Page 1


Kort berecht, Vant tvcht-hvys tot onderwijs / vermaninghe ende waerschouwinghe / van alle onbedochte Joncheyt.

Korte les over het tuchthuis tot onderricht, vermaning en waarschuwing van alle onnadenkende jongeren.

Mitsgaders / noch van meest elc Mensch Tucht-huys, het welc gheleghen is in s'Menschen Handel / Neringh / en Arbeyt / daer hem elc van Joncx op in behoort te oeffenen / stichtich / ende kluchtich om Lesen.

En bovendien een les over het tuchthuis van Iedereen, dat te vinden is in het handelen, de nering en arbeid van de mens, waarin iedereen van jongs af aan behoort te oefenen; een les die stichtelijk en vermakelijk is om te lezen.

Noch een Esbatement-Speelken, mede tot onderwysinghe van de Joncheyt. By een ghevoecht en op Dicht ghestelt: Door Ian I. De Vennip, School-meester int H.Geest-huys, Ter Goude.

Met nog een korte klucht, tot onderricht van de jeugd. Samengesteld en op rijm gezet door Jan J. de Vennip, schoolmeester in het Heilige Geesthuis te Gouda.

Proverbia. 1. versus. 10. Myn Sone wanneer u de boose Boeven locken. Soo en volcht haer niet.

Spreuken 1 vers 10: ‘Mijn zoon, wanneer de zondaars u verleiden, volg ze dan niet.’

Buycht Den Riis Groen.

Buig de jonge twijg.

Tot Rotterdam, By Gillis Pietersz. Opt Steygher/ inden Enghel. Anno / 1611.

In Rotterdam, door Gillis Pietersz Opt Steiger in De Engel. Anno 1611.


NIEV

Nieuw

Ghedichte ter eeren, Diet Tucht-huys vvel regeeren.

Gedicht ter ere van hen die het tuchthuis goed besturen.

H ERC’LES machtigh en groot, welcke CACVM boos dwong, E n THESEVS die sloech, MINOTAVRVM den snooden, N och PERSEI kloecheyt, die tZee-monster besprongh, R asch’lijc nemende wech, tRegeur, noodigh verbooden: I c segh’ dees, noch IASON, die Draec en Stieren dooden C Omt zulcken eere niet, als doet de MAGISTRATEN, L oflijcken int ghebien, die d’overdaet wt-rooden, V an Wellust, s’Vleysch bedrijf, en Moetwillighen vraten, C omende tot ’t TVCHT-HVYS, met dwangh de Onverlaten, A entasten door Arbeyt, dees TVCHT-VADERS verheven S ullen werden ghenoemt, voor alle POTENTATEN, Z orghvuldighe Op-sienders, en byde GODEN leven, O p’t hoochste OLIMPI, met all’ die sich begheven, O m te vord’ren haer AMT, en Hanteringhen,,goet N et, als M. IAN VANDE VENNIP, in dees Leeringhen,,doet.

De grote, machtige Hercules die de slechte Cacus bedwong, en Theseus die de boosaardige minotaurus doodde, en de dappere Perseus die het zeemonster besprong, waarmee hij snel de wreedheid wegnam die zeker verhinderd moest worden, ik zeg: noch zij, noch Iason, die de draak en de stieren doodde, verdienen zoveel lof als de magistraten, de prijzenswaardige gezagsdragers die de misdaden uitroeien van wellustelingen, seksverslaafden en kwaadaardige vreetzakken die in het tuchthuis belanden, waar men de boosdoeners onder dwang aanpakt door ze te laten werken. Deze hooggeplaatste tuchtvaders moeten, meer dan alle andere machthebbers, zorgvuldige opzichters worden genoemd en zij moeten naast de goden leven op de top van de Olympus, samen met allen die hun ambt en hun bezigheden goed uitvoeren, net zoals meester Jan van de Vennip met deze lessen doet.

GODS WET,,IS NET.

Gods geboden zijn duidelijk.


SONNET.

Sonnet

LOf Prijs en Eer moet zijn d Edele Magistraet/ Een langh Vredich leven / ende ooc Salich sterven/ Die soecken te Tuchten / alhier in s Werelts erven/ Veel moetwillige boos / voor voorsichtighen raet.

Mogen de edele magistraten geloofd, geprezen en geëerd worden, mogen zij lang en in vrede leven en ook sterven in de Heer, zij die hier in de wereld proberen veel opzettelijke zonden te disciplineren met verstandige raad.

Nu een Tucht-huys ghesticht / voor Mans en Vrouwen quaet/ Die met ghewelt en smaet // hun Ouders vreucht afkerven/ Soo dat dees’ door arbeyt / hier in moghen verwerven/ Een beter Leven goet / tot haerder Zielen baet.

Laten we nu een tuchthuis stichten voor slechte mannen en vrouwen, die door geweld en schande de vreugde van hun ouders verzieken, zodat zij hier door arbeid een beter leven kunnen verkrijgen, tot heil van hun ziel.

Om te ontvlieden van/ zulcken onachtsaem leven/ Wert yder ghewaerschouwt / door den Autheur beschreven/ Met bloeyent Rijm-ghedicht / om den Gheest te vermaken.

Met een fleurig gedicht, om de geest te amuseren, wordt iedereen door de genoemde auteur gewaarschuwd om aan zo’n ongeregeld leven te ontvluchten.

Al vint elck syn Tucht-huys / hier in ghefigureert/ Verachtet niet door nijt / oft beter Componeert/ Maer leest onpartydigh / als t’Bijken zult ghy’t smaken/ En gheven d’Autheur Lof / die zulcx met geneuchten leert.

Al vindt iedereen zijn eigen tuchthuis hierin uitgebeeld, veracht het niet uit jaloezie, of kom met iets beters. Maar lees ’t onbevooroordeeld, als een kieskeurige bij moet u ’t proeven en de auteur prijzen, die dit onderricht met genoegen geeft.

W. Claeszoon Schilder.

W. Claeszoon Schilder

Den Tyt,,Bevlyt.

Besteed uw tijd nuttig.


VOOR-REDEN,

Voorwoord

MEest elcx Tucht-huys vint ghy hier beschreven, En dat zelve op dicht, ofte Rym ghestelt, Ghy Rethrosynen, in Konst hooch verheven En sult niet meynen, dat u veel sonders zal werden vertelt, Van Konst-rijcke reden, maer den sin simpel vermelt. Men sal hier oock niet hooren Craeyen den Franschen Haen, Noch een wt-Heems gebruyc, d’welc den sin seer quelt En voor den simpelen valt swaer om te verstaen Dan met een-voudige reden koom ick u hier ter baen, En heb ons Voor-ouders gebruyc niet willen versaken, Maer ben den ghemeenen Hollantschen ganc ghegaen. Den eenen macht prijsen, den anderen laken, T’is quaet alle Man te pas te maken.

Het tuchthuis van Iedereen vindt u hier beschreven, op maat en op rijm. Jullie rederijkers, zeer vaardig in de dichtkunst, moeten niet denken dat u iets bijzonders zal worden verteld in kunstige taal. Maar de boodschap wordt simpel gebracht. Men zal hier ook geen Franse dichtmaat1 horen of uitheems taalgebruik, dat het begrip van de tekst erg moeilijk maakt en voor de eenvoudigen van geest moeilijk te begrijpen is. Maar met eenvoudige woorden kom ik hier bij u. Ik heb het taalgebruik van onze voorgangers niet prijs willen geven maar ik heb de gewone Hollandse maat2 aangehouden. De een kan het prijzen, de ander laken; ’t is moeilijk het iedereen naar de zin te maken.

1 2

Franse dichtmaat: alexandrijn. Hollandse maat: regels van 10-14 lettergrepen.


Hier beghint het kort Berecht/ vant Tucht-huys.

Hier begint de korte les over het tuchthuis

DOch al eer ic meest elcx Tucht-huys ga verhalen/ D’welc is elcx beroep in Neringhe / Handel en Arbeyt Daer Godt den Mensch me gaet Tuchtigen/ om niet te falen/ In noot-druftighe dinghen / daer den Lichaem veel aen leyt/ Soo dient eerst wel verhaelt met claer bescheyt/ Van de principael Tucht-huysen / ghemaect voor den Vrees’loosen Ghesticht door voorsichtighen raet van ons Overheyt/ Om met een sachtmoedighe straffe te bedwinghen den boosen/ Want die boven de mate na volcht den broosen En haer altijt stellen als onredelijcke Dominateurs/ Straffe is de zulcke beter/ als Ghelt inde Beurs.

Later ga ik het hebben over het tuchthuis van Iedereen, wat iedereen moet doen in nering, handel en arbeid, waarmee God de mens gaat tuchtigen, opdat hij niet te kort komt aan noodzakelijke dingen die het lichaam hard nodig heeft. Maar eerst moet ik het in alle duidelijkheid hebben over de echte tuchthuizen, gemaakt voor de onverschilligen, met een vooruitziende blik gesticht door onze overheid om de slechteriken met een milde straf in toom te houden. Want die volgen bovenmatig de zwakkelingen na en gedragen zich altijd als domme opscheppers. Straf is voor hen beter dan geld op zak.

MEt recht comt haer eere toe / tot allen uren/ Die alsulcke Tuchtinghe soo hebben bedacht/ Als t’ Amsterdam / te Haerlem / en binnen de Goutsche mueren Al reede seer Loffeli[c]k is te weghe ghebracht De Heere wil haer verstercken met een Godlij[c]ke cracht/ Die zulc een werc hebben ghenomen byder hande/ En diet noch moghen nemen / t’zy by da[c]h ofte nacht Om de Rebellije te doen minderen inden Lande Want die luttel acht op eer ofte schande/ En niet bedwinghen en can syn eyghen boos ghemoet/ Tis dan van noode datter een ander doet.

Zij die zo’n tuchtiging hebben bedacht verdienen met recht alle eer voor wat in Amsterdam, in Haarlem en binnen de muren van Gouda al voortreffelijk tot stand is gebracht. De Heer zal hen sterken met goddelijke kracht die zo’n werk ter hand hebben genomen en het – hoop ik – dag en nacht blijven doen. Zij doen dat om het verzet tegen het gezag in het land te doen afnemen. Want als iemand weinig geeft om eer of schande en zijn eigen kwade inborst niet kan bedwingen, dan is het noodzakelijk dat een ander het doet.

AEnghesien datmen selden beteringhe can bemercken/ Aen den misdadighen die ghestraft worden int openbaer/ Door Justitie / soo ’t wel blijckt op veel percken Het zy met Roeden / Teyckens / ofte Bannissementen swaer Maer gaen meest al den zelven ganc voorwaer/ En men bevint dicwils datter sommighe zijn ghecomen/ Van goede Ouders / die dan wel gaern sien eenpaer Dat haer kinderen in Tuchts bewaringh werden ghenomen/ Want die int wilde blijft loopen sonder schromen Komt dicwils tot swaerder straffe / door veel quaet ancleefs/ Want d’Overheyt en draecht het swaert niet te vergheefs.

Men kan zelden beterschap zien bij de misdadigers die in het openbaar gestraft worden door de justitie, zoals op veel plaatsen duidelijk blijkt. Of ze nu gestraft worden met geselingen, verminkingen of langdurige verbanningen, ze gaan allemaal op dezelfde voet voort. Ook ziet men vaak dat sommigen kinderen zijn van goede ouders, die dan ook allemaal graag zien dat hun kinderen aan een streng gezag worden onderworpen. Want wie zonder schaamte losbandig blijft leven krijgt dikwijls een zwaardere straf, doordat hij veel kwaad doet, want de overheid draagt het zwaard niet tevergeefs.


Cort berecht vant Tucht-huys.

Korte les over het tuchthuis

MEn sieter nu hedensdaechs veel op-wassen / Sonder vreese / ofte kenniss van Godts Woort / En ooc sommighe die op haer Ouders weynich passen Noch op haer Overheyt / d’welc soo niet en behoort Maer gaen in alle onghebonden overdaet voort / Tis goet datmen de zelve in zulc een Huys gaet Logeren / Daer haer Kous-klincken met yseren Coorde werden gheboort En daermen haer de vergheten Deucht doet useren En daermen haer den onghewoonen Arbeyt doet hanteren En daermen haer de Spreucke Pauli daghelijcx doet weten / Dat is: die niet en werct die en zal niet eten.

Men ziet er nu velen opgroeien zonder vrees voor en kennis van Gods woord en ook sommigen die zich weinig van hun ouders aantrekken noch van de overheid, wat niet zo hoort. Zij gaan daarentegen door met hun schaamteloze misdaden. ’t Is goed dat men hen in zo’n tuchthuis gaat onderbrengen waar ze ijzeren kettingen aan hun voeten krijgen. Daar laat men ze de deugd beoefenen die ze vergeten zijn en daar laat men ze werken, wat ze niet gewend zijn, en daar herinnert men ze dagelijks aan de uitspraak van Paulus: ‘Wie niet werkt, zal niet eten.’

TOt wercken is gheboren meest elck Mensche/ Want int sWeet des aensichts behoort elck t’eten syn Broot / Het Werc brengt dicwils ghesontheyt me na elckx wensche Het Werc helpt den Noot-druftighen wel wter noot Dus denct / ghy die ghecomen zijt in Tuchts teghenstoot / Ick moet hier doch Wercken / en wesen onderdanich / Tis best dat ick my tot Wercken ga keeren met yver groot En hoore den ghenen die my zulcx zijn vermanich / Want die syn Regenten valt wederspannich / Wert met slaghen wel verdreven de luye Gicht: Maer ghewillicheyt / maect den Arbeyt licht.

Ieder mens is geboren om te werken. want in het zweet zijns aanschijns moet iedereen zijn brood eten. Arbeid brengt dikwijls gezondheid mee, zoals iedereen wil, arbeid kan de armen uit de nood helpen. Bedenk dus, u die met de Tucht in botsing bent gekomen: ‘Ik moet hier toch werken en onderdanig zijn, het is het beste dat ik ijverig aan het werk ga en luister naar degenen die mij hiertoe aansporen.’ Want wie zijn regenten ongehoorzaam is, bij hem wordt de lamlendige luiheid met harde slagen verdreven. Gewilligheid maakt het werk makkelijk.

GOdt de Heere wil u syn gratie gheven / Die daer gecomen zijt / dat ghy tot u Werc meucht zijn gesint / Het zy dan Raspen / Saghen / Beucken oft Weven Of al t’ghene datmen voor u te doene bevint Soo zult ghy van u Regenten worden bemint / En men zal u in alle nootdruft te beter gherijven / Als hem elck tot ghehoorsame Deucht stelt / als een goet Kint En hem naerstich begeeft tot Leeringh van Lesen en Schrijven En princepael tot Godts Woordt /om t’inwendich quaet te verdrijven Dat men door Pridicatie u daer voor houdende // is Wel hem die goet doet / en op den Heer betrouwende // is

De Heere God moge u genade geven, opdat u, die in het tuchthuis gekomen bent, werkwillig bent, of het raspen is of zagen, stampen of weven, alles wat men voor u te doen heeft. Dan zullen uw regenten tevreden over u zijn en zal men des te meer in al uw behoeften voorzien, als iedereen zich gehoorzaam betoont, als een braaf kind, en ijverig lezen en schrijven leert. En om het kwaad uit uw hart te verdrijven moet u zich vooral richten op Gods woord dat men u daar in preken voorhoudt. Het zal hem goed gaan die goed doet en op de Heer vertrouwt.


Cort berecht

Korte les

ICk rade u oock ghy Vrouwen van lichter natie/ Die gheleeft hebt in alle ongherechticheyt blent/ En daer door ghecomen zijt tot zulc een statie Dat ghy gheprofessijt wert in des Spin-huys Convent Dat ghy u nu tot een ander leven went/ Dan te voren / maer dat ghy u gaet bereyen/ Tot gehoorsaemheyt / want ghy daer zult moeten blijven ontrent/ Als binnen-Susteren / binnen de Contreyen/ Dus begheeft u tot wercken / het zy Spinnen oft Breyen/ En dat met een goetwillich ghemoet / sonder veynsen/ De Oeffeninghe des Wercx neemt wech de quade ghepeynsen.

Gij vrouwen, leden van het gilde der lichtekooien, die in dwaze verdorvenheid hebt geleefd en daardoor in zo’n toestand verzeild bent geraakt dat u bent ingetreden in het spinhuisklooster – ik raad u aan dat u nu anders gaat leven dan vroeger. Leg u toe op gehoorzaamheid, want daarvan zult u volkomen doordrongen moeten blijven in deze omgeving, als kloosterzusters. Dus ga aan het werk, spinnen of breien, en doe dat van harte, zonder te veinzen. Werken verdrijft verkeerde gedachten.

HY is Wijs die alle oorsaken is myende/ Die daer zijn streckende tot schand’ en ondeucht/ En datmen teghen syn boose Affecten is stryende Want verwonnen hebbende / wertmen wederom verheucht En dat eerst pijne was / door de wulpsche jeucht/ Wert na blyschap / waer door oock staet te verwerven/ Hier tijtelicke gonst / Vrede / en vermakelicke Vreucht/ En hier namaels t’eeuwich Leven te be-erven/ Die nu door Tuchts dwanck / syn qua begeerte moet derven Dencke dat hy tot de deucht ghedreven wert door nootsaken/ Alst soo comt moetmen van de noot een deucht maken.

Diegene is wijs die alles vermijdt wat leiden kan tot schande en zonde. Diegene is wijs die strijdt tegen zijn kwade neigingen, want wie deze overwonnen heeft, wordt weer verheugd. Wat eerst verdriet gaf, door jeugdige wellust, wordt daarna blijdschap. Daardoor kan men hier in dit aardse leven genade, vrede en aangename vreugde verwerven, en in het hiernamaals het eeuwige leven. Degene die nu, gedwongen door de tucht, zijn slechte begeerten moet prijsgeven, moet bedenken dat de dwang hem tot het goede drijft. Als het niet anders is, moet men van de nood een deugd maken.

GHy Jonghe Luyden van wulpschen Gheeste/ Het zy knapen oft Maechden/ soo wie ghy zijt/ Die noch niet ghecomen en zijt in zulcken Forreeste En t’redelick vernuft noch niet gheheel en zijt quijt Bedenct u wel / neemt waer den onweder-halicken tijt/ Dat ghy niet en comt tot zulcken spot en schanden/ Want dat soude u strecken / tot een eeuwich verwijt Waer door ghy al u Vrienden ooc maect tot Vyanden/ Schuwet Dronckenschap / werct naerstich metter Handen Want de traghe comt in bedwanc / dus Spieghelt u in desen/ T’is beter een Spieghel te sien / dan een Spieghel te wesen.

Gij jonge mensen, dartel van geest, jongens of meisjes, wie jullie ook bent, die nog niet in zo’n wildernis bent beland en je gezond verstand nog niet helemaal kwijt bent, wees verstandig. Besteed je tijd goed, want die komt niet meer terug. Zo worden jullie niet het voorwerp van verachting en schande, want dat zou je eeuwig verweten worden, waardoor jullie al je vrienden tot vijanden maakt. Vermijd dronkenschap, werk ijverig met je handen, want de luilak komt in de problemen. Spiegel je dus hieraan. ’t Is beter een spiegel te zien dan een spiegel3 te zijn.

3

Spiegel: toonbeeld.


vant Tucht-huys.

over het tuchthuis

DIe hem van Joncx begheeft tot de vreese des Heeren/ En syn heylighe Gheboden wel neemt waer/ En met ghehoorsaemheyt Vader en Moeder gaet eeren Oft ander die over hun ghestelt zijn eenpaer Die zullen gheseghent zijn van Godt voorwaer/ Met een lanc leven / en behoet zijn voor s’vyants verdrucken/ Maer wie hem moetwillich stelt teghen syn Ouders eerbaer Met Straet-schenden / Schabbulderij/ oft ander qua stucken Het en zal hem hier tijtelick niet wel ghelucken/ En namaels zal ter Hellen synen ganc // zyn En daer moeten eeuwich onder Plutonus bedwanc // zijn.

Wie van jongs af aan de Heer vreest en zich aan zijn geboden houdt en gehoorzaam zijn vader en moeder eert of anderen die over hem gesteld zijn, die zal voorwaar door God gezegend worden met een lang leven en beschermd worden tegen de verdrukking van de duivel. Maar wie zich moedwillig tegen zijn eerzame ouders verzet met straatterreur, kwajongensstreken en ander wangedrag, die zal hier op aarde niet slagen en in het hiernamaals zal hij naar de hel gaan. Daar zal hij voor eeuwig in de macht van Pluto4 zijn.

DUs wacht u ghy onbedachte Jonghelinghen/ Dat ghy u Ouders en doet gheen ghewelt/ Met Vloecken oft dreyghen / yet af te dwinghen Of Kassen / en Cantoiren / op te breken om Ghelt Want die zulcx doen / werden met den boosdoenders ghetelt/ En sullen met haer moeten loon ontfanghen/ Exempel aen Absalon / die hem heeft ghestelt Teghen syn Vader / met groot verstranghen Maer hoet hem int eynde al is verganghen/ Dat wijst de Schrift wt /dus dit toch ghelooft/ Die syn Ouders ghewelt doet / ongeluc hangt hem over t’hooft.

Dus zorg ervoor, gij dwaze jongeren, dat jullie je ouders geen geweld aandoet door hen met verwensingen of dreigementen iets af te dwingen of geldkisten open te breken. Want zij die dat doen, worden tot de booswichten gerekend en zullen evenals zij hun verdiende loon krijgen. Spiegel u aan Absalom, die zich boosaardig tegen zijn vader heeft verzet. Hoe het hem ten slotte is vergaan laat de Bijbel zien. Dus geloof dit maar: wie zijn ouders geweld aandoet, hem hangt ongeluk boven het hoofd.

OP u Ouders vermaninghe Wilt altijt achten/ Wiens Leeringhe streckt over de Joncheyt int generael/ Dat zy haer voor quaet gheselschap moeten wachten Als voor t’alder-wtsterste verderf principael Al zijn sy schoon van Ooghen / en mindelijc van Tael/ Let op haer doen / en waer toe het mach strecken/ Haer soeticheyt verandert wel haest in Regael Dus en laet u in haer gheselschap niet trecken Die met t’Peck om gaet / crijcht wel leelicke vlecken/ En t’wert by elck een ghemerct / vermaent en ghetekent/ Want vaermen by verkeert / wertmen by gherekent.

Luister altijd naar de vermaningen van je ouders, hun lessen gelden voor alle jongeren. Zij moeten op hun hoede zijn voor slechte vrienden, als waren die het allerergste kwaad. Al ogen zij betrouwbaar en spreken zij beminnelijk, let op hun daden en waartoe die kunnen leiden: hun zoetigheden veranderen al snel in rattengif. Laat je dus niet inlijven in hun vriendenkring Wie met pek omgaat, krijgt heel smerige vlekken, ’t wordt door iedereen gezien, besproken en tegen je gebruikt. Want waar men mee omgaat, daar wordt men toe gerekend.

4

Pluto: Satan.


Cort berecht vant Tucht-huys.

Korte les over het tuchthuis

ICk bid u ghy Licht-sinnighe / let op dit Artijckel/ Dat ic u hier noch ben schrijvende voor’t lest/ En stelt u willens in gheen perijckel Maer schout het ongheluc ghelijck de Pest Aenvaert de Deucht / t’wert u gheraen voor’t best/ Soo salmen u alomme eeren en beminnen Maer soo wie hem verwermt int verderflick Nest Van quade ghewoonte / met verkeerde sinnen/ Die sal hem lichtelick bedroghen vinnen Want die quaet is / en hem metten quaden ver-eent/ T’quaet overvalt hem wel eer dat hy’t meent.

Ik vraag jullie dringend, lichtzinnigen, let op deze tekst, die ik nu nog één keer voor jullie opschrijf en breng jezelf niet opzettelijk in gevaar maar mijd het ongeluk als de pest. Doe het goede, ik raad het jullie aan voor je bestwil, dan zal men jullie overal eren en liefhebben. Maar wie zich warmt in een verderfelijk nest van slechte gewoontes, met verkeerde bedoelingen, zal algauw bedrogen uitkomen. Want wie slecht is en met slechte mensen omgaat, het kwaad overvalt hem voordat hij er erg in heeft.

Hier me voorwaer,,Ioncheyt te gaer Den Heer bevolen, En wilt hier naer,,met Ooghen claer Niet willens dolen.

Wees hiermee, alle jongeren, Gode bevolen. Kies hierna, met open ogen, niet willens en wetens het verkeerde pad.

Tot groot en cleen,,Hier int ghemeen Gae ick my keeren, Want elck een,,Moet hem bereen Syn Tucht te leeren.

Tot jong en oud, zonder uitzondering, ga ik mij richten, want iedereen moet zich gereedmaken om zijn plicht5 te leren kennen.

5

Gods discipline?


SONNET.

Sonnet

LAet elc in hem selven, nu toch eens gaen versinnen, Of hy in gheen Tucht-huys, ooc begrepen en staet, Want meest elc moet wercken, ymmers vroech ende laet Om voor Wijf en Kinderen, den cost kloec te winnen,

Laat iedereen zich nu toch eens afvragen of ook hij niet in een Tuchthuis wordt opgesloten6. Want iedereen moet immers altijd werken om voor vrouw en kinderen ijverig de kost te verdienen.

Soo de een, aen d’een kant, die de Eere beminnen En d’ander aen d’ander kant, door de Schande quaet, Moeten blyven in Huys, elc op syn Werck vant Straet Daerom zyn zy ooc mede, in haer Tucht-huys binnen

Zowel de een, aan de ene kant, die de Eer hoog in het vaandel heeft, als de ander, aan de andere kant, aan wie de Schande kleeft, moet in huis blijven, niet op straat, beiden aan het werk. Daarom bevinden ook zij zich in hun Tuchthuis.

Al schijnen zy te hebben, haren vryen loop, Zy zyn al ghebonden, aent Werck den meesten hoop Want het een goet Gebodt is, vanden Heer Almachtich

Al lijken zij te kunnen gaan en staan waar ze willen, ze zitten allemaal vast, ze zijn allemaal aan het werk. Want het is een duidelijk7 gebod van de almachtige God:

Wilt u tot Werck schicken, met Lijf en Leden,,fyn En wilt altijt vierich inden Ghebeden,,zijn Soo zal Godt u zeghenen, in u Werck warachtich.

‘Zet u aan het werk, met alle kracht die u bezit en wees altijd vurig in uw gebeden.’ Dan zal God u zegenen, omdat u trouw bent in uw werk.

Iacob I. De Vennip.

Jacob J. de Vennip

6 7

Of: gestraft. Of: wijs.


Cort berecht

Korte les

DAt meest elc Mensche heeft syn eyghen Tucht-huys/ Daer af zal ic nu een weynich Schrijven/ Maer ick denck dat dit sommich zullen achten voor abuys Seggende by haer zelven / wel half met kijven Wie wil ons nu in een Tucht-huys drijven/ Wy die oyt niet anders ghesocht hebben dan Eer en deucht En ons altijt naerstich hebben gaen verstijven In den Arbeyt / van den tijt aen van ons jonghe Jeucht/ Maer soo ghy die mening hier na recht verstaen meucht Sult mercken dat dit tot niemants Schandael oft begrijp // is Maer menich Mensch valt t’Oordeel wel wt den Mont eert rijp // is.

Ik zal nu iets schrijven over dat ieder mens zijn eigen Tuchthuis heeft. Maar ik denk dat sommigen dit niet zullen geloven omdat ze een beetje boos bij zichzelf zeggen: ‘Wie zal ons nu haar een Tuchthuis sturen? Wij hebben nooit iets anders gewild dan eer en deugd en ons altijd ijverig toegelegd op de arbeid, van jongs af aan.’ Maar als u mijn bedoeling hierna goed kunt begrijpen, zult u zien dat ik dit niet zeg om iemand te schande te maken of aan te vallen. Maar veel mensen hebben hun oordeel al klaar voordat het doordacht is.

DAt elc heeft syn beroep / is ons ymmer wel bekent/ En elc is syn yghen Huys voor te staen schuldich/ En elc dient syn Nering / oft Handel te wesen ontrent Sal hy wat vorderen / moet daer in Volharden gheduldich Al is den Handel des Menschen seer menich-vuldich/ Elc weet het syne / wat hem is opgheleyt/ En elc moet hem buyghen / onder Godts Handt ghehuldich En syn Ordonnantie daer in volghen / met bescheyt/ Aldus seg’ ick / is elc syn eyghen Tucht-huys bereyt Daer hy hem onleech in moet houden / wat wilment versussen/ Want een ledich Mensch is een Duyvels Oor-cussen.

Dat iedereen zijn roeping heeft, weten wij immers wel en iedereen moet opkomen voor zijn eigen huisgezin en iedereen moet zich vooral bezighouden met zijn inkomsten. Wil hij vooruitkomen, dan moet hij daarin geduldig volharden. Al houden de mensen zich met van alles bezig, iedereen weet welke taak hem is opgelegd en iedereen moet zich trouw schikken naar Gods macht en zijn voorschriften daarin verstandig volgen. Zo, zeg ik, staat voor iedereen zijn eigen Tuchthuis klaar waarin hij zich bezig moet houden – waarom zou je het ontkennen? Want ledigheid is des duivels oorkussen.

OF yemant hier op nu sou willen segghen/ Wy moghen ymmers gaen onsen vryen ganc/ Hoe canmen ons eenighen Tucht op-legghen Wy en staen doch onder gheen Tucht-meesters bedwanc Wanneer ons door onghereet Werc / het Hooft wert Kranc/ Moghen wy gaen Spanceren / na ons behaghen/ Oft yewaers gaen zitten opte Bier-banc Verdrincken wy ons Ghelt / wie mach over ons claghen/ Wy doen onsen wil/ en behoevent niemant te vraghen Die ons benijt / en cant beletten noch wreken/ Wy zijn vry / en die vry is / heeft vry spreken.

Als iemand hier nu tegenin zou willen brengen: ‘Wij kunnen toch onze eigen gang gaan? Hoe kan men ons dan tucht opleggen? Wij staan toch niet onder het gezag van een tuchtmeester? Als wij hoofdpijn krijgen van werk dat niet af is, dan kunnen wij ervandoor gaan zoals we willen of ergens in de kroeg gaan zitten. Als wij ons geld verdrinken, wie kan ons dat verwijten? Wij doen wat we willen en hoeven ’t aan niemand te vragen. Wie het ons kwalijk neemt, kan het niet beletten of straffen. Wij zijn vrij en wie vrij is, kan vrijuit spreken.


vant Tucht-huys.

over het tuchthuis

DIe in zulc verstant zijn / moet ic antwoort gheven/ Als elc redelijc Mensch op syn saken wil nemen acht/ Sal hy perfect bevinden / hier in dit leven Dat hy onder een streng ghebiet is ghebracht Van zeeckere twee Tucht-meesters / hebbende macht/ Over de ghemeen Ambachts-luy veelderhande/ Houdende haer in bedwang by Dach ende Nacht Wildy haer namen weten / het is Eere en Schande/ Dese onder-druckender veel hier te Lande Die als Tuchtelinghen haer vrye loop wel ontberen // moeten/ En daer toe veel Wercken en sober-teren // moeten.

Wie er zo over denken, moet ik van repliek dienen: Als ieder verstandig mens op zijn zaken wil passen, moet hij hier in dit leven voor lief nemen dat hij gesteld is onder een streng regiem van twee tuchtmeesters die macht hebben over de ambachtslieden van allerlei pluimage en hen dag en nacht in toom houden. Wilt u hun namen weten? Eer en Schande. Zij houden hier veel mensen eronder die als tuchtelingen8 niet kunnen gaan waar zij willen en bovendien hard moeten werken en sober leven.

WAnt al den ghenen die de Eere hebben lief/ Die en moeten de Eere (als Tucht-meester) niet beswijcken/ En de Eere sal haer beloven te doen goet gherief Segghende / wilt ghy in als volghen mijn Practijcken Ic sal maken dat ghy een Man met Eeren zult ghelijcken/ Veel Ghelt en goet sult ghy vercrijghen / tot u deel / Ghy sult verkeren en ommegaen metten Rijcken En zult gheacht en ghe-eert zijn als een Joncker Eel Maer ghy moet sober zijn / en wercken veel/ En u Tucht-huys waer-nemen tot allen uren/ Want dit wil besoeten / moet eerst besueren.

Want allen die de Eer hoogachten, moeten de Eer, als tuchtmeester, niet in de steek laten. Dan zal de Eer het hun naar de zin maken en zeggen: Als u in alles mijn voorschriften volgt, zal ik ervoor zorgen dat u als een man van eer zult zijn en dat u veel geld en goederen in uw bezit zult krijgen. U zult omgaan met rijke mensen en u zult geacht worden als een edele jonker. Maar u moet matig zijn en hard werken en altijd beseffen dat u in een Tuchthuis bent. Want wie het zoete wil, moet eerst het zure doorstaan.

DAn zijnder sommich andere alsoo ghesint/ Dat se op de Eere soo veel niet en passen/ Slaende de Tuchtinghe al inde Wint Soecken niet dan loopen en Jaghen / Suypen en Brassen De zulcke comt Schande / als Tucht-meester wel verrassen/ Haer dringhende d’Armoede soo swaer opt Lijf/ Datse int lest / nau en weten het Vercken te wassen Door dien datse ten achteren comen door zulc bedrijf/ Dese verbaest zijnde van haer Tucht-meesters ghekijf (Te weten Schande) die haer comt slaen met ghebrecx Roede/ Datse haer Tucht-huys wel moeten waer-nemen van Armoede.

Maar sommige anderen zijn zo gestemd dat ze om Eer weinig geven. Zij slaan alle vermaningen in de wind en willen niets anders dan hoerenlopen, zuipen en brassen. Hun valt tuchtmeester Schande rauw op hun dak. Die brengt hen tot zo’n bittere armoede dat ze ten slotte nauwelijks weten hoe uit de zorgen te komen doordat ze door hun gedrag in de schulden raken. Zij zijn zo ontsteld door de woede van hun tuchtmeester (Schande namelijk) die hen slaat met de gesel van de armoede, dat ze van ellende hun Tuchthuis wel accepteren moeten.

8

Mensen die in een tuchthuis leven.


Cort berecht

Korte les

ALdus comtet dat meest elc ghemeen Ambachts Man/ Oft al die eenich Nering oft Handel is doende/ Syn eyghen Tucht-huys heeft waer te nemen dan Sommich door Eere/ die haer met beloften is voende Sommich ander door Schande / die haer met dwanc is spoende/ Tot den Arbeyt / maer elc denc dattet Godt alsoo begeert/ Want het is Godts Ordonnantie / zijt dit bevroende Dat d’een Mensch hem met Arbeyt onder d’ander gheneert Elc met syn Handel / die hy heeft gheleert/ Moet den Naesten dienen / en dat om syn loon/ Als d’een Handt d’ander wast / zijn sy beyde schoon.

Zo komt het dat iedere gewone ambachtsman of iedereen die een bedrijf uitoefent zijn eigen Tuchthuis moet accepteren. Sommigen doen dat om de Eer, die hun mooie beloften doet, anderen uit angst voor Schande, die hen met dwang aan het werk zet. Maar laat iedereen bedenken dat God het zo wil. Want denk erom dat het Gods bevel is dat de ene mens zich in zijn arbeid om de ander bekommert. Iedereen moet met zijn werk dat hij heeft geleerd in dienst staan van zijn naaste, en wel voor zijn beloning. Als de ene hand de andere wast, zijn ze allebei schoon.

OM nu mijn meninghe te Schrijven voort/ Aen wien zal ic best eerst gaen beginnen/ Aen die / die een van t’noodichste Hant-werc doen / zoo’t behoort Dat zijn die mette Schiet-spoel haer Broodt winnen Dus ghy Lijwaet Werckers / bestelt ons goet Linnen/ Ghy Tijckt / en Tafelaken Werckers / weest dapper en cloeck/ De Wijfs zullen u int Werc houwen met Haspelen en Spinnen/ De Kinderen zullen Spoelen / dus vreest het versoec/ Van u Tucht-Meesters / zy mochten comen kijcken om den Hoec Of Luysteren of de Ghetouwen al Clippede clap // gaen/ Krijcht de Meester een Knecht / soo mach hy twee Vlieghen met een Lap // slaen.

Maar goed, nu verder met wat ik wilde schrijven. Met wie kan ik het beste beginnen? Met hen die een van de noodzakelijkste handwerken naar behoren doen, dat zijn zij die met de schietspoel9 hun brood verdienen. Dus, linnenwerkers, lever ons goed linnen, hoes-10 en tafellakenwerkers, zet uw beste beentje voor. De vrouwen zullen u aan het werk houden met haspelen en spinnen, de kinderen moeten garen opwinden. Pas dus op voor het bezoek van uw tuchtmeesters: ze zouden wel eens om het hoekje kunnen komen kijken of luisteren of de weefgetouwen wel klipperdeklap gaan. Als de meester een knecht krijgt, kan hij twee vliegen in één klap slaan.

WIlt dees Tucht-Meesters doch vreesen alghelijck/ Ghy Werckers / van Saeyen en Fusteynen/ Ghy die Trec-werc maect / vol Const en Practijc Dopkens / Smallekens / Sakelet ofte Grof-greynen Tamast-Werckers / en wilt u metten Hoyer-kens niet vercleynen Maer blijft in u Tucht-huys / vroech ende laet/ V Werc zal te bet vorderen na myn meynen/ Kammers / Kaersters / siet hoet met u saecken al staet/ Wilt ghy veel loopen Lanter-fanten byde straet Het zal u schaen / dus blijft ghestaech aen u Werc ghestilt/ Want een staghe Jagher die vangt het Wilt.

Heb allemaal ontzag voor deze tuchtmeesters, wol- en textielwerkers, gij die trekwerk verricht11 met veel kunde en ervaring, met dopjes12, smalle weefsels, grove wol en namaakzijde. Werkers met damast, verlaag u niet tot het peil van de seizoenarbeiders maar blijf altijd in uw Tuchthuis, dan zal uw werk volgens mij des te beter gaan. Wolkammers en wolkaardsters, let op uw zaken. Als u vaak langs de straat loopt te lanterfanten zal het u schade doen. Blijf dus steeds rustig aan het werk, want een volhardende jager vangt het wild.

9

Kan ook pars pro toto zijn voor ‘het weefgetouw’. Tijk: overtrek van kussens e.d., en de grove stof daarvoor. 11 WNT XVII[2], 2629. 12 Dop: een soort van fustein, waarschijnlijk met noppen bezet (WNT III 10

[2-3]

, 3138.


vant Tucht-huys.

over het tuchthuis

GHy Wolle-wevers / u Handt-werck seer noodich is/ Om ons al t’samen met Cleeding te gherijven/ Stiert om Vrijne u Vrouwen en Dochters fris Soo meuchdy te beter in u Tucht-huys aent Werck blijven Voort alle Werckers / die de Schiet-psoel gins en weder drijven/ Werct suyver / al die u Werc ghestelt wert inde Proef/ Ooc al die daer aen reen / t zy Mannen ende Wijven En wilt met uwen Handel niet blijven int vertoef/ Want u Werc is seer noodich / tot des Menschen behoef Dus Arbeyt voor ons allen / soo blijvdy onghelaeckt/ Want daer en is niemant voor hem zelven ghemaeckt.

Wolwevers, uw handwerk is van groot belang om ons allen van kleding te voorzien. Zorg ervoor uw gezonde vrouwen en dochters in goede conditie te houden, dan kunt u des te beter in uw Tuchthuis aan het werk blijven. Vervolgens alle arbeiders die de schietspoel heen en weer sturen, werk grondig, gij allen waarvan het werk op de proef gesteld wordt. En allen, mannen en vrouwen, die de schering afwerken13, wees niet laks met uw werk want het is zeer noodzakelijk, in het belang van de mensen. Werk dus voor ons allen, dan wordt u niet berispt, want niemand is alleen voor zichzelf gemaakt.

GHy Kleer-maeckers / wilt oock op u Tucht-huys letten wel/ Dat ghy daer niet veel wt en loopt / ghy mochtet verkerven/ Legt het werck wat nau over / en maeckt goet stel Weest seker in u Sne / en wilt ons stof niet bederven Soo zuldy eere voor u Tucht-meester verwerven/ Hebdy Bruygoms te gherijven / soo moeten wy beyen/ Oft rou kleeren te maken / door yemants versterven Soo behoeft ghy wel Dach / Nacht en Sondaechs te Neyen Steeckt dan vry steken van Delft te Leyen Soo doende hout u Tucht-huys in eeren altoos van binnen/ Want men en dient niet te slapen alsser Ghelt is te winnen.

Gij kleermakers, let ook goed op uw Tuchthuis. Loop niet te vaak de deur uit, u zou de boel kunnen bederven. Bereid uw werk goed voor en voer het nauwkeurig uit.14 Wees trefzeker in het snijden, bederf onze stof niet, dan zult u geëerd worden door uw Tuchtmeester. Als u bruidegoms als klant hebt, dan moeten wij wachten. Of als u rouwkleren moet maken, omdat er iemand gestorven is, dan moet u zeker dag en nacht en ’s zondags door naaien. Naai er dan stevig op los,15 zo houdt u uw Tuchthuis binnenshuis altijd in ere, want men moet niet slapen als er geld te verdienen is.

DE Schoen-makers en moeten oock vergheten niet/ Haer Tucht-huys waer te nemen / by Nachten en Daghen/ Maer voor al rade ick dat hem elck wel versiet Van een goet Schep-mes / fraey int behaghen Dat het Leer niet op en eet by Vlaghen/ V Tucht-meesters souden dat wel mercken te met/ Het welc ghy int eynde u sout beclaghen En ghy Schoe-makers knechts / ooc wel op u dinghen let/ En maect voor ons Werck / fraey en onbesmet Spoet u / en wilt van loof noch van moe spreken/ Maer ghestadich het Vercken door de Koe steken.

Ook de schoenmakers moeten niet vergeten dag en nacht op hun Tuchthuis te letten. Maar vooral adviseer ik dat iedereen zich wel voorziet van een goed scherp mes16, dat uitstekend voldoet en niet van tijd tot tijd het leer beschadigt. Uw Tuchtmeesters zouden dat meteen opmerken en daar zou u uiteindelijk spijt van hebben. En gij, schoenmakersknechten, let ook goed op uw dingen en lever ons mooi en onberispelijk werk. Werk snel, klaag niet over vermoeidheid maar steek voortdurend het varken door de koe/uw gereedschap door het leer17.

13

Reeden: ‘In het bijz. van de schering van een weefsel: met pap bestrijken om ze te versterken […]; de laatste hand aan iets leggen; afwerken, opmaken.’ WNT XII [3], 1011 en 1013. 14 Prothusteron. 15 WNT III [2-3], 2390: Van Delft tot Leiden krijgen = ‘een flink pal rammel krijgen’. Ook buiten deze zegswijze komt Van Delft tot Leiden voor, bet. misschien ‘van hier tot gunter, van heb ik jou daar’. 16 ‘Schepmes’ is in de woordenboeken niet te vinden. Mogelijk is ‘Schep-mes’ een zetfout voor ‘Scherp-mes’. 17 Als dit een spreekwoord is, komt het nergens in de bronnen voor. Misschien is ‘Vercken’ schoenmakers-gereedschap en is met ‘Koe’ rundleer bedoeld.


Cort berecht

Korte les

WAt valter te Schrijven vande Tapisiers/ Al zijnder sommighe / die int aenschouwen/ Des Maendaechs gaern Drincken een Kanne Biers Nochtans gaense cloeck haer Handen ontfouwen Om haer Tucht-huys altijt in eeren te houwen/ Met een lichtvaerdighe Handel / sonder weder-stoot/ De Kinderen machmen de Boorden betrouwen De Ouden kennen oock wat Schilderen ter noot/ Sy weten zelfs haer Rekening te maken / cleyn en groot Datmen haer niet en behoeft te segghen breet bescheyt/ Want den verstandighen is haest ghenoech gheseyt.

Wat valt er te schrijven over de tapijtwevers? Al zijn er sommigen die, als de maandag18 aanbreekt, graag een kan bier drinken, toch steken ze flink de handen uit de mouwen om hun Tuchthuis altijd in ere te houden met een opgewekte manier van doen, zonder tegenspoed. De kinderen kan men de randen toevertrouwen, de ouderen kunnen, als het nodig is, ook een voorstelling maken. Zelfs kunnen ze in alle opzichten verantwoording afleggen19, wat men hun geen twee keer hoeft te zeggen, want een goed verstaander heeft aan een half woord genoeg.

GHy Schrijn-werckers / en Stoof-makers minst ende meest/ Elck blijf in syn Tucht-huys wat wt de Sonne/ Ooc ghy Laken-bereyders / fraey en levent van gheest V Handel is swaer / soo ic bemercken konne Ten waer u niet quaet dat elc wat meerder wonne Neemt u Tucht-huys oock waer / ghy Wiel-makers aen elcken cant En ghy Cuypers Springt luchtich om de Tonne Al Trommelende met den Dissel in de Hant/ Ghy voorsichtighe Berbiers / hebt zelfs wel t’verstant V Tucht-huys waer te nemen na u wenschen/ Scherende / en Curerende / veel ghebreckelicke Menschen.

Gij meubelmakers en mensen die voetstoven maken20, blijf allemaal in uw Tuchthuis een beetje binnen. Lakenmakers, kwiek en levendig van geest, uw taak is zwaar, zoals ik zie. Het zou voor u niet slecht zijn als iedereen wat meer verdiende. Wielmakers, let ook voortdurend op uw Tuchthuis en gij tonnenmakers, dans vrolijk om uw ton, al kloppend met de dissel in de hand. Wijze chirurgijns, wees wel zo verstandig om zo goed als u kunt op uw Tuchthuis te letten, wanneer u veel mensen met gebreken scheert en geneest.

NV sal ic ooc wat verhalen vande Smits/ En Messe-makers / die daer zijn seer vele/ Het Kanneken moet haer altoos ontrent zijn / overmits Dat zy de Vonck soo heet hebben inde Kele Doch in u Tucht-huys te Drincken en is gheen schele/ Als ghy t’zelve wel waer neemt tot alder stont/ Want van s Morghens dat ghy den Hamer vat byde Stele Dient ghy daer in te volharden tot den duysteren Avont/ En al weecht den Hamer wel seven / acht / oft neghen Pont Moet daer me staen Weuyven tot datmen wel besweet // is/ En Smeen het Yser dewijl dattet heet // is.

Nu zal ik ook wat vertellen over de smeden en de messenmakers, waarvan er velen zijn. Zij moeten altijd een kannetje binnen handbereik hebben, omdat zij de hete vlam in hun keel voelen. Maar drinken in uw Tuchthuis dat doet er niet toe als u maar altijd op het Tuchthuis let, want vanaf het moment dat u ’s morgens de hamer bij de steel grijpt moet u die blijven vasthouden tot het ’s avonds donker wordt. Al weegt de hamer zeven, acht of negen pond, u moet ermee staan zwaaien totdat u flink bezweet bent en u moet het ijzer smeden als het heet is.

18

Maandag: dag waarop men niet werkt. Vele betekenissen mogelijk: berekenen, een rekening sluiten, rekening houden, een voorschot geven, boekhouden, afrekenen, een rekening vereffenen, winst maken. 20 ‘Kachelsmeden’ kan ook maar is niet zo waarschijnlijk, omdat de smeden pas in de volgende strofe aan de beurt komen. 19


vant Tucht-huys.

over het tuchthuis

SToel-draeyers / Bloc-makers / Wagen-makers / en so voort/ Nasteling-makers / Spelde-makers / en Koper-slaghers/ Elc zy syn Tucht-meester ghehoorsaem / soo’t behoort Schippers / Schuyte-voerders / en Sack-draghers Waghenaers / Kruyers / en Schoor-steen-vaghers/ Met meer ander / die hier niet en werden ghenoemt/ Is u beroep waer te nemen / en weest gheen vertraghers Elc denc het moet soo wesen / wat batet verbloemt/ Of dat hem yemant veel van syn vryheyt beroemt Tis hier soo / maer elc op een beter met hopen // leeft/ En schic hem na den roep daer hem Godt in gheroepen // heeft.

Stoelenmakers, katrollenmakers, wagenmakers enzovoort, vetermakers, speldenmakers, koperslagers, allen moeten hun Tuchtmeesters gehoorzamen, zoals het hoort. Schippers, schuitvoerders en zakkendragers, koetsiers, kruiers en schoorsteenvegers, en nog meer anderen die hier niet worden genoemd, als u uw beroep moet uitoefenen, wees dan geen lanterfanters. Laat iedereen denken: het moet zo zijn, waarom zou je het ontkennen? Als iemand erg prat gaat op zijn vrijheid, het zij zo.21 Maar iedereen moet leven in de hoop op beter en moet zich voegen naar de taak waartoe God hem geroepen heeft.

SCheep-makers / Timmerluy / ende Metselaers/ En kanmen gheen seker Tucht-huys bestellen/ Want zy wercken selden t’huys / of byde Kaers Nochtans machmense wel me voor Tuchtelinghen tellen Want haer Tucht-meesters gaense met veel wercx quellen/ Maer ghy Herberchs-luy / u Tucht-huys open staet/ Om daer waer te nemen veel Tuchts Rebellen En zijt ghy een Quanselaer / ghy vint dan wel uwe maet/ Of zijt ghy een Vrou man / ghy vintse oock dier gaern af praet Sijt ghy een Speelder / ghy vintse ooc diet t’spel gaern aentasten Want soo die Waert is / verleent hem Godt Gasten.

Voor scheepmakers, timmerlieden en metselaars kan men geen vast Tuchthuis inrichten, want zij werken zelden thuis of bij de kaars. Toch kan men ze als tuchtelingen beschouwen, want hun Tuchtmeesters vallen hen lastig met veel werk. Maar gij herbergiers, uw ‘Tuchthuis’ staat open om daar veel mensen te laten zien die tegen de tucht rebelleren. En als u een geldverspiller bent, dan vindt u zeker uw gelijke(n), of als u een vrouwenjager22 bent, dan vindt u ook mensen die er graag over praten. Als u een gokker bent, dan vindt u ook mensen die graag naar het spel grijpen, want God geeft de waard de gasten die hij waard is..

GHy School-meesters / inde Konst van Schrijven seer propijs Om verscheyden handen der natien te vertoonen/ Vive La Plume / is met recht u Avijs/ Die ooc de Konst Aritmetica / niet om verschoonen De Joncheyt zijn leerende / Korreckt sonder hoonen/ Met groote Hooft-sweer / Moeyte / en Arbeyt/ Neemt de Schoole (u Tucht-huys) waer / en laet u wel loonen d’Eere u Tucht-meester ghebiet u zulcx met klaer bescheyt/ Want u goede Fame mocht anders werden verbreyt Datmen souden segghen / tot uwer hinderen/ De Meester heeft soo gaern Oorlof als de Kinderen.

Gij schoolmeesters, zeer bedreven in de schrijfkunst, om verschillende handen aan het volk te laten zien, ‘Vive la plume’ is met recht uw devies, gij die ook de onovertroffen rekenkunst aan de jeugd correct onderwijst, ongelogen. Zorg goed voor uw school, uw Tuchthuis, met veel nadenken, moeite en arbeid, en laat u op de juiste wijze belonen. De eer, uw Tuchtmeester, gebiedt u dit in klare taal. Want uw reputatie zou op een andere manier verbreid kunnen worden, namelijk dat men zou zeggen, tot uw schande: ‘De meester heeft net zo lief vrijaf als de kinderen.’

21 22

Betekenis onzeker. ‘Pantoffelheld’ komt hier minder in aanmerking.


Cort berecht

Korte les

GHy Blaes-schrijvers / opgheklommen int hoochste Loot/ Der Konsten / ghy fraeye Gout-smeen en Plaet-snijders Ghy Steen-houwers / en vermaerde Schilders ooc Dien Faam soect te verbreyden hoe langher hoe wijders Omdat ghy in u Tucht-huys sout zijn bedijders/ V Tucht-meester d’Eere / aenhangt ghy om u profijt/ En weest den simpelen van u Handel gheen benijders Ghedenckt datse me leven moeten / hier haren tijt/ En ghy die gheen Naem en kent verwerven hier int krijt Gater licht me deur / soo meuchdy wat bedrijven door de Weeck/ En strijckt vry twaelf Apostelen met eene streeck.

Gij glasgraveurs, opgeklommen tot de hoogste tak van de kunst, gij voortreffelijke goudsmeden en etsers, gij beeldhouwers en beroemde schilders die uw goede naam steeds verder probeert te verbreiden, opdat het u in uw Tuchthuis goed zal gaan, u hecht aan uw eer, uw Tuchtmeester, tot uw voordeel. Wees de zwakkeren in uw beroep niet vijandig gezind; bedenk dat ze hier ook in leven moeten blijven. En gij die hier in de wereld geen grote naam kunt verwerven, til er niet al te zwaar aan, dan kunt u op werkdagen iets tot stand brengen en twaalf apostelen in één streek neerzetten.23

DE Cramers en moest ick vergheten niet/ Want daer valt mede een weynich af te schrijven/ Sy moeten ooc weten / wat haer Tucht-meester ghebiet Dat is: dat zy wat deun in haer Tucht-huys moeten blijven Om d’een en d’ander / die daar komt te gherijven/ En elc een met ghediensticheyt voor te komen ras/ Of de Luyden gaen lichtelick op een ander drijven Alsmen haer niet vriendelick en Lacht te pas/ Dus elc doe schoon voor / en open syn Cramerijs Kas En neme syn Nering waer / eer hy bederve/ (Want soomen seyt) Nering en is gheen Erve.

Ook de kooplieden zou ik niet moeten vergeten, want ook daar is wel iets over te schrijven. Ook zij moeten weten wat hun Tuchtmeester voorschrijft, namelijk: dat zij heel dicht bij hun Tuchthuis moeten blijven om iedereen die bij hen komt van dienst te zijn en iedereen met voorkomendheid snel te helpen. Zo niet, dan gaan de mensen makkelijk naar een ander toe als men hen niet vriendelijk toelacht. Laat iedereen dus welwillend zijn kist24 opendoen en zijn handel uitstallen voor hij bederft, want (zoals men zegt) handel is geen erfgoed.

DOch wy moeten al te samen weten dit/ Dat in ons wil oft cracht weynich is gheleghen/ Maer hy is voorsichtich / die den Heere daerom bidt Dat hy Schande / yverich mach staen teghen En is yemant dan tot de Eere gheneghen/ Die machse verkrijghen door hulpe van Godt/ Want wy en vermoghen niet sonder des Heeren zeghen Maer moeten nochtans ons best doen/ want t’is Godts gebodt/ En Paulus heeft ooc syn Ghemeent bevolen tot Den Thessalonicenssen daer hy doet weten/ Dat elc moet wercken / op dat hy syn eyghen Broot mach eten.

Maar wij moeten allemaal beseffen dat weinig tot stand komt door wat wij willen of kunnen. Maar hij is verstandig die God vraagt of hij de schande uit alle macht wil voorkomen. En als iemand de eer in ere houdt, dan kan hij die met Gods hulp verkrijgen. Want wij kunnen niets zonder de zegen des Heren maar toch moeten wij ons best doen, want dat is Gods gebod, en Paulus heeft ’t ook aan zijn gemeente bevolen in zijn brief aan de Thessalonicenzen, waarin hij te kennen geeft dat iedereen moet werken, opdat hij zijn eigen brood kan eten.25

23

Betekenis onduidelijk. ‘Kraam’ is te overwegen. Marskramers gingen met een kist bij de klanten langs, maar kooplieden konden ook in een kraampje op de markt staan. 25 2 Thessalonicenzen 3 vs 12. 24


vant Tucht-huys.

over het tuchthuis

WY moeten noch weten dat het niet en is ghenoech/ Dat wy sorghen alleen voor ons eyghen leven/ Maer wy behooren te Arbeyden laet ende vroech Op dat wy den Armen wat souden hebben te gheven/ Soo wy op veel plaetsen vinden beschreven/ En dat wy Schatten vergaren int Hemelsche pleyn/ Dat raet ons den Oppersten ghever / Christus verheven Want daer en sullen de Dieven niet na graven certeyn/ Noch niet moghen verteren den Roest noch Motten onreyn Dus laet ons Caretaet aen Christus Leden betoghen/ Op dat wy’t inden Hemel weder vinden moghen.

Ook moeten wij beseffen dat het niet genoeg is dat wij alleen voor ons eigen leven zorgen. Maar wij moeten de hele dag werken opdat wij de armen wat zouden kunnen geven – zoals wij op veel plaatsen geschreven vinden – en dat wij schatten verzamelen in het hemelrijk. Dat raadt de hoogste gever, de goddelijke Christus, ons aan, want daar zullen de dieven zeker niet naar graven en de onreine mot en roest zullen ze niet bederven.26 Laten wij dus aan de lidmaten van Christus liefdadigheid bewijzen, opdat wij de schatten in de hemel kunnen terugvinden.

HY is wel gheluckich die niet en betrout/ Op d’onsekere Rijckdom / int minst noch int meeste/ Want wie syn hope stelt op Silver en Gout En aenhangt Giericheyt / het onversadelick Beeste Die heeft een quaed’ Tucht-meester / hier in sWerelts Forreeste/ Die hem meest in Armoe hout / en niet toe en laet/ Dat hy hem Warm Cleet / teghen Swinters Tempeeste Of dat hy hem met goey Spijs en Dranck versaet/ Maer hout hem in een sober en magheren staet Dus ghy voorsichtighe / wacht u voor zulck // ghequel/ Want de giericheyt bedriecht de Wijsheyt // wel.

Degene die volstrekt niet vertrouwt op de onzekere rijkdom, is heel gelukkig. Want wie zijn hoop vestigt op goud en zilver en de begeerte koestert, dat onverzadigbare beest, die heeft hier in de wildernis van de wereld een slechte Tuchtmeester die hem diep in de armoede houdt en niet toestaat dat hij zich warm kleedt tegen de kwellingen van de winter of dat hij zich met goed eten en drinken verzadigt, maar die hem in een armoedige toestand houdt. Dus als u verstandig bent, hoed u dan voor zo’n kwelling want de begeerte misleidt de wijsheid zeer.

DIt is voor de Joncheyt nu aldus vergaert/ Op dat zy t’goet moghen aenvaerden / en t’quaet af-kerven/ Het streckt ooc tot stichting / voor die out zijn ghejaert Dat wy al t’samen hier in sWerelts Erven Moghen eerlick leven / ende zalich sterven/ En soo daer onder duyst / een let op dit simpel vermaen/ Die daer door comt deuchts Vruchten te be-erven Soo en heb ick mijn moeyten niet al voor niet ghedaen/ Dus wilt dit kleyntgen van my in danck ontfaen Ick beveelt voort die kloecker dan ick int onderwijs // zijn/ Doch elck maeck dattet alles mach tot des Heeren prijs // zijn.

Dit heb ik nu zo voor de jongeren samengebracht opdat zij het goede zullen aanvaarden en het kwade verwerpen/laten varen. Het wil ook leerzaam zijn voor degenen die bejaard zijn, opdat wij allen hier in de wereld eervol zullen leven en zalig sterven. En als er onder duizend mensen één acht slaat op deze simpele vermaning, die daardoor de vruchten van de deugd plukt, dan heb ik mijn moeite niet helemaal voor niets gedaan. Neem dus deze kleinigheid van mij dankbaar aan. Ik beveel het ook aan in de gunst van hen die beter onderwijzen dan ik. Maar laat iedereen ervoor zorgen dat het de Heer tot eer strekt.

FINIS.

EINDE.

BVYCHT DEN RIIS GROEN.

BUIG DE JONGE TWIJG.

26

Mattheus 6 vs 19-20.


SONNET.

SONNET.

EEn Visseher merckende, op den aert en Natuer, Van Visch, Ael, ofte Palinck, die hy soeckt te vanghen, Stelt daer na syn doen, en ghereetschap met verlanghen. Den Henghelaer ghebruyct, door synder Consten cuer Een Me-ghevent Sim, aen een swack Roedeken puer. En weet dan syn Aes, pas na de diepte te hanghen, Treckt de Visch tot hem, al sachtkens sonder verdranghen Maer den wt-windende Palinck, glat ende stuer, Wert somtijts wel ghevanghen, met felder bedrijve, Dat hem d’vangher slaet, met den Elgher in den Lyve Daer hy hem soeckt te berghen, inden vuylen gront Alsoo moet de Ioncheyt, elc na syn Aert gesocht,,zyn En op verscheyden manieren, tot Deucht gebrocht,,zyn D’een met straffe, d’ander met een smeeckenden mont.

Een visser die oog heeft voor de aard van de vis, aal of paling die hij probeert te vangen, past zijn handelwijze en zijn vistuig daaraan ijverig aan. De hengelaar gebruikt, door zijn treffend vakmanschap, een meebewegend snoer aan een heel buigzame hengel(stok) en hij weet dat zijn aas, dat op de juiste diepte moet hangen, de vis naar hem toe lokt, heel zachtjes, zonder hem in het nauw te brengen. Maar de zich loskronkelende, gladde en sterke paling wordt soms meedogenloos gevangen, omdat de visser hem met de aalgeer in zijn lijf steekt, terwijl hij zich probeert te verstoppen in de modderige bodem. Zo moeten ook de jongeren, ieder naar zijn aard, benaderd worden en op verschillende manieren tot de deugd worden gebracht: de een met strenge, de ander met vleiende woorden.

BVYCHT DEN RIIS GROEN.

BUIG DE JONGE TWIJG.


AL syt ghy O VENNIP, in BATAVIA een EYLANT,,kleen, Nochtans uwe vrucht schoon, door dit Loflick Pant,,scheen Met HORATIVM net, stemmende en zyn Advys,,goet Het is ghelijcke-veel, als de Mensche krijght deuchts verstant,,reen Ofmen hem Rijpelick, oft Boertelick bewys,,doet Dit is d’instructie, van desen Consten en propijs,,soet Want dat ghy Deucht bemint, dit Werck seer koen,,tuyghet, Door dien ghy Constich prijst, datmen den RIIS GROEN,,BVYCHET.

Al bent u, o Vennip, een klein eiland in de Nederlanden, toch schitterde uw mooie werk door uw prijzenswaardige inspanning, overeenstemmend met de voortreffelijke Horatius en zijn wijze raad. Het is om het even, als de mens een zuiver begrip van de deugd krijgt, of men hem met ernstige of met grappige argumenten overtuigt. Zo moet het onderricht zijn in deze vaardigheid en zeer aangename toestand. Want dat u de deugd bemint, laat dit zeer moedige werk duidelijk zien, waarmee u fraai en overtuigend aanbeveelt dat men de jonge twijg moet buigen.

L.P. GODT LEEFT,, DIE’T AL GHEEFT,,

L.P.27 GOD LEEFT DIE ALLES GEEFT

27

?


TAFEL-SPEL,

Tafelspel,

Van vier Personagien

Voor vier personen

Te vveten.

Te weten

Goet Onder-wys een statich Man, Onbedochte Ioncheyt een fraey Ionghelinck, Onbedwonghen Lust, een Cierlicke Vrouwe, Straffe Godts een Enghel.

Goed Onderwijs, een statige man, Onbezonnen Jeugd, een knappe jongeman, Onbedwongen Lust, een sierlijke vrouw, Straf van God, een engel.

Onbedochte Ioncheyt.

Onbezonnen Jeugd.

HEy nu ist recht den tijt om Triumpheren/ Princepael voor jonghe Luyden / als ic en mijns ghelijcke/ Mijn hert is ghenegen om vreucht te hanteren Hey nu ist recht den tijt om Triumpheren/ Met goet gheselschap die haer connen generen/ Onder Venus Camenieren / met geestige Practijcke/ Hey nu ist recht / etc. Princepael voor jonghe Luyden als ic en mijns ghelijcke.

Hey, nu is het echt de tijd van triomferen, Vooral voor jongelui zoals ik en mijn gelijken; Mijn hart is bereid om vreugde te hanteren. Hey, nu is het echt de tijd van triomferen, Met goed gezelschap dat hen kan vermaken Onder Venus’ kamermeisjes met geestige praktijken; Hey, nu is het echt de tijd van triomferen, Vooral voor jongelui zoals ik en mijn gelijken.

Goet Onderwys.

Goed Onderwijs.

Maer Onbedochte Joncheyt / wat ghy doet en slaet doch geen swijcke/ Mijn Leeringhe daer ic u in heb onder-wesen/ Op dat ghy deuchdelick meucht wandelen onder Arm en Rijcke/

Maar Onbezonnen Jeugd, waar je mee bezig bent doet toch tekort Aan mijn onderwijs, waarin ik u heb onderwezen Opdat gij deugdelijk mag wandelen onder armen en rijken


In Vromicheyt / en Eerbaerheyt / reyn wtghelesen.

In vroomheid, en eerbaarheid zorgvuldig uitgelezen.

Onbedochte Ioncheyt.

Onbezonnen Jeugd.

Wat goet Onder-wijs / dat sal wel wesen/ Syt slechts gherust in desen // t’zal seecker wel tieren.

Wat nu Goed Onderwijs, dat zal wel wezen; Zijt slechts gerust in dezen; het zal zeker goed gedijen.

Goet Onderwys.

Goed Onderwijs.

O Onbedochte Joncheyt quaet om bestieren/ Lichtvaerdich van manieren // zijt ghy int aenschouwen/ Maer wilt doch mijn vermaning in u ghedachten houwen Soo zult ghy in trouwen // van veel onghelucx zijn bevrijt/ En voor al soo wacht u / met naerstighe vlijt Dat ghy tot gheender tijt // u en laet verleyen/ Van onbedwongen Lust / die hier veel verkeert in dees Contreyen Maer wilt u scheyen // van hare aen-lockende suptijlen raet/ Want zy is bedriechlick / en vals inder daet Die t’meeste quaet // ter Werelt is bedrijvende/ Onder den Onbedochten / soo die Gheleerden zijn schrijvende Die zy is verstijvende // in Boosheyt overvloedich/ Ghelijck Absalon / die ginc Rebelleren stout-moedich Teghen syn Vader goedich // ten dient niet versust Soo dat hy door Raet van onbedwonghen Lust On-eerlick heeft ghecust // syns Vaders Concubijne/ En ooc Amon / die met gheveynsden schijne Hem tot dien Termyne // met t’Amer syn Suster ginc versellen/ En noch veel meer ander / nu te lanc om vertellen Die als Rebellen // mijn Vermaninghe hebben verplet/ En hebben door onbedwonghen Lust haer teghen die reden geset Waer door daer veel int Net // van Castijding zijn gecomen swaerlick/ Want wie haer ghehoor gheeft / dien volcht eenpaerlick Straffinghe vervaerlick / t’zy in Dorpen oft Steden/ Dus siet wel voor u / en volcht mijn Reden Met naerstecheden / dat ghy u niet en ontgaet // strack/ Nu adieu Onbedochte Joncheyt.

O Onbezonnen Jeugd, moeilijk om te besturen; Lichtvaardig van manieren zijt gij in het aanschouwen; Maar wil toch mijn vermaning in uw gedachten houden Zo zult gij, als u trouw bent, van veel ongeluk zijn bevrijd En vooral, let op uzelf met naarstige vlijt Dat gij op geen enkel moment u laat verleiden Door Onbedwongen Lust, die hier veel verkeert in deze contreien Maar wilt u scheiden van haar aanlokkelijke subtiele raad Want zij is bedrieglijk en vals inderdaad Die het meeste kwaad ter wereld bedrijft Onder den onbezonnen mensen; dat is wat de geleerde schrijft; Zij staaft hen in boosheid overvloedig; Zoals Absalom, die ging rebelleren stoutmoedig Tegen zijn goede vader, dat moet niet vergoelijkt worden Zodat hij door de raad van Onbedwongen Lust Oneerlijk heeft gekust, zijn vaders concubine; En ook Amnon, die met geveinsde schijn Tot aan dat tijdstip, met Tamar, zijn zuster ging vergezellen; En nog veel anderen, het duurt nu te lang om dat te vertellen Die als rebellen mijn vermaning hebben verplet En die door Onbedwonghen Lust zich tegen die redeneringen hebben verzet Waardoor er veel in het net van Kastijding zijn gekomen met problemen Want wie haar gehoor geeft, die krijgt zonder mankeren Bestraffing vervaarlijk; hetzij in dorpen of in steden; Dus kijk wel uit en volg mijn rede Met naarstigheid, opdat gij u niet te buiten gaat, straks; Nu adieu Onbezonnen Jeugd.

Onbedochte Ioncheyt.

Onbezonnen Jeugd.

Adieu Meester Raet-sack/ Mijn dunckt dat ghy met u praet // strack // my schier verdooft/ Wat heyt die Man oock al Muyse-nesten int Hooft Die hem ghelooft // in allen syn saken/

Adieu Meester Raadzak Me dunkt dat u in uzelf praat, en straks mij bijna verdooft; Wat heeft die man toch een muizennesten in z‘n hoofd Wie hem gelooft in al zijn zaken


Tafel-spel Die sou seker wel inde Dut-camer gheraken Dus wil ic gaen staecken // al syn Sermoene/ En soecken gheselschap van mijnen doene Die met herten koene // Marotteken durven Wieghen/ Want men siet gheen Vlen by bonte Craeyen Vlieghen Dus wil ic sonder Lieghen // gaen soecken mijn Partner.

Die zou zeker wel in de slaapkamer raken Dus wil ik gaan staken al zijn sermoenen En zoeken gezelschap van mijn soort Die met moedig hart Marotteken durven wiegen Want men ziet geen uilen met bonte kraaien vliegen Dus wil ik zonder liegen, gaan zoeken mijn partner.

Hier gaet hy over en weder-over,

Hier loopt hij heen en weer,

Bey Hola / wie vind’ ic hier nu staende tot deser uer Het dunct my puer // een Vroucken fraey int bestieren/ Ic moet se aenspreken / en met manieren Seer goedertieren // haer groetende wesen/ Goeden avont Schoon-kint.

Hey hola, wie vind ik hier nu staande op dit uur Het dunkt me puur een mooi vrouwtje dat ik kan versieren Ik moet haar aanspreken en met manieren Heel goedertieren haar groeten: Goedenavond mooi kind.

Onbedwonghen Lust.

Onbedwongen Lust.

Goeden avont Jonghelinc ghepresen/ Segt my van desen // wat soect ghy hier dus met naersticheden

Goedenavond prijzenswaardige jongeling; Zeg me eens: Wat zoekt u hier zo ijverig.

Onbedochte Ioncheyt.

Onbezonnen Jeugd.

Ic soec Avontuer.

Ik zoek avontuur.

Onbedwonghen Lust.

Onbedwongen Lust.

Soo doe ic mede/ Alhier ter stede // sou goet Avontuer ons wel dienen rechtevoort/ Dus gaen wy t’samen / wy sullen wel houden accoort en blijven onghestoort // O Jonghelinc ydoone.

Dan doe ik mee Hier in de stad zou een goed avontuur ons wel helpen; Dus gaan wij samen, wij zullen het samen wel kunnen vinden en blijven ongestoord, o geschikte jongeling.

Onbedochte Ioncheyt.

Onbezonnen Jeugd

Ja tis my een lust / te aenschouwen u Persoone Want ghy spant de Croone // boven al bequame/ Maer segt my / met Oorlof / Joncvrou eersame Hoe is uwen Name // ic sout gaerne weten.

Ja het is mij een lust te aanschouwen uw persoon Want gij spant de kroon boven alle voorname Maar zegt mij, met verlof, eerzame jonkvrouw Hoe is uw naam, ik zou het gaarne weten.

Onbedwonghen Lust.

Onbedwongen Lust.


van vier Personagien. Onbedwonghen Lust ben ic gheheten/ Boven alle Planeten // staet mijn Sterre verheven.

Onbedwongen Lust heet ik, Boven alle planeten is mijn ster verheven.

Onbedochte Ioncheyt.

Onbezonnen Jeugd.

Onbedwonghen Lust / die en moest ick gheen ghehoor gheven Noch haer aenkleven // dat heeft my goet Onderwijs vertelt.

Onbedwongen Lust, die zou ik geen gehoor moeten geven Noch met haar aanpappen, dat heeft Goed Onderwijs mij vertelt.

Onbedwonghen Lust.

Onbedwongen Lust.

Ho / ho / zijt ghy met de Fantasyen van goet Onderwijs gequelt Soo weest ghy om Ghelt // op Maffers Ghetou // siet/ Loop / loop Jan Sabbulaer / ghy en dient my nu // niet Ghy zijt doch al met Meynaert Neuswijs sop overgoten.

Ho, ho, ben je door de fantasieën van Goed Onderwijs gekweld Weef dan om geld op Massers getouw; ziet, Loop, loop Jan Sabbulaer, gij dient mij nu niet; Gij zijt toch helemaal met Meynaert Neuswijs’ sop overgoten.

Onbedochte Ioncheyt.

Onbezonnen Jeugd.

Wel schoon Vrouwe / sout ghy my soo ten eersten verstoten Ic ben nochtans van u ghenoten // soo ghy’t wilt aenschouwen/ Want mijn hert is door-straelt met u Liefde in trouwen O Fleur der Vrouwen // wilt dat vry ghedencken.

Wel schone vrouw, zou gij mij zo ineens verstoten Ik ben nochtans van u gecharmeerd, als gij het wilt beschouwen, Want mijn hart is doorstraalt door trouwe liefde voor u O fleur der vrouwen, wil dat wel bedenken.

Onbedwonghen Lust.

Onbedwongen Lust.

Wel / ist dat ghy my u Liefde wilt schencken Ic en zal u niet krencken // maer Jonstich by blyven/ En zijt ghy ghequelt / met goet Onderwijs / oft syn Motyven Ic weet u di Beuseling te verdryven // in corten tijt/ Met een Kanne Wijns / zal ic u die Fantasyen wel maken quijt Om te maken jolijt // moet ic u eens schencken op dit termijn/ Ic brengt u eens Jongelinc.

Wel, is het dat gij mij uw liefde wilt schenken Dan zal ik u niet krenken, maar u goed gezind blijven En zijt gij gekweld door Goed Onderwijs, of zijn motieven Dan weet ik die beuzeling te verdrijven in korte tijd; Met een kan wijn zal ik u wel eens van die fantasieën afhelpen Om pret te kunnen maken zal ik u nu nog eens inschenken Ik breng het u meteen jongeling.

Onbedochte Ioncheyt.

Onbezonnen Jeugd.

Ic wacht het van herten fijn Maer hoe heet dese Wijn // segt my dat metter spoet.

Ik verwacht het van harte fijn Maar hoe heet deze wijn, zeg mij dat met spoed.

Onbedwonghen Lust.

Onbedwongen Lust.


Tafel-spel, Syn Naem is / Vergetelheyt van alle goet/ Hy zal u hert en ghemoet // veranderen seere/ Soo dat ghy goet Onderwijs / en syne leere Haest zult vergheten / gheheel fijnalick // siet.

Zijn naam is Vergetelheid van alle goeds Hij zal u hart en gemoed veranderen zeer Zodat gij Goed Onderwijs en zijn leer Snel zult vergeten, geheel en al, kijk maar.

Onbedochte Ioncheyt drinckt eens.

Onbezonnen Jeugd drinkt eens.

Wel dien dranck / en smaect seker soo qualick // niet/ Om soo een Glaesken en fael ic // niet / om wt te drincken.

Wel die drank smaakt zeker zo slecht niet; Zo’n glaasje kan ik makkelijk uitdrinken.

Onbedwonghen Lust.

Onbedwongen Lust.

Hout op u Glas / ic sal u daer weder wt een ander schincken/ Naer mijn bedincken // zal u dien noch al beter ghereyen/ Want ic weet wel / hy zal u boven maren t’hert verfreyen/ Dat ghy noch zult singen en kreyen / van vreuchden vroech en laet.

Houdt op uw glas, ik zal u daar weer uit een ander schenken; Naar mijn bedenken zal u die nog beter bevallen Want ik weet wel: hij zal u boven verwachting het hart verfraaien, Zodat gij nog eens zo hard zult zingen en kraaien, van vreugde vroeg en laat.

Onbedochte Ioncheyt.

Onbezonnen Jeugd.

Hoe heet desen Wijn doch.

Hoe heet deze wijn toch.

Onbedwonghen Lust.

Onbedwongen Lust.

Verblydinghe int quaet/ Hy is heel Delicaet // voor jonghe Ghesellen/ Syn cracht en Virtuyt / is niet om vertellen Hy zal u hert verstellen // gheheel sonder loeven/ Want daer haer ander redelicke Menschen / in bedroeven Daer zult ghy wt proeven // alle solaes en vreucht/ In Dobbelen / Tuysschen / Vloecken / Evelen / en in alle ondeucht Sult ghy hebben gheneucht // en zult van als Meester en Heer // syn Ja dat een ander dunc te zijn Schande / zal u duncken eer // syn En zult min noch meer // zijn als een verkeert Mensch in bedrijven In droncken Drincken / Hoereren / in Vechten / en Kyven/ Daer zult ghy in verstijven // buyten en binnen/ Somma / dat ander goe Menschen haten / met hert en sinnen Dat zult ghy beminnen // boven maten/ Dus dat Glaesken wt te drincken / en wilt niet laten/ Dat u wt Caritaten // van my is gheschoncken.

Genoegen in het kwaad; Hij is heel delicaat voor jonge gezellen, Zijn kracht en kwaliteit is niet te vertellen, Hij zal uw hart verstellen geheel zonder loeven Want waar andere redelijke mensen van haar bedroeven Daar zult gij uit proeven alle soelaas en vreugd; In dobbelen, tuisen, vloeken, evelen en in alle ondeugd Zult gij hebben geneugte en zult ervan als meester en heer zijn Ja, wat een ander dunkt te zijn schande, zal u dunken eer te zijn En zult min of meer zijn als een verkeerd mens in het bedrijven In dronken drinken, hoereren, in vechten en kijven; Daar zult gij in volharden, van buiten en van binnen; Somma: wat andere goede mensen haten met hart en zinnen Dat zult gij beminnen boven mate Dus dat glaasje uit te drinken, wil het niet laten Dat u uit liefdadigheid door mij is geschonken.


van vier Personagien. Onbedochte Ioncheyt.

Onbezonnen Jeugd.

Wel ic en zal daer niet lang mede staen proncken Maer t’zal haest zijn ghedroncken // nu op dit pas/ Ic brengt u weder Lief.

Wel, ik zal daar niet lang mee staan te pronken Maar het zal haastig zijn gedronken nu op dit moment; Ik breng het u terug, lief.

Onbedwonghen Lust.

Onbedwongen Lust.

Ic wachtet seer ras Laet my comen t’Glas // eert gaet verloren // me.

Ik verwacht het heel snel Laat mij komen het glas, eer het verloren gaat.

Hier drinckt hy eens.

Hier drinkt hij nog eens.

Hoe bevoelt ghy u ?

Hoe voelt gij u?

Onbedochte Ioncheyt.

Onbezonnen Jeugd.

Al anders / als ic te voren // de Sonder verstoren // me / moet ic u beminnen voor alle saken/ Ghy weet noch / waer ghy jonghe ghesellen me sult vermaken Dus doet ghy my blaken // in u Liefde onverdooft/ Bey Hola / mijn dunct / dien dranc loopt my gheheel int Hooft Dus word’ick berooft // van mijn redelick verstant/ Dan ten schaet niet / mijn hert is vol vreuchden aen elcken kant Door der Minnen brant // dien ic heb tot u ghekreghen/ Tot Danssen en Springhen is mijn hert gheneghen Als Venus Kinderen pleghen // met Spel en Sanc Hey een Deuntgen moet ic aenheven / tot Lof en danc Vanden goeden dranc // dien ghy my hebt geschoncken soet.

Al anders dan ik me te voren voelde; Zonder verstoren moet ik u ook beminnen voor al het ander; Gij weet toch waar gij jonge gezellen mee moet vermaken; Zo doet gij mij blaken in uw liefde onverdoofd Hey hola, me dunkt die drank loopt mij geheel naar het hoofd Dus word ik beroofd van mijn redelijk verstand Dan schaadt het mij niet, mijn hart is vol vreugde aan elke kant Door der minnen brand die ik voor u heb gekregen; Tot dansen en springen is mijn hart genegen Zoals Venus’ kinderen plegen te doen met spel en zang Hey, een deuntje moet ik aanheffen, tot lof en dank Van de goede drank die gij mij hebt geschonken zoet.

Sanck, Op de wyse: Welhelmus van Nassouwen.

Zang, op de wijs van: Wilhelmus van Nassouwe.

EEn Liedeken wil ic singen / Met eenen blijden moet/ Want niemant en can my bringhen // In eenich teghenspoet Wie sou my moghen deren / Ic hou mijn hert in rust/ In Vreuchden en Bancketteren / Met Onbedwonghen Lust.

Een liedje wil ik zingen met een blij gemoed Want niemand kan mij brengen in enige tegenspoed Wie zou mij kunnen deren, ik hou mijn hart in rust In vreugde en in banketteren met Onbedwongen Lust.


Tafel-spel Hey dat en diende ymmers niet versust Want soo doende wert gheblust // mijn begheerten al/ Nu ben ic in weelden / en wie isser in s Werelts dal Diet my beletten sal // ic en ra niemant die my comt aen/ My dunct ic sou t’hans wel drie Man seven Armen af slaen Alhier ter baen // met felle treken.

Hey, dat diende immers niet verzwegen te worden Want zo doende werden geblust al mijn begeerten; Nu ben ik in weelde en wie is er in ‘s werelds dal Die het mij beletten zal; ik raad het niemand die bij mij komt aan; Mij dunkt ik zou thans wel drie man zeven armen af kunnen slaan Alhier op de weg met harde klappen.

Straffe Godts.

Straf van God.

Hola / hola / u quaet bedrijf / en hoochmoedich spreken Sal ic u wreken // al acht ghy u selven te sijn wat groots.

Hola, hola, uw kwaad bedrijf en hoogmoedig spreken Zal ik op u wreken, ook al acht gij uzelf te zijn iets groots.

Onbedochte Ioncheyt.

Onbezonnen Jeugd.

Och wie sijt ghy dan ?

O, wie bent u dan?

Straffe Godts.

Straf van God.

Ic heet Straffe Godts/ Ghy komt noch in veel noots / door my in korter uren/ V dertel leven / met u boose cueren Sult ghy nu besueren // dat seg ick u sonder vermijden/ V onghetemperde manieren / en wil Godt niet langher lijden Dus kom ic u bestryden // met dees Geessel door Gods Misterie.

Ik heet Straf van God; Gij komt nog in veel nood door mij op korte termijn; Uw dartel leven met uw boze kuren Zult gij nu bezuren, dat zeg ik u zonder mankeren; Uw ongetemperde manieren wil God niet langer toestaan; Dus kom ik u bestrijden met deze gesel door Gods mysterie.

Onbedochte Ioncheyt.

Onbezonnen Jeugd

Och wat Gheessel is dit.

O, wat voor gesel is dit.

Straffe Godts.

Straf van God.

Die is gheheten verscheyden Miserie Veelderhande Marcerie // brenght hy met ghetruericheyt/ En desen Bant / ghenaemt langhe gheduericheyt Daer mede zal ic u vinden en gheesselen ghestadich/ Hout daer / en hout daer.

Die wordt genoemd diverse misère, Velerhande marteling brengt hij met treurigheid En deze band genaamd lange gedurigheid Daarmee zal ik u vinden en geselen gestadig; Houw daar, en houw daar.

Onbedochte Ioncheyt.

Onbezonnen Jeugd.


van vier Personagien. Och / och / och hoe slaet ghy soo onghenadich Wie zal nu weldadich // mijn droefheyt stelpen/ Den Onbedwonghen Lust / en sult ghy my nu niet helpen Ghy seyt dat ghy my by blijven sout in mijn verdriet.

Och, och, och hoe slaat gij zo ongenadig, Wie zal nu weldadig mijn droefheid stelpen; De Onbedwongen Lust, zult gij mij nu niet helpen Gij zegt dat gij bij mij blijven zou in mijn verdriet.

Onbedwonghen Lust.

Onbedwongen Lust.

Neen ic seker / ic en koom daer niet Want ghy zijt daer soomen siet // int hoeck-gen daer de slagen vallen.

Neen ik zeker niet, ik kom daar niet Want gij zit daar, zoals men ziet, in het hoekje waar de slagen vallen.

Onbedochte Ioncheyt.

Onbezonnen Jeugd.

Och soo en weet ic nu gheen raet met allen O Straffe Gods / hoe komt ghy my dus plaghen ? T’valt seker al te swaer om te verdraghen Alsulcke slaghen // voor mijn jonghe teedere Persoone.

Och, zo weet ik me nu helemaal geen raad; O Straf van God, waarom komt gij mij zo plagen? Het valt zeker al te zwaar om te verdragen Zulke slagen voor mijn jonge tere persoon.

Straffe Godts.

Straf van God.

Ja dat gheloof ic / ghy en zijt niet dan Domineren ghewoone/ Maer nu crijcht ghy ten loone / alsulcke geepen groot/ Hout daer / en hout daer.

Ja, dat geloof ik; gij zijt niets gewoon dan de baas te spelen; Maar nu krijgt gij uw loon; zulke striemen groot; Houw daar en houw daar.

Onbedochte Ioncheyt.

Onbezonnen Jeugd.

O Onbedwonghen Lust / laet ghy my nu soo inden noot/ Dan en had ic by den Doot // op u soo niet betrout/ Ic docht dat ghy my altijt by blijven sout Maer ghy laet my nu benout // in droefheyt steken.

O Onbedwongen Lust laat gij mij nu zo in nood Dan had ik, bij de dood, op u zo niet betrouwd Ik dacht dat gij mij altijd nabij blijven zou Maar gij laat mij nu benauwd in droefheid steken.

Goet Onderwys.

Goed Onderwijs.

O Onbedochte Ioncheyt / ic koom u noch eens aenspreken/ Daer ghy hier zijt in ghebreken // van Straffe Godts verbolgen/ Maer hadt ghy mijn raet willen achter-volghen Ghy en hadt hier toe niet ghecomen / dat seg ick u plaen.

O Onbezonnen Jeugd, ik kom u nog een keer aanspreken Omdat gij hier zijt in de problemen door de Straf van God verbolgen Maar had gij mijn raad willen navolgen, Gij had hiertoe niet gekomen, dat zeg ik u ronduit.

Onbedochte Ioncheyt.

Onbezonnen Jeugd.


Tafel-spel Och ic kent goet Onderwijs / dat ic heb misdaen Wilt my noch ten besten raen // dat bid ic u sonder vermijden.

Och, ik beken het, Goed Onderwijs, dat ik heb misdaan, Wil mij toch ten besten raden, dat bid ik u zonder vermijden.

Goet Onderwys.

Goed Onderwijs.

Soo moet ghy Godts straffe verduldich lijden T’zy van wat zijden / datse u komt beneven/ En bidt om Vergiffenis / den Heere verheven En dat hy u wil gheven // syn gratie soet/ Dat u dit lijden ter zalicheyt strecken moet Dat gunne u den Vader goet // door syn groote ghenaden.

Dan moet gij Gods Straf geduldig lijden Van welke kant ze dan ook komt En bidt om vergiffenis tot de Heere verheven, En dat hij u wil geven, zijn gratie zoet; Dat dit lijden u tot zaligheid strekken moet Dat gunne u de Vader goed door zijn grote genade.

Onbedochte Ioncheyt.

Onbezonnen Jeugd.

Ic danc u Goet Onderwijs / van uwe weldaden Dat ghy my noch komt beraden // daer ic dus ben beswaert.

Ik dank u Goed Onderwijs om uw weldaden Dat gij mij nog komt raadgeven terwijl ik zo bezwaard ben.

Goet Onderwys.

Goed Onderwijs.

Neemt danckelijc mijn Heeren / dat wy u hier hebben verclaert Is hier yemant Jonc ghe-jaert // en onbedocht van sinnen/ Die neme dit tot een Exempel / en wil ons jonste bekinnen Tis gheschiet wt Minnen // en tot uwer eeringhe.

Neem dankbaar aan, mijne heren, wat wij u hier hebben verklaard: Is hier iemand jong van jaren en onbezonnen van aard Die neme dit tot een voorbeeld; en wil ons gunstig gezind zijn Het is gebeurd uit liefde en tot uw eer.

Onbedochte Ioncheyt.

Onbezonnen Jeugd.

Maer principael tot ons zelfs stichting en Leeringhe Dat wy sonder af-keeringhe // mogen slissen ons Ouders tooren/ En haer goet Onderwijs navolghen / om niet te verstooren Af-wendende ons Ooren // van Onbedwonghen Lust / nae’t betaemen.

Maar vooral tot onze eigen stichting en leering Dat wij zonder afkeer mogen aanvaarden de toorn van onze ouders En hun Goed Onderwijs navolgen, om niet te verstoren Afwendende onze oren van Onbedwonghen Lust, zoals het betaamt.

Goet Onderwys.

Goed Onderwijs.


van vier Personagien. Neemt dit van ons in danc / O Ioncheyt al t’samen En wilt u sonder blamen // altijt tot deuchden spoen Hier met uwen oorlof / nu in dit saeysoen

Neemt dit van ons in dank aan, o jeugd allen samen En wilt u zonder blamen altijd tot deugden spoeden Hier met uw verlof nu in dit seizoen

BUYCHT DEN RIIS GROEN,

BUIG DE JONGE TWIJG.

Alst past allegader/ Tot Lof en Prijs van Godt onsen Hemelschen Vader.

Als het past altegader Tot Lof en Prijs van God onze Hemelse Vader.

FINIS.

FINIS.

Hier eyndicht het Tafel-spel, Lanck 203. Regulen

Hier eindigt het Tafelspel,

Kort Berecht vant Tucht-huys  

Kort Berecht vant Tucht-huys

Kort Berecht vant Tucht-huys  

Kort Berecht vant Tucht-huys