__MAIN_TEXT__

Page 1

Preek op de zesde zondag na Pasen


Dominica sexta post pascha, 1 Petrus 4 Estote prudentes et vigilate in orationibus [1] 1. Petrus 4. In his verbis a domino Petro tres2 nobis anime virtutes commendantur que necessarie sunt ad salutem. videlicet prudentia3, vigilantia4, instantia5 in oratione, [6] primo commendat nobis prudentiam. Est autem duplex prudentia, virtuosa et vitiosa. Virtuosa est, que cum simplicitate coniuncta est, ad quam nos dominus hortatur inquiens: Estote prudentes sicut [7] serpentes et simplices sicut columbe.(ecce ego mitto vos sicut oves in medio luporum estote ergo prudentes sicut serpentes et simplices sicut columbae) Ad idem respicit quod loquitur deus [8] per prophetam Hieremiam inquiens 32 seminabo domum Israhel et domum Iuda semine hominum et semine iumentorum. Homines enim sunt ad quos pertinet prudentia, iumenta ad quos simplicitas. Quod autem hij qui in utraque parte recte versati sunt beatitudinem consequantur, psalmista sub eadem verborum metaphora testatus est dicens: 38, homines et iu-

De zesde zondag na Pasen, 1 Petrus 4 “Kom daarom tot bezinning en wees helder van geest, zodat u kunt bidden (1 Petr. 4:7).” [9] In deze woorden beveelt Petrus ons drie geestelijke deugden aan die noodzakelijk zijn voor ons geestelijk heil: namelijk bezonnenheid, waakzaamheid en volharding in het gebed. [10] Op de eerste plaats beveelt hij ons bezonnenheid aan, maar er zijn twee vormen van bezonnenheid: deugdzame en aanmatigende bezonnenheid. Deugdzame bezonnenheid gaat gepaard met eenvoud. Hiertoe spoort de Heer ons aan met de woorden: “Wees dus scherpzinnig als een slang, maar behoud de onschuld van een duif (Mat. 10:16).” Op ditzelfde doelen ook de woorden van de Heer, wanneer Hij spreekt door de mond van de profeet Jeremia: “[De dag zal komen dat ik] Israël en Juda zal inzaaien met mensen en met dieren (Jer. 31:27).” Het zijn immers de mensen op wie bezonnenheid van toepassing is en de dieren waarop eenvoud betrekking heeft. De psalmdichter getuigt ervan dat zij namelijk in beide opzichten die zaligheid bereiken. Daarvan getuigt hij met de volgende beeldspraak, wanneer hij zegt: “U, Heer, bent de redder van mens en dier (Ps. 36:7).”

1

INGREEP [Ante omnia autem mutuam in vobismetipsis charitatem continuam habentes, quia charitatem operit multitudinem peccatorum] doorgehaald 2 INGREEP [quattuor] doorgehaald, [tres] interlineair 3 INGREEP [m] interlineair doorgehaald 4 INGREEP [m] interlineair doorgehaald 5 INGREEP [m] interlineair doorgehaald 6 INGREEP [et charitatem] doorgehaald 7 VERWIJZING [Matthaeus 10] in de marge 8 INGREEP [ad] doorgehaald

9

ACHTERGROND Vertaling doorhaling in annotatie 1 [Hebt elkaar voor alles innig lief, want liefde bedekt tal van zonden. (4: 8)] 10 ACHTERGROND Vertaling doorhaling in annotatie 6 [en de liefde]


menta salvabis domine. Prudentiam ergo bonam servabis si rei quam aggressurus es exitum consideraveris, et cuncta consilio ac [1] ratione fueris mensus. Turrim in evangelio edificaturus prius sumptus computare docet Christus2 ne posito fundamento imperfectum opus cogatur relinquere, pateatque ludibrio subsannantium et3 dicentium hic homo cepit edificare et non potuit consummare. prudens eris si subinde discutias conscientiam tuam, si quoties a somno exurgis4 quid acturus sis cogitas quoties cubitum vadis quid egeris, quid omiseris, in quo excideris tecum examinas utque deinceps cautius incedas. prudentia autem vitiosa est quam detesta[5] tur Esaias inquiens: Ve qui sapientes estis in oculis vestris et coram vobismet [6] ipsis prudentes. Et Paulus: nolite [7] prudentes apud vos ipsos. Et iterum, prudentia carnis mors est deo inimica Quam autem prudentiam discere debeamus [8] ostendit Salomon, nos eam petere debere a mutis animantibus inquiens: Vade ad formicam, o piger, et considera vias eius et disce ab ea sapientiam que cum non habeat ducem

1 2 3 4 5 6 7 8

VERWIJZING [Lucas 14.] in de marge INGREEP [docet Christus] interlineair INGREEP [subsan-nantium et] in de marges TEKSTKRITIEK [exurgis] lees [exsurgis] VERWIJZING [5] in de marge VERWIJZING [Romanos 12] in de marge VERWIJZING [Romanos 8] in de marge VERWIJZING [Proverbiorum 6.] in de marge

Het zal dus van de goede bezonnenheid getuigen als je het resultaat van de zaak waar je aan gaat beginnen, van tevoren overdacht hebt en alles met raad en rede hebt afgewogen. Christus leert ons in het evangelie dat wie een toren wil bouwen, de kosten van tevoren moet berekenen om te voorkomen dat hij na het leggen van het fundament gedwongen wordt het werk onvoltooid te laten. Alsook om te voorkomen dat hij bloot staat aan de spot van mensen, die hem uitlachen en zeggen: deze man is begonnen met bouwen, maar heeft het niet kunnen afmaken (Luc. 14:28-30). Je getuigt van bezonnenheid, als je regelmatig zelfonderzoek doet, als je telkens wanneer je wakker wordt, overdenkt wat je van plan bent te doen en als je telkens wanneer je gaat slapen, bij jezelf onderzoekt wat je hebt gedaan, wat je hebt nagelaten en in welk opzicht je tekort bent geschoten. Dit met het doel vervolgens voorzichtiger te werk te gaan. Aanmatigende bezonnenheid is die welke Jesaja afwijst met de woorden: “Wee degenen die wijs zijn in eigen ogen; die naar eigen oordeel verstandig zijn (Jes. 5:21).” En Paulus: “Ga niet af op uw eigen inzicht (Rom. 12:16).” En nog een keer: “Wat onze eigen natuur wil, brengt de dood … Onze eigen wil staat vijandig tegenover God (Rom. 8:6-7).” Salomon toont ons de bezonnenheid die wij ons eigen moeten maken, die wij moeten zoeken bij de stomme beesten, wanneer hij zegt: “Ga naar de mieren, luiaard, kijk hoe ze werken en word wijs. Hoewel er onder hen geen leider is,


nec preceptorem, nec principem parat in estate cibum sibi et congregat in messe quod comedat huius ergo animantis exemplo prudenter in futurum nobis prospicere debemus quemadmodum villicus ille faciebat qui timebat [1] sibi auferri villicationem. Qui id repperit consilli. Et dum adhuc rerum domini sui potietur, amicos sibi inde comparavit qui amotum a villicatione reciperent in domos suas. Sic et nos operari bonum debemus2 dum tempus habemus, cibum paremus qui non perit sed qui permanet in eternum. Veniet enim nox qua nemo poterit operari. Eodem modo dominus ipse adhortatur nos ad prudentiam discendam ex bruto animante: Estote prudentes sicut serpents. Est autem triplex serpentis [3] prudentia nobis imitanda 1. prima est sollicita capitis sui tuitio4, omnia enim membra exponit ut caput suum tueatur Unde per aquam elevato natat capite ne suffocetur. Quo nimirum docemur de salute anime proprie (que potissima et sublimior hominis pars est) solliciti esse debere. Iuxta quod per Salomonem dicitur omni custodia serva cor tuum quia ex ipso vita procedit [5] et in deuteromio 4.6 animam tuam sollicite serva. 2. Alia serpentis prudentia est sui ipsius renovatio dicunt quippe serpentem ipsum dum senio gravatus

1 2 3 4 5 6

VERWIJZING [Lucas 16] in de marge INGREEP [necesse] doorgehaald, [debemus] interlineair VERWIJZING [Matthaeus 10] in de marge INGREEP [custoditio] doorgehaald, [tuitio] interlineair VERWIJZING [Proverbiorum 4.] in de marge TEKSTKRITIEK [Deuteromio] lees [Deuteronomio]

geen aanvoerder en geen koning, halen ze in de zomer voedsel binnen en leggen ze in de oogsttijd een voorraad aan (Spr. 6:6-7).” Naar het voorbeeld van dit schepsel moeten ook wij voorzorgen nemen voor onze toekomst, zoals de rentmeester deed, die vreesde dat zijn baan als rentmeester hem ontnomen zou worden (Luc. 16). Hij bedacht het volgende plan. Zolang hij nog het beheer had over de zaken van zijn meester, zorgde hij ervoor dat hij vrienden maakte die hem in hun huis zouden ontvangen als hij zijn baan als rentmeester zou hebben verloren. Zo moeten ook wij iets goeds bewerkstelligen zolang we nog tijd hebben. Laten we zorgen voor voedsel dat niet vergaat, maar dat tot in eeuwigheid blijft. Want de nacht zal komen waarin niemand kan werken. Op dezelfde manier spoort de Heer zelf ons aan om bezonnenheid te leren van een redeloos schepsel: “Wees dus scherpzinnig als een slang (Mat. 10:16).” Er zijn wel drie vormen van scherpzinnigheid van een slang die wij moeten navolgen: 1. De eerste is de zorgvuldige bescherming van zijn kop. Hij zet immers al zijn ledematen in om zijn kop te beschermen. Daarom zwemt hij met opgeheven kop door het water om te voorkomen dat hij verdrinkt. Daaruit leren wij natuurlijk dat wij zorgvuldig moeten omgaan met ons eigen zielenheil; de ziel is immers het belangrijkste en meest verheven deel van de mens. Hierbij komt ook de uitspraak van Salomon: “Van alles waarover je waakt, waak vooral over je hart, het is de bron van je leven (Spr. 4:23).” En ook in Deut. 4:9: “Wees gewaarschuwd en neem u zorgvuldig in acht.” 2. Een andere bezonnenheid van de slang is het vermogen om zichzelf te verjongen. Men zegt namelijk het volgende:


grossitie cutis suam percipit tardari agilitatem hausta fontis aqua non modica per auctos in acuta petra meandros sese violenter traijcere illicque abrupta pelle veteri denuo renovari ut ad pristine agilitatis suae motus restitui possit. Moraliter: Hanc1 prudentiam imitari debet homo, ut exuat veterem hominem, qui corrumpitur secundum desideria erroris, hauriat e fonte sapientie (quod est verbum dei) aquam vite, que sitim perpetuam potis est exstinguere. Petram proinde querat id est Christum petram utique acutam, que tam ipsius imitatione vite quam informatione doctrine in aucto penitentie salutaris vitiose consuetudinis exuat vetustatem, et quum effuderit omne peccati virus in confessione, tum rursus spiritu mentis sue renovatus induat novum hominem qui secundum deum creatus est. 3. Tertia serpentis sapientia est cauta sui euasio. serpens enim presertim ille qui aspis dicitur, hac ad sui tuitionem vigere prudentia dicitur, quod mox cum percipit incantatorem, ne forte vi carminum antrum suum egrediatur et in venatoris casses incidens capiatur, aures sibi obturat, alteram cauda alteram terra. Et sicut2 aspis surda et obturans aures suas non exaudit vocem incantantium et venefici incantantis sapienter. Hanc prudentiam imitari debemus ne diaboli incantantis exaudientes suadelam incidamus in casses ipsius aures mentis nostre cauda id est finis nostri sollicita consideratione, et terra id est corporee fragilitatis et vilitatis agnitione obturemus. Illud nobis

1 2

INGREEP [Quam] doorgehaald, [Hanc] interlineair INGREEP [sicut] interlineair

Als de slang, geplaagd door ouderdom, bemerkt dat zijn bewegelijkheid minder wordt door de stugheid van zijn huid, dan drinkt hij een behoorlijke hoeveelheid water uit een bron en schuurt hij zichzelf met opgezwollen kronkelingen tegen een scherpe steen met geweld open. Hij wordt dan na het afstropen van zijn oude huid weer verjongd, zodat hij de bewegingen die bij zijn oude wendbaarheid hoorden weer kan terugkrijgen. De moraal hiervan is: Deze bezonnenheid dient de mens na te bootsen, en wel dat hij de oude mens aflegt die bedorven raakt door de zondige verlangens, dat hij uit de bron van de wijsheid (dat is het woord van God) het levenswater drinkt dat in staat is de altijddurende dorst te lessen. Laat hij vervolgens een steen zoeken - dat is Christus - die vooral scherp is en die zowel door de navolging van diens leven, als door het begrip van zijn leer in de groei van een heilzaam berouw de oude huid van een zondige gewoonte verwijdert. 3. De derde wijsheid van de slang is de voorzichtige wijze waarop hij naar buiten komt. Immers vooral de slang die men adder noemt, is naar men zegt heel sterk in de bescherming van zichzelf door de volgende slimheid. Zodra hij een slangenbezweerder hoort, bedekt hij zijn oren om te voorkomen dat hij door de aantrekkingskracht van diens muziek zijn hol verlaat en in de strik van de jager terechtkomt en gevangen wordt. En wel ĂŠĂŠn oor bedekt hij met zijn staart en het andere stopt hij dicht met aarde. En net als de dove adder die door zijn oren te bedekken de stem van slangenbezweerders en van de slim fluitende jager niet hoort, zo moeten wij deze slimheid nabootsen om te voorkomen dat wij, luisterend naar de lokroep van de duivel, in zijn strik vallen. Laten wij onze oren bedekken met onze staart door een ernstige overweging van ons levenseinde. En met aarde door een erkenning van de broosheid en de geringe waarde van ons lichaam.


ipsis semper inculcantes: “Quid superbis terra et cinis.” Secundo hortatur nos petrus ad vigilantiam dicens et vigilate. sic in alio loco: Sobrii estote, et vigilate: quia adversarius vester diabolus tamquam leo rugiens circuit, querens quem devoret: Vigilandum [1] autem est propter tria: propter hostilem impugnationem, fidelem administrationem et fragilissime domus inhabitationem. Primo vigilandum est nobis propter hostilem impugnationem, militia est enim vita hominis super terram. Agitur autem in hac militia non pro re ludicra aut vana, sed que omnium maxima est, idque geritur sub oculis dei, utique summi imperatoris certamen hoc nostrum spectantis, a quo tandem unicuique laus erit qui legittime decertaverit. Quod autem belli tempore sollicite in castris sit vigilandum, vel irrationabilium animantium exemplo docemur: Grues enim inter se vigilias noctis dividere noscuntur, similiter et inter cuniculos, quum ex antris suis prodeuntes, gregatim ad pastum procurrunt, eorum semper unus pro toto grege vigilias in pascuis observat, qui mox ut hostile quippiam perceperit, pode terram tota virtute pulsans gregem omnem sonitu cautum reddit. Secundo vigilandum est nobis propter fidem nobis commissam in administratione cuiuslibet offitii 2.

1 2

VERWIJZING [1. Petrus 5] in de marge INGREEP [fidelem] doorgehaald, [fidem … offitii] interlineair en in de marge

Hierbij moeten we onszelf voortdurend inprenten: “Wat verbeeld jij je, die aarde en as bent (Sir. 10:9).” Op de tweede plaats spoort Petrus ons aan tot waakzaamheid. Met de woorden “en weest waakzaam.” Op een andere plaats zegt hij het zo: “Wees waakzaam, wees op uw hoede, want uw vijand, de duivel, zwerft rond als een brullende leeuw, zoekend naar een prooi (1 Petr. 5:8).” Er zijn namelijk drie redenen om waakzaam te zijn: vanwege de aanval van de vijand, vanwege een trouwe uitoefening van onze taak en vanwege het wonen in een zeer kwetsbaar huis. Op de eerste plaats moeten wij ons hoeden voor een aanval van de vijand; het leven van de mens op aarde is immers een vorm van krijgsdienst. Het gaat hierbij niet om een onnozele of onbeduidende zaak, maar om een zaak die het belangrijkst is van alles. En deze strijd voeren we uit onder de ogen van God, bij uitstek de hoogste veldheer die deze strijd van ons volgt, en Hij zal ten slotte lof toekennen aan eenieder die naar behoren gestreden heeft. En datgene wat zorgvuldige waakzaamheid in oorlogstijd in het kamp betekent, leren we wel van het voorbeeld van redeloze schepsels: Immers van kraanvogels is bekend dat zij de nachtelijke waakbeurten onderling verdelen en zo gaat het ook bij de konijnen, die, als ze uit hun holen tevoorschijn komen, met een groep naar hun wei rennen om te eten. Eén van hen houdt bij het eten steeds de wacht voor de hele groep en zodra hij iets vijandigs heeft opgemerkt, stampt hij uit alle macht met zijn poten op de grond en zorgt dat de hele groep door dat geluid op zijn hoede is. Op de tweede plaats moeten wij waakzaam zijn bij het uitvoeren van een taak vanwege het in ons gestelde vertrouwen.


[ad1] ministrationem sumus enim servi adventum domini observare iussi, nescientes qua sit dominus venturus. [2] Beatos autem novimus servos illos fore quos cum venerit dominus invenerit vigilantes, vigilabat servus ille vir secundum cor dei qui ait sicut oculi [3] servorum in manibus dominorum suorum et sicut oculi ancille in manibus domine sue, ita oculi nostri ad dominum deum nostrum, vigilant, qui vivunt quasi cotidie morituri novissima sua iugi memoria recolentes ut non peccent. Tertio nobis vigilandum est propter terrestrem et fragilem inhabitationem, securus enim dormire non potest, qui in domo iacet, que iam de proximo videtur minari ruinam, cuius iam iamque crepitum percipit et fragorem, quam insuper et latrones effodiunt a fundamentis, ut eam diripiant et illic repertos trucidant. Ita et nos qui inhabitanus domos luteas que terrenum habent fundamentum, vigilare necesse est, presertim quum per egrotationes et varios casus et inopinatos responsum mortis in nobis ipsis dietim accipiamus, quasi iam de proximo ruiture terrestris domus nostre (fragile corpus loquor) fragorem sentientes presertim quum fossor indefessus, assiduus scilicet temporis decursus, domum hanc latenter suffodiat. Ad hec diabolus ipse fur et latro, qui et ab initio homicida fuit, insidia tur ut perimat. Hec omnia iustam nobis vigilan di causam prebent, qui4 non de re ludicra agi-

1

TEKSTKRITIEK [ad] is op de vorige pagina opgegaan in de toevoeging als beschreven in annotatie 29. Voor de duidelijkheid hier door GOS toegevoegd. 2 VERWIJZING [Lucas 12] in de marge 3 VERWIJZING [Psalmorum 122] in de marge 4 TEKSTKRITIEK [qui] lees [quia]

Wij zijn immers knechten met de opdracht de komst van de Heer in de gaten te houden, terwijl we niet weten op welk tijdstip Hij zal komen. Wij weten echter dat alleen die knechten gelukkig zullen zijn “die de Heer bij zijn komst wakend zal aantreffen (Luc. 12:37).” De slaaf die waakzaam was volgens het hart van God, zei: ”Zoals de ogen van de knecht de handen van zijn meester volgen en de ogen van de dienares de handen van haar meesteres, zo volgen onze ogen de Heer onze God (Ps. 123).” Alleen zij zijn waakzaam die leven alsof zij iedere dag kunnen sterven, terwijl zij, om te voorkomen dat zij zondigen, voortdurend in gedachten bezig zijn met hun laatste dag. Op de derde plaats moeten wij waakzaam zijn vanwege onze aardse en kwetsbare woning. De man die in een huis ligt dat zo te zien op het punt staat om in te storten, kan immers niet rustig slapen. Hij hoort steeds al het scheuren en kraken van het huis. Bovendien hakken rovers er een gat in, net boven het fundament, om het huis te plunderen en degenen die ze daar aantreffen te vermoorden. Zo moeten ook zeker wij op onze hoede zijn, omdat we in lemen huizen wonen, die de aarde als fundament hebben en vooral omdat wij door ziektes en allerlei onverwachte gebeurtenissen dagelijks in onszelf een echo van de dood horen, alsof wij het gekraak horen van ons aardse huis (ik bedoel ons kwetsbare lichaam) dat op het punt staat in te storten. En vooral omdat een onvermoeibare graver, namelijk het gestage voortschrijden van de tijd, dit huis heimelijk ondergraaft. Daarbij ligt de duivel zelf, die een dief en een schurk was en vanaf het begin al een moordenaar, op de loer om ons om te brengen. Dit alles verschaft ons een gegronde reden om waakzaam te zijn, waarbij het niet om iets onnozels gaat,


ipsis semper inculcantes: “Quid superbis terra et cinis.” Secundo hortatur nos petrus ad vigilantiam dicens et vigilate. sic in alio loco: Sobrii estote, et vigilate: quia adversarius vester diabolus tamquam leo rugiens circuit, querens quem devoret: Vigilandum [1] autem est propter tria: propter hostilem impugnationem, fidelem administrationem et fragilissime domus inhabitationem. Primo vigilandum est nobis propter hostilem impugnationem, militia est enim vita hominis super terram. Agitur autem in hac militia non pro re ludicra aut vana, sed que omnium maxima est, idque geritur sub oculis dei, utique summi imperatoris certamen hoc nostrum spectantis, a quo tandem unicuique laus erit qui legittime decertaverit. Quod autem belli tempore sollicite in castris sit vigilandum, vel irrationabilium animantium exemplo docemur: Grues enim inter se vigilias noctis dividere noscuntur, similiter et inter cuniculos, quum ex antris suis prodeuntes, gregatim ad pastum procurrunt, eorum semper unus pro toto grege vigilias in pascuis observat, qui mox ut hostile quippiam perceperit, pode terram tota virtute pulsans gregem omnem sonitu cautum reddit. Secundo vigilandum est nobis propter fidem nobis commissam in administratione cuiuslibet offitii 2.

1 2

VERWIJZING [1. Petrus 5] in de marge INGREEP [fidelem] doorgehaald, [fidem … offitii] interlineair en in de marge

Hierbij moeten we onszelf voortdurend inprenten: “Wat verbeeld jij je, die aarde en as bent (Sir. 10:9).” Op de tweede plaats spoort Petrus ons aan tot waakzaamheid. Met de woorden “en weest waakzaam.” Op een andere plaats zegt hij het zo: “Wees waakzaam, wees op uw hoede, want uw vijand, de duivel, zwerft rond als een brullende leeuw, zoekend naar een prooi (1 Petr. 5:8).” Er zijn namelijk drie redenen om waakzaam te zijn: vanwege de aanval van de vijand, vanwege een trouwe uitoefening van onze taak en vanwege het wonen in een zeer kwetsbaar huis. Op de eerste plaats moeten wij ons hoeden voor een aanval van de vijand; het leven van de mens op aarde is immers een vorm van krijgsdienst. Het gaat hierbij niet om een onnozele of onbeduidende zaak, maar om een zaak die het belangrijkst is van alles. En deze strijd voeren we uit onder de ogen van God, bij uitstek de hoogste veldheer die deze strijd van ons volgt, en Hij zal ten slotte lof toekennen aan eenieder die naar behoren gestreden heeft. En datgene wat zorgvuldige waakzaamheid in oorlogstijd in het kamp betekent, leren we wel van het voorbeeld van redeloze schepsels: Immers van kraanvogels is bekend dat zij de nachtelijke waakbeurten onderling verdelen en zo gaat het ook bij de konijnen, die, als ze uit hun holen tevoorschijn komen, met een groep naar hun wei rennen om te eten. Eén van hen houdt bij het eten steeds de wacht voor de hele groep en zodra hij iets vijandigs heeft opgemerkt, stampt hij uit alle macht met zijn poten op de grond en zorgt dat de hele groep door dat geluid op zijn hoede is. Op de tweede plaats moeten wij waakzaam zijn bij het uitvoeren van een taak vanwege het in ons gestelde vertrouwen.


tur sed de salute anime. Dominus inquit: si sciret [1] pater familias qua hora fur veniret vigilaret utique et non sineret perfodi domum suam. Tertio admonet nos Petrus ut vigilemus in orationibus primo ergo videndum nobis quid sit oratio. Oratio inquit Chrysostomus est mentis elevatio ad deum. Cum ergo stamus ad orationem, nec secularis nec carnalis nos occupet cogitatio nec aliud quicquid animus verset, preter id quod precamur. Subrepit enim frequenter hostis et subtiliter fallens, ut aliud habeamus in corde, et aliud voce proferamus. Quibus dominus Iacobus petitis et non [2] accipitis eo quod male petatis. Legimus Abraham abegisse aves a suo sacrifitio [3] Oratio sacrifitium est deo. Unde David: Dirigatur oratio mea sicut incensum in conspectu tuo. [4] Huic sacrifitio maligni spiritus quasi immunde volucres insidiantur, quas tamen ignite mentis fervor propellit. Nam ut olle ferventi musce non insident, sic etiam intenta fervidaque mente precanti, inepte cogitationes non occurrunt. Tepide autem et somniculose precanti, quid a domino dicatur adverte: Scio opera tua quia neque frigidus es neque calidus [5] Utinam frigidus et calidus esses, sed quia

1 2 3 4 5

VERWIJZING VERWIJZING VERWIJZING VERWIJZING VERWIJZING

[Lucas 12] in de marge [Jacobus 4] in de marge [Genesis 15] in de marge [Psalmorum 140] in de marge [Apocalypsis 3] in de marge

maar om de redding van onze ziel. De Heer zegt: “[Besef wel] dat de heer des huizes niet in zijn huis zou hebben laten inbreken, als hij geweten had op welk uur de dief zou komen (Luc. 12:39).” Op de derde plaats adviseert Petrus ons om aandachtig te zijn in onze gebeden. We moeten eerst maar eens definiëren wat een gebed is. “Een gebed”, zegt Johannes Chrysostomus6, “is de verheffing van de geest naar God.” Wanneer wij dus bezig zijn met bidden, mag geen wereldse of vleselijke gedachte ons bezighouden en mag de geest aan niets anders denken dan aan de intentie van ons gebed. Vaak immers dringt de vijand heimelijk bij ons binnen en bedriegt ons op gewiekste wijze, waardoor wij iets anders in ons hart hebben dan we met onze stem uitspreken. Tot zulke mensen zegt apostel Jacobus: “En als u bidt, ontvangt u niets, omdat u verkeerd bidt (Jac. 4:3).” Wij lezen dat Abraham de vogels heeft weggejaagd van zijn offer (Gen. 15:11). Het gebed is een offer aan God. Daarom zegt David: “Laat mijn gebed voor u zijn als reukwerk (Ps. 141:2).” Dit offer wordt belaagd door kwalijke gedachten alsof het onreine vogels waren. Een gloedvolle geest verjaagt evenwel vurig die vogels. Want zoals vliegen niet gaan zitten op een gloeiende pot, zo dringen zich dan ook geen ongepaste gedachten op aan iemand die bidt met een aandachtige en vurige geest. Maar als iemand lauw en slaperig bidt, let op wat God tegen hem zegt: “Ik weet wat u doet, hoe u niet koud bent en niet warm. Was u maar koud of warm!

6

ACHTERGROND Johannes Chrysostomus (ca. 345 - 407), patriarch van Constantinopel.


tepidus es incipiam te evomere ex ore meo [1] Instantiam autem orationis insinuat nobis evangelica parabola de illo qui ab amico, iam in cubiculo suo clauso ostio quiescente, mutuo sibi dari perseveranter petiit tres panes, et per importunitatem obtinuit sibi necessarios panes Inducunt auten nos ad orandum tria presertim Divina liberalitas, nostra necessitas, orationis facilitas. 1. Divina liberalitas patet in multis primo in gratiosa adhortatione, qua nos ipse dominus [2] ad orationem inducit: petite et dabitur vobis, querite et invenietis. Rursus per prophetam: Invoca me in die tribulationis et eruam te, et honorificabis me. preterea patet in hoc divina liberalitas, quod sub patris nomine invocari vult a nobis, nam ita docuit discipulos precari: pater noster. 2. Porro necessitas nostra que nos compellit ut precamur triplex est: 1 prima est terrenorum impetratio [3] sunt enim tempolaralia4 hec subsidia ad eterna et idcirco ita petamus5 scilicet temporalia: videlicet, pacem, sanitatem liberos, amicos, temperiem aeris, terre fecunditatem

1 2 3 4 5

VERWIJZING [Lucas 11] in de marge VERWIJZING [Matthaeus 7] in de marge INGREEP [hec] doorgehaald TEKSTKRITIEK [tempolaralia] lees [temporalia] INGREEP [petanda sunt] doorgehaald, [petamus] interlineair

Maar nu u lauw bent zal ik u uitspuwen (Openb. 3: 15-16).” Volharding in het gebed wordt ons aanbevolen in de parabel uit het evangelie van de man die met grote aandrang zijn vriend, die al op bed ligt en zijn deur al gesloten heeft, vraagt om hem drie broden te leen te geven. Hij krijgt door zijn onbeschaamd gedrag de broden die hij nodig heeft (Luc. 11:59). Drie factoren in het bijzonder zorgen ervoor dat wij gaan bidden: de goddelijke mildheid, onze eigen noodzaak en het gemak van het bidden. 1. De goddelijke mildheid blijkt uit talloze dingen. In de eerste plaats uit de goedgunstige aansporing, waarmee de Heer zelf ons aan het bidden brengt: “Vraag en er zal je gegeven worden, zoek en je zal vinden (Mat. 7:7).” En nog eens bij monde van de profeet: “Roep mij te hulp in tijden van nood, ik zal je redden en je zult mij eren (Ps. 50:15).” Bovendien blijkt de goddelijke mildheid uit het feit dat Hij wil dat wij Hem onder de naam van vader aanroepen, want zo heeft Hij zijn leerlingen geleerd te bidden: “Onze Vader (Luc. 11:2).” 2. Verder is de eigen noodzaak die ons dwingt te bidden, drieërlei. 1. De eerste is het verkrijgen van aardse zaken. Deze aardse zaken zijn immers vergankelijke hulpmiddelen voor de eeuwige zaken en daarom vragen wij om vergankelijke zaken als vrede, gezondheid, kinderen, vrienden, goed weer en vruchtbaarheid van de grond.


non quod in his finem nostrum ponimus, ut in eisdem quiescamus, quasi tantum ad illa bona nati essemus, sed tantum ut adminicula huius vite sine quibus nec vita diu subsistere posset. 2 Secunda est evitatio periculorum, quibus nostra mortis conditio subiecta est. In medio quippe laqueorum sumus, sumus ut peregrini in deserto, quibus per latrones, per feras, per venenosa animalia transeundum est. Sumus ut milites certamen anceps depugnantes. [31] Tertia necessitas divinorum acquisitio id est gratie in presenti et glorie in futuro que a solo deo conferuntur, nec aliter ea, nisi per sanctum desiderium et orationem a deo possumus obtinere. [32] Tertium quod nobis orationis virtutem et studium commendat est ipsius facilitas, ita ut omnino sint inexcusabiles qui deum non orant. Si ergo cuipiam dicatur, Iejuna, dicet fortasse non possum, infirmus sum enim, si dicatur ei: fac elemosinam, recusabit forsan et dicet: non pos sum quia pauper sum. Si dicatur ei visita templum, dicet fortassis: non possum debilis sum pedibus. Si dicitur ei: ora, nulla superest excusatio quia etsi non voce, corde saltem orare potest.

1 2

TEKSTKRITIEK [3] aanvulling ontbrekende nummering TEKSTKRITIEK [3] aanvulling ontbrekende nummering

3.

Niet omdat wij hierin ons doel leggen, zodat we daarin kunnen rusten, alsof we alleen voor die goederen geboren zouden zijn, maar slechts als hulpmiddelen voor dit leven. Zonder die hulpmiddelen zou het leven zelfs niet langer kunnen voortduren. 2. De tweede is het vermijden van gevaren, waaraan onze sterfelijke aard is blootgesteld. Wij bevinden ons immers te midden van valstrikken, we zijn als pelgrims in een woestijn, die daar doorheen moeten trekken langs rovers, wilde dieren en giftige beesten. Wij zijn als soldaten die een onbesliste strijd voeren. 3. De derde noodzaak is het verwerven van goddelijke gaven ofwel genade in de huidige tijd en zaligheid in ons toekomstig leven, die door God alleen worden verleend. Wij kunnen die op geen andere wijze van God verkrijgen dan door een vroom verlangen en gebed. De derde reden waarom Hij ons een vastberaden uitvoering van het gebed aanbeveelt, is het gemak ervan. Het is zelfs zo gemakkelijk dat er volstrekt geen enkel excuus is voor degenen die niet tot God bidden. Want als er tegen iemand gezegd wordt, ga vasten, dan zegt hij misschien dat kan ik niet want ik ben ziek. Als er tegen hem gezegd wordt, geef een aalmoes, dan zal hij misschien weigeren en zeggen, dat kan ik niet omdat ik arm ben. Als er tegen hem gezegd wordt bezoek de kerk, dan zegt hij misschien, dat kan ik niet, ik ben slecht ter been. Maar als er tegen hem gezegd wordt “bid�, dan rest hem geen enkel excuus, omdat hij in ieder geval wel met zijn hart kan bidden, als hij het niet met zijn mond zou kunnen.

Profile for Gouda op Schrift

Preek op de 6e zondag na Pasen  

Preek op de 6e zondag na Pasen

Preek op de 6e zondag na Pasen  

Preek op de 6e zondag na Pasen