__MAIN_TEXT__
feature-image

Page 1


Register.

Register

Rakende Eenige oude gebieden, Ordonnantie, Sententie, ende geheugenisse deser Stede vander Gouda.

Afschriften van diverse stukken met betrekking tot Gouda en omgeving, o.a. betreffende het rechtsgebied

Vooreerst: Vande Heeren van ’t Landt van Steijn. - Folio 1 ’t Gebiedt over Blommendael. - - - - 4 Voorsteden, voornamentlijck Laserussteegh, ende Goutcade. - - - - - - 6 Vrijdom vande Stadt. - - - - - - - 7 Gifte bij de Stadt aen Catharinen Gast-Huijs. - - - - - - - - - - - 10 Thiendewegh - - - - - - - - - 11 Koop van Landen gelegen in BrouckHuijsen. - - - - - - - - - - - - 13 Het oude Kerck-Hoff. - - - - - - - - 16 Grave van Bloijs. willekeure1 - - - - 17 Vervolgh vande Grave van Bloijs. - - - 19 Extract van een oudt Register, der Stadt Goude. - - - - - - - - - 21 Die vander Goude hebben voor Amstelredam, genomineert zijn geweest, voor desen. - - - - - 22 Van ’t Glas staende in Schepens Kamer - - - - - - - - - - - 23 Vernieuwen vande Wet. - - - - - - - 24 Pieter Claessen Onthooft - - - - - 25 Schattinge vande gemeene Landen. - - 26

1

Andere hand

Ten eerste: Over de heren van het Land van Stein - - - - - - Folio 1 De zeggenschap over Bloemendaal - - - - - - 4 Gebieden buiten de stadsmuur, voornamelijk Lazarussteeg en Goudkade - - - - - - - - - - 6 Rechtsgebied van de stad - - - - - - - - - 7 Gift van de stad aan het Catharina Gasthuis - - - 10 Tiendeweg - - - - - - - - - - - - - 11 Koop van landen gelegen in Broekhuizen - - - - 13 Het Oude Kerkhof - - - - - - - - - - - 16 Graven van Blois, verordening - - - - - - - - - 17 Vervolg over de graven van Blois - - - - - - - - 19 Uittreksel uit een oud register van Gouda - - - - 21 Die van Gouda worden genoemd voor die van Amsterdam. - - - - - - - - - 22 Over een glas in de schepenkamer - - - - - - 23 Het herzien van de wet - - - - - - - - - - - 24 Pieter Claessen onthoofd - - - - - - - - - 25 Belasting van alle landen - - - - - - - - - 26


Register.

Register

Rakende Eenige oude gebieden, Ordonnantie, Sententie, ende geheugenisse deser Stede vander Gouda.

Afschriften van diverse stukken met betrekking tot Gouda en omgeving, o.a. betreffende het rechtsgebied

Vooreerst: Vande Heeren van ’t Landt van Steijn. - Folio 1 ’t Gebiedt over Blommendael. - - - - 4 Voorsteden, voornamentlijck Laserussteegh, ende Goutcade. - - - - - - 6 Vrijdom vande Stadt. - - - - - - - 7 Gifte bij de Stadt aen Catharinen Gast-Huijs. - - - - - - - - - - - 10 Thiendewegh - - - - - - - - - 11 Koop van Landen gelegen in BrouckHuijsen. - - - - - - - - - - - - 13 Het oude Kerck-Hoff. - - - - - - - - 16 Grave van Bloijs. willekeure1 - - - - 17 Vervolgh vande Grave van Bloijs. - - - 19 Extract van een oudt Register, der Stadt Goude. - - - - - - - - - 21 Die vander Goude hebben voor Amstelredam, genomineert zijn geweest, voor desen. - - - - - 22 Van ’t Glas staende in Schepens Kamer - - - - - - - - - - - 23 Vernieuwen vande Wet. - - - - - - - 24 Pieter Claessen Onthooft - - - - - 25 Schattinge vande gemeene Landen. - - 26

1

Andere hand

Ten eerste: Over de heren van het Land van Stein - - - - - - Folio 1 De zeggenschap over Bloemendaal - - - - - - 4 Gebieden buiten de stadsmuur, voornamelijk Lazarussteeg en Goudkade - - - - - - - - - - 6 Rechtsgebied van de stad - - - - - - - - - 7 Gift van de stad aan het Catharina Gasthuis - - - 10 Tiendeweg - - - - - - - - - - - - - 11 Koop van landen gelegen in Broekhuizen - - - - 13 Het Oude Kerkhof - - - - - - - - - - - 16 Graven van Blois, verordening - - - - - - - - - 17 Vervolg over de graven van Blois - - - - - - - - 19 Uittreksel uit een oud register van Gouda - - - - 21 Die van Gouda worden genoemd voor die van Amsterdam. - - - - - - - - - 22 Over een glas in de schepenkamer - - - - - - 23 Het herzien van de wet - - - - - - - - - - - 24 Pieter Claessen onthoofd - - - - - - - - - 25 Belasting van alle landen - - - - - - - - - 26


Haersteden - - - - - - - - - Huldinge van Hartoge Philips - - - - Brant vande Kerck - - - - - - - Faes Dirckxen Stoeldraeijer Verbrant, - Memorie raeckende de Stadt Gouda - Hantveste vander Goude - - - - - Copie vande Veertigh - - - - - - Een acte vande 40, ende Huldingh van den Hartoge Philips te St. Geertruitenberg - Copie vande acht-en-twintigh - - - - Vande Vrijheijt vande Stede Goude - - Vande gerechte te maken, Zonder eenige beswarenisse - - - - - - - - - Claverbroeck - - - - - - - - - Lodewijck van Beloijs prelegaet gemaeckt aen zijn outste Zoon Rast - - - - - Vande Marckt Tolle - - - - - - - Ordonnantie van Bisschop Arent van Hoorne Extracten vande Tresoriers anno 1481 - Raet-Huijs 1450 - - - - - - - - Dijckgraeff ende Heemrade van Schieland Octroij van ’t Verlaet inde Cortacken - ’t Deurvaren van ’t Verlaet inde Cortacken Specificatie van ’t Oude gelt - - - - Ordonnantie vande bedieninge van xxviii Persoonen - - - - - - - - Verbodt van de Neringe - - - - - - Eet op het weren vande Neringe - - - Eedt vande xxviii - - - - - - - - Eet vande Burgermeesters - - - - - Eedt vande Schepenen - - - - - - Finis coranat1 opus.

1

[coranat] lees [coronat]

27 28 29 30 32 34 Verso 36 40 42 46 48 49 50 50 Verso 51 53 Verso 71 72 73 75 77 78 79 81 81 Verso 82 82 Verso

Huizen - - - - - - - - - - - - - - - Huldiging van hertog Philips - - - - - - - - Brand van de kerk - - - - - - - - - - - Faes Dirckzoon Stoeldraeijer op de brandstapel - - Geschriften betreffende Gouda - - - - - - - Kopie van de Veertig - - - - - - - - - - Een akte van de Veertig en de huldiging van hertog Philips te St. Geertruidenberg - - - - - Kopie van de 28 - - - - - - - - - - - Van de vrijheid van Gouda - - - - - - - - Over het rechtspreken zonder last - - - - - - Claverbroeck - - - - - - - - - - - Legaat van Lodewijk van Blois aan zijn oudste zoon Rast Over de markttol - - - - - - - - - - - Ordonnantie van bisschop Arent van Hoorne - - - Extracten uit de rekeningen van de thesauriers anno 1481 Stadhuis 1450 - - - - - - - - - - - - Dijkgraaf en heemraden van Schieland - - - - - Octrooi van 't Verlaat in de Korte Akkeren - - - - Het gebruik van 't Verlaat in de Korte Akkeren - - Specificatie van 't oude geld - - - - - - - - Ordonnantie van de bediening van 28 personen - - Verbod van de nering - - - - - - - - - - Eed op het weren van de nering - - - - - - - Eed van de 28 - - - - - - - - - - - - - Eed van de burgemeesters - - - - - - - - - Eed van de schepenen - - - - - - - - - - Het einde bekroont het werk.

27 28 29 30 34 verso 36 40 42 46 48 49 50 50 verso 51 53 verso 71 72 73 75 77 78 79 81 81 verso 82 82 verso


Haersteden - - - - - - - - - Huldinge van Hartoge Philips - - - - Brant vande Kerck - - - - - - - Faes Dirckxen Stoeldraeijer Verbrant, - Memorie raeckende de Stadt Gouda - Hantveste vander Goude - - - - - Copie vande Veertigh - - - - - - Een acte vande 40, ende Huldingh van den Hartoge Philips te St. Geertruitenberg - Copie vande acht-en-twintigh - - - - Vande Vrijheijt vande Stede Goude - - Vande gerechte te maken, Zonder eenige beswarenisse - - - - - - - - - Claverbroeck - - - - - - - - - Lodewijck van Beloijs prelegaet gemaeckt aen zijn outste Zoon Rast - - - - - Vande Marckt Tolle - - - - - - - Ordonnantie van Bisschop Arent van Hoorne Extracten vande Tresoriers anno 1481 - Raet-Huijs 1450 - - - - - - - - Dijckgraeff ende Heemrade van Schieland Octroij van ’t Verlaet inde Cortacken - ’t Deurvaren van ’t Verlaet inde Cortacken Specificatie van ’t Oude gelt - - - - Ordonnantie vande bedieninge van xxviii Persoonen - - - - - - - - Verbodt van de Neringe - - - - - - Eet op het weren vande Neringe - - - Eedt vande xxviii - - - - - - - - Eet vande Burgermeesters - - - - - Eedt vande Schepenen - - - - - - Finis coranat1 opus.

1

[coranat] lees [coronat]

27 28 29 30 32 34 Verso 36 40 42 46 48 49 50 50 Verso 51 53 Verso 71 72 73 75 77 78 79 81 81 Verso 82 82 Verso

Huizen - - - - - - - - - - - - - - - Huldiging van hertog Philips - - - - - - - - Brand van de kerk - - - - - - - - - - - Faes Dirckzoon Stoeldraeijer op de brandstapel - - Geschriften betreffende Gouda - - - - - - - Kopie van de Veertig - - - - - - - - - - Een akte van de Veertig en de huldiging van hertog Philips te St. Geertruidenberg - - - - - Kopie van de 28 - - - - - - - - - - - Van de vrijheid van Gouda - - - - - - - - Over het rechtspreken zonder last - - - - - - Claverbroeck - - - - - - - - - - - Legaat van Lodewijk van Blois aan zijn oudste zoon Rast Over de markttol - - - - - - - - - - - Ordonnantie van bisschop Arent van Hoorne - - - Extracten uit de rekeningen van de thesauriers anno 1481 Stadhuis 1450 - - - - - - - - - - - - Dijkgraaf en heemraden van Schieland - - - - - Octrooi van 't Verlaat in de Korte Akkeren - - - - Het gebruik van 't Verlaat in de Korte Akkeren - - Specificatie van 't oude geld - - - - - - - - Ordonnantie van de bediening van 28 personen - - Verbod van de nering - - - - - - - - - - Eed op het weren van de nering - - - - - - - Eed van de 28 - - - - - - - - - - - - - Eed van de burgemeesters - - - - - - - - - Eed van de schepenen - - - - - - - - - - Het einde bekroont het werk.

27 28 29 30 34 verso 36 40 42 46 48 49 50 50 verso 51 53 verso 71 72 73 75 77 78 79 81 81 verso 82 82 verso


[Folio 1.] Vande Heeren van ’t Landt van Steijn Extract uijt een Register, gehouden in’t Clooster vande Reguliers in Steijn. Inden Jare ons Heeren, Duijsent, eenhondert, ende xxviij. Soo was een Eedel ende wijs Bisschop in der Stadt van Uijtrecht, ende hiete Heer Andries van Cuijc, des Graven Soon van Cuijc, ende hij was Bisschop ontrent tien Jare, ende Sterft in’t Jaer ons Heeren 1138, op den 28en dagh vanden Maent Meij, ende wort met groote eerwaerdigheijt begraven inde Domkerck te Uijtrecht, van dese Bisschop heeft die Kerck van Oude-Munster, t’ Uijtrecht de Heerlijckheijt vande Lande vand Steijn eerst gekregen, als die Heere van Oude Munster seggen, ende daervan wel goet betoogh zouden doen, oft van nooden waer, dat Collegien der Kercke voornoemd zeijnden op te Roomen aenden Paus, die doe ter tijt was, ende begeerde dat hij die Donatie des Bisschops voorschreven wilden confirmeeren, ‘T welck de Paus dede, ende heeft se geconformeert, ende dat dese Heerlijckheijt van Steijn eerst quam aen dat Collegien van Oude-Munster, dat is geleden meer dan vierhondert Jaren, als men schrijff MDxxx. Zoo zalt wesen vier hondert Jaren en twee

[1] Over de heren van het Land van Stein Uittreksel uit een register dat bewaard wordt in het klooster van de regulieren van Stein. In 1128 was er een edele en wijze bisschop in Utrecht, die Andries van Cuijk heette. Hij was de zoon van de graaf van Cuijk en ongeveer tien jaar bisschop. Hij stierf op 28 mei 1138 en werd met veel eerbetoon begraven in de Domkerk te Utrecht. Zoals de heren van Oudmunster zeggen, heeft de kerk van Oudmunster de heerlijkheid Stein van deze bisschop gekregen. Mocht het nodig zijn deze uitspraak te bevestigen dan kan dat, want het college van deze kerk heeft aan de toenmalige Paus te Rome het verzoek gedaan de gift van de bisschop te bevestigen. De Paus heeft daarop de schenking bevestigd. De heerlijkheid Stein werd meer dan vierhonderd jaar geleden voor het eerst eigendom van het college van Oudmunster. Omdat het nu 1530 is, moet dat 402 jaar zijn.


[Folio 1.] Vande Heeren van ’t Landt van Steijn Extract uijt een Register, gehouden in’t Clooster vande Reguliers in Steijn. Inden Jare ons Heeren, Duijsent, eenhondert, ende xxviij. Soo was een Eedel ende wijs Bisschop in der Stadt van Uijtrecht, ende hiete Heer Andries van Cuijc, des Graven Soon van Cuijc, ende hij was Bisschop ontrent tien Jare, ende Sterft in’t Jaer ons Heeren 1138, op den 28en dagh vanden Maent Meij, ende wort met groote eerwaerdigheijt begraven inde Domkerck te Uijtrecht, van dese Bisschop heeft die Kerck van Oude-Munster, t’ Uijtrecht de Heerlijckheijt vande Lande vand Steijn eerst gekregen, als die Heere van Oude Munster seggen, ende daervan wel goet betoogh zouden doen, oft van nooden waer, dat Collegien der Kercke voornoemd zeijnden op te Roomen aenden Paus, die doe ter tijt was, ende begeerde dat hij die Donatie des Bisschops voorschreven wilden confirmeeren, ‘T welck de Paus dede, ende heeft se geconformeert, ende dat dese Heerlijckheijt van Steijn eerst quam aen dat Collegien van Oude-Munster, dat is geleden meer dan vierhondert Jaren, als men schrijff MDxxx. Zoo zalt wesen vier hondert Jaren en twee

[1] Over de heren van het Land van Stein Uittreksel uit een register dat bewaard wordt in het klooster van de regulieren van Stein. In 1128 was er een edele en wijze bisschop in Utrecht, die Andries van Cuijk heette. Hij was de zoon van de graaf van Cuijk en ongeveer tien jaar bisschop. Hij stierf op 28 mei 1138 en werd met veel eerbetoon begraven in de Domkerk te Utrecht. Zoals de heren van Oudmunster zeggen, heeft de kerk van Oudmunster de heerlijkheid Stein van deze bisschop gekregen. Mocht het nodig zijn deze uitspraak te bevestigen dan kan dat, want het college van deze kerk heeft aan de toenmalige Paus te Rome het verzoek gedaan de gift van de bisschop te bevestigen. De Paus heeft daarop de schenking bevestigd. De heerlijkheid Stein werd meer dan vierhonderd jaar geleden voor het eerst eigendom van het college van Oudmunster. Omdat het nu 1530 is, moet dat 402 jaar zijn.


[Folio 1 Verso.] In ’t Jaer ons Heeren 1350. zoo was een Edel, Hooghgeboren Man, ende Hiete Heer Jan van Henegouwe, dese was gekomen vande rechte Linie van Hollandt, ende was de goede Graeff Willem van Hollant zijn Jonger Broeder, ende hij hadde uijt die Graefflijckheit van Hollandt sommige goeden als de Stede vander Goude, Schoonhoven, Oudewater ende sommige andere Goede, hij hadde oock mede leen goet van de Heeren van Oudemunster t’ Uijtrecht, Dat Landt van Steijn, ende was daer Heer af, ende hij gaf die inwoonders der Lande van Steijn, sommige Gratien ofte Privilegien, waer van de Brieven zijn in’t Clooster van Steijn, ende zijn bevolen den Broeders wel te bewaren. Dese Heer Jan van Henegouwen hadde een eenigh Edel Jonge Dochter, die hij Hijlickte aenden Graeff van Beloijs in Vranckrijck, ende met dese dochter zoo kreegh de Graeff van Beloijs de Heerlijckheden die Heer Jan van Henegouwen hadde, maer hij kreegh daer geen Kinderen bij, maer hij hadde een Bastaert Soon, die hiete Heer Jan de Bastaert van Beloijs, ende doe1 dese dochter de Gravinne van Beloijs gestorven was, zonder Kinder, zoo quam ’t al weder aen ’t Graeff-schap van Hollandt dat haer Vader Heer Jan van Henegouwen hadde van Hollant gecregen, maer die Grave van Beloijs, die gaf zijn Soone Heer Jan de Bastaert dat Landt van Steijn, ‘t welck van Hollant niet en was gekomen, ende hem oock gegeven was met Heer Jan van Henegouwes Dochter. Heer Jan de Bastaert van Beloijs Ridder

1

[die] vervangen door [doe]

[1 verso] In 1350 was er een edelman die Jan van Henegouwen heette. Hij stamde in rechte lijn af van Holland en was de jongere broer van de goede graaf Willem van Holland. Jan van Henegouwen had uit het bezit van de graven van Holland enkele bezittingen, zoals Gouda, Schoonhoven, Oudewater en enkele andere goederen. Hij had ook een bezitting in leen van de heren van Oudmunster in Utrecht, waarvan hij heer was. Hij gaf de inwoners van het Land van Stein privileges waarvan de akten zich in het klooster van Stein bevinden. De broeders hadden opdracht gekregen die goed te bewaren. Jan van Henegouwen had één adellijke jonge dochter die hij uithuwelijkte aan de graaf van Blois in Frankrijk. Met deze dochter kreeg de graaf van Blois de heerlijkheden die Jan van Henegouwen bezat. Hij kreeg geen kinderen bij haar, maar de graaf had een bastaardzoon die Jan de Bastaard van Blois werd genoemd. Toen deze dochter, de gravin van Blois kinderloos gestorven was, kwamen alle bezittingen die haar vader Jan van Henegouwen had gekregen, weer bij het graafschap van Holland. Maar de graaf van Blois gaf het Land van Stein aan zijn zoon Jan de Bastaard, omdat het niet van Holland afkomstig was. Hij had het samen met de dochter van Jan van Henegouwen al verkregen. Jan de Bastaard van Blois, ridder


[folio 2.] ende heer van Treslongh, kreegh dat Slot vander Goude, met den Casteleijnschap, bij versoeck aen den Graeffschap van Hollant, ende hij hadde dat lant van Steijn voornoemt, bij versoeck der Kercke van oudemunster, als oock de andere Heere voor zijn tijt plegen te hebben, Ende doe hij heer was van ’t Landt van Steijn, soo gaf hij ons oorlof ende consent te woonen in zijn Heerlijckie van Steijn, om te funderen ende op te rechten een Clooster van Geestelijcke Persoonen ter eere Godes, ende om der ziele zaligheijt, wij kregen oock daer af consent vanden Curaet in Haestrecht, Heer Huijgh Ellinck, ende vanden eersamen Vader Heer Vrederick van Blanckenhem Bisschop tot Uijtrecht, ende hier van zoo hebben wij goede Brieven, ende dat onse Clooster eerst wert begonnen, dat was in ’t Jaer ons Heeren MCCCCXIX. Dese Heer Jan de Bastaert hadde getroude Kinderen, onder welcke was een die hiete Heer Jan van Treslongh ende die werde Canonck tot OudeMunster t’ Uijtrecht, ende Heer Jan de Bastaert die gaf zijn Soon Heer Jan van Treslongh die heerlijckheijt van Steijn, ende men zeijt doe hij ’t dede, dat hij sprack aldus: ick sal den eenen Paep helpen aen den anderen. Heer Jan de Bastaert sterft in ’t Jaer ons Heeren MCCCC ende XXXV ontrent tien dagen voor Alderheijligen dagh. Doe zijn Soon Heer Jan van Treslongh was Heer van’t Landt van Steijn, zoo confirmeerde hij ons dat wij in zijn Landt mochte woonen, ’t welck zijn Vader ons wel eer Vergunt hadde, ende hij gaf oock mede zommige Gratien ende Privelegien daer wij Brieven af hebben.

[2] en heer van Treslong, verkreeg na een verzoek aan de graaf van Holland het slot van Gouda met het ambt van slotvoogd. Hij bezat ook het hiervoor genoemde Land van Stein van de kerk van Oudmunster, zoals ook deze heren voor hem dat hadden gehad. Toen hij heer was van het Land van Stein, gaf hij ons toestemming te wonen in de heerlijkheid en er een klooster te stichten voor godsdienstige personen ter ere van God en voor de zaligheid van de ziel. Wij kregen daarvoor ook toestemming van de bewindvoerder in Haastrecht, Huig Ellink en van de eerzame vader Frederik van Blankenheim, bisschop te Utrecht. Hiervan hebben wij goede akten alsook van het feit dat ons klooster werd gesticht in 1419. Deze Jan de Bastaard had getrouwde kinderen van wie er een Jan van Treslong heette en die kanunnik van Oudmunster in Utrecht werd. Jan de Bastaard gaf zijn zoon Jan van Treslong de heerlijkheid van Stein en men zegt dat hij toen zei: “Ik zal de ene paap helpen aan de andere.” Jan de Bastaard stierf in 1435 ongeveer tien dagen voor Allerheiligen. Toen zijn zoon Jan van Treslong heer was van het Land van Stein, bevestigde hij ons dat wij op zijn land mochten wonen dat zijn vader ons eerder gegund had. Hij gaf ons daarbij sommige privileges waarvan wij akten hebben.


[2 Verso] Daerna verkoft, Heer Jan van Treslongh bij Consent ende believen der Heeren van Oude-Munster, zijn Heerlijckheijt van Steijn, die Stede vander Goude, in een Erfpacht, hooch en laegh met alle zijn toebehoren, om acht en tdvintigh1 hondert Rijnsche Guldens, Behoudelijck dat zij dat Land voorschreven in zijn oude Rechten houden zouden ende niet verkorten, in eenige dingen, met sommige andere Conditien, Ende dit geschieden in’t Jaer ons Heeren MCCCCxxxviij. Doe worde vande Stede vander Goude gemaeckt een Heer vande Lande van Steijn ende hiete Jan Woutersz ende was een welgeboren Man, was van den geslaghte vander Goude, dese Confirmeerde onse Privilegien, ende Brieven die ons Heer Jan van Treslongh Canoninck van Oude-Munster voortijts gegeven hadde, ende dat2 dese confirmatie, hebben wij brieven van Jan Woutersz voorschreven, waer aen de Stede vander Goude, oock haer groote zegel heeft gehangen om dattet haer wel beliefde, ende zij ons oock die Privilegien gunde. Hier na als die Stede vander Goude, dat Landt van Steijn aen haer hadde, soo ist namaels geschiet, dattet heeft Verbeurt geweest, ende dat Collegium van Oude-Munster heeft het weder aen gevat, om dat de Stede vander Goude, de heerlijckheijt hadde Vercort, want zij hadde Vercort den Thijns der Lande van Steijn, ende, was gelast vanden geenen diese plegen te betalen, oock wast Verbeurt om andere zaecken, etc. Maer daer worde een nieuw Contract, ende Compositie weder gemaeckt, tusschen die heere van Oude-Munster, ende die Stede voorschreven, alsoo dat de Heere vander Goude, dat Lant weder kregen aen hem, ende zij Gaven die Heeren van OudeMunster een groote zomme van Penningen, Duijsent

1 2

[tdvintigh] lees [twintigh] [dat] lees [van]

[2 verso] Daarna verkocht Jan van Treslong met toestemming van de heren van Oudmunster zijn heerlijkheid van Stein met alles wat erbij hoorde in erfpacht aan Gouda voor 2.800 Rijnse guldens op voorwaarde dat Gouda de heerlijkheid de oude rechten zou laten behouden en in geen enkel opzicht zou belasten met andere voorwaarden. Dit vond plaats in 1438. Toen werd door Gouda als heer van het Land van Stein aangesteld een edelman, Jan Woutersz, van het geslacht Van der Goude. Hij bevestigde de privileges en akten die Jan van Treslong, kanunnik van Oudmunster, ons vroeger had gegeven. Hiervan hebben wij akten van Jan Woutersz waaraan ook Gouda zijn grote zegel heeft gehangen, omdat de stad het goedkeurde en ons de privileges ook gunde. Hierna, toen Gouda het Land van Stein bezat, is het eens voorgekomen dat het verbeurd werd verklaard. Daarop heeft het college van Oudmunster het weer teruggenomen. Gouda had immers de heerlijkheid tekort gedaan door minder belasting te betalen voor het Land van Stein en was aangemaand door het college van Oudmunster aan wie zij plachten te betalen. Ook was het verbeurd wegens andere zaken. Daarna werd een nieuw contract opgemaakt tussen de heren van Oudmunster en Gouda, waardoor de heer van der Goude dat land weer in zijn bezit kreeg. Gouda betaalde de heren van Oudmunster een grote som geld: 1000


[3] Rijnsche Guldens, of daer boven, dese nieuwe brieven ende voorwaerden worden gemaeckt, In’t Jaer ons Heeren MCCCC ende Lxxxi. op den xix dagh vanden Maent die men hiet Januarius.

[3] Rijnse guldens of meer. Deze nieuwe akten en voorwaarden werden opgemaakt in het jaar onzes Heren 1481 op 19 januari.


[3 Verso] [Leeg]

[3 verso] [Leeg]


[4] Aengaende ’t gebiet der stede vander Goude, over Bloemen-dael. Alsoo wij Adriaen Claessen van Goutswaert, Burgemeester der Stede vander Goude, ende Mr. Adriaen Cool Schepenen der selver Stede met Jan Floris de Jager Secretaris als ons adjunct, bij de Magistraet der voorschreven Stede gecommitteert zijn, omme te onderzoecken wat gezagh, ofte gebiedt de Stadt van der Goude, over ’t Landt van Blommendael is hebbende, soo hebben wij ons devoir daer inne gedaen, Ende na dat wij alles onderzocht ende Rijpelijck ge-examineert hadden, zoo hebben wij bevonden naer ons gevoelen, dat ’t voorschreven Landt van Blommendael een appendentie is, der voorschreven Stede, ende onder deselve Stede Jurisdictie resorterende, ende dat om verscheijde redenen eensdeels hier naer gespecificeert, Als eerstelijck dat de Heeren van Beloijs, indertijt als Heeren vander Goude, die van Blommendael gegeven hebben, Verscheijde Handvesten, Privilegien, ende octroijen, ‘t Twelck ons oordeels niet en zouden hebben konnen geschiede, te weten dat de Heeren van der Goude

[4] Over de zeggenschap van Gouda over Bloemendaal Het stadsbestuur van Gouda heeft ons, Adriaan Claassen van Goudswaard, burgemeester van Gouda, en mr. Adriaan Cool, schepen van Gouda, met Jan Floris de Jager, secretaris, als onze adjunct opgedragen om te onderzoeken welke zeggenschap Gouda over het land van Bloemendaal heeft. Daarom hebben wij onze plicht gedaan en nadat wij alles terdege onderzocht hadden, hebben wij met overtuiging geconcludeerd dat het eerder genoemde land van Bloemendaal bij Gouda hoort en onder zijn jurisdictie valt. Daar hebben wij verscheidene redenen voor, voor een deel hierna gespecificeerd: Ten eerste hebben de heren van Blois indertijd als heren van Gouda, aan de inwoners van Bloemendaal verscheidene oorkonden, privileges en vergunningen gegeven. Dit zou naar ons oordeel niet hebben kunnen gebeuren als Bloemendaal niet bij Gouda had behoord en onder zijn jurisdictie had geressorteerd.


[4 Verso.] aen die van Blommendael Handtvesten, Privilegien ende octroeijen gegeven zoude hebben, indien Blommendael niet en waer een appendentie vande zelve Stadt, ende onder de Jurisdictie van dien resorterende, Ten tweede, Dat bevonden wort bij oude besegelde Certificatien, dat de Goutsche Kerck eertijts gestaen heeft in Blommendael, ter plaetse die men nu noch noemt ’t Oude Kerckhoff, ende dat noch in memorie van Menschen is, datmen de selve plaetse alle Jaers uijte Stadt vande Goude, tot een gedenckenisse, dat de Kerck daer eertijts gestaen heeft, met processie plach te visiteren. Ten darde, Dat de Handvesten vande Grave Floris gedateert 1272. mede brenght, Dat tot de Vrijheijt van der Goude gegeven worden vierdalfhondert geerden, langes de IJssel, ende vierdalfhondert Geerden vande halve IJssel, af ten Broeckewaert, ’t welck de plaetse is, daer nu de Stadt metten vrijdomme der zelver is gelegen, ende dat bevonden wort bij zeecker Privilegien, die van Uijtrecht gegeven inden Jare 1252. Dat der Goude, op die tijdt al was, waer uijt volght, na dien der Goude, al geweest is in’t selve Jaer 1252 ende dat het niet en was ter plaetse daer ‘t nu is, dat het overzulckx Elders, geweest moet hebben, Ende ten kan anders niet geweest zijn, dan daer de Kercke voortijts plagh te wesen, ‘twelck is volgens de voorschreven oude certificatie, ende de voorschreven geheugenisse die daer van noch is, in Blommendael, alsoo dat Blommendael originelijcken is der Goude selfs, ende consequentelijcken veel meer, een appendentie ende Jurisdictie van der Goude. Ten vierde, Dat wij bevinden dat de Magistraten vander Goude, over Blommendael keure ende Ordinantien hebben gemaeckt, niet alleen van tijdt tot tijt, binnen tien, twintigh, dartigh, ofte veertigh Jaren harwaerts, maer al over de Hondert Jaren, ende Ten vijfde

[4 verso] Ten tweede blijkt uit oude certificaten met zegel dat de Goudse kerk in Bloemendaal gestaan heeft op de plaats die men nu nog het Oude Kerkhof noemt en dat mensen zich nog herinneren dat men die plek waar de kerk stond, elk jaar vanuit Gouda met een processie bezocht. Ten derde blijkt uit de handvesten van graaf Floris, gedateerd 1272, dat het rechtsgebied van Gouda 350 gaarden langs de IJssel en 350 gaarden vanaf diezelfde IJssel richting de Broek omvat. Dit is de plaats waar de stad met het rechtsgebied ervan, nu is gelegen. Uit bepaalde privileges die Utrecht in 1252 heeft gegeven, blijkt dat Gouda toen al bestond. Daaruit volgt dat Gouda al bestond in het jaar 1252 en dat het niet lag waar het nu ligt. Het moet dus ergens anders hebben gelegen en die plaats kan geen andere zijn dan daar waar vroeger de kerk stond. Dat volgt uit de eerder genoemde oude certificaten en de herinnering die men nog heeft aan Bloemendaal. Dus is Bloemendaal ouder dan Gouda en hoort bijgevolg bij Gouda en valt onder zijn jurisdictie. Ten vierde zien we dat het stadsbestuur van Gouda van tijd tot tijd rechten en plichten heeft opgemaakt voor Bloemendaal niet alleen in de afgelopen tien, twintig, dertig, veertig jaar, maar meer dan honderd jaar geleden. En ten vijfde zijn


[5] Dat deselve Magistraten, ofte Burgermeesteren der voorschreven stede vander Goude, die zijn, die Landbewaerders, Heemraden ende Schepenen over Blommendael eligeren, ‘t welck Notarien niet gedaen en magh worden, dan bij de gene. die Jurisdictie zijn hebbende, ende exercerende, behalven noch meer andere redenen, die wij om cortheijt willen naerlaten, ofte diemen met meerder tijt, ende diligentie, zouden mogen inquireren, Aldus bij ons gedaen, op den twee en twintighsten Novembris, anno xvjhonderd ende twaeff1, Ende gelesen ter Vroetschap den xxviijden Novembris xvjhonderd twaelff. Extract uijt Camerboeck, der Stede vander Goude. Adriaen Cornelis Coop, Versoeckt zijn Brieven, zeijt dat zijn Thuijs in Blommendael leijt Vertoont een Lijfrente Brief bij Cornelis Claessen zijn Vader, ten behouven van Geertjen Franse conventriale vande Nonne op de Gouwe verleden van achtien Gulden ’s Jaers, gepasseeert eerst voor Meester Hendrick Wittesen Notaris met twee Schepenen vander Goude, ende bij de zelve bezegelt, gedateert den vierden Januarij 1552. ende daer na voor Frans Meppelen Schout van Blommendal, den vijfden Februarij 1554. Actum den 5den Junij 1615.

1

[twaeff] lees [twaelff]

[5] het ‘t stadsbestuur of de burgemeesters van Gouda die bestuurders, heemraden en schepenen voor Bloemendaal kiezen. Dat mag wettelijk alleen gedaan worden door degene die de regels bepaalt en ten uitvoer legt. Er zijn nog meer redenen die wij kortheidshalve niet zullen noemen of die men langer en zorgvuldiger zou moeten onderzoeken. Aldus bij ons gepasseerd op 22 november 1612 en bekendgemaakt door de vroedschap op 28 november 1612. Uittreksel uit Kamerboek, Gouda. Adriaan Cornelis Coop verzoekt om zijn akten en zegt dat zijn huis in Bloemendaal staat. Hij toont een akte van een lijfrente van 18 gulden per jaar van zijn vader Cornelis Claassen ten behoeve van Geertjen Franse, kloosterlinge van de nonnen bij de Gouwe. Die is eerst destijds gepasseerd bij mr. Hendrick Wittesen, notaris en twee schepenen van Gouda en bezegeld op 4 januari 1552 en daarna bij Frans Meppelen, schout van Bloemendaal, op 5 februari 1554. Waarvan akte op 5 juni 1615.


[5 Verso] [Leeg]

[5 verso] [Leeg]


[6] [1] Voorsteden, ende voornamentlijck Lasarussteegh, ende Goutkade. Alsoo tot kennisse, van mijn heere de Magistraten der Stede vander Goude gekomen is hoe dat eenige bezegeltheden gepasseert zijn, onder Broeck ende Thuijl, vande Erven, ofte gronde leggende inde Lasarussteegh, ende aende Gout cade, streckende vande Leprosen eijgen af, tot de Kalckoven, ende ’t Paerde Kerckhof toe inkluijs, welcke Laserus steegh, ende Gout-kade, van allen ouden tijden behoort hebben, onder de voorstadt, zulckx dat de opdrachte ende belastingen van Huijsen, gronden, ende Erven, aldaer staende, ofte gelegen, altijts voor Schepenen vander Goude zijn verleden, Soo ist dat de voorschreven Magistraten, Verstaen dat d' zelve opdrachten, ende belastingen, voort aen voor Schepenen vander Goude, zullen gepasseert worden, als naer ouder harkomen, ende wat contrarie vandien voor dese is gedaen, dat zelve in der beste forme, buijten kosten van Luijden, zal worden geremedieert, ’t welck mede zoo verstaen wort, van alle andere plaetsen, die voor den troubel onder de voorstadt hebben geresorteert, ende wort den Secretaris van Broeck Thuijl, ende Bloemendael, geordonneert niet alleen hen hier nae te reguleren, maer oock in Thijn Prothocolle hier van Notitie te maken, daer ende zoo ’t behoort, op dat dit in alle toekomende tijden, zijne nasaten kennelijck zal mogen wesen, Actum den twaelfden Novembris xvjhondert ende Elf, Present de Bailliuw, Adriaen Jansz, Pieter Pietersz Trist, ende Adriaen Claessen Goutswaert Burgermeester, Jan Vlack d’oude, Dirck Jacobsz Starre, Adriaen Aertsz Bosch, Jan Adriaensz de Vrije, ende Jan Dirckxz de Lange, Schepenen.

[6] [2] Gebieden buiten de stadsmuur en voornamelijk Lazarussteeg en Goudkade Het is ter kennis gekomen van het stadsbestuur van Gouda dat enige akten gepasseerd zijn over Broek en Thuijl betreffende gronden die gelegen zijn in de Lazarussteeg en aan de Goudkade en die zich uitstrekken vanaf het eigendom van de leprozen tot de kalkoven, inclusief het paardenkerkhof. Deze Lazarussteeg en Goudkade hebben van oudsher behoord tot het gebied buiten de stadsmuur, zodat de overdracht en belastingen van huizen, erven en akkers die zich daar bevinden, altijd aan de schepenen van Gouda zijn afgedragen. Daarom geeft het stadsbestuur van Gouda te kennen, dat de belastingen voortaan als vanouds aan de schepenen van Gouda zullen worden afgedragen en dat ook de eigendomsoverdrachten voor de schepenen zullen worden verleden. Wat er hiervoor in tegenstelling mee is gebeurd, zal op de beste manier worden hersteld zonder kosten voor de burgers. Dit geldt ook voor alle andere plaatsen die vóór de ongeregeldheden3 onder het buitengebied hebben geressorteerd. De secretaris van Broek, Thuijl en Bloemendaal krijgt het bevel dit niet alleen te regelen, maar hiervan ook in het belastingprotocol melding te maken, zoals het behoort, opdat in de toekomst zijn opvolgers er kennis van kunnen nemen. Waarvan akte op 12 november 1611. Aanwezig de baljuw, Adriaan Jansz, Pieter Pietersz Trist, en Adriaan Claassen Goudswaart, burgemeester, Jan Vlak de Oude, Dirck Jacobsz Starre, Adriaan Aartsz Bos, Jan Adriaansz de Vrije en Jan Dirckxz de Lange, schepenen.

2 1

[Extract uijt ’t vierde Stadts Register Folio 89.] in de marge

3

[Uittreksel uit het vierde stadsregister, folio 89] in de marge Waarschijnlijk worden hier de troebelen van de Reformatie bedoeld


[6 Verso] [Leeg]

[6 verso] [Leeg]


[7Verso] Adriaen Jansz Burgermeester, haren mede-broeder ende Jan Florisz Secretaris, omme deur Hendrick Cornelisz Vosch Lantmeter in heure presentie, de metinge vanden voorschreven Vrijdom te laten doen, welcke volgende de voorschreven gecommitteerden, metten voorschreven Hendrick Cornelisz Vosch Lantmeeter, sou ge vonden hebben, Eerst buijten tiendeweghs poort, over Jan Verswollen Brugge, Ende hebben wij metinge bevonden, dat de Spatie tusschen de selve Brugge, ende 't begin van Corte-Haerlem (:daer de Vrijdom vande Stadt eijndight:) langh is acht en vijftigh Roeden Ende is bij de voorschreven Landtmeter af, gesien, dat aenden Ysseldijck tusschen corte-Haerlem daer de Vrijdom vande Stadt aende Yssel begint, tot midden vande Blommeldaelsche1 Sluijs toe gelijcke langhte is, van 58 Roeden, Item: is gemeten vant voorschreven midden van de Blommendaelsche sluijs, tot aende Muijr van't Bollewerck van't Casteel, ende bevonden te wesen ses ende veertigh roeden, Verklaerde voorts de voorschreven Lantmeter, voor desen wel gemeten te hebben, ende voorseeckert te zijn, dat van daer tot de buijten voet van 't Bollewerck buijten Dijckx poort, de langhte is van vijf ende zeventich roeden, van daer is voort gemeten, ende bevonden, als hier nae volght. Te weten: Vande buijten voet van't voorschreven Bollewerck, tot 't water vande groote Sluijs, vier roeden acht voeten, de Kolck, ofte 't water vande zelve Selve Sluijs twee Roeden, twee Voeten, van't Water vande sluijs af, ten halve toe vande Wegh vande nieuwe Cortacken, vijf en de tachtentich Roeden, van daer tot 't midden van de tweede Wael hondert acht en veertigh Roeden, ende van daer tot de Alpher wael toe, daer de tweede Alpher Sluijs leijt, hondert ses roeden ende twee voeten, Beloopende alle dese metingen, tot de nombre van vijf hondert vijf en twintigh roeden, 't Twelck juijst is uijtbrengende vierdalf hondert Geerden, als elcke Geerde langh wesende alderhalve Roede, Sulcx dat de roede vrijheijt, ofte vrijdom vande Stadt, bevonden is te strecken langhs de Yssel van corte Haerlem aff: ('t Welck onder 't lant van Steijn sorteert:) Tot de Alpher weteringe, ofte de voorschreven

1

[Blommeldaelsche] lees [Blommendaelsche]

[7 verso] Adriaan Jansz en secretaris Jan Florisz aangesteld om landmeter Hendrick Cornelisz Vos in hun aanwezigheid het rechtsgebied op te laten meten. De gecommitteerden hebben samen met de landmeter om te beginnen de ruimte gemeten buiten de Tiendewegpoort aan de overkant van de Jan Verzwollebrug tot aan ’t begin van Kort Haarlem (waar het rechtsgebied van de stad eindigt) en dat is 58 roeden lang. Door de landmeter is een gelijke lengte van 58 roeden gemeten aan de IJsseldijk tussen Kort Haarlem, waar het rechtsgebied van Gouda begint tot aan het midden van de Bloemendaalse sluis. Tevens is van het midden van de Bloemendaalse sluis tot aan de muur van het bolwerk van het kasteel 46 roeden gemeten. De landmeter verklaarde verder dat hij er zeker van is dat het van dit punt tot het bolwerk buiten de Dijkspoort 75 roeden is. Hij heeft van dit punt verder gemeten en zijn bevindingen zijn als volgt: vanaf het bolwerk tot het water van de grote sluis is het 4 roeden en 8 voeten, de kolk van de sluis is 2 roeden en 2 voeten, vanaf het water van de sluis tot de helft van de weg van de nieuwe Korte Akkeren 85 roeden, van daar tot halverwege de tweede Waal 148 roeden, en van daar tot de Alpherwaal, waar de tweede Alphense sluis ligt, 106 roeden en 2 voeten. De som van al deze metingen is 525 roeden. Dat is precies 350 gaarden als een gaarde anderhalve roede lang is, zodat gebleken is dat het rechtsgebied van Gouda zich uitstrekt langs de IJssel vanaf Kort Haarlem (dat onder het Land van Stein valt) tot aan de


[8] Alpherwael toe, daer de voorschreven tweede Alpherse Sluijs leijt, waer mede d' voorschreven Gecommitteerde, uijt de besoingne zijn gescheijde, uijt stellende tot op een bequamer tijt om te meten, hoe verre de voorschreven Vrijdom van de halve Yssel af, te lande waert is, streckende, alsoo ‘t zeer geregent hadde, mitsdien ‘t Lant te nat om gaen was, Actum den zeventiende Augusti, anno Sestienhondert twaelff, ende is ‘toirconde dit bij d' voorschreven gecommitteerde, ende Lantmeter onderteijckent, Ende was onderteijckent. Adriaen Jansen, Hendrick Vosch, Johannes Florissen de Jager. met een Signatuire

[8] Alpherwaal toe, waar de tweede Alphense sluis ligt. Hierna trokken de gecommitteerden zich uit de bezigheden terug, aangezien het zo hard geregend had dat het land te nat was om te begaan. Ze stelden het meten van het rechtsgebied vanaf halverwege de IJssel landinwaarts uit tot een geschikter tijdstip. Waarvan de akte is opgemaakt op 17 augustus 1612 en ondertekend door de gecommitteerden en de landmeter: Adriaan Jansz, Hendrick Vos en Johannes Florisz de Jager.

Copia. Copia.

Voor mij, Cornelis van der Hoeff, notaris en toegelaten door het Hof van Holland, kantoor houdend in Gouda en de hierna te noemen getuigen, verscheen meester Barend Rijnenburg, poorter van Gouda, beëdigd landmeter en toegelaten door het Hof van Holland. Dit bleek uit een akte van datzelfde Hof, die is gedateerd op 4 november 1620 en die hij aan mij en de getuigen toonde. Daarin stond dat hij al jarenlang de kunst van de geometrie had beoefend, waardoor Barend Rijnenburg al in 1603 door

Aengaende de selfde saecke. Compareerde voor mij Cornelis vander Hoeff, Notaris Publijcq, bij den Hove van hollant geadmitteert, residerende binnen der Goude, ende de getuijgen naer genoemt, de Edele Meester. Barent Rijnenburgh Poorter der Stede vander Goude, Gesworen lantmeeter bij den Hove van Hollant geadmitteert, blijckende bij Acte vande zelve Hove, gedateert den iiiiden November anno xvihonderd twintigh, die hij aen mij Notaris ende getuijgen vertoonde, welcke Acte inhiel, dat hij al over lange Jaren hem hadde ge-exerceert inde Konst van Geometria ofte Lantmeten, Zo dat hij al inden Jare xvihonderd drie, bij

Kopie. Over dezelfde zaak.


[8Verso] andere gesworen Lantmeters, gebruijckt ende zo erkent was geweest, dat hij in ‘t zelve was gepresen, ende gelaudeert, ende Exhibeerde zeecker register, ofte Hant-Boeck waer inne geschreven, ofte geannoteert stont, ‘t gene hier naer volght, Ende dat ten Versoecke van Burgermeesteren, ende regeerders der Stede van der Goude, In Sticht, Noorthollant, Vrieslant, Vlaenderen sijn verscheijde plaetse daermen die Roede achtien voeten hout, die zij oock gaerden noemen, in Sticht is oock een roede die veertien voeten hout, In Vlaenderen zijn plaetsen die houden den Mergen van negen hondert Roeden, als men se met Roeden van twaelf voeten meet, In Noort-hollant ende Vrieslant zijn sommige quartieren die de Roede van achtien voeten hebben, ende een deijmaet, Dijckmaet, ende een gaerten noemen. men placht veel meer Roeden van achtien Voeten te gebruijcken, maer oft is om de onbehandicheijt der Roede, ofte om de groote dierte der Lande, wort nu meest twaelf voeten gebruijckt. Alle ‘twelcke den voornoemde Meester. Barent Rijnenburgh, verklaerde eertijts getrocken te hebben, uijt een out Memoriael Boeck, van een out LantMeeter, eertijts geresideert hebbende binnen Alckmaer, wiens naem hem tegenwoordigh ontgaen, of Vergeten is, Ende Verklaerde noch soo veel meer, dat hij inden tijden van den Treves, selfs eenige gedeelte van Landen, gelegen in Vlaenderen heeft Verkocht, ende dat hij de Roede tegen achtien Voeten heeft moeten leveren, alsoo de Koopers Zeijde dat heur mosten volgen d’oude Maten van achtien Voeten, voor de Roede, om datter uijt

[8 verso] andere beëdigde landmeters werd geraadpleegd en zeer gewaardeerd. Op verzoek van het stadsbestuur van Gouda overhandigde hij een register waarin het volgende geschreven stond. In Utrecht, Noord-Holland, Friesland en Vlaanderen zijn er verschillende plaatsen waar men een roede op 18 voeten stelt en die roeden noemen zij ook wel gaarden. In Utrecht heeft men ook een roede die 14 voeten is. In Vlaanderen zijn er plaatsen die een morgen hebben van 900 roeden als men met roeden van 12 voeten meet. In sommige delen van Noord-Holland en Friesland gebruikt men roeden van 18 voeten die men een deimt, een dijkmaat of een gaarde noemt. Vroeger gebruikte men vaker roeden van 18 voeten. Maar ofwel omdat de roede van 18 voeten onhandig is, dan wel omdat het land zo duur is, gebruikt men nu roeden van 12 voeten. Meester Barend Rijnenburg verklaarde dat hij dat vroeger allemaal uit een oud gedenkboek van een oud-landmeter gehaald had, die toen in Alkmaar woonde en wiens naam hij nu niet meer weet. Hij verklaarde ook nog dat hij in de tijd van het Twaalfjarig Bestand zelf enige stukken grond in Vlaanderen heeft verkocht en dat hij die tegen roeden van 18 voeten heeft moeten leveren, omdat de kopers zeiden dat zij zich moesten houden aan de oude maat. De reden hiervoor was dat er geen nadere bijzonderheden waren genoemd en geen maat was gespecificeerd.


[9] noch in gezeijt en waer, noch geen Mate gespecificeert, consenterende hier van Acte, gemaeckt te worden ten behouven van de Burgermeesteren voorschreven, Aldus gedaen ter Goude ten Conptoire1 mijns Notarij, in mijn woonhuijs staende aende Oost zijde vande Haven, naest den grooten Olijphant, alwaer met mij present, aen, ende over waren Pieter Jansz Wantslager, ende Willem Woutersz Doncker mijn Clercq, als getuijgen waerlijck van geloove, hier toe met mij specialijcken Versocht, den xxven October 1623.

1

[p] interlineair

[9] Rijnenburg stemde erin toe dat hiervan een akte werd opgemaakt ten behoeve van de burgemeesters van Gouda. Die is opgemaakt op 25 oktober 1623 in Gouda in mijn notariskantoor aan de oostzijde van de Haven naast de Grote Olifant. Daarbij waren aanwezig Pieter Jansz Wantslager en mijn klerk Willem Woutersz Doncker, die ik speciaal als betrouwbare getuigen heb gevraagd.


[9 Verso] [Leeg]

[9 verso] [Leeg]


[10] Copie

[10] Kopie

Vande Gifte bij de Stadt, aende Catharinen Gast-Huijs gedaen, vande Craen ende vander Stede Steenplaetse, buijten Dijckxpoort gelegen beneffens den Ysseldijck, binnen der Stede Vrijheit vander Goude.

Over de gift die Gouda aan het Catharina Gasthuis heeft gedaan, over de kraan en over de steenbakkerij van de stad die buiten de Dijkspoort ligt naast de IJsseldijk in het rechtsgebied van Gouda.

Dese Steenplaetse is gelegen geweest, aende Westzijde vande Waddincxveensche Weteringe ter zijden aende1 zelven, achter den Thuijn vanden Burgermeester Trist Zaliger. Dienende, Omme Hier mede te doen blijcken, dat den Vrijdom vande Stadt, vorder als de (Stadts) nieuwe Cortacken gestreckt heeft.

1

[aende] interlineair

Deze steenbakkerij lag langs de westzijde van de Waddinxveense Wetering achter de tuin van wijlen burgemeester Trist. Dit dient ook om aan te tonen dat het rechtsgebied van Gouda verder reikte dan de nieuwe Korte Akkeren.


[10Verso] Copie, Copie.

[10 verso] Kopie

Wij Schout, Burgermeesteren, Schepenen ende Raet der Stede vander Goude, maecken kondt ende kennelijck allen Luijden, dat wij bij consent, ende goet duncken der gemeenre Stede Vroetschap, vander gemeenre Stede wegens, gegeven, hebben, ende geven mits desen openen Brieven, puijrlijcken om Godes wille, onser Stede vander Goude groote Gast huijs gesticht, in de eer Godes, ende der Heijliger Jonckvrouwe Sinte Catarine, tot desselfs Gast-Huijs Timmeragie, ende ter armen behouff onser Stede Craen, alsoo staet aende Oost-zijde vande Haven, voor dat zelve Gast-Huijs, ende daer toe onser Stede Steenplaetse, alsoo als die gelegen is buijten ’t Dijckxpoorts-Huijs, neffens den Yssel-dijck, binnen der Stede Vrijheijt vander Goude, Ende alle nutschap dat vander Craen, ende vander Steenplaetse voorschreven, voort meer komen magh, te gebruijcken, te besijgen, te houden, ende te besitten tot eeuwigen dagen, als des voorschreven Gast-Huijs, vrij eijgen goet ter Timmering ende ter Armen behouff voorschreven, gelijckerwijs ende in alre manieren, als Zij der voorseijder Stede, voor deser tijt toe plagen te hooren, ende die Stede selve plagh te gebruijcken, ende te besitten, In oirconde, hier af soo hebben wij onser voorschreven Steden Zegel, aen desen Brief gehangen, Gegeven op Sinte Lucas Dagh Evangelist, in’t Jaer ons Heeren, Duijsent vierhondert negen en twintigh.

Wij, schout, burgemeesters, schepenen en raad van Gouda maken aan alle mensen bekend dat wij met toestemming en goedkeuring van de voltallige vroedschap met deze openbare akte het grote ziekenhuis van Gouda dat gesticht is in de naam van God en de heilige jonkvrouw Sint-Catherina, aan de gemeenschap hebben geschonken. Voor het onderhoud van dat ziekenhuis en ten behoeve van de armen, geven wij ook onze stadskraan die aan de oostzijde van de haven voor het ziekenhuis staat en ook geven wij onze steenbakkerij die buiten het Dijkspoortshuis naast de IJsseldijk binnen het rechtsgebied van Gouda ligt. Alles wat de kraan en de steenbakkerij opbrengen, mag het ziekenhuis in eigendom gebruiken en bezitten tot in lengte van dagen voor het timmerwerk en de reparaties en ten behoeve van de armen, precies zoals Gouda het voordien in eigendom had en gebruikte. Om dit te bevestigen maken wij bekend dat wij ons stadszegel aan deze akte hebben gehangen. Gegeven op de dag van Sint-Lucas, de evangelist, 18 oktober 1429.


[11] Thiendewegh.

[11] Tiendeweg.

Copia.

Kopie.

Van seeckere drie brieven, daer van de Principalen berusten onder den Heer Hendrick Dirckxz Vossenburgh, spreeckende van seecker Landt, zijnde tegenwoordigh de Thuijnen vande Cluijsenaers Cade.

Over drie bepaalde brieven waarvan de originelen bewaard worden door de heer Hendrick Dirkxz Vossenburg waarin sprake is van de stukken land die nu de tuinen van de Kluizenaarskade zijn.

Om daer mede te bewijsen, dat de selve onder de Stadt behooren, ende bij Schepenen daer over besegelt is. Wij Dirck Bendelijn Volckwijnsz, Jan Ghijsberts, ende Hendrick Willemsz, Schepenen binnen der Goude, Oirconde ende kenne, dat quam voor ons, Samson Claessen, ende lijde dat hij schuldigh is, Hendrick Meelissen Vier Engelsche Nobels, goet van Goude ende van gewichte, ofte Paeijement, dier waerde ‘s’Jaers aen Rente eeuwelijck duerende, op een Campe Lants die hij tegens hem verpacht heeft, tot een eeuwige pacht, Ende gelegen is tusschen den Thiendewegh, ende Wilnes wegh, Ende hebben belegen met Erven, Hendrick Dirckxz, aen de Oostzijde, ende Ghijskijn Hellevoet aen de Westzijde, alle Jaers te betalen, op Sinte Pieters Dagh in zulle, met gelde, ofte met ponde als recht is van Erf-pacht. Voort zijne voorwaerde dat Samson voorschreven houden zal die straet op den Tiendewegh aen beijde zijde, also breet als dese Campe-Landts is uijtgeset, een Roede Breet ter halver straete, toe, aen die zuijt zijde vander Straet, die Hendrick voorschreven houden zal tot eenen opstal, om te komen op zijn viertel Lants voor zijne voorwaerden, dat Samson voorschreven, geen Aerde van deze voorschreven Lande en zal mogen wegh voeren, ende voorts zoo zal

Dit is ook om te bewijzen dat de landerijen aan de stad behoren en dat schepenen dat met hun zegel hebben bekrachtigd. Wij, Dirck Bendelijn Volckwijnsz, Jan Ghijsberts en Hendrick Willemsz, schepenen van Gouda, verklaren dat voor ons verscheen Samson Claessen en wij leggen vast dat Samson aan Hendrick Meelissen 4 Engelse nobels schuldig is van het juiste goud en gewicht of een betaling van dezelfde waarde aan eeuwigdurende rente voor een stuk grond dat Hendrick aan Samson in eeuwige pacht heeft gegeven. Per jaar zal de betaling gedaan worden op Sint-Pietersdag, 22 februari, en die zal bestaan uit ponden of uit andere munten zoals het recht van erfpacht inhoudt. Het stuk grond ligt tussen de Tiendeweg en de Willensweg en Hendrick Dirckxz heeft er aan de oostzijde erven van gemaakt en Ghijskijn Hellevoet aan de westzijde. De voorwaarden zijn verder dat Samson een deel van de Tiendeweg aan beide zijden moet behouden zoals dat is uitgemeten. Een strook van een roede breed moet Hendrick aan de zuidzijde aanhouden als een open ruimte zodat Samson op zijn stuk land kan komen. Samson zal geen aarde van dit land mogen afvoeren. Verder moet


[11Verso] Samson houden, ende bewaren, alle dat Bauwwerck van wegh, en van Weteringe, als hem toebehoort, Alle dinck zonder argh of list, In kennisse der waerheijt besegelt, met onsen zegelen, gegeven des Saterdaghs na Sinte Anginieten dagh, In’t Jaer ons Heeren, MCCCXCV. Ende hadde drie zegelen van Groenen Wassche, uijthangende aen elcke francijne staerten. Een ander. Wij Dirck Bendelijn Volckwijns, Jan Ghijsbertsz, ende Hendrick Willemsz, Schepenen binnen der Goude, oirconde ende kenne, dat voor ons quam Hendrick Melissen, ende gelovende Samson Claesen, te waren ende te vrijen, die Campe Lants die hij hem Verpacht heeft, tot een eeuwige pacht, ende gelegen is tusschen den Tiendewegh, ende de Willens wegh, Ende hebben belegen, met Erven Hendrick Dirckxz aende Oostzijde, Ende Ghijskijn Hellevoet aen die Westzijde, van alle Commer die daer op komen magh, dat voor die tijd magh voeren, voor dat hij ’t hem verpachtende, Uijtgeseijt vier Engelsche Nobels, ofte paeijement dier waerde, dier opstellen blijven staen zal, aen Jaerlijckse rente alst regt is, voor zijne voorwaerden, dat Hendrick voorschreven houden ende bewaren zal, den Ysseldijck, onder de Hiemrades Schouwe, ende een roede straets ter halver strate toe, aende zuijtzijde vander Strate, tot eenen opstal om te komen op zijne viertel-lants, ende waer dat saeck dat Samson voorschreven, hier af eenige Schade ofte hinder krege, dat zal hij verhalen aen Hendrick voorschreven viertel Lants, die hij leggende heeft tusschen den Tiende wegh, ende den Ysseldijck, naest Jan Geerloffse oost-waerts Alle dinck zonder argh of list, In kennisse der waerheijt besegelt, met onse zegelen gegeven, des Saterdaegs nae Sinte Agnieten dagh, Int Jaer ons Heeren MCCCvijf en ‘tnegentigh, Ende hadde drie Segelkens van groene Wasche, uijthangende aen enckelde francijne staerten.

[11 verso] Samson al het weg- en waterbouwwerk dat hem toebehoort, in originele staat houden. Alles naar eer en geweten en naar waarheid bekrachtigd met onze zegels op Sint-Agniet, 21 januari 1395. Er zijn drie zegels van groene was aan enkele perkamenten stroken gehangen. Een tweede. Wij, Dirck Bendelijn Volckwijns, Jan Ghijsberts en Hendrick Willemsz, schepenen van Gouda, verklaren dat voor ons verscheen Hendrick Meelissen en wij verklaren dat Hendrick aan Samson Claessen het stuk grond dat hij hem in eeuwige pacht heeft gegeven, zal waarborgen en vrijwaren van alle lasten van voor de tijd van de pacht. De pacht is officieel vastgesteld op 4 Engelse nobels of een betaling van dezelfde waarde aan jaarlijkse rente volgens het recht waarvan de oplegging gehandhaafd zal blijven. De grond ligt tussen de Tiendeweg en de Willensweg en Hendrick Dircxz heeft er erven van gemaakt aan de oostzijde en Ghijskijn Hellevoet deed dat aan de westzijde; op voorwaarde dat de genoemde Hendrik de IJsseldijk onder toezicht van de Heemraad zal stellen. Verder moet Hendrick aan de zuidzijde van de straat ook een strook grond van een roede breed als een open ruimte houden zodat Samson op zijn stuk land kan komen. In het geval dat Samson hiervan schade ondervindt, moet hij die verhalen op het stuk land van Hendrick dat hij heeft tussen de Tiendeweg en de IJsseldijk naast Jan Gerloffse aan de oostkant. Alles zonder kwade bedoelingen en naar waarheid bekrachtigd met onze zegels op zaterdag na de dag van Sint-Agniet in 1395. Er zijn drie zegeltjes van groene was aan enkele perkamenten stroken gehangen.


[12] Een ander.

[12] Een tweede.

Wij Aelbert Splinters, Kerstant Ghijsbertsz, ende Hugo Jacobsz, Schepenen binnen der Goude, ‘torconden ende kennen, dat quamen voor ons Jan Claesz, Volphert Jacobsz, ende Hendrick Lijclaesen, ende lijeden dat zij Verpacht hebben Jegens Samson Claessen, tot een eeuwige pacht, die twaelf roeden Erffs, vander Waterschap afterwaers, te weten: Noortwaers daer haren Wint-Molen, ende Huijs op staen, aende Thiendewegh, naest Wouter Gerritsz Westwaertsz, s’Jaers om eenen engelse Nobel, goet van Goude ende van gewichten of paeijement dier waerde, alle, Jaer te betalen, op Kersdagh, met gelde, ofte met panden alst recht is, van Erfpacht, Voort is de voorwaerde, dat Jan Pholpertsz, ende Hendrick voorschreven, houden ende bewaren zullen die heele straet, ende Wegh, alsoo breet als Hendrick Meelissen lant breet is, daer neffens over, ende daer toe alle bauwwerck vanden Heele Lande, daer dese Molen op staet, buijten Samsons Kost, of schade voorschreven, Ende hebben dit Verplogen op dit voorschreven Erve, ende op haer Wint Molen, voorgenoemt. Alle dinck zonder Ergh of list, In kennisse der waerheijt bezegelt, met onse zegelen, ende gegeven des woensdaeghs nae St. Louwerens dagh, In’t Jaer ons Heeren Duijsent en vierhondert Ende hebbe drie zegelen, van Groene Wassche uijthangende aen Enckelde staerten.

Wij, Aelbert Splinters, Kerstant Ghijsbertsz en Hugo Jacobsz, schepenen in Gouda, verklaren dat voor ons verschenen Jan Claesz, Wolphert Jacobsz en Hendrick Lijclaesen. Wij leggen vast dat zij aan Samson Claessen in eeuwige pacht hebben gegeven de twaalf roeden aan land vanaf de wetering naar achteren in noordelijke richting waar hun windmolen en huis op staan. De grond ligt aan de Tiendeweg ten westen van de grond van Wouter Gerritsz. De pacht daarvoor bedraagt 1 Engelse nobel per jaar van het juiste goud en gewicht of een bedrag van dezelfde waarde, ieder jaar te betalen op kerstdag in geld of onderpand zoals het recht van erfpacht is. Verder is de voorwaarde dat Jan Wolphertsz1 en Hendrick in stand moeten houden buiten kosten of schade van Samson: de hele straat en de weg, zo breed als het land van Hendrick Meelissen breed is en bovendien al de opstallen op het land waar de molen op staat. Zij zijn de verplichting daartoe aangegaan op dit erf en op hun windmolen. Alles zonder kwade bedoelingen en naar waarheid bekrachtigd met onze zegels, op woensdag na de dag van Sint-Laurentius, 10 augustus1400. Er zijn drie zegels van groene was, die aan enkele stroken hangen.

1

Jan Pholpertsz en Hendrick: Jan Wolphert en Hendrick. In ‘Pholpertsz’ is niet alleen ‘Ph’ corrupt, maar ‘sz’ ook.


[13] Copie.

[13] Kopie.

Van zeeckere Koop, ende opdracht Brief van Landen, gezegelt, ende opgedragen, Voor Burgermeesteren, Schepenen, ende Raden der Steden vander Goude, gelegen in

Van de officiële documenten over de landen in Broekhuizen die zijn bezegeld door de burgemeesters, schepenen en raden van Gouda. Om daarmee te bewijzen dat Gouda vroeger de officiële documenten bezegeld heeft. Kopieën.

Brouck-Huijsen, Om daer mede te bewijsen, dat de Stadt in voorigen Ouden tijden, over de Landen aldaer gelegen, gesegelt heeft. Copiæ, Copiæ, Wij Burgermeesteren, Schepenen, ende Raden der Stede vander Goude, doen kont allen luijden, hoe dat voor ons gekomen is Marchjen Jacobsz Heijndrickxz Dochter, met haer gekoren Vooght, ende kende ende lijede, dat Dirck Jacob Hendrickxz haren Broeder, die helft van seven dalve Margen Landts, gelegen in Brouckhuijsen, daer hem d’ander helft toebehoort, verkocht heeft als gemachtight, ende uijt bevel van haer, ende gelooft dat van waerden te houden ten eeuwigen dagen, voor haer, ende voor haer Erve, ende gelooft oock dat voorschreven Landt te waren, ende te vrijen,

Wij, burgemeesters, schepenen en raden van Gouda, maken aan alle mensen bekend dat voor ons is verschenen Marchjen, dochter van Jacobsz Hendrickxz, met haar wettige voogd. Wij maken bekend dat wij erkennen dat Dirck Jacobsz Hendrickxz, haar broer, in haar opdracht en als haar gemachtigde de helft heeft verkocht van zes en een half morgen land, dat ligt in Broekhuizen, waarvan de andere helft hem toebehoort. Dirck belooft zich daar voor eeuwig aan te houden voor haar en haar erfgenamen en ze te vrijwaren


[13Verso] Vrij van alle kommer nae den Rechten vanden Lande, sonder argh of list, des Torconde hebben wij onsen Stede zegel van zaecken, dat wij dagelijckx gebruijcken, hier beneden aen gehangen. Gegeven op den elfden dagh in September, int Jaer ons Heeren MCCCC negen en tnegentich. Ende hadde een zegel van groene Wassche onder uijthangende, aen een enckelde staert, onderstont accordeert met zijn principael, ende was onderteijckent Johannes Florissen de Jager 1623. Dit naervolgende Extract dient omdaer mede te bewijsen, dat den Bailliuw ende de Burgermeesteren, selfs altijt gesustineert hebben, dat zij in Brouckhuijsen, ende Broucken-Tuijl, ende ‘tweechjen altijdts ge-exerceert hebben, allerleij acten van Jurisdictie. Extract: Uijt seeckere Memorie, ende advertissementen van rechten, overgegeven aenden Hoven, bij Anthonis Cloots Bailliuw ende Schout der Stede vander Goude, met den gevolge Ende aencleven van dien, gedaechde in cas d’appel, mits gaders Burgermeesters ende Regeerders der voorschreven Stede met hem gevoecht voor Intrest ende tot conservatie, vander selver Jurisdictie, ter eenre, op ende Jegens Gillis Ariens Benscooper, mits gaders Burgermeesters ende Regeerders der Stede Rotterdam, hen voegende met den selven Implianten In’t voorschreven cas, ter andere zijde.

[13 verso] van alle lasten volgens het landelijk recht en zonder boze bedoeling. Wij hebben onder aan de akte ons zakelijk zegel gehangen, dat wij dagelijks gebruiken. Uitgereikt op 11 september 1499. Er hing een zegel van groene was onder, aan een enkele reep, en de akte kwam overeen met het origineel. Was getekend door Johannes Florisz de Jager 1623. Het uittreksel hierna dient om te bewijzen dat de baljuw en de burgemeesters altijd zelf aangevoerd hebben dat zij in Broekhuizen, Broek en Thuil en ’t Weegje altijd allerlei vormen van rechterlijke macht uitgeoefend hebben. Uittreksel: Uit een bepaalde opsomming en bekendmakingen die aan het Hof zijn overhandigd door Anthonis Cloots, baljuw en schout, met alles wat er bij hoort, van Gouda. Anthonis Cloots was gedaagde in een beroepszaak over het belang van en voor het behoud van het rechtsgebied van de stad. Hij was daarin verbonden met burgemeesters en bestuurders van Gouda aan de ene kant tegenover Gillis Ariens Benscooper samen met burgemeesters en bestuurders van Rotterdam aan de andere kant.


[14] 17. Ende zijn sulcx de Landen, gelegen, bewesten de voorschreven Alpherse Weteringe, aende zijde van Moordrecht altijt gehouden voor Schielant. 18. Ende de Landen gelegen aende ander zijde vande Weteringe, voorschreven, nae de Stadt vander Goude toe, als Brouckhuijsen, Brouck en Thuijl, ende het Weechjen, voor een gedeelte vanden Landen van Beloijs. 19. Hebbende hare Jurisdictie apart, ende ’t eenemael separaet vande heerlickheijt van Moordrecht. 20. Ende sulckx oock haer eijgen Schout, mits gaders hare Heemraden, ende Lant bewaerders, Bij Burgermeesters ende Regeerders der Stede vander Goude, van allen ouden Tijden gestelt, ende gekozen. 21 Ende van allen ouden tijden de Cade ende wegen geschout, keuren ende Ordonnantien tot ’s Landts oijrbaer gemaeckt, resolutien genomen, ’s Landts goederen, ende Landen Verpacht, accoorden ende Tractaten gemaeckt, ende rekeningen gedaen hebben.

[14] 17 Zo zijn de stukken land ten westen van de Alphense Wetering aan de kant van Moordrecht altijd van Schieland geweest. 18 En de stukken land aan de andere kant van de Wetering, in de richting van Gouda, zoals Broekhuizen, Broek en Thuil en ’t Weegje, hebben voor een deel behoord bij het land van Blois 19 zodat de jurisdictie in deze stukken land in het geheel niet valt onder de heerlijkheid Moordrecht. 20 Zo worden ook hun schout, hun heemraden en hoeders van het land al van oudsher gekozen en aangesteld door de burgemeesters en bestuurders van Gouda. 21 En van oudsher worden de kaden en wegen geïnspecteerd, handvesten en reglementen ten nutte van het land opgesteld, besluiten genomen, vastgoed en stukken land verpacht, overeenkomsten en verdragen gesloten, rekeningen opgemaakt en voldaan, en wordt financiële verantwoording afgelegd.


[14Verso] 28. ‘T is nu mede sulckx, dat Burgermeesters ende Regierders der voorschreven Stede1 vander Goude, van outs altijt gerechticht zijn geweest, ende noch zijn tot de Jurisdictie inde voorschreven Polders, Brouckhuijsen, Broucken-Thuijl, en ’t weechjen. 29. Ende is sulckx waer, dat soo wel’t voor schreven Suijt-eijnde van Waddincxveen, als Broecken-Thuijl, groot ontrent dartig hondert Mergen, eertijts bij den Heere van Beloijs uijtgegeven zijn, ten behouve van seeckere Capelle, binnen de voorschreven Stadt vander Goude. 30. Ende bij Jan van Castellon, Grave van Beloijs, Heere van Avesnes, van Schoonhoven, ende vander Goude, de Landen daer het Bosch plach te staen, bij der Goude geweest zijn in Brouckhuysen. 38. Keijser Maximiliaen, heeft vergunt ’t Octroij om twee Water-Molens te mogen stellen etc. 39. Ende dat binnen de bepalinge, ende Jurisdictie vander Goude. 54. Ende voor den welcken oock, ofte voor Schepenen vander Goude, gifte ende opdrachte vande Lande2 inde voorschreven polders gelegen, gedaen ende genomen zijn, gelijck als bij Verscheijden, acten, kan worden bewesen.

1 2

[Stede] in de marge [Lande] in de marge

[14 verso] 28 Het is nu ook zo dat burgemeesters en bestuurders van Gouda van oudsher gerechtigd zijn geweest en nog zijn om de jurisdictie te voeren in de polders Broekhuizen, Broek en Thuil en ’t Weegje. 29 Het is ook zo dat zowel het voornoemde Zuideinde van Waddinxveen als Broek en Thuil die samen ongeveer 3.000 morgen groot zijn, vroeger zijn uitgegeven door de heer van Blois, ten behoeve van een kapel binnen het voornoemde Gouda. 30 Jan van Chatillon, graaf van Blois, heer van Avesnes, van Schoonhoven en van Gouda, heeft de landen in Broekhuizen waar vroeger het bos was en die bij Gouda hoorden, uitgegeven. 38 Keizer Maximiliaan heeft een machtiging verleend om twee watermolens te bouwen etc. 39 en wel binnen de grenzen en het rechtsgebied van Gouda 54 en voor wie dan ook, of voor de schepenen van Gouda, schenkingen zijn gedaan en overdracht van grond heeft plaatsgevonden, zoals met verschillende akten kan worden bewezen.


[15] 55. Ende specialijcken, dat al inden Jare 1499 seecker Landt gelegen in Brouckhuysen, voorBurgermeesteren, Schepenen, ende Raden der voorschreven Stede, vander Goude is Verkocht, ende opgedragen. 60 In voegen, dat de voorschreven gedaegde ende gevouchdens, soo wel in Brouckhuijsen als in Broucken-Thuijl, en ’t weechjen, altijt ge-exerseert hebben allerleij Acten van Jurisductie. 67 Ende zijn de voorschreven Gedaegde ende gevouchdens, Jegenwoordigh noch in actuele Possessie, van alle de voorschreven Acten van Jurisductie, Inde voorschreven Polders te exerceren.

[15] 55 In het bijzonder kan bewezen worden dat al in 1499 een stuk grond dat in Broekhuizen ligt, voor burgemeesters, schepenen en raden van Gouda is verkocht en overgedragen. 60 Het kan namelijk bewezen worden, dat de voornoemde gedaagde, samen met de medestanders, zowel in Broekhuizen als in Broek en Thuil en ’t Weegje, altijd allerlei vormen van rechterlijke macht hebben uitgeoefend. 67 De voornoemde gedaagde, samen met de medestanders, zijn bovendien tegenwoordig nog in het bezit van alle documenten die hen het recht geven allerlei vormen van rechterlijke macht uit te oefenen in de voornoemde polders.


[15] 55. Ende specialijcken, dat al inden Jare 1499 seecker Landt gelegen in Brouckhuysen, voorBurgermeesteren, Schepenen, ende Raden der voorschreven Stede, vander Goude is Verkocht, ende opgedragen. 60 In voegen, dat de voorschreven gedaegde ende gevouchdens, soo wel in Brouckhuijsen als in Broucken-Thuijl, en ’t weechjen, altijt ge-exerseert hebben allerleij Acten van Jurisductie. 67 Ende zijn de voorschreven Gedaegde ende gevouchdens, Jegenwoordigh noch in actuele Possessie, van alle de voorschreven Acten van Jurisductie, Inde voorschreven Polders te exerceren.

[15] 55 In het bijzonder kan bewezen worden dat al in 1499 een stuk grond dat in Broekhuizen ligt, voor burgemeesters, schepenen en raden van Gouda is verkocht en overgedragen. 60 Het kan namelijk bewezen worden, dat de voornoemde gedaagde, samen met de medestanders, zowel in Broekhuizen als in Broek en Thuil en ’t Weegje, altijd allerlei vormen van rechterlijke macht hebben uitgeoefend. 67 De voornoemde gedaagde, samen met de medestanders, zijn bovendien tegenwoordig nog in het bezit van alle documenten die hen het recht geven allerlei vormen van rechterlijke macht uit te oefenen in de voornoemde polders.


[16] Roerende het Oude-Kerckhoff, Wij Claes Maertens, Govert Wittessen, ende Dirck Andriessen Schepenen binnen der Goude, doen cont1 ende certificeren eenen ijegelijcken dient behoort, Dat op huijden voor ons gekomen, ende gecompareert zijn geweest, Heer Cornelis Jacobs out Lxviij Jaren, ende Heer Cornelis Gillissen Deecken out Lx Jaren, beijde Priesters, ende hebben ten Versoecken vande Burgemeesteren deser Stede: (rechtelijcken daer toe Verdaecht zijnde, omme getuijgenisse der waarheijt te geven,) Verklaerde bij haerluijder Priesterschappen, in plaetse van Eede, de Verklaringe van den Officier henluijden afgenomen heeft waerachtich te zijn, dat zij in heurlieden Jonckheijt, dickwils haer ouders, ende andere Persoonen hebben hooren Vermanen, als dat ontrent een half quartier uijr gaens buyten deser Stadt, op een plaets genaemt het oude Kerckhoff, gestaen heeft de Parochie Kerck deser Stede, alwaer oock mede eenige Huijsen stonden, ende dat oock in de Aerde voormaels, ende noch onlanghs de vestinge der zelver Kercke, ende Huijsen gezien ende gevonden zijn. Verklaerde voorts, dat tot een geheuchenisse ende Memorie, de voorschreven plaetse Jaerlijckx, met een processie generael besocht wort, op den lesten Bedagh inde Cruijs’ dagen, ende dat zij deposanten over de 31,, 40,, 50 Jaren, ende Langer inde selve processie mede gegaen hebben, Alle fraude gesecludeert, Torconde van desen hebben wij Schepenen voornoemt, elcx ons zegel hier onder aen gehangen, op den xxi Aprillis, anno 1569. Stijlo communi. Op den plijcke stont Jor~: Jacobsz 1569. ende hadt drie uijthangende segelen, in Groene Wassche, een dubbelde francijnen staerten.

1

[cont] interlineair

[16] Betreffende het Oude Kerkhof, Wij, Claes Maertens, Govert Wittessen en Dirck Andriessen, schepenen van Gouda, verklaren met zekerheid en maken bekend aan ieder die het aangaat, dat heden voor ons in rechte verschenen zijn de heer Cornelis Jacobs, oud 68 jaar en de heer Cornelis Gillissen, deken, oud 60 jaar, beiden priester. Volgens het recht waren zij opgeroepen om naar waarheid te getuigen. Maar in plaats van de eed af te leggen nam de officier hen de verklaring af dat zij in hun hoedanigheid van priester de waarheid zouden spreken. Op verzoek van de burgemeesters van Gouda verklaarden zij dat zij in hun jeugd vaak hun ouders en andere personen hebben horen vertellen dat ongeveer een half kwartier lopen buiten de stad, op een plaats die het Oude Kerkhof heet, de parochiekerk van Gouda gestaan heeft, samen met enige huizen. In de grond zijn er vroeger en nog onlangs fundamenten van de kerk en de huizen gevonden. Zij verklaarden verder dat ter nagedachtenis de genoemde plaats ieder jaar door een grote processie bezocht wordt, op de laatste biddag in de kruisdagen en de priesters verklaarden dat zij, officiĂŤle getuigen meer dan eenendertig, veertig en vijftig jaar en langer in de processie hebben meegelopen en daarom hebben wij alle fraude uitgesloten. Bij het bekend maken hiervan hebben wij, schepenen, elk ons zegel hieronder aan gehangen op 21 april 1569. Stilo communi. Op het omgevouwen gedeelte stond Jor__: Jacobsz 1569 en er waren drie zegels van groene was, gehangen aan dubbele repen perkament.


[16Verso] Een ander.

[16 verso] Een tweede

Wij Claes Maertens, Govert Wittessen, ende Dirck Andriessen, Schepenen binnen der Goude, Doen kondt ende certificeren eenen ijegelijcken dient behoort, dat op huijden voor ons gekomen, ende gecompareert zijn geweest, Pieter Pietersz out Lxxxv Jaren, Cornelis Meessen out Lxxxv Jaren, Albrant Michielsz out Lxxxi Jaren, Hendrick Adriaensz oudt Lxxvij Jaren, Pieter Jansz out Lxxiij Jaren, Augustijn Hercks oudt Lxxij Jaren, Gerrit van Wieringen out Lxxj Jaren, Jan Thomassen out Lxv Jaren, Cornelis Willemsz oudt Lxxiiij Jaren, Albrant Jansz out Lxij Jaren, ende Gerrit Jacobs, out Lxj Jaren, ofte elcx daer ontrent, alle Poorters deser Stede. Ende hebben ten Versoecke vande Burgermeesteren: (alle rechtelijcken daer toe verdaecht zijnde, omme getuijgenisse der waerheijt te geven:) geaffirmeert bij haerlieden Eede, die den Bailliuw, Schout deser Stede, henluyden solemnelicken afgenomen heeft, waerachtigh te zijn, dat zij inheurlieden Jonckheijt, dickwils haer Ouders, ende andere Persoonen hebben hooren Vermanen, als dat ontrent een half quartier uijr gaens, buijten deser Stadt, op een plaets genaemt ‘t Oude Kerckhoff, gestaen heeft die Parochie Kercke deser Stede, alwaer oock mede eenige Huijsen stonden, ende dat oock aldaer in d’aerde, voormaels ende noch onlanghs, de vestinge der zelver Kercke, ende Huijsen gesien, ende bevonden zijn. Verklaerde voorts, dat tot een geheughenisse, ende Memorie de voorschreven plaetse, Jaerlijcx met een processie generael besocht wort, op den lesten bedagh inde Cruijsdagen, ende dat zij deposanten, over de veertigh, vijftigh, zestigh Jaren, ende langer in de zelve processie mede gegaen hebben, Affirmeerde voort, dat zij oock wel hebben hooren seggen, als dat de Huysen staende binnen deser Stede alhier, door de bequaemheijt ende gelegentheijt vander deurvaert, ende omme naer der aende IJssel te wesen, getimmert zijn, ende die plaetse van ’t voorschreven Oude-Kerckhoff, daer omme verlaten is geweest, alle fraude gesecludeert. Ten oirconde van desen, hebben wij Schepenen voornoemt, elckx onse zegel hier aengehangen, den een en twintigsten Aprillis, xvhonderd negen en zestigh. Stilo communi, Op de plijcke stont geteeckent, Jor: Jacobsz, hebben drie uijthangende zegelen in Groene Wassche, aen dubbelde-franchijne staerten.

Wij, Claes Maertens, Govert Wittessen en Dirck Andriessen, schepenen van Gouda, verklaren stellig en maken bekend aan ieder die het aangaat, dat heden voor ons zijn verschenen Pieter Pietersz, oud 85 jaar, Cornelis Meessen, oud 85 jaar, Albrant Michielsz, oud 81 jaar, Hendrick Adriaensz, oud 77 jaar, Pieter Jansz, oud 73 jaar, Augustijn Hercks, oud 72 jaar, Gerrit van Wieringen, oud 71 jaar, Jan Thomassen, oud 65 jaar, Cornelis Willemsz, oud 74 jaar, Albrant Jansz, oud 62 jaar en Gerrit Jacobsz, oud 61 jaar, elk ongeveer van die leeftijd en allen zijn zij burgers van Gouda. Zij hebben op verzoek van de burgemeester de eed afgelegd de waarheid te spreken. Die eed heeft de baljuw, tevens schout van Gouda, hun plechtig afgenomen. Zo verklaarden zij dat zij in hun jeugd dikwijls hun ouders en andere personen hebben horen vertellen dat ongeveer een half kwartier lopen buiten de stad, op een plaats die het Oude Kerkhof heet, de parochiekerk van Gouda gestaan heeft en dat daar ook enige huizen stonden. Bovendien zijn in de grond vroeger en nog onlangs fundamenten van de kerk en de huizen gevonden. Zij verklaarden verder dat ter nagedachtenis de genoemde plaats ieder jaar door een grote processie bezocht wordt op de laatste biddag in de kruisdagen. De burgers verklaarden als officiële getuigen veertig, vijftig, zestig jaar en langer in de processie te hebben meegelopen. Zij bevestigden verder dat zij ook wel hebben horen zeggen dat de huizen die binnen Gouda staan, daar getimmerd zijn vanwege de gunstige ligging ten opzichte van de doorvaart en om dichter bij de IJssel te zijn. Daarom is de plaats van het Oude Kerkhof verlaten. Wij hebben alle fraude uitgesloten. Bij het bekendmaken hiervan hebben wij, schepenen van Gouda, elk ons zegel hieraan gehangen op 21 april 1569. Stilo communi. Op het omgevouwen gedeelte stond getekend Jor: Jacobsz en er waren drie zegels van groene was aan dubbele repen perkament.


[17] Volght vande Graven van Bloijs Heeren vander Goude. Willekeure. Hartoge Willem van Beijeren, Grave van Hollant, Zeelant, ende Heere van Vrieslant, ende verbeijder der Graefschap van Henegouwe, maecken kondt allen Luijden, dat wij om bede wille onser liever Vrouwe ende Moeder, der Gravinne van Henegouwe, ons lieffs ooms Heere Jan van Henegouwen, Heere van Bijaumont, ende ons lieffs [1] neve Heere Walravensz van Luxenburgh, Heere van Huij. Verlijet hebben, Verlijet ende willekoren mit desen, jegenwoordigen brieven, Onse lieve Neve, Janne ’s Graven Lodewijckx Soone van Bloijs, of zijnen naesten Erfgenamen, van ons Liefs ooms voorschreven lijve komende, Alle goede poorten, vesten, Dorpen, Heerlijckheden, hooge, ende lage, ’t Landt, ende Wateren, Renten, vervallen, sekeren, ende onsekeren, hoe dat zij genoemt, ofte waer dat zij gelegen zijn, binnen onsen lande van Hollant, van Zeelant, Keemerlant, ende van Vrieslant, met allen zijnen toebehoren, hem, ende zijnen nakomelingen, of zijnen naesten Erfgenamen, van ons liefs Ooms voorschreven Lijve komende van ons, ende onse nakomelinge, Grave van Hollant, van Zeelant, ende Heere van Vrieslant, te houden in alsulcke forme, ende in alle manieren, alst onsen lieven Oom voorschreven tot desen dage toe gehouden heeft, ende doe dese Brief geschreven was in Vaderlijcke, ende Moederlijcke bewijsinge, ende in rechte Broeder deelinge, ende wanneer onsen Lieven Oom voorschreven, van Lijve ter Doot gevaren zal wesen, op dat Jan van Blois onse Neve voorschreven, hem verleeft. Soo willen wij Jan

1

[neg] doorgehaald

[17] Nu volgt over de graven van Blois, heren van Gouda. Verordening Wij hertog Willem van Beieren, graaf van Holland, Zeeland en heer van Friesland en troonopvolger van het graafschap Henegouwen, maken aan iedereen bekend dat wij op verzoek van onze geliefde vrouw en moeder, gravin van Henegouwen, onze geliefde oom Jan van Henegouwen, heer van Beaumont en onze geliefde neef heer Walravensz van Luxemburg, heer van Huy hebben nagelaten, zoals uit het besluit in deze akten blijkt, aan onze geliefde neef, Jan, zoon van Lodewijckx van Blois, of de naaste erfgenamen die van Jan van Henegouwen afstammen, alle goederen, poorten, vestingen, dorpen en heerlijkheden, de hoge en de lage, het land en het water, de rentes die vervallen, de zekerheden en de onzekerheden, hoe zij ook heten of waar zij ook liggen in ons land van Holland, Zeeland, Kennemerland en Friesland, met alles wat erbij hoort. Van de graaf van Holland, Zeeland en heer van Friesland en zijn nakomelingen of zijn naaste erfgenamen van onze geliefde oom wordt verwacht dat zij alles in dezelfde staat zullen houden als Jan van Henegouwen het tot heden gehouden heeft en toen deze akte werd geschreven. Dit is gebeurd met vaderlijke en moederlijke toewijzing met een eerlijke verdeling tussen broers. Als Jan van Henegouwen zal zijn overleden en Jan van Blois hem overleeft, dan willen wij Jan van Blois


[17Verso] voornoemt, ofte zijnen naesten Erfgenamen, van ons liefs Ooms voorschreven Lijve, komende, te Manne ontfangen sonder eenigh wederzeggen, in allen den goeden die voorschreven zijn, die van ons, ende van onse nakomelingen, te houden tot een Rechte Erff leene, ende alle dese voorschreven dingen te verstaen, sonder argh, of list. Ende om dat wij Hartoge Willem van Beijeren, ende Grave van Hollant voorschreven, willen dat alle dese voorschreven saecke vast gestade, ende wel gehouden, in alle manieren dat voorschreven is, Soo hebben wij dese openen Brief, gesegelt met onse zegelen, in kennisse der waerheijt gedaen, ende gegeven tot Valemzijn, des Saterdaeghs nae Jaersdagh, in’t Jaer ons Heeren MCCCvier en vijftigh. Iussu domini comitis Ad voluntatem superiorum scriptorum et per commune consilium Eminentissimae comitisse et domini comitis evidenter [?] probavi [1] T de thems [?] Mijn Heere van Bijaumont, mijn Heere van Luijck, de Heere van Barbensoen, ende Heer Reijnout van Barbensoen zijn Broeder, hebben gelooft mijnen Heere den Grave voorschreven, over te leveren voor St. Jans Misse, in’t Jaer van Lv eenen openen Brief vanden Graven van Bloijs dat hij gelooft de voorschreven voorwaerden te consenteeren, ende zijn recht dat hem daer af verschijnen magh, over te geven, ende quijt te schelden tot Jans behoeff, alsoo die openen Brief hout voorschreven. Voorts hebben die voorschreven Luijde, gelooft dat zij Ghijote van Bloijs, daer toe hebben zullen, dat hij diergelijcke zijn recht over geven zal, ende quijt schelden, also hij tot zijnen Jaere gekomen is.

[17 verso] of diens naaste erfgenamen die van Jan van Henegouwen afstammen, als leenman aannemen, zonder dat iemand verzet aantekent, en wel van alle bezittingen die genoemd zijn, van ons en onze nakomelingen, om die te bezitten als een werkelijk leengoed en om alle genoemde dingen zonder kwade bedoelingen uit te leggen. Omdat wij willen dat alle beschreven dingen vaststaan en in alle eerlijkheid worden uitgevoerd. Wij, Willem hertog van Beieren en graaf van Holland, willen dat al deze zaken in goede staat worden gehouden, geheel volgens de voorschriften. Daarom hebben wij deze akte bekrachtigd met onze zegels, naar waarheid gedaan en gegeven te Valençiennes op zaterdag na nieuwjaarsdag in 1354. Iussu domini comitis Ad voluntatem superiorum scriptorum et per commune consilium Eminentissimae comitisse et domini comitis evidenter probavi [Op bevel van de heer de Graaf. Volgens de wil van de bovengenoemde schrijvers en na gezamenlijk overleg met de zeer doorluchte Gravin en de heer de Graaf heb ik duidelijk goedgekeurd] [2] T. de Thems3 De heer van Beaumont, de heer van Luijck, de heer van Barbençon en de heer Reijnout van Barbençon, zijn broer, hebben beloofd aan de Graaf een openbare akte van de graaf van Blois te overhandigen voor de Sint-Jansmis, op 24 juni in het jaar 55. Daarin belooft hij met de voorwaarden in te stemmen en het recht dat daaruit voortkomt over te dragen en kwijt te schelden ten behoeve van Jan, zoals dat in de akte staat. Verder hebben die vier heren beloofd dat zij Ghijoot van Blois zullen overhalen eveneens het recht over te dragen en kwijt te schelden als hij meerderjarig geworden is.

2 1

[Arnoldus de Yselstein] in de rechterhelft

3

[Arnold van IJsselstein] in de rechterhelft Niet duidelijk wie dit is


[18] Ge-extraheert, uijt Zeecker Boeck geintituleert diversche Chartren, ende Hantvesten, ende Privilegien, met veel meer andere besoingnes van hooger Loffelijcker Memorie, d’eerste Hertoge Willem van Beijeren, de vijfde van dien Naem, de xxije Graeff van Hollant, gevallen binnen den tijt van zijn Gouvernement aldaer, inden Jare MCCC Liiij. Lv. Lvj. Ende Lvij. Ende is dit Boeck berustende, inde Burgermeesters Kamer, der Stede vander Goude, in seecker Kiste zijnde de Sitplaetse vande Outste Burgermeester ende accordeert naer collatie.

[18] Uittreksel uit een bepaald boek getiteld: Diverse oorkonden, handvesten en privileges en veel andere belangrijke, loffelijke en gedenkwaardige zaken van de eerste hertog Willem V van Beieren, de 22e graaf van Holland. Deze zijn voorgevallen in de tijd dat hij daar regeerde in de jaren 1354, 1355, 1356 en 1357. Dit boek wordt bewaard in de burgemeesterskamer van Gouda in een kist die de zetel is van de oudste burgemeester en het stemt overeen met het origineel.


[18 Verso] [Leeg]

[18 verso] [Leeg]


[18] Ge-extraheert, uijt Zeecker Boeck geintituleert diversche Chartren, ende Hantvesten, ende Privilegien, met veel meer andere besoingnes van hooger Loffelijcker Memorie, d’eerste Hertoge Willem van Beijeren, de vijfde van dien Naem, de xxije Graeff van Hollant, gevallen binnen den tijt van zijn Gouvernement aldaer, inden Jare MCCC Liiij. Lv. Lvj. Ende Lvij. Ende is dit Boeck berustende, inde Burgermeesters Kamer, der Stede vander Goude, in seecker Kiste zijnde de Sitplaetse vande Outste Burgermeester ende accordeert naer collatie.

[18] Uittreksel uit een bepaald boek getiteld: Diverse oorkonden, handvesten en privileges en veel andere belangrijke, loffelijke en gedenkwaardige zaken van de eerste hertog Willem V van Beieren, de 22e graaf van Holland. Deze zijn voorgevallen in de tijd dat hij daar regeerde in de jaren 1354, 1355, 1356 en 1357. Dit boek wordt bewaard in de burgemeesterskamer van Gouda in een kist die de zetel is van de oudste burgemeester en het stemt overeen met het origineel.


[19] Van de graven van Blois eerste Heeren van Goude, ende Schoonhoven. Extract uijt het groote Privilegien Boeck, geteeckent Met de letter O, der Stede van Goude Folio 109vso. Ende iio. Dat de regieringe der voorschreven Stede, langen tijd gestaen heeft bij de Grave van Bloijs, als Heere vander Goude, van welcke d' eerste is geweest Heer Jan van Beaumont, dewelcke van zijn Wijffs wegen, Grave van Bloijs geworden zijnde, van zijn Broeder den [1] goeden graeff Willem als grave van Hollant, beschoncken is geworden met de heerlijckheden der Stede vander Goude, ende Schoonhoven, met alle heuren toebehooren, ende appenditien van dien, inden Jare ons Heeren MCCC. ende ses, tWelcke met consent van zijnen Broeder voorschreven den goeden Graeff Willem, aldereerst binnen der Goude opgerecht heeft de Thollen, mits gaders de Huijsen en sluysen, daer zijne Heerlijcke rechten Ontfangen soude worden. Ende aldaer oock Vermeerdert ende Verbetert het Slot, ofte Casteel der selver Stede. ‘tWelck lange Jaren daer naer, gedestineert is geweest bij de Staten van Hollant: (als zijnde ende stercke ende seeckere plaatse:) tot bewaernisse van alle Hantvesten, ende Privilegien, eertijts bij den Prince vanden landen gegeven, welck Casteel (uijtgezondert zeeckeren Toorn, daer de voorschreven Privilegien in berustende waer:) gedemolieert is, inden Jaer 1577.

1

[Vide groote Chroniek van Hol-Landt Divisie 22 Caput 3.] in de marge

[19] Over de graven van Blois, de eerste heren van Gouda en Schoonhoven Uittreksel uit het grote privilegeboek van Gouda, voorzien van de letter O, folio 109 verso en 110. [2] Het bestuur van Gouda is lange tijd in handen geweest van de graaf van Blois als heer van Gouda en de eerste heer van Gouda is Jan van Beaumont. Hij was via zijn vrouw graaf van Blois geworden en had in 1306 van zijn broer, de goede graaf Willem van Holland, de heerlijkheden van Gouda en Schoonhoven gekregen, met alles wat erbij hoort. Jan van Beaumont heeft, met toestemming van zijn broer, de goede graaf Willem, allereerst de tollen ingesteld en bovendien de huizen en sluizen gebouwd, waar zijn grafelijke belastingen geïnd zouden worden. Ook heeft hij het kasteel van Gouda uitgebreid en verbeterd. Dit kasteel (omdat ’t een sterke en veilige plaats was) werd een heel lange tijd daarna door de Staten van Holland bestemd om als bewaarplaats te dienen van alle oorkonden en privileges die voordien door de Prins waren geschonken. In 1577 is het kasteel afgebroken (met uitzondering van een toren waarin de privileges bewaard werden).

2

[Zie de grote kroniek van Holland, deel 22 hoofdstuk 3] in de marge


[19Verso] [1] Dat de voorschreven, Heer Jan van Beaumont, Grave van Bloijs, ende de Heere vander Goude, gestorven is inden Jare ons Heere MCCCLVI. Achterlatende: eenen Soone, mede Jan genaemt, dewelcke met de Heeren van Pruijssen reijsende, op de ongeloovige Heijdenen, daer hij Ridder geslagen worden, deser Werelt overleden is, nalatende twee Soonen, als Jan, ende Guido de Castillion Grave van Bloijs, ende Swessen. Dat Jan van Castillion, Heere vander Goude, nae zijn Vaders Doot, overmits hij zeer machtigh was, ende gebooren uijt den Kroone van Vranckrijck ende vanden Huijsen van Hollant, getrout heeft Vrouwe Machtelt Hartoginne van Gelre, ende Gravinne van Zutphen, ten tijden als de Brouchorsthe, tegens de Heeckeren in partijschap staende, de voorszeyde Vrouwe, uijt haer Vaderlijcke Erve poochden te secluderen, om ‘twelcke te keeren, den voorschreven Grave van Bloijs, int Lant van Gelre, bij zijnen wijven gekomen zijnde, ende met hem brengende veele Heeren, ende Ridderschap, sommige Stede aldaer belegen, ende oock eenige als Wagenen, Groensvoerders, ende andere gewonnen heeft, tot dat hij binnen Aernhem ontfangen, ende van der Vrouwe wegen gehult is geworden.

[19 verso] [3] Jan van Beaumont, graaf van Blois en heer van Gouda, is gestorven in 1356. Hij liet een zoon na die ook Jan heette en die is omgekomen toen hij met de heren van Pruisen op veldtocht was tegen de ongelovige heidenen. Tijdens die veldtocht werd hij tot ridder geslagen. Hij liet twee zonen na namelijk Jan en Guido van Chatillon, graven van Blois en Soissons. Jan van Chatillon, heer van Gouda na de dood van zijn vader, was zeer machtig, omdat hij verwant was aan het Franse koningshuis en aan het Hollandse huis. Hij trouwde met Machteld, hertogin van Gelre en gravin van Zutphen. In die tijd probeerden de Bronkhorsten, die streden tegen de Heeckerens, Machteld uit te sluiten van de erfenis van haar vader. Om dit te voorkomen kwam de graaf van Blois bij zijn vrouw in het land van Gelre en bracht veel heren en ridders mee. Hij belegerde enkele steden en nam enige plaatsen in zoals Wageningen en Groenvorden en nog andere totdat hij in Arnhem ontvangen en vanwege zijn vrouw ingehuldigd werd. Jan en Machteld, hertog en hertogin van Gelre hebben Gouda het privilege gegeven dat de Gouwenaren zonder tol te betalen met al hun goederen overal in Gelderland en Zutphen mogen reizen. Het privilege is gegeven in Arnhem op 17 maart 1372.

Dat de voorschreven Heer Jan, ende Machtelt, als Hartoge van Gelre, de Stede vander Goude gegeven hebben een Privilegie, dat zij Tolle vrij Varen mogen, met alle heure Goederen, over al in den Landen van Gelre, ende Zutpheen2, ‘twelck gegeven is in hare Stadt van Aernhem, op den xvijen Dach inder Maent van Maerte, in’t Jaer ons Heeren MCCC LXXIJ.

1 2

[Vide utsupra Divisie 25 Caput 15] in de marge {Zut-pheen] lees [Zut-phen]

3

[Zie als boven, deel 25 hoofdstuk 15] in de marge


[20] Dat de voorschreven heer Jan van Casstillion, gestorven is inden Jare ons Heeren 1381, sonder Kinderen latende, zijn goederen aen Guido van Bloijs zijn Broeder, dewelcke mede (na dat hij getrout hadde Maria des Graven Dochter van Namen, ende aen haer geteelt een Soon Lowijs, Genaemt Grave van Dubois die Jonck gestorven is tot Beaumont), deser Werelt overleden is, op den xxije Decembris inden Jare MCCCXCVIJ nae wiens aflijvigheijt, alsoo, de Rechte Linie, ende afkomste Heer Johannes van Beaumont, cesseerde de heerlijckheden vander Goude, ende Schoonhoven, metten gevolge vandien, genaemt het Landt ende Bailliuage van Bloijs, wederomme geconsolideert zijn aen de Graeffelijckheijt van Hollant, ende dat ten tijde Hertogs Aelbrechts van Beijeren, doch heeft de voorschreven Heer Guido van Bloijs, naer gelaten een Bastaertszoon, genaemt Heer Jan van Bloijs Ridder, die oock Heer van Treslongh in Henegouwen was, die ses Soonen aen zijn Huijsvrouwe gewonnen heeft, daer af de Cronijck van Hollant, breeder mentie maeckt. De voorschreven Heer Jan Bastaert, leijt begraven inde Parochij Kercke binnen der Goude, Inde Capelle diemen de Yseren noemt, bij hem gefondeert Anno MCCCCXVIJ.

[20] Jan van Chatillon is kinderloos gestorven in 1381. Hij liet zijn goederen na aan zijn broer Guido van Blois. Deze was getrouwd met Maria, dochter van de graaf van Namen en bij haar had hij een zoon verwekt, Lowijs, graaf van Dubois tot Beaumont, die jong gestorven is. Guido is overleden op 22 december 1397. Na dit overlijden waren er van Jan van Beaumont geen nakomelingen in rechte lijn meer. Het gevolg was dat de heerlijkheid van Gouda en de heerlijkheid van Schoonhoven, genaamd het land en baljuwschap van Blois weer toevielen aan de graaf van Holland. In de tijd van Aelbrecht van Beieren had Guido van Blois een bastaardzoon, een ridder die Jan van Blois heette en die ook heer van Treslong in Henegouwen was. Hij had zes zonen bij zijn vrouw, waarvan de kroniek van Holland uitgebreid melding maakt. Jan de Bastaard ligt begraven in de parochiekerk in Gouda in de ijzeren kapel, zoals de auteur van de kroniek in 1417 onderzocht heeft.


[19Verso] [1] Dat de voorschreven, Heer Jan van Beaumont, Grave van Bloijs, ende de Heere vander Goude, gestorven is inden Jare ons Heere MCCCLVI. Achterlatende: eenen Soone, mede Jan genaemt, dewelcke met de Heeren van Pruijssen reijsende, op de ongeloovige Heijdenen, daer hij Ridder geslagen worden, deser Werelt overleden is, nalatende twee Soonen, als Jan, ende Guido de Castillion Grave van Bloijs, ende Swessen. Dat Jan van Castillion, Heere vander Goude, nae zijn Vaders Doot, overmits hij zeer machtigh was, ende gebooren uijt den Kroone van Vranckrijck ende vanden Huijsen van Hollant, getrout heeft Vrouwe Machtelt Hartoginne van Gelre, ende Gravinne van Zutphen, ten tijden als de Brouchorsthe, tegens de Heeckeren in partijschap staende, de voorszeyde Vrouwe, uijt haer Vaderlijcke Erve poochden te secluderen, om ‘twelcke te keeren, den voorschreven Grave van Bloijs, int Lant van Gelre, bij zijnen wijven gekomen zijnde, ende met hem brengende veele Heeren, ende Ridderschap, sommige Stede aldaer belegen, ende oock eenige als Wagenen, Groensvoerders, ende andere gewonnen heeft, tot dat hij binnen Aernhem ontfangen, ende van der Vrouwe wegen gehult is geworden.

[19 verso] [3] Jan van Beaumont, graaf van Blois en heer van Gouda, is gestorven in 1356. Hij liet een zoon na die ook Jan heette en die is omgekomen toen hij met de heren van Pruisen op veldtocht was tegen de ongelovige heidenen. Tijdens die veldtocht werd hij tot ridder geslagen. Hij liet twee zonen na namelijk Jan en Guido van Chatillon, graven van Blois en Soissons. Jan van Chatillon, heer van Gouda na de dood van zijn vader, was zeer machtig, omdat hij verwant was aan het Franse koningshuis en aan het Hollandse huis. Hij trouwde met Machteld, hertogin van Gelre en gravin van Zutphen. In die tijd probeerden de Bronkhorsten, die streden tegen de Heeckerens, Machteld uit te sluiten van de erfenis van haar vader. Om dit te voorkomen kwam de graaf van Blois bij zijn vrouw in het land van Gelre en bracht veel heren en ridders mee. Hij belegerde enkele steden en nam enige plaatsen in zoals Wageningen en Groenvorden en nog andere totdat hij in Arnhem ontvangen en vanwege zijn vrouw ingehuldigd werd. Jan en Machteld, hertog en hertogin van Gelre hebben Gouda het privilege gegeven dat de Gouwenaren zonder tol te betalen met al hun goederen overal in Gelderland en Zutphen mogen reizen. Het privilege is gegeven in Arnhem op 17 maart 1372.

Dat de voorschreven Heer Jan, ende Machtelt, als Hartoge van Gelre, de Stede vander Goude gegeven hebben een Privilegie, dat zij Tolle vrij Varen mogen, met alle heure Goederen, over al in den Landen van Gelre, ende Zutpheen2, ‘twelck gegeven is in hare Stadt van Aernhem, op den xvijen Dach inder Maent van Maerte, in’t Jaer ons Heeren MCCC LXXIJ.

1 2

[Vide utsupra Divisie 25 Caput 15] in de marge {Zut-pheen] lees [Zut-phen]

3

[Zie als boven, deel 25 hoofdstuk 15] in de marge


[20 Verso] [Leeg]

[20 verso] [Leeg]


[21] Extract, uijt seecker out Register der Stede vander Goude, daer verscheijde dingen in geteijckent staen, geteeckent No 1. Ende daer van Johan Florissen de Jager, in zijn leven Secretaris der selver Stede, een Register op gemaeckt heeft. [ ] In’t Jaer ons Heeren MCCC een ende tnegentigh, op den derden Dagh der Maent Julio, op een Maendagh ontrent Noen, zoo starff Lodewijck Grave van Dunois, Graven Gruijen soonen van Bloijs tot Bijaumont, was out ontrent xiij Jaren, ende hadde te Wijve ’s Hartoges Dochter van Barcy, ende Lodewijckx Moeder, was geheten Maria ‘sGraven Dochter van Namen, bidt voor zijn Ziel. 1

[21] Uittreksel uit een oud register van Gouda, waarin verschillende dingen staan opgetekend, met de aanduiding nr. 1. Daarvan heeft Johan Florisz de Jager, bij leven secretaris van Gouda, een register opgesteld. [2] Omstreeks 12 uur op maandag 3 juli 1391 stierf Lodewijck, graaf van Dunois, zoon van Gruien, de graaf van Blois tot Beaumont. Hij was ongeveer dertien jaar en Lodewijcks vrouw was de dochter van de hertog van Barcy. De moeder van Lodewijck heette Maria en was de dochter van de graaf van Namen. Bid voor zijn ziel. In 1397, op zaterdag 22 december na twaalven, stierf Gruien, graaf van Blois tot Avesnes, zonder kinderen. Zijn vrouw was Maria, dochter van de graaf van Namen. Bid voor zijn ziel.

In’t Jaer ons Heeren MCCCseven-en tnegentigh, xxij dagen in December, ende op een Saterdagh na Noen, soo starff Grave Gruije van Blois, tot Avesnes sonder Kinderen. Ende hadde te Wijve Maria ’sGraven dochter Van Namen, Bidt voor zijn Ziel.

1

[Fol.3.] in de marge

2

[fol. 3] in de marge


[21Verso] Extract uijt ’t Zelve Boeck, over de Doodt van Hartogh Aelbrecht van Beijeren. In’t Jaer ons Heeren MCCCC ende Vier, xvj Dagen in December, op een Dijnsdagh voor Noen, in den Dageraet, doe starff Hartogh Aelbrecht Grave van Hollant, inden Hage, ende wert begrave inde Capelle Bidt voor de Ziel.

[21 verso] Uittreksel uit hetzelfde boek over de dood van hertog Aelbrecht van Beieren. In 1404, op dinsdag 16 december voor twaalven, bij het aanbreken van de dag stierf hertog Aelbrecht, graaf van Holland, in Den Haag en werd begraven in de kapel. Bid voor de ziel.


[22] Dat die vander Goude voor die van Amsterdam genomineert sijn geweest. Extract, uijt tweede Register der Stadt AmSterdam. Karel bij der Gratie Godts Roomschen Keijser, altijt vermeerdert des Rijckx, Koningh van Garmanien, van Castilien, etc. allen den genen die desen onsen Brief zullen sien etc. Ontbieden daeromme onsen lieven ende getrouwen Stede-Houder, Eerste, ende andere Luijden van onse Rade, ende Rekeninge in Hollant voorschreven, Schouten van Dordrecht, Delft, Leijden, Haerlem, vander Goude, Amsterdam, vanden Briel, van Putten, vanden Hage, ende Alckmaer, ende allen anderen onsen Justicieren, etc. Gegeven In onse Stede van Bruijssel, den xjen dagh van Octobris, in’t Jaer ons Heeren Duijsent, Vijfhondert, ende een en dartigh, van onsen Rijcke ‘tije, ende van onse Koninckrijcke van Castilien etc. ’t xvjen, ende stont onder geschreven, bij den Keijser in zijnen Rade, Onderteeckent, L de Zoete. Nota. Dit bovenstaende staet geregistreert, in’t 3e Stadts Register der Stadt Goude, Folio 92. Verso.

[22] Die van Gouda worden genoemd voor die van Amsterdam. Uittreksel uit het tweede register van Amsterdam. Wij, Karel, bij de gratie Gods Rooms Keizer, altijd vermeerderaar des rijks, koning van Germanië, van Castilië, etc., richten ons tot ieder die deze akte onder ogen zal krijgen. Wij ontbieden daarom onze geliefde en getrouwe stadhouder en de andere leden van onze raad en de rekenmeesters in Holland, de schouten van Dordrecht, Delft, Leiden, Haarlem, Gouda, Amsterdam, Den Briel, Putten, Den Haag en Alkmaar en alle anderen die ons recht handhaven etc. Deze akte is opgemaakt in Brussel op 11 oktober 1531, van ons rijk het tweede en van ons koninkrijk Castilië etc. het zestiende en er stond onder geschreven, door de Keizer in zijn wijsheid. Het was ondertekend door L. De Zoete, lid van de raad. NB. Het bovenstaande staat geregistreerd in ‘t derde stadsregister van Gouda. Folio 92. Verso.


[22 Verso] [Leeg]

[22 verso] [Leeg]


[23] Beroerende seecker Glas Staende in Schepens Kamer.

[23] Dit betreft een glas dat zich in de schepenkamer bevindt.

Extract uijt het criminele Correcti Boeck der Stede vander Goude.

Omdat Dirck Hoeck ongehoorzaam is geweest aan de Heer en aan Gouda en onderdaan is van de Keizer en van Gouda en omdat hij en niemand anders schuldig is, moet hij, om boete te doen, zowel de Heer als Gouda 1 pond groot betalen. Hij moet daarmee glazen laten maken voor het stadhuis, waarin zijn misdaad geschreven zal zijn als voorbeeld voor eenieder. Deze 2 pond groot moet hij terstond betalen en hij mag de gevangenis niet verlaten voordat hij de schuld voldaan heeft. Bovendien moet hij ter bedevaart gaan naar onze lieve Vrouwe ten Insele tot gerechtelijke vermaning. Anno 1501.

Alsoo Dirck Hoeck, overhoorigh is geweest den Heer, ende der Stede vander Goude, ende ondersaet is vanden Keijser, ende ons, dat van hem ende niemant anders en staet te Lijden, Soo zal hij te beteringe doen, en geven den Heer een pont groot, ende der Stede een pont groot, omme daer mede te doen maken Glasen inde Stede Huijs, daer inne geschreven zal staen zijn misdaet, tot Exemple van een ander, ende dese twee pont groot sal hij betalen terstont, ende niet uijtter gevanckenisse te gaen, ten zij dat hij voldaen heeft, ende noch een Bedevaert gaen tot ons lieffs Vrouwe, ten Jnseel tot Gerechts Vermaninge, anno 1501. Dese twee Glasen staen noch tegenwoordigh in Schepens Kamer ter Goude, aende Oostzijde vande Kamer ter Sijde de Schoorsteen, achter daer de Bailliuw zijn Zit plaetse heeft, daer inne boven staet geschreven, dit naer volgende gedicht,

Uittreksel uit het criminele correctieboek van Gouda.

Deze twee stadsglazen bevinden zich tegenwoordig nog in de schepenkamer te Gouda, aan de oostzijde van de kamer, naast de schoorsteen, achter de zetel van de baljuw. Daarboven staat het volgende gedicht geschreven,


[23Verso] Dirck Hijck, woude naer de Weth niet Leven. Tot Correctie, heeft hij dees twee glasen gegeven. Nota: In het Gedicht staet Dirck Hijck, ende inde Sententie Dirck Hoeck, doch het is een ende deselve.

[23 verso] Dirck Hijck wilde naar de wet niet leven. Om dit goed te maken heeft hij deze twee glazen gegeven. NB. In het gedicht staat Dirck Hijck en in de gerechtelijke uitspraak Dirck Hoeck, maar het is dezelfde persoon.


[24] Vernieuwen van de Weth, op den 16e Meij. Alsoo men gewoonlijck is de Wet vander Goude, deser Stede, Jaerlijckx te Vernieuwen op den 1en Januarij in de Winter, alsmen de wegen daer zeer qualijck magh gebruijcken, sulckx dat de Stadt Houder van Hollant, ofte zijn gecommitteerde daer qualijck ende zonder groote swaricheijt niet en mogen komen. Soo heeft de Koninginnen van Hongarien, Bohemen Etc. Regenten, ende Gouvernanten vanden Landen van Harwaers over om hier inne te Versien, geordonneert, ende ordonneeren mits desen, dat van nu voortaen, die vernieuwinge vander Wet vander Goude, altijt, ende alle Jaers geschieden zal, op den xvjen dagh van Meije. Ordonneren ende bevelende den Weth houders, meer voorschreven Stede vander Goude, als nu geordonneert, ende ge-eligeert elckx heuren staet, te bedienen ende bewaren opden Eedt, die zij gedaen hebben, tot den geordonneerden dage voorschreven, die zij nu alsmen schrijven sal, anno xvhonderdxlvij. Actum tot Uijtrecht, den jen Dagh Februarius, anno xvhonderdvijf en veertigh, onderstontt geschreven Maria, Noch stont ondergeschreven, ter Ordonneert van haer Majesteijt, Onderteijckent Verreijcken.

[24] Het herzien van de wet op 16 mei. Men is gewend de wet van Gouda ieder jaar ’s winters te herzien op 1 januari. De wegen zijn dan vrijwel onbegaanbaar, zodat de stadhouder van Holland of zijn zaakgelastigde Gouda slecht en niet zonder grote problemen kan bereiken. Daarom heeft de koningin van Hongarije, Bohemen etc. tot heden regentes en landvoogdes van deze landen bepaald en beveelt zij hierbij dat voortaan elk jaar de herziening van de wet van Gouda zal plaats vinden op 16 mei. Zij bepaalt en beveelt de wethouders van Gouda, elk in hun gekozen functie, zich te houden aan de eed die zij hebben gezworen tot de geordonneerde dag als men het jaar 1547 schrijft. Waarvan de akte is opgemaakt in Utrecht op 1 februari 1545; eronder stond geschreven Maria en daaronder stond nog geschreven: op last van Hare Majesteit, ondertekend door Verreijcken.


[24Verso] Copia, Copia.

[24 verso] Kopie

Die Heere van Praet Etc. Stadt-Houder Generael, d’Eerste ende d’Anderen vande Raet des Keijsers, over Hollant Etc.

De heer Van Praet etc. stadhouder-generaal, de eerste en andere leden van de raad van de keizer over Holland etc.

Edele discrete goeden vrinden. Wijsende uwer Edelen seeckere Acte, vande Majesteit vande Koninginne, van Date den 1en februarij lestleden, beroerende ’t Vernieuwen vande Wet der Steden vander Goude, ende de continuatie van dien. Ten eijnde ghij u daer na Reguleren, ende ’t inhouden van dien, achtervolgende: Edele Discreten goede Vrienden. Onse Heere Godt zij met u, geschreven in den Hage den xviijen Decembris 1546. onderstont pain, Nogh stont buijten op den Brief, geschreven Edele Discreten, onse goeden Vrienden, den Castelijn, Burgermeesteren, ende Regeerders der Stede vander Goude.

Edele, wijze, goede vrienden, wij wijzen u edelen op een akte van Majesteit de Koningin, van 1 februari jongstleden, betreffende het herzien van de wet van Gouda en de voortzetting daarvan. Opdat u de regels die daarin staan, in acht zult nemen. En dan volgt: Edele, wijze, goede vrienden, God zij met u. De akte is geschreven in Den Haag, 18 december 1546. Eronder stond Pain. Bovendien stond buiten op de akte geschreven: onze edele, wijze, goede vrienden, de slotvoogd, de burgemeesters en de bestuurders van Gouda.


[25] Pieter Claessen Onthooft. In’t Jaer 1416. Des saterdaghs na St. Catharinen dagh, die sprack Jan van Haten, als Bailliuw Pieter Claesz aen, in de vierschaer ter Goude voor Schepenen, ende seijde hoe dat hem in Verleden tijden de Stede Verboden was, op lijf straffen, ende boven dien in gekomen was binnen der Steden, buijten Consent vande Heere, ofte vander Stede. Ende hadde met gewelt een Door op gestoten, ende potten, en Ketelen, met Cracht aentween gestoten. Ende dat geseijt hadde voor Schepenen, ongevangen, ende ongebonden, ende daer aen Verbeurt hadde zijn Lijf, ende zijn Goedt. Ende woude hij daer ijet tegen zeggen, zoude met hem gaen aen Schepenen, ende zeijde dat hij met hem Schuldigh waer te gaen aen Schepenen, ofte aen alle zijn woorden te lijen. Des Pieter daer tegen sprack, ende zeijde, dat hij onschuldigh waer, ende hem die aenspaeck niet deren en souden, ende waert saecke dat hem de Stede Verboden was, dat het waer op zijn Lijf, en de niet op zijn Goedt. Ende zoo wie den anderen hooger aenspreeckt, dan hij hem Verboden heeft dat hij daer aff Vrij, ende ontslagen zal wesen. Ende soo wie mede binnen der Vrijheijt niet Gevangen en wort. Maer gevangen lagh in Schiedam, ende daer van daer met Cracht ende gewelt hier gebracht is. Ende bij alle dese redenen vrij behoort te wesen, van dese aenspaeck, Ende doe gingen zij beijde voor schepenen. Ende geleesen worden aende Vroetschap, Ende zij dat wesen aen die van Leijden, des die van Leijden uijtgaven, den Bailliuw die heeftet gewonnen, ende Pieter Claessen Verloren. EndePieter Claesz wort Onthooft, op den dartienden ..... avont op een Dijnsdagh voor de halle, in’t Jaer XIIIIhonderd ende xvij. Godt hebbe zijn Ziel.

[25] Pieter Claessen onthoofd. In 1416, op zaterdag na Sint-Catherinadag, beschuldigde de baljuw, Jan van Haten, voor de rechtbank in Gouda, Pieter Claessen ervan dat hij het verbod uit het verleden om in de stad te komen, had geschonden. Hierop stond een lijfstraf. Hij was namelijk zonder toestemming van de Heer of van de stad, de stad binnen gekomen en had met geweld een deur opengetrapt en met kracht potten en pannen stuk gesmeten. De baljuw verklaarde dat Pieter dat vrijwillig voor de schepenen gezegd had, waardoor zijn lijf en zijn goed verbeurd waren. Als Pieter daar iets tegen in wilde brengen dan moest hij met de baljuw naar de schepenen gaan, of hij zou ten gevolge van al zijn woorden moeten lijden. Pieter zei dat hij onschuldig was en dat de beschuldiging hem niet zou deren omdat het geval wilde dat het hem verboden was de stad binnen te gaan alleen met gevolgen voor zijn lijf en niet voor zijn goederen. Als men een hogere straf eist dan bij het verbod hoort, dan zal de beschuldigde worden vrijgelaten en ontslagen. Degene die niet binnen de vrijheid van de stad gevangen was, maar gevangen was in Schiedam en van daaruit met kracht en geweld hiernaartoe gebracht was, zal om deze redenen vrij horen te zijn van deze beschuldiging. Toen verschenen zij beiden voor de schepenen en werden beoordeeld door de vroedschap. De schepenen wezen die van Leiden aan, en die van Leiden bepaalden dat de baljuw had gewonnen en Pieter Claessen verloren. Pieter Claessen werd onthoofd op de dertiende ..... ‘s avonds op een dinsdag voor de hallen in 1417. God hebbe zijn ziel.


[25Verso] Item: Anno 1426. Soo belegerde Vrouwe Jacoba, met hulpe vander Goude, Schoonhoven, ende Oudewater, de Stede Haerlem, ende de Borgonsch quamen om de Goutsche sluijsen te Stoppen, ende de Hartoginne Brack in der Nacht op, vande Belegeringe voornoemt, ende ontmoete de Borgonsch tot Alphe, ende daer geviel een Vreede Bittere strijt, soo dat de Borgonsch de nederlaegh hadde, ende wierden daer meestendeel Verslagen, ende de Hartoginne Vrouwe Jacoba quam inden dagen-raet, met groote Victorie, ende Eere binnen der Goude, met de Borgonsche Vaendelen, ende Wimpelen. guiciardijn. folio 368.

[25 verso] Idem: In 1426 belegerde vrouwe Jacoba Haarlem met hulp van Gouda, Schoonhoven en Oudewater. De Bourgondiërs kwamen om de Gouwesluis te veroveren. In de nacht brak de Hertogin de belegering van Haarlem op en trof de Bourgondiërs te Alphen, waarna een wrede en bittere strijd werd geleverd. Omdat de Bourgondiërs de nederlaag leden en daar overtuigend werden verslagen, kwam hertogin vrouwe Jacoba bij het aanbreken van de dag met grote triomf en eer Gouda binnen met de Bourgondische vaandels en wimpels. Guiciardijn. Folio 368.


[26] Schattinge vande gemeene Lande.

[26] Belasting van alle landen van de hertog.

Inden Jare 1468. Inde Maent Junio, ten tijden als Hartogh Carel van Borgondien, Sone, ende Erfgenaem van Hartogh Philips van Borgondien, in den Hage gehult worden, den 27 Graven van Hollant Zeelant etc. zoo versocht den selve Grave, van zijn Lant een Bede van 24000 Leeuwen, tot 30 stuijvers ’t stuck, maeckende 48000 Schilden, noch voor zijn Huijsvrouw tot Spelde-gelt, zijnde des Koninckx Suster van Engelant, 32000 Schilden. Noch tot Giften, en heusheden, van alderhande Dienaren 16000. noch tot Vervallinge vande Kosten, bij de Ridderschap, Edele ende andere gamaeckt, in’t Reijsen om deser1 saecke willen 4800. Maeckende ‘tzame, een somme van Hollantsche Schilden - - - - -

-

-

-

-

-

- 532800.

372800

Hier tegen behielt den Grave aen hem, voor zoo veel Dort, en haer omleggende Dorpen, en Steden, hier aen mosten geven, een Somme van - 39200.

[de] interlineair

Plus voor giften om de stand op te houden van allerhande dienaren 16.000, plus voor de betaling van de kosten bij de ridderschap, de edelen en andere zaken bij het reizen voor onze zaak gemaakt, 4.800. Zijnde in totaal een som van 532.800 Hollandse schilden. Daarvoor moesten Holland en West-Friesland 372.800 betalen. Hiervan hield de graaf voor zichzelf zo veel als Dordrecht en haar omliggende dorpen en steden moesten geven, een som van 39.200 .

Waertoe die van Hollant, ende WestVrieslant mosten betalen - - - - - - - - - - -

1

In juni 1468, toen hertog Carel van Bourgondië, zoon en erfgenaam van hertog Philips van Bourgondië, als 27e graaf van Holland, Zeeland etc. ingehuldigd werd in Den Haag, wilde deze graaf van zijn land een gift hebben van 24.000 leeuwen van 30 stuivers het stuk, zijnde 48.000 schilden. Verder wilde hij voor zijn huisvrouw, de zuster van de koning van Engeland, als speldengeld 32.000 schilden.


[26Verso] Soo resteerde noch, voor de andere Steden, en Dorpen te betalen, een Somme van 333600.

[26 verso] Dus bleef voor de andere steden en dorpen nog 333.600 over om te betalen.

De welcke betaelt souden worden, op 15 achter een volgende half Jaer, komende voor twee Termijnen alle Jaers - - - - - - - - - 41035.

Het zou vijftien keer halfjaarlijks betaald worden, dat wil zeggen elk jaar in twee termijnen 41.035. Zodoende gaven de volgende grote steden de volgende som:

Hier toe gaven Jaerlijckx, dese navolgende Groote Steden. Haerlem - Delft - - Leijden - Amsteredam Goude. - -

- - 3594 } - 3375 } - 3375 } Schilden. - 2875 } - 1770 }

Nota: Hier uijt kanmen sien, wat der Goude Jaerlijckx gecontribueert heeft.

Haarlem - - - Delft - - - - Leiden - - - - Amsterdam - - Gouda - - - - -

3594 3375 3375 2875 1770

NB. Hieruit kan men zien hoeveel Gouda jaarlijks heeft bijgedragen.


[27] Haersteden.

[27] Huizen

Inden Jare 1515 Is een Generale Notie gehouden, over de Haersteden van Hollant, ende is bevonden, zoo hier na volgen. Namentlijck:

In 1515 heeft men een algemeen onderzoek gedaan naar de aantallen huizen in Holland en men vond de volgende aantallen:

Dordrecht. - - - - - - - - Haerlem. - - - - - - - - Delft, met Delfts-Haven. - - Leijden. - - - - - - - - - Amsterdam. - - - - - - - Goude. - - - - - - - - - Rotterdam. - - - - - - - Gorcum. - - - - - - - - - Schiedam. - - - - - - - - Schoonhoven. - - - - - - Woerden. - - - - - - - - Heusden. - - - - - - - - St. Geertruitenberge. - - - Muijden. - - - - - - - - Oudewater. - - - - - - - Naerden. - - - - - - - - Wesop. - - - - - - - - - Hage. - - - - - - - - - -

1500 2714 2733 3017 2531 1694 1137 700 470 460 267 247 280 100 335 500 205 1118

Nota: dit bovenstaende staet geregistreert, inde Historijsche beschrijvinge der Stadt Leijden, beschreven door J.J.Orlers. O.L. Gedruckt, 1641. folio 52.53

Dordrecht - - - - - - 1500 Haarlem - - - - - - - - 2714 Delft met Delfshaven - - 2733 Leiden - - - - - - - - - 3017 Amsterdam - - - - - - - 2531 Gouda - - - - - - - - - 1694 Rotterdam - - - - - - 1137 Gorcum - - - - - - - - - 700 Schiedam - - - - - - - 470 Schoonhoven - - - - - 460 Woerden - - - - - - - 267 Heusden - - - - - - - 247 St.Geertruidenberg - - - 280 Muiden - - - - - - - - - 100 Oudewater - - - - - - 335 Naarden - - - - - - - 500 Weesp - - - - - - - - 205 Den Haag - - - - - - - - 1118 NB. het bovenstaande staat genoteerd in de geschiedkundige beschrijving van Leiden, geschreven door J.J. Orlers. O.L. Gedrukt in 1641. Folio 52,53.


[27 Verso] [Leeg]

[27 verso] [Leeg]


[28] Huldinge van Hartoge Philips. Anno1497. Quam Hartoge Philips, de Vader van Keijser Karel de vijfde, binnen der Goude, als Grave van Hollant, ende wiert daer met groote Manificentie ontfangen. Privilegie Boeck, Folio 2.

[28] Huldiging van hertog Philips. In 1497 kwam hertog Philips, de vader van keizer Karel V, als graaf van Holland in Gouda en werd daar met pracht en praal ontvangen. Privilege boek folio 2. Ontvangst.

Ontfangh.

Grootmogende en doorluchtige Vorst, ons aller genadige Heer, uw onderdanige onderdanen, schout, burgemeesters, schepenen en inwoners van de onderdanige stad Gouda.

Groot mogende ende deurluchtige Vorst, onser aller genadighsten Heere, uwe onderdanige [1] ondersaten, Schout, Burgermeesteren, Schepenen, ende Gemeente van deser, uwe genadichste Steden vander Goude.

Wij zijn heel blij met uw bezoek aan ons en bieden u de sleutels van de stad aan en plaatsen daarbij lijf en goed in uw bescherming en vorstelijke genade en gratie.

Verblijden hem zeer hartelijcke, van uwer genadighsten inkomste, alhier ende presenteren u de Schotelen van de Stadt, stellende Lijf, en goet inde bescherminge, ende meer Vorstelijcke genadichlijcken, ende Gratie. Den Eet vander gemeente. Dat Sweere wij, als dat wij onsen aldergenadighste Heere, Eers Hartoge Philips hier

1

[Stad] doorgehaald

De eed van de gemeente. Wij zweren dat wij onze allergenadigste heer, hertog Philips, die hier


[28Verso] Tegenwoordigh, zijnde Hulden, ende Ontfangen tot onsen gerechten Geboren Lant Heere, als Grave vanden Lande van Henegouwen, Hollant, Zeelant, ende West1-Vrieslant, zijnde Hoogheijt, Heerlijckheijt, ende Graeffelijcke Rechte, gehouwelijck te bewaren, ende t’onderhouden, ende zijne Princelijcken genade Canselier, ende grooten raet van Justitie, zijnen Stadt houder, ende Raet in Hollant, zijn Schout, Burgemeesteren, ende Schepenen, van deser zijner genadighsten Stede van der Goude, ende alle zijne Officieren. ende Dienaren, elcke nae zijne toebehooren haren Diens, doende ende Exercerende te obidierende, ende te assesteren, ende voort gehou, ende getrouw te wesen, ende dienstachtigh tot bescherminge van zijn Edelen Persoon, ende Staten, tegen allen als wij van rechte wegen, ende van redenen schuldigh zijn van doen, ende voorts alles te doen dat goede, ende getrouwe ondersaten, haren rechten gebooren Lants-Heere, schuldich zijn te doen. Alsoo moet ons Godt helpen, ende alle zijne Heijligen. Hier na volght den Eedt, van onsen goeden Heere, Hartoge Philips gedaen. Dat sweeren wij, dat wij goet ende Rechtveerdigh Heere, ende Prince te zijne onser Stede vander Goude, ende onse ondersaten van dien te onderhouden, ende te doen onderhouden, alle Rechte, Privilegien, Hant-Vesten, ende Jaer-komen hem luijden Verleent, ende geconfirmeert bij Hartoge Philips Zaliger gedachtenis, ende Karel laest Overleden, ende heuren voor Vaders Grave ende Gravinnen van Hollant, ende al te doene voor zijnen onderzaten. Alsoo moet ons Godt helpen, ende alle zijne Heijligen. Actum ut supra

1

[West] in de marge

[28 verso] aanwezig is, inhuldigen en aanvaarden als onze rechtmatige landheer als graaf van Henegouwen, Holland, Zeeland en West-Friesland en wij zweren de Hoogheid, de heerlijkheid en de grafelijke rechten te beschermen en te onderhouden. Bovendien zweren wij, de kanselier van de Prins, de Hoge Raad van Justitie, de Stadhouder, de Raad van Holland, de schout, burgemeesters en schepenen van deze aan hem onderdanige stad Gouda en alle officieren en dienaren, elk naar hun vermogen, bij de uitoefening daarvan zijn edele persoon en de staten te gehoorzamen, terzijde te staan en te beschermen en in woord en daad trouw en dienstig te zijn bij de bescherming van zijn edele persoon en de staten tegen iedereen, zoals wij rechtens en in redelijkheid behoren te doen. Voorts zweren wij alles te doen dat goede en getrouwe onderdanen voor hun rechtmatige Landsheer geacht worden te doen. Zo waarlijk helpe ons God almachtig en al Zijn heiligen. Hierna volgt de eed die onze goede heer, hertog Philips, heeft afgelegd. Wij zweren dat wij een goede en rechtvaardige heer en prins zullen zijn van Gouda en onze onderdanen en dat wij alle rechten, privileges, handvesten en jaarlijkse inkomsten die aan mensen zijn verleend, altijd zullen handhaven. Deze zijn bevestigd door wijlen hertog Philips en de onlangs overleden Karel en hun voorvaderen, graven en gravinnen van Holland. Wij zweren dat wij dat allemaal zullen doen voor onze onderdanen. Zo waarlijk helpe ons God almachtig en al Zijn heiligen. Akte als boven.


[29] De parochie Kerck, van Sint Jan binnen der Stede GoudĂŚ. Staet te noteren, dat inde groote Parochie Kercke van Sint-Jan ter Goude, gestaen hebben 72 Altaren. Brandt vande Kerck. Inden Jare ons Heere 1552 den 12 Januarij, zoo verbrande ter Goude door Donder, ende Blixem des Avonts de Groote Kerck, met de Toorn, maar het Coer bleef staen, ende staet noch ten huydigen Dagen, desen Brant geschiede wonderlijcken, ende fameus, want alhoewel veel Huijsen ontrent de Kerck staen, soo is geene van des selve beschadight, Jae dat noch meer te Verwonderen is, ende alsnoch in gedachte is, soo en is daer niet een gedaen eenigh Mensch Verongeluckt, naer dat men naer naerstigh ondersoecken heeft konnen bevinden, het welcke dit gedicht staet, jegenwoordigh voor het voorschreven Thoor gemaeckt bij wijlen Micchiel Cornelissen Vlack Zaliger In Latijnsche, en Nederduytsche Talen is, mede brengende ende luijt alhier naer is volgende.

[29] De parochiekerk van Sint-Jan in de stad Gouda. Om vast te leggen dat in de grote parochiekerk van Sint-Jan 72 altaren hebben gestaan. Brand van de kerk. Op 12 januari 1552 in de avond brandden de grote kerk en de toren in Gouda af na een blikseminslag. Het koor bleef staan en staat er tot op de huidige dag. Deze brand was in hoge mate wonderlijk, want, hoewel er veel huizen om de kerk heen stonden, was er niet een beschadigd. Wat nog verbazingwekkender was en wat men zich nog een hele tijd herinnerde, was dat er geen mensen waren verongelukt, hetgeen men na ijverig onderzoek had kunnen vaststellen. Dit alles staat in dit gedicht aanwezig in de voornoemde toren en dat is gemaakt door wijlen Michiel Cornelissen Vlak, in het Latijn en het Nederlands en luidt als volgt.


[29Verso] ’T Jaer vijftien hondert, twee-en Vijftich daer beneven, Den twaelfden deser maent, sich ’s Avonts heeft verheven, Een Donder vreeselick zeer, en Schickelijck Blixem slagh. Dees Toorn met dees Kerck, men hier afbranden Zagh, Door Hagel, Wint, en Vloet, oock quam doorbreeck van dijcken, Een Water-noot zeer groot, die niemant kon ontwijcken. Danckt Godt met herten blij, dat desen Brant Voorseijt, Huijs, Hut, of na bij, of ’t Volck, deedt eenich Leijt.

[29 verso] In het jaar vijftien honderd twee en vijftig om En nabij, De twaalfde van deze maand, heeft zich ’s avonds Voorgedaan, Een vreselijke donder en verschrikkelijke Blikseminslag. De toren en de kerk zag men hier Afbranden, Door hagel, wind en vloed braken ook de Dijken door, Een watersnood zo groot dat niemand die Kon ontwijken. Dank God blij van hart dat de Voornoemde brand, Geen huis, hut of dergelijke of mens leed Heeft berokkend.

Januarij twaelff, door Donder en Blixem ’t welck was Godts werck, ’S Avonts, soo verbrande hier de groote Kerck.

Twaalf januari, door donder en bliksem, Gods werk, ’s Avonds, brandde hier af de grote kerk.


[30] Faes Dirckzoon Stoeldraeijer verbrant. Inden Jare 1570 Is door langhduijrigh aenhouden, ende versoecken van Heer Joost Pastoor Ketter Meester ter Goude, gevangen eenen Faes Dirckxzoon Stoeldraeijer, om oorsaecken dat hij de Roomsche Kerck afgegaen, hadde, ende hem tot Rotterdam hadde laten Herdoopen. Desen Faes Dirckxzoon is lange bij den Bailliuw ende des Wet gewaerschout geweest, (om neffens eenen Mr. Eewith Gerritszoon Cirurgijn, binnen deser Stede van der Gouden, die mede Herdoopt was) te vertrecken, alsoo die vande Gerechte, ’t zelvige niet langer onthouden en konden, want den Pastoor voornoemt, haer daeromme zeer Molesteerden, zoo hebben zij hem op seeckeren tijt, door hare Bode op het Raet-Huijs ontbooden, ende den Bode tot hem komende zeijde hij dat hij volgen zoude, ende zijn boven Rocxken aengetogen hebbende, zeijde hij tegens zijne Huisvrouwen, die zijn sone Leendert Faeszoon hat en Bakerde, dat hij op ‘t Stadt Huijs bij de Heere ontboden was, ende daer naer toe ginck, seggende haer voors Adieu, ende is ‘t Lombart Steechjen doorgegaen, alsoo hij doe in de vergulden Kist, in de lange Groenendal woonde, en ginck nae de sluijs Brugge, daer Mr. Eewit voornoemt, woonde ende aen Mr. Eeuwith gevraeght, wat hij doen zoude, daer op Mr. Eeuwith antwoorde, dat men behoorden uijt te gaen, also de Heere het niet langer tegen houden en konde, ende dat men zich zelve niet al willens moet verroeckeloose, maer dat men gehouden is, alsoo weltesorge voor zijn Lichaem, dan voor zijn Ziel, alsoo onse Salichmaker ons dat zelve leert, daer hij zeijt, dat men vande eene Stadt, inde anderen moet Vlieden, ende het alsoo soecken te ontkomen, doch

[30] Faes Dirckzoon Stoeldraeijer op de brandstapel. In 1570, na heel lang aandringen door mijnheer Joost Pastoor, kettermeester te Gouda, is ene Faes Dirckzoon Stoeldraeijer gevangen genomen, omdat hij de Roomse Kerk had verlaten en zich in Rotterdam had laten herdopen. De baljuw had in naam der wet al lang gewaarschuwd dat Faes Dirckzoon, evenals ene mr. Eewith Gerritszoon chirurgijn in Gouda, die ook herdoopt was, moest vertrekken. De gerechtsdienaren konden de gevangenneming niet langer uitstellen, omdat de pastoor ze te zeer op de huid zat. Dus hebben zij op een dag de bode opdracht gegeven Faes op het raadhuis te ontbieden. De bode ging naar Faes en zei dat hij hem moest volgen. Nadat Faes zijn overjas had aangetrokken zei hij tegen zijn huisvrouw, die zijn zoontje Leendert Faeszoon verzorgde, dat hij bij de heren op het stadhuis ontboden was en daarheen ging en hij nam afscheid van haar. Daarna is Faes door het Lombardsteegje gegaan, omdat hij toen in de vergulde Kist in de Lange Groenendaal woonde en ging naar de Sluisbrug, waar mr. Eewith woonde. Faes vroeg aan mr. Eewith wat hij moest doen. Waarop mr. Eewith zei dat men behoorde weg te gaan, aangezien de heren een vonnis niet langer konden tegenhouden en dat men niet willens en wetens roekeloos met zijn leven moest omspringen, maar dat men gehouden was even goed voor zijn lichaam te zorgen als voor zijn ziel. Zoals onze Zaligmaker zelf ons leert, als Hij zegt dat men van de ene stad naar de andere moet vluchten en het zo proberen te ontkomen.


[30Verso] Alsoo hij ’t zelve niet ontkomen en konden, dat hij dan verduldelijcken lijden zouden moeten, met diergelijcken woorden en meer omstandicheden, doch Faes Dirckxzoon presumeerde dat hij een goede saeck voor hadden, ende datmen daeromme behoorde te lijden, ende het niet schamen mosten, en niet en was geresolveert te Vlieden, ende nam zijn afscheijt voor Mr. Eeuwit, ende seijde dat hij na ’t Stadt-Huijs toe ginck, ende is alsoo na ’t Stadt-Huijs gegaen, op ’t Stadthuijs komende, zoo seijde de Heere, wel Faes Dirckszoon zij dij daer, wij hebben1 last om U Lieden te vangen, ende diergelijcke hem vermanende, zoo zeijde de Heeren, van zijne dwalingen affstant te doen, met meer andere discoursen, daer op Faes Dirckx antwoorde, geen afstant te willen doen, ende dat hij daer bij woude blijven, Doen hebben hem de Heeren geheeten buijten te staen, ende hem te beraden, of hij zijn gelooff woude Versaecken, ende hem wederom begeven tot de Moeder de H. Roomsche Kercke, ende diergelijcke woorden meer, waarop Faes Dirckxzoon buijten ginck uijt de Burgemeesters Kamer, ende ginck daer wel een Uijr voor Burgermeesters ende Schepens Kamer in de middelsael wandelen, ende doen wiert wederom geschelt, soo dat hij eenmael binnen quam, waer over de Heere altreerde, seggende Faes Dirckxzoon, zij dij daer noch, want zij hadde gemeijnt dat hij ondertusschen souden Vertrecken, ’t welck zij garen gesien soude hebben, alsoo zij na zijn Doot niet begeerigh en waren, hem alsoo wederom Vragende, om afstant te doen, ’t welck hij niet en wilde doen, soo hij zeijde, doen hebben zij hem in hechtenisse geset, ende heeft den 31en Meij 1570 sijne Sententie ontfangen, Luijden als volght. Sententie van Faes Dirckzoon Alsoo Faes Dirckxzoon, geboren Poorter deser Stede Goude, tegenwoordigh gevangen buijten Pijn van banden, ende van Yser, onder den Blauwen Hemel, voor mijn Heeren vanden gerechten bekent heeft, dat hij geleden heeft, dat het is geweest over ruijm een Jaer, dat hij tot Rotterdam hem heeft laten Verdoopen, van een Mans Persoon die hij niet

1

[hebben] in de marge

[30 verso] Mr. Eewith echter zei dat hij geduldig zou moeten lijden, als hij er niet aan kon ontkomen . Mr. Eewith sprak nog meer van zulke woorden en voerde nog meer omstandigheden aan maar Faes Dirckzoon ging ervan uit dat hij een goede zaak voorstond en dat men daarvoor behoorde te lijden en dat men de zaak niet te schande moest maken. Faes had besloten niet te vluchten en nam afscheid van mr. Eewith en zei dat hij naar het stadhuis toe ging. Daarom is hij naar het stadhuis gegaan en toen hij daar was aangekomen, zeiden de heren: “Wel Faes Dirckzoon, bent u daar? Wij hebben opdracht u gevangen te nemen.” Zij vermaanden hem onder andere door te zeggen dat hij afstand moest doen van zijn dwalingen en meer soortgelijke bewoordingen. Daarop antwoordde Faes Dirckzoon dat hij geen afstand wilde doen en erbij wilde blijven. Toen hebben de heren hem gezegd dat hij buiten moest gaan staan en zich moest beraden of hij zijn geloof wilde verzaken en terug wilde keren naar moeder, de Heilige Roomse Kerk en meer van dat soort woorden. Toen ging Faes Dirckzoon uit de burgemeesterskamer naar buiten en ging daar wel een uur voor de kamer van de burgemeesters en schepenen in de middenzaal wandelen. Ten slotte werd er gebeld en toen hij weer binnenkwam, verwonderden de heren zich daarover en zeiden: ”Bent u daar nog?”, want zij hadden gemeend dat hij ondertussen zou vertrekken. Dat zouden zij graag gezien hebben, omdat zij niet op zijn dood uit waren. Daarom vroegen zij hem weer om afstand te doen en hij zei dat hij dat niet wilde. Toen hebben zij hem in hechtenis genomen en op 31 mei 1570 heeft hij het vonnis ontvangen dat luidde als volgt: Vonnis voor Faes Dirckzoon. Omdat Faes Dirckzoon, geboren poorter van de stad Gouda, tegenwoordig in hechtenis, bekend heeft voor de heren van het gerecht, “zonder pijn van banden en ijzer”, onder de blauwe hemel, dat hij geestelijk geleden heeft, dat hij meer dan een jaar geleden zich in Rotterdam heeft laten herdopen door een manspersoon die hij niet


[31 Verso] [Leeg]

[31 verso] [Leeg]


[32] Eenige andere memorien, raeckende de stadt Goude, genomen uijt den Secretarie, der selver Stede. [1] De Wint ter Gouda, om Molens te setten, binnen de Vrijheijt is gekocht van Johan van Henegouwen, Heer van Beaumont etc. Om vijftigh ponden Hollants, ‘sJaers, eeuwelijcke etc. In date 1353. [2] Een poorter vander Gouda, iemant van zijn Leven toe Doot brengende, Verbeurt tegen den Heer zijn Lijf, mits dat hij zijn Goederen magh redimeren, met sestigh ponden van xl groote Vlaems ’t pont, volgende het Prevelie van Philips, Hartogh van Borgondien, etc. zijnde in ’t Walsche, ende in date den 28en Septembris, 1451.

[32] Enige andere geschriften betreffende de stad Gouda, ontleend aan de secretarie van deze stad. [4] De wind in Gouda, om molens te zetten binnen de vrijheid, is gekocht van Johan van Henegouwen, heer van Beaumont, etc. voor 50 Hollandse ponden per jaar en voor eeuwig. Gedateerd 1353. [5] Een poorter van Gouda, die iemand heeft omgebracht, verbeurt aan de Heer zijn lijf, behalve als hij zijn goederen kan terugkopen voor 60 pond van 40 Vlaamse groot per pond, volgens het privilege van Philips, hertog van Bourgondië, etc. in het Waalse en gedateerd 28 september 1451. [6] Idem: een poorter die wettig gehuwd is, kan meer verbeuren dan zijn lijf en de helft van zijn goederen; bovendien kan men geen geld eisen behalve dan van de

[3] Item: Een Poorter Sittende in Wettelijcken Huwelijcken, mach meer Verbeuren dan zijn Lijf, ende de Helft van zijne goederen, mitsgaders datmen geen Gelt magh Eijsschen, dan van

1 2 3

[Wint ter goude gekocht] in de marge [Poorter ter Goude, mogen haer goederen remedieren, met 60 ponden] in de marge [helft vande goederen] in demarge

4 5 6

[Wind in Gouda gekocht] in de marge [Poorters van Gouda kunnen hun goederen terugkopen voor 60 pond] in de marge [Helft van de goederen] in de marge


[33Verso] Den 4en Junij 1416. Item: datmen geen Turff gedolven in Rhijnlant, Delfs-lant, ofte Schielant eenighsints dragen magh over den Dijck, in Schepen, ende in de Isel leggende, maer datmen alleenlijck den voorschreven Turff sal uijtvoeren, door der Goude, op de verbeurte vanden Turff Schepen, ende arbitrale Correctie, volgens het Placcaet van Koningh Philips, ende in Date, den 21en februarus 1558. [1] Eertijts hebben ter Goude gestaen 450 Brouwerijen, ende wierden de zelve Bieren2 vervoert in Brabant, Vlaenderen, Hollant, Zeelant, ende Vrieslant, ende mochten de Goutsche Bieren niet meer verhooght worden, de Brouwers vande voorschreven Brouwerijen mochten de selve Bieren naer alle plaetsen geconstumeert vervoeren, Verkoopen, ende distribueren, naer het goet vinden vande Brouwers, tot haren goetdunck, sonder dat de Wet-houders vanden plaetse, onder wat dexsel van actroeijen ofte andersints sullen mogen deselve Brouwers beswaren, ofte belasten, ’t zij bij Accijnsen, ofte Keuren op de Bieren te maken, ende te stellen. Item: Men mocht de Bieren mede op geen Cleijnder maten Verkoopen, om de neringe niet te Verbannen volgens de Privilegien van Maximiliaen, gekooren Roomsch Keijser, etc. In date, den 18en Martij 1508. [3] Philips, Coningh van Spaenjen, etc. heeft Burgermeesteren, ende Regeerders der Steden vander Goude, een Missive geschreven, onderteijckent bij zijn Majesteijt in ’t Bosch van Segovia, in date, den 3en October 1566. Bij den welcke zijne Majesteijt deselve bedanckt vanden diligentie bij hem gedaen, van dat alle dingen gebleven zijn alhier in haren onderstaet, overmits de quaet al-omme gebeurt, ende geschiet in desen Landen van Herwaers over, begeerende datmen daerinne souden willen continueren. Mitsgaders noch Brieven vande Hartoginne van Parma, ende Regente van

1 2 3

[450 Brouwerien der Stadt Gouden.] in de marge [Bieren] in de marge [Brieven van Coning Philips no-pende ’t beelt stormen.] in de marge

[33 verso] 4 juni 1416. Idem: dat men geen turf die gestoken is in Rijnland, Delfland, of Schieland, op welke wijze dan ook over de dijk in schepen die in de IJssel liggen mag dragen. Maar dat men de voornoemde turf uitsluitend over de Gouwe zal uitvoeren, op het verbeuren van de turfschepen en een gerechtelijke straf volgens het plakkaat van koning Philips, gedateerd 21 februari 1558. [4] In het verleden hebben in Gouda 450 brouwerijen gestaan en de bieren daarvan werden vervoerd naar Brabant, Vlaanderen, Holland, Zeeland en Friesland. De Goudse bieren mochten niet verder belast worden. De brouwers van de voornoemde brouwerijen mochten dat bier zoals gebruikelijk naar alle plaatsen vervoeren, verkopen en distribueren, met goedvinden en naar goeddunken van de brouwers, zonder dat de handhavers van de wet van die plaatsen onder welke dekmantel van octrooien of anderszins ook, diezelfde brouwers zouden mogen hinderen of belasten. Niet met accijns en ook niet door een keurmerk op het bier te maken en vast te stellen. Idem: men mocht het bier ook niet in kleinere eenheden verkopen om de nering niet in de ban te doen. Volgens de privilegiën van Maximiliaan, gekozen Rooms Keizer, etc. Gedateerd 18 maart 1509. Philips, koning van Spanje, etc. heeft de burgemeesters en regeerders van de stad Gouda een brief5 geschreven, ondertekend door Zijne Majesteit in het bos van Segoviac, op 3 oktober 1566. Daarin bedankt Zijne Majesteit hen voor de toewijding die zij hem hebben betracht, zodat hier alle dingen hetzelfde zijn gebleven; het kwaad namelijk tiert overal welig en het gebeurt in deze landen van oudsher. Hij wenste heel graag dat men de toewijding zou willen blijven betrachten. Bovendien waren er nog brieven van de hertogin van Parma en regentes van

4 5

[450 brouwerijen van de stad Gouda.] in de marge [Brieven van koning Philips betreffende de beeldenstorm] in de marge


[34] des Conincklijcke Majesteijt, aen Burgermeesteren deser Nederlande geschreven, ende bij hare hoogheijt geteeckent, hoe aengaende dat zijne Majesteijt is, van dat alhier niet ingevoert is, contrarie de Oude Catholijcke1 Religie, ende dat wij voorts naerstigh souden toesien, ten Eijnde, de simpelen niet bedrogen en worden, etc. In Date, den 25en October 1566. [2] De Schutters vande Voetboge ter Goude, zijn begiftight bij Vrouwe Jacoba van Beijeren, Gravinne van Hollant, etc. Waert saecke, dat ijemant vande voorschreven Schutters inden Doelen, met ongeval onnoselijcke ijemant doorschoten, verleemden, ende quetsen, met hare Boge, ofte Schutten, dat die daer af onbelast, ende vrij wesen zal, van alle Breucken van lijf, en de goedt, mitsgaders dat die Rent-Meester vander Goude, alle Jaers als zij schieten, uijt reijcken sal veertigh paer reijgers , volgens ’t Previlegie, in Dato anno 1428. Op beloocken Pincxteren, ’t welck daer naer, bij Hartogh Philips van Borgondien vermeerdert is, op hondert Reijgers, in Date, den Eerste Maert 1455.

1 2

[Catholijcke] in de marge [Schutters vande Voet-boge ter Goude ] in de marge

[34] de Koninklijke Majesteit, geschreven aan de burgemeesters van de Nederlanden en door Hare Hoogheid getekend, hoe vriendelijk Zijne Majesteit is jegens hen vanwege alles wat hier niet is ingevoerd tegen het oude Katholieke geloof en dat wij ijverig moeten toezien dat de eenvoudigen van geest niet bedrogen worden, etc. Gedateerd 25 oktober 1566. De schutters van de voetboog in Gouda hebben van vrouwe Jacoba van Beieren, gravin van Holland, etc. een gift gekregen. De zaak is namelijk dat iemand van de voornoemde schutters in de doelen, die per ongeluk een onschuldige persoon neerschiet, verminkt, of verwondt met zijn boog of schietgerei, onbelast en vrij zal zijn van alle boetes op lijf en goed. Bovendien zal de rentmeester van Gouda elk jaar waarin zij schieten, veertig paar reigers uitreiken volgens het privilege, gedateerd 1428. Op beloken Pinksteren is dat daarna door hertog Philips van Bourgondië vermeerderd tot honderd reigers, gedateerd 1 maart 1455.


[33Verso] Den 4en Junij 1416. Item: datmen geen Turff gedolven in Rhijnlant, Delfs-lant, ofte Schielant eenighsints dragen magh over den Dijck, in Schepen, ende in de Isel leggende, maer datmen alleenlijck den voorschreven Turff sal uijtvoeren, door der Goude, op de verbeurte vanden Turff Schepen, ende arbitrale Correctie, volgens het Placcaet van Koningh Philips, ende in Date, den 21en februarus 1558. [1] Eertijts hebben ter Goude gestaen 450 Brouwerijen, ende wierden de zelve Bieren2 vervoert in Brabant, Vlaenderen, Hollant, Zeelant, ende Vrieslant, ende mochten de Goutsche Bieren niet meer verhooght worden, de Brouwers vande voorschreven Brouwerijen mochten de selve Bieren naer alle plaetsen geconstumeert vervoeren, Verkoopen, ende distribueren, naer het goet vinden vande Brouwers, tot haren goetdunck, sonder dat de Wet-houders vanden plaetse, onder wat dexsel van actroeijen ofte andersints sullen mogen deselve Brouwers beswaren, ofte belasten, ’t zij bij Accijnsen, ofte Keuren op de Bieren te maken, ende te stellen. Item: Men mocht de Bieren mede op geen Cleijnder maten Verkoopen, om de neringe niet te Verbannen volgens de Privilegien van Maximiliaen, gekooren Roomsch Keijser, etc. In date, den 18en Martij 1508. [3] Philips, Coningh van Spaenjen, etc. heeft Burgermeesteren, ende Regeerders der Steden vander Goude, een Missive geschreven, onderteijckent bij zijn Majesteijt in ’t Bosch van Segovia, in date, den 3en October 1566. Bij den welcke zijne Majesteijt deselve bedanckt vanden diligentie bij hem gedaen, van dat alle dingen gebleven zijn alhier in haren onderstaet, overmits de quaet al-omme gebeurt, ende geschiet in desen Landen van Herwaers over, begeerende datmen daerinne souden willen continueren. Mitsgaders noch Brieven vande Hartoginne van Parma, ende Regente van

1 2 3

[450 Brouwerien der Stadt Gouden.] in de marge [Bieren] in de marge [Brieven van Coning Philips no-pende ’t beelt stormen.] in de marge

[33 verso] 4 juni 1416. Idem: dat men geen turf die gestoken is in Rijnland, Delfland, of Schieland, op welke wijze dan ook over de dijk in schepen die in de IJssel liggen mag dragen. Maar dat men de voornoemde turf uitsluitend over de Gouwe zal uitvoeren, op het verbeuren van de turfschepen en een gerechtelijke straf volgens het plakkaat van koning Philips, gedateerd 21 februari 1558. [4] In het verleden hebben in Gouda 450 brouwerijen gestaan en de bieren daarvan werden vervoerd naar Brabant, Vlaanderen, Holland, Zeeland en Friesland. De Goudse bieren mochten niet verder belast worden. De brouwers van de voornoemde brouwerijen mochten dat bier zoals gebruikelijk naar alle plaatsen vervoeren, verkopen en distribueren, met goedvinden en naar goeddunken van de brouwers, zonder dat de handhavers van de wet van die plaatsen onder welke dekmantel van octrooien of anderszins ook, diezelfde brouwers zouden mogen hinderen of belasten. Niet met accijns en ook niet door een keurmerk op het bier te maken en vast te stellen. Idem: men mocht het bier ook niet in kleinere eenheden verkopen om de nering niet in de ban te doen. Volgens de privilegiën van Maximiliaan, gekozen Rooms Keizer, etc. Gedateerd 18 maart 1509. Philips, koning van Spanje, etc. heeft de burgemeesters en regeerders van de stad Gouda een brief5 geschreven, ondertekend door Zijne Majesteit in het bos van Segoviac, op 3 oktober 1566. Daarin bedankt Zijne Majesteit hen voor de toewijding die zij hem hebben betracht, zodat hier alle dingen hetzelfde zijn gebleven; het kwaad namelijk tiert overal welig en het gebeurt in deze landen van oudsher. Hij wenste heel graag dat men de toewijding zou willen blijven betrachten. Bovendien waren er nog brieven van de hertogin van Parma en regentes van

4 5

[450 brouwerijen van de stad Gouda.] in de marge [Brieven van koning Philips betreffende de beeldenstorm] in de marge


[34] des Conincklijcke Majesteijt, aen Burgermeesteren deser Nederlande geschreven, ende bij hare hoogheijt geteeckent, hoe aengaende dat zijne Majesteijt is, van dat alhier niet ingevoert is, contrarie de Oude Catholijcke1 Religie, ende dat wij voorts naerstigh souden toesien, ten Eijnde, de simpelen niet bedrogen en worden, etc. In Date, den 25en October 1566. [2] De Schutters vande Voetboge ter Goude, zijn begiftight bij Vrouwe Jacoba van Beijeren, Gravinne van Hollant, etc. Waert saecke, dat ijemant vande voorschreven Schutters inden Doelen, met ongeval onnoselijcke ijemant doorschoten, verleemden, ende quetsen, met hare Boge, ofte Schutten, dat die daer af onbelast, ende vrij wesen zal, van alle Breucken van lijf, en de goedt, mitsgaders dat die Rent-Meester vander Goude, alle Jaers als zij schieten, uijt reijcken sal veertigh paer reijgers , volgens ’t Previlegie, in Dato anno 1428. Op beloocken Pincxteren, ’t welck daer naer, bij Hartogh Philips van Borgondien vermeerdert is, op hondert Reijgers, in Date, den Eerste Maert 1455.

1 2

[Catholijcke] in de marge [Schutters vande Voet-boge ter Goude ] in de marge

[34] de Koninklijke Majesteit, geschreven aan de burgemeesters van de Nederlanden en door Hare Hoogheid getekend, hoe vriendelijk Zijne Majesteit is jegens hen vanwege alles wat hier niet is ingevoerd tegen het oude Katholieke geloof en dat wij ijverig moeten toezien dat de eenvoudigen van geest niet bedrogen worden, etc. Gedateerd 25 oktober 1566. De schutters van de voetboog in Gouda hebben van vrouwe Jacoba van Beieren, gravin van Holland, etc. een gift gekregen. De zaak is namelijk dat iemand van de voornoemde schutters in de doelen, die per ongeluk een onschuldige persoon neerschiet, verminkt, of verwondt met zijn boog of schietgerei, onbelast en vrij zal zijn van alle boetes op lijf en goed. Bovendien zal de rentmeester van Gouda elk jaar waarin zij schieten, veertig paar reigers uitreiken volgens het privilege, gedateerd 1428. Op beloken Pinksteren is dat daarna door hertog Philips van Bourgondië vermeerderd tot honderd reigers, gedateerd 1 maart 1455.


[34Verso] Hant-veste vander Goude.

[34 verso] Handvest van Gouda

Aelbrecht bij Godes genade, Hartoge in Beijeren, Ruwaert van Henegouwen, van Hollant, Zeelant, ende van Vrieslant, doen kont alle Luijden, dat ons de goede Luijden der Stede vander Goude, getoont hebben, dat zij hare Hant-Vest met ongeval van Brant, dat henluijden onversiens, ende haestelijck op quam, Verlooren hebben, dat zij nochtans metter hulpe, ende Gratie van Godt, een uijtschrift ende Videmus of behouwen hebben welbezegelt is, met een Vaders Eersame Zegel, in goede Bisschop Jan van Uijtrecht, daer zijt van verkregen ende maken deden, op St. Pieters, ende Pomberen-dagh Apostele. In’t Jaer ons Heeren alsmen Schreef, Duijsent, drie hondert, vijf en dartigh, welck Vidimus, ende uijtschrifte voorschreven, wij hebben doen besien, ge-examineert, ende hebben goedt, ende gerechtight bevonden, sonder eenige Rasueren, ofte gebreecken, ende zoo zij meer zeeckerheijt, ende vestenisse, hare voorschreven Hantvesten, Vrijheden, ende Rechten, ons ootmoedelijck ende vriendelijck versocht hebben, soo hebben wij om sonderlinge gonst, die wij dragen tot onsen Lieven1 Neve den Grave van Beloijs, Heere van Avesunes van Schoonhove, ende vander Goude, ende om menige getrouwen Dienst, die hij ende Zijn voorsaten, aen die vander Goude gedaen heeft, ende nochdoen mogen, aengesien den kennelijcken ongeval hier voren geroert, ende die gerechtigheijt gegeven, ende geven ons die vander Goude, ende hare nakomelingen ten eeuwigen dagen, alsulcken Recht volkomelijck, als inden voorschreven Uitschrift, ende Vidimus van heure Hantveste die Heer Claes Catse in voortijden van onsen Lieven Heere, ende voorvader Floris Grave van Hollant, ende van Zeelant, Vercregen, beschreven staet, welcke hantvest houdende was, van woorden, tot woorden, als hier naer volght. Wij Floris Grave van Hollant, ende van Zeelant, maken kont allen den genen, die des hantvesten sullen zien

Wij, Aelbrecht, door Gods genade hertog van Beieren, ruwaard van Henegouwen, van Holland, Zeeland, en van Friesland, maken aan iedereen bekend dat de goede mensen van Gouda hebben aangetoond dat zij hun handvest in de onvoorziene en schielijk opgekomen ramp van de brand verloren hebben. Toch hebben zij met hulp en gratie van God een afschrift en vidimus met het eerzame zegel van een voorvader, van de goede bisschop Jan van Utrecht, gekregen en dat was opgemaakt en verleden op de dag van SintPieter en van de apostel Paulus op 29 juni en in het jaar des Heren, toen men 1335 schreef. De voornoemde oorkonde hebben wij laten bekijken en onderzoeken en die is goed en rechtsgeldig bevonden, zonder enige doorhalingen of gebreken. En omdat zij ons eerbiedig en vriendelijk om meer zekerheid en bevestiging van hun voornoemde handvesten, vrijheden en rechten verzocht hebben, hebben wij dit gedaan vanwege de speciale genegenheid die wij voor onze geliefde neef, de graaf van Blois, heer van Avesnes, van Schoonhoven en van Gouda koesteren en vanwege menige trouwe dienst die hij en zijn voorzaten de inwoners van Gouda bewezen hebben en nog kunnen bewijzen en om recht te doen, aangezien het voornoemde kennelijk een ongeval was. Wij geven de inwoners van Gouda en hun nakomelingen ten eeuwigen dage zulk volledig recht als het in het voornoemde vidimus van hun handvest beschreven staat. Dat heeft heer Claes Cats in het verleden van onze geliefde voorvader heer Floris, graaf van Holland en Zeeland verkregen. Dat handvest bevatte woord voor woord datgene wat hierna volgt. Wij, Floris, graaf van Holland en Zeeland, maken aan al degenen bekend die dit handvest onder ogen zullen krijgen

1

[Lieven] in de marge


[36] Copie Vande Veertig.

[36] Kopie van de Veertig

Maximiliaen, ende Maria, bij der Gratie Godts, Hartoge van Oostenrijck van Brugge, van Lotharingen, van Brabant, van Limburgh, van Luxenburgh, ende van Gelre, Grave van Vlaenderen, van Artoijs, van Bourgondien, Palatijn van Henegouwe, van Hollant, van Zeelant, van Namen, ende van Zutpheen, Marckgrave des Heiligen Rijcx, Heer van Vrieslant, van Salines, en van Mechelen, allen den genen die desen onsen tegenwoordigen Brief sullen sien, ofte hooren Lesen Saluijt, van wegen onsen wel beminden Burgermeesteren, Schepenen, ende Raden onser Stadt vander Goude, alsoo wel inde Name van hen-luijden, als voor ende inden Name vanden Lichame, vanden geheele Gemeente, der selver onser Stede is ons Vertoont, ende te kenne gegeven geweest, hoe dat wijlen Hartoge Philips van Bourgondien, Grave van Hollant, onse GrootVader Saliger gedachten in Zijn Leven Gunde, ende Willecoorde onser voorschreven Stadt vander Goude, omme Rust, Vrede, ende eendrachtigheden binnen der selver onser Stede te houden, veertigh Notable Persoonen, Macht ende Mogentheijt hebbende alle Jaer Vier dagen te houden1 ende voor den Dagh datmen gewoonlijcks is de Wet aldaer te Vernieuwen, te Kiesen ende te Noemen bij gelijcke Eede, ofte bij de meeste meenigheden van hen-luijden, achtien Persoonen vande alderrijckste, Notabelste, ende Vredelijckste Mannen vander voorschreven onser Stadt, omme veertien Persoonen te kiesen uijt die achtien, twee Burgermeesteren, ende als eenigh te worden bij onsen Stedehouder, ende Lieden van onsen2 Rade in Hollant, noch seven schepenen, ende vande andere veertien Persoonen, vier uijt te kiesen, daer af oock twee Burgermeesteren, ende als eenige vande boven

Maximiliaan, en Maria, bij de gratie Gods hertog van Oostenrijk, van Brugge, van Lotharingen, van Brabant, van Limburg, van Luxemburg en van Gelre, graaf van Vlaanderen, van Artois, van BourgondiĂŤ, paltsgraaf van Henegouwen, van Holland, van Zeeland, van Namen en van Zutphen, markgraaf van het Heilige Rijk, heer van Friesland, van Salines, en van Mechelen, al diegenen die deze huidige akte van ons zullen zien of horen voorlezen, zijn gegroet. Door onze zeer beminde burgemeesters, schepenen en raden van Gouda, zowel in hun naam als voor en in naam van de lichamen van de hele gemeente van onze zelfde stad is ons aangetoond en te kennen gegeven, dat wijlen hertog Philips van BourgondiĂŤ, graaf van Holland, onze grootvader zaliger nagedachtenis, tijdens zijn leven onze voornoemde stad Gouda een besluit gunde en goedkeurde om veertig notabele personen te benoemen, die de macht en de bevoegdheid hebben om ieder jaar vier dagen te reserveren en voor de dag waarop men gewend was het recht te vernieuwen om achttien personen van de allerrijkste, meest notabele en vredelievendste mannen van onze voornoemde stad te kiezen en te benoemen onder dezelfde eed of bij meerderheid van stemmen. Om veertien personen te kiezen van die achttien: twee burgemeesters en door onze stadhouder en de mensen van onze raad van Holland nog zeven schepenen en van de andere veertien personen er vier uit te kiezen en uit hen ook twee burgemeesters. Als iemand van de boven

1 2

[te houden] in de marge [onsen] in de marge


[36Verso] Geschreven veertien Persoonen Overleden, ofte andersints ontvreemt was, vander selver onser Stede, soo mochten sij procederen, en voortgaen ter Verkiesinge , van eenen anderen Notabelste Persoonen in Zijn Stede, welcke Octroij vanden voorschreven Veertich Persoonen, was naderhant bij onsen voorschreven wijlen Heere, ende Groot-Vader, ende bij Zijnen openen bezegelde Brieven, tot Diversche stonden vernieuwet, ende gecontinueert was, ende hebben die voorschreven ’t houderen bij hen-luijden, ende bij Heeren voorwaerden daer af gebruijcken, ende geuseert, tot den overlijden vanden voorschreven Willem Heere, ende Vader. Ende daer na bij tijden van Wijlen onsen Lieve Heere, ende Vader, wiens Ziele Godt genadigh zij, den tijt ende termijn van drie Jaren meer, naer welcke drie Jaren ge-expireert, ende ge-eijnt onse voorschreven Wijlen Heere, ende Vader, dede bij Zijnen Commissierissen Vernieuwen de Wet, van onse voorschreven Stede vander Goude, van Jare, tot jare naer Zijn beliefte, alsoo lange als hij leeft, ende dat wij Hartoginne ontfangen waren, als Vrouwe van onse Landen, ende Heerlickheijt, dat alsoo de voorschreven ’t houderen bij ons quamen, ende Verkregen Previlegie vanden voorschreven Veertigh Persoonen, op welcke hen-luijden ge-expedieert waren, onse openen Brieven, in Date, vanden xxiijen Dagh, inde Maert, in ’t Jaer ons Heeren Duisent ses en seventigh, voor Paessche, van welcke Brieven ’t inhouden hier naer volgt. ende is zulckx Maria bij der Gratie Godts, Hartoginne van Bourgongen, van Lotharingen, van Brabant, van Limburgh, van Luxenburgh, ende van Arthoijs, van Bourgonje, Palatine van Henegouwe, van Hollant, van Zeelant, van Name, ende van Zutphen, Marck-gravinne des Heijligen-rijcx. Vrouwe van Vrieslant, van Salms1, ende van Meochelen. Doen te weten: allen den genen, die desen present Letteren sullen sien ofte hooren Lesen. Alsoo ons Claerlicken gebleecken is, van seeckere Privelegien gegeven onser Stede vander Goude, bij onsen Edele voor-vader, ende Grave van Hollant, ende bij sonder dat wijlen Hartoge Philips van Borgondien, onsen Oudt-Vader Saliger, gedachten selver onsen Steden gegunt, geconsenteert, geoorloft, geordinueert hadden, ’t anderen tijden om Rust, Vrede, ende eendrachticheijt, binnen der selver Stede

1

op pagina 36r staat Salines

[36 verso] genoemde veertien personen overleden of anderszins verdwenen was uit onze zelfde stad, dan mochten zij handelen en doorgaan met de verkiezing van een andere meest notabele persoon in hun stad. Het document van de voornoemde veertig personen was naderhand door onze voornoemde overleden heer en grootvader middels open bezegelde akten op diverse tijden vernieuwd en voortgezet. De voornoemde houders behielden de voorwaarden en gebruiken en usances tot aan het overlijden van de voornoemde Willem, heer en vader. Daarna, ten tijde van wijlen onze geliefde heer en vader, wiens ziel God genadig zij, behielden zij nog een termijn van drie jaar. Toen die drie jaren ten einde waren, liet onze voornoemde overleden heer en vader door zijn gedelegeerde de wet van onze voornoemde stad Gouda jaar na jaar vernieuwen zoals hij het gewild had toen hij nog leefde. Wij, Hertogin, waren ontvangen als Vrouwe van onze landen en heerlijkheid en ook de voornoemde houders kwamen bij ons met de verkregen privileges van de voornoemde veertig personen, waarin zij benoemd waren, onze open akte, gedateerd 23 maart 1076, voor Pasen. Van deze akten volgt de inhoud hierna: dat Maria, bij de gratie Gods hertogin van Bourgondië, van Lotharingen, van Brabant, van Limburg, van Luxemburg en van Artois, en van Bourgondië, paltsgravin van Henegouwen, van Holland, van Zeeland, van Namen, van Zutphen, markgravin van het Heilige Rijk, vrouwe van Friesland, van Salines, en van Mechelen laat weten aan allen die deze huidige akten zullen zien of horen voorlezen dat ons duidelijk gebleken is dat zekere privileges aan Gouda gegeven zijn door onze edele voorvader, graaf van Holland en in het bijzonder dat wijlen hertog Philips van Bourgondië onze oudvader zaliger nagedachtenis, zelf onze stad gegund, goedgekeurd, geoorloofd en vastgesteld had in die tijd, om rust, vrede en eendracht binnen diezelfde stad


[36] Copie Vande Veertig.

[36] Kopie van de Veertig

Maximiliaen, ende Maria, bij der Gratie Godts, Hartoge van Oostenrijck van Brugge, van Lotharingen, van Brabant, van Limburgh, van Luxenburgh, ende van Gelre, Grave van Vlaenderen, van Artoijs, van Bourgondien, Palatijn van Henegouwe, van Hollant, van Zeelant, van Namen, ende van Zutpheen, Marckgrave des Heiligen Rijcx, Heer van Vrieslant, van Salines, en van Mechelen, allen den genen die desen onsen tegenwoordigen Brief sullen sien, ofte hooren Lesen Saluijt, van wegen onsen wel beminden Burgermeesteren, Schepenen, ende Raden onser Stadt vander Goude, alsoo wel inde Name van hen-luijden, als voor ende inden Name vanden Lichame, vanden geheele Gemeente, der selver onser Stede is ons Vertoont, ende te kenne gegeven geweest, hoe dat wijlen Hartoge Philips van Bourgondien, Grave van Hollant, onse GrootVader Saliger gedachten in Zijn Leven Gunde, ende Willecoorde onser voorschreven Stadt vander Goude, omme Rust, Vrede, ende eendrachtigheden binnen der selver onser Stede te houden, veertigh Notable Persoonen, Macht ende Mogentheijt hebbende alle Jaer Vier dagen te houden1 ende voor den Dagh datmen gewoonlijcks is de Wet aldaer te Vernieuwen, te Kiesen ende te Noemen bij gelijcke Eede, ofte bij de meeste meenigheden van hen-luijden, achtien Persoonen vande alderrijckste, Notabelste, ende Vredelijckste Mannen vander voorschreven onser Stadt, omme veertien Persoonen te kiesen uijt die achtien, twee Burgermeesteren, ende als eenigh te worden bij onsen Stedehouder, ende Lieden van onsen2 Rade in Hollant, noch seven schepenen, ende vande andere veertien Persoonen, vier uijt te kiesen, daer af oock twee Burgermeesteren, ende als eenige vande boven

Maximiliaan, en Maria, bij de gratie Gods hertog van Oostenrijk, van Brugge, van Lotharingen, van Brabant, van Limburg, van Luxemburg en van Gelre, graaf van Vlaanderen, van Artois, van BourgondiĂŤ, paltsgraaf van Henegouwen, van Holland, van Zeeland, van Namen en van Zutphen, markgraaf van het Heilige Rijk, heer van Friesland, van Salines, en van Mechelen, al diegenen die deze huidige akte van ons zullen zien of horen voorlezen, zijn gegroet. Door onze zeer beminde burgemeesters, schepenen en raden van Gouda, zowel in hun naam als voor en in naam van de lichamen van de hele gemeente van onze zelfde stad is ons aangetoond en te kennen gegeven, dat wijlen hertog Philips van BourgondiĂŤ, graaf van Holland, onze grootvader zaliger nagedachtenis, tijdens zijn leven onze voornoemde stad Gouda een besluit gunde en goedkeurde om veertig notabele personen te benoemen, die de macht en de bevoegdheid hebben om ieder jaar vier dagen te reserveren en voor de dag waarop men gewend was het recht te vernieuwen om achttien personen van de allerrijkste, meest notabele en vredelievendste mannen van onze voornoemde stad te kiezen en te benoemen onder dezelfde eed of bij meerderheid van stemmen. Om veertien personen te kiezen van die achttien: twee burgemeesters en door onze stadhouder en de mensen van onze raad van Holland nog zeven schepenen en van de andere veertien personen er vier uit te kiezen en uit hen ook twee burgemeesters. Als iemand van de boven

1 2

[te houden] in de marge [onsen] in de marge


[37Verso] teren, oorloven, ende ordineeren, ende eener nieuwer Giften geven mits desen onsen Brieven voor ons, ende voor onsen Erven, ende Nacomelingen, onser voorschreven Stede vander Goude, dat van nu voorstaen tot eeuwige dagen, die van de Wet Veertigh hier te voren plagen te wesen, bij tijden van onsen ouden Voorvader saliger gedachten, ende die nu ter tijt in levende Lijve Zijn sullen, mogen kiesen in die stede vander Goude, dier Doot sijn vreemde andere tot ten getal van veertigh toe, met den Bailliuw, en Veertigh van onse voorschreven Stede, omme hen-luijden naer te volgen, ’t Privelegien dat zij van onse Edele voorvaerder daer af hebben, gewoonlijck is onse Recht aldaer te Vernieuwet, te Kiesen, ende te Noemen bij gelijcken Eede twee-en-twintigh Persoonen, binnen den Landen geboren, niet jegenstaende dat hier voortaen, achtien Persoonen met de twee Burgermeesteren, ende seven Schepen, plegen genomen te wesen, uijt den alder-rijckste, Notabelste, Eerbaerlijckste rarelijckste, Vredelijckste1 Mannen der state, ende Conditien, ende sonder Versteecken als voorschreven is, die den voornoemden Veertigh bij hare Conscientie duncken sullen, Eerbaerlijckste waerdighste, ende Profitelijckste te zijn, omme ons, ende onse voorschreven Stede, ende sullen daer of ons, ofte onse Stadt-Houder, ende Rade van Hollant, presenteren, ende overleveren acht Persoonen, elck out wesende veertigh Jaren, ende daer boven vanden aldernobelsten. Ende als nu soo gunnen, ende geven wij der selver onser Steden, oock met eene nieuwe gifte voor onsen Erven, ende Nakomelingen, dat die inwoonders ende Poorters van onsen Stede voornoemt, ende tot den eeuwige Dagen inder Stede, vande twee Burgermeesteren, vier Burgermeesteren hebben sullen, die gekoren zullen wesen uijt De achte vande twee-en-twintigh Persoonen, diemen nemen, Kiesen, ende Ordonneren zal, niet jegenstaende oock, dat binnen onser voorschreven Stede vander Goude, niet dan twee Burgermeesteren en plegen te wesen, ende die bij ons ende onsen voorschreven Stadt-Houder, ende Rade gekoren, ende genomen zijnde uijten anderen achtien Persoonen, aldaer blijvende vande voorseijde twee-en-twintigh gekoren ende genomen worden seven Schepenen, elcx out wesende acht en twintigh Jaren, ende daer boven alsulcke als ons, ofte onsen voorschreven Stede-houder, ende Rade goet duncken zullen, tot den Gouvernemente, van onser voorschreven Stede vander Goude, die Jare schaer duijrende, ende voor dat die voorschreven veertigh van

1

[Vredelijckste] in de marge

[37 verso] We keuren goed, gunnen en gelasten een nieuwe gift te geven door middel van deze akten voor ons en onze nakomelingen, dat men in onze voornoemde stad Gouda vanaf nu tot in eeuwigheid de wet van Veertig heeft, zoals ze die hiervoor gewoon waren te hebben in de tijd van onze voorvader, zaliger nagedachtenis. Degenen die in levenden lijve zijn, mogen in Gouda anderen kiezen in de plaats van degenen die dood zijn tot het getal veertig aan toe, dus de baljuw en veertig van onze voornoemde stad, om die lieden op te volgen; dit is het privilege dat zij van onze edele voorvader gekregen hadden. Het is gebruikelijk dat wij het recht hebben daar te vernieuwen, te kiezen en te benoemen onder gelijke eed, 22 personen die in ons gebied geboren zijn. En dat wordt gedaan niettegenstaande dat hier voortaan achttien personen met de twee burgemeesters en zeven schepenen gewoonlijk genomen worden uit de allerrijkste, meest notabele, fatsoenlijkste, voornaamste, vredelievendste mannen met vertoon van aanzien en stand en zonder iemand uit te sluiten zoals de voorschriften bepalen. Degenen die de voornoemde veertig naar hun geweten menen de fatsoenlijkste, waardigste en nuttigste te zijn, zullen ons en onze voornoemde stad aan ons of onze Stadhouder en de Raad van Holland aanbieden en voordragen acht personen die veertig jaar of ouder zijn en van de alleredelsten. Vanaf heden gunnen en geven wij diezelfde stad ook een nieuwe gift voor onze erven en nakomelingen, nl. dat de inwoners en poorters van onze voornoemde stad tot in der eeuwigheid in plaats van twee burgemeesters, vier burgemeesters zullen hebben, die gekozen zullen worden uit de acht van de 22 personen die men nemen, kiezen en gelasten zal. Dit ondanks het feit dat binnen onze voornoemde stad Gouda slechts twee burgemeesters gebruikelijk waren, die door ons en onze voornoemde Stadhouder en Raad gekozen en genomen waren uit de andere achttien personen. Uit het restant van de voornoemde 22 worden gekozen en genomen zeven schepenen, elk 28 jaar of ouder zoals die ons of onze voornoemde Stadhouder en Raad geschikt lijken om te regeren in onze voornoemde stad Gouda, gedurende het lopende tijdvak van een jaar. Voordat de voornoemde veertig


[38Verso] haren Raet, aldaer de Hartoge van Bullioen, Heer van Adolph van Cleven, die Bisschop van Ludick, ende vander Marck, heer tot Ravesteijn, de Grave van Wincester, Heer vanden Gruijthuijsen, Meester Johan vande Brouwerien, Heere tot Roijvve, die President vanden Rekenkamer, ende andere jegenwoordigen, waren Edelberge, nu is waer dat Cort naer d’octroeije, ende Verleeninge vande voorschreven Brieven, van ons Hartoginne Godevaert Claij van ons Kerstant Harmensz, Wouter Maes ende anderen Haren Consorten, ende mede plegeren, uijt quaet willen bij Commotie, ende andersins, middelen van den gemeene, van onser voorschreven Stede vander Goude, te beroerende op te doen Rijsen, jegens den voorschreven thoonder, alsoo inder Wet wesende, de Welck uijt anxt, ende vreese van heure Lijven, ende andersints bedwongen waren te wijcken, ende te Ruijmen onse voorschreven Stede vander Goude, achterlatende die selve Brieven van Prevelegien, van ons Hartoginne, die bij den voornoemden Godevaert Claij, Constant Harmensz, Wouter Maes ende geschoort waren. Ende naer desen hebben de selven Godevaert, Constant, Wouter ende hare medeplegeren, soo veel gedaen, als dat zij van ons Verkregen hebben, de voorschreven thoonderen, daer toe seeckere andere Privelegie, van veertigh Persoonen, uijt Crachte vanden welcken sij hun gestecken zijn regimente, van onser voorschreven stede, ende hebben hun daer inne gehouden, tot onlanckx Leden, dat zij de selve Godevaert Kerstant, ende haren medeplegeren gebannen zijn geweest uijt onsen voorschreven Landen van Hollant, Zeelant, ende Vrieslant, ende alle hare Goederen Verlaeten geconfisqueert, ende Verbeurt tot onsen behouf, ende dat de selve thoonderen hebben mogen komen, ende weder keeren in onser voorschreven Steden vander Goude, aldaer sij bij onser voorschreven Stedenhouder, ende Lieden van onsen raet In Hollant, ende uijt kracht van seeckere onse Brieven, weder omme gestelt sij geweest, in sulcke regunenten, Staten, ende Officien, als sij waren al voor hener voorschreven ruijminge. Mitsgaders oock inne gebruijcksaemheijt, van ’t voorschreven Priveligie,

[38 verso] haar Raad, waarin de hertog van Bouillon, heer van Adolph van Kleef, de bisschop van Luik en van de Mark, heer tot Ravestein, de graaf van Winchester, heer van Gruijthuijsen, mr. Johan van Brouwerijen, heer tot Roijvve, de president van de Rekenkamer en anderen tegenwoordig waren in Heidelberg. Weliswaar hebben, kort na het machtigen en het verlenen van de voornoemde akten door onze hertogin, Godevaert Clay, Kerstant Harmen, Wouter Maes en andere medestanders en medeplichtigen uit kwade wil door middel van oproer en anderszins, het gewone volk van onze voornoemde stad Gouda in opstand laten komen en zij hebben daar de hand in gehad tegen de voornoemde requestranten. Zij waren, hoewel zij binnen de wet waren, uit angst en vrees voor hun leven en ook anderszins gedwongen uit te wijken en onze voornoemde stad Gouda te verlaten met achterlating van dezelfde akten met privileges van ons, hertogin, die door de voornoemde Godevaert Clay, Constant Harmensz en Wouter Maes verscheurd waren. Daarna hebben dezelfde Godevaert, Constant, Wouter en hun medeplichtigen zo veel gedaan als zij van ons verkregen hadden via de voornoemde requestranten, daarbij zekere andere privileges van veertig personen krachtens welke zij het bestuur van onze voornoemde stad in elkaar hebben gestoken en gehouden. Tot onlangs bekend werd dat zij, diezelfde Govaert Kerstant en zijn medeplichtigen verbannen waren uit onze voornoemde landen: Holland, Zeeland en Friesland en al hun achtergelaten goederen geconfisqueerd en verbeurd werden tot ons nut. Dezelfde requestranten mochten terugkeren in onze voornoemde stad Gouda, waar zij door onze voornoemde Stadhouder en door mensen van onze raad in Holland en krachtens zekere akten van ons weer aangesteld zijn in zulke besturen, staten en ambten als zij bekleedden voor hun voornoemde ontslag. Bovendien ook in de rechten van het voornoemde privilege,


[39] van ons Hartoginnen, waer omme dieswille dat de selve Brieven van Privelegien, van ons Hartoginne deursende gescheurt zijn geweest, alsoo voorschreven is, ende dat de selve thoonderen, mits desen, deughtende sijne, dat toekomende tijden eenige souden hemluijden daer inne willen moeijen, ofte beletten, soo Versoecken dat alle duijsternisse ende swarige te schuijwen ons gelieven wilde de voorschreven Brieven van Privilegien, te revalideren, ende op des Noot zijnde, die te confirmeren, approberen, ende bevestigen. Ende te aveleren ende doen te Nieuwen de voorschreven Privelegien naderhant, bij den voornoemde Godevaert Kerstantz Wouter ende, hare mede plegers, van ons verkregen, alsoo ’t voorschreven is, ende op al hemluijden te voorsien bij onser Gratie, ende genade, waer omme wij dese saecken overmercken soude, dat ons gebleecken is, vande verleeninge ende octroeij, vanden voorschreven Brieven van Priveligien, van ons Hartoginne boven geincorporeert, alsoo wel bij Copie, ende bij informatie, deughlijck daer op gemaeckt bij onse voorschreven Stede-Houder, ende lieden van onsen Raet in Hollant, die op al gehoort, ende geinterrogeert hebben, bij eede seeckere getuijgen die d’andere tijden gehoort, ende gesien hebben, de selve Brieven van Privelegien als andersints, ende daer op gehadt goet rijpe advijs, ende liberatie, van rade genegen wesende ter Supplicatie, vanden voorschreven Brieven van Privelegien, vaen ons Hertoginne hier boven gecomporteert, geconfirmeert, geapprobeert, gevestigen, ende revalideeren uijt onser rechter wetenheijt, ende sonderlinge Gratie, mits desen onsen jegenwoordigen Brieven, bij der welcker hebben Verlaten, ende Verclaerde, dat de voorschreven thoonderen, ende hare nakomelingen, daer of ende van allen inhouden van dien, behooren te useeren, ende te possideeren, gelijck ende inder manieren als zij doen mochten, aller de selver Brieven deursneden, ende gescheurt waer casserende, abolierende, ende doende te nieten ten eeuwigen dagen, bij desen voorschreven onsen Brieven, voorschreven Privelegien van

[39] van onze Hertogin, en wel omdat die akten met privileges van onze Hertogin helemaal verscheurd zijn, zoals gezegd, en dat degenen die ze laten zien en daarom vrezen dat in de toekomst enkele mensen zich daarmee zouden willen bemoeien of hun iets beletten, dringend vragen om elke onduidelijkheid en moeilijkheid te vermijden, en zo goed zou willen zijn de genoemde akten met privileges opnieuw geldig te verklaren en zo nodig te bekrachtigen, goed te keuren en te bevestigen, of te verminderen en naderhand de genoemde akten met privileges te laten vernieuwen. Deze privileges hebben de genoemde Godevaert, Kerstantz, Wouter en hun medeplichtigen van ons gekregen, zoals hierboven staat, en wij zullen zo goed zijn voor hen te zorgen en daarom zullen wij deze zaak in het oog houden. Dat is ons gebleken door het verlenen en toekennen van de genoemde akten met privileges door onze hertogin (hierboven toegevoegd), en door een afschrift daarvan, en door betrouwbare informatie daarover verschaft door onze genoemde stadhouder en raadslieden in Holland, die alles aangehoord en nagevraagd hebben, door getuigen die later deze akten met privileges en andere gezien hebben, om daarover een weloverwogen advies te geven. De raad was genegen om de genoemde privilegeakten van onze Hertogin aan te vullen, die gewettigd, bevestigd en goedgekeurd zijn. Wij bevestigen die en verklaren ze opnieuw geldig met onze oprechte wijsheid en uitzonderlijke genade, met onze huidige akten, waarmee wij hen hebben vergeven, en wij verklaren dat degenen die ze laten zien of hun erfgenamen, daarvan en van alles wat ze inhouden, gebruik horen te maken en die moeten bezitten, precies als zij konden doen voordat de akten kapotgesneden en verscheurd waren, en voor altijd gebroken, kapotgemaakt en vernietigd.


[39Verso] Ons ter contrarie Verkregen, bij den voornoemde Godevaert Claij, Karstant Harmensz, Wouter Maes ende hare medeplegers, ’t welck Verworden is geweest, naer dat van ’t voorschreven Privelegien, van ons Hertoginne, ende bij tijden van den Commotien, ende beroerten van onser voorschreven Stede vander Goude, alsoo voorschreven is, ontbieden daeromme ende bevelen, onsen Lieven ende getrouwen Ridder, ende Camerling, de Heer van Campen, ende den Luijden van onsen grooten Rade, bij ons wesende, onsen voorschreven Stede-houwer, ende Lieden van onsen Raden, in Hollant, onsen Casteleijn, Bailliuw, ende Schout, vander Goude ende voorts allen anderen onsen rechteren, Officieren, ende ondersaten die ’t aengaet, ofte aennopen mach, haren Stedehouwer ende elck van ende hun besonder, alsoo hem toebehoort sal, dat vanden inhoudt vanden voorschreven Brieven, van ons Hartoginnen hier boven geincorporeert. Mitsgaders van deser onser Jegenwoordigh, confirmatie, approbatie, restigheijt, revalidatie, declaratie, ende van allen Jegenwoordigen gehouden, van desen sij doen laten ende gedoogen, de voorschreven thoonderen, ende hare nakomelingen ten eeuwigen Dagen rustelijck, Vredelijck, ende volkomelijck genieten, ende gebruicken sonder hun daer inne te doen, ofte te laten geschien, eenige hinder, Letsel, ofte moeijenisse ter contrarie, want het ons alsoo gelieft, ende gedaen willen hebben, des t’orconde soo hebben wij onsen segel hier aen doen hangen, gegeven in onse Stadt van Brussel, den xen dagh van November in’t Jaer ons Heeren duijsent, vier hondert een-en-tachtentich, op te ploije stont geschreven, bij mijn Heere den Hartoge, ende geteijckent.

[39 verso] die voornoemde Godevaert Claij, Kerstant Harmensz, Wouter Maes en hun medeplichtigen in strijd met ons hebben verkregen; hetgeen verkeerd is afgelopen vanwege de voornoemde privileges van onze Hertogin in tijden van opstand en onrust van onze voornoemde stad Gouda. Te volgen de voorschriften, gebieden en bevelen wij daarom onze geliefde en getrouwe ridder en thesaurier, de heer Van Campen, en de leden van onze grote Raad. Onze vertegenwoordigers: onze voornoemde Stadhouder en leden van onze raden van Holland, onze slotvoogd, baljuw en schout, officieren en onderdanen die het kunnen aangaan of betreffen. Hun Stadhouder en elk van hen afzonderlijk zoals hem zal toebehoren, de inhoud van de voornoemde akten van onze Hertogin, die hierboven zijn ingevoegd, te handhaven. Bovendien van onze vertegenwoordigers te bevestigen, goed te keuren, vreedzaamheid, opnieuw geldig te verklaren en uitspraak te doen en van alle vertegenwoordigers zich te houden aan en zich niet te bemoeien met en wel te gedogen de voornoemde requestranten en hun nakomelingen, die voor eeuwig deze ongestoord, onbelemmerd en volledig mogen genieten en gebruiken. Zonder dat zij daarin enige hinder, schade of bemoeienis ondervinden of het tegenovergestelde moeten doen of dat laten gebeuren. Omdat het ons zo belieft en het zo gedaan willen hebben en verklaren, hebben wij onze zegel hieraan laten hangen. Gegeven in onze stad Brussel, 10 november in het jaar des Heren 1481. Op de vouw stond geschreven: door mijn heer de Hertog en getekend.


[40] Een Acte vande Veertigh ende huldinge van Hartoge Philips Sinte Geertruijtenberge. Op den dagh van Huijden, den xijen dagh in Decembri, in den Jare Duijsent vier Hondert vier ende tnegentigh, soo zijn de Staten van Hollant, ende Vrieslant, in groote ende suffisanten getale Vergadert zijnde binnen der Stede van St. Geertruijtenberge, in Zuijt-Hollant gekomen, ende gecompareert, inde Herberge diemen heet ende teeckent, de Wilde Man Uijthangende, Aldaer mijne genadige Heere ende Eerts Hertoge, ende zij aldaer inder zelver herberge inde Neder-Kamer, bij zijnder genade zijnde mijns voorschreven genadige Heer de Eers Hertoge, heeft hem doen seggen, ende Verklaren, bij monde van Meester Thomas de Plaijne Heere van Maignij President vanden grooten Raet, vanden Roomschen Koninck, ende mijns voorschreven genadigsten Heeren, dat zijne genade hem aldaer hadden doen Vergaderen, ende was bij den goeden wille, ende geliefte ende Consent, vanden voorschreven Roomschen Koninck, zijnen Vader in Persoonen bij hem gekomen, omme bij hem gehult, ende ontfangen te zijn, als heur Erfachtigh, gerechtigh, ende Natuijrlijcke Prince, ende Heere van Vrieslant, ende heere Grave van Hollant, ende dat die meijninge vanden Koninck, ende van zijner ende manieren, als hij ontfangen te zijne hadde

[40] Een akte van de Veertig en de huldiging van hertog Philips te St. Geertruidenberg. Heden, 12 december 1494, zijn de Staten van Holland en Friesland in grote en voldoende getale in St. Geertruidenberg in Zuid-Holland samen gekomen en verschenen in de herberg die de Wildeman heet en die van zo’n uithangbord voorzien is. Waar mijn Genadige Heer en Aartshertog in dezelfde herberg in de Nederkamer door Zijn Genade mijn voornoemde genadige heer de Aartshertog hen heeft laten zeggen en verklaren bij monde van mr. Thomas de Plaijne, heer van Maigny, president van de grote Raad van de Roomse Koning en van mijn voornoemde Genadigste Heer, dat Zijne Genade hen daar had laten bijeenkomen. Hij was door de goede wil, het welgevallen en het verzoek van de voornoemde Roomse Koning zijn vader, in persoon bij hen gekomen om door hen gehuldigd en ontvangen te worden als hun erfelijke, rechtmatige en natuurlijke prins en heer van Friesland en heer graaf van Holland en dat was de bedoeling van de Koning en zijn gedragingen toen hij ontvangen was.


[40Verso.] Geweest, ende hem eedt doende sulck Privilegie te onderhouden, als hier voortijts gesworen hadde, wijlen saliger gedachten mijn Heere Hartoge Philips, Kaerle, ende hare voorsaten, Graven, ende Gravinne van Hollant, Heeren ende Vrouwen van Vrieslant, hem luijden voortijts Verclarende, dat alle anderen Privilegien, bij hem Verkregen, sedert den overluijden van wijlen mijnen voorschreven Heer Hertoge Kaerle, souden geaboleert, gecasseert, ende van onwaerden zijn. Ende omme veele Redenen hem luijden verclaerst, aboleende, casseerde, ende dede te niet, ende nietemin om seeckere Consideratie, de Koninck ende mijne voorschreven genadigen Heere, ende elck van hem accordeerden, alsulck den Steden van Delft, Leijden, Goude, Amsterdam, Rotterdamme, ende Schiedam, te mogen useren, ende gebruijcken, roerende de Vernieuwinge vande Wetten. Ende Privilegien vande Veertigh als zij sichtent den Doot, vanden zelven Hartoge Kaerle gedaen hebben, ter tijt toe, dat mijne voorschreven genadigen Heere gecomen sal wesen, totter oute van vijf en twintigh Jare, onbegrepen, accordeerden den voornoemden Staten, oock in’t generale, ende perticulieren, den geenen die ’t aengaende Macht, quitantie absoluijt vanden Penningh, bij hem schuldigh ende te achteren zijnde willen, mijnen voorschreven Heere Hertoge Kaerle, den tijt van zijnen overlijden, achter volgende die Quitantie van hem daer of gegeven, naer den overlijden Wijlen mijns voorschreven Heere Hartoge Kaerle, bij Willemmer Vrouwe Maria zaliger gedachten, hem was oock geseijt, ende geacoordeert, dat maer zij mijns voorschreven genaden Heere ontfangen souden hebben, inder manieren als hier voorsij geheelijck ontlast, ende quijte blijven zullen, van alle Eede die zij hier voortijden den Koninck gedaen hebben, als Vader ende Momboir van mijne Heere sijnen soonen voorschreven, ende indien na den zelve ontfangen, ende Huldinge genaden zijnde, alsoo voorschreven geseijt is, aen mijnen voorschreven genadigen Heere, Versochten, bij nieuwe Privilegien, eenigen punten, ende Articulen redelijcke profijtelijcke zijnde voor’t Lant, ende met contrarie noch tegen de Hoogheijt, van mijnen

[40 verso] Hij legde de eed af de privileges in stand te houden zoals vroeger wijlen zaliger nagedachtenis, mijn heer hertog Philips, Karel en hun voorouders, graven en gravinnen van Holland en heren en vrouwen van Friesland gezworen hadden. Zij verklaarden hun dat alle andere vroeger door hen verkregen privileges sedert het overlijden van wijlen mijn voornoemde heer hertog Karel zouden zijn teniet gedaan, vernietigd en van geen waarde. Om vele redenen die hen zijn verklaard, deden zij deze teniet en vernietigden zij ze. Doch, vanuit een zekere toegeeflijkheid stonden de Koning en mijn voornoemde Genadige Heer ieder voor zich, zulke steden als Delft, Leiden, Gouda, Amsterdam, Rotterdam en Schiedam toe de betreffende vernieuwing van de wet aan te wenden en te gebruiken. De privileges van de Veertig zoals zij sedert de dood van dezelfde hertog Karel gedaan hebben, tot aan de tijd dat mijn voornoemde Genadige Heer de leeftijd van 25 jaar zal hebben bereikt. Onverminderd verleenden de voornoemde staten zowel algemeen als privé, degenen die het mocht aangaan, absolute kwijtschelding van de achterstallige penningen die door hen verschuldigd waren tot de tijd van het overlijden van mijn voornoemde heer hertog Karel. Geheel in overeenstemming met de kwijtschelding die hun daarvoor gegeven werd na het overlijden van wijlen mijn voornoemde heer hertog Karel, door Willems vrouw Maria, zaliger nagedachtenis, werd hun ook gezegd en verleend dat zij datgene wat mijn voornoemde Genadige Heer ontvangen zou hebben, zoals hierboven gezegd, geheel ontlast en kwijt zal blijven. Van alle eden die zij hier vroeger aan de Koning gezworen hebben als vader en voogd van mijn heer, zijn voornoemde zoon. Indien, nadat deze ontvangen, gehuldigd en begenadigd is, zoals hierboven genoemd is, verzochten zij mijn voornoemde genadige heer bij de nieuwe privileges enige punten en artikelen toe te voegen die redelijk profijtelijk zijn voor het land en ook niet strijdig zijn met de hoogheid van


[41] voorschreven genadigen Heere, dat de selve mijne genadigen Heere, hem daer op zoude Gelieven in Manieren, dat bij effecte bekennen souden, dat mijnen genadigen Heere, goede Memorije ende gedencken hadden van den grooten dienste, die zij hier voortijden den Roomsche, welcke saecke gehoort hebben die voorschreven Staten, hebben die elckx ende een bijsonder alsoo altesamen bij eenen Commende accorde, willende ende consenterende geaggreert aengenomen, ende geconsenteert. Ende dat gedaen hebben, mijnen voorschreven genadigen Heer ontfange die hem eerst den Eedt gedaen heeft, inde manieren als hier naer volght. Dat sweere wij als grave van Hollant, ende Heere van Vrieslant, met haren toebehoort, die Heijligen-Kercke voor te staen, ende in haren rechten ende vrijheden ‘tonder houden, Weduwen, ende Weessen te beschermen, ende in Rechten ende redenen te houden, ende te doen houden, die rechten Hantvest, ende Privilegien onser Ridderschap, goede Stede, ende gemeene Lande van Hollant, ende van Vrieslant1 West-Vrieslant, voortijts verleent, ende gegeven, bij wijlen den Hartoge Philips, Kaerle, haer voorvader Grave, ende Gravinne van Hollant, ende Heere van Vrieslant Zaliger. Memorijen te houden, ende te doen onderhouden, ende Conformeren, ende vestigen, die voor ons, ende onsen Erven ende nakomelingen, mits desen onsen eede, ende desgelijcken onsen voorschreven Landen, in Rechten ende Justitien te houden, ende te doen onderhouden, ende die oude goede costumen, gewoonten, ende haerkomen, abserveren, ende te bewaren, ende voort onse voorschreven Ridderschap, Landen, Steden, ende ondersaten van dien, te doen als des een goet Heere ende Prince schuldigh wesen sal te doen, alsoo moet ons Godt Helpen, ende alle Zijne Heijligen. Ende daer na zoo hebben die Staten, mijne voorschreven genadigen Heer, oock Eet gedaen, als hier na volght. Dat sweeren wij als dat onse genadigen Heere, EertsHartoge Philips, hier na volght zijn Hulden2 Huldigh ende ontfangen, tot onser voorschreven rechten geboren LantsHeer, ende Grave den Landen van Hollant, ende Heerlijckheijt van Vrieslant, met haren toebehooren, sijn Hoogheijt, ende de Graeffelijcken Rechten, getrouwelijck

1 2

[Ick seg Vrieslandt] in de marge [Ick segh Hulden] in de marge

[41] mijn voornoemde Genadige Heer. Dat het mijn Genadige Heer zou behagen dat hij inderdaad bekennen zou dat mijn Genadige Heer een goede herinnering bewaard had aan de grote dienst die zij vroeger aan de zaak van Rome bewezen hadden. De genoemde staten hebben die stuk voor stuk, dus samen, in een gemeenschappelijke overeenkomst toegestaan, aangenomen en goedgekeurd. Toen dat gedaan was werd mijn voornoemde Genadige Heer ontvangen nadat hij eerst de eed aan hen had afgelegd op de manier die hierna volgt: wij zweren, als graaf van Holland en heer van Friesland met hun toebehoren, op te komen voor de heilige kerk en diens rechten en vrijheden te onderhouden, weduwen en wezen te beschermen en in recht en reden te houden en te doen houden, de rechten van het handvest en de privileges aan onze ridderschap, vroeger verleend en gegeven aan de goede steden en gemeenschappelijke landen van Holland en –ik zeg Friesland- West-Friesland door wijlen de hertog Philips, Karel, hun voorouders graven en gravinnen van Holland en heren van Friesland zaliger in herinnering te houden en te laten nakomen. En wij bevestigen voor ons en onze erfgenamen en nazaten dat zij door deze eed in onze genoemde gewesten het recht zullen handhaven en laten handhaven, en de goede oude gebruiken, gewoontes en privileges in acht zullen nemen en bewaren, en vervolgens onze genoemde ridderschap, gewesten, steden en onderdanen zullen behandelen zoals een goede heer en vorst verplicht is te doen; zo mogen God en zijn heiligen ons helpen. En daarna hebben de staten jegens mijn genoemde heer de volgende eed afgelegd: ‘Wij zweren dat wij onze genadige heer aartshertog Philips zullen inhuldigen en aannemen als onze landsheer en graaf van Holland en heer van Friesland, en alles wat daartoe behoort,


[40] Een Acte vande Veertigh ende huldinge van Hartoge Philips Sinte Geertruijtenberge. Op den dagh van Huijden, den xijen dagh in Decembri, in den Jare Duijsent vier Hondert vier ende tnegentigh, soo zijn de Staten van Hollant, ende Vrieslant, in groote ende suffisanten getale Vergadert zijnde binnen der Stede van St. Geertruijtenberge, in Zuijt-Hollant gekomen, ende gecompareert, inde Herberge diemen heet ende teeckent, de Wilde Man Uijthangende, Aldaer mijne genadige Heere ende Eerts Hertoge, ende zij aldaer inder zelver herberge inde Neder-Kamer, bij zijnder genade zijnde mijns voorschreven genadige Heer de Eers Hertoge, heeft hem doen seggen, ende Verklaren, bij monde van Meester Thomas de Plaijne Heere van Maignij President vanden grooten Raet, vanden Roomschen Koninck, ende mijns voorschreven genadigsten Heeren, dat zijne genade hem aldaer hadden doen Vergaderen, ende was bij den goeden wille, ende geliefte ende Consent, vanden voorschreven Roomschen Koninck, zijnen Vader in Persoonen bij hem gekomen, omme bij hem gehult, ende ontfangen te zijn, als heur Erfachtigh, gerechtigh, ende Natuijrlijcke Prince, ende Heere van Vrieslant, ende heere Grave van Hollant, ende dat die meijninge vanden Koninck, ende van zijner ende manieren, als hij ontfangen te zijne hadde

[40] Een akte van de Veertig en de huldiging van hertog Philips te St. Geertruidenberg. Heden, 12 december 1494, zijn de Staten van Holland en Friesland in grote en voldoende getale in St. Geertruidenberg in Zuid-Holland samen gekomen en verschenen in de herberg die de Wildeman heet en die van zo’n uithangbord voorzien is. Waar mijn Genadige Heer en Aartshertog in dezelfde herberg in de Nederkamer door Zijn Genade mijn voornoemde genadige heer de Aartshertog hen heeft laten zeggen en verklaren bij monde van mr. Thomas de Plaijne, heer van Maigny, president van de grote Raad van de Roomse Koning en van mijn voornoemde Genadigste Heer, dat Zijne Genade hen daar had laten bijeenkomen. Hij was door de goede wil, het welgevallen en het verzoek van de voornoemde Roomse Koning zijn vader, in persoon bij hen gekomen om door hen gehuldigd en ontvangen te worden als hun erfelijke, rechtmatige en natuurlijke prins en heer van Friesland en heer graaf van Holland en dat was de bedoeling van de Koning en zijn gedragingen toen hij ontvangen was.


[41Verso] Te bewaren ende te onderhouden,inden Rade van Hollant, ende voorts alle zijne Dienaren, ende Officiers, elcke toebehooren haren dienste doende, ende Executeerende te obedieren, ende assisteren, ende voor hou ende getrouwe dienstigh te wesen, tot beschermingh van zijn Edele Persoon, ende State, als wij van rechte ende van redenen wegen schuldigh zijn van doen, ende voort alle te doen, des goede ende getrouwe onderzaten, haren gerechten Landt-Heer schuldigh zijn vandoende, alsoo moet ons Godt Helpen, ende alle zijne Heijligen, van allen den welcke dingh aldus geschiet zijnde, mijne voorschreven Heere, heeft geordonneert, ende den Landen, mette Staten1, hebben Versocht tot eene gelijck Verseeckerheden, ons Jan le Condrelier, secretaris ordinaris, mijne voorschreven genadigen Heere, den Roomsche Koninck, ende Eerts Hartoge, ende Franck van Nesse Secretaris, in de Kamer van Rade in Hollant, dese tegenwoordigen acte te maecken, ende expedieren, ten eijnde dat vast gestadigen, ende van waerde blijven, ten eeuwigen dagen. Actum inde voorschreven Stadt, ten dagen ende Jare als boven, inde present ende tegenwoordigheijt van mijne Heere van Berge, Molenbaijs, ende berstele, ridder van Gvorden, de proost van Trich – Heer Ladroen – Host-Meester, Philibeert de Veerd, geseijt La Monche, eerst Stal Meester, Meester Jacob van Almonde, ende Jan Boudinsse, Raden vande voorschreven Kamer, vanden Raden van Hollant, ende meer ander in groote getalen.

1

[d] vervagen door [t]

[41 verso] te bewaren en te onderhouden in de Raad van Holland. Voorts al zijn dienaren en officieren de dienst ten uitvoer te laten brengen die erbij past, te gehoorzamen en te assisteren en in alle eerbied dienstbaar te zijn ter bescherming van zijn edele persoon en zijn staat. Wij zijn dit met recht en reden verschuldigd te doen. Voorts alles te doen, wat goede en trouwe onderdanen voor hun rechtmatige landsheer verschuldigd zijn te doen, zo waarlijk helpe ons God almachtig en al Zijn heiligen. Toen al deze dingen zo gebeurd waren, heeft mijn voornoemde Heer gelast en hebben de landen mede met de staten gelijk gezind onze Jan le Condrelier, secretaris ordinaris, verzocht samen met mijn voornoemde genadige heer de Roomse Koning en de Aartshertog en Frank van Nesse, secretaris in de kamer van de Raad van Holland de huidige akte te maken en op te stellen ten einde die blijvend te bevestigen en ten eeuwigen dage van waarde te laten blijven. Waarvan akte in de voornoemde stad, op de dag en in het jaar als boven genoemd in aanwezigheid van mijn heer van Bergen, Molenbais en Borsele, ridder van de Orde, de proost van Tricht – heer Ladroen – hofmeester, Philibert de Veere, genaamd La Mouche, eerste stalmeester, meester Jacob van Almonde en Jan Boudijnsz, raden van de voornoemde kamer van de Raad van Holland en vele anderen in groten getale.


[40Verso.] Geweest, ende hem eedt doende sulck Privilegie te onderhouden, als hier voortijts gesworen hadde, wijlen saliger gedachten mijn Heere Hartoge Philips, Kaerle, ende hare voorsaten, Graven, ende Gravinne van Hollant, Heeren ende Vrouwen van Vrieslant, hem luijden voortijts Verclarende, dat alle anderen Privilegien, bij hem Verkregen, sedert den overluijden van wijlen mijnen voorschreven Heer Hertoge Kaerle, souden geaboleert, gecasseert, ende van onwaerden zijn. Ende omme veele Redenen hem luijden verclaerst, aboleende, casseerde, ende dede te niet, ende nietemin om seeckere Consideratie, de Koninck ende mijne voorschreven genadigen Heere, ende elck van hem accordeerden, alsulck den Steden van Delft, Leijden, Goude, Amsterdam, Rotterdamme, ende Schiedam, te mogen useren, ende gebruijcken, roerende de Vernieuwinge vande Wetten. Ende Privilegien vande Veertigh als zij sichtent den Doot, vanden zelven Hartoge Kaerle gedaen hebben, ter tijt toe, dat mijne voorschreven genadigen Heere gecomen sal wesen, totter oute van vijf en twintigh Jare, onbegrepen, accordeerden den voornoemden Staten, oock in’t generale, ende perticulieren, den geenen die ’t aengaende Macht, quitantie absoluijt vanden Penningh, bij hem schuldigh ende te achteren zijnde willen, mijnen voorschreven Heere Hertoge Kaerle, den tijt van zijnen overlijden, achter volgende die Quitantie van hem daer of gegeven, naer den overlijden Wijlen mijns voorschreven Heere Hartoge Kaerle, bij Willemmer Vrouwe Maria zaliger gedachten, hem was oock geseijt, ende geacoordeert, dat maer zij mijns voorschreven genaden Heere ontfangen souden hebben, inder manieren als hier voorsij geheelijck ontlast, ende quijte blijven zullen, van alle Eede die zij hier voortijden den Koninck gedaen hebben, als Vader ende Momboir van mijne Heere sijnen soonen voorschreven, ende indien na den zelve ontfangen, ende Huldinge genaden zijnde, alsoo voorschreven geseijt is, aen mijnen voorschreven genadigen Heere, Versochten, bij nieuwe Privilegien, eenigen punten, ende Articulen redelijcke profijtelijcke zijnde voor’t Lant, ende met contrarie noch tegen de Hoogheijt, van mijnen

[40 verso] Hij legde de eed af de privileges in stand te houden zoals vroeger wijlen zaliger nagedachtenis, mijn heer hertog Philips, Karel en hun voorouders, graven en gravinnen van Holland en heren en vrouwen van Friesland gezworen hadden. Zij verklaarden hun dat alle andere vroeger door hen verkregen privileges sedert het overlijden van wijlen mijn voornoemde heer hertog Karel zouden zijn teniet gedaan, vernietigd en van geen waarde. Om vele redenen die hen zijn verklaard, deden zij deze teniet en vernietigden zij ze. Doch, vanuit een zekere toegeeflijkheid stonden de Koning en mijn voornoemde Genadige Heer ieder voor zich, zulke steden als Delft, Leiden, Gouda, Amsterdam, Rotterdam en Schiedam toe de betreffende vernieuwing van de wet aan te wenden en te gebruiken. De privileges van de Veertig zoals zij sedert de dood van dezelfde hertog Karel gedaan hebben, tot aan de tijd dat mijn voornoemde Genadige Heer de leeftijd van 25 jaar zal hebben bereikt. Onverminderd verleenden de voornoemde staten zowel algemeen als privé, degenen die het mocht aangaan, absolute kwijtschelding van de achterstallige penningen die door hen verschuldigd waren tot de tijd van het overlijden van mijn voornoemde heer hertog Karel. Geheel in overeenstemming met de kwijtschelding die hun daarvoor gegeven werd na het overlijden van wijlen mijn voornoemde heer hertog Karel, door Willems vrouw Maria, zaliger nagedachtenis, werd hun ook gezegd en verleend dat zij datgene wat mijn voornoemde Genadige Heer ontvangen zou hebben, zoals hierboven gezegd, geheel ontlast en kwijt zal blijven. Van alle eden die zij hier vroeger aan de Koning gezworen hebben als vader en voogd van mijn heer, zijn voornoemde zoon. Indien, nadat deze ontvangen, gehuldigd en begenadigd is, zoals hierboven genoemd is, verzochten zij mijn voornoemde genadige heer bij de nieuwe privileges enige punten en artikelen toe te voegen die redelijk profijtelijk zijn voor het land en ook niet strijdig zijn met de hoogheid van


[42] Copie vande xxviij.

[42] Kopie van de 28.

De Ridderschap, Edelen, ende Steden van Hollant, ende West-Vrieslant representerende de Staten vande selve Lande. Doen te weten: Alsoo ons vertoont is bij Burgermeesteren, ende Vroetschappen der Stadt Goude, van wegen, ende als hem selven, mitsgaders: van wegen ende als representerende, het geheele corpus der gemeijnte, aldaer, hoe dat wijlen Hartoge Philips van Borgondjen, als Grave van Hollant, aende selve Steden gegeven hadden, seecker Privilegie, van dat binnen de selve Stadt soude wesen, veertigh Notable Persoonen, macht ende mogentheijt hebbende alle Jaers vier dagen voor den dagh, dat men gewoon was de Weth aldaer te Vernieuwen, te Kiesen, ende te noemen bij hare Eede, ende bij de meeste menichte van hemluijden achtien Persoonen, omme uijt de Veertigh vande selve gekoren te worden, bij zijnen Stadthouder, ende Luijden vanden Raedt in Hollant, seven Schepenen, ende uijt de Vier anderen twee Burgermeesteren, ende als eenige vanden Veertigh Persoonen voor schreven aflivigh worde ofte hem onvrijden van zijn Poorterschap, die andere vande Veertigh in wesende blijvende Kiesende, soude bij hare Eede, ende Conscientie andere Notable ende Eerbare Persoonen, vande Rijckste, Notabelste, Rustelijckste, ende Vredelijckste, vande voorschreven Stadt, van wat conditie ofte state, die mochte wesen, sonder ijemant daer uijt te Versteecken, om haet, nijt, ofte eeniger hande saecke, ende dat de voorschreven Veertigh Persoonen, van alsdoen voortaen, tot den eeuwigen Dagen souden houden bekent, ende geroepen wesen, in alle des Lant ende der Stede saecke, gelijck de andere vande Vroetschappen der selver Stede, in Materie, ’t allen tijden gewoonlijcke de Vroetschap te Vergaderen

De ridderschap, edelen en steden van Holland en West Friesland die de staten van dezelfde landen vertegenwoordigen, laten weten: dat ons is te kennen gegeven door burgemeesters en vroedschappen van Gouda, uit naam van henzelf en daarbij ook nog uit naam van de vertegenwoordiging van het hele corpus van de gemeente aldaar, hoe wijlen hertog Philips van BourgondiĂŤ, als graaf van Holland aan dezelfde stad een zeker privilege gegeven had. Namelijk dat binnen diezelfde stad er veertig notabele personen zouden zijn, die de macht en het vermogen moesten hebben om elk jaar vier dagen voor de dag waarop men gewend was de wet aldaar te vernieuwen, achttien personen te kiezen en onder ede te benoemen bij meerderheid van stemmen, en om uit diezelfde veertig zeven schepenen en uit de vier andere twee burgemeesters te kiezen door de Stadhouder en de leden van de Raad van Holland. En als iemand van de voornoemde veertig personen zou overlijden of het poorterschap zou hem ontvallen dan moeten de overige van de Veertig die kiesgerechtigd blijven naar eer en geweten andere notabele en eerbare personen kiezen uit de rijkste, notabelste, rustigste en vredelievendste personen van de voornoemde stad, wat hun conditie of staat ook mocht zijn en zonder iemand uit te sluiten vanwege haat, nijd of enigerhande zaak. En dat de voornoemde veertig personen van destijds voortaan tot in eeuwigheid zouden belijden en geroepen zijn in alle zaken van het land en de stad, net als de anderen van de vroedschap van diezelfde stad in deze materie, te allen tijde dat de vroedschap gewend is te vergaderen


[41] voorschreven genadigen Heere, dat de selve mijne genadigen Heere, hem daer op zoude Gelieven in Manieren, dat bij effecte bekennen souden, dat mijnen genadigen Heere, goede Memorije ende gedencken hadden van den grooten dienste, die zij hier voortijden den Roomsche, welcke saecke gehoort hebben die voorschreven Staten, hebben die elckx ende een bijsonder alsoo altesamen bij eenen Commende accorde, willende ende consenterende geaggreert aengenomen, ende geconsenteert. Ende dat gedaen hebben, mijnen voorschreven genadigen Heer ontfange die hem eerst den Eedt gedaen heeft, inde manieren als hier naer volght. Dat sweere wij als grave van Hollant, ende Heere van Vrieslant, met haren toebehoort, die Heijligen-Kercke voor te staen, ende in haren rechten ende vrijheden ‘tonder houden, Weduwen, ende Weessen te beschermen, ende in Rechten ende redenen te houden, ende te doen houden, die rechten Hantvest, ende Privilegien onser Ridderschap, goede Stede, ende gemeene Lande van Hollant, ende van Vrieslant1 West-Vrieslant, voortijts verleent, ende gegeven, bij wijlen den Hartoge Philips, Kaerle, haer voorvader Grave, ende Gravinne van Hollant, ende Heere van Vrieslant Zaliger. Memorijen te houden, ende te doen onderhouden, ende Conformeren, ende vestigen, die voor ons, ende onsen Erven ende nakomelingen, mits desen onsen eede, ende desgelijcken onsen voorschreven Landen, in Rechten ende Justitien te houden, ende te doen onderhouden, ende die oude goede costumen, gewoonten, ende haerkomen, abserveren, ende te bewaren, ende voort onse voorschreven Ridderschap, Landen, Steden, ende ondersaten van dien, te doen als des een goet Heere ende Prince schuldigh wesen sal te doen, alsoo moet ons Godt Helpen, ende alle Zijne Heijligen. Ende daer na zoo hebben die Staten, mijne voorschreven genadigen Heer, oock Eet gedaen, als hier na volght. Dat sweeren wij als dat onse genadigen Heere, EertsHartoge Philips, hier na volght zijn Hulden2 Huldigh ende ontfangen, tot onser voorschreven rechten geboren LantsHeer, ende Grave den Landen van Hollant, ende Heerlijckheijt van Vrieslant, met haren toebehooren, sijn Hoogheijt, ende de Graeffelijcken Rechten, getrouwelijck

1 2

[Ick seg Vrieslandt] in de marge [Ick segh Hulden] in de marge

[41] mijn voornoemde Genadige Heer. Dat het mijn Genadige Heer zou behagen dat hij inderdaad bekennen zou dat mijn Genadige Heer een goede herinnering bewaard had aan de grote dienst die zij vroeger aan de zaak van Rome bewezen hadden. De genoemde staten hebben die stuk voor stuk, dus samen, in een gemeenschappelijke overeenkomst toegestaan, aangenomen en goedgekeurd. Toen dat gedaan was werd mijn voornoemde Genadige Heer ontvangen nadat hij eerst de eed aan hen had afgelegd op de manier die hierna volgt: wij zweren, als graaf van Holland en heer van Friesland met hun toebehoren, op te komen voor de heilige kerk en diens rechten en vrijheden te onderhouden, weduwen en wezen te beschermen en in recht en reden te houden en te doen houden, de rechten van het handvest en de privileges aan onze ridderschap, vroeger verleend en gegeven aan de goede steden en gemeenschappelijke landen van Holland en –ik zeg Friesland- West-Friesland door wijlen de hertog Philips, Karel, hun voorouders graven en gravinnen van Holland en heren van Friesland zaliger in herinnering te houden en te laten nakomen. En wij bevestigen voor ons en onze erfgenamen en nazaten dat zij door deze eed in onze genoemde gewesten het recht zullen handhaven en laten handhaven, en de goede oude gebruiken, gewoontes en privileges in acht zullen nemen en bewaren, en vervolgens onze genoemde ridderschap, gewesten, steden en onderdanen zullen behandelen zoals een goede heer en vorst verplicht is te doen; zo mogen God en zijn heiligen ons helpen. En daarna hebben de staten jegens mijn genoemde heer de volgende eed afgelegd: ‘Wij zweren dat wij onze genadige heer aartshertog Philips zullen inhuldigen en aannemen als onze landsheer en graaf van Holland en heer van Friesland, en alles wat daartoe behoort,


[41Verso] Te bewaren ende te onderhouden,inden Rade van Hollant, ende voorts alle zijne Dienaren, ende Officiers, elcke toebehooren haren dienste doende, ende Executeerende te obedieren, ende assisteren, ende voor hou ende getrouwe dienstigh te wesen, tot beschermingh van zijn Edele Persoon, ende State, als wij van rechte ende van redenen wegen schuldigh zijn van doen, ende voort alle te doen, des goede ende getrouwe onderzaten, haren gerechten Landt-Heer schuldigh zijn vandoende, alsoo moet ons Godt Helpen, ende alle zijne Heijligen, van allen den welcke dingh aldus geschiet zijnde, mijne voorschreven Heere, heeft geordonneert, ende den Landen, mette Staten1, hebben Versocht tot eene gelijck Verseeckerheden, ons Jan le Condrelier, secretaris ordinaris, mijne voorschreven genadigen Heere, den Roomsche Koninck, ende Eerts Hartoge, ende Franck van Nesse Secretaris, in de Kamer van Rade in Hollant, dese tegenwoordigen acte te maecken, ende expedieren, ten eijnde dat vast gestadigen, ende van waerde blijven, ten eeuwigen dagen. Actum inde voorschreven Stadt, ten dagen ende Jare als boven, inde present ende tegenwoordigheijt van mijne Heere van Berge, Molenbaijs, ende berstele, ridder van Gvorden, de proost van Trich – Heer Ladroen – Host-Meester, Philibeert de Veerd, geseijt La Monche, eerst Stal Meester, Meester Jacob van Almonde, ende Jan Boudinsse, Raden vande voorschreven Kamer, vanden Raden van Hollant, ende meer ander in groote getalen.

1

[d] vervagen door [t]

[41 verso] te bewaren en te onderhouden in de Raad van Holland. Voorts al zijn dienaren en officieren de dienst ten uitvoer te laten brengen die erbij past, te gehoorzamen en te assisteren en in alle eerbied dienstbaar te zijn ter bescherming van zijn edele persoon en zijn staat. Wij zijn dit met recht en reden verschuldigd te doen. Voorts alles te doen, wat goede en trouwe onderdanen voor hun rechtmatige landsheer verschuldigd zijn te doen, zo waarlijk helpe ons God almachtig en al Zijn heiligen. Toen al deze dingen zo gebeurd waren, heeft mijn voornoemde Heer gelast en hebben de landen mede met de staten gelijk gezind onze Jan le Condrelier, secretaris ordinaris, verzocht samen met mijn voornoemde genadige heer de Roomse Koning en de Aartshertog en Frank van Nesse, secretaris in de kamer van de Raad van Holland de huidige akte te maken en op te stellen ten einde die blijvend te bevestigen en ten eeuwigen dage van waarde te laten blijven. Waarvan akte in de voornoemde stad, op de dag en in het jaar als boven genoemd in aanwezigheid van mijn heer van Bergen, Molenbais en Borsele, ridder van de Orde, de proost van Tricht – heer Ladroen – hofmeester, Philibert de Veere, genaamd La Mouche, eerste stalmeester, meester Jacob van Almonde en Jan Boudijnsz, raden van de voornoemde kamer van de Raad van Holland en vele anderen in groten getale.


[42] Copie vande xxviij.

[42] Kopie van de 28.

De Ridderschap, Edelen, ende Steden van Hollant, ende West-Vrieslant representerende de Staten vande selve Lande. Doen te weten: Alsoo ons vertoont is bij Burgermeesteren, ende Vroetschappen der Stadt Goude, van wegen, ende als hem selven, mitsgaders: van wegen ende als representerende, het geheele corpus der gemeijnte, aldaer, hoe dat wijlen Hartoge Philips van Borgondjen, als Grave van Hollant, aende selve Steden gegeven hadden, seecker Privilegie, van dat binnen de selve Stadt soude wesen, veertigh Notable Persoonen, macht ende mogentheijt hebbende alle Jaers vier dagen voor den dagh, dat men gewoon was de Weth aldaer te Vernieuwen, te Kiesen, ende te noemen bij hare Eede, ende bij de meeste menichte van hemluijden achtien Persoonen, omme uijt de Veertigh vande selve gekoren te worden, bij zijnen Stadthouder, ende Luijden vanden Raedt in Hollant, seven Schepenen, ende uijt de Vier anderen twee Burgermeesteren, ende als eenige vanden Veertigh Persoonen voor schreven aflivigh worde ofte hem onvrijden van zijn Poorterschap, die andere vande Veertigh in wesende blijvende Kiesende, soude bij hare Eede, ende Conscientie andere Notable ende Eerbare Persoonen, vande Rijckste, Notabelste, Rustelijckste, ende Vredelijckste, vande voorschreven Stadt, van wat conditie ofte state, die mochte wesen, sonder ijemant daer uijt te Versteecken, om haet, nijt, ofte eeniger hande saecke, ende dat de voorschreven Veertigh Persoonen, van alsdoen voortaen, tot den eeuwigen Dagen souden houden bekent, ende geroepen wesen, in alle des Lant ende der Stede saecke, gelijck de andere vande Vroetschappen der selver Stede, in Materie, ’t allen tijden gewoonlijcke de Vroetschap te Vergaderen

De ridderschap, edelen en steden van Holland en West Friesland die de staten van dezelfde landen vertegenwoordigen, laten weten: dat ons is te kennen gegeven door burgemeesters en vroedschappen van Gouda, uit naam van henzelf en daarbij ook nog uit naam van de vertegenwoordiging van het hele corpus van de gemeente aldaar, hoe wijlen hertog Philips van BourgondiĂŤ, als graaf van Holland aan dezelfde stad een zeker privilege gegeven had. Namelijk dat binnen diezelfde stad er veertig notabele personen zouden zijn, die de macht en het vermogen moesten hebben om elk jaar vier dagen voor de dag waarop men gewend was de wet aldaar te vernieuwen, achttien personen te kiezen en onder ede te benoemen bij meerderheid van stemmen, en om uit diezelfde veertig zeven schepenen en uit de vier andere twee burgemeesters te kiezen door de Stadhouder en de leden van de Raad van Holland. En als iemand van de voornoemde veertig personen zou overlijden of het poorterschap zou hem ontvallen dan moeten de overige van de Veertig die kiesgerechtigd blijven naar eer en geweten andere notabele en eerbare personen kiezen uit de rijkste, notabelste, rustigste en vredelievendste personen van de voornoemde stad, wat hun conditie of staat ook mocht zijn en zonder iemand uit te sluiten vanwege haat, nijd of enigerhande zaak. En dat de voornoemde veertig personen van destijds voortaan tot in eeuwigheid zouden belijden en geroepen zijn in alle zaken van het land en de stad, net als de anderen van de vroedschap van diezelfde stad in deze materie, te allen tijde dat de vroedschap gewend is te vergaderen


[43Verso] vande vorige Privilegien, de welcke na prestatien vanden gewoonlijcken Eet: soude geinstaleert, ende in alle Vergaderinge vande Vroetschap beroepen worden, als alle de andere vande acht-en-twintigh, ende Vroetschappen der selver Stadt. Ende gelijck de Persoonderen de gelegentheijt, qualiteijt, ende Capaciteijt van hare ingesetenen best bekent was, soo Versochten de selve mede, dat het ons gelieft de selve eender Gifte begunstigen, ende authoriseeren, dat de voorschreven vande Veertigh nu noch in wesen zijnde, ende daer naer de voorschreven acht-en-twintigh, in plaetse vande twee-entwintigh Persoonen, bij nomunatie aenden Stadt-houder, ofte raden, over te brengen, daer uijt Vier Burgermeesteren ende zeven Schepenen, bij openbare stemmen ende enckel getale, gelijck zij tot nogh toe de voornoemde nomunatie, van het dobbel getal gewoon waren geweest te doen, alle de selve mede professie doende, vande ware Christelijcke Gereformeerde Religie, ofte immers de selve soo toegedaen, dat bij frequentalijcke vande Publijckque Kercken, en het gehoor des Heijligen Woorts, daer van soude konnen blijcken, ende dat presijs op Nieuwe Jaers Dach, omme den vijfden dagh daer naer zijnde drie Koningen Avont, volgens de oude ende gewoonlijcke formulier be Eedicht, ende soo in hare respectieve bedieninge, geinstalleert te worden, achter volgens de oude Privilegien, ende gebruijcke, met dese expresse Conditie, dat de voorschreven Vier Burgermeesteren, elcx twee Jaren souden dienen, ende sulcx alle Jare twee afgaen, ende twee nieuwe aenkomen, ende de Schepenen van gelijcken twee Jaren dienen, ende sulcx het eene Jaer veije1, ende het andere Jaer drie moeten afgaen, ende aenkomen als vooren, alle de voorschreven elf Persoonen, Burgermeesteren, Schepenen te eligeren, uijt het getal Voorschreven vande Veertigh Persoonen, nu noch in wesen zijnde, daer na uijt de voorschreven achten-twintigh, souder daer buijten te mogen gaen, soo lange die uijt het zelve getal souden konnen gevonden worden, ende jemande bij gebreecken, uijt de gemeente genomen worden, de alleenlijck tot de Justicie, administratie, vandien, te admitteren, sonder oijt inde Vroetschap te compareren, ende nae expiratie van zijn tijt wederomme privatus te worden als vooren, ende meden dat ijemant vande respectieve Burgermeesteren, ofte

1

[ick seg Vier] in de marge

[43 verso] met de vorige privileges, die na het afleggen van de gebruikelijke eed zouden zijn geïnstalleerd en in alle vergaderingen van de vroedschap betrokken zouden worden zoals alle anderen van de 28, en de bestuurders van deze stad. Het spreekt vanzelf dat bij die personen de stand van zaken, kwaliteit en capaciteit van hun ingezetenen het best bekend waren en zij verzochten dus dezelfde of het ons beliefde dezelfde met een gift te begunstigen. En te machtigen dat de voornoemde veertig die er in wezen nu nog zijn en daarna de 28 in plaats van de 22 personen over te brengen. En wel aan de Stadhouder of de raden om daaruit vier burgemeesters en zeven schepenen voor te dragen door in het openbaar te stemmen uit het enkele getal, zoals zij tot nog toe de voornoemde voordracht uit het dubbele getal gewend waren te doen. Zij moeten allen een geloofsbelijdenis afleggen van het ware Christelijke gereformeerde geloof of in elk geval de zaak zo toegedaan zijn dat uit veelvuldig bezoek van de Christelijke gereformeerde kerk en het aanhoren van het heilige woord dat zou kunnen blijken. Precies op nieuwjaarsdag worden zij, omdat het de vijfde dag daarna driekoningenavond is, volgens de oude en gebruikelijke formulering beëdigd en zo in hun respectievelijke ambten geïnstalleerd in navolging van de oude privileges en gebruiken. En hierbij komt wel de uitdrukkelijke voorwaarde dat de voornoemde vier burgemeesters elk twee jaar zouden dienen, zodat elk jaar er twee aftreden en twee nieuwe opkomen. Ook de schepenen zullen twee jaar dienen, zodat het ene jaar er vier en het andere jaar er drie moeten aftreden en opkomen zoals hiervoor. Alle elf voornoemde personen, burgemeesters en schepenen te verkiezen uit het voornoemde getal van veertig personen die er nu nog zijn en daarna uit de voornoemde 28, zonder daarbuiten te mogen gaan zolang die uit hetzelfde getal zouden kunnen worden gevonden. Als iemand vanwege een gemis uit de gemeente wordt genomen, dan moet die dan slechts toegelaten worden tot de administratie van de rechtspraak zonder ooit in de vroedschap te verschijnen en na het verstrijken van zijn tijd weer een privépersoon te worden zoals voordien. Evenzo dat, als iemand van de burgemeesters of schepenen op zijn beurt


[44] Schepenen komende te overlijden, ofte tot eeniger ander ampt gepromoveert te worden, desselfs plaetse binnen de tijt van Veerthien dagen, na behoore beschrijvinge van alle absente Vroetschappen, souden worden gesupplieert, ende den Gesurrogeerden alleenlijcken dienen, voor den tijt dat den Overleden, ofte tot eenigh ander Ampt, gepromoveerden souden gedient hebben, behoudelijck datmen geen surrogatie souden doen, in de lesten ses Maenden van jemant dienst, Versoecke sij Verthoonders uijt den name ende in qualiteijt als boven, dat het ons als representerende den Grave der Lande, geliefde de voorschreven derogatoire clausule, in het voorgementioneerde Privilegie geinsereert uijt volle macht, ende seecker wetenschap, voor zoo veel het noodich mochte zijn te recovoceren, ende amnulleeren, mits blijvende het zelve in zijn verdere Pointen in zijn geheele, ende ongeprejudicieert, ende voorts haer verthoonderen van alle het geene voorschreven is, grasieuselijck te Vergunnen, consenteeren, ende Verleenen onsen Brieven van Octroij, ende Privilegie, inde bester formen. Soo ist: Dat wij de saecke, ende Versoecken, voorschreven, overgemerckt hebbende, ende de Verthoonders willende gelieven, uijt onse rechte wetenschap souveraine Macht, ende authoriteijt, den voorschreven bij de vertoonders geraemde Raet, ende reglement hebben goet gevonden, geapprobeert, ende geratificeert, vinden goet approberen, ende ratificeeren den selven mits desen, statuerende dien volgens, dat het getal van Veertigh Persoonen vooren geroert, sal uijt sterven tot acht-en-twintigh Persoonen, ende dat voortaen inden Vergaderinge vande Vroetschap, ende Raden, niet meer sullen worden geadmitteert de geene de welcke uijt het Corpus vande Gemeijnte, buijten de voorschreven achten-twintigh, bij gebreck van ander ten eenigen tijden, tot Schepenen sullen worden ge-elieert, dat mede voorts aen niemant in het getal vande voorschreven acht-entwintigh Persoonen sal admisibel, oft eligibel wesen, als de welcke daer1 ingeboren sal wesen van onsen Lande, ten minsten ses Jaer inde selve Stadt gewoont hebbende, ende die professie sal doen, vande ware Christelijcke Gereformeerde Religie, ofte ten minsten de selve soo toegedaen, dat bij frequentatie

1

[e] doorgehaald, [aer] interlineair

[44] komt te overlijden of tot enig ander ambt gepromoveerd wordt, zijn plaats binnen veertien dagen, na een beschrijving van alle afwezige vroedschappen, zou worden vervuld. En de plaatsvervanger zou slechts dienen gedurende de tijd dat de overledene of de tot enig ander ambt gepromoveerde zou hebben gediend, met dien verstande dat men geen plaatsvervanger zou aanstellen in de laatste zes maanden van iemands dienst. Zij, de toonders, verzoeken uit naam en daaraan verbonden kwaliteit als hierboven, dat het ons, als vertegenwoordigers van de Graaf, belieft de voornoemde vernietigende bepaling in het voornoemde privilege in te voegen om de volledige macht en zekere wetenschap, voor zover dat nodig mocht zijn, te herroepen en te annuleren op voorwaarde dat hetzelfde in zijn verdere punten een geheel blijft en zonder er afbreuk aan te doen. Verder hun toonders alles wat hiervoor genoemd is op genadige wijze toe te kennen, goed te keuren en onze akten van machtiging en privilege te schenken in de beste vorm. Het is zo dat wij de voornoemde zaken en verzoeken nauwkeurig nagegaan zijn en omdat wij de toonder willen believen, hebben wij uit onze goede wetenschap, soevereine macht en autoriteit, de voornoemde door de toonders bedoelde raad en het reglement goed gevonden, als geldig erkend en geratificeerd. Zo vinden wij datzelfde goed en verklaren het als geldig en ratificeren het. Met dien verstande dat wij vervolgens bepalen dat het getal van veertig personen zoals te voren aangeroerd, zal uitsterven tot 28 personen en dat voortaan, in de vergadering van de vroedschap en de raden, diegenen niet meer zullen worden toegelaten, die uit het corpus van de gemeente, buiten de voornoemde 28, bij gebrek aan een ander, te eniger tijd als schepenen zullen worden gekozen. Dat ook verder niemand uit het aantal van 28 personen toelaatbaar of verkiesbaar zal zijn, als hij niet in ons land geboren is en ten minste zes jaar in dezelfde stad gewoond heeft en die een geloofsbelijdenis zal afleggen van het ware Christelijke gereformeerde geloof of ten minste dezelfde zaak zo toegedaan is, dat door veelvuldig bezoek


[44Verso] vande Publijcque Kercken, ende het gehoor des Heijligen woorts, daer van sal blijcken dat de Vervullinge vande afgestorven ofte die van haer poorterschap sullen komen te, ontvrijden gedaen zal worden, bij de overige vande acht en twintigh, op nieuwe Jaers dach, uijt de rijckste, Notabelste, ruijstelijckste, ende vredelijckste Poorteren der voorschreven Stadt, in conformite vande vorige Privilegie, de welck naer prestatie vanden gewoonlijcken Eedt, sullen geinstalLeeren, ende in alle Vergaderingen van de Vroetschappen geroepen worden, als de andere van de acht-en-twintigh, ende Vroetschappen der selver Stadt Vergunnende, ende authoriserende, de verthoonders wijders, dat den voorschreven vande Veertigh nu nogh in wesende zijnde ende daer nae de voorschreven acht-en-twintigh, in plaets vande twee-en-twintigh Persoonen, bij nominatie aende StadtHouder, ofte Raden over brengen, omme daer uijt Vier BurgerMeesteren, ende seven Schepenen, ge-eligeert te worden, deselve absolutelijck sullen mogen eligeerten Kiesen, ende sette Vier Burgermeesteren, ende seven Schepenen, bij openbare Stemme, ende enckel getal, gelijck sij-luijden tot nochtoe, de voorschreven nominatie van het dubbel getal, gewoon zijn geweest te doen, alle de zelve mede professie doende, vanden ware Christelijcke Gereformeerde Religie, ofte immers deselve soo toegedaen, dat bij frequentatie vande Publijcque Kercken, ende het gehoor des Heijligen Woorts daer van zal konnen blijcken. Ende dat percise op Nieuwen Jaers-dach, omme den vijffden dach daer naer zijnde drie Koningen-Avont, volgens de oude, ende gewoonlijcke formulieren be-eedight, ende alsoo in hare respective bedieningen geinstalleert te worden, achter volgens de oude Privilegie, ende gebruijcken, met expresse conditie dat de voorschreven Vier Burgermeesteren, elcx twee Jaer sullen dienen, ende sulckx alle Jaer twee afgaen, ende twee nieuwe aenkomen, ende de Schepenen van gelijcken twee Jaren dienen, ende sulckx het eene Jaer Vier, ende het andere Jaer drie moeten afgaen, ende aenkomen,als voren, alle de voorschreven elf Persoonen, Burgermeesters, ende Schepenen te eligeren, uijt het getal vande voorschreven Veertigh, nu noch in wesende zijnde, ende daer naer uijt de voorschreven acht-en-twintigh, sonder daer buijten te mogen komen, soo lange die uijt het zelve getal gevonden sullen worden te komen. Ende jemant bij gebreck uijt de gemeijnte genomen wordende, alleenlijck tot Justitie ende Administratie van dien, te admitteren, sonder oijt

[44 verso] aan de Christelijke gereformeerde kerk en het aanhoren van het heilige woord. Daaruit zal blijken dat de aanvulling van de overledenen of diegenen die hun poorterschap ontnomen zijn, door de overige van de 28 zullen worden geïnstalleerd op nieuwjaarsdag. Zij zullen uit de rijkste, notabelste, rustigste en vredelievendste poorters van de voornoemde stad, in overeenstemming met het vorige privilege gekozen worden. Zij zullen na het afleggen van de gebruikelijke eed, worden geïnstalleerd en in alle vergaderingen van de vroedschap geroepen worden evenals de anderen van de 28. De vroedschap van dezelfde stad wijst de toonder toe en machtigt deze voorts om de voornoemde veertig, die er nu nog zijn en daarna de voornoemde 28 in plaats van de 22 personen, door voordracht, aan de Stadhouder of de raden op te roepen om daaruit vier burgemeesters en zeven schepenen te kiezen. Dezelfden zullen zonder voorbehoud vier burgemeesters en zeven schepenen wettig mogen verkiezen, door openbaar te stemmen uit het enkele getal zoals zij tot nog toe bij de voornoemde voordracht uit het dubbele getal gewend waren te doen. Al diezelfden leggen ook de geloofsbelijdenis af van het ware Christelijke gereformeerde geloof of als ze dat niet doen toch dezelfde zaak zo toegedaan zijn dat zij door veelvuldig bezoek aan de publieke kerken en het aanhoren van het heilige woord daarvan blijk zullen geven. Precies op nieuwjaarsdag, omdat het de vijfde dag daarna driekoningenavond is, worden zij volgens de oude en gebruikelijke formuleringen beëdigd en dus in hun respectieve ambten geïnstalleerd. Dit is in overeenstemming met de oude privileges en de oude gebruiken met de uitdrukkelijke voorwaarde dat de voornoemde vier burgemeesters elk twee jaar zullen dienen en zodoende zullen er elk jaar twee aftreden en twee nieuwe aantreden. Ook de schepenen dienen twee jaar, zodat er het ene jaar vier en het andere jaar drie moeten aftreden en aantreden zoals hiervoor vermeld. Alle voornoemde elf personen, burgemeesters en schepenen, dienen gekozen te worden uit het huidige nog voornoemde getal van veertig en daarna uit de voornoemde 28, zonder daarbuiten te mogen komen, zolang die uit datzelfde getal gevonden kunnen worden. Als iemand bij gebrek van buiten de gemeente wordt genomen, dan dient die slechts toegelaten te worden tot de rechtspraak en de administratie daarvan, zonder ooit


[45] De gemeene Vroetschap te compareren, ende naer expiratie van zijnen tijt, wederom privatus te worden als vooren. [1] Ende dat jemant vande voorschreven Burgermeesteren, ofte Schepenen komende te overlijden, ofte tot eeniger-handen Ampt gepromoveert te worden, des selfs plaetsche binnen den tijt van veerthien dagen, naer behoorlijcken Verschrijvinge van alle absente Vroetschappen, sullen worden gesuppleert ende den gesurregeerden, alleenlijck dienen voordien tijt, dat den [2] overleden, ofte tot eenigh ander Ampt gepromoveert souden gedient hebben, behoudelijck datmen geen surrogatie sal doen, inde laetste ses Maenden van ijemants dienst revocerende, ende ammullerende, voorts voor soo veel des noodighs wesen mochten, uijt onsen Rechten wetenschap, souveraine Macht, ende Authoriteijt, als vooren, de voorschreven derogatoire clausule in het gementioneerde Privilegie geinsereert, mits blijvende het selve in zijne vordere pointen, in zijn geheel, ende ongeprejudicieert, ende ten eijnde de Verthoonders dese onse Gunst, Consent, ende octroij mogen genieten als naer behooren, lasten, ende ordonneeren wij allen, ende een jegelijcken, desen eenighsints aengaende, hem na te reguleeren, ende de Vertoonders ’t effect an desen te laten genieten, sonder de Vertoonders te doen, ofte te laten geschieden, eenigh hinder, letsel, moeijenisse, ofte empesschement ter contrarie. Gegeven inden Hage, onder onsen grooten Zegel hier aen doen hangen, op den xxje Decembris, in’t Jaer ons Heeren eenigen Heijlant, ende Salighmaker Jesus Christus duijsent ses hondert ende vijftigh3. Ende is gerarapheert Gats4 Vt Lagerstont ter ondonnantie vanden Staten, ende is onderteijckent Herbert van Beaumont, Hebbende onder uijt hangende een zegel in Roode wassche, aen dobbelde francijne Staerten.

1 2 3 4

[NB] in de marge [tijt] doorgehaald [Anno 1650] in de marge [ik seg Cats] in de marge; [Cats] verbeterd

[45] in de gewone vroedschap te verschijnen en na het verstrijken van zijn tijd weer privépersoon te worden als voorheen. Verder dat als iemand van de voornoemde burgemeesters of schepenen komt te overlijden of tot enigerhande ambt gepromoveerd wordt, zal zijn plaats binnen veertien dagen, na passende aanschrijving van alle afwezige vroedschappen, worden aangevuld. De als plaatsvervanger aangestelde zal slechts die tijd dienen die de overledene of tot enig ander ambt gepromoveerde gediend zou hebben, met dien verstande dat men geen plaatsvervanger dient aan te stellen in de laatste zes maanden van iemands dienst en dat men diegene verder zo veel als nodig is, dient te ontheffen en het ambt op te heffen. Uit onze goede wetenschap, soevereine macht en autoriteit als hiervoor, is de voornoemde opheffingsclausule in het voornoemde privilege ingevoegd terwijl het privilege in de verdere punten één geheel en onaangetast blijft. Teneinde de toonder van deze gunst, belofte en machtiging te laten profiteren zoals het hoort, gelasten en bevelen wij allen en iedereen die het enigszins aangaat, dit na te komen. Bovendien de toonder te laten profiteren van de werking hiervan, zonder de toonder hinder, last, overlast, beletsel en tegenwerking aan te doen of aan te laten doen. Gegeven in Den Haag door onze grote zegel hieraan te laten hangen op 21 december in het jaar van de enige Heiland en Zaligmaker des Heren, Jezus Christus, duizend zes honderd en vijftig en is geparafeerd Cats. Lager stond op bevel van de staten en is ondertekend door Herbert van Beaumont en eronderuit hangt een zegel van rode was aan dubbele repen perkament.


[45 Verso] [Leeg]

[45 verso] [Leeg]


[46] Vande Vrijheijt Vande Stede Goude. Gebreedt een quartier mijls rontomme Der Stede. Maximiliaen, ende Philips bij der Gratien Godts, Eerts Hartoge van Oostenrijck, Hartoge van Bourgongjen, van Lotteringen, van Brabant, van Limborgh, van Luxenburgh, ende van Gelre, Grave van Vlaenderen, van Artoijs, van Bourgongjen, ende Palentijnen van Henegouwen, van Hollant, van Zeelant, van Namen, ende van Zutphen, Marckgrave der Heijligen Rijckx-Heere van Vrieslant, van Salines, ende van Mecchelen, allen den geenen die desen onsen tegenwoordigen Brief sullen zien, ofte hooren lesen Saluijt, onse goede getrouwen ondersaten, de gemeene inwoonders van onse voorschreven Stede vander Goude, in onsen Landen van Hollant, hebben ons doen vertoonen ende te kennen gegeven, hoe dat de Jurisdictie, Vrijheden der selver onser Steden vander Goude, hier niet vorder noch breeder bestrecken is, noch Stede en heeft, dan binnen den ruck-oorcule vande poorteren resten, ende Mueijren der selver Stede, ende een weijnigh daer buijten, soo dat die van de gerechten aldaer bij ons gestelt, den malefacteurs ende quaet doenders, die hen-luijden dagelijckx buijten den Poorten, ende Muijren der selver Stadt, ende der Jurisdictie van dien houdende, ende conserende1 consenterende

1

[ick segh conserende] in de marge

[46] Van de vrijheid van Gouda. Ter breedte van een kwart mijl rondom de stad. Maximiliaan en Philips, bij de gratie Gods aartshertogen van Oostenrijk, hertogen van Lotharingen, van Brabant, van Limburg, van Luxemburg en van Gelre, graven van Vlaanderen, van Artois, van BourgondiĂŤ en rijksgroten van Henegouwen, van Holland, van Zeeland, van Namen en van Zutphen, markgraven van het heilige rijk, heren van Friesland, van Salines en van Mechelen en al diegenen die deze huidige akte van ons zullen zien of horen lezen, gegroet. Onze goede trouwe onderdanen, de gewone inwoners van Gouda in ons land van Holland, hebben ons laten zien en te kennen gegeven dat het rechtsgebied, de vrijheid van Gouda, hier noch verder, noch breder gelegen is, noch een plaats heeft dan binnen een kwart mijl van de poorten overblijft en de muren van dezelfde stad en ook nog een weinig daarbuiten. Daardoor houdt de rechtbank aldaar door ons aangesteld, de misdadigers en boosdoeners dagelijks buiten de poorten en muren van dezelfde stad en het rechtsgebied ervan. Tevens goed te keuren


[46Verso] zijn met aentasten, Vangen, noch Corrigeren en mogen. Ende dat meer ende arger is, de selve quaet-doenders, ende lighte Persoonen hen dagelijckx onderhouden, ende in grooten menichte conserverende zijn buijten der voorschreven Stede, in diversche Huijsen, ende Herberge, daermen Tappet, sommige om heure quade meijninge te volkomen, ende ijemant aldaer te Verwachten uijter voorschreven Steden, sommige omme met ijemant van buijten te spreecken, die zij aldaer verdachvaert hebben, ende dagh beteijckent hebben, commuquieren, ende quade opstelten te maken, ende Bier te vollen, alsoomen vanden Bier daer buijten der selver onser stede getapt worden, geen excijnse en geeft, alle ‘twelcke redundeert, keert tot grooten lasten, ende beswaernisse van onser voorschreven Stede vander Goude, ender doen onser Stede ende Poorterije vandien, noch meer doen souden worden hierop bij ons niet versien, alsoo sij seggen, versoecken daeromme aen ons de voorschreven supplianten, dat onsen geliefte sij hen-luijden te gunnen, ende te consenteren, in amplianten dat vermeerdert van heure voorschreven Jurisdictie, dat zij een halve Mijlen Rontomme gaende buijten onsen voorschreven Steden vander Goude, alsoo wel aende Jsele sijde, als aen d’andere mogen vangen quaetdoenders, ende die corrigeren bij den Gerechten, vander voorschreven Gerechten, onser Steden, in sulcker Manieren als of sij gevangen quaetdoenders ende aengetast waren, binnen den bevangen vander Poorter Vesten, ende Muijren der selver onser Stede ende oock aldaer te mogen exigeren, ende heffen, rechte van excijnsen, ende andere subventien, ende impositie als binnen der voorschreven Stede, ende hemluijden op alle te Verleenen onse openen bezegelde Brieven, in behoorlijcker formen doen, te weten: dat wij overmercken ’t gunt dat voorschreven is, ende daer van te willen geadverteert wesende, geneijght wesende ter bidden, ende begeerten vander voorschreven thoonderen, ende hier op gehadt goet, ende rijp advijs ende deliberaeij van raden, hebben voor ons onsen Erven ende Nakomelingen, Graven, ende gravinne van Hollant den selven van onsen Stede vander Goude voornoemt, hem ende hare1 Nakomelingen inden gerechten vander voorschreven onser Steden, gegunt, ende gegeven, gunnen , ende geven uijt onser Steden sonderlingen Gratien, met desen onsen brieven, hemluijden amplicerende, ende vermeerende de voorschreven heure Jurisdictie, dat zij de selve heure Jurisdictie, dat zij zullen mogen gebruijcken, ende doen

1

[hare] in de marge

[46 verso] en het er over eens te zijn dat zij die noch in hechtenis nemen, noch gevangen nemen, noch straffen kunnen. Wat nog erger is: dezelfde boosdoeners en lichtzinnige personen houden zich dagelijks bezig met elkaar en overleggen in groten getale met elkaar buiten de voornoemde stad in diverse huizen en herbergen waar getapt wordt. Sommigen om hun kwade bedoelingen uit te voeren en iemand op te wachten uit de voornoemde stad, sommigen om met iemand van buiten te spreken die zij daar ontboden hebben op een vastgestelde dag om te overleggen en om boze plannen te beramen. Tevens om bier te brouwen en men betaalt ook geen accijns over het bier dat daar buiten onze stad wordt getapt. Het bier is er overvloedig aanwezig en dat draait uit op ernstige overlast en bezwaren van Gouda en van zijn burgerij. Op dit doen en laten wordt door ons niet toegezien, dus zeggen zij en verzoeken zij, de voornoemde verzoekers, daarom ons of het ons belieft hun een uitbreiding die een vermeerdering van hun voornoemde rechtsgebied inhoudt, te gunnen en goed te keuren. En wel zo dat zij een halve mijl gaans rondom buiten Gouda, zowel aan de kant van de IJssel als aan de andere kant boosdoeners mogen gevangen nemen en die mogen straffen in rechte bij de voornoemde rechtbank van onze stad. En op een zodanige wijze alsof de aangehouden boosdoeners in hechtenis waren genomen binnen de grenzen van de stadsvesten en stadsmuren van onze stad. Tevens daar in rechte accijns te mogen vorderen en heffen en ook andere heffingen zoals binnen de voornoemde stad. Hun dat ook allemaal te schenken in onze open bezegelde akten en dat in een passende vorm te doen. Te weten: dat wij nauwkeurig hebben nagegaan hetgeen hiervoor genoemd is en daarom mededeling willen doen dat wij buigen voor het dringend verzoek en verlangen van de voornoemde toonders. Na hiervoor goede en rijpe adviezen en beraadslagingen te hebben gehad van de raden, hebben wij – ten overstaan van ons, onze erfgenamen en hun opvolgers, de graven en de gravin van Holland en van Gouda – aan hen en hun opvolgers in de magistraat van onze stad toestemming gegeven en doen dat nog, met buitengewone welwillendheid, dat zij het genoemde rechtsgebied mogen uitbreiden en


[45 Verso] [Leeg]

[45 verso] [Leeg]


[47] verstercken een quartier van eene Mijle weeghs, rontomme gaende der voorschreven onser Stede vander Goude, alsoo wel over die Ysele, als over de andere zijde, ende binnen dier distructie bedrijven, ende bepalingen, alle Malefacteurs, ende quaet doenders aen te tasten, te corrigeren, ende te berechten, ende alle boeten, ende breucken van hem-luijden te heffen, ende te doen heffen, gelijck ende in alsulcker Manieren, als zij dat doen mogen, ende van outs tot hier toe gedaen hebben, binnen den bevangen Poorters, ende Vesten, ende Mijlen der voorschreven onser Stede ende Insgelijkckx oock zoo gunnen, ende Conserveren wij hem Luijden bij desen, onser voorschreven Brieven, ende bepalinge van een quartiers van eene Mijle weges, rontomme der zelver Stadt vander Goude, sullen mogen opstellen, innen, ende ontfangen alderhande Excijnsen, ende andere Inpositien, ende Keuren, sulcken ende gelijcken zij binnen der Stede doen, ende altijt gedaen hebben, ende noch boven soo consenteren, ende geven wij henluijden oock mits desen, onsen voorschreven brieven, dat zij alsoo wel binnen den voorschreven brieven, ende distructie van een quartiers Mijlen rontomme der voorschreven onser Stede, binnen den bevangen der selver onser Stede, Stede sullen mogen rechten, ende Justitie doen, ende executie van alle bekende rechtvaerdelijcke schulden ende den schuldenaren, ende Debiteurs van dien Vangen, ende in gevanckenisse houden, alsoo lange, ende ter tijt toe dat zij heure Crediteurs vermeuge betalende, ofte daer mede gecomposeert zullen hebben, alle in sulcker voegen Manieren ende vastige, als zij dit doen mogen, ende alle wegen van outs gedaen hebben, binnen der voorschreven onser Steden vander Goude, ende sonder eenigh onderscheijt. Ende dit alsonder prejuditie van onsen domeijne, ende vander Pachten van onsen Baiulliuw, Schepenen, van Schielant, jegenwoordig ende toekomende, ontbieden daer omme, ende bevelen, onsen lieven ende getrouwen den Stadt-Houder generael, ende den anderen Luijden van onsen Raden, ende van onser rekeninge in Hollant, onsen Bailliuw, ende Schout vander Goude, onsen Rentemeester generael van Hollant, ende Vrieslant, ende voorts allen anderen onsen rechteren, Officieren, ende ondersaten tegenwoordigh, ende toekomende die dit roeren ende aengaet, dat zij den voornoemden thoonder, ende hare Nacomelinge van deser onser Steden jegenwoordiger Gratien, Gunsten, ende consente, ende van al den inhout van desen, doen laten, ende gedogen, rustelijcken

[47] vergroten met een kwart mijl gaans rondom Gouda, zowel aan de IJssel als aan de andere kant. Om daarbinnen rechtshandelingen te doen en bepalingen te handhaven, alle misdadigers en boosdoeners in hechtenis te nemen en te straffen, hen te berechten en alle boetes en geldboetes van hen te heffen en te laten heffen, op dezelfde manier als zij dat mogen doen en dat vanouds tot nu toe gedaan hebben binnen de omringende poorten en vesten en mijlen van onze voornoemde stad. Evenzo gunnen en bewaren wij hen door onze voornoemde akten en bepalen wij dat zij binnen een kwart mijl gaans rondom Gouda allerhande accijns en andere belastingen en keuren zullen mogen vaststellen, innen en ontvangen, zoals zij binnen de stad doen en altijd gedaan hebben. Bovendien staan wij toe en geven wij hun ook toestemming door deze voornoemde akten van ons dat zij dus wel binnen de voornoemde akten en overdracht van een kwart mijl rondom de voornoemde stad van ons, binnen de omvang van onze stad, in de stad zullen mogen rechtspreken en gerechtigheid plegen en alle bekende terechte schulden en schuldenaren en debiteuren gevangen mogen nemen en houden, zo lang en tot de tijd dat zij hun crediteuren konden betalen of daarmee een schikking hadden getroffen. Alles mogen zij op zo’n wijze beschikken als zij daarvoor toestemming hebben en allerwegen vanouds hebben gedaan binnen Gouda en zonder enig onderscheid. Dit ook zonder schade aan onze domeinen en aan de pachten van onze baljuw, schepenen van Schieland, huidige en toekomstige. Wij ontbieden daarom en bevelen onze geliefde en trouwe stadhouder-generaal en de andere mensen van onze raden en van onze financiÍn in Holland, onze baljuw en schout van Gouda, onze rentmeester generaal van Holland en Friesland en voorts al onze andere rechters, officieren en onderdanen, huidige en toekomstige die dit uitvoeren en aangaan, dat zij de voornoemde toonder en zijn nakomelingen van onze stad de huidige goedgunstigheden, gunsten en toezeggingen en de inhoud hiervan laten doen en gedogen en daarvan ongestoord


[46] Vande Vrijheijt Vande Stede Goude. Gebreedt een quartier mijls rontomme Der Stede. Maximiliaen, ende Philips bij der Gratien Godts, Eerts Hartoge van Oostenrijck, Hartoge van Bourgongjen, van Lotteringen, van Brabant, van Limborgh, van Luxenburgh, ende van Gelre, Grave van Vlaenderen, van Artoijs, van Bourgongjen, ende Palentijnen van Henegouwen, van Hollant, van Zeelant, van Namen, ende van Zutphen, Marckgrave der Heijligen Rijckx-Heere van Vrieslant, van Salines, ende van Mecchelen, allen den geenen die desen onsen tegenwoordigen Brief sullen zien, ofte hooren lesen Saluijt, onse goede getrouwen ondersaten, de gemeene inwoonders van onse voorschreven Stede vander Goude, in onsen Landen van Hollant, hebben ons doen vertoonen ende te kennen gegeven, hoe dat de Jurisdictie, Vrijheden der selver onser Steden vander Goude, hier niet vorder noch breeder bestrecken is, noch Stede en heeft, dan binnen den ruck-oorcule vande poorteren resten, ende Mueijren der selver Stede, ende een weijnigh daer buijten, soo dat die van de gerechten aldaer bij ons gestelt, den malefacteurs ende quaet doenders, die hen-luijden dagelijckx buijten den Poorten, ende Muijren der selver Stadt, ende der Jurisdictie van dien houdende, ende conserende1 consenterende

1

[ick segh conserende] in de marge

[46] Van de vrijheid van Gouda. Ter breedte van een kwart mijl rondom de stad. Maximiliaan en Philips, bij de gratie Gods aartshertogen van Oostenrijk, hertogen van Lotharingen, van Brabant, van Limburg, van Luxemburg en van Gelre, graven van Vlaanderen, van Artois, van BourgondiĂŤ en rijksgroten van Henegouwen, van Holland, van Zeeland, van Namen en van Zutphen, markgraven van het heilige rijk, heren van Friesland, van Salines en van Mechelen en al diegenen die deze huidige akte van ons zullen zien of horen lezen, gegroet. Onze goede trouwe onderdanen, de gewone inwoners van Gouda in ons land van Holland, hebben ons laten zien en te kennen gegeven dat het rechtsgebied, de vrijheid van Gouda, hier noch verder, noch breder gelegen is, noch een plaats heeft dan binnen een kwart mijl van de poorten overblijft en de muren van dezelfde stad en ook nog een weinig daarbuiten. Daardoor houdt de rechtbank aldaar door ons aangesteld, de misdadigers en boosdoeners dagelijks buiten de poorten en muren van dezelfde stad en het rechtsgebied ervan. Tevens goed te keuren


[47Verso.] volkomelijck, ende tot den eeuwigen dagen genieten ende gebruijcken, sonder hem-luijden aen te doen, gedoogen aen te doen te worden, nu noch in toekomende tijden eenige hinder,…………… ongebruijck, ofte moeijenisse ter contrarie, want ons alsoo belieft, ende gedaen te willen hebben, dies toirconden hebben wij onsen segel hier aen doen hangen, gegeven in onsen Stede van Brussel, den xxviije dagh in Junio, Int Jaer ons Heeren Duijsent vier hondert vier en tachtigh. Amen.

[47 verso] volkomen en ten eeuwige dage laten genieten en laten gebruiken, zonder enige hinder, belemmering of vijandigheid aan te doen, noch nu noch in de toekomst want zo vinden wij het goed en willen wij het gedaan hebben. Om dit vast te leggen, hebben wij ons zegel aan de oorkonde laten hangen, gegeven in onze stad Brussel, 28 juni in het jaar des Heren 1484. Amen.


[48] Vanden Gerechte te maecken sonder eenige beswaernisse. Copie Willem bij der genaden Godts Palens Grave op den Rijn, Hartoge in Beijeren, Grave van Henegouwen, van Hollant, van Zeelant, ende Heere van Vrieslant. Doen kont allen Luijden wat onsen getrouwe Stede vander Goude, ons gunstelijck quijt gescholden, ende voor ons betaelt hebben, de somme van vijf hondert Goude-Kroonen Vranckrijckx, die ons op onsen gerechte aldaer geleent, ende Verleijt waren, naer den inhouden onser brieven, die wij daer of gegeven hadden, ende sij ons overgegeven hebben. Soo hebben wij daeromme ende ons eenige trouwen dienst willen, die onse goede Stede voorschreven ons gedaen hebben, ende of Godt wilde, noch doen zullen, der zelver onser Stede vander Goude, gelooft ende gelooven voor ons, ende voor onse nakamelingen, hun ende heure Nakomelingen tot geenen dagen, onsen gerechten aldaer te Verpachten, noch niemande in handen te setten, maer dat wij ende onsen Erven, onsen

[48] Over het rechtspreken zonder last. Kopie Wij, Willem, bij de gratie Gods, paltsgraaf aan de Rijn, hertog van Beieren, graaf van Henegouwen, van Holland, van Zeeland en heer van Friesland maken iedereen bekend dat onze trouwe stad Gouda ons welwillend kwijtgescholden en voor ons betaald heeft de som van 500 gouden Franse kronen, die ons in onze vergadering geleend en geschonken waren, volgens de inhoud van de akten die wij daarover gegeven hebben en die zij aan ons overgedragen hebben. Daarom hebben wij – om de trouwe dienst die onze genoemde stad ons bewezen heeft en, zo God het wil, nog zal bewijzen – aan onze stad Gouda beloofd en zullen beloven namens ons en onze erfgenamen, aan hen en hun erfgenamen nooit ons recht daar te verpachten of aan iemand anders over te dragen en


[48Verso.] Gerechten altoos selver aen ons, ende in onsen handen behouden sullen, ende alle Jaer aldaer twee Burgermeesteren, ende seve Schepenen, goede ende Eersamige reckelicke Knapen, van getrouwe Bedde, setten zullen bij ons selfs wille ende goet duncken, des wij een van onsen Burgermeesteren, die Jaerlijckx afgaen zal machtigh gemaeckt hebben, ende bevelen mits desen, selven Brieven die uwe Burgermeesteren ende Schepenen te Eede, als dat sij daerom geen Gelt, noch heresseheden gegeven noch geleent, noch doen geven, noch leenen in geender Wijse, ende alsdan soo sal onsen Bailliuw aldaer onsen nieuwen Burgermeesteren, ende Schepenen, aldaer van onser wegen, Eede ons Costumelijck is ende waer ijemant die daer breuckigh in bevonden worden, met de waerheijt die souden dat beter onser Stede voorschreven, bij goet duncken van onsen gerechten in’t naeste Jaer te voren geweest hadde, want wij onsen getrouwer Stede Goude dat vast ende gestadigh gelooft hebben te houden, tot den Eeuwigen Dagen. Soo hebben wij in kennisse hier, ofte onse Segel aen desen Brief doen hangen. Gegeven in den Hage, op den darthienden Dagh In Julio Inet Jaer ons Heeren duijsent vier-hondert ende veertien

[48 verso] het recht altijd aan ons en in onze hand zullen houden. Bovendien dat wij elk jaar aldaar twee burgemeesters en zeven schepenen, goede en achtenswaardige en fatsoenlijke mannen uit trouwe huwelijksbedden, zullen aanstellen, naar onze wil en goeddunken. Aldus hebben wij een van onze burgemeesters die jaarlijks aftreden, gemachtigd en bevolen door middel van deze zelfde akte waarop uw burgemeesters en schepenen de eed afleggen, dat zij daarom noch geld noch heerschappij geleend of gegeven hebben, noch laten geven, noch lenen, op welke wijze dan ook. In dat geval zal dus onze baljuw aldaar onze nieuwe burgemeesters en schepenen in onze naam zoals gebruikelijk de eed afnemen. En als er iemand was die daar betrapt werd op het schenden van de waarheid, dan zou die dat goed moeten maken aan onze genoemde stad, naar goeddunken van onze magistraat die er in het afgelopen jaar geweest is, omdat wij dat aan onze betrouwbare stad Gouda vast en zeker beloofd hebben, ten eeuwigen dage. Daarom hebben wij als kennisgeving daarvan ons zegel aan deze akte bevestigd. Uitgevaardigd in Den Haag op 13 juli in het jaar van onze Heer 1414.


[49] Claverbroeck

[49] Claverbroeck

Kaerle etc., ende doen condt allen Luijden, dat wij achtervolgende seeckere onse open Brieven van Octroij, bij ons alleene Lodewijck van Beloijs, van Treslonge Raessoon, ende JonckVrou Anna van Assendelft zijner Huijsvrouwe, omme te mogen disponeren van alle heure Goederen, zoo leenen, als ander, achtervolgende seecker Testamente, ende uijterste wille bij den voornoemden Lodewijck gemaeckt breeder blijckende, bij de selve Brieven van Octroije, ende Extract vande Instrumente daer van wesende, ende met desen in onse Registeren van Hollant geregistreert zijn Verleijt, ende Verleent hebben Verlijen, ende verleenen met desen onsen Brieven, Raes van Beloijs ende van Treslonge, ende hem aengestorven, ende bestorven zijn, bij doode ende makinge van Lodewijck van Beloijs, van Treslonge zijns Vaders, de naervolgende parceelen van leenen. Eerst een Campe lants geheeten Claverbroeck, leggende bij dat Lant van Steijn, te houden van ons, ende onsen Erven ende nakomelingen, Grave ende Gravinne van Hollant, Raes van Beloijs, van Treslongen voorschreven, zijn Erven, ende nakomelingen tot eenen Erfleenen, noch de gerechten helft, vande helft van alsulcke vier en veertigh Margen Lants, als geleegen zijn tot dijcx-hooren op de harnassche, tusschen den Hof van Delft, ende Domprost Lant, te houden van ons, onsen Erven ende nakomelingen, Grave, ende Gravinne van Hollant, Raes van Belous, van Treslonge voorschreven zijnen Erven, ende nakomelingen, tot eenen onversterffelijcken van Treslongen zijne voorschreven Vader, die thoone placht, alnaer inhouden der ouden brieven, ende onse Registeren daer van wesen, die hier waren bij aen, ende over al onse Leenmannen van Hollant, Adriaen van Brouckhorst Heere vander Schoot, onsen Raet ende Bailliuw ons Lant van voornoemde Mr. Claes

Karel etc. maken aan alle mensen bekend dat wij door onze overeenkomstige zekere open akten van machtiging, alleen Lodewijk van Blois van Treslong, zoon van Rasso, en jonkvrouw Anna van Assendelft, zijn huisvrouw, machtigen om te mogen beschikken over al hun goederen en lenen. Evenals wij het andere overeenkomstige zekere testament en uiterste wilsbeschikking door de voornoemde Lodewijk verkregen, zoals uitgebreid blijkt uit dezelfde akte van machtiging en het uittreksel uit de akten die daarover gaan en die in onze registers zijn geregistreerd, beleend hebben en in leen gegeven hebben en in leen geven door deze akten van ons aan Rasso van Blois van Treslong, zal Lodewijk van Blois van Treslong door erfenis de navolgende percelen ten deel vallen en erven van zijn vader volgens vaders uiterste wilsbeschikking. Ten eerste een akkerland dat Claverbroek heet, gelegen bij het Land van Stein te houden van ons en onze erven en nakomelingen, graven en gravinnen van Holland, voornoemde Rasso van Blois van Treslong zijn erven en nakomelingen in een erfleen en nog de rechtmatige helft van de helft van de 44 morgen land die gelegen zijn in Dijkshoorn in de Harnaschpolder, tussen het hof van Delft en het land van de domproost. Dit land mogen wij behouden en onze erfgenamen en nazaten, de graaf en gravin van Holland, Rasso van Blois, van de genoemde Treslong, zijn erfgenamen en nazaten, als een eeuwigdurend bezit van Treslongs genoemde vader, die gewoon was ze te laten zien conform de oude akten en registers daarvan, die er waren bij en over al onze leenmannen van Holland, Adriaen van Bronckhorst, de heer Van der Schoot, de raadsheer en baljuw van ons land, van voornoemde mr. Claes


[49Verso] van Essche, mede onse Raet ende meester van onse Rekenkamer in den Hage, ende Willem Pietersz criep. Actum den 4en in April, xvhonderd xxvj na Paessche

[49 verso] van Essche, mede onze raad en meester van onze rekenkamer in Den Haag en Willem Pietersz Criep. Waarvan akte op 4 april 1526 na Pasen. Uittreksel uit de testamenten opgesteld door Lodewijk van Blois van Treslong.

Extract uijt den Testamenten, ge maeckt bij Lodowijck van Boloijs Treslongen.


[50] Den 2en Maert Anno 1500 Notarius, Geschreven van Uijtrecht voor Notaris ende getuijgen onderteijckent. Hr Johannius Notarius. Inden eersten mijn Outsten zoon Raste, zal hebben een stuck lant, gelegen buijten de Stede vander Goude, genaemt 's Gravenbroeck, daer ick Lodewijck voornoemt Pacht of hebben Jaerlijckx te weten: van elcke Morge vier stuijvers, ende de sommige vijf halve1 stuijvers, ende dit Lant is groot ijcxxv Morgen, ofte daer ontrent, ende is een goet Hollants Leen, ende zal dit voor uijt hebben, om dat hij de outste Zoon is, Item: sal noch hebben de selve Raste, een stuck Lant, gelegen tot Dijcxhoorn buijten Delft, groot wesende xj Morgen. Willem

1

[halve] in de marge

[50] 2 maart 1500 Geschreven te Utrecht ten overstaan van de notaris en getuigen Ondertekend door de heer Johannius, notaris. Ten eerste: mijn oudste zoon Raste zal een stuk land bezitten dat ligt buiten Gouda, genaamd ’s Gravenbroeck. Daarover betaal ik, de genoemde Lodewijck, ieder jaar pacht, en wel: 4 stuivers en voor sommige 5½ stuiver. Dit land is ongeveer 225 morgen groot en is een goed Hollands leen. En hij zal dit van tevoren krijgen omdat hij de oudste zoon is. Ten tweede: dezelfde Raste zal ook een stuk land bezitten dat in Dijkshoorn buiten Delft ligt en elf morgen groot is. Willem


[50 Verso] Vande Marckt Tollen. Copie

[50 verso] Over de markt tol Kopie

Willem bij der genaden Godts, Palensgrave op den Rijn, hertoge in Beyeren, Grave van Henegouwen, van Hollant, van Zeelant, ende Heere van Vrieslant. doen kont allen Luijden, want onsen getrouwen Steden, gemeente van Hollant, van Zeelant, ons getoecht hebben, hoe dat hare Poorteren tot veele tijden toegesproocken worden, van onsen dienaren, om sonderlingen Marct Tollen, diemen hem van onser wegen eijsschende is, tot Woudrijcken ende tot Heusden,daer sij ons gesamentlijcke op vervolght, ende gebeden hebben, om daer of ontlast, ende vrij te wesen. Soo hebben wij om Ootmoedelijck vervolgh, ende bede willen, onsen lieven ende getrouwen steden voorschreeven, ende oock om Meijgen getrouwen Stede, van dienst Willen, die sij ons tot veel tijden willichlijck gedaen hebben, ende of Godt wilde, noch doen sullen, onser getrouwe Stede vander Goude, sulcke Gratie gedaen, ende gegeven, doen ende geven mits desen, brieven, dat alle haer Poorteren die nu sijne, ofte nakomelingen, wesen zullen, voortaen over al, inden onsen vrijende onbelast blijven sullen vanden Marckt Tollen voorschreven, alsoo dat zij daer en toe ongehouden sullen wesen ten eeuwigen Dagen, ende om dat wij voor ons ende onse nakomelingen, der selver onser goederen Stede vander Goude, dit volkomelijck houden willen sonder te verbreecken, in alle manieren als voorschreven is. Soo hebben wij in kennisse daer door onsen Segel aen desen brief gehangen, gegeven op Meije Avont, Jnt Jaer ons Heeren duijsent vier hondert ende seven.

Wij, Willem, door Gods genade paltsgraaf aan de Rijn, hertog van Beieren, graaf van Henegouwen,van Holland, van Zeeland en heer van Friesland, maken iedereen het volgende bekend. Onze trouwe steden en gemeenten van Holland en Zeeland hebben ons meegedeeld hoe hun inwoners vaak aangemaand worden om bijzondere markttolgelden te betalen die men namens ons van hen eist in Woudrichem en Heusden. Gezamenlijk hebben zij ons dringend gevraagd daarvan vrijgesteld te worden. Daarom hebben wij op hun dringend verzoek aan onze geliefde en trouwe steden en ook aan menige trouwe stad – wegens de diensten die zij ons vaak bewezen hebben en Deo volente [zo God het wil] nog vaak zullen bewijzen – en aan onze trouwe stad Gouda de toezegging gedaan met deze akten, dat alle poorters die nu leven of die hun erfgenamen zullen zijn, in ons district niet belast zullen worden met de genoemde markttolgelden en dat zij daarvan ten eeuwigen dage zullen zijn vrijgesteld. En omdat wij en onze erfgenamen dit jegens onze goede stad Gouda volkomen en onverbrekelijk willen verlenen, op alle genoemde manieren, hebben wij ter kennisgeving daarvan ons zegel aan deze akte gehangen. Uitgevaardigd op 30 april 1407.


[51] Ordonnantie van Bisschop Arent van Hoorne.

[51] Verordening van bisschop Arend van Hoorne.

Wij Arent van Hoorne bij der genaden Godts, Bisschop t’ Uijtrecht, maeckt kondt allen Luyden, dat wij Luyden, ende kenne dat alsulcke Bede, als ons onsen ecclesie Ridderen Knechten, ende Stede van onsen gestichte van Uijtrecht gegeven hebben, tot deser tijt toe, van Gunste onser kercken slooten, ende Ambacht aen deser zijde der Ysselen, mede te losenen, maer van geenen rechte ende gelooven, in goeder trouwen onse ecclesie Ridder knechten, ende Stede des gestight van Uijtrecht voorschreven, voor ons ende onse nakomelingen Bisschoppen t’ Uijtrecht geen Mergen gelde, huijsgelt, noch geenerhande gemeene Schattinge meer te vergen.

Wij, Arend van Hoorne, door Gods genade bisschop van Utrecht, maken aan iedereen bekend dat wij erkennen dat de bede die onze geestelijkheid, ridders en knapen en de steden van het Nedersticht ons toegestaan hebben om er de schulden op de kastelen en ambten van onze kerk aan deze kant van de IJssel mee af te lossen, als gunst en zonder verplichting gegeven is. En wij beloven op ons woord van eer aan onze geestelijkheid, ridders, knapen en steden van het genoemde Nedersticht, namens ons en de bisschoppen van Utrecht na ons, dat wij geen belasting op onbebouwde en bebouwde grond of welke algemene belasting dan ook meer zullen heffen.

Item: Voort soo hebben wij gelooft, voor ons ende onsen nakomelingen, Bisschoppen t’ Uijtrecht voorschreven, die slooten, ende ambochten onser Kercken van Uijtrecht, aen dese zijde der Ysselen, nimmermeer te beswaren, noch te belasten, noch van de gestichte te ontverren in geenre tijt. Item: soo wanneer wij, ofte onse Nacomelingen Bisschoppen t’ Uijtrecht, voorschreven, aflijvigh, oft des gestichts quijt worden, zoo zalmen die slooten ende ambochten, vrij ende onbekommmert overleveren,

Item: verder hebben wij beloofd bij onszelf en onze nakomelingen, namens ons en de genoemde bisschoppen van Utrecht, dat wij de kastelen en ambten van onze kerk van Utrecht aan deze kant van de IJssel nooit meer zullen belasten noch ooit van het Sticht zullen vervreemden en in andere handen doen overgaan. Item: wanneer wij of de genoemde bisschoppen van Utrecht na ons, gestorven zijn of geen bisschop meer zijn van het Sticht, dan moet men de kastelen en ambten vrijwillig overdragen


[51 Verso] den anderen Bisschoppen als hij begeert, oft ontfaen is, als Recht is. Behoudelycken dat hij Confirmeren sekeren sweeren, ende loven sal die slooten, ende ambochte niet te beswaerne, te belastene, te verandere, noch te ontverre1 vanden gesticht, voorschreven in geender tijt. Ende daer zijne opene Brieven gegeven moeten. Item: Voorts soo zullen wij noch onsen nacomelingen Bisschoppen tot Uijtrecht, voor niemant borghsaten setten, in eenigh van onsen Kercken slooten, noch Ambochten, noch die bevelen hij ende sij, een welgeboren Man, ende wel goet ende gebooren, uijtden gestichte, alsoo datmen hem des gelooven maght. Item: Voorts soo sullen die borghsaten, ende Ambacht Luijden die wij setten sullen in onsen Kercken slooten, ende Ambachte, eerst loven sekere, ende sweeren aenden Capitael, voor die Ecclesie, voor Ridderen Knapen stadt, ende Steden des gestichts van Uijtrecht, voorschreven, tot behouf tot gemeene gestichts van Uijtrecht, voorschreven. Ende daer op haer opene Brieven gegeven, die voorschreven slooten, ende Ambochte niet te beswaren, te belasten, meer dan voor een Jaer, die benoemder pensie die redelick is. Item. Soo voort en zullen die Borgh-saten, noch die Ambochts-Man, die nu ter tijt is ende altoos wort, die slooten ende ambochte niet ruijmen, noch overleveren, eer die anderen die op dat slot, ofte in zijn Ambocht dat hij te bewaren heeft, wesen zal, eerst gelooft gesekert ende geswooren, ende zijn brieven daer of gegeven heeft, alsoo hier voorschreven is.

1

[ont] interlineair

[51 verso] aan de volgende bisschop, als hij het wil en aangesteld is volgens het recht. Maar wel op voorwaarde dat hij bevestigen, verzekeren, zweren en beloven moet dat hij de kastelen en ambten nooit ofte nimmer zal belasten of vervreemden van het genoemde Sticht, en dat hij dit met gezegelde akten moet bevestigen. Item: verder zullen wij of de bisschoppen van Utrecht na ons in niemands plaats slotvoogden aanstellen in welk kasteel of ambt van onze kerk dan ook, tenzij hij van adel is, veel bezittingen heeft en geboren is in het Sticht, zodat men hem deze taak kan toevertrouwen. Item: verder moeten de slotvoogden en gezagsdragers die wij zullen aanstellen in de kastelen en ambten van onze kerk eerst aan het kapittel beloven, verzekeren en zweren, ten overstaan van de geestelijkheid, ridders, knapen, stad en steden van het Sticht Utrecht, in het belang van het gehele genoemde Nedersticht dat zij de genoemde kastelen en ambten niet zwaarder zullen belasten dan met een redelijke bezoldiging die afgesproken is voor een jaar. Dat moet worden bevestigd met gezegelde akten Item: verder moeten de slotvoogden of de gezagsdrager die er nu en altijd vanaf nu zijn of is, de kastelen en ambten niet ontruimen of overdragen voordat de volgende die aanwezig zal zijn in het kasteel of bij het ambt dat hij te vervullen heeft, eerst beloofd, verzekerd en gezworen heeft en akten daarvan heeft opgemaakt, zoals hierboven staat.


[52] Item: Wij Bisschoppen, ende onse Nakomelinge Bisschoppen voorschreven, mogen die Borghsaten, ende die Ambachten Luyden versetten, als ons genought, behoudelijck dat die voorschreven voorwaerde blijven zal, in allen haer macht. Item: Waer dat de stoel van Uijtrecht, zonder Heer waer, oft dat de Bisschop in der tijt niet ontfangen en waer alst recht is, soo zalmen die voorschreven Losten doen, inder Capittel in tegenwoordigheijt der Ecclesien Ridder Knapen, ende de Stadt van Utrecht als voorschreven is, tot behouf des Bisschops, die toecomende is. Inder tijt ende hum die slooten, ende ambochten, vrije ende Commerloos overgegeven, als hij ontfangen is, alst recht is. Ende dese voorschrevenen punte eerst gelooft, geseeckert ende geswooren heeft, ende zijne brieven daer op gegeven heeft. Item: Voorts zullen wij, ende onsen Nacomelingen, Bisschoppen t’ Uijtrecht, alle Man Lantrecht doen, soo in onsen gesticht gelegen is, behoudelyck dat die Ecclesie, ende elck Geestelijck persoonen, na zijnen staet te rechten stae, daer hij van rechten wegen ende niemant vangen, of sijn goet benemen tegens ’s lants Rechte ten, waer dat hij met recht, ende met oordeele eerst verwonnen waer.

[52] Item: wij, bisschop, en de genoemde bisschoppen na ons kunnen de slotvoogden en gezagsdragers afzetten als wij dat wenselijk vinden, onder het voorbehoud dat de genoemde voorwaarde volledig van kracht zal blijven. Item: als de zetel van Utrecht zonder bisschop zou zijn of als de bisschop niet op tijd aangesteld zou zijn volgens het recht, dan moet men de genoemde belofte afleggen in het kapittel in aanwezigheid van de geestelijkheid, ridders, knapen en de stad van Utrecht, zoals hierboven staat, in het belang van de bisschop die dan gekozen gaat worden, en dan moet men hem de kastelen en ambten vrijwillig overdragen, als hij aangesteld is volgens het recht en als hij eerst deze genoemde punten beloofd, verzekerd en gezworen heeft en dit met akten heeft bevestigd. Item: verder zullen wij en de bisschoppen van Utrecht na ons iedereen behandelen volgens het recht van het land zoals dat geldt in het Sticht, met dien verstande dat de geestelijkheid en elke geestelijke volgens zijn stand terecht zal staan op de plaats waar hij volgens het recht of de gewoonte verplicht is te staan. En wij zullen niemand gevangennemen of zijn bezit afnemen tegen het recht van het land, tenzij hij eerst door het vonnis van een rechtbank veroordeeld zou zijn.1 Item: als mensen van adel voor ons terecht moeten staan, zal niemand van de partijen in beroep kunnen gaan tegen de vonnissen die men voor ons zal vellen, behalve de partijen tegen wie de vonnissen gericht zijn.

Item: Waert dat eenigh wel geboren Luijden, recht voor ons te doen hebben, die oordeelen diemen voor ons wijsen zal, ende zal niemant vorder beroupen van der partijen, wegen van die partijen die dat oordeelen tegen gaet.

1

zie Van Kinschot, Oudewater blz.508


[52 Verso.] Item: Voorts soo en zullen wij ofte onse Nakomelingen voorschreven, geender hande oorloge aen nemen, wij en hadden't eerst vervolght aen onser ecclesien Ridderen- Knechten Stadt ende Stede van Uijtrecht, als van outs recht is geweest. Item: Alle dese voorschreven punte, hebben wij Arent van Hoorne Bisschop t’ Uijtrecht, gelooft geseeckert, ende gesworen, Wettelijck ende wel te houden ende niet te verbreecken, in geenre wijs oft manieren. Ende wij deecken, ende Cappittel der Ecclesien Ridderen Knechten, Stadt ende gemeen steden des gestichts van Uijtrecht te samen, verwillecoort ende Malkandere gelooft in goeder trouwen, alle die punte die in desen Brief staen, vast ende stade te houden, ende te voldoen. Ende waert saecken dat wij Arent van Hoorne, ofte onse Nacomelinge Bisschoppen voorschreven, eenigh van desen punte voorschreven verbroken, ende niet ende hielden. Soo kennen wij dat niemant voor ons, noch voor onsen ambacht-sluijden schuldigh is te rechten staen, noch te dienste te komen noch ons gehoorsaem te wesen, ter tijt toe dat wij desen voorschreven punte wel ende al gehouden hebben, ende waert dat eenigh Borgh-saten, ende Ambachts-Man, die in der tijt waer, eenigh vande voorschreven punten verbraecken, ofte niet en hielden, wij Bisschop, ofte onse ambochts-Luijden in der tijt hem geen rechten en doen zullen, ende hem ende niemant te rechte te staen en zal mogen geven. Ende daer zullen wij Bisschop, Ridderen, Knapen, Stadt, ende Steden voorschreven, punten tegen vallen ter tijt toe, dat sij alle de voorschreven punten gehouden hadden. Ende men des seeckere, ende wisse was. Ende alle dese voorschreven voorwaerden zullen staen, zonder eeniger handt argelist, ende op dat alle dese voorschreven punten vast ende gestadigh eeuwighlijck blijven, ende onverbreeckelijck. Soo hebben wij Arent van Hoorne, Bisschop op Deecken, ende Capittelen der Kercken vanden Dom, van Oude-Munster, Van Sint Pieters van Sint Jan, ende van Sint Maria, t’ Uijtrecht; Ghijsbert Heere van Abcouden, ende van Deursteden, Sweer van Abcouden, van putten, van Strijen, Jan Heer van

[52 verso] Item: verder zullen wij en onze genoemde opvolgers geen enkele oorlog op ons nemen, zonder dat wij eerst toestemming hebben gevraagd aan onze geestelijkheid, ridders, knapen, stad en steden van Utrecht, zoals dat al van oudsher bepaald is. Item: van al deze genoemde punten hebben wij, Arend van Hoorne, bisschop van Utrecht, beloofd, verzekerd en gezworen dat wij ze volgens de wet en nauwkeurig zullen onderhouden en ze op geen enkele manier zullen verbreken. En wij, dekens en kapittels van de geestelijkheid, ridders, knapen, stad en gezamenlijke steden van het Nedersticht, hebben samen erin toegestemd en elkaar in goed vertrouwen beloofd dat wij alle punten die in deze brief staan, altijd trouw zullen onderhouden en nakomen. En als wij, Arend van Hoorne of de genoemde bisschoppen na ons, een enkele van deze genoemde punten zou verbreken of niet nakomen, dan bepalen wij dat niemand voor ons of voor onze gezagsdragers terecht hoeft te staan, ons van dienst hoeft te zijn of ons hoeft te gehoorzamen, tot de tijd dat wij ons aan al deze genoemde punten geheel en al gehouden hebben. En als sommige slotvoogden of gezagsdragers die er dan zouden zijn, sommige van de genoemde punten zouden verbreken of zich er niet aan hielden, dan zullen wij, bisschop, en onze gezagsdragers hun geen recht doen, niemand zal voor hen terechtstaan en hij zal geen vonnis mogen wijzen. En dan zullen wij, de genoemde bisschop, ridders, knapen, stad en steden ons tegen hem keren tot de tijd dat hij zich aan alle genoemde punten gehouden had en men daar volkomen zeker van was. En al deze genoemde voorwaarden zullen vaststaan, zonder enige kwade trouw. En opdat al deze genoemde punten voor altijd en eeuwig overeind blijven staan, hebben wij, Arend van Hoorne, bisschop, dekens en kapittels van de Domkerk, van Oudmunster, van Sint-Pieter, van Sint-Jan en van Sint-Maria te Utrecht; Gijsbrecht, heer van Abcoude en van Duurstede, Zweder van Abcoude, van Putte, van Strijen, Johan, heer van


[53] Cuijlenburgh, ende vander Leck Ghijsbert Heere van Vianen, ende vander Ghoij, Zweerder Burgh-Grave van Monfoorde, Hendrick de Roover van Montfoorde, Zweer van Vianen, Jan van Rhenissen, Ghijsbert van Sterckenburgh, Frederick uten-Ham, Zweeder van Bloemesteijn, Jan van Harlen, Heer van der AMeijde, Gerrit van Pilanen, Dirck van sulen, Pieter uijten Ham, Ghijsbert van Hardenbroeck, Otte van Sternouwen, Baent uten Engen, Steven van Cuijlen, Ridder Splinter, van Loenresloot, Alfert vander Horst, Hendrick van Haerlem, Frederick soude baurijen, Jan van suijlen, Johan van Ammeronge, Willem Lurmont, van Hindersteijn, Vrederick van Zulen, Beukel van der Haer, Dirck van Oudaen, Willem van Boeten van Boernesteijn, Jacobus vander A., Ghijsbert de Wolf, Arent van Luxemburgh, Philips van Waerdelsteijn, Johan over de vecht, ende wij Schout van Utrecht, ende Steden des gesticht van Utrecht voorschreven van Amersfoort, ende heenen1 hebben onsen Segel aen desen brief gehangen, tot eenen oirconde. Ende waert zaecke dat aen desen Brief een segel ofte meer gebraecken. Nochtans zoude dese Brief in alle zijne macht te wesen gelijckerwijs, oft hij vol ende alle bezegelt waer. Gegeven in ’t Jaer ons Heeren duijsent, drie hondert, vijf en seventigh, des Donderdaeghs na Sint Servaes Dach. Item: Aen desen Brieff hangen xlv Segelen daer twintigh banner Heeren of Ridderen zijn en koste den Gestich te verwarene tachtich duijsent Vranckrijcke Schilden.

1

[heenen] lees [rhenen]

[53] Culemborg en van de Leck, Gijsbrecht, heer van Vianen en van de Goy, Zweder, burggraaf van Montfoort, Hendrik de Rover van Montfoort, Zweder van Vianen, Jan van Renesse, Gijsbrecht van Sterkenburg, Frederik uten Ham, Zweder van Bloemesteyn, Jan van Herlaer, heer van Ameide, Gerrit van Pilanen, Dirk van Zuylen, Peter uten Ham, Gijsbrecht van Hardenbroek, Otto van Sternouwen, Baant uten Eng, Steven van Cuylen, Ridder Splinter van Loenersloot, Alfert van der Horst, Hendrik van Haarlem, Frederik Zoude Baurijen, Jan van Zuylen, Johan van Amerongen, Willem Lurmont van Hindersteyn, Frederik van Zuylen, Beukel van der Haer, Dirk van Oudaen, Willem van Boeten van Boernesteyn, Jacob van der A, Gijsbrecht de Wolf, Arent van Luxemburg, Philips van Waerdesteyn, Johan over de Vecht; en wij, de schout van Utrecht en de steden van het genoemde Nedersticht, namelijk Amersfoort en Rhenen, ons zegel als een zichtbaar bewijs aan deze akte gehangen. En als aan deze akte een of meer zegels ontbraken, zou hij toch volledig van kracht blijven, net als wanneer hij geheel en al bezegeld was. Gegeven in het jaar onzes Heren 1375, op de donderdag na Sint-Servaasdag, 13 mei. Item: aan deze akte hangen 45 zegels, waar twintig baanderheren of ridders bij zijn. En het kostte 80.000 Franse schilden om het Sticht te besturen en te verdedigen.


[53 Verso.] Extracten uijt de Rekeninge van Dirck Dirckz: Wouter Janz: Dammes Claesz: ende Dirck Jacob Hendrickz: Tresoriers vanden Jare 1481. Beginnende Sinte Bavendagh tot Vrouw-Lichtmis dagh toe. Anno 1482. [1] Gegeven vande Ordonnantie van den Veertigh, die mijn Heere de Stede-Houder geset heeft, ende mijn Genadige Heere geconfirmeert, ende bezegelt heeft, Seven hondert Ponden grooten, ende dit is geschiet bij Consent vande Vroetschap. Anno 1453. Gereijst Dirck Cuter ende Wolphert Dirckxz, Schepenen tot Leijden, om te Vonnise tusschen Cornelis Jansz, ende Wouter Maes, ende Zijne mede pelegers.

[53 verso] Extracten uit de rekeningen van Dirck Dircksz, Wouter Jansz., Dammes Claesz, en Dirck Jacob Hendricksz; thesauriers over 1481 vanaf SintBavodag, 1 oktober, tot Maria-Lichtmis, 2 februari. Anno 1482. Betaald4 voor de Ordonnantie van de Veertig, die mijn heer Stadhouder ingesteld heeft, en door de Genadige Heer5 is bevestigd en bezegeld: 700 pond groot; dit is gebeurd met toestemming van de vroedschap. Anno 1453. Dirck Cutex en Wolphert Dirckxz, schepenen, zijn naar Leiden gereisd, om vonnis te wijzen tussen Cornelis Jansz, en Wouter Maes, en zijn medeplegers. Anno 1456. Betaald voor de begeleiding van de reis van de vrouwe van BourgondiÍ van Gouda naar Leiden: 5 gulden. Geschonken aan onze voornoemde genadige heer van Holland: een som van 3 pond groot; en twee halve lakens, van puik kosterslinnen,ter waarde van 8½ pond groot.

[2] Anno 1456. Gegeven van Vracht, datmen mijn Vrouwe van Bourgongien, vander Goude tot Leijden voerden, vijf Gulden. [3] Geschenck onse voorschreven genadige Heere van Hollant, een Osse van drie pont Groot, twee halve laeckens, puyckx Costen, acht en een half pont groot

1 2 3

[Ordonnantie vanden Veertigh.] in de marge [Vrouwe van Borgondien Reijst na Leijden.] in de marge [Schenckagie aen onse genadige Heere.] in de marge

4

gekozen is voor betaling, omdat er een dienst wordt geleverd; zie artikel: Steensel, Giften aan vrienden en invloedrijken; Schenkgewoonten... Holland Historisch Tijdschrift, 37(2005) pp1 vv. 5 de graaf van Holland ?


[54] [1] Geschenck onsen Jongen Prins een Vat Wijns coste xviij Schilt, ende twee dosen vergult Suijcker, kosten 3 schellingen 4 grooten

[54] Geschenken voor onze jonge Prins: een vat wijn, kosten 18 schilden en twee vergulde suikerdozen, kosten 3 schellingen, 4 groten. Geschonken aan mevrouw Dwaesseggen: 10 plakken.

[ ] Geschenck mijnen Vrouwen Dwaes seggen x placken. 2

[3] Ten selve tijden sijn alle de Steden van Hollant ter Goude geweest, met het geheel Hof en aldaer beschoncken. Anno 1458. Diversche Oncosten aen’t Raet huijs Thooren gedaen siet int Capittel van Carren. [4] Anno 1477. Gegeven 3 pont Groot, van drie nieuwe Handtvesten.

In dezelfde periode zijn alle steden van Holland in Gouda geweest, met het Hof; aan de afgevaardigden is daar drank geschonken. Anno 1458. Diverse onkosten aan de stadhuistoren; zie in het hoofdstuk van Carren. Anno 1477. Betaald 3 pond groot, voor drie nieuwe handvesten. Betaald 36 kronen om de handvesten van zegels te voorzien. Betaald 3 kronen aan degene die de brief heeft gebracht. Betaald 10 kronen en 20 plakken om de brief te schrijven.

Gegeven 36 Croonen vande Hantvesten te besegelen. Gegeven 3 Kroonen die den Brief brocht. Gegeven 10 Kroonen ende 20 placken vanden Brief te schrijven.

1 2 3 4

[utsupra aenden Jongen Prins] in de marge [utsupra mijn Vrouwe Dwaessegge.] in de marge [utsupra alle de steden.] in de marge [Nieuwe Hantveste ende oncoste] in de marge


[54 Verso] [1] Gegeven twee Commissarissen die gemachtight waren van onsen Jonck-Vrouwe ter Goude te komen 25 pondt Groot mit die deught van haer knecht.

[54 verso] Geschenk aan twee commissarissen die gemachtigd waren door onze Jonkvrouwe om naar Gouda te komen: 25 pond groot; voor de diensten van haar wapenknecht.

Noch 6 Pondt 5 schellingen grooten vij Mr Arent van den Beecken Kosten.

Nog 6 pond, 5 schellingen, 7 groten voor onkosten van Arent van den Beecken.

[ ] Gegeven Claes van Hanbroeck 33 pondt 6 schellinge 8 grooten, omdat hij dat slot Ruijmen soude. 2

[3] Gegeven die Commissarisen die de Wet versleten 20 pont Groot. Bevinde dat het Equiperen ende toerusten vande Valent gecost heeft, volgens de Rekeninge daer van te leveren, ter somme van 1279 ponden 18 schellingen 6 grooten Vlaems. [4] Item: Lambert Gerrits gegeven doe de Vroetschap op’t Raet-Huijs gevangen was 11 schellingen [5] Anno 1480. Gereijst Jan Verdusse onsen Casteleijn tot Brugge, die den Prins van Orangjen, ende die Grave van Nassauwen om seeckeren saecken die hij met hem te spreecken hadde vande Stede vander Goude, wegens, ende was gesent6 van Burgermeesteren Schepenen.

1 2 3 4 5 6

[Schenkagie aen Commissarisen.] in de marge [Claes van Hambroeck ruijmt dat slot.] in de marge [uts Commissarisen] in de marge [Vroetschap opt Raet-huijs gevangen.] in de marge [Casteleijn Reijst na den Prince van Orangjen.] in de marge Engelbrecht II?

Betaald aan Claes van Hanbroeck: 33 pond, 6 schellingen, 8 groten, voor het afbreken van het slot. Geschenk aan de Commissarissen die de Wet hebben opgeborgen: 20 pond groot. Vastgesteld werd dat voor het bemannen en uitrusten van het schip de Valent kosten zijn gemaakt; volgens de rekeningen is daarvan door Gouda te betalen de som van 1.279 pond, 18 schellingen, 6 groten Vlaams. Aan Lambert Gerrits is geschonken toen de vroedschap op het stadhuis gevangen was gezet: 11 schellingen. Anno 1480. Jan Verdusz., onze slotvoogd is naar Brugge gereisd, om met de prins van Oranje, en de graaf van Nassau bepaalde zaken betreffende Gouda te bespreken. Hij reisde in opdracht van burgemeesters en schepenen.


[55] [1] Anno 1482. Bevinde noch uijtgegeven aen verscheijde Personen, Capiteijnen , aen Ruijters Gelt, meer dan twee Duijsent Ponden Vlaems.

[55] Anno 1482. Vastgesteld: nog uitgegeven aan diverse personen en kapiteins, aan ruitergeld en wel soldij voor cavalerie, meer dan 2.000 pond Vlaams.

[2] Anno 1482. Gereijst Arien Gerritsz tot Mecchelen, roerende die xl Brief alsoo wij verdachtvaert waren. etc.

Anno 1482. Arien Gerritsz is naar Mechelen gereisd, inzake de brief van de Veertig, omdat wij gedagvaard waren. dito.

[ ] Gegeven aen Louweris van een Intrument van een Brief, die uijt de Hove quam, roerende van Wouter Maes, vande xl Brief xx stuijvers. 3

Anno 1484. Gereijst Gerrit Jans ende Meester Floor tot Leyden, om i Vonnis. etc. [ ] Gereijst Henrick van Brouckhuijsen tot Gent, om te hooren dat Vonnis, roerende van Kerstant Harmensz. etc. 4

[5] Gereijst Hendrick van Brouckhuijsen tot Gent, roerende van een proces tegen Kerstant Hermensz. [6] Gegeven mijn genadige Heere, hondert ponden Grooten van een Privilegie, roerende van de Jurisdictie, omme genade een quartier Mijls van der Goude, om dit Privilegien was Dirck Jacobsz tot Brussel gereijst, etc.

1 2 3 4 5 6

[Ruijters-gelt.] in de marge [Brief van de xl. ..] in de marge [Wouter Maes.] in de marge [Kerstant Harmens] in de marge [utsupra] in de marge [Privilegien van de Juris- dictie van een quartier Mijls.] in de marge

Betaald aan Louweris voor het bezorgen van een brief, die door het Hof was verstuurd, inzake Wouter Maes, van de brief van de Veertig: 20 stuivers. Anno 1484. Gerrit Jansz. en Meester Floor zijn gereisd naar Leiden, vanwege ĂŠĂŠn vonnis. dito. Henrick van Brouckhuijsen is naar Gent gereisd, om het vonnis te horen inzake Kerstant Harmensz. dito. Hendrick van Brouckhuijsen is naar Gent gereisd, inzake een proces tegen Kerstant Harmensz. Geschonken aan mijn genadige heer Philips de Schone, 100 pond groot voor een privilege inzake de jurisdictie om gratie te verlenen tot een kwart mijl buiten Gouda; voor dit privilege was Dirck Jacobsz naar Brussel gereisd. dito.


[55 verso.] [1] Anno 1485. Geschenck aen Heere Jan Cats, een Silvere schalen, tot zijn Bruijloft 20 ponden Grooten. [ ] Geschenck die Stede van Oudewater Schoonhooven, Montfoort ende Ysselsteijn een Maeltijt van een pont Groot en zes grooten roerende van de Yssel te diepen. 2

[3] Anno 1487. Gereijst Wouter Jans in den Hage, roerende dat mijn Heere wilde hebbe den tienden Man, of te hebben twee ponden groot van elcke twee duijsent Rijnse Guldens van der poorters, ende van Compositie van den ommeslagen. [4] Anno 1448. Gereijst Dammes Claesz Burgermeester ende Jan Jacobsz mits een Knecht te Macchelen om die gevanckenisse van Hertogh ende Koningh. [5] Gereijst Dammes Claessen Burgermeester inden Hage, roerende: hoemen onse Coningh uijt zoude krijgen, anders als met penningen, ofte ruijteren, ende oock om Schepenen op’t Water te leggen. [6] Gereijst Jacob Florissen, ende Dirck Jacobsz, met een knegt, tot Macchelen, bij Hartog Philipsz met den Coningh, doe hij uijt zijnen gevanckenisse gekomen was.

1 2 3 4 5 6

[Heer Jan Cats] in de marge [Schenckagie aen Oudewater Schoonhoven Montfoort ende Ysselsteijn.] in de marge [Eijs- van: thien- den Man.] in de marge [Gevanckenisse van Hertogh ende Coning.] in de marge [utsupra] in de marge [utsupra] in de marge

[55 verso] Anno 1485. Geschonken aan de heer Jan Cats: een zilveren schaal, voor zijn bruiloft ter waarde van 20 pond groot. Betaald voor een maaltijd voor de vertegenwoordigers van Oudewater, Schoonhoven, Montfoort en IJsselstein, met betrekking tot het uitdiepen van de IJssel: 1 pond groot en 6 groten. Anno 1487. Wouter Jansz. is naar Den Haag gereisd, inzake het feit dat mijn Heer de tiende man of wel penning wilde ontvangen, of anders 2 pond groot van iedere 2.000 Rijnse Guldens van de poorters, en over de samenstelling van de belasting. Anno 1448. Dammes Claesz, burgemeester, en Jan Jacobsz zijn met een wapenknecht naar Mechelen gereisd vanwege de gevangenschap van de Hertog en de Koning. Dammes Claessen, burgemeester, is naar Den Haag gereisd, inzake de vraag hoe men onze Koning uit de gevangenis zou krijgen, anders dan met losgeld, of met ruiters; en ook om schepen in te zetten. Jacob Florissen, en Dirck Jacobsz, zijn met een wapenknecht naar Mechelen gereisd, toen hertog Philips en de Koning uit hun gevangenschap waren gekomen.


[56] [1] Gereijst Dirck Jacobs, ende Dirck de Timmerman om hout, tot Dordrecht, daer men de Graft mede om stakette. Gegeven Jan Pieters van dat hij t’ Ouwater Rede, doe Woerden ingenomen was om tijdinge. [ ] Geschenck de Gemeene Stede, doe zij ter Goude waren, ter Examinatie van den gevangen, met Wijn ende Maeltijt 2 Pont 3 schellingen 2

[3] Gegeven twee gesellen vande Vlist, die ons Bootschap Braghten, dat Schoonhoven wederstaen hadde de Vianden, 26 stuijvers. [4] Anno 1489. Gereijst de Bode van mijn Heer van Ysselsteijn, om te vernemen van eenigh Volck van Wapenen, die men zeijde dat vergadert waren, tegen mijns Heeren Landen. [ ] Geschenck die Stalmeester doen hij die slagh geslagen hadde te corte Noorden aen Bier ende Victualie 2 pont 9 schellingen 8 stuivers. 5

[6] Geschenk die Stede van Delft, doen zij hier te Dachvaert waren, bij den Hartogh van Saxen 6 Mingelen wijns.

1 2 3 4 5 6

[Reijse tot Dordrecht om hout om de graft te staketten.] in de marge [gemeensteden.] in de marge [Schoonhoven wederstaet de vianden.] in de marge [volck van wapenen.] in de marge [slagh tot Cortenoorden] in de marge [Stadt van Delft.] in de marge

[56] Dirck Jacobs en Dirck de Timmerman zijn naar Dordrecht gereisd om hout te kopen om de gracht mee te stutten. Betaald aan Jan Pieters omdat hij naar Oudewater is gereden toen Woerden ingenomen was, om informatie te verkrijgen. Betaald voor wijn en een maaltijd voor de verzamelde steden, toen zij in Gouda waren voor het onderzoek van de gevangenen: 2 pond, 3 schellingen. Betaald aan twee gezellen uit Vlist, die ons de boodschap brachten dat Schoonhoven de vijanden had weerstaan: 26 stuivers. Anno 1489: De bode van de heer van IJsselsteijn heeft rondgereisd, om informatie te verzamelen over gewapende soldaten, van wie men zei dat die samengetrokken waren tegen het land van mijn Heer. Geschenk aan de stalmeester toen hij de slag te Kortenoord had gewonnen voor bier en victualiĂŤn: 2 pond, 9 schellingen, 8 stuivers. Geschonken aan de stad Delft, toen zij hier gedagvaard waren door de hertog van Saksen: 6 mingelen wijn.


[56 Verso] [1] Gegeven Coppen de Graef-maker van eenen Graft te maken, voor die geenen die verslagen waren te Corte-Noorden, twee schellingen. [ ] Anno 1490. Kommer Claessen gereijst met een Knecht tot Leijden ter dagh-vaert, om met de [3] Staten vanden Landen, Ordonnantie te maken om Montfoort te beleggen etc. 2

[4] Gerrit Jan Lambertsz gereijst met een Knecht tot Oudewater, in ’t heer voor Montfoort, ende voort tot Schoonhoven, alsmen Pais maeckt van Montfoorde. etc. [5] Willem Buijsch gereijst tot Dordrecht, als Jonckheer Frans van Brederode, daer gevangen was etc. daer oock Jacob Florisz Gereijst is om de gevangenen te zien, ofte te hooren. [ ] Govert Dirckxz ende Gerrit Jan Lambertsz, gereijst in den Hage aenden Raet, om de sluijsen vande Yssel open te maken. 6

[7] Int selve Jaer waren eenige Poorters tot Antwerpen gevangen, onder Stadts Rente. [8] Alle de Stede van Hollant, met den Steden-houder geschoncken, alsmen voor Montfoort Reijsen Souden, ’t zamen 33 schellingen 4 Grooten.

1 2 3 4 5 6 7 8

[verslagene te Corte-Noorden.] in de marge [Ick segh - Jacobsz.n] in de marge [ordonnantie om Montfoort te beleggen.] in de marge [Pais van Montfoorde.] in de marge [Jonck-heer Frans van Brederode] in de marge [sluijsen van de Yssel open te setten.] in de marge [Poorters tot Antwerpen gevangen.] in de marge [Schenckagie aende stede Reijsende naer Montfoort.] in de marge

[56 verso] Betaald aan Coppen de Grafdelver om een graf te maken, voor degenen die gesneuveld waren te Kortenoord: 2 schellingen. Anno 1490. Kommer Claessen reisde met een wapenknecht naar Leiden vanwege een dagvaarding, om met de Staten van de Landen, een ordonnantie te maken om Montfoort te belegeren. dito. Gerrit Jan Lambertsz. reisde met een wapenknecht naar Oudewater, naar het leger voor Montfoort, en voorts naar Schoonhoven, toen er vrede werd gesloten inzake Montfoort. dito. Willem Buijsers reisde naar Dordrecht, toen jonkheer Frans van Brederode daar gevangen was genomen. Ook Jacob Florisz is daarheen gereisd om de gevangenen te zien en te verhoren. Govert Vinckxs en Gerrit Jan Lambertsz. reisden naar de Raad in Den Haag, om de sluizen van de IJssel te laten openen. In hetzelfde jaar werden enkele poorters in Antwerpen gevangen genomen op kosten van Gouda. Geschenk aan alle steden van Holland die onder aanvoering van de Stadhouder naar Montfoort zouden reizen: tezamen 33 schellingen, 4 groten.


[57] [1] Alle de stede van Hollant [2] Gegeven den Hartoge van Sasse eenen Osch die gekocht ende betaelt was met de onkosten 6 pondt 12 schellingen 4 grooten. [3] Noch geschonken Jacob van Cralingen Casteleijn nae dat hij zijne Wijf t’ Huijs gebraght hadde een Maeltijt met Wijn ende alle onkosten 28 schellingen 4 grooten. [ ] Anno 1492. Ontfangen van Barent Pietersz Hopkooper, van zijn Correctie van Bier te Brouwen binnen zijn huijs heijmelijck, 23 schellingen 4 Grooten. 4

Nota: Dit is noch de ketel die voor in ’t Stadt-huijs aen de groote balck staet. Daer op stont eertijts geschreven. Die in dese ketel eertijts heeft gebrouwen Het heeft hem al zijn leven berouwen. [5] Gerrit Dirckxz. ende Adriaen Gerritsz. Vlester gereijst tot Leijden als Haerlem ingenomen was van de Vriesen. Willem Suijrmont, gesonden tot Calenburgh tot Uijtrecht, ende daer ontrent gewaerschout te wesen, vande quaet opset, tot bewaernisse ingenomen was van de Stede.

1 2 3 4 5

[desen Regel is fout.] in de marge [uts: den Hertog van Saxen.] in de marge [uts: Jacob van Cralingen.] in de marge [Correctie van in huijs gebrouwen bier] in de marge [Haerlem ingenomen van de Vriezen] in de marge

[57] Aan de hertog van Saksen is een os geschonken, die gekocht en betaald was inclusief onkosten: 6 pond, 12 schellingen, 4 groten. Geschonken aan Jacob van Cralingen, slotvoogd, voor het vervoer per koets om zijn vrouw thuis te brengen; en een maaltijd met wijn en alle onkosten: 28 schellingen, 4 groten. Anno 1492. Ontvangen van Barent Pietersz Hopkooper, als boete voor het illegaal bierbrouwen in zijn huis: 23 schellingen, 4 groten. NB. Dit is de ketel die nog steeds voor in het stadhuis aan de grote balk hangt. Daar stond vroeger op geschreven: Wie eens in deze ketel heeft gebrouwen Zal het zijn leven lang berouwen. Gerrit Dirckxz. en Adriaen Gerritsz. Vlester reisden naar Leiden toen Haarlem ingenomen was door de Friezen. Willem Suijrmont, gezonden via Culemborg naar Utrecht. Men was ervoor gewaarschuwd dat er kwaad opzet in het spel was; daarom is hij in bewaring genomen door de stad.


[58 Verso.] [1] Anno 1499. Den Hertogh van Saxen doen hij ter Goude was, worden beschoncken van Stadts wegen, met een oxhooft Wijns, kostede een pont Groot, ende was gekocht van Gerrit Geerlofsz., ende de Paerden vanden Hertogh waren gestalt, in't groote schole op de Mart. [2] Anno 1501. Ontfangen van Dirck Hiecken, dat van Correctie, dat de Stede toe geordonneert waren om Glasen mede te maken, achter in den Raet-Kamer van ’t Stadt-Huijs, xx Schellingen. Nu dese Glasen staen noch tegenwoordigh, inde Raet Kamer ter Goude van Schepenen. [3] Gereijst Mr. Pieter Winckel Vicecurent, ende Dirck Dirckxz Burgermeester tot Amsterdam, ende van Amsterdam tot Leijden, omme den Bisschop te spreecken van Doornick, ende te vercrijgen dat Roomsche aflaet, etc. Desen Mr. Pieter Winckel, was Vooght geweest van Erasmo Rotterdamo. Siet Liber 2. Epistolarum Merick Editar4. [5] Gereijst Jan Jansz. ende Mr. Jacob Mouwerisz. inden Hage, met een Knegt op ’t beschrijven van Voijagien van Spaengien etc. No. Mr. Jacob Mourissen was Pencionaris vander Goude, ende een groot Vrient van Erasmo vide Merulam Loco dicto.

1

[Schenkagie, aenden Har- toghe van Saxen.] in de marge [glas in schepenskamer] in de marge 3 [Bisschop van Doornick.] in de marge 4 [Merick Editar] lees [Merulae editio] 5 [Reijse naer Spaengien] in de marge

2

[58 verso] Anno 1499. Toen de hertog van Saksen in Gouda was, werd aan hem door de stad een okshoofd wijn geschonken. Dit kostte 1 pond groot; het was gekocht van Gerrit Geerlofsz. De paarden van de Hertog werden gestald, in de Grote School op de Markt. Anno 1501. Ontvangen van Dirck Hiecken, ter correctie, omdat de stad hem opgedragen had om mee te werken aan het maken van glazen, om ze achter in de raadskamer van het stadhuis te plaatsen: 20 schellingen. Deze glazen staan tegenwoordig nog steeds in de raadkamer van de schepenen van Gouda. Mr. Pieter Winckel, onderpastoor, en Dirck Dircksz., burgemeester, zijn naar Amsterdam gereisd, en van Amsterdam naar Leiden, om de bisschop te spreken over Doornik, en om de Roomse aflaat te ontvangen. Deze mr. Pieter Winckel was de voogd geweest van Erasmus van Rotterdam. Zie Boek 2 met de brieven van Erasmus uitgegeven door Merula. Jan Jansz. en mr. Jacob Mouwerisz. zijn naar Den Haag gereisd, met een knecht, voor een reisbeschrijving van een tocht naar Spanje. Mr. Jacob Mourissen was pensionaris van Gouda, en een groot vriend van Erasmus. Zie Merula, op de voornoemde plaats.


[59] [1] Geschenck aende Heer Jacob van Borsselen, met zijnen Soon, onsen nieuwen Casteleijn een Maeltijt met Wijn, kost 6 schellingen 4 Grooten.

[59] Aan de heer Jacob van Borsselen, en zijn zoon, onze nieuwe slotvoogd, werd een maaltijd met wijn geschonken; de kosten waren: 6 schellingen, 4 groten.

[2] Geschonken een Maeltijdt op ’t Hof als de Casteleijns Wijff inde Craem lagh ende ’t gerechte met de Tresoriers waren daer Hove ende de Maeltijt koste de Stede 31 Schellingen vier grooten.

Geschonken: een maaltijd op het Hof toen de vrouw van de slotvoogd in het kraambed lag, en toen de rechtbank met de thesauriers daar op het Hof aanwezig waren. De maaltijd kostte de stad 31 schellingen, 4 groten.

[ ] Anno 1503. Ontfangen van Barthout Elbertsz te Nupoort, bij handen van Gerrit Elbertsz. zijnen Broeder, om zijn Conscientie te Vrijen, ter Cause dat hij in zijn Jeught op de Stede Huys plagh te Caetsen, al daer hij dickwils de Glasen uijt sloegh, acht schellingen Grooten. 3

Anno 1505. Was Mr. Frans Cobel Advocaet van ‘t Lant etc. [4] Anno 1506. Gereijst Mr. Jacobus Mouwerisz, met een knegt inden Hage, met den hof–Meester vanden Grave van Buijren, omme den Raet te kennen te geven, dat mijn Heer van Montfoort, de Yssel met een Schot Deur sluijten was.

1 2 3 4

[Schenkagie aen Jacob van Borsselen Casteleijn.] in de marge [utsupra] in de marge [Barthout Elbertz. te Nupoort] in de marge [Issel met een Schot deur te sluijten.] in de marge

Anno 1503. Ontvangen van Barthout Elbertz. te Nieuwpoort, uit handen van zijn broer Gerrit Elbertz., om zijn geweten te ontlasten, omdat hij in zijn jeugd tegen het stadhuis kaatste, waarbij hij dikwijls de glazen eruit sloeg: 8 schellingen groten. Anno 1505. Mr. Frans Cobel werd landsadvocaat later: raadspensionaris. Anno 1506. Mr. Jacobus Mouwerisz is met een knecht naar Den Haag gereisd, met de hofmeester van de graaf van Buren, om de Raad te kennen te geven, dat de heer van Montfoort de IJssel met een schutdeur aan het afsluiten is.


[59 Verso.] [1] Anno 1507. Gegeven een Man die te Paerde quam van Ysselsteijn doen Bodegrave brande om de Stede te waerschouwen een schellingh. [ ] Gereijst Willem Aertsz. tot Oudewater om de Knegten te zenden voor proije etc. 2

[59 verso] Anno 1507. Betaald aan een man die te paard van IJsselstein kwam toen Bodegraven in brand stond, om de stad te waarschuwen: 1 schelling. Willem Aertsz. is naar Oudewater gereisd om de wapenknechten op rooftocht te zenden. Ook haalde Pieter Teijsen de bestuurders van alle omliggende dorpen naar Gouda, om te spreken over de oorlog.

[3] Noch haelde Pieter Feijsen alle dorpen binnen der Goude,om te spreecken van te Oorlogen.

Mr. Jacob Mourisses is naar Antwerpen gereisd, om voor het kasteel zes tot acht wapenknechten te vragen, ter verdediging van het slot van Gouda.

[4] Gereijst Mr. Jacob Mourissen tot Antwerpen, omme te Vercrijgen voor de Casteele zes, ofte acht Knegten, tot bewaernisse van ‘t Slot ter Goude.

Betaald aan Dirck Stempelse voor ongeveer 83 gezellen of pages, die door Gouda naar Oudewater werden gezonden, toen de Geldersen voor Oudewater gelegerd waren. Zij zijn daar veertien dagen gebleven, en hebben elk ontvangen: 7 groot per dag.

[5] Gegeven bij handen van Dirck Stempelse, 83 Gesellen, ofte Pagens, zoo voor, zoo naer die van der Goude gesonden worden, tot Oudewater doe de Gelderse voor Oudewater gecomen waren, ende aldaer gebleven zijn, ende zoude gehadt hebben 14 Dagen elck 7 Groot daeghs etc.

Arien Gerritz, burgemeester, is met de schepen Jan Jacobsz., een wapenknecht en een page, naar de stadhouder in Gorcum gereisd . Ze werden drie dagen begeleid door 68 schutters en vier trompetters.

[6] Gereijst Arien Gerrits Burgermeester, met Jan Jacobsz. Schepen, met een knecht, en met een Pagie, ende Reijsde na Gorcum bij de Stadthouder, ende waren uijt met 68 Schutters, ende noch met 4 Trompetters 3 dagen lanck.

1 2 3 4 5 6

[Bodegraven Brant.] in de marge [Knechten voor Proije] in de marge [Dorpen ter Goude om te spreecken van oorlogen.] in de marge [Bewaernisse van ’t slot] in de marge [knechten voor Oudewater.] in de marge [Reijse naer Gorcum.] in de marge


[60] [1] Gegeven Heer Hola Claessen, de koster, vande Clocke te Beijeren, doet heijligh geloten waer van Hartogh Carel, ende de Dochter van Engelant 4 schellingen. [ ] Anno 1509. Gereijst Hendrick Goverts Burgermeester, ende Dirck Dirckx tot Bodegraven, ende alsoo voort tot Woerden, ende op de Wiericken, aldaer de Heere vanden Raet waren, om te Vereenige die van grooter Waterschap ende ons aengaende, van dat water dat ingebroocken was, aende Noortzijde vanden Rhijn. 2

[3] Gereijst inden Hage op ’t Stuck vande Wiericken toe te houden, ende te besien oftmen die van Uijtrecht, Woerden, ende de Steden vander Goude, mochte Vereenige, ende noch weder gereijst tot Bodegraven, bij die Commissaris, ende waren uijt op Leijden, etc. [4] Gereijst op de Nieuvaert, diemen soude maken achter Moort, na de Cromme Gouwe toe. [5] Gegeven Jaep Mol, van xiii tonnen Bier met vier Wagens, ende een half, die ’t Bier aende Rhijn brachten, doe de Burgermeester, met de Poorterije was aende nieuwe Brugge, om de sluijsen toe te doen, 2 pont 2 schellingen.

1 2 3 4 5

[Hertogh Carel met de dochter van Engelant.] in de marge [Waterschap van Woerden.] in de marge [utsupra] in de marge [Nieuwe vaert achter Moort.] in de marge [Bier aenden Rhijn gebracht doen de Schutters de Sluijs toe deden.] in de marge

[60] Betaald aan Hola Claessen, de koster, om de klok te luiden, ter gelegenheid van het heilig huwelijk van hertog Karel met de prinses van Engeland: 4 schellingen. Anno 1509. Hendrick Goverts, burgemeester, en Dirck Dirckx zijn naar Bodegraven gereisd en vervolgens naar Woerden en Wiericken. Daar waren de heren van de Raad bijeen om samen met het grote waterschap en met ons te spreken over de dijkdoorbraak aan de noordzijde van de Rijn. Reis naar Den Haag om het document van de Wiericken voor te leggen, en om te bezien of de steden Utrecht, Woerden en Gouda, tot samenwerking wilden komen. Vervolgens gereisd naar de commissaris in Bodegraven, en ten slotte naar Leiden. Gereisd over de Nieuwe Vaart, die men van de Gouwe aanlegde achter Moordrecht, naar de Kromme Gouwe toe. Betaald aan Jaap Mol, voor de dertien vaten bier die op vier en halve wagen naar de Rijn werden gebracht, waar de burgemeester, met de poorters aanwezig was bij Nieuwerbrug, om de sluizen te sluiten: 2 pond, 2 schellingen.


[59] [1] Geschenck aende Heer Jacob van Borsselen, met zijnen Soon, onsen nieuwen Casteleijn een Maeltijt met Wijn, kost 6 schellingen 4 Grooten.

[59] Aan de heer Jacob van Borsselen, en zijn zoon, onze nieuwe slotvoogd, werd een maaltijd met wijn geschonken; de kosten waren: 6 schellingen, 4 groten.

[2] Geschonken een Maeltijdt op ’t Hof als de Casteleijns Wijff inde Craem lagh ende ’t gerechte met de Tresoriers waren daer Hove ende de Maeltijt koste de Stede 31 Schellingen vier grooten.

Geschonken: een maaltijd op het Hof toen de vrouw van de slotvoogd in het kraambed lag, en toen de rechtbank met de thesauriers daar op het Hof aanwezig waren. De maaltijd kostte de stad 31 schellingen, 4 groten.

[ ] Anno 1503. Ontfangen van Barthout Elbertsz te Nupoort, bij handen van Gerrit Elbertsz. zijnen Broeder, om zijn Conscientie te Vrijen, ter Cause dat hij in zijn Jeught op de Stede Huys plagh te Caetsen, al daer hij dickwils de Glasen uijt sloegh, acht schellingen Grooten. 3

Anno 1505. Was Mr. Frans Cobel Advocaet van ‘t Lant etc. [4] Anno 1506. Gereijst Mr. Jacobus Mouwerisz, met een knegt inden Hage, met den hof–Meester vanden Grave van Buijren, omme den Raet te kennen te geven, dat mijn Heer van Montfoort, de Yssel met een Schot Deur sluijten was.

1 2 3 4

[Schenkagie aen Jacob van Borsselen Casteleijn.] in de marge [utsupra] in de marge [Barthout Elbertz. te Nupoort] in de marge [Issel met een Schot deur te sluijten.] in de marge

Anno 1503. Ontvangen van Barthout Elbertz. te Nieuwpoort, uit handen van zijn broer Gerrit Elbertz., om zijn geweten te ontlasten, omdat hij in zijn jeugd tegen het stadhuis kaatste, waarbij hij dikwijls de glazen eruit sloeg: 8 schellingen groten. Anno 1505. Mr. Frans Cobel werd landsadvocaat later: raadspensionaris. Anno 1506. Mr. Jacobus Mouwerisz is met een knecht naar Den Haag gereisd, met de hofmeester van de graaf van Buren, om de Raad te kennen te geven, dat de heer van Montfoort de IJssel met een schutdeur aan het afsluiten is.


[59 Verso.] [1] Anno 1507. Gegeven een Man die te Paerde quam van Ysselsteijn doen Bodegrave brande om de Stede te waerschouwen een schellingh. [ ] Gereijst Willem Aertsz. tot Oudewater om de Knegten te zenden voor proije etc. 2

[59 verso] Anno 1507. Betaald aan een man die te paard van IJsselstein kwam toen Bodegraven in brand stond, om de stad te waarschuwen: 1 schelling. Willem Aertsz. is naar Oudewater gereisd om de wapenknechten op rooftocht te zenden. Ook haalde Pieter Teijsen de bestuurders van alle omliggende dorpen naar Gouda, om te spreken over de oorlog.

[3] Noch haelde Pieter Feijsen alle dorpen binnen der Goude,om te spreecken van te Oorlogen.

Mr. Jacob Mourisses is naar Antwerpen gereisd, om voor het kasteel zes tot acht wapenknechten te vragen, ter verdediging van het slot van Gouda.

[4] Gereijst Mr. Jacob Mourissen tot Antwerpen, omme te Vercrijgen voor de Casteele zes, ofte acht Knegten, tot bewaernisse van ‘t Slot ter Goude.

Betaald aan Dirck Stempelse voor ongeveer 83 gezellen of pages, die door Gouda naar Oudewater werden gezonden, toen de Geldersen voor Oudewater gelegerd waren. Zij zijn daar veertien dagen gebleven, en hebben elk ontvangen: 7 groot per dag.

[5] Gegeven bij handen van Dirck Stempelse, 83 Gesellen, ofte Pagens, zoo voor, zoo naer die van der Goude gesonden worden, tot Oudewater doe de Gelderse voor Oudewater gecomen waren, ende aldaer gebleven zijn, ende zoude gehadt hebben 14 Dagen elck 7 Groot daeghs etc.

Arien Gerritz, burgemeester, is met de schepen Jan Jacobsz., een wapenknecht en een page, naar de stadhouder in Gorcum gereisd . Ze werden drie dagen begeleid door 68 schutters en vier trompetters.

[6] Gereijst Arien Gerrits Burgermeester, met Jan Jacobsz. Schepen, met een knecht, en met een Pagie, ende Reijsde na Gorcum bij de Stadthouder, ende waren uijt met 68 Schutters, ende noch met 4 Trompetters 3 dagen lanck.

1 2 3 4 5 6

[Bodegraven Brant.] in de marge [Knechten voor Proije] in de marge [Dorpen ter Goude om te spreecken van oorlogen.] in de marge [Bewaernisse van ’t slot] in de marge [knechten voor Oudewater.] in de marge [Reijse naer Gorcum.] in de marge


[60] [1] Gegeven Heer Hola Claessen, de koster, vande Clocke te Beijeren, doet heijligh geloten waer van Hartogh Carel, ende de Dochter van Engelant 4 schellingen. [ ] Anno 1509. Gereijst Hendrick Goverts Burgermeester, ende Dirck Dirckx tot Bodegraven, ende alsoo voort tot Woerden, ende op de Wiericken, aldaer de Heere vanden Raet waren, om te Vereenige die van grooter Waterschap ende ons aengaende, van dat water dat ingebroocken was, aende Noortzijde vanden Rhijn. 2

[3] Gereijst inden Hage op ’t Stuck vande Wiericken toe te houden, ende te besien oftmen die van Uijtrecht, Woerden, ende de Steden vander Goude, mochte Vereenige, ende noch weder gereijst tot Bodegraven, bij die Commissaris, ende waren uijt op Leijden, etc. [4] Gereijst op de Nieuvaert, diemen soude maken achter Moort, na de Cromme Gouwe toe. [5] Gegeven Jaep Mol, van xiii tonnen Bier met vier Wagens, ende een half, die ’t Bier aende Rhijn brachten, doe de Burgermeester, met de Poorterije was aende nieuwe Brugge, om de sluijsen toe te doen, 2 pont 2 schellingen.

1 2 3 4 5

[Hertogh Carel met de dochter van Engelant.] in de marge [Waterschap van Woerden.] in de marge [utsupra] in de marge [Nieuwe vaert achter Moort.] in de marge [Bier aenden Rhijn gebracht doen de Schutters de Sluijs toe deden.] in de marge

[60] Betaald aan Hola Claessen, de koster, om de klok te luiden, ter gelegenheid van het heilig huwelijk van hertog Karel met de prinses van Engeland: 4 schellingen. Anno 1509. Hendrick Goverts, burgemeester, en Dirck Dirckx zijn naar Bodegraven gereisd en vervolgens naar Woerden en Wiericken. Daar waren de heren van de Raad bijeen om samen met het grote waterschap en met ons te spreken over de dijkdoorbraak aan de noordzijde van de Rijn. Reis naar Den Haag om het document van de Wiericken voor te leggen, en om te bezien of de steden Utrecht, Woerden en Gouda, tot samenwerking wilden komen. Vervolgens gereisd naar de commissaris in Bodegraven, en ten slotte naar Leiden. Gereisd over de Nieuwe Vaart, die men van de Gouwe aanlegde achter Moordrecht, naar de Kromme Gouwe toe. Betaald aan Jaap Mol, voor de dertien vaten bier die op vier en halve wagen naar de Rijn werden gebracht, waar de burgemeester, met de poorters aanwezig was bij Nieuwerbrug, om de sluizen te sluiten: 2 pond, 2 schellingen.


[62] [1] Gereijst inden Hage omme te spreecken metten Drossaert van Diest2, hoe datmen aensetten zoude om te kiesen, dat nieuwe gerecht. [ ] Geschonken de Vrouwe van Wassenaer, d’ Excijns van Elf Vaten Biers, als zij hier gevlucht waren. 3

[4] Anno 1519. Betaelt: De koste van Luijen doen de Keijser gestorven was. [5] Anno 1520. Gereijst tot Gent om onsen genadige Heer welkom te heten, ende waren met hen 4 uijt 47 dagen [6] Anno 1521 Gereijst inden Hage omme te verwerven, dat men ter Goude niet en zoude dingen, dan bij monde, ende daer van te vercrijgen Acte. [7] Gechonken den nieuwen Casteleijn Floris van Kijfhoeck een Maeltijt metten Wijn daer dat Gerechte ende Thresoriers bij waren ten Eeten ende heeft gekost in alles 26 schellingen 8 Grooten.

1 2 3 4 5 6 7

[kiesen dat nieuwe gerecht.] in de marge [n] doorgehaald [Vrouw van Wassenaer gevlugt.] in de marge [Keijser gestorven.] in de marge [genadige Heere tot Gent welckom geheten] in de marge [ter Goude niet te dingen als bij monde] in de marge [Floris van Kijfhoeck Casteleijn.] in de marge

[62] Naar Den Haag gereisd om te spreken met de drossaard van dienst over de aanpak van de verkiezing van een nieuw gerechtshof. Geschonken aan de vrouwe van Wassenaar toen zij hiernaartoe gevlucht was de accijns over elf vaten bier. Anno 1519. Betaald: De kosten voor het luiden van de klok toen de Keizer gestorven was. Anno 1520. Naar Gent gereisd om onze Genadige Heer welkom te heten. Ze waren met z’n vieren 47 dagen op reis. Anno 1521. Naar Den Haag gereisd om het recht te verkrijgen dat men in Gouda alleen mondeling zal rechtspreken; en dat te laten vastleggen in een akte. Geschonken aan de nieuwe slotvoogd Floris van Kijfhoeck toen het Gerechtshof en de thesauriers bij hem te eten waren: een maaltijd met wijn; dit heeft in totaal gekost: 26 schellingen, 8 groten.


[62 Verso.] [1] Geschonken een Glas inde Kerck tot Alckmaer, bij Consent vande Vroetschap, ende heeft gekost 3 pont 14 schellingen 2 grooten [ ] Anno 1522. Gereijst Jacob Gerritsz. Straetmaker vander Stede wegen tot Delft die Galgh te meten ende de ordonnantie te zien. 2

[3] Gereijst Mr. Dirck Hendrickxz. inden Hage den Raedt adverterende van Inbreucken van Leck Dijck etc. [4] Anno 1523. Jacob Mane, Witten Goverts Burgermeesteren, ende Mr. Dirck Hendrickxz, inden Hage ter daghvaert, omme Rapport te doen, ende advijs te geven vanden Informatie, gedaen om den Rhijndick aende Ysseldijck, ende besijdijck te bedicken, mitsgaders de estinatie vande hooghte ende breete vandien. [5] Gereijst inden Hage te Dachvaert, aen Commissarissen van 3000 Guldens, s’ Jaers te bezegelen, te verclaren, dat de selve Stede naer quartie, alleen voor een seste part, ’t zegel daer voor ter Goude leenen souden, ende met de andere Stede.

1 2 3 4 5

[geschonken een glas tot Alckmaer.] in de marge [Galgh] in de marge [Inbreuck vanden Hage Leckdijck.] in de marge [Bedijckinge vanden Rhijn ende Ysseldijck.] in de marge [3000 gulden ’s Jaers te bezegelen] in de marge

[62 verso] Geschonken een glas aan de kerk van Alkmaar, met toestemming van de vroedschap. Dit heeft gekost: 3 pond, 14 schellingen, 2 groten. Anno 1522. Jacob Gerritsz., straatmaker van de stad, is naar Delft gereisd om de galg op te meten en de verordening in te zien. Mr. Dirck Hendrickxz. is naar Den Haag gereisd om de Raad te waarschuwen over de doorbraak van de Lekdijk. Anno 1523. De burgemeesters Jacob Mane en Witten Goverts, en mr. Dirck Hendrickxz. zijn op dagreis naar Den Haag gegaan, om rapport uit te brengen en advies te geven over de verstrekte informatie om de Rijndijk met een zijdijk aan de IJsseldijk te verbinden, alsmede over de inschatting van de hoogte en de breedte daarvan. Naar Den Haag gereisd op dagreis om vast te leggen dat aan de commissarissen 3.000 gulden per jaar wordt verstrekt. Die stad zal een kwart betalen, en Gouda en de andere steden van Holland verbinden zich om ieder een zesde deel te betalen.


[63] [1] Anno 1524. Gereijst tot Uijtrecht aende Heere van Oude-Munster, om te versoecke der Erfpacht van’t Lant van Steijn.

[63] Anno 1524. Naar Utrecht gereisd om de heer van Oudemunster te verzoeken om de erfpacht van het Land van Stein. Betaald aan de schepenen die naar Den Haag zijn geweest om de commissarissen te betalen voor de verbranding van een misdadiger in de heilige week: 19 schellingen, 6 groten.

[ ] Betaelt, schepenen van dat zij inden Hage geweest hebben, om de Commissarissen te betalen, aengaende de misdadigen Man, die inde Heijligen weecke verbrant worden, 19 schellingen 6 grooten.

Anno 1525. Naar Den Haag gereisd op schriftelijk verzoek van de Raad, over het voorstel om de Rijndijk aan de IJsseldijk te verbinden.

[3] Anno 1525. Gereijst inden Hage, op’t Schrijven vanden Raet, om den Rhijn Dijck te heelen aen de Ysseldijck.

Betaald voor fooien7 verstrekt aan diverse boodschappers die het bericht brachten van de overwinning op en de gevangenneming van de koning van Frankrijk. Tezamen 9 schellingen, 6 groten.

[4] Betaelt dijversche Bode tot Bode broot, vande tijdinge te brengen van Victorie, vande gevanckenisse vanden Coningh van Vranckrijk5 te zamen ix schellingen vj grooten

Betaald voor het beieren en luiden van de klokken voor de victorie: 16 schellingen, 8 groten.

2

Onze genadige Vrouwe is hier aangekomen.

[6] Betaelt van Beijeren, ende Luije van de Victorij, 16 schellingen 8 grooten. Onse genadige Vrouwe is hier in gekomen.

1 2 3 4 5 6

[Erfpacht, van’t Lant van Steijn] in de marge [Misdadige inde heijlige weecke verbrant] in de marge [Rijndijck ende Ysseldijck.] in de marge [gevanckenisse vande Coninck van Vranckrijck] in de marge [n] interlineair [utsupra] in de marge

7

bodebrood, gift voor de brenger van een goede boodschap


[63 verso.] [1] Gereijst Cornelis Bosch tot Antwerpen, om te koopen seeckeren Blaeuwe Steenen, om ’t Stadt-huijs mede te plaveijen. [ ] Gereijst Mr. Dirck den vi September tot Schoon-hoven, met besloten Brieven, daer bij den Tollenaer aldaer bevolen wert, bij haer Vrijdom deser Stede te laten, bij haer vanden Tol. Etc. 2

en

[3] Gereijst Mr. Dirck den xiiien September in den Hage, om te verpachten dat School. [4] Gegeven van Bode-broot vande Tijdinge dat ons geboren was een Jonge Prins, de KeijsersSone 3 schellingen 4 grooten. [5] Geschoncken den Graef van Buijen als hij ter Goude was, des daeghs na St. JansDagh, den grooten Brant was, een maeltijt van 4 pont, 12 schellingen.

[63 verso] Anno 1527. Cornelis Bosch is naar Antwerpen gereisd om bepaalde blauwe stenen8 om het stadhuis mee te plaveien. Op 6 september is mr. Dirck naar Schoonhoven gereisd met vertrouwelijke brieven waarin de opdracht stond aan de plaatselijke tollenaar9 om de stad te vrijwaren van tolheffing. Mr. Dirck is op 13 september naar Den Haag gereisd om de school te verpachten. Fooi gegeven aan de boodschappers van het bericht dat er een jonge prins, zoon van de Keizer, is geboren: 3 schellingen, 4 groten. Geschonken aan de graaf van Buren toen hij in Gouda was daags na de grote brand tijdens Sint-Jansdag (24 juni): een maaltijd van 4 pond, 12 schellingen. Betaald aan de vijf gezellen die drie maal de klok geluid hebben op de dag van de geboorte van de zoon van de Keizer: 4 schellingen, 2 groten. Anno 1528. Utrecht is ingenomen en er wordt getracht deze stad onder de jurisdictie van de keizerlijke Majesteit te brengen.

[6] Betaelt 5 Gesellen die geluijt hebben drie Poosen daegs, als de Jonge Keijsers Soon was gebooren 4 schellingen 2 Grooten. [7] Anno 1528. Uijtrecht wort ingenomen ende getracht te brengen, onder de Jurisdictie vande Keijserlijcke Majesteit te gekrijgen.

1 2 3 4 5 6 7

[Anno 1527. Blauwe steenen, om ’t Stadt-huis mede te plaveijen.] in de marge [Tollenaer, tot Schoonhoven.] in de marge [verpachtinge van’t School.] in de marge [geboorte van Keijser sone.] in de marge [Schenckagie aenden graef van Buijren.] in de marge [Luijen over des Keijsers Zoon.] in de marge [Uijtrecht wort ingenomen.] in de marge

8 9

plavuizen van Belgisch hardsteen persoon belast met het innen van de tolgelden


[62] [1] Gereijst inden Hage omme te spreecken metten Drossaert van Diest2, hoe datmen aensetten zoude om te kiesen, dat nieuwe gerecht. [ ] Geschonken de Vrouwe van Wassenaer, d’ Excijns van Elf Vaten Biers, als zij hier gevlucht waren. 3

[4] Anno 1519. Betaelt: De koste van Luijen doen de Keijser gestorven was. [5] Anno 1520. Gereijst tot Gent om onsen genadige Heer welkom te heten, ende waren met hen 4 uijt 47 dagen [6] Anno 1521 Gereijst inden Hage omme te verwerven, dat men ter Goude niet en zoude dingen, dan bij monde, ende daer van te vercrijgen Acte. [7] Gechonken den nieuwen Casteleijn Floris van Kijfhoeck een Maeltijt metten Wijn daer dat Gerechte ende Thresoriers bij waren ten Eeten ende heeft gekost in alles 26 schellingen 8 Grooten.

1 2 3 4 5 6 7

[kiesen dat nieuwe gerecht.] in de marge [n] doorgehaald [Vrouw van Wassenaer gevlugt.] in de marge [Keijser gestorven.] in de marge [genadige Heere tot Gent welckom geheten] in de marge [ter Goude niet te dingen als bij monde] in de marge [Floris van Kijfhoeck Casteleijn.] in de marge

[62] Naar Den Haag gereisd om te spreken met de drossaard van dienst over de aanpak van de verkiezing van een nieuw gerechtshof. Geschonken aan de vrouwe van Wassenaar toen zij hiernaartoe gevlucht was de accijns over elf vaten bier. Anno 1519. Betaald: De kosten voor het luiden van de klok toen de Keizer gestorven was. Anno 1520. Naar Gent gereisd om onze Genadige Heer welkom te heten. Ze waren met z’n vieren 47 dagen op reis. Anno 1521. Naar Den Haag gereisd om het recht te verkrijgen dat men in Gouda alleen mondeling zal rechtspreken; en dat te laten vastleggen in een akte. Geschonken aan de nieuwe slotvoogd Floris van Kijfhoeck toen het Gerechtshof en de thesauriers bij hem te eten waren: een maaltijd met wijn; dit heeft in totaal gekost: 26 schellingen, 8 groten.


[64] [1] De Pais is gemaeckt tusschen de Keijserlijcke Majesteit, ende den Heere van Geldere [ ] Anno 1529. Gereijst Thimpheriaen een Loope, omme te soecke, ende vragen de remedien vande swetende sieckte. 2

[3] Geschonken mijn Heere de Vicarius van Utrecht, bij consent van de Camere, om dier willen dat de Gemeente geconsenteert was, Boter te Eeten, tot Palm toe, een salm die gekost hadde 4 schellingen, 10 grooten. [4] Anno 1530. Gereijst tot Oudewater, de Daghvaert, op de Materie van de verheelinge, vanden Rhijndijck aende Ysseldijck.

[64] Er is vrede getekend tussen de keizerlijke Majesteit en de heer van Gelre. Anno 1529. Thimpheriaan Loope is op reis gegaan om een remedie te vinden tegen de zwetende ziekte 6. Geschonken aan de vicaris van Utrecht – nadat door de Kamer aan de gemeente was toegestaan om tot aan Palmpasen toe boter te eten – een zalm, die 4 schellingen, 10 groten heeft gekost. Anno 1530. Dagtocht naar Oudewater voor de kwestie van de verbinding van de Rijndijk aan de IJsseldijk. Vrouwe Margarita is overleden. Anno 1531. Mr. Dirck is naar de heemraad in Rotterdam gereisd om de verdediging te voeren in de rechtszaak omtrent de Brouck7 De keizerlijke Majesteit benoemt zijn zuster als regentes.

Vrouwe Margarita is Overleden. [5] Anno 1531. Gereijst Mr. Dirck aen Heemraet tot Rotterdam, om te defenderen de Jurisdictie vanden Brouck, etc. De Keijserlijcke Majesteit Ordonneert zijn Suster als Regentes.

1 2 3 4 5

[pais tusschen den Keijser ende gelre.] in de marge [sweetende sieckte.] in de marge [geschenk aende vicarius van Utrecht.] in de marge [Rijndijck- Ysseldijck] in de marge [Jurisdictie van Brouck.] in de marge

6 7

een besmettelijke ziekte die veel slachtoffers vergde voormalige gemeente tussen Gouda en Waddinxveen, in 1870 opgeheven


[62 Verso.] [1] Geschonken een Glas inde Kerck tot Alckmaer, bij Consent vande Vroetschap, ende heeft gekost 3 pont 14 schellingen 2 grooten [ ] Anno 1522. Gereijst Jacob Gerritsz. Straetmaker vander Stede wegen tot Delft die Galgh te meten ende de ordonnantie te zien. 2

[3] Gereijst Mr. Dirck Hendrickxz. inden Hage den Raedt adverterende van Inbreucken van Leck Dijck etc. [4] Anno 1523. Jacob Mane, Witten Goverts Burgermeesteren, ende Mr. Dirck Hendrickxz, inden Hage ter daghvaert, omme Rapport te doen, ende advijs te geven vanden Informatie, gedaen om den Rhijndick aende Ysseldijck, ende besijdijck te bedicken, mitsgaders de estinatie vande hooghte ende breete vandien. [5] Gereijst inden Hage te Dachvaert, aen Commissarissen van 3000 Guldens, s’ Jaers te bezegelen, te verclaren, dat de selve Stede naer quartie, alleen voor een seste part, ’t zegel daer voor ter Goude leenen souden, ende met de andere Stede.

1 2 3 4 5

[geschonken een glas tot Alckmaer.] in de marge [Galgh] in de marge [Inbreuck vanden Hage Leckdijck.] in de marge [Bedijckinge vanden Rhijn ende Ysseldijck.] in de marge [3000 gulden ’s Jaers te bezegelen] in de marge

[62 verso] Geschonken een glas aan de kerk van Alkmaar, met toestemming van de vroedschap. Dit heeft gekost: 3 pond, 14 schellingen, 2 groten. Anno 1522. Jacob Gerritsz., straatmaker van de stad, is naar Delft gereisd om de galg op te meten en de verordening in te zien. Mr. Dirck Hendrickxz. is naar Den Haag gereisd om de Raad te waarschuwen over de doorbraak van de Lekdijk. Anno 1523. De burgemeesters Jacob Mane en Witten Goverts, en mr. Dirck Hendrickxz. zijn op dagreis naar Den Haag gegaan, om rapport uit te brengen en advies te geven over de verstrekte informatie om de Rijndijk met een zijdijk aan de IJsseldijk te verbinden, alsmede over de inschatting van de hoogte en de breedte daarvan. Naar Den Haag gereisd op dagreis om vast te leggen dat aan de commissarissen 3.000 gulden per jaar wordt verstrekt. Die stad zal een kwart betalen, en Gouda en de andere steden van Holland verbinden zich om ieder een zesde deel te betalen.


[64 Verso.] [1] Gereijst de Casteleijn in Meij 1531. Inden Hage omme het nieuwe Gerecht te halen. [ ] De Brugh voor den Hoorn is gemaeckt, ende de Steen gekost tot Aelst, ofte vijlvoorden 2

[ ] Anno 1535. Gereijst tot Haerlem aenden Heemraet van Rijnlant, versoecken datse een sluijs zouden willen maecken inden Ysseldijck, achter ’t Slot, om Water te beter te mogen lossen etc. 3

[4] Anno 1535. Gereijst, den xxviien Januarij in den Hage aende Raet, ende oock om te consuleren, op de inconvenenten vande gevangen Poorter, die Herdoopt zijn ende van suspecte ende figitive. [5] Anno 1536. Den Pals-Grave versoeckt assistentie van xl (40) Schepen Volckx ende Victualie ende geschut omme denemarcken te Conquesteren. [6] Delftschen Brant, In dit selfde Jaer Sterft Erasmus van Rotterdam, tot Basel. [7] Geschonken den Hertogh van Meckhelenburgh, doe hij passeerden, vier Steden kannen Wijns, de Kanne 5 ½ Groot.

1 2 3 4 5 6 7

[Nieuwe gerecht] in de marge [Brugh voor den Hoorn.] in de marge [sluijs achter’t Sloth.] in de marge [Poorters Herdoopt] in de marge [Assistentie Palsgrave] in de marge [Delfsen Brant.] in de marge [geschenck aenden hertog van Meckelenburgh.] in de marge

[64 verso] De slotvoogd is in mei 1531 naar Den Haag gereisd om het nieuwe gerechtshof te verwelkomen De brug bij Den Hoorn is gemaakt en de kosten van de stenen zijn betaald aan Aalst en Vilvoorde. Anno 1535. Naar de heemraad van Rijnland in Haarlem gereisd met het verzoek een sluis achter het slot in de IJsseldijk te maken om het water beter te kunnen lozen. Anno 1535. Op 27 januari naar de Raad in Den Haag gereisd om advies in te winnen over de bezwaren van de gevangen genomen poorters die herdoopt zijn en verdacht worden vluchtgevaarlijk te zijn. Anno 1536. De Paltsgraaf verzoekt assistentie van veertig schepen met bemanning, victualiën en geschut om Denemarken aan te vallen. Brand in Delft. In datzelfde jaar sterft Erasmus van Rotterdam te Bazel. Betaald voor de hertog van Meckelenburg toen hij hier op doorreis was, vier stadskannen wijn, elk 5 en een half groot.


[63 verso.] [1] Gereijst Cornelis Bosch tot Antwerpen, om te koopen seeckeren Blaeuwe Steenen, om ’t Stadt-huijs mede te plaveijen. [ ] Gereijst Mr. Dirck den vi September tot Schoon-hoven, met besloten Brieven, daer bij den Tollenaer aldaer bevolen wert, bij haer Vrijdom deser Stede te laten, bij haer vanden Tol. Etc. 2

en

[3] Gereijst Mr. Dirck den xiiien September in den Hage, om te verpachten dat School. [4] Gegeven van Bode-broot vande Tijdinge dat ons geboren was een Jonge Prins, de KeijsersSone 3 schellingen 4 grooten. [5] Geschoncken den Graef van Buijen als hij ter Goude was, des daeghs na St. JansDagh, den grooten Brant was, een maeltijt van 4 pont, 12 schellingen.

[63 verso] Anno 1527. Cornelis Bosch is naar Antwerpen gereisd om bepaalde blauwe stenen8 om het stadhuis mee te plaveien. Op 6 september is mr. Dirck naar Schoonhoven gereisd met vertrouwelijke brieven waarin de opdracht stond aan de plaatselijke tollenaar9 om de stad te vrijwaren van tolheffing. Mr. Dirck is op 13 september naar Den Haag gereisd om de school te verpachten. Fooi gegeven aan de boodschappers van het bericht dat er een jonge prins, zoon van de Keizer, is geboren: 3 schellingen, 4 groten. Geschonken aan de graaf van Buren toen hij in Gouda was daags na de grote brand tijdens Sint-Jansdag (24 juni): een maaltijd van 4 pond, 12 schellingen. Betaald aan de vijf gezellen die drie maal de klok geluid hebben op de dag van de geboorte van de zoon van de Keizer: 4 schellingen, 2 groten. Anno 1528. Utrecht is ingenomen en er wordt getracht deze stad onder de jurisdictie van de keizerlijke Majesteit te brengen.

[6] Betaelt 5 Gesellen die geluijt hebben drie Poosen daegs, als de Jonge Keijsers Soon was gebooren 4 schellingen 2 Grooten. [7] Anno 1528. Uijtrecht wort ingenomen ende getracht te brengen, onder de Jurisdictie vande Keijserlijcke Majesteit te gekrijgen.

1 2 3 4 5 6 7

[Anno 1527. Blauwe steenen, om ’t Stadt-huis mede te plaveijen.] in de marge [Tollenaer, tot Schoonhoven.] in de marge [verpachtinge van’t School.] in de marge [geboorte van Keijser sone.] in de marge [Schenckagie aenden graef van Buijren.] in de marge [Luijen over des Keijsers Zoon.] in de marge [Uijtrecht wort ingenomen.] in de marge

8 9

plavuizen van Belgisch hardsteen persoon belast met het innen van de tolgelden


[64] [1] De Pais is gemaeckt tusschen de Keijserlijcke Majesteit, ende den Heere van Geldere [ ] Anno 1529. Gereijst Thimpheriaen een Loope, omme te soecke, ende vragen de remedien vande swetende sieckte. 2

[3] Geschonken mijn Heere de Vicarius van Utrecht, bij consent van de Camere, om dier willen dat de Gemeente geconsenteert was, Boter te Eeten, tot Palm toe, een salm die gekost hadde 4 schellingen, 10 grooten. [4] Anno 1530. Gereijst tot Oudewater, de Daghvaert, op de Materie van de verheelinge, vanden Rhijndijck aende Ysseldijck.

[64] Er is vrede getekend tussen de keizerlijke Majesteit en de heer van Gelre. Anno 1529. Thimpheriaan Loope is op reis gegaan om een remedie te vinden tegen de zwetende ziekte 6. Geschonken aan de vicaris van Utrecht – nadat door de Kamer aan de gemeente was toegestaan om tot aan Palmpasen toe boter te eten – een zalm, die 4 schellingen, 10 groten heeft gekost. Anno 1530. Dagtocht naar Oudewater voor de kwestie van de verbinding van de Rijndijk aan de IJsseldijk. Vrouwe Margarita is overleden. Anno 1531. Mr. Dirck is naar de heemraad in Rotterdam gereisd om de verdediging te voeren in de rechtszaak omtrent de Brouck7 De keizerlijke Majesteit benoemt zijn zuster als regentes.

Vrouwe Margarita is Overleden. [5] Anno 1531. Gereijst Mr. Dirck aen Heemraet tot Rotterdam, om te defenderen de Jurisdictie vanden Brouck, etc. De Keijserlijcke Majesteit Ordonneert zijn Suster als Regentes.

1 2 3 4 5

[pais tusschen den Keijser ende gelre.] in de marge [sweetende sieckte.] in de marge [geschenk aende vicarius van Utrecht.] in de marge [Rijndijck- Ysseldijck] in de marge [Jurisdictie van Brouck.] in de marge

6 7

een besmettelijke ziekte die veel slachtoffers vergde voormalige gemeente tussen Gouda en Waddinxveen, in 1870 opgeheven


[66] [1] beroerende den Prince van Orainge te sien accepteren het Stadt Houderschap van Hollant etc. [2] Geschoncken den Heer Schorel een zilvere Water-Pot wegende xxi (21) Onsen 5 Engelse d’onse om 5 schellingen 8 Grooten. [3] Anno 1542. Gereijst Huijgh Gerrits, Burgermeester, metten Pensionaris tot Bruijssel, om te verwerven, renovatie op out octroij van ’t quartier mijls, ende is geobtineert etc. [4] Gereijst den xiiij Julij in den Hage, omme aldaer te vernemen aen den Raet, naer de genen dewelcke de geene Vrouwe onlanghs Verbrant gesubordineerd souden mogen hebben, tot der accusatie van veele diversche Poorters, deser Stede, ende betaelt voor Copie autentijcq van de Sententie, daer bij de verschreven Vrouwe, bij den Hoven van Hollant gecommandeert is geweest, ten vierde 2 schellingen 4 Grooten. [5] Anno 1543. Gereijst om te vernemen tot Schoonhoven, ende Utrecht, waer de Gelderse ’t Hooft hadden, oock te vernemen seeckere tijdinge van Amersfoort. [6] Gechonken Mr. Hippolitus als hij quam in Commissie om den Rector te Vangen.

1 2 3 4 5 6

[Prince van Orainjen Stadt-houder.] in de marge [geschenk aen de Heer Schorel] in de marge [Octroeij quartier mijls] in de marge [Vrouwe in den Hage verbrant] in de marge [Amersfoort] in de marge [Recktoor gevangen.] in de marge


[66verso] [1] Anno 1544. Gereijst in den Hage, om te vervolgen aende Camer van Rekeninge, datmen den Tollenaer van Uijtrecht, onse Poorters, komende met off deur Uijtrecht, Tol vrij zullen laten passeren, als zij vertoonen vertolt te hebben tot Amersfoort. [2] Betaelt den 5en Julij bij den Pensionaris, van Rapport ende sententij Gelt, inde saecken gedeudeert bij den Hove van Hollant, tusschen dese Stadthouder,’t Proces aengenomen hebbende, voor Mr. Cornelis Jans Rectoor, Ccontra pastoor vicarien, ende Memorij Heeren van St. Jans Kercke, beroerende de Vrachten van de Vacerende Scholasterije, etc. Paijs tusschen de Keizerlijcke Majesteit ende de Koninck van Vranckrijck. [3] Gereijst den 24e Januarij. Des Pensionaris tot Leijden, Haerlem Delft om te communiceeren, met de regeerders der zelver Steden, hoe de Regeerders van dese Stede het souden mogen hebben, ende dragen inde saeck van Cornelis Andriesz gevangen, indien ’t Hof niet admitteert, de appellatien bij desen Steden gedaen etc. Nota: dit was een Poorter ende Wilde ’t Hoff, dat hij te hove overzonden soude worden.

1

[Tollenaer tot Uijtrecht] in de marge [Proces Rectoor] in de marge 3 [Anno 1545. Reijse tot Leij-den, Haerlem, ende Delft, om een poorter die ’t hof wilde overgezonden hebben.] in de marge

2


[67] [1] Gereijst tot Uijtrecht, om met de Staten, Inspectie te nemen, van ’t Diepen van de Yssel. Den xvijen (17e) Augustus, gereijst Huijg Gerritsz hopcooper tot Bruijssel, op ter Dacht-vaert. [2] Anno 1546. Gereijst inden Hage omme te vernemen van ’t Secretaris ampt hoe Mr. Cornelisz van Hollant zijn devoor in't verpachten van ’t zelve Secretarissschap indirectelijcken gedaen hadde. [3] Gereijst in de Hage omme te consuleelen met Raet van Hollant inde saeck van twee geapprendeerde Vrouwe dien zeijde 't overneren te wesen. Hollant verdachvaert de Stadt. [4] Gereijst een Burgermeester met eenige van de Vroetschap op honinge, bij den Heere van Assendelft, volgende de Conclusie van de Vroetschap. In desen Jaers werde de Gouwe5 gediept [6] Gewonnen Sententie tegen die van Schoonhove.

1 2 3 4 5 6

[Diepen vande Yssel.] in de marge [Secretaris Ampt] in de marge [Tovernessen] in de marge [Reijse op hooninge Diepen vande gouwe.] in de marge [d] vervangen door [w] [sententie tegens Schoonhoven gewonnen.] in de marge


[67verso] [1] Anno 1547. Geschoncken den Stadthouder, mijn heer van Beveren, een Paert, daer voor betaelt met Wijnkoop, ende haster Gelt, 12 ponden Vlaems. [2] Victorije vande Keijserlijcke Majesteijt Contra die van Saxen. [3] Anno 1548. Gereijst ter Dachvaert tot Dordrecht, op de saeck van de Koningen, ende de Neringe te platte Lande, etc. [4] Den vj October gereijst tot Brussel, om te Congratuleeren, de Keijserlijcke Majesteit van zijn wederkomste uijt Duijslant. [5] Anno 1550. Gereijst tot Dordrecht den xxviij (28e) September ende hebben met ten anderen Staten van Hollant, ontfangen, ende gesworen, ofte gehult, den Jongen Prins, achtervolgende de oude herkomen, broederlijck ende bij de Acte daer van wesende. etc. [6] Den 1en October, achtervolgende ’t Schrijven van de Majesteijt, van de Coninginne te compareren aengesiens Briefs in Notabele Dingen, met proccuratie tot Amsterdam, omme aldaer

1 2 3 4 5 6

[geschenck, den heere van Beveren Stadthouder] in de marge [victorije contra Saxen] in de marge [Neringe te platte lande] in de marge [Congratulatie aende Keijserl. Majt.] in de marge [Huldinge van Coning Philips 2 van Spaenjen.] in de marge [Huldinge uts tot Amsterdam.] in de marge


[68] Te ontfangen, ende besweeren, ende te Hullen, als ons Erf-Heere, na ’t overlijden vande Keiserlijcke Majesteit zijn soone Philips Prince van Spaenge, blijckende bij de Acte daer van zijnde, ende is zoo geschiet, ten huisen vande Weduwe Dirck Cornelis Burgermeester, van Claes Jeroens, ende zijn gereijst Jan Dirckxz., Hoensen, Ghijsbert Thijnmans, Jan Heije als Vroetschap. Witte vander Houf, ende Job Frans, met twee Bode. [1] Geschoncken, als den Hertogh van Bruijnswijck inden Hooren was, den xij Julij 1550. Acht Cannen Wijns, de Kanne 5 ½ groot. [2] Betaelt: Bode-broot van ’t Proces jegens Hogelant, gewonnen etc. [3] Anno 1551. Gereijst in den Hage, omme consultatie, in den saecken van Cornelis Anthonisse, ende Gerrit den Brootschrapper, die in crimenesi saecken, gevangen, alhier geaccuseert waren, etc. [4] Den xxvijen Januarij. Gereijst tot Delft om een Knape, die het Verbrande horologie rechten konden.

1 2 3 4

[geschenk aenden Hartogh van Bruijnswijck.] in de marge [Proces tegen Hogelanden.] in de marge [Criminele gevangen in de marge [Verbrande Horologie] in de marge


[68 verso] [1] Betaelt Claes Dirckxz, ende Jan Ghijsen, de welcke deur bevel van Tresoriers, gereijst zijn tot Amersfoort, om in specite aldaer te nemen vande Thooren, dit was nae dat de Kerck ende Thooren ter Goude afgebrant was, Anno 1552. Den xij (12) Januarij. [2] Betaelt Dirck Cornelis van Oudewater, ende dat overmits dat hij succedeerde als Burgermeesteren, in de plaets van Huijgh Gerrits Hopkooper, die als Burgermeester deser Werelt overleden was, de Wedden van zijn Tabbaert, komt een pont vijf schellingen groot. [3] Geschonken Mr. Boudewijn Docter inde Medecinen als hij aengenomen hadde tot St. Catharine aen Wijn ses Kanne. [4] Geschonck den viijen November een Bruijloft Maeltijt mijn Heere Gouderiaen, sijnen nieuwe gehouden Soon ende Dochter met Heurlieden staet Komt xv (15) pont, eenen Schellingh 3 grooten. [5] Tapijt om in die Vroetschap-Kamer te hangen wert gemaeckt bij Willem Andriesz de Raet Tapitsier etc. bevinde dat hij daer voren gehadt heeft 20 ponden 6 schellingen 8 grooten, noch 2 ponden 6 schellingen 3 grooten.

1 2 3 4 5

[Amersfoort, Thooren tot Amersfoort] in de marge [wedden vanden Tab- baert, van Dirck Cornelis van Oudewater] in de marge [Mr. Boudewijn van Ronse D.M.] in de marge [Geschenck aende Heere van Gou(d)riaen] in de marge [Tapijten op de Vroetschapkamer.] in de marge


[69] [1] De Kist vande Previlegien wert uijt de Kercke Camer gebracht alst Brant was, in St. Jans Kerck. [2] Dirck Pietersz Crepel, (Nota: of dit niet Crabet moet wesen:) treckt de Patronen vande voornoemde Tapiten. [3] Betaelt alst Brant was in St. Jans Kerck om ’t Kruijt te bergen van ’t Stadthuijs, ende aende Vesten te brengen, des Nachts diversche Persoonen, die daer mede besich waren om te brengen, ende te bewaren etc. Hoge Vloet ontrent de tijden vande voorschreven Brant. [4] Anno 1552. Mr. Dirck Willems Reijst ’s Hartogen Bos, om ’t Gieten van de Klocken te benaerstigen, etc. Nota: Dit was de Slagh-Clocken. [5] Anno 1560. De Prins van Oraengien Stadthouder van Hollant etc. [6] Wert gedelibereert om de Spaengaerden te versenden, ende anderen Knechten van desen Landen te surrogeren7 , nademael de generaele Staten seer gesoleert hadde, over de groote Molestatie, ende petulantie vande selve Spanjaers.

1 2 3 4 5 6 7

[Previlegien uijt St. Janskerck gehaelt] in de marge [Patronen vande voornoemde Tapijten.] in de marge [Brant in St. Jans-Kerck ende ’t bergen van ’t kruijt.] in de marge [gieten vande Klocken.] in de marge, ander handschrift [Prins van Orain- jen Stadthouder] in de marge [versenden vande Spaenjaers.] in de marge als plaatsvervanger aanstellen


[69 verso] [1] Gereijst ter daghvaert, omme Stadts Antwoorde inne te brengen, ofte de Stede de questie contreert de Edelen beroerende de neringe te platten Landen, souden willen submitteren aen zijn Excilentie, gemerckt vande voorgaende Daghvaert, ijeder daer op rapport nae, etca [2] Adriaen Vergoes, Advocaet van ’t gemeen Landen van Hollant sterft. [3] Mr. Christiaen de Beka, Pastoor vander Goude, heeft binnen Loeven Vier Beursen gefondeert. [4] Anno 1565. Gereijst in den Hage op de Swarigheijt van de Interductie bij mijn Heer den Stadt-Houder den Advocaet van ’t gemeene Landt gedaen vande Staten te doen beschrijven [5] Den Grave ende Gravinne van Lnignes In ’t Hert-huijs, bij mijn heer vander Goude gedefroijeert, van alle kosten, soo wel binnen als buijten Logijs gedaen. [6] Anno 1566. Gereijst ter daghvaert tot Brussel om de Regent te remonstreren de beroert die sij in Hollandt begost te rijsen uijt saeck van Inquisitie.

1 2 3 4 5 6

[Neringe ten plattelande in de marge [Advocaet Adriaen Vergoes sterft.] in de marge [Fondatie van vier Beursen tot Loeven.] in de marge [Interductie van de Staten te beschrijven] in de marge [geschenkt de grave ende gravinne van Lingnes.] in de marge [Beroerte vande Inquisitie.] in de marge


[70] [1] Dirck Jansz Lonck, schrijft over nieuwe Mare vande Invasie vande Kerck van Antwerpen daer van Jan Heije inde Hage ter daghvaert zijnde bij missive vande Stadt geadverteert wert. [2] Gereijst den ije September tot Antwerpen omme mijn Heer den Prins van Oraingien te hebben in hollant, ten eijnde aldaer souden mogen cesseren, de beroerte, opcomen ter Cause vande Religie. [3] De Burgermeesters, Schrijven den Hartoge van Bruijnswijck tot Woerden, zijnde bedancken zijn F.G. van ’t Glas, bij hem alhier inden Parochij Kerck geschoncken. [4] Anno 1570. Gereijst den 6en Augustus Mr. Jan Jacobs, ende Gerrit Huijgense Hopkooper Burgermeester tot Nimwegen, omme aldaer de toekomende Coninginne van Spaengien, mette ander Staten te congratuleeren ende welkom heten, Ende Present hondert Duijsent Goude Kroonen, over alle de Patruncialen Landen, van Herwaerts over, etc. [5] Den ixen December Gereijst ter dagh vaert inden Hage omme met die van Delft Rotterdam, die van Schiedam, ende die van Oudewater, te helpen resolveren, op de kosten die gevallen waeren in ‘t repareren vande Rijndijck.

1 2 3 4 5

[Invasie van Kerck van Antwerpen] in de marge [Prins van Oraengjen, ontboden in Hollant.] in de marge [Hartogh van Bruijnswijck glas inde kerck.] in de marge [Congratulatie vande vande Coningen van Spaenjen.] in de marge [Repareren van den Rijndijck.] in de marge


[70 verso] [1] Groote desolatie ’t Landt van Hollant overkomen, deur de Hooge Vloet op Alderheijligen Dagh, doen lest Leden. [2] De Diemerdijck was door gebroocken, ende ’t Verlaet aende Goutssluijs tot Alphen wort gemaeckt. [3] De Zeedick bij Naerden is ingebroken. [4] Den ijen Januarij 1571. Gereijst aende Hooge Heem-Raden van Schiedam, omme met henluijden te communiceeren de Ordonnantie ende Concepten vandien vander Goude dienende tot conservatien. Ende beleten van alle inconvenienten ende schade die dese Stede soude mogen overkomen bij overstorten van eenige Hooge Vloet ten Dijckagie, soo verre als de Jurisdictie streckende is, vande Stede [5] Vereert 200 Guldens aen ettelijcke Heeren, ende goede Vrienden, om reden niet gementioneert, om goede dienst de Stadt gedaen, ende dat zij geweert hebben, dat hier geen Spaens krijghs Volck en quam.

1 2 3 4 5

[Alderheiligen Vloet] in de marge [Diemerdijck doorgebroken.] in de marge [Zeedick tot Naerden uts] in de marge [Jsseldijck.] in de marge [Weeren van t Spaens krijgsvolck.] in de marge


[69] [1] De Kist vande Previlegien wert uijt de Kercke Camer gebracht alst Brant was, in St. Jans Kerck. [2] Dirck Pietersz Crepel, (Nota: of dit niet Crabet moet wesen:) treckt de Patronen vande voornoemde Tapiten. [3] Betaelt alst Brant was in St. Jans Kerck om ’t Kruijt te bergen van ’t Stadthuijs, ende aende Vesten te brengen, des Nachts diversche Persoonen, die daer mede besich waren om te brengen, ende te bewaren etc. Hoge Vloet ontrent de tijden vande voorschreven Brant. [4] Anno 1552. Mr. Dirck Willems Reijst ’s Hartogen Bos, om ’t Gieten van de Klocken te benaerstigen, etc. Nota: Dit was de Slagh-Clocken. [5] Anno 1560. De Prins van Oraengien Stadthouder van Hollant etc. [6] Wert gedelibereert om de Spaengaerden te versenden, ende anderen Knechten van desen Landen te surrogeren7 , nademael de generaele Staten seer gesoleert hadde, over de groote Molestatie, ende petulantie vande selve Spanjaers.

1 2 3 4 5 6 7

[Previlegien uijt St. Janskerck gehaelt] in de marge [Patronen vande voornoemde Tapijten.] in de marge [Brant in St. Jans-Kerck ende ’t bergen van ’t kruijt.] in de marge [gieten vande Klocken.] in de marge, ander handschrift [Prins van Orain- jen Stadthouder] in de marge [versenden vande Spaenjaers.] in de marge als plaatsvervanger aanstellen


[71] Raet Huijs, Uijt de Rekeninge, Ontfang, ende Uijtgeeff, den Timmermeester der Steden vander Goude als Hendrick Albertz., Laurens Gerrebrantz., als Hendrick Albertz., ende Claes Huijgen, roerende vande Timmeraesje vande Raet-huijs, als vande Jare xiiij C. ende Vijftigh (1450), etcetera.Ende gerekent is in de schare Rekeninge, in Ontfangh, ende Uijtgeeff, vijftien nieuwe placken, voor elck pont gerekent, een nieuwe plack, voor twee grooten schellinge, ende penningen daer naer etc. Somma sommarum van alle den Ontfangh, zoo uijt de Excijns, als andersins, tot de voorschreven Timmeragie in als 8321 ponden 5 schellingen


[71 verso] Den Uitgeeff daertegen bedraegt 8324 ponden, 5 schellingen, eene groot. Sulckx dat voorschreven Raet-Huijs, naer mijn Rekeninge gekost heeft, ses Duijsent, twee hondert, drie en veertigh Gulden, drie stuijvers, twaelf penningen, xl Grooten Vlaems, den Gulden gerekent.


[72] Beroerende den Dijckgraeff ende Heemraden van Schielant. De Schout, Burgermeesteren, ende Schepenen, in deliberatie geleijt hebben, nademael die van der Goude gecludeert zijn, het Collegie vande Hooge-Heemraden van Schiedam, niet tegenstaende haerluijder intercessie, ende goede presentie. Ende dat men verstaet den Dijckgraeff, ende Heemraden op Morgen zullen komen schouwen. Is over sulckx met goede deliberatie, geresolveert, ende verstaen, dat men deselve deliberatie, Schouwen, niet en zal admitteren noch gedoogen, dat zijluijden, met heurluijden wagens, ofte te Voet binnen der Stadt zullen mogen komen, om redenen, ende Consideratie, die mijn Heere ter gelegender tijt, meene te verandeworden. Ende is den Secretaris gelast hem op Morgen goets tijts aen dijckx-poorte te laten vinden, ende op d’aenkomsten vanden voorschreven Dijckgrave, ende Heemraden, de poorte te doen sluijten, ende henluijden de resolutie, voorschreven aen te legen, maer ingevallen zij-luijden versochte binnen te mogen komen teeren, dat hij hen-luijden als dan zal seggen, indien zij de potterspoorte begeren inne te komen, niet als Heemraden, maer in heur Prive vilegien (doorgehaald) namen, dat mijn Heeren, sulcx wel lijden mogen maer den Dijckgrave versoecken off hij de rechte poorte


[72 verso] mochte in komen, datmen hem ’t zelve zal toelaten, actum ter Kamer den xvien (16e) Januarij vijftien hondert ende t negentigh. Present Schout, Gerrit Huijgensz Hopkooper, Dirck Jansz. Lonck, Gerrit Fransen Kegelingh Burgermeester, Harmen Dirckx, Gerrit de Langen, Pieter Pietersz., ende Adriaen Jansz. Schepenen. Alsoo inde Jare 1600. Zijne excellentie nominatie van de Hooge-Heemraden, belieft heeft gehadt Amilius van Roosendal te verkiesen, tot de staet van Hooge Heemraden, voorschreven, van Schiedam, Soo is dit misverstant, tusschen de Stede van der Goude, ende de Heeren Hooge Heemraden, terneder geleijt, ende geassopnieert, ten welcke eijnde de Burgermeesters Meul, ende de Lange, hem tot Rotterdam bij de Hoge-Heemrade voorschreven. In den Jare 1601. hebben laten vinden, begerende datmen ’t gene gepasseert was in gelegentheijt souden willen stellen, ’t welcke oock bij de Hooge Heemraden voorschreven, aengenomen ende geaccepteert is, ende dienvolgen zijn Jare daer nae alsoo’t de Hooge-Heemrade voorschreven, met haer wagens binne gereden, tot aen de Herberge, alwaer sij oock bij den Bailliuw, ende de Heeren Burgermeesteren verwelkomt, ende metten Wijn sedert dien tijdt, altoos vereert zijn geworden. Den xviii September 1593. Is bij de Heeren Staten van Hollant geresolveert, dat de Staten de goede Handt, daer aen houden ende Helpen beroerende sullen, dat zulcken infractie vande voorschreven Privilegie, zal worden gerepareert, ofte dat andersins ter begeerte, vande Regierders der Stede vander Goude, tot hare contentemente, voor dese Reijse, ende sonder dat sulcx zal tot eenige prejudicie, ofte consequente ord're gestelt sal worden, dat een bequaem ende gequalificeert Persoon, uijt de voorschreven Stede als Super nu nierarie Hooge Heemraden, uit voorschreven Collegie sal worden gestelt, ende Gecommitteert, etcetera Vide het zelve Stadts Register folio 104, verso daer die oock geregistreert staet.


[73] Octroeij, van ‘t Verlaet inde Cortacken. Caerle, bij der Gratie Godts, Roomsch Keijser altijt vermeerdert ’s Rijckx, Coninck van Germanien, van Castilien, van Leon, van Granade, van Aragon, van Navarre, ende van Napels, van Secille, van Maillorque, van Sardeijnen, vande Eijlanden van Indien, ende vaste Landen der zee, Oceanen, Eertshartoge van Oostenrijck, van Lottrijck, van Brabant, van Lemburgh, van Luxenburgh, van Bourgundien, ende van Gelre, Grave van Vlaenderen, van Arthois, van Bourgondien, Palsgrave, ende van Henegouwen, Hollant, van Zeelant,van Ferrette, van Hagenault, van Namen, ende van Zutphen, Prince van Swaven, Marck-Grave des Heijligen Rijckx, Heere van Vrieslant, van Salines, van Mecchelen, van de Stadt-Stede, ende Landen van Utrecht, over-ijssel, ende Groeningen, ende Dominateur in Asie, ende Africa, allen den geenen die desen onsen Brief sullen zien Saluijt. Wij hebben ontfangen de ootmoedige supplicatie, van onsen wel beminden, de Burgermeesteren, Schepenen, ende gemeen raden onser Stede vander Goude, in Hollant, soo voor hem zelven, als inden namen vande gemeene inwoonders, der voorschreven Stede, hoe dat ontrent die voorschreven Stede, gelegen is veel snoots ende uijtgedolven Lants, dat tot geender


[73 verso] Waerden en staet. ’t Welck nochtans de Supplianten dunckt datmen soude mogen helpen, ende beteren, mits maeckende een verlaet inde Goutcade, ontrent de Tiendeweghsmolen, leggende niet verre buijten der voorschreven Stede, onder het Dijck-Graefschap, ende Hooge-Heemraderschap van Schielant, omme deur ’t zelve Verlaet, met Schepen, ende Schouwen te mogen Varen, na der Riviere van d’ Yssele, ende aldaer Cleij-Slijck, ende andere Aerde te laden, ende ’t zelve deur ’t voorschreven Verlaet op ’t voorschreven Lant te brengen, ende mitsdien niet alleen het voorschreven quade Lant te beteren, maer oock de voorschreven Rivieren, vanden Yssel te diepen tot groot gerijff onser voorschreven Stede, ende allen anderen, deselve Riviere gebruijckende. Ende dat d’ voorschreven Verlaet, gemaeckt, ende onderhouden souden mogen worden, met een kleijne koste, vanden geenen die ’t zelve Verlaet souden willen gebruijcken, als de Supplianten genoecht geadverteert zijn, de voorschreven kosten willige zullen zijn te betalen, dat ’t voorschreven Verlaet, gemaeckt zal worden, sonder eenige merckelijcke schade, ofte Interesse van ijemant daer ontrent gelant, alsoo de Supplianten tot maeckinge van die Luttel Lant, sullen behoeven1 , ’t Welck de Supplianten [2] offeren de Ingeteresseerde te betalen, tot seggens vande voorschreven Dijck-Grave, ende Hooge-Heemraden van Schielant. Dat oock de Supplianten deur ’t voorschreven verlaet, zullen te gerijffelijcker, ende tot minder kosten mogen gekrijgen, heurlieden noodruft van Turff, ende Hout, uijter Vlecke daer ontrent gelegen, nemaer want de Supplianten niet gerechtight zijn, ’t voorschreven verlaet te stellen sonder onsen oorloff, ende consente, zoo hebben zij ons ootmoedelijck gebeden hem te authoriseeren, ende octroijeren, tot maeckinge, ende stellinge van ’t voorschreven Verlaet, met zijn toebehooren, mitsgaders tot de settinge van een graevlijcke Impost, op die Schepen ende Schouwen, die daer deur zoude gelieren, ofte willen varen, ’t emploijeren, den voorschreven Imposte, tot maeckinge, ende onderhoudinge van ’t voorschreven Verlaete. Doen te weten, Dat wij de saecke voorschreven, overgemerckt ende hier op gehadt ’t Advijs, eerst vande Dijckgrave, ende Heemrade van Schielant. Ende daer naer van onse

1 2

[houden] vervangen door [hoeven] [(b) (a)] in de marge


[74] Lieven, ende getrouwen die de Luijden van onser reeckeninge in Hollant, den Advijsen, ende deliberatie, van onse zeer lieve ende Beminde Suster, de Koninginne Doragiere1 van Hongarien, ende Bohemien etcetera voor ons Regente, ende Gouvernante in onsen Lande, van Herwaerts over. Ende van onsen Lieven, ende getrouwen die Hoofden, President, ende Luijden van onsen Rade van State, Secrete ende Finantien, neffens haer wesende geoctroijeert, ende geaccordeert, octroijeren, ende accorderen, hem gevende oorloff, ende consent, uijt sonderlinge gratie bij desen, dat zij ten kosten onser voorschreven Stede, sullen mogen doen maecken, leggen ende onderhouden, ’t Verlaet hier boven gementioneert, ende dat ontrent die grachten onser voorschreven Stede, achter dat Laserus-Huijs daer zij die plaetse bequaemste sullen vinden, mits Conditie, dat zulcke Landt, ofte anders als zij hier toe behouven sullen zij gehouden worden, dat te betalen ten prijse ende ordonnantie, vande voorschreven Dijck graven, enden Heemraden van Schielant. Ende waert oock dat ijemant met redenen, eenigh Intrest allegeerde, bij ’t stellen vanden voorschreven Verlaet, dat zij Supplianten dat beteren zullen, tot seggen ende ordonnantie vande voorschreven Dijckgraeff, ende Hooge-Heemraden, Behoudelijck oock dat alle de Schepen, als ponten, allemans, Schouwen, off dier gelijcke Schepen die geladen sullen varen, deur ’t voorschreven Verlaet, ’t elcke Reijse gaende, ofte komende, sullen gehouden wesen te betalen eene groote Vlaems, daer af die voorschreven Supplianten, over onse voorschreven Stede, hebben ende profiteren sullen, tot hulpe den kosten van maken, ende onderhouden van des voorschreven Verlaten, de twee deelen, ende uijt het derde, welck derde zij Supplianten gehouden zullen zijn, met heurluijden voorschreven twee deelen te doen, ……………………. ende Jaerlijcx ’t zelve derdendeel te leveren, in handen van onse Rentemeester van den

1

[Doragiere] lees [Duwagiere]


[74 verso] zelven quartiers inder tijt zijnde, die daer af gehouden wort, ontfangh te maken, reeckeninge, bewijs, ende Reliqua te doene, ’t onsen profijte, met den anderen penningen van zijnen ontfangh, Welverstaende indien men hier namaels, bevonden dat ’t voorschreven Verlaet, der gemeijner welvaert schadelijck ware, dat wij off onse nakomelinge, ’t zelve sullen mogen ordonneren weder af te doene, ende alle dingen te stellen in Staten gelijck die nu zijn. Ende voorts dat de voornoemden Supplianten gehouden worden, desen onsen Brief te seijnden, in onse Reeckenkamer in Hollant, omme al daer tot conservatie van ons Recht geregistreert te worden, Ontbieden daer omme, ende bevelen onsen lieven ende getrouwen die Stadt-Houder, die eerste, ende andere luijden van onsen Rade, ende van onser Rekeninge in Hollant, den voornoemden van onsen financien, ende alles anderen onsen rechteren, ende officieren, ende ondersaten, die dit aengaen zal, zal zij den voornoemden Suppliant doen laten, ende gedoogen, van dese onse Gratie, Octroij, ende consent inder vougen, ende op de Conditien voorschreven, rustelijcken, ende vredelijcke genieten, ende gebruijcken, sonder hen te doene, ofte te laten geschien, eenigh hinder, letsel, ofte moeijenisse ter contrarie, want ons alsoo gelieft, T’ orconden hebben wij onsen zegel hier aen doen hangen. Gegeven in onse Stadt van Utrecht, den xxiiijsten dagh Van julio. In ’t Jaer ons Heeren Duijsent vijf hondert, vijf en veertigh, van onse Keijserrijcke ’t xxvjste ende van onse Rijcke van Castilien, ende andere ’t xxxste Op de plijcke stont geschreven, bij den Keijser die Grave van Lalaingh-hooft1, Mr. Vincent Cornelis, Rasarius, Claissone, Gecommitteerde vande financien, ende andere jegenwoordigh onderteijckent. Vereijcken op de Plijcke stont geschreven. Op huijden den vierden Novembris xv hondert seven-en-veertigh, naer dat dese opene Brieven gelesen waren, ten bureele vande Kamer van Rekeninge inden Hage, zoo sijn dezelve ter ordonnantie vande Luijden, vande selve Kamer geregistreert, In ’t Bresillie Roode Register, beginnende Kersmisse xv hondert veertigh folio 134. Actum ut supra. In kennisse van mij A: Van Loon, hebbende uythangende een Zegel in Rooden Wassche, aen dobbelstaerte, ende staet geregistreert in ’t tweede Stadts register, der Stadt Goude, folio 142, ut ultra.

1

[hooft] lees [heeft]


[75] Ordonnantie gemaeckt op het deurvaren van het Verlaet inde Corte-Ackeren. No 1. Inden eersten dat niemant, wie hij oock zoude mogen wesen, voor zijn Beurt sal mogen in ’t Verlaet halen, op den Boete van eene Gulden, thien stuijvers. 2. Gelijck mede niemant vermogen zal tegens wille ende danck vande Pachter, ofte opsiender gewaerschout zijnde, de Slacke van ’t voorschreven Verlaet op te winden, op eene gelijcke Boete. 3. Omme de uijthalende Schepen niet te Verletten en zal niemant vermogen te leggen met zijn Schip Schuijt ofte Schouwe tusschen de Brugge vande Corte Ackeren ende ’t voorschreven Verlaet ofte in te schieten voor ende aleer de Kolck ledigh is op een Boete als vooren. 4. Niemant en zal oock vermogen met eenige Schepen, Schuijten, ofte Schouwen, tegens de slagh-deuren van ’t voorschreven Verlaet te varen, Horten, ofte Stooten, op een Boete als vooren, ende daer boven repareren de schade die daer aen zal wesen gedaen.


[75 verso] 5. Men zal niet vermogen met eenige Haken, ofte andere Instrumenten te steken, aen ’t Verlaet, ofte de slaghdeuren, op de Boete als voren. 6. Indien ijemant met eenigh geladen Schip, Schuijt ofte Schouwe in ’t voorschreven Verlaet quame te haperen den zelven sal vanden voorschreven Pachter ende op siender gewaerschout wesende gehouden wesen datelijck te Rugge te halen op een Boete van drie Gulden. 7. Ende ingevalle ijemant met gewelt tegens wille ende danck vande Pachter ofte toeziender in ’t Verlaet wilde halen dat de zelve verbeuren sal een Boete van ses Gulden ende daer en boven gecorrigeert naer exigentie van saecken. 8. Wie den voorschreven Pachter, ofte Opsiender komt te Injureren, schimpigh, ofte Vileijn toe te spreecken, die zal verbeuren gelijcke Boete van ses Gulden, ende daer en boven Arbitralijck gecorrigeert, naer Exigentie van saecken, als voren. 9. Ende wie den Pachter, ofte opziender zal komen te dreijgen, om te smijten, schoppen, ofte Slaen, die zal verbeuren een Boete als vooren.


[76] 10. Wie den voorschreven Pachter ofte opziender zal komen te smijten, slaen, ofte Stooten, zal arbitralijcke gecorrigeert worden, gelijck de Heeren Magistraten, uijt de Merite vande saecken, bevinden zullen te behooren. 11. Alle welcke Boeten, geappliceert zullen worden, de eene helft ten profijte vande Heer Bailliuw, ende de weder helft ten behoeven vande voor schreven Pachter, ende opziender. 12. Ordonneeren allen, ende eenen ijegelijcken die desen, aengaen magh dese voorschreven Articulen, punctuelijcken te observeren, ende ingevallen ijemant de voorschreven Articulen, quame te contrarieren, zal daer over bij den Heer Bailliuw, ’s Heeren Dienaers, den Pachter, ofte Opziender bekeurt, ende gearresteert worden, die op haren Eet gelooft hebben, ende meriteren zullen. 13. Welck voorschreven arrest van sodanige Valeur, ende kracht zal wesen, als oft ’t zelve bij een Stadts-Bode gedaen waren, ende wie ’t zelve komt te violeren, gaende wegh zonder borgh te stellen, zal verbeuren tegens den Heer Tachtigh Gulden, ende daer en boven gecorrigeert, tot discretie van Schepenen.


[78 verso] In deliberatie gebracht wesende, met hoe veel Persoonen van nu voorts aen, men sal besoingneren in ’s Lants, ende Stadts saecken. is naer genomen deliberatie, geresolveert, ende verstaen, datmen voortaen zal besoingneren met achtien Persoonen. Is mede in deliberatie gebracht, hoe veel stemmen daer moeten wesen in ’t vergeven van Remissien, quijt scheldingen, atterminatien van Stadts pachten, Tractementen, ende anderen saecke, is geresolveert ende verstaen, datmen met twee derde paerten van de eenpaerige stemme zal concluderen. Actum ter Vroetschap, den xxsten Julij 1654. Is Naer genomen deliberatie, geresolveert, ende verstaen, dat de Heeren die in toekomende in de Magistratuijre, tot Burgermeesteren, ende Schepenen zullen worden ge-eligeert, de Jongste ge-eligeerde Magistraets Persoonen, sullen suppleren, den tijt der bedieninge vande Heeren, de welcke in plaetse vanden overleden, ofte in een ander Ampt gepromoveerde, gesurrogeert zijn. Actum ter Vroetschap den eerste Januarij xvj hondert ses ende Vijftich.


[79] Beroerende ’t Verbodt Vande Neringen, buijten de Stadt Gouda. Alsoo de Keure van geen Neringe te mogen doen, buijten dese Stadt, ’t eenemael in disobservantie ende vergetenheijt is geraeckt, ende van dage te dage de Winckels, ende neringe van alle Cleijne Coopmanschappen, ende eetwaren meer ende meer zijn toenemende, tot groote prejudicie vande Neringen binnen deser Stede, die van tijt, tot tijt zijn declinerende, ende afnemende, niet tegenstaende de verscheijde Publicatien, daer tegens zijn gedaen, ende noch laestelijcken, op den xxijsten October 1650. Soo ist: Dat de Heeren Vroetschappen deser Stede, daer in willende voorsien, goet gevonden hebben door mijn Heeren vanden Gerechte, de voor schreven Keure te renoveren, gelijck zij-luijden deselve zijn renoverende bij desen. 1. Eerstelijcken: dat alle Stadts Excijnsen gegeven zullen worden, van al het genen gelegen is, binnen een quartier Mijls ronsom de Stadts Muijren, ende dat dienvolgende op alle wegen, een Merckpael van de voorschreven quartier Mijls gestelt zal worden.


[79 verso] 2. Verbieden dienvolgende alle neringen, hoe die genaemt zijn ofte genaemt soude konnen worden, dewelcke gedaen worden binnen het voorschreven district, van een quartier Mijls, alleenlijck toelatende alle Pannebackers, Tegelbackers, Houtkoopers, in ’t Gros ende Scheepmakers die jegenwoordigh zijn, ofte te naemaels souden mogen komen, mitsgaders: de Lontspinders, Groff, ende kleijn-Garen spinders, Pottebackers, Etcetera dewelcke mede daer jegenwoordigh zijn, ende haer buijten de Stadts-Vesten met dit werck zijn generende, sonder dat zij daer mede vermogen zullen, eenige Winckel-neringe te houden, ofte deselve namaels aenstellen. 3. Ende op dat niemant anders, als de boven gespecificeerde, hier namaels de voorschreven hanteringe, buijten de Stadts-vesten souden overwinden te exerceren, ofte daer eenmael uijt gescheijden zijnde: dezelve ’t allen tijden wederom vermogen te aenvaerden, soo zullen alle de boven verhaelde, binnen veertien dagen naer de Publicatien deses, haer namen ter Secretarie laten aenteijckenen, op pene van de voorschreven Concessie, sonder eenige Gratie te zullen verliesen. 4. Ende op dat alle ’t zelve te beter zoude worden achter volght, zoo zullen geenderleij Huijsen binnen het voorschreven district, getimmert mogen worden. Doch de geene dewelcke alreede met Consent vande Heeren Regenten, (daer van bij resolutie blijcken moet) getimmert zijn, zullen alleen getollereert worden, om daer in te woonen: sonder eenige Neringe te mogen exerceren, ende zullen gehouden zijn uijt hare Neringe te moeten scheijden, voor Meije aen komende.


[80] 5. Ende omme onse ernstige meijninge te doen achtervolgen, ende naerkomen, zoo zullen alle die geene dewelcke in eenigh Gilde vande Stadt zijn, ofte eenige beneficie vande Stadt genieten, ’t zij Metselaers, Timmerluijden, Schippers, Schuijten-Voerders, ofte hare Knechts, Voorluijden, Slepers, Foijers, ofte hoe de zelvige souden genaemt zijn, voor den eersten Meije eerst komende binnen de Stadts Muijren gehouden zijn te komen woonen, op pæne van ’t voorschreven Gilde ofte beneficie niet alleenlijck te verliesen, maer oock op verbodt van hare Neringe. 6. Worden insgelijckx verboden alle Tapneringen, ende Herbergen, dewelcke buijten de Stadt, nochtans binnen het district van een quartier Mijls zijn, gelegen, alleenlijcke toelatende de Stadts-Herbergen aenkomende de Leprosen. Item: De Herberge aende Stadts-Cingel, over de verraders Tooren, alleenlijck tot gerijf vande Turf kooperie, sonder daer eenighe andere gelaegen te mogen houden, op een Boeten van 25 Gulden, daer over voor de eerste Reijse te verbeuren, voor de tweede Reijse een Boete van 50 Guldens, ende voor de derde Reijse een Boete van 100 Guldens, boven de privatie van hunne Neringe, t’ appliceren alle de voorschreven Boeten, een darde ten behouve vanden Officier, een darde voor den aenbrenger, ende een darde voor den armen. 7. Van gelijcke zullen in toekomende strictelijcke geweert worden, alle Herbergen, ende andere Neringe hier vooren niet gespecificeert, dewelcke gedaen worden van den Dijck af, beoosten de Waddincxveensche Weteringe ende soo voorts over de Runnemolen incluijs toe. Voorts van het Heck van Blommedal, binnen de uijterste Weteringe henen, tot de Heul toe, buijten Cleijweghs-Poort Voorbij de Oude-Gouwe gelegen. Item: Vanden voorschreven Heul af, langhs de oude Gouwe, tot aen ende over de blauwe Steen leggende aende Carnemelckx-sloot, ende vanden voorschreven Blaeuwe Steen af, tot den Dijck toe.


[80 verso] 8. Doch wat aengaet de Herbergen gelegen binnen het quartier Mijls nochtans buijten de voorschreven Limiten, sullen bij provisie worden getollereert ende toegestaen, mits betalende de Stadts-excijns als voorschreven is, sonder eenige andere in toe komende verder te zullen gedoogen, alsser jegenwoordigh zijn, om het zelve punctelijcke ende presiselijcke te doen achtervolgen –, ende nakomen zoo zal den eijgenaer van ijeder Herberge, zijn Naem mitsgaders den Naem van zijn Buijrman, binnen den tijt van veerthien dagen na de Publicatie deses, ter Secretarie deser Stadt doen aenteijckenen, op Pæne van de Concessie te verliesen. Ende indien dies niet jegenstaende, ijemant met het Tappen voortgingh, zal verbeuren voor de eerste Reijse een Boete van Hondert Gulden, voor de tweede Reijse een Boete van twee hondert Gulden, ende de derde Reijs op gelijcke Boete, met de Molitie vande Herberge. 9. Ende indien in eenige vande voorschreven aengeteijckende, Herbergen, de Tapneringe, den tijt van een geheel Jaer stille stondt, ende niet en wierde gedaen, sal de facto. Ofte in der daet vande Concessie vervallen, sonder datter in de zelve Huijsingen, daer naer wederom eenige Tapneringe sal mogen worden gehouden. 10. Soo wert derhalven mits desen, wel expresselijcke gelast, ende geboden, dat van nu voortaen, niemant sigh zal hebben te vervorderen binnen het district van ’t voorschreven quartier Mijls, eenige Huijsen te Timmeren, op pæne van datelijcken gedemolieerdt te zullen worden, nochte eenige Tap, ofte andere Neringen aen te stellen, op de Boete van Hondert Gulden, t’ appliceren d’ eene helft ten behoeve vanden Officier, die de Colangie, zal doen d’ ander helft ten behouve vanden aenbrenger, boven het verbodt ende weringe vande Neringe. Aldus gearresteert, ende gepubliceert, Den 3den Januarij 1656. Bij ’t Collesie Vanden Magistraten. J: D: Vrije. 1656.


[81] Eet op het Weeren Vande Neringen buijten dese Stadt. Wij Schout, Burgermeesteren, ende Schepenen der Stadt Goude, beloven, ende Sweeren dat wij alle de Articulen, vande Keure tot weringe vande Neringe, buijten dese Stadt, op den darden Januarij xvj hondert ses ende Vijftigh ge-emaneert, presijsselijcke sullen doen onderhouden, ende presteren. Mits gaders de Breucken ende contraventien van dien, strictelijcken doen executeren, sonder eenige termijnen te vergunnen, ofte in eeniger manieren te composeren, ofte conniveren, ofte te gedoogen, dat zulcx door ijemant anders wierden gedaen. Soo Waerlijck moet ons Godt Almachtigh helpen.


[81 verso] Eedt Vande Achten-twintigh persoonen, ende wort gedaen aen Burger-Meesteren. Dat Sweeren wij de Staten van Hollant, ende West-Vrieslant, zijnde onse Hooge ende Souveraine overicheijt deser Lande, ende Stadt vander Goude, gehouw, ende getrouw te wesen, de rechten hoocheden ende Heerlijckheden, ende des Stadts Privilegien, Rechten, ende Hantvesten te bewaren, ende t’ onderhouden, getrouwelijcke te Raden, ende vorderen, den Ooirbaer ende ‘t proffijt vanden voorschreven Landen, ende de voorschreven Stadt, ende voorts alles te doen, dat goede getrouwe Ondersaten, Raden, ende de Vroetschappen mogen, ende schuldigh zijn te doen. Soo Waerlijck moet ons God Almachtigh helpen.


[82] Eedt Vande Burger-Meesteren. Desen Eedt neemt den Burgermeester. Vide. ’t Previlegie Boeck, folio 25. Dat Sweeren wij dat wij om dit Burgermeesterschap, geen gelt, noch te Heusheijt gegeven, noch geleent en hebben, noch doen geven, ofte leenen in geender manieren. Soo moet ons Godt Almachtigh helpen. Desen Eedt neemt den Bailliuw. Dat Sweeren wij Burgermeesteren vander Goude, te wesen ten naesten darthienden dagh toe, de Staten van Hollant, ende West-Vrieslant, zijnde onse Hooge, ende Souveraine Overigheijt, gehouw ende getrouw te wesen, de rechten Hoogheden, ende Heerlijckheijden, vande selve Staten ende der Stede Privilegien, rechten, ende Hantvesten te bewaren, ende t’ onderhouden, getrouwelijcke te raden ende te vorderen, den Ooirbaer, ende Profijt vande voorschreven Landen, ende der Voorschreven Stadt, alle Poorteren, Wedue, ende Weesen te helpen raden, te vorderen, deselve voor te staen, te beschermen, ende alles te doen dat goede ende getrouwe Burgermeesteren, mogen ende schuldigh zijn te doen. Soo moet ons Godt almachtigh helpen.


[80] 5. Ende omme onse ernstige meijninge te doen achtervolgen, ende naerkomen, zoo zullen alle die geene dewelcke in eenigh Gilde vande Stadt zijn, ofte eenige beneficie vande Stadt genieten, ’t zij Metselaers, Timmerluijden, Schippers, Schuijten-Voerders, ofte hare Knechts, Voorluijden, Slepers, Foijers, ofte hoe de zelvige souden genaemt zijn, voor den eersten Meije eerst komende binnen de Stadts Muijren gehouden zijn te komen woonen, op pæne van ’t voorschreven Gilde ofte beneficie niet alleenlijck te verliesen, maer oock op verbodt van hare Neringe. 6. Worden insgelijckx verboden alle Tapneringen, ende Herbergen, dewelcke buijten de Stadt, nochtans binnen het district van een quartier Mijls zijn, gelegen, alleenlijcke toelatende de Stadts-Herbergen aenkomende de Leprosen. Item: De Herberge aende Stadts-Cingel, over de verraders Tooren, alleenlijck tot gerijf vande Turf kooperie, sonder daer eenighe andere gelaegen te mogen houden, op een Boeten van 25 Gulden, daer over voor de eerste Reijse te verbeuren, voor de tweede Reijse een Boete van 50 Guldens, ende voor de derde Reijse een Boete van 100 Guldens, boven de privatie van hunne Neringe, t’ appliceren alle de voorschreven Boeten, een darde ten behouve vanden Officier, een darde voor den aenbrenger, ende een darde voor den armen. 7. Van gelijcke zullen in toekomende strictelijcke geweert worden, alle Herbergen, ende andere Neringe hier vooren niet gespecificeert, dewelcke gedaen worden van den Dijck af, beoosten de Waddincxveensche Weteringe ende soo voorts over de Runnemolen incluijs toe. Voorts van het Heck van Blommedal, binnen de uijterste Weteringe henen, tot de Heul toe, buijten Cleijweghs-Poort Voorbij de Oude-Gouwe gelegen. Item: Vanden voorschreven Heul af, langhs de oude Gouwe, tot aen ende over de blauwe Steen leggende aende Carnemelckx-sloot, ende vanden voorschreven Blaeuwe Steen af, tot den Dijck toe.


[82 verso] Eedt Vanden Schepenen. Desen Eedt neemt den Burgermeester Dat Sweeren wij, dat wij om dit Schependom, geen Gelt, noch Heusheijt gegeven noch geleent en hebben, noch doen geven, ofte leenen in geender manieren. Soo waerlijck moet ons Godt Almachtig helpen. Desen eedt neemt den Bailliuw. Dat Sweeren wy Schepenen vander Goude, te wesen ten naesten darthienden dagh toe, Den Bailliuw, ende Schout der voorschreven Stadt, uijtten Naem ende van wegen de Staten van Hollant, ende West-Vrieslant, zijnde onse Hooge ende Souveraine Overigheijt deser Lande, recht ende te helpen doen, ende Vonnisse te wijsen, tusschen twee mans Dinghtalen, als wij des vermaent zullen worden, naer onse beste vijf sinnen, dat en zullen wij niet laten om giften, om Mije, om Nuttschap ofte Profijt noch om geender handen saecken. Soo waerlijck moet ons Godt Almachtich helpen.

Profile for Gouda op Schrift

Register rakende (..) Gouda  

Afschriften van diverse stukken met betrekking tot Gouda en omgeving, o.a. betreffende het rechtsgebied

Register rakende (..) Gouda  

Afschriften van diverse stukken met betrekking tot Gouda en omgeving, o.a. betreffende het rechtsgebied

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded