Page 1

Preek op de zesde zondag na Pasen


Dominica sexta post pascha, 1 Petrus 4 Estote prudentes et vigilate in orationibus Ante omnia autem mutuam in vobismetipsis charitatem continuam habentes, quia charitatem operit multitudinem peccatorum 1 Petrus 4. In his verbis a domino Petro quattuor tres nobis anime virtutes commendantur que necessarie sunt ad salutem. videlicet prudentiam vigilantiam, instantiam in oratione. et charitatem primo commendat nobis prudentiam. Est autem duplex prudentia, virtuosa et vitiosa. Virtuosa est, que cum simplicitate coniuncta est, ad quam nos dominus hortatur inquiens: Estote prudentes sicut (Math. 10) serpentes et simplices sicut columbe.(ecce ego mitto vos sicut oves in medio luporum estote ergo prudentes sicut serpentes et simplices sicut columbae) Ad idem respicit quod loquitur deus ad per prophetam Hieremiam inquiens: (Jeremias, 31, 27) seminabo domum Israhel et domum Iuda semine hominum et semine iumentorum. Homines enim sunt ad quos pertinet prudentia, iumenta ad quos simplicitas. Quod autem hij qui in utraque parte recte versati sunt beatitudinem consequantur, psalmista sub eadem verborum metaphora testatus est dicens: 38, homines et iu-

De zesde zondag na Pasen 1 Petrus 4 Kom daarom tot bezinning en wees helder van geest, zodat u kunt bidden. (Hebt elkaar voor alles innig lief, want liefde bedekt tal van zonden.)1 1 Petrus 4, 7-8.2 In deze woorden beveelt onze heer Petrus ons drie geestelijke deugden aan die noodzakelijk zijn voor ons geestelijk heil: namelijk bezonnenheid, waakzaamheid, volharding in het gebed.3 Op de eerste plaats beveelt hij ons bezonnenheid aan, maar er zijn twee vormen van bezonnenheid: deugdzame en aanmatigende bezonnenheid. Deugdzame bezonnenheid gaat gepaard met eenvoud. Hiertoe spoort de Heer ons aan met de woorden: Wees dus scherpzinnig als een slang maar behoudt de onschuld van een duif. (Mattheus 10, 16) Op ditzelfde doelen ook de woorden van de Heer, wanneer hij spreekt door de mond van de profeet Jeremia:

1

Deze zin en daarmee het thema liefde wordt uit de titel geschrapt. Vertalingen van Bijbelcitaten zijn ontleend aan de nieuwe Bijbelvertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap. 3 Hier verandert hij vier in drie en schrapt ook hier de liefde. 2


menta salvabis domine. prudentiam ergo bonam servabis si rei quam aggressurus es exitum consideraveris, et cuncta consilio ac ratione fueris mensus. Turrim in evangelio (Lucas 14) edificaturus prius sumptus computare (docet Christus) ne posito fundamento imperfectum opus cogatur relinquere, pateatque ludibrio (subsannantium et dicentium hic homo cepit edificare et non potuit consummare. prudens eris si subinde discutias conscientiam tuam, si quoties a somno ex(s)urgis quid acturus sis cogitas quoties cubitum vadis quid egeris, quid omiseris, in quo excideris tecum examinas utque deinceps cautius incedas. prudentia autem vitiosa est quam detestatur Esaias inquiens: Ve qui sapientes estis in oculis vestris et coram vobismet ipsis prudentes. (Jesaia 5, 21) Et Paulus: nolite prudentes apud vos ipsos (Romeinen, 12, 16). Et iterum, prudentia carnis mors est deo inimica (Romeinen 8, 6 en 7) Quam autem prudentiam discere debeamus ostendit Salomon, nos eam petere debere a mutis animantibus inquiens: Vade ad formicam, o piger, et considera vias eius et disce ab ea sapientiam que cum non habeat ducem

(De dag zal komen dat ik) Israël en Juda zal inzaaien met mensen en met dieren. (Jeremia 31, 27) Het zijn immers de mensen op wie bezonnenheid van toepassing is en dieren waarop eenvoud betrekking heeft. Dat namelijk zij die in beide opzichten zaligheid bereiken, daarvan getuigt de Psalmdichter met dezelfde beeldspraak, wanneer hij zegt: U, Heer, bent de redder van mens en dier. (Psalm 36, 7). Het zal dus van de goede bezonnenheid getuigen als je het resultaat van de zaak waar je aan gaat beginnen van tevoren overdacht hebt en alles met raad en rede hebt afgewogen. Christus leert ons in het evangelie dat wie een toren wil bouwen, de kosten van tevoren moet berekenen om te voorkomen dat hij na het leggen van het fundament gedwongen wordt het werk onvoltooid te laten en bloot staat aan de spot van mensen die hem uitlachen en zeggen: deze man is begonnen met bouwen, maar heeft het niet af kunnen maken. Je getuigt van bezonnenheid, als je regelmatig zelfonderzoek doet, als je telkens als je als je wakker wordt overdenkt wat je van plan bent te doen, als je telkens wanneer je gaat slapen bij jezelf onderzoekt wat je hebt gedaan, wat je hebt nagelaten te doen, in welk opzicht je tekort bent geschoten met het doel vervolgens voorzichtiger te werk te gaan. Aanmatigende bezonnenheid is die welke Jesaja afwijst met de woorden: “Wee degenen die wijs zijn in eigen ogen, die naar eigen oordeel verstandig zijn.” (Jesaja 5, 21) En Paulus: “Ga niet af op uw eigen inzicht” (Romeinen 12,16). En nog een keer: “Wat onze eigen natuur wil brengt de dood … Onze eigen wil staat vijandig tegenover God.” (Romeinen 8, 6-7) Salomon toont ons de bezonnenheid die wij ons eigen moeten maken, die wij moeten zoeken bij de stomme beesten, wanneer hij zegt: Ga naar de mieren, luiaard, kijk hoe ze werken en wordt wijs.


nec preceptorem, nec principem parat in estate cibum sibi et congregat in messe quod comedat Spreuken 6,6. huius ergo animantis exemplo prudenter in futurum nobis prospicere debemus quemadmodum villicus ille faciebat qui timebat Lucas 16 sibi auferri villicationem . Qui id repperit consilli. Et dum adhuc rerum domini sui potietur, amicos sibi inde comparavit qui amotum a villicatione reciperent in domos suas. Sic et nos operari debemus (necesse) dum tempus habemus, cibum paremus qui non perit sed qui permanet in eternum. Veniet enim nox qua nemo poterit operari. Eodem modo dominus ipse adhortatur nos ad prudentiam discendam ex bruto animante: Estote prudentes sicut serpentes Mattheus 10,16, Est autem triplex serpentis prudentia nobis imitanda 1. prima est sollicita capitis sui custoditio tuitio, omnia enim membra exponit ut caput suum tueatur Unde per aquam elevato natat capite ne suffocetur Quo nimirum docemur de salute anime proprie (que potissima et sublimior hominis pars est) solliciti esse debere. Iuxta quod per Salomonem dicitur omni custodia serva cor tuum quia ex ipso vita procedit Spreuken 4, 23 et in deutero[no]mio 4(, 9) animam tuam sollicite serva. 2. Alia serpentis prudentia est sui ipsius renovatio dicunt quippe serpentem ipsum dum senio gravatus

Hoewel er onder hen geen leider is, geen aanvoerder, geen koning, halen ze in de zomer voedsel binnen, leggen ze in de oogsttijd een voorraad aan. (Spreuken 6, 6-7). Naar het voorbeeld van dit schepsel moeten wij voorzorgen nemen voor onze toekomst, zoals die rentmeester in Lucas 16 deed, die vreesde dat zijn baan als rentmeester hem ontnomen zou worden. Hij bedacht het volgende plan. Zolang hij nog het beheer had over de zaken van zijn meester, zorgde hij dat hij vrienden maakte die hem in hun huis zouden ontvangen als hij zijn baan als rentmeester zou hebben verloren. Zo moeten ook wij iets goeds bewerkstelligen zolang we nog tijd hebben, laten we voor voedsel zorgen dat niet vergaat, maar tot in eeuwigheid blijft. Want de nacht zal komen waarin niemand kan werken. Op dezelfde manier spoort de Heer zelf ons aan om bezonnenheid te leren van een redeloos schepsel: “Wees dus scherpzinnig als een slang”. (Mattheus 10, 16). Er zijn wel drie vormen van scherpzinnigheid van een slang die wij moeten navolgen: 1. De eerste is de zorgvuldige bescherming van zijn kop. Hij zet immers al zijn ledematen in om zijn kop te beschermen.4 Daarom zwemt hij met opgeheven kop door het water om te voorkomen dat hij verdrinkt. Daaruit leren wij natuurlijk dat wij zorgvuldig moeten omgaan met ons eigen zielenheil, de ziel is immers het belangrijkste en meest verheven deel van de mens. Naast ook de uitspraak van Salomo: “Van alles waarover je waakt, waak vooral over je hart, het is de bron van je leven.” (Spreuken 4, 23). En ook in Deuteronomium 4, 9: “Wees gewaarschuwd en neem u zorgvuldig in acht.” 2. Een andere bezonnenheid van de slang is het vermogen om zichzelf te verjongen.

4

De kennis van de natuur haalde men in de Middeleeuwen graag uit zogenoemde Bestiaria. Een Bestiarium is een soort encyclopedie waarin bekende en onbekende planten en dieren werden besproken. Een voorbeeld daarvan is Der naturen bloeme, van Jacob van Maerlant. In het zesde boek vertelt hij over slangen: “Als een slang zichzelf in het nauw gedreven ziet, vangt hij om zijn kop te redden de slagen op met zijn hele lichaam; als zijn kop ongedeerd blijft, behoudt hij het leven.” Vertaling van Peter Burger, in Jacob van Maerlant, Het boek der natuur, Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1995.


grossitie cutis suam percipit tardari agilitatem hausta fontis aqua non modica per auctos in acuta petra meandros sese violenter traiicere illicque abrupta pelle veteri denuo renovari ut ad pristine agilitatis suae motus restitui possit. moraliter Hanc prudentiam imitari debet homo, ut exuat veterem hominem, qui corrumpitur secundum desideria erroris, hauriat e fonte sapientie (quod est verbum dei) aquam vite, que sitim perpetuam potis est exstinguere. Petram proinde querat id est Christum petram utique acutam, que tam ipsius imitatione vite quam informatione doctrine in aucto penitentie salutaris vitiose consuetudinis exuat vetustatem, et quum effuderit omne peccati virus in confessione, tum rursus spiritu mentis sue renovatus induat novum hominem qui secundum deum creatus est. 3. Tertia serpentis sapientia est cauta sui euasio. serpens enim presertim ille qui aspis dicitur, hac ad sui tuitionem vigere prudentia dicitur, quod mox cum percipit incantatorem, ne forte vi carminum antrum suum egrediatur et in venatoris casses (val, strik) incidens capiatur, aures sibi obturat, alteram cauda alteram terra. Et sicut aspis surda et obturans (dichtstoppen) aures suas non exaudit vocem incantantium et venefici incantantis sapienter. Hanc prudentiam imitari debemus ne diaboli incantantis exaudientes suadelam (overreding, verlokking) incidamus in casses ipsius aures mentis nostre cauda id est finis nostri sollicita consideratione, et terra id est corporee fragilitatis et vilitatis agnitione obturemus. Illud nobis

Men zegt namelijk dat de slang, wanneer hij geplaagd door ouderdom bemerkt dat zijn bewegelijkheid minder wordt door de stugheid van zijn huid, een behoorlijke hoeveelheid water drinkt uit een bron en met opgezwollen kronkelingen tegen een scherpe steen zichzelf met geweld open schuurt en dat hij daar na het afstropen van zijn oude huid weer verjongd wordt, zodat hij de bewegingen die bij zijn oude wendbaarheid hoorden weer kan terugkrijgen. De moraal hiervan is: Deze bezonnenheid dient de mens na te bootsen, dat hij de oude mens uittrekt, die bedorven raakt door de zondige verlangens, dat hij uit de bron van de wijsheid (dat is het woord van God) het levenswater drinkt, dat in staat is de altijddurende dorst te lessen. Laat hij vervolgens een steen zoeken, dat is Christus, de steen die vooral scherp is, die zowel door de navolging van diens leven, als door het begrip van zijn leer in de groei van een heilzaam berouw de oude huid van een zondige gewoonte verwijdert. 3. De derde wijsheid van de slang is de voorzichtige wijze waarop hij naar buiten komt. Immers vooral die slang die men adder noemt, is naar men zegt heel sterk in de bescherming van zichzelf door de volgende slimheid: zodra hij een slangenbezweerder hoort, bedekt hij zijn oren, om te voorkomen dat hij door de aantrekkingskracht van diens muziek zijn hol verlaat en in de strik van de jager terechtkomt en gevangen wordt, een oor met zijn staart en het andere met de grond.5 En net als de dove adder die ook nog zijn oren bedekt de stem van slangenbezweerders en van de slim fluitende jager niet hoort, zo moeten wij deze slimheid nabootsen om te voorkomen dat wij luisterend naar de lokroep van de duivel in zijn strik vallen. Laten wij onze oren bedekken met onze staart, ofwel de ernstige overweging van ons levenseinde en met aarde, ofwel het erkennen van de broosheid en de geringe waarde van ons lichaam., terwijl we onszelf voortdurend inprenten: “Wat verbeeld jij je die aarde en as bent.6”

5

Jacob van Maerlant over de adder: “maar het beest is zo doortrapt dat het zijn ene oor dichtstopt met zijn staart en het andere stevig tegen de grond drukt zodra het de slangenbezweerder hoort naderen, zodat het niets meer kan horen.” 6 Jezus Sirach 10, 8 Hier is de tekst: Stof en as is de mens, waarom is hij hoogmoedig?


ipsis semper inculcantes: “Quid superbis terra et cinis.” Secundo hortatur nos petrus ad vigilantiam dicens et vigilate. sic in alio loco: Sobrii estote, et vigilate: quia adversarius vester diabolus tamquam leo rugiens circuit, querens quem devoret: 1 Petrus 5, 8 vigilandum autem est propter tria: propter hostilem impugnationem, fidelem administrationem et fragilissime domus inhabitationem. primo vigilandum est nobis propter hostilem impugnationem, militia est enim vita hominis super terram. Agitur autem in hac militia non pro re ludicra aut vana, sed que omnium maxima est, idque geritur sub oculis dei, utique summi imperatoris certamen hoc nostrum spectantis, a quo tandem unicuique laus erit qui legittime decertaverit. Quod autem belli tempore sollicite in castris sit vigilandum, vel irrationabilium animantium exemplo docemur: Grues enim inter se vigilias noctis dividere noscuntur, similiter et inter cuniculos, quum ex antris suis prodeuntes, gregatim ad pastum procurrunt, eorum semper unus pro toto grege vigilias in pascuis observat, qui mox ut hostile quippiam perceperit, pode terram tota virtute pulsans gregem omnem sonitu cautum reddit. Secundo vigilandum est nobis propter fidelem fidem nobis commissam in administratione cuiuslibet offitii

Op de tweede plaats spoort Petrus ons aan tot waakzaamheid. Met de woorden “en weest waakzaam.” Op een andere plaats zegt hij het zo (1 Petrus 5, 8): “Wees waakzaam, wees op uw hoede, want uw vijand, de duivel zwerft rond als een brullende leeuw, zoekend naar een prooi.” Er zijn namelijk drie redenen om waakzaam te zijn: vanwege de aanval van de vijand, vanwege een trouwe uitoefening van onze taak en vanwege het wonen in een zeer kwetsbaar huis. Op de eerste plaats moeten wij ons hoeden voor een aanval van de vijand, het leven van de mens op aarde is immers een vorm van krijgsdienst. Het gaat bij deze krijgsdienst niet om een onnozele of onbeduidende zaak, maar om een zaak die het belangrijkst is van alles. En deze strijd voeren we uit onder de ogen van God, bij uitstek de hoogste veldheer die deze strijd van ons volgt, en Hij zal tenslotte lof toekennen aan eenieder die naar behoren gestreden heeft. En wat zorgvuldige waakzaamheid in oorlogstijd in het kamp betekent, leren we wel van het voorbeeld van redeloze schepsels: immers van kraanvogels is bekend dat zij de nachtelijke waakbeurten onderling verdelen7 en zo gaat het ook bij de konijnen, die als ze uit hun holen tevoorschijn komen, met een groep naar hun wei rennen om te eten. Een van hen houdt bij het eten steeds de wacht voor de hele groep en zodra hij iets vijandigs heeft opgemerkt, stampt hij uit alle macht met zijn poot op de grond en zorgt dat de hele groep door dat geluid op zijn hoede is. Op de tweede plaats moeten wij waakzaam zijn vanwege het in ons gestelde vertrouwen betreffende het uitvoeren van een taak.

7

Deze bijzonderheid over de kraanvogels wordt in verschillende Bestiaria vermeld, o.a. in Liber de Natura rerum van Thomas de Cantimpré.


[ad]ministrationem sumus enim servi adventum domini observare iussi, nescientes qua sit dominus venturus. Beatos autem novimus servos illos fore quos cum venerit dominus invenerit vigilantes, vigilabat servus ille vir secundum cor dei qui ait sicut oculi Psalm 123 servorum in manibus dominorum suorum et sicut oculi ancille in manibus domine sue, ita oculi nostri ad dominum deum nostrum, vigilant, qui vivunt quasi cotidie morituri novissima sua iugi memoria recolentes ut non peccent. Tertio nobis vigilandum est propter terrestrem et fragilem inhabitationem, securus enim dormire non potest, qui in domo iacet, que iam de proximo videtur minari ruinam, cuius iam iamque crepitum percipit et fragorem, quam insuper et latrones effodiunt a fundamentis, ut eam diripiant et illic repertos trucidant. Ita et nos qui inhabitanus domos luteas que terrenum habent fundamentum, vigilare necesse est, presertim quum per egrotationes et varios casus et inopinatos responsum mortis in nobis ipsis dietim accipiamus, quasi iam de proximo ruiture terrestris domus nostre (fragile corpus loquor) fragorem sentientes presertim quum fossor indefessus, assiduus scilicet temporis decursus, domum hanc latenter suffodiat.Ad hec diabolus ipse fur et latro, qui et ab initio homicida fuit, insidia tur ut perimat. Hec omnia iustam nobis vigilan di causam prebent, qui<a> non de re ludicra agi-

Wij zijn immers knechten met de opdracht de komst van de Heer in de gaten te houden, terwijl we niet weten op welk tijdstip de Heer zal komen. Wij weten echter dat die knechten gelukkig zullen zijn die de Heer bij zijn komst wakend zal aantreffen (Lucas 12, 37). Die slaaf waas waakzaam naar het hart van God, de man die zei: â&#x20AC;?zoals de ogen van de knechten de handen van hun meesters volgen en de ogen van de dienares de handen van haar meesteres, zo volgen onze ogen de Heer onze God. Zij zijn waakzaam die leven alsof zij iedere dag kunnen sterven, terwijl zij voortdurend in gedachten bezig zijn met hun laatste dag, om te voorkomen dat zij zondigen. Op de derde plaats moeten wij waakzaam zijn vanwege onze aardse en kwetsbare woning. Die man kan immers niet rustig slapen, die in een huis ligt, dat zo te zien op het punt staat om in te storten. Hij hoort steeds al het scheuren en kraken van het huis, bovendien hakken rovers er een gat in net boven het fundament, om het huis te plunderen en degenen die ze daar aantreffen te vermoorden. Zo moeten ook wij op onze hoede zijn, wij die in lemen huizen wonen, die de aarde als fundament hebben, vooral omdat wij door ziektes en allerlei onverwachte gebeurtenissen dagelijks in onszelf een echo van de dood horen, alsof wij het gekraak horen van ons aardse huis (ik bedoel ons kwetsbare lichaam) dat op het punt staat in te storten, vooral omdat een onvermoeibare graver, ofwel het gestage voortschrijden van de tijd, dit huis heimelijk ondergraaft. Daarbij ligt de duivel zelf, een dief en een schurk, die vanaf het begin al een moordenaar was, op de loer om ons om te brengen. Dit alles verschaft ons een gegronde reden om waakzaam te zijn, waarbij het niet om iets onnozels, maar om de redding van onze ziel gaat.


tur sed de salute anime. Dominus inquit: si sciret pater familias qua hora fur veniret vigilaret Lcas 12, 39 utique et non sineret perfodi domum suam. Tertio admonet nos Petrus ut vigilemus in orationibus primo ergo videndum nobis quid sit oratio. Oratio inquit Chrysostomus est mentis elevatio ad deum. Cum ergo stamus ad orationem, nec secularis nec carnalis nos occupet cogitatio nec aliud quicquid animus verset, preter id quod precamur. Subrepit enim frequenter hostis et subtiliter fallens, ut aliud habeamus in corde, et aliud voce proferamus. Quibus dominus Iacobus petitis et non Jacobus 4,3 accipitis eo quod male petatis. Legimus Abraham abegisse aves a suo sacrifitio Genesis 15, 11 Oratio sacrifitium est deo. Unde David: 140, 2 Dirigatur oratio mea sicut incensum in conspectu tuo. Huic sacrifitio maligni spiritus quasi immunde volucres insidiantur, quas tamen ignite mentis fervor propellit. Nam ut olle ferventi musce non insident, sic etiam intenta fervidaque mente precanti, inepte cogitationes non occurrunt. Tepide autem et somniculose precanti, quid a domino dicatur adverte: Apocalyps 3, 15 Scio opera tua quia neque frigidus es neque calidus Utinam frigidus et calidus esses, sed quia

De Heer zegt (Lucas 12, 39): “(Besef wel), als de heer des huizes had geweten op welk uur de dief zou komen, dan zou hij niet in zijn huis hebben laten inbreken.” Op de derde plaats adviseert Petrus ons om aandachtig te zijn in onze gebeden. We moeten dus eerst maar eens definiëren wat een gebed is. “Een gebed, ”zegt Johannes Chrysostomus8, “is de verheffing van de geest naar God. Wanneer wij dus bezig zijn met bidden, mag geen wereldse of vleselijke gedachte ons bezighouden en mag de geest aan niets anders denken dan aan de intentie van ons gebed. Vaak immers dringt de vijand heimelijk bij ons binnen en bedriegt ons op gewiekste wijze, waardoor wij iets anders in ons hart hebben dan we met onze stem uitspreken. Tot zulke mensen zegt de apostel Jacobus: “En als u bidt, ontvangt u niets, omdat u verkeerd bidt. (Jacobus 4, 3). Wij lezen dat Abraham de vogels heeft weggejaagd van zijn offer (Genesis 15, 11). Het gebed is een offer aan God. Daarom zegt David in Psalm 141, 2: “laat mijn gebed voor u zijn als reukwerk.” Dit offer wordt belaagd door kwalijke gedachten als waren het onreine vogels, die een gloedvolle geest evenwel vurig verjaagt. Want zoals vliegen niet gaan zitten op een gloeiende pot, zo dringen zich ook aan iemand die bidt met een aandachtige en vurige geest, geen ongepaste gedachten op. Maar als iemand lauw en slaperig bidt, let op wat God tegen hem zegt: Ik weet wat u doet, hoe u niet koud bent en niet warm. Was u maar koud of warm! Maar nu u lauw bent <in plaats van warm of koud> zal ik u uitspuwen. (Openbaringen 3, 15 - 16)

8

De heilige Johannes Chrysostomus (Grieks: Ιωάννης ο Χρυσόστομος; Nederlands (verouderd): Sint-Jan Guldenmond) (Antiochië, ca. 345 - Comana, in Pontus, 14.9.407) was een beroemd prediker, aartsbisschop van Constantinopel, van 26 februari 398 tot 403. Hij is een van de kerkvaders en werd in 1568 verheven tot kerkleraar.


tepidus es incipiam te evomere ex ore meo Instantiam autem orationis insinuat nobis evan gelica parabola de illo qui ab amico, iam in cubiculo suo clauso ostio quiescente, mu tuo sibi dari perseveranter petiit tres panes, et per importunitatem obtinuit sibi necessarios panes Lucas 11, 5 Inducunt auten nos ad orandum tria presertim Divina liberalitas, nostra necessitas, orationis facilitas. Divina liberalitas patet in multis primo in gratiosa adhortatione, qua nos ipse dominus ad orationem inducit: petite et dabitur vobis, querite et invenietis Mattheus 7, 7. Rursus per prophetam: Invoca me in die tribulationis et eruam te, et honorificabis me, Psalm 49, 15. preterea patet in hoc divina liberalitas, quod sub patris nomine invocari vult a nobis, nam ita docuit discipulos precari: pater noster.Lucas 11. 2. Porro necessitas nostra que nos compellit ut precamur triplex est: prima est terrenorum impetratio hec sunt enim tempo[la]ralia hec subsidia ad eterna et idcirco ita petanda suntamus scilicet temporalia: videlicet, pacem, sanitatem liberos, amicos, temperiem aeris, terre fecunditatem

Volharding in het gebed wordt ons gesuggereerd door de parabel uit het evangelie van de man die met grote aandrang zijn vriend, die al op bed ligt en zijn deur al gesloten heeft, vraagt om hem drie broden te leen te geven en die door zijn onbeschaamd gedrag de broden krijgt die hij nodig heeft. (Lucas 11, 5 - 9) Drie factoren in het bijzonder zorgen ervoor dat wij gaan bidden: de goddelijke mildheid, onze eigen noodzaak en het gemak van het bidden. De goddelijke mildheid blijkt uit talloze dingen. In de eerste plaats uit de goedgunstige aansporing, waarmee de Heer zelf ons aan het bidden brengt: “Vraag en er zal je gegeven worden, zoek en je zal vinden.” (Mattheus 7, 7) En nog eens bij monde van de profeet: “Roep mij te hulp in tijden van nood, ik zal je redden en je zult mij eren.” (Psalm 50, 15) Bovendien blijkt de goddelijke mildheid uit het feit dat Hij wil dat wij Hem onder de naam van vader aanroepen, want zo heeft hij zijn leerlingen geleerd te bidden: “Onze Vader”. (Lucas 11, 2) 2. Verder is de eigen noodzaak die ons dwingt om te bidden drieërlei. De eerste is het verkrijgen van aardse zaken, deze aardse zaken zijn immers vergankelijke hulpmiddelen voor de eeuwige zaken en daarom vragen wij zo om vergankelijke zaken als vrede, gezondheid, kinderen, vrienden, goed weer, vruchtbaarheid van de grond;


non quod in his finem nostrum ponimus, ut in eisdem quiescamus, quasi tantum ad illa bona nati essemus, sed tantum ut adminicula huius vite sine quibus nec vita diu subsistere posset. Secunda est evitatio periculorum, quibus nostra mortis conditio subiecta est. In medio quippe laqueorum sumus, sumus ut peregrini in deserto, quibus per latrones, per feras, per venenosa animalia transeundum est. Sumus ut milites certamen anceps depugnantes. Tertia necessitas divinorum acquisitio id est gratie in presenti et glorie in futuro que a solo deo conferuntur, nec aliter ea, nisi per sanctum desiderium et orationem a deo possumus obtinere. Tertium quod nobis orationis virtutem et studium commendat est ipsius facilitas, ita ut omnino sint inexcusabiles qui deum non orant. Si ergo cuipiam dicatur, Iejuna, dicet fortasse non possum, infirmus sum enim, si dicatur ei: fac elemosinam, recusabit forsan et dicet: non pos sum quia pauper sum. Si dicatur ei visita templum, dicet fortassis: non possum debilis sum pedibus. Si dicitur ei: ora, nulla superest excusatio quia etsi non voce, corde saltem orare potest.

niet omdat wij hierin ons doel leggen, zodat we daarin kunnen rusten, alsof we alleen voor die goederen geboren zouden zijn, maar slechts als hulpmiddelen voor dit leven. Zonder die hulpmiddelen zou het leven zelfs niet langer kunnen voortduren. De tweede is het vermijden van gevaren, waaraan onze sterfelijke natuur is blootgesteld. Wij bevinden ons immers te midden van valstrikken, we zijn als pelgrims in een woestijn, die daar doorheen moeten trekken langs rovers, wilde dieren en giftige beesten. Wij zijn als soldaten die een onbesliste strijd voeren. De derde noodzaak is het verwerven van goddelijke gaven ofwel genade in de huidige tijd en zaligheid in ons toekomstig leven, die door God alleen worden verleend en wij kunnen die op geen andere wijze van God verkrijgen dan door een vroom verlangen en gebed. De derde reden waarom hij ons een vastberaden uitvoering van het gebed aanbeveelt is het gemak ervan. Het is zelfs zo gemakkelijk dat er volstrekt geen enkel excuus is voor degenen die niet tot God bidden. Want als er tegen iemand gezegd wordt, ga vasten, dan zegt hij misschien dat kan ik niet want ik ben ziek. Als er tegen hem gezegd wordt, geef een aalmoes, dan zal hij misschien weigeren en zeggen, dat kan ik niet omdat ik arm ben. Als er tegen hem gezegd wordt bezoek de kerk, dan zegt hij misschien, dat kan ik niet, ik ben slecht ter been. Maar als er tegen hem gezegd wordt, bid, dan rest hem geen enkel excuus, omdat hij zo niet met zijn mond tenminste met zijn hart kan bidden.

Preek op de 6e zondag na Pasen  

Preek op de 6e zondag na Pasen

Preek op de 6e zondag na Pasen  

Preek op de 6e zondag na Pasen