zag ze een vis op straat liggen. | De Wondere Pluim | 2008 |

65


Ze vroeg wat er was. ‘Auw, mijn vin, ik ben gevallen!’ Aquamarina dacht: ‘Eens zien of dat toverpenseel echt werkt.’ Ze schreef: ‘Pleister’. Er verscheen een pleister op de vin van de arme vis. ‘Dank u wel, koninklijke hoogheid.’ ‘Dat toverpenseel werkt echt! Ik zal het gebruiken om de zee te beschermen.’ Ze schreef: ‘Schild’, en er kwam een schild boven de zee. Dat zag Skya ook. Ze zei tegen haar wachters: ‘Ik wil dat toverpenseel hebben, en wel nu!’ Haar wachters gingen met volle vaart op de zee af. Het schild verzwakte. Aquamarina besefte dat ze ‘sterk schild’ had moeten schrijven. Nu schreef ze: ‘een sterke zeemeerminnenstaart en sterke vleugels’. Snel daarna kreeg ze een sterke staart en een mooi, sterk paar vleugels. Ze ging erg snel en schreef: ‘versterk het schild’. Het schild werd juist op tijd versterkt. Toen had ze door dat, als de vuile lucht het niet bij haar kwam, het bij Payasna zou komen. Ze schreef: ‘sterk schild boven het land’. Juist op tijd verscheen er een schild boven het land, net toen Skya de vuile lucht in de bomen wou duwen. Er zaten luchtgaatjes in, met vuileluchtreinigers. Zo kreeg ook Skya geen vuile lucht meer. Ze bood haar verontschuldigingen aan en er was vrede tussen de landen. Margaux Hellemans 9 jaar Spiegel

66 | De Wondere Pluim | 2008 |


De tijdmachine van opa Koek Jeroen ging op een dag naar zijn oma. Toen hij aankwam, ging hij direct naar de zolder, zonder zelfs hallo te zeggen. Op de zolder zag hij iets blinken! Het zat onder een deken. Hij trok het deken eraf en zag een hele mooie, maar dan ook een hele mooie tijdmachine staan. Die heette de Spiritpendel. Er lag ook een mooie en blinkende afstandsbediening bij. Hij ging naar zijn oma om te vragen van wie die tijdmachine was. Oma antwoordde: ‘Van je opa. Hij was uitvinder, hij vond verschillende dingen uit, zoals de Spiritpendel.’ ‘Mag ik er eens in reizen? ‘Néé, het is veel te gevaarlijk!’ ‘Alsjeblief?’ ‘Nee is nee, neem daar vrede mee jongen!’ Jeroen bleef maar zagen: ‘Mag het, mag het, mag het?’ Oma zei uiteindelijk: ‘Oké, het mag, maar dan voor één keer!’ ‘Oké, voor één keer. Wanneer mag ik gaan? Morgen of overmorgen of vandaag?’ Oma zei: ‘Overmorgen mag je gaan.’ De volgende dag vertelde hij aan al zijn vrienden dat hij met een tijdmachine op reis ging. Iedereen wilde mee. Hij zei: ‘Ik kies twee kinderen uit. Ik pak Alex en Joris!’ Alex vroeg: ‘Wanneer vertrekken we?’ ‘Morgen’, zei Jeroen. ‘Wat moeten we meenemen?’ vroeg Joris. ‘Dat maakt niet uit, kies maar wat je meeneemt. Maar kom wel om tien uur naar de zolder van mijn oma.’ | De Wondere Pluim | 2008 |

67


De volgende dag, tien uur. ‘Kom, we gaan vertrekken, Joris en Alex.’ ‘Moeten we niet eerst bespreken waar we heen moeten? Ik vind het wel leuk om naar het oude Egypte te gaan. Wie is er akkoord? Alex, ben jij akkoord?’ ‘Ja, ik ga akkoord!’ ‘En jij Joris?’ ‘Ik ook.’ ‘Kom, ik zal de datum invullen op het scherm.’ Tiettiettiet!!! ‘Instappen! We gaan vertrekken!’ Zoem!!! ‘We zijn vertrokken.’ ‘Jeroen, ik voel me een beetje misselijk, duurt het nog lang?’ ‘Nee,’ zei Jeroen, ‘want we zijn er al! Wow, wat is het hier chique! Oei, dat is de piramide van Cheops, en daarnaast staan twee sfinxen. Kijk daar! Een tempel, gaan we daarheen? Hè, Alex?’ ‘Oké!’ ‘Wow, hier staan bijna alle goden getekend op de muur. Hé, daar staat Noet, de hemelgodin, en daar Anubis en Osiris en zijn vrouw Isis met hun zoon Horus en Sobek. Ineens hoorde Joris een raar geluid. ‘Geef acht! Komaan sneller! Die piramide moet af zijn voor het nacht wordt!’ Alex zag een paar Egyptenaren dansen. Er stond een oude man bij. Jeroen vroeg: ‘Hoe heet die dans?’ De oude meneer antwoordde bibberend: ‘Die dans heet de Egypterock.’ ‘Dank je voor het antwoord.’ ‘Kom, we gaan terug naar de Spiritpendel, dan kunnen we naar een tovereiland gaan.’ ‘Maar dat bestaat niet.’ zegt Joris. ‘Jawel, dat bestaat wel!’ ‘Kom, we gaan het proberen, hé, Joris?’ ‘Oké, het is goed!’ Jeroen tikte het in. Het scherm zoemde. Ze vertrokken naar Tovereiland.

68 | De Wondere Pluim | 2008 |


Ze waren aangekomen. ‘Zie je nou wel, Joris, dat het bestaat!’ ‘Kijk, we hebben toverkledij en een toverstok. Zouden die echt werken?’ Joris zei: ‘Ik weet het niet, maar ik zal het proberen: Hokus Pokus Kikker!’ Ineens hoorden ze een kikker. ‘Jee, het werkt! Maar... waar is Jeroen?’ ‘Je hebt hem in een kikker veranderd! Nu kunnen we niet meer terug! Want alleen hij kent de code om de tijdmachine te starten!’ ‘We moeten naar een meester tovenaar!’ ‘Ik weet een meester tovenaar, Merlijn!’ ‘Ja, goed idee, Alex! Maar waar vinden we Merlijn in zo’n mistig weer?’ ‘We vragen aan iemand waar Merlijn woont, daar zie ik iemand stilstaan, misschien weet hij het.’ Ze kwamen dichter bij de meneer en zagen dat hij bevroren was. Toen zagen ze dat iedereen bevroren was. Ze wandelden heel het dorpje door. Aan het eind van het dorpje stond een groot kasteel. ‘Misschien is dit het kasteel van Merlijn?’ ‘Ik denk het wel.’ Ze belden aan. Ding dong! Tieieiet..., de poort ging open en daar stond Merlijn. Ze zeiden: ‘We hebben onze vriend in een kikker veranderd, hebt u daar een tegengif voor?’ ‘Ja, dat heb ik.’ ‘Mogen wij dat gebruiken?’ ‘Op één voorwaarde: dat jullie mij een menselijk drankje geven.’ ‘Waarom heb je dat nodig?’ ‘Ik heb dat nodig om de mensen terug levend te maken.’ ‘Hoe komt het eigenlijk dat iedereen bevroren is?’ ‘Dat zeg ik niet, want als ik dat ga vertellen dan blijf ik nog een jaar met jullie bezig.’ Alex goot het drankje over de kikker en Jeroen werd terug | De Wondere Pluim | 2008 |

69


een mens. Ze keerden terug naar de Spiritpendel. ‘Kom, we gaan terug naar huis!’ ‘Oké, ik zal de code intikken.’ Zoem!!! ‘We zijn vertrokken!’ Boef!!! ‘Zijn we al aangekomen? Zo snel?’ Ze deden de deuren open. Ze zagen zoveel eenhoorns! ‘Ik denk dat er storing is! Nu moeten we snel de Spiritpendel repareren!’ ‘Dat kan niet, we hebben geen gereedschap.’ ‘Dan gebruiken we de eenhoorns. Weet je, ze kunnen toveren. Dus kunnen ze toveren dat we thuis zijn!’ ‘Oké, dat doen we!’ De eenhoorns deden het. ‘We zijn eindelijk thuis. Morgen op school ga ik alles in de praatkring vertellen!’ De volgende dag op school in de praatkring. ‘Ik ben op reis geweest in een tijdmachine.’ ‘Dat is niet waar!’, zei iedereen. ‘Toch is het waar, ik heb met Alex en Joris in een tijdmachine gereisd!’ Jeroen wou het bewijzen, dus heeft hij de Spiritpendel laten zien aan iedereen die hem niet geloofde. Hij liet iedereen erin reizen. Later werden ze superhelden, zijn vrienden toch. Jeroen werd uitvinder, net zoals zijn opa. Hij vond heel veel dingen uit, bijvoorbeeld een elektrische pen en een onzichtbare wc. Hij en zijn vrienden leefden nog kort, maar wel gelukkig! Yoni Vinck 9 jaar De kRing

70 | De Wondere Pluim | 2008 |


De reis op zee

Flip, José en Laron waren dikke vrienden. Ze kochten in de winkel planken, lijm, touw en een heel groot doek. Toen ze thuiskwamen, pakte Flip een groot papier en een pen. Hij begon na te denken en te berekenen, terwijl José en Laron heen en weer van de auto naar het huis liepen. Jullie vragen je zeker af wat ze aan het doen waren? Dat zullen jullie direct weten. Flip zei opeens: ‘Het plan is klaar!’ Iedereen keek op. José zei: ‘Oké, dan beginnen we direct aan DE BOOT VOOR DE GROTE REIS OP ZEE!’ Dagenlang was er lawaai in de straten. Maar na vele dagen was het dan toch klaar. Er kwam een grote camion met een – uiteraard – grote boot door de straten, die naar de haven ging. Daar werd hij in het water gelaten. Iedereen stapte in: Flip, die ging sturen, José, die alle praktische zaken meebracht, van het eten tot het aanlegtouw, het anker enzovoorts, en als laatste Laron, die alle metertjes en pijltjes nakeek. Ze namen afscheid van iedereen en vertrokken... Ze vertrokken naar zee, hun avontuur tegemoet. Na een weekje kregen ze al een beetje heimwee. De volgende dag was het heel rustig op de boot, tot er opeens een storm opkwam. Flip riep: ‘Pas op! Het gaat stormen!!!’ De eerste golf naderde, hij kwam dichter en dichter... tot hij opeens SPLATS tegen de boot botste, die daarop antwoordde: SPLATCH!!! De boot hing helemaal scheef! Iedereen behalve Flip, want die moest sturen (wat hij met veel moeite deed), wiebelde van de ene kant naar de andere. Het bleef maar stormen, wel twee dagen lang. | De Wondere Pluim | 2008 |

71


De tweede dag was er zo een grote golf dat de boot omkantelde. Gelukkig waren alle ramen en deuren dicht en had de boot een kiel*, die hem terug rechtzette. De volgende middag was het gestopt met stormen. Vier weken later was hun eten bijna op en moesten ze land vinden. Ze zetten de radar aan in de hoop dat die land zou bereiken. Maar helaas... De volgende dag had de radar nog altijd geen land gevonden. Ze kwamen dan maar op het idee die ochtend niet te veel te eten. Niks eten konden ze niet, want het ontbijt is de belangrijkste maaltijd van de dag. Drie dagen later hadden ze nog altijd geen land gevonden. Ze begonnen te denken dat ze niet meer op de wereld zaten, maar op een plek waar alleen water was. Twee dagen later hadden ze nog altijd geen land gevonden en hun eten was echt op, op, op. Ze waren radeloos, écht radeloos! De volgende dag waren ze echt uitgehongerd. Met hun laatste krachten zochten ze naar land. Ze zochten hun eigen krachten voorbij, tot ze niet meer konden zoeken. Laron dacht met zijn laatste denkkrachten en kwam op het idee om het stuur vast te zetten met een plank. Dat deden ze met z’n allen, want één iemand had niet genoeg krachten meer. De boot voer toen recht vooruit en niemand moest hem rechthouden. Vijf dagen later werd iedereen met een schok wakker. Laron en José waren aan het murmelen. Flip keek op en riep: ‘Laaaaand!!!’

** Een kiel is iets dat vanonder aan de boot zit en dat zwaarder is dan de rest van de boot. Als de boot omkantelt, komt hij meestal terug recht doordat de kiel zwaarder is dan de rest van de boot. Als dat niet het geval is, moet je de boot laten herstellen, als je tegen dan nog leeft. :-)

72 | De Wondere Pluim | 2008 |


Nu keek iedereen op. Iedereen had al een beetje meer kracht om eten te zoeken en te plukken of te kopen. Het was een onbewoond eiland, om jullie een geheim te verklappen. Na veel zoeken hadden ze dat ondervonden en zagen ze in de verte een begroeide plek. José wou dat van dichterbij bekijken en liep ernaar toe. Tien minuten later kwam hij terug met het nieuws dat er veel eten te rapen viel. Ze pakten allemaal manden en liepen ernaar toe. Ze konden niet stoppen met plukken en eten. Sommige bomen waren kaal. Die hakten ze om, om een uitkijkmast te maken, zoals bij de piraten. Toen ze terug op volle krachten waren en hun uitkijkmast hadden gemaakt, gingen ze verder. Flip had geprobeerd om met de radar een kaart te maken van dat eiland om er daarna te wonen, en een nieuw land te creëren. De naam wist hij nog niet, dat ging een mengeling worden van hun drie namen. Zijn kaart was gelukt, en dat was het belangrijkste. Ze voeren verder en kwamen nog veel interessante dingen tegen. Thuis wist het land al direct wat er allemaal was gebeurd en een tijdje later wist bijna heel de wereld het. Ze vertelden ook van dat onbewoonde eiland. Ze zeiden dat ze ernaartoe gingen met een paar vrachtschepen en één duikboot. Maar daar komt misschien later een verhaal over. Kanti Kuijk 10 jaar Musica

| De Wondere Pluim | 2008 |

73


De gulzige gsm’s

Het was kerst. Ella en Sophie zagen allebei, elk in hun eigen huis, een heel klein pakje onder de kerstboom liggen. Ze maakten allebei, elk in hun eigen huis, ruzie met hun zussen, omdat die een groter pakje hadden. Toen ze het pakje mochten opendoen, zagen ze er allebei een gsm in zitten... Natuurlijk waren ze heel blij. De kerstvakantie was voorbij. Op school mochten ze vertellen wat ze gekregen hadden. Ella zei: ‘Ik heb een gsm gekregen’, en toen riep Sophie: ‘Ik ook!’ Ze wisselden hun gsm-nummers uit. Vanaf toen deden ze niets anders meer dan bellen en berichtjes sturen en bellen... En wat een kindje normaal in één jaar met zijn gsm deed, deden zij in één dag. En in de nacht stiekem ook. Je kunt je wel voorstellen hoeveel berichtjes ze stuurden. Maar toen kwam de postbode. Hij had een grote enveloppe in zijn hand waarop stond: Belgacom. Ze deden de brief open en zagen... de rekening! De papa van Ella riep: ‘Kom eens naar beneden!’ De mama van Sophie riep hetzelfde. Ella en Sophie kwamen naar beneden en zagen de rekening. ‘Ho!’, riepen ze, ‘maar... wij hebben gulzige gsm’s!’ Aurélie De Wilde 9 jaar Veltwijck

74 | De Wondere Pluim | 2008 |


Het kelderwezen

Ik kwam thuis van school en deed niet wat ik normaal deed. Ik ging naar de kelder. Het was lang geleden dat ik er was geweest. Ik ontdekte ergens een gleuf. Hoe zou ik die openen? Plots hoorde ik iets. Er was maar één verstopplek, de kast. Ik kon er niet in omdat hij op slot was, dus sprong ik in de schaduw van de kast. Er kwam een man met vier armen binnen. Zijn oren waren twee gifslangen. De armen pakten een kaart en staken die in de gleuf. Ik rende weg, maar hij zag me. Hij kwam me achterna. Eén van zijn armen pakte mij en wilde mij wurgen. Ik kwam er nog net tussenuit vòòr mijn krachten weg waren. Een slangenbeet miste me net. Ik viel op de grond. Het was verloren, maar ik wilde in de openlucht sterven. Met mijn laatste kracht duwde ik de deur open. Het wezen was verdwenen. De openlucht had mij gered. Jannes Merckx 9 jaar Kolibrie

| De Wondere Pluim | 2008 |

75


Weerwolfalarm

Vier uur ’s namiddags. Ik kom thuis met mijn mama. Ik maak mijn huiswerk zoals gewoonlijk. Vijf uur. Mijn vader komt thuis van zijn werk en mijn kleine zusje Joyce is er ook bij. Ze kan soms lastig doen, maar ’s nachts, als ze bang is, zegt ze: ‘Kom eens, ik ben bang. Kom maar in mijn kamer, dan ben ik lief tegen je.’ De volgende morgen haalt ze weer het meeste kattenkwaad uit, zodat de buren komen klagen. Op een nacht was er iets heel vreemds. Mijn zusje was zo bang dat ze in mijn bed kroop. Ik werd wakker want ze wekte me. Ze vroeg om te gaan kijken in de gang. Ik keek ... niets. Maar toen ik de deur van mijn kamer weer dichtdeed, hoorde ik precies het gehuil van een weerwolf! Joyce en ik vluchtten naar de kamer van mama en papa. We zeiden met een zielig stemmetje: ‘Er is een weerwolf in Mortsel.’ ‘Hier? Dat kan niet!’, zeiden mama en papa. Ik zei: ‘Het kwam van Fort 4!’ ‘Van Fort 4?’, vroeg mama. ‘Het was misschien gewoon een hond’, zei papa. ‘Ga maar terug slapen, we zien morgen wel’, zei mama. Toen we naar mijn slaapkamer gingen, vroeg mijn zusje: ‘Mag ik deze nacht bij jou slapen?’ ‘Op één voorwaarde: dat jij niet snurkt!’ ‘Nee, zal ik niet doen’, zei ze. Die nacht kon ik echt niet slapen. Ik dacht heel de tijd aan die weerwolf. Toen ik eindelijk in slaap viel, begon mijn zus te snurken. Geen slaap voor mij die nacht. Aan de ontbijttafel zaten we allemaal te praten over dat weerwolfgehuil. We hadden beslist om vierentwintig uur in Fort 4 te blijven om de weerwolf te vangen.

76 | De Wondere Pluim | 2008 |


Ik trok mijn legeruniform aan. Mijn speelgoedgeweer nam ik bij de hand en mijn groot vangnet zat goed opgeborgen in mijn volle rugzak. Ik voelde mij net een kolonel. Toen vertrokken we. Over het plein, twee zebrapaden over en uiteindelijk stapten we nog wat op het voetpad. We kwamen aan en ik keek uit naar grote honden die losliepen. Maar mijn vader zei: ‘Je moet oppassen voor mensen die naakt zijn, of met gescheurde kleren.’ ‘Waarom?’, vroeg ik. ‘Omdat weerwolven alleen ’s nachts leven.’, zei papa. We zetten de tent op waar het van de boswachter mocht. ‘Papa, mag ik in de tent blijven zitten?’ ‘Ja.’ Ik ging alles uitpakken en belde even naar mama en Joyce, want zij waren thuisgebleven. ‘Hallo’, zei ik. ‘Met wie spreek ik?’, vroeg mama. ‘Met je zoon.’ ‘Dag mijn kind, hoe is het daar, al veel ontdekt, sergeant?’ ‘Ja, kolonel!’, zei ik lachend, ‘ik heb alles al uitgepakt, en was van plan om straks naar de speeltuin te gaan om te kijken of daar iets is.’ ‘Oké, daag!’, zei mama. Papa kwam net aan en het zag er naar uit dat hij iets had ontdekt over de weerwolf. Hij zei met een bang stemmetje: ‘Ik heb een stukje T-shirt gevonden van iemand... ‘ ‘Echt?’, vroeg ik. Een paar uur later was het donker en knipte ik mijn zaklamp aan. Papa zei: ‘Het is vijf voor twaalf, het moment van de waarheid. Nu gaan we door het Fort wandelen, op zoek naar de weerwolf.’ We stapten en stapten, tot ineens: ‘Awoe!’ ‘Aaah!’, riep ik. We renden naar de tent, want hij kwam steeds dichter en dichterbij. Plots hoorde ik een luid gesnif en gesnuf. Ik wou mijn angst onder controle houden, maar ineens gilde ik zo hard ik kon: ‘Aaaaaaaaaaah!’ | De Wondere Pluim | 2008 |

77


De rits van de tent sprong open. ‘Oh nee!’ Ik kroop zo dicht tegen de andere kant van de tent dat de tent scheurde. Ik liep weg door het gat. Ik struikelde over een tak, recht het meer in. Ik zwom en zwom zo snel ik kon, tot ineens de wekker ging. Het was gewoon een enge nachtmerrie! Ik ging naar papa en zei: ‘Heb jij dat ook gehad van die weerwolf?’ ‘Ja,’ zei papa, ‘en mama ook!’ ‘Gelukkig was het maar een droom!’ zei ik. ‘Ja, gelukkig!’, zei mama. Simon Van Bael 9 jaar Sint-Lutgardis

78 | De Wondere Pluim | 2008 |


Het grote sprookjesavontuur In een land hier heel ver vandaan, was er eens een elfjesfamilie. Ze waren altijd vrolijk, tot er op een dag iets vreselijks gebeurde. Er was een paddenkoning gekomen! Hij woonde in een kasteel vol schimmel en andere vieze dingen. Hij had alles wat hij wou, op één ding na: lieve elfjes. Op een dag waren de kinderelfjes buiten aan het spelen. Ze deden van alles: tikkertje, elfjesverstoppertje, en een heleboel andere dingen. Kaatje was het kindje van de koning en de koningin. Prinses Kaatje wou graag meedoen met Katrientje en Laura. Katrientje zei: ‘Nee! Je mag niet meespelen!’ Kaatje was droevig en ging terug naar het paleis. Ze ging op haar elfjesbedje liggen en huilde. Iemand klopte op de deur. ‘Wie is daar?’ ‘Ik ben het’, zei haar moeder. ‘En wie is ik?’ ‘Je moeder, de koningin!’ ‘Ah, kom maar binnen!’ Haar moeder ging bij haar op bed zitten en vroeg: ‘Wat is er, mijn kind?’ ‘Niemand wil met mij bevriend zijn.’ ‘Dat is niet waar.’ ‘Jawel! Ik vroeg daarstraks nog aan Katrientje en Laura of ik mee mocht doen, en Katrientje zei nee!!! Dus ging ik

| De Wondere Pluim | 2008 |

79


maar naar huis.’ zei Kaatje droevig. Toen zei haar moeder: ‘Je zult ooit nog wel een vriend vinden.’ ‘Dat is niet waar!’ Toen ging haar moeder weg. ‘Ik zal nooit een vriend vinden’, dacht Kaatje. Toen zei ze: ‘Ik ga weglopen!’ Ze pakte wat eten en haar knuffeltje. Ze ging op pad en zag opeens een groot kasteel. Ze klopte aan. De wachters deden open. Ze pakten het elfje stevig vast en brachten haar voor de paddenkoning. Toen de paddenkoning haar zag, maakte hij een vreugdesprong en zei: ‘Joepie!!! Eindelijk heb ik je!’ ‘Hoezo?’ riep Kaatje. ‘Weet je dat dan niet?’ ‘Wat?’ ‘Dat ik je vijand ben?’ ‘Nee’, zei Kaatje, ‘dat wist ik niet!’ ‘Nou, èn?’ zei de paddenkoning. Toen riep hij zijn wachters: ‘Breng haar naar de kerker!’ ‘Wat? Naar welke kerker?’ vroeg Kaatje. De wachters grepen haar vast en brachten haar naar de kerker. ‘Nee, doe me dit niet aan!’, riep Kaatje, ‘ik ben gevlucht!’ ‘Nou, èn?’ riep de paddenkoning. ‘Jij gaat met mij trouwen, en je hele familie wordt slaaf!’ Kaatje was nog droeviger dan ervoor. ‘Wat heb ik gedaan?’ schreeuwde ze. Ze moest in de kerker blijven slapen. Ze miste haar lekkere, warme bedje. Een paar weken later... Kaatje werd op een morgen wakker in de kerker. De wachters namen haar mee naar de paddenkoning. Kaatje was bang. In Elfjesland was de elfenkoningin erg ongerust. Ze vloog

80 | De Wondere Pluim | 2008 |


maar rondjes en rondjes. De koningin zei: ‘Waar kan ze nu toch zijn? Waarom is ze weggelopen?’ ‘Oh nee’, dacht ze, ‘misschien heeft de paddenkoning haar!’ Ze riep wachter Sam en zei: ‘Je moet voor mij naar het paddenkasteel gaan en prinses Kaatje zoeken.’ De elfjeswachter was heel bang. Wat als er iets met hem ging gebeuren, of als ze hem gingen onthoofden? Hij zei in zichzelf: ‘Je moet moedig zijn, Sam. Je moet je grote liefde redden! Kom op, Sam, je kunt het! Red de prinses!’ Sam ging op pad. Toen hij aan het paddenkasteel was, kreeg hij de kriebels. Hij zag slijm van de muren lopen. Ze hingen vol schimmel. ‘Hoe zou de paddenkoning er uitzien?’, dacht hij, ‘oh, wat ben ik bang... En toch moet je doorzetten!’ Hij ging naar binnen. Gelukkig waren de wachters aan het slapen. Hij ging naar de kerkers. Maar toen begon alles te bewegen. Sam zei: ‘Wat gebeurt er?’ Hij voelde dat het kasteel ging instorten. Hij nam snel prinses Kaatje mee, maar het was te laat. Ze lagen onder het puin. Ergens op de muur stond geschreven: ’Alleen met liefde kom je hier uit.’ Kaatje was eigenlijk ook op Sam verliefd, maar ze durfde het niet te vertellen. Sam zei: ‘Als we hier levend uit willen, moeten we kussen.’ ‘Wacht even’, zei Kaatje, ‘ik moet je iets bekennen, ik hou van jou!’ ‘Ik ook van jou!’, zei Sam. Het werd donker... ‘We moeten kussen...’ Ze kusten. Plots ging er een gat open dat hen naar buiten flitste. ‘Yes!’ riep Kaatje. ‘Ja!’ riep Sam. Ze waren op weg naar huis, toen ze opeens gestamp hoorden. | De Wondere Pluim | 2008 |

81


‘Dat zijn de paddenwachters!’ zei Kaatje, ‘Dan moeten we ons verstoppen’, zei Sam, ‘kom snel, tussen de struiken!’ De paddenwachters reden voorbij. Sam en Kaatje gingen verder. Toen ze terug in Elfjesland waren, omhelsde de koningin prinses Kaatje meteen. Kaatje kreeg veel vrienden en vriendinnen. Ze speelde de hele tijd buiten, tot de huishoudster riep: ‘Komen eten, allemaal!’ Kaatje zei: ‘Sorry jongens, ik moet gaan eten, ik kom subiet nog terug, hoor!’ ‘Oké!’, riepen Katrientje, Laura en Sam. ‘Goed, tot straks!’ Kaatje ging frietjes eten. Toen ze klaar was, ging ze terug naar buiten. ‘Jongens, ik ben terug’, zei Kaatje. ‘Dag Kaatje!’, riepen Katrientje, Laura en Sam. Toen riep de mama van Sam: ‘Sam! Sam, naar binnen. Sam, je moet eten!’ ‘Oké!’ zei Sam. En zo ging het de hele avond verder. In haar bed dacht Kaatje aan de paddenkoning. ‘Zou hij terugkomen?’, dacht ze, ‘nee, ik denk het niet.’ De volgende ochtend was Kaatje al vroeg op. Ze at een lekker broodje en dan ging ze naar buiten, zoals gewoonlijk. Toen ze volwassen werd, trouwde ze met Sam. Ze kregen een kindje. Haar mama werd grootmoeder van wel tien babyelfjes, vijf meisjes en vijf jongens. Kaatje was heel blij met haar man en haar kindjes, en ze leefden nog lang en gelukkig. En van de paddenkoning hoorde ze niks meer! Shayni Huybrechts 10 jaar Zwemschool

82 | De Wondere Pluim | 2008 |


De dierenuitstap

Op een dag stonden er twintig wagens vol dieren voor mijn deur. Er stapte een verzorger uit en vroeg: ‘Zou je even op onze dieren willen passen?’ Ik zei: ‘Ja!’ Toen de verzorger weg was, begon het feest! Eerst leerde ik de apen zwemmen. Dat ging goed, hoor. Toen ze het konden, waren de katachtigen aan de beurt. Toen die het konden – dat duurde wel wat langer dan bij de apen – was het de beurt aan alle andere dieren. Na het zwemmen was het tijd voor een... picknick! Alles wat ik nodig had, was eten en een doek. Iedereen had zijn eigen eten bij! De katachtigen veel vlees, de muizen kaas, de apen bananen enzovoort. Na het eten gingen we naar het pretpark. Ieder diertje zijn pleziertje. De katachtigen sprongen direct in de achtbaan. De kikkers deden het rustiger aan: zij gingen in een bootje. Nu moesten we ergens anders naartoe, vonden de apen. Oké, tijd voor de disco! Wie had gedacht dat de apen zo’n fuifbeesten waren?! Tijd om naar huis te gaan. Toen we net thuis waren, kreeg ik telefoon. Het was de verzorger. ‘Kan je nog een paar dagen op de dieren passen?’ ‘Natuurlijk!’ riep ik. Ik legde de hoorn neer. Een klein probleempje: waar moesten ze allemaal slapen? Veldbedjes, dat is het! Ik leende alle veldbedjes van de buren. De volgende morgen hadden we lekker gegeten. ‘Wat zullen we gaan doen?’ vroeg een aapje. ‘Naar de sauna,’ stelde een andere aap voor, ‘en daarna boodschappen doen en daarna naar de stad shoppen!’ Zo gezegd, zo gedaan! We waren pas laat thuis. | De Wondere Pluim | 2008 |

83


Toen alle dieren sliepen, had ik een idee. Ik belde de verzorger op en vroeg of ik met de dieren op reis mocht. Hij ging meteen akkoord. De volgende ochtend vertelde ik de dieren het goede nieuws. We maakten direct onze koffers en gingen naar het vliegtuig. Toen we aangekomen waren, zei ik: ‘We zijn op de Bananaeilanden!’ Eerst lieten de dieren zien hoe goed ze al konden zwemmen. Daarna maakten we onze bedden op. Het was al laat, maar we gingen nog niet slapen, we gingen feesten! Eerst naar een restaurant, dan naar de disco en dan een kampvuur maken. De volgende dag gingen we op safari en zagen de dieren hun verre familie. Ze waren allemaal in de wolken. ’s Avonds was het een heel moeilijk afscheid. Zo ging de vakantie voorbij. We moesten de volgende dag naar huis, dus gingen we nog één keer op safari om dag te zeggen tegen de verre familie van alle dieren. De volgende dag waren we al vroeg uit bed. We pakten onze koffers en gingen op terugreis. Thuis aangekomen wachtte de verzorger de dieren al op. En toen werd ik wakker! Bieke Balbaert 9 jaar Sint-Anna Goethe

84 | De Wondere Pluim | 2008 |


Verliefd zijn, daar krijg je spijt van! ‘Je krijgt er spijt van!’ schreeuwde Thomas. ‘Niet waar!’ schreeuwde Laura terug. Thomas is Laura’ s kleine broer. Laura heeft hem twee uur geleden verteld dat ze een vriend heeft, Tom. Sindsdien roept Thomas altijd dat het niet goed is, Laura houdt vol van wel. En nu hebben ze ruzie. ‘Je krijgt er spijt van!’ schreeuwt Thomas. ‘Je bent jaloers!’ roept Laura terug. Thomas loopt boos weg. De volgende morgen is hij nog steeds boos. Hij weigert aan tafel te gaan als Laura er nog is. Mama vraagt aan Laura wat er is. Laura haalt haar schouders op. Papa begint zijn geduld te verliezen en stuurt hen allebei naar school. Laura trekt haar jas aan, doet haar schoenen aan en vertrekt. Als ze over straat loopt, ziet ze Tom aan de overkant. Ze begint als een gek te zwaaien, maar Tom heeft alleen maar oog voor een heel mooi meisje dat naast hem loopt. Laura blijft nog een tijdje staan kijken. Dan hoort ze een bekend geluid. Om de hoek komt de schoolbus aanrijden, en de halte is nog honderd meter! RENNEN! Laura is net op tijd bij de halte. Alle kinderen stappen op de bus. Die rijdt naar de halte naast het schoolplein. Alle kinderen lopen het schoolplein op. Laura komt als laatste. Ze denkt aan Tom en dat meisje. Na een saaie schooldag gaat Laura naar het park. Nog steeds denkt ze aan Tom. Normaal is hij na school altijd in het park aan het voetballen. Ze wil toch wel eens weten

| De Wondere Pluim | 2008 |

85


wie dat meisje is. Laura heeft geluk. Tom is in het park, maar niet alleen. En hij is ook niet aan het voetballen. Hij zit op de schommel en wiegt zacht heen en weer. Op zijn schoot zit het meisje dat ze al eerder heeft gezien. Ze praat zacht tegen hem, maar toch kan Laura flarden van het gesprek horen. ‘Marie, je bent veel mooier dan Laura, en veel liever!’ Het meisje dat Marie heet, lacht. Laura verstopt zich achter een dikke boom, niet ver van Tom vandaan. Na een kwartier lopen Tom en Marie gearmd het park uit. Laura komt uit haar schuilplaats en loopt boos het park uit. Ze is zo boos dat ze twee keer tegen iemand aanloopt, en één keer door het rode licht gaat. Als ze thuis komt, smijt ze haar boekentas in de hoek onder de trap en loopt de trap op naar haar kamer. Ze pakt de knuffel die ze van Tom kreeg van de plank en knipt er een gat in. Daarna gooit ze hem in de vuilnisbak. Ze gaat op haar bed liggen en pakt haar lievelingsknuffel. Ze drukt hem tegen zich aan en begint heel, heel, heel hard te huilen. Ze kijkt haar knuffel aan en zegt tegen hem: ‘Thomas had gelijk. Verliefd zijn, daar krijg je spijt van!’ De knuffel kijkt haar aan, alsof hij wil zeggen: ‘Dat is waar, Laura. Verliefd zijn, daar krijg je spijt van!!!’ Mathilde Melis 10 jaar Neerland

86 | De Wondere Pluim | 2008 |


Verhalen van kinderen uit het vierde leerjaar, Nederlands tweede taal

Wat gebeurt er in de nacht?

Dit is echt gebeurd, ik zeg niet waar. Het is ook een vreemd verhaal, zijn jullie klaar? Dus... ‘Nu is het tekenles,’ zei juffrouw Nele, ‘jullie kunnen met jullie vriendje de tekening delen. Vandaag moeten jullie een fantasiedier tekenen. Deze les is in de plaats van rekenen!’ De kinderen gingen direct aan het werk. Toen het klaar was, moesten ze naar huis. Op de muur hingen de tekeningen van de kinderen. Die moesten ze nog schilderen. Om twaalf uur ‘s nachts gingen de fantasiedieren ineens uit de papieren! Sommige blaften, iemand sprong en iemand lachte. De klas zat vol met fantasiedieren. De kippenleeuw had zichzelf bijna opgegeten. De molworm zag niks want de kinderen waren zijn ogen vergeten. De giraffenslang zat vast met zijn staart aan de nek en de zebrakat had een grote, roze vlek. Toen vroeg de olifant: ‘Wie wil met mij een stuk ruilen?’ Iedereen begon te roepen en te huilen. ‘Wie heeft grote oren voor mij? Verwisselen tegen de vleugeltjes van een bij?’ Zo ging het door tot de ochtend, en precies om acht uur gingen alle dieren terug op de papieren. De leerlingen keken naar hun tekening. Het waren gewone dieren! Liza Miller 9 jaar Tachkemoni | De Wondere Pluim | 2008 |

87


Verkiezingen in het aquarium Mijn oma wou altijd meedoen aan een wedstrijd. Het maakte echt niet uit welke wedstrijd, als ze maar plezier had. Op een dag kreeg oma een affiche in haar brievenbus. Op die affiche stond: verkiezingen in het aquarium! ‘Waw!’ zei oma, ‘je moet van je huis een aquarium maken! Hier zal ik aan meedoen. Ik moet wel snel inschrijven, anders ben ik te laat.’ Oma deed haar best. Haar huis was zo blauw als de zee. Oma had nog twee visjes: een witte met oranje vlekken en een blauwe met paarse vlekken. Oma zette de visjes op een mooi, klein tafeltje. Ding dong! ‘Oma, oma’, zei ik, ‘er wordt gebeld, snel!’ Oma deed de deur open en zag mijn mama en papa verkleed als vis. ‘Wat mooi’, zei oma. ‘Kom oma,’ zei mama, ‘verkleed je ook als vis, dan heb je een echt aquarium in je huis.’ We deden de visjeskleren aan en wachtten op de jury. Oma was zenuwachtig, maar ze had wel veel plezier. Plots hoorden we: ‘Ding dong!’ ‘Wie is...? Snel,’ zei oma, ‘dat zal de jury zijn, denk ik.’ Ding dong! Oma deed de deur open en zag de jury. ‘Kom binnen,’ zei oma, ‘kijkt u maar op uw gemak rond.’ Mama en papa zeiden telkens: ‘Blub blub!’ als de jury langskwam. De jury lachte. Oma moest met de jury mee. ‘Naar waar gaan we?’ vroeg ze. ‘U gaat mee naar het dorp, want daar is de prijsuitreiking.’ Oma zat op een bankje naast mij.

88 | De Wondere Pluim | 2008 |


‘En de winnaar is... Jan van den Boom!’ ‘Wat spijtig, oma!’ Ik gaf mijn oma een knuffel. Toen zei de jury: ‘De tweede plaats gaat naar oma en haar drie echte visjes!’ ‘Wat?’ zei oma. ‘Oma, oma, dat ben jij! Snel naar de jury!’ Oma liet een traantje vallen, maar dat traantje kwam zeker omdat oma véél plezier had. Mijn oma zegt altijd: ‘Als je meedoet aan een wedstrijd dan moet je nooit aan jezelf denken. Soms moet je iemand laten winnen!’ Ouarda Ameziane 12 jaar Emmaüs

| De Wondere Pluim | 2008 |

89


Vreemde oma’s

In het bos leven tien vreemde oma’s. Ze wonen in een groot huis. Ze eten alleen maar fruit en ze sporten nooit. Ze zijn heel lui. Ze hebben ieder een kat, een piranha en een goudvisje. De tongen van de oma’s zijn paars, want ze eten alleen paarse bosbessen. Ze lachen als ze op een stoel zitten, en ze zijn bang van muisjes. Als je naar hun huis gaat, word je heel bang ’s avonds, want dan vertellen de oma’s griezelige verhalen. De oma’s gaan tweemaal per week naar buiten, op zondag en zaterdag. Op zondag gaan ze fietsen en op zaterdag gaan ze naar de stad. Ze maken barbecue in het huis en ze slapen op de grond. Soms maken ze taarten van bosbessen, soms koken ze de bessen. Ze tekenen heel slecht, slechter dan kleine baby’s. En ze fietsen met vierwielers. Ze hebben geen mannen en geen kinderen. Ze wegen allemaal honderd kilo, want ze eten tien maaltijden per dag. Ze zijn heel dik. Ze gaan in de zomervakantie naar Groenland op reis en ze gaan in de jungle feesten. In de winter gaan ze niet buiten met sneeuw spelen. Ze gaan binnen koekjes eten en melk drinken. Ze gaan slapen om eenentwintig uur. Ze poetsen nooit hun tanden en ze wassen zich nooit. De aartsvijand van de oma’s is de muis. Ze vechten met alles tegen de muis. De oma’s zijn niet slim, maar gek. Het huis van de oma’s heeft tien slaapkamers. Ze slapen niet samen. De namen van de oma’s zijn: Marie, Jeannine, An, Hanneh, Kristina, Bo, Anneke, Karlien, Carrie, Annabel. De oma’s drinken vijf bekers melk voor ze gaan slapen. Ze

90 | De Wondere Pluim | 2008 |


hebben allemaal verschillende rokken. Hun huis ligt op een paddenstoel en het lijkt veel op een villa. De oma’s hebben geen fietsenrek om hun fietsen in te zetten, maar ze hebben heel veel bladeren verzameld om de fietsen op te zetten. ’s Avonds gaan de oma’s in hun huisje dansen, en dan drinken ze chocolademelk. Als er één van de oma’s jarig is, nodigen ze iedereen uit. Dan gaan ze tot middernacht door met dansen. Ze kunnen heel lief zijn, maar ook heel eng. Als ze gaan fietsen, fietsen ze vier uur. Dat is veel! Als ze naar de stad gaan om bessen te kopen, gaan ze met de fiets. Emre Sogut 9 jaar Klavertjevier

| De Wondere Pluim | 2008 |

91


Vuur

Jantje en mama zitten op de sofa. Het is koud. Het is geen school omdat het sneeuwt. Die komt tot je knieën! Jantje haat sneeuw. Hij zit liever thuis. Dinsdag, vijf uur. ‘Mama, mag ik chocolademelk?’ ‘Ja, Jantje. Ik ga even naar de winkel, wil je mee?’ ‘Nee, brrr... te koud!’ ‘Gedraag je, kijk wat tv.’ ‘Daag mama!’ Jantje is nog maar vier jaar. Hij gaat naar de keuken. ‘Oh, lucifers!’ Hij steekt de lucifer aan. ‘Au, mijn vinger!’ Hij draait zich om. Hij hoort een stem. Een enge stem: ‘Stout Jantje, stout!’ Hij kijkt overal. Niks te zien. Dan kijkt hij naar zijn vinger. Die is gloeiend rood. Hij zuigt erop. Plots hoort hij het weer: ‘Stout Jantje!’ Jantje wordt bang. Hij gaat onder de dekens zitten. Plots ziet hij iets. Het is roodgeelachtig. ‘Wie... wie ben jij?’ stottert Jantje. Hij staat op. ‘Ik ben Vuur en ik ben heel erg boos!’ ‘Wa-wa-rom?’ ‘Je mag geen vuur aansteken, je bent nog te klein! Ik ben heel erg boos op jou! Daarom moet ik ook iets stouts doen!’ ‘Nee!’, roept Jantje. ‘Wat ga je doen?’ ‘Het spijt me, Jantje, maar ik ben een heel groot vuurtje. Ik moet het doen, het is mijn werk. Ik zou maar snel het huis uitgaan!’ Jantje loopt het huis uit en ziet door het raam dat Vuurtje zich opwindt. Hij ziet dat er wel duizend vuurtjes rondgaan. Jantje roept: ‘Stop! Stop! Ik zal het nooit meer doen!’ Plots wordt hij wakker. Het was maar een droom.

92 | De Wondere Pluim | 2008 |


Hij zit op de sofa met heel veel dekentjes. ‘Ik heb het zo warm!’ Mama komt eraan: ‘Sorry dat ik wat laat was. Er was een ongeval.’ ‘Oh mama, ik zal nooit of nooit vuur aansteken!’ Halima Yachou 12 jaar Emmaüs

| De Wondere Pluim | 2008 |

93


94 | De Wondere Pluim | 2008 |


| De Wondere Pluim | 2008 |

95


Dansen moet

Er was eens een meisje dat Sandra heette. Ze was nogal ongelukkig. Telkens als ze dacht aan al die problemen – met of zonder familie – moest ze weer huilen. Ze waren arm en van haar moeder moest ze dansen. Ze moest ballet doen, of ze wou of niet. Ze was echter niet zoals haar twee zusjes, die gek waren op dans. Zij haatte het. Haar moeder was vroeger beroemd geweest, maar tijdens haar belangrijkste optreden had ze haar enkel gebroken en was nooit meer de oude geworden. Ze mocht niet meer dansen. Maar nu, dacht ze, zouden haar drie dochters haar droom waarmaken. Ze zouden weer geld hebben, ze zouden veel reizen, kortom, ze zouden gelukkig zijn. Er was iets mis met Sandra, zij was niet zoals Floor en Danielle, zij hield niet van dans. De moeder, Rita, zag dat ook wel, maar sloot haar ogen: Sandra moest en zou later danseres worden. ‘Ik heb genoeg van dat gedans, echt Alisia, weet jij wel hoeveel geluk jij hebt?’, klaagt Sandra bij haar vriendin. ‘Morgen ben ik jarig, en ik weet al wat ik ga krijgen: een balletpak! Ik snap moeder niet, het weinige geld dat we hebben, gebruikt ze alleen voor dans. We hebben niet eens een fatsoenlijk huis!’ ‘Nou,’ antwoordt Alisia, ‘niet overdrijven. Ik bedoel, oké, wij zijn best wel rijk door mijn vader, en ik heb geen moeder die mij vanaf mijn derde op dansles stuurde waarmee ik niet mag stoppen, maar... ‘ ‘Maar wat? Jij hebt alles wat je hebben moet, ik heb niets. Die stomme dansles waar ik net vandaan kom! Juf Lia heeft me straf gegeven! Wat zal ik straks thuis doen, denk je? De toets oefenen voor morgen en de zes dansposities tien keer tekenen en opschrijven. Plus juffrouw Jordan die me extra privé-balletles komt geven. Oh ja, reken maar dat ik daarna

96 | De Wondere Pluim | 2008 |


meteen naar bed moet omdat ik fris moet zijn voor morgen. De ouders komen namelijk kijken naar de balletles.’ ‘Oké, ik kan niets meer bedenken,’ geeft Alisia toe, ‘maar je hebt toch nog wel even tijd om naar het winkelcentrum te gaan, ik trakteer!’ Sandra trekt een gezicht: ‘Duurt dat minder dan een kwartier?’ vraagt ze. ‘Bye!’ En ze gaat. Alisia blijft achter met alleen maar medelijden. Sandra moet die avond inderdaad vroeg naar bed, maar kan de slaap niet vatten. Ze kijkt naar de gaten in het dak en denkt na. Wat meer geld zou goed zijn, misschien een fatsoenlijk huis. ‘Wat bezielt mam toch’, vraagt ze zich af. Ze schrikt op uit haar overpeinzingen als ze een zware, maar toch lieve stem hoort. ‘W...wie i...i...ss d...daar?’ vraagt ze bibberend. ‘Ik ben je vader. Ik weet wat je doormaakt. Het is vreselijk en ik wil je helpen. Wil je terug bij mij zijn, dan weet je wat je te doen staat. Maar daar is vreselijk veel moed voor nodig. Anders moet je nog wachten. Dansen moet van je moeder. Als je hierheen komt, zul je ook moeten dansen. Ik zal het je uitleggen als je hier bent, goed?’ ‘Ja, paps!’ Stil gaat ze naar de keuken. Ze schrijft een briefje, pakt een mes en pleegt zelfmoord. Ze was beter af zo. Ze was verlost. Charlotte Rubin 10 jaar Tachkemoni

| De Wondere Pluim | 2008 |

97


De speelgoedwinkel van meneer Gekkebek Er was eens een man, meneer Gekkebek. Hij had een speelgoedwinkel: Kinderzone. Alle kinderen uit de buurt kenden hem en zijn speelgoedwinkel. Hij was beroemd. De kinderen noemden hem meneer Gekkebek omdat hij altijd gekke bekken trok. Aan de overkant was meneer Kinderhaat. Hij had een boekenwinkel voor volwassenen. Hij joeg steeds de kinderen weg, pakte hun snoepjes af en vertelde dingen die niet waar waren, om ze bang te maken. Hij haatte echt wel kinderen. Hij moest daarvoor een reden hebben. Misschien had het iets met zijn verleden te maken, wie weet? Op een vroege morgen deed meneer Gekkebek zijn winkel open. Aan de overkant deed meneer Kinderhaat zijn winkel ook open. Het winkeltje van meneer Gekkebek begon al vol te lopen, terwijl er aan de overkant nog geen kat te zien was. Iedereen wist dat meneer Gekkebek zijn winkel op dinsdag een uur langer openhield en zijn zoontje meenam. Die hielp goed mee in de winkel. De eerste klant kreeg altijd de Magische Lolly. De rest kreeg altijd een snoepje en de veertigste klant kreeg een ticket voor een rondleiding door de speelgoedfabriek van meneer Gekkebek. De winnaar mocht dan ook nog vijf vrienden uitnodigen. Meneer Kinderhaat moest zijn winkel sluiten, omdat hij niks verkocht. Meneer Gekkebek bleef nog lang en gelukkig leven en opende nog veel meer speelgoedwinkels. Het werd een groot succes! Elisabeth Paslikian 9 jaar Mariagaarde

98 | De Wondere Pluim | 2008 |


Verhalen van kinderen uit het vijfde leerjaar, Nederlands moedertaal

Het Langelattenland

Zoals gewoonlijk zat Eva aan haar halfversplinterde bureau haar huiswerk te maken. Ze staarde verveeld naar de letters boven haar blad waar in grote letters stond: METEND REKENEN. Moeizaam pakte ze haar lat en een pen. Op dat moment hoorde ze vanuit de keuken roepen: ‘Komen eten!’ Met een diepe zucht stond ze op en ging naar de keuken. ‘Handen wassen en aan tafel’, zei haar vader met een diepe stem. Toen ze een tijd later aan tafel zaten, was het muisstil. Voorzichtig nam ze haar eerste hap en: ‘AU! Hoelang heeft dit wel in de oven gestaan?’ ‘Vijf minuten.’ zei haar vader kalm. ‘Dit is gloeiend heet!’ ‘Ach, kom op, in de douche pak jij altijd zo’n warm water.’ ‘Douchen is anders dan eten’, zei ze met een nu wat zachtere stem. Gedurende de rest van de maaltijd was de stemming er niet meer in. Na het eten ging Eva terug naar haar bureau om haar huiswerk te maken. Ze greep terug haar potlood en haar... waar was haar lat? Ze keek onder haar papieren, onder haar bureau en overal waar die vervelende lat maar kon liggen. Maar ze was nergens te bespeuren. Tja, dan maar zonder lat.

| De Wondere Pluim | 2008 |

99


De volgende dag kreeg ze een vijf op tien voor huiswerk, wegens scheve lijnen. Dat was dan ook te verwachten. Toen ze die dag terug thuiskwam vertelde ze over haar punten. Haar ouders waren dat niet gewoon van haar en voor straf moest ze haar huiswerk opnieuw doen. Deze keer vroeg ze haar ouders om een lat en beweerde dat ze er nooit een had gehad. En tot haar grote verbazing vonden zelfs haar ouders geen lat meer! Dat moest ze onderzoeken! Maar hoe? Plots schoot iets voorbij haar voeten. Het was... HET WAS EEN LAT!!! Een vreselijk lange lat! En dat was nog niet alles, ze had ook benen, armen, voeten en handen. Ze volgde de lat, maar struikelde over haar boekentas. Er was geen tijd om overeind te krabbelen en ze kon nog net haar arm strekken en de lat vastgrijpen. ‘Nu heb ik je!’ riep ze opgelucht. Er was zelfs nog iets dat ze niet gezien had. Bovenaan de lat bevonden zich twee dikke lippen, waar de lat nu venijnig haar glibberige tong tussenstak. Die onbeleefde lat, die mij nog niet eens kende, stak haar tong uit! Verbijsterd keek ze hoe de tong weer terug in de mond verdween. ‘V... van waar kom jij?’ stotterde Eva. ‘Ik kom van het Langelattenland, daar leven de latten. Dat land bestaat uit drie delen: de Lattenstad, het Lattenstrand (ook wel het Lattenbad genoemd) en in het derde deel mogen wij niet komen. Dat is van onze vijand, de MOORDLUSTIGE MEETLAT!!!’ Plots sprak de lat veel zachter: ‘Snik, hij, snik, verwoest onze huizen en vermoordt onze familieleden, snik.’ ‘Ocharme toch... weet je wat? Ik zal je helpen’, zei Eva met een zelfzekere stem. Nu begon de lat op te klaren: ‘Echt? Wil je dat doen?’ ‘Ja!, maar hoe kom ik in het Langelattenland?’ ‘Wel, ik weet niet hoe of wanneer, maar het zal gebeuren!’

100 | De Wondere Pluim | 2008 |


‘En als ik... ‘, maar voor ze haar zin had kunnen afmaken was de lat al uit het gezicht verdwenen. Met een diepe zucht keek ze op haar horloge. HEMEL! Al elf uur! Haar ouders waren ergens naartoe, maar ze had beloofd dat ze om tien uur zou gaan slapen. Gelukkig was het vakantie, maar toch kroop ze rap in haar bed. Ze bleef nog een tijdje wakker en pas om twaalf uur viel ze in slaap. Ze droomde dat ze in een oude stad was terechtgekomen. Het was er muisstil en er was niemand te bekennen. Plotseling hoorde ze iets: tak-tak-tak. Vlug keek ze achterom en ze zag een reuzenmeetlat. Die zei: ‘Wat kom jij hier doen?’ ‘Ik weet niet, ik... ‘ ‘Jij weet toch wel wie ik ben?’ ‘Nee’, zei Eva met een piepstemmetje. ‘Ik ben de Moordlustige Meetlat!’ ‘Wat? Jij schoft!’ Ze begon hevig tegen hem te boksen, maar dat deerde hem niet. ‘Vechten helpt niks! Er is maar één ding dat ik vrees en dat is warmte.’ Moedeloos zakte Eva op de grond, toen er plotseling een vergrootglas uit haar zak viel. Ze pakte het beet en wou het terug in haar zak stoppen, maar de zon scheen te fel in haar ogen. ‘Wacht eens even, jij kan toch niet tegen warmte?’, vroeg ze met een verbaasde stem. ‘Wel tegen gewoon zonlicht, maar niet tegen heel fel zonlicht.’ Nu kreeg Eva een idee. Ze pakte het vergrootglas stevig beet, ging op haar tenen staan en hield het boven de lat, zodat het zonlicht er doorheen ging. De lat begon te kreunen van pijn en viel toen dood neer. Eva slaakte een gil van vreugde! Alle latten van heel het land juichten haar toe, maar plots... werd ze wakker.

| De Wondere Pluim | 2008 |

101


Ze keek op haar klok. Het was al half tien in de ochtend! Ze stond langzaam op en ging naar de ontbijttafel. Ze begon met haar ouders te praten, maar zei niets over de lattenkwestie. Na het ontbijt ging ze naar de kamer van haar broer. Tot haar grote verbazing lag haar lat daar. Ze staarde er een poosje naar en dan... DE LAT KNIPOOGDE!!! Clara Seynaeve 10 jaar Wereldschool

102 | De Wondere Pluim | 2008 |


Verdwaalde Cupido met de foute pijlen Hoi, ik ben Cupido. Het begon allemaal op donderdag 14-02-08. Zoals je weet is Valentijn de dag van de liefde. Ik was weer even verstrooid als elke ochtend, en ik had de verkeerde pijlen meegepakt. En ik was mijn automatische liefdeskaart vergeten. Ik vergeet dat jullie dat niet kennen. Wanneer er een rood stipje op de kaart komt, betekent dit dat er twee mensen zijn die iets voor elkaar voelen, maar dat ze het niet durven zeggen. En dan kom ik, Cupido, en help het hen te zeggen. Nu over de foute pijlen... Ik had de boze pijlen meegenomen, dus iedereen die ik raakte, werd boos! En omdat ik de liefdeskaart vergeten was, wist ik niet waar te zoeken. Dus ik schoot wat in het rond en ik raakte wat mensen. Opeens keek ik in het rond, ik kende de buurt niet meer. Ik ging zitten en opeens waaide er een kaart van de stad in mijn gezicht. Ik vloog terug naar huis. Ik ging op mijn bed liggen en sliep. De volgende dag was alles terug normaal. Ik dacht: ‘Ik neem een andere job!’ Viktor Verheyen 11 jaar Kolibrie

| De Wondere Pluim | 2008 |

103


Fantasiediscussie

Een filosoof die Jan heette, zei: ‘Wat als de mens ezelsoren had, als men kon kwaken als een kikker, als men een gevlekte pantser had, als je de vleugels had van een albatros en als je kon klauwen als een leeuw? Als je kon zwemmen als een dolfijn en wat als je kon steigeren? Dan was de mens geen mens meer, maar een ezelkikkerschildpadalbatrosleeuwdolfijnpaard! Heel interessant!’ Een filosoof die Piet heette, zei: ‘Wat als de mens oren op zijn knie had, zijn handen uit het hoofd kwamen, als men vijf paar benen had? Wat als de mens twee linkervoeten had en als men duizend ogen had? Dan zou de mens geen mens zijn, maar een te gekke, interessante alien zijn!’ Een filosoof die Victor heette, zei: ‘Wat als de mens kon kijken tot over de horizon, en als men honderdtwintig kilometer kon stappen. En wat als zijn haar tot tien meter kon groeien en als zijn tong de grond raakte en als de mens een vampierengebit had en superluid kon horen? Dan zou de mens werkelijk fantastisch interessant zijn!’

104 | De Wondere Pluim | 2008 |


Een filosoof die Joris heette, zei: ‘Ik heb geen speciale fantasie. In mijn fantasie zie ik de realistische mens.’ Jan, Piet en Victor zeiden daarop: ‘Heel dom, want dan kan de mens geen leuke dingen doen. Dan moet hij weer zijn saaie leventje leiden, en is hij niet meer interessant.’ Daarop zei Joris: ‘De gewone mens heeft tenminste zijn fantasie nog.’ Daarop zeiden de filosofen Jan, Piet en Victor niks. Art Waeterschoot 10 jaar Klavertjevier

| De Wondere Pluim | 2008 |

105


De drie vliegen

Er waren eens drie vliegen die om het hardste waren aan ’t liegen. Buiten op het balkon luierend in de warme zomerzon. De eerste vlieg zei: ‘Met deze poot sla ik wel vijf olifanten dood.’ De tweede vlieg zei: ‘Ik vlieg zo vlug, in een uurtje naar Afrika en terug.’ De derde vlieg zei: ‘Ik vlieg zo hoog, nog hoger dan de regenboog.’ Toen werd het kil, het waaide wat. Gauw vlogen de vliegen terug naar binnen, om daar nog meer leugens te verzinnen! Jeffrey Peeters 10 jaar Veltwijck

106 | De Wondere Pluim | 2008 |


Een simpele droom

Het was laat in de avond. Iedereen sliep al, maar ik was nog aan het schrijven in mijn dagboek. Het enige dat ik hoorde, waren de oude, vertrouwde geluiden: de piepende scharnier van de deur, de blaffende waakhonden, de wind die de ramen liet klapperen. Ik woonde in het oude kasteel. Morgenochtend moet ik weer naar die stomme privé-les. Ik wou dat ik geen prinses was. Het is altijd van: wees braaf, zit stil, zwijg, spreek met twee woorden, wees altijd beleefd... Zo gaat het lijstje maar door. Het is net een gevangenis. Van al dat piekeren viel ik eindelijk in slaap. Ik droomde van een simpel leven. Geen regels meer, eindelijk vrij zijn. Maar ja, dat was niet voor mij weggelegd. Ik moest ermee leren leven. Maar het zou toch geweldig zijn. ‘Juffrouw Annelies, meteen opstaan en u klaarmaken! U komt nog te laat voor de les!’ Ik opende mijn ogen en zag de meid staan. ‘Ja, mevrouw.’ In mijn gedachten wou ik zeggen: ‘Yes sir!’ Maar ik moest me gedragen. Ik deed wat ze zei. Ik ging de trap af. Het ontbijt stond al klaar. Mama stond al gereed met een opmerking: ‘Jongedame, kun je je niet fatsoenlijk aankleden!’ Ik vond zelf niets mis met wat ik aanhad: een doorsnee broek en een groen T-shirt. Ze stapte weg en kwam terug met een knalroze jurk. ‘Doe dit maar aan!’ Ik wist dat het niet mocht, maar ik weigerde. ‘Wat is er mis mee?’ vroeg ze. ‘Ik ben Barbie niet!’ ‘Brutaal kind, ga nu naar de les!’ Maar ik ging niet, ik ging naar buiten. Mijn moeder had niets door. ‘Eindelijk vrij’, dacht ik. Ik klopte aan bij een oude boerderij. Een oude vrouw deed open. ‘Mevrouw, zou ik hier mogen schuilen?’ De vrouw leek onder de indruk van mijn beschaafdheid. | De Wondere Pluim | 2008 |

107


‘Kom maar binnen, mijn kind. Het gaat regenen. Zet je maar bij de open haard.’ Dat deed ik. Ze gaf me een kop warme chocomelk en een deken. ‘En, waar kom je vandaan?’ vroeg ze. ‘Ik... ben weggelopen van huis.’ ‘Als je me helpt om de boerderij terug op gang te trekken, dan mag je zolang blijven als je wilt.’ ‘Eindelijk’, dacht ik, ‘dit is mijn droom! Een simpel leven.’ Een simpele droom. Loes Cappaert 12 jaar Emmaüs

108 | De Wondere Pluim | 2008 |


Zelfmoord

Als je gepest wordt, door niemand graag gezien wordt en je bent joods, zou jij dan nog verder willen leven? Daar gaat dit verhaal over. Over een jongen, Jonas, die gepest werd, door niemand graag gezien werd en die joods is. Eén ding weet ik zeker, na dit verhaal zal je nooit meer iemand pesten! ‘Ziezo, je eerste dag op school,’ zei moeder, ‘zorg maar dat je niet te laat komt!’ ‘Okay!’ zei Jonas. En hij ging de deur uit. Heel fier stapte hij door. Maar dat veranderde, want na tien meter stapte hij al in een dik pak hondenpoep. ‘Oei! Oei!’ riep Jonas, ‘mijn nieuwe schoenen naar de vaantjes! Wat zal mijn moeder hiervan zeggen?’ Van zodra hij de school binnenkwam, lachten ze hem uit om de hondenpoep aan zijn schoen. ‘Jij trekt waarschijnlijk hondenpoep aan’, zeiden ze. Hij had zin om iets terug te roepen, maar daar zou hij problemen mee krijgen. Zonder naar de jongens te kijken, liep hij door naar de klas. Eén voor één bekeek de meester de kinderen. Toen kwam Jonas aan de beurt. De meester keek hem raar aan alsof hij een gekke smoel trok. ‘En wie ben jij?’ vroeg de meester. ‘Ik ben Jonas.’ zei hij. De meester zei: ‘Loop maar binnen!’ De kinderen in de klas keken lachend naar hem. Sommigen fluisterden in elkaars oor. Jonas had wel zijn naam gehoord, maar de rest niet. Hij dacht in zichzelf: ‘Gelukkig is het maar een halve dag, want ze doen nu al onaardig.’ Eindelijk was het speeltijd. Een groepje jongens kwam om hem heen staan. ‘Hé, bleekscheet, waarom kom je eigenlijk naar onze school?’

| De Wondere Pluim | 2008 |

109


‘Ik mag naar elke school die ik wil’, zei Jonas. Even later ging de bel. ‘Binnenkomen!’, riep de meester. Na rekenen en lezen, mochten ze naar huis. Toen Jonas thuiskwam vroeg zijn moeder: ‘Hoe is het geweest?’ ‘Niet goed,’ zei Jonas, ‘de kinderen van mijn klas lachen me uit!’ ‘Laat me raden, je bent weer stout geweest! Wat moet je anders met een joods kind? We hadden je beter nooit gemaakt! Zonder jou zou er nooit miserie zijn, stom rotkind!’ riep moeder. ‘Naar je kamer! Ik wil dat je vandaag niet meer onder mijn ogen komt, en als het morgen niet beter gaat, krijg je een dik pak slaag!’ Zonder iets te zeggen, ging hij naar boven, op zijn bed liggen. De volgende morgen zat hij stilletjes aan tafel. Daarna ging hij naar school. Weer werd hij gepest, en dat werd hem teveel. Dus gaf hij één van de pesters een harde dreun. De ene helft van de kinderen hielp hem meteen, en de andere helft legde hem op de grond. Ze begonnen hem één voor één te schoppen tot hij begon te bloeden. Wenend liep hij naar huis. Zijn moeder vroeg: ‘Zo rap terug? Je bent nog maar net het huis uit.’ Plots keek ze nog veel bozer: ‘Zeg dat het niet waar is, heb je weer gevochten?’ ‘Nee, hoor’, loog hij. ‘Je liegt!’, zei ze, ‘waarom hangt er anders bloed op je gezicht? Ik heb je gewaarschuwd, je krijgt een pak slaag!’ Ze haalde een stalen buis uit de kast en zei: ‘Op je knieën!’ Hij ging op zijn knieën zitten en wachtte af. Ze hield de buis boven zich. Eén slag op de rug van Jonas, en nog één, wel tien keer! Zijn rug bloedde zo erg dat de grond onder het bloed lag.

110 | De Wondere Pluim | 2008 |


Hij rende zo vlug hij kon naar boven en dacht: ‘Heel mijn leven is een hel, er zit niets anders op dan zelfmoord te plegen.’ Hij hing een touw aan de muur. Aan de onderkant maakte hij een lus. Hij stak zijn hoofd door de lus. Hij wachtte even en... SPRONG. De volgende morgen kwam zijn moeder binnen, zag Jonas aan het touw hangen en zei: ’Ik wist dat deze dag zou komen.’ Lukas Anthierens 11 jaar Sint-Anna Goethe

| De Wondere Pluim | 2008 |

111


112 | De Wondere Pluim | 2008 |


Verhalen van kinderen uit het vijfde leerjaar, Nederlands tweede taal

De monstervlieg

Er was eens een man, die altijd dacht dat hij de mooiste man van de wereld was. Hij keek altijd in de spiegel als hij thuiskwam. Vijftien keer per dag keek hij in de spiegel. Toen hij op straat liep, keek iedereen naar hem. Ze keken hem vreemd aan. De man dacht dat ze jaloers waren, en zei: ‘Laat maar. Ik ben toch de mooiste.’ Hij ging naar huis en keek weer in de spiegel. Hij zag een puist! Hij belde naar alle dokters. ‘Meneer, ik wil mijn puistje laten wegdoen.’ De dokter zei: ‘Oké, morgennamiddag om dertien uur!’ De man ging. De dokter deed zijn puist weg. ‘Bedankt dokter!’, zei de man en hij ging naar huis. Hij keek in de spiegel en zei: ‘Perfect!’ Hij keek weer in de spiegel en vond zijn neus lelijk. Hij belde naar een ander soort dokter. De dokter nam op en vroeg hem: ‘Wat wil u laten doen?’ ‘Ik wil mijn neus laten wegdoen. Ik vind hem te lelijk!’ Hij ging naar het ziekenhuis. Zijn neus was nu weg. Hij ging naar huis en keek weer in de spiegel. Hij vond zijn gezicht lelijk en ging naar de maskerwinkel. Er waren veel maskers van populaire mensen zoals Johnny Depp en Michael Jackson. Hij koos er één uit. Hij ging naar huis en dacht: ‘Ik vind mijn oude gezicht toch beter. Ik gebruik dat masker wel als ik naar een feest ga.’ Hij keek weer in de spiegel. Hij wou nu twee voelsprieten hebben. Hij belde naar dezelfde dokter. | De Wondere Pluim | 2008 |

113


De dokter nam op en zei: ‘Meneer, ben je trots dat je neus weg is?’ ‘Ja, ik ben trots, maar nu wil ik voelsprieten hebben.’ ‘Excuseer meneer, dit is niet mijn werk. Je kunt misschien deze dokter bellen? Hij doet alles wat men vraagt.’ ‘Echt? Wat is zijn nummer en adres?’ ‘Zijn nummer is 04 333 11 245.’ ‘Bedankt. En zijn adres?’ ‘Zijn adres is Langeklopstraat.’ ‘Bedankt, dokter!’ Hij belde de andere dokter. ‘Meneer, doet u echt alles wat men wil of vraagt?’ ‘Ja natuurlijk, dat is mijn job, meneer!’ ‘Dokter, kunt u voor mij voelsprieten maken?’ ‘Tuurlijk, we spreken af vanavond om acht uur.’ ‘Oké, tot vanavond.’ Hij ging naar de Langeklopstraat. De dokter zei: ‘U bent de meneer die me opbelde in de voormiddag, als ik me niet vergis?’ ‘Ja, ik ben de meneer.’ ‘Wilt u eerst dit aandoen? (een belachelijke kledij voor kinderen) De meneer trok die belachelijke kledij aan. ‘Meneer, wilt u nu in dit bed gaan liggen? (een soort babybedje voor kleine kindjes) De meneer lag in het bed. En hij dacht: ‘Waarom is alles voor kindjes? Maar ja...’ De dokter gaf hem een spuitje om te slapen. De operatie duurde tweeëntwintig uren... Hij werd wakker, hij moest rusten. Na het rusten keek hij in de spiegel en vond het perfect. De dokter kwam terug: ‘Wat vind je van je voelsprieten?’ De man zei: ‘Perfect! Wat kan je nog meer doen?’ ‘Ik kan je ogen groter maken, zodat je naar links, rechts, boven en beneden kan kijken. En ik kan je armen en benen wegdoen, maar dat is te gevaarlijk voor mensen! Ik kan ook vleugels maken, zodat je kan vliegen. Ik kan nog meer

114 | De Wondere Pluim | 2008 |


doen, alles wat men vraagt!’ De meneer zei: ‘Ik wil grote ogen hebben en mijn armen en benen laten wegsnijden. En ik wil ook vleugels hebben.’ ‘Meneer, ben je zeker? Zo maak je jezelf kapot!’ ‘Dokter, ik ben zeker!’ ‘Oké, wil je het nu laten doen of op een andere dag?’ ‘Ik wil het nu laten doen!’ ‘Die operatie duurt twee dagen.’ ‘Oké!’. Hij ging weer in bed liggen. De dokter gaf hem een grote spuit zodat de meneer dieper zou slapen want de operatie zou twee dagen duren, en hij moest blijven slapen. Toen begon de dokter. Eerst sneed hij de armen weg en dan de benen. Toen haalde hij de ogen eruit en dan zette hij er grote in. En toen draaide hij hem om. Hij haalde de botten uit zijn rug en stak er een paar vleugels in, zodat hij kon vliegen. Hij deed ook een kleur op zijn lijf, zoals de regenboog. Maar met een ander soort kleuren: blauw, rood, groen, en zwarte inkt. Toen was het de derde dag. De man werd wakker en hij kon overal kijken, zelfs naar zijn achterkant. Opeens vloog hij. Hij vloog weg naar huis. Hij keek weer in de spiegel, en vond zichzelf de mooiste jongen die er ooit had bestaan. Hij ging naar buiten. Een klein meisje huilde heel hard omdat hij zo eng leek. De mensen liepen rond en riepen: ‘Monstervlieg! Monstervlieg is hier!’ De soldaten kwamen en zeiden: ‘DOOD die vieze monstervlieg!’ En ze schoten hem dood. Daisy Lau 11 jaar Villa Stuivenberg | De Wondere Pluim | 2008 |

115


Magere Lat

Dit is misschien een nieuw sprookje, ĂŠĂŠn dat je nog nooit gehoord hebt. Maar het is niet hetzelfde sprookje als Assepoester, de kleine Zeemeermin of Belle en het Beest. Ik zal het vertellen... Er was eens een stadje dat Domino heette. Daar woonde een mannetje dat Magere Lat heette. Iedereen haatte hem, zeker de orkestman. Magere Lat had een slim plannetje bedacht om hem te laten schrikken. De orkestman had de sleutels van de kerk, zodat hij op zijn orkest kon spelen wanneer hij maar wilde. Elke nacht speelde hij op het orkest. Die nacht vermomde Magere Lat zich als een spook, met het griezeligste masker van heel Dominostad. Hij sloop de kerk binnen, tot aan het orkest waar de orkestman zo prachtig op speelde. Magere Lat legde zijn hand op de schouders van de orkestman. Je kan wel geloven hoe hij schrok. Hij gilde en gilde, en liep weg, maar het spook liep hem achterna. De orkestman liep naar de deur, het spook ook. Net toen Magere Lat de deur uit was, voelde hij een kille, koude hand op zijn schouders. Hij schrok er zo van dat zijn aderen bevroren. De volgende morgen ging de orkestman terug naar de kerk om te kijken of het spook al weg was. Voor de voordeur van de kerk zag hij Magere Lat staan met een stukje van zijn mantel tussen de kerkdeur. De orkestman kon hem niet begraven, want hij was niet dood, maar je kon hem ook niet echt levend noemen. Hij zette Magere Lat een paar kilometer daar vandaan. Er gingen duizend jaar voorbij en Magere Lat stond daar nog altijd!

116 | De Wondere Pluim | 2008 |


Tot er op een nacht een feest was. Daar was een meisje dat voor niks bang was. Een jongen wilde dat even testen en zei: ‘Als jij Magere Lat naar hier brengt, geef ik je zestig euro.’ ‘Dat heb ik nog nooit zo gemakkelijk verdiend’, zei het meisje. Ze ging op weg naar Magere Lat. Ze zette hem op haar rug en ging terug naar het feest. Toen de jongen dit zag, gaf hij haar meteen zestig euro en zei: ‘Breng hem dan nu maar meteen terug!’ Het meisje zei: ‘Nee, als je wil dat ik hem terugbreng, moet je me nog eens zestig euro.’ De jongen ging akkoord. Ze ging terug op weg. Toen ze er bijna was, greep Magere Lat haar beet en zei met een spookachtige stem: ‘Breng me naar het graf van de orkestman!’ Toen ze daar aankwamen, smeekte Magere Lat om vergiffenis. Uit het graf van de orkestman kwam een spookstem: ‘Als God het je vergeeft, vergeef ik je ook!’ En op dat moment veranderde Magere Lat in as. Carol Silvino Bernhard 12 jaar Jonghelinckshof

| De Wondere Pluim | 2008 |

117


De hele erge Ellie en de nare Nellie Stap voor stap liep Bas op straat. Hij was op zijn hoede voor gevaar. Je kent zeker de tweeling Smit niet. Als er grote mensen bij waren, deden ze lief, maar als ze er niet bij waren, werden hun handen klauwen en hun gezichten een vieze grijns... brrr, hij mocht er niet aan denken! Straks moest hij de hoek om. Hij moest van zijn mama koekjes kopen omdat hij bijna jarig was. Hij moest nu de hoek om, langs de straat van de tweeling. Hij was er! Hij keek om zich heen. Er was geen een mens te zien. Geen kind speelde buiten. ‘HEY JOCHIE!’, zei Ellie. ‘GEEF HIER DAT GELD!’, zei Nellie. ‘Nee!’, zei Bas. ‘Nellie’, zei Ellie, ‘kijk eens of er geen grote mensen zijn.’ ‘Nee’, zei Nellie, ‘alles kits!’ Plotseling werden hun handen klauwen en hun gezicht een grote grijns. Ze schopten hem, sloegen en spuwden. ‘Ik heb het geld!’, zei Ellie. ‘Oké, laten we maar vlug wegwezen!’ Met dat geld kochten ze snoep! Bas kwam thuis met een zielig gezicht. ‘Bas!’, zei zijn moeder, ‘wat is er met jou gebeurd?’ ‘De tweeling Smit heeft op mij gespuwd, mij geschopt en geslagen!’ ‘Onzin!’ ‘Die twee lieve meisjes?’, vroeg de buurvrouw. ‘Ja, die twee!’ zei Bas.

118 | De Wondere Pluim | 2008 |


‘En waar zijn de koekjes?’. ‘Heb ik niet kunnen kopen want ze hebben mijn geld afgepakt!’ ‘Onzin,’ zei moeder, ‘je hebt zeker het geld opgemaakt aan snoep! En je hebt je kleren vuilgemaakt. Ik geef je nog één kans. Hier is tien euro en geen smoesjes meer!’ Bas wou vertrekken, maar toen kwam de tweeling Smit binnen: ‘We gaan je helpen met dragen!’ ‘Ja, wat een goed idee!’ ‘Nee!’, zei Bart, ‘ik ga wel alleen.’ ‘Bas... ‘, begon moeder weer, ‘laat die meiden meegaan en koop iets voor hen.’ ‘Oké!’, zei Bart, want hij moest haar gehoorzamen. Toen hij met de tweeling de hoek omging, werden hun handen weer klauwen en de gezichten weer grijnzend. ‘Geef hier dat geld!’ De mama van Bas zei: ‘Hoor je dat?’ Samen met de buurvrouw ging ze kijken en ze geloofden hun ogen niet. ‘Blijf van mijn zoon af!’, zei moeder. De tweeling Smit rende vlug weg. Moeder haalde hen in en vertelde alles aan hun ouders. En Bas vertelde alles aan de politie. Ze moesten verhuizen en ze gingen naar Spanje. JEEEY! Zo kregen Bas en de anderen een normaal leven. Madina Khalikova 10 jaar Musica

| De Wondere Pluim | 2008 |

119


De speciale pen

Er was eens een jongen die Aiko heette. Hij had altijd buizen op zijn toets. Ze noemden hem domkop. Ze lachten hem uit. Hij was heel verdrietig. Op een dag was het zijn verjaardag. Hij kreeg van zijn opa een pen. Zijn opa was een tovenaar, maar Aiko geloofde dat niet. Opa zei: ‘Aiko, deze pen brengt je geluk. Bewaar ze heel goed! En als er een toets is, gebruik dan deze pen.’ ‘Oké, zal ik doen’, zei Aiko tegen opa. Hij moest een wens doen voor hij de kaarsen uitblies. Hij wenste dat de pen hem geluk zou brengen. Hij hield zijn adem in en pfw, pfw, pfw... de lichten gingen uit. Ze riepen: ‘Hoera! Hoera!’ Maar Aiko dacht aan de pen. Vroeg in de ochtend stond hij op. Hij maakte zich snel klaar. Mama zei: ‘Je bent zo snel vandaag!’ ‘Oh, ik vergeet iets!’ Hij pakte zijn pen en liep zo snel mogelijk naar school. Aiko zei tegen de pen: ‘Doe je best!’ De pen schreef wat lichter en het werkte vanzelf. De meester zei: ‘Ben je al klaar?’ Aiko treuzelde even. ‘Ja’, zei hij. De meester verbeterde de toetsen en gaf hem tien op tien. Aiko zag het en was blij. De kinderen waren jaloers op hem. Aiko werd dokter. Mohamed Aoura 11 jaar Zonnebloem

120 | De Wondere Pluim | 2008 |


Rosa doet teveel make-up

Op een boerderij woont een meisje. Ze heet Rosa. Ze speelt samen met haar vriend Simon. ‘Gaan we naar de speeltuin?’, vraagt Simon. ‘Neen’, zegt Rosa, ‘ik moet naar huis!’ Rosa komt thuis. Haar papa heeft een brief vast en hij kijkt blij. ‘Wat staat er in die brief?’ ‘We gaan verhuizen!!!’ ‘Naar waar?’, vraagt Rosa verdrietig. ‘Naar de stad! Waarom ben je verdrietig?’ ‘Nee‘, zegt Rosa en wrijft haar tranen weg. ‘Wanneer gaan we vertrekken?’ ‘Morgen! Ga maar inpakken!’ Maar Rosa luistert niet. Ze rent heel hard naar haar vriend Simon. Ze belt aan. De moeder van Simon doet open: ‘Rosa, kan ik iets voor je doen?’ ‘Is Simon thuis?’, vraagt Rosa ongeduldig. ‘Ja, hij is thuis. Simon, kom naar beneden!’ ‘Wat is er?’, vraagt Simon. ‘Kom je naar buiten?’ Ze gaan allebei op de schommel zitten. ‘Ik moet je iets zeggen’, zeggen ze tegelijk. ‘Jij eerst’, zegt Simon. ‘Ik ga morgen verhuizen naar de stad!’ ‘Wat? De stad?’ ‘Roep niet zo’, zegt Rosa, ‘wat wou jij zeggen?’ ‘Niets!’, en hij rent weg. ‘Wat ben jij een ondankbare vriend!’, roept Rosa en ze loopt terug naar huis. ‘En, heb je afscheid genomen van Simon?’, vraagt mama. ‘Nee!’, zegt ze. Ze rent naar boven en pakt in.

| De Wondere Pluim | 2008 |

121


De volgende morgen. ‘Rosa! Ben je klaar?’, roept mama. ‘Ja!!!’ Ze stappen in de auto. Rosa heeft veel spijt over wat ze tegen Simon zei. Ze komen aan in de stad. Rosa roept: ‘Wow!!! Zoveel huizen en winkels!!!’ De volgende morgen wordt er aangebeld. Het is een meisje. ‘Hallo!’, zegt Rosa. Het meisje geeft haar chocolaatjes omdat ze nieuwe buren zijn. ‘Hoi! Ik heet Rosa, en jij?’ ‘Ik heet Noa.’ ‘Mooie naam!’ ‘Dank je!’ Zo werden ze vrienden. ‘Gaan we naar de bioscoop?’, vraagt Noa. ‘Wat is dat?’, vraagt Rosa. ‘Weet je dat niet? Dat is een grote televisie, het is er donker en je koopt meestal popcorn.’ ‘Oké, dat lijkt me leuk!’ Ze gaan naar de bioscoop. Rosa is benieuwd. Ze werden echte hartsvriendinnen. Noa geeft haar modetips: make-up, haarkleuring en zo van die dingen. En hoe ging het verder met Simon? Chaima Barkaoui 11 jaar Zwemschool

122 | De Wondere Pluim | 2008 |


Een wonderlijk verhaal

Er was eens een prinses die Liesbet heette. Ze was wondermooi: blond haar, blauwe ogen, en ze had alles wat haar hart begeerde. Samen met haar vader, de koning, woonde ze in een kasteel boven op een grote berg. Aan het kasteel lag ook een wondermooie tuin met de mooiste bloemen en bomen. Tegen elke boom stond een speciale ladder, zodat de prinses er op kon klimmen en de mooiste bloesems van haar tuin kon zien. Op een mooie dag werd prinses Liesbet achttien jaar. Ze kreeg van haar vader een wondermooi cadeau: een stuk bos en een mooi bruin paard. Liesbet hield veel van haar bos. Ze was haar vader erg dankbaar. Ze mocht overal in haar bos komen, maar niet achter de omheining. Toch verlangde ze naar het stuk bos achter de omheining... Die nacht donderde en bliksemde het heel hard. Het raam van Liesbets kamer vloog open en ze werd wakker. De volgende morgen stond ze om zes uur op om samen met haar paard in het bos te gaan wandelen. Heel wat bomen waren een tak kwijt. Maar waar was de omheining? Plots zag ze een stuk op de grond liggen. Te laat! Haar paard was er al voorbij. Ze was al zowat helemaal beneden aan de berg. Ze kreeg honger. Plots zag ze een huisje. Ze klopte aan. Een man, de boswachter, deed open. Hij had nog wel brood. De prinses overnachtte bij de boswachter en ze werden verliefd. Ze wilden trouwen. De prinses schreef een brief aan haar vader om het hem te vertellen. Toen de koning dat hoorde riep hij meteen zijn waarzegster. ‘Breng een witte roos’, zei ze. | De Wondere Pluim | 2008 |

123


Een knecht bracht de witte roos. De roos werd zwart, met een kristallen bol erin. ‘De prinses is achter de omheining in het boswachterhuisje’, zei ze. Meteen gingen de soldaten naar die plek. Ze namen de prinses mee en de boswachter werd omgetoverd tot een beeldje. Die zagen we nooit meer terug, alhoewel... Veel later belde een klein jongetje aan bij het kasteel. Hij had een beeldje bij zich, de boswachter! De prinses kuste het beeldje en de boswachter werd weer een mens. Ze mochten trouwen! En dat was nog niet alles: het kleine jongetje mocht op het kasteel blijven wonen als hun kindje. Katia Henon 10 jaar Neerland

124 | De Wondere Pluim | 2008 |


The sword of Haladrim

Het begon in 1200 –1500 NC. Er was een jongetje dat in een dorpje woonde. Hij was nog maar dertien jaar en hij woonde samen met zijn moeder en drie broers. Elke dag liet hij de schapen uit in het grasveld. Het was er zo mooi: de heldere rivier glansde als een stuk zilver. ‘s Avonds kwam hij terug, en zo was het dag na dag hetzelfde. De volgende dag was het de beurt aan zijn broer, en de jongen ging op stap. Hij vond een grot. Hij ging erin en hij vond een zwaard, het zwaard van Haladrim. Het glinsterde en hij nam het mee naar huis. De volgende ochtend ging hij naar de smederij en vroeg: ‘Waarvan is dit gemaakt?’ De smid zei: ‘Ik weet het niet, het ziet er heel bijzonder en machtig uit. Hou het maar bij, want het kost veel. Verkoop het zeker niet.’ De jongen ging naar huis en zei: ‘Ik heb een zwaard gevonden. De smid zei dat het een bijzonder zwaard was. Moeder, ik ga werken en veel geld verdienen. Dan ga ik een harnas kopen en ga ik naar Rome. Als ik een groot huis heb, neem ik jullie mee en dan kunnen mijn broers en ik veel beter werk vinden.’ ‘Oké’, zei moeder. De jongen werkte tot zijn achttien jaar, kocht een harnas en vertrok naar Rome. Op weg naar Rome zag hij iemand van zijn leeftijd die honger en dorst had. De jongen ging naar hem toe: ‘Wie ben jij en wat scheelt er?’ ‘Ik ben Toni en ik heb honger en dorst.’ ‘Ik zal je wat water en brood geven. Trouwens, wil je mijn vriend zijn?’ ‘Oké. Waar ga je naartoe?’

| De Wondere Pluim | 2008 |

125


‘Ik ga naar Rome!’ ‘Echt? Ik ook, zullen we samen naar Rome gaan?’ ‘Oké!’ Een paar dagen later kwamen ze aan in Antona, een klein stadje met een haven. De boten voeren naar Griekenland. Toni zei: ‘Zullen we naar een restaurant gaan?’ ‘Oké!’ Ze gingen eten. Toen stormde er een hoop bandieten binnen! De jongen trok zijn zwaard en viel aan. Maar opeens begon het zwaard alleen te vechten, want de jongen dacht: ‘Dood de bandieten!’ Toen hij niets dacht, viel het zwaard op de grond. Toen hij dacht: ‘Dood de bandieten’, begon het zwaard weer te vechten. De bandieten liepen weg en de baas van het restaurant bedankte hen met zoveel eten dat ze genoeg hadden om de hele wereld rond te reizen. Toen ze aankwamen in Rome verkochten ze zoveel eten dat ze een huis konden kopen. Een paar weken later hadden ze een baan gevonden. Toni had al veel geld en had ook een harnas gekocht. De jongen had een paard gekocht. Ze hadden nog altijd veel geld en de jongen vroeg aan Toni: ‘Wanneer ben jij jarig?’ ‘Ik ben vandaag jarig!’ ‘Kom even mee, ik ga een cadeau kopen en jij mag kiezen!’ En ze kochten nog een paard. Een paar maanden later zei de jongen: ‘Ik moet mijn moeder en mijn broers halen. Blijf jij hier, ik kom vanavond terug.’ En hij ging op weg naar huis, naar het dorp. Toen de jongen in het dorp aankwam, was er oorlog. De

126 | De Wondere Pluim | 2008 |


jongen vocht en won in zijn eentje. Daarna nam hij zijn familie mee. Een ezel bracht hen naar Rome. Hij stelde Toni aan hen voor. Een paar jaar later moesten de jongen en Toni naar het leger. Ze kwamen terug. Berk Ayaz 10 jaar Sint-Anna Goethe

| De Wondere Pluim | 2008 |

127


128 | De Wondere Pluim | 2008 |


Verhalen van kinderen uit het zesde leerjaar, Nederlands moedertaal

Het droomkasteel van Yves Leterme Yveske zat eens een avondje thuis. Met al die vergaderingen altijd! Dus... hij zat voor de tv met een pintje en een pralineke. Het was al laat: twaalf uur! Hij kroop in bed, maar was nog niet al te moe. Hij ging nog wat lezen, een boek over de politiek. Typisch voor den Yves! Na een tijdje werd hij toch wel moe en hij sliep heel de nacht als een roosje. Plots ging de wekker! Yves schrok. ‘Oei, is het al zo laat? Al tien uur?’ De wekker stond nog op weekendtijd. Zonder zich aan te kleden, ging hij naar de bakker, dus... met zijn pyjama onder zijn jas! Toen reed hij naar het parlement. Ondertussen deed hij zijn broek, hemd en das aan. Dan knabbelde hij ook nog op een stukje brood. Oef, geen file! Hij was net op tijd voor de vergadering. Maar omdat hij zo laat was, moest hij helemaal achteraan in het parlement zitten. Het was weer eens een saaie vergadering en daarom begon Yves uit verveling rond te kijken. Nee maar, wie zat er nu naast hem? Nee maar, Joëlle Milquet! Yves keek even in haar richting en op datzelfde moment | De Wondere Pluim | 2008 |

129


keek ze terug. Yves kreeg tintelingen in zijn buik. Waren dat vlinders van verliefdheid? ‘Nee! Nee! Nee!’, dacht hij. Yves keek nog eens in haar richting. Ze glimlachte. ‘He...hebt...tt u h...e...tt ook zo warm?’, stotterde hij. Joëlle keek hem verbaasd aan en zei: ‘Non.’ Hij kreeg het nu nog warmer en voelde zich blozen. Na de vergadering vroeg hij of ze ergens mee wou gaan eten. Ze antwoordde: ‘Non.’ Dat antwoord had Yveske wel verwacht, want hij kende haar als de dame die altijd nee zei. Toen Yveske laat thuiskwam, was hij blij dat er geen journalisten voor de deur stonden. Zijn hoofd stond er niet naar. Hij kroop direct in bed, maar kon niet slapen. Hij pakte dan maar zijn boek over de politiek. Maar deze keer lukte ook dat niet om in slaap te vallen. Hij dacht alsmaar aan de mooie bruine ogen van Joëlle Milquet... Plots zag hij twee grote witte tanden die ver van elkaar stonden. Het was de Guy. ‘Wat komt de Guy zo laat bij mij thuis doen?’ Guy vroeg: ‘Ga je mee naar Albert?’ Daar had Yves wel goesting in. Want bij den Albert maken ze veel plezier. Hij kleedde zich vlug om en reed met de Guy naar het kasteel van Albert. Paola deed open. ‘Wat raar’, dacht Yves, ‘had den Albert geen butler?’ Ze werden zoals altijd goed ontvangen, ze dronken een pintje. Maar Albert gaf het ene pintje na het andere... en van al die pintjes moest hij naar het toilet. Yves liep alle gangen af van het kasteel... tot hij een vrouwenstem hoorde... Het was precies de stem van Joëlle. Hij bleef aan de deur luisteren. Hij hoorde Joëlle ‘non, non, non!’ roepen. ‘Joëlleke is toch niet in gevaar, zeker?’, dacht Yves. Hij deed de deur open en... zag Joëlle met Laurent in bed. Plots riep ze: ‘Oui, oui, oui!’

130 | De Wondere Pluim | 2008 |


Yves voelde zijn wereld in elkaar storten! Net alsof het kasteel in elkaar stortte! Hij riep: ‘Non, non, non!!!’ Plots ging de wekker! Yves was helemaal nat van het zweet. Hij herinnerde zich zijn droom nog. Hij was weer eens vergeten zijn wekker te veranderen. Hij stond nog op weekendtijd. Hij kleedde zich vlug aan en zonder te eten, stapte hij in de auto en reed naar het parlement. Hij moest weer achteraan zitten. Het was weer een saaie vergadering! Hij keek naast zich en... Joëlle zat naast hem. Ze glimlachte naar Yves. ‘NON!’ riep Yves. Het parlement was ineens stil. Hannelore George 11 jaar Sint-Anna Goethe

| De Wondere Pluim | 2008 |

131


Het wondermooie Mormel

Er was eens een arme boerenfamilie: een vader, een moeder en twee dochters. De dochters waren zo mooi dat ze vergeleken werden met de mooiste bloemen. De eerste dochter heette daarom ook Lily en de tweede dochter heette Rose. ‘We hebben twee beeldschone dochters en mensen zeggen toch altijd “derde keer goede keer”, dus zouden we nog een dochter moeten nemen’, zei vader, ‘dat wordt dan de mooiste dochter die ik me kan voorstellen.’ Moeder (die eerder bezorgd was dat het misschien geen meisje zou zijn, maar een jongen) ging tegen Lily en Rose zeggen dat ze een zusje of een broertje zouden krijgen. Want vaders wil was moeders wet. Negen maanden en drie dagen later kwam de baby. ‘Gefeliciteerd’, zei de dokter, ‘het is een meisje!’ Vader en moeder waren opgelucht tot... ze het meisje te zien kregen. ‘Afschuwelijk!’, zei de moeder, ‘het is een mormel!’ De vader, die nog vol ongeloof naar het meisje zat te staren, zei: ‘Mormel, ja Mormel, dat lijkt me een gepaste naam.’ En nog maar eens werd vaders wil moeders wet. Het meisje heette dus Mormel. Ze groeide thuis op, maar werd afschuwelijk slecht behandeld. Ze werd genegeerd, iedereen plaagde haar. Ze zagen niet dat ze een gouden hart had. De meisjes werden ouder en Rose ontmoette graaf Eduardo. Drie maanden later ging ze met hem samenwonen. Lily stond op het punt te trouwen, en dat allemaal terwijl Mormel nog nooit een vriend had gehad. De volgende dag was de trouwpartij. Lily trouwde met een prins, prins Edward.

132 | De Wondere Pluim | 2008 |


Er waren gasten, er waren bloemen, er was muziek, maar er was vooral wit! Het duurde niet lang tot de hele familie ging samenwonen in het kasteel. Niemand zag Mormel staan, behalve de koning. Hij had geleerd naar het innerlijk te kijken en niet naar het uiterlijk. Zo zag hij welk een groot hart Mormel eigenlijk wel had. Op Mormels achttiende verjaardag, die bijna iedereen vergeten was, kreeg ze van de koning een boek. Een boek zonder woorden, een blanco boek. Op de eerste pagina stond er alleen maar: Laat dit Boek je Weg leiden! Nu wist ze het zeker: nu was haar tijd gekomen! Nu kreeg zij haar droomprins! Die nacht vertrok ze. Ze ging haar droomprins zoeken. Het enige wat ze meenam, was het boek. Dagen was ze onderweg tot ze besefte dat ze haar boek moest gebruiken. Ze ging er iets in schrijven. Nee, nog beter, ze ging er in dichten. Ik zit hier alleen... zoekend naar mijn droomprins. Oh, heilig boek, zeg me waar moet ik heen? Moet ik naar de bergen, de zee of naar de stad? Oh, heilig boek, zeg me wat... Opeens verscheen er op het boek een soort mond. De mond zei: ‘Zoek je droomprins nu maar! Ga daarom naar de stad Laar!’. Mormel wist dat Laar vlak voor de bergen lag, en de bergen waren niet ver. Ze vertrok dus meteen. Eenmaal in Laar zag ze een afschuwelijk lelijke jongen die bekogeld werd met rotte eieren. Hij staarde haar aan, zij staarde naar hem. En voor ze het wisten, stonden ze hand in hand, lip aan lip te zoenen. ‘Hallo!’ ‘Wie zei dat?’, vroeg Mormel. | De Wondere Pluim | 2008 |

133


‘Ik!’, zei een fee, ‘ik moet jullie iets vertellen!’ ‘Wat dan?’, vroeg Mormel. ‘Jullie zijn elkaars ware. Hij is jouw droomprins en jij bent zijn droomprinses. Nu moeten jullie kiezen: ofwel blijven jullie samen en lelijk, ofwel worden jullie wondermooi. Maar dan mogen jullie elkaar nooit meer zien.’ ‘We blijven bij elkaar en lelijk’, zei Mormel onmiddellijk. Dat gebeurde en ze leefden nog lang en gelukkig! Ruby Renteurs 12 jaar Spiegel

134 | De Wondere Pluim | 2008 |


Spiegelwereld

‘Hé, kapitein!’, klonk het van achter mijn rug. Het was Modres. ‘De commandant heeft u geroepen.’ ‘Dank je, Modres.’ Ik draaide me om en liep richting lift. Als de commandant je persoonlijk wou spreken, was het serieus. De deuren van de lift schoven automatisch open en ik stapte naar binnen. Toen ik op de knop had geduwd begon de lift te dalen in plaats van te stijgen. Dat was niet normaal. Ik controleerde even of ik de juiste knop had ingeduwd. Dat had ik gedaan. Ik trok aan de noodhendel, maar er gebeurde niets. Even later stopte de lift met een enorme knal en gingen de deuren open. Ik stapte naar buiten, maar was op mijn hoede. De plaats waar ik me bevond, was een onderaardse basis. ‘Ah kapitein, daar bent u!’, klonk het door de hal van de basis. ‘Commandant, bent u dat?’, vroeg ik. ‘Momentje, ik kom naar boven.’ De vloer ging trillen en uit de grond kwam een bureau geschoven met daarachter de commandant. ‘Kapitein, ik ga niet rond de pot draaien en u gewoon vertellen waar het over gaat! Ik heb u nodig voor een belangrijke missie’, begon hij. ‘Maar waar dan?’, vroeg ik meteen. ‘We hebben zojuist ontdekt dat er geen twee polen zijn, maar drie.’ Van verbazing viel mijn mond open. ‘De derde hebben we de Middenpool gedoopt. Het is uw missie om hem in kaart te brengen. Wat is het vroegste tijdstip dat u kunt vertrekken?’ ‘Nu, commandant’, antwoordde ik. ‘Veel te vroeg. Binnen een week.’ Het bureau zakte weg en de commandant liet me nadenkend achter... | De Wondere Pluim | 2008 |

135


Enkele dagen later was alles klaar. Ze zouden met een M.O.L. gaan. Dat was een soort schip met een enorme boor vooraan die krachtig genoeg was om door de aardkorst heen te boren. De machine alleen al had honderd miljoen euro gekost. Dan had je ook nog het voedsel voor een jaar, gps-systemen, infraroodbrillen enz... Er gingen vijf mensen mee: Algi, Ann, Harley Davids zoon (bijgenaamd Harley Davidson) en Gaston en Leo. Toen iedereen aan boord ging, zei ik: ‘Doe maar een dutje, want het duurt wel even voor we er zijn.’ De M.O.L. werd op automatische piloot gezet richting Middenpool. Vierentwintig uur later waren we op onze bestemming. Ik deed de deuren van de M.O.L. open en viel haast flauw door wat ik zag: een hele middeleeuwse stad vol mensen. Ik riep het team bij mekaar. ‘Dit is een ongelooflijke ontdekking en de rest van de wereld moet dit weten! Ann, pak de filmcamera en kom mee.’ We liepen de stad in op verkenning. Er viel me iets op. Alles was hier exact hetzelfde als thuis, maar dan zoals een paar eeuwen geleden. Ik dacht aan iets. We stonden nu op het dorpsplein, dus mijn eigen huis moest hier niet veraf zijn. We liepen nog een tijdje en kwamen toen aan waar ik zou moeten wonen. Ik klopte op de deur, want een bel was er niet. Er werd opengedaan. ‘Wie ben jij?’, vroeg het oude dametje dat in de deuropening stond. ‘Ik ben het, je achterachterkleinkleinzoon!’ zei ik. ‘AAAAH! De duivel! Help!’ Een paar soldeniers die in de stad de rust moesten bewaren, kwam op ons af. ‘Lopen!’, schreeuwde ik. We liepen zo snel we konden terug naar de M.O.L. De weg werd versperd door soldeniers, ook langs de andere kant. Door alle opwinding waren we onze wapens vergeten. Plotseling viel mijn blik op een wezen dat dichtbij een huis zat. Het was een draak! ‘Snel, hierheen!’ Iedereen sprong

136 | De Wondere Pluim | 2008 |


op de draak en op de een of andere manier wist het beest wat het moest doen. Toen kreeg ik een black-out. Het hele verhaal werd in de doofpot gestopt en er werd nooit meer over gesproken. ‘Kom, schat, anders zijn we te laat in het rusthuis!’ riep mijn vrouw. ‘Ja, ik kom!’ riep ik terug. Toen we arriveerden, werden we naar mijn betoverovergrootmoeder gebracht. Toen ze me zag, begon ze te gillen: ‘AAAH! De duivel! Help!’ Toen kreeg ze een hartstilstand. De geheimen van de Middenpool zullen altijd geheimen blijven... Anton Janssens 11 jaar Sint-Anna Goethe

| De Wondere Pluim | 2008 |

137


Ik ben Yasmine, het zigeunerkind Er klonk een welverdiend applaus. Mijn nonkel Giovanni had net een volkslied op zijn gitaar gespeeld dat iedereen rond het kampvuur aan het dansen bracht. Iedereen was gelukkig op zo’n momenten. Maar het was niet altijd zo. Wij waren Romazigeuners en niemand had ons graag. Daarom waren we weggetrokken uit Slovenië. Samen met onze woonwagens, onze paarden en natuurlijk ook mijn lieve hond Bruno. Ik had hem gekregen na lang zagen, want we hadden hem helemaal alleen achtergelaten gevonden. Heel onze familie die meereisde vond hem leuk gezelschap. We reisden rond van stad naar stad, en dat was niet altijd leuk. Vaak werden we weggejaagd van de mooie, groene weiden. Mensen verafschuwden ons, ze mochten ons niet. We kregen nooit veel respect. Als ik me ergens moest voorstellen zei ik: ‘Ik ben Yasmine’, maar ze dachten er vast bij: ‘het zigeunerkind.’ Ik was elf jaar en ging niet naar school. Maar van mijn familie leerde ik alles. Thuis was de sfeer soms fantastisch. Zoals op mijn twaalfde verjaardag. We deden waar ik van hield: dansen en muziek spelen. Ik had altijd al met grote ogen toegekeken hoe mijn familie samen muziek speelde. Mijn nonkel Giovanni met de gitaar, mijn tante Joanna en mijn nichtje Esmeralda met de tamboerijn. Dat waren de meest gebruikte muziekinstrumenten. Soms waren er nog

138 | De Wondere Pluim | 2008 |


meer. Zoals vroeger, toen mijn tante Maria er nog was en viool speelde. Zij is overleden omdat ze erg ziek was. We konden de dure medicijnen niet betalen. Opeens stopte mijn nonkel met spelen en stapte naar me toe. Mijn oma, opa, nicht, en nog meer familie keken nieuwsgierig naar Giovanni en naar mij. Het leek alsof ze iets wisten wat ik niet wist. ‘Ik wou je dit al lang geven,’ begon hij, ‘maar ik vond het juiste moment niet.’ Hij nam een zwarte kist vanachter zijn houten stoel en overhandigde ze mij. ‘Alsjeblieft, van je tante... ‘ Ik was zo verbaasd dat mijn mond bijna openviel. ‘Tuurlijk’, dacht ik, ‘de viool!’ Ik keek hem met dankbare ogen aan: ‘Bedankt! Duizend maal bedankt!’ Ik opende snel het koperen slot van de zwarte kist. Een mooie, glanzende viool, een beeld dat ik diep in mijn hart sloot. Ineens zei mijn nichtje: ‘Spelen! Spelen!’, en de andere familieleden deden mee, zelfs mijn grootouders: ‘Spe-len! Spe-len! Spe-len!’ ‘Oké dan’, zei ik zonder tegenzin. Ik nam de viool, spande de strijkstokharen een beetje op en legde het instrument op mijn schouder. Ik begon de wals te spelen die mijn tante ook vaak speelde. Ik had het direct terug onder de knie, want vroeger mocht ik er ook al op oefenen. Ook voor mij klonk er een warm applaus. Die avond schreef ik in mijn dagboek: 14 maart 1948 Liefste dagboek Voor mijn verjaardag heb ik de viool van tante Maria gekregen! Ik ben er echt blij om! Yasmine

| De Wondere Pluim | 2008 |

139


Ik schreef altijd korte dingen. Wat later, na grondiger onderzoek, leek er niet alleen een etiket in de klankkast te plakken. Er zat een lavendelkleurig, geplooid papier in. Ik peuterde het eruit met een bronzig pincetje. Ik opende de brief en herkende het krullerige geschrift van mijn tante. Mijn hart klopte in mijn keel. Gelukkig was ik alleen in de woonwagen, de rest zat nog buiten te babbelen. Er was geen aanhef in het begin van de brief. Er stond in dat haar viool haar leven was, dat ze alles voor haar betekende. Als haar viool zou verbranden, dan verbrandde haar ziel mee. Jaren later, toen ik zelf al een aardige leeftijd had, schreef ik ook een brief. Dat ik zo veel hield van de viool en haar klanken, dat ik er ook mijn ziel instopte. Ik verwees naar de brief van mijn tante, en vertelde hoe fijn ik het vond om in de klanken op te gaan. Ik schreef wat er van mijn leven als zigeuner was geworden. Ik schreef hoe mijn ziel kapot zou gaan, zou verbranden en zou verscheuren als er iets met die viool zou gebeuren. En dat ik wou dat een twaalfjarig meisje van de toekomstige familie die viool in handen zou krijgen. En dat ze die mooie klanken ook zou horen... Elisabeth-Ann Vandenwyngaerden 12 jaar Spiegel

140 | De Wondere Pluim | 2008 |


De ijskoude diamant

Yana en haar twee jaar oudere broer Jamie waren op vakantie in Egypte. Ze deden een opgraving en vonden een enorme schat: een diamant! Yana vroeg: ‘Jamie, ben je niet bang dat je ziek wordt?’ ‘Kletskoek!’, antwoordde hij. ‘Maar je hoorde die man toch?’ Een man had hen gezegd dat de diamant gevaarlijk was, het stond zelfs in de krant. ‘Zeven mensen spoorloos verdwenen en drie dood’, was de krantenkop. En ze waren allemaal in contact gekomen met de diamant. Het stond ook in de hiëroglyfen. De eerste kwaal was verdwijnen en nooit meer gevonden worden, de tweede was de dood, en de derde was doodziek worden. Zo ging het door tot de tiende kwaal. Daarom werd de diamant begraven, en nooit meer teruggevonden. Tot Yana en Jamie dat deden. ‘Jamie, als ik jou was zou ik die diamant terugleggen.’ ‘Maar jij bent mij niet, dus heb je dikke pech!’ Ineens liet hij de diamant vallen. Hij zag grauw, heel erg grauw. Yana belde snel de ziekenwagen. Jamie keek vol spijt naar Yana. Ze kon het van zijn gezicht aflezen: ‘Yana het spijt me, ik had naar je moeten luisteren!’ Yana zou alles doen om haar broer te redden. Toch had ze geen flauw idee wat ze moest doen. Ze hoorde dat ze naar een tovenaar moest gaan, die zou al haar vragen beantwoorden. De tovenaar zei: ‘Als gij bereid zijt uw leven op te offeren voor dat van uw broer, dan zal de Diamantgeest genadig zijn en uw diepste wens in vervulling laten gaan!’ ‘Maar hoe kan ik de Diamantgeest spreken?’ ‘Door te mediteren. Als je mediteert, sta je centraal en gaan alle werelden voor je open. Of via een droom.’ Yana ging dan maar mediteren. Ze zou anders te lang op een droom moeten wachten en dat wilde ze niet. Maar hoe | De Wondere Pluim | 2008 |

141


hard ze ook probeerde, het lukte niet. Dus ging ze maar slapen. Het was al aardig donker. Ze sliep en droomde dat ze de Diamantgeest ontmoette. ‘Waarom kwam je niet? Waarom liet je me zo lang wachten?’ ‘Geduld is een schone zaak, dat wilde ik je gewoon leren.’ ‘Wilt u me alsjeblief helpen? Mijn broer is doodziek en ik weet niet wat ik moet doen!’ ‘Luister goed! Je moet drie dingen doen die je zullen helpen met je medicijn: smeer jezelf in met amandelmelk, ga voor het ziekbed zitten van je broer, offer jezelf op.’ ‘Moet ik mezelf opofferen? Maar waarom?’ ‘Omdat je broer dan gezond wordt. Jullie veranderen van gezondheid en tegen de tijd dat jij jezelf hebt opgeofferd, ben je dood. Als je echt genoeg van je broer houdt om jezelf op te offeren, ga je direct naar het rijk der goden!’ ‘Als het dan echt moet, dan moet het maar. Ik heb nog wel een vraag. Hoe offer je jezelf op?’ ‘Door kokosmelk, geitenmelk, koeienmelk en schapenmelk door elkaar te mengen met de spreuk: Mijn broer krijgt mijn gezondheid door de melk van een kokosnoot, een geit, een koe, en een schaap!’ Ze wist dat ze genoeg van haar broer hield om voor hem te sterven, dus deed ze wat de geest haar opgedragen had. Ze werd wakker, waste zich en ging naar de stad om amandelmelk te kopen. Daarna ging ze naar de markt voor kokos-, geiten-, koeien-, en schapenmelk. Ze ging naar het hotel om zichzelf in te smeren met amandelmelk. Daarna ging ze naar het ziekenhuis. ‘Jamie? Jamie, kun je me horen?’ ‘Huh? Wat doe jij hier?’ ‘Ik kom je bevrijden van de pijn.’ Ze zei de spreuk en daarna duizelde alles voor haar ogen. ‘Vaarwel, Jamie!’, zei ze en viel bewusteloos op de grond.

142 | De Wondere Pluim | 2008 |


‘Ja, ze zal nog wel een tijdje in bed moeten liggen, maar ze is zo weer op de been’, hoorde Yana een mannenstem zeggen. Ze opende voorzichtig haar ogen en zag dat het een dokter was. ‘Hoe gaat het met Jamie?’ vroeg ze. ‘Helemaal weer op de been. Je bent geniaal. Dat mengseltje dat je bij je had, heeft genezende krachten. Toen jij één of andere spreuk zei, heeft hij het opgedronken. Maar je hebt nog wel een flinke buil van het vallen.’ ‘Normaal zou ik nu dood moeten zijn’, zei Yana. ‘Maar dat ben je niet’, zei de dokter. ‘Yana, je hebt een pakketje, maar er staat geen afzender op!’, riep Jamie, ‘als je wakker bent, kom dan meteen kijken!’ Yana pakte het pakje aan en deed het open. Er zat een gigantische joekel van een diamant in, met een briefje eraan geplakt. Op het briefje stond: ‘Als je wilt sterven voor een ander, ben je geen pluim maar een diamant waard!’ P.S.: Niet laten aanraken door anderen. IJskoud! Nele Vandeginste 12 jaar Zwemschool

| De Wondere Pluim | 2008 |

143


Dit kan toch niet waar zijn!

Op een dag zaten Jeroen en Eric samen in de klas. Jeroen verveelde zich. Eindelijk ging de bel. ‘Denk eraan, morgen is het toets van Frans.’ Eric had het niet gehoord, want hij was aan het nadenken over wat hij die woensdagmiddag zou gaan doen. Onderweg naar huis fietsten Jeroen en Eric naast elkaar. ‘Oh ja,’ begon Eric, ‘ik moest van Melissa vragen of je haar wilde helpen met haar huiswerk.’ ‘Waarom vraagt ze dat zelf niet?’, onderbrak Jeroen hem. ‘Ik weet het niet, misschien omdat ze het niet durft.’ ‘Ik moet hier naar links’, zei Jeroen haastig. ‘Ja, tot morgen!’, riep Eric hem na. Hij fietste verder. Na een kwartiertje gooide Eric zijn fiets in de schuur en ging naar binnen. ‘Dag, mam!’, riep hij vlug. Hij hing zijn jas aan de kapstok en liep naar de keuken. Zijn mama was aan het koken. ‘Ha, Eric!’, riep ze en drukte een kus op zijn wang. ‘Wat eten we vandaag?’ ‘Jouw lievelingsgerecht: spaghetti met kaas!’ ‘Joepie!’ Eric was dol op spaghetti. Na het eten liep hij vlug de trap op naar zijn kamer. Hij trok zijn boekentas naar zich toe en ging op de stoel aan zijn bureau zitten. Even later zocht hij zijn boek van Frans. ‘Shit!’ riep hij, ‘Ik ben het boek vergeten in de klas!’ Hij begon diep na te denken. Opeens had hij een idee: ‘Ik ga naar Jeroen, hij zal het vast niet vergeten zijn!’ Vlug liep hij naar zijn kamerdeur, trok die open en liep haastig de trap af. Hij trok zijn jas aan. ‘Tot straks, mama!’, riep Eric. Voordat zijn moeder iets kon zeggen, klapte hij de deur achter zich dicht en liep hollend naar de schuur. Daar pakte hij zijn fiets. Hij begon met al zijn kracht te fietsen. Eric racete door de stad. Hij was er! Hij stapte van zijn fiets,

144 | De Wondere Pluim | 2008 |


zette hem op slot en belde aan. De moeder van Jeroen deed open. ‘Dag mevrouw, ik kom voor Jeroen.’ ‘Tuurlijk, kom binnen. Jeroen is op zijn kamer.’ Eric liep de trap op naar boven en liep de gang in, naar links. Daar klopte hij op de deur van Jeroens kamer. Er kwam geen antwoord. Hij klopte voor de tweede keer en weer kwam er geen antwoord. Toen deed hij aarzelend de deur open. Hij keek naar binnen. Er was niemand, de kamer was leeg. Blijkbaar was Jeroen weg. Eric ging de kamer in. De computer van Jeroen stond aan. Eric keek naar de computer. Daar zag hij iets verschrikkelijks. Hij kon zijn ogen niet geloven. Op het beeldscherm stonden er naaktfoto’s van jongens. Homo’s site, las Eric. Hij kon het niet geloven. Er prikten tranen in zijn ogen. Opeens vloog de kamerdeur open. Jeroen stond verstijfd naar Eric te kijken, zijn blik vloog van Eric naar de computer. ‘Je gaat me toch niet vertellen dat je een ho... ‘. ‘Ja!’ onderbrak Jeroen hem met een bibberende stem. ‘Maar je valt toch niet... ?’ ‘Nee, nee,’ onderbrak Jeroen, ‘ik val helemaal niet op je.’ Eric keek hem woedend aan. ‘En dit heb je me nooit verteld?’ ‘Ik durfde niet.’ Eric pakte zijn jas, hij voelde de tranen in zijn ogen springen. Jeroen riep: ‘Vertel dit aan niemand!’ Eric keek hem haastig aan: ‘En Melissa dan? Die is verliefd op jou!’ Jeroen haalde zijn schouders op: ‘Maar ik niet op haar.’ De volgende dag op school stormde Melissa naar Eric. ‘En?’ Eric keek haar aan en flapte er opeens uit wat er de vorige dag allemaal gebeurd was. Melissa keek hem ongelovig aan. Even later ging de bel. ‘Oh nee!’ Eric was vergeten om Melissa te vragen of ze het | De Wondere Pluim | 2008 |

145


aan niemand wilde vertellen. Maar het was al te laat, de helft van de kinderen van de school wezen naar Jeroen en lachten hem uit. Jeroen keek Erics kant uit. Woedend. Even later liep Eric naar Jeroen. ‘Sorry... ‘, begon hij. ‘Hou je mond!’, riep Jeroen kwaad, ‘ik dacht dat ik je kon vertrouwen!’ Eric keek verslagen naar de grond en liep weg. De kinderen bleven Jeroen pesten en het pesten hield niet op. Overal hoorde Eric het geroezemoes en het geroddel over Jeroen. Het duurde wel een maand, dat gepest. Eric begon medelijden met Jeroen te krijgen. ‘Zo is het GENOEG’, dacht hij, ‘ik ga hem opzoeken en hem helpen.’ Eric zocht wel tien minuten naar Jeroen. Eindelijk vond hij hem. Hij lag snikkend op de grond te huilen. Eric liep langzaam naar hem toe. ‘Kom, Jeroen,’ zei hij, ‘ik wil je helpen. Kom, we gaan samen hulp zoeken bij de directeur.’ Jeroen keek hem aan en glimlachte. Eric gaf hem een klap op de schouder en hielp hem overeind. Ze liepen samen naar het bureau van de directeur. Even later kreeg de directeur het verhaal te horen. Hij keek Jeroen aan en glimlachte: ‘Jij bent niet de enige,’ zei hij, ‘we zullen een vergadering houden over pesten in deze school.’ Zo gezegd zo gedaan. Iedereen begon Jeroen leuk te vinden. Er werd niet meer gepest, nergens meer. Jeroen was dolgelukkig en Eric ook. Ze werden terug vrienden, net als vroeger. Ze hadden heel weinig ruzie. Ze werden vrienden voor altijd. Narimane El Kayali 13 jaar Wereldschool

146 | De Wondere Pluim | 2008 |


Verhalen van kinderen uit het zesde leerjaar, Nederlands tweede taal

De snelle slak

Op een zaterdagochtend aan het ontbijt vroeg ik aan mams: ‘Mag ik een huisdier?’ Paps verslikte zich in zijn koffie en mams viel uit haar stoel. Dat vond ik wel vreemd. ‘Wat zei je?’, vroeg mams. ‘Ik wil een huisdier!’, riep ik. Papa vroeg: ‘Wat voor huisdier?’ Stilte. We waren klaar met ontbijten. Mams ruimde de tafel af en waste af. Ik ging naar de zolder waar mijn kamer was. Ik pakte mijn huiswerk voor maandag. Het was wiskunde, de herhaling van Sprong 4. Ik begon mijn huiswerk te maken toen er plotseling uit de hoek een geluid kwam. Ik ging kijken. Raar maar waar: het was een slak! ‘Wie ben jij?’ (Dom joch dat ik ben, slakken kunnen niet praten!) ‘Waardeloze slak’, dacht ik. Ik ging terug naar mijn plaats, toen er weer geritsel uit de hoek kwam. Ik ging terug naar de slak. ‘Wie ben jij?’, brulde ik. ‘Ik ben Rapido.’ Ik viel flauw toen ik de slak hoorde praten. Toen ik weer bijkwam, lag ik in de living. ‘We hebben je wel twintig keer geroepen!’, zei mams die naast paps kwam staan. ‘Toen je niet antwoordde, zijn we naar boven gekomen en zagen we je op de grond liggen’, vervolgde paps. ‘Oh nee, Rap... !’ Verder kwam ik niet want ik was bang dat | De Wondere Pluim | 2008 |

147


ik Rapido zou verraden. ‘Wat zei je?’, vroegen ze allebei. ‘Niets hoor.’ Ik liep zo snel mogelijk naar mijn kamer. ‘Rapido!’, riep ik. Ik zag een flits en toen stond Rapido voor me. ‘Ik ben Rapido, broer van Speedy Gonzalez!’ Ik deed mijn mond ongelovig open: ‘Cool, maar je broer was een muis en jij bent een slak. Slakken zijn helemaal niet snel.’ ‘Dat weet ik, maar ik ben wel heel snel’, zei Rapido trots. ‘We moeten dit aan mams en paps vertellen!’, zei ik. Rapido vond dat een goed idee. We gingen naar mams en paps die het avondeten aan het klaarmaken waren. ‘Mams, paps, ik... ‘, zei ik, maar paps onderbrak me. ‘Ha jongen, je mama en ik vinden dat jij geen huisdier mag hebben.’ Dit was het moment om Rapido voor te stellen. ‘Dat huisdier is niet meer nodig, maar ik wil jullie wel iemand voorstellen: Rapido, hij is de broer van Speedy Gonzalez. Hij is supersnel en hij praat!’ ‘Hallo meneer en mevrouw, ik ben Rapido!’, zei hij en hij zoefde door de keuken. ‘Ik wou nog iets vragen, mag Rapido meedoen aan het paarden WK?’, smeekte ik. ‘Tuurlijk mag hij meedoen als hij wil’, zei paps. ‘Tuurlijk wil ik meedoen’, zei Rapido. De volgende dag werd Rapido aangenomen om mee te doen. We gingen naar het café waar ze weddenschappen deden. We wedden op Rapido voor duizend euro. Rapido won en zo werd hij beroemd. Ilias Bukrava 11 jaar Spiegel

148 | De Wondere Pluim | 2008 |


Verkiezingenaquarium in het

De vissen zwommen in de diepe zee. Ze waren allemaal gelukkig, behalve de vis die op Nemo leek. Hij was altijd alleen, niemand die hem kon troosten. De volgende ochtend waren alle vissen bij elkaar, en de vis die op Nemo leek ook. Maar hij was heel droevig. Moeder vroeg hem: ‘Wat is er?’ Hij wilde niet antwoorden. Zijn moeder zei: ‘Als je het niet vertelt, kan ik je niet helpen. Ga je het zeggen? Ja of nee?’ Hij zei: ‘Ik wil niet meer dat de haai de belangrijkste is. Ik zou willen dat een gewone vis belangrijk is. De haai is wel de grootste, maar daarom moet hij niet de belangrijkste zijn.’ ‘Oké, ik zal erover praten met de haai. En nu moet je niet meer verdrietig zijn. Ga maar spelen met je vrienden.’ Het werd middag. Moeder ging naar de haai om met hem te praten over wie er belangrijk was, en wie niet. De haai zei: ‘Ik ben al jaren de belangrijkste en iedereen is daar tevreden over, behalve uw zoon. Ik zal morgen een verkiezing houden in de zee. Dank u wel voor de babbel.’ De verkiezingen begonnen en het duurde twee uur tot het voorbij was. De haai telde alles op, maar het bleek dat de stand gelijk was. Hij zei: ‘Ik ga niet meer alleen de belangrijkste zijn. Ik ga er gewoon nog iemand bij doen.’ Alle vissen waren blij. Als er nu problemen waren, konden ze ook hulp vragen aan een kleinere vis. De vis die op Nemo leek, was blij. Azema Ibricic 12 jaar Klavertjevier | De Wondere Pluim | 2008 |

149


Vuurspel

Rachel en haar twee beste vriendinnen Andrea en Diane zaten in de bieb. Ze waren alledrie zeventien jaar. Ze waren aan het studeren voor aardrijkskunde. Andrea zei: ‘Ik moet keigoede, originele muziek maken om te kunnen winnen.’ ‘Oh!’, zei Diane, ‘Ik heb een goede vriend, Gabe, die goed muziek kan maken.’ ‘Gabe...’ ‘Ja,’ zei Diane, ‘hij heet eigenlijk Gabriël, naar de engel, maar eigenlijk lijkt hij meer op de duivel zelf!’ ‘Hoe kan Diane met zo iemand bevriend zijn?’, dacht Rachel, ‘Diane is zelf zo verlegen en behulpzaam.’ Nick en Max kwamen binnengestormd, spelend met vuur. Ze kwamen naar Rachel, Andrea en Diane. ‘Doe dat vuur uit, asjeblief!’, zei Diane smekend. Ze was echt in paniek. ‘Och’, zei Nick, en hij stak per ongeluk een map in brand. ‘Geef hier!’, zei Andrea, ze pakte de map en gooide die in de prullenmand. ‘Kom, we gaan weg voordat we gezien worden!’, zei Nick. Op dat moment belde het en ze gingen allemaal snel naar de les. In de klas rook iedereen vuur. Buiten loeide de sirene. ‘Oké, iedereen rustig naar buiten. Er is een kleine brand.’ Ze gingen naar de refter. Nick, Max, Diane, Andrea en Rachel gingen zitten. Plots stond Diane op. ‘Gabe!’, riep ze. Ze knuffelde hem. ‘Wat een boemmeke!’, riep Andrea naar Rachel. Rachel was ook heel knap, met haar zwarte, gladde, lange haren. En ze was lang en slank. ‘Ja’, zei Rachel. Gabe had groene ogen die twinkelden. Hij kwam naar hen toe. Iedereen stelde zich voor. Gabe zei: ‘Het is hier zo saai en het eten is niet te vreten. En de andere school is ook zo

150 | De Wondere Pluim | 2008 |


saai.’ ‘Niet echt, want vandaag was er brand.’, zei Max. ‘Echt?’ Nu keek Gabe enthousiast. Max vertelde over de map. ‘Zo’n klein vuurtje? Ik heb al grotere branden gesticht.’ De jongens keken hem belangstellend aan. ‘Ik heb de jongens-wc al een tijdje in de gaten gehouden... Er is niemand geweest.’ Hij keek naar Max en naar de lucifers. Max nam die en ging naar de wc’s. Rachel riep: ‘Max, je moet niets tegen je zin doen!’ Max ging de wc’s binnen. Een tel later kwam hij terug en toen ontplofte de boel. Max was heel bang dat hij betrapt zou worden. ‘s Namiddags gingen ze picknicken. Later op de avond, toen Rachel in bed lag, rinkelde haar gsm. Ze nam op en hoorde een bekende stem. ‘Gabe?’ ‘Ja, ik had geen tijd om met je te spreken. Ik wou eens afspreken, jij en ik alleen.’ ‘Maar heb jij geen verkering met Diane?’ ‘Nee, ze is gewoon een goede vriendin van me.’ ‘Oh! Oké, wanneer?’ ‘Zaterdagavond?’ ‘Oké, daag!’ Rachel vond het vreemd. Aan de ene kant vond ze het leuk, aan de andere kant was ze een beetje bang. De volgende dag gingen Nick, Max, Andrea, Diane, Rachel en Gabe met de auto naar Ghoststreet, de spookstraat. Toen ze aankwamen, keek Gabe naar het huis en het schuurtje. Hij zei: ‘We kunnen dat schuurtje in brand steken, en de volgende keer dat huis!’ Hij stak het schuurtje in brand en keek naar Nick. ‘Nu is het jouw beurt, Nick. Steek het huis in brand!’ | De Wondere Pluim | 2008 |

151


‘Nee, dat zal ik nooit doen. Het is achterlijk!’ Hij liep naar de auto en de rest volgde hem snel voordat iemand de politie ging waarschuwen. ‘Jullie moeten ermee kappen!’, riepen Diane en Rachel. Diane, Rachel en Andrea waren alleen. Rachel zei: ‘Het moet echt eindigen!’ ‘Ja’, zei Diane. ‘Ik vind het leuk’, zei Andrea met haar jongenskopje. ‘Voor mij hoeft het niet te stoppen.’ Diane en Rachel keken elkaar aan. Rachel zei: ‘Het moet stoppen, voor het te erg wordt. Gabe brengt hun hoofd op hol, het wordt misschien te erg!’ Diane zei: ‘Rachel, jij moet met Nick en Max spreken, naar jou luisteren ze wel.’ ‘Oké, ik wil het wel doen. Nu ga ik naar huis, daag!’, en Rachel vertrok. Zaterdagavond. Het was achttien uur. Er wordt gebeld bij Rachel thuis. Het was Gabe. Rachel had zich mooi gemaakt. Ze had een strak, sexy topje aan met een smalle sexy broek. Ze gingen in de auto zitten. Ze gingen ergens eten. Daarna zaten ze op een bank in het park, zo romantisch. Gabe nam haar vast, boog zich over haar en kuste haar teder. Zijn lippen waren zo zacht. Rachel voelde zijn tong langs de hare. Daarna speelde Gabe een keiromantisch lied voor haar op zijn gitaar. Alles was volmaakt. Later gingen ze weg. Ze zagen keiveel mensen. ‘Wat zou daar aan de hand zijn?’, vroeg Rachel. Ze liepen erheen. Gabe riep: ‘Dat is mijn vaders auto die ik geleend heb!’ Hij liep naar de auto. ‘Nee!’, riep Rachel. Toen ontplofte de auto! Rachel dacht dat het Nick was, want tenslotte was het zijn beurt om iets groots te verbranden. ‘Heel mijn volmaakte avond is naar de vaantjes’, dacht ze.

152 | De Wondere Pluim | 2008 |


Toen ze thuis was, belde Rachel naar Nick. ‘Heb jij de auto van Gabe in brand gestoken?’ ‘Nee, ik was thuis tv aan het kijken.’ ‘Ah oké, daag.’ De volgende dag was Rachel alleen op stap. Toen zag ze Nick en Max richting Ghoststreet gaan. Ze volgde hen. Een tel later liepen Nick en Max heel hard weg. Rachel keek naar het huis. Het stond in brand! Rachel voelde zich niet goed en ging snel naar huis. De volgende dag keek ze naar het journaal. Ze hoorde dat in Ghoststreet een verlaten huis was afgebrand en dat dit het leven van een zwerver had gekost. Rachels maag rommelde, ze moest bijna overgeven. Niet alleen hadden Nick en Max een huis in brand gestoken, ze waren ook moordenaars. Nu moest ze echt met hen praten. Ze belde naar Diane: ‘Diane, nu is het de hoogste tijd dat we met hen moeten praten!’ ‘Oké!’, zei Diane, ‘ik kom je halen.’ Een tijdje later stonden ze voor de deur van Max’ huis. ‘Max, we weten dat jij en Nick twee branden hebben gesticht en dat jullie een zwerver hebben verbrand!’ ‘Wat?’, zeiden Nick en Max, ‘helemaal niet! We kregen een brief van iemand dat we naar Ghoststreet moesten komen, maar toen we aankwamen was er niemand en stond dat huis in de fik!’ ‘Mogen we die brief zien?’ ‘Ja, hier!’ De brief was geschreven met blauwe letters. Diane zei: ‘Andrea heeft een nieuwe computer gekregen met blauw lint! Het kan zijn dat zij... Kom, Rachel, we moeten haar opzoeken. Ze is zeker nog op, want ze slaapt altijd laat.’ ‘Weet je het zeker?’, vroeg Rachel. ‘Ja!’ ‘Nu?’ ‘Ja, het is toch belangrijk!’ | De Wondere Pluim | 2008 |

153


Ze gingen naar Andrea’ s huis. Ze opende de deur. ‘Hey!’, zei ze, ‘kom binnen.’ ‘Andrea, we zijn naar Nick en Max geweest. We dachten dat zij dat huis in Ghoststreet in de fik hadden gestoken. Maar ze zeiden dat ze een brief hadden gekregen en dat ze naar daar moesten komen. Maar er was niemand en het huis stond in brand. Max en Nick hebben niks gedaan, en ik geloof hen. En weet je, die brief was in blauwe letters en jij hebt een blauw lint. Dus we dachten dat jij... ’ ‘Denk je dat ik hen een brief heb geschreven? Wat? Eruit! Uit mijn huis!’ Andrea was heel boos! Later op de avond rinkelde de gsm van Rachel. ‘Euh Rachel, ik ben het, Andrea. Sorry dat ik zo woedend was. Maar het is niet leuk om vals beschuldigd te worden. Ik weet iets en wil je dat vertellen. Het heeft met Gabe te maken. Wil je morgen vroeger komen, alsjeblief?’ ‘Oké, tot morgen!’ Rachel hing op. Ze dacht na: ‘Het heeft met Gabe te maken...’ Dat wou ze niet, want ze was eigenlijk verliefd op hem. ‘Ach, nu ga ik slapen. Morgen moet ik vroeger opstaan.’ Rachel viel in slaap. De volgende ochtend werd Rachel vroeg wakker. Ze vertrok en nam de bus. Op school ging ze naar de gymzaal waar ze hadden afgesproken. Ze zag Andrea nergens. Misschien nam ze haar bij de neus. Toen zag ze Diane op een bankje met een tijdschrift. ‘Wat doe jij hier?’, vroeg Rachel. ‘Andrea had me gebeld om vroeger te komen, ze wou iets vertellen.’ ‘Mij ook, maar ze komt niet opdagen, waar zou ze toch zijn? Ik ga even verder zoeken, misschien is ze in de zaal nog wat aan het oefenen.’ Ze ging kijken. Daar op de grond lag Andrea, haar hoofd bloedde. ‘Aaaaaaah!’ riep Rachel, ‘Diane! Kom!’

154 | De Wondere Pluim | 2008 |


Diane kwam aanlopen. Toen ze Andrea zag, werd ze lijkbleek. ‘Hoe... hoe?’ Ze keek naar het hoge podium. ‘Misschien is ze daar vanaf gevallen? Ik ga de ambulance bellen!’ Rachel dacht: ‘Wat wou Andrea ons vertellen?’ De ambulance nam haar mee. ‘Ze zal toch niet dood zijn?’, vroeg Rachel. ‘Ik denk het niet, alleen heel erg gewond.’ ‘Ja, dat kan.’ ‘Kom je dit weekend bij mij logeren?’ ‘Ja, leuk! Gaan we met de jongens praten?’ ‘Oké!’ Later waren ze allemaal samen. Rachel en Diane vertelden alles wat ze wisten over Andrea. ‘Iedereen kan toch blauwe inkt hebben?’, zei Max. ‘Ja, en wie is er begonnen met de brandwedstrijd?’, vroeg Nick en hij keek naar Gabe. ‘Denk je dat ik het heb gedaan?’, vroeg Gabe uitdagend. ‘Nee, nee het moet Andrea zijn geweest!’, zei Diane. ‘Laten we het nu laten’, zei Max. ‘Oké!’, zeiden ze allemaal en de jongens vertrokken. Rachel vertelde alles van de avond met Gabe en dat ze gekust hadden. ‘Oh,’ zei Diane een beetje verdrietig, ‘oké... Maar nu moet ik gaan inpakken. Tot subiet, hè.’ ‘Ja, ik zal ook maar gaan inpakken, doei!’. Rachel ging inpakken. Toen ze klaar was, vertrok ze naar Dianes huis. Niemand van de ouders zou dat weekend thuis zijn. Dat zou leuk worden! Toen ze het huis van Diane bereikte, deed Diane de deur open: ‘Hey!’, zei ze. | De Wondere Pluim | 2008 |

155


Ze gingen eerst op het terras zitten, en babbelden over van alles. Toen zei Diane: ‘Ik ga douchen, tot subiet!’ ‘Oké!’ Toen ze weg was, rinkelde de telefoon. Rachel nam op: ‘Hallo?’ ‘Ik weet dat jij het was toen ik op het podium oefende. Jij hebt me geduwd omdat ik de waarheid wist!’ ‘Wat?’, zei Rachel. ‘Euh? Ben jij Rachel?’ ‘Ja, Andrea.’ ‘Oh, ik dacht dat je Diane was.’ ‘Ik logeer bij Diane.’ ‘Wat?’, riep Andrea, ‘pas op! Ze is gevaarlijk! Zij heeft die branden gesticht. Zij heeft mij geduwd omdat ze jaloers was op mij. Ze dacht dat ik en Gabe een koppel waren en nu zal ze dat van jou denken. Pas op Rachel!’, zei Andrea in paniek. Ze hing op. ‘Wie was het?’, vroeg Diane plots, ‘ik hoorde iets voor ik ging douchen.’ ‘Het was Andrea.’ ‘Oh, wat zei ze?’ Rachel dacht: ‘Ik kan Diane wel aan, ze is veel kleiner dan ik.’ Dus begon ze te vertellen wat Andrea haar gezegd had. ‘Ja, dat is waar. Ik was als klein meisje verliefd op Gabe. Maar met al mijn brandvlekken kon ik hem niet krijgen. Je dacht zeker dat je iedereen kon krijgen, hè? Als Gabe niet van mij wordt, dan wordt hij ook van niemand anders!’, gilde Diane. ‘Met Andrea heb ik afgerekend. Nu moet jij dood! Verbrand worden!!’ Ze nam de lucifers. ‘Vroeger dacht ik dat vuur mijn vijand was, maar nu weet ik dat vuur mijn allerbeste vriend is. Ik heb die briefjes geschreven, ik heb dat huis in brand gestoken, ik heb de schuld op Andrea gestoken! Ik! Ik! Ik! Nu steek ik alles in de fik en jou ook!’

156 | De Wondere Pluim | 2008 |


Ze stak het huis in brand. De haren van Rachel brandden een beetje en alles werd zwart voor haar ogen. Toen zag ze Gabe, ze lag in de armen van Gabe. Gabes gezicht was zwart geworden. Het hele huis stond in de fik en ze stonden op het terras. ‘Hoe kom jij hier?’, vroeg Rachel. ‘Door Andrea, ze heeft me gebeld. Ze dacht dat je haar niet geloofde!’ ‘Waar is Diane?’, vroeg Rachel. ‘Ze is... ze is... dood! Ze was een pyromaan. Maar gelukkig kon ik jou op tijd redden!’ Gabe glimlachte en kuste haar. Hosseini Nazifa 11 jaar Zwemschool

| De Wondere Pluim | 2008 |

157


De buitenaardse oma’s

In een klein dorpje was er een jongen die Tommy heette. Zijn vader was een uitvinder. Tommy wou heel graag de toekomst zien. Op een dag vond zijn vader een tijdmachine uit. Toen hij helemaal klaar was, riep hij: ‘Zoon, kom eens naar beneden! Je moet mijn allernieuwste uitvinding eens proberen!’. Toen Tommy wist dat het een tijdmachine was, spurtte hij naar beneden en ging snel klaar staan, want hij wou naar de toekomst. Hij vertrok. Boem Boem! Plof! Na een paar minuten stond hij in de toekomst. Daar zag hij zichzelf en zijn vrienden. Tommy vond het daar heel leuk, daarom bleef hij daar wel drie weken. Maar in de tweede week gebeurde er iets raars. De grond begon te beven. Uit de lucht kwam er een ufo naar beneden. Uit de ufo kwamen vijf oma’s. Ze leken als twee druppels water op elkaar. Ze wilden de wereld in hun macht krijgen. Tommy verstopte zich in een hoekje en hoorde alles wat de oma’s zeiden, terwijl ze de mensen oppakten. Tommy moest er wel iets aan doen! Hij sloop in de ufo van de oma’s. Daar vond hij een soort middel dat oma’s kon vernietigen. Hij deed dat in de koffie van de oma’s. Toen de oma’s naar binnen kwamen en hun koffie dronken, verdwenen ze in het niets. Toen werd Tommy wakker en zei: ‘Het was allemaal een droom!’ Isar Arsal 11 jaar Villa Stuivenberg

158 | De Wondere Pluim | 2008 |


Gevangene Ik, gevangene nummer 786, gluur door de cel. Ze zeggen dat ik niet op hen lijk. Maar waarom lijk ik dan wel op hen? Ze zeggen dat het niet mijn land is. Maar waarom voel ik dan wel dat dit mijn land is? Ik, gevangene nummer 786, gluur door de cel. Er is een engel gekomen die Leef heet. Ze wil me helpen. Maar ze weet dat ik niet ĂŠĂŠn van hen ben. Waarom helpt ze me dan? Ik, gevangene nummer 786, gluur door de cel. Soufiane Elhaouari 11 jaar Villa Stuivenberg

| De Wondere Pluim | 2008 |

159


De 10 geboden

Kwart over 7 wijst de wekker. Tom wil niet uit bed. De slaap wil hem niet loslaten. Elke morgen weer dezelfde saaie school met al die saaie leraren. Met heel veel moeite stapt hij uit bed en loopt als een dronken aap naar de badkamer. Een halfuur later staat hij voor de schoolpoort. Hij ziet een groep jongens staan. ‘Toen ik gisteren mijn huiswerk aan het kopiëren was van het internet, heb ik dit gevonden’, begon Jonas. Hij rukte een klein geprint blad uit zijn zak. ‘De 10 geboden’ ‘Mooie titel’, onderbrak Sam hem. ‘Ssst! Vertel verder.’ ‘1. Je zult niet te laat komen, neem gerust de hele dag. 2. Je zult niet fluisteren tijdens de lessen, schreeuwen heeft meer effect. 3. Je zult geen kauwgom kauwen tijdens de lessen, chips kraakt beter. 4. Je zult je werk niet kopiëren van een ander, laat hem het helemaal voor jou schrijven. 5. Je zult niet in de gang lopen, glijden is leuker. 6. Je zult niet met propjes gooien, woordenboeken komen harder aan. 7. Je zult geen balpennen van anderen nemen, neem gerust de hele pennenzak. 8. Je zult niet...’ ‘Waarom stopt het daar?’, vroeg Sam. ‘De inkt was op.’ ‘Ik daag jullie uit: wie de 10 geboden volgt, mag mijn plaats als leider innemen.’ Iedereen keek elkaar aan, maar niemand durfde iets te zeggen. ‘Ik doe het!’ ‘Wat? Ben je gek? Tom, en als je wordt gepakt?’, zei Jonas. ‘Kan me niet schelen. Ik doe het.’

160 | De Wondere Pluim | 2008 |


‘Oké, klein aapje. Je hebt tot de volgende speeltijd om dit te klaren’, zei de leider. ‘Zal gebeuren. Jonas, heb je een zak chips?’ ‘Ja. Je bent gek!’ RRRIIIIINGG ‘Eerst moet je in de gang glijden.’ Tom spurtte de gang in en gleed over de vloer als een aap. In de klas at hij chips en schreeuwde als een eend. Hij gooide woordenboeken naar leerlingen en pikte van anderen hun pennenzak. Hij kreeg straf en liet het overschrijven door één van de meisjes. RRRIIIIINGG Tom had alle opdrachten uitgevoerd en werd leider. Sam ging alles aan de directeur vertellen. Ze kregen allebei 20 uur nablijven. Giovanni Seve Tati 11 jaar Sint-Lutgardis

| De Wondere Pluim | 2008 |

161


De pratende kleren Vannacht hoorde ik rare, maar ook mooie stemmen. Het waren mijn kleren. Ze waren bijna allemaal heren, alleen ĂŠĂŠn vrouwtje was erbij! 9 kinderen, dat had zij. Mijn sokken werden schapen, mijn rokjes waren aan het praten. Mijn broeken deden niet mee. Zij dronken liever een glaasje thee. Wat een rare nacht. Mijn kleren ... hadden macht! Monica Bibliaskvili 11 jaar Tachkemoni

162 | De Wondere Pluim | 2008 |


Dromen

Alreeds de zesde editie van De Wondere Pluim. Met nog meer deelnemende scholen, nog meer verhalen, een nog grotere participatie van de ouders, en nog steeds een enthousiaste ploeg ouders die het geheel trekt. Ook de ploeg professionele schrijvers kijkt ieder jaar opnieuw enthousiast uit naar de lading verhalen die zij in de eindronde te lezen krijgt. Antwerpen Boekenstad, cultuurschepen Philip Heylen, minister Marino Keulen, minister Bert Anciaux en Baobabvoorzitter Robert Voorhamme blijven dit waardevolle literaire initiatief steunen. Aan allen onze welgemeende dank. ‘Wat wil eens mens nog meer?’, hoor ik je denken. Jawel, we dromen en werken verder. Waarom dit initiatief niet verder spreiden als je zoveel gelukkigen ziet? Kinderen, ongeacht hun thuistaal, kunnen allemaal dit platform gebruiken om hun verhaal kwijt te kunnen. Door ouders te betrekken bij wat zich in de fantasie van hun kinderen afspeelt, door hen de verhalen te laten lezen, wordt overal de verwondering en de bewondering gestimuleerd. Het ganse literaire gebeuren voor kinderen kan niet genoeg aanwezig zijn in alle dorpen, gemeentes, steden en uithoeken. Jawel, we willen graag ons enthousiasme uitdragen naar andere steden en gemeentes. Er is slechts één voorwaarde: het vinden van enthousiastelingen (ouders, scholen, beleidsmensen, schrijvers) die mee de kar willen trekken. Neen, we hebben geen grootheidswaanzin, neen, we zijn geen megalomanen. We vermoeden dat door het schrijven het denken over wie en wat we zijn, gestimuleerd wordt. We geloven in de kracht van het formuleren om greep

| De Wondere Pluim | 2008 |

163


te krijgen op onze wereld en ons bestaan. We weten dat uitdrukking geven aan fantasieĂŤn, aan creativiteit en die confronteren met anderen, gemeenschapsvormend is. Dat het stimuleren van creatief schrijven en lezen bij jongeren nooit meer overgaat, is meegenomen. Ja, het is een droom om de 1957 verhalen, de 250 participerende ouders, de 21 deelnemende scholen te laten groeien. Overtuig u in dit boek van de gedachten van kinderen, soms kort en bondig, soms uitgebreid en spannend, soms poĂŤtisch en sterk, soms grappig of net ingehouden. Of beter, lees het voor, zoals de talloze vrijwillige acteurs dit doen tijdens het slotevenement van elke editie. Hoor de kracht van het verhaal. Als u nog geen dromen had, dan bezorgen deze kinderen u die nu. Zomaar, omdat er aandacht en tijd voor was. Zo simpel en zo schoon! Tijl Bossuyt De Veerman

164 | De Wondere Pluim | 2008 |


Inhoud Voorwoord

3

Juryverslag

4

Verhalen van kinderen uit het eerste leerjaar, Nederlands moedertaal Ik zit in lezen De gestolen diamant De sprekende leeuw Het lichaam Ik ben Lotte De zwarte elf Druppel de druppel de drup

Verhalen van kinderen uit het eerste leerjaar, Nederlands tweede taal Vannacht heb ik gelachen Een haai zonder bril Valentijn Ridder Tim en de prinses Vreemde oma’s De draak wil kinderen Er was eens

Verhalen van kinderen uit het tweede leerjaar, Nederlands moedertaal De gulzige gsm Gekke oma’s De tien vissen Het schaap met de wollen sokken De zwarte elf

9 10 12 13 15 16 17

19 20 21 22 23 24 25

27 28 30 31 32

| De Wondere Pluim | 2008 |

165


Verhalen van kinderen uit het tweede leerjaar, Nederlands tweede taal De beer en de sneeuwman De goeie ridder De wolf en de schapen Er was eens een prachtige vlinder Superoma Vreemde oma’s maar wel een heks

Verhalen van kinderen uit het derde leerjaar, Nederlands moedertaal Het omgekeerde land De riooljongens Anna zonder voeten De kabouter die wou groeien De domme banaan Draakje Daan Pret op het spinnenweb

Verhalen van kinderen uit het derde leerjaar, Nederlands tweede taal De magische Wondere Pluim Valentijnsverhaal Dolle koeien Is mijn kat een alien? Het sprookjesland Opa is weg De zwarte elf

166 | De Wondere Pluim | 2008 |

33 35 37 39 40 41

43 46 48 50 53 55 56

57 59 60 61 62 63 64


Verhalen van kinderen uit het vierde leerjaar, Nederlands moedertaal Het toverpenseel De tijdmachine van opa Koek De reis op zee De gulzige gsm Het kelderwezen Weerwolfalarm Het grote sprookjesavontuur De dierenuitstap Verliefd zijn, daar krijg je spijt van!

Verhalen van kinderen uit het vierde leerjaar, Nederlands tweede taal Wat gebeurt er in de nacht? Verkiezingen in het aquarium Vreemde oma’s Vuur Dansen moet De speelgoedwinkel van meneer Gekkebek

Verhalen van kinderen uit het vijfde leerjaar, Nederlands moedertaal Het Langelattenland Verdwaalde Cupido met de foute pijlen Fantasie-discussie De drie vliegen Een simpele droom Zelfmoord

65 67 71 74 75 76 79 83 85

87 88 90 92 96 98

99 103 104 106 107 109

| De Wondere Pluim | 2008 |

167


Verhalen van kinderen uit het vijfde leerjaar, Nederlands tweede taal De monstervlieg Magere Lat De hele erge Ellie en de nare Nellie De speciale pen Rosa doet teveel make-up Een wonderlijk verhaal The sword of Haladrim

Verhalen van kinderen uit het zesde leerjaar, Nederlands moedertaal Het droomkasteel van Yves Leterme Het wondermooie Mormel Spiegelwereld Ik ben Yasmine, het zigeunerkind De ijskoude diamant Dit kan toch niet waar zijn!

Verhalen van kinderen uit het zesde leerjaar, Nederlands tweede taal

De snelle slak Verkiezingen in het aquarium Vuurspel De buitenaardse oma’s Gevangene De 10 geboden Pratende kleren

113 116 118 120 121 123 125

129 132 135 138 141 144

147 149 150 158 159 160 162

Dromen

163

Inhoud

165

Werkten mee aan de Wondere Pluim

169

168 | De Wondere Pluim | 2008 |


WERKTEN MEE AAN DE WONDERE PLUIM 21 scholen

Emma端s (Zuidschool), Gunzburg, Jonghelinckshof (Zuidschool), Klavertjevier, Kolibrie, De kRing, Mariagaarde, Musica, Neerland, Sint-Anna Goethe, Sint-Jozef, Sint-Lutgardis, Spiegel, Tachkemoni, Veltwijck, Villa Stuivenberg, Wereldschool, Zevensprong, Zonnebloem, Zuiderdokken, Zwemschool.

260 lezende ouders 1957 schrijvende kinderen Organisatie

Oudervereniging Wereldschool, in samenwerking met De Veerman vzw

Kerngroep

Naima Falki Thessa Goossens Annemie Morbee Griet Pauwels Annie Poelmans Melek Saylam Bart Snels Tania Witvrouwen Marina Wyckmans

| De Wondere Pluim | 2008 |

169


Vakjury

Mostafa Benkerroum Bernard Dewulf NoĂŤlla Elpers Peter Holvoet-Hanssen Gerrit Janssens Aline Sax Joke van Leeuwen

Logo

Ab De Nijs Bik Ingrid De Decker

Affiche

Patrick Haerens

Trofee

Thessa Goossens

Drukwerk

www.printshop.be

170 | De Wondere Pluim | 2008 |

De Wondere Pluim - boek 2008  

Het boek met de beste verhalen van De Wondere Pluim editie 2008

Advertisement