Page 1


Register.

Register

Rakende Eenige oude gebieden, Ordonnantie, Sententie, ende geheugenisse deser Stede vander Gouda.

Afschriften van diverse stukken met betrekking tot Gouda en omgeving, o.a. betreffende het rechtsgebied

Vooreerst: Vande Heeren van ’t Landt van Steijn. - ’t Gebiedt over Blommendael. - - - - Voorsteden, voornamentlijck Laserussteegh, ende Goutcade. - - - - - - Vrijdom vande Stadt. - - - - - - - Gifte bij de Stadt aen Catharinen Gast-Huijs. - - - - - - - - - - Thiendewegh - - - - - - - - - Koop van Landen gelegen in BrouckHuijsen. - - - - - - - - - - - Het oude Kerck-Hoff. - - - - - - - Grave van Bloijs. willekeure1 - - - - Vervolgh vande Grave van Bloijs. - - - Extract van een oudt Register, der Stadt Goude. - - - - - - - - - Die vander Goude hebben voor Amstelredam, genomineert zijn geweest, voor desen. - - - - - Van ’t Glas staende in Schepens Kamer - - - - - - - - - - - - Vernieuwen vande Wet. - - - - - - Pieter Claessen Onthooft - - - - - Schattinge vande gemeene Landen. - - -

1

Andere hand

Folio 1 4 6 7 10 11 13 16 17 19 21

22 23 24 25 26

Ten eerste: Over de heren van het Land van Stein - - - - - - Folio 1 De zeggenschap over Bloemendaal - - - - - - - 4 Gebieden buiten de stadsmuur, voornamelijk Lazarussteeg en Goudkade - - - - 6 Rechtsgebied van de stad - - - - - - - - - 7 Gift van de stad aan het Catharina Gasthuis - - - - 10 Tiendeweg - - - - - - - - - - - - - - - 11 Koop van landen gelegen in Broekhuizen - - - - - 13 Het Oude Kerkhof - - - - - - - - - - - - - 16 Graven van Blois, verordening - - - - - - - - - 17 Vervolg over de graven van Blois - - - - - - - - 19 Uittreksel uit een oud register van Gouda - - - - - 21 Die van Gouda worden genoemd voor die van Amsterdam. - - - - - - - - - - 22 Over een glas in de schepenkamer - - - - - - - 23 Het herzien van de wet - - - - - - - - - - - 24 Pieter Claessen onthoofd - - - - - - - - - - 25 Belasting van alle landen - - - - - - - - - 26


Haersteden - - - - - - - - - Huldinge van Hartoge Philips - - - - Brant vande Kerck - - - - - - - Faes Dirckxen Stoeldraeijer Verbrant, - Memorie raeckende de Stadt Gouda - Hantveste vander Goude - - - - - Copie vande Veertigh - - - - - - Een acte vande 40, ende Huldingh van den Hartoge Philips te St. Geertruitenberg - Copie vande acht-en-twintigh - - - - Vande Vrijheijt vande Stede Goude - - Vande gerechte te maken, Zonder eenige beswarenisse - - - - - - - - - Claverbroeck - - - - - - - - - Lodewijck van Beloijs prelegaat gemaeckt aen zijn outste Zoon Rast - - - - - Vande Marckt Tolle - - - - - - - Ordonnantie van Bisschop Arent van Hoorne Extracten vande Tresoriers anno 1481 - Raet-Huijs 1450 - - - - - - - - - Dijckgraeff ende Heemrade van Schieland Octroij van ’t Verlaet inde Cortackren - ’t Deurvaren van ’t Verlaet inde Cortackren Specificatie van ’t Oude gelt - - - - Ordonnantie vande bedieninge van xxviii Persoonen - - - - - - - - Verbodt van de Neringe - - - - - - Eet op het weren vande Neringe - - - Eedt vande xxviii - - - - - - - - Eet vande Burgermeesters - - - - - Eedt vande Schepenen - - - - - - Finis coranat opus.

27 28 29 30 32 34 Verso 36 40 42 46 48 49 50 50 Verso 51 53 Verso 71 72 73 75 77 78 79 81 81 Verso 82 82 Verso

Huizen - - - - - - - - - - - - - - - Huldiging van Hertog Philips - - - - - - - - Brand van de kerk - - - - - - - - - - - Faes Dirckzoon Stoeldraeijer op de brandstapel - - Geschriften betreffende de stad Gouda - - - - Kopie van de veertig - - - - - - - - - - - Een akte van de veertig en de huldiging van hertog Philips te St. Geertruidenberg - - - - - Kopie van de 28 - - - - - - - - - - - - Van de vrijheid van de stad Gouda - - - - - - Over het rechtspreken zonder last - - - - - - Claverbroeck - - - - - - - - - - - - Legaat van Lodewijk van Blois aan zijn oudste zoon Rast Over de markt tol - - - - - - - - - - - - Ordonnantie van bisschop Arent van Hoorne - - - Extracten uit de rekeningen van de tresoriers anno 1481 Raadhuis 1450 - - - - - - - - - - - - - Dijkgraaf en heemraden van Schieland - - - - - Octrooi van 't Verlaat in de Korte Akkeren - - - - Het gebruik van 't Verlaat in de Korte Akkeren - - Specificatie van 't oude geld - - - - - - - - Ordonnantie van de bediening van 28 personen - - Verbod van de nering - - - - - - - - - - Eed op het weren van de nering - - - - - - - Eed van de 28 - - - - - - - - - - - - - Eed van de burgemeesters - - - - - - - - - Eed van de schepenen - - - - - - - - - - Het einde van de coranat.

27 28 29 30 34 verso 36 40 42 46 48 49 50 50 verso 51 53 verso 71 72 73 75 77 78 79 81 81 verso 82 82 verso


[Folio 1.] Vande Heeren van ’t Landt van Steijn Extract uijt een Register, gehouden in’t Clooster vande Reguliers in Steijn. Inden Jare ons Heeren, Duijsent, eenhondert, ende xxviij. Soo was een Eedel ende wijs Bisschop in der Stadt van Uijtrecht, ende hiete Heer Andries van Cuijc, des Graven Soon van Cuijc, ende hij was Bisschop ontrent tien Jare, ende Sterft in’t Jaer ons Heeren 1138, op den 28en dagh vanden Maent Meij, ende wort met groote eerwaerdigheijt begraven inde Domkerck te Uijtrecht, van dese Bisschop heeft die Kerck van Oude-Munster, t’ Uijtrecht de Heerlijckheijt vande Lande vand Steijn eerst gekregen, als die Heere van Oude Munster seggen, ende daervan wel goet betoogh zouden doen, oft van nooden waer, dat Collegien der Kercke voornoemd zeijnden op te Roomen aenden Paus, die doe ter tijt was, ende begeerde dat hij die Donatie des Bisschops voorschreven wilden confirmeeren, ‘T welck de Paus dede, ende heeft se geconformeert, ende dat dese Heerlijckheijt van Steijn eerst quam aen dat Collegien van Oude-Munster, dat is geleden meer dan vierhondert Jaren, als men schrijff MDxxx. Zoo zalt wesen vier hondert Jaren en twee

[1] Over de heren van het Land van Stein Uittreksel uit een register dat bewaard wordt in het klooster van de regulieren van Stein. In 1128 was er een edele en wijze bisschop in Utrecht, die Andries van Cuijk heette. Hij was de zoon van de graaf van Cuijk en ongeveer tien jaar bisschop. Hij stierf op 28 mei 1138 en werd met veel eerbetoon begraven in de Domkerk te Utrecht. Zoals de heren van Oudmunster zeggen, heeft de kerk van Oudmunster de heerlijkheid Stein van deze bisschop gekregen. Mocht het nodig zijn deze uitspraak te bevestigen dan kan dat, want het college van deze kerk heeft aan de toenmalige paus te Rome het verzoek gedaan de gift van de bisschop te bevestigen. De paus heeft daarop de schenking bevestigd. De heerlijkheid Stein werd meer dan vierhonderd jaar geleden voor het eerst eigendom van het college van Oudmunster. Omdat het nu 1530 is, moet dat 402 jaar zijn.


[Folio 1 Verso.] In ’t Jaer ons Heeren 1350. zoo was een Edel, Hooghgeboren Man, ende Hiete Heer Jan van Henegouwe, dese was gekomen vande rechte Linie van Hollandt, ende was de goede Graeff Willem van Hollant zijn Jonger Broeder, ende hij hadde uijt die Graefflijckheit van Hollandt sommige goedes als de Stede vander Goude, Schoonhoven, Oudewater ende sommige andere Goede, hij hadde oock mede leen goet van de Heeren van Oudemunster t’ Uijtrecht, Dat Landt van Steijn, ende was daar Heer af, ende hij gaf die inwoonders der Lande van Steijn, sommige Gratien ofte Privilegien, waer van de Brieven zijn in’t Clooster van Steijn, ende zijn bevolen den Broeders wel te bewaren. Dese Heer Jan van Henegouwen hadde een eenigh Edel Jonge Dochter, die hij Hijlickte aenden Graeff van Beloijs in Vranckrijck, ende met dese dochter zoo kreegh de Graeff van Beloijs de Heerlijckheden die Heer Jan van Henegouwen hadde, maer hij kreegh daer geen Kinderen bij, maer hij hadde een Bastaert Soon, die hiete Heer Jan de Bastaert van Beloijs, ende doe1 dese dochter de Gravinne van Beloijs gestorven was, zonder Kinder, zoo quam ’t al weder aen ’t Graeff-schap van Hollandt dat haer Vader Heer Jan van Henegouwen hadde van Hollant gecregen, maer die Grave van Beloijs, die gaf zijn Soone Heer Jan de Bastaert dat Landt van Steijn, ‘t welck van Hollant niet en was gekomen, ende hem oock gegeven was met Heer Jan van Henegouwes dochter. Heer Jan de Bastaert van Beloijs Ridder

1

[die] vervangen door [doe]

[1 verso] In 1350 was er een edelman die Jan van Henegouwen heette. Hij stamde in rechte lijn af van Holland en was de jongere broer van de goede graaf Willem van Holland. Jan van Henegouwen had uit het bezit van de graven van Holland enkele bezittingen, zoals Gouda, Schoonhoven, Oudewater en enkele andere goederen. Hij had ook een bezitting in leen van de heren van Oudmunster in Utrecht, waarvan hij heer was. Hij gaf de inwoners van het Land van Stein privileges waarvan de akten zich in het klooster van Stein bevinden. De broeders hadden opdracht gekregen die goed te bewaren. Jan van Henegouwen had één adellijke jonge dochter die hij uithuwelijkte aan de graaf van Blois in Frankrijk. Met deze dochter kreeg de graaf van Blois de heerlijkheden die Jan van Henegouwen bezat. Hij kreeg geen kinderen bij haar, maar de graaf had een bastaardzoon die Jan de Bastaard van Blois werd genoemd. Toen deze dochter, de gravin van Blois kinderloos gestorven was, kwamen alle bezittingen die haar vader Jan van Henegouwen had gekregen weer bij het graafschap van Holland. Maar de graaf van Blois gaf het Land van Stein aan zijn zoon Jan de Bastaard, omdat het niet van Holland afkomstig was. Hij had het samen met de dochter van Jan van Henegouwen al verkregen. Jan de Bastaard van Blois, ridder


[folio 2.] ende heer van Treslongh, kreegh dat Slot vander Goude, met den Casteleijnschap, bij versoeck aen den Graeffschap van Hollant, ende hij hadde dat lant van Steijn voornoemt, bij versoeck der Kercke van oudemunster, als oock de andere Heere voor zijn tijt plegen te hebben, Ende doe hij heer was van ’t Landt van Steijn, soo gaf hij ons oorlof ende consent te woonen in zijn Heerlijckie van Steijn, om te funderen ende op te rechten een Clooster van Geestelijcke Persoonen ter eere Godes, ende om der ziele zaligheijt, wij kregen oock daer af consent vanden Curaet in Haestrecht, Heer Huijgh Ellinck, ende vanden eersamen Vader Heer Vrederick van Blanckenhem Bisschop tot Uijtrecht, ende hier van zoo hebben wij goede Brieven, ende dat onse Clooster eerst wert begonnen, dat was in ’t Jaer ons Heeren MCCCCXIX. Dese Heer Jan de Bastaert hadde getroude Kinderen, onder welcke was een die hiete Heer Jan van Treslongh ende die werde Canonck tot OudeMunster t’ Uijtrecht, ende Heer Jan de Bastaert die gaf zijn Soon Heer Jan van Treslongh die heerlijckheijt van Steijn, ende men zeijt doe hij ’t dede, dat hij sprack aldus: ick sal den eenen Paep helpen aen den anderen. Heer Jan de Bastaert sterft in ’t Jaer ons Heeren MCCCC ende XXXV ontrent tien dagen voor Alderheijligen dagh. Doe zijn Soon Heer Jan van Treslongh was Heer van’t Landt van Steijn, zoo confirmeerde hij ons dat wij in zijn Landt moogte woonen, ’t welck zijn Vader ons wel eer Vergunt hadde, ende hij gaf oock mede zommige Gratien ende Privilegien daer wij Brieven af hebben.

[2] en heer van Treslong, kreeg op verzoek aan de graaf van Holland het slot van Gouda met het ambt van slotvoogd. Hij bezat ook het hiervoor genoemde Land van Stein van de kerk van Oudmunster, zoals ook deze heren voor hem dat hadden gehad. Toen hij heer was van het Land van Stein gaf hij ons toestemming te wonen in de heerlijkheid en er een klooster te stichten voor godsdienstige personen ter ere van God en voor de zaligheid van de ziel. Wij kregen daarvoor ook toestemming van de bewindvoerder in Haastrecht, Huig Ellink en van de eerzame vader Frederik van Blankenheim, bisschop te Utrecht. Hiervan hebben wij goede akten alsook van het feit dat ons klooster werd gesticht in 1419. Deze Jan de Bastaard had getrouwde kinderen van wie er een Jan van Treslong heette en die kanunnik van Oudmunster in Utrecht werd. Jan de Bastaard gaf zijn zoon Jan van Treslong de heerlijkheid van Stein en men zegt dat hij toen zei: “Ik zal de ene paap helpen aan de andere.” Jan de Bastaard stierf in 1435 ongeveer tien dagen voor Allerheiligen. Toen zijn zoon Jan van Treslong heer was van het Land van Stein, bevestigde hij ons dat wij op zijn land mochten wonen dat zijn vader ons eerder gegund had. Hij gaf ons daarbij sommige privileges waarvan wij akten hebben.


[2 Verso] Daerna verkoft, Heer Jan van Treslongh bij Consent ende believen der Heren van Oude-Munster, zijn Heerlijckheijt van Steijn, die Stede vander Goude, in een Erfpacht, hooch en laach met alle zijn toebehoren, om acht en twintigh hondert Rijnsche Guldens, Behoudelijck dat zij dat Land voorschreven in zijn oude Rechten houden zouden ende niet verkorten, in eenige dingen, met sommige andere Conditien, Ende dit geschieden in’t Jaer ons Heeren MCCCCxxxviij. Doe worde vande Stede vander Goude gemaeckt een Heer vande Lande van Steijn ende hiete Jan Woutersz ende was een welgeboren Man, was van den geslachte vander Goude, dese Confirmeerde onse Privilegien, ende Brieven die ons Heer Jan van Treslongh Canoninck van Oude-Munster voortijts gegeven hadde, ende dat1 dese confirmatie, hebben wij brieven van Jan Woutersz voorschreven, waer aen de Stede vander Goude, oock haer groote zegel heeft gehangen om dattet haer wel beliefde, ende zij ons oock die Privilegien gunde. Hier na als die Stede vander Goude, dat Landt van Steijn aen haer hadde, soo ist namaels geschiet, dattet heeft Verbeurt geweest, ende dat Collegium van Oude-Munster heeft het weder aen gevat, om dat de Stede vander Goude, de heerlijckheijt hadde Vercort, want zij hadde Vercort den Chijns der Lande van Steijn, ende, was gelast vanden geenen diese plegen te betalen, oock wast Verbeurt om andere zaecken, etc. Maer daer worde een nieuw Contract, ende Compositie weder gemaeckt, tusschen die heere van Oude-Munster, ende die Stede voorschreven, alsoo dat de Heere vander Goude, dat Lant weder kregen aen hem, ende zij Gaven die Heeren van OudeMunster een groote zomme van Penningen, Duijsent

1

[dat] lees [van]

[2 verso] Daarna verkocht Jan van Treslong met toestemming van de heren van Oudmunster zijn heerlijkheid van Stein met alles wat erbij hoorde in erfpacht aan Gouda voor 2800 Rijnsche guldens op voorwaarde dat Gouda de heerlijkheid de oude rechten zou laten behouden en in geen enkel opzicht zou belasten met andere voorwaarden. Dit vond plaats in 1438. Toen werd door Gouda als heer van het Land van Stein aangesteld, een edelman, Jan Woutersz, van het geslacht Van der Goude. Hij bevestigde de privileges en akten die Jan van Treslong, kanunnik van Oudmunster, ons vroeger had gegeven. Hiervan hebben wij akten van Jan Woutersz waaraan ook Gouda zijn grote zegel heeft gehangen, omdat de stad het goedkeurde en ons de privileges ook gunde. Hierna, toen Gouda het Land van Stein bezat, is het eens voorgekomen dat het verbeurd werd verklaard. Daarop heeft het college van Oudmunster het weer teruggenomen. Gouda had immers de heerlijkheid tekort gedaan door minder belasting te betalen voor het Land van Stein en was aangemaand door het college van Oudmunster aan wie zij plachten te betalen. Ook was het verbeurd wegens andere zaken. Daarna werd een nieuw contract opgemaakt tussen de heren van Oudmunster en Gouda, waardoor de heer Van der Goude dat land weer in zijn bezit kreeg. Gouda betaalde de heren van Oudmunster een grote som geld: duizend


[3] Rijnsche Guldens, of daer boven, dese nieuwe brieven ende voorwaerden worden gemaeckt, In’t Jaer ons Heeren MCCCC ende Lxxxi. op den xix dagh vanden Maent die men hiet Januarius.

[3] Rijnse guldens of meer. Deze nieuwe akten en voorwaarden werden opgemaakt in het jaar onzes Heren 1481 op 19 januari.


[4] Aengaende ’t gebiet der stede vander Goude, over Bloemendael Alsoo wij Adriaen Claessen van Goutswaert, Burgemeester der Stede vander Goude, ende Mr. Adriaen Cool Schepenen der selver Stede met Jan Floris de Jager Secretaris als ons adjunct, bij de Magistraet der voorschreven Stede gecommitteert zijn, omme te onderzoecken wat gezagh, ofte gebiedt de Stadt van der Goude, over ’t Landt van Blommendael is hebbende, soo hebben wij ons devoir daer inne gedaen, Ende na dat wij alles onderzocht ende Rijpelijck ge-examineert hadden, zoo hebben wij bevonden naer ons gevoelen, dat ’t voorschreven Landt van Blommendael een appendentie is, der voorschreven Stede, ende onder deselve Stede Jurisdictie resorterende, ende dat om verscheijde redenen eensdeels hier naer gespecificeert, Als eerstelijck dat de Heeren van Beloijs, indertijt als Heeren vander Goude, die van Blommendael gegeven hebben, Verscheijde Handvesten, Privilegien, ende octroijen, ‘t Twelck ons oordeels niet en zouden hebben konnen geschiede, te weten dat de Heeren van der Goude

[4] Over de zeggenschap van Gouda over Bloemendaal Het stadsbestuur van Gouda heeft ons, Adriaan Claassen van Goudswaard, burgemeester van Gouda, en meester Adriaan Cool, schepen van Gouda, met Jan Floris de Jager, secretaris, als onze adjunct opgedragen om te onderzoeken welke zeggenschap Gouda over het land van Bloemendaal heeft. Daarom hebben wij onze plicht gedaan en nadat wij alles terdege onderzocht hadden, hebben wij met overtuiging geconcludeerd dat het eerder genoemde land van Bloemendaal bij Gouda hoort en onder zijn jurisdictie valt. Daar hebben wij verscheidene redenen voor, voor een deel hierna gespecificeerd: Ten eerste hebben de heren van Blois indertijd als heren van Gouda, aan de inwoners van Bloemendaal verscheidene oorkonden, privileges en vergunningen gegeven. Dit zou naar ons oordeel niet hebben kunnen gebeuren als Bloemendaal niet bij Gouda had behoord en onder zijn jurisdictie had geressorteerd.


[4 Verso.] aen die van Blommendael Handtvesten, Privilegien ende octroeijen gegeven zoude hebben, indien Blommendael niet en waer een appendentie vande zelve Stadt, ende onder de Jurisdictie van dien resorterende, Ten tweede, Dat bevonden wort bij oude besegelde Certificatien, dat de Goudsche Kerck eertijts gestaen heeft in Blommendael, ter plaetse die men nu noch noemt ’t Oude Kerckhoff, ende dat noch in memorie van Menschen is, datmen de selve plaetse alle Jaers uijte Stadt vande Goude, tot een gedenckenisse, dat de Kerck daer eertijts gestaen heeft, met processie plach te visiteren. Ten darde, Dat de Handvesten vande Grave Floris gedateert 1272. mede brenght, Dat tot de Vrijheijt van der Goude gegeven worden vierdalfhondert geerden, langes de IJssel, ende vierdalfhondert Geerden vande salve IJssel, af ten Broeckewaert, ’t welck de plaetse is, daer nu de Stadt metten vrijdomme der zelver is gelegen, ende dat bevonden wort bij zeecker Privilegien, die van Uijtrecht gegeven inden Jare 1252. Dat der Goude, op die tijdt al was, waer uijt volght, na dien der Goude, al geweest is in’t selve Jaer 1252 ende dat het niet en was ter plaetse daer ‘t nu is, dat het overzulcken Elders, geweest moet hebben, Ende ten kan anders niet geweest zijn, dan daer de Kercke voortijts plagh te wesen, ‘twelck is volgens de voorschreven oude certificatie, ende de voorschreven geheugenisse die daer van noch is, in Blommendael, alsoo dat Blommendael originelijcken is der Goude selfs, ende consequentelijcken veel meer, een appendentie ende Jurisdictie van der Goude. Ten vierde, Dat wij bevinden dat de Magistraten vander Goude, over Blommendael keure ende Ordinantien hebben gemaeckt, niet alleen van tijdt tot tijt, binnen tien, twintigh, dartigh, ofte veertigh Jaren harwaerts, maer al over de Hondert Jaren, ende Ten vijfde

[4 verso] Ten tweede blijkt uit oude certificaten met zegel dat de Goudse kerk in Bloemendaal gestaan heeft op de plaats die men nu nog het Oude Kerkhof noemt en dat mensen zich nog herinneren dat men die plek waar de kerk stond elk jaar vanuit Gouda met een processie bezocht. Ten derde blijkt uit de handvesten van graaf Floris, gedateerd 1272, dat het rechtsgebied van Gouda omvat 350 gaarden langs de IJssel en 350 gaarden vanaf diezelfde IJssel richting de Broek. Dit is de plaats waar de stad met het rechtsgebied ervan nu is gelegen. Uit bepaalde privileges die Utrecht in 1252 heeft gegeven, blijkt dat Gouda toen al bestond. Daaruit volgt dat Gouda al bestond in het jaar 1252 en dat het niet lag waar het nu ligt. Het moet dus ergens anders hebben gelegen en die plaats kan geen andere zijn dan waar vroeger de kerk stond. Dat volgt uit de eerder genoemde oude certificaten en de herinnering die men nog heeft aan Bloemendaal. Dus is Bloemendaal ouder dan Gouda en hoort bijgevolg bij Gouda en valt onder zijn jurisdictie. Ten vierde zien we dat het stadsbestuur van Gouda van tijd tot tijd rechten en plichten heeft opgemaakt voor Bloemendaal niet alleen in de afgelopen 10, 20, 30, 40 jaar, maar meer dan honderd jaar geleden. En ten vijfde zijn


[5] Dat deselve Magistraten, ofte Burgermeesteren der voorschreven stede vander Goude, die zijn, die Landbewaerders, Heemraden ende Schepenen over Blommendael eligeren, ‘t welck Notarien niet gedaen en magh worden, dan bij de gene. die Jurisdictie zijn hebbende, ende exercerende, behalven nogh meer andere redenen, die wij om cortheijt willen naerlaten, ofte diemen met meerder tijt, ende diligentie, zouden mogen inquireren, Aldus bij ons gedaen, op den twee en twintighsten Novembris, anno xvjhonderd ende twaeff1, Ende gelesen ter Vroetschap den xxviijden Novembris xvjhonderd twaelff. Extract uijt Camerboeck, der Stede vander Goude. Adriaen Cornelis Coop, Versoeckt zijn Brieven, zeijt dat zijn Thuijs in Blommendael leijt Vertoont een Lijfrente Brief bij Cornelis Claessen zijn Vader, ten behouven van Geertjen Franse conventriale vande Nonne op de Gouwe verleden van achtien Gulden ’s Jaers, gepasseeert eerst voor Meester Hendrick Wittesen Notaris met twee Schepenen vander Goude, ende bij de zelve bezegelt, gedateert den vierden Januarij 1552. ende daer na voor Frans Meppelen Schout van Blommendal, den vijfden Februarij 1554. Actum den 5den Junij 1615.

1

[twaeff] lees [twaelff]

[5] het ‘t stadsbestuur of de burgemeesters van Gouda die bestuurders, heemraden en schepenen voor Bloemendaal kiezen. Dat mag wettelijk alleen gedaan worden door degene die de regels bepaalt en ten uitvoer legt. Er zijn nog meer redenen die wij kortheidshalve niet zullen noemen of die men langer en zorgvuldiger zou moeten onderzoeken. Aldus bij ons gepasseerd op 22 november 1612 en bekendgemaakt door de vroedschap op 28 november 1612. Uittreksel uit Kamerboek, Gouda. Adriaan Cornelis Koop verzoekt om zijn akten en zegt dat zijn huis in Bloemendaal staat. Hij toont een akte van een lijfrente van 18 gulden per jaar van zijn vader Cornelis Klaassen ten behoeve van Geertjen Franse, kloosterlinge van de nonnen bij de Gouwe. Die is eerst destijds gepasseerd bij meester Hendrik Wittesen, notaris en twee schepenen van Gouda en bezegeld op 4 januari 1552 en daarna bij Frans Meppelen, schout van Bloemendaal, op 5 februari 1554. Waarvan akte op 5 juni 1615.


[6] [1 Voorsteden, ende voornamentlijck Lasarussteegh, ende Goutkade.

[6] Uittreksel uit het vierde stadsregister Folio 89 Gebieden buiten de stadsmuur en voornamelijk Lazarussteeg en Goudkade

Alsoo tot kennisse, van mijn heere de Magistraten der Stede vander Goude gekomen is hoe dat eenige bezegeltheden gepasseert zijn, onder Broeck ende Thuijl, vande Erven, ofte gronde leggende inde Lasarussteegh, ende aende Gout cade, streckende vande Leprosen eijgen af, tot de Kalckoven, ende ’t Paerde Kerckhof toe inkluijs, welcke Laserus steegh, ende Gout-kade, van allen ouden tijden behoort hebben, onder de voorstadt, zulckx dat de opdrachte ende belastingen van Huijsen, gronden, ende Erven, aldaer staende, ofte gelegen, altijts voor Schepenen vander Goude zijn verleden, Soo ist dat de voorschreven Magistraten, Verstaen dat d' zelve opdrachten, ende belastingen, voort aen voor Schepenen vander Goude, zullen gepasseert worden, als naer ouder harkomen, ende wat contrarie vandien voor dese is gedaen, dat zelve in der beste forme, buijten kosten van Luijden, zal worden geremedieert, ’t welck mede zoo verstaen wort, van alle andere plaetsen, die voor den troubel onder de voorstadt hebben geresorteert, ende wort den Secretaris van Broeck Thuijl, ende Bloemendael, geordonneert niet alleen hen hier nae te reguleren, maer oock in Chijn Prothocolle hier van Notitie te maken, daer ende zoo ’t behoort, op dat dit in alle toekomende tijden, zijne nasaten kennelijck zal mogen wesen, Actum den twaelfden Novembris xvjhondert ende Elf, Present de Bailliuw, Adriaen Jansz, Pieter Pietersz Trist, ende Adriaen Claessen Goutswaert Burgermeester, Jan Vlack d’oude, Dirck Jacobsz Starre, Adriaen Aertsz Bosch, Jan Adriaensz de Vrije, ende Jan Dirckxz de Lange, Schepenen.

1

[Extract uijt ’t vierde Stadts Register Folio 89.] in de marge

Het is ter kennis gekomen van het stadsbestuur van Gouda dat enige akten gepasseerd zijn over Broek en Thuijl betreffende gronden die gelegen zijn in de Lazarussteeg en aan de Goudkade en die zich uitstrekken vanaf het eigendom van de leprozen tot de kalkoven, inclusief het paardenkerkhof. Deze Lazarussteeg en Goudkade hebben van oudsher behoord tot het gebied buiten de stadsmuur, zodat de overdracht en belastingen van huizen, erven en akkers die zich daar bevinden, altijd aan de schepenen van Gouda zijn afgedragen. Daarom geeft het stadsbestuur van Gouda te kennen, dat de belastingen voortaan als vanouds aan de schepenen van Gouda zullen worden afgedragen en dat ook de eigendomsoverdrachten voor de schepenen zullen worden verleden. Wat er hiervoor in tegenspraak mee is gebeurd, zal op de beste manier worden hersteld zonder kosten voor de burgers. Dit geldt ook voor alle andere plaatsen die vóór de ongeregeldheden2 onder het buitengebied hebben geressorteerd. De secretaris van Broek, Thuijl en Bloemendaal krijgt het bevel dit niet alleen te regelen, maar hiervan ook in het belastingprotocol melding te maken, zoals het behoort, opdat in de toekomst zijn opvolgers er kennis van kunnen nemen. Waarvan akte op 12 november 1611. Aanwezig de baljuw, Adriaan Jansz, Pieter Pietersz Trist, en Adriaan Claassen Goudswaart, burgemeester, Jan Vlak de Oude, Dirck Jacobsz Starre, Adriaan Aartsz Bos, Jan Adriaansz de Vrije en Jan Dirckxz de Lange, schepenen.

2

Waarschijnlijk worden hier de troebelen van de Reformatie bedoeld


[7] [1 Vrijdom vande Stadt. Extract uijt ’t vierde Stadts Register. Folio 153.

[7] In hoofdzaak gaat het om het rechtsgebied van de stad. Rechtsgebied van de stad Uittreksel uit ‘t vierde stadsregister. Folio 153. Kopie.

Copie. Alsoo de Vrijdom der Stede vander Goude, streckende is vierdalf hondert Gaerden, langh vande halve Yssel af te Broeck waerts, ende vierdalf hondert Gaerten breet, volgende de handt vesten van Hoogh loffelijcker Memorij Graeff Floris, gedateert in ’t Jaer ons Heeren, Duijsent tweehondert twee-en-seventich, des Dijnsdagh nae St. Margarieten Dach, geregistreert in ’t Privilegie Boeck, der voorschreve Stede, folio, Primo, ende noch een andere hantveste confirmatoir, van Hartoge Aelbrecht, van dato, den sesten dagh in Maert, anno Duijsent driehondert seven-en-tnegentigh, staende in 't voorschreven Privilegie Boeck, folio, Secundo, Soo hebben de Heeren Burgemeesteren der voorschreven Stede vander Goude, gecommitteert gehadt

1

[’t Principaelste, leijt inde Saek, vande Vrijdom Vande Stadt.] in de marge

Het rechtsgebied van Gouda strekt zich 350 gaarden lang vanaf het midden van de IJssel richting Broek en is 350 gaarden breed volgens de handvesten van graaf Floris, die wij ons met de allerhoogste eer herinneren. Deze handvesten zijn gedateerd in 1272 op de dinsdag na St. Margriet (13 juli) en geregistreerd in ’t privilegeboek van Gouda, eerste folio. Bovendien is dat bevestigd door een ander handvest van hertog Aalbrecht, gedateerd op 6 maart 1397 in ’t privilegeboek, tweede folio. Daarom hebben de burgemeesters van Gouda hun collega-burgemeester


[7Verso] Adriaen Jansz Burgermeester, haren mede-broeder ende Jan Florisz Secretaris, omme deur Hendrick Cornelisz Vosch Lantmeter in heure presentie, de metinge vanden voorschreven Vrijdom te laten doen, welcke volgende de voorschreven gecommitteerden, metten voorschreven Hendrick Cornelisz Vosch Lantmeeter, sou ge vonden hebben, Eerst buijten tiendeweghs poort, over Jan Verswollen Brugge, Ende hebben wij metinge bevonden, dat de Spatie tusschen de selve Brugge, ende 't begin van Corte-Haerlem (:daer de Vrijdom vande Stadt eijndight:) langh is acht en vijftigh Roeden Ende is bij de voorschreven Landmeter af, gesien, dat aenden Ysseldijck tusschen corte-Haerlem daer de Vrijdom vande Stadt aende Yssel begint, tot midden vande Blommendaelsche Sluijs toe gelijcke langhte is, van 58 Roeden, Item: is gemeten vant voorschreven midden van de Blommendaelsche sluijs, tot aende Muijr van't Bollewerck van't Casteel, ende bevonden te wesen ses ende veertigh roeden, Verklaerde voorts de voorschreven Lantmeter, voor desen wel gemeten te hebben, ende voorseeckert te zijn, dat van daer tot de buijten voet van 't Bollewerck buijten Dijckx poort, de langhte is van vijf ende zeventich roeden, van daer is voort gemeten, ende bevonden, als hier nae volght. Te weten: Vande buijten voet van't voorschreven Bollewerck, tot 't water vande groote Sluijs, vier roeden acht voeten, de Kolck, ofte 't water vande zelve Selve Sluijs twee Roeden, twee Voeten, van't Water vande sluijs af, ten halve toe vande Wegh vande nieuwe Cortacken, vijf en de tachtentich Roeden, van daer tot 't midden van de tweede Wael hondert acht en veertigh Roeden, ende van daer tot de Alpher wael toe, daer de tweede Alpher Sluijs leijt, hondert ses roeden ende twee voeten, Beloopende alle dese metingen, tot de nombre van vijf hondert vijf en twintigh roeden, 't Twelck juijst is uijtbrengende vierdalf hondert Geerden, als elcke Geerde langh wesende alderhalve Roede, Sulcx dat de roede vrijheijt, ofte vrijdom vande Stadt, bevonden is te strecken langhs de Yssel van corte Haerlem aff: ('t Welck onder 't lant van Steijn sorteert:) Tot de Alpher weteringe, ofte de voorschreven

[7 verso] Adriaan Jansz en secretaris Jan Florisz aangesteld om landmeter Hendrik Cornelisz Vos in hun aanwezigheid het rechtsgebied op te laten meten. De gecommitteerden hebben samen met de landmeter om te beginnen de ruimte gemeten buiten de Tiendewegpoort aan de overkant van de Jan Verzwollebrug tot aan ’t begin van Kort Haarlem (waar het rechtsgebied van de stad eindigt) en dat is 58 roeden lang. Door de landmeter is een gelijke lengte van 58 roeden gemeten aan de IJsseldijk tussen Kort Haarlem, waar het rechtsgebied van Gouda begint tot aan het midden van de Bloemendaalse sluis. Tevens is van het midden van de Bloemendaalse sluis tot aan de muur van het bolwerk van het kasteel 46 roeden gemeten. De landmeter verklaarde verder dat hij er zeker van is dat het van dit punt tot het bolwerk buiten de Dijkspoort 75 roeden is. Hij heeft van dit punt verder gemeten en zijn bevindingen zijn als volgt: vanaf het bolwerk tot het water van de grote sluis is het 4 roeden en 8 voeten, de kolk van de sluis is 2 roeden en 2 voeten, vanaf het water van de sluis tot de helft van de weg van de nieuwe Korte Akkeren 85 roeden, van daar tot halverwege de tweede Waal 148 roeden, en van daar tot de Alpherwaal, waar de tweede Alphense sluis ligt, 106 roeden en 2 voeten. De som van al deze metingen is 525 roeden. Dat is precies 350 gaarden als een gaarde anderhalve roede lang is, zodat gebleken is dat het rechtsgebied van Gouda zich uitstrekt langs de IJssel vanaf Kort Haarlem (dat onder het Land van Stein valt) tot aan de


[8] Alpherwael toe, daer de voorschreven tweede Alpherse Sluijs leijt, waer mede de voorschreven Gecommitteerde, uijt de besoingne zijn gescheijde, uijt stellende tot op een bequamer tijt om te meten, hoe verre de voorschreven Vrijdom van de halve Yssel af, te lande waert is, streckende, alsoo ‘t zeer geregent hadde, mitsdien ‘t Lant te nat om gaen was, Actum den zeventiende Augusti, anno Sestienhondert twaelff, ende is ‘toirconde dit bij de voorschreven gecommitteerde, ende Lantmeter onderteijckent, Ende was onderteijckent. Adriaen Jansen, Hendrick Vosch, Johannes Florissen de Jager. met een Signatuire

[8] Alpherwaal toe, waar de tweede Alphense sluis ligt. Hierna trokken de gecommitteerden zich uit de bezigheden terug, aangezien het zo hard geregend had dat het land te nat was om te begaan. Ze stelden het meten van het rechtsgebied vanaf halverwege de IJssel landinwaarts uit tot een geschikter tijdstip. Waarvan de akte is opgemaakt op 17 augustus 1612 en ondertekend door de gecommitteerden en de landmeter: Adriaan Jansz, Hendrik Vos en Johannes Florisz de Jager.

Copia. Copia.

Voor mij, Cornelis van der Hoeff, notaris en toegelaten door het hof van Holland, kantoor houdend in Gouda en de hierna te noemen getuigen, verscheen meester Barend Rijnenburg, poorter van Gouda, beëdigd landmeter en toegelaten door het hof van Holland. Dit bleek uit een akte van datzelfde hof, die is gedateerd op 4 november 1620 en die hij aan mij en de getuigen toonde. Daarin stond dat hij al jarenlang de kunst van de geometrie had beoefend, zodat hij al in 1603 door

Aengaende de selfde saecke. Compareerde voor mij Cornelis vander Hoeff, Notaris Publijcq, bij de Hove van hollant geadmitteert, residerende binnen der Goude, ende de getuijgen naer genoemt, de E: Meester. Barent Rijnenburgh Poorter der Stede vander Goude, gesworen lantmeeter bij den Hove van Hollant geadmitteert, blijckende bij Acte vande zelve Hove, gedateert den iiiiden November anno xvihonderd twintigh, die hij aen mij Notaris ende getuijgen vertoonde, welcke Acte inhiel, dat hij al over lange Jaren hem hadde ge-exerceert inde Konst van Geometra ofte Lantmeten, Zo dat hij al inden Jare xvihonderd drie, bij

Kopie. Over dezelfde zaak.


[8Verso] andere gesworen Lantmeters, gebruijckt ende zo erkent was geweest, dat hij in ‘t zelve was gepresen, ende gelaudeert, ende Exhibeerde zeecker register, ofte Hant-Boeck waer inne geschreven, ofte geannoteert stont, ‘t gene hier naer volght, Ende dat ten Versoecke van Burgermeesteren, ende regeerders der Stede van der Goude, In Sticht, Noorthollant, Vrieslant, Vlaenderen sijn verscheijde plaetse daermen die Roede achtien voeten hout, die zij oock gaerden noemen, in Sticht is oock een roede die veertien voeten hout, In Vlaenderen zijn plaetsen die houden den Mergen van negen hondert Roeden, als men se met Roeden van twaelf voeten meet, In Noort-hollant ende Vrieslant zijn sommige quartieren die de Roede van achtien voeten hebben, ende een deijmaet, Dijckmaet, ende een gaerten noemen. men placht veel meer Roeden van achtien Voeten te gebruijcken, maer oft is om de onbehandicheijt der Roede, ofte om de groote dierte der Lande, wort nu meest twaelf voeten gebruijckt. Alle ‘twelcke den voornoemde Meester. Barent Rijnenburgh, verklaerde eertijts getrocken te hebben, uijt een out Memoriael Boeck, van een out Lantmeeter, eertijts geresideert hebbende binnen Alckmaer, wiens naem hem tegenwoordigh ontgaen, of Vergeten is, Ende Verklaerde noch soo veel meer, dat hij inden tijden van den Treves, selfs eenige gedeelte van Landen, gelegen in Vlaenderen heeft Verkocht, ende dat hij de Roede tegen achtien Voeten heeft moeten leveren, alsoo de Koopers Zeijde dat heur mosten volgen d’oude Maten van achtien Voeten, voor de Roede, om datter uijt

[8 verso] andere beëdigde landmeters werd geraadpleegd en zeer gewaardeerd. Op verzoek van het stadsbestuur van Gouda overhandigde hij een register waarin het volgende geschreven stond. In Utrecht, NoordHolland, Friesland en Vlaanderen zijn er verschillende plaatsen waar men een roede op achttien voeten stelt en die roeden noemen zij ook wel gaarden. In Utrecht heeft men ook een roede die veertien voeten is. In Vlaanderen zijn er plaatsen die een morgen hebben van negenhonderd roeden als men met roeden van twaalf voeten meet. In sommige delen van Noord-Holland en Friesland gebruikt men roeden van achttien voeten die men een deimt, een dijkmaat of een gaarde noemt. Vroeger gebruikte men vaker roeden van achttien voeten. Maar ofwel omdat de roede van achttien voeten onhandig is, dan wel omdat het land zo duur is, gebruikt men nu roeden van twaalf voeten. Meester Barend Rijnenburg verklaarde dat hij dat vroeger allemaal uit een oud gedenkboek van een oud-landmeter gehaald had, die toen in Alkmaar woonde en wiens naam hij nu niet meer weet. Hij verklaarde ook nog dat hij in de tijd van het Twaalfjarig Bestand zelf enige stukken grond in Vlaanderen heeft verkocht en dat hij die tegen roeden van achttien voeten heeft moeten leveren, omdat de kopers zeiden dat zij zich moesten houden aan de oude maat. De reden hiervoor was dat er geen nadere bijzonderheden waren genoemd en geen maat was gespecificeerd.


[9] noch in gezeijt en waer, noch geen Mate gespecificeert, consenterende hier van Acte, gemaeckt te worden ten behouven van de Burgermeesteren voorschreven, Aldus gedaen ter Goude ten Contoire mijns Notarij, in mijn woonhuijs staende aende Oost zijde vande Haven, naest den grooten Olijphant, alwaer met mij present, aen, ende over waren Pieter Jansz Wantslager, ende Willem Woutersz Doncker mijn Clercq, als getuijgen waerlijck van geloove, hier toe met mij specialijcken Versocht, den xxven October 1623.

[9] Rijnenburg stemde erin toe dat hiervan een akte werd opgemaakt ten behoeve van de burgemeesters van Gouda. Die is opgemaakt op 25 oktober 1623 in Gouda in mijn notariskantoor aan de oostzijde van de Haven naast de Grote Olifant. Daarbij waren aanwezig Pieter Jansz Wantslager en mijn klerk Willem Woutersz Doncker, die ik speciaal als betrouwbare getuigen heb gevraagd.


[10] Copie

[10] Kopie

Vande Gifte bij de Stadt, aende Catharinen Gast-Huijs gedaen, vande Craen ende vander Stede Steenplaetse, buijten Dijckxpoort gelegen beneffens den Ysseldijck, binnen der Stede Vrijheit vander Goude.

Over de gift die Gouda aan het Catharina Gasthuis heeft gedaan, over de kraan en over de steenbakkerij van de stad die buiten de Dijkspoort ligt naast de IJsseldijk in het rechtsgebied van Gouda.

Dese Steenplaetse is gelegen geweest, aenden Westzijde vande Waddincxveensche Weteringe ter zijden aende zelven, achter den Thuijn vanden Burgermeester Trist Zaliger. Dienende, Omme Hier mede te doen blijcken, dat den Vrijdom vande Stadt, vorder als de (Stadts) nieuwe Cortacken gestreckt heeft.

Deze steenbakkerij lag langs de westzijde van de Waddinxveense Wetering achter de tuin van wijlen burgemeester Trist. Dit dient ook om aan te tonen dat het rechtsgebied van Gouda verder reikte dan de nieuwe Korte Akkeren.


[10Verso] Copie, Copie.

[10 verso] Kopie kopie

Wij Schout, Burgermeesteren, Schepenen ende Raet der Stede vander Goude, maecken kondt ende kennelijck allen Luijden, dat wij bij consent, ende goet duncken der gemeenre Stede Vroetschap, vander gemeenre Stede wegens, gegeven, hebben, ende geven uuts desen openen Brieven, puijrlijcken om Godes wille, onser Stede vander Goude groote Gast huijs gesticht, in de eer Godes, ende der Heijliger Jonckvrouwe Sinte Catarine, tot desselfs Gast-Huijs Timmeragie, ende ter armen behouff onser Stede Craen, alsoo staet aende Oost-zijde vande Haven, voor dat zelve Gast-Huijs, ende daer toe onser Stede Steenplaetse, alsoo als die gelegen is buijten ’t Dijckxpoorts-Huijs, neffens den Yssel-dijck, binnen der Stede Vrijheijt vander Goude, Ende alle nutschap dat vander Craen, ende vander Steenplaetse voorschreven, voort meer komen magh, te gebruijcken, te besijgen, te houden, ende te besitten tot eeuwigen dagen, als des voorschreven Gast-Huijs, vrij eijgen goet ter Timmering ende ter Armen behouff voorschreven, gelijckerwijs ende in alre manieren, als Zij der voorseijder Stede, voor deser tijt toe plagen te hooren, ende die Stede selve plagh te gebruijcken, ende te besitten, In oirconde, hier af soo hebben wij onser voorschreven Steden Zegel, aen desen Brief gehangen, Gegeven op Sinte Lucas Dagh Evangelist, in’t Jaer ons Heeren, Duijsent vierhondert negen en twintigh.

Wij, schout, burgemeesters, schepenen en raad van Gouda maken aan alle mensen bekend dat wij met toestemming en goedkeuring van de voltallige vroedschap met deze openbare akte het grote ziekenhuis van Gouda dat gesticht is in de naam van God en de heilige jonkvrouw St. Catherina, aan de gemeenschap hebben geschonken. Voor het onderhoud van dat ziekenhuis en ten behoeve van de armen, geven wij ook onze stadskraan die aan de oostzijde van de haven voor het ziekenhuis staat en ook geven wij onze steenbakkerij die buiten het Dijkspoortshuis naast de IJsseldijk binnen het rechtsgebied van Gouda ligt. Alles wat de kraan en de steenbakkerij opbrengen, mag het ziekenhuis in eigendom gebruiken en bezitten tot in lengte van dagen voor het timmerwerk en de reparaties en ten behoeve van de armen, precies zoals Gouda het voordien in eigendom had en gebruikte. Om dit te bevestigen maken wij bekend dat wij ons stadszegel aan deze akte hebben gehangen. Gegeven op de dag van St. Lucas, de evangelist (18 oktober) in 1429.


[11] Thiendewegh.

[11] Tiendeweg.

Copia.

Kopie.

Van seeckere drie brieven, daer van de Principalen berusten onder den Heer Hendrick Dirckxz Vossenburgh, spreeckende van seecker Landt, zijnde tegenwoordigh de Thuijnen vande Cluijsenaers Cade.

Over drie bepaalde brieven waarvan de originelen bewaard worden door de heer Hendrick Dirkxz Vossenburg waarin sprake is van de stukken land die nu de tuinen van de Kluizenaarskade zijn.

Om daer mede te bewijsen, dat de selve onder de Stadt behooren, ende bij Schepenen daer over besegelt is. Wij Dirck Bendelijn Volckwijnsz, Jan Ghijsberts, ende Hendrick Willemsz, Schepenen binnen der Goude, Oirconde ende kenne, dat quam voor ons, Samson Claessen, ende lijde dat hij schuldigh is, Hendrick Meelissen Vier Engelsche Nobels, goet van Goude ende van gewichte, ofte Paeijement, dier waerde ‘s’Jaers aen Rente eeuwelijck duerende, op een Campe Lants die hij tegens hem verpacht heeft, tot een eeuwige pacht, Ende gelegen is tusschen den Thiendewegh, ende Wilnes wegh, Ende hebben belegen met Erven, Hendrick Dirckxz, aen de Oostzijde, ende Ghijskijn Hellevoet aen de Westzijde, alle Jaers te betalen, op Sinte Pieters Dagh in zulle, met gelde, ofte met ponde als recht is van Erf-pacht. Voort zijne voorwaerde dat Samson voorschreven houden zal die straet op den Tiendewegh aen beijde zijde, also breet als dese Campe-Landts is uijtgeset, een Roede Breet ter halver straete, toe, aen die zuijt zijde vander Straet, die Hendrick voorschreven houden zal tot eenen opstal, om te komen op zijn viertel Lants voor zijne voorwaerden, dat Samson voorschreven, geen Aerde van deze voorschreven Lande en zal mogen wegh voeren, ende voorts zoo zal

Dit is ook om te bewijzen dat de landerijen aan de stad behoren en dat schepenen dat met hun zegel hebben bekrachtigd. Wij, Dirck Bendelijn Volckwijnsz, Jan Ghijsberts en Hendrick Willemsz, schepenen van Gouda, verklaren dat voor ons verscheen Samson Claessen en wij leggen vast dat Samson aan Hendrick Meelissen 4 Engelse nobels schuldig is van het juiste goud en gewicht of een betaling van dezelfde waarde aan eeuwigdurende rente voor een stuk grond dat Hendrick aan Samson in eeuwige pacht heeft gegeven. Per jaar zal de betaling gedaan worden op St. Pietersdag (22 februari) en die zal bestaan uit ponden of uit andere munten zoals het recht van erfpacht inhoudt. Het stuk grond ligt tussen de Tiendeweg en de Willensweg en Hendrick Dirckxz heeft er aan de oostzijde erven van gemaakt en Ghijskijn Hellevoet aan de westzijde. De voorwaarden zijn verder dat Samson een deel van de Tiendeweg aan beide zijden moet behouden zoals dat is uitgemeten. Een strook van een roede breed moet Hendrick aan de zuidzijde aanhouden als een open ruimte zodat Samson op zijn stuk land kan komen. Samson zal geen aarde van dit land mogen afvoeren. Verder moet


[11Verso] Samson houden, ende bewaren, alle dat Bauwwerck van wegh, en van Weteringe, als hem toebehoort, Alle dinck zonder argh of list, In kennisse der waerheijt besegelt, met onsen zegelen, gegeven des Saterdaghes na Sinte Anginieten dagh, In’t Jaer ons Heeren, MCCCXCV. Ende hadde drie zegelen van Groenen Wassche, uijthangende aen elcke francijne staerten.

[11 verso] Samson al het weg en waterbouwwerk dat hem toebehoort, in originele staat houden. Alles naar eer en geweten en naar waarheid bekrachtigd met onze zegels op St. Agniet (21 januari) 1395. Het zijn drie zegels van groene was die hangen aan enkele perkamenten stroken.

Een ander.

Wij, Dirck Bendelijn Volckwijns, Jan Ghijsberts en Hendrick Willemsz, schepenen van Gouda, verklaren dat voor ons verscheen Hendrick Meelissen en wij verklaren dat Hendrick aan Samson Claessen het stuk grond dat hij hem in eeuwige pacht heeft gegeven, zal waarborgen en vrijwaren van alle lasten van voor de tijd van de pacht. De pacht is officieel vastgesteld op 4 Engelse nobels of een betaling van dezelfde waarde aan jaarlijkse rente volgens het recht waarvan de oplegging gehandhaafd zal blijven. De grond ligt tussen de Tiendeweg en de Willensweg en Hendrick Dircxz heeft er erven van gemaakt aan de oostzijde en Ghijskijn Hellevoet deed dat aan de westzijde; op voorwaarde dat de genoemde Hendrik de IJsseldijk onder toezicht van de Heemraad zal stellen. Verder moet Hendrick aan de zuidzijde van de straat ook een strook grond van een roede breed als een open ruimte houden zodat Samson op zijn stuk land kan komen. In het geval dat Samson hiervan schade ondervindt, moet hij die verhalen op het stuk land van Hendrick dat hij heeft tussen de Tiendeweg en de IJsseldijk naast Jan Gerloffse aan de oostkant. Alles zonder kwade bedoelingen en naar waarheid bekrachtigd met onze zegels op zaterdag na de dag van St. Agniet in 1395. Het zijn drie zegeltjes van groene was die hangen aan enkele perkamenten stroken.

Wij Dirck Bendelijn Volckwijns, Jan Ghijsbertsz, ende Hendrick Willemsz, Schepenen binnen der Goude, oirconde ende kenne, dat voor ons quam Hendrick Melissen, ende gelovende Samson Claesen, te waren ende te vrijen, die Campe Lants die hij hem Verpacht heeft, tot een eeuwige pacht, ende gelegen is tusschen den Tiendewegh, ende de Willens wegh, Ende hebben belegen, met Erven Hendrick Dirckxz aende Oostzijde, Ende Ghijskijn Hellevoet aen die Westzijde, van alle Commer die daer op komen magh, dat voor die tijd magh voeren, voor dat hij ’t hem verpachtende, Uijtgeseijt vier Engelsche Nobels, ofte paeijement dier waerde, dier opstellen blijven staen zal, aen Jaerlijckse rente alst regt is, voor zijne voorwaerden, dat Hendrick voorschreven houden ende bewaren zal, den Ysseldijck, onder de Hiemrades Schouwe, ende een roede straets ter halver strate toe, aende zuijtzijde vander Strate, tot eenen opstal om te komen op zijne viertel-lants, ende waer dat saeck dat Samson voorschreven, hier af eenige Schade ofte hinder krege, dat zal hij verhalen aen Hendrick voorschreven viertel Lants, die hij leggende heeft tusschen den Tiende wegh, ende den Ysseldijck, naest Jan Geerloffse oost-waerts Alle dinck zonder argh of list, In kennisse der waerheijt besegelt, met onse zegelen gegeven, des Saterdaegs nae Sinte Agnieten dagh, Int Jaer ons Heeren MCCCvijf en ‘tnegentigh, Ende hadde drie Segelkens van groene Wasche, uijthangende aen enckelde francijne staerten.

Een tweede.


[12] Een ander.

[12] Een tweede.

Wij Aelbert Splinters, Kerstant Ghijsbertsz, ende Hugo Jacobsz, Schepenen binnen der Goude, ‘torconden ende kennen, dat quamen voor ons Jan Claesz, Wolphert Jacobsz, ende Hendrick Lijclaesen, ende lijeden dat zij Verpacht hebben Jegens Samson Claessen, tot een eeuwige pacht, die twaelf roeden Erffs, vander Waterschap afterwaers, te weten: Noortwaers daer haren Wint-Molen, ende Huijs op staen, aende Thiendewegh, naest Wouter Gerritsz Westwaertsz, s’Jaers om eenen engelse Nobel, goet van Goude ende van gewichten of paeijement dier waerde, alle, Jaer te betalen, op Kersdagh, met gelde, ofte met panden alst recht is, van Erfpacht, Voort is de voorwaerde, dat Jan Pholpertsz, ende Hendrick voorschreven, houden ende bewaren zullen die heele straet, ende Wegh, alsoo breet als Hendrick Meelissen lant breet is, daer neffens over, ende daer toe alle bauwwerck vanden Heele Lande, daer dese Molen op staet, buijten Samsons Kost, of schade voorschreven, Ende hebben dit Verplogen op dit voorschreven Erve, ende op haer Wint Molen, voorgenoemt. Alle dinck zonder Ergh of list, In kennisse der waerheijt bezegelt, met onse zegelen, ende gegeven des woensdaeghs nae St. Louwerens dagh, In’t Jaer ons Heeren Duijsent en vierhondert Ende hebbe drie zegelen, van Groene Wassche uijthangende aen Enckelde staerten.

Wij, Aelbert Splinters, Kerstant Ghijsbertsz en Hugo Jacobsz, schepenen in Gouda, verklaren dat voor ons verschenen Jan Claesz, Wolphert Jacobsz en Hendrick Lijclaesen en wij leggen vast dat zij aan Samson Claessen in eeuwige pacht hebben gegeven de twaalf roeden aan land vanaf de wetering naar achteren in noordelijke richting waar hun windmolen en huis op staan. De grond ligt aan de Tiendeweg ten westen van de grond van Wouter Gerritsz. De pacht daarvoor bedraagt 1 Engelse nobel per jaar van het juiste goud en gewicht of een bedrag van dezelfde waarde, ieder jaar te betalen op kerstdag in geld of onderpand zoals het recht van erfpacht is. Verder is de voorwaarde dat Jan Wolphertsz1 en Hendrick in stand moeten houden buiten kosten of schade van Samson: de hele straat en de weg, zo breed als het land van Hendrick Meelissen breed is en bovendien al de opstallen op het land waar de molen op staat. Zij zijn de verplichting daartoe aangegaan op dit erf en op hun windmolen. Alles zonder kwade bedoelingen en naar waarheid bekrachtigd met onze zegels, op woensdag na de dag van St. Laurentius (10 augustus) in 1400. Er zijn drie zegels van groene was, die aan enkele stroken hangen.

1

Jan Pholpertsz en Hendrick: Jan, Wolphert en Hendrick. In ‘Pholpertsz’ is niet alleen ‘Ph’ corrupt, maar ‘sz’ ook.


[12 Verso] Een ander.

[12 verso] Een andere akte

Extract uijt Eigen-Boeck, Der Stede vander Goude.

Uittreksel uit het boek met akten van de stad Gouda.

Daniel Huijgen Suellen, heeft verkocht ende overgegeven, Cornelis Jacobsz van Cortgeen, die helft van een Wintmolen, ende de helft van een Huijs ende Erve, daer aen behoorende, met noch elff honts Lants daer achter aen leggende, staende ende gelegen buijten de Thiendeweghs poort, naest de Collatie Broers oostwaerts, met ses en twintigh schellingen groot Vlaems, daer op staende aen Jaerlickse Rente, ende Sinte Margarieta Clooster daer op heeft, Actum den xiiij dagh in Maerte, anno xvhonderdtwintigh, Schepenen Jan Cornelis, ende Cornelis Jansz de Jonge.

DaniĂŤl Huijgen Suellen heeft aan Cornelis Jacobsz van Cortgeen verkocht en overgedragen de helft van een windmolen en de helft van een huis met erf, plus nog elf honden land dat daarachter is. Zij bevinden zich buiten de Tiendewegspoort, ten oosten van de Collatiebroeders en het geheel is belast met een jaarlijkse rente van zesentwintig schellingen groot Vlaams, waarop het St.Margarietenklooster recht heeft. De akte is opgemaakt op 14 maart 1520, schepenen Jan Cornelisz en Cornelis Jansz de Jonge.


[13] Copie.

[13] Kopie.

Van zeeckere Koop, ende opdracht Brief van Landen, gezegelt, ende opgedragen, Voor Burgermeesteren, Schepenen, ende Raden der Steden vander Goude, gelegen in

Van de officiële documenten over de landen in Broekhuizen die zijn bezegeld door de burgemeesters, schepenen en raden van Gouda. Om daarmee te bewijzen dat Gouda vroeger de officiële documenten bezegeld heeft. Kopieën.

Brouck-Huijsen, Om daer mede te bewijsen, dat de Stadt in voorigen Ouden tijden, over de Landen aldaer gelegen, gesegelt heeft. Copiæ, Copiæ, Wij Burgermeesteren, Schepenen, ende Raden der Stede vander Goude, doen kont allen luijden, hoe dat voor ons gekomen is Marchjen Jacobsz Heijndrickxz Dochter, met haer gekoren Vooght, ende konde ende lijede, dat Dirck Jacob Hendrickxz haren Broeder, die helft van heren dalve Margen Landts, gelegen in Brouckhuijsen, daer hem d’ander helft toebehoort, verkocht heeft als gemachtight, ende uijt bevel van haer, ende gelooft dat van waerden te houden ten eeuwigen dagen, voor haer, ende voor haer Erve, ende gelooft oock dat voorschreven Landt te waren, ende te vrijen,

Wij, burgemeesters, schepenen en raden van Gouda, maken aan alle mensen bekend dat voor ons is verschenen Marchjen, dochter van Jacobsz Hendrickxz, met haar wettige voogd. Wij maken bekend dat wij erkennen dat Dirck Jacobsz Hendrickxz, haar broer, in haar opdracht en als haar gemachtigde de helft heeft verkocht van haar halve morgen land, dat ligt in Broekhuizen, waarvan de andere helft hem toebehoort. Dirck belooft zich daar voor eeuwig aan te houden voor haar en haar erfgenamen en ze te vrijwaren


[13Verso] Vrij van alle kommer nae den Rechten vanden Lande, sonder argh of list, des Torconde hebben wij onsen Stede zegel van zaecken, dat wij dagelijckx gebruijcken, hier beneden aen gehangen. Gegeven op den elfden dagh in September, int Jaer ons Heeren MCCCC negen en tnegentich. Ende hadde een zegel van groene Wassche onder uijthangende, aen een enckelde staert, onderstont accordeert met zijn principael, ende was onderteijckent Joh: Flo: de Jager 1623. Dit naervolgende Extract dient omdaer mede te bewijsen, dat den Bailliuw ende de Burgermeesteren, selfs altijt gesustineert hebben, dat zij in Brouckhuijsen, ende Broucken-Tuijl, ende ‘tweechjen altijdts ge-exerceert hebben, allerleij acten van Jurisdictie. Extract: Uijt seeckere Memorie, ende advertissementen van rechten, overgegeven aenden Hoven, bij Anthonis Cloots Bailliuw ende Schout der Stede vander Goude, met den gevolge Ende aencleven van dien, gedaechde in cas d’appel, mits gaders Burgermeesters ende Regeerders der voorschreven Stede met hem gevoecht voor Intrest ende tot conservatie, vander selver Jurisdictie, ter eenre, op ende Jegens Gillis Ariens Benscooper, mits gaders Burgermeesters ende Regeerders der Stede Rotterdam, hen voegende met den selven Implianten In’t voorschreven cas, ter andere zijde.

[13 verso] van alle lasten volgens het landelijk recht en zonder boze bedoeling. Wij hebben onder aan de akte ons zakelijk zegel gehangen, dat wij dagelijks gebruiken. Uitgereikt op 11 september 1499. Er hing een zegel van groene was onder, aan een enkele reep, en de akte kwam overeen met het origineel. Was getekend door Joh. Flo. de Jager 1623. Het uittreksel hierna dient om te bewijzen dat de baljuw en de burgemeesters altijd zelf aangevoerd hebben dat zij in Broekhuizen , Broek en Thuil en ’t Weegje altijd allerlei vormen van rechterlijke macht uitgeoefend hebben. Uittreksel: Uit een bepaalde opsomming en bekendmakingen die aan het hof zijn overhandigd door Anthonis Cloots, baljuw en schout, met alles wat er bij hoort, van Gouda. Anthonis Cloots was gedaagde in een beroepszaak over het belang van en voor het behoud van het rechtsgebied van de stad. Hij was daarin verbonden met burgemeesters en bestuurders van Gouda aan de ene kant tegenover Gillis Ariens Benscooper samen met burgemeesters en bestuurders van Rotterdam aan de andere kant.


[14] 17. Ende zijn sulcx de Landen, gelegen, bewesten de voorschreven Alpherse Weteringe, aende zijde van Moordrecht altijt gehouden voor Schielant. 18. Ende de Landen gelegen aende ander zijde vande Weteringe, voorschreven, nae de Stadt vander Goude toe, als Brouckhuijsen, Brouck en Thuijl, ende het Weechjen, voor een gedeelte vanden Landen van Beloijs. 19. Hebbende hare Jurisdictie apart, ende ’t eenemael separaet vande heerlickheijt van Moordrecht. 20. Ende sulckx oock haer eijgen Schout, mits gaders hare Heemraden, ende Lant bewaerders, Bij Burgermeesters ende Regeerders der Stede vander Goude, van allen ouden Tijden gestelt, ende gekozen. 21 Ende van allen ouden tijden de Cade ende wegen geschout, keuren ende Ordonnantien tot ’s Landts oijrbaer gemaeckt, resolutien genomen, ’s Landts goederen, ende Landen Verpacht, accoorden ende Tractaten gemaeckt, ende rekeningen gedaen hebben.

[14] 17 Zo zijn de stukken land ten westen van de Alpherse wetering aan de kant van Moordrecht altijd van Schieland geweest. 18 En de stukken land aan de andere kant van de Wetering, in de richting van Gouda, zoals Broekhuizen, Broek en Thuil en ’t Weegje, hebben voor een deel behoord bij het land van Blois 19 zodat de jurisdictie in deze stukken land in het geheel niet valt onder de heerlijkheid Moordrecht. 20 Zo worden ook hun schout en hun heemraden en hoeders van het land al van oudsher gekozen en aangesteld door de burgemeesters en bestuurders van Gouda. 21 En worden van oudsher de kaden en wegen geïnspecteerd, handvesten en reglementen ten nutte van het land opgesteld, besluiten genomen, vastgoed en stukken land verpacht, overeenkomsten en verdragen gesloten, rekeningen opgemaakt en voldaan, en wordt financiële verantwoording afgelegd.


[14Verso] 28. ‘T is nu mede sulckx, dat Burgermeesters ende Regierders der voorschreven Stede vander Goude, van outs altijt gerechticht zijn geweest, ende noch zijn tot de Jurisdictie inde voorschreven Polders, Brouckhuijsen, Broucken-Thuijl, en ’t weechje. 29. Ende is sulckx waer, dat soo wel’t voor schreven Suijt-eijnde van Waddinxveen, als Broecken-Thuijl, groot ontrent dartig hondert Mergen, eertijts bij den Heere van Beloijs uijtgegeven zijn, ten behouve van seeckere Capelle, binnen de voorschreven Stadt vander Goude. 30. Ende bij Jan van Castellon, Grave van Beloijs, Heere van Avesnes, van Schoonhoven, ende vander Goude, de Landen daer het Bosch plach te staen, bij der Goude geweest zijn in Brouckhuysen. 38. Keijser Maximiliaen, heeft vergunt ’t Octroij om twee Water-Molens te mogen stellen etc. 39. Ende dat binnen de bepalinge, ende Jurisdictie vander Goude. 54. Ende voor den welcken oock, ofte voor Schepenen vander Goude, gifte ende opdrachte vande Lande inde voorschreven polders gelegen, gedaen ende genomen zijn, gelijck als bij Verscheijden, acten, kan worden bewesen.

[14 verso] 28 Het is nu ook zo dat burgemeesters en bestuurders van Gouda van oudsher gerechtigd zijn geweest en nog zijn om de jurisdictie te voeren in de polders Broekhuizen, Broek en Thuil en ’t Weegje. 29 Het is ook zo dat zowel het voornoemde zuideinde van Waddinxveen als Broek en Thuil die samen ongeveer dertig honderd morgen groot zijn vroeger zijn uitgegeven door de heer van Blois, ten behoeve van een kapel binnen de voornoemde stad Gouda. 30 Jan van Chatillon, graaf van Blois, heer van Avesnes, van Schoonhoven en van Gouda, heeft de landen in Broekhuizen waar vroeger het bos was en die bij Gouda hoorden uitgegeven. 38 Keizer Maximiliaan heeft een machtiging verleend om twee watermolens te bouwen etc. 39 en wel binnen de grenzen en het rechtsgebied van Gouda. 54 en voor wie dan ook, of voor de schepenen van Gouda, schenkingen zijn gedaan en overdracht van grond heeft plaatsgevonden, zoals met verschillende akten kan worden bewezen.


[15] 55. Ende specialijcken, dat al inden Jare 1499 seecker Landt gelegen in Brouckhuysen, voorBurgermeesteren, Schepenen, ende Raden der voorschreven Stede, vander Goude is Verkocht, ende opgedragen. 60 In voegen, dat de voorschreven gedaegde ende gevouchdens, soo wel in Brouckhuijsen als in Broucken-Thuijl, en ’t weechjen, altijt ge-exerseert hebben allerleij Acten van Jurisductie. 67 Ende zijn de voorschreven Gedaegde ende gevouchdens, Jegenwoordigh noch in actuele Possessie, van alle de voorschreven Acten van Jurisductie, Inde voorschreven Polders te exerceren.

[15] 55 In het bijzonder kan bewezen worden dat al in 1499 een stuk grond dat in Broekhuizen ligt, voor burgemeesters, schepenen en raden van Gouda is verkocht en overgedragen. 60 Dat kan namelijk zo bewezen worden, dat de voornoemde gedaagde, samen met de medestanders, zowel in Broekhuizen als in Broek en Thuil en ’t Weegje, altijd allerlei vormen van rechterlijke macht hebben uitgeoefend. 67 De voornoemde gedaagde,, samen met de medestanders, zijn bovendien tegenwoordig nog in het bezit van alle documenten die hen het recht geven allerlei vormen van rechterlijke macht uit te oefenen in de voornoemde polders.


[16] Roerende het Oude-Kerckhoff, Wij Claes Maertens, Govert Wittessen, ende Dirck Andriessen Schepenen binnen der Goude, doen cont ende certificeren eenen ijegelijcken dient behoort, Dat op huijden voor ons gekomen, ende gecompareert zijn geweest, Heer Cornelis Jacobs out Lxviij Jaren, ende Heer Cornelis Gillissen Deecken out Lx Jaren, beijde Priesters, ende hebben ten Versoecken vande Burgemeesteren deser Stede: (rechtelijcken daer toe Verdaecht zijnde, omme getuijgenisse der waarheijt te geven,) Verklaerde bij haerluijder Priesterschappen, in plaetse van Eede, de Verklaringe van den Officier heuluijden afgenomen heeft waerachtich te zijn, dat zij in heurlieden Jonckheijt, dickwils haer ouders, ende andere Persoonen hebben hooren Vermanen, als dat ontrent een half quartier uijr gaens buyten deser Stadt, op een plaets genaemt het oude Kerckhoff, gestaen heeft de Parochie Kerck deser Stede, alwaer oock mede eenige Huijsen stonden, ende dat oock in de Aerde voormaels, ende noch onlanghs de vestinge der zelver Kercke, ende Huijsen gezien ende gevonden zijn. Verklaerde voorts, dat tot een geheuchenisse ende Memorie, de voorschreven plaetse Jaerlijckx, met een processie generael besocht wort, op den lesten Bedagh inde Cruijs’ dagen, ende dat zij deposanten over de 31,, 40,, 50 Jaren, ende Langer inde selve processie mede gegaen hebben, Alle fraude gesecludeert, Torconde van desen hebben wij Schepenen voornoemt, elcx ons zegel hier onder aen gehangen, op den xxi Aprillis, anno 1569. Stijlo communi. Op den plijcke stont Jor~: Jacobsz 1569. ende hadt drie uijthangende segelen, in Groene Wassche, een dubbelde francijnen staerten.

[16] Betreffende het Oude Kerkhof, Wij, Claes Maertens, Govert Wittessen en Dirck Andriessen, schepenen van Gouda, verklaren met zekerheid en maken bekend aan ieder die het aangaat, dat heden voor ons in rechte verschenen zijn de heer Cornelis Jacobs, oud 68 jaar en de heer Cornelis Gillissen, deken, oud 60 jaar, beiden priester. Volgens het recht waren zij opgeroepen om naar waarheid te getuigen. Maar in plaats van de eed af te leggen nam de officier hun verklaring af dat zij in hun hoedanigheid van priester de waarheid zouden spreken. Op verzoek van de burgemeesters van Gouda verklaarden zij dat zij in hun jeugd vaak hun ouders en andere personen hebben horen vertellen dat ongeveer een half kwartier lopen buiten de stad, op een plaats die het Oude Kerkhof heet, de parochiekerk van Gouda gestaan heeft, samen met enige huizen. In de grond zijn er vroeger en nog onlangs fundamenten van de kerk en de huizen gevonden. Zij verklaarden verder dat ter nagedachtenis de genoemde plaats ieder jaar door een grote processie bezocht wordt, op de laatste biddag in de kruisdagen en de priesters verklaarden dat zij, officiĂŤle getuigen meer dan 31,40, 50 jaar en langer in de processie hebben meegelopen en hebben wij alle fraude uitgesloten. Bij het bekend maken hiervan hebben wij, schepenen, elk ons zegel hieronder aan gehangen op 21 april 1569. Stilo communi. Op het omgevouwen gedeelte stond Jor__: Jacobsz 1569 en er waren drie zegels van groene was, gehangen aan dubbele repen perkament.


[16Verso] Een ander.

[16 verso] Een tweede

Wij Claes Maertens, Govert Wittessen, ende Dirck Andriessen, Schepenen binnen der Goude, Doen kondt ende certificeren eenen ijegelijcken dient behoort, dat op huijden voor ons gekomen, ende gecompareert zijn geweest, Pieter Pietersz out Lxxxv Jaren, Cornelis Meessen out Lxxxv Jaren, Albrant Michielsz out Lxxxi Jaren, Hendrick Adriaensz oudt Lxxvij Jaren, Pieter Jansz out Lxxiij Jaren, Augustijn Hercks oudt Lxxij Jaren, Gerrit van Wieringen out Lxxj Jaren, Jan Thomassen out Lxv Jaren, Cornelis Willemsz oudt Lxxiiij Jaren, Albrant Jansz out Lxij Jaren, ende Gerrit Jacobs, out Lxj Jaren, ofte elcx daer ontrent, alle Poorters deser Stede. Ende hebben ten Versoecke vande Burgermeesteren: (alle rechtelijcken daer toe verdaecht zijnde, omme getuijgenisse der waerheijt te geven:) geaffirmeert bij haerlieden Eede, die den Bailliuw, Schout deser Stede, heuluyden solemnelicken afgenomen heeft, waerachtigh te zijn, dat zij inheurlieden Jonckheijt, dickwils haer Ouders, ende andere Persoonen hebben hooren Vermanen, als dat ontrent een half quartier uijr gaens, buijten deser Stadt, op een plaets genaemt ‘t Oude Kerckhoff, gestaen heeft die Parochie Kercke deser Stede, alwaer oock mede eenige Huijsen stonden, ende dat oock aldaer in d’aerde, voormaels ende noch onlanghs, de vestinge der zelver Kercke, ende Huijsen gesien, ende bevonden zijn. Verklaerde voorts, dat tot een geheughenisse, ende Memorie de voorschreven plaetse, Jaerlijcx met een processie generael besocht wort, op den lesten bedagh inde Cruijsdagen, ende dat zij deposanten, over de veertigh, vijftigh, zestigh Jaren, ende langer in de zelve processie mede gegaen hebben, Affirmeerde voort, dat zij oock wel hebben hooren seggen, als dat de Huysen staende binnen deser Stede alhier, door de bequaemheijt ende gelegentheijt vander deurvaert, ende omme naer der aende IJssel te wesen, getimmert zijn, ende die plaetse van ’t voorschreven Oude-Kerckhoff, daer omme verlaten is geweest, alle fraude gesecludeert. Ten oircone van desen, hebben wij Schepenen voornoemt, elckx onse zegel hier aengehangen, den een en twintigsten Aprillis, xvhonderd negen en zestigh. Stilo communi, Op de plijcke stont geteeckent, Jor: Jacobsz, hebben drie uijthangende zegelen in Groene Wassche, aen dubbelde-franchijne staerten.

Wij, Claes Maertens, Govert Wittessen en Dirck Andriessen, schepenen van Gouda, verklaren stellig en maken bekend aan ieder die het aangaat, dat heden voor ons zijn verschenen Pieter Pietersz, oud 85 jaar, Cornelis Meessen, oud 85 jaar, Albrant Michielsz, oud 81 jaar, Hendrick Adriaensz, oud 77 jaar, Pieter Jansz, oud 73 jaar, Augustijn Hercks, oud 72 jaar, Gerrit van Wieringen, oud 71 jaar, Jan Thomassen, oud 65 jaar, Cornelis Willemsz, oud 74 jaar, Albrant Jansz, oud 62 jaar en Gerrit Jacobsz, oud 61 jaar, elk ongeveer van die leeftijd en allen burgers van Gouda. Zij hebben op verzoek van de burgemeester de eed afgelegd de waarheid te spreken. Die eed heeft de baljuw, tevens schout van Gouda, hun plechtig afgenomen. Zo verklaarden zij dat zij in hun jeugd dikwijls hun ouders en andere personen hebben horen vertellen dat ongeveer een half kwartier lopen buiten de stad, op een plaats die het Oude Kerkhof heet, de parochiekerk van Gouda gestaan heeft en dat daar ook enige huizen stonden. Bovendien zijn in de grond vroeger en nog onlangs fundamenten van de kerk en de huizen gevonden. Zij verklaarden verder dat ter nagedachtenis de genoemde plaats ieder jaar door een grote processie bezocht wordt op de laatste biddag in de kruisdagen. De burgers verklaarden als officiële getuigen 40,50,60 jaar en langer in de processie te hebben meegelopen. Zij bevestigden verder dat zij ook wel hebben horen zeggen dat de huizen die binnen Gouda staan, daar getimmerd zijn vanwege de gunstige ligging ten opzichte van de doorvaart en om dichter bij de IJssel te zijn. Daarom is de plaats van het Oude Kerkhof verlaten. Wij hebben alle fraude uitgesloten. Bij het bekendmaken hiervan hebben wij, schepenen van Gouda, elk ons zegel hieraan gehangen op 21 april 1569. Stilo communi. Op het omgevouwen gedeelte stond getekend Jor: Jacobsz en er waren drie zegels van groene was aan dubbele repen perkament.


[17] Volght vande Graven van Bloijs Heeren vander Goude.

[17] Nu volgt over de graven van Blois, heren van Gouda.

Willekeure.

Wij hertog Willem van Beieren, graaf van Holland, Zeeland en heer van Friesland en troonopvolger van het graafschap Henegouwen, maken aan iedereen bekend dat wij op verzoek van onze geliefde vrouw en moeder, gravin van Henegouwen, onze geliefde oom Jan van Henegouwen, heer van Beaumont en onze geliefde neef heer Walravensz van Luxemburg, heer van Huy hebben nagelaten, zoals uit het besluit in deze akten blijkt, aan onze geliefde neef , Jan, zoon van Lodewijckx van Blois, of de naaste erfgenamen die van Jan van Henegouwen afstammen, alle goederen, poorten, vestingen, dorpen en heerlijkheden, de hoge en de lage, het land en het water, de rentes die vervallen, de zekerheden en de onzekerheden, hoe zij ook heten of waar zij ook liggen in ons land van Holland, Zeeland, Kennemerland en Friesland, met alles wat erbij hoort. Van de graaf van Holland, Zeeland en heer van Friesland en zijn nakomelingen of zijn naaste erfgenamen van onze geliefde oom wordt verwacht dat zij alles in dezelfde staat zullen houden als Jan van Henegouwen het tot heden gehouden heeft en toen deze akte werd geschreven. Dit is gebeurd met vaderlijke en moederlijke toewijzing met een eerlijke verdeling tussen broers. Als Jan van Henegouwen zal zijn overleden en Jan van Blois hem overleeft dan willen wij Jan van Blois

Hartoge Willem van Beijeren, Grave van Hollant, Zeelant, ende Heere van Vrieslant, ende verbeijder der Graefschap van Henegouwe, maecken kondt allen Luijden, dat wij om bede wille onser liever Vrouwe ende Moeder, der Gravinne van Henegouwe, ons lieffs ooms Heere Jan van Henegouwen, Heere van Bijaumont, ende ons lieffs neven Heere Walravensz van Luxenburgh, Heere van Huij. Verlijet hebben, Verlijet ende willekoren uut desen, jegenwoordigen brieven, Onse lieve Neve, Janne ’s Graven Lodewijckx Soone van Bloijs, of zijnen naesten Erfgenamen, van ons Liefs ooms voorschreven lijve komende, Alle goede poorten, vesten, Dorpen, Heerlijckheden, hooge, ende lage, ’t Landt, ende Wateren, Renten, vervallen, sekeren, ende onsekeren, hoe dat zij genoemt, ofte waer dat zij gelegen zijn, binnen onsen lande van Hollant, van Zeelant, Keemerlant, ende van Vrieslant, met allen zijnen toebehoren, hem, ende zijnen nakomelingen, of zijnen naesten Erfgenamen, van ons liefs Ooms voorschreven Lijve komen: van ons, ende onse nakomelinge, Grave van Hollant, van Zeelant, ende Heere van Vrieslant, te houden in alsulcke forme, ende in alle manieren, alst onsen lieven Oom voorschreven tot desen dage toe gehouden heeft, ende doe dese Brief geschreven was in Vaderlijcke, ende Moederlijcke bewijsinge, ende in rechte Broeder deelinge, ende wanneer onsen Lieven Oom voorschreven, van Lijve ter Doot gevaren zal wesen, op dat Jan van Blois onse Neve voorschreven, hem verleeft. Soo willen wij Jan

Verordening


[17Verso] voornoemt, ofte zijnen naesten Erfgenamen, van ons liefs Ooms voorschreven Lijve, komende, te Manne ontfangen sonder eenigh wederzeggen, in allen den goeden die voorschreven zijn, die van ons, ende van onse nakomelingen, te houden tot een Rechte Erff leene, ende alle dese voorschreven dingen te verstaen, sonder argh, of list. Ende om dat wij Hartoge Willem van Beijeren, ende Grave van Hollant voorschreven, willen dat alle dese voorschreven saecke vast gestaede, ende wel gehouden, in alle manieren dat voorschreven is, Soo hebben wij dese openen Brief, gesegelt met onse zegelen, in kennisse der waerheijt gedaen, ende gegeven tot Valemzijn, des Saterdaeghs nae Jaersdagh, in’t Jaer ons Heeren MCCCvier en vijftigh. Tussu dmd count Ad vlm tupi loptorx t pqtStonfilud Em comtisse t dnd comt ent pus1 Mijn Heere van Bijaumont, mijn Heere van Luijck, de Heere van Barbensoen, ende Heer Reijnout van Barbensoen zijn Broeder, hebben gelooft mijnen Heere den Grave voorschreven, over te leveren voor St. Jans Misse, in’t Jaer van Lv eenen openen Brief vanden Graven van Bloijs dat hij gelooft de voorschreven voorwaerden te consenteeren, ende zijn recht dat hem daer af verschijnen magh, over te geven, ende quijt te schelden tot Jans behoeff, alsoo die openen Brief hout voorschreven.

[17 verso] of diens naaste erfgenamen die van Jan van Henegouwen afstammen, als leenman aannemen, zonder dat iemand verzet aantekent, van alle bezittingen die genoemd zijn, van ons en onze nakomelingen, om die te bezitten als een werkelijk leengoed en alle genoemde dingen zonder kwade bedoelingen uit te leggen. Omdat wij willen dat alle beschreven dingen vaststaan en in alle eerlijkheid worden uitgevoerd. Wij, Willem hertog van Beieren en graaf van Holland, willen dat al deze zaken in goede staat worden gehouden, geheel volgens de voorschriften. Daarom hebben wij deze akte bekrachtigd met onze zegels, naar waarheid gedaan en gegeven te Valençiennes op zaterdag na Nieuwjaarsdag in 1354. Tussu dmd count Ad vhm tupi loptorx ’t pqtStornfilud Em comtisse t dnd comt ent pus2 De heer van Beaumont, de heer van Luijck, de heer van Barbençon en de heer Reijnout van Barbençon, zijn broer, hebben beloofd aan de graaf een openbare akte van de graaf van Blois te overhandigen voor de St.-Jansmis in het jaar 55, waarin hij belooft met de voorwaarden in te stemmen en het recht dat daaruit voortkomt over te dragen en kwijt te schelden ten behoeve van Jan, zoals dat in de akte staat. Verder hebben die vier heren beloofd dat zij Ghijoot van Blois zullen overhalen eveneens het recht over te dragen en kwijt te schelden als hij meerderjarig geworden is.

Voorts hebben die voorschreven Luijde, gelooft dat zij Ghijote van Bloijs, daer toe hebben zullen, dat hij diergelijcke zijn recht over geven zal, ende quijt schelden, also hij tot zijnen Jaere gekomen is.

1

tekst niet te transcriberen

2

tekst niet te hertalen, geen transcriptie


[18] Ge-extraheert, uijt Zeecker Boeck geintituleert diversche Chartren, ende Hantvesten, ende Privilegien, met veel meer andere besoingnes van hooger Loffelijcker Memorie, d’eerste Hertoge Willem van Beijeren, de vijfde van dien Naem, de xxije Graeff van Hollant, gevallen binnen den tijt van zijn Gouvernement aldaer, inden Jare MCCC Liiij. Lv. Lvj. Ende Lvij. Ende is dit Boeck berustende, inde Burgermeesters Kamer, der Stede vander Goude, in seecker Kiste zijnde de Sitplaetse vande Outste Burgermeester ende accordeert naer collatie.

[18] Uittreksel uit een bepaald boek getiteld: diverse oorkonden, handvesten en privileges en veel andere belangrijke, loffelijke en gedenkwaardige zaken van de eerste hertog Willem V van Beieren, de 22e graaf van Holland en is voorgevallen in de tijd dat hij daar regeerde in de jaren 1354, 1355, 1356 en 1357. Dit boek wordt bewaard in de burgemeesterskamer van Gouda in een kist die de zetel is van de oudste burgemeester en het stemt overeen met het origineel.


[19] Van de graven van Blois eerste Heeren van Goude, ende Schoonhoven. Extract uijt het groote PrivilegienBoeck, geteeckent Met de letter O, der Stede van Goude Fol:109vso. Ende iio. Dat de regieringe der voorschreven Stede, langen tijd gestaen heeft bij de Grave van Bloijs, als Heere vander Goude, van welcke d' eerste is geweest Heer Jan van Beaumont, dewelcke van zijn Wijffs wegen, Grave van Bloijs geworden zijnde, van zijn Broeder den [1 goeden graeff Willem als grave van Hollant, beschoncken is geworden met de heerlijckheden der Stede vander Goude, ende Schoonhoven, met alle heuren toebehooren, ende appenditien van dien, inden Jare ons Heeren MCCC. ende ses, tWelcke met consent van zijnen Broeder voorschreven den goeden Graeff Willem, aldereerst binnen der Goude opgerecht heeft de Thollen, mits gaders de Huijsen en sluysen, daer zijne Heerlijcke rechten Ontfangen soude worden. Ende aldaer oock Vermeerdert ende Verbetert het Slot, ofte Casteel der selver Stede. ‘tWelck lange Jaren daer naer, gedestineert is geweest bij de Staten van Hollant: (als zijnde ende stercke ende seeckere plaatse:) tot bewaernisse van alle Hantvesten, ende Privilegien, eertijts bij den Prince vanden landen gegeven, welck Casteel (uijtgezondert zeeckeren Toorn, daer de voorschreven Privilegien in berustende waer:) gedemolieert is, inden Jaer 1577.

1

[Vide groote Chroniek van Hol-Landt Divisie 22 Caput 3.] in de marge

[19] Over de graven van Blois, de eerste heren van Gouda en Schoonhoven Uittreksel uit het grote privilegeboek van Gouda, voorzien van de letter O. folio 109 verso en 110. [2 Het bestuur van Gouda is lange tijd in handen geweest van de graaf van Blois als heer van Gouda en de eerste daarvan is Jan van Beaumont. Hij was via zijn vrouw graaf van Blois geworden en had in 1306 van zijn broer, de goede graaf Willem van Holland, de heerlijkheden van Gouda en Schoonhoven gekregen, met alles wat er bij hoort. Jan van Beaumont heeft, met toestemming van zijn broer, de goede graaf Willem, allereerst de tollen ingesteld en bovendien de huizen en sluizen gebouwd, waar zijn grafelijke belastingen geïnd zouden worden. Ook heeft hij het kasteel van Gouda uitgebreid en verbeterd. Dit kasteel (omdat ’t een sterke en veilige plaats was) werd een heel lange tijd daarna door de Staten van Holland bestemd om als bewaarplaats te dienen van alle oorkonden en privileges die voordien door de Prins waren geschonken. In 1577 is het kasteel afgebroken (met uitzondering van een toren waarin de privileges bewaard werden).

2

[Zie de grote kroniek van Holland deel 22 hoofdstuk 3] in de marge


[19Verso] [1 Dat de voorschreven, Heer Jan van Beaumont, Grave van Bloijs, ende de Heere vander Goude, gestorven is inden Jare ons Heere MCCCLVI. Achterlatende: eenen Soone, mede Jan genaemt, dewelcke met de Heeren van Pruijssen reijsende, op de ongeloovige Heijdenen, daer hij Ridder geslagen worden, deser Werelt overleden is, nalatende twee Soonen, als Jan, ende Guido de Castillion Grave van Bloijs, ende Swessen. Dat Jan van Castillion, Heere vander Goude, nae zijn Vaders Doot, overmits hij zeer machtigh was, ende gebooren uijt den Kroone van Vranckrijck ende vanden Huijsen van Hollant, getrout heeft Vrouwe Machtelt Hartoginne van Gelre, ende Gravinne van Zutphen, ten tijden als de Brouchorsthe, tegens de Heeckeren in partijschap staende, de voorszeyde Vrouwe, uijt haer Vaderlijcke Erve poochden te secluderen, om ‘twelcke te keeren, den voorschreven Grave van Bloijs, int Lant van Gelre, bij zijnen wijven gekomen zijnde, ende met hem brengende veele Heeren, ende Ridderschap, sommige Stede aldaer belegen, ende oock eenige als Wagenen, Groensvoerders, ende andere gewonnen heeft, tot dat hij binnen Aernhem ontfangen, ende van der Vrouwe wegen gehult is geworden.

[19 verso] [2 Jan van Beaumont, graaf van Blois en heer van Gouda, is gestorven in 1356. Hij liet een zoon na die ook Jan heette en die is omgekomen toen hij met de heren van Pruisen op veldtocht was tegen de ongelovige heidenen, waar hij tot ridder werd geslagen. Hij liet twee zonen na namelijk Jan en Guido van Chatillon, graven van Blois en Soissons. Jan van Chatillon, heer van Gouda na de dood van zijn vader, was zeer machtig, omdat hij verwant was aan het Franse koningshuis en aan het Hollandse huis. Hij trouwde met Machteld, hertogin van Gelre en gravin van Zutphen. In die tijd probeerden de Bronkhorsten, die streden tegen de Heeckerens, Machteld uit te sluiten van de erfenis van haar vader. Om dit te voorkomen kwam de graaf van Blois bij zijn vrouw in het land van Gelre en bracht veel heren en ridders mee. Hij belegerde enkele steden en nam enige plaatsen in zoals Wageningen en Groenvorden en nog andere totdat hij in Arnhem ontvangen en vanwege zijn vrouw ingehuldigd werd. Jan en Machteld, hertog en hertogin van Gelre hebben Gouda het privilege gegeven dat zij zonder tol te betalen met al hun goederen overal in Gelderland en Zutphen mogen reizen. Het privilege is gegeven in Arnhem op 17 maart 1372.

Dat de voorschreven Heer Jan, ende Machtelt, als Hartoge van Gelre, de Stede vander Goude gegeven, hebben een Privilegie, dat zij Tolle vrij Waren mogen, met alle heure Goederen, over al in den Landen van Gelre, ende Zutphen, ‘twelck gegeven is in hare Stadt van Aernhem, op den xvijen Dach inder Maent van Maerte, in’t Jaer ons Heeren MCCC LXXIJ.

1

[Vide utsupra Divisie 25 Caput 15] in de marge

2

[Zie divisie 25 Hoofdstuk 15] in de marge


[20] Dat de voorschreven heer Jan van Casstillion, gestorven is inden Jare ons Heeren 1381, sonder Kinderen latende, zijn goederen aen Guido van Bloijs zijn Broeder, dewelcke mede (na dat hij getrout hadde Maria des Graven Dochter van Namen, ende aen haer geteelt een Soon Lowijs, Genaemt Grave van Dubois die Jonck gestorven is tot Beaumont), deser Werelt overleden is, op den xxije Decembris inden Jaer MCCCXCVIJ nae wiens aflijvigheijt, alsoo, de Rechte Linie, ende afkomste Heer Johannes van Beaumont, cesseerde de heerlijckheden vander Goude, ende Schoonhoven, metten gevolge vandien, genaemt het Landt ende Bailliuage van Bloijs, wederomme geconsolideert zijn aen de Graeffelijckheijt van Hollant, ende dat ten tijde Hertogs Aelbrechts van Beijeren, doch heeft de voorschreven Heer Guido van Bloijs, naer gelaten een Bastaertszoon, genaemt Heer Jan van Bloys Ridder, die ook Heer van Treslongh in Henegouwen was, die ses Soonen aen zijn huysvrouwe gewonnen heeft, daer af de Cronijck van Hollant, breeder mentie maeckt. De voorschreven Heer Jan Bastaert, leijt begraven inde Parochij Kercke binnen der Goude, Inde Capelle diemen de Yseren noemt, bij hem gesondeert Anno MCCCCXVIJ.

[20] Jan van Chatillon is kinderloos gestorven in 1381. Hij liet zijn goederen na aan Guido van Blois, zijn broer. Deze was getrouwd met Maria, dochter van de graaf van Namen en bij haar had hij een zoon verwekt, Lowijs, graaf van Dubois tot Beaumont, die jong gestorven is. Guido is overleden op 22 december 1397.Na dit overlijden waren er van Jan van Beaumont geen nakomelingen in rechte lijn meer. Het gevolg was dat de heerlijkheid van Gouda en de heerlijkheid van Schoonhoven, genaamd land en baljuwschap van Blois weer toevielen aan de graaf van Holland. In de tijd van Aelbrecht van Beieren had Guido van Blois een bastaardzoon, een ridder die Jan van Blois heette en die ook heer van Treslong in Henegouwen was. Hij had zes zonen bij zijn vrouw, waarvan de kroniek van Holland uitgebreid melding maakt. Jan de Bastaard ligt begraven in de parochiekerk in Gouda in de ijzeren kapel, zoals de auteur van de kroniek in 1417 onderzocht heeft.


[21] Extract, uijt seecker out Register der Stede vander Goude, daer verscheijde dingen in geteijckent staen, geteeckent No 1. Ende daer van Johan Florissen de Jager, in zijn leven Secretaris der selver Stede, een Register op gemaeckt heeft. 1

[ In’t Jaer ons Heeren MCCC een ende tnegentigh, op den derden Dagh der Maent Julio, op een Maendagh ontrent Noen, zoo starff Lodewijck Grave van Dunois, Graven Gruijen soonen van Bloijs tot Bijaumont, was out ontrent xiij Jaren, ende hadde te Wijve ’s Hartoges Dochter van Barcy, ende Lodewijckx Moeder, was geheten Maria ‘sGraven Dochter van Namen, bidt voor zijn Ziel.

[21] Uittreksel uit een oud register van Gouda, waarin verschillende dingen staan opgetekend, met de aanduiding nr. 1. Daarvan heeft Johan Florissen de Jager, bij leven secretaris van Gouda, een register opgesteld. [2 Omstreeks 12 uur op maandag 3 juli 1391 stierf Lodewijck, graaf van Dunois, de zoon van Gruien, de graaf van Blois tot Beaumont. Hij was ongeveer dertien jaar en Lodewijcks vrouw was de dochter van de hertog van Barcy. De moeder van Lodewijck heette Maria en was de dochter van de graaf van Namen. Bidt voor zijn ziel. In 1397, op zaterdag 22 december na twaalven, stierf Gruien, graaf van Blois tot Avesnes, zonder kinderen. Zijn vrouw was Maria, dochter van de graaf van Namen. Bidt voor zijn ziel.

In’t Jaer ons Heeren MCCCseven-en tnegentigh, xxij dagen in December, ende op een Saterdagh na Noen, soo starff Grave Gruije van Blois, tot Avesnes sonder Kinderen. Ende hadde te Wijve Maria ’sGraven dochter Van Namen, Bidt voor zijn Ziel.

1

[Fol.3.] in de marge

2

[Fol.3] in de marge


[21Verso] Extract uijt ’t Zelve Boeck, over de Doodt van Hartogh Aelbrecht van Beijeren. In’t Jaer ons Heeren MCCCC ende Vier, xvj Dagen in December, op een Dijnsdagh voor Noen, in den Dageraet, doe starff Hartogh Aelbrecht Grave van Hollant, inden Hage, ende wert begrave inde Capelle Bidt voor de Ziel.

[21 verso] Uittreksel uit hetzelfde boek over de dood van hertog Aelbrecht van beieren. In 1404, op dinsdag 16 december voor twaalven, bij het aanbreken van de dag stierf hertog Aelbrecht, graaf van Holland, in Den Haag en werd begraven in de kapel. Bidt voor de ziel.


[22] Dat die vander Goude Voor die van Amsterdam Genomineert sijn geweest.

[22] Die van Gouda worden genoemd voor die van Amsterdam.

Extract, uijt tweede Register der Stadt AmSterdam.

Wij, Karel, bij de gratie Gods Rooms Keizer, altijd vermeerderaar des rijks, Koning van Germanië, van Castilië, etc., richten ons tot ieder die deze akte onder ogen zal krijgen. Wij ontbieden daarom onze geliefde en getrouwe stadhouder en de andere leden van onze raad en de rekenmeesters in Holland, de schouten van Dordrecht, Delft, Leiden, Haarlem, Gouda, Amsterdam, Den Briel, Putten, Den Haag en Alkmaar en alle anderen die ons recht handhaven etc. Deze akte is opgemaakt in Brussel op 11 oktober 1531, van ons rijk het 2e en van ons koninkrijk Castilië etc. het 16e en er stond onder geschreven, door de keizer in zijn wijsheid. Het was ondertekend door L. De Zoete, lid van de raad.

Karel bij der Gratie Godts Roomschen Keijser, altijt vermeerdert des Rijckx, Koningh van Garmanien, van Castilien, etc. allen den genen die desen onsen Brief zullen sien etc. Ontbieden daeromme onsen lieven ende getrouwen Stede-Houder, Eerste, ende andere Luijden van onse Rade, ende Rekeninge in Hollant voorschreven, Schouten van Dordrecht, Delft, Leijden, Haerlem, vander Goude, Amsterdam, vanden Briel, van Putten, vanden Hage, ende Alkmaer, ende allen anderen onsen Justicieren, etc. Gegeven In onse Stede van Bruijssel, den xjen dagh van Octobris, in’t Jaer ons Heeren Duijsent, Vijfhondert, ende een en dartigh, van onsen Rijcke ‘tije, ende van onse Koninckrijcke van Castilien etc. ’t xvjen, ende stont onder geschreven, bij den Keijser in zijnen Rade, Onderteeckent, L de Zoete. Nota. Dit bovenstaende staet geregistreert, in’t 3e Stadts Register der Stadt Goude, Folio 92. Verso.

Uittreksel uit het tweede register van Amsterdam.

NB. Het bovenstaande staat geregistreerd in ‘t 3e stadsregister van Gouda. Folio 92. Verso.


[23] Beroerende seecker Glas Staende in Schepens Kamer.

[23] Dit betreft een glas dat zich in de schepenkamer bevindt.

Extract uijt het criminele Correcti Boeck der Stede vander Goude.

Omdat Dirck Hoeck ongehoorzaam is geweest aan de Heer en aan Gouda en onderdaan is van de Keizer en van Gouda en omdat hij schuldig is en niemand anders, zal hij, om boete te doen, zowel de Heer als Gouda een pond groot betalen. Om daarmee glazen te laten maken voor het stadhuis, waarin zijn misdaad geschreven zal zijn als voorbeeld voor eenieder. Deze twee pond groot moet hij terstond betalen en hij mag de gevangenis niet verlaten voordat hij de schuld voldaan heeft. Bovendien moet hij ter bedevaart gaan tot onze lieve Vrouwe,‌.?..... tot gerechtelijke vermaning. Anno 1501.

Alsoo Dirck Hoeck, overhoorigh is geweest den Heer, ende der Stede vander Goude, ende ondersaet is vanden Keijser, ende ons, dat van hem ende niemant anders en staet te Lijden, Soo zal hij te beteringe doen, en geven den Heer een pont groot, ende der Stede een pont groot, omme daer mede te doen maken Glasen inde Stede Huijs, daer inne geschreven zal staen zijn misdaet, tot Exemple van een ander, ende dese twee pont groot sal hij betalen terstont, ende niet uijtter gevanckenisse te gaen, ten zij dat hij voldaen heeft, ende noch een Bedevaert gaen tot ons lieffs Vrouwe, ten ?? Jnheel ?? tot Gerechts Vermaninge, anno 1501. Dese twee Glasen stads noch tegenwoordigh in Schepens Kamer ter Goude, aende Oostzijde vande Kamer ter Sijde de Schoorsteen, achter daer de Bailliuw zijn Zit plaetse heeft, daer inne boven staet geschreven, dit naer volgende gedicht,

Uittreksel uit het criminele correctieboek van Gouda.

Deze twee stadsglazen bevinden zich tegenwoordig nog in de schepenkamer te Gouda, aan de oostzijde van de kamer, naast de schoorsteen, achter de zetel van de baljuw. Daarboven staat het volgende gedicht geschreven,


[23Verso] Dirck Hijck, woude naer de Weth niet Leven. Tot Correctie, heeft hij dees twee glasen gegeven. Nota: In het Gedicht staet Dirck Hijck, ende inde Sententie Dirck Hoeck, doch het is een ende deselve.

[23 verso] Dirck Hijck wilde naar de wet niet leven. Om dit goed te maken heeft hij deze twee glazen gegeven. NB. In het gedicht staat Dirck Hijck en in de gerechtelijke uitspraak Dirck Hoeck, maar het is dezelfde persoon.


[24] Vernieuwen van de Weth, op den 16e Meij. Alsoo men gewoonlijck is de Wet vander Goude, deser Stede, Jaerlijckx te Vernieuwen op den 1en Januarij in de Winter, alsmen de wegen daer zeer qualijck magh gebruijcken, sulckx dat de Stadt Houder van Hollant, ofte zijn gecommitteerde daer qualijck ende zonder groote swaricheijt niet en mogen komen. Soo heeft de Koninginnen van Hongarien, Bohemen Etc. Regenten, ende Gouvernanten vanden Landen van Harwaers over om hier inne te Versien, geordonneert, ende ordonneeren mits desen, dat van nu voortaen, die vernieuwinge vander Wet vander Goude, altijt, ende alle Jaers geschieden zal, op den xvjen dagh van Meije. Ordonneren ende bevelende den Weth houders, uwer voorschreven Stede vander Goude, als nu geordonneert, ende ge-eligeert elckx heuren staet, te bedienen ende bewaren opden Eedt, die zij gedaen hebben, tot den geordonneerden dage voorschreven, die zij nu alsmen schrijven sal, anno xvhonderdxlvij. Actum tot Uijtrecht, den jen Dagh Februarius, anno xvhonderdvijf en veertigh, onderstontt geschreven Maria, Noch stont ondergeschreven, ter Ordonneert van haer Majesteijt, Onderteijckent Verreijcken.

[24] Het herzien van de wet op 16 mei. Men is gewend de wet van Gouda ieder jaar ’s winters te herzien op 1 januari. De wegen zijn dan vrijwel onbegaanbaar, zodat de stadhouder van Holland of zijn zaakgelastigde Gouda slecht en niet zonder grote problemen kan bereiken. Daarom heeft de koningin van Hongarije, Bohemen etc. tot heden de regentes en landvoogdes van deze landen bepaald en beveelt zij hierbij dat voortaan elk jaar de herziening van de wet van Gouda zal plaats vinden op 16 mei. Zij bepaalt en beveelt de wethouders van Gouda, elk in hun gekozen functie, zich te houden aan de eed die zij hebben gezworen tot de geordonneerde dag als men het jaar1547 schrijft. Waarvan de akte is opgemaakt in Utrecht op 1 februari 1545, eronder stond geschreven Maria en daaronder stond nog geschreven: op last van Hare Majesteit, ondertekend door Verreijcken.


[24Verso] Copia, Copia.

[24 verso] Kopie

Die Heere van Praet Etc. Stadt-Houder Generael, d’Eerste ende d’Anderen vande Raet des Keijsers, over Hollant Etc.

De heer Van Praet etc. stadhouder generaal, de eerste en andere leden van de raad van de keizer over Holland etc.

Edele discrete goeden vrinden. Wijsende uwer Edelen seeckere Acte, vande Majesteit vande Koninginne, van Date den 1en februarij lestleden, beroerende ’t Verniewen vande Wet der Steden vander Goude, ende de continuatie van dien. Ten eijnde ghij u daer na Reguleren, ende ’t inhouden van dien, achtervolgende: Edele Discreten goede Vrienden. Onse Heere Godt zij met u, geschreven in den Hage den xviijen Decembris 1546. onderstont pain, Nogh stont buijten op den Brief, geschreven Edele Discreten, onse goeden Vrienden, den Castelijn, Burgermeesteren, ende Regeerders der Stede vander Goude.

Edele, wijze, goede vrienden, wij wijzen u edelen op een acte van de majesteit de koningin, van 1 februari jongstleden, betreffende het herzien van de wet van Gouda en de voortzetting daarvan. Opdat u de regels die daarin staan in acht zult nemen. En dan volgt: Edele, wijze, goede vrienden, God zij met u. De acte is geschreven in Den haag, 18 december 1546. Eronder stond pain (?). Bovendien stond buiten op de acte geschreven: onze edele, wijze, goede vrienden de slotvoogd, de burgemeesters en de bestuurders van Gouda.


[25] Pieter Claessen Onthooft. In’t Jaer 1416. Des saterdaghs na St. Catharinen dagh, die sprack Jan van Halen, als Bailliuw Pieter Claesz aen, in de vierschaer ter Goude voor Schepenen, ende seijde hoe dat hem in Verleden tijden de Stede Verboden was, op lijf straffen, ende boven dien in gekomen was binnen der Steden, buijten Consent vande Heere, ofte vander Stede. Ende hadde met gewelt een Door op gestoten, ende potten, en Ketelen, met Cracht aentween gestoten. Ende dat geseijt hadde voor Schepenen, ongevangen, ende ongebonden, ende daer aen Verbeurt hadde zijn Lijf, ende zijn Goedt. Ende woude hij daer ijet tegen zeggen, zoude met hem gaen aen Schepenen, ende zeijde dat hij met hem Schuldigh waer te gaen aen Schepenen, ofte aen alle zijn woorden te lijen. Des Pieter daer tegen sprack, ende zeijde, dat hij onschuldigh waer, ende hem die aenspaeck niet deren en souden, ende waert saecke dat hem de Stede Verboden was, dat het waer op zijn Lijf, en de niet op zijn Goedt. Ende zoo wie den anderen hooger aenspreeckt, dan hij hem Verboden heeft dat hij daer aff Vrij, ende ontslagen zal wesen. Ende soo wie mede binnen der Vrijheijt niet Gevangen en wort. Maer gevangen lagh in Schiedam, ende daer van daer met Cracht ende gewelt hier gebracht is. Ende bij alle dese redenen vrij behoort te wesen, van dese aenspaeck, Ende doe gingen zij beijde voor schepenen. Ende geleesen worden aende Vroetschap, Ende zij dat wesen aen die van Leijden, des die van Leijden uijtgaven, den Bailliuw die heeftet gewonnen, ende Pieter Claessen Verloren. EndePieter Claesz wort Onthooft, op den dartienden……. avont op een Dijnsdagh voor de halle, in’t Jaer XIIIIhonderd ende xvij. Godt hebbe zijn Ziel.

[25] Pieter Claessen onthoofd. In 1416, op zaterdag na St. Catherina dag, beschuldigde de baljuw, Jan van Halen, voor de rechtbank in Gouda, Pieter Claessen ervan dat hij het verbod uit het verleden om in de stad te komen had geschonden. Hierop stond een lijfstraf. Hij was namelijk zonder toestemming van de Heer of van de stad de stad binnen gekomen en had met geweld een deur open getrapt en met kracht potten en pannen stuk gesmeten. De baljuw verklaarde dat Pieter dat vrij en ongeboeid voor de schepenen gezegd had, waardoor zijn lijf en zijn goed verbeurd waren. Als Pieter daar iets tegen in wilde brengen dan moest hij met de baljuw naar de schepenen gaan, of hij zou ten gevolge van al zijn woorden moeten lijden. Pieter zei dat hij onschuldig was en dat de beschuldiging hem niet zou deren omdat het geval wilde dat hem verboden was de stad binnen te gaan met gevolgen voor zijn lijf en niet voor zijn goederen. Als men een hogere straf eist dan bij het verbod hoort dan zal de beschuldigde worden vrijgelaten en ontslagen. Degene die niet binnen de vrijheid van de stad gevangen was, maar gevangen was in Schiedam en van daaruit met kracht en geweld hier gebracht was, zal om deze redenen vrij horen te zijn van deze beschuldiging. Toen verschenen zij beiden voor de schepenen en werden beoordeeld door de vroedschap. Die wezen die van Leiden aan, en die van Leiden bepaalden dat de baljuw had gewonnen en Pieter Claessen verloren. Pieter Claessen werd onthoofd op de dertiende …… avond op een dinsdag voor de hallen in 1417. God hebbe zijn ziel.


[25Verso] Item: Anno 1426. Soo belegerde Vrouwe Jacoba, met hulpe vander Goude, Schoonhoven, ende Oude ater, de Stede Haerlem, ende de Borgonsch quamen om de Goutsche sluijsen te Stoppen, ende de Hartoginne Brack in der Nacht op, vande Belegeringe voornoemt, ende ontmoete de Borgonsch tot Alphe, ende daer geviel een Vreede Bittere strijt, soo dat de Borgonsch de nederlaegh hadde, ende wierden daer meestendeel Verslagen, ende de Hartoginne Vrouwe Jacoba quam inden dagen-raet, met groote Victorie, ende Eere binnen der Goude, met de Borgonsche Vaendelen, ende Wimpelen. guiciardijn. fol: 368.

[25 verso] Idem: In 1426 belegerde Vrouwe Jacoba Haarlem, met hulp van Gouda, Schoonhoven en Oudewater. De Bourgondiërs kwamen om de Gouwesluis te veroveren. In de nacht brak de hertogin de belegering van Haarlem op en trof de Bourgondiërs te Alphen, waarna een wrede en bittere strijd werd geleverd. Omdat de Bourgondiërs de nederlaag leden en daar overtuigend werden verslagen kwam de hertogin Vrouwe Jacoba bij het aanbreken van de dag met grote triomf en eer Gouda binnen met de Bourgondische vaandels en wimpels. Guiciardijn. Folio 368.


[26] Schattinge vande gemeene Lande.

[26] Belasting van alle landen van de hertog.

Inden Jare 1468. Inde Maent Junio, ten tijden als Hartogh Carel van Borgondien, Sone, ende Erfgenaem van Hartogh Philips van Borgondien, in den Hage gehult worden, den 27 Graven van Hollant Zeelant etc. zoo versocht den selve Grave, van zijn Lant een Bede van 24000 Leeuwen, tot 30 stuijvers ’t stuck, maeckende 48000 Schilden, noch voor zijn Huijsvrouw tot Spelde-gelt, zijnde des Koninckx Suster van Engelant, 32000 Schilden. Noch tot Giften, en heusheden, van alderhande Dienaren 16000. noch tot Vervallinge vande Kosten, bij de Ridderschap, Edele ende andere gamaeckt, in’t Reijlen om deser1 saecke willen 4800. Naderende ‘tzame, een somme van Hollantsche Schilden - - - - - - - - - - - 532800. Waertoe die van Hollant, ende WestFrieslant mosten betalen - - - - - - - - - - -

372800

Hier tegen behielt den Grave aen hem, voor zoo veel Dort, en haer omleggende Dorpen, en Steden, hier aen mosten geven, een Somme van - 39200.

1

[de] interlineair

In 1468, in juni, toen hertog Carel van Bourgondië, zoon en erfgenaam van hertog Philips van Bourgondië, als 27ste graaf van Holland, Zeeland etc. ingehuldigd werd in Den Haag, wilde deze graaf van zijn land een gift hebben van 24000 leeuwen van 30 stuivers het stuk, zijnde 48000 schilden. Verder wilde hij voor zijn huisvrouw, de zuster van de koning van Engeland, als speldengeld 32000 schilden. Plus voor giften om de stand op te houden van allerhande dienaren 16000, plus voor de betaling van de kosten bij de ridderschap, de edelen en andere zaken bij het reilen van onze zaak gemaakt, 4800. Zijnde in totaal een som van 532800 Hollandse schilden. Daarvoor moesten Holland en West-Friesland 372800 betalen. Hiervan hield de graaf voor zichzelf zo veel als Dordrecht en haar omliggende dorpen en steden moesten geven, een som van 39200 .


[26Verso] Soo resteerde noch, voor de andere Steden, en Dorpen te betalen, een Somme van 333600.

[26 verso] Dus bleef voor de andere steden en dorpen nog 333600 te betalen over.

De welcke betaelt souden worden, op 15 achter een volgende half Jaer, komende voor twee Termijnen alle Jaers - - - - - - - - - 41035.

Het zou 15 keer halfjaarlijks betaald worden, dat wil zeggen elk jaar in twee termijnen 41035. Zodoende gaven de volgende grote steden de volgende som:

Hier toe gaven Jaerlijckx, dese navolgende Groote Steden. Haerlem - - - Delft - - - - Leijden - - - Amsteredam - Goude. - - - -

3594 } 3375 } 3375 } Schilden. 2975 } 1770 }

Nota: Hier uijt kanmen sien, wat der goude Jaerlijckx gecontribueert heeft.

Haarlem - - - Delft - - - - Leiden - - - - Amsterdam - - Gouda - - - - -

3594 3375 3375 2875 1770

NB Hieruit kan men zien hoeveel Gouda jaarlijks heeft bijgedragen.


[27] Haersteden.

[27] Huizen

Inden Jare 1515 Is een Generale notie gehouden, over de Haersteden van Hollant, ende is bevonden, zoo hier na volgen. Namentlijck:

In 1515 heeft men een algemeen onderzoek gedaan naar de aantallen huizen in Holland en men vond de volgende aantallen: Dordrecht - - - - - - - 1500 Haarlem - - - - - - - - 2714 Delft met Delfshaven - - - 2733 Leiden - - - - - - - - - 3017 Amsterdam - - - - - - - 2531 Gouda - - - - - - - - - 1694 Rotterdam - - - - - - - 1137 Gorcum - - - - - - - - - 700 Schiedam - - - - - - - - 470 Schoonhoven - - - - - - 460 Woerden - - - - - - - - 267 Heusden - - - - - - - - 247 St.Geertruidenberg - - - - 280 Muiden - - - - - - - - - 100 Oudewater - - - - - - - 335 Naarden - - - - - - - - 500 Weesp - - - - - - - - - 205 Den Haag - - - - - - - - 1118

Dordrecht. - - - - - - - - Haerlem. - - - - - - - - Delft, met Delfts-Haven. - - Leijden. - - - - - - - - - Amsterdam. - - - - - - - Goude. - - - - - - - - - Rotterdam. - - - - - - - Gorcum. - - - - - - - - - Schiedam. - - - - - - - - Schoonhoven. - - - - - - Woerden. - - - - - - - - Heusden. - - - - - - - - St. Geertruitenberge. - - - Muijden. - - - - - - - - Oudewater. - - - - - - - Naerden. - - - - - - - - Wesop. - - - - - - - - - Hage. - - - - - - - - - - -

1500 2714 2733 3017 2531 1694 1137 700 470 460 267 247 280 100 335 500 205 1118

Nota: dit bovenstaende staet geregistreert, inde Historijsche beschrijvinge der Stadt Leijden, beschreven door J.J.Orlers. O.L. Gedruckt, 1641. fol: 52.53

NB: het bovenstaande staat genoteerd in de geschiedkundige beschrijving van Leiden, geschreven door J.J.Orlers. O.L. Gedrukt in 1441. Folio 52.53.


[28] Huldinge van Hartoge Philips. Anno1497. Quam Hartoge Philips, de Vader van Keijser Karel de vijfde, binnen der Goude, als Grave van Hollant, ende wiert daer met groote Manificentie ontfangen. Privilegie Boeck, Fol: 2. Ontfangh. Groot mogende ende deurluchtige Vorst, onser aller genadighsten Heere, uwe onderdanige [1] ondersaten, Schout, Burgermeesteren, Schepenen, ende Gemeente van deser, uwe genadichste Steden vander Goude. Verblijden hem zeer hartelijcke, van uwer genadighsten inkomste, alhier ende presenteren u de Schotelen van de Stadt, stellende Lijf, en goet inde bescherminge, ende meer Vorstelijcke genadichlijcken, ende Gratie. Den Eet vander gemeente. Dat Sweere wij, als dat wij onsen aldergenadighste Heere, Eers Hartoge Philips hier

1

[Stad] doorgehaald

[28] Huldiging van Hertog Philips. Ontvangst. In 1497 kwam hertog Philips, de vader van keizer Karel V, als graaf van Holland in Gouda en werd daar met pracht en praal ontvangen. Privilege boek folio 2. Grootmogende en doorluchtige vorst, ons aller genadige heer, uw onderdanige onderdanen, schout, burgemeesters, schepenen en inwoners van de onderdanige stad Gouda. Wij zijn heel blij met uw bezoek aan ons en bieden u de sleutels van de stad aan en plaatsen daarbij lijf en goed in uw bescherming en vorstelijke genade en gratie. De eed van de gemeente. Wij zweren dat wij onze allergenadigste heer, hertog Philips, die hier


[28Verso] Tegenwoordigh, zijnde Hulden, ende Ontfangen tot onsen gerechten Geboren Lant Heere, als Grave vanden Lande van Henegouwen, Hollant, Zeelant, ende West1-Vrieslant, zijnde Hoogheijt, Heerlijckheijt, ende Graeffelijcke Rechte, gehouwelijck te bewaren, ende t’onderhouden, ende zijne Princelijcken genade Canselier, ende grooten raet van Justitie, zijnen Stadt houder, ende Raet in Hollant, zijn Schout, Burgemeesteren, ende Schepenen, van deser zijner genadighsten Stede van der Goude, ende alle zijne Officieren. ende Dienaren, elcke nae zijne toebehooren haren Diens, doende ende Exercerende te obidierende, ende te assesteren, ende voort gehou, ende getrouw te wesen, ende dienstachtigh tot bescherminge van zijn Edelen Persoon, ende Staten, tegen allen als wij van rechte wegen, ende van redenen schuldigh zijn van doen, ende voorts alles te doen dat goede, ende getrouwe ondersaten, haren rechten gebooren Lants-Heere, schuldich zijn te doen. Alsoo moet ons Godt helpen, ende alle zijne Heijligen. Hier na volght den Eedt, van onsen goeden Heere, Hartoge Philips gedaen. Dat sweeren wij, dat wij goet ende Rechtveerdigh Heere, ende Prince te zijne onser Stede vander Goude, ende onse ondersaten van dien te onderhouden, ende te doen onderhouden, alle Rechte, Privilegien, Hant-Vesten, ende Jaer-komen hem luijden Verleent, ende geconfirmeert bij Hartoge Philips Zaliger gedachtenis, ende Karel laest Overleden, ende heuren voor Vaders Grave ende Gravinnen van Hollant, ende al te doene voor zijnen ondersaten. Alsoo moet ons Godt helpen, ende alle zijne Heijligen. Actum ut supra

1

[West] in de marge

[28 verso] aanwezig is, in te huldigen en te aanvaarden als onze rechtmatige landheer als graaf van Henegouwen, Holland, Zeeland en West-Friesland en wij zweren de hoogheid, de heerlijkheid en de grafelijke rechten te beschermen en te onderhouden. Bovendien zweren wij, de kanselier van de prins, de hoge raad van justitie, de stadhouder, de raad van Holland, de schout, burgemeesters en schepenen van deze aan hem onderdanige stad Gouda en alle officieren en dienaren, elk naar zijn vermogen, bij de uitoefening daarvan zijn edele persoon en de staten te gehoorzamen, terzijde te staan en te beschermen en in woord en daad trouw te zijn en dienstig te zijn bij de bescherming van zijn edele persoon en de staten tegen iedereen, zoals wij rechtens en in redelijkheid behoren te doen. Voorts zweren wij alles te doen dat goede en getrouwe onderdanen voor hun rechtmatige landsheer geacht worden te doen. Zo waarlijk helpe ons God almachtig en al zijn heiligen. Hierna volgt de eed die onze goede heer, hertog Philips, heeft afgelegd. Wij zweren dat wij een goede en rechtvaardige heer en prins zullen zijn van onze stad Gouda en onze onderdanen en dat wij alle rechten, privileges, handvesten en jaarlijkse inkomsten die aan mensen zijn verleend altijd zullen handhaven. Deze zijn bevestigd door wijlen hertog Philips en de onlangs overleden Karel en hun voorvaderen, graven en gravinnen van Holland. Wij zweren dat wij dat allemaal zullen doen voor onze onderdanen. Zo waarlijk helpe ons God almachtig en al zijn heiligen. Akte als boven.


[29] De parochie Kerck, van Sint Jan binnen der Stede GoudĂŚ. Staet te noteren, dat inde groote Parochie Kercke van Sint-Jan ter Goude, gestaen hebben 72 Altaren. Brandt vande Kerck. Inden Jare ons Heere 1552 den 12 Januarij, zoo verbrande ter Goude door Donder, ende Blixem des Avonts de Groote Kerck, met de Toorn, maar het Coer bleef staen, ende staet noch ten huydigen Dagen, desen Brant geschiede wonderlijcken, ende fameus, want alhoewel veel Huijsen ontrent de Kerck staen, soo is geene van des selve beschadight, Jae dat noch meer te Verwonderen is, ende alsnoch in gedachte is, soo en is daer niet een gedaen eenigh Mensch Verongeluckt, naer dat men naer naerstigh ondersoecken heeft konnen bevinden, het welcke dit gedicht staet, jegenwoordigh voor het voorschreven Thoor gemaeckt bij wijlen Micchiel Cornelissen Vlack Zaliger In Latijnsche, en Nederduytsche Talen is, mede brengende ende luijt alhier naer is volgende.

[29] De parochiekerk van St. Jan in de stad Gouda. Om vast te leggen dat in de grote parochiekerk van St. Jan 72 altaren hebben gestaan. Brand van de kerk. Op 12 januari 1552 in de avond brandden de grote kerk en de toren in Gouda af na een blikseminslag. Het koor bleef staan en staat er tot op de huidige dag. Deze brand was in hoge mate wonderlijk, want, hoewel er veel huizen om de kerk heen stonden, was er niet een beschadigd. Wat nog verbazingwekkender was en wat men zich nog een hele tijd herinnerde, was, dat er geen mensen waren verongelukt, hetgeen men na ijverig onderzoek had kunnen vaststellen. Dit alles staat in dit gedicht aanwezig in de voornoemde toren en is gemaakt door wijlen Michiel Cornelissen Vlak, in het Latijn en het Nederlands en luidt als volgt.


[29Verso] ’T Jaer vijftien hondert, twee-en Vijftich daer beneven, Den twaelfden deser maent, sich ’s Avonts heeft verheven, Een Donder vreeselick zeer, en Schickelijck Blixem slagh. Dees Toorn met dees Kerck, men hier afbranden Zagh, Door Hagel, Wint, en Vloet, oock quam doorbreeck van dijcken, Een Water-noot zeer groot, die niemant kon ontwijcken. Danckt Godt met herten blij, dat desen Brant Voorseijt, Huijs, Hut, of na bij, of ’t Volck, deedt eenich Leijt.

[29 verso] In het jaar vijftien honderd twee en vijftig om En nabij, De twaalfde van deze maand, heeft zich ’s avonds Voorgedaan, Een vreselijke donder en verschrikkelijke Blikseminslag. De toren en de kerk zag men hier Afbranden, Door hagel, wind en vloed braken ook de Dijken door, Een watersnood zo groot dat niemand die Kon ontwijken. Dankt God blij van hart dat de Voornoemde brand, Geen huis, hut of dergelijke of mens leed Heeft berokkend.

Januarij twaelff, door Donder en Blixem ’t welck was Godts werck, ’S Avonts, soo verbrande hier de groote Kerck.

Twaalf januari, door donder en bliksem, Gods werk, ’s Avonds, brandde hier af de grote kerk.


[30] Faes Dirckzoon Stoeldraeijer verbrant. Inden Jare 1570 Is door langhduijrigh aenhouden, ende versoecken van Heer Joost Pastoor Ketter Meester ter Goude, gevangen eenen Faes Dirckxzoon Stoeldraeijer, om oorsaecken dat hij de Roomsche Kerck afgegaen, hadde, ende hem tot Rotterdam hadde laten Herdoopen. Desen Faes Dirckxzoon is lange bij den Bailliuw ende des Wet gewaerschout geweest, (om neffens eenen Mr. Eewith Gerritszoon Cirurgijn, binnen deser Stede van der Goude, die mede Herdoopt was) te vertrecken, alsoo die vande Gerechte, ’t zelvige niet langer onthouden en konden, want den Pastoor voornoemt, haer daeromme zeer Molesteerden, zoo hebben zij hem op seeckere tijt, door hare Bode op het Raet-Huijs ontbooden, ende den Bode tot hem komende zeijde hij dat hij volgen zoude, ende zijn boven Rocxken aengetogen hebbende, zeijde hij tegens zijne Huisvrouwen, die zijn sone Leendert Faeszoon hat en Bakerde, dat hij op ‘t Stadt Huijs bij de Heere ontboden was, ende daer naer toe ginck, seggende haer voors Adieu, ende is ‘t Lombart Steechjen doorgegaen, alsoo hij doe in de vergulden Kist, in de lange Groenendal woonde, en ginck nae de sluijs Brugge, daer Mr. Eewit voornoemt, woonde ende aen Mr. Eeuwith gevraeght, wat hij doen zoude, daer op Mr. Eeuwith antwoorde, dat men behoorde uijt te gaen, also de Heere het niet langer tegen houden en konde, ende dat men zich zelve niet al willens moet verroeckeloosen, maer dat men gehouden is, alsoo wel te sorgen voor zijn Lichaem, dan voor zijn Ziel, alsoo onse Salichmaker ons dat zelve leert, daer hij zeijt, dat men vande eene Stadt, inde anderen moet Vlieden, ende het alsoo soecken te ontkomen, doch

[30] Faes Dirckzoon Stoeldraeijer op de brandstapel. In 1570, na heel lang aandringen van mijnheer Joost Pastoor, kettermeester te Gouda, is ene Faes Dirckzoon Stoeldraeijer gevangen genomen, omdat hij de Roomse Kerk had verlaten en zich in Rotterdam had laten herdopen. De baljuw had in naam der wet al lang gewaarschuwd dat Faes Dirckzoon, evenals ene mr Eewith Gerritszoon chirurgijn in Gouda, die ook herdoopt was, moest vertrekken. De gerechtsdienaren konden de gevangenneming niet langer uitstellen, omdat de pastoor ze te zeer op de huid zat. Dus hebben zij op een dag de bode opdracht gegeven Faes op het raadhuis te ontbieden. De bode ging naar Faes en zei dat hij hem moest volgen. Nadat Faes zijn overjas had aangetrokken zei hij tegen zijn huisvrouw, die zijn zoontje Leendert Faeszoon verzorgde, dat hij bij de heren op het stadhuis ontboden was en daarheen ging en hij nam afscheid van haar. Daarna is Faes door het Lombardsteegje gegaan, omdat hij toen in de vergulde Kist in de Lange Groenendaal woonde en ging naar de Sluisbrug, waar mr Eewith woonde. Faes vroeg aan mr Eewith wat hij moest doen. Waarop mr Eewith zei dat men behoorde weg te gaan, aangezien de heren een vonnis niet langer konden tegenhouden en dat men niet willens en wetens roekeloos met zijn leven moest omspringen, maar dat men gehouden was even goed voor zijn lichaam te zorgen als voor zijn ziel. Zoals onze zaligmaker zelf ons leert, als hij zegt dat men van de ene stad naar de andere moet vluchten en het zo proberen te ontkomen.


[30Verso] Alsoo hij ’t zelve niet ontkomen en konden, dat hij dan verduldelijcken lijden zouden moeten, met diergelijcken woorden en meer omstandicheden, doch Faes Dirckxzoon presumeerde dat hij een goede saeck voor hadden, ende datmen daeromme behoorde te lijden, ende het niet schamen mosten, en niet en was geresolveert te Vlieden, ende nam zijn afscheijt voor Mr. Eeuwit, ende seijde dat hij na ’t Stadt-Huijs toe ginck, ende is alsoo na ’t Stadt-Huijs gegaen, op ’t Stadthuijs komende, zoo seijde de Heere, wel Faes Dirckszoon zij dij daer, wij hebben1 last om U Lieden te vangen, ende diergelijcke hem vermanende, zoo zeijde de Heeren, van zijne dwalingen affstant te doen, met meer andere discoursen, daer op Faes Dirckx antwoorde, geen afstant te willen doen, ende dat hij daer bij woude blijven, Doen hebben hem de Heeren geheeten buijten te staen, ende hem te beraden, of hij zijn gelooff woude Versaecken, ende hem wederom begeven tot de Moeder de H. Roomsche Kercke, ende diergelijcke woorden meer, waarop Faes Dirckxzoon buijten ginck uijt de Burgemeesters Kamer, ende ginck daer wel een Uijr voor Burgermeesters ende Schepens Kamer in de middelsael wandelen, ende doen wiert wederom geschelt, soo dat hij eenmael binnen quam, waer over de Heere altreerde, seggende Faes Dirckxzoon, zij dij daer noch, want zij hadde gemeijnt dat hij ondertusschen souden Vertrecken, ’t welck zij garen gesien soude hebben, alsoo zij na zijn Doot niet begeerigh en waren, hem alsoo wederom Vragende, om afstant te doen, ’t welck hij niet en wilde doen, soo hij zeijde, doen hebben zij hem in hechtenisse geset, ende heeft den 31en Meij 1570 sijne Sententie ontfangen, Luijden als volght. Sententie van Faes Dirckzoon Alsoo Faes Dirckxzoon, geboren Poorter deser Stede Goude, tegenwoordigh gevangen buijten Pijn van banden, ende van Yser, onder den Blauwen Hemel, voor mijn Heeren vanden gerechten bekent heeft, dat hij geleden heeft, dat het is geweest over ruijm een Jaer, dat hij tot Rotterdam hem heeft laten Verdoopen, van een Mans Persoon die hij niet

1

[hebben] in de marge

[30 verso] Mr. Eeuwith echter zei dat als hij er niet aan kon ontkomen dan zou hij geduldig moeten lijden en mr. Eeuwith sprak nog meer van zulke woorden en voerde nog meer omstandigheden aan maar Faes Dirckzoon ging ervan uit dat hij een goede zaak voorstond en dat men daarvoor behoorde te lijden en dat men de zaak niet te schande moest maken. Faes had besloten niet te vluchten en nam afscheid van mr. Eeuwith en zei dat hij naar het stadhuis toe ging. Daarom is hij naar het stadhuis gegaan en toen hij daar was aangekomen, zeiden de heren: “Wel Faes Dirckzoon, bent u daar. Wij hebben opdracht u gevangen te nemen.” Zij vermaanden hem onder andere door te zeggen dat hij afstand moest doen van zijn dwalingen en meer soortgelijke bewoordingen. Daarop antwoordde Faes Dirckzoon dat hij geen afstand wilde doen en erbij wilde blijven. Toen hebben de heren hem gezegd dat hij buiten moest gaan staan en zich moest beraden of hij zijn geloof wilde verzaken en terug wilde keren naar de moeder, de Heilige Roomse Kerk en meer van dat soort woorden. Toen ging Faes Dirckzoon uit de burgemeesterskamer naar buiten en ging daar wel een uur voor de kamer van de burgemeesters en schepenen in de middenzaal wandelen. Ten slotte werd er gebeld en toen hij weer binnenkwam verwonderden de heren zich daarover en zeiden: ”bent u daar nog?” , want zij hadden gemeend dat hij ondertussen zou vertrekken. Dat zouden zij graag gezien hebben, omdat zij niet op zijn dood uit waren. Daarom vroegen zij hem weer om afstand te doen en hij zei dat hij dat niet wilde. Toen hebben zij hem in hechtenis genomen en op 31 mei 1570 heeft hij het vonnis ontvangen dat luidde als volgt: Vonnis voor Faes Dirckzoon. Omdat Faes Dirckzoon, geboren poorter van de stad Gouda, tegenwoordig in hechtenis , bekend heeft voor de heren van het gerecht, “zonder pijn van banden en ijzer”, onder de blauwe hemel, dat hij geestelijk geleden heeft, dat hij meer dan een jaar geleden zich in Rotterdam heeft laten herdopen door een manspersoon die hij niet ...


[31] En kende, dat hij oock seder twee Jaren Herwaers, de conversatie vande H. Kerck ons Moeder, afgeslagen heeft, oock mede niet geloove, ofte houdende aen ‘t Heijligen eerwaerdige Sacrament des Altaers, daer ‘s Mensche Saligheijt in bestaet, sonder dat den voornoemde Faes Dirckxzoon daer van heeft willen pointeren, of anders onderwesen te zijn, daer bij gevoecht heeft den geenen, die hem begeerden te onderrechten, ende van zijne dwalinge ende Ketterie afstandigh te maken, geen gehoor wilde geven, als wesende Contrarij de geschreven Rechten, ende de Placcaten van den Coninklijke Majesteit tot meer stont in dese Landen gepubliceert. Soo ist dat Schepenen met Rijpe deliberatie van Rade, doorsien ende overwogen hebben, al ’t gene ter Materie dienende is, van wegen ende in de Name des Konincx van Spaenjen, als Grave van Hollant, Zeelandt, ende Vrieslant, ons Alre Groote Heere, den voornoemden Faes Dirckxzoon jegenwoordigh gevangen, gecondemneert hebben, ende condemneren hem bij desen, op ’t gerecht buijten deser Steden gebracht, ende aldaer metten Viere ge-executeert te worden, verclaert alle zijn goederen geconfisqueert, tot proffite van Zijn Coninklijke Majesteit te bewaren, den voornoemden Faes Dirckxzoon publijcquement voor den Gemeente afweeck van zijne voorschreven Ketterie, daer bij verklarende, ende bekennende in de MisKeert bedrogen te zijn. In sulcke geval, soo referreren Schepenen daer boven noch, de pinutie ende straffe vanden Misdaet aen hem om die gedaen, te worden, sulcxs zij bevinde sullen te behooren, achtervolgende de Placcaten vande voorschreven Majesteit. Gedaen bij Jan Claes Diertszoon ende Sijmoen Geenessen Burgermeesteren, geinthimeert Ghijsbert Jan Maertenszoon, ende Gerrit Huijgen Burgermeesteren Dirck Otten van Slingerlant Schepenen, geinthimeert Gerrit Gerritszoon Bouwers, Dirck Andriessen, Mr Hendrick Jacobszoon, Dirck Janszoon Jonck, Mr Cornelis Hendrikse Schepenen, ende Dirck Bedaecq Schepenen, geinthimeert Gepubliceert den lesten Meij. Anno 1570.

[31] …kende en dat hij ook sedert twee jaar de leer van de moeder, de Heilige Roomse Kerk heeft afgezworen. Bovendien gelooft hij niet in en houdt hij zich niet aan het heilige, eerbiedwaardige sacrament van het altaar, waarop de zaligheid van de mens berust, zonder dat Faes Dirckzoon daarvan berouw heeft willen tonen of zich anderszins heeft laten overtuigen. Daar komt nog bij dat hij geen gehoor wilde geven aan degenen die hem wilden onderrichten en hem van zijn dwaling en ketterij wilden afhelpen. Deze zijn in tegenspraak met het geschreven recht en de plakkaten van de koning, die meer dan eens in deze landen zijn gepubliceerd. Dus hebben de schepenen in rijp beraad alles wat met de zaak te maken heeft doorgelicht en overwogen. Vanwege en in naam van de koning van Spanje, als graaf van Holland, Zeeland en Friesland, ons aller grote heer, hebben zij Faes Dirckzoon, die tegenwoordig gevangen is, veroordeeld en veroordelen hem bij deze hem voor het gerecht buiten de stad te brengen en hem daar door het vuur ter dood te brengen. Zij verklaarden al zijn goederen in beslag te nemen en te bewaren ten gunste van de koning, voor het geval dat Faes Dirckzoon publiekelijk voor de gemeente nog zou afwijken van zijn voornoemde ketterij en daarbij verklaren dat hij bij het afzweren van de mis bedrogen was. In dat geval refereren de schepenen daarom aan de straf voor de misdaad die hij heeft begaan zoals zij vinden dat die behoort te zijn volgens de plakkaten van de voornoemde majesteit. Opgemaakt door Jan Diertsz en Sijmoen Geenesen burgemeesters gedagvaard, Ghijsbert Jan Maertensz en Gerrit Huygen burgemeesters, Dirck Otten van Slingerland schepen gedagvaard, Gerrit Gerritsz Bouwers, Dirck Andriessen, Mr Hendrik Jacobsz, Dirck Jansz Lonck, Mr Cornelis Hendriks schepenen en Dirck Bedaecq, schepen, gedagvaard. Gepubliceerd de laatste mei in het jaar 1570.


[32] Eenige andere memorien, raeckende de stadt Goude, genomen uijt den Secretarie, der selver Stede. [1 De Wint ter Gouda, om Molens te setten, binnen de Vrijheijt is gekocht van Johan van Henegouwen, Heer van Beaumont etc. Om vijftigh ponden Hollants, ‘sJaers, eeuwelijcke etc. In date 1353. [2 Een poorter vander Gouda, iemant van zijn Leven toe Doot brengende, Verbeurt tegen den Heer zijn Lijf, mits dat hij zijn Goederen magh redimeren, met sestigh ponden van xl groote Vlaems ’t pont, volgende het Prevelie van Philips, Hartogh van Borgondien, etc. zijnde in ’t Walsche, ende in date den 28en Septembris, 1451.

[32] Enige andere geschriften betreffende de stad Gouda, ontleend aan de secretarie van deze stad. [4 De wind in Gouda, om molens te zetten binnen de vrijheid, is gekocht van Johan van Henegouwen, heer van Beaumont, etc. voor vijftig Hollandse ponden per jaar en voor eeuwig. Gedateerd 1353. [5 Een poorter van Gouda, die iemand heeft omgebracht, verbeurt aan de heer zijn lijf, behalve als hij zijn goederen kan terugkopen voor 60 pond van elf Vlaamse groot per pond, volgens het privilege van Philips, hertog van Bourgondië, etc. in het Waalse en gedateerd de 28ste september 1451. [6 Idem: een poorter die wettig gehuwd is kan meer verbeuren dan zijn lijf en de helft van zijn goederen, bovendien kan men geen geld eisen dan van …

[3 Item: Een Poorter Sittende in Wettelijcken Huwelijcken, mach meer Verbeuren dan zijn Lijf, ende de Helft van zijne goederen, mitsgaders datmen geen Gelt magh Eijsschen, dan van

1

4

2

5

[Wint ter goude gekocht] in de marge [Poorter ter Goude, mogen haer goederen remedieren, met 60 ponden] in de marge 3 [helft vande goederen] in demarge

[Wind in Gouda gekocht] in de marge [Poorters van Gouda kunnen hun goederen terugkopen voor 60 pond] in de marge 6 [Helft van de goederen] in de marge


[32Verso] achter Susters Kinderen, volgens het Priveligie van Jan van Castellion etc. In Date Pontianus Dagh, 1373. Ende is ’t Videmus van’t zelve bezegelt, bij den Guardiaen vande Minnebroeders, etc. 1

[ Dat Marck-Velt ter Goude is gekocht van Guwij van Casteleijs, Grave van Boloes etc. om drie hondert oude Vranckerijckshe Vranken, in gerede Penningen, ende xl Schellingen Hollants, goet Gelt, ’s Jaers te betalen St. Jans, te midde inde Somer, des maghtmen op’t voorschreven Marckvelt wel timmeren, een Halle, Raethuijs, Wanthuijs, oude Vleijs-Huijs, alsoo groot die Stede Oirbaer ende uijt dunckt te wesen, tot eer der Stede behouff, die plaetse leggende ontrent de Halle, zal onbetimmert blijven, in Date, den Eersten Julij 1395. [2 De Vrijheijt tot de Stede vander Goude, is vergroot een quartier Mijls in’t Ronde, bij Maximiliaen, ende Philips Aerts-Hertoge van Oostenrijck, ende volgens het Privilegie in date, den 28en Junij 1484. Daer vores heeft de Stadt gefineert, Ses-hondert Ponden van xl grooten, volgens de Quitantie van den Ontfanger Generael, in date, den 6en Julij 1484.

[32 verso] Zusters kinderen, volgens het privilege van Jan van Castellion etc. Gedateerd op de dag van Pontianus 1373 en de akte is bezegeld door de overste van de minderbroeders, etc. [4 Het marktveld van Gouda is gekocht van Guwij van Casteleijs, graaf van Boloes etc. voor driehonderd oude Franse francs in baar geld en elf schellingen Hollands goed geld, ieder jaar te betalen op de dag van St. Jan in het midden van de zomer. Dus kan men op het voornoemde marktveld wel een hal, raadhuis, lakenhal, oud vleeshuis bouwen. Omdat het de stad dunkt groot en nuttig uit te zijn, is het vereist voor de eer van de stad, dat het plein dat rondom de hal ligt onbebouwd zal blijven. Gedateerd de 1ste juli 1395. [5 De vrijheid van de stad Gouda is een kwart mijl in het rond vergroot volgens het privilege van Maximiliaan en Philips, aartshertogen van Oostenrijk. Gedateerd 28 juni 1484. Daarvoor heeft de stad zeshonderd pond en elf groten opgebracht, volgens de kwitantie van de ontvanger generaal. Gedateerd 6 juli 1484. [6 De rechtbank van Bloemendaal moet gehouden worden in Gouda, volgens volgens het octrooi van Philips, koning van Spanje, als graaf van Holland etc. Gedateerd op 19 september 1561.

[3 De vierschaer van Blommendal moet gehouden worden binnen der Goude, volgens het Octroeij van Philips Koningh van Spaengien, als Grave van Hollant, etc. In date, den 19en September 1561.

1

[Martvelt ter Goude.] in de marge 2 [Vrijheijt vergroot, een quartier Mijls.] in de marge 3 [De Vierschaer van Blom-mendael, moet gehouden wor-den terGoude.] in de marge

4

[Marktveld in Gouda] in de marge [Vrijheid een kwart mijl vergroot] in de marge 6 [De rechtbank van Bloemendaal moet gehouden worden in Gouda.] in de marge 5


[33] [1 Die vander Goude, is vergunt te maecken een verlaet, achter het Laserus: (nu ter tijt genaemt, ’t Moortsche Verlaet:) responderende inde Stede Gracht, op koste der Stadt te onderhouden, op dat alle Aelmans, ponten, Schouwen, ende diergelijck daerdoor sullen mogen varen, mits betalende gaende, ende komende eenen halve stuijver, etc. volgens ’t Octroij van Karle Roomsch Keijser, etc. in date den 24en Meije. 1525

[33] [4 Gouda krijgt een vergunning om een sluis te maken achter het Lazarus: (die heden het Moordse verlaat wordt genoemd:) gelegen in de stadsgracht en die op kosten van de stad wordt onderhouden. Zodat alle schuiten, ponten, schouwen en dergelijke erdoor zullen mogen varen, mits zij bij het komen en het gaan een halve stuiver betalen, etc. Volgens het octrooi van Karel, de Roomse Keizer etc. Gedateerd 24 mei 1525.

[2 De Privilegie vande Scholasterije, is gegeven bij Caerle Roomsch Keijser, in date, den 2en Meije 1554.

[6 Alle poorters van Gouda mogen hun veen en turf vrij afgraven zonder dat iemand ze dat belet, hetzij door last, geld of andere belastingen, hoe men dat ook noemt en met uitzondering van de waterschapsbelasting, bruggengeld en andere geldelijke lasten die op gemeenschappelijk land kunnen komen. Dit alles volgens de privileges die Willem, Paltsgraaf aan de Rijn en de graaf van Holland etc. heeft gegeven op de …. Gedateerd de laatste juni 1405. En dit zelfde, met daarin opgenomen de voornoemde privileges, is bevestigd door Vrouwe Jacoba, als gravin van Holland, zijn dochter. Gedateerd 2 juni 1428. Daarbij komt nog het privilege van Heer Willem van Egmond, als heer van Zevenhuizen, dat onze poorters veen en turf mogen steken in Zevenhuizen en wel tot voordeel ten eeuwigen dage. Gegeven op de zaterdag na de dag van St. Barens in het jaar 1386. Bovendien akkoord bevonden door Heer Hendrick van Naeltwijck om veen en turf te steken in Groenswaard en Waddinxveen etc. Gedateerd

[3] Alle Poorters vander Goude vermogen haer Moer, ende Turff vrij te delven, sonder jemant wederseggen, het zij van Last, Gelden, ofte van andere ongelden, hoe dattet genoemt mach wesen, uijt geseijt van Margen-gelt, Bruggen, ende anderen onraet, dat op gemeen Lant komen magh, volgens de Privilegien gegeven bij Willem Palsgrave op den Rhijn, ende als Grave van Hollant, etc. In date, den laesten Junij 1405. Ende is ’t zelve, met incorporatie vande voorschreven Privilegien geconfirmeert, bij Vrouwe Jacoba, als Gravinne van Hollant, zijn Dochter. In date, den 2 Junij 1428. Daer bij noch Privilegie vanden Heer Willem van Egmont, als Heere van Sevenhuijse, dat onsen Poorters Moer, ende Turff mogen delven, in Sevenhuijsen, tot haren Schoonste ten eeuwigen Dage, gegeven des Saterdaeghs na Sinte Barens Dagh, anno 1386. Midts gaders accoort, gemaeckt met Heer Hendrick van Naeltwijck, van Moer, en Turff te Delven, in Groenswaert, ende Waddincxveen, etc. in date

[5 Het privilege van de scholasterij is gegeven door Karel, Rooms Keizer. Gedateerd 2 mei 1554.

1

4

2

5

['t Moortse Verlaet] in de marge [Scholasterije] in de marge 3 [Moer ende Turff delven] in de marge

['t Moordse verlaat] in de marge [Scholasterij] in de marge 6 [Veen en turf steken] in de marge


[33Verso] Den 4en Junij 1416. Item: datmen geen Turff gedolven in Rhijnlant, Delfs-lant, ofte Schielant eenighsints dragen magh over den Dijck, in Schepen, ende in de Isel leggende, maer datmen alleenlijck den voorschreven turff sal uijtvoeren, door der Goude, op de verbeurte vanden Turff Schepen, ende arbitrale Correctie, volgens het Placcaet van Koningh Philips, ende in date, den 21en februarus 1558. [1 Eertijts hebben ter Goude gestaen 450 Brouwerije, ende wierden de zelve Bieren2 vervoert in Brabant, Vlaenderen, Hollant, Zeelant, ende Vrieslant, ende mochten de Goutsche Bieren niet meer verhooght worden, de Brouwers ande voorschreven Brouwerijen mochten de selve Bieren naer alle plaetsen geconstumeert vervoeren, Verkoopen, ende distribueren, naer het goet vinden vande Brouwers, tot haren goetdunck, sonder dat de Wet-houders vanden plaetse, onder wat dexsel van actroeijen ofte andersints sullen mogen deselve Brouwers beswaren, ofte belasten, ’t zij bij Accijnsen, ofte Keuren op de Bieren te maken, ende te stellen. Item: Men mocht de Bieren mede op geen Cleijnder maten Verkoopen, om de neringe niet te Verbannen volgens de Privilegien van Maximiliaen, gekooren Roomsch Keijser, etc. In date, den 18en Martij 1508. [3 Philips, Coningh van Spaenjen, etc. heeft Burgermeesteren, ende Regeerders der Steden vander Goude, een Missive geschreven, onderteijckent bij zijn Majesteijt in ’t Bosch van Segovia, in date, den 3en October 1566. Bij den welcke zijne Majesteijt deselve bedanckt vanden diligentie bij hem gedaen, van dat alle dingen gebleven zijn alhier in haren onderstaet, overmits de quaet al-omme gebeurt, ende geschiet in desen Landen van Herwaers over, begeerende datmen daerinne souden willen continueren. Mitsgaders noch Brieven vande Hartoginne van Parma, ende Regente van

[33 verso] 4 juni 1416. Idem: dat men geen turf die gestoken is in Rijnland, Delfland, of Schieland, hoe dan ook over de dijk in schepen die in de IJssel liggen mag dragen. Maar dat men de voornoemde turf uitsluitend over de Gouwe zal uitvoeren, op het verbeuren van de turfschepen en een gerechtelijke straf volgens het plakkaat van koning Philips, gedateerd 21 februari 1558. [4 In het verleden hebben in Gouda 450 brouwerijen gestaan en de bieren daarvan werden vervoerd naar Brabant, Vlaanderen, Holland, Zeeland en Friesland. De Goudse bieren mochten niet verder belast worden. De brouwers en de voornoemde brouwerijen mochten dat bier zoals gebruikelijk naar alle plaatsen vervoeren, verkopen en distribueren, met goedvinden en naar goeddunken van de brouwers, zonder dat de wethouders van die plaatsen onder welke dekmantel van octrooien of anderszins ook, diezelfde brouwers zouden mogen hinderen of belasten. Niet met accijns en ook niet door een keur op het bier te maken en vast te stellen. Idem: men mocht het bier ook niet in kleinere eenheden verkopen om de nering niet in de ban te doen. Volgens de privilegiën van Maximiliaan, gekozen Rooms Keizer, etc. Gedateerd 18 maart 1509. Philips, koning van Spanje, etc. heeft de burgemeesters en regeerders van de stad Gouda een brief5 geschreven, ondertekend door Zijne Majesteit in het bos van Segoviac, op 3 oktober 1566. Waarin Zijne Majesteit hen bedankt voor de toewijding die zij hem hebben betracht, zodat hier alle dingen hetzelfde zijn gebleven; het kwaad namelijk tiert overal welig en het gebeurt in deze landen van oudsher. Hij wenste heel graag dat men de toewijding zou willen blijven betrachten. Bovendien waren er nog brieven van de hertogin van Parma en regentes van

1

[450 Brouwerien der Stadt Gouda.] in de marge [Bieren] in de marge 3 [Brieven van Coning Philips no-pende ’t beelt stormen.] in de marge 2

4 5

[450 brouwerijen van de stad Gouda.] in de marge [Brieven van koning Philips betreffende de beeldenstorm] in de marge


[34] Den Conincklijcke Majesteijt, aen Burgermeesteren deser Nederlande geschreven, ende bij hare hoogheijt geteeckent, hoe aengaende dat zijne Majesteijt is, van dat alhier niet ingevoert is, contrarie de Oude Catholijcke1 Religie, ende dat wij voorts naerstigh souden toesien, ten Eijnde, de simpelen niet bedrogen en worden, etc. In Date, den 25en October 1566. 2

[ De Schutters vande Voetboge ter Goude, zijn begiftight bij Vrouwe Jacoba van Beijeren, gravinne van Hollant, etc. Waert saecke, dat ijemant vande voorschreven Schutters inden Doelen, met ongeval onnoselijcke ijemant doorschoten, verleemden, ende quetsen, met hare Boge, ofte Schutten, dat die daer af onbelast, ende vrij wesen zal, van alle Breucken van lijf, en de goedt, mitsgaders dat die Rent-Meester vander Goude, alle Jaers als zij schieten, uijt reijcken sal veertigh paer reijgers , volgens ’t Previlegie, in Dato anno 1428. Op beloocken Pincxteren, ’t welck daer naer, bij Hartogh Philips van Borgondien vermeerdert is, op hondert Reijgers, in Date, den Eerste Maert 1455.

1 2

[Catholijcke] in de marge [Schutters vande Voet-boge ter Goude ] in de marge

[34] de Koninklijke Majesteit, geschreven aan de burgemeesters van de Nederlanden en door Hare Hoogheid getekend, hoe vriendelijk Zijne Majesteit is jegens hen vanwege alles wat hier niet is ingevoerd tegen het oude Katholieke geloof en dat wij ijverig moeten toezien dat de eenvoudigen van geest niet bedrogen worden, etc. Gedateerd 25 oktober 1566. De schutters van de voetboog in Gouda hebben van vrouwe Jacoba van Beieren, gravin van Holland, etc. een gift gekregen. De zaak namelijk dat iemand van de voornoemde schutters in de doelen, die per ongeluk een onschuldige persoon neerschiet, verminkt, of kwetst/verwondt met zijn boog of schietgerij, onbelast en vrij zal zijn van alle boetes op lijf en goed. Bovendien zal de rentmeester van Gouda elk jaar dat zij schieten veertig paar reigers uitreiken volgens het privilege, gedateerd het jaar 1428. Op beloken Pinksteren is dat daarna door hertog Philips van Bourgondië vermeerderd tot honderd reigers, gedateerd 1 maart 1455.


[34Verso] Hant-Veste vander Goude.

[34 verso] Handvest van Gouda

Aelbrecht bij Godes genade, Hartoge in Beijeren, Ruwaert van Henegouwen, van Hollant, Zeelant, ende van Vrieslant, doen kont alle Luijden, dat ons de goede Luijden der Stede vander Goude, getoont hebben, dat zij hare Hant-Vest met ongeval van Brant, dat henluijden onversiens, ende haestelijck op quam, Verlooren hebben, dat zij nochtans metter hulpe, ende Gratie van Godt, een uijtschrift ende Videmus of behouwen hebben welbezegelt is, met een Vaders Eersame Zegel, in goede Bisschop Jan van Uijtrecht, daer zijt van verkregen ende maken deden, op St. Pieters, ende Pomberen-dagh Apostele. In’t Jaer ons Heeren alsmen Schreef, Duijsent, drie hondert, vijf en dartigh, welck Vidimus, ende uijtschrifte voorschreven, wij hebben doen besien, ge-examineert, ende hebben goedt, ende gerechtight bevonden, sonder eenige Rasueren, ofte gebreecken, ende zoo zij meer zeeckerheijt, ende vestenisse, hare voorschreven Hantvesten, Vrijheden, ende Rechten, ons ootmoedelijck ende vriendelijck versocht hebben, soo hebben wij om sonderlinge sonst, die wij dragen tot onsen Lieven1 Neve den Grave van Beloijs, Heere van Avesunes van Schoonhove, ende vander Goude, ende om menige getrouwen Dienst, die hij ende Zijn voorsaten, aen die vander Goude gedaen heeft, ende nochdoen mogen, aengesien den kennelijcken ongeval hier voren geroert, ende die gerechtigheijt gegeven, ende geven ons die vander Goude, ende hare nakomelingen ten eeuwigen dagen, alsulcken Recht volkomelijck, als inden voorschreven Uitschrift, ende Vidimus van heure Hantveste die Heer Claes Catse in voortijden van onse Lieven Heere, ende voorvader Floris Grave van Hollant, ende van Zeelant, Vercregen, beschreven staet, welcke hantvest houdende was, van woorden, tot woorden, als hier naer volght. Wij Floris Grave van Hollant, ende van Zeelant, maken kont allen den genen, die des hantvesten sullen zien

Wij, Aalbrecht, door Gods genade hertog van Beieren, ruwaard van Henegouwen, van Holland, Zeeland, en van Friesland, maken aan iedereen bekend dat de goede mensen van de stad Gouda hebben aangetoond dat zij hun handvest in het onvoorziene en schielijk opgekomen ongeval van brand verloren hebben. Toch hebben zij met hulp en gratie van God een afschrift en vidimus met het eerzame zegel van een voorvader, van de goede bisschop Jan van Utrecht, gekregen en dat was opgemaakt en verleden op de dag van St. Pieter en ……? dag van de apostel, in het jaar des Heren, toen men 1335 schreef. De voornoemde oorkonde hebben wij laten bekijken en onderzoeken en die is goed en rechtsgeldig bevonden, zonder enige doorhalingen of gebreken. En omdat zij ons eerbiedig en vriendelijk om meer zekerheid en bevestiging van hun voornoemde handvesten, vrijheden en rechten verzocht hebben, daarom hebben wij vanwege de speciale gunst? die wij onze geliefde neef, de graaf van Blois, heer van Avesnes, van Schoonhoven en van Gouda toedragen en vanwege menige trouwe dienst die hij en zijn voorzaten de inwoners van Gouda bewezen heeft en nog kan bewijzen en om recht te doen, aangezien het voornoemde kennelijk een ongeval was. Wij geven de inwoners van Gouda en hun nakomelingen ten eeuwigen dage zulk volledig recht als het in het voornoemde vidimus van hun handvest beschreven staat. Dat heeft heer Claes Cats in het verleden van onze geliefde voorvader heer Floris, graaf van Holland en Zeeland verkregen. Dat handvest bevatte woord voor woord hetgeen hierna volgt. Wij, Floris, graaf van Holland en Zeeland, maken aan al degenen bekend die dit handvest onder ogen zullen krijgen

1

[Lieven] in de marge


[35] ofte hooren lesen, dat wij met onsen vrijen willen, ende bij rade onser mannen gegeven hebben, eenen Edelen Man, Heer Niclaes van Latenes, Ridder, om sonderlinge getrouwen dienst: die hij ons gedaen heeft, ende noch doen magh, dese Vrijheijt tot der Goude, van vierdalf hondert gaerden lanck, vander halve Ysel opwaers te Broeckewaert, ende vierdalf hondert gaerden breet, alsoo dat alle de gene die binnen deser Vrijheijt woonachtigh, ende Poorters zijn, Tollen, Vrijheijt stellen, Varen voor alle onse Tollen, etc. Lagerstont: Ende om dat wij willen, dat dese vrijheijt die Poorters vander Goude, Eeuwelijck vast ende gestadichlijck blijve, ende onverbroocken van onse, ende onse nakomelinge, soo hebben wij hem, dese opene hantvesten hier opgegeven, bezegelt met onse Segele, dit geschiede in’t Jaer ons Heeren, Duijsent twee Hondert ende twee-en-seventich, des Dijnsdaechs naer St. Margarieten dagh, noch Lagerstont: Ende wij Aelbrecht bij Godts genade, Hartoge in Beijeren, Ruwaert van Hollant, Henegouwen, van Zeelant, ende van Vrieslant voornoemt, meenen ende willen dat alsulck recht, ende Vrijheden, als in ons liefs Heeren voorvaerders Brieven, Graeff Floris begrepen, ende gegeven was, ende voorschreven is, van ons ende van onse nakomelingen, den goeden Luijden der Stede vander Goude, ende haer nakomelingen, volkomelijck

[35] of het zullen horen voorlezen, dat wij uit vrije wil en door onze mannen aangeraden een edelman, heer Niclaes van Latenes, ridder, vanwege de bijzondere dienst die hij ons heeft bewezen en nog kan bewijzen deze vrijheid van Gouda hebben gegeven. Deze is 350 gaarden lang van de halve IJssel opwaarts richting Broekwaard en 350 gaarden breed, zodat al diegenen die binnen deze vrijheid woonachtig en poorter zijn , vrij zijn van het betalen van tol, etc. Daaronder stond: omdat wij willen dat deze vrijheid van de poorters van Gouda, eeuwig vast en gestadiglijk zal blijven en niet verbroken zal worden door ons of onze nakomelingen, daarom hebben wij hem dit openbare handvest gegeven en bezegeld met ons zegel. Dit geschiedde in het jaar des Heren 1272, op de dinsdag na de dag van St. Margaretha. Daar nog onder stond: wij, Aalbrecht, door Gods genade hertog in Beieren, ruwaard van Holland, Henegouwen, Zeeland en Friesland menen en willen dat zulke rechten en vrijheden als in de akten van onze geliefde voorvader en heer, graaf Floris begrepen en gegeven waren, en hiervoor is beschreven, door ons en onze nakomelingen aan de goede mensen van de stad Gouda en hun nakomelingen, geheel en al


[35Verso] Ende al tot Eeuwige dagen, ende zonder eenigh Verbreck gehouden worden, dies Recht, ende Vrijheijt den gerustelijcken te gebrucken, alle ons lieffs Broeders Lande, Hartoge Willem van Beijeren, Graeff, ende Heere vande voorschreven Lande, daer om, ende uijt hebben wij hem daer op, tot eene eeuwige gedenckenisse, desen onsen openen Brieven gegeven besegelt met onsen zegel, uijthangende ende in kennisse der waerheijt gedaen, ende gegeven tot Resnoijt, op den vier-en-twintighsten dagh Inde Maent Meij, In’t Jaer ons Heeren, Duijsent driehondert vijf-en-seventigh.

[35 verso] en tot in eeuwigen dage, zonder enige tekortkoming gehouden zullen worden, dit recht en deze vrijheid onbevreesd te gebruiken in alle landen van onze geliefde broer. Aan hem, hertog Willem van Beieren, graaf en heer van voornoemde landen hebben wij daarom en daarvoor als eeuwige herinnering deze openbare akte gegeven, bezegeld met ons zegel, in het openbaar opgehangen en met de wetenschap van de waarheid opgemaakt en gegeven te Resnoit op 24 mei in het jaar des Heren 1375.


[36] Copie Vande Veertig.

[36] Kopie van de veertig

Maximiliaen, ende Maria, bij der Gratie Godts, Hartoge van Oostenrijck van Brugge, van Lotharingen, van Brabant, van Limburgh, van Luxenburgh, ende van Gelre, Grave van Vlaenderen, van Artoijs, van Bourgondien, Palatijn van Henegouwe, van Hollant, van Zeelant, van Namen, ende van Zutpheen, Marckgrave des Heiligen Rijcx, Heer van Vrieslant, van Salines, en van Mechelen, allen den genen die desen onsen tegenwoordigen Brief sullen sien, ofte hooren Lesen Saluijt, van wegen onsen wel beminde Burgermeesteren, Schepenen, ende Raden onser Stadt vander Goude, alsoo wel inde Name van heu-luijden, als voor ende inden Name vanden Lichame, vanden geheele Gemeente, der selver onser Stede is ons Vertoont, ende te kenne gegeven geweest, hoe dat wijlen Hartoge Philips van Bourgondien, Grave van Hollant, onse GrootVader Saliger gedachten in Zijn Leven Gunde, ende Willecoorde onser voorschreven Stadt vander Goude, omme Rust, Vrede, ende eendrachtigheden binnen der selver onser Stede te houden, veertigh Notable Persoonen, Macht ende Mogentheijt hebbende alle Jaer Vier dagen te houden1 ende voor den Dagh datmen gewoonlijcks is de Wet aldaer te Vernieuwen, te Kiesen ende te Noemen bij gelijcke Eede, ofte bij de meeste meenigheden van hen-luijden, achtien Persoonen vande alderrijckste, Notabelste, ende Vredelijckste Mannen vander voorschreven onser Stadt, omme veertien Persoonen te kiesen uijt die achtien, twee Burgermeesteren, ende als eenigh te worden bij onsen Stedehouder, ende Lieden van onsen2 Rade in Hollant, noch seven schepenen, ende vande andere veertien Persoonen, vier uijt te kiesen, daer af oock twee Burgermeesteren, ende als eenige vande boven

Maximiliaan en Maria, bij de gratie Gods hertog van Oostenrijk, van Brugge, van Lotharingen, van Brabant, van Limburg, van Luxemburg en van Gelre, graaf van Vlaanderen, van Artois, van BourgondiĂŤ, paltsgraaf van Henegouwen, van Holland, van Zeeland, van Namen en van Zutphen, markgraaf van het Heilige Rijk, heer van Friesland, van Salines, en van Mechelen, al diegenen die deze huidige akte van ons zullen zien of horen voorlezen, gegroet. Door onze zeer beminde burgemeesters, schepenen en raden van onze stad Gouda, zowel in hun naam als voor en in naam van de lichamen van de hele gemeente van onze zelfde stad is ons aangetoond en te kennen gegeven, dat wijlen hertog Philips van BourgondiĂŤ, graaf van Holland, onze grootvader zaliger nagedachtenis, tijdens zijn leven onze voornoemde stad Gouda een besluit gunde en keurde goed ten einde rust, vrede en eendracht binnen de stad te bewaren, veertig notabele personen te benoemen, krachtig van lichaam en geest. Zij zullen die vier dagen houden voor de dag dat men gewend is de wet daar te vernieuwen om achttien personen van de allerrijkste, meest notabele en vredelievendste mannen van onze voornoemde stad te kiezen en te benoemen onder dezelfde eed of bij meerderheid van stemmen. Om veertien personen te kiezen van die achttien: twee burgemeesters en door onze stadhouder en de mensen van onze raad van Holland nog zeven schepenen en van de andere veertien personen er vier uit te kiezen en daaruit ook twee burgemeesters. Als iemand van de boven

1 2

[te houden] in de marge [onsen] in de marge


[36Verso] Geschreven veertien Persoonen Overleden, ofte andersints ontvreemt was, vander selver onser Stede, soo mochten sij procederen, en voortgaen ter Verkiesinge , van eenen anderen Notabelste Persoonen in Zijn Stede, welcke Octroij vander voorschreven Veertich Persoonen, was naderhant bij onsen voorschreven wijlen Heere, ende Groot-Vader, ende bij Zijnen openen bezegelde Brieven, tot Diversche stonden vernieuwet, ende gecontinueert was, ende hebben die voorschreven ’t houderen bij hen-luijden, ende bij Heeren voorwaerden daer af gebruijcken, ende geuseert, tot den overlijden vanden voorschreven Willem Heere, ende Vader. Ende daer na bij tijden van Wijlen onsen Lieve Heere, ende Vader, wiens Ziele Godt genadigh zij, den tijt ende termijn van drie Jaren meer, naer welcke drie Jaren ge-expireert, ende ge-eijnt onse voorschreven Wijlen Heere, ende Vader, dede bij Zijnen Commissierisse Vernieuwen de Wet, van onse voorschreven Stede vander Goude, van Jare, tot jare naer Zijn beliefte, alsoo lange als hij leeft, ende dat wij Hartoginne ontfangen waren, als Vrouwe van onse Landen, ende Heerlickheijt, dat alsoo de voorschreven ’t houderen bij ons quamen, ende Verkregen Previlegie vanden voorschreven Veertigh Persoonen, op welcke hen-luijden ge-expedieert waren, onse openen Brieve, in Date, vanden xxiijen Dagh, inde Maert, in ’t Jaer ons Heeren Duisent ses en seventigh, voor Paessche, van welcke Brieven ’t inhouden hier naer volgt. ende is zulckx Maria bij der Gratie Godts, Hartoginne van Bourgongen, van Lotharingen, van Brabant, van Limburgh, van Luxenburgh, ende van Arthoijs, van Bourgonje, Palatine van Henegouwe, van Hollant, van Zeelant, van Name, ende van Zutphen, Marck-gravinne des Heijligen-rijcx. Vrouwe van Vrieslant, van Salms1, ende van Meochelen. Doen te weten: allen den genen, die desen present Letteren sullen sien ofte hooren Lesen. Alsoo ons Claerlicken gebleecken is, van seeckere Privelegien gegeven onser Stede vander Goude, bij onsen Edele voor-vader, ende Grave van Hollant, ende bij sonder dat wijlen Hartoge Philips van Borgondien, onsen Oudt-Vader Saliger, gedachten selver onsen Steden gegunt, geconsenteert, geoorloft, geordinueert hadden, ’t anderen tijden om Rust, Vrede, ende eendrachticheijt, binnen der selver Stede

1

op pagina 36r staat Salines

[36 verso] genoemde veertien personen overleden of anderszins verdwenen was uit onze zelfde stad, dan mochten zij handelen en doorgaan met de verkiezing van een andere meest notabele persoon in hun stad. Het document van de voornoemde veertig personen was naderhand door onze voornoemde overleden heer en grootvader middels open bezegelde akten op diverse tijden vernieuwd en voortgezet en voornoemde houders behielden de voorwaarden en gebruiken en usances tot aan het overlijden van de voornoemde Willem, heer en vader. Daarna, ten tijde van wijlen onze geliefde heer en vader, wiens ziel God genadig zij, nog een termijn van drie jaar en toen die drie jaren ten einde waren liet onze voornoemde overleden heer en vader door zijn gedelegeerde de wet van onze voornoemde stad Gouda jaar na jaar vernieuwen zoals hij het gewild had toen hij nog leefde. Wij, hertogin, waren ontvangen als Vrouwe van onze landen en heerlijkheid en ook de voornoemde houders kwamen bij ons met de verkregen privileges van de voornoemde veertig personen, waarin zij benoemd waren, onze open akte, gedateerd 23 maart in het jaar des Heren, duizend zes en zeventig, voor Pasen. Van deze akten volgt de inhoud hierna: dat Maria, bij de gratie Gods hertogin van Bourgondië, van Lotharingen, van Brabant, van Limburg, van Luxemburg en van Artois, en van Bourgondië, paltsgravin van Henegouwen, van Holland, van Zeeland, van Namen, van Zutphen, markgravin van het Heilige Rijk, Vrouwe van Friesland, van Salines, en van Mechelen laat weten aan allen die deze huidige akten zullen zien of horen voorlezen dat ons duidelijk gebleken is dat zekere privileges aan onze stad Gouda gegeven zijn door onze edele voorvader, graaf van Holland en in het bijzonder dat wijlen hertog Philips van Bourgondië onze oudvader zaliger nagedachtenis, zelf onze stad gegund, goedgekeurd, geoorloofd en vastgesteld had in die tijd, om rust, vrede en eendracht binnen diezelfde stad


[37] Te hebben ende te houden, dat onsen Bailliuw, met onsen gerechte, ende Vroetschap vander selver onser Steden, soude mogen kiesen bij Heeren, ende die zij daer toe openbaerlijcken doen souden. Veertigh Persoonen de rijckste, Notabelste, eerbaerste, rustelijckste, ende vredelijckste van onser voorschreven Stede, van Conditie, ofte staet, dat zij zouden mogen wesen, sonder ijemant daer uijt te Versteecken, om uijt haet, ofte om eeniger handen andersints saecken, welcke Persoonen gehouden waren, alle jaren vier, voor den Dagh datmen gewoonlijck was, onse recht aldaer te Vernieuwen, te Kiesen ende te noemen, bij gelijcke Eede achtien Piersoonen, uijt den alderrijckste, Notabelste, Eerbaerlijckste, ende Vreedelijckste Mannen, vander selver onser Stede, van wat staet, ofte conditien, ende sonder Verstecken als voorschreven is, die den voornoemden veertigh, bij hare Conscientie dochten eerwaerdelijcke, waerdichste profijtelickste, om ons ende onser voorschreven Stede vander Goude, te regieren, de welcke achtien Persoonen, de voorschreven van onser Stede, voort presenteerden ende overleveren ons, ofte onse gecommitteerde, omme uijt den selve achtien Persoonen, alsoo inder manieren voorschreven gekoren te nemen, te stellen, ende te ordonneeren twee Burgermeesteren, ende seven Schepenen, alsulcke als ons, ofte onse gecommitteerden goet dochte, tot het Gouvernement van onser voorschreven Stede vander Goude, dat Jaer schaer uijt geduijrende, ’t welck naderhandt onse voorschreven Steden vander Goude, bij wijlen Hartoge Karel van Bourgondien, onsen Lieven Heer, ende Vader Saliger gedachten, wederseijt, en of gedaen is geweest. Soo dat mitsdien, sins dier tijt groote tweedracht, binnen onser voorschreven Stede vander Goude geweest is, omme ’t regument vander selver onser Stede te hebben, ende noch meer doen souden, ende Schepenen was te kome. Indien bij ons daer inne niet Versien is en worden, ons daer omme ootmoedelijck Versoeckende, ende biddende, dat wij daerinne souden willen Versien, want wij altijt meer zijn geneijcht omme rusten, vrede, ende eendrachtigheijt te maken, ende te houden binnen onsen Landen, ende bijsonder onsen, onser voorschreven Stede vander Goude, dan onrust ende tweedracht. Soo ist dat wij willen in dese saecke voorsien, ende onse voorschreven ondersaten te houden, in goede ruste, Vrede, ende eendrachheijt met malkanderen, ten beste dat wij konnen, ende mogen, geconsenteert, geoorloft ende geordonneert hebben, consen-

[37] te hebben en te houden, dat onze baljuw en onze rechtbank en de vroedschap van onze zelfde stad, van de heren zouden mogen kiezen en dat zouden zij toen in het openbaar doen. Veertig van de rijkste, meest notabele, voornaamste, rustigste en vredigste personen van onze voornoemde stad, van welke conditie of staat zij zouden mogen zijn, zonder iemand daarbij uit te sluiten vanwege haat of om enigerlei andere zaken. Die personen waren gehouden alle jaren vier dagen voor de dag dat men gewend was ons recht aldaar te vernieuwen, achttien personen te kiezen en te benoemen door een rechtmatige verklaring, uit de allerrijkste, meest notabele, fatsoenlijkste en vredelievendste mannen van welke staat of conditie ook van onze zelfde stad, zonder uitsluiting zoals het voorgeschreven is. De voornoemde veertig waren volgens hun geweten van mening dat die achttien personen de fatsoenlijkste, waardigste en nuttigste waren om namens ons onze voornoemde stad Gouda te regeren. Die achttien personen gingen voort ons of onze gecommitteerde, te presenteren en aan ons over te leveren, uit dezelfde achttien personen op de voorgeschreven manier te kiezen, aan te stellen en te gelasten, twee burgemeesters en zeven schepenen, zodanig dat het ons of onze gecommitteerde goed dacht om het bestuur te zijn van onze voornoemde stad Gouda gedurende het recht van dat jaar. Naderhand is dit door hertog Karel van Bourgondië, onze geliefde heer en vader zaliger nagedachtenis, tegen onze voornoemde stad Gouda weersproken en te niet gedaan. Dientengevolge is er sinds die tijd ernstige tweestrijd in onze voornoemde stad Gouda om het bestuur van onze zelfde stad te hebben en nog meer zouden handelen. Schepenen waren bij ons gekomen, aangezien door ons daarin niet is voorzien, verzochten zij ons nederig maar dringend om daarin te willen voorzien, omdat wij altijd meer geneigd zijn om rust, vrede en eendracht te scheppen en te houden in onze landen en in het bijzonder in onze voornoemde stad Gouda, dan onrust en tweestrijd. Daarom willen wij in deze zaken voorzien en onze voornoemde onderdanen in goede rust, vrede en eendracht met elkaar te houden, naar beste kunnen en vermogen goedgekeurd, geoorloofd en gelast hebben,


[37Verso] tiren, oorloven, ende ordineeren, ende eener nieuwer Giften geven mits desen onsen Brieven voor ons, ende voor onsen Erven, ende Nacomelingen, onser voorschreven Stede vander Goude, dat van nu voorstaen tot eeuwige dagen, die van de Wet Veertigh hier te voren plagen te wesen, bij tijden van onsen ouden Voorvader saliger gedachten, ende die nu ter tijt in levende Lijve Zijn sullen, mogen kiesen in die stede vander Goude, dier Doot sijn vreemde andere tot ten getal van veertigh toe, met den Bailliuw, en Veertigh van onse voorschreven Stede, omme hen-luijden naer te volgen, ’t Privelegien dat zij van onse Edele voorvaerder daer af hebben, gewoonlijck is onse Recht aldaer te Vernieuwet, te Kiesen, ende te Noemen bij gelijcken Eede twee-en-twintigh Persoonen, binnen den Landen geboren, niet jegenstaende dat hier voortaen, achtien Persoonen met de twee Burgermeesteren, ende seven Schepen, plegen genomen te wesen, uijt den alder-rijckste, Notabelste, Eerbaerlijckste 1 rarelijckste, Vredelijckste Mannen der state, ende Conditien, ende sonder Versteecken als voorschreven is, die den voornoemden Veertigh bij hare Conscientie duncken sullen, Eerbaerlijckste waerdighste, ende Profitelijckste te zijn, omme ons, ende onse voorschreven Stede, ende sullen daer of ons, ofte onse Stadt-Houder, ende Rade van Hollant, presenteren, ende overleveren acht Persoonen, elck out wesende veertigh Jaren, ende daer boven vanden aldernobelsten. Ende als nu soo gunnen, ende geven wij der selver onser Steden, oock met eene nieuwe gifte voor onsen Erven, ende Nakomelingen, dat die inwoonders ende Poorters van onsen Stede voornoemt, ende tot den eeuwige Dagen inder Stede, vande twee Burgermeesteren, vier Burgermeesteren hebben sullen, die gekoren zullen wesen uijt De achte vande twee-en-twintigh Persoonen, diemen nemen, Kiesen, ende Ordonneren zal, niet jegenstaende oock, dat binnen onser voorschreven Stede vander Goude, niet dan twee Burgermeesteren en plegen te wesen, ende die bij ons ende onsen voorschreven Stadt-Houder, ende Rade gekoren, ende genomen zijnde uijten anderen achtien Persoonen, aldaer blijvende vande voorseijde twee-en-twintigh gekoren ende genomen worden seven Schepenen, elcx out wesende acht en twintigh Jaren, ende daer boven alsulcke als ons, ofte onsen voorschreven Stede-houder, ende Rade goet duncken zullen, tot den Gouvernemente, van onser voorschreven Stede vander Goude, die Jare schaer duijrende, ende voor dat die voorschreven veertigh van

1

[Vredelijckste] in de marge

[37 verso] keuren goed, gunnen en gelasten een nieuwe gift te geven door middel van deze akten voor ons en onze nakomelingen, dat in onze voornoemde stad Gouda vanaf nu tot in eeuwigheid men de wet van veertig heeft, zoals ze die hiervoor gewoon waren te hebben in de tijd van onze voorvader, zaliger nagedachtenis. Degenen die in levenden lijve zijn, mogen in de stad Gouda anderen kiezen in de plaats van degenen die dood zijn tot het getal veertig aan toe, de baljuw en veertig van onze voornoemde stad om die lieden op te volgen, het privilege dat zij van onze edele voorvader gekregen hadden. Het is gebruikelijk dat wij het recht hebben daar te vernieuwen, te kiezen en te benoemen onder gelijke eed, twee en twintig personen die in ons gebied geboren zijn niettegenstaande dat hier voortaan achttien personen met de twee burgemeesters en zeven schepenen gewoonlijk genomen worden uit de allerrijkste, meest notabele, fatsoenlijkste, voornaamste, vredelievendste mannen met vertoon van aanzien en stand en zonder iemand uit te sluiten zoals de voorschriften bepalen. Degenen die de voornoemde veertig naar hun geweten menen de fatsoenlijkste, waardigste en nuttigste te zijn zullen ons en onze voornoemde stad aan ons of onze stadhouder en de raad van Holland aanbieden en voordragen acht personen die veertig jaar of ouder zijn en van de aller edelste. Vanaf heden gunnen en geven wij diezelfde stad ook een nieuwe gift voor onze erven en nakomelingen dat de inwoners en poorters van onze voornoemde stad tot in der eeuwigheid in plaats van twee burgemeesters, vier burgemeesters zullen hebben, die gekozen zullen worden uit de acht van de twee en twintig personen die men nemen, kiezen en gelasten zal. Ondanks het feit dat binnen onze voornoemde stad Gouda slechts twee burgemeesters gebruikelijk waren, die door ons en onze voornoemde stadhouder en raad gekozen en genomen waren uit de andere achttien personen. Uit het restant van de voornoemde twee en twintig worden gekozen en genomen zeven schepenen, elk acht en twintig jaar of ouder zoals die ons of onze voornoemde stadhouder en raad geschikt lijken om te regeren in onze voornoemde stad Gouda, gedurende het lopende tijdvak van een jaar. Voordat de voornoemde veertig


[38] nu voortaen, tot den eeuwigen dagen sullen gehouden, bekent, ende geroepen te wesen, in alle onse ende onser voorschreven Stede saecken, gelijck die ander vande Vroetschap der selver onser Stede: Teweten: Inde Materien, ende tot allen tijden gewoonlijck, die vande Vroetschap Vergaderen, ende oock mede soo sullen die voorschreven veertigh Eede, ende sweeren ons, ende onser voorschreven Stede goet, ende getrouwe te wesen, onse rechte, hoogheijt, ende Heerlijckheijt, ende der selver onser Stede Priveligien, Rechten, Hantvesten, te bewaren, ende te onderhouden, getrouwelijck de Raden ende te vorder ons, ende onse voorschreven Stede, oorbaer ende Profijt, ende alle te doen dat goede ende getrouwe Luijden, ende ondersaten mogen ende schuldigh zijn te doen, ende oft gebeurde dat eenige vande voorschreven Veertigh, aflijvigh worden tot eeniger tijt, ofte hem onvrijden van zijn Poorterschap van onser Stede voorschreven, soo sullen dan die andere vande voorschreven veertigh blijvende in wesen, Kiesen bij haren Eet ende Conscientie, andere Notabele ende eerbare Personen, sulckx ende inden manieren alst voorschreven is, inde Stede vanden voornoemden aflivige, of onvrijen, welcken doen den Eet voorschreven, hebben sullen alsulcke Macht, ende sullen wesen schuldigh te doen, als de andere vande voorschreven Veertigh, ontbieden daeromme, ende bevelen onsen Lieven ende getrouwen Stadthouder, ende andere onsen Rade, in onse Casteleijn, Bailliuw, Schout, Camer in den Hage, vander Goude, ende alle ander onsen Rechten dienaer, ende ondersaten, wiens aenkleven macht nu zijnde, ende namaels wesende, ende elck harer besonder, alsoo verre als hem betaemt, dat sij d’inhouden van desen onsen Brieven, van Punte te Punte onderhouden, ende doen onderhouden, sonder ijet Contrarij te doen, Costen laten doen in eeniger manieren wijs, het zij besloten Brieven, of andere dingen van ons Verkrijgen mochte, bij groote strenge overvloet, heijmelijck bedecktelijck orpbaerlijck in eeniger Manieren, want wij alsoo gedaen willen hebben, in kennisse van desen onsen Brieven, ende tot den eeuwijgen dagen Vastigheijt daer toe hebben, wij onsen Zegel hier aen doen hangen, gegeven in onsen Stadt van Gent, op den xxiijen dagh van Maert, in’t Jaer ons Heeren duijsent vier hondert ses en seventigh. Aldus geteijckent bij mij Jonckvrouwe de Hartoginne in

[38] nu voortaan tot in de eeuwigheid zullen worden gehouden, bekend en geroepen in al onze zaken en die van onze voornoemde stad, zullen zij onder ede zweren onze voornoemde stad goed en trouw te dienen, evenals de anderen van de vroedschap van onze zelfde stad, namelijk in de zaken waarover men altijd gewoon is in de vroedschap te vergaderen. De eed behelst verder dat de veertig zweren onze rechten, hoogheid en heerlijkheid, tevens van onze zelfde stad de privileges, rechten en handvesten te bewaken en in stand te houden, getrouw aan de raden en verder voor onze voornoemde stad naar oordeel en nut alles te doen wat goede en getrouwe lieden en onderdanen kunnen en moeten doen. Dikwijls gebeurde het dat iemand van de voornoemde veertig te eniger tijd stierf, of men ontnam iemand zijn poorterschap van onze voornoemde stad, dan moesten de anderen van de voornoemde veertig die overbleven, onder hun eed en naar hun geweten andere notabele en eerbare personen kiezen op de manier die is voorgeschreven, in de plaats van de voornoemde overledene of onvrije. Die gekozen personen moeten de voornoemde eed afleggen en zullen dezelfde macht hebben en behoren hetzelfde te doen als de anderen van de voornoemde veertig. Wij gelasten en bevelen daarom onze geliefde en trouwe stadhouder en de anderen in onze raad, onze slotvoogd, baljuw, schout, kamer in Den Haag van Gouda en al onze rechtsdienaren en onderdanen die nu en later macht uitoefenen, ieder afzonderlijk, in zo ver als het hem betaamt, de inhoud van onze akten punt voor punt in stand te houden en in stand te laten houden. Dus zonder het tegenovergestelde te doen, op enige wijze betalingen te laten doen, of men zou besloten akten of andere dingen van ons moeten krijgen, door grote en erge overtolligheid, geheim, slinks, openbaarlijk op welke manier ook, want wij willen het zo gedaan hebben als bekend is in deze akten, zodat wij vastigheid hebben tot in de eeuwigheid. Wij laten onze zegel hier aan hangen, gegeven in onze stad Gent op 23 maart in het jaar des Heren 1476. Aldus getekend door mij, jonkvrouw de hertogin in


[38Verso] haren Raet, aldaer de Hartoge van Bullioen, Heer van Adolph van Cleven, die Bisschop van Ludick, ende vander Marck, heer tot Ravesteijn, de Grave van Wincester, Heer vanden Gruijthuijsen, Meester Johan vande Brouwerien, Heere tot Roijvve, die President vanden Rekenkamer, ende andere jegenwoordigen, waren Edelberge, nu ist waer dat Cort naer d’octroeije, ende Verleeninge vande voorschreven Brieven, van ons Hartoginne Godevaert Claij van ons Kerstant Harmensz, Wouter Maes ende anderen Haren Consorten, ende mede plegeren, uijt quaet willen bij Commotie, ende andersins, middelen van den gemeene, van onser voorschreven Stede vander Goude, te beroerende op te doen Rijsen, jegens den voorschreven thoonder, alsoo inder Wet wesende, de Welck uijt anxt, ende vreese van heure Lijven, ende andersints bedwongen waren te wijcken, ende te Ruijmen onse voorschreven Stede vander Goude, achterlatende die selve Brieven van Prevelegien, van ons Hartoginne, die bij den voornoemden Godevaert Claij, Constant Harmensz, Wouter Maes ende geschoort waren. Ende naer desen hebben de selven Godevaert, Constant, Wouter ende hare medeplegeren, soo veel gedaen, als dat zij van ons Verkregen hebben, de voorschreven thoonderen, daer toe seeckere andere Privelegie, van veertigh Persoonen, uijt Crachte vanden welcken sij hun gestecken zijn regimente, van onser voorschreven stede, ende hebben hun daer inne gehouden, tot onlanckx Leden, dat zij de selve Godevaert Kerstant, ende haren medeplegeren gebannen zijn geweest uijt onsen voorschreven Landen van Hollant, Zeelant, ende Vrieslant, ende alle hare Goederen Verlaeten geconfisqueert, ende Verbeurt tot onsen behouf, ende dat de selve thoonderen hebben mogen komen, ende weder keeren in onser voorschreven Steden vander Goude, aldaer sij bij onser voorschreven Stedenhouder, ende Lieden van onsen raet In Hollant, ende uijt kracht van seeckere onse Brieven, weder omme gestelt sij geweest, in sulcke regunenten, Staten, ende Officien, als sij waren al voor hener voorschreven ruijminge. Mitsgaders oock inne gebruijcksaemheijt van ’t voorschreven Privelegie,

[38 verso] haar raad, waar in de hertog van Bouillon, heer van Adolph van Kleef, de bisschop van Luik en van de Mark, heer tot Ravestein, de graaf van Winchester, heer van Gruijthuijsen, meester Johan van Brouwerijen, heer tot Roijvve, de president van de rekenkamer en anderen tegenwoordig waren in Heidelberg. Weliswaar is kort na het machtigen en het verlenen van de voornoemde akten door onze hertogin, Godevaert Clay, Kerstant Harmen, Wouter Maes en andere medestanders en medeplichtigen uit kwade wil door middel van oproer en anderszins het gewone volk van onze voornoemde stad Gouda in opstand te laten komen en daar de hand in te hebben tegen de voornoemde requestranten. Die, hoewel zij binnen de wet waren, uit angst en vrees voor hun leven en ook anderszins gedwongen waren uit te wijken en onze voornoemde stad Gouda te verlaten met achterlating van dezelfde akten van privileges van ons, hertogin, die door de voornoemde Godevaert Clay, Constant Harmensz en Wouter Maes verscheurd werden. Daarna hebben dezelfde Godevaert, Constant, Wouter en hun medeplichtigen zo veel gedaan als zij van ons verkregen hadden via de voornoemde requestranten, daarbij zekere andere privileges van veertig personen krachtens welke zij het bestuur van onze voornoemde stad in elkaar hebben gestoken en gehouden. Tot onlangs bekend werd dat zij, diezelfde Govaert Kerstant en zijn medeplichtigen verbannen waren uit onze voornoemde landen: Holland, Zeeland en Friesland en al hun achtergelaten goederen geconfisqueerd en verbeurd tot ons nut. Dezelfde requestranten mochten terugkeren in onze voornoemde stad Gouda, waar zij door onze voornoemde stadhouder en door mensen van onze raad in Holland en krachtens zekere akten van ons weer aangesteld zijn in zulke besturen, staten en ambten als zij bekleedden voor hun voornoemde ontslag. Bovendien ook in de rechten van het voornoemde privilege,


[39] van ons Hartoginne, waer omme dieswille dat de selve Brieven van Privelegien, van ons Hartoginne deursende gescheurt zijn geweest, alsoo voorschreven is, ende dat de selve thoonderen, mits desen, deughtende sijne, dat toekomende tijden eenige souden hemluijden daer inne willen moeijen, ofte beletten, soo Versoecken dat alle duijsternisse ende swarige te schuijwen ons gelieven wilde de voorschreven Brieven van Privilegien, te revalideren, ende op des Noot zijnde, die te confirmeren, approberen, ende bevestigen. Ende te aveleren ende doen te Nieuwen de voorschreven Privelegien naderhant, bij den voornoemde Godevaert Kerstantz Wouter ende, hare mede plegers, van ons verkregen, alsoo ’t voorschreven is, ende op al hemluijden te voorsien bij onser Gratie, ende genade, waer omme wij dese saecken overmercken soude, dat ons gebleecken is, vande verleeninge ende octroeij, vanden voorschreven Brieven van Priveligien, van ons Hartoginne boven geincorporeert, alsoo wel bij Copie, ende bij informatie, deughlijck daer op gemaeckt bij onse voorschreven Stede-Houder, ende lieden van onsen Raet in Hollant, die op al gehoort, ende geinterrogeert hebben, bij eede seeckere getuijgen die d’andere tijden gehoort, ende gesien hebben, de selve Brieven van Privelegien als andersints, ende daer op gehadt goet rijpe advijs, ende liberatie, van rade genegen wesende ter Supplicatie, vanden voorschreven Brieven van Privelegien, vaen ons Hertoginne hier boven gecomporteert, geconfirmeert, geapprobeert, gevestigen, ende revalideeren uijt onser rechter wetenheijt, ende sonderlinge Gratie, mits desen onsen jegenwoordigen Brieven, bij der welcker hebben Verlaten, ende Verclaerde, dat de voorschreven thoonderen, ende hare nakomelingen, daer of ende van allen inhouden van dien, behooren te useeren, ende te possideeren, gelijck ende inder manieren als zij doen mochten, aller de selver Brieven deursneden, ende gescheurt waer casserende, abolierende, ende doende te nieten ten eeuwigen dagen, bij desen voorschreven onsen Brieven, voorschreven Privelegien van

[39] van onze hertogin en wel omdat dezelfde akten van privileges van onze hertogin helemaal verscheurd waren; het voorschrift is dat het gaat om dezelfde requestranten, mits deze deugen. Omdat in de toekomst iemand zich er mee zou willen bemoeien of iets zou willen beletten, verzoeken wij om alle onduidelijkheden en moeilijke zaken te mijden en ons ter wille te zijn door de voornoemde akten van privileges opnieuw te valideren en omdat het nodig is te bekrachtigen, goed te keuren en te bevestigen. De voornoemde privileges naderhand terug te trekken en ze te laten vernieuwen door voornoemde Godevaert Kerstantz en Wouter en hun medeplichtigen, die wij weer in onze macht hebben, zoals het voorschrift luidt. Om al deze lieden onze goedgunstigheid en genade te verschaffen hebben wij deze zaken overwogen en het is ons gebleken dat het verlenen en bekrachtigen van de voornoemde akten van privileges van onze hertogin, zoals hierboven ingevoegd, zowel door de kopie als door het onderzoek, deugdelijk gedaan door onze voornoemde stadhouder en leden van onze raad van Holland die wij allen onder ede verhoord en ondervraagd hebben en zekere getuigen die ze in het verleden gehoord en gezien hebben, dezelfde akten van privileges en anderszins en daarop een goed rijp advies hadden en een vereffening. De raad neigde naar een verzoek om de voornoemde akten van privileges van onze hertogin , hierboven ingevoegd, te versterken, erkennen, bevestigen en opnieuw geldig te verklaren. Met onze goede kennis en bijzondere goedgunstigheid betreffende deze onze akten, waarin wij ter beschikking stellen aan en verduidelijken, dat voornoemde requestranten en hun nakomelingen daarvan en van alle inhoud van dien behoren gebruik te maken en in bezit te hebben, op rechtmatige wijze zoals zij dat konden doen. Al dezelfde akten die doorgesneden, gescheurd, vernietigd en te niet gedaan waren, te laten toemeten voor eeuwig aan deze voornoemde onze akten, voornoemde privileges


[39Verso] Ons ter contrarie Verkregen, bij den voornoemde Godevaert Claij, Karstant Harmensz, Wouter Maes ende hare medeplegers, ’t welck Verworden is geweest, naer dat van ’t voorschreven Privelegien, van ons Hertoginne, ende bij tijden van den Commotien, ende beroerten van onser voorschreven Stede vander Goude, alsoo voorschreven is, ontbieden daeromme ende bevelen, onsen Lieven ende getrouwen Ridder, ende Camerling, de Heer van Campen, ende den Luijden van onsen grooten Rade, bij ons wesende, onsen voorschreven Stede-houwer, ende Lieden van onsen Raden, in Hollant, onsen Casteleijn, Bailliuw, ende Schout, vander Goude ende voorts allen anderen onsen rechteren, Officieren, ende ondersaten die ’t aengaet, ofte aennopen mach, haren Stedehouwer ende elck van ende hun besonder, alsoo hem toebehoort sal, dat vanden inhoudt vanden voorschreven Brieven, van ons Hartoginnen hier boven geincorporeert. Mitsgaders van deser onser Jegenwoordigh, confirmatie, approbatie, restigheijt, revalidatie, declaratie, ende van allen Jegenwoordigen gehouden, van desen sij doen laten ende gedoogen, de voorschreven thoonderen, ende hare nakomelingen ten eeuwigen Dagen rustelijck, Vredelijck, ende volkomelijck genieten, ende gebruicken sonder hun daer inne te doen, ofte te laten geschien, eenige hinder, Letsel, ofte moeijenisse ter contrarie, want het ons alsoo gelieft, ende gedaen willen hebben, des t’orconde soo hebben wij onsen segel hier aen doen hangen, gegeven in onse Stadt van Brussel, den xen dagh van November in’t Jaer ons Heeren duijsent, vier hondert een-en-tachtentich, op te ploijestont geschreven, bij mijn Heere den Hartoge, ende geteijckent.

[39 verso] die voornoemde Godevaert Claij, Kerstant Harmensz, Wouter Maes en hun medeplichtigen in strijd met ons hebben verkregen; hetgeen verkeerd is afgelopen vanwege de voornoemde privileges van onze hertogin in tijden van opstand en onrust van onze voornoemde stad Gouda. Te volgen de voorschriften, gebieden en bevelen wij daarom onze geliefde en getrouwe ridder en thesaurier, de heer Van Campen, en de leden van onze grote raad. Onze vertegenwoordigers: onze voornoemde stadhouder en leden van onze raden van Holland, onze slotvoogd, baljuw en schout, officieren en onderdanen die het kan aangaan of betreffen. Hun stadhouder en elk van hen afzonderlijk zoals hem zal toebehoren, de inhoud van de voornoemde akten van onze hertogin, die hierboven zijn ingevoegd, te handhaven. Bovendien van deze onze vertegenwoordigers te bevestigen, goed te keuren, …..?, opnieuw geldig te verklaren en uitspraak te doen en van alle vertegenwoordigers zich te houden aan en zich niet te bemoeien met en wel te gedogen de voornoemde requestranten en hun nakomelingen, die voor eeuwig deze ongestoord, onbelemmerd en volledig mogen genieten en gebruiken. Zonder dat hen daarin enige hinder, schade of bemoeienis ondervinden of het tegenovergestelde moeten doen of dat laten gebeuren. Omdat het ons zo belieft en het zo gedaan willen hebben en verklaren, hebben wij onze zegel hieraan laten hangen. Gegeven in onze stad Brussel, 10 november in het jaar des Heren 1481. Op de vouw stond geschreven: door mijn heer de hertog en getekend.


[40] Een Acte vande Veertigh ende huldinge van Hartoge Philips Sinte Geertruijtenberge. Op den dagh van Huijden, den xijen dagh in Decembri, in den Jare Duijsent vier Hondert vier ende tnegentigh, soo zijn de Staten van Hollant, ende Vrieslant, in groote ende suffisanten getale Vergadert zijnde binnen der Stede van St. Geertruijtenberge, in Zuijt-Hollant gekomen, ende gecompareert, inde Herberge diemen heet ende teeckent, de Wilde Man Uijthangende, Aldaer mijne genadige Heere ende Eerts Hertoge, ende zij aldaer inder zelver herberge inde Neder-Kamer, bij zijnder genade zijnde mijns voorschreven genadige Heer de Eers Hertoge, heeft hem doen seggen, ende Verklaren, bij monde van Meester Thomas de Plaijne Heere van Maignij President vanden grooten Raet, vanden Roomschen Koninck, ende mijns voorschreven genadigsten Heeren, dat zijne genade hem aldaer hadden doen Vergaderen, ende was bij den goeden wille, ende geliefte ende Consent, vanden voorschreven Roomschen Koninck, zijnen Vader in Persoonen bij hem gekomen, omme bij hem gehult, ende ontfangen te zijn, als heur Erfachtigh, gerechtigh, ende Natuijrlijcke Prince, ende Heere van Vrieslant, ende heere Grave van Hollant, ende dat die meijninge vanden Koninck, ende van zijner ende manieren, als hij ontfangen te zijne hadde

[40] Een akte van de veertig en de huldiging van hertog Philips te St. Geertruidenberg. Heden, 12 december 1494, zijn de staten van Holland en Friesland in groten en voldoenden getale in de stad St. Geertruidenberg in Zuid-Holland samen gekomen en verschenen in de herberg die “de Wildeman” heet en die van zo’n uithangbord voorzien is. Waar mijn genadige heer en aartshertog in dezelfde herberg in de Nederkamer door zijn genade mijn voornoemde genadige heer de aartshertog hen heeft laten zeggen en verklaren bij monde van meester Thomas de Plaijne, heer van Maigny, president van de grote raad van de Roomse Koning en van mijn voornoemde genadigste heer dat zijne genade hen daar had laten bijeenkomen. Hij was door de goede wil, het believen en het verzoek van de voornoemde Roomse Koning zijn vader, in persoon bij hen gekomen om door hen gehuldigd en ontvangen te worden als hun erfelijke, rechtmatige en natuurlijke prins en heer van Friesland en heer graaf van Holland en dat was de bedoeling van de koning en zijn gedragingen toen hij ontvangen was.


[40Verso.] Geweest, ende hem eedt doende sulck Privilegie te onderhouden, als hier voortijts gesworen hadde, wijlen saliger gedachten mijn Heere Hartoge Philips, Kaerle, ende hare voorsaten, Graven, ende Gravinne van Hollant, Heeren ende Vrouwen van Vrieslant, hem luijden voortijts Verclarende, dat alle anderen Privilegien, bij hem Verkregen, sedert den overluijden van wijlen mijnen voorschreven Heer Hertoge Kaerle, souden geaboleert, gecasseert, ende van onwaerden zijn. Ende omme veele Redenen hem luijden verclaerst, aboleende, casseerde, ende dede te niet, ende nietemin om seeckere Consideratie, de Koninck ende mijne voorschreven genadigen Heere, ende elck van hem accordeerden, alsulck den Steden van Delft, Leijden, Goude, Amsterdam, Rotterdamme, ende Schiedam, te mogen useren, ende gebruijcken, roerende de Vernieuwinge vande Wetten. Ende Privilegien vande Veertigh als zij sichtent den doot, vanden zelven Hartoge Kaerle gedaen hebben, ter tijt toe, dat mijne voorschreven genadigen Heere gecomen sal wesen, totter oute van vijf en twintigh Jare, onbegrepen, accordeerden den voornoemden Staten, oock in’t generale, ende perticulieren, den geenen die ’t aengaende Macht, quitantie absoluijt vanden Penningh, bij hem schuldigh ende te achteren zijnde willen, mijnen voorschreven Heere Hertoge Kaerle, den tijt van zijnen overlijden, achter volgende die Quitantie van hem daer of gegeven, naer den overlijden Wijlen mijns voorschreven Heere Hartoge Kaerle, bij Willemmer Vrouwe Maria zaliger gedachten, hem was oock geseijt, ende geacoordeert, dat maer zij mijns voorschreven genaden Heere ontfangen souden hebben, inder manieren als hier voorsij geheelijck ontlast, ende quijte blijven zullen, van alle Eede die zij hier voortijden den Koninck gedaen hebben, als Vader ende Momboir van mijne Heere sijnen soonen voorschreven, ende indien na den zelve ontfangen, ende Huldinge genaden zijnde, alsoo voorschreven geseijt is, aen mijnen voorschreven genadigen Heere, Versochten, bij nieuwe Privilegien, eenigen punten, ende Articulen redelijcke profijtelijcke zijnde voor’t Lant, ende met contrarie noch tegen de Hoogheijt, van mijnen

[40 verso] Hij legde de eed af de privileges in stand te houden zoals vroeger gezworen hadden, wijlen zaliger nagedachtenis, mijn heer hertog Philips, Karel en hun voorouders, graven en gravinnen van Holland en heren en vrouwen van Friesland. Zij verklaarden hen dat alle andere vroeger door hen verkregen privileges sedert het overlijden van wijlen mijn voornoemde heer hertog Karel zouden zijn te niet gedaan, vernietigd en van geen waarde. Om vele redenen die hen zijn verklaard deden zij ze te niet en vernietigden zij ze. Doch, vanuit een zekere toegeeflijkheid stonden de koning en mijn voornoemde genadige heer ieder voor zich, zulke steden als Delft, Leiden, Gouda, Amsterdam, Rotterdam en Schiedam toe de betreffende vernieuwing van de wet aan te wenden en te gebruiken. De privileges van de veertig zoals zij sedert de dood van dezelfde hertog Karel gedaan hebben, tot aan de tijd dat mijn voornoemde genadige heer de leeftijd van vijf en twintig jaar zal hebben bereikt. Onverminderd verleenden de voornoemde staten zowel algemeen als privé, degenen die het mocht aangaan, absolute kwijtschelding van de achterstallige penningen die door hen verschuldigd waren tot de tijd van het overlijden van mijn voornoemde heer hertog Karel. Geheel in overeenstemming met de kwijtschelding die hen daarvoor gegeven werd na het overlijden van wijlen mijn voornoemde heer hertog Karel, door Willems vrouw Maria, zaliger nagedachtenis, werd hen ook gezegd en verleend dat zij hetgeen mijn voornoemde genadige heer ontvangen zou hebben, zoals hierboven gezegd geheel ontlast en kwijt zal blijven. Van alle eden die zij hier vroeger aan de koning gezworen hebben als vader en voogd van mijn heer, zijn voornoemde zoon. Indien, nadat deze ontvangen, gehuldigd en begenadigd is, zoals hierboven genoemd is, verzochten zij mijn voornoemde genadige heer bij de nieuwe privileges enige punten en artikelen toe te voegen die redelijk profijtelijk zijn voor het land en ook niet strijdig zijn met de hoogheid van


[41] voorschreven genadigen Heere, dat de selve mijne genadigen Heere, hem daer op zoude Gelieven in Manieren, dat bij effecte bekennen souden, dat mijnen genadigen Heere, goede Memorije ende gedencken hadden van den grooten dienste, die zij hier voortijden den Roomsche, welcke saecke gehoort hebben die voorschreven Staten, hebben die elckx ende een bijsonder alsoo altesamen bij eenen Commende accorde, willende ende consenterende geaggreert aengenomen, ende geconsenteert. Ende dat gedaen hebben, mijnen voorschreven genadigen Heer ontfange die hem eerst den Eedt gedaen heeft, inde manieren als hier naer volght. Dat sweere wij als grave van Hollant, ende Heere van Vrieslant, met haren toebehoort, die Heijligen-Kercke voor te staen, ende in haren rechten ende vrijheden ‘tonder houden, Weduwen, ende Weessen te beschermen, ende in rechten ende redenen te houden, ende te doen houden, die rechten Hantvest, ende Privilegien onser Ridderschap, goede Stede, ende gemeene Lande van Hollant, ende van Vrieslant1 West-Vrieslant, voortijts verleent, ende gegeven, bij wijlen den Hartoge Philips, Kaerle, haer voorvader Grave, ende Gravinne van Hollant, ende Heere van Vrieslant Zaliger. Memorijen te houden, ende te doen onderhouden, ende Conformeren, ende vestigen, die voor ons, ende onsen Erven ende nakomelingen, mits desen onsen eede, ende desgelijcken onsen voorschreven Landen, in Rechten ende Justitien te houden, ende te doen onderhouden, ende die oude goede costumen, gewoonten, ende haerkomen, abserveren, ende te bewaren, ende voort onse voorschreven Ridderschap, Landen, Steden, ende ondersaten van dien, te doen als des een goet Heere ende Prince schuldigh wesen sal te doen, alsoo moet ons Godt Helpen, ende alle Zijne Heijligen. Ende daer na zoo hebben die Staten, mijne voorschreven genadigen Heer, oock Eet gedaen, als hier na olght. Dat sweeren wij als dat onse genadigen Heere, EertsHartoge Philips, hier na volght zijn Hulden2 Huldigh ende ontfangen, tot onser voorschreeen rechten geboren LantsHeer, ende Grave den Landen van Hollant, ende Heerlijckheijt van Vrieslant, met haren toebehooren, sijn Hoogheijt, ende de Graeffelijcken Rechten, getrouwelijck 1 2

[Ick seg Vrieslandt] in de marge [Ick segh Hulden] in de marge

[41] mijn voornoemde genadige heer. Dat dezelfde mijn genadige heer hen dat zou willen toestaan en in het beleid en de uitwerking zou erkennen dat mijn genadige heer goede herinneringen en gedachten had van de grote verdienste die zij hier vroeger in het Roomse hebben gehad. Deze zaken hebben de voornoemde staten gehoord en die hebben elkeen in het bijzonder dus allen tezamen door een gemeenschappelijke overeenkomst dat willen toestaan, aannemen en goedkeuren. Toen dat gedaan was werd mijn voornoemde genadige heer ontvangen nadat hij eerst de eed aan hen had afgelegd op de manier die hierna volgt: wij zweren, als graaf van Holland en heer van Friesland met hun toebehoren, op te komen voor de heilige kerk en diens rechten en vrijheden te onderhouden, weduwen en wezen te beschermen en in rechten en redenen (?) te houden en te doen houden, de rechten van het handvest en de privileges aan onze ridderschap, vroeger verleend en gegeven aan de goede steden en gemeenschappelijke landen van Holland en –ik zeg Friesland- West-Friesland door wijlen de hertog Philips, Karel, hun voorouders graven en gravinnen van Holland en heren van Friesland zaliger. Herinneringen levend te houden en te laten onderhouden en in overeenstemming brengen en te bekrachtigen, die voor ons en onze erven en nakomelingen, door middel van deze eed van ons en evenzo van onze voornoemde landen de rechten en reglementen te houden en te laten onderhouden en de goede oude gebruiken, gewoonten en ….. in acht te nemen en in stand te houden. En voorts onze voornoemde ridderschap, landen, steden en de onderdanen ervan, te doen als het een goede heer en prins verschuldigd is te doen, zo helpe ons God en al zijn heiligen. Daarna hebben de staten aan mijn voornoemde genadige heer ook hun eed afgelegd, zoals hierna volgt. Dat zweren wij dat onze genadige heer, aartshertog Philips, zoals hierna volgt is gehuldigd –ik zeg hulde- en ontvangen als onze landsheer volgens de voornoemde rechten bij zijn geboorte en tevens als graaf van Holland en de heerlijkheid Friesland, met alles wat ertoe behoort: zijn hoogheid en de grafelijke rechten, trouw


[41Verso] Te bewaren ende te onderhouden,inden Rade van Hollant, ende voorts alle zijne Dienaren, ende Officiers, elcke toebehooren haren dienste doende, ende Executeerende te obedieren, ende assisteren, ende voor hou ende getrouwe dienstigh te wesen, tot beschermingh van zijn Edele Persoon, ende State, als wij van rechte ende van redenen wegen schuldigh zijn van doen, ende voort alle te doen, des goede ende getrouwe onderzaten, haren gerechten Landt-Heer schuldigh zijn vandoende, alsoo moet ons Godt Helpen, ende alle zijne Heijligen, van allen den welcke dingh aldus geschiet zijnde, mijne voorschreven Heere, heeft geordonneert, ende den Landen, mette Staten, hebben Versocht tot eene gelijck Verseeckerheden, ons Jan le Condrelier, secretaris ordinaris, mijne voorschreven genadigen Heere, den Roomsche Koninck, ende Eerts hartoge, ende Franck van Nesse Secretaris, in de Kamer van rade in Hollant, dese tegenwoordigen acte te maecken, ende expedieren, ten eijnde dat vast gestadigen, ende van waerde blijven, ten eeuwigen dagen. Actum inde voorschreven stadt, ten dagen ende Jare als boven, inde present ende tegenwoordigheijt van mijn Heere van Berge, Molenbaijs, ende berstele, ridder van Gvorden, de proost van Trich – Heer Ladroen – Host-Meester, Philibeert de Veerd, geseijt La Monche, eerst Stal Meester, Meester Jacob van Almonde, ende Jan Boudinsse, raden vande voorschreven Kamer, vanden Raden van Hollant, ende meer ander in groote getalen.

[41 verso] te bewaren en te onderhouden in de raad van Holland. Voorts al zijn dienaren en officieren de dienst ten uitvoer te brengen die erbij past, te gehoorzamen en te assisteren en in houw en getrouw dienstbaar te zijn ter bescherming van zijn edele persoon en zijn staat. Wij zijn dit met recht en reden verschuldigd te doen. Voorts alles te doen, dat goede en trouwe onderdanen hun rechtmatige landsheer verschuldigd zijn te doen, zo waarlijk helpe ons God almachtig en al zijn heiligen. Toen al deze dingen zo gebeurd waren, heeft mijn voornoemde heer gelast en hebben de landen mede met de staten gelijk gezind onze Jan le Condrelier, secretaris ordinaris, verzocht samen met mijn voornoemde genadige heer de Roomse koning en de aartshertog en Frank van Nesse, secretaris in de kamer van de raad van Holland de huidige akte te maken en op te stellen ten einde die blijvend te bevestigen en ten eeuwigen dage van waarde te laten blijven. Waarvan akte in de voornoemde stad, op de dag en in het jaar als boven genoemd in aanwezigheid van mijn heer Van Bergen, Molenbais en Borsele, ridder van de Orde, de proost van Tricht – heer Ladroen – hofmeester, Philibert de Veere, genaamd La Mouche, eerste stalmeester, meester Jacob van Almonde en Jan Boudijnsz, raden van de voornoemde kamer van de raad van Holland en vele anderen in groten getale.


[42] Copie vande xxviij.

[42] Kopie van de 28.

De Ridderschap, edelen, ende Steden van Hollant, ende West-Vrieslant representerende de Staten vande selve Lande. Doen te weten: Alsoo ons vertoont is bij Burgermeesteren, ende Vroetschappen der Stadt Goude, van wegen, ende als hem selven, mitsgaders: van wegen ende als representerende, het geheele corpus der gemeijnte, aldaer, hoe dat wijlen Hartoge Philips van Borgondjen, als Grave van Hollant, aende selve Steden gegeven hadden, seecker Privilegie, van dat binnen de selve Stadt soude wesen, veertigh Notable Persoonen, macht ende mogentheijt hebbende alle Jaers vier dagen voor den dagh, dat men gewoon was de Weth aldaer te Vernieuwen, te Kiesen, ende te noemen bij hare Eede, ende bij de meeste menichte van hemluijden achtien Persoonen, omme uijt de Veertigh vande selve gekoren te worden, bij zijnen Stadthouder, ende Luijden vanden Raedt in Hollant, seven Schepenen, ende uijt de Vier anderen twee Burgermeesteren, ende als eenige vanden Veertigh Persoonen voor schreven aflivigh worde ofte hem onvrijden van zijn Poorterschap, die andere vande Veertigh in wesenden blijvende Kiesende, soude bij hare Eede, ende Conscientie andere Notable ende Eerbare Persoonen, vande Rijckste, Notabelste, Rustelijckste, ende Vredelijckste, vande voorschreven Stadt, van wat conditie ofte state, die mochte wesen, sonder ijemant daer uijt te Versteecken, om haet, nijt, ofte eeniger hande saecke, ende dat de voorschreven Veertigh Persoonen, van alsdoen voortaen, tot den eeuwigen Dagen souden houden bekent, ende geroepen wesen, in alle des Lant ende der Stede saecke, gelijck de andere vande Vroetschappen der selver Stede, in Materie, ’t allen tijden gewoonlijcke de Vroetschap te Vergaderen

De ridderschap, edelen en steden van Holland en West Friesland die de staten van dezelfde landen vertegenwoordigen laten weten: dat ons door burgemeesters en vroedschappen van de stad Gouda, uit naam van henzelf en daarbij ook nog uit naam van de vertegenwoordiging van de hele corpus van de gemeente aldaar, hoe wijlen hertog Philips van BourgondiĂŤ, als graaf van Holland aan dezelfde stad een zeker privilege gegeven had. Namelijk dat binnen diezelfde stad er veertig notabele personen zouden zijn, die de macht en het vermogen moesten hebben om elk jaar vier dagen voor de dag dat men gewend was de wet aldaar te vernieuwen achttien personen te kiezen en onder ede te benoemen bij meerderheid van stemmen, en om uit diezelfde veertig zeven schepenen en uit de vier andere twee burgemeesters te kiezen door de stadhouder en de leden van de raad van Holland. En als iemand van de voornoemde veertig personen zou overlijden of het poorterschap zou hem ontvallen dan moeten de overige van de veertig die kiesgerechtigd blijven naar eer en geweten andere notabele en eerbare personen kiezen uit de rijkste , notabelste, rustigste en vredelievendste personen van de voornoemde stad, wat hun conditie of staat ook mocht zijn en zonder iemand uit te sluiten vanwege haat, nijd of enigerhande zaak. En dat de voornoemde veertig personen van destijds voortaan tot in eeuwigheid zouden belijden en geroepen zijn in alle zaken van het land en de stad, net als de anderen van de vroedschap van diezelfde stad in deze materie, te allen tijde dat de vroedschap gewend is te vergaderen


[42Verso.] Doende den Eet van getrouwigheijt, etc. Welcke Privilegie daer na inden Jare 1476, ende 1481, bij nader Privilegie, ende confirmatie bij Vrouwe Maria van Borgondjen, als Gravinne van Hollant, in allen deelen was geapprobeert, ende bevestight, alleenlijck met dese vergaderingh, ende ampliatie, dat in plaetse vande voorschreven nominatie van achtien Persoonen, voortaen op de manieren ende bij de veertigen boven geschreven, twee-en-twintigh Persoonen souden worden genomineert, inden Landen gebooren, ende gequalificeert als boven omme uijt de veertien vande selve, Zeven Schepenen naer ouder gewoonte, ende uijt de resterende acht Vier Burgermeesteren geligeerd te worde, bij haer Hartoginnee, ofte haren Stede houder, ende Rade van Hollant, de voorschreven Schepenen Out wesende acht-en-twintigh Jaer, ende daer-en-boven, ende de Burgermeesteren Veertigh Jaer, ende daen en boven, sulckx dat de voorschreven Stadt in plaetse van twee voortaen souden hebben vier Burgermeesteren, Inhoudende mede eijndelijck, het selve Privilegie een derogatoire clausule, daer bij een ijder wient aenkleven mochte gelast worden, den inhouden van desen Brieven van punte, te punte te onderhouden, ende doen onderhouden, sonder ijet te doen, ofte laten doen ter contrarie, in eenderleij wijse, het waer bij besloten Brieven, ofte andersints, diemen van haer Hartoginne Verkrijgen mochte, bij grooten strengen vervolgh heijmelijck, ofte openbaerlijck in eeniger manieren, welck Privilegie de vertoonder desen, ende der zelver manieren voorsaten, in Officio in alleen deelen, altijt wel regieuselijck hadden getracht te achtervolgen, ende onderhouden volgens haren Eet, ende Conscientien, maer hadden oock bij Veranderinge, vande gemeenen Gouvernementen der Landen in-voeringe, vande ware Gereformeerde Godts-dienst, ende andere constitutien van tijden, ende saecke, menichmael bij experentie bevonden, hoe qualijck ende ongevoechlijck, alle de voorschreven pointen konden worden geobserveert, ja dickwils niet sonder merckelijcke interesse, ende prĂŚjudicie vanden gemeenen beste der voorschreven Stede, bij sonderlijck ten opsichte van het groot getal, ende de qualificatie vande Veertigh Persoonen, tot den Raet ende Vroetschap der selver Stadt

[42 verso] volgens de afgelegde eed van trouw. En dat privilege was daarna, in de jaren 1476 en 1481, door een nauwkeuriger privilege en bekrachtiging door vrouwe Maria van BourgondiĂŤ, als gravin van Holland, in alle onderdelen goedgekeurd en bevestigd met dit voorbehoud in deze vergadering en uitbreiding dat in plaats van de bovengenoemde achttien personen, voortaan op die manier door de voornoemde veertig twee en twintig personen zouden worden genomineerd. Zij moesten in deze landen geboren zijn en tot de hoogste kringen behoren zoals hierboven gesteld, om uit dezelfde veertien zeven schepenen te kiezen naar oud gebruik en uit de resterende acht vier burgemeesters om voorgedragen te worden bij hun hertogin of hun stadhouder en de raad van Holland. De voornoemde schepenen moesten acht en twintig jaar of ouder zijn en de burgemeesters veertig jaar of ouder, zodat de voornoemde stad in plaats van twee voortaan vier burgemeesters zou hebben. Ten slotte houdt hetzelfde privilege een slotclausule in waarbij ieder die het aanging gelast werd de inhoud van deze akten punt voor punt te onderhouden en te laten onderhouden, zonder iets te doen of te laten doen in het tegendeel hoe dan ook, op enigerlei wijze. Hetzij door gesloten akten of anderszins, die men van hun hertogin mocht krijgen, op zeer dringend verzoek stilzwijgend, dan wel openbaar op een wijze die de toonder van dit privilege op dezelfde wijze als de voorvaderen ambtshalve geheel en al altijd al nauwgezet hadden getracht na te komen, naar hun eer en geweten. Maar hadden ook door de verandering van de gemeenschappelijke besturen van de landen, namelijk de invoering van de ware gereformeerde godsdienst en andere staatsregelingen van tijden en zaken, menigmaal door ervaring ondervonden hoe bezwaarlijk en onaangenaam alle voornoemde punten konden worden nageleefd. Ja dikwijls niet zonder evidente schade van het gemeenschappelijke goed van de voornoemde stad, in het bijzonder door de verruiming van het grote getal en de kwalificatie van de veertig personen in de raad en vroedschap van dezelfde stad


[43] Geordonneert ’t welck noch menichmael vergroot was geworden, bij nominatien van Schepenen, uijt de gemeente buijten het getal vande Veertigh, die daer na alhier leven, uijt crachten van het voorschreven Privilegien , ofte immers uijts een oude geniveterende gewoonte, inde Vroetschap vande Stadt, op alle Stadts Lande saecken hadden moeten geroepen worden, daer uijt dan oock al dickwils questien ende oneenicheden ontstaen waren, ende noch in toekomende ontstaen souden mogen, die de vertoonder gaerne sagen Vergoet, ende voortgekomen, ende hadden derhalven goetgevonden, bij resolutie van hare Vroetschap, ende uijt name als boven vereventelijck te Versoecken dat het onse gelieft mochte zijn, ex planitudine potestatie ten meesten rusten, Eendracht, dienst, ende nutticheijt vande voorschreven Stadt te approberen, ende ratificeren, seeckeren Voet, ende reglement, bij deselve daer op beraemt, naer het exempel van Verscheijde andere Steden binnen Landen, namentlijcken: omme het voorschreven getal van Veertigh Persoonen, daer van eenige overleden waren, te laten uijtsterven tot op acht-en-twintigh Persoonen, ende voortaen inde vergaderinge vande Vroetschappen, ende Raden, niet meer te admitteren, die geene d’welcke uijt het Corpus vande Gemeente buijten de voorschreven acht-en-twintigh, bij gebreck van andere, ten eenigen tijden tot Schepenen mochten ge-eligeert worden, ende dat voortaen, niemant in het getal vande voorschreven acht-en twintigh Persoonen, souden admissibel ofte eligibel zijn, als die een ingebooren was vanden Landen van Hollant, ende poorter der voorschreven Stadt, ten minsten ses Jaren aenden anderen inde selve gewoont hebbende, ende die Professie soude doen, vanden ware Christelijcke Gereformeerde Religie, ofte Immers de selve alsoo toegedaen, dat bij frequentaels vanden Publijcque Kercke, ende het gehoor der Heijligen woorts daer bij souden komen, blijckende dat de Vervullingh vande afgestorven, ofte die daer van haer Poorterschap ontvrijen souden hebben gedaen souden worden, bij de overige vande acht-en twintigh, op Nieuwe Jaers dagh uijt de Rijckste, Notabelste, Rustelijckste, ende Vredelijckste Poorteren, der voorschreven stede, in confor-

[43] vastgesteld. Hetgeen nog menigmaal groter was geworden door de benoeming van schepenen uit de gemeente boven het getal van veertig, die daarna alhier leven en zo doende het voornoemde privilege geweld aandoen en zo niet dan toch vanwege een oude …. (?) gewoonte in de vroedschap van de stad voor alle landszaken van de stad hadden moeten worden geroepen. Waaruit dan ook al dikwijls problemen en onenigheden ontstaan waren, die ook nog in de toekomst zouden kunnen ontstaan en die de toonder gaarne vergoed zagen en voorkomen. Zij hadden om die reden goedgevonden, door een besluit van hun vroedschap en uit naam als hierboven ….. (?) te verzoeken dat het onze voorkeur zou hebben ex planitudine potestatie om voor de meeste rust, eendracht, dienst en nut van de voornoemde stad een zekere gedragsregel en reglement goed te keuren en te bekrachtigen. Door dezelfde daarbij vastgesteld naar het voorbeeld van verscheidene andere steden binnen de landen, namelijk om het voornoemde getal van veertig personen, waarvan enige overleden waren, te laten uitsterven tot op acht en twintig personen. Bovendien voortaan in de vergaderingen van de vroedschappen en raden diegenen niet meer toe te laten die uit het corpus van de gemeente, buiten de voornoemde acht en twintig bij gebrek aan anderen, ooit tot schepenen konden worden verkozen. Bovendien dat men voortaan niemand in het getal van de voornoemde acht en twintig personen zou toelaten of verkiesbaar zou laten zijn die niet geboren was in Holland en geen poorter was van voornoemde stad en niet tenminste zes jaar aan een stuk in dezelfde stad gewoond had. Bovendien moesten die een openbare geloofsbelijdenis doen van het ware Christelijke gereformeerde geloof, of in elk geval deze zaak zo toegedaan zijn dat door druk bezoek van de publieke kerk en het aanhoren van het heilige woord daar bij zou komen. Hieruit blijkt dat de aanvulling van de open plaatsen wegens overlijden of verlies van het poorterschap, door de overige personen van de acht en twintig op Nieuwjaarsdag uit de rijkste, notabelste, rustigste en vredelievendste poorters van de voornoemde stad


[43Verso] vande vorige Privilegien, de welcke na prestatien vanden gewoonlijcken Eet: soude geinstaleert, ende in alle Vergaderinge vande Vroetschap beroepen worden, als alle de andere vande acht-en-twintigh, ende Vroetschappen der selver Stadt. Ende gelijck de Persoonderen de gelegentheijt, qualiteijt, ende Capaciteijt van hare ingesetenen best bekent was, soo Versochten de selve mede, dat het ons gelieft de selve eender Gifte begunstigen, ende authoriseeren, dat de voorschreven vande Veertigh nu noch in wesen zijnde, ende daer naer de voorschreven acht-en-twintigh, in plaetse vande twee-entwintigh Persoonen, bij nomunatie aenden Stadt-houder, ofte raden, over te brengen, daer uijt Vier Burgermeesteren ende zeven Schepenen, bij openbare stemmen ende enckel getale, gelijck zij tot nogh toe de voornoemde nomunatie, van het dobbel getal gewoon waren geweest te doen, alle de selve mede professie doende, vande ware Christelijcke Gereformeerde Religie, ofte immers de selve soo toegedaen, dat bij frequentalijcke vande Publijckque Kercke, en het gehoor der heijligen Woorts, daer van soude konnen blijcken, ende dat presijs op Nieuwe Jaers Dach, omme den vijfden dagh daer naer zijnde drie Koningen Avont, volgens de oude ende gewoonlijcke formulier be Eedicht, ende soo in hare respectieve bedieninge, geinstalleert te worden, achter volgens de oude Privilegien, ende gebruijcke, met dese expresse Conditie, dat de voorschreven Vier burgermeesteren, elcx twee Jaren souden dienen, ende sulcx alle Jare twee afgaen, ende twee nieuwe aenkomen, ende de Schepenen van gelijcke twee Jaren dienen, ende sulcx het eene Jaer Vier1, ende het andere Jaer drie moeten afgaen, ende aenkomen als vooren, alle de voorschreven elf Persoonen, Burgermeesteren, Schepenen te eligeren, uijt het getal Voorschreven ande Veertigh Persoonen, nu noch in wesen zijnde, daer na uijt de voorschreven achten-twintigh, souder daer buijten te mogen gaen, soo lange die uijt het zelve getal souden konnen gevonden worden, ende jemande bij gebreecken, uijt de gemeente genomen worden, de alleenlijck tot de Justicie, administratie, vandien, te admitteren, sonder oijt inde Vroetschap te compareren, ende nae expiratie van zijn tijt wederomme privatus te worden als vooren, ende mede dat ijemant vande respectieve Burgermeesteren, ofte 1

[ick seg Vier] in de marge

[43 verso] conform de vorige privileges, die na het afleggen van de gebruikelijke eed zouden zijn geïnstalleerd en in alle vergaderingen van de vroedschap geroepen worden evenals alle anderen van de acht en twintig en vroedschappen van dezelfde stad. Het spreekt vanzelf dat bij die personen de stand van zaken, kwaliteit en capaciteit van hun ingezetenen het best bekend was, verzochten dus dezelfde of het ons beliefde dezelfde met een gift te begunstigen en te machtigen dat de voornoemde veertig die er in wezen nu nog zijn en daarna de acht en twintig in plaats van de twee en twintig personen over te brengen aan de stadhouder of de raden om daaruit vier burgemeesters en zeven schepenen voor te dragen door in het openbaar te stemmen uit het enkele getal, zoals zij tot nog toe de voornoemde voordracht uit het dubbele getal gewend waren te doen. Zij moeten allen een geloofsbelijdenis afleggen van het ware Christelijke gereformeerde geloof of in elk geval de zaak zo toegedaan zijn dat door veelvuldig bezoek van de publieke kerk en het aanhoren van het heilige woord dat zou kunnen blijken. Precies op Nieuwjaarsdag worden zij, omdat het de vijfde dag daarna driekoningenavond is, volgens de oude en gebruikelijke formulering beëdigd en zo in hun respectievelijke ambten geïnstalleerd in navolging van de oude privileges en gebruiken. Met deze uitdrukkelijke voorwaarde dat de voornoemde vier burgemeesters elk twee jaar zouden dienen, zodat elk jaar er twee aftreden en twee nieuwe opkomen. Ook de schepenen zullen twee jaar dienen, zodat het ene jaar vier en het andere jaar drie moeten aftreden en opkomen zoals hiervoor. Alle elf voornoemde personen, burgemeesters en schepenen te verkiezen uit het voornoemde getal van veertig personen die er nu nog zijn en daarna uit de voornoemde acht en twintig, zonder daarbuiten te mogen gaan zolang die uit hetzelfde getal zouden kunnen worden gevonden. Als iemand vanwege een gemis uit de gemeente wordt genomen, om die dan slechts toe te laten tot de administratie van de rechtspraak zonder ooit in de vroedschap te verschijnen en na het verstrijken van zijn tijd weer een privé persoon te worden zoals voordien. Evenzo dat als iemand van de burgemeesters of schepenen op zijn beurt


[44] Schepenen komende te overlijden, ofte tot eeniger ander ampt gepromoveert te worden, desselfs plaetse binnen de tijt van Veerthien dagen, na behoore beschrijvinge van alle absente Vroetschappen, souden worden gesupplieert, ende den Gesurrogeerden alleenlijcken dienen, voor den tijt dat den Overleden, ofte tot eenigh ander Ampt, gepromoveerden souden gedient hebben, behoudelijck datmen geen surrogatie souden doen, in de lesten ses Maenden van jemant dienst, Versoecke sij Verthoonders uijt den name ende in qualiteijt als boven, dat het ons als representerende den Grave der lande, geliefde de voorschreven derogatoire clausule, in het voorgementioneerde Privilegie geinsereert uijt volle macht, ende seecker wetenschap, voor zoo veel het noodich mochte zijn te recovoceren, ende annuilleeren, mits blijvende het zelve in zijn verdere Pointen in zijn geheele, ende ongeprejudicieert, ende voortshaer verthoonderen van alle het geene voorschreven is, grasieuselijck te Vergunnen, consenteeren, ende Verleenen onsen brieven van Octroij, ende Privilegie, inde bester formen. Soo ist: Dat wij de saecke, ende Versoecken, voorschreven, overgemerckt hebbende, ende de Verthoonders willende gelieven, uijt onse rechte wetenschap souveraine Macht, ende authoriteijt, den voorschreven bij de vertoonders geraemde Raet, ende reglement hebben goet gevonden, geapprobeert, ende geratificeert, vinden goet approberen, ende ratificeeren den selven mits desen, statuerende ien volgens, dat het getal van Veertigh Persoonen vooren gevoert, sal uijt sterven tot acht-en-twintigh Persoonen, ende dat voortaen inden Vergaderinge van de vroetschap, ende Raden, niet meer sullen worden geadmitteert de geene de welcke uijt het Corpus vande Gemeijnte, buijten de voorschreven achten-twintigh, bij gebreck van ander ten eenigen tijden, tot Schepenen sullen worden ge-elieert, dat mede voorts aen niemant in het getal vande voorschreven acht-entwintigh Persoonen sal admisibel, oft eligibel wesen, als de welcke daer ingeboren sal wesen van onsen Lande, ten minsten ses Jaer inden selve Stadt gewoont hebbende, ende die professie sal doen, vande ware Christelijcke Gereformeerde Religie, ofte ten minsten de selve soo toegedaen, dat bij frequentatie

[44] komt te overlijden of tot enig ander ambt gepromoveerd wordt, zijn plaats binnen veertien dagen, na een beschrijving van alle afwezige vroedschappen, zou worden vervuld en de plaatsvervanger zou slechts dienen gedurende de tijd dat de overledene of de tot enig ander ambt gepromoveerde zou hebben gediend, met dien verstande dat men geen plaatsvervanger zou aanstellen in de laatste zes maanden van iemands dienst. Zij, de toonders, verzoeken uit naam en kwaliteit als hierboven, dat het ons, als vertegenwoordigers van de graaf, belieft de voornoemde geclausuleerde clausule in het voornoemde privilege in te voegen om de volledige macht en zekere wetenschap, voor zover dat nodig mocht zijn, te herroepen en annuleren op voorwaarde dat hetzelfde in zijn verdere punten een geheel blijft en zonder er afbreuk aan te doen. Verder hun toonders alles wat hiervoor genoemd is op genadige wijze toe te kennen, goed te keuren en onze akten van machtiging en privilege te schenken in de beste vorm. Het is zo: dat wij de voornoemde zaken en verzoeken nauwkeurig nagegaan zijn en omdat wij de toonder willen believen, hebben wij uit onze goede wetenschap, soevereine macht en autoriteit, de voornoemde door de toonders bedoelde raad en het reglement goed gevonden, als geldig erkend en geratificeerd. Zo vinden wij datzelfde goed en verklaren het als geldig en ratificeren het. Met dien verstande dat wij vervolgens bepalen dat het getal van veertig personen zoals te voren gevoerd, zal uitsterven tot acht en twintig personen en dat voortaan, in de vergadering van de vroedschap en de raden, diegenen niet meer zullen worden toegelaten, die uit het corpus van de gemeente, buiten de voornoemde acht en twintig, bij gebrek aan een ander, te eniger tijd als schepenen zullen worden gekozen. Dat ook verder niemand in het getal van achten twintig personen toelaatbaar of verkiesbaar zal zijn, als hij niet in ons land geboren is en tenminste zes jaar in dezelfde stad gewoond heeft en die een geloofsbelijdenis zal afleggen van het ware Christelijke gereformeerde geloof of ten minste dezelfde (zaak) zo toe gedaan, dat door veelvuldig bezoek


[44Verso] vande Publijcque Kercken, ende het gehoor des Heijligen woorts, daer van sal blijcken dat de Vervullinge vande afgestorven ofte die van haer poorterschap sullen komen te, ontvrijden gedaen zal worden, bij de overige vande acht en twintigh, op nieuwe Jaers dach, uijt de rijckste, Notabelste, ruijstelijckste, ende vredelijckste Poorteren der voorschreven Stadt, in conformite vande vorige Privilegie, de welck naer prestatie vanden gewoonlijcken Eedt, sullen geinstalLeeren, ende in alle Vergaderingen van de Vroetschappen geroepen worden, als de andere van de acht-en-twintigh, ende Vroetschappen der selver Stadt Vergunnende, ende authoriserende, de verthoonders wijders, dat den voorschreven vande Veertigh nu nogh in wesende zijnde ende daer nae de voorschreven acht-en-twintigh, in plaets vande twee-en-twintigh Persoonen, bij nominatie aende StadtHouder, ofte Raden over brengen, omme daer uijt Vier BurgerMeesteren, ende seven Schepenen, ge-eligeert te worden, deselve absolutelijck sullen mogen eligeerts Kiesen, ende sette Vier Burgermeesteren, ende even Schepenen, bij openbare Stemme, ende enckel getal, gelijck sij-luijden tot nochtoe, de voorschreven nominatie van het dubbel getal, gewoon szijn geweest te doen, alle de zelve mede professie doende, vanden ware Christelijcke Gereformeerde Religie, ofte immers deselve soo toegedaen, dat bij frequentatie vande Publijcque Kercken, ende het gehoor des Heijligen Woorts daer van zal konnen blijcken. Ende dat precise op Nieuwen Jaers-dach, omme den vijffden dach daer naer zijnde drie Koningen-Avont, volgens de oude, ende gewoonlijcke formulieren be-eedight, ende alsoo in hare respective bedieningen geinstalleert te worden, achter volgens de oude Privilegie, ende gebruijcke, met expresse conditie dat de voorschreven Vier burgermeesteren, elcx twee Jaer sullen dienen, ende sulckx alle Jaer twee afgaen, ende twee nieuwe aenkomen, ende de Schepenen van gelijcken twee Jaren dienen, ende sulckx het eene Jaer Vier, ende het andere Jaer drie moeten afgaen, ende aenkomen, ls voren, alle de voorschreven elf Persoonen, Burgermeesters, ende Schepenen te eligeren, uijt het getal vande voorschreven Veertigh, nu noch in wesende zijnde, ende daer naer uijt de voorschreven acht-en-twintigh, sonder daer buijten te mogen komen, soo lange die uijt het zelve getal gevonden sullen worden te komen. Ende jemant bij gebreck uijt de gemeijnte genomen wordende, alleenlijck tot Justitie ende Administratie van dien, te admitteren, sonder oijt

[44 verso] van de publieke kerk en het aanhoren van het heilige woord. Daaruit zal blijken dat de aanvulling van de overledenen of diegenen die hun poorterschap ontnomen zijn, door de overige van de acht en twintig, op Nieuwjaarsdag uit de rijkste, notabelste, rustigste, vredelievendste poorters van de voornoemde stad, in overeenstemming met het vorige privilege, die na het afleggen van de gebruikelijke eed, zullen worden geïnstalleerd en in alle vergaderingen van de vroedschap opgeroepen worden, evenals de anderen van de acht en twintig. De vroedschap van dezelfde stad wijst de toonder toe en machtigt deze voorts dat de voornoemde veertig, die er nu nog zijn en daarna de voornoemde acht en twintig in plaats van de twee en twintig personen, door voordracht aan de stadhouder of de raden worden voorgelegd, om daaruit vier burgemeesters en zeven schepenen te kiezen. Dezelfde zullen zonder voorbehoud vier burgemeesters en zeven schepenen wettig mogen verkiezen, door openbaar te stemmen uit het enkele getal zoals zij tot nog toe de voornoemde voordracht uit het dubbele getal gewend waren te doen. Al diezelfde leggen ook de geloofsbelijdenis af van het ware Christelijke gereformeerde geloof of zo niet dan toch dezelfde zaak zo toegedaan te zijn dat door veelvuldig bezoek aan de publieke kerken en het aanhoren van het heilige woord daarvan blijk zal geven. Precies op Nieuwjaarsdag, omdat het de vijfde dag daarna Driekoningenavond is, worden zij volgens de oude en gebruikelijke formuleringen beëdigd en dus in hun respectieve ambten geïnstalleerd, in overeenstemming met de oude privileges en de oude gebruiken met de uitdrukkelijke voorwaarde dat de voornoemde vier burgemeesters elk twee jaar zullen dienen en zodoende zullen elk jaar twee aftreden en twee nieuwe aantreden en ook de schepenen dienen twee jaar, zodat het ene jaar vier en het andere jaar drie moeten aftreden en aantreden zoals hiervoor. Alle voornoemde elf personen, burgemeesters en schepenen, te kiezen uit het huidig nog voornoemde getal van veertig en daarna uit de voornoemde acht en twintig, zonder daarbuiten te mogen komen, zolang die uit datzelfde getal gevonden kunnen worden. Als iemand bij gebrek uit de gemeente wordt genomen, die slechts toe te laten tot de rechtspraak en de administratie daarvan, zonder ooit


[45] De gemeene Vroetschap te compareren, ende naer expiratie van zijnen tijt, wederom privatus te worden als vooren. Ende dat jemant vande voorschreven Burgermeesteren, ofte Schepenen komende te overlijden, ofte tot eeniger-handen Ampt gepromoveert te worden, des selfs plaetsche binnen den tijt van veertien dagen, naer behoorlijcken Verschrijvinge van alle absente Vroetschappen, sullen worden gesuppleert ende den gesurregeerden, alleenlijck dienen voordien tijt, dat den overleden, ofte tot eenigh ander Ampt gepromoveertsouden gedient hebben, behoudelijck datmen geen surrogatie sal doen, inde laetste ses Maenden van ijemants dienst revocerende, ende ammullerende, voorts voor soo veel des noodighs wesen mochten, uijt onsen Rechten wetenschap, souveraine macht, ende Authoriteijt, als vooren, de voorschreven derogatoire clausule in het gementioneerde Privilegie geinsereert, mits blijvende het selve in zijne vordere pointen, in zijn geheel, ende ongeprejudicieert, ende ten eijnde de Verthoonders dese onse Gunst, consent, ende octroij mogen genieten als naer behooren, lasten, ende ordonneeren wij allen, ende een jegelijcken, desen eenighsints aengaende, hem na te reguleeren, ende de Vertoonders ’t effect an desen te laten genieten, sonder de Vertoonders te doen, ofte te laten geschieden, eenigh hinder, letsel, moeijenisse, ofte empesschement ter contrarie. Gegeven inden Hage, onder onsen grooten Zegel hier aen doen hangen, op den xxje Decembris, in’t Jaer ons Heeren eenigen Heijlant, ende Salighmaker Jesus Christus duijsent ses hondert ende vijftigh1. Ende is gerarapheert Cats2 Vt Lagerstont ter ondonnantie vanden Staten, ende is onderteijckent Herbert van Beaumont, Hebbende onder uijt hangende een zegel in Roode wassche, aen dobbelde francijne Staerten.

1 2

[Anno 1650] in de marge [ik seg Cats] in de marge; [Cats] verbeterd

[45] in de gewone vroedschap te verschijnen en na het verstrijken van zijn tijd weer privĂŠ persoon te worden als voorheen. Verder dat als iemand van de voornoemde burgemeesters of schepenen komt te overlijden of tot enigerhande ambt gepromoveerd wordt, zijn plaats binnen veertien dagen, na passende aanschrijving van alle afwezige vroedschappen, zal worden aangevuld. De als plaatsvervanger aangestelde zal slechts die tijd dienen die de overledene of tot enig ander ambt gepromoveerde gediend zou hebben, met dien verstande dat men geen plaatsvervanger zal aanstellen in de laatste zes maanden van iemands dienst en die verder zo veel als nodig is te ontheffen en op te heffen. Uit onze goede wetenschap, soevereine macht en autoriteit als hiervoor, is de voornoemde opheffingsclausule in het voornoemde privilege ingevoegd terwijl het privilege in de verdere punten een geheel en onaangetast blijft. Ten einde de toonder van deze gunst, belofte en machtiging te laten profiteren zoals het hoort, gelasten en bevelen wij allen en iedereen die het enigszins aangaat dit na te komen. Bovendien de toonder te laten profiteren van de werking hiervan, zonder de toonder hinder, last, overlast, beletsel en tegenwerking aan te doen of aan te laten doen. Gegeven in Den Haag door onze grote zegel hieraan te laten hangen op 21 december in het jaar van de enige heiland en zaligmaker des Heren, Jezus Christus, duizend zes honderd en vijftig en is geparafeerd Cats. Lager stond op bevel van de staten en is ondertekend Herbert van Beaumont en er onder uit hangt een zegel van rode was aan dubbele repen perkament.


[46] Vande Vrijheijt Vande Stede Goude. Gebreedt een quartier mijls rontomme Der Stede. Maximiliaen, ende Philips bij der Gratien Godts, Eerts Hartoge van Oostenrijck, Hartoge van Bourgongjen, van Lotteringen, van Brabant, van Limborgh, van Luxenburgh, ende van Gelre, Grave van Vlaenderen, van Artoijs, van Bourgongjen, ende Palentijnen van Henegouwen, van Hollant, van Zeelant, van Namen, ende van Zutphen, Marckgrave der Heijligen Rijckx-Heere van Vrieslant, van Salines, ende van Mecchelen, allen den geenen die desen onsen tegenwoordigen Brief sullen zien, ofte hooren lesen Saluijt, onse goede getrouwen ondersaten, de gemeene inwoonders van onse voorschreven Stede vander Goude, in onsen Landen van Hollant, hebben ons doen vertoonen ende te kennen gegeven, hoe dat de Jurisdictie, Vrijheden der selver onser Steden vander Goude, hier niet vorder noch breeder bestrecken is, noch Stede en heeft, dan binnen den ruck-oorcule vande poorteren resten, ende Mueijren der selver Stede, ende een weijnigh daer buijten, soo dat die van de gerechten aldaer bij ons gestelt, den malefacteurs ende quaet doenders, die hen-luijden dagelijckx buijten den Poorten, ende Muijren der selver Stadt, ende der Jurisdictie van dien houdende, ende conserende1 consenterende

1

[ick segh conserende] in de marge

[46] Van de vrijheid van de stad Gouda. Ter breedte van een kwart mijl rondom de stad. Maximiliaan en Philips, bij de gratie Gods aartshertogen van Oostenrijk, hertogen van Lotharingen, van Brabant, van Limburg, van Luxemburg en van Gelre, graven van Vlaanderen, van Artois, van BourgondiÍ en rijksgroten van Henegouwen, van Holland, van Zeeland, van Namen en van Zutphen, markgraven van het heilige rijk, heren van Friesland, van Salines en Mechelen, al diegenen die deze huidige akte van ons zal zien of horen lezen, gegroet. Onze goede trouwe onderdanen, de gewone inwoners van onze voornoemde stad Gouda in ons land van Holland, hebben ons laten zien en te kennen gegeven dat het rechtsgebied, de vrijheid van dezelfde stad Gouda, hier noch verder, noch breder gelegen is, noch een plaats heeft dan binnen de ‌..? van de poorten overblijft en de muren van dezelfde stad en ook nog een weinig daarbuiten, waardoor de rechtbank aldaar door ons gesteld, de misdadigers en boosdoeners dagelijks buiten de poorten en muren van dezelfde stad en het rechtsgebied ervan houden. Tevens goed te keuren


[46Verso] zijn met aentasten, Vangen, noch Corrigeren en mogen. Ende dat meer ende arger is, de selve quaet-doenders, ende lighte Persoonen hen dagelijckx onderhouden, ende in grooten menichte confereerende zijn buijten der voorschreven Stede, in diversche Huijsen, ende Herberge, daermen Tappet, sommige om heure quade meijninge te volkomen, ende ijemant aldaer te Verwachten uijter voorschreven Steden, sommige omme met ijemant van buijten te spreecken, die zij aldaer verdachvaert hebben, ende dagh beteijckent hebben, commuquieren, ende quade opstelten te maken, ende Bier te vollen, alsoomen vanden Bier daer buijten der selver onser stede getapt worden, geen excijnse en geeft, alle ‘twelcke redundeert, keert tot grooten lasten, ende beswaernisse van onser voorschreven Stede vander Goude, ender doen onser Stede ende Poorterije vandien, noch meer doen souden worden hierop bij ons niet versien, alsoo sij seggen, versoecken daeromme aen ons de voorschreven supplianten, dat onsen geliefte sij hen-luijden te gunnen, ende te consenteren, in amplianten dat vermeerdert van heure voorschreven Jurisdictie, dat zij een halve Mijlen Rontomme gaende buijten onsen voorschreven Steden vander Goude, alsoo wel aende Jsele sijde, als aen d’andere mogen vangen quaetdoenders, ende die corrigeren bij den Gerechten, vander voorschreven Gerechten, onser Stede, in sulcker Manieren als of sij gevangen quaetdoenders ende aengetast waren, binnen den bevangen vander Poorter Vesten, ende Muijren der selver onser Stede ende oock aldaer te mogen exigeren, ende heffen, rechte van excijnsen, ende andere subventien, ende impositie als binnen der voorschreven Stede, ende hemluijden op alle te Verleenen onse openen bezegelde Brieven, in behoorlijcker formen doen, te weten: dat wij overmercken ’t gunt dat voorschreven is, ende daer van te willen geadverteert wesende, geneijght wesende ter bidden, ende begeerten vander voorschreven thoonderen, ende hier op gehadt goet, ende rijp advijs ende deliberaeij van raden, hebben voor ons onsen Erven ende Nakomelingen, Graven, ende gravinne van Hollant den selven van onsen Stede vander Goude voornoemt, 1 hem ende hare Nakomelingen inden gerechten vander voorschreven onser Steden, gegunt, ende egeven, gunnen , ende geven ijt onser Stede sonderlingen Gratien, met desen onsen brieven, hemluijden amplicerende, ende vermeerende de voorschreven heure Jurisdictie, dat zij de selve heure Jurisdictie, dat zij zullen mogen gebruijcken, ende doen

1

[hare] in de marge

[46 verso] en het er over eens zijn dat zij die noch in hechtenis nemen, noch gevangen nemen, noch straffen kunnen. Wat nog erger is: dezelfde boosdoeners en lichtzinnige personen houden zich dagelijks bezig met elkaar en overleggen in groten getale met elkaar buiten de voornoemde stad in diverse huizen en herbergen waar getapt wordt. Sommigen om hun kwade bedoelingen uit te voeren en iemand op te wachten uit de voornoemde stad, sommigen om met iemand van buiten te spreken die zij daar ontboden hebben op een vastgestelde dag om te overleggen en om boze plannen te beramen. Tevens om bier te brouwen en men betaalt ook geen accijns van het bier dat daar buiten diezelfde stad van ons wordt getapt, hetgeen er overvloedig aanwezig is en uitdraait op ernstige overlast en bezwaren van onze voornoemde stad Gouda en van zijn burgerij. Op dit doen en laten wordt door ons niet toegezien, dus zeggen zij en verzoeken zij, de voornoemde verzoekers, daarom aan ons of het ons belieft hen te gunnen en goed te keuren een uitbreiding die een vermeerdering van hun voornoemde rechtsgebied inhoudt, zodat zij een halve mijl gaans rondom buiten onze voornoemde stad Gouda, zowel aan de kant van de IJssel als aan de andere kant boosdoeners mogen gevangen nemen en die mogen straffen voor het recht van de voornoemde rechtbank van onze stad op zo’n wijze alsof de aangehouden boosdoeners in hechtenis waren genomen binnen de grenzen van de stadsvesten en stadsmuren van dezelfde stad van ons. Tevens daar in rechte accijns te mogen vorderen en heffen en ook andere heffingen zoals binnen de voornoemde stad. Hen ook dat allemaal te schenken in onze open bezegelde akten en dat in een passende vorm te doen. Te weten: dat wij nauwkeurig hebben nagegaan hetgeen hiervoor genoemd is en daarom mededeling willen doen dat wij buigen voor het dringend verzoek en verlangen van de voornoemde toonders. Na hiervoor goede en rijpe adviezen en beraadslagingen te hebben gehad van de raden, hebben wij voor ons, onze erven en nakomelingen, graven en gravinnen van Holland dezelfde van onze stad Gouda voornoemd, hen en hun nakomelingen in het recht van onze voornoemde stad, gegund en gegeven, gunnen en geven uit onze buitengewone goedgunstigheid onze stad met deze akte van ons aan hen de uitbreiding en vermeerdering van hun voornoemde rechtsgebied, opdat zij datzelfde rechtsgebied van hen zullen kunnen gebruiken en doen


[47] verstercken een quartier van eene Mijle weeghs, rontomme gaende der voorschreven onser Stede vander Goude, alsoo wel over die Ysele, als over de andere zijde, ende binnen dier distructie bedrijven, ende bepalingen, alle Malefacteurs, ende quaet doenders aen te tasten, te corrigeren, ende te berechten, ende alle boeten, ende breucken van hem-luijden te heffen, ende te doen heffen, gelijck ende in alsulcker Manieren, als zij dat doen mogen, ende van outs tot hier toe gedaen hebben, binnen den bevangen Poorters, ende Vesten, ende Mijlen der voorschreven onser Stede ende Insgelijkckx oock zoo gunnen, ende Conserveren wij hem Luijden bij desen, onser voorschreven Brieven, ende bepalinge van een quartiers van eene Mijle weges, rontomme der zelver Stadt vander Goude, sullen mogen opstellen, innen, ende ontfangen alderhande Excijnsen, ende andere Inpositien, ende Keuren, sulcken ende gelijcken zij binnen der Stede doen, ende altijt gedaen hebben, ende noch boven soo consenteren, ende geven wij henluijden oock mits desen, onsen voorschreven brieven, dat zij alsoo wel binnen den voorschreven brieven, ende distructie van een quartiers Mijlen rontomme der voorschreven onser Stede, binnen den bevangen der selver onser Stede, Stede sullen mogen rechten, ende Justitie doen, ende executie van alle bekende rechtvaerdelijcke schulden ende den schuldenaren, ende Debiteurs van dien Vangen, ende in gevanckenisse houden, alsoo lange, ende ter tijt toe dat zij heure Crediteurs vermeuge betalende, ofte daer mede gecomposeert zullen hebben, alle in sulcker voegen Manieren ende vastige, als zij dit doen mogen, ende alle wegen van outs gedaen hebben, binnen der voorschreven onser Steden vander Goude, ende sonder eenigh onderscheijt. Ende dit alsonder prejuditie van onsen domeijne, ende vander Pachten van onsen Baiulliuw, Schepenen, van Schielant, jegenwoordig ende toekomende, ontbieden daer omme, ende bevelen, onsen lieven ende getrouwen den Stadt-Houder generael, ende den anderen luijden van onsen Raden, ende van onser rekeninge in Hollant, onsen Bailliuw, ende Schout vander Goude, onsen Rentemeester generael van Hollant, ende Vrieslant, ende voorts allen anderes onsen rechteren, Officieren, ende ondersaten tegenwoordigh, ende toekomende die dit voeren ende aengaet, dat zij den voornoemden thoonder, ende hare Nacomelinge van deser onser Stede jegenwoordiger Gratien, Gunsten, ende consente, ende van al den inhout van desen, doen laten, ende gedogen, rustelijcken

[47] toenemen met een kwart mijl gaans rondom de voornoemde stad Gouda van ons, zowel aan de IJssel als aan de andere kant. Om daarbinnen rechtshandelingen te doen en bepalingen te handhaven, alle misdadigers en boosdoeners in hechtenis te nemen en te straffen, hen te berechten en alle boetes en geldboetes van hen te heffen en te laten heffen, op dezelfde manier als zij dat mogen doen en vanouds tot nu toe gedaan hebben binnen de omringende poorten en vesten en mijlen van onze voornoemde stad. Evenzo gunnen en bewaren wij hen door deze voornoemde akten van ons en bepalen dat zij binnen een kwart mijl gaans rondom dezelfde stad Gouda allerhande accijns en andere belastingen en keuren zullen mogen vaststellen, innen en ontvangen, zoals zij binnen de stad doen en altijd gedaan hebben. Bovendien staan wij toe en geven wij hen ook door deze voornoemde akten van ons dat zij dus wel binnen de voornoemde akten en overdracht van een kwart mijl rondom de voornoemde stad van ons, binnen de omvang van onze zelfde stad, de stad zal mogen rechtspreken en gerechtigheid plegen en alle bekende terechte schulden en schuldenaren en debiteuren gevangen nemen en houden, zo lang en tot de tijd dat zij hun crediteuren konden betalen of daarmee een schikking hadden getroffen. Alles op zo’n wijze beschikken als zij mogen doen en allerwegen vanouds hebben gedaan binnen onze voornoemde stad Gouda en zonder enig onderscheid. Dit ook zonder schade aan onze domeinen en van de pachten van onze baljuw, schepenen van Schieland, huidige en toekomstige. Wij ontbieden daarom en bevelen onze geliefde en trouwe stadhouder generaal en de andere mensen van onze raden en van onze financiÍn in Holland, onze baljuw en schout van Gouda, onze rentmeester generaal van Holland en Friesland en voorts al onze andere rechters, officieren en onderdanen, huidige en toekomstige die dit uitvoeren en aangaat, dat zij de voornoemde toonder en zijn nakomelingen van deze stad van ons de huidige goedgunstigheden, gunsten en toezeggingen en de inhoud hiervan laten doen en gedogen, ongestoord


[47Verso.] volkomelijck, ende tot den eeuwigen dagen genieten ende gebruijcken, sonder hem-luijden aen te doen, gedoogen aen te doen te worden, nu noch in toekomende tijden eenige hinder,…………… ongebruijck, ofte moeijenisse ter contrarie, want ons alsoo belieft, ende gedaen te willen hebben, dies toirconden hebben wij onsen segel hier aen doen hangen, gegeven in onsen Stede van Brussel, den xxviije dagh in Junio, Int Jaer ons Heeren Duijsent vier hondert vier en tachtigh. Amen.

[47 verso] ten volle en tot in de eeuwigheid mogen genieten en gebruiken. Zonder hen aan te doen of te laten aandoen noch nu, noch in de toekomst enige hinder, ….. belemmering in het gebruik of bemoeienis om tegen te werken, want zo belieft het ons en willen wij het gedaan hebben. Om die reden hebben wij onze zegel aan de oorkonde laten hangen, gegeven in onze stad Brussel, de 28ste juni, in het jaar des Heren 1484. Amen.


[48] Vanden Gerechte te maecken sonder eenige beswaernisse.

[48] Over het rechtspreken zonder last.

Copie

Willem, bij de gratie Gods, paltsgraaf op de Rijn, hertog van Beieren, graaf van Henegouwen, van Holland, van Zeeland en heer van Friesland laat alle mensen weten dat onze trouwe stad Gouda ons welwillend heeft kwijtgescholden en voor ons betaald heeft de som van 500 gouden Franse kronen, die ons op onze rechtbank aldaar geleend en verleden was, naar de inhoud van onze akten die wij daarover afgegeven hadden en die zij ons overgeleverd hebben. Dus hebben wij daarom en omwille van de enige trouwe dienst die onze voornoemde goede stad ons bewezen heeft en deo volente nog zal bewijzen, beloven wij diezelfde stad Gouda van ons, voor ons en onze nakomelingen en hun nakomelingen niet ĂŠĂŠn dag onze rechten aldaar te verpachten, noch iemand in handen te geven, maar dat wij en onze erven, ons

Willem bij der genaden Godts Palens Grave op den Rijn, Hartoge in Beijeren, Grave van Henegouwen, van Hollant, van Zeelant, ende Heere van Vrieslant. Doen kont allen Luijden wat onsen getrouwe Stede vander Goude, ons gunstelijck quijt gescholden, ende voor ons betaelt hebben, de somme van vijf hondert Goude-Kroonen Vranckrijckx, die ons op onsen gerechte aldaer geleent, ende Verleijt waren, naer den inhouden onser brieven, die wij daer of gegeven hadden, ende sij ons overgegeven hebben. Soo hebben wij daeromme ende ons eenige trouwen dienst willen, die onse goede Stede voorschreven ons gedaen hebben, ende of Godt wilde, noch doen zullen, der zelver onser Stede vander Goude, gelooft ende gelooven voor ons, ende voor onse nakamelingen, hun ende heure Nakomelingen tot geenen dagen, onsen gerechten aldaer te Verpachten, noch niemande in handen te setten, maer dat wij ende onsen Erven, onsen

Kopie


[48Verso.] Gerechte altoos selver aen ons, ende in onsen landen behouden sullen, ende alle Jaer aldaer twee Burgermeesteren, ende seve Schepenen, goede ende Eersamige reckelicke Knapen, van getrouwe Bedde, setten zullen bij ons selfs wille ende goet duncken, des wij een van onsen Burgermeesteren, die Jaerlijckx afgaen zal machtigh gemaeckt hebben, ende bevelen mits desen, selver Brieven die uwe Burgermeesteren ende Schepenen te Eede, als dat sij daerom geen Gelt, noch heresseheden gegeven noch geleent, noch doen geven, noch leenen in geender Wijse, ende alsdan soo sal onsen Bailliuw aldaer onsen nieuwen Burgermeesteren, ende Schepenen, aldaer van onser wegen, Eede ons Costumelijck is ende waer ijemant die daer breuckigh in bevonden worden, met de waerheijt die souden dat beter onser Stede voorschreven, bij goet duncken van onsen gerechte in’t naeste Jaer te voren geweest hadde, want wij onsen getrouwer Stede Goude dat vast nde gestadigh gelooft hebben te houden, tot den Eeuwigen Dagen. Soo hebben wij in kennisse hier, ofte onse Segel aen desen Brief doen hangen. Gegeven in den Hage, op den darthienden Dagh In Julio Inet Jaer ons Heeren duijsent vier-hondert ende veertien

[48 verso] recht altijd aan ons en in ons land zullen behouden. Bovendien elk jaar aldaar twee burgemeesters en zeven schepenen, goede en achtenswaardige en fatsoenlijke mannen uit trouwe huwelijksbedden, zullen aanstellen, naar onze wil en goeddunken. Aldus hebben wij een van onze burgemeesters die jaarlijks aftreden gemachtigd en bevolen door middel van deze zelfde akte waarop uw burgemeesters en schepenen de eed afleggen dat zij daarom noch geld noch ‌..? geleend of gegeven hebben, noch laten geven, noch lenen, op welke wijze dan ook. In dat geval zal dus onze baljuw aldaar onze nieuwe burgemeesters en schepenen in onze naam zoals gebruikelijk de eed afnemen. Waar iemand daarin in gebreke is bevonden met de waarheid, die zouden onze voornoemde stad beter en wordt naar goeddunken berecht door de rechtbank van het voorlaatste jaar, hetgeen wij onze trouwe stad Gouda vast en bestendig beloofd hebben te behouden tot in de eeuwigheid. Dus hebben wij hier naar ons oordeel onze zegel aan deze akte laten hangen. Gegeven in Den Haag op 13 juli in het jaar van onze Heer 1414.


[49] Claverbroeck

[49] Claverbroeck

Kaerle etc., ende doen condt allen Luijden, dat wij achtervolgende seeckere onse open Brieven van Octroij, bij ons alleene Lodewijck van Beloijs, van Treslonge Raessoon, ende JonckVrou Anna van Assendelft zijner Huijsvrouwe, omme te mogen disponeren van alle heure Goederen, zoo leenen, als ander, achtervolgende seecker Testamente, ende uijterste wille bij den voornoemden Lodewijck gemaeckt breeder blijckende, bij de selve Brieven van Octroije, ende Extract vande Instrumente daer van wesende, ende met desen in onse Registeren van Hollant geregistreert zijn Verleijt, ende Verleent hebben Verlijen, ende verleenen met desen onsen brieven, Raes van Beloijs ende van Treslonge, ende hem aengestorven, ende bestorven zijn, bij doode ende makinge van Lodewijck van Beloijs, van Treslonge zijns Vaders, de naervolgende parceelen van leenen. Eerst een Campe lants geheeten Claverbroeck, leggende bij dat Lant van Steijn te houden van ons, ende onsen Erven ende nakomelingen, Grave ende Gravinne van Hollant, Raes van Beloijs, van Treslongen voorschreven, zijn Erven, ende nakomelingen tot eenen Erfleenen, noch de gerechten helft, vande helft van alsulcke vier en veertigh Margen Lants, als geleegen zijn tot dijcx-hooren op de harnassche, tusschen den Hof van Delft, ende Domprost Lant, te houden van ons, onsen Erven ende nakomelingen, grave, ende Gravinne van Hollant, Raes van Belous, van Treslonge voorschreven zijnen Erven, ende nakomelingen, tot eenen onversterffelijcken van treslongen zijne voorschreven vader, die thoone placht, alnaer inhouden der ouden brieven, ende onse Registeren daer van wesen, die hier waren bij aen, ende over al onse Leenmannen van Hollant, Adriaen van Bronckhorst Heere vander Schoot, onsen Raet ende Bailliuw ons Lant van voornoemde Mr. Claes

Karel etc. maken aan alle mensen bekend dat wij door onze overeenkomstige zekere open akten van machtiging alleen Lodewijk van Blois van Treslong , zoon van Rasso, en jonkvrouw Anna van Assendelft, zijn huisvrouw, om te mogen beschikken over al hun goederen en lenen. Evenals het andere overeenkomstige zekere testament en uiterste wilsbeschikking door de voornoemde Lodewijk verkregen zoals breed blijkt uit dezelfde akte van machtiging en het uittreksel uit de akten die daarover gaan en die in onze registers zijn geregistreerd, beleend hebben en in leen gegeven hebben en geven in leen door deze akten van ons aan Rasso van Blois van Treslong, zal Lodewijk van Blois van Treslong door erfenis ten deel vallen en erven van zijn vader volgens vaders uiterste wilsbeschikking de navolgende percelen. Ten eerste een kamp land dat Claverbroek heet, gelegen bij het land van Stein te houden van ons en onze erven en nakomelingen, graven en gravinnen van Holland, voornoemde Rasso van Blois van Treslong zijn erven en nakomelingen in een erfleen en nog de rechtmatige helft van de helft van zo iets als vier en veertig morgen land in Dijkshoorn op de “Harnassche� tussen het hof van Delft en Domproostland, te houden van ons, onze erven en nakomelingen, graven en gravinnen van Holland, Rasso van Blois van Treslong voornoemd, zijn erven en nakomelingen voor altijd in het geslacht van zijn voornoemde vader Treslong zal blijven, die thoone ? placht, al naar de inhoud van de oude akten en onze registers die daarvan zijn en daarover gaan, aan en over al onze leenmannen van Holland, Adriaan van Bronckhorst, heer van der Schoot, onze raad en baljuw van ons land, van voornoemde mr. Claes


[49Verso] van Essche, mede onse raet ende meester van onse Rekenkamer in den Hage, ende Willem Pietersz criep. Actum den 4en in April, xvhonderd xxvj na Paessche Extract uijt den Testamenten, ge maeckt bij Lodowijck van Boloijs Treslongen.

[49 verso] van Essche, mede onze raad en meester van onze rekenkamer in Den Haag en Willem Pietersz Criep. Waarvan akte op 4 april 1526 na Pasen. Uittreksel uit de testamenten opgesteld door Lodewijk van Blois van Treslong.


[50] Den 2en Maert Anno 1500 Notarius, Geschreven van Uijtrecht voor Notaris ende getuijgen onderteijckent. Hr Johannius Notarius. Inden eersten mijn Outsten zoon Raste, zal hebben een stuck lant, gelegen buijten de Stede vander Goude, genaemt 's Gravenbroeck, daer ick Lodewijck voornoemt Pacht of hebben Jaerlijckx te weten: van elcke Morge vier stuijvers, ende de sommige vijf halve1 stuijvers, ende dit Lant is groot ijcxxx Morgen, ofte daer ontrent, ende is een goet Hollants Leen, ende zal dit voor uijt hebben, om dat hij de outste zoon is, Item: sal noch hebben de selve Raste, een stuck Lant, gelegen tot dijcxhoorn buijten delft, groot wesende xj Morgen. Willem

1

in de marge

[50]


[50 Verso] Vande Marckt Tollen. Copie

[50 verso] Over de markt tol Kopie

Willem bij der genaden Godts, Palensgrave op den Rijn, hertoge in Beyeren, Grave van Henegouwen, van Hollant, van Zeelant, ende Heere van Vrieslant. doen kont allen Luijden, want onsen getrouwen Steden, gemeente van Hollant, van Zeelant, ons getoecht hebben, hoe dat haren Poorteren tot veele tijden toegesproocken worden, van onsen dienaren, om sonderlingen Marct Tollen, diemen hem van onser wegen vijffogende is, tot Woudrijchen ende tot Heusden,daer sij ons gesamentlijcken op vervolght, ende gebeden hebben, om daer of ontlast, ende vrij te wesen. Soo hebben wij om Ootmoedelijck vervolgh, ende bede willen, onsen lieven ende getrouwen stede voorschreeven, ende oock om Meijgen getrouwen Stede, van dienst Willen, die sij ons tot veel tijden willichlijck gedaen hebben, ende of Godt wilde, noch doen sulks, onser getrouwen Stede vander Goude, sulcks Gratie gedaen, ende gegeven, doen ende geven mits desen, brieven, dat alle hare Poorteren die nu sijne, ofte nakomelingen, wesen sullen, voortaen over al, inden onsen vrijende onbelast blijven sullen vanden Marckt Tollen voorschreven, alsoo dat zij daer is toe ongehouden sullen wesen toe eeuwigen dagen, ende om dat wij voor ons ende onse nakomelingen, der selvere onser goederen Stede vander Goude, dit volkomelijck souden willen sonder te verbreecken, in alle manieren als voorschreven is. Soo hebben wij in kennisse daer door onsen Segel aen desen brief gehangen, gegeven op Meije Avont, Jnt Jaer ons heeren duijsent vier hondert ende seven.

Willem, bij de gratie Gods, paltsgraaf aan de Rijn, hertog van Beieren, graaf van Henegouwen, Holland, Zeeland en heer van Friesland,


[51] Ordonnantie van Bisschop Arent van Hoorne. Wij Arent van Hoorne bij der genaden Godts, Bisschop t’ Uijtrecht, maeckt kondt allen Luyden, dat wij Luyden, ende kenne dat alsulcken Bede, als ons onsen ecclesie Ridderen Knegten, ende Stede van onsen gestichte van Uijtrecht gegeven hebben tot deser tijt toe van Gunste onser kercken slooten, ende Ambacht aen deser zijde der Ysselen, mede te losenen, maer van geenen rechte ende gelooven in goeder trouwen onse ecclesie Ridder knegten , ende Stede der gestight van Uijtrecht voorschrevenen voor ons ende onse nakomelingen Bisschoppen t’ Uijtrecht geen Mergen gelde huijsgoet, noch geenerhande gededene Schattingen meer te vergen. Item: Voort soo hebben wij gelooft, voor ons ende onsen nakomelingen, Bisschoppen t’ Uijtrecht voorschreven, die slooten, ende ambochten onser Kercken van Uijtrecht, aen dese zijde der Ysselen, nimmermeer te beswaren, noch te belasten, noch van de gestichte te ontverren in geenen tijt. Item: soo wanneer wij, ofte onse Nakomelingen Bisschoppen t’ Uijtrecht, voorschreven aflijvigh, oft des gestichts quijt worden, zoo zalmen die slooten ende ambochten, vrij ende onbekommmert overleveren,

[51] Ordonnantie van bisschop Arent van Hoorne. Wij, Arent van Hoorne, bij de gratie Gods, bisschop van Utrecht, maken aan eenieder bekend, dat wij kennis genomen hebben van het verzoek dat door onze geestelijken, edelen en leenmannen, en de steden in ons sticht Utrecht gedaan is, om de sloten (gebied van een leenheer) van onze kerken en het ambacht (leengebied) aan deze zijde van IJssel af te lossen; maar dat er geen recht of gewoonterecht dat stoelt op de goede trouw bestaat van onze geestelijken, edelen en leenmannen en de steden in het sticht Utrecht, voor ons en onze opvolgers, bisschoppen van Utrecht, om lijfrente, goederen, noch andere bestaande belastingen meer te heffen. Voorts hebben wij beloofd, voor ons en onze opvolgers, bisschoppen van Utrecht voornoemd, om de sloten en ambachten van onze kerken van Utrecht, aan deze zijde van de IJssel, nooit meer te belasten, noch ze ooit te vervreemden (verkopen) van het sticht. Indien wij, of onze opvolgers, bisschoppen van Utrecht, afwezig zijn, of het sticht verliezen, dan zal men de sloten en ambachten vrij en onbelast overdragen


[51 Verso] den anderen Bisschoppen als hij begeert, oft ontfaen is, als Recht is. Behoudelycken dat hij Confirmeren sekeren sweren, ende loven sal die slooten, ende ambochte niet te beswaere, te belastene,te verandere, noch te ont verre vanden gesticht, voorschreven in geender tijt. Ende daer zijne opene Brieven gegeven moeten.

[51 verso] aan de andere bisschoppen, zoals zij dat wensen, of zoals het ontvangen is naar bestaand recht. Dit op voorwaarde dat hij zal bevestigen, verzekeren, bezweren en beloven de sloten en ambachten nooit te bezwaren, te belasten, te wijzigen, noch te vervreemden van het sticht, zoals destijds beschreven. Dat moet in een openbaar schrijven worden vastgelegd.

Item: Voorts soo zullen wij noch onsen nacomelingen Bisschoppen tot Uijtrecht, voor niemant borghsaten setten, in eenigh van onsen Kercken slooten, noch Ambochten, noch die bevelen hij ende sij, een welgeboren Man ende wel goet ende gebooren, uijtden gestichte, alsoo datmen hem des gelooven maght.

Voorts zullen wij, noch onze opvolgers, bisschoppen van Utrecht, niemand anders tot beheerder aanstellen over ĂŠĂŠn van de sloten of ambachten van onze kerken, noch hem of haar dat bevelen, dan welgeborenen (welgestelden, direct onder de adel) die van binnen het sticht afkomstig zijn, want die mag men op zijn woord geloven.

Item: voorts soo sullen die borghsaten, ende Ambacht Luijden die wij setten sullen in onsen Kercken slooten, ende Ambachte, eerst loven sekere, ende sweeren aenden Capitaux, voor die Ecclesie, voor Ridderen Knapen stadt, ende Stedes des gestichts van Uijtrecht, voorschreven, tot behouf tot gemeene gestichts van Uijtrecht, voorschreven. Ende daer op haer opene Brieven gegeven, die voorschrevene slooten, ende Ambochten niet te beswaren, te belasten, meer dan voor een Jaer, die benoemder pensie die redelick is. Item. Soo voort en zullen die Borgh-saten, noch die Ambochts-Man, die nu ter tijt is ende altoos wort, die slooten ende ambochten niet ruijmen, noch overleveren, eer die anderen die op dat slot, often in zijn Ambocht dat hij te bewaren heeft, wesen zal, eerst gelooft gesekert ende geswooren, ende zijn brieven daer of gegeven heeft, alsoo hier voorschreven is.

Voorts zullen de beheerders en ambachtslieden die we zullen benoemen in de kerken, sloten of ambachten, eerst beloven, verzekeren en zweren aan het kapittel, aan de kerk, aan de edelen, en aan de leenmannen van de stad, en aan de steden van het sticht Utrecht, zoals voornoemd, tot onderhoud van het gehele sticht Utrecht, voornoemd. Zij zullen in een openbaar stuk vastleggen de genoemde sloten en ambachten niet te bezwaren of te belasten, voor meer dan de periode van een jaar, voor een rente die redelijk is. Voorts zullen de beheerders en de ambachtslieden, voor nu en altijd, de sloten en de ambachten niet ontruimen of overdragen, voordat de nieuwe beheerders van het slot of het ambacht eerst beloofd en verzekerd hebben, en dit schriftelijk is vastgelegd zoals boven beschreven.


[52] Item: Wij Bisschoppen ende onse Nakomelinge Bisschoppen voorschreven, mogen die Borghsaten, ende die Ambachten Luyden versetten, als ons genought, behoudelijck dat die voorschreven voorwaarde blijven zal, in aller haer macht. Item: Waer dat de stoel van Uijtrecht, zonder Heer waer, oft dat de Bisschop in der tijt niet ontfangen en waer alst recht is, soo zalmen die voorschreven Losten doen, inder Capittel in tegenwoordigheijt der Ecclesien Ridder Knapen, ende de Stadt van Utrecht als voorschreven is, tot behouf des Bisschops, die forcomende is. Ander tijt ende hum die slooten, ende ambochten, vrije ende Commerloos overgegeven, als hij ontfangen is, alst recht is. Ende dese voorschrevenen punte eerst gelooft, geseetkert ende geswooren heeft, ende zijne brieven daer op gegeven heeft. Item: Voorts zullen wij, ende onsen Nacomelingen, Bisschoppen t’ Uijtrecht, alle Man Lantrecht doen, soo in onses gesticht gelegen is, behoudelyck dat die Ecclesie, ende elck Geestelijck persoonen, na zijnen staet te rechten stae, daer hij van rechten wegen ende niemant vangen, of hijs goet benemen tegens ’s lants Rechte ten, waer dat hij met recht, ende met oordeele eerst verwonnen waer. Item: Waert dat eenigh wel geboren Luijden, recht voor ons te doen hebben, die oordeelen diemen voor ons wijsen zal, ende zal niemant vorder beroupen van der partijen wegen van die partijen die dat oordeelen tegen gaet.

[52] Wij, bisschoppen en onze opvolgers mogen de beheerders en de ambachtslieden naar ons goeddunken overplaatsen, behoudens de bovengenoemde voorwaarden, die van kracht zullen blijven. Indien de bisschopszetel van Utrecht vacant is, of als de bisschop nog niet volgens de regels gewijd is, dan zal men de bovengenoemde handelingen uitvoeren, in het Kapittel, in tegenwoordigheid van de kerk, edelen, leenmannen, en de stad Utrecht, zoals voornoemd, ten behoeve van de aantredende bisschop. Zodra hij gewijd is moeten de sloten en ambachten vrij en onbezwaard zoals voorgeschreven is, aan hem worden overgedragen. Hij moet de voornoemde punten eerst beloven, verzekeren en zweren, en zijn geloofsbrieven overhandigen. Voorts zullen wij en onze opvolgers, bisschoppen van Utrecht, op ieder het landrecht toepassen indien het om zaken gaat binnen onze landsgrenzen; met uitzondering van de kerk en kerkelijke personen, die volgens hun eigen stand berecht worden; zij mogen niet gevangen gezet worden, en hun goederen mogen niet worden afgenomen, tenzij zij rechtens eerder veroordeeld waren. (NOOT: zie Van Kinschot, Oudewater blz.508) Let er op dat enkele welgeboren lieden zijn die voor ons recht spreken; tegen de vonnissen die men voor ons zal wijzen, zal niemand beroep aantekenen namens de partijen, dan alleen de partij die veroordeeld wordt.


[52 Verso.] Item: Voorts soo en zullen wij ofte onse Nakomelingen voorschreven, geender hande oorloge aen nemen, wij en haddent eerst vervolght aen onser ecclesien Ridderen- Knegten Stadt ende Stede van Uijtrecht, als van outs recht is geweest. Item: Alle dese voorschreven punte, hebben wij Arent van Hoorne Bisschop t’ Uijtrecht, gelooft geseeckert, ende gesworen, Wittelijck ende wel te houden ende niet te verbreecken, in geenre wijs oft manieren. Ende wij deecken, ende Cappittel der Ecclesien Ridderen Knegten, Stadt ende gemeen steden des gestichts van Uijtrecht te samen, verwillecoort ende Malkandere gelooft in goeder trouwen alle die punte die in desen Brief staan, vast ende stade te houden, ende te voldoen. Ende waert saecken dat wij Arent van Hoorne, ofte onse Nacomelingen Bisschoppen voorschreven, eenigh van desen punte voorschreven verbroken, ende niet ende hielden. Soo kennen wij dat niemant voor ons, noch voor onsen ambacht-sluijden schuldigh is te rechten staan, noch te dienste te komen noch ons gehoorsaem te wesen, ter tijt toe dat wij desen verschreven punte wel ende al gehouden hebben, ende waert dat eenigh Borgh-saten, ende Ambachts-man, die in der tijt waer, eenigh vande voorschreven punten verbraecken, ofte nieten hielden, wij Bisschop, ofte onse ambochts-Luijden in der tijt hem geen rechten en doen zullen, ende hem ende niemant te rechte te staen en zal mogen geven. Ende daer zullen wij Bisschop, Ridderen, Knapen, Stadt, ende Steden voorschreven, punten tegen vallen ter tijt toe, dat hij alle de voorschreven punten gehouden hadden. Ende men der seeckere, ende wisse was. Ende alle dese voorschreven voorwaerden zullen staen, zonder eenigerhandt argelist, ende op dat alle deze voorschreven punten vast ende gestadigh eeuwighlijck blijven, ende onverbreeckelijck. Soo hebben wij Arent van Hoorne, Bisschop op Deecken, ende Capittelen der Kercken vanden Dom, van Oude-Munster, Van St. Pieters van St. Jan, ende van St. Maria, t’ Uijtrecht Ghijsbert heere van Abcouden, ende van Deursteden, Sweer van Abcouden, van putten, van Strijen, Jan heer van

[52 verso] Voorts zullen wij en onze voornoemde opvolgers geen oorlog beginnen zonder dat we dat eerst hebben voorgelegd aan onze kerk, edelen en leenmannen en de stad Utrecht, zoals dat vanouds als recht is geweest. Al deze voornoemde punten hebben wij, Arent van Hoorne, Bisschop van Utrecht, beloofd, verzekerd en gezworen, om ons aan deze wet te houden en die op geen enkele manier te verbreken. En wij, deken en kapittel van de kerk, edelen, leenmannen en de stad (Utrecht) en alle andere steden in het sticht Utrecht zijn samen overeen gekomen en hebben elkaar in goed vertrouwen beloofd om alle punten die in deze brief staan, gestand te doen. En indien wij, Arent van Hoorne of een van onze opvolgers, ons aan een van deze genoemde punten niet zouden houden en de afspraken verbreken op een van deze punten, dan erkennen wij dat niemand voor ons of voor onze ambachtslieden als schuldige terecht moet staan, of dienstbaarheid betrachten, of gehoorzaam behoeft te zijn, tot het moment dat wij deze punten wel gehouden hebben. Als enige burger of ambachtsman in die situatie een van de genoemde punten verbreekt of niet houdt, zullen wij als bisschop, of onze ambachtslieden op dat moment hem niet berechten. En daar zullen wij, bisschop, edelen, leenmannen, stad en steden voornoemd ons aan houden totdat alle voornoemde punten ingevoerd zijn, en men daarvan op de hoogte was. En opdat al deze voornoemde voorwaarden zullen blijven bestaan, zonder enigerlei achterdocht; en opdat al deze voornoemde punten vast en zeker, eeuwig, onverbrekelijk blijven bestaan, daarom hebben wij, Arent van Hoorne, bisschop en deken en de kapittels van de kerken van de Dom, van het oude Munster, van de St. Pieter, van de St. Jan en van de St. Maria in Utrecht Gijsbert, heer van Abcoude en van (Wijk bij) Duurstede, Sweer van Abcoude, van Putten, van Strijen, Jan, heer van Culemborg en van de Lek,


[53] Cuijlenburgh, ende vander Leck Ghijsbert heere van Vianen, ende vander Ghoij, Zweerder Burgh-Grave van Monfoorde, Hendrick de Roover van Montfoorde, Zweer van Vianen, Jan van Phenisten, Ghijsbert van Sterckenburgh, Frederick uten-ham, Zweeder van Bloemesteijn, Jan van Hart:, Heer van der Ameijde, Gerrit van Pilanen, Dirck van sulen, Pieter uijten Ham, Ghijsbert van Hardenbroeck, Otto van Sternouwen, Baent uten Engen, Steven van Cuijlen, Ridder Splinter, van Loenresloot, Alfert vander Horst, Hendrick van Haerlem, Frederick soude baurijen Jan van suijlen, Johan van Ammerongen, Willem Lurmont van Hindersteijn, Vrederick van Zulen, Beukel van der Haer, Dirck van Oudaen, Willem van Bonten van Boernesteijn, Jacobus vander A, Ghijsbert de Wolf, Arent van Luxemburgh, Philips van Waerdelft, Johan over de vecht, ende wij Schout van Utrecht, ende Steden der gesticht van Utrecht voorschreven van Amersfoort, ende heeren hebben onsen Segel aen desen brief gehangen, tot eenen oirconde. Ende waert zaecker dat aen dezen Brief en segel ofte meer gebraecken. Nochtans zoude dese Brief in alle zijne macht te wesen gelijckerwijs, oft hij vol ende alle bezegelt waer. Gegeven in ’t Jaer ons Heeren duijsent, drie hondert, vijf en seventigh, des Donderdaeghs na St. Servaes Dach1. Item: Aen desen Brieff hangen xlv Segelen daer twintigh banner Heeren of Ridderen zijn en koste den Gestich te Verwerven: tachtich duijsent Vranckrijcks Schilden.

1

13 mei

[53] Gijsbert, heer van Vianen, en van het Gooi, Zweerder, Burggraaf van Montfoort, Hendrick de Roover van Montfoort, Zweer van Vianen, Jan van Phenisten, Gijsbert van Sterckenburgh, Frederik uit Den Ham, Zweeder van Bloemesteijn, Jan van Hart, Heer van Ameide, Gerrit van Pilanen, Dirck van Zuilen, Pieter uit Den Ham, Ghijsbert van Hardenbroeck, Otto van Sternouwen, Baent uit Engen, Steven van Cuijlen, Ridder Splinter, van Loenersloot, Alfert vander Horst, Hendrick van Haerlem, Frederick souder baurijen, Jan van Zuijlen, Johan van Amerongen, Willem Lurmont van Hindersteijn, Frederick van Zuilen, Beukel van der Haer, Dirck van Oudaen, Willem van Bonten van Boernesteijn, Jacobus vander A, Ghijsbert de Wolf, Arent van Luxemburgh, Philips van Waerdelft, Johan over de vecht, en wij, Schout van Utrecht, en de Steden van het sticht Utrecht voornoemd, en van Amersfoort; en de heren hebben hun zegel aan deze brief gehangen, om die tot een oorkonde te maken. Indien aan deze brief een of meer zegels ontbreken, dan nog zal deze brief van kracht blijven, alsof deze volledig gezegeld was. Opgemaakt in het jaar des Heren 1375, op donderdag na St. Servaas. Aan deze brief hangen 45 zegels,waar van 20 van baanderheren of edelen zijn. De verwervingskosten door het sticht te betalen zijn: 80.000 Franse Schilden.


[53 Verso.] Extracten uijt de Rekeninge van Dirck Dirckz: Wouter Janz: Dammes Claesz: ende Dirck Jacob Hendrickz: Tresoriers vanden Jare 1481. Beginnende Sinte Bavendagh1 tot Vrouw-Lichtmis dagh 2 toe. Anno 1482. [3 Gegeven vande Ordonnantie van den Veertigh, die mijn Heere de Stede-Houder geset heeft, ende mijn Genadige Heere geconfirmeert, ende bezegelt heeft, Seven hondert Ponden grooten, ende dit is geschiet bij Consent vande Vroetschap. Anno 1453. Gereijst Dirck Cutex ende Wolphert Dirckxz, Schepenen tot Leijden, om te Vonnise tusschen Cornelis Jansz, ende Wouter Maes, ende Zijne mede pelegers. [4 Anno 1456. Gegeven van Kracht, datmen mijn Vrouwe van Bourgongien, vander Goude tot Leijden voerden, vijf Gulden. [5 Geschenck onse voorschreven genadige Heere van Hollant, een Offer van drie pont Groot, twee halve laeckens, puyckx Costers, acht en een half pont groot

1

1 oktober 2 februari 3 [Ordonnantie vanden Veertigh.] in de marge 4 [Vrouwe van Borgondien Reijst na Leijden.] in de marge 5 [Schenckagie aen onse genadige Heere.] in de marge 2

[53 verso] Extracten uit de rekeningen van Dirck Dircksz, Wouter Jansz., Dammes Claesz, en Dirck Jacob Hendricksz; tresoriers (penningmeesters) over het jaar 1481 vanaf St. Bavodag tot Maria-Lichtmis. Anno 1482. Betaald (NOOT: gekozen is voor betaling, omdat er een dienst wordt geleverd; zie artikel: Steensel, Giften aan vrienden en invloedrijken; Schenkgewoonten... in Holland, historisch tijdschrift, 37(2005) pp1 vv.) voor de Ordonnantie van de Veertig, die mijn heer Stadhouder ingesteld heeft, en door de Genadige Heer (NOOT=de graaf van Holland ?) is bevestigd en bezegeld: 700 ponden groten; dit is gebeurd met toestemming van de Vroedschap. Anno 1453. Dirck Cutex en Wolphert Dirckxz, schepenen, zijn naar Leiden gereisd, om vonnis te wijzen tussen Cornelis Jansz, en Wouter Maes, en zijn medeplegers. Anno 1456. Betaald voor de begeleiding van de reis van de Vrouwe van BourgondiĂŤ van Gouda naar Leiden: vijf gulden. Geschonken aan onze voornoemde genadige heer van Holland: een som van drie pond groot; en twee halve lakens, van puik kosters(linnen?),ter waarde van acht en een half pond groot.


[54] [1 Geschenck onsen Jongen Prins een Vat Wijns coste xviij Schilt, ende twee dosen vergult Suijcker, kosten 3 RNZ schellingen 4 grooten

[54] Geschenk voor aan onze jonge prins: een vat wijn, kosten 18 Schilt, en twee vergulde suikerdozen, kosten 3 schellingen, 4 groten. Geschonken aan mevrouw Dwaesseggen: 10 plakken.

2

[ Geschenck mijnen Vrouwen Dwaes seggen x placken. [3 Ten selve tijden sijn alle de Steden van Hollant ter Goude geweest, met het gegeve Hof en aldaer beschoncken.

In dezelfde periode zijn alle steden van Holland in Gouda geweest, met het Hof; aan de afgevaardigden is daar drank geschonken. Anno 1458. Diverse onkosten aan de raadhuistoren; zie in het hoofdstuk van Carren.

Anno 1458. Diversche Oncosten aen’t Raet huijs Thooren gedaen siet int Capittel van Carren.

Anno 1477. Betaald 3 pond groot, voor drie nieuwe handvesten.

[4 Anno 1477. Gegeven 3 pont Groot, van drie nieuwe Handtvesten.

Betaald 3 kronen aan degene die de brief heeft gebracht.

Betaald 36 kronen om de handvesten van zegels te voorzien.

Betaald 10 kronen en 20 plakken om de brief te schrijven. Gegeven 36 Croonen vande Hantvesten te besegelen. Gegeven 3 Kroonen die den Brief brocht. Gegeven 10 Kroonen ende 20 placken vanden Brief te schrijven.

1

[utsupra aender Jongen Prins] in de marge [utsupra mijn Vrouwe Dwaessegge.] in de marge 3 [utsupra alle de steden.] in de marge 4 [Nieuwe Hantveste ende oncoste] in de marge 2


[54 Verso] [1 Gegeven twee Commissarissen die gemachtight waren van onsen Jonck-Vrouwe ter Goude te komen 25 pondt Groot mit die deught van haer knecht.

[54 verso] Geschenk aan twee commissarissen die gemachtigd waren door onze jonkvrouwen om naar Gouda te komen: 25 pond groot; voor de diensten van hun wapenknecht.

Noch 6 Pondt 5 schellingen grooten vij SRv Arent van den Beecken Kosten.

Nog 6 pond, 5 schellingen, 7 groten voor onkosten van Arent van den Beecken.

[2 Gegeven Claes van Hanbroeck 33 pondt 6 schellinge 8 grooten, omdat hij dat slot Ruijmen soude.

Betaald aan Claes van Hanbroeck: 33 pond, 6 schellingen, 8 groten, voor het afbreken van het slot.

3

[ Gegeven die Commissarisen die de Wet versloten 20 pont Groot. Bevinde dat het Equiperen ende toerusten vande Valent gecost heeft, volgens de Rekeninge daer van te leveren, ter somme van 1279 ponden 18 R schellingen 6 grooten Vlaems. [4 Item: Lambert Gerrits gegeven doe de Vroetschap op’t Raet-Huijs gevangen was 11 R. schellingen [5 Anno 1480. Gereijst Jan Verdusz.(?) onsen Casteleijn tot Brugge, die den Prins van Orangien, ende die Grave van Nassauwen om seeckeren saecken die hij met hem te spreecken hadde vande Stede vander Goude, wegens, ende was gesent6 van Burgermeesteren en Schepenen.

1

[Schenkagie aen Commissarisen.] in de marge [Claes van Hambroeck ruijmt dat slot.] in de marge 3 [uts Commissarisen] in de marge 4 [Vroetschap opt Raet-huijs gevangen.] in de marge 5 [Casteleijn Reijst na den Prince van Orangien.] in de marge 6 Engelbrecht II? 2

Geschenk aan de Commissarissen die de Wet hebben opgeborgen: 20 pond groten. Vastgesteld werd dat voor het bemannen en uitrusten van de Valent (een schip)kosten zijn gemaakt; volgens de rekeningen is daarvan (door Gouda) te betalen de som van 1279 ponden, 18 schellingen, 6 groten Vlaams. Aan Lambert Gerrits is geschonken toen de Vroedschap op het raadhuis gevangen was gezet: 11 schellingen. Anno 1480. Jan Verdusz., onze kasteelheer is naar Brugge gereisd, om met de Prins van Oranje, en de graaf van Nassau bepaalde zaken betreffende de stad Gouda te bespreken. Hij reisde in opdracht van burgermeesters en schepenen.


[55] [1 Anno 1482. Bevinde noch uijtgegeven aen verscheijde Personen, Capiteijnen , aen Ruijters Gelt, meer dan twee Duijsent Ponden Vlaems.

[55] Anno 1482. Vastgesteld: nog uitgegeven aan diverse personen en kapiteins , aan ruitergeld (soldij voor cavalerie), meer dan 2000 Ponden Vlaams.

[2 Anno 1482. Gereijst Arien Gerritsz tot Mecchelen, roerende die xl Brief alsoo wij verdachtvaert waren. etc.

Anno 1482. Arien Gerritsz is naar Mechelen gereisd, inzake de brief van de Veertig, omdat wij gedagvaard waren. dito.

3

[ Gegeven aen Louweris van een Intrument van een Brief, die uijt de Hove quam, roerende van Wouter Maes, vande xl Brief xx stuijvers. Anno 1484. Gereijst Gerrit Jans ende Meester Floor tot Leyden, om i Vonnis. etc. 4

[ Gereijst Henrick van Brouckhuijsen tot Gent, om te hooren dat Vonnis, roerende van Kerstant Harmensz. etc. [5 Gereijst Hendrick van Brouckhuijsen tot Gent, roerende van een proces tegen Kerstant Harmens. [6 Gegeven mijn genadige Heere, hondert ponden Grooten van een Privilegie, roerende van de Jurisdictie, omme genade een quartier Mijls van der Goude, om dit Privilegien was Dirck Jacobsz tot Brussel gereijst, etc.

1

[Ruijters-gelt.] in de marge [Brief van de xl. ..] in de marge 3 [Wouter Maes.] in de marge 4 [Kerstant Harmens] in de marge 5 [utsupra] in de marge 6 [Privilegien van de Juris- dictie van een quartier Mijls.] in de marge 2

Betaald aan Louweris voor het bezorgen van een brief, die door het hof was verstuurd, inzake Wouter Maes, van de brief van de Veertig: 20 stuivers. Anno 1484. Gerrit Jansz. en Meester Floor zijn gereisd naar Leiden, vanwege 1 vonnis. dito. Henrick van Brouckhuijsen is naar Gent gereisd, om het vonnis te horen inzake Kerstant Harmensz. dito. Hendrick van Brouckhuijsen is naar Gent gereisd, inzake een proces tegen Kerstant Harmensz. Geschonken aan mijn Genadige Heer (Philips de Schone ?), 100 ponden groten voor een privilege inzake de jurisdictie om gratie te verlenen tot een kwart mijl buiten Gouda; voor dit privilege was Dirck Jacobsz naar Brussel gereisd. dito.


[55 verso.] [1 Anno 1485. Geschenck aen Heere Jan Cats, een Silvere schalen, tot zijn Bruijloft 20 ponden Grooten. 2

[ Geschenck die Stede van Oudewater Schoonhooven, Montfoort ende Ysselsteijn een Maeltijt van een pont Groot en zes grooten roerende van de Yssel te diepen. [3 Anno 1487. Gereijst Wouter Jans in de Hage, roerende dat mijn Heere wilde hebbe den thienden Man, of te hebben twee ponden groot van elcke twee duijsent Rijnse Guldens van der poorters, ende van Compositie van den ommeslagen. [4 Anno 1448. Gereijst Dammes Claesz Burgermeester ende Jan Jacobsz mits een Knecht te Macchelen om die gevanckenisse van Hertogh ende Koningh. [5 Gereijst Dammes Cleassen Burgermeester inden Hage, roerende: hoemen onse Coningh uijt zoude krijgen, anders als met penningen, ofte ruijteren, ende oock om Schepenen op’t Water te leggen. [6 Gereijst Jacob Florissen, ende Dirck Jacobsz, met een knegt, tot Macchelen, bij Hartog Philipsz met den Coningh, doe zij uijt zijnen gevanckenisse gekomen wasz.

1

[Heer Jan Cats] in de marge [Schenckagie aen Oudewater Schoonhoven Montfoort ende Ysselsteijn.] in de marge 3 [Eijs- van: thien- den Man.] in de marge 4 [Gevanckenisse van Hertogh ende Coning.] in de marge 5 [utsupra] in de marge 6 [utsupra] in de marge 2

[55 verso] Anno 1485. Geschonken aan de heer Jan Cats: een zilveren schaal, voor zijn bruiloft (ter waarde van) 20 ponden groten. Betaald voor een maaltijd (voor de vertegenwoordigers) van de steden Oudewater, Schoonhoven, Montfoort en IJsselstein, met betrekking tot het uitdiepen van de IJssel: 1 pond groot en 6 groten. Anno 1487. Wouter Jansz. is naar Den Haag gereisd, inzake het feit dat mijn heer de tiende man (penning) wilde ontvangen, of anders 2 ponden groot van iedere 2000 Rijnse Guldens van de poorters, en over de samenstelling van de omslagen (belasting). Anno 1448. Dammes Claesz, burgemeester, en Jan Jacobsz zijn met een wapenknecht naar Mechelen gereisd vanwege de gevangenschap van de hertog en de koning. Dammes Claessen, burgemeester, is naar Den Haag gereisd, inzake de vraag hoe men onze koning uit de gevangenis zou krijgen, anders dan met losgeld, of met ruiters; en ook om schepen in te zetten. Jacob Florissen, en Dirck Jacobsz, zijn met een wapenknecht naar Mechelen gereisd, toen hertog Philips en de koning uit hun gevangenschap waren gekomen.


[56] [1 Gereijst Dirck Jacobs, ende Dirck de Timmerman om hout, tot Dordrecht, daer men de Graft mede om stakette. Gegeven Jan Pieters van dat hij t’ Ouwater Rede, doe Woerden ingenomen was om tijdinge. 2

[ Geschenck de Gemeene Stede, doe zij ter Goude waren, ter Examinatie van den gevangen, met Wijn ende Maeltijt 2 Pont 3 R. schellingen [3 Gegeven twee geselles vande Vlist, die ons Bootschap Braghten, dat Schoonhoven wederstaen hadde de Vianden, 26 stuijvers. [4 Anno 1489. Gereijst de Bode van mijn Heer van Ysselsteijn, om te vernemen van eenigh Volck van Wapenen, die men zeijde dat vergadert waren, tegen mijns Heeren Landen. 5

[ Geschenck die Stalmeester doen hij die slagh geslagen hadde te corte Noorden aen Bier ende Victualie 2 pont 9 R schellingen 8 stuivers.

[56] Dirck Jacobs en Dirck de Timmerman zijn naar Dordrecht gereisd om hout te kopen om de gracht mee te stutten. Betaald aan Jan Pieters omdat hij naar Oudewater is gereden toen Woerden ingenomen was, om informatie te verkrijgen. Betaald voor de wijn en een maaltijd voor de verzamelde steden, toen zij in Gouda waren voor het onderzoek van de gevangenen: 2 Pond 3 schellingen. Betaald aan twee gezellen uit Vlist, die ons de boodschap brachten dat Schoonhoven de vijanden had weerstaan: 26 stuivers. Anno 1489: De bode van de heer van IJsselsteijn heeft rondgereisd, om te informatie te verzamelen over gewapende soldaten, waarvan men zei dat die samengetrokken waren tegen het land van mijn heer. Geschenk aan de stalmeester toen hij de slag te Kortenoord7 had gewonnen voor bier en victualie (eten): 2 pond 9 schellingen 8 stuivers. Geschonken aan de stad Delft, toen zij hier gedagvaard waren door de hertog van Saksen: 6 mingelen8 wijn.

[6 Geschenk die Stede van Delft, doen zij hier te Dachvaert waren, bij den Hartogh van Saxen 6 Mingelen wijns.

1

[Reijse tot Dordrecht om hout om de graft te staketten.] in de marge [gemeensteden.] in de marge 3 [Schoonhoven wederstaet de vianden.] in de marge 4 [volck van wapenen.] in de marge 5 [slagh tot Cortenoorden] in de marge 6 [Stadt van Delft.] in de marge 2

7 8

Bij Nieuwerkerk a/d IJssel 1 mingel=ca. 6 liter


[56 Verso] [1 Gegeven Coppen de Graef-maker van eenen Graft te maken, voor die geenen die verslagen waren te Corte-Noorden, twee schellingen. 2

[ Anno 1490. Kommer Claesses gereijst met een Knecht tot Leijden ter dagh-vaert, om met de [3 Staten vanden Landen, Ordonnantie te maken om Montfoort te beleggen etc. [4 Gerrit Jan Lambertsz gereijst met een Knecht tot Oudewater, in ’t heer voor Montfoort, ende voort tot Schoonhoven, alsmen Pais maeckt van Montfoorde. etc. [5 Willem Buijsers gereijst tot Dordrecht, als Jonckheer Frans van Brederode, daer gevangen was etc. daer oock Jacob Florisz Gereijst is om de gevangenen te zien, ofte te hooren. 6

[ Govert Vinckxs ende Gerrit Jan Lambertsz, gereijst in de Hage aenden Raet, om de sluijsen vande Yssel open te maken. [7 Int selve Jaer waren eenige Poorters tot Antwerpen gevangen, onder Stadts Rente. [8 Alle de Stede van Hollant, met den Stede-houder geschoncken, alsmen voor Montfoort Reijsen Souden, ’t samen 33 schellingen 4 Grooten.

1

[verslagen te Corte-Noorden.] in de marge [Joh Figh- Jacobsz.n] in de marge 3 [ordonnatie om Montfoort te beleggen.] in de marge 4 [Pais van Montfoorde.] in de marge 5 [Jonck-heer Frans van Brederode] in de marge 6 [sluijsen van de Yssel open te setten.] in de marge 7 [Poorters tot Antwerpen gevangen.] in de marge 8 [Schenckagie aende stede Reijsende naer Montfoort.] in de marge 2

[56 verso] Betaald aan Coppen de Grafdelver om een graf te maken, voor degenen die gesneuveld waren te Kortenoord: 2 schellingen. Anno 1490. Kommer Claesses reisde met een wapenknecht naar Leiden vanwege een dagvaarding, om met de Staten van de Landen, een ordonnantie te maken om Montfoort te belegeren. dito. Gerrit Jan Lambertsz. reisde met een wapenknecht naar Oudewater,naar het leger voor Montfoort, en voorts naar Schoonhoven, toen er vrede werd gesloten inzake Montfoort. dito. Willem Buijsers reisde naar Dordrecht, toen jonkheer Frans van Brederode daar gevangen was genomen. Ook Jacob Florisz is daarheen gereisd is om de gevangenen te zien en te horen. Govert Vinckxs en Gerrit Jan Lambertsz. reisden naar de raad in Den Haag, om de sluizen van de IJssel te laten openen. In hetzelfde jaar werden enkele poorters in Antwerpen gevangen genomen op kosten van de stad (Gouda). Geschenk aan alle steden van Holland die onder aanvoering van de stadhouder naar Montfoort zouden reizen: tezamen 33 schellingen, 4 groten.


[57] [1 Alle de stede van Hollant [2 Gegeven den Hartoge van Sasse eenen Osch die gekocht ende betaelt was met de onkosten 6 pondt 12 schellingen 4 grooten. [3 Koets geschonken Jacob van Cralingen Casteleijn nae dat hij zijne Wijf t’ Huijs gebraght hadde een Maeltijt met Wijn ende alle onkosten 28 schellingen 4 grooten. 4

[ Anno 1492. Ontfangen van Barent Pietersz Hopkooper, van zijn Correctie van Bier te Brouwen binnen zijn huijs heijmelijck, 23 schellingen 4 Grooten. Nota: Dit is noch de ketel die voor in ’t Stadt-huijs aen de groote balck staet. Daer op stont eertijts geschreven. Die in dese ketel eertijts heeft gebrouwen Het heeft hem al zijn leven berouwen. [5 Gerrit Dirckxz. ende Adriaen Gerritsz. Vlester gereijst tot Leijden als Haerlem ingenomen was van de Vriesen. Willem Suijrmont, gesonden tot Calenburgh tot Uijtrecht, ende daer ontrent gewaerschout te wesen, vande quaet opset, tot bewaernisse ingenomen was van de Stede.

1

[desen Regel is fout.] in de marge [uts: den Hertog van Saxen.] in de marge 3 [uts: Jacob van Cralingen.] in de marge 4 [Correctie van in huijs gebrouwen bier] in de marge 5 [Haerlem ingenomen van de] in de marge 2

[57] Aan de hertog van Saksen is een os geschonken, die gekocht en betaald was inclusief onkosten: 6 pond, 12 schellingen, 4 groten. Geschonken aan Jacob van Cralingen, kasteelheer, voor het vervoer per koets om zijn vrouw thuis te brengen; en een maaltijd met wijn en alle onkosten: 28 schellingen, 4 groten. Anno 1492. Ontvangen van Barent Pietersz Hopkooper, als boete voor het illegaal bierbrouwen in zijn huis: 23 schellingen, 4 groten. Nota bene: Dit is de ketel die nog steeds voor in het stadhuis aan de grote balk hangt. Daar stond vroeger op geschreven: Wie eens in deze ketel heeft gebrouwen Zal het zijn leven lang berouwen. Gerrit Dirckxz. en Adriaen Gerritsz. Vlester reisden naar Leiden toen Haarlem ingenomen was door de Friezen. Willem Suijrmont, gezonden via Culemborg naar Utrecht. Men was gewaarschuwd dat er kwaad opzet in het spel was; daarom is hij in bewaring genomen door de stad.


[57 Verso] [1 Alsoo Jacob Leuwe tot Mecchelen gesonden waer, met Mr. Joost Comijs Commissaris om tot Dordrecht te spreecken vande spoeijen, opten versoeck: ende voort metten Commissaris tot Mecchelen, om absolutien te werven, van dat Spoeijen aen stucken geslagen waren, ende oock geabsolveert te wesen vande belastinge, daer de Schepenen in beswaren van Jonge Claes ende andere brieven van de sluijsen op de Ysskeldijck. [2 Item: Als die Stede van Haerlem ingenomen was van de Vriesen, soo worden aengenomen tot bewaernisse vander Stede xxxvi (36) Mannen, onder Jacob Leeuw, Claes Florisz., ende Dirck Stempelse, die xiiii dagen dienen, ende hem-luijden t’ samen betalen, ende oorlof geven ix ponden x schellingen.

[57 verso] Jacob Leuwe was op verzoek naar Mechelen gezonden, met Commissaris Mr. Joost Comijs, om eerst in Dordrecht te praten over het spuien (water lozen via een waterkering); en daarna met de Commissaris door naar Mechelen, om kwijtschelding te vragen voor de straf voor het kapotslaan van de spuisluis; en ook om ontheffing te krijgen van belasting, omdat de Schepenen bezwaren van Jonge Claes en andere brieven inzake de sluizen op de IJsseldijk gegrond had verklaard. Toen de stad Haarlem ingenomen was door de Friezen, werden 36 mannen aangenomen om de stad te verdedigen, waaronder Jacob Leeuw, Claes Florisz., en Dirck Stempelse die 14 dagen dienden. Er is vergunning verleend om hen gezamenlijk te betalen: 9 ponden, 10 schellingen. Betaald voor hout en turf om een vreugdevuur te maken voor het stadhuis toen er vrede werd gesloten door heer Philips; kosten: 7 schellingen, 8 groten.

[3 Betalen aen Hout, ende Turff om vier te maken, voor dat Stadt-huijs alst paijs was te sluijten, bij Philips Monseigneur, kost 7 schellingen 8 grooten.

Geschenk aan Dirck Stempelse, omdat hij namens de stad naar de Stadhouder was gestuurd om Alkmaar in te nemen, en enkele kwaadwilligen gevangen te nemen. Hij trok er met 20 man op uit.

[4 Betaelt Dirck Stempelse, alsoo hij van der Stede wegen gesonden was, bij mijn Heere de Stadt-houder om Alckmaer in te nemen, ende eenige quaetwillige te vangen, ende was met xx Man uijt.

Anno 1494. Gerrit Dirckse, Burgemeester, Dirck Claesz., Jan Hendrickxz., en Dirck Houck Jacobsz., zijn met een wapenknecht naar Geertruidenberg gereisd, voor de inhuldiging van onze genadige Heer. Ze waren zeven dagen onderweg op kosten van de stad.

[5 Anno 1494. Gerrit Dirckse Burgermeester Dirck Claesz., ende Jan Hendrickxz., ende Dirck Houck Jacobsz., gereijst met een knecht te St. Geertruijtenberge, om de Huldinge van onsen genadigen Heer, ende waren uijt seven dagen op den Buydel.

1

[Spoeijen, ende Sluijsen] in de marge [Mannen aengenomen, doen Haerlem ingenomen was van Vriesen] in de marge 3 [Vieren over de Pais. etc.] in de marge 4 [Alckmoer in te nemen] in de marge 5 [Huldinge van onsen genadigen Heere te st. Geertruijtenberge] in de marge 2


[58] [1 Anno 1497. Betaelt: Als onsen genadigen Heer Hertogh Philips in Hollant was, ende sonderlinge hier inde Stede ontfangen worden, sijne genadige Heere doen geschoncken t’ zijnder Blijder in-komste, twee Paerden, kosten tezamen, de zomme van xx ponden Vlaems. [2 Geschoncken Jan Stalpaert, een glas inden Hage, kost 5 schellingen 8 Grooten [3 Betaelt vande toomen te vergulden, diemen den Hartogh van Philips schonck, met te Paerden, ende kosten 7 Schellingen, ende noch van de berijders, ende andere genootschap, 13 Schellingen 2 Grooten. Betaelt Faes Comans van 5 Ellen Root Laken, dat lagh onder ’t Gulden Laken, doen Hartogh Philips gehult worden. 4

[ Betaelt 4 gesellen gesonden ’t Oudewater doemen seijde dat de Gelderse daer waren 4 schellingen. [5 Betaelt 14 Wagens die onsen Prince geleijt in Crimpe 14 schellingen grooten.

1

[Schenkagie aen Hertogh Philips ter Goude.] in de marge [glas inden Hage.] in de marge 3 [onkosten op ‘t in halen van Hartogh Philips.] in de marge 4 [Gelderse tot Oudewater.] in de marge 5 [Prins geleijdt in Crimpen.] in de marge 2

[58] Anno 1497. Toen onze genadige heer hertog Philips in Holland was, en hier in de stad op een speciale manier wed ontvangen, zijn aan hem twee paarden geschonken bij zijn Blijde Inkomste (officiele ontvangst). Kosten tezamen: de somma van 20 ponden Vlaams. Geschonken aan Jan Stalpaert: een glas (gebrandschilderd raam) in Den Haag; kosten 5 schellingen 8 groten. Betaald voor het vergulden van de tomen die met de paarden die aan hertog Philips zijn geschonken; de kosten: 7 schellingen. Bovendien voor de berijders en de rest van het gezelschap: 13 schellingen 2 groten. Betaald aan Faes Comans voor 5 ellen rode lakense stof, die onder het gouden laken lag, toen hertog Philips ingehuldigd werd. Betaald aan 4 gezellen die naar Oudewater gestuurd werden, toen men zei dat die stad belegerd werd door de Geldersen: 4 schellingen. Betaald voor de 14 wagens die onze Prince naar Krimpen begeleid hebben: 14 schellingen groten.


[58 Verso.] [1 Anno 1499. Den Hertogh van Saxen doen hij ter Goude was, worden beschoncken van Stadts wegen, met een oxhooft Wijns, kostede een pont Groot, ende was gekocht van Gerrit Geerlofsz., ende de Paerden vanden Hertogh waren gestalt, int groote Schale op de Mart. [2 Anno 1501. Ontfangen van Dirck Hiecken, dat van Correctie, dat de Stede toe geordonneert waren om Glasen mede te maken, achter in den Raet-Kamer van ’t Stadt-Huijs, xx Schellingen. Nu dese Glasen staen noch tegenwoordigh, inde Raet Kamer ter Goude van Schepenen. [3 Gereijst Mr. Pieter Winckel Vicecurent, ende Dirck Dirckse Burgermeester tot Amsterdam, ende van Amsterdam tot Leijden, omme den Bisschop te spreecken van Doornick, ende te vercrijgen dat Roomsche aflaet, etc. Desen Mr. Pieter Winckel, was Vooght geweest van Erasmo Rotterodamo. Siet Lib. 2. Epistola Merick Editar. [4 Gereijst Jan Jansz. ende Mr. Jacob Mouwerisz. inden Hage, met een Knegt op ’t beschrijven van Voijagen van Spaengien etc. No. Mr. Jacob Mourissen was Pencionaris vander Goude, ende een groot Vrient van Erasmo vid: Merick: Loco dicto.

1

[Schenkagie, aenden Har- toghe van Saxen.] in de marge [glas in schepenskamer] in de marge 3 [Bisschop van Doornick.] in de marge 4 [Reijse naer Spaengien] in de marge 2

[58 verso] Anno 1499. Toen de hertog van Saksen in Gouda was, werd hem door de stad een okshoofd (220 liter) wijn geschonken . Dit kostte een pond groot; het was gekocht van Gerrit Geerlofsz. De paarden van de hertog werden gestald, in de grote Schale op de Markt. Anno 1501. Ontvangen van Dirck Hiecken, ter correctie, omdat de stad hem opgedragen had om mee te werken aan het maken van glazen, achter in de raadskamer van het stadhuis te plaatsen: 20 schellingen. Deze glazen staan tegenwoordig nog steeds in de raadkamer van de schepenen van Gouda. Mr. Pieter Winckel, onderpastoor, en Dirck Dircksz., burgemeester, zijn naar Amsterdam gereisd, en van Amsterdam naar Leiden, om de bisschop te spreken over Doornik, en om de Roomse aflaat te ontvangen. Deze Mr. Pieter Winckel was de voogd geweest van Erasmus van Rotterodam. Zie Lib. 2. Epistola Merick Editar. Jan Jansz. en Mr. Jacob Mouwerisz. zijn naar Den Haag gereisd, met een knecht, voor een reisbeschrijving van een tocht naar Spanje. Mr. Jacob Mourissen was pensionaris van Gouda, en een groot vriend van Erasmus. Zie: Merick: t.a.p.


[59] [1 Geschenck aende Heer Jacob van Borsselen, met zijnen Zoon, onsen nieuwen Casteleijn een maeltijt met Wijn, kost 6 schellingen 4 Grooten.

[59] Aan de heer Jacob van Borsselen, en zijn zoon, onze nieuwe kasteelheer, werd een maaltijd met wijn geschonken; de kosten waren: 6 schellingen 4 groten.

[2 Geschonken een Maeltijdt op ’t Hof als de Casteleijns Wijff inde Craem lagh ende ’t gerechte met de Tresoriers waren daer Hove ende de Maeltijt koste de Stede 31 Schellingen vier grooten.

Geschonken: een maaltijd op het Hof toen de vrouw van de kasteelheer in het kraambed lag, en toen de rechtbank met de tresoriers daar op het Hof aanwezig waren. De maaltijd kostte de stad 31 schellingen 4 groten.

[3 Anno 1503. Ontfangen van Barthout Elbertz. te Nupoort, bij handen van Gerrit Elbertsz. zijnen Broeder, om zijn Conscientie te Vrijen, ter Cause dat hij in zijn Jeught op de Stede Huys plagh te Caetsen, al daer hij dickwils de Glasen uijt sloegh, acht schellingen Grooten. Anno 1505. Was Mr. Frans Cobel Advocaet van ‘t Lant ditto. [4 Anno 1506. Gereijst Mr. Jacobus Mouwerisz, met een knegt inden Hage, met den hof–meester vanden Grave van Buijren, omme den Raet te kennen te geven, dat mijn heer van Montfoort, de Yssel met een Schot Deur sluijten was.

1

[Schenkagie aen Jacob van Borsselen Casteleijn.] in de marge [utsupra] in de marge 3 [Barthout Elbertz. te Nupoort] in de marge 4 [Issel met een Schot deur te sluijten.] in de marge 2

Anno 1503. Ontvangen van Barthout Elbertz. te Nieuwpoort (uit handen van zijn broer Gerrit Elbertz.), om zijn geweten te ontlasten, omdat hij in zijn jeugd tegen het stadhuis kaatste, waarbij hij dikwijls de glazen eruit sloeg: 8 schellingen groten. Anno 1505. Mr. Frans Cobel werd Landsadvocaat. (later: raadspensionaris) Anno 1506. Mr. Jacobus Mouwerisz, is met een knecht naar Den Haag gereisd, met de hofmeester van de graaf van Buren, om de raad te kennen te geven, dat de heer van Montfoort de IJssel met een schutdeur aan het afsluiten is.


[59 Verso.] [1 Anno 1507. Gegeven een Man die te Paerde quam van Ysselsteijn doen Bodegrave brande om de Stede te waerschouwen een schellingh.

[59 verso] Anno 1507. Betaald aan een man die te paard van IJsselstein kwam toen Bodegraven in brand stond, om de stad te waarschuwen: 1 schelling.

[2 Gereijst Willem Aertsz. tot Oudewater om de knegten te zenden voor proije etc.

Willem Aertsz. is naar Oudewater gereisd om de wapenknechten op rooftocht te zenden.

3

[ Noch haelde Pieter Teijsen alle dorpen binnen der Goude,om te spreecken van te oorlogen. [4 Gereijst Mr. Jacob Mourisses tot Antwerpen, omme te Vercrijgen voor de Casteele zes, ofte acht knegten, tot bewaernisse van ‘t Slot ter Gouda. [5 Gegeven bij handen van Dirck Stempelse, 83 Gesellen, ofte Pagens, zoo voor, zoo naer die van der Goude gesonden worden, tot Oudewater doe de Gelderse voor Oudewater gecomen waren, ende aldaer gebleven zijn, ende zoude gehadt hebben 14 Dagen elck 7 Groot daeghs etc. [6 Gereijst Arien Gerritz Burgermeester, met Jan Jacobsz. Schepen, met een knecht, en met een Pagie, ende Reijsde na Gorcum bij de Stadthouder, ende waren uijt met 68 Schutters, ende noch met 4 Trompetters 3 dagen lanck.

1

[Bodegraven Brant.] in de marge [Knechten voor Proije] in de marge 3 [Dorpen ter Goude om te spreecken van oorlogen.] in de marge 4 [Bewaernisse van ’t slot] in de marge 5 [knechten voor Oudewater.] in de marge 6 [Reijse naer Gorcum.] in de marge 2

Ook haalde Pieter Teijsen alle omliggende dorpen naar Gouda,om te spreken over de oorlog. Mr. Jacob Mourisses is naar Antwerpen gereisd, om voor het kasteel zes tot acht wapenknechten te vragen, ter verdediging van het slot van Gouda. Betaald aan Dirck Stempelse voor plusminus 83 gezellen of pages, die door Gouda naar Oudewater werden gezonden, toen de Geldersen voor Oudewater gelegerd waren. Zij zijn daar 14 dagen gebleven, en hebben elk ontvangen: 7 groot per dag. Arien Gerritz, burgemeester, is met de schepen Jan Jacobsz., een wapenknecht en een page, naar de stadhouder in Gorcum gereisd . Ze werden 3dagen begeleid door 68 schutters en 4 trompetters.


[60] [1 Gegeven Heer Hola Claessen, de koster, vande Clocke te Beijeren, doet heijligh geloten waer van Hartogh Carel, ende de Dochter van Engelant 4 schellingen. 2

[ Anno 1509. Gereijst Hendrick Goverts Burgermeester, ende Dirck Dirckx tot Bodegraven, ende alsoo voort tot Woerden, ende op de Wiericken, aldaer de Heere vanden Raet waren, om te Vereenige die van grooter Waterschap ende ons aengaende, van dat water dat ingebroocken was, aende Noortzijde vanden Rhijn. [3 Gereijst inden Hage op ’t Stuck van Wiericken toe te houden, ende te besien oftmen die van Uijtrecht, Woerden, ende de Stede vander Goude, mochte Vereenige, ende noch weder gereijst tot Bodegraven, bij die Commissaris, ende waren uijt op Leijden, etc. [4 Gereijst op de Nieuvaert, diemen Goude maken achter Moort, na de Cromme Gouwe toe. [5 Gegeven Jaep Mol, van xiii tonnen Bier met vier Wagens, ende een half, die ’t Bier aende Rhijn brachten, doe de Burgermeester, met de Poorterije was aende nieuwe Brugge, om de sluijsen toe te doen, 2 pont 2 schellingen.

1

[Hertogh Carel met de dochter van Engelant.] in de marge [Waterschap van Woerden.] in de marge 3 [utsupra] in de marge 4 [Nieuwe vaert achter Moort.] in de marge 5 [Bier aenden Rhijn gebracht doen de Schutters de Sluijs toe deden.] in de marge 2

[60] Betaald aan Hola Claessen, de koster, om de klok te luiden, ter gelegenheid van het heilig huwelijk van hertog Karel met de prinses van Engeland: 4 schellingen. Anno 1509. Hendrick Goverts, Burgemeester, en Dirck Dirckx zijn naar Bodegraven gereisd, en vervolgens naar Woerden en Wiericken. Daar waren de heren van de raad bijeen om samen met het grote waterschap en met ons te spreken over de dijkdoorbraak aan de noordzijde van de Rijn. Reis naar Den Haag om het document van de Wiericken voor te leggen, en om te bezien of de steden Utrecht, Woerden en Gouda, tot samenwerking wilden komen. Vervolgens gereisd naar de commissaris in Bodegraven, en tenslotte naar Leiden. Gereisd over de Nieuwe Vaart, die men van de Gouwe aanlegde achter Moordrecht, naar de Kromme Gouwe toe. Betaald aan Jaap Mol, voor de 13 vaten bier die op vier en halve wagen naar de Rijn werden gebracht, waar de burgermeester, met de poorters aanwezig was bij Nieuwerbrug, om de sluizen te sluiten: 2 pond 2 schellingen.


[60 Verso.] [1 Anno 1510. Gereijst Mr. Jacob Mourissen tot Mecchelen, om dat recht te bewaren tegen die van Woerden, roerende ’t soute water van daen voorts ’t Hantwerpen aen de President, roerende de selve saecken [2 Anno 1513. Betaelt drie Bode die de tijdinge bracht dat de Gelderse in Stolck waren 4 schellingen grooten. [3 Anno 1514. Gereijst inden Hage, op beschrijvinge vande Stede-Houwer, ende Raet roerende de gevangen, van mijn Heer van Wassenaerde. [4 Anno 1515. Gereijst de Casteleijn Jacob Minne Dirck Dirckxz, ende Barent Hendrickxz. tot Dordrecht op de Huldinge van onse Genadigen Heer. 5

[ Gereijst tot Brussel om de Confirmatie vande Veertigh. Gereijst de Casteleijn, ende Jacob [6 Minne, met drie knechten aen de Graft van Nassouwen ter Cause van dat nieuw gerecht ende waren uijt seven Dagen.

1

[Proces te Woerden.] in de marge [Gelderse in Stolck.] in de marge 3 [d’heer van Wassenaer.] in de marge 4 [Huldinge van onse genadichste Heer tot Dordrecht.] in de marge 5 [Confirmatie van veertig.] in de marge 6 [Nieuw gerecht.] in de marge 2

[60 verso] Anno 1510. Mr. Jacob Mourissen is naar Mechelen gereisd voor de rechtszaak tegen Woerden inzake het zoute water. En van daar verder naar Antwerpen om de president (van de rechtbank) te spreken over dezelfde zaak. Anno 1513. Betaald aan drie boodschappers die het bericht brachten dat de Geldersen in Stolwijk waren: 4 schellingen groten. Anno 1514. Naar Den Haag gereisd op aanschrijven van de stadhouder en de Raad betreffende het gevangennemen van de heer van Wassenaerde. Anno 1515. De kasteelheer, Jacob Minne, Dirck Dirckxz, en Barent Hendrickxz. zijn naar Dordrecht gereisd voor de inhuldiging van onze genadige heer. Gereisd naar Brussel voor de benoeming van de raad van Veertig (vroedschap). De kasteelheer, en Jacob Minne, zijn met drie leenmannen naar de graaf van Nassau gereisd ter zake van het nieuwe gerecht(shof). Ze waren zeven dagen onderweg.


[61] [1 Betaelt aen een quartier Hout, ende Turf, daer men vier mede maeckt, voor’t Stadt-Huijs overmits ’t houwelijck van onsen genadigen Heer, ende de Dochter van Vranckrijck etc. 2

[ Anno 1516. de Gelderse nemende Nieupoort, dat de Stadt-Houder na wederom wint, etc [3 Tot Antwerpen wert in deliberatie gestelt, oft mijn genadigen Heer de Koninck bestant zoude maken, met Hartogh Carel van Gelre. [4 Gereijst tot Kalix, ende gemaeckt een nieuwe Compositie, met de Stapelaeren vande Draperije, voor thien Jaren, ende waren uijt 14 Dagen. [5 Gereijst inden Hage, omme Mr. Frans van Leeuwen tot Pensionaris te hebben. [6 Anno 1517. Met de Steden van Delft gecommiteerd, van de Brouwerije, datmen op de Dorpen in Hollant, niet en zoude eenige Brouwerijen stellen.

1

[Houwelijck van onsen genadigen Heer ende Dochter van Vranckrijck.] in de marge [gelderse nemende Nieupoort] in de marge 3 [Bestant van Hartogh Carel van Gelder.] in de marge 4 [ Stapelaers vande Draperie.] in de marge 5 [Mr. Frans van Leeuwen Pensionaris.] in de marge 6 [Brouwerijen op Dorpen.] in de marge 2

[61] Betaald voor een kwartier (inhoudsmaat) hout en turf, om een (vreugde)vuur te maken vóór het stadhuis, ter gelegenheid van het huwelijk van onze genadige heer met de prinses van Frankrijk. Anno 1516. De Geldersen nemen Nieuwpoort in, waarna de stadhouder het herovert. In Antwerpen werd overleg gevoerd of de genadige heer de koning een bestand zou sluiten met hertog Karel van Gelre. Naar Calais gereisd en daar een nieuwe overeenkomst gemaakt met de (groot)handelaren in draperieën (lakense stoffen), voor tien jaar. Ze waren 14 dagen op reis. Naar Den Haag gereisd om Mr. Frans van Leeuwen tot pensionaris te laten benoemen. Anno 1517. Met de stad Delft overeengekomen inzake het brouwen, dat men op de dorpen in Holland geen brouwerijen zou mogen vestigen.


[61 Verso.] [1 Gereijst Burgermeester van Utrecht, ende hebben geprisenteert ses Goude Guldensz., om Jan Jansz. Bailliuw soude wesen, van ’t Lant van Steijn.

[61 verso] Naar de burgemeester van Utrecht gereisd; aan hem zijn zes gouden guldens aangeboden om Jan Jansz. tot baljuw van het Land van Steijn te benoemen.

[2 Geschonken mijn Heer de Stadt-Houwer, als de Dagh-vaert ter Goude was, 24 Stede Kannen Wijns.

Geschonken aan mijnheer de stadhouder toen hij op een dagreis in Gouda was: 24 stadskannen wijn. Afhakken van de hand /recht om een hand af te hakken.

Af-snijden vande Hant / octroeij roerende de hant af te houwen. Recht op het verbod om langs de IJssel een brouwerij te vestigen. 3

[ Octroij roerende datmen op de Yssel niet zal Brouwen.

Anno 1518. Naar Den Haag gereisd na de dijkdoorbraak te Spaarndam, om het zoete water te beschermen door de Rijndijk.

[4 Anno 1518. Gereijst inden Hage op Inbreecken van Spaerdam, om te hebben remedie op de Rhijn dijck van Soeter water.

Met emmers naar de brand in Schoonhoven gereisd en de emmers weer verzameld.

[5 Gereijst met Emmers ’t Schoon-hoven inden Brant ende de Emmers weder te vergaren.

Naar Utrecht gereisd, om te spreken met de heren van het Oudemunster (kapittel) aangaande de Heerlijkheid van het Land van Steijn.

[6 Gereijst tot Utrecht, om te spreecken met de Heeren tot Oude-Munster, aengaende de Heerlijckheijt van ’t Lant van Steijn.

1

[Jan Jansz. Bailliuw van ‘t lant van Steijn.] in de marge [Schenkagie aen de Stadt-Houder] in de marge 3 [op de Yssel niet te brouwen] in de marge 4 [ Inbreeck van Sparendam] in de marge 5 [Brant tot Schoonhoven.] in de marge 6 [’t Lant van Steijn.] in de marge 2


[62] [1 Gereijst inden Hage omme te spreecken metten Drossaert van Dienst, hoe datmen aensetten zoude om te Kiesen, dat nieuwe gerecht. 2

[ Geschonken de Vrouwe van Wassenaer, d’ Excijns van Elf Vaten Biers, als zij hier gevlucht waren. [3 Anno 1519. Betaelt: De koste van Luijen doen de Keijser gestorven was. [4 Anno 1520. Gereijst tot Gent om onse genadige Heer welkom te heten, ende waren met hen 4 uijt 47 dagen [5 Anno 1521 Gereijst inden Hage omme te verwerven, dat men ter Goude niet en zoude dingen, dan bij monde, ende daer van te vercrijgen Acte. [6 Gechonken den nieuwen Casteleijn Floris van Kijfhoeck een Maeltijt metten Wijn daer dat Gerechte ende Thresoriers bij waren ten Eeten ende heeft gekost in alles 26 schellingen 8 Grooten.

1

[Kiesen dat nieuwe gerecht Dienst: n doorgehaald] in de marge [Vrouw van Wassenaer gevlugt.] in de marge 3 [Keijser gestorven.] in de marge 4 [genadige Heere tot Gent welckom geheten] in de marge 5 [ter Goude niet te dingen als bij monde] in de marge 6 [Floris van Kijfhoeck Casteleijn.] in de marge 2

[62] Naar Den Haag gereisd om te spreken met de drossaard van dienst over de aanpak van de verkiezing van een nieuw gerecht(shof). Geschonken aan de vrouwe van Wassenaar toen zij hier naar toe gevlucht was de accijns over elf vaten bier. Anno 1519. Betaald: De kosten voor het luiden van de klok toen de keizer gestorven was. Anno 1520. Naar Gent gereisd om onze genadige heer welkom te heten. Ze waren met z’n vieren 47 dagen op reis. Anno 1521. Naar Den Haag gereisd om het recht te verkrijgen dat men in Gouda alleen mondeling zal rechtspreken; en dat te laten vastleggen in een akte. Geschonken aan de nieuwe kasteelheer Floris van Kijfhoeck toen het Gerechtshof en de thesauriers bij hem te eten waren: een maaltijd met wijn; dit heeft in totaal gekost: 26 schellingen 8 groten.


[62 Verso.] [1 Geschonken een Glas inde Kerck tot Alckmaer, bij Consent vande Vroetschap, ende heeft gekost 3 pont 14 schellingen 2 grooten

[62 verso] Geschonken een (gebrandschilderd) glas aan de kerk van Alkmaar, met toestemming van de vroedschap. Dit heeft gekost: 3 pond 14 schellingen 2 groten.

[2 Anno 1522. Gereijst Jacob Gerritsz. Straetmaker vander Stede wegen tot Delft die Galgh te meten ende de ordonnantie te zien.

Anno 1522. Jacob Gerritsz., straatmaker van de stad is naar Delft gereisd om de galg op te meten en de verordening in te zien.

3

[ Gereijst Mr. Dirck Hendrickxz. inden Hage den Raedt adverterende van Inbreucken van Leck Dijck etc. [4 Anno 1523. Jacob Mane, Witten Goverts Burgermeesteren, ende Mr. Dirck Hendrickxz, inden Hage ter daghvaert, omme Rapport te doen, ende advijs te geven vanden Informatie, gedaen om den Rhijndick aende Ysseldijck, ende besijdijck te bedicken, mitsgaders de estinatie vande hooghte ende breete vandien. [5 Gereijst inden Hage te Dachvaert, aen Commissarissen van 3000 Guldens, s’ Jaers te bezegelen, te verclaren, dat de selve Stede naer quartie, alleen voor een seste part, ’t zegel daer voor ter Goude leenen souden, ende met de andere Stede.

1

[geschonken een glas tot Alckmaer.] in de marge [Galgh] in de marge 3 [Inbreuck vanden Hage Leckdijck.] in de marge 4 [Bedijckinge vanden Rhijn ende Ysseldijck.] in de marge 5 [3000 gulden ’s Jaers te bezegelen] in de marge 2

Mr. Dirck Hendrickxz. is naar Den Haag gereisd om de raad te waarschuwen over de doorbraak van de Lekdijk. Anno 1523. De burgemeesters Jacob Mane, en Witten Goverts, en Mr. Dirck Hendrickxz. zijn op dagreis naar Den Haag gegaan, om rapport uit te brengen en advies te geven over de verstrekte informatie om de Rijndijk met een zijdijk aan de IJsseldijk te verbinden, alsmede over de inschatting van de hoogte en de breedte daarvan. Naar Den Haag gereisd op dagreis om vast te leggen dat aan de commissarissen 3000 guldens per jaar wordt verstrekt. Die stad zal een kwart betalen, en Gouda en de andere steden (van Holland) verbinden zich om ieder een zesde deel te betalen.


[63] [1 Anno 1524. Gereijst tot Uijtrecht aende Heere van Oude-Munster, om te versoecke der Erfpacht van’t Lant van Steijn. 2

[ Betaelt, schepenen van dat zij inden Hage geweest hebben, om de Commissarissen te betalen, aengaende de misdadigen Man, die inde Heijligen weecke verbrant worden, 19 schellingen 6 grooten. [3 Anno 1525. Gereijst inden Hage, op’t Schrijven vanden Raet, om de Rhijn Dijck te heelen aen de Ysseldijck. [4 Betaelt dijversche Bode tot Bode broot, vande tijdinge te brengen van Victorie, vande gevanckenisse vanden Coningh van Vranckrijk5 te zamen ix schellingen vj grooten

[63] Anno 1524. Naar Utrecht gereisd om de heer van Oude-Munster te verzoeken om de erfpacht van het Land van Steijn. Betaald aan de schepenen die naar Den Haag zijn geweest om de commissarissen te betalen voor de verbranding van een misdadiger in de heilige week: 19 schellingen, 6 groten. Anno 1525. Naar Den Haag gereisd op schriftelijk verzoek van de Raad, over het voorstel om de Rijndijk aan de IJsseldijk te verbinden. Betaald voor fooien (NOOT:(in de tekst “bodebrood”, gift voor de brenger van een goede boodschap) verstrekt aan diverse boodschappers die het bericht brachten van de overwinning op en de gevangenneming van de koning van Frankrijk. Tezamen 9 schellingen 6 groten. Betaald voor het beieren en luiden van de klokken voor de victorie: 16 schellingen 8 groten. Onze genadige Vrouwe is hier aangekomen.

6

[ Betaelt van Beijeren, ende Luije van de Victorij, 16 schellingen 8 grooten. Onse genadige Vrouwe is hier in gekomen.

1

[Erfpacht, van’t Lant van Steijn] in de marge [Misdadige inde heijlige weecke verbrant] in de marge 3 [Rijndijck ende Ysseldijck.] in de marge 4 [gevanckenisse vande Coninck van Vranckrijck] in de marge 5 [n] interlineair 6 [utsupra] in de marge 2


[63 verso.] [1 Gereijst Cornelis Bosch tot Antwerpen, om te koopen seeckeren Blaeuwe Steenen, om ’t Stadt-huijs mede te plaveijen.

[63 verso] Anno 1527. Cornelis Bosch is naar Antwerpen gereisd om bepaalde blauwe stenen (NOOT: plavuizen van arduin ofwel Belgisch hardsteen) om het stadhuis mee te plaveien.

[2 Gereijst Mr. Dirck den xien September tot Schoon-hoven, met besloten Brieven, daer bij de Tollenaer aldaer bevolen wert, bij haer Vrijdom deser Stede te laten, bij haer vanden Tol. Etc.

Op de 11e september is Mr. Dirck naar Schoonhoven gereisd met vertrouwelijke brieven waarin de opdracht stond aan de plaatselijke tollenaar (NOOT: persoon belast met het innen van de tolgelden) om de stad te vrijwaren van tolheffing.

[3 Gereijst Mr. Dirck den xiiien September in den Hage, om te verpachten dat School.

Mr. Dirck is op de 13e september naar Den Haag gereisd om de school te verpachten.

[4 Gegeven van Bode-broot vande Tijdinge dat ons geboren was een Jonge Prins, de KeijsersSone 3 schellingen 4 grooten.

Fooi gegeven aan de boodschappers van het bericht dat er een jonge prins, zoon van de keizer, is geboren: 3 schellingen 4 groten.

5

[ Geschoncken den Graef van Buijen als hij ter Goude was, des daeghs na St. JansDagh, den grooten Brant was, een maeltijt van 4 pont, 12 schellingen. [6 Betaelt 5 Gesellen die geluijt hebben drie Poosen daegs, als de Jonge Keijsers Zoon was gebooren 4 schellingen 2 Grooten. [7 Anno 1528. Uijtrecht wort ingenomen ende getracht te brengen, onder de Jurisdictie vande Keijserlijcke Majesteit te gekrijgen.

1

[Anno 1527. Blauwe steenen, om ’t Stadt-huis mede te plaveijen.] in de marge [Tollenaer, tot Schoonhoven.] in de marge 3 [verpachtinge van’t school.] in de marge 4 [geboorte van Keijser sone.] in de marge 5 [Schankagie aenden graef van Buijren.] in de marge 6 [Luijen over des Keijsers Zoon.] in de marge 7 [Uijtrecht wort ingenomen.] in de marge 2

Betaald voor de graaf van Buren toen hij in Gouda was daags na de grote brand tijdens St. Jansdag (24 juni): een maaltijd van 4 pond 12 schellingen. Betaald aan de 5 gezellen die drie maal de klok geluid hebben op de dag van de geboorte van de zoon van de keizer: 4 schellingen 2 groten. Anno 1528. Utrecht is ingenomen en wordt getracht onder de jurisdictie van de keizerlijke majesteit te brengen.


[64] [1 De Pais is gemaeckt tusschen de Keijserlijcke Majesteit, ende den Heere van Geldere

[64] Er is vrede getekend tussen de keizerlijke majesteit en de heer van Gelre.

[2 Anno 1529. Gereijst Thimpheriaen een Loope, omde te soecke, ende vragen de remedien vande swetende sieckte.

Anno 1529. Thimpheriaan Loope is op reis gegaan om een remedie te vinden tegen de zwetende ziekte (NOOT: een besmettelijke ziekte met hoge koorts die in die tijd heerste en veel slachtoffers vergde).

[3 Geschonken mijn Heere de Vicarius van Utrecht, bij consent van de Camere, om dier willen dat de Gemeente geconsenteert was, Boter te Eeten, tot Palm toe, een salm die gekost hadde 4 schellingen, 10 grooten.

Betaald voor de vicaris van Utrecht – nadat door de Kamer aan de gemeente was toegestaan om tot aan Palmpasen toe boter te eten – een zalm, die 4 schellingen 10 groten heeft gekost. Anno 1530. Dagtocht naar Oudewater voor de kwestie van de verbinding van de Rijndijk aan de IJsseldijk.

[4 Anno 1530. Gereijst tot Oudewater, de Daghvaert, op de Materie van de verheelinge, vanden Rhijndijck aende Ysseldijck.

Vrouwe Margarita is overleden.

Vrouwe Margarita is Overleden.

Anno 1531. Mr. Dirck is naar de heemraad in Rotterdam gereisd om de verdediging te voeren in de rechtszaak omtrent de Brouck (een voormalige gemeente tussen Gouda en Waddinxveen, in 1870 opgeheven).

[5 Anno 1531. Gereijst Mr. Dirck aen Heemraet tot Rotterdam, om te defenderen Jurisdictie vanden Brouck, etc.

De keizerlijke Majesteit benoemt zijn zuster als regentes.

De Keijserlijcke Majesteit Ordonneert zijn Suster als Regentes.

1

[pais tusschen den Keijser ende gelre.] in de marge [sweetende sieckte.] in de marge 3 [geschenk aende vicarius van Utrecht.] in de marge 4 [Rijndijck- Ysseldijck] in de marge 5 [Jurisdictie van Brouck.] in de marge 2


[64 Verso.] [1 Gereijst de Casteleijn in Meij 1531. Inden Hage omme het nieuwe Gerecht te halen. 2

[ De Brugh voor den Hoorn is gemaeckt, ende de Steen gekost tot Aelst, ofte vijlvoorden 3

[ Anno 1535. Gereijst tot Haerlem aenden Heemraet van Rijnlant, versoecken dat se een sluijs zouden willen maecken inden Ysseldijck, achter ’t Slot, om Water te beter te mogen lossen etc. [4 Anno 1535. Gereijst, den xxviien Januarij in den Hage aende Raet, ende oock om te consuleren, op de inconvenenten vande gevangen Poorter, die Herdoopt zijn ende van suspecte ende figitive. [5 Anno 1536. Den Pals-Grave versoeckt assitentie van xl (40) Schepen Volckx ende Victualie ende geschut omme denemarcken te Conquesteren. [6 Delftschen Brant, In dit selfde Jaer Sterft Erasmus van Rotterdam, tot Basel. [7 Geschonken den Hertogh van Meckhelenburgh, doe hij passeerden, vier Steden kannen Wijns, de Kanne 5 ½ Groot.

1

[Nieuwe gerecht] in de marge [Brugh voor den Hoorn.] in de marge 3 [sluijs achter’t Sloth.] in de marge 4 [Poorters herdoopt] in de marge 5 [Assistentie Palsgrave] in de marge 6 [Delfsen Brant.] in de marge 7 [geschenck aenden hertog van Meckelenburgh.] in de marge 2

[64 verso] De kasteelheer is in mei 1531 naar Den Haag gereisd om het nieuwe gerechtshof te verwelkomen De brug bij Den Hoorn is gemaakt en de kosten van de stenen zijn betaald aan Aalst en Vilvoorde. Anno 1535. Naar de heemraad van Rijnland in Haarlem gereisd met het verzoek een sluis achter het slot in de IJsseldijk te maken om het water beter te kunnen lozen. Anno 1535. Op de 27e januari naar de Raad in Den Haag gereisd om advies in te winnen over de bezwaren van de gevangen genomen poorters die herdoopt zijn en verdacht worden vluchtgevaarlijk te zijn. Anno 1536. De Paltsgraaf verzoekt assistentie van 40 schepen met bemanning, victualiën en geschut om Denemarken aan te vallen. Brand in Delft. In datzelfde jaar sterft Erasmus van Rotterdam te Bazel. Betaald voor de hertog van Meckelenburg toen hij hier op doorreis was, vier stadskannen wijn, elk 5 en een half groot.


[65] [1 Anno 1537. Gereijst den 5en februarije Inden Hage om achtervolgende des Vroetschaps Conclusie te consulleren, op ten Eijsch ende questie, gemoveerd bij den Casteleijn, ende Schout, Adriaen van Crimpen, Contera deser Stede.

[65] Anno 1537. Op 5 februari naar Den Haag gereisd om volgens het besluit van de vroedschap advies in te winnen over de eis en de zaak die de kasteelheer en schout Adriaen van Crimpen tegen deze stad hebben ingebracht. De keizerlijke majesteit heeft een zoon gekregen.

De Keiserlijcke Majesteit Wort een Jonge soon geboren. [2 Anno 1538. Gereijst in den Hage, omme onder den Raet te brengen, de questie vanden Casteleijn, navolgende de Conclusie van de Vroetschap 3

[ Paijs tusschen de Keiserlijcke Majesteijt, ende den Coninck van Vranckrijck. [4 Anno 1539. Gereijst in den Hage op den sesten Meije, beroerende dat de Scholaster na de Schole niet en ziet, ende dat den Secretaris die vanden Gerechte, negeert haer Vrijdomme van ouden har bronnen, ende die Schepenen, haer Regt van’t Scholen niet en betaelt, vertoont die suspitie ende murmuratie, die daer vallen onder de gemeente, overmits dat de schout, ende Secretaris twee swagers zijn, etc. [5 Geschoncken den Pensionaris van Gent, als hij ter Goude was, alsmen seijde fugitijt 2 Stede Kannen.

1

[Eijsch van Castelain contra deser Stede.] in de marge [uts] in de marge 3 [Paijs tusschen den keijser, ende Vranckrijck.] in de marge 4 [Scholasters vande Schole.] in de marge 5 [geschenk Pensionaris van Gent.] in de marge 2

Anno 1538. Naar De Haag gereisd om het besluit van de vroedschap in de zaak van de kasteelheer bij de Raad te aanhangig te maken. Vrede tussen de keizerlijke majesteit en de koning van Frankrijk! Anno 1539. Op de zesde mei naar Den Haag gereisd over de kwestie dat de schoolmeester en de secretaris van het gerecht niet naar de school omzien, de vrijheid om oude bronnen te onderzoeken negeren, en de vergunning voor het hebben van een school niet betalen aan de schepenen. Er is achterdocht en er zijn klachten over de gemeente, omdat de schout en de secretaris zwagers zijn. Aan de pensionaris van Gent, toen hij zogezegd als vluchteling in Gouda was, geschonken 2 stadskannen.

Register rakende (..) Gouda  

Afschriften van diverse stukken met betrekking tot Gouda en omgeving, o.a. betreffende het rechtsgebied

Register rakende (..) Gouda  

Afschriften van diverse stukken met betrekking tot Gouda en omgeving, o.a. betreffende het rechtsgebied